reactie
Efficiency van pensioenfondsen
Bikker en De Dreu (BD) hebben in ESB van 22 september
jongstleden een artikel geschreven over efficiency van
pensioenfondsen.
C
Piet van der Graaff
Secretaris Toezicht en
Financiële Markten bij
de Stichting voor OnderÂ
nemingspensioenfondsen
te ‘s-Gravenhage.
572
ESB 3
entrale boodschap is de aanwezigheid van
aanzienlijke schaaleffecten. Kleinere pensioenÂ
fondsen hebben hogere bedrijfskosten dan
grotere pensioenfondsen. De bedrijfskosten
worden afgemeten aan de hand van twee criteria,
kosten per eenheid belegd vermogen en per actieve
deelnemer. Naast schaalgrootte is er ook gekeken naar
het type pensioenfonds (ondernemingspensioenfonds
en bedrijfstakpensioenfonds). Na correctie van verÂ
schillen blijken laatstgenoemde lagere bedrijfskosten
te hebben, volgens BD met name te verklaren uit de
uniformiteit van bedrijfstakregelingen en lagere kosten
bij waardeoverdracht. De teneur van het artikel is dat
vanuit het perspectief van beperking van bedrijfskosten
schaalvergroting en meer transparantie gewenst is.
Op zich is het geen verrassende conclusie dat kleinere
fondsen hogere gemiddelde bedrijfskosten hebben.
Alle pensioenfondsen (groot en klein) moeten immers
voldoen aan eisen en voorschriften uit hoofde van de
wetgever (of de toezichthouder). Bij grote fondsen
kan de vaste component hierin over meer deelnemers
worden verdeeld. De verschillen liggen overigens in de
orde van grootte van enkele honderdsten van procenÂ
ten (kolom 2 van tabel 2). De 27 procent die in het
artikel wordt genoemd is dus (veel) te groot.
Bij de meting van bedrijfskosten zijn kanttekeningen te
plaatsen. In het artikel wordt erop gewezen dat een deel
van de kosten niet direct zichtbaar is omdat, met name
bij ondernemingspensioenfondsen, de werkgever deze
draagt. Een andere aangedragen oorzaak is de factor
beleggingskosten (vermogensbeheer); de rapportage
hierover in de zogenaamde ‘verslagstaten’ kan per fonds
verschillen (zonder dat er de facto een verschil is).
De vraag is of deze kanttekeningen recht doen aan de
vele schakeringen die er zijn. Er wordt gewerkt met
kosten per deelnemer (actief, slaper en pensioengeÂ
rechtigde). De kosten voor een actieve deelnemer zijn
evenwel niet te vergelijken met die voor een slaper of
een gepensioneerde. Een verfijning waarin rekening
wordt gehouden met de relatieve aandelen van deze
groepen en het vermogen per deelnemer ligt in de
rede. Een andere relevante invalshoek is de achterÂ
grond van de kostenontwikkeling. In welke mate worÂ
den de kosten veroorzaakt door toenemende wettelijke
bepalingen en eisen die vanuit het toezicht worden
gesteld? En welk aandeel van de bedrijfskosten wordt
besteed aan (commerciële) uitvoerders en adviseurs?
Ook zijn relevant de kosten in relatie tot de wensen
van de afnemers (werknemers en werkgevers). De
kosten van een pensioenfonds met een relatief goed
serviceniveau kunnen hoger uitvallen dan van een
pensioenfonds zonder een dergelijke rol. Tot slot wordt
november 2006
de uiteenlopende performance op het terrein van
beleggingsresultaten niet in de vergelijking betrokken.
Ook dit is een relevant gegeven bij de vergelijking van
de prestaties van pensioenfondsen. In wezen wordt
door BD dus alleen (een deel van) de kostenkant in de
beschouwing betrokken, de baten ontbreken.
Voorts zijn er meer economisch-analytische aspecten.
In de eerste plaats wordt gesteld dat alle fondsen
zich op dit moment bevinden onder het theoretische
optimum, waar de schaalvoordelen omslaan naar
schaalnadelen. De vraag die dit oproept is of dit ook
geldt voor de grootste fondsen (ABP en PGGM) en
wat, louter vanuit het perspectief van het kostenÂ
model, een optimale omvang is.
Een tweede punt is dat de kosten niet worden afÂ
gezet tegen die van andere relevante alternatieven.
Schaalvergroting is een optie, maar voor ondernemingsÂ
pensioenen meestal geen begaanbare weg (de pensioenÂ
wet staat dit op dit moment niet toe). Interessant is
hoe de kosten van (kleinere) pensioenfondsen zich verÂ
houden tot die van deze alternatieve opties als uitbesteÂ
ding of onderbrenging bij een verzekeraar. In het artikel
wordt aangegeven dat het empirisch materiaal op dit
punt nog niet betrouwbaar is en aanvulling behoeft.
In de derde plaats is het mogelijk om via een onÂ
dernemingspensioen een regeling aan te bieden die
aansluit op preferenties en het arbeidsmarktprofiel
van de sponsor. Het belang hiervan is ook een releÂ
vant element voor de weging van kostenverschillen.
In de vierde plaats speelt de afruil tussen schaalgrootte
en solidariteit. Een pensioenfonds kan uit hoofde van
bedrijfskosten een optimale grootte hebben, maar qua
solidariteitskring niet. In fondsen met veel deelnemers
of een divers samengestelde deelnemerskring kan de
relatie tussen premie-inleg, opbouw van rechten en
preferenties meer diffuus zijn. Bij grote fondsen is de
kans dat een regeling minder aansluit op preferenties
en kenmerken van de opdrachtgevers (werkgevers en
werknemers) groter. Niet uitgesloten is dat sociale
partners de pensioenpremie dan meer als een collecÂ
tieve last zien, met alle gevolgen voor afwenteling via
loonruimte en afzetprijzen van dien. De omvang van de
afwenteling hangt met andere woorden af van de mate
waarin de tegenprestatie wordt gedragen door degenen
die ervoor opdraaien. Het is daarom van belang dat ook
deze afruil in beeld wordt gebracht.
Samengevat zijn de uitkomsten interessant maar
niet meer dan een tussenstand. Door de abstracties
die zijn gehanteerd, zijn de resultaten nog niet bruikÂ
baar voor een conclusie ten aanzien van de gewenste
optimale schaalgrootte van pensioenfondsen. Een
meer verfijnde definitie van bedrijfskosten, het verÂ
gelijken hiervan met voor pensioenfondsen relevante
alterÂnatieven en het in beeld brengen van de welÂ
vaartskosten van deelname aan een meer uniforme
regeling lijken onderwerpen voor een vervolg.