Het was moeilijk om de gevallen coalitie op enige klimaatambitie te betrappen. Toch klonk er na het weglopen van Wilders direct gemor uit de bubbel van energieprofessionals. Met een demissionair kabinet dreigt de transitie vertraging op te lopen door uitstel van grote infrastructurele beslissingen over het opslaan van waterstof en CO2.
In een democratie kan enige ‘vertraging’ echter helemaal geen kwaad – integendeel. De aankomende verkiezingscampagne stelt elke politieke partij namelijk in staat om zich te bezinnen op de doodlopende weg van een conservatieve industriepolitiek; een politiek die valt of staat met het soort oplossingen als CCS, het afvangen en opslaan van CO₂, dat vooral aan bestaande industriële belangen tegemoetkomt.
CCS als oplossing
Shell weet CCS in 2017 hoog op de Haagse agenda te krijgen. In de jaren daarna trekt het bedrijf met het Ministerie van Economische Zaken op in een gezamenlijke lobby richting Europa. Deze lobby was zo succesvol dat nu ook de Europese klimaatdoelen heel zwaar leunen op afvang en opslag.
Toch kampt CCS met structurele problemen. Al sinds de jaren negentig wordt er voor miljarden geïnvesteerd in CCS-onderzoek, zonder dat dit de productiekosten naar beneden heeft gebracht – in tegenstelling tot technieken als zonne- of windenergie waar dit wel het geval is. Daarnaast laten de afgelopen dertig jaar een lange reeks kostenoverschrijdende, gefaalde en ondermaats presterende projecten zien. Het daadwerkelijke afvangpercentage – het enige dat telt voor emissiereductie – blijft met 65 procent ver onder de theoretische beloften. Daar komt bij dat bijna negentig procent van de afgevangen CO2 wordt ingezet voor ‘verbeterde oliewinning’ (lees: meer uitstoot).
Zodra het wel om het klimaat gaat, zijn fossiele bedrijven nauwelijks bereid om te investeren. En zo blijft er een gigantisch gat gapen tussen CCS-ambities in abstracte klimaatscenario’s en de concrete praktijk van uitblijvende bedrijfsinvesteringen en de blijvende inzet om meer olie op te pompen. Dat het zich als klimaatoplossing op schaal gaat bewijzen is dus onwaarschijnlijk.
Die structurele problemen komen als een boemerang terug in de Europese ambities. Zo combineert het Noorse CCS project Northern Lights van Shell, TotalEnergies en Equinor hoge kosten en veel nationaal en Europees belastinggeld met economische tegenvallers en een tekort aan transportschepen om de CO2 over zee te vervoeren. Een dure en onzekere onderneming dus. Maar wel een waar Zeeuwse kunstmestfabrikant Yara haar gesubsidieerde emissiereductiedoelen aan heeft opgehangen.
Hollandse CO2-musketiers
In Nederland krijgt elk CCS-project – hoe heroïsch – de naam van een van de drie musketiers. Athos moest de uitstoot van Tata Steel afvangen maar sneuvelt al in de bureaula. Het Indiase staalbedrijf trok de stekker eruit – waarschijnlijk vanwege hoge infrastructuurkosten – en zocht haar heil vervolgens een paar jaar in waterstof om onlangs met een ‘duurzaamheidsplan’ aan te komen waarbij men in 2030 van kolen op gas overstapt. Daarmee zou de Nederlandse gasconsumptie in één klap met vijf procent stijgen terwijl de klimaatwinst van die overstap op zijn best twijfelachtig is.
Aramis droomt van een pijpleiding dwars door Nederland om CO2 van de chemische industrie in Limburg en Duitsland naar de Hollandse kust te vervoeren. Inmiddels hebben Shell en Total zich als investeerders teruggetrokken; is er nog geen bedrijf bereid gevonden om daadwerkelijk van de capaciteit gebruik te maken; en drukt het project, dat op de tekentafel al vier jaar vertraging opliep, de noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnetwerk naar de achtergrond.
Vooralsnog draagt Porthos dus het volle gewicht van de klimaatcrisis op zijn schouders. Het gaat hier om een pilotproject dat drie keer duurder uitpakt dan begroot. Shell en ExxonMobil willen er raffinaderijen mee ‘vergroenen’ die nog gebouwd moeten worden. En Air Liquide en Air Products gaan blauwe waterstof maken die meer klimaatschade aanricht dan het simpelweg verbranden van het aardgas dat als grondstof wordt gebruikt, zo tonen wetenschappers aan.
Gevangen in conservatieve industriepolitiek
De fossiele industrie heeft vooral belang bij het in de lucht houden van de belofte van CCS als klimaatoplossing. Want in werkelijkheid vertraagt de inzet op grootschalige CO2-afvang en -opslag de transitie en dat betekent tijdwinst voor het winnen van gas, olie en kolen. Niet zo gek aldus Naomi Oreskes, expert op het gebied van tactieken van de fossiele industrie, want als het op klimaatbeleid aankwam was ‘vertraging altijd al het doel’.
Die vertraging wordt gevoed door de gevaarlijke illusie van groene groei: het idee dat eeuwige economische expansie binnen de fysieke grenzen van onze planeet mogelijk is. Vanuit die illusie stonden de afgelopen acht jaar in het teken van de ‘klimaattafels’ van de VVD waarbij, aldus Jan Rotmans, ‘de gestaalde macht aan tafel zit op zoek naar consensus’. Met het mislukken van het leeuwendeel van de ‘maatwerkafspraken’ is nu klip en klaar dat de ontluikende ambitie ten onder gegaan is in klimaatobstructie door gevestigde industriële partijen.
Waarom politici techno-fixes als CCS toch blijven omarmen, laten Jeroen Oomen en Maarten Hajer zien: zij zitten al decennia vast in een conservatieve industriepolitiek waarbij alleen gezocht wordt naar win-win oplossingen. Binnen dat conservatieve kader – waarin innovatie altijd net om de hoek lijkt te liggen – kunnen rechtse partijen blijven inzetten op fossiele brandstoffen. Bijvoorbeeld door gaswinning op de Noordzee en onder de Waddenzee uit te breiden, of door veel belastinggeld te steken in het behoud van een energie-intensieve basisindustrie die niet zoveel economische waarde toevoegt en een staalindustrie die elders beter af is.
Naar een progressief verhaal
Democratische politiek draait niet om een vaste koers varen maar om de mogelijkheid van broodnodige koerscorrecties. Als CCS niet (goed) werkt, dan is komende verkiezingscampagne een uitgelezen moment om het over een andere boeg te gooien. Linkse partijen kunnen zich daarbij met een progressieve industriepolitiek profileren als alternatief voor falende rechtse behoudzucht.
Die progressieve industriepolitiek neemt ons mee naar een toekomst van minder grondstoffen- en energiegebruik in het welvarende Noorden waarbij welzijn binnen planetaire grenzen voor iedereen het wint van extreme rijkdom voor een vervuilende elite. Alleen zo kunnen we de doodlopende weg van nieuwe gasboringen verlaten en de import van Trumpgas (vloeibaar gas dat vervuilender is dan kolen) sneller afschalen. Dan kunnen we een einde maken aan fossiele subsidies om andere economische activiteiten te laten opbloeien. Dat opent de deur naar een rechtvaardig realisme van grijze krimp met groene baangaranties.
Auteur
Categorieën