Ga direct naar de content

Volgens de OESO moet Nederland durven kiezen – niet alleen beleid bijschaven

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juli 9 2025

In haar vandaag verschenen rapportage over de Nederlandse economie spreekt de OESO van een redelijk tot goed functionerende economie, die structureel zal verslechteren als de politiek keuzes voor zich uit blijft schuiven.

In het kort

  • Het groeipotentieel van Nederland versterken vereist een hervorming van de woningmarkt, een oplossing van het stikstofprobleem en investeringen in de energie-infrastructuur.
  • Alle kennis die nodig is om verstandige keuzes te maken is aanwezig, het probleem is besluiteloosheid: men is het niet eens over hoe en wat.
  • In tijden van teruglopende groei, sociale onrust en geopolitieke spanningen is deze besluiteloosheid steeds schadelijker.

Het vandaag uitgekomen OESO-rapport over de Nederlandse economie is rijk aan aanbevelingen. De OESO adviseert onder andere om begrotingsmiddelen te heralloceren, vergunningprocedures te versnellen, het elektriciteitsnet te versterken en de strategische autonomie te bevorderen.

In deze bijdrage duiden en expliciteren we die beleidsaanbevelingen voor u waar nodig en mogelijk. De OESO is er namelijk meester in om beleidsaanbevelingen als “technisch” of “no regret” te presenteren, terwijl ze in werkelijkheid duidelijke politieke keuzes impliceren. Zo spreekt de OESO over efficiëntie en urgentie en laat ze afruilen vaak impliciet. Maar het zijn juist deze afruilen die richting geven aan beleid. Tussen consumptie nu en verdienvermogen straks. Tussen schaarse (stikstof)ruimte, inkomensgroepen en generaties. Wie betaalt, wie profiteert, en wat doen we niet?

Financiële keuzes ondergraven de groeibasis

Net als het IMF (2025) benadrukt de OESO dat het Nederlandse beleid te sterk leunt op lastenverlichting, terwijl investeringen structureel achterblijven (zie figuur 1a). Het kabinet-Schoof kiest voor lastenverlichting en het opvoeren van consumptieve uitgaven aan zorg, defensie en woningbouw, terwijl bezuinigingen worden doorgevoerd op uitgaven aan onderzoek, onderwijs en klimaat, terwijl die juist bijdragen aan het toekomstige verdienvermogen. Dit ondermijnt de productiviteitsgroei – die al laag is (zie figuur 1b en Erken, 2024) – evenals onze internationale concurrentiekracht en de voortgang in de energietransitie. Bijzonder kritisch is de OESO daarbij over het schrappen van het Nationaal Groeifonds, dat structurele ondersteuning bood voor kennisontwikkeling, digitalisering en innovatie.

Belastingstelsel

De inrichting van het belastingstelsel vormt een belangrijke belemmering voor groei. Mede doordat het fiscale stelsel investeringen in illiquide activa zoals woningen en pensioenen bevoordeelt, ondervinden snelgroeiende bedrijven belemmeringen in de toegang tot risicodragend kapitaal. Ter vergelijking: slechts 6 procent van de financiële activa van Nederlandse huishoudens bestaat uit beursgenoteerde aandelen of beleggingsfondsen, tegen 18 procent in de eurozone en 46 procent in Zweden (OEE/AFG, 2025).

Een hervorming van het belastingstelsel kan ondernemerschap stimuleren ten opzichte van eigenwoningbezit. Door de hypotheekrenteaftrek en de vrijstelling van het eigen huis in box 1 af te schaffen worden alternatieve, productieve investeringen aantrekkelijker. Daarnaast kan de economie efficiënter worden en de belastinggelijkheid verbeteren door de belasting op werkelijk rendement in box 3 versneld in te voeren en verschillende vormen van kapitaalinkomen gelijk te behandelen.

Daarnaast ontmoedigt het huidige belastingstelsel arbeidsdeelname. Via de toeslagen worden met name alleenstaanden en vrouwen geraakt door de complexe opbouw van inkomensafhankelijke regelingen. Niet verrassend adviseert de OESO om snel een eenvoudiger en transparanter stelsel te ontwikkelen, met simpele toeslagen en gestroomlijnde schijven en heffingskortingen in box 1. Dit verlaagt de marginale druk en maakt werken financieel aantrekkelijker. Ook stelt ze voor om de mogelijkheid voor directeur-grootaandeelhouders om arbeidsinkomen in lager belast box-2-inkomen om te zetten te beperken. Dat belemmert namelijk schaalvergroting en ontmoedigt formele werkgelegenheid.

Aandachtspunt bij deze belastinghervormingen is wel dat ze stapsgewijs moeten worden ingevoerd; prioriteit moet liggen bij het aanpakken van de verschillen tussen de inkomensboxen, met name het verkleinen van de kloof tussen loon- en kapitaalinkomen.

Begroting en begrotingssystematiek

De langetermijndruk op de overheidsfinanciën door vergrijzing en klimaatverplichtingen wordt door de Nederlandse regering onvoldoende opgevangen. Bij ongewijzigd beleid stijgt de overheidsschuld naar circa 65 procent rond 2035 (boven de 60 procent die afgesproken is in het Europees Stabiliteits- & Groeipact), waarna de schuldontwikkeling onhoudbaar wordt. Niet gek dus dat de Europese Commissie (2024) constateert dat het huidige begrotingspad niet in lijn met de Europese begrotingsregels.

De OESO adviseert daarom om inefficiënte fiscale regelingen af te bouwen zoals belastingvoordelen voor fossiele brandstoffen, eigenwoningbezit en sectorale uitzonderingen in de vennootschapsbelasting. Het kabinet kiest daarentegen voor verlagingen van de energiebelasting, dividendbelasting en tarieven in box 1, wat het begrotingstekort doet oplopen zonder gerichte prikkels voor vergroening of extra arbeidsaanbod.

Ook kan de begrotingssystematiek verbeterd worden door te werken met een doorrollende meerjarenraming voor de overheidsfinanciën. Nu eindigt de raming vier jaar na de laatste verkiezingen. Door jaarlijks een jaar toe te voegen aan de raming kunnen structurele investeringen beter planbaar, financierbaar en consistent met EU-regels worden vormgegeven. Dit vergroot de voorspelbaarheid van het beleid en bevordert begrotingsdiscipline over de kabinetsperiode heen.

Figuur 1: Nederland kampt met structureel lage investeringen en arbeidsproductiviteit

Klimaatbeleid vraagt richting en samenhang

Met het huidige beleid gaat Nederland zijn klimaatdoel van 55 procent reductie in 2030 niet halen (figuur 2). Daarvoor is een aanvullend pakket aan samenhangende maatregelen nodig.

Figuur 2: Nederland haalt zijn klimaatdoel van 2030 niet

Zo moet de CO₂-beprijzing consistenter worden gemaakt. Hoewel Nederland internationaal hoog scoort op het belasten van emissies, gebeurt dat nu onevenwichtig. Grote delen van de industrie,  transport en de landbouw betalen weinig tot niets voor hun uitstoot. Voor de kleinere industrie en de transportsector biedt de invoering van ETS2 vanaf 2027 een goede gelegenheid voor uitstootbeprijzing. Voor de landbouw zouden limieten voor uitstoot en depositie per boerderij moeten worden opgesteld, ofwel beprijzing, moeten worden ingevoerd in de vorm van een ‘feebate’ systeem: een combinatie van ‘fees’ (boetes) en ‘rebates’ (subsidies) op basis van prestaties ten opzichte van een tevoren vast te stellen benchmark. Politieke weerstand zou kunnen worden overwonnen door zo’n ‘feebate’ systeem onderdeel te laten zijn van een breed gedragen, omvattend en transparant pakket.

Daarnaast dienen de prikkels voor warmtepompen en elektrische voertuigen te worden versterkt. Gasketels zouden alsnog moeten worden uitgefaseerd en publiekscampagnes kunnen de voordelen van warmtepompen breder bekend maken. Voor elektrische voertuigen zou de motorrijtuigenbelasting een stimulans moeten blijven, bijvoorbeeld via een budgetneutraal feebate-systeem waarbij belastingen op auto’s met hoge emissies lagere belastingen op elektrische voertuigen betalen, zonder een verhoging van de totale belastingdruk op eigenaren van auto’s. De verlenging van de korting op de motorrijtuigenbelasting uit het Voorjaarspakket komt slechts zeer gedeeltelijk tegemoet aan deze aanbeveling. Geschrapt kan er worden op de subsidies voor warmtepompen in wijken waar een warmtenet aanwezig is of wordt gepland.

Sociale en politieke acceptatie

Maar bovenal moeten de regressieve effecten van fiscale prikkels worden tegengegaan om klimaatbeleid sociaal en politiek acceptabel te maken. Dat is de afgelopen jaren onvoldoende gebeurd. In het Klimaatplan 2026–2035 wordt hiermee eindelijk een begin gemaakt, al blijkt gerichte steun voor lage inkomensgroepen lastig uitvoerbaar omdat verschillende inkomensgroepen verschillende keuzes maken in hun consumptiepatroon.

Elektriciteitsnet

Een cruciale randvoorwaarde voor het klimaatbeleid is een robuust elektriciteitsnet, een  gigantische maar onontbeerlijke opgave. Het aandeel elektrisch moet worden vergroot in alle sectoren en loopt het meest achter in transport en industrie (zie figuur 3). Plannings- en vergunningsprocessen moeten worden versneld en vergemakkelijkt, opleidingen voor elektrotechnici uitgebreid en de flexibiliteit van het net te vergroot door smart grid solutions. Waar netbeheerders aan de vraagzijde inmiddels een aantal van zulke oplossingen invoeren, blijven de oplossingen aan de aanbodkant achter. Grootschalige batterij-opslag moet in het net worden geïntegreerd en net metering voor huishoudens moet worden uitgefaseerd.

Langetermijnzekerheid

Verder zorgen de recente aanpassingen van het klimaatbeleid voor onzekerheid en brengen ze de langere termijndoelen in gevaar. Nederland moet het beleid snel doortrekken voorbij 2030 ‘op basis van brede overeenstemming tussen meerdere partijen’, aldus de OESO. Dat laatste is uiteraard makkelijker gezegd dan gedaan. De update van het nationale klimaatplan 2026-35 moet de benodigde langere termijnzekerheid bieden; het concept met daarin ook sectorale doelen is een stap in de goede richting. Kernenergie kan daarbij helpen, maar moet wel worden onderbouwd met een transparante en alomvattende kosten-batenanalyse die naast de bouwkosten ook de kosten voor de opslag van afval en voor de ontmanteling van oude kerncentrales en de directe en indirecte subsidies tijdens de gehele productiecyclus meeneemt.

Bredere adaptatie

Tot slot: het Nederlandse adaptatiebeleid is sterk op waterbeheer en -weerbaarheid gericht, maar zou ook andere klimaatrisico’s – zoals stormen, hittestress en droogte – beter moeten meenemen. Daarbij is helderheid nodig over de verdeling van klimaatrisico’s tussen publieke en private partijen.

Figuur 3: Elektrificatie loopt achter in alle sectoren

Woningmarkt: knelpunten in aanbod, prikkels en toegang

De OESO stelt dat het Nederland in het woningmarktbeleid ontbreekt aan een langetermijnstrategie. Een integrale koers die de woningbouwopgave verbindt met belastinghervormingen en een transparant pad biedt voor investeerders, woningcorporaties en huurders kan helpen om het hardnekkige tekort aan betaalbare woningen te doen afnemen.

Op dit moment groeit de woningvoorraad namelijk onvoldoende mee met de vraag, mede door de trage vergunningverlening, de stikstofbeperkingen, de netcongestie en de personeelstekorten in de bouw. Dit drijft de prijzen op en beperkt de toegankelijkheid van de woningmarkt. Daarbij is het beleid decennialang gericht geweest op koopwoningen en sociale huur, wat er toe heeft geleid dat Nederland een van de kleinste vrije-markt huursectoren binnen de OESO en een flinke discrepantie tussen woontevredenheid van huiseigenaren en andere groepen kent (figuur 4). Hierdoor zijn de keuzemogelijkheden voor huishoudens beperkt en wordt de arbeidsmobiliteit belemmerd.

Figuur 4: Kleine vrije huursector en kloof in woontevredenheid in Nederland

Afschaffing van de aanzienlijke fiscale voordelen voor eigenwoningbezit in Nederland moet onderdeel van deze langetermijnstrategie zijn.  De hypotheekrenteaftrek, de vrijstellingen van overdrachtsbelasting en de nationale hypotheekgarantie stuwen de huizenprijzen op en vergroten de vermogensongelijkheid tussen kopers en huurders. Deze voordelen komen relatief sterk terecht bij hogere inkomensgroepen. Van de OESO-landen kent Nederland één van de ruimste fiscale regelingen voor huiseigenaren (zie figuur 3.3), wat zich voor hen vertaalt in een aanzienlijk lagere woonlastendruk dan voor huurders: in 2022 bedroeg de mediane hypotheeklast als aandeel van het besteedbaar inkomen 10,7 procent (hoogste inkomensquintiel) en 13,1 procent (laagste), tegen respectievelijk 17,5 procent en 23,7 procent in 2010 (OESO, 2024, 4). De OESO pleit daarom voor verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek, een hogere bijtelling voor het eigenwoningforfait en – op termijn – het overhevelen van het eigenwoningvermogen naar box 3.

Figuur 5 Huiseigenaren krijgen aanzienlijke belastingvrijstellingen in Nederland

Tegelijkertijd belemmert strenge huurregulering, zoals het uitbreiden van het puntenstelsel naar het middensegment (Wet betaalbare huur, 2024) en het verbod op buy-to-let, investeringen in het vrije huursegment. Dit verkleint het aanbod en drijft huurprijzen verder op. Woningcorporaties kampen daarbij met stijgende kosten en beperkte opbrengsten, wat hun aandeel in de woningvoorraad onder druk zet.

Om het aanbod sociale huur op peil te houden en uit te breiden, moeten huren kostendekkender worden. Dit kan via meer ruimte voor inflatievolgende huurverhogingen, mits de huurtoeslag lage inkomens voldoende blijft compenseren. Het toewijzingsbeleid voor sociale huur is bovendien onvoldoende doelgericht: de inkomensgrens ligt hoog en wordt niet periodiek herzien, waardoor hogere inkomens vaak onterecht in sociale huurwoningen blijven. De OESO adviseert daarom een regelmatige herbeoordeling van inkomens en passendere huurprikkels, eventueel met marktconforme huren voor scheefwoners.

Verder sluit de woningbouw onvoldoende aan op de vraag. Projectontwikkelaars bouwen vooral dure woningen om de stijgende bouwkosten te dekken terwijl het aanbod voor lagere en middeninkomens achterblijft. Tegelijk neemt de behoefte aan kleinere woningen toe door de afname van de gemiddelde huishoudgrootte. Nederland kent relatief veel onderbenutte woonruimte, vooral onder eigenaar-bewoners (figuur 6).

Figuur 6: Veel huizen worden niet volledig bewoond in Nederland

Om deze knelpunten aan te pakken, moeten vergunningsprocedures sneller en efficiënter. Door het parallel behandelen van ruimtelijke plannen, milieu-effectrapportages en vergunningen kan de doorlooptijd van woningbouwprojecten aanzienlijk worden verkort. Gemeenten missen daarbij financiële prikkels om woningbouw te faciliteren, terwijl zij wel de bijbehorende kosten dragen. Het is daarom positief dat het Rijk een bonus van 7000 euro per gerealiseerde woning invoert. Op de langere termijn is ook een herziening van de verdeelsleutels in het gemeentefonds wenselijk.

Problematisch is dat speculatie met bouwgrond de grondprijzen opdrijft. De OESO stelt daarom voor om een eenmalige heffing op waardestijging bij bestemmingswijziging in te voeren, een zogeheten planbatenheffing, en wijst op het potentieel van een landwaardeheffing als structurele prikkel om grond sneller te ontwikkelen.

De bouwsector zelf kampt met grote tekorten aan personeel en stijgende kosten. Een hogere productiviteit is noodzakelijk en kan worden bereikt via standaardisatie en modulaire bouw. Gerichte arbeidsmarktmaatregelen en versoepeling van arbeidsmigratie voor knelpuntberoepen kunnen hierbij ondersteuning bieden.

Concurrentiekracht als handelsland

Nederland heeft een groot deel van zijn welvaart te danken aan zijn open economie en de sterke integratie in Europese en mondiale waardeketens. Tegelijkertijd maakt die openheid Nederland kwetsbaar voor mondiale fragmentatie en geopolitieke spanningen. De OESO doet daarom drie samenhangende aanbevelingen om de handelspositie te versterken.

Ten eerste moet Nederland proactief de weerbaarheid van aanvoerketens vergroten. Hoewel de Geo-economische Monitor (Bijlsma et al. 2022) een stap in de goede richting is, is er meer nodig: een nationale risicostrategie voor mondiale handelsverstoringen, betere dataverzameling en continue actualisering van het instrumentarium dat kwetsbare afhankelijkheden in kaart brengt. Diversificatie van invoerbronnen, hergebruik van kritieke grondstoffen en stimulering van circulaire ketens zijn hierbij essentieel.

Een sectoroverstijgende aanpak is nodig, bijvoorbeeld via integratie van doelen voor 2030 en 2050 op het gebied van energie, industrie en circulaire economie. Daarbij hoort ook een lange termijnkader voor wind op zee dat aansluit op de uitbreiding van waterstofproductie.

Ten tweede kan Nederland handelsprocessen efficiënter inrichten met behulp van digitale technologie, inclusief AI. De grens- en douaneprocedures zijn al op goed niveau, maar verdere digitalisering biedt ruimte voor versnelling en kostenefficiëntie. Gerichte overheidsfinanciering kan innovaties bij logistiek en douane ondersteunen. Daarbij is het ook van belang om de cyberweerbaarheid van het mkb en van burgers te versterken.

Ten derde en misschien wel belangrijkste: Nederland moet structureel zijn concurrentiekracht verbeteren via de bevordering van een dynamisch en innovatief handels- en investeringsklimaat. Het bestaande industriebeleid biedt daarvoor een basis. Maar het opzetten van nieuwe bedrijven  en het ontbinden van failliete bedrijven moet worden vergemakkelijkt, terwijl het monitoren van bedrijven in moeilijkheden kan helpen om tijdig in te grijpen en te herstructureren. Financieringsprogramma’s voor innovatie kunnen bovendien beter worden afgestemd op de levensfase van ondernemingen, zodat startups en groeibedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal. Daarbij kunnen ook de binnenlandse en de Europese kapitaalmarkt beter worden benut. Het mkb kan ondersteund worden met gerichte trainingsprogramma’s voor het gebruik van digitale technologie en AI. Universiteiten kunnen hun onderwijsaanbod beter afstemmen op de arbeidsmarkt, met name op het gebied van STEM (Science, Technology, Engineering en Mathematics).

Deze aanbevelingen met name op het gebied van industriebeleid, financiering van innovatie en digitalisering sluiten naadloos aan bij de bredere discussie over het versterken van de Nederlandse productiviteitsgroei. Overigens is een deel van de achterblijvende productiviteit van Nederland specifiek toe te schrijven aan de afbouw van de binnenlandse gasproductie in het afgelopen decennium (De Vries en Van Leeuwen, 2025).

Tot besluit

De grootste waarde in het OESO-rapport staat tussen de regels door: Nederland kampt niet zozeer met gebrek aan kennis over welke uitdagingen moeten worden aangepakt en wat daarvoor goede manieren zouden zijn, maar met gebrek aan overeenstemming over die manieren en over prioriteiten. Het gevolg is besluiteloosheid.

Wat nodig is, is een samenhangende strategie. Daarmee kunnen de verweven uitdagingen op de woningmarkt, arbeidsmarkt en energietransitie effectief aangepakt worden en de economie concurrerender worden. Heldere prioritering, goede timing en betere beleidscoördinatie zijn daarbij cruciaal. Dit vraagt om integrale keuzes tussen bijvoorbeeld elektrificatie en netuitbreiding, arbeidsmigratie en wooncapaciteit, of open handel en economische weerbaarheid, zie bijvoorbeeld Gaastra (2024). Nadere analyse van het OESO-rapport maakt duidelijk: het tijdperk van uitstellen, optimaliseren en doorschuiven is voorbij — de vraag is niet zozeer wat Nederland te doen staat, maar of we durven kiezen.

Literatuur

Bijlsma, M. et al. (2022) Geo-economische monitor. Te vinden op seo.nl.

Erken, H. (2024) Lage groei productiviteit mede door ongunstige structuur economie. ESB, 109(4837S), 16-20

Europese Commissie (2024) Council Recommendation: setting the net expenditure path of the Netherlands. Te vinden op economy-finance.ec.europa.eu.

Gaastra, S. (2024) Nieuwjaarsartikel: Het eeuwige tekort vraagt om keuzes. ESB, 109(4829), 6-9.

IMF (2025) Staff Concluding Statement of the 2025 Article IV Mission. Te vinden op imf.org.

OEE/AFG (2025) Households’ Long-Term Savings and Stock Market Participation in Europe (2025). Te vinden op afg-asso.fr.

OESO (2024) Affordable housing database – HC1.2. HOUSING COSTS OVER INCOME. Te vinden op OECD.org

Vries, K. de en E. van Leeuwen (2025) Groei Nederlandse productiviteit relatief laag door afbouw gaswinning. ESB, 110(4843), 104-106.

Auteurs

  • Robin van Boxtel

    Economisch adviseur bij de Permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de OESO

  • Jochem Wiers

    Permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de OESO

Categorieën

Plaats een reactie