Ga direct naar de content

Softdrugs in Amsterdam

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 12 1989

Softdrugs in Amsterdam
Toen rond 1980 de overheid winstgevende handel in hasjiesj en marihuana op
detailhandelsniveau oogluikend ging toelaten, ontstond in Nederlandse steden een
verschijnsel dat uniek is in de wereld: de hasj-koffieshop. Het ontstaan van deze
koffieshops heeft geleid tot een door de overheid gewenste scheiding tussen de handel in
harddrugs en soft drugs. Een analyse van de markt voor softdrugs wijst uit dat
kleinschalige ondernemingen de boventoon voeren. De koffieshop begint steeds meer een
cafe-functie te krijgen en kan als zodanig positief worden gewaardeerd.

DR. A.C.M. JANSEN”
In 1976 werd de Nederlandse opiumwet veranderd. Softdrugs werden gedeeltelijk gedecriminaliseerd: het in bezit
hebben van een beperkte hoeveelheid (30 gram) hasjiesj of
marihuana werd niet langer als een misdrijf beschouwd.
Winstgevende handel van grotere hoeveelheden softdrugs
bleef verboden en kon gevangenisstraf tot gevolg hebben.
De achtergrond voor de wetswijziging vormde de drugsproblematiek die zich in Nederland in de jaren zestig en
zeventig manifesteerde. Omdat er volgens onderzoek bij
gebruik van softdrugs sprake was van ‘acceptabele’ gezondheidsrisico’s – zeker indien afgezet tegen die van bij
voorbeeld de consumptie van alcohol – leek een wettelijk
onderscheid tussen hasjiesj en marihuana enerzijds en de
zogenaamde ‘harddrugs’ (zoals LSD, heroine, cocaine en
dergelijke) anderzijds wenselijk. Bovendien bleek uit onderzoek dat drugshandelaren destijds vaak een veelsoortigheid van drugs aanboden. De kans datsoftdrugsgebruikers daarbij in aanraking zouden komen met (de handel in)
harddrugs, leek te kunnen worden verminderd door een
onderscheid aan te brengen in de straf maat voor de handel
in drugs met ‘acceptabele’ risico’s enerzijds en die met
‘onaanvaardbare’ risico’s anderzijds.
Dat daarmee niet het laatste woord gezegd was over het
drugsbeleid in Nederland, blijkt uit de ontwikkelingen nadien. Hoewel op winst gerichte handel in softdrugs bij de
wet in 1976 nadrukkelijk werd verboden, zijn sindsdien de
zogenaamde ‘hasj-koffieshops’ een bekend verschijnsel
geworden. Het tekent het pragmatische karakter van het
beleid. Vooral in de grate steden vormde de vervolging van
de winstgevende handel in softdrugs op den duur een te
grote aanslag op de ter beschikking staande middelen.
Rond 1980 kreeg de bestrijding van de handel in harddrugs prioriteit en werd de winstgevende handel in softdrugs oogluikend toegestaan. Aan de opsporing ervan
werd ‘een betrekkelijk lage prioriteit’ gegeven, mils de
handel niet openlijk werd geafficheerd en mits in hetbetreffende pand geen harddrugs zouden worden aangetroffen.
Ook daarmee is overigens het laatste woord ten aanzien
van het pragmatische Nederlandse drugsbeleid niet gezegd. In een toelichting op de opiumwet wordt zelfs gesproken van de noodzaak van de integratie van het drugsverschijnsel in onze samenleving1. Hoe zoiets moet worden
gerealiseerd, is allerminst duidelijk. Een tussentijdse evaluatie van het Nederlandse softdrugsbeleid zou daarvoor
echter suggesties kunnen leveren.

1000

De omvang van de softdrugssector
Als gevolg van het tolerante beleid ontstond een ware
explosie van het aantal hasj-koffieshops. In Amsterdam
bestonden er in 1980 ongeveer 20 van die gelegenheden2,
maar tegenwoordig schommelt het aantal rond de 300.
Alleen al in de binnenstad zijn er meer dan 100.
Dat wil niet noodzakelijkerwijze zeggen dat de omvang
van de handel in softdrugs is toegenomen. In de loop van
de jaren tachtig werd de softdrugssector in Amsterdam
immers ‘zichtbaar’. Door de lage opsporingsprioriteit
maakten de voor die tijd dominante straat-en thuishandel
plaats voor ‘gevestigde’ handel in koffieshops.
De in de openbaarheid komende detailhandel van hasjiesj en marihuana maakte de bestudering ervan gemakkelijker, zeker ook omdat binnen de koffieshops de handel
openlijk plaatsvindt. Steekproefsgewijs kon bij voorbeeld
een indruk worden verkregen van de totale omzet aan
softdrugs in koffieshops3.
De jaarlijkse detailhandelsomzet van softdrugs in de
ruim 100 koffieshops in de Amsterdamse binnenstad bedraagt ongeveer 40 miljoen gulden. Dat is een opzienbarend laag cijfer. Er van uitgaande dat de in totaal (hoogstens) 1.000 hasj-koffieshops in Nederland een gemiddelde omzet hebben die gelijk is aan het omzetniveau van de
gemiddelde hasj-koffieshop in de Amsterdamse binnenstad en aannemend dat de thuishandel (‘in de provincie’)
dezelfde omvang heeft als de omzet in alle koffieshops,
blijft de totale detailhandelsomzet in Nederland (ver) beneden de 1 miljard gulden per jaar.
We kunnen de omzet ook benaderen via de door Justitie
opgespoorde partijen. Internationaal is er een min of meer
geaccepteerde norm dat 10% van de smokkelwaar wordt
geconfisqueerd. Op basis van die redenering komt men tot
een detailhandelswaarde van rond de / 4 mrd. (400.000 a
500.000 kg softdrugs met een gemiddelde opbrengst in de
* De auteur is universitair hoofddocent aan het Economisch-Geo-

grafisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam.
1. E.L Engelsman en R.J. Manschot, Toelichting op de Opiumwet,
B. Vermande, Lelystad, 1985, biz. 1-61.

2. H. Cohen, De hasjies-cultuuranno 1980: een overlijdensbericht,
Tijdschrift voor Alcohol en Drugs, 1981, biz. 3-8.
3. A.C.M. Jansen, Cannabis in Amsterdam; een geografie van

hasjies en marihuana, Coutinho, Muiderberg, 1989.

detailhandel van acht gulden per gram). Ook zonder de
10%-norm te betwijfelen, valt het verschil van meer dan / 3
mrd. tussen de twee berekeningswijzen wel te verklaren. Op
het gebied van softdrugs heeft Nederland namelijk een
doorvoerfunctie. De koffieshops hebben niet alleen een detailhandelsfunctie maar verzorgen ook een deel van de
tussenhandel, hetgeen soms ook zichtbaar is in koffieshops
in de Amsterdamse binnenstad. In zijn algemeenheid gesproken is de (Amsterdamse) koffieshop een betrekkelijk
veilige en betrouwbare plaats geworden om zaken te doen.
De ‘middenstandsmentaliteit’4 die er doorgaans heerst, en
die tot uitdrukking komt in een aanbod van redelijke kwaliteit
tegen een redelijke prijs, is natuurlijk niet alleen voorbehouden aan de finale consument, maar geldt in beginsel ook voor
de tussenhandel die de thuishandel (‘in de provincie’, maar
ook in het buitenland) van softdrugs voorziet.
Daarmee wordt dan een opmerking van Hofstee onderschreven, die stelt dat “er op meer dan een niveau in het
distributiesysteem partijen (softdrugs) door export uit de
binnenlandse handel verdwijnen”5.
Hoe de verhoudingen tussen die niveaus liggen, is niet
duidelijk. Het beeld wordt bovendien nog vertroebeld door
het gestaag groeiend belang van de inheemse produktie van
marihuana. Door teeltselectie en zaadveredeling zijn er inmiddels zaden en planten (‘klonen’) op de Nederlandse
markt gekomen die – zowel binnenshuis als buitenshuis een produkt opleveren dat kwalitatief veel importprodukten
verre in de schaduw stelt. Dat heeft niet alleen geleid tot een
behoortijke mate van ‘zelfvoorziening’ op persoonlijk niveau,
maar ook tot kleinschalige inheemse leveranties aan koffieshops. Er bestaan zelfs al koffieshops die uitsluitend en
alleen op ‘eigen produktie’ gebaseerd zijn. Bovendien is er
naast importsubstitutie ook sprake van een toenemende
export van het inheemse produkt en is Nederland een niet
onbelangrijke exporteur van zaden geworden.
Al met al blijft de jaarlijkse (detailhandels)omzet van
hasjiesj en marihuana een slag in de lucht, maar het is
geenszins gewaagd te veronderstellen dat de schattingen
van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) van de
detailhandelsomzet aan de tamelijk hoge kant zijn. Vermoedelijk is daarbij de opmerking van onder andere Hadeway van toepassing, dat zulke instanties de neiging hebben de cijfers te majoreren6. lets dergelijks kan ook worden
gezegd van de opmerking van CRI-medewerker De Bruijne, dat er op verkooppunten van softdrugs “in veel gevallen
ook harddrugs verkocht worden”7.
Op basis van een veldwerkervaring van honderden uren
in hasj-koffieshops in de Amsterdamse binnenstad is een
ander beeld plausibel.
Het is opzienbarend om te zien hoe in betrekkelijk korte
tijd de handel in softdrugs (in Amsterdam) zich heeft geTsoleerd van de handel in harddrugs. Meer dan 95% van de
detailhandelsverkoop van softdrugs in de binnenstad van
Amsterdam vindt plaats in koffieshops, waar het even absurd
is om naar harddrugs te vragen als om bij een gemiddelde
slager zebrabiefstuk te bestellen. In de binnenstad van Amsterdam bestaat een zeer beperkt aantal niet-bonafide koffieshops. Maar ook daar zal men om harddrugs moeten
vragen, willen ze beschikbaar komen. De vragende partij is,
met andere woorden, dominant, lemand die bekend is met
de Amsterdamse binnenstad, weet dat op straat ook de
aanbiedende partij een woordje meespreekt.
Het winstmotief heeft in niet geringe mate bijgedragen tot
de scheiding van de handel in softdrugs en die in harddrugs.
Het van harddrugs vrijhouden van hasj-koffieshops verhoogt
bij de betreffende ondernemers de kans op een relatief
ongestoorde gang van zaken. Wanneer bij een inval harddrugs worden aangetroffen, wordt in Amsterdam het betreffende etablissement op last van Justitie gesloten.
In de loop der tijd blijken de ondernemers nun economische belang goed in het oog te hebben gehouden. Ongewild

ESB 11-10-1989

door de wetgever heeft de commercialisatie van softdrugs
een van de beleidsdoelstellingen die ten grondslag lagen
aan de wijziging van de Opiumwet in 1976, gerealiseerd.

Marktvorm __
De gecommercialiseerde handel in hasjiesj en marihuana
werd rond 1980 gedomineerd door een beperkt aantal grote
koffieshops. Weliswaar is het aantal verkooppunten in de
loop der tijd fors gestegen, maar in de markt is het beperkte
aantal grote aanbieders nog steeds opzienbarend. Dat komt
deels doordat een aantal koffieshops van het eerste uur als
reactie op de ‘nieuwkomers’ in de binnenstad, maar ook
daarbuiten, nevenvestigingen hebben opgericht.
Er is wel aanleiding voor het vermoeden dat het marktaandeel van de grootste ondememingen in de softdrugssector
onder druk staat. Momenteel nemen de vier grootste ondernemingen naar schatting 30% van de detailhandelsmarkt in
de binnenstad voor hun rekening; in 1985 was dat een kleine
40%8. De achtergrond voor deze ontwikkeling wordt uiteraard gevormd door het toenemende aantal concurrenten,
maar ook door het streven naar diversificatie van economische activiteit bij de grotere ondememingen. De motieven tot
diversificatie zijn velerlei. Het is een mooie ‘wit’-mogelijkheid
voor zwart geld, maar het betekent ook risicovermindering.
En omdat het risico in dit geval besloten ligt in het overheidsbeleid omdat er strikt genomen nog steeds sprake is van
illegale handel, kan worden gesteld dat het overheidsbeleid
grootschaligheidstendenties enigszins tempert.
Aan de andere kant van het spectrum is er ook sprake
van diversificatie, maar dan van een ander soort. Met name
de laatste tijd is er een tendens op te merken van een groei
van het aantal ‘koffieshops’ waarvan de omzetten aan
softdrugs zeer gering zijn en derhalve slechts als bijverdienste gelden naast de ‘eigenlijke’ inkomstenbronnen van
het horeca-etablissement. Er bestaat dus ook een tendens
tot het ‘oplossen’ van de softdrugssector, zoals dat in het
verleden ook grotendeels voor de detailhandel in meer
conventionele rookwaren is gebeurd.
Al met al hebben we te maken met een sector waarin de
kleinschalige onderneming de boventoon gaat voeren. Er
is, met andere woorden, vooralsnog geen aanleiding om
het beeld van de ‘grote georganiseerde misdaad’ van
toepassing te verklaren op de softdrugssector in het Amsterdamse. Dit inzicht sluit aan bij het recente onderzoeksresultaat van Adler naar de werking van illegale drugshandel: “Illicit markets (are) competitive, disorganized and
entrepreneurial rather than visibly structured .
Adlers onderzoeksresultaat heeft betrekking op een gebied in de Verenigde Staten, waar drugshandel te vuur en
te zwaard wordt bestreden. De vraag of en -zo ja- in welke
opzichten de kleinschaligheid van de softdrugssector gezien kan worden als een direct uitvloeisel van het meer
pragmatische Nederlandse overheidsbeleid, is dus wat
moeilijk te beantwoorden. Maar over de wenselijkheid van
de kleinschalige structuur in de onderhavige sector kan
mijns inziens geen verschil van mening bestaan.
4. H. Cohen, op.cit., 1981.

5. B. Hofstee, Konkurrentie, kriminaliteit en samenwerking bij de
binnenlandse distribute van softdrugs in Nederland, Doctoraalscriptie Sociologisch Instituut, RU Groningen, 1987.
6. P. Hadeway, Then they came for the drug users, in:C.D. Kaplan

en M. Kooyman (red.), Proceedings of the 15th international
conference on the prevention and treatment of drug dependency,
Institute for Preventive and Social Psychiatry, Rotterdam, 1987,
biz. 39-40.

7. C. de Bruijne, Bestrijding hash-handel vergeten prioriteit, Algemeen Politieblad, 1987, biz. 488-490.
8. A.C.M. Jansen, op.cit, 1989, biz. 6.
9. P. Adler, Wheeling and dealing. An ethnography of an upper

level drug dealing and smuggling society, Columbia University
Press, New York, 1985, biz. 80.

1001

De softdrugs-scene
De jaren tachtig hebben de Nederlandse softdrugssector in een stroomversnelling gebracht. Hoewel de ontwikkelingen in Amsterdam niet representatief zijn voor Nederland, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat in betrekkelijk
korte tijd de softdrugshandel in Nederland ‘gevestigde’
handel is geworden. Recente kranteberichten, waarin hoeveelheden in beslag genomen hasjiesj en marihuana worden uitgedruktin ‘straathandelswaarde’, miskennen hetfeit
dat in Nederland de straathandel in hasjiesj en marihuana
inmiddels niet veel meer voorstelt.
Zeker in de grote steden van Nederland bestaat ertegenwoordig een grote veelsoortigheid aan hasj-koffieshops. Er
zijn koffieshops die nog enigszins doen denken aan die van
de jaren zeventig, toen ze waren ingericht met versleten
meubilair en er smoezelig uitzagen. De meerderheid van de
hasj-koffieshops heeftechtereen modern interieurenonderscheidt zich wat dat betreft niet van de ‘gewone’ koffieshops.
Er is tegenwoordig sprake van marktsegmentatie. Er zijn
koffieshops waarvan de klandizie voomamelijk bestaat uit
teenagers, maar er zijn er ook waar de wat ouderen domineren. Soms is er sprake van een zekere mate van etnische
specialisatie: koffieshops waar Surinamers of Turken of Marokkanen of Nederlanders domineren.
Wie rondkijkt in de hasj-koffieshops van Amsterdam,
komt tot de conclusie dat de koffieshop een soortgelijke
betekenis begint te krijgen als het cafe. Er is sprake van
een gelijkenis, omdat er in beide gevallen een openbare

ruimte wordt geexploiteerd (voomamelijk) op basis van de
winstgevendheid van een psychotrope stof.
Tevens is er een overeenkomst in maatschappelijke
betekenis. Hasj-koffieshops in de binnenstad van Amsterdam hebben tegenwoordig stamgasten. Sommige mensen
ontbijten er. Er wordt met een groepje klanten een boottochtje, of een ritje naar de Efteling georganiseerd. Soms
is er aan een koffieshop een voetbalelftal verbonden. Men
kan er kaarten, dammen, schaken, of ‘iemand versieren’.
Er zijn koffieshops die kunnen worden gezien als verzamelplaatsen voor dissidente gedachten. Gezagsgetrouwheid vormt nu eenmaal niet het opzienbarendste kenmerk
van de bezoekers van hasj-koffieshops.
Kortom: een koffieshop is een openbaar lokaal dat, 66k
in vergelijking met het cafe, best positief gewaardeerd kan
worden. We hebben het hier natuurlijk over goede cafe’s
en over goede koffieshops – het soort waarop de uitspraak
van toepassing is dat de leefbaarheid van een samenleving af te lezen valt aan de kwaliteit van haar kroegen10.
Van volledige integratie van softdrugs in onze cultuur is
nog geen sprake, maar dat tijdstip nadert snel. Het Nederlandse softdrugsbeleid is daarmee een van de weinige
voorbeelden van succesvol drugsbeleid in de wereld. De
min of meer door de overheid begeleide commercialisering
van softdrugs vormde daarbij een strategisch element.

A.C.M. Jansen
10. G.H. Jansen, De eeuwige kroeg, hoofdstukken uit de geschiedenis van het openbaar lokaal, Boom, Meppel, 1976, biz. 347.

Auteur