Ga direct naar de content

Onvoltooide emancipatie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 11 2022

Wie graag trends doortrekt, heeft op de wat langere termijn een reden tot optimisme over de economische emancipatie in Nederland. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw is de arbeidsparticipatie van vrouwen hier fors toegenomen, heeft hun opleidingsniveau dat van mannen geëvenaard, en is de houding van de maatschappij ten opzichte van werkende moeders een stuk positiever geworden.

Natuurlijk, Nederland is er nog niet – er zijn veel meer vrouwen dan mannen economisch afhankelijk van hun partner, de loonkloof is aanzienlijk, en het beeld van de werkende is nog steeds standaard dat van een man. Maar wie de historische trends doortrekt, concludeert: Nederland komt er wel.

Actie is nodig

De mogelijk geruststellende gedachte dat de emancipatie in de komende decennia vanzelf goed zal komen, klopt echter niet. De toegenomen emancipatie was alleen maar mogelijk vanwege een combinatie van veranderingen in de maatschappij in de economie en ook door steun vanuit de overheid.

Blijven verdere veranderingen echter uit, dan zal de emancipatie niet verder komen dan het punt waarop ze nu is, en blijft deze dus ‘onvoltooid’. En dat zou erg jammer zijn. Niet alleen omdat meisjes en vrouwen daardoor harder hun best moeten doen om hetzelfde te bereiken als jongens en mannen, maar ook omdat in tijden van arbeidskrapte een goede match op de arbeidsmarkt van groot maatschappelijk belang is. En omdat de economische onzelfstandigheid van veel vrouwen de overheid simpelweg geld kost en afstraalt op de volgende generatie.

Hogere beloning ‘vrouwenberoepen’

Nu de emancipatiediscussie. Allereerst kijken we naar de beloning. Joey Tang, Isabella Grabner, Sophie DeBroe en Hans Schmeets maken inzichtelijk dat mannen niet alleen gemiddeld meer verdienen dan vrouwen, maar ook dat de salarissen in beroepen waarin er relatief meer mannen werken hoger zijn dan in de beroepen waarin er vrij veel vrouwen aan de slag gaan. Dit terwijl de kwalificatie-eisen voor deze zogenaamde vrouwenberoepen (de zorg, het onderwijs) vaak hoger liggen. Opmerkelijk genoeg raken deze salarisverschillen dan vooral de mannen. Want zouden zij in een vrouwenberoep gaan werken, dan gingen ze erop achteruit, terwijl vrouwen die in een mannenberoep gaan werken er nauwelijks in salaris op vooruit gaan.

Verhoog daarom de salarissen in de vrouwenberoepen, en de gendergelijkheid zal er toenemen. Anne Kingma en Anneleen Vandeplas betogen dat de hierdoor groeiende gendergelijkheid op twee manieren helpt. Het arbeidsaanbod van vrouwen neemt toe en de vrouwen die meer verdienen zullen niet zo snel terug gaan qua gewerkte uren als hun privé-omstandigheden veranderen.

Eerlijkere verdeling zorgtaken

Dan is er de verdeling van zorgtaken over mannen en vrouwen. Het anderhalfverdienersmodel is in Nederland nog steeds de norm, en dat blijkt ook uit de data: Alexandra de Pleijt en Jesper de Groote schatten dat tot wel vijf zesde van het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen toe te schrijven is aan de zorg voor kinderen.

Het eerlijker verdelen van zorgtaken vereist veranderingen in ouderlijk denken over de markt voor kinderopvang en over werkgevers. Vooral mannelijke leidinggevenden hebben daarbij nog een flinke stap te zetten. Tanja van der Lippe, Jelle Lössbroek en Lea Kröner concluderen dat mannelijke leidinggevenden zelf vinden dat ze ‘gezinsvriendelijk’ zijn. Maar de mensen aan wie zij leiding geven, vinden dat echter niet. Maar vrouwelijke leidinggevenden hebben wel een correct zelfbeeld.

Kantel het denken

Tot slot moeten er nog wel degelijk stappen gezet worden om in onze hoofden werkende vrouwen echt te normaliseren. In mijn werkveld, dat van de economie, is er daarvoor een heuse cultuurverandering nodig. ESB signaleerde dat al in het dossier Women in economics (ESB, 2018), en Harry van Dalen maakt in zijn column wat dat betreft de balans op.

En er ligt hier ook een bredere taak voor het onderwijs om een genderstereotypering te voorkomen. Jellie Stinstra en Henriëtte Prast brachten in kaart wat de mannen en vrouwen eigenlijk deden in de voorbeelden uit economie-lesboeken voor de onderbouw van de middelbare school – en vonden daarbij dat vrouwen minder vaak betaald werk hadden, en ook minder vaak prestigieus werk. Dat zou uiteraard anders moeten worden.

Dus wie graag trends doortrekt, kan in dit opzicht nu vol op aan de slag gaan.

Literatuur

ESB (2018) Women in ­economics. ESB, 103(4767S).

Auteur

  • Jasper Lukkezen

    Hoofdredacteur van ESB en universitair docent aan de Universiteit Utrecht (UU)