De Europese Commissie streeft naar een klimaatneutrale economie in 2050 om de opwarming van de aarde te beteugelen. Een recente aanscherping van de Europese klimaatplannen moet die groene ambities kracht bijzetten. Eurocommissaris voor Klimaat Wopke Hoekstra heeft daarbij terecht bijzondere aandacht voor de industrie (Europese Commissie, 2025a). Industriële activiteiten vertegenwoordigen in Nederland twaalf procent van de totale toegevoegde waarde (CBS, 2025), maar zijn tegelijkertijd verantwoordelijk voor een derde van de totale uitstoot (CBS, 2024). Een welvarende groene Nederlandse economie is daarmee onlosmakelijk verbonden met een concurrerende groene Nederlandse industrie.
Verduurzaming industrie schiet niet op
De erkende sleutelrol van de industrie in de transitie blijkt geen garantie op een tijdige verduurzaming van het industrielandschap. Koen van ’t Boveneind, Harm van Hees en Bob Kruithof vinden dat in 2025 zelfs minder Nederlandse industriële bedrijven aangeven te investeren in verduurzaming dan een jaar eerder.
Die schijnbaar gelaten instelling wordt deels gevoed door (geo-)politieke en economische onzekerheid, maar vooral financiële beperkingen drukken op de investeringsbeslissingen van bedrijven. De energie-intensieve industrie in Nederland wordt namelijk geplaagd door stijgende energie-, netwerk- en CO2-prijzen. Dit driekoppige kostenmonster remt de industriële productie en knaagt aan de investeringsruimte van de Nederlandse industrie, al verschillen de winstmarges wel sterk tussen industriële bedrijven, tonen Laura Lehtonen, Bas Heerma van Voss, Mignon Kroon en Guido Schotten.
Gelijk speelveld nodig
Vanwege de voornamelijk intra-Europese afzetmarkt van de Nederlandse industrie is haar concurrentiepositie met name gevoelig voor prijsverschillen met andere Europese landen, tonen Stefan Wöhrmuller, Andra Smădu, Guido Schotten en Bas Heerma van Voss in een modelanalyse. Tegen die achtergrond is de bevinding van Johannes Bollen, Sebastiaan Hers, Roel Nagy, Jasper van Kempen en Berend Hopman dat de energiekosten in Nederland hoger zijn dan in de omringende landen, alarmerend. Ze pleiten voor een brede energiekostencompensatie ten einde het gelijke speelveld te herstellen en de Nederlandse industrie ademruimte te geven om verder te investeren in verduurzaming.
Wat het gelijke Europese speelveld betreft lijkt ook de recente pauzering van de nationale CO2-heffing aan te moedigen. Herman Vollebergh betoogt echter dat de uiteindelijke impact van deze nationale kop op de industriële activiteit, zeker tot 2030, beperkt blijft, terwijl zo’n heffing wel meer zekerheid biedt aan bedrijven die investeren in vergroening.
Subsidies
Bij een ongelijk speelveld kunnen nationale subsidies aan de industrie inderdaad soelaas bieden. Die zijn echter enkel productief als een bedrijf op korte termijn niet levensvatbaar is, maar op lange termijn naar verwachting wel kan concurreren op basis van uitstootvrije productie (Van der Vegte en Van Dijk, 2024).
De Nederlandse discussie over subsidies spitst zich toe op ‘s lands grootste uitstoter, Tata Steel. De analyse van Boris Schellekens en Rodrigo Fernandez suggereert dat de geplande miljardensteun voor Tata in schril contrast staat met het latente failliet van haar concurrentiemodel, gelet op de, naar verwachting, hoge kosten en beperkte beschikbaarheid van groene energie in Nederland vergeleken met elders in Europa.
Roel Beetsma en Giorgia Romagnoli onderschrijven deze bevinding, en onderstrepen dat eventuele vergroeningsinspanningen van Tata Steel Nederland ook belangrijke opportuniteitskosten inhouden. De productieprocessen leggen immers beslag op schaarse (groene) energie, arbeidskrachten, uitstootrechten, stikstofruimte en netwerkcapaciteit.
Europese afstemming heeft de voorkeur
Nationale subsidies houden bovendien perverse risico’s in. Een opbod aan subsidies van Europese lidstaten kan immers een efficiënte marktreorganisatie, waarbij hoge energiekosten grijze industrieën uit de markt drukken, verstoren.
Europese afstemming van industriële strategieën kan een gelijk speelveld beter waarborgen. De hernieuwde industriële focus van de Commissie getuigt alvast van de ambitie om tot een gezamenlijke groene industriële strategie te komen, maar tegelijkertijd dreigen de klimaatplannen van Hoekstra juist onevenwichtigheid op de interne markt in de hand te werken. De geplande versoepeling van het staatssteunkader en de sectorale flexibiliteit in het halen van reductiedoelen zetten immers de deur open voor nieuwe scheeftrekkingen tussen lidstaten (Europese Commissie, 2025b).
Een Europese strategie heeft tevens oog voor het bredere productienetwerk waarin industriële bedrijven opereren. Karel van den Berghe, Toon De Vil, Kristof Eggermont en Geert Noels tonen bijvoorbeeld dat innovatieve industrieën in het Antwerpse havengebied afhankelijk zijn van energie-intensieve productie in Nederland.
Bovenal moet de Europese regie urgentie uitdragen. Uitstel van een voortvarende industriële strategie legt een hypotheek op de groei van innovatieve bedrijven die wel fundamenteel kunnen bijdragen aan een uitstootvrije economie, waarschuwt Heleen de Coninck. De zaadjes voor het groene industriële weefsel van morgen moeten vandaag al worden geplant.

Literatuur
CBS (2024) Welke sectoren stoten broeikasgassen uit? CBS Statistiek.
CBS (2025) De Nederlandse industrie vanaf 2022. CBS Longread, 29 januari.
Europese Commissie (2025a) EU Climate Law: New way to reach 2040 targets. Nieuwsbericht, 2 juli. Te vinden op commission.europa.eu.
Europese Commissie (2025b) Clean Industrial Deal. Te vinden op commission.europa.eu.
Vegte, N. van der, en J.J. van Dijk (2024) Stuur bij fossiele subsidies en koolstofbeprijzing op gewenste situatie in 2050. ESB, 109(4837S), 70–73.
Auteur
Categorieën