Ga direct naar de content

Naar de rand van de Randstad

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 13 1995

Naar de rand van de Randstad
De economic globaliseert, Europa wordt een en ondertussen lijkt de aandacht voor regionale economie
juist toe te nemen. Bij bedrijven en overheid bestaat
veel aandacht voor de economische ontwikkeling op
regionaal niveau en de mogelijke verklaringen hiervoor. Onlangs is een bundeling van dergelijk onderzoek verschenen onder de titel Nederland is meer
dan de Randstad .
Wanneer gekeken wordt naar de toegevoegde
waarde van de bedrijven dan blijkt dat de Randstad
nog steeds aan betekenis inboet. Vooral de groei in
de zuidvleugel (Den Haag, Rijnmond) is tussen 1987
en 1993 achtergebleven, terwijl de ring rond Amsterdam (met Schiphol) en Utrecht het boven-gemiddeld
goed doen. Het omliggende gebied (Flevoland, Gelderland en Noord-Brabant) vertoont ook een flinke
groei, waardoor de Randstad met grote delen van de
oostelijke en zuidelijke provincies een groot kerngebied wordt . De laagste groei komt voor aan de rand
van Nederland: in Groningen, Limburg en Zeeland.
Overigens is zo’n ontwikkeling ook zichtbaar bij de
woningbouw. de woningvoorraad ten Oosten, Noordoosten en Zuidoosten van de Randstad groeit relatief
sneller dan die in de Randstad zelf.
Crisis in de Randstad? Nader onderzoek naar de
demografie van bedrijven leert, dat dat wel meevalt.
In de Randstad worden juist meer nieuwe bedrijven
opgericht dan in andere regie’s. Ook is de Randstad
populair als vestigingsplaats voor (hoofdkantoren
van) buitenlandse bedrijven. Alleen, er worden ook
veel bedrijven opgeheven en het migratiesaldo is negatief. Zo heeft Zuid-Holland haar positie als grootste
bedrijvenexporteur tussen 1988 en 1993 verder versterkt. De uitwaaiering van de Randstad lijkt het patroon van ‘corridors’ te volgen: geconcentreerd langs
transportassen tussen stedelijke gebieden (denk aan
Utrecht – Arnhem of Dordrecht – Breda).
Om het geschetste patroon te kunnen verklaren
en naar waarde te schatten, wordt onderscheid gemaakt tussen de produktiestructuur en het produktiemilieu van een regio. De sterke positie van de Randstad hing lange tijd samen met de specialisatie in de
groeiende dienstensector. In de afgelopen tien jaar
hebben regionale specialisaties echter aan belang ingeboet, en dat is een belangrijke verklaring voor de
relatief sterke ontwikkeling van de regie’s buiten de
Randstad. Op mogelijke oorzaken hiervan wordt in
het boek niet ingegaan: heeft dit te maken met een
veranderend consumptiepatroon in de regio, waarin
diensten belangrijker zijn geworden? Of is de regio
aantrekkelijker geworden als vestigingsplaats voor
(nationale of internationale) dienstverleners? Deze
laatste verklaring houdt verband met een afnemende
waardering voor het produktiemilieu in de Randstad.
Bedrijven die naar het omliggende gebied verhuizen,
doen dat vaak vanwege de ruimere beschikbaarheid
van (bedrijfs)ruimte en de betere bereikbaarheid.
Daarnaast kan de kwaliteit van de omgeving een rol

ESB 4-10-1995

spelen, net als bij de keuze van een woonplaats. Volgens de auteurs kan de betekenis hiervan toenemen,
als communicatietechnologie fysieke bereikbaarheid
voor sommige bedrijven minder belangrijk maakt.
Wat betekent deze ruimtelijke ontwikkeling voor
het beleid? Ten eerste is er het ruimtelijk-economisch
beleid, gericht op het creeren van een produktiemilieu waarin bedrijven goed gedijen. In de nota Ruimte voor regio’s wordt bovenstaande ontwikkeling als
uitgangspunt genomen: de Randstad wordt samen
met Oost- en Zuid-Nederland aangeduid als economisch kerngebied. Waar de (verwachte) vraag naar
bedrijfsterreinen het aanbod overtreft, wordt gepleit
voor vergroting van het aanbod. Echter, ook wonen,
recreeren, transport en milieu vragen om ruimte. Om
de claims tegen elkaar af te wegen, is ordening nodig. Het ruimtelijke-ordeningsbeleid, jaren geleden
verwoord in de ‘VINEX’, bepleit juist concentratie
van wonen en werken in stedelijke gebieden, zowel
in als buiten de Randstad. Zo kan de mobiliteit van
personen afnemen en blijft er buiten de steden ruimte voor bij voorbeeld natuurontwikkeling. Dit beleid
lijkt nu enigzins ‘ingehaald’ door de veranderende
vestigingsvoorkeuren van mensen en bedrijven. De
uitvoering gaat moeizaam (het kost tijd en geld om
locaties rond de bestaande steden te ontwikkelen),
en ondertussen zoeken mensen en bedrijven de rand
van de (Rand)stad op.
Het valt dus niet mee, om de ruimtelijke ontwikkeling van bovenaf te ordenen . Toch blijft dat nodig
om ruimteclaims tegen elkaar af te wegen. Als de
hierboven beschreven ontwikkeling doorzet zal met
name in de randgebieden een grote druk op de ruimte ontstaan. Dat vormt een bedreiging voor de kwaliteit, die immers voortkomt uit de beschikbaarheid
van ruimte voor een goede bereikbaarheid, huisvesting en recreatie (natuur!). Ruimtelijke-ordeningsbeleid met aandacht voor de motieven van mensen en
bedrijven zou kunnen bestaan uit de concentratie
van bedrijvigheid en (in mindere mate) woningbouw
rond de transportassen, en bescherming van de omgeving ertussen. Daarnaast lijkt het raadzaam om te
trachten de aantrekkelijkheid van wonen en werken
in de Randstad te vergroten. Dat kan door revitalisering van de oude steden, maar ook lijkt het de moeite waard om te onderzoeken of het Groene Hart hiervoor beter gebruikt kan worden, bij voorbeeld door
meer mogelijkheden voor recreatie te bieden.
E.S. Pelle
1. W. van der Velden en E. Wever (red.), Nederland is meer
dan de Randstad, Van Gorcum, Assen, 1995, 212 biz.,/ 37,50.
2. Een gelijkaardig patroon blijkt ook uit de studies van
TNO/INRO en NEI. Zie: Nederland economisch steeds homogener, Het Financieele Dagblad, 22 September 1995.
3. H. Priemus et al illustreren dit met een ander voorbeeld
(biz. 151) “Dat het Groene Hart voor woningbouw wordt
gespaard kunnen we alleen in regeringsnota’s lezen”.

Auteur