Ga direct naar de content

Jrg. 34, editie 1682

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 3 1949

AUTEURSRECHT VOÔRBEHÔUDEN

Economisch’Statis

tische

• Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

1
34E
JAARGANG

WOENSDAG 3 AUGUSTUS 1949

No. 1682

COMMISSIE VAN REDACTIE:
Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries.

Redacteur-Secretaris: C. aan den Berg.

Pia. Redacteur-Secretaris: A. ce T’Vit.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E. Mertens; R. Miry; J. aan Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.

I

Gegeaens oaer adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde &an dit ,iummer.

INHOUD:
Blz.

De artikelen van déze week …………………607

Sommaire,

summaries.

…………………….

07

Dividendbeperking 1949
door Dr F. W. C. Blom
608

Industrialisatie en institutionele beleggers

door

G.

Verwey

…………………………..

609

Budgetaire aspecten van de

afwikkeling der geld- –
zuivering en de inning der heffingen
door H. W. J.
Bosnan

………………………………
61i

De 32ste zitting van de Internationale Arbeidsconfe-
rentie; vakverenigingsvrij heid en loonvraagstukken
door Mej. M..G. J. Stemberg ……………….
613

I n g e z o n d e n stuk:

-.

De economie van het grondchrui k in iii tbreitIinsiIanii mi
door,!. Popperna,
met nasch,ift. van
Prof. Dr Ir Ii. G. van

Beusekom

…………………………………
615

A a n t e k e n i n g
Amerika’s Achlllespees
door F. S .Noordlioff
…………
(316

Bedrijfseconomische

notities:

1-lef.

jaarverslag

van

4e N.V. I’hilips (3loeilaInl)eflfalsrjeleI1
door J.

C.

T3rezet

……………………………
616

Geld-

en

kapitaalmai-kt

……………………
620

Statistieken:

Jlaiikstatn

…………………………………….
6i
Stand

Vflfl

‘0

Rijks

Kas

…………………………
65>1
Verkeer

en

vervoer

in

Ncdrrland

……………………
622

DEZER DAGEN
ziet menigeen naar de, -in zijn oog, formidabele prestaties,
die hij in het afgelopen jaar – dat loopt van vacantie tot
vacantie – als bijdrage tot het nationaal product leverde.
Hij trekt zich met vacantie terug, zoals mr Pickwick,
,,his countenance lighted up w’ith smiles”, tenzij het
règent.

Zo schijnt thans de consumptiezijde van het economisch leven overheersend; en dat terwijl i.ele economisteri over-

tuigd zijn, dat ook buiten de vacdntie de consumptie te
hoog is. Dit vacantieverbruik, dat bijv. tot uiting komt

in een sterk teruglopen van de spaarbanksaldi in Groot-

Brittannië, zullen zij dchter willen aanvaarder als ofnweg.
productie.

Dit waarschijnlijk zo lang de in de laatste aflevering van

The Econoillist”, – in een als gewoonlijk plagend artikel
,,Planners plage” – geprojecteerde science of holiday

planning” nog met groot verlof is: Tenzij men meent,
dat deze zich moet bezighouden met droeve zaken als
ondervonden door toeristen te Bournemouth :.,,crowds
on the beach were troubled by wasps, and ammonia was
distrihuted to alleviate the stings”.

Niet voor alle stekelige problemen, die met vacantie
samenhangen, kan op zo eenvoudige w’ijze .verlichting
worden gevonden. Het Franse kabinet heeft dit onder-
vonden bij de strijd om de vacantietoeslagen voor de
nijvere bijen in de sociale verzekering. Na veel’gegons
heeft minister-president Quèilie de zwerm zijner belagers
weer kunnen afslaan. 1-lij is daarmede de eerste Franse
premiei- na de oorlog, die na een jaar een parlement op
reces ziet gaan, zondei- dat hij zelfde wildernis is ingezonden.

Voor het overige kwam verlof bij parlementen nog weinig
ter sprake, tenzij dan om het woord te vragen. Er is in
vele parlementen gestreefd naar productieve arbeid, al

naar de landaard. In het Nederlandse nogal kalm, in het
Engelsenogal vasthoudend over de nationalisatie van de
ijzer-. en staalindustrie, in het Franse nogal fel, met lichte

schermutselingen, in het Italiaanse zeer fel met zware
schermutselingen.

Als bereisde Roei kan het Amerikaanse parlement zich
voelen: week na week wordt besteed aan wereldpolitiek;
achtereenvolgens het Europese herstelprogram, het Noord-
Atlantisch Pact; de wapenleveringen aan Europa. Een
,,oyage autoifr de sa chambre” van President Truman
is een reis langs de wereidkaart.

,,Clare, wat heeft er Uw hartje vei’lept?” Buitenlandse reizigers, doch geen touristen, zijn de mannen, die thans

te Parijs bijeen zijn om de Marshallhulp – geen vacantie-geld – voor het volgend jaar over de begunstigden te ver-

delen. De weg naar het dollarevenwicht blijft een lange
reis, ook al kon de ,,Economic Commission for Europe’
melden,
(lat
in het eerste kwartaal van 1949 de industriële
productie in Europa met 3 •pCt vas getegen.

Ei- zijn nog meer reizigers: zij die naar de vergadering

van de ,,Raad voor Europa” gaan. Een uitstapje naar

Utopia of een geslaagde zakenreis, wat zal het w’orden?
Zoals de Afrikaanse dichter Leipoldt eens schreef
in een gedicht over Amsterdam: ,,Dit moet deur
werk, deur ‘vlijt, deur smart, deur lewe ook word voort-
gestoot”.

DEZE WEEK:

Andermaal een

verwerpelijk Wetsontwerp

* Iedere week zeer veel nieuwe gevraagde offertes

en aanbiedingen van binnen’ en buitenland.

Plaats voor export een aanbieding in de rubriek

TRADE
OPENINQS.

Abonnementsprljs f 15.— per jaar

KON. NED. BOEKDRUKKERIJ H. A. M. ROELANTS – SCHIEDAM

/

1000MOTIEf

os.PE

Nederlandsch Indische Handelsbank, N.V.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhage

GENEVER

Alle Bank- en Effectenzaken

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering Mij. op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.
Gevestigd to ‘s.Gravenhago

AOMINISTRATIEKANTOOR OORORECHT
.
BELLEVUESTRAAT 2, TELEFOON 5346

Personeel sPensioenverzekering
verschaft directe fiscale besparing – arschrijving van
toekomstige lasten – blijvende sociale voldoening
Vraagt U eens welgedocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

C. MASTENBROEK

Ben. Molendijk 14

Goudswaard

• BEDRIJFSADMINISTRATIE

• BOEKHOUDiNGEN

• BELASTINGZAKEN

Verliesposten Voorkomend Systeem

bestaande uit 4Diens e

– V.V.S.-

Het V.V.S. is een onmisbaar hulpmiddel bij het
gezondhouden van uitstaande credieten. Aan-
vaard als onderdeel der debiteuren-administra-
tie, zal het van groote practische waarde blijken
te zijn.

Onze V.V.S.-brochure wordt opaanvrage kosteloos toegezonden

Van der Graaf Co’s bureaux voor den handel N.V.
Amstelstraat 14-18, Âmsterdam-C. Teleloon 38031 (5 lijnen)

Koninklijke

Nederlandsche

Boekdrukkerij

H. A. M. Roelants

Schiedam

Belastingconsultatiebureau

A. 1. F. Leverington

Alle belastingzaken
Medewerkers: E. J. de Boer,
Oud-Insp. d. Bel.; D. Sweepe,
Oud-Ontv. der Bel.; N. A.
Schol, Cand.-Not.; Mr.,
Di’.
B.
J. F. Steinmetz, Belastingcons.
Adviseur voor Accountancy:
W. A. Brenning, Lid Nederl.
Broederschap v. Accountants.

le Helmersstraat 95, Tel. 85508,
Amsterdam-W.

3 Augustus 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

607

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Dr F. W. C.
Blom,
Dioidendbeperking 1949.

Uit een oogpunt van de bevordering van ondernemings-

besparingen is èf een zeer lage dividendstop ôf in het

geheel geen dividendstop wenselijk. Een dividendstop vermindert de mogelijkheid om risicodragend kapitaal

van beleggers aan te trekken. Er is geen enkele reden

om dividenduitkering in aandelenvorm gunstig te beoor-
delen, omdat ten onrechte wordt gemeend, dat hierdoor
de kapitaalvorming zou worden bevorderd. Er bestaat
veel reden om herkapitalisaties krachtig te bevorderen,
d.v.z.
om
te bepalen, dat de herwaarderihg van onder-
nemingsactiva belâstingvrij mag geschieden en dat de

herkapitalisatie-bonusaandelen of bijschrijvingen op aan-
delen niet als winstuitkering beschouwd en niet,aan Divi-
dend- of Inkomstenbelasting onderworpen worden.

Verwey,
Industrialisatie ‘en institutionele beleggers. –

Medewerking aan de industrialisatie door de institu-

tonele beleggers behoeft in principe generlei bezwaar te
ontmoeten. 1-let zou echter fataal zijn, indien deze zich
bij hun beleggingspolitiek zouden laten leiden door over-
wegingen (ni. de wenselijkheid om mede te werken aan
industrialisatie), die niet in de-meest strikte zin voort-
komen uit de beleggingsbelangen van de aan hen toever-

trouwde instituten of fondsen. De betrokken instellingen
moeten volledige vrijheid van handelen hebben; zij zullen

dan wel vanzelf in industriële objecten beleggen als deze
voldoende interessant zijn. Afschaffing van speculatie-

belasting, ondernemingsbelasting, vereveningsheffing en
dividendstop, mogelijkheid tot terugvordering van de
dividendbelasting voor fondsen, zo mQgelijk ook ver-laging van de druk van de vennootschapsbelasting zijn
voorwaarden om beleggende lichamen en particulieren
er toe te brengen op grotere schaal belang te nemen bij
het risicodragend kapitaal.

W. J. Bosman,
Budgetaire aspecten pan de afwikkeling

der geldzuieering en de inning der heffingen.

In dit artikel wordt nagegaan, hoe de verschillende
betalingswïjzën voor de bijzondere heffingen, nl. betaling
met gecon’solideerde staatsschuld, met Grootboek 1946,

met geblokkeerd en met Vrij tegoed en ‘door afboeking
op zekerheidstellingen de staatsschuld in grootte en samen-

stelling helben veranderd. Ook de afwikkeling der geld-
zuivering heeft daarop invloed, nl. door de omzetting van tegoed- op optierekening in Investerings- en Be-
leggingscertificaten. De, conclusie is, dat heffingen en
geldzuivering behalvè een aanzienlijke vermindering der•
totale staat’sschuld bovendien een sterke verschuiving
van vlottende naar geconsolideerde schuld hebben be-

werkt.

Mej. Mr G. J. Stemberg,
De 32ste zitting pan dë Inter-

nationale Arbeidsconferente; PakoerenigingsQrijheid en

loonraagstukken.

De Internationale Arbeidsconferentie, welke van 8 Juni
tot 2 Juli te Genève werd gehouden, had dit jaar de vol-
gende omiderwerpen op het programma staan: toepassing
van de beginselen van het organisatierecht en van het
recht van collectieve onderhandeling, betrekkingen tussen
werkgevers en arbeiders, arbeidsbepalingen in openbare
contracten, bescherming van het loon, een algemeen
rapport over de lonen, voorlichting inzake beroepskeuze,
herziening van het verdrag betreffende de bureaux voor
arbeidsbemiddeling, die voor hun bemiddeling geld vragen,
migrerende arbeiders. In dit artikel worden de agenda-
punten betreffende vakverenigingsvrijheid en loonvraag-
stukken behandeld.

SOMMAIRE.

Dr F.
W.
c:
Blom,.
La limitation des dioidendes en 1949.
Pour stimuler I’économie de l’entreprise ii est désirable

d’établir pour le dividende ou bied une limitation restreinte

ou bien aucune limitation. La limitation du dividende
diminue la possibilité d’attirer les investissements plus

ou moins spéculatifs. 11 n!y a aucune raison pour

juger favorablement la disti’ibution de dividende sous

forme de part d’action; d’autre part la réévaluation des capitaux doit largement être favorisée.

Verwey,
L’industrialisation et les organismes dépositaires.

Dans leur politique d’investissement, les organismes

dépositaires ne peuvent pas se laisser mener par des
considérations (même s’il s’agit de participer t l’industriali-

sation) qui ne s’accordent pas strictement avec les inté-rêts d’investissement des fonds qui leur ont été confiés.
Si l’on rend la participation t l’industrialisation suffi-

samment”rémunératrice, les organismes dépositaires et
les particuliers s’engageront spontanément et sur une

grande échelle, au financement des entreprises industrielles,

W. J. Bosman,
Les aspecis budgétaires de la liquidation
de l’assainissement monétaire et 1e perception des
prélèements.

On examine dans cet article comment les différents
modes de paiement des prélèvements extraordinaires ont
modifié l’impoi’tance et la composition de la dette publique.
Les prélèvements et l’assainissement monétaire paraissent
avoir eu pour résultat, outre une diminution considérable

de la dette p,iblique, un convertissement appréciable de
la dette flottante en dette consolidée.

Mdle Mr G.
J.
Stomnberg,
La 32ième séance de la Conférence
Internationale du Trapail.

Cet article traite des discussiohs qui bnt eu lieu en matière de liberté des syndicats et des problèmes de
salaire t la Conférence Internationale du Travail, qui s’est
tenue t Genève du 8 juin au 2 juillet.

SUMMARIES..

Dr F. W. C.
Blom,
Restriction of 1949 dipidends.

From the point of view of furthering savings by enter-
prises either a very low or no dividend-stop at all is desira-
ble. A dividend-stop lessens the possihility of attracting
risk-bearing capital fr6m investors. There are no factors ii favour of distributingdividends in the shape of shares;
recapitalization, on the other hand, should be strongly
promoted.

Verwey,
Industrialization and institutional inpestors.

The investment policy of institutional investors should
not be guided by considerations (viz. the desirability of
co-operating in industrializationr which do not originate
in the strictest sense from the investment interests of the

institutions or funds entruted to them. 1f the industrial

objects are made sufficiently attractive, investing bo’dies
and privateindividuals will automatically take a greater
interest in risk-bearing capital.

W.
J. Bosman,
Budgetary aspects of the liquidation of
the money purge and the collection of leies.

This article deals With the extent to which the amount
and t’he composition of the state-debt have been changed
b,r the various ways of paying the special levies.. The levies and the mone’y purge appear to have effected a

considerable decease in the total state-debt and a strong
shift from the floating ‘to the consolidated debt.

Miss G. J. Stemberg,
The 32nd session of the International
Labour Conference.

The subjects covering freedom of. trade unions and
wage-problems which were discussed at the International
Labour Conference, held at Geneva from June 8th to July
– 2nd, are reviewed in this article.

608

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Augustus 1949

DIVIDENDBEPERKING 1949.

Zelfinanciering.

In de Memorie van Toelichting op het ontwerp-Wet
op de Dividendbeperking 1949 neemt de Minister van
Financiën het standpunt in, dat zulk een wettelijke divi-

dendregeling de financiering van ondernemingen uit in

te houden winsten zou bevorderen.

De Minister gaat blijkbaar van de veronderstelling uit,

dat vele ondernemingen in de naaste toekomst in staat
en bereid zouden zijn meer dividend uit te keren dan

de te verhogen maxima (8 pCt over het nominale aan-

delenkapitaal plus 2 pCt over de reserves) zouden toelaten.

Deze veronderstelling lijkt ons onjuist; naar wij menen
blijven de uitkeerbare winsten van verreweg de méeste

ondernemingën (na belastingen en voorziening vo6r

herinvesteringen) beneden de nieuwe maxima, zodat

slechts zeer weinig ondernemingen effectief tot dividend-
beperking zullen worden gedwongen.
Uit de Prijscourant van de Vereeniging voor den Effec-
tenhandel van 25 Juli
1
1949 hebben wij de volgende op-
stelling gemaakt van in 1948 c.q. 1949 laatstelijk uitge-
keerde dividenden op genoteerde gewone aandelen van

272 Nederlandse• banken, hypotheekbanken, industriële,’ petroleum-, scheepvaart- en diverse ondernemingen (dus

practisch alle genoteerde fondsen, behalve handel, cultures

en mijnbouw). Daaruit bleek de volgende.verdeling:

33
fondsen
…………………
0 pCt


,,

S

………………..
1

11
2
,,
………………..
2
8
•,,
3

16
……………..


4,,

30
•,,
………………..
5

40
………………..
6.
36
,,
………………..
7
38
,,
………………..
8.

63
………………..
9.,,
6
………………..
meer

totaal 272

Hieruit blijkt, dat slechts ca

der genoemde onder-
fiemingen aan de dividendstop raakt, die voor verreweg
de meeste ondernemingen bij 9 pCt ligt. Voorts lijkt,

gezien de frequentieverdeling, de conclusie gewettigd,
dat een groot deel ‘der 63 ondernemingen, die 9 pCt uit-
keren, ook bij het ontbreken van een ,,stop” niet hoger,
zouden gaan, zodat er wellicht ca 20 zouden overblijven,
die door de bestaande dividendstop werkelijk in hun
winstuitkering over 1947 of 1948 zijn geremd.

Deze laatste conclusie is eenbevestiging van wat studie
van jaarverslagen leert, nl. dat slechts weinig onder-

nemingen in staat en bereid zijn om veel meer dan 9 pCt
uit te keren.

Derhalve zijn wij van oordeel, dat de huidige dividend-stop veel minder dan
I
der ondernemingen met ter beurze
genoteerde aandelen tot winstinhouding dwingt, en iedere
verhoging van dividendstop zal deze fractie verder doen

dalen.

Wanneer men in gedachten de ondernemingen zoekt,

die kans zouden lopen enige rem van de voorgestelde
maxima te ondervinden, beseft men dat dit vrijwel alleen
de ondernemingen met grote reserves kunnen zijn, die
yeelal dok een hoge winstcapaciteit hebben. Want die
wörden getroffen door de discriminatie dat de aandeel-
houders over de reservès slechts van het rendement
mogen ohtvangen dat hen over het bedrag van het no-
minale. aandelenkapitaal is toegestaan.
De bepaling, dat aandeelhouders over reserves slechts
2 pCt rendement mogen genieten, zal echter een ongunstige
sfeer scheppen voor de vrijwillige winstinhouding. En

gezien de waarschijnlijkheid, dat de’ ,,gedwongen” winst-

inhouding quantitatief niet zeer belangrijk is, omdat de

maxima in de meeste gevallen ten opzichte van de waar-

schijnlijke winstcijfers vrij hoog liggen, lijkt ons de uit-
werking van zulk een dividendstop op de som van ,,ge-

dwongen” en vrijwillige winstinhoudingen derhalve na-

delig.

Uit een oogpunt van de bevordering van ondernemings-
besparingen is ôf een zeer,
,lage dividendstop, 5f in het

geheel geen dividendstop wenselijk. Een midden-hoge

dividendstop •sorteert het door de Minister gewenste

effect t.a.v. de zelffinanciering der ondernemingen o.i. niet.

• Overigens
is
een dividendstop uit een oogpunt van on-

dernemingsfinanciering ongewenst, omdat zij de moge-
lijkheid om risicodragend kapitaal van beleggers aan te

-trekken vermindert. De Minister zegt, dat de door de

Duitsers ingevoerde divïdendstop tot doel ,,de aantrekke-

lijkheid van aandelenbezit te verminderen” had. Thans

begint men alom te beseffen, dat de schaarste aan risico-

dragend kapitaal een ernstig knelpunt voor de ontwikke-

ling der bedrijvigheid is, en vraagt men zich af, of het
nu geen tijd wordt om daarentegen de aantrekkelijkheid

van aandelenbezit te verhogen.

StockdiQidenden.

De voorkeur van de Minister voor stockdividenden

(die hij van dividendstop wil vrijlaten) kunnen wij geenszins
delen. Ten eerste is de kans op overdreven royale dividenden

bij stockdividenden veel groter danbij contante dividenden.

De laatstgenoemde kostende onderneming liquide middelen,
hetgeen al een sterke rem nplegt. Dit geldt voor stock-
dividenden niet, zodat in zoverre het hek van de dam is.

Ten tweede s een stockdividend in feite een dividend,

dat wôrdt; gefinancierd door een gelijktijdige emissie.

Derhalve is het inkomen uit stockdividend voor aandeel-

houders afkomstig uit de beleggingzoekende besparingen
deigenen, die de stockdividenden opkopen. Als men het

winstuitkeren door de onderneming in de vorm van

stockdividend als ,,ondernemingsparen” wil betitelen,

moet men bedoelde dispositie van aandeelhouders over
hun stockdividenden als ,,ontsparing van vermogen”
beschouwen, en dat is juist het tegendeel van wat de
Minister beoogt, t.w. de vorming van kapitaal.
Men moet er nl. rekening mede houden, dat de aandeel-‘
houder de beurswaarde van . het stockdïviden als in-

komen rekent (hoewel dit theoretisch niet te verdedigen
is) en dat de stockdividendverkopende aandelhouder zijn
inkomen ontvangt uit handen van de belegger, die het

stockdividend opkoopt. Stel, dat een onderneming
f 100.000 netto-winst heeft gemaakt, deze uitkeert in
de vorm van f100.000 nominaal stockdividend, dat door.
aandeelhouders
a
200 pCt aan beleggers wordt verkocht,.
dan is het resultaat:
de aandeelhouders ontvangen een inkomen
van ………….. . ………………… f

200.000
de onderneming heeft uit aandelerfemissie

in de vorm van stockdividend’ verkregen

f 100.000

1 300.000

en deze bedragen zijn als volgt samengebracht:

belegging van besparingen door de kopers
der stockdividenden ………………..1 200.000
netto-winst der onderneming ………….f 100.000

f 300.000

Derhalve heeft dan in wezen een omzetting van be-
leggingzoekende besparingen in inkomen voor aandeel-

houders plaats gehad. In het gegeven voorbeeld is de eind-
uitkomst, dat er in de gemeenschap een netto-ontsparing
heeft plaats gevonden.
Naar, onze mening is er dus geen enkele reden om divi-
denduitkering iii aandelenvorm gunstig te beoordelen,
omdat ten onrechte wordt gemeend, dat hierdoor de

-y–‘

:’-

3 Âugustus 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

609

kapitaalvorming zou worden bevorderd. Ten hoogste

wordt hierdoor, evenals door iedere andere emissie, de

belegging van eventueel reeds aanwezige belegging-
zoekende bsparingen in de hand gewerkt.

Herkap italisatie.

1-lerkapitalisaties wil de Minister niet bevorderen. Hij

betwijfelt zelfs of daaraan veel behoefte is, en beroept
zich er op, dat slechts weinig Nederlandse ondernemingen

van de herkapitalisatiernogelijkheid tijdens de Duitse

bezetting gebruik hebben gemaakt. Zoals men zich zal
herinneren, had de bezetting in 1941 een stelsel van divi-
dendstop en superdividendbelasting ingevoerd. De indi-
viduele onderneming kon in vele gevallen, door de storting

ineens van een belangrijk bedrag in de overheidskas,

enige ontheffing van die bepalingen verkrijgen langs de

weg der herkapitalisatie. Practisch geen enkele onder-
nemer heeft onder de oorlogsomstandigheden vrijwillig een

vermogensoffer willen brengen om een uitzonderings-

positie te verkrijgen t.a.v. door de bezetter ingevoerde en derhalve door Nederlanders tijdelijk geachte maat-

regelen. Aan deze toedracht mag men o.i. nimmer de con-
clusie verbinden, dat er toen weinig behoefte aan her-
kapitalisatie was.
rrrouwens
wij zijn nu acht jaar verder,
en de omstandigheden zijn geheel veranderd.’

lIet herkapitalisatievraagstuk is in ons land in een
verkeerd daglicht gekomen door het verband tussen her-

kapitalisatie en dividendverhoging, dat de
P
uitses ten

onrechte hebben gelegd. Deze gedachte leeft nog steeds
voort.
In andere landen met meer inflatie-ervaring dan Neder-

land (bijv. Tsjechoslowakije, Duitsland, Frankrijk• en.
België na de vorige oorlog en de laatstgenoemde twee
ook weer na deze oorlog) zag men de herkapitalisatie in een
heel ander licht dan waarin het door de bezetters in 1941
werd geplaatst. Daar beschouwde men herkapitalisatie als
een middel om de stille en open reserves der ondernemingen
blijvend in het aandelenkapitaal te incorporeren, teneinde te verhoeden, dat zij geleidelijk als dividend zouden wor-

den uitgekeerd.
Deze normale herkapitalisatiè, welke reeds lang voor
de dividendstop tot de normale elementen der onder-
nemingsfinanciering behoorde, onderscheidt zich in zo-

verre van de herkapitalisatie-stijl-1941, dat zij geen ver-
band behoeft te houden met voornemens tot dividend-
verhoging. Zij bestaat uit een heraardering van activa

en het omzetten van stille en open reserves in aandelen
kapitaal. Doordat de activa voor hogere boekwaarden op
de halansen komen te staan en een deel der reserves van
de balans verdwijnt, worden dan in de balans de voor-
waarden geschapen om ‘in volgende jaren een groter
deel der jaarlijkse brutowinst voor afschrijvingen en
reserveringen •opzij te leggen, dan bij een ondergeka-
pitaliseerde balans het geval zou zijn.
In het licht van die opvatting is herkapitalisatie dan ook

steeds een uitgezocht middel geweest om te hoge dividend-

uitkering tegen te gaan.
Uit deze overwegingen heeft men in de genoemde landen
de herkapitalisatie fiscaal bevorderd. De gedetailleerde regelingen in de verschillende landen hebben naar om-
standigheden gevarieerd, maarhet hoofdbeginsel was toch
steeds, dat de onderneming, die haar commerciële balans
herkapitaliseerde, tevens het recht kreeg haar fiscale

balans te herkapitaliseren. Dit betekende een verhoging
van de boekwaarde der duurzame activa en bracht dan
mede, dat die verhoogde boekwaarde ten laste vah toe

koistige exploitatie-opbrengsten mocht worden afge-
chreven. Derhalve wordt dan, i.v.m. inflatie, in totaal

hogere afschrijving toegestaan dan de historische aan-
schaffingsprijzen der duurzame activa.
De eenmalige ,,herwaarderingswinst” die daaruit voort-
vloeide werd niet of slechts licht belast, zolang de onder-
nemingen maatregelen namen om die herwaarderingswinst

niet als dividend uit te keren, en in plaats daarvan deze

bij het aandelenkapitaal bijschreven. Want de bedoeling
daarvan was juist om te vo6rkomen, dat zgn. ,,schijn-
winsten” ten gevolge van inflatie als dividend of belasting

zouden worden uitgekeerd, en daardoor ten onrechte

aan het reële ondernemingsvermogen onttrokken en aan
de consumptieve inkomens toegevoegd zouden worden.

Op grond van dezelfde overwegingen is er ook in ons

land veel reden om herkapitalisaties krachtig te bevor-
deren. Dat wil zeggen: om te bepalen, dat de herwaardering

van ondernemingsactiva belastingvrij mag geschieden en
dat de herkapitalisatie-bonusaandelen of bijschrijvingen
op aandelen ‘det als winstuitkering beschouwd en niet aan

Dividend- of ‘Inkomstenbelasting onderworpen worden.
Het uitvoeren van een ,,commerciële” herkapitalisatie

zou in beginsel zelfs als voorwaarde voor de fiscale”
herkapitalisatie moeten worden gesteld.

De ‘inflatie heeft een vervalsing ‘van resultatenreke-

ningen gegeven, die men met comptabele kunstgrepen
kan elimineren,
als men wil.
Door herkapitalisatie wordt
het uitgangspunt van de winstberekening en winstver-

deling, nl. de commerciële balans, verbeterd
1)
en wordt
men tot wïnstcorrectie
gedwongen.
Langs die weg wordt de beperking van de winstuitke-
ringen bereikt door herstel van een juist beeld van ba-‘
lansen en verlies- en winstrekeningert. Toegegeven moet
worden, dat dit alleen mogelijk is als de Overheid het prin-
cipe wil laten schieten, dat zij iedere nominale vermogens-

aanwas ten gevolge van met de inflatie derlaatste jaren
samenhangende herw,aatderingen als ,,belas tbaar inkomen”

beschouwt en bovendien de overboeking ,’an reserves
naaTr aandelenkapitaal Vrij van Inkomstenbelasting wil
laten; tot nog toe is de fiscus daar niet voor te vinden.

Prioileges – voor buitenlands kapitaal.

Tenslotte is ernog eenzeer onaangenaam kantje aan
het wetsontwerp.
ZuiQer buitenlands bezit
zijnde Neder-
landse ondernemingen worden van de dividendstop vrij-
gesteld om buitenlandse investering niet te ontmoedigen.

Deze bepaling doet herinneren aan de ,,capitulaties” in de
vorige eeuw van Oosterse landen tegenover het Westen.

Vij krijgen nu een dubbele rechtsorde, een voor de in-heemsen en een gepriviligeerde voor de buitenlanders.
Men mag o.i. niet vertrouwen, dat buitenlandse investeer-
ders veel vertrouwen zullen hebben in de duurzaamheid
van de hen te verstrekken privileges. Dividendvrijheid

,,for export only” is geen vrucht van innerlijke over-
tuiging.
Zoals overigens reeds door anderen is opgemerkt,
blijft de dividendstop-ontmoediging voor buitenlandse
deelneming
in Nederlandse ondernemingen in het algemeen
gehandhaafd.

Alles hij elkaar genomen verwachten wij niet, dt de
ontworpen dividendbeperking tot meer zelffinanciering zal
leiden en o.i. zal zij de aantrekking van risicodragend
kapitaal blijven bemoeilijken. Zij zal aan de nodige schrift-
geleerden” werk verschaffen voor de uitvoering en de

interpretatie der wet en voor de aandeelhouders schept zij
een nieuwe bron van onzekerheid, daar de maximum
winstuitkeringen nu afhankelijk worden van gewoonlijk slechts’ aan insiders bekende fiscale balansen.

Overveen.

Dr F. W. C. BLOM.
‘) Uit cle overweging, dat, cle commerciele balans steeds grote
“invloed op winstberekening en winstverdeling uitoefent, zijn wij Van
mening, dat altijd moet worden nagestreefd, dat de balans een zo
juist mogelijk vermogensbeeld geeft.

INDUSTRIALISATIE EN INSTITUTIONELE

BELEGGERS.

Wie de literatuur over de industrialisatie van Neder-
land de laatste jaren heeft gevolgd of zijn oor te luisteren

610

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Augustus 1949

heeft gelegd, zal het niet onbekend zijn, dat de insti-

tutionele beleggers met dit onderwerp meer dan eens en
stéeds in sterkere mate in verband, worden gebracht. De

gedachtengang, die daarbij overheersend is, is deze, dat
de institutionele beleggers steéds meer de grote reservoirs

zijn geworden, waarin het Nederlandse spaarvermogen is geaccumuleerd en dat, waar nu eenmaal verregaande
industrialisatie wenselijk, en de kapitalen daarvoor be-

nodigd, omvangrijk zijn, het welhaast niet anders kan

of de institutionele beleggers ziillen bij deze ontwikkeling
moeten worden betrokken. Zij; die het verstin deze rich-

ting denken, zien het soms al bijna zo, dat deze beleggers

zich de medewerking aan industrialisatieplannen zouden

moeten rekenen zoal niet tot een nationale of sociale

taak, dan toch tot iets dat wel zeer sterk in deze richting

gaat, of zelfs op de weg der Overheid zou liggen, te bevor-
deren.

Het is ons en ongetwijfeld ook anderen met ons” opge-

vallen, dat de gedachtengang als zodanig, waar zij wordt

geopperd, vaak niet principieel wordt gesteld. Veelal
wordt de wenselijkheid van medewerking aan de in-

dustrialisatie door de institutionele beleggers als vanzelf-
sprekend vooropgesteld en wordt de aandacht gecon-
centreerd op de wijze, waarop deze medewerking tot

stand zou kunnen komen.

**

Nu komt het dns voor, dat hetgevarlijke van deze

zienswijze juist ligt in het uitgangspunt.. Dat ee’n bestuur
van een verzekeringmaatschappij of een pensioenfonds naast hypothecaire vorderingen en staatsobligaties, ook

aandacht geeft aan belegging in industriële obligaties of
zelfs – mits de deskundigheid vaststaat of deskundige

voorlichting wordt verkregen – ook aan aandelen en
onroerend goed, behoeft o.i. in principe’ generlei bezwaar

te ontmoeten. Bzwaar tegen een dergelijke beleggings-
politiek ontstaat echter wel, indien dit bestuur tot haar

besluiten komt, omdat bij haar decisie is gaan medespelen
een motief (nl. de wenselijkheid om mede te werken aan

industrialisatie), dat haar van buiten af als het ware
wordt ,,aangewreven’ en met de beleggingspolitiek eigen-
lijk niet te maken lieft. Het zou fataal zijn als de onder-havige besturen zich bij hun besluiten omtrent de wijze
en de vormen, waarin wordt belegd, lieten leiden door
overwegingen, die niet in de meest strikte zin voortkomen

uit de beleggingsbelangen van de aan hen toevertrouwde
instituten of fondsen, doch daarbij lieten medespreken
redenen, ontleend aan – om andere reden voor wenselijk

gehouden.— sociaal-economische ontwikkelingen.
Het zou vooral zo gevaarlijk zijn, omdat zonder ‘dat
men zich hiervan in de aanvang scherp rekening geeft; de desbetreffende besturen op de duur hun vrijheid ôm
te handelen, zoals de beleggingsbelangen eisen, zouden
zien verminderen, met alle gevolgen, die dit voor deze
fondsen en lichamen kan hebben. Immers, de tegen-S
woordige vrijheid van handelen van de betrokken bestu-
ren komt daaruit voort, dat zij steeds naar eigen inzicht
een eenn{aal genomen belang van de hand kunnen doen,
indien er omstandigheden intreden, die d& handhaving
van dit belang naar hun oordeel minder gewenst doen
schijnen. Gevreesd moet echter worden, dat, indien het
industrialisatiemotief als zodanig het beleggingsmotief
gaat beïnvloeden, men op de duur ook niet meer op de-
zelfde wijze als tot dusverre van een belang afscheid
neemt, wanneer de omstandigheden zulks wenselijk zou-
den maken. Er is nu eenmaal een verschil tussen een
belang, dat genomen wordt uit geen ander oogpunt dan
dat men het een goede belegging acht en een belang, dat
met een, zij het nog zo gering, bijmerk wordt genomen.
Vele malen sterker spreekt dit gevaar, als er, wat bij
een sfeer als waarin dit vraagstuk nu behandeld wordt,
zeer wel mogelijk is, op de duur een bepaalde gewoonte
ontstaat waaraan dergelijke groot-beleggers zich allengs,

misschien ook weer zonder zich zulks in de aanvang

scl1erp bewiist te zijn, moeilijk kunnen, onttrekken. Wij

denken bijv. aan de mogelijkheid, dat de practijk onder

invloed van deze sfeer gaat medebrengen dat vele van
hen een min of meer belangrijk deel van hun wiskundige

rèserves belegd houden in, om het kort aan te duiden,

,industrialisatiebelangen”, zodoende uiting gevend aan

een algemeen streven het hunne bij te dragen tot de
industriële ontwikkeling. Men voelt nu reeds, zelfs al

zouden er op dit ‘punt generlei overheidsmaatregelen be-

staan, hoe moeilijk het voor een individueel bestuûr dan
op de duur kan worden om een besluit te nemen, dat

lijnrecht tegen dit gebruik ingaat. En toch zou dit onder
bepaalde omstandigheden nodig kunnen zijn. Het moet

steeds denkbaar worden geacht, dat.een beleggingsinstantie

zijn beleggingspolitiek op een gegeven moment grondig
moet herzien en het is zaak, dat men nooit in een positie

gedrongen wordt, dat zulks minder gemakkelijk te ver
wezenlijken zou zijn.

**
*

Als wij hierboven de wenselijkheid hebben bepleit de

besturen ‘der betrokken instellingen volledige vrijheid

van handelen te laten, dan sluit dit vanzelf ook in, dat
wij het industrialisatievraagstuk aan hen zelf zouden willen

overlaten. Naar onze overtuiging zuilen de betrokkenen,
zoals de situatie thans geworden is, vanzelf wel in in-

dustriële objecten beleggen als deze maar voldoende
interessant zijn.

Dit geldt trouwens evenzer voor de particulier., Men
mjet ‘o.i.’ dan ook de aandacht concentreren op de vraag,

hoe men industriële belangen voor dergelijke groot-
beleggers en voor particulieren zo interessant mogelijk

kan maken en in het bijzonder die belangen, welke ge-
woonlijk met ,,risico’dragend kapitaal” worden aangeduid,

waaraan, naar nu wel algemeen wordt ingezien, ‘de groot-
ste behoefte bestaat.

Hoe men de. zaak ook beziet, men komt dan steeds
terug op de punten, die reeds herhaaldelijk naar voren

zijn gebracht: de ondernemingsbelasting (een overblijfsel
ûit de Duitse tijd), de speculatiebelasting (idem), de di-
videndstop (idem en ook na de voorgestelde ,,verfijning”
een te groot bezwaar), de hoge vennootschapsbelasting en
tenslotte- de onmogelijkheid voor pensioenfondsen e.d.,

‘de ‘afgehouden dividèndbelasting op aandelen, waarin zij

hebben belegd, terug te vorderen. Afschaffing van
speculatiebelasting, ondernemingsbelasting, verevenings-

heffing en dividendstop, mogelijkheid tot terugvordering
van de dividendbelasting voor fondsen, zo mogelijk ook
verlaging van de druk van d6 vennootschapsbelasting
zijn belangrijke voorwaarden’ om beleggeride lichamen

en particulieren er toe te brengen op grotere schaal belang
te nemen bij het risicodragend kapitaal. –
Voor particulieren komt daâr, dan nog bij de noodzaak
tot
,
herstel van het spaarvermogen. Hoezeer het moet
worden toegejuicht, dat de. Minister van Financiën ook
maatregelen tot verlaging van de inkomstenbelasting in
overweging heeft, wij vrezen, dat deze maatregelen niet
tot het gewenste gevolg zullen leiden indien er geen grotere
mogelijkheid wordt geboden om te komen tot een waarlijk
herstel van het spaarvermogen door radicaal te breken

met het huidige systeem van belastingheffing, dat feitelijk
voor de hogere inkomensgroepen dat van ,,onteigening”‘
benadert.

Het gaat thans niet om kleine verminderingen;
een
op-
lossing voor de huidige apathie van de kapitaalmarkt, waar-
door het onmogelijk is geworden voor de bedrijven nieuw
geld aan te trekken en dus ons gehele economisch leven eerlang dreigt te worden gesmoord, kân nu eenmaal niet
anders worden gevonden dan door een zo verregaande
vermindering van de belastingdruk ook voor particu-
lieren, dt aanzienlijke bedragen aan spaargelden, evenals

3 Augustus 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

611

in vroegere jaren, vôor investeringsdoeleinden worden

vrijgemaakt.
* *•

,

S

*

Het is duidelijk, .dat de genoemde maatregelen boven

andere overwegingen moeten prevaleren om geen andere

reden dan dat het Nederlands volksbestaan in gevaar

is en steeds verder in gevaar komt als niet zo spoedig
mogelijk tot deze maatregelen wordt overgegaan.

Zijn deze maatregelen eenmaal genomen, dan kan

men, om op ons uitgangspunt terug te komen, gevoegelijk
aan de particulieren en ook aan de besturen van onze
beleggende inbtanties het industrialisatievraagstuk o,ve’-
laten; het is dan niet onmogelijk, .dat er eerlang geen

vraagstuk meer zal zijn of althans dat het voor en,zeer

belangrijk gedeelte vanzelf wordt opgelost, doordat men
enerzijds de middelen heeft om te investeren en anderzijds
de investeringen uit beleggingsoogpunt aanmerkelijk aan

attractie hebben gewonnen. Immers, men vergete niet,

dat er in tegenstelling tot vroegere jaren thans hij de
groot-beleggers en ook hij particulieren een veel grotere

geneigdheid bestaat een deel der middelen in risicodragend

kapitaal te beleggen, indien slechts dit risico niet on-
redelijk door fiscale en andere maatregelen wordt ver-
zwaard Men onderschatte ook niet de initiatieven, die

thans niet tot verwezenlijking komen, om geen andere
reden dan dat de bestaande beperkingen de animo doden.
Het is echter een gevaarlijke politiek de maatregelen,
die voor de hand liggen, niet te nemen en terzelfdertijd

toch een verlangende blik te richten op de fondsen en
verzekering?raatschappijen in de gedachte, dat door hen
de moëilijkheid maar moet worden opgelost. Wij zouden
dit gevaar niet met nadrük naar voren brengen, als het
ons niet toescheen, dat reeds geruime tijd, telkens wanneer
industrialisatie in verband met de groot-beleggers ter sprake komt, deze gedachte ten grondslag ligt aan de

geestesgesteldheid, welke overheerst.

Amsterdam.

GERLOF VERWEY:

BUDGETAIRE ASPECTEN VAN DE

AFWIKKELING DER GE LDZUI VERING EN DE

INNING DER HEFFINGEN.

Reeds in de aanstonds na de bevrijding van ons land
geopperde plannen tot een sanering van ons geldwezen
kwam naar voren, dat een derglijke sanering tweeërlei
doel zou moeten hebben, nl. vermindering van de over-
tollige geldcirculatie en verlaging van de overmatige

schuldenlast’) .
Een nader onderzoek naar de tôt dusver op het laatste
gebied bereikte resultaten is het doel van dit artikel.
Daartoe wordt uitgegaan van de cijfers betreffende de
inning der bijzondere heffingen, die reeds in een vorig

artikel werden gepubliceerd
2)
en die hieroider, uitgebreid

met recente gegevens, opnieuw volgen.
Van de betalingen met geblokkeerd geld en Grootboek
1946 zal wederom de helft aan geblokkeerd tegoed en
de andere helft aan Grootboek worden toegerekend.
Om te beginnen dient te worden gesteld, dat het mone-
taire en het schuldenaspect niet los van elkaar staan,
doch nauw, samenhangen, hetgeen nader zal blijken.
De blokkering
van
het overtôllige geld en van de spaar-
banktegoeden in 1945. wa,s een voorlopige maatregel,
die uiteraard uit monetair oogpunt werd genomen. De
héffingen zouden ‘dit geblokkeerde tegoed ten dele defi-
nitief wegnemen en met het betalen der heffingen zou
de vermindering der staatsschuld een feit worden.

1)
Alen zie
bijv.
,,I-Ict geldvraagstuk en het schuldenprobleem’,
rapport van- dc Nederlandsehe Maatschappij voor Nijverheid en
Handel en ,,Nota inzake de monetaire en budgetaire positie in
Nederland”, heide verschenen ‘in
1945.
‘) ,,De bfwikkeling der geblokkeerde tegoeden” in ,,E.-S.B.”
van
13
April
1949.

TABEL
1
Onteangsten op de beide heffingen
3).

(in niillioenen ulc1ens)

1947

1948
Ie half- Totaal
jaar
1949
Betalingen uit geblokkeerde
tegoeden en met Grootboek
1948

7

7

7

953,3
Afboeking op zekerheidstel-
lingen

………. . …

16,8

513,1

76,4

606,3
Betaling met geconsolideerde
staatsschuld

‘1,6

344,3

103,9 .

449,8
Betaling met vrij geld en uit


Vrije spaar’tegoeden

. 7

t

t

559,5

99,— 7.049,— 420,9

2.568,9

Hèt was daarbij niet onverschillig, welk onderdeel
van de binnehlandse staatsschuld
zou
worden verminderd.

(De buitenlandse schuld van de Staat wordt buiten be-

schouwing gelaten). De bezetting en alles wat daarmede

samenhing had zowel de geconsolideei’de als de vlottende
schuld sterk doen aanzwellen, doch de vlottende sterker

dan
cke
geconsolideerde. Met de toeneming van de vlot-
tende schuld (op de actiefzijde der hankbalansen) was

tevens de omvang van het giraal geld (op depassiefzijde
van de bankbalansen) toegenomen, terwijl de reus-

achtige Markenvordering van .De Nederlandsche Bank
vooral werd weerspiegeld in de toeneming van de uit-
staande bankbiljetten. ‘In ‘de tweede helft van 1945 wer-
den de bankbiljetten ingeleverd en omgezet in bank- en

girotegoeden, welke laatste in twee etappes (Juli en Sep-
tember 1945) werden geblokkeerd. Tegenôver de toege-

nomeh saldi verkregen ‘de banken: wederom schatkist-
papier. .
paar de vlottende schuld, globaal gesproken, dus vooral
in handen was van de geldscheppende instellingen en de
geconsolidee!’de meest bij particuliere en institutionele
beleggers berustte, was uit monetair oogpunt een ver-
mindering van de eerste het meest urgent, daar hierdoor
immers tevens het voorlopig geblokkeerde .geld zou wor-
den weggenomen. In het- navolgende .zal daai’om vooral
worden nagegaan, welk onderdeel der staatsschuld het’
sterkst door geidzuivering en heffingen is beïnvloed en in

welke mate dit het geval is geweest.
Men kan deze invloed niet nagaan door de cijfers der
staatsschuld op verschillende tijdstippen met elkaar te
vergelijken. De kastekorten van het Rijk hebben immers
de totale schuld vergroot, terwijl de periodieke aflossingen
op de gevestigde schuld de verhouding tussen de beide

soorten bovendien nog heeft gewijzigd.
Deze omstandigheden staan echter buiten de resultaten
der heffingen en der geldzuivering; de hierna te geven
analyse is gebaseerd op het, ceteris paribus”.
Alvorens de verschillende betalingsmogelijkheden der
heffingen met het oog op het schuldenprobleem nader te bezien, wil ik opmerken, dat het mij in het kader van dit
artikel doelmatig voorkomt als vlottende staatsschuld
te beschouwen de netto-vlottende schuld, dat wil zeggen
de bruto-vlottende schuld verminderd met de banksaldi

van ‘ het Rijk.
Van de verschillende betalingswijzen geeft
betaling

met geconsolideerde staatsschuld
het eenvoudigste beeld.

Indien.men zijn aanslag in een of beide heffingen voldoet
door het afstaan van staatsobligaties of inschrijvingen
ineen der Grootboeken der Nationale Schuld, ‘dan ver

mindert de geconsolideerde staatsschuld automatisch
met het bedrag der aanslag.
Volgens bovengenoemde cijferopstelling is dit tot 1
Juli 1949 in totaal voor 1 450 mln het geval geweest.
Voor bijna het gehele bedrag gaat het hier om reeds
voor de geldzuivering gevestigde schuld, die echter ten

‘) De cijfers zijn ontleend aan ‘of berekend uit cle maandelijke
perscommuniqué’s belreffende de Rijksmiddelen van het Ministerie
van Financiën Daar gebleken is, dat vroegere opgaven te hoge
cijfers hebben gegeven voor betalingen met Vrij geld en te lage
voor betalingen uit geblokkeerd tegoed,
zijn
in de totaalcijfers per
eind Mei en éind Juni
1949
corrécties aangebracht. Daar de beta-
lingen met Vrij geld enerzijds, met geblokkeerd geld en Grootboek
1946
anderzijds echter niet opnieuw
per maand
zijn gepubliceerd,
kunnen bepaalde cijfers uit tabel
1
niet worden ôpgegeven.

612

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Aiigustes 1949
1

dele na dit tijdstip is geconverteerd in schuld met lagere
rente.

Ook het
Grootboek 1946
behoort tot de geconsolideerde
schuld. Het is hier echter een enigszins ander geval. De

inschrijvingenop het Grootboek 1946 ten bedrage van

f 1.831 mln vormden een belegging van geblokkeerd geld;

de instellingen, die geblokkeerde tegoeden hadden uit-
staan, konden deze slechts naar ‘s Rijks Schatkist over-

maken door beëindiging van eerr deel van hun belegging
in schatkistpapier. De banken 9tortten zelfs f1.311 mln

aan schatkistpapier rechtstreeks in de Schatkist, teneinde

de inschrijving van hun cliënte’n te bewerkstelligen
4).

lIet Grootboek 1946 was dus ten tijde der storting een

omzetting van vlottende in geconsolideerde schuld. Voor
zover echter de heffingen later met Grootboek 1946 werden

voldaan, d.i. dus tot 1 Juli 1949 naar schatting f 475 mln

(nI. de helft van wat met geblokkeerd geld en Grootboek

1946 tezamen is voldaan), betekende dit weliswaar op het
ogenblik der betaling een vermindering der geconsoli-

deerde schuld, doch indien men
het tijdstib der geld-
zuwering
als uitgangspunt neemt, is deze betaling als een

definitieve vernietiging van vlottende schuld aan te
merken. –

Per 30 Juni 1949 stond aan Grootboek 1946 nog f1.189
mln uit; indien hiervan niets meer geamortiseerd zou wor-

den uit hoofde van de heffingen, zou dit bedrag toch in

ieder geval omzetting van vlottende schuld in gevestigde schuld representeren.

Betaling met geblokkeerd tegoed
betekent directe ver-
mindering der netto-vlottende schuld. Immers, het tegoed
van ‘s Rijks Schatkist bij De Nederlandsche Bank (of in
bepaalde gevallen bij,de Postcheque- en Girodienst) neemt

toe en het tegoed der banken bij De Nederlandsche Bank

of bij de Girodienst neemt af. Indien deze betalingen
elkaar voortdurend opvolgen, dan zullen de banken

schatkistpapier laten aflopen en dan verminderen tegoed

van het Rijk en uitstaand schatkistpapier met hetzelfde bedrag; de netto-vlottende schuld wordt echter 400r de
laatste procedure niet beïnvloed.

Betaling met vrij tegoed
heeft uit het, oogpunt van de
kaspositie van het Rijk dezelfde invloed als voldoening met
geblokkeerd geld, evenals betaling met bankbiljetten.
Deze laatste wijze van betaling versterkt wel ‘s Rijks Kas,
doch leidt niet tot aflossing van schatkistpapier.

Tenslotte wordt een deel •der heffingen betaald door
af boeking op zekerheidstellingen. Op
de kaspositie van

de Staat heeft deze betalingswijze geen invloed; deze
heeft zich al doen gelden bij het voldoen der zekerheid-
stellingen met geblokkeerd of vrij geld, welke voldoening
de netto-vlottende schuld
toen
deed afnemen.
Aan zekerheidstellingen, die als •vooruitbetalingen op
aanslagen in de heffingen en in ,,oude” belastingen ‘(be-.

lastingen van 1945 en voorgaande jaren) zijn te beschou-
wen, was tot 1 Juli 1949 f1.950 mln ontvangen. Afge
boekt was er toen reeds f1.865 mln, nl. f 606 mln voor
de heffingen en t 1.259 mln voor ,,oude” belastingen,

zodat dus t 85 mln nog niet was verrekend. Men kan dus

zeggen, dat langs deze weg de bijzondere heffingen voor
t 606 mln bebben bijgedragen tot de vermindering der
netto-vlottende schuld, als men daarbij bedenkt, dat deze
vermindering plaatsvond bij dë storting der zekerheid-
stellingen en niet bij de afboeking.

Resumerend kunnen wij nu zeggen, dat de inning

der heffingen tot tiltimo Juni 1949 de volgende invloed
op de aan het einde der bezetting bestaande staatsschuld heeft gehad.

De geconsolideerde staatsschuld is verminderd met
f 450 mln door het in betaling geven van staatsobligaties
en Grootboekinschrijvingen (behalve Groothoek 1946).,
terwijl de netto-vlottende schuld is verminderd met

f2.119 mln door de andere betalingsw’ijzen.

‘) Ontleend aan het jaarverslag over 1946 van De Ncderliind-
sche Bank, blz. 23 en 25.

De
betaling van ,,oude” belastingen,
waarover geen
exacte4egevens beschikbaar zijn (behalve voor zover het
gaat om afboeking op zekerheidstellingen), hebben even-

eens een vermindering der netto-vlottende schuld ten-
gevolge.

Door de tijdens de oorlog ontstane achterstand in de

invordering der belastingen heeft de Staat’ meer dan
anders het geval zou zijn geweest schatkistpapier moeten

plaatsen om de uitgaven te dekken. Door de betaling
van deze oude belastingen kan dit schatkistpapier nu

worden afgelost of neemt het tegoed van het Rijk toe,

hetgeen de kaspositie in beide gevallen begunstigt. Daar-

tegenover ontstaat weer een nieuwe achterstand in de
inning der nieuwe belastingen. Per saldo echter wordt
de totale achterstand steeds geringer.

Ook de afteikkeling der geldzuiering,
waarover in mijn
artikel van April jl. wérd gehandeld, heeft invloed op

de schuldpositie van het Rijk gehad, nI. door de opties der Investeringscertificaten en Beleggingscertificaten,

die het resterende geblokkeerde tegoed. (het ign. tegoed
op optierekening) ten dele naar ‘s Rijk$ Schatkist brengen.

Op beide leningen gezamenlijk was aan het einde van
Juni van dit jaar f 654 mln ingeschreven.

De stortingen verhogen het tegoed van het Rijk, ver-
minderen dus de netto-vlottende schuld, doch vermeer-

deren tegelijkertijd de geconsolideerde schuld. De in-
schrijving op de beide soorten certificaten betekent dus

een vervanging van vlottende door geconsolideerde
schuld.

De Wet Afwikkeling Geidzuivering maakt het thans
mogelijk ook de Investerings- en Beleggingscertificaten

te gebruiken voor de betaling van heffingen en oude

belastingen. Voor zover dit gebeurt, krijgt men hetzelfde
proces als hierboven voor het Grootboek 1946 is be-

schreven, nl.,vernietiging van gevestigde schuld, die eerst
in de plaats van vlottende schuld was gekomen..

Vat men de resulVaten van de inschrijving op het Groot-
boek 1946, de inning der heffingen, de betaling en latere

afboeking der zekerheidstellingen voor heffingen en cle

inschrijving op Investeringscertificaten en Beleggings-
certificaten samen, dan is de slotsom, dat langs deze
wegen van eind 1945 tot 1 Juli 1949 de netto-vlottende schuld per saldo met f 3.962 mln is verminderd, terwijl de geconsolideerde schuld per saldo met f 1.393 mln is
toegenomen. De verantwoording van deze conclusie

volgt hieronder. . .

TABEL II.

Mutaties in de staatsschuld per ultimo 1945 uit hoofde

pan de geldzuioering en de inning der’ heffingen.

(tot 1

zul!
1949;
in millioenen guldens).

Geconsoli-
Netto-vlot-
decrde.schuld
tende schuld
7.

Betaling heffingen
a. met geconsolideerde
staatsschuld

450

h.

op andere wijzen

……

—2.119
11

Geldaulvering
Stand Grootboek 1946 op

30

Juni

1949

………
+
1.189

.

1.189
Stand Investerings- en Be-
leggingsc.ertifical,en

op
303uni1949
…………
•+

654

654

Totaal

…………….
.

+
1.393
—3.962

Om dit resultaat te kunnen. beoordelen, dient men dan
nog te bedenken, dat de betaling der ofide belastingen, die reeds enkele milliarden beloopt, niet in de cijfers is
verwerkt en dat de nog niet verrekende zekerheidstellin-
gen evenmin in aanmerking zijn genomen.
Behalve een aanzienlijke vermindering van de totale
staatsschuld heeft er dus bovendien.nog een sterke ver-
schuiving van vlottende naar geconsolideerde schuld
plaatsgevonden, zodat, heffingen en geldzuivering naar

3 Augustus 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

613

mijn mening, gezien van het tot dusver behandelde oog-

punt uit aan hun doel hebben beantwoord.
In een volgend artikel zullen enkele monetaire aspecten

van dezelfde objecten worden behandeld.

RoLterdam.

Drs H. W. J. BOSMAN.

DE 32
STE ZITTING VAN DE

INTERNATIONALE ARBEIDSCONFERENTIE,

Va.kverenigingsyrijheid en loonvraagstukkdn.

De 32ste zitting van de Internationale Arbeidsconfe-

rentie, welke van 8 Juni tot 2 Juli te Genèye werd gehou-
den, had een uitgebreide agenda te behandèlen. Niet minder
dan 12 onderwerpen kwamen daarop voor. Behalve de

jaarlijks wederkerende punten als het verslag van de

Directeur-Generaal, financiële en budgetaire vraagstukken
en het rapport over de toepassing van de verdragen,

stonden dit jaar de volgende onderwerpen op het program-

ma: toepassing van de beginselen van het organisatierecht

en van het recht van collectieve onderhandeling (tweede
discussie); betrekkingen tussen werkgevers en arbeiders,
daaronder begrepen collectieve overeenkomsten, bemidde-
ling en arbitrage, en de samenwerking tussep de openbare
machten en de werkgevers- en.arbeidersorganisaties (eerste

discussie); arbeidsbepalingen in openbare contracten
(tweede discussie); bescherming van, het loon (tweede
discussie); een algemeen rapport over de lonen; voorlich-.

ting inzake beroepskeuze (tweede discussie); herziening
van het verdrag betreffende de bureaux voor arbeidsbe-
middeling, die voor hun bemiddeling betaling vragen;
migrerende arbeiders, t.w. wijziging van enige verdragen

betreffende migrerende arbeiders in 1939 uingenomen en
wijziging van enige verdragen in 1946 te Seattle aangeno-

men, die betrekking op de zeelieden hebben.
Een van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste onder-

werp, was dat betreffende de toepassing van de beginselen
van het organisatierecht en van het recht van collectieve

onderhandeling. De in .1948 te San Francisco gehouden
Internationale Arbeidsconfeiuntie had de punten vastge-
steld, welke naar haar mening in dat verdrag moesten

worden geregeld. Die Conferentie heeft echter meer gedaan.
Zij heeft een vèrdrag betreffende de vrijheid tot het op-
richten van vakverenigingen en bescherming van het vak-
verenigingsrecht aangenomen. Het verdrag, dat dit jaar
is behandeld, kan worden beschouwd als een- aanvulling

op en een toepassing van de beginselen in het te San
Francisco aangenomen verdrag. In dat verdrag is nl. be-
paald, dat de werknemers en de werkgevers, -zonder enig
onderscheid, het recht hebben zonder voorafgaande goed-
keuring organisaties op te richteh van hun eigen keuze, zo
ook het recht daarvan lid te worden, op geen andere voor-
waarde, dan dat zij zich naar de statuten van die organisatie
hebben te gedragen. Die – organisaties hebben het recht
haar statuten en reglementen op te stellen, haar besturen te kiezen, alles zonder inmenging van de Overheid. Wèl

isechter in het verdrag een bepaling opgenomen betref-
fende de zgn. legaliteit, inhoudende, dat bij de uitoefening
van de rechten, bij dat verdrag toegekend, de arbeiders,
de werkgevers en hun orgnisaties, evenals alle georgani-
seerde personen of collectiviteiten, gehouden zijn cie wetten
te eerbiedigen, en-dat de nationale wetgeving geen inbreuk

mag maken op de waarborgen in het verdrag neergelegd,
noch het verdrag op zodanige wijze mag toepassen, dt daarop inbreuk wordt gemaakt. Die bepaling mag niet
aldus worden uitgelegd, dat de onafhankelijkheid van de
rechter in het gedrang komt.
Zoals gezegd had de te San Francisco gehouden Coiife-
rentie de punten vastgesteld, op te nemen in het verdrag,
dat dit jaar werd behandeld. Naar aanleiding daarvan
en rekening houdende met de opmerkingen van de Rege-

ringen aan het Internationaal Arbeidsbureau ter zake

van die punten gezonden, had genoemd Bureau een ontwerp-

verdrag ontworpen, dat door de Conferentie, na vooi’be-

reiding door een daarvoor ingestelde commissie, werd be-
handeld. –
Bij de discussie in de conimissie bleek reeds dadelijk

een verschil van opvatting te bestaan over de vorm van

de regeling. De werkgevers speciaal gaven de voorkeur aan

een regeling in een aanbeveling, de arbeiders aan een rege-ling in een verdrag. 1-let betreft hier, zo meenden de werk-

gevers, een praktische toepassing van het recht tot op-
richting van vakverenigingen; het is beter zulks in een
aanbeveling te. regelen, welke de Regeringen tot leidraad
kan strekken, dan in een verdrag. De meerderheid der

commissie sprak zich voor regeling in een verdrag uit.

1-let eerste artikel van het verdrag, dat ten doel heeft de arbeiders tegen elke ,,anti-vakverenigingsdiscriminatie” te

vrijwaren, heeft tot langdurige discussies aanleiding ge-
geven. Werkgevers, aldus was het voorstel van het Inter-
nationale Arbeidsbureau, mogen het in dienst nemen van

een arbeider niet afhankelijk stellen van de voorwaarde, dat hij zich niet aansluit bij een vakvereniging of dat hij

uit een -vakvereniging treedt; evenmin mag een arbeider
worden ontslagen of op andere wijze worden benadeeld,
omdat hij buiten de arbeidsuren aan vakverenigingswerk-
zaamheden deelneemt of, met toestemming van zijn werk-gever, gedurende de arbeidsuren. Belangrijke vragen kwa-

men hierbij naar voren. Moet niet eveneens het recht van

de arbeider om zich
niet
hij een vakvereniging aan te

sluiten worden gewaarborgd? T-let vorig jaar was besloten

dat negatieve recht niet uitdrukkelijk op te nemen. Des-
niettegenstaande werden er verschillende amendementen
ingediend om het recht’ zich
niet
te organiseren te waar-

borgen. Alle desbetreffende amendementen werden ver-worpen. Zeer vele leden meenden, dat het recht zich niet

te organiseren reeds voortvloeide uit de regeling van het
recht zich te Örganiseren. Regeling van het negatieve recht
– zo meenden sommigen – zou er. toe kunnen leiden, dat

de arbeiders daardoor zouden worden aangemoedigd zich
niet.te organiseren. Neemt men – zo was de opvatting
van velen – een negatief recht op, dan zullen de Regerin-
gen verplicht zijn collectieve overeenkomsten, die zgn.
,union security”-bepalingen bevatten (,,closed shop”-be-
palingen) of stakingen door arbeiders, die niet met onge-

organiseerden willen samenwerken, onwettig te verklaren,
hetgeen vele Regeringen moeilijk aanvaardbaar zullen

vinden. –

De Nederlandse Regeringsafgevaardigde, Dr Stokman,

heeft getracht een oplossing in deze materie te vinden.
Z.i. moest het vraagstuk der ,,union security”-bepalingen
in het verdrag worden geregeld. Het betreft hier niet de
vraag, of dergelijke bepalingen toegelaten of verboden
moesten worden, maar om de rechten van het individu
en die van,de vakverenigingen met elkaar in overeenstem-
ming te brengen; dat vraagstuk was in het bijzdnder van
belang in landen, waar vakverenigingen met verschillende

strekking naast elkaar bestaan. Z.i. was het daarom nood-
zakelijk om in het verdrag voorwaarden op te nemen,
waaraan die ,,union security”-bepalingen zouden moeten
voldoèn. De arbeiders waren bevreesd dat religieuse,poli-
tieke of sociale redenen dan als voorweridsel zouden worden
gebruikt om arbeiders aan te sporen zich niet te organiseren.
1-let gevolg van Dr Stokman’s voorstel zou huns inziens
zijn, dat een openbare autoriteit een contrôle op de vak-
verenigingen zou gaan uitoefenen, hetgeen zij geenszins wensten. Van andere zijde werd aangevoerd, dat de Re-
geringén dan tussenbeide – zouden moeten komen in de
onderhandelingen over collectieve overeenkomsten. Ten–
slotte werd de Commissie, die dit vraagstuk voorbereidde, het er over éens in haar rapport uitdrukkelijk tevermelden,
dat het haar mening was, dat het verdrag niet aldus mocht
worden uitgelegd, dat het hetzij , ,union security”-regelingen
goedkeurde, hetzij verbood; die quaestie moet in over-

614

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Augustus 1949

eenstemming met de nationale praktijk worden geregeld.

Dientengevolge bevat het verdrag generlei bepaling over
,,closed” of ,,union shop” (het opnemen van bepalingen in

collectieve overeenkomsten om al of niet lid van èen vak-

,vereniging te zijn of worden) en is de regeling van die
materie geheel aan de nationale praktijk overgelaten.

In verband daarmede heeft Dr Stokman zijn amendement

• ingetrokken. Eveneens werd een soortgelijk voorstel, door

de Zuidafrikaanse Regeringshfgevaardigde ingediend,

• teruggenomen.

Een ander punt, dat de Commissie lang heeh bezigge

houden, was de-positie van de openbare ambtenaren: de.

,,public officials”. Allereerst doet zich hier de vraag voor
wat onder die term moet worden verstaan. Dat moet toch
zeker vaststaan, wil men internationaal een regeling voor
hen treffen. Over de wenselijkheid van het treffen van een regeling
voor de ambtenaren bestond zeer veel verschil in opvatting.

Er waren leden, die meenden, dat de openbare ambtenaren,

wat betreft het vakverenigingsrecht en de collectieve

onderhandelingen, dezelfde rechten moesten hebben als

de andere arbeiders; anderen waren van oordeel, dat de
Regeringen het recht moesten hebben om ten aanzien

van ambtenaren bepaalde beperkende regelingen vast te

stellen. Weer anderen konden zich met het denkbeeld om

voor ambtenaren bij hèt aangaan van collectieve overeen-

komsten enige beperkingen vast te stellen wel verenigen,
doch wilden het recht van- de ambtenaren om zich te

organiseren niet beperkt zien.

Het is de Commissie niet gelukt om in deze tot een
eenstemmige opvatting over de positie van de ambtenaren
te komen. Dit heeft er toe geleid, dat zij besloot in het

verdrag een bepaling op te nemen, inhoudende, dat het
verdrag geen betrekking heeft op de positie van openbare

ambtenaren, werkzaam in de Staatsadministratie, doch
dat het evenmin in die zin mag wordén uitgelegd,

dat het inbreuk maakt op hun rechten of hun statuut.

Hier zij aangetekend, dat het verdrag over de vakvereni-.
gingsvrijheid, in 1948 te San Francisco aangenomen, wel

èp de ambtenaren van toepasing is. Wat de géw’apende macht en de politie betreft, bevat het verdrag eenzelfde
bepaling als in het in 1948 aangenomen yerdrag voorkomt,
nl. dat de mate, waarin de waarborgen, in dat verdrag

neergelegd, te hunnen aanzien

van toepassing zijn, door

de nationale wetgeving zal worden bepaald. Daar waar de

gewapende macht en de politie die rechten reeds hebben,
mag de bekrachtiging van het verdrag niet worden be-

schouwd als op die rechten inbreuk te maken.
Het verdrag houdt verder in, dat de arbeidersorganisaties
• behoorlijk moeten worden beschermd tegen enigerlei in-
menging van de zijde van de werkgevers of hun organisaties
of vertegenwoordigers bij de oprichting, het functionneren
of de administratie van hun ‘organisaties. Gevaakt moet
worden tegen handelingen van de werkgevers om met
financiële middelen de organisaties te steunen om ze
zodoende onder hun macht te krijgen Waar nodig moeten
geschikte •organen worden ingesteld, om de eerbiediging van het organisatjerecht, als in het verdrag neergelegd, te
waarborgen. –
Voor de ontwikkeling en het benutten van procedures voor vrijwillige – onderhandeling tussen werkgevers- of
werknemersorganisaties en arbeidersorganisaties voor het

sluiten van collectieve overeenkomsten i’noeten, waar
nodig, maatregelen strokende met de nationale toestanden,
worden genomen. Bij de behandeling in de Conferentie
hebben de werkgevers betoogd, dat zij de voorkeur aan een
aanbeveling gaven.,
Het verdrag werd met 115 stemmen voor en 10 tegen
aangenomen, terwijl er 25 onthoudingen waren: De Neder-
landse werkgeversvertegenwoordiger onthield zich van
stemming, die van Engeland stemde tegen, terwijl die van
Frankrijk en België vÔdr stemden.

De Commissie, die genoemd verdrag heeft behandeld,
had geen gelegenheid meer om het vraagstuk der betrek-

kingen tussen werkgevers en arbeiders enz. te behandelen;

zij stelde voor dat op de agenda van de volgende Confe-

rentie voor eerste discussie te plaatsen. De Conferentie nam
terzake een resolutie aan.

Wat het loonvraagstuk, dat aan de orde was gesteld,

betreft, nam de Conferentie een verdrag met een aanvul-

lende aanbeveling aan inzake de arbeidsvoorwaarden in

openbare contracten en een verdrag met aanbeveling,

betreffende de bescherming van het loon. Het vorige jaar

was beslist, dat voor beide onderwerpen de vorm van

een verdrag moest worden gekozen. Dit jaar was de Com-

missie, welke de behandeling van dit ondewerp heeft

voorbereid, dezelfde opvatting toegedaan èn verwierp zij

voorstellen om aan die onderwerpen de vorm van een aan-

beveling te geven. Het verdrag betreffende de arbeidsvoor-
waarden in openbare contracten is van toepassing op con-

tracten, waarbij een der partijen een openbare autoriteit

is, de uitvoering van het contract besteding van gelden

door een openbare autoriteit meebrengt en de tewerkstel-

ling van arbeiders door de andere partij; bovendien moet

het contract betrekking hebben op de constructie enz.
van openbare werken, het vervaardigen, of het vervoer

van materialen, voorraden en installaties of het uitvoeren

of verrichten van diensten. Het verdrag is ook van toe-

passing op onaeraannemers of uitvoerders van contracten. –
Het algemene beginsel van dit verdrag is dit: de voor-
waardën betreffende lonen, de arbeidsduur en de andere

arbeidsvoorwaarden, in bedoelde.contracten op te nemen,
mogen niet minder gunstig zijn dan die voor arbeid van
dezelfde aard in het betrokken, beroep of de industrie in –

dezelfde streek geldende.

Een nieuw beginsel brengt dat verdrag
oor ons land
niet. De toestand in ons land is overeenkomstig de begin-

selen van het verdrag. Hetzelfde kan worden gezegd ten

aanzien van het verdrag betreffende de bescherming van
het loon. Dat verdrag, dat van toepassing is op alle per-

sonen, aan wie loon uitbetaald wordt of uitbetaald, moet’
worden, houdt bepalingen in over de wijze

van loonbetaling
(loon in geld, loon in natura); inhouding op de lonen, cessie

van en beslag op de lonen, loon als bevoorrechte schuld
enz., welke in ons land en in vele andere landen reeds
sedert jaren van kracht zijn.

Het verdrag betreffende de arbeidsvoorwaarden in
openbare contracten werd met 115 stemmen v65r en 9

tegen aangenomën. De vier Nederlandse afgevaardigden
stemden voor. De Nederlandse werkgeversvertegenwoor-
diger ‘stemde echter tegen de desbetreffende aanbeveling.
De werkgeversgroep had bezwaren tegen de aanbeveling –
in haar geheel. Daarin werd aanbevolen om zo mogelijk
de bepalingen van – het verdrag ook toe te passen daar,
waar particuliere werkgevers van overheidswege subsidies
ontvangen voor het uitvoeren van dergelijke werken;
eveneens werd aanbevolen, dat’ arbeidsvoorwaarden in
openbare contracten o.a. het normale loon, loon voor over-wèrk, arbeidsduur enz. zouden voorschrijven.
Het verdrag betreffende de bescherming van het loon

werd met 107 stemmen voor en 17 tegen aahgenomen; cle
aanbeveling met 106 stemmen voor en 24 tegen. De Ne-
derlandse werkgeversvertegenwoordiger stemde tegen ver-
drag en aanbeveling.

De commissie uit de Conferentie, welke de bovengenoem-
de onderwerpen had, voorbereid, had geen gelegenheid
meer het algeméne rapport- over de lonen te behandelen.
Daarenboven W’aren hij haar nog, een’ viertal resoluties
ingekomen, t.w. over de systemen van betaling eve,nredig
aan de productiviteit, over schadeloosstelling bij ontslag,
over toekomstige studies, do lonen betreffende, en overhet
minimum loon; ook voor een behoorlijk onderzoek daarvan ‘ontbrak de tijd. De commissie stelde daarom de Conferentie
voor om de Raad van Beheer uitte nodigen nota te nemen
van de verschillende in het algemene rapport over de lonen

3 Augustus

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

615

en in de diverse resoluties neergelegde vraagstukken, ten-
einde te beslissen terzake van welke problemen de studies

zullen worden voortgezet en verder bij tijd en wijle té
onderzoeken, welke vraagstukken, de lonen betreffende, op

de agenda van volgende zittingen der Conferentie zouden
kunnen worden geplaatst. Met dat voorstel heeft de Con-
ferentie zich verenigd. -.

In een volgend artikel hopen wij nog enkele andere

onderwerpen, welke op de Internationale Arbeidsconferen-
tie ter sprake zijn gekomen, te behandelen.

Amsterdam.

G. J. STEMBERG.

INGEZONDEN STUK.

DE ECONOMIE VAN EET GliONDGEBRUIK IN
UITBREIDINSPLANNEN.

De heer J; Poppema te Utrecht schrijft ons:
In een artikel van Prof, Dr Ir H. G. van Beusekom,
getiteld ,,De econo’fnie van het grondgebruik in uitbrei-

dingsplannen”, in , Economisch-Statistische Berichten”
van 18 Mei 1949, wordt de aandacht gevestigd op de
noodzaak van een economisch grondgebruik voor woning-
en industriebouw. Hoewel wij het belang van het naar

voren gebrachte probleem volkomen inzien en het met
de hoofdzaak van het betoog eens zijn, komt het ons
niettemin gewenst voor enkele gedachten in het genoemde
artikel aan een nadere beschouwin te onderwerpen.
Professor Van Beusekom uit zijn vrees voor een ver

smalling van de basis van de Nederlandse voedselvoor-
ziening, welke het gevolg zal zijn van het in gebruik
nemen van landbouwgronden voor woningbouw en in-

dustrieterrein. De basis van de Nederlandse voedsel-

positie wordt als zeer wankel bestempeld en de labiele
toestand, waarin deze zich bevindt, geweten aan de positie van onze betalingsbalans. Onze gehele nationale economie
is echter in even sterke mate van de positie van de be-

talingsbalans afhankelijk; denken wij slechts aan twee
zo belangrijke voorzieningsgebieden als energie en metalen.

Wanneer dus in dit verband alleen de aandacht wordt
gevestigd op onzevoedselpositie, kent men aan de”ze sector

een zeer belangrijk gewicht toe. Professor Van Beusekom

voert als argument voor deze zienswijze de moeilijkheden,
welke in tijden van oorlog ontstaan, aan.

Nu zijn er in geval van oorlog drie mogelijkheden. Het
land is neutraal, strijdend, of bezet. De eerste mogelijkhel’d

– vernielden wij slechts volledigheidshalve. De huidige
politieke situatie in aanmerking nemend, menen wij dit
geval verder te kunnen laten rusten. Indien het land

strijdend aan een oorlog deelneemt,’ zal het ongetwijfeld
in open verbinding met zijn bondgenoten sta’an, zodat
voedselvoorziening van overzee mogelijk blijft.
In het laatste geval zal een situatie ontstaan, welke
wij inderda.d niet te snel zullen vergeten, ni. die, waarin
de bezetter zijn uiterste best doet, het bezette gebied
zo grondig mogelijk te zijnen gunste te exploiteren, zonder
rekening te houden met de daar gevestigde bevolking.
Een beroep op oorlogsomstandigheden, ter argumentatie
van een primair stellen van de voedselvoorziening, komt
ons derhalve vrij zwak voor.

Hiermede blijft echter het betalingsbalansprobleem
in zijn volle omvang bestaan.

Twee wegen zijn in principe aanwezig om hier een op-
lossing te brengen:

een vergroting van de lopende delriezenontvan’gsten;

een verkleining van de lopende deviezenbetalingen.

Professor Van Beusekom kiest in wezen de tweede op-lossing. De huidige ontwikkeling in de landbouw in aan-

merking nemend, komt het ons gewenst voor de mogelijk-
heid van de eerstgenoemde oplossing te overwegen.

We zien in de agrarische sector een noodzaak tot ver-

groting van de arealen per bedrijf, ten gevolge van de
toenemende mechanisatie. In verband met het feit, dat

de hoeveelheid grond in ons land nagenoeg is gefixeerd,

mogen we nu echter niet spreken van een toeneming van
‘het grondtekort.

Integendeel, ten gevolge van een afneming van, de

werkgelegenheid in de agrarische’sector, zien wij dit pro-

bleem niet als een grondprobleem, maar als een werk-
gelegenheidsprobleem, in wezen een omscholingsprobleern,

voortspruitend uit het technisch ontwikkelingsproces.
In principe zijn er voor dit probleem twee extreme,
oplossingen:

1. totale emigatie van het getroffen deel der bevolking;

2, omscholing en aanwending van al deze werkkrachten
binnen de nationale economie.

In het eerste geval is men volkomen afhankelijk van de
bereidwilligheid van andere landen om Nederlandse

werkkrachten op te nemen. Ongetwijfeld zullen de be-
trokken Regeringen aan de immigranten bepaalde eisen
t:a.v. kapitaalkracht en vakkennis stellen, met als gevolg,

dat het beste deel van een potentiële kracht aan de vor-
ming van het eigen nationale product wordt onttrokken.
In het tweede geval zal door omscholing deze kracht ten

bate van het eigen nationale inkomen kunnen worden
aangewend. Het voordeel van deze oplossing is gelegen

in de mogelijkheid, welke l)estaat tQt het voeren van een
doelbewuste politiek, met als doel deze omscholing te
leiden in die richting, welke binnen het kader van het
nationale plan het meest wenselijk wordt geacht. Aan-
wending van deze krachten zal noodzakelijk dienen te
[geschieden i’n de niet-agrarische sectoren, waaronder de

industriële sector een belangrijke plaats inneemt. Een

ontwikkeling als’ hierboven geschetst zal een uitbreiding
van het industriële apparaat en de stedelijke agglomeratie
met zich brengen.

Wanneer wij nu zien, dat gronden aan hun agrarische
aanwending worden onttrokken, dan moeten wij be-
denken, dat dit slechts mogelijk is geweest via de werking
van het prijsvormingsmechanisme, m.a.w. de nieuwe
aanwending heeft een hogere prijs voor de grond kunnen
betalen dan de oude.

Wij citeren in dit verband een’zinsnede uit een artikel
van Professor Van Beusekom in ,,Economisch-Statistische

Berichten” van 16.September 1942, getiteld ,,Prijsbeheer-
sing van bouwgrond”.

,;Er liggen in de omgeving van onze steden gronden,
die nog in agrarisch gebruik zijn, doch die door hun ligging

,,in de schaduw van de stadsbebouwing” reeds een hogere
waarde dan de agrarische waarde hebben gekregen en die tegen die hogere waarde reeds verkocht of verend
zijn”.

Deze hogere waarde wil Professor Van Beusekom in
elk geval vergo’eden.

Vragen wij ons echter af, waar deze hogere waarde op berust, dan moeten wij tot de conclusie ‘komen, dat deze
een gevolg is van verwachte hogere opbrengsten.
De gevolgtrekking, dat een bestemmingsverandening
der gronden in het algemeen zal geschieden oider invloed
‘van een tendentie’ tot vergroting der opbrengsten, lijkt
ons alleszins gewettigd.

Dit houdt, ondanks een vermindering van de beschik-
bare hoeveelheid landbouwgrond, een vergroting van het

nationale product in, hetgeen ook onze btalingsba1ans-
positie ten goede kan komen. De vrees van Professor

Van Beusekom voor een met de vermindering in de hoe-
veelheid landbouwgrond gepaard gaande versmalling
van de basis van de Nederlandse voedselvoorziening delen
wij dan ook niet. Wij zien deze ontwikkeling als een
symptoom van ‘een noodzakelijk volgen van het technisch

ontwikkelingsproces. Dat hierbij een zo doelmatig mogèlijk
gebruik moet worden gemaakt van de verschillende pro-

r

616

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Augutus 1949

ductiefactoren, is, gezien de ongunstige positib van onze

betalingsbalans, een primaire eis.

Naschrift.

Inzender verklaart, het met de hoofd’zaak van mijn

betoog eens te zijn. De opmerkingen, die hij niettemin’
maakt, doen aan het betoog dan ook weinig toe of af.

Ik heb gewezen op de bezwaren, die van, landbouwzijde

worden gemaakt tegen een verdere uitbreiding van de

stedelijke bebouwing en deze erkend als van nationaal

belang, omdat het op eigen benen moeten staan in 1953

ook inhoudt, dat onze voedselproductie zo hoog mogelijk
wordt opgevoerd en gehouden. Mijn verwijzing naar het

voedselgebrek in oorlogstijd was slechtsterloop9.

Inzender wil het probleem van de ongunstige betalings-

balans oplossen door vergrôting van de nationale productie,

i.c. industrialisatie. Ik heb geen reden om daartegen be-

zwaar te maken. Met evenveel recht als men kan consta-

teren, dat iedere hectare landbouwgrond, die aan zijn

bestemming wordt onttrokken voor stadsuitbreiding,
één Nederlander zijn bestaan ontneemt en dwingt tot

emigratie, kan men staande houden, dat iedere hectare
landbouwgrond, die aan zijn bestemming wordt ont-
trokken ten behoeve van dé industrie, aan honderd nieuwe

Nederlanders een bestaan biedt.
Ik heb dan ook geen pleidooi gevoerd tegen het ont-

trekken van landbouwgronden voor industriebouw; in-

tegendeel, ik acht dit gewettigd en noodzakelijk Maar

ik ‘heb het grondgebruik bezien uit het oogpunt van het
wonen en de behoeften van de stad en geconstateerd,
dat het noodzakelijk is, zich daarin beperkingen op te
leggen, omdat de nationale economie eist, dat voor die

doeleinden niet meer productieve grond improductief
wordt gemaakt, dan strikt noodzakelijk is

‘s-Gravenhage.

H.
G. VAN BEUSEKOM.

AANTEKENING.

AMERIKA’S ACIIILLESPEItS.

..
liet is, terwijl wij dit schrijven, ongeveer een half

jaar geleden, dat, het Amerikaanse blad ,,Journal of
Commerce” uit Washington wist mede te delen, dat de

National Petroleum Council binnenkort de Federale
Regering ervan in kennis zou stellen, dat, wat oliepro-
ducten betreft, vraag en aanbod in de Verenigde Stciten
meer met elkaar in evenwicht zullen zijn dan op enigerlei
tijdstip na, afloop van de oorlog. Doch de Petroleum
Council zou er tevens op wijzen, dat het voornaamste probleem, waartegenover de industrie en de Regering
zullen komen te staan, is, hoe de ontwikkeling van nieuwe

reserves .moet worden bespoedigd om dit evenwicht te
kunnen handhaven.

J3
1r werd hiëraan nog toegevoegd, dat werd verwacht,
dat in het binnenkort door de National Petroleum Council

uit te brengen rapport met nadruk zal worden gewezen op
de noodzakelijkheid een olieproductie in het buitenland
op te bouwen, waardoor de druk op de oliereserves in het
binnenland wordt verlicht en men er van verzekerd is,

dat voorraden, uitsluitend benodigd voor Amerikaanse
producenten, niet, ,,in gevaarlijke hoeveelheden” naar het
buitenland zullen worden. gezonden.
1-let valt moeilijk te ontkennen, dat Amerika een zeer
grote activiteit vêrtoont ten aanzien van pogingen cm
in het buitenland ,,een olieproductie op te bouwen”.
Dat blijkt wel zeer duidelijk, als wij er ons rekenschap
van geven, dat van de in 1947 belegde kapitalen in bui-

tenlandse industrieën tot een totaalbedrag van S 744 mln,
$ 455 mln of 58 pCt kwam voor rekening van de Ameri-

kaanse petroleumindustrie.
Zuid-Amerika werd geholpen .met een bedrag van

$ 263,3 mln, waarvan Venezuela bijna ‘de helft ontving

(5 126,8 mln).

Het Midden-Oosten, maar vooral Saoedi-Arabië, werd

bedacht met een bedrag, groot $ 91,3 mln, terwijl de

wederopbouw van een Amerikaanse onderneming in het
Verre Oosten een bedrag van
S
30,8 mln heeft gevergd.

Nieuwe beleggingen in diverse Europese landen vereisten

een bedrag van $ 26,2 mln.

Latere gegevens staan niet te onzer beschikking, maar

men kan er zich van verzekerd houden, ‘dat in het voor
de petroleumindustrie zo buitengewoon gunstige jaar

1948 op de weg der investeringen in het buitenland de

pas niet zal zijn gemarkeerd.
Nog zeer onlangs hebben wij immers kunnen vernemen,

dat drie Amerikaanse maatschappijen een contract voor
de tijd van 25 jaar met de nationale ,,Petromex” hebben

afgesloten, waarbij het aair deze belangrijke zelfstandige

maatschappijen wordt toegestaan, met eigen kapitaal’,
uitrusting en technici ,,prospectie?’, te verrichten en

putten te boren in drie zônes van de Mexicaanse Staten
Veracruz en Tabasco. Maar ook inSaoedi-Arabië zijn

over 1948 weer grote sommen belegd in de aldaar ge-

v6stigde ondernemingen, waarbij wij alleen maar be-
hoeven te denken aan de voorgenomen en reeds voor

een deel voltooide aanleg van een enorme buisleiding door

de Arabische woestijn naar de Middellandse Zee.

Daarbij is o.a. de zeer ac.tieve Standard Oil Company

of California betrokken, die echter ook in Âmeiika, zelf

een geweldige werkzaamheid ontwikkelt: in 1948 be-
reikte zij een record met het aantal angeboorde bronnen,
t.w.
687
waarvan er 612 oliehoudend bleken tezijn.

7 waren gasbronnen.en slechts 68 mislukkingen. Deze

enkele mededeling wijst ervel op, dat men in Amerika

niet stil zit, doch werkelijk, alle zeilen bijzet om de petro-

leurnproductie tegenover de nog altijd toenemende vraag
op peil te kunnen houden.
Toch zouden wij het bovenstaande het liefst als een

aanloop voor onze eigenlijke uiteenzettingen willen be-
schouwen, welke steunen op een kort geleden verschenen

artikel in ,,’
1
,Vorld Petroleum”
1),
onder de titel: ,,Marine

Production gains Place in Oil Industry Picture?’.
Daarin wordt de ontwikkeling geschetst van de petro-
leumwinning onder zee én de mogelijkheid veronderstel,d
van de aanwezigheid van grote petroleumvoorraden

langs de kusten van, de Verenigde Staten.
Reeds zijn er proefboringen verricht langs de kust

van de Golf van Mexico
2).
De,daarbij gevolgde methoden
worden aangegeven en ook wordt de moeilijke kwestie
der territoriale rechten in het artikel behandeld, waarop

wij hieronder terug komen.

**
*

Alvorens daartoe echter over te gaan menen wij er

goed aan te doende aandacht te vestigen op het artikel
,,Waarde en bezit van de zeebodem” van de hand van
Harold F. Clark en George T. Renner. uit de ,,Saturday

Evening Post”, Philadelphia, dat in het Februari 1947-
nummer van ,,Internationale Echo” indertijd is over-.

genomen.
Dit artikel herinnerde er aan, dat in de herfst van
1946 de president van de Verenigde Staten in een bijna
onopgemérkte proclamatie de federale jurisdictie heeft
uitgebreid over ruim 1.800.000 vierkante kilometer van
het aardoppervlak. De schrijvers gevn in dit verband

‘) In het, nummer va’n November 1948 publiceerde het tijdschrift
World Petroleum” o.a. een artikel met de sterk-sprekende titel:
,,
,,Oil Industry bas met the Test of 1a Decade of Difficulties” Het
behandelt de geschatte petroleumreserves in Amerika over 1938
en 1948 en heeft het ook over onderzeewinning van olie. Ook hieruit
blijkt hoezeer (lit probleem de Amerikanen bezihoudF,.
‘) Het Financieel Dagblad wist reeds in het nummer van 44
Februari 1946 mccle te delen, dat cliepzee-boringen zijn ingesteld
in Venezuela, Californit, Borneo en hij Bakoe en thans de Balsama-
eilanden aan de beurt zouden komen. 9 Mei 1949 vermeldde hetzelfde
blad, dat onder de bodem van de Perzische Golf (Bahrein-eilanden)
boringen zouden worden verricht.

3 Augustus 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

617

als hun mening te kennen, dat deze stap eens zal worden

beschouwd als een van de meest beslissende in de ge-
schiedenis. Het lijdt geen t,’ijfel, zo zeggen zij verder,

dat deze 1,8 millioen viërkante kilometer het belangrijkste
gebied vormen, dat ooit aan de Verenigde Staten is toe-

gevoegd, deels vanwege de rijkdom der daarin gelegen
natuurlijke hulphronnen, deels – en dat is nog belang-

rijker – omdat deze daad een glimp te iien geeft van

belangrijke ontwikkelingen in de toekomst.

Het hierbedoelde gebied ligt voor de Amerikaanse
kustlijn, want het geannexeerde bestaat uit oceaan-
bodem, niet minder dan 200 meter onder de zeespiegel.
Nog enige tientallen jaren machinale. bescMving, zo

lezen wij verdör, en de mens is door verschillende van
zijn belangrijkste reserves heen.

Maar vlak bij de hand, en nog onaangeroerd, bevindt
zich 80 pCt of meer van ‘s werelds oorspronkelijke

rijkdommen, en het is zonder twijfel slechts een kwestie
van tijd,, voordat de mens, gewapend met wetenschap

en techniek, de natuurlijké hulpbronnen van de zee zal
aanboren.

..

1-let is verleidelijk nog meer aanhalingen uit dit be-
langwekkende artikel te doen, iaar dat zou ons te ver
voeren. Daarom beperken wij er ons toe op gezag van de
genoemde schrijvers mede te delen, dat volgens de schat-
tingen van sommige deskundigen de minerale reserves

van de wereldzee die van het vaste land overtreffen.
Tevens beseft men thans de waarde van de petroleum-
reserves onder de zeebodem. En de reden, die de president
gaf voor de annexatie van het langs de kust, gelegen zee-
gebied, was dan ook de becherming van de petroleum-
voorziening van het land.

Wij zouden hiermede wel van dit onderdeel van ons
onderwerp kunnen afstappen, maar willen toch niet

nalaten te memoreren, dat’ de schrijvers als conclusie
aan hun beschouwingen hebben verbonden-, dat Amerika
de thans verkregen voorsprong moet pogen te behouden
en daarom zonder dralen beslag dient te leggen op 100
tot 130 millioen vierkante kilometer oceaan, hetgeen

neerkomt op circa van de totale oceaanoppervlakte.
,,De toekomst van ons ‘land” – zo eindigen, zij hun be-.
toog -, zowel uit economisch als uit militair oogpunt

bezien, eist het. Onder geen voorwaarde mogen wij ons

de ons ,nu geboden kans laten ontglippen”. , –
-wij kunnen er slechts van zeggen, dat de heren Clark
en Rennei wel heel ver verwijderd zijn van de vèel ge-

zondere opvatting, dat de ter hand te nemen eploitatie
van de hier bedoelde minerale en andere rijkdommen nu
eens niet door afzonderlijke staten, doch namens de Ver-
enigde Naties in het belang der gehele mensheid inter-
nationaal zou’ behoren te geschieden.
In dit verband moge en aan worden herinnerd, dat’
vooraanstaande Europese en Amerikaanse geleerden voor de op 17 Augustus e.k. te Lake Success te openen weten-

schapelijke conferentie’ der Verenigde Naties over het
behoud en het gebruik] van hulpbronnen, rapporten
hebben ingediend over de middelen, die toegepast

kunnen worden om de afnemende wereldvoorziening ‘van
brandstoffen en energie te verhogen.
Van de 17 wetenschappelijke geckriften, welke over dit onderwerp zijn ontvangen, heeft er 1 betrekking op

het cxploiteren van de enorme oliereserves, die zich onder
de zeebodem bevinden.

Inderdaad is het zô, dat hier internationale belangen
op’ het spel staan!

**
*

Aldus voorbereid kunnen wij ons thans gaan bezig-
houden met een besprekin van het artikel in World
Petroleum”, waarvan ‘wij in de aanhef dezer bijdrage
gewag hebben gemaakt.

1-Jet is wel zéer merkwaardig, dat dit in Maart 1949
gepubliceerde artikel geheèl zwijgt over de zoëven ver-

melde ‘proclamatie van President Truman,, doch wel Vrij
uitvoerig de moeilijkheden schetst, welke inzake de be-

schikking over de buiten de kustlijn gelegen oceaan-

gebieden zijn gerezen tussen de Federale Regering en de afzonderlijke Staten. Met de Staat Californië is het

begonnen. 1-let 1-loog Gerechtshof stelde zich – wat
deze Staat betreft – aan de zijde der Federale Regering

(,,the Supreme Court held that the national gQvernment

had ,,paramount rights” in such areas”).

Thans zijn ook Louisiana en Texas voor de feiten ge-

steld en als ook ten opzichte van deze Staten een be-
slissing wordt genomen zoals ten aanzien van Californië
is geschied, dan zal er een nieuw beginsel zijn geïntrodu-

ceerd ,,intd the handling of oil development”. 1-lierover

zijn echter scherpe gedachtenwisselingen ontstaan:’ ,,aan-vaarding toch van dit beginsel zou dè weg vrijmaken voor

naasting-van alle mogelijke staatseigendommen of elke

willekeurige industrie onder de dekmantel van de be-
scherming der nationale veiligheid”. 1-let Congres zal nu
hebben uit te maken hoever de Federale Regering in deze

zal kunnen en mogen gaan. ,,A bitter light is in prospect

before the issue is decided”
3).

Deze aanvulling op ‘de beschouwingen der heren Clark
en Renner leek ons wel gewenst voor een goed begrip

dezer ingewikkelde materie.

**
*

1-let tijdschrift ,,World Petroleum” is rijk geïllustreerd
en’ verschaft ons een voortreffelijke documentatie: het

omvangrijke Engelse taalgebied biedt nu eenmaal moge-
lijkheden, welke voor ons Nederlanders nooit bereikbaar
zullen worden.
Het artikel ,,Marine Production gai,ns Place in Oil
Industry Picture” bevat o.a. een sprekende foto van

-,,a foundation large enough to accommodate the heavy
drilling outfit, power plant and other facilities” voor
diepzeeboringen in de Golf van Mexico. Dus niet ‘vlak
• aan de kust, waar het veelal met behulp van boortorens

geschiedt. Dit ,,petroleum-vliegdekschip”, om het zo nu
maar eens t6 noemen, van waaraf geen vliegtuigen de
lucht ingaan, maar wel boi’ingen worden• ondernomen,

heeft niet minder dan $ 1.250000 gekost. –
Diepzeeboringen zijn uitermate kostbaar en ook het

vervoer der gewonnen olie levert grntere moeilijkheden
op’ dan op het land. Maar de bittere noodzaak doet de
maatschappijen over deze ernstige bezwaren heenstappen.
Verder zijn er kaartjes afgedrukt van de Golf van
Mexico met vermelding van de vermoedelijke hoeveel-

heden petroleum, welke resp. op 3,5, 10,5 en 31,4 mijl
van de kust af zullen kunnen wörden gewonnen. Daarvoor
‘zullen niet minder dan 30.000 bronnen moeten worden
geboord. De te investeren kapitalen belopen de gewel-

dige som van $ 75 mln.
Maar men telt de ‘moeilijkheden en de kosten niet,
omdat de te verwachten productie ,,will be of very great value in enabling the nation to satisfy its growing requi-
rements over a longer period” (de toenemende behoefte
zal over een langere periode kunnen worden bevredigd).
Wij kunnen tot ons leedzezen het zéer instructieve
artikel niet op de voet volgen en volstaan er daarom
mede er nog uit aan te halen, dat de t’er beschikking
staande gegevens de geologeri in staat hebbefi gesteld
te berekenen, dat
tenminste
10 billioen barrels clie kunnen
worden toegevoegd aan de nationale reserve.
Verderop in het artikel wordt betoogd, dat, hoewel
de volle omvang van petroleumrijke vindplaatsen onder
de kustwateren van de Verenigde Staten problematisch blijft, het zeker is, dat zij een ,kolossaal nationaal bezit

) Bijzonderheden hieromtrent en omtrent diepzeelioringen in
liet algemeen treft men aan in het interessante artikel: ,,&rootscheepse
olie-,,Gamhle”; 27 ondernemingen op zoek nsar vie- niiltiard
barrels olie. Tot 12,000 voet onder de zeespiegel”. (1-let Financieel
])agb]ad, 13 Juli
1948).

618

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Augustus 1949

vertegenwoordigen. Zelfs stelt men het z6, dat als de

productie van deze bronnen dezelfde is als van die op

het land, aangenomen kan worden, dat alsnog wordentoe-
gevoegd 15 billioen barrels of het equivalent van de ge-
hele bekende reserve van het land.

Tenslotte verdient vermelding, dat de ontwikkeling

van de speciale methoden ew van de uitrusting, welke

noodzakelijk zijn voor., het opsporen en het produceren

van olie uit onderzeese velden, gelijk alle voouitgang

in de industrie, een ontplooiing is ,,van de vindingri.jkheid

van de oliemensen zelve”.

*_ *
*

In hetzelfde nummer van ,,Vorld Petroleum”, waarin

het arLikel inzake diepzeeboiingen is opgenomen, is
ni. ook een artikel afgedrukt onder de titel ,,Progress

on Synthetic Fuels”, waarin melding wordt gemaakt

van de indiening van een Rapport bij hêt Amerikaanse

Congres betreffende door het Bureau of Mines ingestelde

onderzoekingen naar de stand van zaken op het gebied
van de kunstmatige winning van benzine en andee

petroleumproducten.

Amerika – aldus de Minister van Binnenlandse Zaken,
Mr Krug – mag niet wachten totdat zfjn natuurlijke rijk-
dommen zullen zijn uitgeput. Er mag geen stagnatie
komen en daarom moet nu reeds een nieuwe industrie

in het leven worden geroepen (,,there should be prepared

the base for a synthetic petroleum industry ready; to

step into the breach”).
Om die redèn zijn opnieuw voorstellen aanhangig ge-
maakt (in 1948 he’eft het Cngres ze laten liggen) om de
Federale Rgering te machtigen tot het verstrekken van

leningen tot een totaalbedrag van niet minder dan $ 9

mrd aan het particuliere bedrijfsleven voor de inrichting
van ,,plants that would produce.oil and gasoline from

coal and oil shale” (fabrieksinstailaties voor de winning
van olie en benzine uit steenkool en oliehoudencl lei-
gesteente). In 1948 zijn de Verenigde Stateii petroleum

gaan
int’oeren
en hoewel de productie in het eigen land

sterk opliep, waren de invoeren in feite ontoereikend

om in de zich voordoende tekorten te voorzien.
Amerika is daardoor in militair en in economisch op-
zicht al te zeer afhankelijk van het buitenland geworden:
,,Should an emergency arise, the nation will be. caught

unprepared”.
Amerika betrekt zijn petroleum van slechts drie ge-

bieden, welke uitgeput zullen geraken en derhalve aan-
gevuld dienen te worden met nieuwe. Doch tussen 1940

en 1947 zijn er slechts 8 nieuwe bijgçkomen van 100
millioen vaten elk. Ondanks allerlei technische verbete-
ringen, welke bij het opsporen en de eigenlijke winning
van petroleum stelselmatig worden toegepast, zijn de
vooruitzichten allerminst hoopgevend, gelet op de enorm
toegenomen vraag naar petroleumproducten, zowel ten
behoeve van het transport, de industrie, de landbouw,
alsook voor de centrale verwarming in huizen en kantoren.

Er dienen nieuwe mogelijkheden op lange termijn te
worden geschapen en zeker mag er niet aan worden ge-
dacht op inperking van het verbruik aan te sturen.
1-let Bureau of Mines heeft belangrijk voorbereidend
werk verricht, dat er uiteindelijk tcte heeft geleid, dat de
kosten van de winning van kunstmatige producten in
sterke mate konden worden omlaag gebracht. Proef

nemingen, welke te Louisiana zijn genomen bij een pro-
ductie van 200 300 vaten per dag en ramingen der
kosten bij een eventuele productie van 30.000 vaten per

dag, wettigen het vermoeden, dat ze zelfs op gelijke hoogte
kunnen worden gebracht met die der natuurlijke pro-

ducten'(,,which virtually places it on a competitive level
with the natural product”).
Thans is te Pittsburgh een fabrieksinstallatie in.werking
gesteld met een capaciteit van 100 vaten per dag. In
deze ,,plant” zal steenkool worden bewerkt met zuurstof

en over-hete stoom naar een verbeterd Fischer-Tropsch-

procédé. Nog zullen tal vân technische moeilijkheden

m&eten -worden overwonnen, maar de tot dusverre be-
reikte resultaten zijn zeer bemoedigend te noemen.
Zelfs gaat men er toe over steenkool in de mijnen zelve

te ,,vergassen”.
Dit alles heeft ertoe geleid, dat men de bewerking
van de uitgebreide oliehoudende leisteenlagen in de

Staat Colorado met kracht en onder aanwending van de
technisch meest volmaakte methoden heeft ter hand ge-

nomen.
81 ton per man-dag werden in 1948 gewonnen, tegen

51 ton per man-dag uit diepe steenkoolmijnen.

Met verbeterd boormateriaal kunnen 2 man 90 voet

diep boren per man-uur, tegen vroeger 8 man:
Berekeningen zijn gemaakt, welke de oliereserves in

Colorado stellen op ,,200 billions barrels of recoverable

shale oil”, hetgeen 6 maal zo veel is als het gehele wereld-

verbruik sinds de eérste petroleumbron in 1859 werd

geboord.
Het rapport bevat nog andere interessante bijzonder-
heden, als betieffende de mogelijkheid van winning van

olie uit de afval van de landbouw en de doppen van katoen-

zaden, maar wij kunnen die ltten rusten.
Hetgeen wij naar-voren hebben kunnen brengen aan de hand van de vermelde publicaties, heeft, dunkt ons,

buiten twijfel gesteld, dat men er zich. in Amerika zeer

ter dege rekenschap van geeft, dat de in de Amerikaanse
bodem voorhanden zijnde vloeibare brandstoffen, waar-

van men nu bijna een eeuw lang in snel toenemende mate
heeft kunnen profiteren, vroeg of. laat uitgeput zullen
raken. .
Wat dat voor het economisch leven in Amerika zou

betekenen, laat zich eenvoudig niet beschrijven. Vandaar de koortsachtige inspanningen, zowel van de

zijde van het particuliere bedrijfsleven als van de Over-

heid, om de petroleumwinning op andere wijze te stimu-
leren en wel op eén wij ze als hier met een enkel woord

is aangeduid.
Over een eventuele industriële aanwending der atoom-
energie zwijgen wij in dit.verband.

Haarlem.

F. S. NOORDHOFF.

BEDRIJFSECONOMISCHE NOTITIES.

IIE’!’ JAAI!VnRSLM7 VAN
DE
N.V.
PHILIPS GLOEILAMPEN-
FABTUEICEN.

Bij de industrialisatie van ons tand zal vernioedelijk de nadruk moeten liggen bij uitbreiding van bestaande

industrieën, hetzij doordat deze hun apaciteit vergroten
voor productie van dezelfde artikelen
r
hetzij doordat
zij nieuwe artikelen in hun productieprogramma’s op-

nemen. – –
De moëilijkheden, die deze industriële expansie in
Nederland uit financieringsoogpunt met zic,h brengt,

zijn reeds herhaaldelijk in deze notities ter sprake ge-

komen.
-Dit alles wordt wel op zeer concrete wijze geïllustreerd
door het jaarverslag van Philips over’ 1948. Doir de,

in verhouding tot ïele andere industriële ondernemingen,
grote nededeelzaamheid stelt dit in staat itot het vormen
van een idee, hoe deze grootste Nederlandse industriële

onderneming heeft medegewerkt aan de industrialisatie
en hoe de financiering daarvan plaatsvond…
De productie van de Nederlandse fabriéken van het
Philips-concen ontwikkelde zich gesrende de laatste
jaren als volgt:

Productie Philips

j
Productie gehele Nederlandse
Jaar

op vergelijkbare prijs-

industrie op vergelijk-

basis

bare prijsbasis
1938

100

100
1040

73

74
1947

t

115

94
1948

155

113

3 Augustus 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

619
11

De productie van Philips steeg dus aanmerkelijk meer

dan die van de gehele Nederlandse industrie.

Belangrijk, zowel uit het gezichtspunt van de onder-
neming als uit het gezichtspunt van de arbeidsmarkt,

is de vraag, welke rol het aantal arbeiders en welke rol de

productie per man – dus de arbeidsproductiviteit –

hierbij speelden.
In het volgende staatje zijn vermeld db productie-index,

het aantal arbeiders in de Nederlandse bedrijven en het

quotiënt dezer beide getallen. Laatstgenomd quotiënt
geeft althans enige indruk omtrent de ontwikkeling van
de arbeidsproductiviteit. Hierbij moet echter, zoals het

Verslag opmerkt, rekening worden gehouden met de
voortschrijdende eigen voorziening door de onderneming
in haar behoefte aan halffabrikaten, waardoor vooral

een vergelijking met vôÔr de oorl,ogwordt bemoeilijkt.

‘) De productie-index voor 1939 is door omrekening van die
van 1938 gevonden.
‘) Gemiddelde van het aantal per 1 Jan. en 31 Dec. werkzaam
in de Nederlandse bedrijven. Voor het jaar 1939 echter het aantal
in Mei.
3)
Omgerekend op basis 1939 = 100.

Ondanks genoemde bezwaren is toch wel met zeker-heid te concluderen, dat Philips aan een zeer belangrijk
aantal arbeiders werk heeft verschaft (+ 15.000 sinds
1939) en dat de arbeidsproductiviteit de laatste jaren

sterk is verbeterd.
Twee belangrijke feiten ter verklaring van laatst-
genoemde verbetering kunnen waarschijnlijk worden ge-
zien in het nagenoeg voltooien van de wederopbouwwerk-
zaamheden in Eindhoven in 1948 en in de daling vn
het personeel-,,verloop”, dat in het laatste kwartaal
van 1948 weer het niveau van vSôr de oorlog bereikte.
Zowel factoren aan de zijde der kapitaalgoederen als
aan de zijde der arbeidskrachten zullen dus tot de voor-

uitgang hebben bijgedragen.
Ook omtrent het tweede bovengenoemde vraagstuk,

nI. de vergroting van ,,oude”, resp. ,,nieuwe” producten,
geeft het Verslag uitsluitsel.
Wanneer men onder
,,oude” artikelen
verstaat gloei-
lampen, radiobuizen en radio-apparaten (in het Verslag
aangeduid als de oorspronkelijke standaardartikelen) en

onder
,,nieuwe” producten
de overige, waaronder tele-

corhmunicatieproducten, gasontiadingsiampen en toebe-
horen, televisiebûizen, scheerapparaten, rijwieldynamo’s,

röntgenartikelen en producten voor, industriële toepas-
sing, dan vertoont de omzet dezer beide groepen, eveneens
op vergelijkbare prijsbasïs gebracht, het volgende beeld:

Zeer duidelijk blijkt hieruit, dat de stijging van nieuwe
producten, die van oude producten relatief verre over-
trof, hetgeén uit ind,ustrialisatie-oogpun’t zeer belangrijk
is. 1-let toepassen van steeds nieuwe combinaties”, iolgens
Schumpeter de typische ondernemingsfunctie, wordt hier

wel in opvallende wijze verwezenlijkt.
Het Verslag vermeldt voorts, dat de nieuwe, producten
in 1948 41 pCt van de totale omzet uitmaakten.
Terugrekenend komt men tot de volgende procentuele
verdeling van de omzet over oude en nieuwe artikelen

in de genoemde jaren:

Kw’antitatieve stijging van de productie-omvang en

een relatief steeds groter productie van nieuwe artikelen,

zijn de feiten die uit beide bovenstaande tabellen duidelijk
naar voren treden.

Het zou onjuist zijn te menen, dat het industrialisatie-
probleem is op te lossen door maar fabrieken te bouwen;
de afzetmogelijkheden spelen hierbij een belangrijke rol.
In het Verslag wordt dan ook ruime aandacht besteed
aan jde commerciële activiteit. 1-let jaar 1948
. wordt ge-
kenschetst als een bevredigend na-oorlogsjaar, evenals

de voorgaande jaren. Toch kon reeds duidelijk de over-
gang van ,,sellers’ ” naar ,,buyers’ market” worden ge-

constateerd. Achterstallige vraag verdwijnt; de productie

breidt zich uit, zodat de concurrentie geleidelijk opleeft.
De prijzen vertonen daardoor een neiging tot dalen,

zij het niet .voor alle producten, en alle afzetgebieden. Verwacht wordt, dat 1949, na de snelle uitbreiding der

vorige jaren, over het geheel genomen een jaar van con-
solidatie zal zijn. De eerste vijf maanden van 1949 ver-
toonden inmiddels nog een omzetstijging t.o.v. dezelfde
periode van 1948.

Het tweede punt, waarop het jaarveslag van Philips

een interessant licht werpt, is het financieringsvraagstuk.
De boven beschreven expansie leidde nl. tot een grote

kapitaalbehoefte in verband met de nieuwe investeringen
en de hoeveelheids- en prijsstijging van de omzet.
In Tabel A (blz. 620) is nagegaan, welke actiefposten
van de balans hiervoor verantwoordelijk zijn.
Uiteraard geeft een balans, welke een belargrijk bedrag
aan deelnemingen bevat, nooit een inzicht in de werke-
lijke situatie wat betreft liquiditeit en soliditeit. Immers,
het is bijvoorbeeld mogelijk, dat de dochterondernemingen
grpte schulden hebben, waardoor de liquiditeit van het
concern veel slechter is, dan uit. de cijfers der moeder-onderneming blijkt. Dat dit bij Philips niet het geval is,
blijkt uit de geconsolideerde balans, die thans voor. de
eerste maal wordt gepubliceerd. Uit de laatste kolom
van tabel A ziet men duidelijk, dat het vlottend actief
van het concern, integendeel, relatief veel groter is dan
bij de moedermaatschappij.

Bij vergelijking met de vooroorlogse balanscijfers blijkt
voor de Nederlandse maatschappij vooral het in ,,vast’
actief” vastgelegde bedrag te zijn gestegen. Dit betekent

echter niet, dat het aantal gebouwen en machines in
evenredigheid met deze cijfers is toegenoiien. Alen moet nl. rekening houden met het feit, dat deze vôSr de oorlog
in het jaar van aanschffïng gewoonlijk tot op f 1 werden
afgeschreven, waardoor. het vooroorlogse bedrag extra
gedrukt is. Deze gedragslijn kon bij de huidige geconcen-
treerde aanschaf niet worden volgehouden. Het feit,
dat door Philips en dochtermaatschappijen alleen reeds
in 1948 een bedrag van f 57 mln in machines en fabrieks-
gebouwen werd geïnvesteerd, spreekt in dit opzicht een
duidelijke taal.

De financiering geschiedde in 1947 in opmerkelijk sterke mate door middel van crediët van de Regering
en van banken. Dat de Regering bereid was, toen de
Herstelbank nog niet werkte, in 1945 een crediet te ver-

strekken van f 90 mln, is begrijpelijk in verband met de
positie van een onderneming als Philips voor ons land.
Dergelijke grote ondernemingen zijn, uit hoöfde van
werkgelegenheid en deviezenverkrijging, eigenlijk reeds
instellingen geworden, waarbij het belang van de gehele
bevolking is betrokken, hetgeen overigens •ook duidelijk tot uiting komt in de banden tussen Overheid en bedrijfs-
leiding en in de sociale politiek der onderneming.
Wat de financiering betreft is deze band met de Over-
heid echter weer losgemaakt, zodra de gelegenheid daartoe

620
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
3 Augustus
1949

TABEL A.
Gecomprimeerde balans.

(x

f1

mln)
hilips
N.V.
&econsol. balans

Philips
concern

30

April

1939
31

Dec.

1947
31
Dec.

1948
31

Dec.

1948

Activa
1

Vast

actief

(mcl.

dcelh.)

…………………………
48,9
176,8
224,2
125,5
Vlottend

actief (na aftrek van

vlottende schulden)

….
44,2
49,1
81,4

262,7
13,1
‘7,3
10,0
21,4
Oorlogsschade

…………………………………

52,1
42,2
42,2
106,2
285;3
357,8
451,8
Passiva
/

52,2

…..
…..

52,2
102,7 102,7
v

k

pref.

aand.kap..

……………………
ap.

.ige

Beleggingen

……………………………………….
…..

18,3
18,4
38,2
38,2
.

.

Opel)

reserves
……………………..
37,7
77,4
136,9
136,9
trustvermogen

gewoon

aand.kap
……………………..

77,2
Lang

vreemd

kapitaal

………………………….


.

.


80,0 96,8
Regeringscrediet

en

banken

………………………..
.

137,3


106,21
285,3 357,8
451,8

bestond. De enorme versterking van kapitaal en (agio)

reserves door de emissie van 1948, valt uit de tabel dui-

delijk te constateren.
De toeneming van het lang vreemd kapitaal (vnl. obli-
gatielening) zette zich na 31 December 1948 nog verder

voort door opneming van onderhandse leningen bij insti-

tutionele beleggers ad f 65 mln en het uitgeven van een
dollarobligatielening van
S
5 mln. De verhouding f 278 mln
eigen kapit.aal tegen f 80 mln lang vreemd kapitaal per

ultimo 1948 mag als niet ongunstig worden aangemerkt.

Houdt men er bovendien nog rekening mede, dat de

hedrijfswaarde van gebo.iwen en machines 1 81 mln

méér bedraagt dan de boekwaarde en telt men dit bedrag
als geheime reserve bij het eigen kapitaal, dan wordt de

verhouding nog beter. Momenteel zou de verhouding

eigen: vreemd kapitaal, op grond van de bovengenoemde
emissie van langlopend kapitaal, enigszins ongunstiger

zijn geworden, nl. circa (278 + 81): 158 of 2,3: 1.

Op zichzelf is deze ontwikkeling niet al te zeer toe te

juichen. Doch men bedenke wel, dat hier weinig keuze is:
het grootste, deel der besparingen in Nederland vloeit

nu eenmaal naar de institutionele beleggers en dit moet

onvermijdelijk invloed hebben op de financieringsmetho-
den van het Nederlandse bedrijfsleven.

r. c.
.BREZET.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Tengevolge van de geldonttrekkingen, waarmede . de
maandultimo steeds gepaard gaat, verminderde de liqui-
diteit der geldmarktinstellingen in vrij belangrijke mate
in cle afgelopen week, aangezien vrijwel geen compensatie
kon worden verkregen uit vervallen schatkistpromessen.

Aan het. begin der week werd de callgeldrente dan ook
verhoogd tot 1 pCt; tervi’ijl enige dagen later een verdere
stijging tot If pCI volgde. Ook de.marktdisconto’s toonden
van deze krappe geldmarkt de weerslag, hoewel de. om-
zetten uiteraard gering bleven als gevolg van de geringe
kooplust. Op 29 Juli verwisselden zelfs betrekkelijk kleine posten Augustuspapier tegen 1j pCt van eigenaar, doch op
30 Juli bleek de grootste spanning reeds weer voorbij te
zijn. Augustuspromessen noteerden toen 1j pCt, Sep-

tember- en Octoberpapier was tegen
1/j6
pCt aangeboden,

terwijl voor het iets langer lopende November- en De-
cemberpapier niet meer dan 1/ pCt was te bedingen.
Wel een bewijs, dat er vrij veel aanbod was in kortlopend
papier, aangezien verkoop hiervan nog de geringste ver-

liezen oplevert. Januari- en Februaripromessen waren,
wegens het onvoldoende aanwezig zijn in de meeste
portefeuilles, nog vrij sterk gevraagd tegen
17/
pCt,
zonder uiteraard veel aanbod te ontmoeten. De langere

termijnen noteerden practisch eveneens
1/16
pCt.

Blijkens de jongste weekstaat van De Nederlandsche

Bank heeft thans de overboeking plaats gevonden van

het bedrag van 1 240 millioen uit de ,,local currency

ace,ount” naar de gewone rekening van het Rijk. Deze

bedroeg op 25 Juli jl. weer f488 millioen; voorlopig be-
hoeft dus nog geen financierihg door D.e Nederlandsche

Bank plaats te vinden van schatkistpromessen, welke

door de banken bij verval niet worden gecontinueerd we-

gens de geldonttrekkingen tengevolge van afwikkeling

geidzuivering, belastingbetalingen en deviezenaankopen.

De crisis op het terrein van het internationale betalings-verkeer heeft in Engeland een zodanige stemming van on-
gerustheid veroorzaakt op de beleggingsmarkt (al dan niet

gemotiveerd), dat de koersen der Engelse staatsfondsen
vrij aanzienlijk zijn gedaald, zodat het renteniveau van

3j pCt vrijwel over de gehele linie is overschreden. Ten

onzent was yan een soortgelijke ontwikkeling geen sprake,
daar de koersen der staatsleningen zich zebr goed hand-
haafden op het niveau, dat zij nu reeds lange tijd innemen.

Dit wekt overigens weinig verwondering, aangezien de

koersen van staatsleningen nog altijd de steun genieten
van het tegen vaste prijzen in betaling kunnen geven

voor fiscale doeleinden. Bovendien is onze externe mone-

taire situatie nipt zo precair als de Engelse, gezien het
feit, dat sedert 29 November 1948 geen goudverliezen
meer hèbben plaats gevonden.
1-let koersverloo op de aandelenmarkt biedt weinig

aanleiding tot commentaar. De vacantieperiode geeft
de beleggers weinig aanleiding om wijzigingen in hun

bezit aan te brengen. De omzetten waren in de afge-
lopen week dan ook zeer gering, terwijl de koersen slechts

weinig veranderden. De devaluatiegedachte is blijkbaar
niet meer levendig, doch nog wel latent aanwezig, daar
anders wellicht nog min of meer belangrijke koersdalingen
zouden hebben plaats gehad. Voor Indonesische fondsen
ontwikkelde zich ondex invlod van de vorderingen,

welke blijkbaar bij de onderhandelingen m.b.t. het staken
der vijandelijkheden worden gemaakt, een vaste stem-ming, welke hij de meeste aandelen dezer groep resiil-
teerde in een koersstijgïng van enige punten. –

22 Juli
29 Juli

1949

1949

A.K.0.

………………….
172k
170e

v.

Berkel’s

Patent

……………
113

114

Lever Bros Unilever C.v.A
…..
262k
260
Koninklijke Petroleum
………..
3021
305
H.A.L.

…………………….
150k

152k

N.S.0
.

……………………
162
1531
H.V.A.

……..

.
……………
.i5o
Deli

Mij

C.v.A

…………..
144
148/8
Amsterdam Rubber

…………
130
1361

Internatio

………………..
168k 174

3 Augustus
1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

621

STATISTIEKEN.

DE NEDERLANJ)SCHE BANK.
Terkorte balans op 1 Augustus 1949.
Activa.

f

I-Toofdbank S 12.000.000

1)

schuldbrieven Ath ”


in disconto

gen se

12.000.000,_i)
Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven,
door (Ie Bank gekocht (art. 15, onder 4°,
van de Bankwet 1948) …………..
..-
Sehatkistpapier, door de Bank overgenomen
van de Staat der Nederlanden ingevolge
overeenkomst van 26 Februari 1947

1.800.000.000,-
Voorschotten (.Hoofdb:ink S 137.589.875,09 !)
in rek-erf
op onderpand Dijbank

789.134,91
(mci.
belenin-
1
gen)

1.. Agentsch.

10.079.514,76

148.458.524,76
Op effecten Cn7 ………
..147.809.521.70 )
Op goederen en celen
..,,

649.003,06

Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van de

148.458.524,76
2)

]3ankwet 1948)

………………….


Boekvordering op de Staat der Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Februari
1947

…………………………

..1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal
Gouden munt en gouden
muntmateriaal ……..439.1 59.991,10
Zilveren munt cnz…..8.275.927,95

Papier op het buitenland S 240.733.200,-
447.435.919,05

Tegoed bij corrcspondenlen

216.498.696,77
in het buitenland
Buitenlandse betaal-
middelen

………… ..2.514.835,33
11

459.746.732,10
Vorderingen in guldens op vreenwie circulatie-
banken en soortgelijke instellingen
275.836.043,41
Belegging van kapitaal, reserves, pensioen-

fonds en voorzieningsfoncls

……………
120.921.115.05
.
flebouwen

en

inventaris

…………….
..2.000.000,-
Diverse

rekeningen
*

…………
134.530.290,37
4.900.926.624,74
Passiva.
Kapitaal

………………
…………
f

20.000.000,-
Reservefonds

……………………..
..15.333.335,71
Bijzondere

reserves

………………..
..61.674.999,18
Pensioenfonds

……………………..
..22.512.699,15
Voorzieningsfonds

personeel

in

tijdelijke
dienst

…………………………..
1.499.667,79
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften) .. 76.043.635,-
Bankbiljetten

in

omloop

(nieuwe

uitgifte)
3.043.409.300,-
Bankassignaties

in

omloop

………….
…..
21.207,64
Rekening-courant saldo’s
‘s Rijks Schatkist……
S
,395.1 28.821 06
‘s Rijks

Schatkist

hij-
zondere rekening ….

..243.086.213,23
Geblokkeerde saldo’s ..,,

2.460.422,98
Saldo’s

van

banken in
Nederland

………….60.093.556,10
Vrije saldo’s van vreem-
de circulatiebanken en
soortgelijkeinstellingen ,,

430.138.208,70
Andere vrije saldo’s ….

..374.385.157,92
1.505.292.379,99
Crediteuren in vreemde geldsoort
4.824.885,08
.

Diverse

rekeningen

………………….
150.314.515,20

.

.
f .4.900.926.624,74

‘) Waarvan

schatkiatpapier

rechtstreeks
door de Bank in disconto genomen

. . . .
f

-.
2)
Waarvan aan Indonesië (Wet van 15
Maart

1933,

Staatsblad

no.

99)

……..
..34.259.225,-
Circulatie der door de Bank namens de

Staatinhetverkeergebrachte muntbiljetten
137.820.076,-

FEDERAL RESERVE BANKS.
(Voornaamste posten in millioenen
dollars).

illetaalvoorraad

.

Data

Other

DS. Govt
Goudcer-

cash

1

securities
Totaal

tificaten

31

Dec.

1946

18.381

17.587

268 .

23.350
30

Juni

1949

23.240

22.651

282

19.517
7

Juli

1949

23.254

21.666

254

19.343
14

Juli

1949 1

23.288

22.699

79

18.842

F.R.-bil-

Deposito’s

Data

jetten

in

i’tremter-.
circulatie

Totaal

Govt

banks

31

Dec.

1946

24.945

1

17.353

393

1

16.139
30

Juni

1949

23.317

1

49.469

497

1

48.043
7

Juli

1949

23.498

1

19.410

262

1

17.980
14

Juli

1949

23.375

18.850

371

.

17.506

NATIONALE
BANK VAN BELGIË.
(Voornaamste posten in millioenen franes).

0..

u

)

.o
cd
04t

.
‘t

0′-‘

di
•_O
‘t

‘5
3
°.

,

0
I
;t
‘t

°

16 Sept.

1948

28.136

11.042

427

9.986

:303

414
23

Juni

1949

30.613

10.778

1.964

6.897

224

550
30 Juni

1949

30.859

11.085

1.767

8.978

375

508
7

Juli

1949

30.808

11.563

1.800

8.992

317

459
14

Juli

1949

30.561

12.442

1.663

8.720

432

422
2
0

;ruli

1949

30758

12.634

1.155 ‘

8.716

275

407

Rekening-courant saldi
0

00

‘t
=.-

.
o

Cd

CI)

16

Sept.

1948

657

91.729

81.568

22

2.425

6.251
23 Juni

1949

915

92.204

83.305

808

1.705

5.841
30

Juni

1949

916

94.876

84.938

1.017

1.595

6.680
7

Juli

1949

916

.

95.317

85.609

1.256

1.636

6.197
14

Juli

1949

915

95.570

85.565

1.489

1.942

6.526
20 Juli

1949

915

94.398

85.532

131

2.039

5.519

STAND VAN ‘s
RIJKS KAS.

Vorderingen

-7 Juli 1949

30 Juni 1949

Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij

De Nederl.

Bank N.V.

f

138.480.902,11

S

164.461.823,75
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij

de

Bank voor Neder-
landsche

Gemeenten

203.449,34

180.481,61
Kasvorderingen

wegens

ere-
dietverstrekking

aan

het

Daggeldlening

tegen

onder-
pand………………
Saldo

der postrekeningen van

Voorschotten

op ultiino Mei
1949

aan

de

gemeenten
wegens

aan

haar

uit

te

buitenland

…………………

. –

keren belastingen


Vorderingen in rekening-cou-

Rijkscomptabelen
..
…………288.772.258,12

385.053.062,28

……….-_

Ned. Antillen

…………
Het Algemeen Burgerlijk Pen-

rant

op

Indonesië

……….1399.917.488,14

,,1389.026.732,03

1-let

staatsbedrijf

der

P.,

T.

Suriname

…..
………

……26.329.471,12

26.915.009,96
……….-

enT.

………………

sioenfonds

…………..

……….-

Andere staatsbedrijven en in-
………-

stellingen

………………353.242.665,15

337.271.490,31

V e r p1 ie h t i n g e n

Voorschot,

door De

Nederl. •
Bank
N
.
Y.,
verstrekt


Voorschot,

door

De

Neder-
landsche

Bank

N.V.

in
rekening-courant

verstrekt


Schuld aan de Bank voor Ne-

2
derlandsche Gemeenten

Schatkistbiljetten

in

omloop

fl727.159.100,-

51785.854.100,-,-
Schatkistpromessen

hij

De
Necierlancische

Bank

N.V.
ingevolge overeenkomst
van 26 Maart 1947 …….
….1800.000.000,-

,,1800.000.000,
Schatkistproinessen in omloop
(rechtstreeks bij De Nederl.
Bank N.V. is geplaatst nihil)
f
5.482,8 mln wo. garantie
Bretton

Woods
f
804

mln

,,4678.800.000,-

,,4639.600.000,-
Daggeldieningen

Schuld op ultimo Mei ’49 aan
de gemeenten wege ns aan
haar

uit

te

keren belas-

Schuld

in rek-courant aan
Indonesië

…………..
Suriname

……. . ……

Muntbiljetten in omloop

……..135.859.130,50

136.202.306,-

tingen

…………….

….73.977.618,74

73.977.618,74

2-let Algemeen Burgerlijk Pen-

……..-


……..-

1-Jet

staatsbedrijf

der

P.,

T

Ned.

Antillen

-……
……….4.918.382,24

,;

4.024.250,63

Andere

staatsbedrijven

68.700,36

sioenfonds

…………
…….8.381.261,64

11.360.007,56

Schuld

aan

diverse instellin-

en T…………………..415.434.311,56

483.920.334,21

gen in rekening met ‘s Rijks
Schatkist

—————–2141.053.474,20

,,2134.114.927,79

622

ECONOMISCH

STATISTISCHE BERICHTEN
:
3Augustus 1949

BANK VAN ENGELAND.
(Voornaamste posten in millioenen ponden).
BANK
VAN
FRANKRIJK.

Z
.
0

(Voornaamste posten
In millioenen francs).

‘C
0
_____

n

Voorschotten aan de Staat
,

Data
c
l


o
cd
25 Dec. 46
0,2
1.449,1 1.450
1.428,2
22,1
1,3
13

Juli

’49
0,2
1.349,2
1.320
1.288,8
61,5
4,6
.

‘.

20

Juli

’49
•0,2
1.349,3
1.320
1.296,7
53,6
6,7

27

Juli ’49
0,2
1.349,2
1.350
1.305,1
45,1
4,8
26 Dec. 1946

94.817
7

Juli

1949

52.981

118.302

59.449

436.714

125.042

67.900

426.000

154.600

626.000
Other securities
Deposits
13 Juli

1949

52.981
430.386 125.042
162.000

426.000
21

Juli

1949

52.981
430.168
125.042- 162.700

426.000

F
Bankbil-
Deposito’s
Data
jetten in
,

circulatie

jTotaal
Staat
Diversen

25 Dec. ’46
311,8
13,6 15,8
346,5
10,3

278,9
26Dec. 1946
721.865 63.455
765

/
62.693
13

Juli

’49
332,7
11,6
22,6
614,8
8,7
27,8
289,3
7

Juli

1949
1.125.733
149.041
229
147.418
20

Juli

’49
345,8
18.4 23,5
427,7
11,4
27,8
297,0
13 Juli

1949
1.123.517
149.384
499
147.360
27

Juli ’49
347,2
15,3
34,4
428,6
11,2 32,4
294,0
21Juli

1949
1.108.597
159.978
272
158.130

VERKEER EN VERVOER IN NEDERLAND.
Maandgem1ddelden
April

Omschrijving
Eenheid
f
J
9

1949
ila
9
2r9
t

1938
1947
1948

Indoxcijfer
vervoer
wlldo.binnenvaart

. . . .
100
129
137
116
111
136
134
ervoer wilde

binn9nvaart …………….
1.000 t.
917
1.180
1.256
1.061
4.021
1.249
4.227
waarvan

brandstoffen ………………..
,,
260
334
307
238
257
Wilde binnenvaart,

prestatie

………….
miii.
t/km
127
164
179
149
143
185
181

IndexclJfer eIgen
vervoer
te water
100
90
123
124 –
123
,

135′
125*
1.000 t
700 629 863 865


863
942′
877*

Idem,

prestatie

……
………………

….
….

miH.
t/km
50
43
58
53 56
Eigen vervoer te water

………………..

indexeUfor lnternat. binnenvaart (laadvorm.)

….

100
35
45
46
51
55 50
Binnengekomen schepen

……………..
Aantal
6.146 1.860
2.692
2.270
2.802
3.202 2.963

1.000

.
3.572
912

.
1.308
4.259 1.745
1.485

waarvan onder Nederlandse vlag
,, ,,
2.092
t566
398
321
‘781
645
732
610


878 728
.
1.082
894 873
713

Belgische vlag
,,
126
73
111
86
108 129
124
Vertrokken

schepen

… . …………….
Aantal
6.082
1.923
2.703
2.632
2.940
3.187 2.938
1.000 t.
3.494
957
1.322
1.415
1.577 1.684
1.566
,,
2.252
1.529
421
574
425
416
277 490
361
654 479
691
.

485
waarvan onder: Nederlandse vlag
,,
310
96 97
88
95
107
Belgische vlag
,,
229
80
Schepen in rechtstreekse doorvaart
Aantal
2.144
1.141
1.332
1.490
1.469
1.558
1.501

Laadvermogen

……………………….
…..

1.000 t.
1.427
798
941
982
981
1.032
1.005
,,
1.051
199
386
122
526 149
491
119
493
141
599 150
609
166

Lading

……………………………….

waarvan onder: Nederlandse vlag
Belgische

vlag …………
,,
,,

.
544
196,
279
301
280 357
325

Indexcljier zoovaart (inhoud)
100
42
55
57
54 64
70
Aantal
1.758
753
1.046
976 1.011
1.312
1.386

Laadvermogen

………………………….

Bruto inhoud

…..

1.000
R.T.
4.416 1.852
2.408
2.541
2.367 2.814
3.060

Lading

………………………………..

,,
3.834
1.702
2.122
2.206
2.001
2.349
2.573
.

,,
907
1.313
.
1.568 1.276 1.509
1.520
Aantal
1.738
737
1.030 1.012
1.044
1.305
1.611
Bruto inhoud
1.000
R.T.
4.418
1.854
2.430
2.477
2.413 2.840
3.119
Idem, alleen geladen schepen

. . .
,,
3.216 4.150
1.722
1.886
1.800
2.095
2.147
,, 911
1.285 1.446
1.286
1.483 1.500
Goederenvervoer ter zee
1.000 t
1.018
984
S

1:009
981 841
1.034

.
1.009

waarvan

in

iijnvaart

………………..

,,
1.738
435
191
149 326
242
257 377
244 277
397
321
429
270
,,

,,
1.191
149 354
.

303 400 647 350

Laadvermogen

…………………………..
Lading

………………………………..

Indexeijfor goedoronvorvoer Ned. Spoorwegen

……

100
111
126
130 127 144
Goederenvervoer Ned. Spoorwegen, totaal
1.000 t.
1.215 1.344 1.526
1.585
1547

.
1.754

Binnengekomen zeeschepen

………………..

waarvan grensoverschrijdend
,,
420
262
313
376 364
424

waarvan

in

lijnvaart

…………………….

Reizigerskilometers Ned. Spoorwegen
1
millioen
.285
565
573
506
447

49

Vertrokken

zeeschepen

…………………….
………………………..

Tonkilometers Ned. Spoorwegen

…..;.
.
..
,,
170
1189
212
224
218
249

[dem, alleen geladen schepen

……………….
…………………………

Gelost

hij

invoer

…………………..

1
millioen
21,2
47,0
43,3 40,2
35,3
39,0 38,4
Interloc. autobusdiensten; vervoerde reizigers
,,
5,7 14,9
18,2
21,2
18,1
19,2

doorvoer

…………………

Locale autobusdiensten; vervoerde reizigers
,,
4,4
9,8 13,5
14,9
12,9
14,5

doorvoer

…………………
Geladen
1)

hij

uitvoer

…………………

Indoxeijfer verkeer op de rijkswegen

. .


100
147
162
149
159
165 182
Slachtoffers verkeersongevallen-

…………
Overleden
Aantal
65 80 75
62
.
47
55
59
Ernstig gewond
……………………
368
612 642
609 500 570
687

Tramwegen, vervoerde reizigers

………….

,,
918 506
601
507
415
511
676
Idem,

indoxcijfers

………………….
1
00
124
.115
95
72
85
91

…………………………..

1
00
166 174
15
136
155
187

Licht

gewond

………………………..


– 100

55 66
,

55
45
56

74

Overleden

…………………………………
Ernstig gewond …………………………….
Licht

gewond

…………………….

Luchtvaart
(X.L.M.)
‘)
Tonkm (vracht, post en bagage)
1.000
250
2.072
3.347

1.802
1.955 2.396
2.102
Passagiers

km

…………………….
1
millioen
4,8
34,8
53,9
25,8
25,4
35,0 35,3

‘) Bunkermateriaal e.d. niet inbegrepen.

9 Excl. het Wes-Indi6
bedrijf cii het Interinsulair bedrijf
in Indonesit.
‘) Voorlopig cijfer.
Bron:
Centraal Bureau voor de Statistiek.
,,
4
S

De KAS-VEREENIGING N.V., Spuistraat 172,

Amsterdam, zoekt voor haar afdeling Bewind en

Executele

een jong jurist

Sollicitaties te richten aan haar afdeling Per-

soneelszaken.

BEDRIJFSECONOOM

gevraagd door het Economisch Technologisch Instituut
voor Gelderland. Salaris 8 3.800 – t 7.800. Rijkspensioen.
Brieven met uitvoerige inlichtingen aan de Directeur
Dr JA. Nillesen, Huize Angerenstein, Arnhem.

GEM.EENTE ‘s-GRAVENliAGE.
Burgemeester en Wethouders van ‘s-Gravenhage roe-
pen sollicitanten op voor de betrekking van

HOOF DCOM MIES
OF

ADJUNCT-REFERENDARIS

bij de Afdeling Economische Zaken der Gemeente-
secretarie.
De te benoemen ambtenaar zal worden belast met
de behandeling van aangelegenheden, welke van be-
tekenis zijn voor de economische ontwikkeling der Ge-
meente, in het bijzonder die, welke liggen op het ter-rein van nijverheid en handel. Academische vorming
(econoom of jurist) vereist.
Bezoldiging voor hoofdcommies van
f
4560.— tot
f
5940.— en voor adjunet-referendaris van
f
4800.-
tot
f
6240.— per jaar (6 éénjaarlijkse verhogingen), be-
nevens eventueel kindertoelage, Aanstelling boven het
minimum niet uitgesloten. Indiensttreding zo spoedig
mogelijk.
Uitvoerige, eigenhandig geschreven sollicitaties, met
vermelding van geboortedatum en -plaats, dienen bin-
nen 14 dagen onder no. 298 te worden gezonden aan
de Directeur van het Gemeentelijk Bureau voor Perso-
neelsvoorziening, Waldeck Pyrmontkade 120, ‘s-Gra-
venhage.

Enige kwantitatieve

onderzoekingen over

de betrekkingen tussen

overheidsfinanciën en
volkshuishouding

door

Ir H. VOS

Prijs f 9e..
*

(Prijs voor do’nateurs en

leden van het Ned. Econ.

Instituut f 6,75).

Uitgave:

Be Erven F. Bohn N.V. – Haarlem

– – – – – ‘ – – – 1

Gevraagd door particuliere instelling

A Geroutineerde Assistent-accountant

B Chef administratie

1

voor uitzending naar Indonesië.

1

Defunctionaris sub A moét enige jaren ervaring hebben opgedaan
dp
accountantskantoor en in het bezit zijn van praktijkdiploma Boekhouden.
Leeftijd 25-30 jaar.

De functionaris sub B moet beslist een prima kracht zijn met behoorlijke
theoretische opleiding en ruime practische ervaring. Zonder uitstekende
antecedenten en referenties onnodig te reflecteren. Aan een • zeer goede
kracht kan een ruim salaris worden geboden. Leeftijd tot ca. 40 jaar.

Voor beide functionarissen geldt: Vrije overtocht voor gezin heen en terug.
Vergoeding uitrustingskasten. Voor huisvesting wordt gezorgd.

Brieven met uitvoerige inlichtingen onder no. 2314
aan AdvertentiebureauAeleri N.V., Herengracht 570,
Amsterdam

/

Er is practisch geen
grote instelling waar de
E.-S.B. niet regelmatig
wordt ontvangen en cir-
culeert.
Dit maakt dit voor

aanstaande weekblad
niet alleen tot een prima
advertentiemedium voor
personeelsannonces, bo-vendien is het bij uitstek
geschikt voor ,,Vraag
en Aanbod” betreffende
kantoorbenodigdheden,
brandka.sten, fabrieks-
en kantoorgebouwen, in-
dustrieterreinen enz. enz.
Schakel daartoe in voor

komende gevallen de ru-
briek ,,Voor Kantor en
Bedrijf” in.

GROTE BANKINSTELLING

vraagt voor uitzending naar Indonesië

EEN ACCOUNTANT

lid N.I.V.A. of V.A.G.Â.

alsmede enige

ENERGIEKE KRACHTEN

in be’zit ‘ran acte
M.O.
Boekhouden
of
Staats Praktijk Diploma.

Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen, afschriften diploma’s, getuig-

stbr:ften, en pasfoto in te zenden ,.aan het Bureau van dit blad
onder No.’
ESB
1472,
Postbus
42,
Schiedam.

KON.. NEDERL. BOEKDRUKKERIJ H. A M. ROELANTS – SCHIEDAM

NV: PHILIPS’ TELECOMMUNICATIE INDUSTRIE

v/ h Nederlandsche SeilltoestelleIi. Fabriek

HILVERSUM .

Alle Communicatie-apparatuur op het gebied van
Radio – Lijntelefonie – Automatische telefonie

Abonneert U op
Vraag enAanbod inzake Kantoorbehoeften, Brandkasten, Machines,
Gebouwen, Industrie-terreinen, enz.

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P. B. Kreukniet, Prof. H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs f22.50; fr. p. post f2360;

voor studenten
f
19.—; franco per poct
f
20.10

Abonnementen worden aangenomen door de’

boekhandel en door de uitgevers’

Voor Uw reclame( Uw interne

voorlichting of Uw personeels-

vereniging

een 16mm Geluidsprojeotor

BELL
&
HOWELL

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEMI

Aangeb. electrische

ADRESSOGRAPH

adresseermachine F. 2 B.,
met stalen kast en 90 laden,
ca. 12.000 omramingen.
Ev.
met ponsmachine. Br. onder
no. ESB
1475,
bur.
v.
d.
bi.,
Postbus 42,
Schiedam.

Adverteer.ln
deze rubriek.
Economisch – Statistische
Berichten


wj,IJiTwz

JURIST

(Ned.-Indisch Recht), representatieve figuur, oud 30 j.,

gehuwd, enige Indische praktijk en Ned. kantoorerva•

ring hebbend, zoekt een hem passende functie. –

Br. onder no. ESB 1473, bur. V. d. bi., Postbus 42,

Schiedam.

ECONOMISCH CANDIDAAT

ioekt betrekking in bedrijfsleven. Liefst daar, waar te-

vens gelegenheid wordt geboden de doet. studie te vol-

tooien. Brieven onder no. ESB 1477, bur. v. d. bi.,

Postbus 42, Schiedam.

JONGEMAN

24 jaar, administratief onderiegd, met speciale be-
langstelling voor economische onderwerpen, zoekt een
hem passende werkkring.
In het bezit van diploma’s 5 j. H.B.S., Engels en
Duits. Gevorderde studie M.O. Economie.
Br. no. ESB 1479, bur. v. d. bi., Postbus 42, Schiedam.
Xdres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.
Bankiers: R. Mees en
Zoonen,
Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nornie, 54, Universiteitstraat, Gent.


Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
5.
Rotterdam (W.).
Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.

Abonnementsprijs, franco per post, voor fYederland f 26,— per jaar;
voor België/Luxemburg Belg. francs 465 per jaar, te voldoen door
storting bij de Ban que de Commerce le Brussel of op haar Belgische
postgirorekening
fl0
260.34. Overzeese gebiedsdelen (zier zeepost)
/
26,-, overige landen f 28,-
per jaar
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en èlechts worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor We.slzee-
dijk, Rotterdam (W.).


S
ADVERTENTIES.

Alle correspondentie
betreffende
advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
4
r4r, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 6). Advertentie-tarief f0,40 per mm. Contract-tarieven
op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
/ o,6o per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Losse nummers 75 cents, resp, 12 B. francs

Auteur