Ga direct naar de content

Rutte IV lijkt wel het tweede kabinet-Den Uyl

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 14 2022
Jan Luiten van Zanden, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht

Vriend en vijand zijn het er zeker over eens dat dit een bijzonder regeer­akkoord is. Nooit eerder werden er zoveel extra uitgaven begroot – in het totaal voor de komende regeerperiode zo’n tachtig miljard (Coalitieakkoord, 2021). Niet alleen de absolute bedragen zijn indrukwekkend, ze zijn bovendien over een breed front verspreid – defensie, wonen, stikstof, klimaat, zorg, ontwikkelingssamenwerking. En dat terwijl het financieringstekort de afgelopen jaren door de coronasteunmaatregelen fors geweest is. De gevolgen zijn bovendien niet vooraf door het Centraal Planbureau doorberekend, en het tekort blijft alleen binnen de normen van het Stabiliteitspact door de fameuze inverdieneffecten (de verwachte hogere belastinginkomsten als gevolg van de beleidsmaatregelen) van stal te halen.

Is de Nederlandse overheid eerder ooit zo ‘genereus’ en ‘ambitieus’ geweest? Er zijn jaren geweest – na de Tweede Wereldoorlog, en nog verder terug na de Franse bezetting – waarin de begrotingsdiscipline week voor de noodzaak van de wederopbouw. In beide gevallen was het tekort van de overheid fors, en werd er gepoogd om een nieuw begin te maken. Maar daarmee houdt de vergelijking wel op. Minister van Financiën Lieftinck keerde na de Tweede Wereldoorlog elk dubbeltje twee keer om, en bezuinigde in feite meer dan dat hij de uitgaven intensiveerde, hetgeen overigens zijn populariteit alleen maar ten goede kwam.

Waar de ambities van Rutte IV eigenlijk nog het meest op lijken zijn die van het kabinet-Den Uyl van 1973–1977. Het toenmalige regeerakkoord voorzag in extra uitgaven van dertien miljard gulden, ofwel zo’n acht procent van het bruto nationaal product (bnp). Dit komt praktisch overeen met de extra uitgaven van tachtig miljard euro nu: eveneens acht procent van het bnp.

Het wonen stond in 1972 met 6,3 miljard gulden eenzaam aan de uitgaventop, op afstand gevolgd door ‘de welvaartsverdeling in de wereld’ met bijna twee miljard, terwijl ook onderwijs, welzijn, werkende jongeren en milieu fors meer mochten gaan kosten. Alleen op defensie werd er flink bezuinigd, maar deze uitgaven maakten toen 3,7 procent van het bnp uit, terwijl nu de NAVO-norm van twee procent nog niet eens in zicht is. De parallellen zijn onmiskenbaar: is nu met Rutte IV dan toch het tweede kabinet-Den Uyl aangetreden, dat er in de jaren zeventig niet van gekomen is?

Hoe komt een centrum-rechts kabinet aan zo’n genereus programma? Aan de ideologische bevlogenheid van de premier – een centrale factor in de jaren zeventig – kunnen we wel voorbijgaan. Ik zie een aantal oorzaken. Ten eerste is er groot onderhoud te verrichten. Zware dossiers als klimaat, stikstof, wonen en defensie zijn in de afgelopen jaren systematisch verwaarloosd, waardoor er een inhaalslag noodzakelijk is. Ten tweede maken de extreem lage rentestand en de relatief gunstige financiële situatie het mogelijk om zich aan grote investeringen te committeren. Ten derde zijn, ook op Europees niveau, alle remmen zo goed als los. Na de financiële crisis van 2008 legde het Europese Stabiliteitspact nog beperkingen op die Nederland met graagte accepteerde. Als de voortekenen niet bedriegen dan staat ons op den duur de fiscale integratie van de Europese Unie te wachten (Vermeylen, 2021), en daar zullen de landen met omvangrijke schulden meer van profiteren dan de landen die hun financiën op orde hebben – dus waarom dan nog het beste jongetje van de klas willen zijn? Maar bovenal is er, tot slot, de coronapandemie die de hele omgang met grote financiële operaties heeft veranderd, en die alle taboes op dat terrein doorbroken heeft. Nood brak wet, en tot onze verrassing kon men de wet zonder ernstige consequenties breken.

Maar hoe effectief zullen de forse extra uitgaven nu zijn? Fondsen en subsidies komen en gaan, en hebben vaak ook een oppervlakkig effect (zoals staatssecretaris Wiebes in 2016 al toegaf met betrekking tot de subsidies voor de elektrische auto (AD, 2016)). Een belangrijk verschil tussen Rutte IV en het kabinet-Den Uyl is dat de grote financiële uitgaven destijds vergezeld zijn gegaan van een serie wetten (Vermogensaanwasdeling, Grondpolitiek, Ondernemingsraden) die voor de echte hervormingen moesten zorgen. ‘Wie wetten schrijft die blijft’, zou het adagium kunnen zijn, maar zal dit kabinet in staat zijn om de voor het ‘groot onderhoud’ noodzakelijke wetgeving mogelijk te maken? De tijd dringt nu al.

En ten slotte is er het probleem van de conjunctuur. Het is in Den Haag zelden vier jaar achter elkaar zonneschijn, en de ervaring leert dat een kabinet dat begint met zure bezuinigingen een grotere kans heeft om te eindigen met zoete maatregelen waarmee de achterban gepamperd kan worden. Het lijkt erop dat op hervormingen gerichte kabinetten als Rutte IV (en Den Uyl I) het andersom doen: beginnen met heel veel zoet – de geplande grote hervormingen met de daarbij behorende uitgaven – om daarna, halverwege de rit, door de volgende crisis te moeten ombuigen naar het zuur (zoals de eenprocents-operatie van Duisenberg, ingezet in 1975). Na de hybris volgt er als zo vaak een ontnuchtering. Maar gelukkig herhaalt de geschiedenis zichzelf nimmer…

Literatuur

AD (2016) Staatssecretaris: Subsidies stekkerauto zijn voor niks, 10 augustus. Te vinden op www.ad.nl.

Coalitieakkoord (2021) Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst: Coalitieakkoord 2021–2025 – VVD, D66, CDA en ChristenUnie. Te vinden op www.kabinetsformatie2021.nl.

Vermeylen, K. (2021) Hoogspanning in Brussel over nieuwe Europese belastingen, 29 december. Te vinden op www.knack.be.

Auteur

Categorieën