Ga direct naar de content

Ouderen lopen het minst risico op armoede

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 20 2017

De hoogte van het huishoudensinkomen en daarmee het risico op armoede hangt samen met de levensfase waarin personen zich bevinden. Het aantal huishoudens met een laag inkomen is de afgelopen jaren iets afgenomen.

Het aandeel huishoudens met een laag inkomen verschilt per leeftijdsgroep. In 2015 moest twaalf procent van de huishoudens met een hoofdkostwinner van rond de dertig jaar van een laag inkomen rondkomen, onder de vijftigers was dit twee procentpunt lager (figuur 1).

Dit komt doordat het arbeidsinkomen voor langere tijd stijgt na het betreden van de arbeidsmarkt, op grond van anciënniteit en het doorschuiven naar een beter betaalde baan. Bovendien is voor vrouwen het negatief effect van het krijgen van kinderen op het inkomen beperkt, omdat zij veel minder vaak dan vroeger volledig stoppen met werken als ze kinderen krijgen.

HH/Paulien van de Loo

Op latere leeftijd, tussen 55 en 65 jaar, raken steeds meer mensen door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afhankelijk van een uitkering. In deze leeftijdsgroep loopt het aandeel met een laag inkomen dan ook weer op. En voor veel van deze huishoudens is de weinig rooskleurige inkomenspositie van langdurige aard. Het aandeel huishoudens dat vier jaar of langer moet rondkomen van een laag inkomen bereikt zijn hoogste waarde voor hoofdkostwinners die begin 2015 63 jaar zijn: met 6,3 procent was dit 3 procentpunt hoger dan gemiddeld.

In het jaar dat de hoofdkostwinner of partner AOW begint te ontvangen, loopt het aandeel met een laag inkomen sterk terug. Slechts drie procent van de AOW’ers had te maken met een laag inkomen. Dit komt doordat het inkomen van huishoudens met uitsluitend AOW boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Deze grens bedroeg in 2015 voor een alleenstaande 1.030 euro en voor een paar 1.410 euro per maand. Huishoudens met alleen AOW steken hier dus boven uit, zeker als hier nog een aanvullend pensioen bij komt.

De ontwikkeling van lage inkomens

Onder invloed van de economische crisis steeg het aandeel huishoudens met een laag inkomen tussen 2011 en 2013 van 7,3 procent naar 9,2 procent (figuur 2).

In deze periode nam de werkloosheid toe en ging de meerderheid van de bevolking er in koopkracht op achteruit. Begin 2014 vond een kentering plaats, toen de werkloosheid begon te dalen. Dit was ook het eerste jaar dat de koopkracht weer steeg, na vier jaar daling op rij. Hierdoor nam het aandeel huishoudens met een laag inkomen in twee jaar tijd iets af tot 8,8 procent in 2015.

Het hier geschetste verloop liep tussen de verschillende leeftijdsgroepen gering uiteen. Zo nam de langdurige werkloosheid onder de 50- tot 64-jarigen ook na 2014 nog verder toe, waardoor het aandeel met een laag inkomen bij deze groep tussen 2014 en 2015 zelfs iets toenam. Ofschoon de koopkracht van gepensioneerden flink gedaald is tijdens de crisis, nam het aandeel met een laag inkomen bij hen minder sterk toe tussen 2011 en 2013, en nam daarna sterker af. Dit komt vooral doordat de koopkracht van juist de huishoudens met geen of geringe aanvullende inkomsten naast de AOW zich na 2013 herstelde en weer op het niveau van 2011 terugkwam.

Auteur

  • Wim Bos

    Onderzoeker inkomensstatistiek bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)