Ga direct naar de content

Nederland efficiencyland

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 11 1994

r
Nederland eHiciencyland
M.A. Zegveld*
rote delen van het Nederlandse bedrijfsleven proberen de internationale
concurrentieslag te winnen met verhoging van de efficiency. Ook in het
macro-economische beleid staat kostenbeheersing centraal. Voor hoogontwikkelde
westerse economieën is deze strategie echter een doodlopende weg. Zij zullen het
moeten hebben van waardeschepping door middel van differentiatie. Op dit punt
blijven de prestaties van de Nederlandse en Belgische economie onder de maat.

G

In Nederland is in ‘Clinton debat’-achtige discussies
op verschillende niveaus aandacht gevraagd voor de
maatschappelijke keuze tussen het voeren van een efficiencystrategie (collectief verlagen van de kosten en
verhogen van de inzetbaarheid van arbeid) of een differentiatiestrategie (voeren van een selectief en offensief industriebeleid). Traditioneel zit Nederland sterk
op de lijn van efficiencyverhoging. Voorbeelden hiervan zijn:
• De investeringen in de Rotterdamse haven zijn
sterk gericht geweest op het maximaliseren van
het volume van de doorvoer van goederen in
plaats van het toevoegen van afnemerswaarde. De
Rotterdamse haven staat in Europa dan ook bekend als een ‘sjouwershaven’.
• In tegenstelling tot wat menige reclame-uiting suggereert, heeft het goederenvervoer over de weg in
de jaren tachtig nauwelijks aansluiting gevonden
bij de ontwikkeling en toepassing van nieuwe
logistieke concepten. Het gevolg daarvan is dat
Nederlandse ondernemingen thans ingeklemd zitten tussen een prijzenoorlog met Oosteuropese .
rijders en volledig logistieke dienstenaanbieders .
• De Nederlandse bulkchemie (efficiency) is in de
jaren tachtig niet in staat geweest om succesvol
over te stappen naar een fijn-chemische of gespecialiseerde industrie (differentiatie).
De in de jaren tachtig gevolgde efficiency-strategie
blijkt onvoldoende kracht te hebben om de concurrentiepositie te handhaven of te versterken. Het aantal Nederlandse ondernemingen en/ of clusters met
een leidende positie op de wereldmarkt neemt af. De
ondernemingen die daar wel in slagen, zijn relatief
kleinschalig. Omdat de westerse economieën met
hoge factorkosten (loonkosten en kosten van onroerend goed) geconfronteerd worden, is het ontwikkelen en implementeren van een differentiatiestrategie
volgens Porter de enige mogelijkheid om langdurig
.concurrentievoordeel
te realiseren 1.
Niet alleen ondernemingen moeten een strategische keuze maken. Op meso- en macro-economisch
niveau moeten vergelijkbare keuzes worden gemaakt
om het concurrentievermogen
ten minste te handha-

ven. In dit artikel wordt de ontwikkeling van het concurrentievermogen
van Nederland over de periode
1979-1989 op een kwantitatieve wijze geanalyseerd
en vergeleken met een achttal andere OESO-landen.

Het concurrentievermogen

van landen

Duidelijk is dat geen land in alles kan excelleren. In
elk land zullen zich een of meerdere clusters ontwikkelen die een concurrerend waardescheppend
systeem vormen. Porter meet concurrentiekracht
af aan
de sterkte op de wereld-exportmarkt.
Sectoren die
op de wereldmarkt meer afzetten dan het nationale
gemiddelde, zijn relatief concurrerend2. De samenhangen die Porter heeft gevonden, maken het mogelijk om op verschillende economische aggregatieniveaus het concurrentievermogen
te analyseren en
opties aan te reiken hoe dit vermogen kan worden
versterkt.
In een eerder boek heeft Porter het vermogen tot
waardeschepping
door ondernemingen
in essentie
beschreven als een keuze voor kostenconcurrentie
(efficiency) of differentiatie3. In tegenstelling tot ondernemingen is het voor landen complexer om doelstellingen ten aanzien van de concurrentiepositie
en
het concurrentievermogen
te formuleren. In essentie
staan echter ook landen voor het Porter-dilemma efficiency versus differentiatie. Net zoals geen onderneming langdurig succes zal kunnen behalen door beide strategieën gelijktijdig te implementeren4,
geldt
ook op nationaal niveau dat in essentie moet worden
gekozen tussen het ontwikkelen en volgen van een
efficiencystrategie of een differentiatiestrategie.
• De auteur is als consultant werkzaam bij TVA Developments BV in Eindhoven. Hij dankt A.G.M. van Asseldonk en
w.eL. Zegveld voor commentaar op eerdere versies.
1. M.E. Porter, The competitive advantage of nations, MacMillan Press Ltd, Londen, 1990.
2. De positie van Nederland is volgens deze methode beschreven in D. ]acobs, P. Boekholt en W. Zegveld, De economische kracht van Nederland, SMO, Den Haag, 1990; en
D. ]acobs en A. de Vos, Nederlands meest concurrerende
sectoren, E5B, 12 februari 1992, blz. 148-151.
3. M.E. Porter, Competitive advantage, The Free Press, 1985.

Kwantificering van concurrentievermogen
Voor een definitie van het begrip ‘concurrentievermogen’ kan worden verwezen naar de definitie die het
Amerikaanse Office of Technology Assessment
(OTA) hanteert: “the degree to which a nation can,
under free and fair market conditions, produce
goods and services that meet the test of international
markets while simultaneously maintaining or expanding the real income of its citizens”S.
Uitgaande van deze definitie wordt in dit artikel
een methode gepresenteeerd
om het concurrentievermogen van landen te analyseren en onderling te vergelijken. De methode gaat uit van de Porter-tegenstelling efficiency versus differentiatie. In deze analyse
worden landen op het feitelijke resultaat van hun
waardeschepping
geanalyseerd.
Omdat de economieën van landen grote verschillen in volume (bnp) vertonen, dient het concurrentievermogen per waarde-eenheid
te worden bepaald.
Het concurrentievermogen
van een land is dan gelijk
aan de omvang van de economie maal de score in
het vlak van efficiency versus differentiatie (prestatiegraad). De positie die een land heeft bereikt in de uitruil tussen efficiency en differentiatie vormt in deze
methode de endogene waardescheppping,
terwijl het
volume als hefboom fungeert.
Bij de berekening van de endogene waardeschepping van een land wordt ervan uitgegaan dat een
land, conform het Porter-dilemma, maatregelen
neemt die passen bij de gekozen strategie. Het gelijktijdig concurreren op basis van beide strategieën of
het niet kiezen van een specifieke strategie wordt
door de concurrentiedruk
afgestraft.
De prestaties van een land op het punt van differentiatie worden bepaald door de mate waarin een
land in staat is het volume sterker te laten groeien
dan de omzet. Onder ‘omzet’ wordt daarbij verstaan
de omvang van het bnp plus de hoogte van de import. De differentiatiegraad laat zien in welke mate
een land in staat is zelf waarde te genereren ten opzichte van het deel dat men importeert.
De prestaties van een land op het punt van de efficiency-ontwikkeling worden bepaald door de mate
waarin een land in staat is op kosten te concurreren.
De nadruk die een land zelf kan leggen op kostenconcurrentie komt tot uitdrukking in een lagere groei
van de factorkosten (nni tegen factorkosten) ten opzichte van de groei van de omzet (bnp plus import).
Een land dat bij voorbeeld gekozen heeft voor
een differentiatiestrategie zal moeten investeren in
kennis en infrastructuur en zal dus kosten moeten
maken om de gekozen strategie vorm te geven. Zo’n
land kent derhalve een geheel andere ontwikkeling
dan een land dat kiest voor een efficiencystrategie
waarin kostenminimalisatie wordt nagestreefd. De differentiatiestrategie is pas succesvol als de meeropbrengsten de meerkosten overstijgen.

met andere woor1.0 Differentiatie
den hoe landen de
0.9
ol-pan
I
uitruil tussen effiFr!
ciency en differeno-cs.. -.l
0.8
tiatie hanteren.
~.:
I
Zw
VK I
Aan de hand daar0.7
NI
o~
•
van kan een uit0.6
spraak worden
~
…. ~
gedaan over het
0.5
type, de dynamiek
en de ontwikke0.4
ling van het con2.5 2.7 2.9 3.1
3.3
2.3
1.5
1.7
1.9
2.1
currentievermogen
van landen.
Figuur 1. PosiOp basis van de hierboven beschreven methode
tie van negen
is de concurrentiepositie
van negen OESO-landen ge- OESO-landen
meten en is de ontwikkeling daarvan in de periode
naar de mate
1979-1989 onderzocht. Het resultaat is in figuur 1
van efficiency
weergegeven. Uit de figuur blijkt dat geen van de lan- en differentiaden een positie inneemt waarin zowel de differentia- tie, 1979-1989

~\s~

tiegraad als de efficiencygraad relatief hoog zijn. Internationale concurrentie zorgt ervoor dat de landen
tegen de ‘break even’-curve aangedrukt worden.
Er kunnen duidelijk drie groepen van landen worden onderscheiden:
• landen met een hoge differentiatiegraad Qapan en
de Verenigde Staten);
• een zogenaamde middengroep (Frankrijk, Duitsland, Canada, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
• landen met een hoge efficiencygraad (Nederland
en België).
De Europese landen, en zeker België en Nederland, hebben een economie die minder dan het
OESO-gemiddelde concurreert op basis van differentiatie. België en Nederland kunnen, op basis van hun
posities in 1989, getypeerd worden als efficiency-gedreven economieën.
Japan heeft zich in de afgelopen tien jaar verder
ontwikkeld als een land dat concurreert op basis van
een differentiatiestrategie (zie figuur 2). Hoewel Japan in de economische recessie 0979-1982) aan differentiatie heeft ingeboet, heeft het zijn verlies na
1984 meer dan gecompenseerd.
Landen met een
hoge differentiatiegraad Qapan, VS) hebben een aanzienlijk deel van de wereldmarkt in handen van geavanceerde en technologisch complexe produkten.
Het voormalige West-Duitsland heeft in het afgelopen decennium een sterke efficiencygroei gerealiseerd, terwijl de differentiatiegraad op peil is gebleven (zie figuur 3).

Positionering van landen

4. Onderzoek onder 84 beursgenoteerde
ondernemingen
heeft aangetoond dat ondernemingen
die een strategische
keuze maken een beduidend hogere kasstroom realiseren
dan ondernemingen
die geen keuze maken. Tevens is vastgesteld dat een succesvolle differentiatiestrategie
een hogere kasstroom oplevert dan een succesvolle efficiencystrategie. De aarzeling en/of de afwezigheid bij veel ondernemingen om een echt strategische keuze te maken beperkt deze
ondernemingen
dan ook in de groei van hun economische
waardeschepping.
Zie TVA Developments BV, Strategische

Naast het analyseren van de verschillende posities
van landen is het met name interessant om te kijken
welke ontwikkeling zich in deze posities voordoet,

vergelijking van het kasstroom genererend vermogen van
Nederlandse beurifondsen, oktober 1993.
5. Office of Technology Assessment, Competing economies:
America, Europe, and the Pacific Rim, oktober 1991.

E5B 11-5-1994

Figuur 2. Waardeschepping Japan, 1979-1989

De ontwikkeling in Nederland vertoont veel overeenkomsten met die in WestDuitsland, hetgeen gezien de nauwe economische betrekkingen
tussen beide landen niet verwonderlijk is. Nederland heeft echter
wel een veel grotere efficiencysprong dan Duitsland gemaakt;
81
daarentegen heeft het in tegenstelling tot West-Duitsland aan differentiatie ingeboet.
In figuur 4 wordt de ontwikFiguur 3. Waardeschepping
keling van de economische waarWest-Duitsland, 1979-1989
deschepping van Nederland over
de periode 1972-1994 gepresenDifferentiatie
0.810
’79
teerd. De periode 1979-1989 kan
0.805
89
duidelijk getypeerd worden als
0.800
gericht op efficiencyverbetering.
Ook na 1989 treedt tot en met
0.795
1992 een sterke toename van de
0.7’lO
86
0.1ll5
efficiency op waarbij het opmer0.7llO
kelijk is dat tegelijkertijd de diffe2.20 2.22 224 2.26 228 2.30 232 234 236 2.38
rentiatiegraad licht stijgt. Op basis van CPB-cijfers (MEV 1994)
moet geconcludeerd worden dat
Figuur 4. Waardeschepping NeNederland in 1994 zowel op het
derland, 1972-1994
punt van efficiency als differentiatie terrein verliest, iets dat in de
0.68 Differentiatie
afgelopen veertien jaar niet is
0.67
75
voorgekomen.
78
0.66
6
94
92
0.65
Behalve de overeenkomst
91
0.64
90
met West-Duitsland valt op dat in
0.63
Nederland ook het conjunctuur0.62
0.61
verloop duidelijk in de ontwikke0.60
lingen te herkennen is. Was er
0.59
van 1979 tot en met 1982 sprake
25 2.6 2.7 2,8 2.9 3.0 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
van conjuncturele tegenwind,
vanaf 1983 tot en met 1988 (Verenigde Staten tot 1986) groeide de economie, waardoor de economische waardeschepping
zich positief
kon ontwikkelen. Blijkbaar heeft de conjunctuur zo’n
grote invloed op de aard van de waardeschepping,
dat geen land in staat is om een conjunctuur-onafhankelijk strategisch beleid te voeren.
In een conjunctureel ongunstige periode is het
blijkbaar het beste om de aanwezige differentiatiepositie zoveel mogelijk proberen vast te houden en economische waarde te genereren met behulp van efficiency-maatregelen.
Volumemaatregelen zijn dan niet
oppertuun. Maar in een conjuncFiguur 5. Waardeschepping in
tureel gunstige periode kan een
de Nederlandse industrie, 1979deel van de verloren differentia1989
tie weer worden ingehaald en
verder worden uitgebouwd. Ne~\
1.15
derland heeft in de jaren tachtig
1.10
\VoeFs
en de eerste helft van de jaren negentig een tegenovergestelde
ontl.os
wikkeling doorgemaakt.
1.00
Aan de efficiency-strategie
zijn echter grenzen. Landen met
0.95
~Iing
een sterke efficiency-gedreven
0.90
economie, zoals België en NederM
~
ID 1.1 12 13 lA 15 lA 17 1.8
land, moeten hun efficiencygraad

.”
….

.'”

1.98

1.99

\

2.00

2.01

2.02

2.03

2.Of,

Ul5

2.06

2.07

:uil

2-09

steeds sterker opvoeren om een vergelijkbare ontwikkeling van de economische waardeschepping
te realiseren. De steeds extremer wordende efficiencyslag
vereist dat ondernemingen
een zo hoog mogelijke
produktiviteit tegen zo laag mogelijke kosten realiseren. In Nederland heeft de ver doorgevoerde efficiencystrategie erin geresulteerd dat veel mensen uit het
arbeidsproces zijn gestoten met als resultaat dat de
overdrachtsuitkeringen
aan niet-actieven een sterke
groei hebben doorgemaakt.
De negen onderzochte OESO-landen kunnen aan
de hand van hun positie in 1989 en de ontwikkeling
van 1979 tot 1989 duidelijk getypeerd worden naar
de relatieve positie en relatieve ontwikkeling van
hun economische waardecreatie (efficiency, differentiatie, volume) (zie tabel 1). De Verenigde Staten zijn
in deze analyse de grootste verliezer: slechts een geringe volumegroei zorgt voor enige waardeschepping. Een land dat eveneens primair economische
waarde creëert door een volumestrategie is Canada.
Japan, het Verenigd Koninkrijk en in beperkte mate
West-Duitsland kunnen als differentiator worden getypeerd. Landen met een efficiency-gedreven
economie zijn Zweden, Nederland en België. Frankrijk verliest aan internationale concurrentiepositie
zonder
dat een duidelijke trend zichtbaar is.

Nederlandse sectoren nader bezien
Naast de macro-economische
analyse zijn zes sectoren van de Nederlandse industrie geanalyseerd, te
weten: bouwmaterialen,
chemie, metaal, papier, textiel, en voedings- en genotmiddelen.
In figuur 5 is
aan de hand van de ontwikkeling van de sectoren
over de afgelopen tien jaar een gemiddelde ontwikkeling berekend. Het blijkt dat de zes sectoren gemiddeld in het afgelopen decennium het aanwezige
differentiatiepotentieel
hebben vastgehouden; de gemiddelde efficiencygraad is met 20% toegenomen.
In tabel 2 is een karakterisering van de waardescheppingsontwikkelingen
weergegeven. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
• De rendementen van de ondernemingen
in de
bouwmaterialenindustrie
zijn in de afgelopen tien
jaar gedaald. Dit is veroorzaakt doordat de sector
een negatieve volume-ontwikkeling
kende en de
endogene waardeschepping
gelijk gebleven is.
• De chemische sector heeft een zeer succesvolle efficiencystrategie gevolgd, die gepaard ging met
een sterke volume-ontwikkeling.
De Nederlandse
chemische sector heeft in het afgelopen decennium zijn strategie van het leveren van bulkgoederen gehandhaafd.
• De metaal- en papierindustrie verliezen beide terrein; de differentiatie graad van de metaalsector
neemt beperkt af, echter zonder dat er sprake is
van een efficiency-inhaal slag. Bij de sector papier
is dit patroon omgekeerd; de efficiency neemt af
zonder compensatie op het punt van de differentiatiegraad. Blijkbaar staan de metaal- en de papiersector voor een keerpunt waar duidelijk gekozen
zal moeten voor een specifieke strategie.
• De textielindustrie in Nederland is in staat geweest
haar concurrentiepositie
te handhaven. Toch staat

ook de textielindustrie op een breukvlak: efficiencyvergroting heeft namelijk niet tot een vergroting
van het volume geleid, hetgeen een voorbode kan
zijn voor een drastische verandering in de concurrentiepositie van deze sector op de wereldmarkt.
• De voedings- en genotmiddelenindustrie
is de enige Nederlandse industriële sector die een differentiatiestrategie heeft geïmplementeerd.
De voedingsen genotmiddelenindustrie
heeft echter veel
efficiency moeten inleveren, zodat de prestaties
zijn gedaald en de sector getypeerd kan worden
als een sterk stagnerende differentiator.

Gebruik mak end van de aan Porter ontleende tegenstelling efficiency versus differentiatie is het mogelijk
de concurrentiekracht
van landen en sectoren op de
wereldmarkt te analyseren. Economische ontwikkelingen (monetair en conjunctureel) hebben grote invloed op de aard van de waardeschepping
van landen en sectoren; zij zijn in de
waardescheppingsfiguren
van landen en in de figuren voor het segment industrie duidelijk te herkennen. Het patroon van de waardeschepping
zet vooral
in tijden van economische opleving door. De aard
van de waardeschepping
moet daarom als een structurele component worden beschouwd.
Alle onderzochte landen, behalve Japan, ontwikkelen zich volgens een efficiencyscenario. Volgens
Porters stelling, dat hoge factorkosten het voor westerse landen onmogelijk maken om op de lange termijn een succesvolle efficiencystrategie te volgen, betekent dit dat Japan wat betreft de aard van de
waardeschepping
de absolute winnaar van het afgelopen decennium is.
Uit de analyse blijkt dat Nederland in de onderzochte periode het predikaat ‘efficiencyland’ verdient. De efficiencyvooruitgang
in Nederland is bijna
twee maal zo groot als het OESO-gemiddelde (Nederland 14%, OESO 8%). De differentiatiepositie van Nederland is in de onderzochte periode echter verslechterd. De differentiatie-achteruitgang
in Nederland is
drie maal zo groot als het OESO-gemiddelde (Nederland 3%; OESO 1%). Het verhogen van de efficiency

Tabel 2. Karakterisering van de waardeschepping
in sectoren van de Nederlandse industrie

Bouwmater.

dD dE
0/-

dV

dP
0

0/+

Metaal

0

0

0

Chemie

++

++

+

0

0

Papier

0

Textiel

0

Voedings- en
genotmid.

ESB 11-5-1994

Land

van de economische waardecreatie in

Differentiatie Efficiency
E dE
D dD

VS
Canada
Japan

+

0

+

++

+

++

Typering
stagnerende efficiencygedreven sector
verliezende differentiërende sector
succesvolle efficiencygedreven sector
verliezende efficiencygedreven sector
efficiency-gedreven
sector
sterk stagnerende
differentiator

Volume
V dV

Prestatie Typering
P dp.

+

0

++

0

++

+

0

+

++

0

0

++

++

++

++

+

België
Nederland

+

+

+

++

Zweden

Conclusies

Sectoren

Tabel 1. Karakterisering
negen OESO-landen

0

0

Frankrijk

+

0

0

0

VK

0

+

0

0

Duitsland

+

0

0

+
0

0

0

+

+

door het beperken van de loonkosten heeft geleid tot
een relatieve afname van het bnp per hoofd van de
bevolking. Voerde Nederland twintig jaar geleden
deze lijst nog aan, thans moeten wij Duitsland, Frankrijk, Italië en België in Europa voor laten gaan.
Het verlies aan concurrentievermogen
ten opzichte van de overige westerse landen is in Nederland tot
stand gekomen door een versterkt differentiatieverlies. Nederland en België hebben thans een situatie
bereikt, waarbij in de uitruil tussen differentiatie en
efficiency, de efficiency-ontwikkeling
meerdere malen groter moet zijn dan de ontwikkeling van de differentiatie om gelijke endogene waardeschepping
te
realiseren. Indien deze ontwikkeling zich verder
doorzet, ontstaat een situatie waarin extra investeringen in efficiencyverhoging niet meer tot een verhoging of handhaving van de endogene waardeschepping zullen leiden.
Uitgaande van de stelling van Porter dat een differentiatiestrategie voor westerse landen de enige strategie is om een bestendig concurrentievermogen
op
te bouwen en te behouden, zit Nederland ten opzichte van andere westerse landen aan de verkeerde kant
van de streep.
Het huidige sociaal-economische
beleid, met onder andere de mogelijkheid van het algemeen
verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten, is sterk gericht op collectieve beheersing van de arbeidskosten. Voor het maken van een
keuze in de richting van meer differentiatie zullen
onder andere de structuren die ontwikkeld zijn ter
versteviging van de efficiencymaatschappij
drastisch
veranderd moeten worden. Tegelijkertijd zullen
prikkels ontwikkeld moeten worden om de gekozen
differentiatiestrategie
op ondernemingsniveau
ook
werkelijk vorm te geven.
M.A. Zegveld

verliezer
uitverkoop
stagnerende
differentiator
kosten concur.
toenemende
kostenconcur.
nieuwe
kostenconcur.
verliest intern.
conc.positie
voorzichtige
differentiator
stagnerende
differentiator

Auteur