Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3152

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 3 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

t=sbECONOMISCH

UITGAVE VAN
DE

3 MEI

STICHTING HET NEDERLANDS

63JAARGANG

INSTITUUT

No. 3152

De apo; een tussentijdse balans

Begin dit jaar riep de FNV 1978 uit tot het jaar van de
apo, daarmee aangevend dat het arbeidsvoorwaardenoverleg
in 1978 wat haar betreft in het teken van de volledige en vol-
waardige werkgelegenheid zou staan. Dachten we aanvan-
kelijk nog dat het afsluiten van arbeidsplaatsenovereenkom-
sten een nieuwtje voor dit jaar zou zijn, FNV-voorzitter
Wim Kok heeft inmiddels duidelijk gemaakt, dat de apo
onderwerp is van een lange-termij nstrategie, die erop gericht
is dat in 1985 in alle cao’s arbeidsplaatsenovereenkomsten worden opgenomen, waarvan de inhoud overeenstemt met
de wensen die de FNV daaromtrent heeft geformuleerd. in-
tussen is het jaar van de apo enkele maanden oud en het lijkt
dienstig eens tussentijds de balans op te maken.

Voor een goed begrip van de positie waarin de vak-
beweging zich bevindt, is het noodzakelijk dat we ons reali-
seren dat een verschuiving in haar prioriteiten van het
stellen van looneisen naar eisen op het gebied van de werk-
gelegenheid niet uit de lucht komt vallen. De afbrokkeling
van de werkgelegenheid die al een aantal jarengaande is, met
name in de industrie waar de FNV haar meeste leden telt, is
deze Federatie uiteraard niet ontgaan. De ,,officiële”
theorie waarmee het verlies van arbeidsplaatsen in de
industrie wordt verklaard is die van de stijging van de reële
arbeidskosten. Al heeft de vakbeweging nooit openlijk de
geldigheid van deze theorie erkend, zij heeft wel moeten
constateren, dat de rendementspositie van het bedrijfsleven zwak is en zij heeft dan ook bij verschillende gelegenheden
toegegeven dat de winsten zouden moeten worden op-
gevij zeld.

De leiding van de FNV heeft ingezien dat onder deze
omstandigheden niet kon worden vastgehouden aan een stra-
tegie, waarin het bereiken van maximale materiële verbe-
teringen centraal staat. Er moest uit een ander vaatje
worden getapt.

De publiciteit rond de feitelijke en dreigende massa-ont-
slagen en de angst van veel FNV-leden dat ook zij door ont-
slag zouden kunnen worden getroffen, maakte daarbij de
keuze voor behoud van werkgelegenheid als centrale beleids-
doelstelling, gepaard aan matiging in de materiële sfeer, tot de
meest voor de hand liggende.
In de economische theorie is een negatief verband tussen
het niveau van de werkloosheid en de stijging van de loonvoet
een vertrouwde relatie die bekend staat onder de naam
Phillipscurve. Hoewel over de geldigheid van de Phillipscurve
uiteenlopende meningen bestaan en de relatie zeker niet zon-
der meer in elk jaar of in elk loononderhandelingsproces kan
worden herkend, lijkt een zekere plausibiliteit aanwezig. Ook
het Centraal Planbureau gaat bij het opstellen van zijn
prognoses uit van de geldigheid van de relatie. Het zou ech-
ter niet juist zijn de matiging van de vakbeweging uitsluitend
met behulp van deze theorie te verklaren.
In de concrete situatie werd het afzien van looneisen in ruil
voor behoud van werkgelegenheid vergemakkelijkt doorde
verwachting ten tijde van het ontwerpen van de apo-strategie dat het eerste kabinet-Den Uyl zou worden gevolgd door een
tweede. Onder een dergelijk bewind zou een aantal zaken
worden gerealiseerd waarvoor de vakbeweging zich sterk had
gemaakt, met name op het gebied van de vermogensaanwas-
deling en het versterken van de positie van de ondernemings-raden. Daardoor zou de vakbeweging ook voor het overige in
de immateriële sfeer een aantal door haar gewenste her-

vormingen kunnen verwachten en zou zij niet met lege han-den blijven staan. Bovendien zou aan andere wensen van de
vakbeweging, wellicht meer dan nu het geval is, een willig
oor worden verleend.

Aldus werd de apo-strategie geboren. Hoe verloopt haar
prille jeugd? Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat
de boreling er moeite mee heeft op gewicht te komen. Het was
de vakbeweging al eerder duidelijk geworden dat de redene-ring, dat meer winst ook zou moeten leiden tot meer werk in
hetzelfde bedrijf wat al te simpel is. Aan de apo moest in-
houd worden gegeven met andere elementen. Zoals bekend,
zijn dat elementen van zeer uiteenlopende aard, waaronder
arbeidstijdverkorting (van vier- naar vijfploegendiensten, ver-
vroegde pensionering, langere vakanties enz.) met opvulling
van daardoor ontstane vacatures, plaatsing van gehandicap-
ten in het arbeidsproces, verplichte melding van vacatures
bij het GAB, uitschakeling van particuliere uitzendbureaus, meer aandacht voor zwakke groepen op de arbeidsmarkt en
regelingen voor her-, om- en bijscholingsvoorzieningen.
Van deze elementen heeft tot nu toe alleen de overgang van
vier- naar vijfploegendiensten de gemoederen kunnen be-
roeren. Het besef echter, dat door het volledig omvormen van
alle vierploegendiensten in Nederland in vijfploegendiensten
met opvulling van ontstane vacatures niet meer dan ongeveer 5.000 arbeidsplaatsen zouden worden gecreëerd, doet ook dit
strijdpunt wat verbleken. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met het functioneren van de arbeidsmarkt, waar-
door het effect van zo’n maatregel zeker sterk zou worden
beperkt. De overige elementen van de apo kunnen worden
beschouwd als nobele doelstellingen, waarvoor evenwel maar
weinig mensen op de been kunnen worden gebracht, laat
staan dat zij de inzet zouden kunnen zijn van landelijke
stakingsacties.
Een extra complicatie is dat het concretiseren van het
begrip apo in cao-onderhandelingen door de nieuwigheid
en complexiteit van dit begrip een aanzienlijke taakverzwa-ring voor de vakbondsbestuurders betekent, waarop zij niet zijn berekend 1). Vertegenwoordigers van werkgeversorga-
nisaties doorzagen dan ook al snel dat het afsluiten van naar
schatting 700 apo’s op ondernemings- en bedrjfstakniveau
de overwerkte vakbondsonderhandelaars voor een onmoge-
lijke opgave zou plaatsen en zij gingen bekwaam over tot het
decentraliseren van de onderhandelingen. Nog nooit
heeft de bijeenkomst voor het afsluiten van een centraal
akkoord zo kort geduurd.
Thans zijn de onderhandelingen in de afzonderlijke be-
drijven gaande. Daarbij ligt een belangrijke rol voor de
ondernemingsraden voor de hand. Dit zou een verzwakking
van de grip van de vakbeweging op het gebeuren betekenen, waarmee deze misschien niet geheel gelukkig is.
Al met al zijn er voor de vakbeweging nog heel wat proble-
men op te lossen. Het is te vroeg te beweren dat de apo geen
levensvatbaarheid heeft, maar duidelijk is wel dat het nog heel wat jaren zal duren eer de apo de kinderschoenen zal
zijn ontgroeid.

L. van der Geest

1) Zie Drs. J. Hoogendoorn, Arbeidspiaatsenovereenkomsten:
ingrediënten en implicaties,
Inzermediair, 24
maart 1978.

437

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Inhoud

Esb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs.
L.
van der Geest:

De apo; een tussentijdse balans ……………………………437

Column

Uitkeringen en mankracht,
door Drs. W. Siddré ………………
439

D. A. P. W. van der Ende:

Macht en mythe van de Algemene Rekenkamer ………………440

Drs. H. B. van Broekhuizen en Drs. G. J. van Helden:

Een verklaring van het huishoudelijke elektrïcitçitsverbruik in Nederland 444

Dr. F. W. C. Blom:

Industrie in armoede ……………………………………450

Vacatures ……………………………………………..452

Geld- en kapitaalmarkt

Discontoverlaging en monetair beleid;
door Drs. J. C. Pranger …..
453

Ingezonden

Mythen omtrent het voordeel van de eigen woning,
door C. P. A.

Bakker
………………………………………………

454

Mededeling
…………………………………………….
456

Ingezonden

Fiscus en eigen woning,
door Drs. R. M. de Haan,
met naschrift van

Drs.
L.
van der Geest ……………………………………

457

Europa-bladwijzer
(Minimum)prijzen,
door Mr.
L. A.
M. Mulders ……………….
458

De enige, echte economenstri,/d over de economischepolitiek

wordt niet in de Volkskrant
of
de Haagse Post gevoerd, maar

in
ESB.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten

!NP.AM’

……………………………………………………

STRAAT’

………………………………………………….

PLAATS’

………………………………………………….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum’

……………………………………………..

Ongefrankeerd opzenden aan*: ESB,
Antwoordnummer 2524

3000 VB ROTTERDAM

Handtekening:

*Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Itvema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. It’! ontagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L van der Geest.
Redactie-medewerker: T de Bruin.

Adres:
Burgemeester Oudiaan 50,
3062 PA Rotterdam; kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006 A E Rotterdam.

Tel. (010) 1455 II,
1
oestel370l.
Bij aclresivijziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweet’oud, getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprjs:f
13 7,28 per kalenderjaar
(mci.
4% BTW): studentenf 96,72
(mcl.
4% BTW), franco per Post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdeien (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultitno van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93,
3012 A E Rotterdam, t.n.v. Economisch
Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,30
(mcl.
4% BTW en p.ortokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
In. t’. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam met vermelding
van datum Èn nummer van het gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
3062 PA Rotterdam. tel. (010) 14 55 11.

Onderzoekafdélingen:
Arbeidsmarktonderzoe/c
Balanced International Growth
Bedrijfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch-Mathematisch Onderzoek
Transport-Economisch Onderzoek

438

Uitkeringen

en mankracht

In de jaarverslagen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds worden staten ver-
strekt met het aantal gevallen waarin
de aanvraag voor een WW-uitkering is
afgewezen. Deze afwijzingen worden
verstrekt voor alle 26 bedrijfsverenigin-
gen (BV’s) en onderscheiden naar een
15-tal redenen van afwijzing. Vorig jaar
heb ik op deze plaats 1) aandacht ge-
vraagd voor één van die redenen, t.w.
,,niet onvrijwillig werkloos”. Ik heb bij
die gelegenheid gewezen op de nogal
uiteenlopende gemiddelde afwijzings-
percentages tussen de B.V.’s. Thans volgt
het een en ander over de afwijzingen voor
alle
redenen te zamen. De aantallen af-
wijzingen (per jaar alsmede per B.V.)
hebben wij 2) gedeeld door de aanvra-
gen voor een uitkering. Graag zouden
wij meer verfijnde afwijzingspercentages
berekend hebben; de jaarverslagen geven
echter geen cijfers over afwijzingen ge-
koppeld aan aanvragen onderscheiden
naar de oorzaak van het werkloos wor-
den, zoals werkloosheid wegens ontslag,
wegens afloop van werkzaamheden
(seizoen), wegens weersomstand ig-
heden of wegens verkort werken.

Tabel 1. Tijdreeksen mei ,,overall’af-
wlJz!ngspersentages en meldingsfrequen-

ties

Jaar
Ovcrall’.afwijzings.
percentage
Meldings-
frequentie

956 7.9
17,0
1957
9,5
15.9
958
10,2
24.9
1959
10,8 17,6
1960
10,9 12,8
1961 11,1
9.9
1962
12,0
9,7
1963
13,1
9,2
964
14.4
8,1
1965
12,5
9,2
1966
17,2
9,4
1967
15,4
14,1
1968
20,7
10,5
1969
19,4
9,7
1970
21.6
8,3
1971
21,1
10,9
1972
21,7
12,9
1973
22,5
11,0
1974
22,0
12,9

In tabel 1 geven wij de ,,overall”-
afwijzingspercentages gedurende de
jaren 1956-1974. Het betreft gewogen
gemiddelden over de 26 B,V’s. De lezer
beoordele zelf de ontwikkeling in ,,de
tijd” van deze percentages. In tabel 2

geven wij de ,,overall”-afwijzings-
percentages voor elk van de 26 BV’s.
Het betreft gemiddelden over de jaren 1953-1974. De afwijzingspercentages

Tabel 2. ,, Overall’-afwijzingsper(-enia-

ges en meldingsfrequenties van de 26

bedr,jfsverenigingen

Overall’

Bedrijfsvereniging

afwijzings.

Metdings.
percentage
1
frequentie

5,4
64,3 31,2
2,6
7,8
44,4
Hout

…….
…………
21,2
8,6
t 7,6
8,3
Kleding

…..
…………
15,7
12,0
18,1
12,5

Textiel

…… …………..

Grafische industrie
39,8
2,4
Leder

…………………

13,6

..

13,9
Steen

. ……………. ….
Metaalindustrie

……….
26,9
3,5
Metaalnijverheid
18,1
..
11,2
46,2
4,0

Landbouw
……………..
zuivel

…… …………..

Chemie

……………..
25,0
4,5

Bouw

…………………

Tabak

………………
25,2
6,1
44,5

..

3,9
Slagers

………………
38,3
7,1
Voeding

……………..
20,3
8,5
Detailhandel

………….
33,3
4,7

Mijnindustrie

………….

27,1
8,3
39,4

..
..

13,3

Bakkers

………………

Vervoer

……………..
25,5

..

8,9
24,8

..
..

21,2

Haven

……………….
Koopvaardij

…………..

33,4
2,0
Horeca

………………..

Overheidsdiensten
17,9

..

19,0
Gezondheid

…………….

Banken

……………..
22,8
4,5
Nieuwe Algemene
27,0
..
14,9

in de landbouw en in de bouw zijn zeer laag t.o.v. de overige. Dit kan
samenhangen met het feit dat de be-
langrijkste individuele reden van af

wijzing, t.w. ,,niet onvrijwillig werk-
loos”, vanwege het seizoenmatige karak-
ter van de werkzaamheden in die sec-
toren geen belangrijke rol speelt.
Anders gezegd, in genoemde sectoren
worden relatief veel uitkeringen aan-
gevraagd, omdat er een einde aan de seizoenwerkzaamheden is gekomen,
en er behoeft vanwege deze duidelijke
oorzaak niet te worden gediscussieerd
over het al dan niet onvrijwillig werkloos
zijn. Maar, zoals gezegd, meer verfijnde
afwijzingspercentages kunnen wij niet
opstellen.
Hier gaat het mij vooral om de zojuist
genoemde reeksen met ,,overall”-af

wijzingspercentages. Welke factoren
beïnvloeden het verloop in de tijd,
resp. de variatie over de 26 B.V.’s? Wij
hebben nog nooit een stap gezet in de
keuken van BV. ‘s, maar desalniettemin
wel eens gelezen 3) dat deze afwijzings-
percentages iets te maken zouden kun-
nen hebben met het aantal gevallen
waarbij een WW-uitkering wordt ge-
vraagd. Ik bedoel dat niet zo triviaal als
het lijkt. De redenering loopt als volgt:
als de aanvragen voor uitkeringen toe-
nemen, dan zou je kunnen verwachten
dat het percentage afwijzingen daalt,
omdat de mankracht waarover B.V.’s
beschikken om aanvragen op hun juist-
heid te beoordelen op korte termijn niet
variabel is. Als op korte termijn de per

sonele middelen betrokken bij het be-
oordelen van aanvragen van een uit-
kering niet gemakkelijk kunnen worden
aangepast aan een groeiend aantal aan-
vragen, dan zou dat tot gevolg kunnen
hebben dat er een negatief verband zou
bestaan tussen het afwijspercentage ener-
zijds en het aantal aanvragen anderzijds.
Het toetsen van deze hypothese is
geen eenvoudige zaak. Over dat toet-sen nog een enkele opmerking. Daar-
na geef ik onze resultaten. Als verklaren-
de variabele, komen meldingsfrequenties
in aanmerking. Deze meldingsfrequen-
ties geven het aantal aanvragen voor
een WW-uitkering aan per 100 ver

zekerde manjaren. Als wij mogen ver-
onderstellen dat het aantal personen
in iedere B.V. betrokken bij het beoor-
delen van de juistheid van de aanvragen
gerelateerd is aan het aantal verzekerde
manjaren, dan zullen meldingsfrequen-
ties een aardige verklaring moeten
opleveren voor de variatie in de afwijs-
percentages. Waarschijnlijk zijn er
naast deze meldingsfrequenties nog
andere factoren te noemen die van in-
vloed zijn op de afwijspercentages. Ik
ga daar nu niet op in.
In tabel 3 geven wij onze voorlopige
resultaten in de vorm van schattingen
van de coëfficiënten A en B van de vol-
gende regressievergelijking: afwijs-
percentage = A + B X meldings-
frequentie. De getallen tussen haakjes
geven de standaardfouten aan.

in vergelijking 1 werden tijdreeksen
gebruikt: ieder jaar is de drager van twee
waarnemingen. Het teken van B is
negatief, conform de gestelde hypothese.
De bijbehorende R
2
is echter laag. In
vergelijking 2 werd op 26 waarnemingen
een doorsnede-analyse uitgevoerd:
iedere B.V. is nu de drager van twee
waarnemingen. Wederom vonden wij
een negatief teken van de coëfficiënt B.
Zo op het eerste gezicht voldoet deze
vergelijking aardig. Toch past een kant-
tekening bij deze regressie. Wordt het zo-
juist genoemde resultaat niet verkregen
door de twee BV’s (landbouw en de
bouw) met zeer lage afwijspercentages
en zeer hoge meldingsfrequenties? Zijn
wij niet bezig een rechte aan te passen
aan een puntenwolk, die je zou kunnen
schetsen als een muis met een staart?
Een staart waarin de landbouw en de
bouw huizen. Om te laten zien wat er
gebeurt als wij de staart afknippen,
geven wij regressievergelj king 3.

Tabel 3. Resultaten regressie-analvse
A
1

B
R
2

Aantal waar.
nemingen

1 a)
22.09
-0,54
0,20 19 jaren
(3,39)
(0,26)
31,58
-0,49
0,42
26 BV’s
(2,16)
(0.12)
2

…….

34,69
-0,87
0.25
24 BV’s
3

…….
(3.25)
(0,33)

a) tndien deze regressie wordt uitgevoerd in verschillen
van jaar op jaar blijft B negatief, maar wordt niet signi-
ficant.

Onze voorlopige conclusie kan kort
zijn: de cijfers zijn niet strijdig met de
hypothese, maar meer onderzoek in de
keuken is gewenst.

/ift.
e(oe;ii:”

1V. Sidd,é

ESB. 2
november
1977,
blz.
1071.
Wederom met veel dank aan Erik de Regt voor de berekeningen.
Daniel S. Hamermesh,
Jobless pot’ and
the eonomt’.
The Johns Hopkins University
Press,
1977,
bIg. 85 e.v.

ESB 3-5-1978

439

Macht en mythe

van de Algemene Rekenkamer

D. A. P. W. VAN DER ENDE

Overeenkomstig het voorschrjft van de Comp-

tabiliteilswet heeft de Algemene Rekenkamer

vddr 1 april van dit jaar het verslag van haar

werkzaamheden in het jaar 1976 aan de Koningin

en aan het parlement aangeboden 1). De heer

D. A. P. W. van der Ende, directeur van het
Instituut voor Onderzoek van Overheidsuit-

gaven, gaat aan de hand van het verslag in op

het functioneren van de rekenkamer.

Het is altijd interessant om na te gaan onder welke koppen

de dagbladen hun bericht over het rekenkamerverslag bij

de lezers aandienen. Een bloemlezing: Ministerie blunderde

in Tealtronic-affaire; slechte controle kost miljoenen; Staat

veel te gul met bedrijfssteun; hulp voor bedrijven in nood

was niet optimaal; effectiviteit arbeidsvoorziening niet altijd

zeker; gemeenten maken misbruik van sociale regelingen;

miljoenen misbruikt, te weinig controle besteding WSW-

geld; Stemerdink subsidieerde ,,Brug te ver”; ,,Brug te ver”

kostte onze schatkist geld.

De krantenkoppen geven een indicatie van wat de ge-

middelde Nederlander van de rekenkamer verwacht en hoe

hij dat college ziet: als een onafhankelijke instantie die in

staat is om precies na te gaan hoe de staat zijn geld uitgeeft,

die niet alleen nagaat of het boekhoudkundig allemaal in

orde is, maar er ook op let of het geld op een verantwoorde
manier wordt uitgegeven, en die vervolgens haar bevindingen

in de openbaarheid brengt in het vertrouwen dat er wat aan

zal worden gedaan.
Deze opvatting van de positie en de taak van de reken-
kamer komt ook naar voren wanneer er tussentijds iets aan

de hand is dat in financieel opzicht bedenkingen oproept.

Zo stelde Prof. Halberstadt onlangs voor om belastingaan-

slagen van ministers, staatssecretarissen, kamerleden en

andere hoge functionarissen na de gebruikelijke vaststel-

ling door de belastinginspecteur door te sturen naar een op
te richten afdeling van de algemene rekenkamer. Voorts

zou dc rekenkamer naar zijn mening de nevenfuncties van

politici moeten toetsen op hun toelaatbaarheid. Ook de

redactie van
NRC Handelsblad
vond het blijkens een hoofd-

artikel in dat blad een goede gedachte om de financiële en

fiscale antecedenten van bewindslieden aan de rekenkamer

voor te leggen 2).

Een ander voorbeeld: enige tijd geleden stelde het VNO

voor om de rekenkamer te belasten met de controle op mis-

bruik en fraude met sociale uitkeringen door werknemers en

ondernemingen 3).
Volgens de directeur-generaal van industrie van het Minis-
terie van Economische Zaken ligt de controle op toegestane
steun aan in moeilijkheden verkerende bedrijven en op de

besteding van de gelden bij het parlement via de algemene

rekenkamer. ,,Die is toch een verlengstuk van het parle-

ment?” 4).

Het is van belang om na te gaan of het beeld dat men zich

blijkens deze suggesties en uitspraken over de rekenkamer

heeft gevormd overeenkomt met de realiteit. Beschikt zij

inderdaad over de haar toegedachte macht of is hier ook

wel eens sprake van een zekere mythevorming?

Catechismus

Hiertoe moeten we, naast de grondwet, de Comptabili-
teitswet ter hand nemen. De Comptabiliteïtswet is een bij het

grote publiek weinig bekende wet, maar is niettemin een

onderdeel van de catechismus voor bewindslieden, kamer

leden, directeuren-generaal van industrie en dergelijke hoge

functionarissen. De naam is misleidend. De oorspronkelijke

betekenis van het woord comptabiliteit is boekhouding.

Inderdaad bevat deze uit 99 artikelen bestaande wet enkele

artikelen over de boekhouding van de rijksoverheid. Voor
het overige, en dat is verreweg het voornaamste, bevat de

wet voorschriften over:
• hoe de rijksbegroting zodanig moet worden ingericht en

opgesteld dat het parlement er vat op heeft. Hierin is de

wijsheid van eeuwen verdisconteerd. Men kan zich echter

afvragen of men niet bij de wijsheid van de eerste helft

van deze eeuw is blijven steken, want niet altijd krijgt men

de indruk dat de volksvertegenwoordiging ook nu nog via

de begroting het financiële doen en laten van de regering

in voldoende mate in de hand kan houden;
• hoe de geldmiddelen van het rijk moeten worden beheerd.

Men vindt hier bepalingen over het begrotingsbeheer,

het kasbeheer, het deelnemen van de staat aan het privaat-
rechtelijk rechtsverkeer en voorts over het samenspel

tussen de z.g. vakministers en de Minister van Financiën;

• hoe de rekenkamer is ingericht en hoe zij moet functio-

neren, zodanig dat zij behoorlijk toezicht kan houden op

hetgeen er op financieel gebied gebeurt; dat zij in bepaalde
gevallen maatregelen kan nemen en dat zij over hetgeen

zij waarneemt zowel intern aan de ministers als via haar

verslag aan regering, parlement en openbare mening kan

rapporteren.

Een belangrijk aspect is daarbij – en dat vindt men ook

in de grondwetsartikelen waarvan de Comptabiliteitswet

een nadere uitwerking is – dat er op het terrein van de

publieke financiën zoveel mogelijk openbaarheid moet zijn.

De tijdsfactor is vaak de grootste vijand van de openbaar-

heid. Wanneer er wordt gerapporteerd over een gebeurtenis,
die al enige jaren achter ons ligt, en de minister die voor dat

T) Gedrukte stukken Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14980, nrs. T en 2.
NRC Handelsblad.
17 maart 1978, blz. 3 en 7.
Het Vrije Volk,
13 oktober 1977, blz. 21.
NRC Handelsblad, 15
april 1978, blz. 24.

440

geval verantwoordelijk is misschien al door een ander is

vervangen, is er weinig belangstelling meer voor. De in 1976

vastgestelde nieuwe Comptabiliteitswet 5) heeft dit onder-

kend en verschillende voorschriften geïntroduceerd om dat

gevaar te beperken.

Onafhankelijk orgaan

Uit de grondwet en de Comptabiliteitswet blijkt dat de

rekenkamer een onafhankelijk orgaan is, onafhankelijk niet

alleen van de regering maar ook van het parlement. Zij is

dus niet, zoals in sommige andere landen, ondergeschikt

aan de volksvertegenwoordiging. Hierdoor is vermeden dat
het parlement haar met allerlei opdrachten en zelfs klusjes

zou kunnen opknappen, waardoor zij aan het werk dat zij zelf

het belangrijkste acht, onvoldoende aandacht zou kunnen

besteden. De leden worden voor het leven benoemd, d.w.z.

zij worden slechts ontslagen wanneer zij erom verzoeken,

wanneer zij de bij de wet bepaalde leeftijd (70 jaar)

bereiken of wanneer zij – wat gelukkig nog nooit is voor-

gekomen – wegens een gepleegd misdrijf door de Hoge

Raad worden afgezet.

De rekenkamer heeft de controle op het beheer, maar

neemt niet zelf aan het beheer deel. Tussen het beheer en de
controle daarop dient een duidelijke scheiding te zijn.

De rekenkamer heeft in dit opzicht nog onlangs de puntjes

op de i gezet door te vragen een uit 1920/1921 daterende

regeling in te trekken volgens welke ministers, alvorens be-

talingen wegens schadeloosstellingen te doen, eerst daarover

het advies van de rekenkamer moeten vragen. Die regeling
is nu door de ministerraad ingetrokken.

De controle omvat zowel de uitgaven als de inkomsten

van het rijk. Tot nog niet zo heel lang geleden stelde de con-

trole op de belastinginkomsten niet erg veel voor, maar uit

de verslagen van de laatste jaren blijkt dat de rekenkamer

er steeds meer aandacht aan gaat besteden. Uit de op-

merkingen in het nu verschenen rekenkamerverslag blijkt

opnieuw dat onze belastingdienst over het algemeen bepaald
diligent is, maar dat het toch een goede zaak is dat een on-

partijdige derde er ook eens naar kijkt. De onderlinge
coördinatie tussen de onderdelen van de belastingdienst is

hier en daar voor verbetering vatbaar. Door de ingewikkeld-
heid van de belastingwetgeving kampt de belastingdienst

met een tekort aan personeel. Het doet de burger deugd te

lezen dat de rekenkamer tot haar genoegen heeft geconsta-

teerd dat haar suggesties op tal van punten worden over-
genomen of dat daaraan ernstig aandacht wordt geschonken.

Rechtmatigheid en doelmatigheid

De controle van de rekenkamer op de uitgaven betreft

in de eerste plaats zaken als: valt de uitgaaf binnen de om-
schrijving van het begrotingsartikel en was er op dat artikel

nog genoeg geld beschikbaar, is de uitgaaf op het juiste
dienstjaar geboekt, was de schuldenvordering niet verjaard,

zijn de bewijsstukken in orde, en was de uitgaaf niet in strijd

met een of ander wettelijk voorschrift? Dat is de zogenaamde

rechtmatigheidscontrole.

Wanneer er iets niet in orde is kan de rekenkamer bezwaar

maken. Als de bezwaren ook door de minister niet worden

weggenomen, kan ze weigeren de uitgaaf goed te keuren (wei-
geren de uitgaaf te ,,verevenen” zoals dat officieel heet). Er

moet dan een wet komen, een z.g. indemniteitswet, waarbij de

uitgaaf alsnog in de rijksrekening wordt opgenomen. Zo’n
indemniteitswet is nooit erg plezierig voor de betrokken

minister. Vroeger kwam zo’n wet hoogst zelden voor, en was
het betrokken wetsvoorschrift weinig meer dan een dode

letter. In de laatste jaren is de rekenkamer wat strenger ge-

worden. Zo noemt het thans verschenen jaarverslag twee
gevallen waarin van zo’n wet sprake is.
Behalve op de rechtmatigheid oefent de rekenkamer ook

controle uit op de doelmatigheid van de uitgaven. In de woor-

den van de nieuwe Comptabiliteitswet wijdt zij ,,aandacht

aan de doelmatigheid van ‘s Rijks beheer en van de orga-

nisatie en de functionering van ‘s Rijks dienst”.

Hoever kan de rekenkamer met die doelmatigheids-

controle gaan? In een in 1970 gehouden rede 6) heeft de

president van het college, Drs. H. Peschar, in overeenstem-

ming met hetgeen over dat onderwerp was opgemerkt in het

rapport van de commissie-Simons, daarover het volgende

gezegd. Het is niet de rekenkamer die geroepen is de doel-

stellingen van het beleid in haar beoordeling te betrekken.

Dat is een zaak van regering en Staten-Generaal; daarvoor

hebben de politieke instanties te beslissen, zowel als het gaat

om nieuwe doelstellingen waarop men zich wil gaan richten
als om al lang bestaande, waarvan men beslist ze wel of niet

te blijven nastreven. De rekenkamer moet, uitgaande van die

doelstellingen, haar controle richten op de wijze waarop het

beleid wordt gerealiseerd.

Behalve kwesties van doelmatigheid in engere zin kunnen

bij die doelmatigheidscontrole ook vragen aan de orde komen

als:

• voert de realisering van een bepaald beleid inderdaad tot de

beoogde doeleinden?;

• heeft die realisering geen niet-voorziene, eventueel onge-

wenste gevolgen of neveneffecten?;

• dient, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd, niet een

verandering in het beleid te worden overwogen?

Met name het laatste punt – de vraag aan de orde stellen

of door de veranderde omstandigheden niet een ander beleid

moet worden overwogen – gaat in vergelijking met de be-

voegdheden van de rekenkamers in andere landen nogal
ver. Het is een goede zaak dat men bij ons in dit opzicht

wat geavanceerde opvattingen heeft, want ook bij overheids-

instellingen is het gevaar groot dat men te lang aan het be-

staande blijft vasthouden.
Voorts is belangrijk dat de rekenkamer in de laatste jaren

behalve aan de doelmatigheid in engere zin (de efficiency)
ook in toenemende mate aandacht gaat besteden aan de doel-

treffendheid (de effectiviteit) van de overheidsmaatregelen.

Een voorbeeld daarvan zijn de opleidingen voor dames-

kapper, gesubsidieerd dor de gewestelijke arbeidsbureaus.

De rekenkamer wees erop, dat er veel meer kappers en

kapsters werden opgeleid dan er konden worden geplaatst.
Eén arbeidsbureau vond hierin aanleiding om zijn subsidie

te beperken, maar de andere gingen gewoon op de oude voet

door. De rekenkamer vindt dit ,,opmerkelijk”.

Anders dan bij de rechtmatigheidscontrole mag de reken-

kamer de verevening van een uitgaaf niet weigeren op grond

van het feit dat deze naar haar oordeel ondoelmatig is. Zij
kan haar bezwaren kenbaar maken aan de betrokken

minister. Voor zover zij daartoe aanleiding vindt, vermeldt zij

de bezwaren en de daarover gevoerde correspondentie in

haar jaarverslag. De zaak komt dan in de openbaarheid,

en de Tweede Kamer kan, via de commissie voor de rijks-

uitgaven, aan de betrokken minister nadere inlichtingen

vragen en ten slotte een uitspraak doen. Met alle respect
voor de grote bekwaamheden van deze commissie blijft het
toch jammer dat zij per jaar maar een halve dag aan het

rekenkamerverslag besteedt, terwijl de overeenkomstige com-missie van het Engelse parlement er een halfjaar mee bezig is.

De bij sommige kamerleden bestaande gedachten om werk-

zaamheden van de commissie voor de rijksuitgaven verder

te activeren, verdienen warme ondersteuning.

Lichtelijk ironisch

Het jaarlijkse rekenkamerverslag bevat veel interessante

Wet van 8 december 1976, SiansbIad, nr. 671.
Opgenomen in
Openbare uitgaven,
jaargang 1971-1, blz. 2 cv.

ESB 3-5-1978

441

zaken. Ik heb het wel eens een nuttig leerboek voor de be-

stuurskunde genoemd. Je komt belangrijke dingen aan de

weet, die je ergens anders niet leest. Het is degelijk ge-
schreven, soms lichtelijk ironisch, maar niet altijd even

boeiend. De opzet stamt uit de tijd dat we nog niet allemaal,

en leden van de Tweede Kamer in het bijzonder, dagelijks

onder een stapel papier werden bedolven.

Ook uit de inhoud van het verslag blijkt dat de kamer de

meeste aandacht besteedt aan de rechtmatigheidscontrole,

dat haar apparaat daarop in de eerste plaats is ingesteld, en

dat de controle op de doelmatigheid eigenlijk een bijprodukt

– zij het een zeer belangrijk bijprodukt – is van de controle

op de rechtmatigheid. De vermelde gevallen van doelmatig-

heidscontrole hebben vaak betrekking op wat in het ambtelijk

jargon wordt aangeduid als de ,,kleine doelmatigheid”. Het

belang hiervan mag zeker niet worden onderschat. Voor deze

gevallen geldt nog sterker dan voor zaken van z.g. ,,grote

doelmatigheid” dat, als niet de permanente dreigingaanwezig

is dat de rekenkamer ze aan de grote klok hangt, er geen
haan naar zou kraaien. Maar is het uit voorlichtingsoog-

punt efficiënt om in een geschrift dat ook over zeer ge-

wichtige zaken van het financiële overheidsbeleid handelt

die belangrijke zaken te verstoppen tussen zaken van secun-

diar belang, zodat alleen de zeer vasthoudende lezer ze tegen-

komt? De president van de rekenkamer tracht aan dit be-

zwaar tegemoet te komen door in zijn jaarlijkse pers-

conferenties vooral aandacht te vragen voor de belang-

rijkste zaken. Mede omdat de avondbladen hun artikelen

op dat moment reeds naar de drukkerij hebben gezonden,

heeft hij met dat streven niet altijd evenveel succes.

Interessante toetsing

Eén van de belangrijkste onderwerpen in het nu uitgeko-

men rekenkamerverslag is de steun aan het bedrijfsleven. Om-

dat de controle van de rekenkamer pas achteraf komt, gaat zij

slechts in op één geval, dat zich in de jaren 1974 en 1975 heeft

afgespeeld. Dat betreft de steunverlening aan een onder-

neming in het oosten des lands. De kranten die daarop zijn

ingehaakt hebben hun lezers over de identiteit van dat bedrijf

niet in het onzekere gelaten. Het gaat om het Nijmeegse

bedrijf Tealtronic.
Over de steunverlening door het rijk aan bedrijven is in

de laatste tijd meer bekend geworden. Of liever: het is

bekend geworden hoe weinig het parlement en de openbare

mening hiervan weten. Het onderwerp is vooral zo interes-

sant, omdat men aan de hand daarvan kan toetsen in hoeverre

de in het begin van dit artikel vermelde hoofdbeginselen

van onze Comptabiliteitswet in een zaak als deze nog

adequaat functioneren. Geeft de rijksbegroting, waarin
uiteraard ook uitgaven zijn uitgetrokken voor de hier be-

doelde steun aan bedrijven, het parlement voldoende vat

op deze materie? Volgens een recente artikelenreeks in

NRC Handelsblad
zijn enkele kamerleden van oordeel dat

dit zeker niet het geval is. De heer Van der Hek: ,,het

parlement staat buiten spel”. De heer Bolkestein: ,,je krijgt
zoals het nu gaat allerlei ondoorzichtige toestanden en ver

vaging van verantwoordelijkheden”. De heer Van Houwe-

lingen: ,,we worden voortdurend met een kluitje in het riet

gestuurd” 7).
Worden die geldmiddelen beheerd volgens de voorschriften

van de Comptabiliteitswet? Er is reden tot twijfel. Ik laat

in het midden dat volgens
NRC Handelsblad
– een bewe-

ring die overigens niet- wordt geadstrueerd – ambtenaren

in een bepaald geval niet alle informatie waarover ze be-

schikten, doorspeelden’ naar hun minister, waardoor be-
slissingen werden genomen die anders waarschijnljk.niet tot

stand waren gekomen 8). Vast staat dat één voorschrift van

de Comptabiliteitswet niet wordt nagekomen. In die wet staat
dat voor deelneming in privaatrechtelij ke rechtspersonen,

waarbij een geldelijk belang is gemoeid van meer dan

f. 100.000, machtiging bij of krachtens de wet is vereist.

Men zegt dat het in spoedeisende gevallen onmogelijk is.

Gezien de geciteerde bepaling, waarin ook wordt gesproken

over ,,krachtens de wet” staat dit niet zonder meer vast.

In elk geval heeft men de Comptabiliteitswet omzeild door

niet de staat zelf in de bedrijven te laten deelnemen, maar
door een subsidie te geven aan de Nationale Investerings-

bank, waardoor die bank in plaats van de overheid de deel-
neming in het bedrijf op zich neemt.

Verlichte despoten

Deze gang van zaken gaat veel lijken op die onder Koning

Willem 1 met zijn amortisatie-syndicaat. Willem 1 was ook

iemand die veel verdienstelijk werk voor het bedrijfsleven

heeft gedaan, maar het nauwgezet in acht nemen van de

rechten van het parlement had niet zijn eerste prioriteit.

Natuurlijk moet een regering de nodige vrijheid hebben om

tijdig en adequaat te kunnen reageren. Dat hebben de

vroegere verlichte despoten ook altijd naar voren gebracht

en zij hadden ook toen op het eerste gezicht zwaarwichtig

lijkende argumenten. Niettemin zijn de parlementariërs

van de 19e eeuw – niet alleen bij ons, maar ook in andere

democratische landen – erin geslaagd een budgettair stelsel

te ontwerpen dat voldoende recht doet aan de positie van de

volksvertegenwoordiging zonder de regering de slagvaardig-

heid te ontnemen die zij onder bepaalde omstandigheden

nodig heeft. Als het stelsel van de Comptabiliteitswet in de

tegenwoordige tijd bij zeer belangrijke zaken niet meer zou

kunnen werken, zal dat stelsel moeten worden gewijzigd.

Kan de rekenkamer ook nu nog behoorlijk toezicht houden

en daarover rapporteren? Dat kan zij; uit niets in haar ver-
slag blijkt dat haar belemmeringen in de weg worden gelegd,

maar ze kan het niet
tijdig
doen. Zoals vermeld bevat het op

31 maart jI. uitgebrachte verslag slechts opmerkingen over
een bedrijf, waarbij de moeilijkheden zich in de jaren 1974

tot 1976 hebben voorgedaan en.dat in januari 1977 failliet

is gegaan. De mogelijkheid is niet uitgesloten dat zich ook

daarna gevallen hebben voorgedaan die de rekenkamer de

wenkbrauwen hebben doen fronsen.

De motie-Van Amelsvoort

Over een mogelijke uitbreiding van de taak van de teken-

kamer handelt een in 1976 door de Tweede Kamer aange-

motie-Van Amelsvoort. Daarin wordt aan de regering ge-

vraagd om te onderzoeken hoe een onafhankelijke controle
ook op ontvangsten en uitgaven van publieke aard, andere

dan die van het rijk, effectief kan worden gewaarborgd 9).
Met name is hierbij gedacht aan de inkomsten en uitgaven

van het sociale-verzekeringsstelsel. De onafhankelijke in-

stelling, die met deze controle zou moeten worden belast, zou
de rekenkamer kunnen zijn, maar ook een andere instelling

met overeenkomstige bevoegdheden. De heer Van Amels-

voort is hierop bij de behandeling van de begroting van
Financiën in februari van dit jaar teruggekomen. Minister

Andriessen antwoordde dat een voorstel ter zake aan de meest

betrokken bewindslieden is voorgelegd en dat hij thans in af-

wachting is van hun reacties. Bij de re- en duplieken merkte

de heer Van Amelsvoort op dat het wel wat lang gaat duren

ën informeerde hij of er soms een ernstige moeilijkheid was.

Daarop schakelde minister Andriessen over van het meer-
voud naar het enkelvoud en zegde hij toe dat, hij bij de be-

trokken collega – zou dit de minister van Sociale Zaken

zijn? – op spoed zal aandringen 10).

NRC Handelsblad,
13
april
1978, blz. 13
en
14
april
1978,
blz. II.
NRC Handelsblad, II
april
1978, blz. 9. Gedrukte stukken Tweede Kamer, zitting
1975-1976, 13 037,
nr.
21.
Handelingen,
Tweede Kamer, zitting
1977-1978, blz. 851, 852, 931, 1045
en 1049.

442

Carrière-perspectief bij de rekenkamer

Bij een mogelijke uitbreiding van de taak van de reken-

kamer – of bij instelling van een lichaam met een overeen-

komstige taak als de rekenkamer – dient men wel te over-

wegen dat de rekenkamer in 1977 eigenlijk 262 ambtenaren

nodig had, maar dat er op 31 december van dat jaar maar

231 in dienst waren. Al jaren klaagt de rekenkamer erover

dat zij er niet in slaagt om een voldoend aantal medewerkers

aan te trekken. Men moet zich afvragen wat de reden daar-

van is. Een belangrijke factor is mi. dat het carrière-perspec-

tief voor de medewerkers niet al te florissant is. De voor

stellen die Prof. Stevers in 1976 heeft gedaan tot reorganisa-

tie in de rekenkamer II) hadden, hoe men er verder ook
over moge denken, in elk geval de verdienste dat zij de

medewerkers meer promotiemogelijkheden zouden bieden.

Een tweede factor is dat het hoofdaccent bij de werkzaam-

heden nog altijd ligt bij de rechtmatigheidscontrole. Dat is

niet altijd bijzonder leuk werk, in verband met de nadruk

op de rechtmatigheidscontrole vraagt de rekenkamer vooral

mensen met boekhoudkundige kennis. Dat zal bij eventuele

gegadigden wel de indruk wekken dat men om tot de hogere

regionen door te dringen over een accountantsdiploma moet
beschikken. Alleen het werk bij de zevende afdeling (effec-

tiviteit, Organisatie en efficiency) schijnt mogelijkheden te
bieden voor niet-accountants.
De rekenkamer vindt het verontrustend daterin 1977 ruim

40 medewerkers haar dienst verlieten wegens het aanvaarden

van een andere werkkring. Het verschijnsel zou minder ver-
ontrustend zijn, wanneer het in het loopbaanstelsel zou zijn
ingebakken dat men na een aantal jaren bij de tekenkamer

een functie zou kunnen krijgen bij een ministerie of een

andere belangrijke rjksinstelling. Nog beter zou het zijn,

wanneer de band met de rekenkamer dan niet zou worden

verbroken, wanneer dus de tewerkstelling elders zou plaats-

PROVINCIALE PLANOLOGISCHE

DIENST VOOR ZEELAND

Bij de afdeling sociaal-economisch onderzoek, bestaan-
de uit ca. 10 medewerkers kan worden geplaatst een

PLANOLOGISCH

ONDERZOEKER/STER
OP ACADEMISCH NIVEAU

Zijn/haar werk zal vooral bestaan uit het analyseren en
interpreteren van onderzoekgegevens en het op grond
daarvan rapporteren. Een en ander in samenwerking
met andere medewerkers van de dienst. De werkzaam-
heden hebben in het bijzonder betrekking op de so-
ciaal-economische aspecten van de Ruimtelijke Orde-
ning.

Gedacht wordt aan een medewerker/ster met een afge-
ronde studie, bij voorkeur in de sociale geografie, de
planologie of de economie met ruimtelijke specialisatie.
Kennis van kwantitatieve onderzoekstechnieken is een
vereiste.

Aanstelling zal geschieden in de rang van adjunct-pIa-
noloog. Salaris van
f
2.385,— tot / 2.844,— per maand,
afhankelijk van leeftijd en ervaring; vakantietoeslag
8
0
/0
.

Sollicitaties binnen 14 dagen na het verschijnen van
dit blad te richten aan de directeur Provinciale Plano-
logische Dienst voor Zeeland, Groenmarkt 13, Middel-
burg.

hebben in de één of andere vorm van detachering. In bepaalde

gevallen zou de man (of vrouw), en dan natuurlijk in een ho-
gere functie weer bij de tekenkamer kunnen terugkeren. Van

de ervaringen die hij in de andere functie of functies heeft op-

gedaan zou de tekenkamer dan kunnen profiteren. In Frank-

rijk kent men dit stelsel. Het heeft tot gevolg dat plaatsing bij

het Cour des Comptes een van de meest begeerde functies

is voor de beste studenten van de Ecole Nationale d’Admini-
stration.

Waarnemers van de rekenkamer

Daarnaast zou de rekenkamer kunnen nagaan of er binnen

haar eigen werkzaamheden niet meer interessante functies

zijn te creëren, in het kader van de steun aan in nood ver

kerende particuliere bedrijven kennen we tegenwoordig

naast de regeringscommissarissen ook regeringswaarnemers.

Men zou ook een proef kunnen nemen met waarnemers van

de rekenkamer. Waarnemers mogen per definitie geen deel

hebben aan het beleid, maar dienen zich te beperken tot
waarnemen en rapporteren.

Regeringscommissarissen kunnen in een moeilijke positie

komen, omdat ze niet alleen het belang van de staat in het

oog moeten houden, maar ook het belang van de onder-
neming. Een regeringswaarnemer behoeft zich alleen te ver-

antwoorden tegenover Economische Zaken. Ook dat kan in

bepaalde gevallen moeilijkheden geven. Lezing van het reken-

kamerverslag leert ons dat het staatsbelang volgens Eco-

nomische Zaken niet zonder meer overeen behoeft te komen
met het staatsbelang zoals de tekenkamer dat ziet. Verwacht
kan worden dat de rekenkamer tegenover het parlement

wat mededeelzamer zal zijn. Economische Zaken voelt zich,
blijkens het interview met de heer Molkenboer in
NRC
Handelsblad
van 15 april jI., als kamerleden iets vergeten
te vragen, niet verplicht hen te informeren. De rekenkamer

daarentegen maakt er haar beroep van om vooral onge-
vraagde informatie te verstrekken, al doet zij dat steeds met
grote omzichtigheid.

Precair punt

Dat brengt mij tot het blijkbaar precaire punt van het

horen van ambtelijke functionarissen door kamercommissies.

Men beweert dat dit bij ons, anders dan in Engeland, staats-

rechteljk niet kan. Een ambtenaar mag overal, ook tele-

fonisch, inlichtingen aan een kamerlid geven zonder dat er

een bewindsman naast hem zit, maar in een kamercommissie

is hem dat verboden. Omdat de logica daarvan mij ontgaat,
heb ik in vorige artikelen gepleit voor het horen van direc-

teuren-generaal door de commissie voor de rijksuitgaven,
in het bijzijn van de president of een lid van de tekenkamer
12). De heer Van Houwelingen, lid van de Tweede Kamer,

meent dat regeringswaarnemers zouden kunnen worden

verplicht om inlichtingen te gevan aan het parlement als het

daarom vraagt 13). Het horen van een waarnemer van de
rekenkamer zou wellicht nog grotere kansen geven op het ver-

krijgen van onpartijdige informatie.

in het voorgaande heb ik betoogd dat het controlestelsel

volgens de Comptabiliteitswet althans in het zeer belangrijke

geval van de overheidssteun aan bedrijven niet goed meer

werkt. De in het voorgaande gedane suggesties zouden bouw-
stenen kunnen zijn om te komen tot een systeem, dat ook

in deze tijd het parlement een behoorlijke grip op de zaken

geeft zonder het doeltreffend functioneren van de regerings-
instanties te belemmeren. D. A. P. W. van der Ende

II) Prof. Dr. Th. A. Stevers, Is de rekenkamer doelmatig ge-
organiseerd?,
Openbare uitgaven,
jaargang 1976-6, blz. 213 cv.
ESB.
12 juni 1974.
NRC Handelsblad, 14 april 1978, blz. II.

ESB 3-5-1978
443

Een verklaring van het huishoudelijke

elektriciteitsverbruik in Nederland

DRS. H. B. VAN BROEKHUIZEN*

DRS. G. J. VAN HELDEN**

Voor zover bekend, is er in Nederland tot nu toe betrekkelijk weinig onderzoek gedaan naar factoren die invloed

hebben op het energieverbruik. De meest voor de hand liggende weg, die men bij een dergelijk onderzoek kan

bewandelen, bestaat hierin dat men aan de hand van cijfermateriaal uit het verleden tracht te komen tot gek wan-

tficeerde uitspraken over de effecten op het energieverbruik van daartoe relevante factoren. Dit artikel 1) geeft

in kort bestek de resultaten weer van een empirische siudie, waarbij de zojuist omschreven weg is gevolgd. De

betrokken studie beperkt zich tot slechts één categorie van het energieverbruik in Nederland, namelijk het elek-

triciteitsverbruik in de huishoudelijke sector. De gevonden resultaten leiden niet tot ,,harde conclusies “, in de zin

van kwantitatieve gevolgtrekkingen waarvan de juistheid meteen grote mate van zekerheid vaststaat. Wel is het

mogelijk indicatieve uitspraken te doen over de factoren die bepalend zijn voor het huishoudelijke elektriciteits-

verbruik in Nederland. De beleidsbepaler trooste zich met de gedachte dat, bij gebrek aan ,,harde conclusies

indicatieve uitspraken zijn te verkiezen boven onwetendheid.

1. Inleiding

Zoals bekend, mag de energiesector zich de laatste jaren

verheugen in een toegenomen belangstelling van de ,,be-leidsbepalers”. Alom is het besef doorgebroken dat in de

toekomst een grote schaarste aan relatief goedkope energie

dreigt te ontstaan, indien geen halt wordt toegeroepen aan

de groei van het energieverbruik zoals die zich in de achter

ons liggende decennia heeft voorgedaan.
Het gaat er nu om beleidsinstrumenten te ontwikkelen

waarmee deze dreiging kan worden afgewend.
Tot op heden is vooral aandacht geschonken aan in-
strumenten, die – zonder de ontwikkeling van het ver-

bruiksniveau aan te tasten – gericht zijn op het tegengaan

van verspillingen, c.q. het bewerkstelligen van een (uit een

oogpunt van energie-invoer) efficiënter verbruik. Men denke

in dit verband aan de isolatie van woningen, waardoor het

energieverbruik voor ruimteverwarming kan afnemen, of

aan de ver gevorderde pogingen om voor de afvalwarmte,

welke bij elektriciteitsopwekking vrijkomt, een nuttige
aanwending te vinden. Voor zover wij dat kunnen over-

zien, staat de ontwikkeling van een instrumentarium, waar-

mee het energieverbruik rechtstreeks kan worden beïnvloed,

nog in zijn kinderschoenen. Eén van de oorzaken hiervoor

is dat, zolang de problemen niet als nijpend worden opgevat,

de ,,pijnloze weg” wordt verkozen boven een weg die de direc-

te betrokkenen (de energieverbruikers) niet ongemoeid laat,

hoewel de sterke stijgingen van de energieprijzen in de jaren
1974, 1975 en 1976 al een voorbode zijn van een daadwer

kelj ke schaarste-situatie. Een minstens zo belangrijke
oorzaak zou kunnen zijn dat men onvoldoende inzicht heeft
in de vraag door welke factoren het energieverbruik wordt

bepaald, zodat gefundeerde uitspraken over het effect van

bepaalde beleidsinstrumenten uit moeten blijven. Om aan
dat laatste het hoofd te bieden is veelvuldig en gevarieerd on-

derzoek naar de energievraag noodzakelijk. De door ons

verrichte studie moge daartoe een bijdrage leveren.

Het is zinvol erop te wijzen dat de bijdrage, die dit onder-

zoek levert, in drieërlei opzicht bescheiden van aard is.
• in de eerste plaats wordt slechts één (relatief geringe)
component van het totale energieverbruik tot onderwerp

van studie gekozen, te weten het huishoudelijke elektri-

citeitsverbruik 2), dat in 1976 ongeveer 28% van het

totale elektriciteitsverbruik bedroeg 3).
• In de tweede plaats beperkt de onderzoekopzet zich tot

het gebruik van in het verleden waargenomen variabelen,

waartussen men bepaalde verbanden hoopt te kunnen

leggen. Men spreekt in dit verband over ,,observatie-

studies”. Op de merites van eventuele andere vormen

van empirisch onderzoek, zoals de experimentatie 4) of

het enquête-onderzoek
5),
gaan we hier niet in.

• Ten slotte zij opgemerkt dat de keuze van de variabelen,

die dienen ter verklaring van het huishoudelijke elek-
triciteitsverbruik, allerminst boven discussie verheven is.

De auteurs van dit artikel hebben beide een ,,economische

achtergrond”, hetgeen impliceert dat traditioneel-eco-

nomische variabelen als de prijs en het inkomen eerder deel

uit zullen maken van de verzameling van verklarende

variabelen dan factoren van b.v. sociale of culturele aard.

De aan deze studie ten grondslag liggende probleem-

stelling betreft het vinden van een verklaring voor de huis-

houdelijke vraag naar elektriciteit in Nederland. Hierbij

*D
rs
. H. B. van Broekhuizen was tijdens het onderzoek student-
assistent aan de economische faculteit van de Rijksuniversiteit te
Groningen. Thans is hij werkzaam als marktonderzoeker bij de PTT.
**Drs. G. J. van Helden is wetenschappelijk medewerker aan de
economische faculteit van de Rijksuniversiteit te Groningen.
Dit artikel is gebaseerd op: G. J. van Helden, met medewerking
van H. B. van Broekhuizen,
Een verklaring van de huishoudelijke
vraag naar elektriciteii in Nederland,
LEO-memorandum nr. 35, Gro-ningen, 1977.
In dit artikel spreken we veelal over het elektriciteitsverbruik
en bedoelen daarmee – tenzij uitdrukkelijk anders gesteld —steeds
het huishoudelijke elektriciteitsverbruik.
Arnhemse Instellingen,
Elekiriciieii in Nederland
1976,
Arn-
hem, 1977, blz. 73. Met het totale elektriciteitsverbruik wordt
uitsluitend het verbruik via het openbare net bedoeld.
Zie b.v. J. G. Boggis (The Electricity Council),
Domestic far
jffs
experimeni.
Load and Market Research Report No. 121, Londen,
1974.
Vgl. G. J. van Helden, met medewerking van H. B. van Broek-
huizen,
De prijspereep!ie van hei huishoudelijke elekiriciteits-
verbruik,
lEO-memorandum nr. 29, Groningen, 1977; zie ook het
op deze studie gebaseerde artikel in
ESB,
7 december 1977.

444

is ernaar gestreefd deze verklaring te laten uitmonden in zo-

veel mogelijk gekwantificeerde uitspraken over de invloed

van de vraagbepalende factoren. Dit vereist in het alge-

meen het gebruik van econometrische technieken.

Er zijn twee deelstudies uitgevoerd. in de ene hebben de

waarnemingen betrekking op verschillende gebieden ge-
durende een zelfde periode (kruisgewijze studie of cross-

sectie). In de andere deelstudie betreffen de waarnemingen

een zelfde gebied gedurende een aantal opeenvolgende

perioden (tijdreeksstudie). Beide deelstudies kunnen al
volgt nader worden aangeduid:

• cross-sectie: 25 (van de 27) grote distributiegebieden voor

elektriciteit in Nederland, waarbij de metingen zijn ge-

dateerd in de periode 1973-1975;

• tijdreeks: waarnemingen voor Nederland als geheel over

24 achtereenvolgende jaren (195 1-1974).

Om de geformuleerde probleemstelling te kunnen uit-

werken, zijn relaties opgesteld met het huishoudelijke

elektriciteitsverbruik per aansluiting (huishouding) als de

te verklaren variabele en enkele andere grootheden als de

verklarende variabelen. Als dan de parameters van de model-

len worden geschat en vervolgens gevalideerd (i.c. op hun

,,juistheid” beoordeeld aan .de hand van enkele relevante

criteria), kan de uitwerking van de probleemstelling als
afgerond worden beschouwd.

De opzet van dit artikel is verder als volgt. In par. 2 wordt

ingegaan op de modelspecificatie, welke aan de hierboven

aangeduide probleemstelling inhoud kan geven. In par. 3

worden in kort bestek de schattingsresultaten gepresenteerd.

Ten slotte volgen in par. 4 de conclusies. Aangetekend

zij nog dat het overgrote deel van de gegevens, die bij het

uitvoeren van de schattingen zijn gebruikt, berust op

openbare statistieken. Een deel van de gegevens inzake de

cross-sectie is rechtstreeks via de betrokken elektriciteits-
distributiebedrijven ter beschikking gesteld via tussenkomst
van de VDEN (Vereniging van Directeuren van Elektrici-

teitsbedrijven in Nederland). In het navolgende zullen

de gegevensbronnen onvermeld blijven; hiertoe zij verwezen

naar de studie, waarop dit artikel betrekking heeft 6).

2. De modelspecificatie

Een belangrijke component van de modelspecificatie

betreft de vraag welke variabelen potentieel van belang

zijn voor de verklaring van het huishoudelijke elektriciteits-
verbruik. Deze vraag komt aan de orde in par. 2.1. Twee
meer specifieke problemen omtrent de modelspecificatie

– specifiek voor het beschouwde terrein van onderzoek –

worden besproken in de paragrafen 2.2 en 2.3. Aandacht

wordt besteed aan respectievelijk de prijs van elektriciteit

als verklarende variabele en de vraag of men lange dan wel
korte-termijneffecten verklaart. In par. 2.4 ten slotte wor-

den de hypothesen geformuleerd met betrekking tot het ef-

fect van ieder der potentieel relevante verklarende groot-

heden op het elektriciteitsverbruik.

2.1.
Welke verklarende variabelen zijn potentieel van belang?

Willen we een model specificeren, dan moeten we een ant-
woord geven op de volgende vragen.
Wat is de te verklaren (afhankelijke) variabele?

Welke zijn de verklarende (onafhankelijke) variabelen?
Welke vorm heeft de relatie, c.q. welke transformaties die-
nen de variabelen te ondergaan?

Welke verwachtingen koestert men omtrent het teken en

de omvang van de parameterwaarden?

Het antwoord op de vierde vraag – het betreft hier de
numerieke specificatie van het model – stellen we uit tot
par. 2.4. Over de vragen a. en c. kunnen we kort zijn:

Ad a.
Het elektriciteitsverbruik per aansluiting (huis-

houding) is de afhankelijke variabele. Een eventueel alter-

natief is het (totale) elektriciteitsverbruik; de eventuele voor-

en nadelen van dit alternatief blijven hier onbesproken 7).
Ad c.
Hierover worden a priori geen veronderstellingen
gedaan. Duidelijke indicaties uit de literatuur zijn namelijk

niet voorhanden. Zowel een lineair-additieve als een niet-
lineair-additieve specificatie worden in ogenschouw genomen

(laatstgenoemde specificatie is lineair in de parameters en

niet-lineair in de variabelen). De multiplicatieve model-
specificatie, welke het meest voor de hand liggende voor

beeld is van een model dat lineariseerbaar doch niet-

lineair in de parameters is, wordt tevens beschouwd 8).

We richten nu verder onze aandacht op vraag c inzake de

verklarende variabelen, indien we afzien van modellen met

,,de tijd” als (vaak enige) verklarende variabele voor het

elektriciteitsverbruik, dan kunnen we de volgende verklaren-
de grootheden noemen:

• de prijs van elektriciteit.
Aangezien men bij elektriciteit
heeft te maken met een veelal gecompliceerde tariefstruc-

tuur, is het van belang de prijsvariabele op een juiste wijze

te definiëren. In par. 2.2 komt deze problematiek aan de
orde;

• de prijzen van andere goederen.
Hierbij valt met name
te denken aan:

– de prijzen van concurrerende energiedragers; bij het

huishoudelijke elektriciteitsverbruik is in dit verband
alleen gas van belang;

– de prijzen van elektrische en/of gasapparaten;

• hei inkomen per huishouding;

• het aantal personen per huishouding;

• een klimaatsvariabele,
b.v. de (gemiddelde) buitentempe-
ratuur.

Dat bovengenoemde variabelen plausibel zijn als het gaat

om een verklaring van het huishoudelijke elektriciteits-
verbruik, is evident. Dit betekent echter niet dat het hier
om een uitputtende verzameling van verklarende variabelen

gaat. Zo kan de voorraad elektrische apparaten waarover een

huishouding beschikt (b.v. in watts) zeker van betekenis
zijn voor de verklaring van het elektriciteitsverbruik. Het-

zelfde geldt b.v. voor in het verleden door elektriciteits-

bedrijven verrichte. voorlichtingsactiviteiten (gericht op
het gebruik van bepaalde apparaten). Gegevens over deze

variabelen zijn evenwel niet voorhanden en kunnen evenmin

binnen de grenzen van een redelijke inspanning worden

verworven. Ook sociaal-culturele variabelen, zoals het al

dan niet buiten de stad wonen, de levensovertuiging of

politieke voorkeur van een elektriciteitsverbruiker, zijn

wellicht grootheden die het elektriciteitsverbruik niet onge-
– moeid laten. We vermoeden echter dat de betekenis van deze

variabelen bij een verklaring van het elektriciteitsverbruik

slechts gering is. Bovendien maken ,,meetcomplicaties” het

in beschouwing nemen van dit soort variabelen minder
aantrekkelijk.
2.2.
De prijs van elektriciteit als verklarende variabele

Het huishoudelijke tarief voor elektriciteit is in tweeërlei
opzicht gecompliceerd te noemen. In de eerste plaats omdat
de kilowatt-uur (kWh)-prijs afhankelijk is van de verbruiks-

omvang, veelal in samenhang met een variërend vastrecht: staffeltarief. Slechts bij een kleine minderheid van de elek-

Zie voetnoot 1; voor de gegevensbronnen zie met name par. 3 en
de bij lagen C en F. Verwijzing naar deze studie geschiedt in het ver-
volg door vermelding van: G. J. van Helden
(1977).
Zie G. J. van Helden
(1977),
op.cit., blz. 5.
Terminologie ontleend aan: P. A. Naert en P. S. H. Leeflang,
Bui/ding implementable marketing mode/s,
Leiden, Martinus Nij-
hoff,
1978,
hfst. 1.

ESB 3-5-1978

445

triciteitsbedrijven in Nederland is er maar één combinatie

van een vastrecht en kWh-prjs, het zogeheten ,,two part

tariff”. In de tweede plaats kan de kWh-prijs ook nog varië-

ren afhankelijk van de periode waarin het verbruik plaats-
vindt. Men denke in dit verband aan de lage kWh-prjs die
– ôf voor alle, ôf voor een bepaald deel van de verbrui-

kers – geldt in de nacht-, middag- en/of weekenduren.

Als men de elektriciteitsprijs wenst te beschouwen als

één van de verklarende variabelen voor het elektriciteits-

verbruik, rijst de vraag hoe deze variabele te definiëren in

het licht van de gesignaleerde complicaties. ln de literatuur,

die handelt over empirisch onderzoek naar de verklaring van

het elektriciteitsverbruik, komt men de volgende moge-

lijkheden tegen:

de marginale prijs,
in de zin van de kWh-prijs in het

hoogste verbruiksinterval 9);

de gemiddelde prijs ex
post,
gedefinieerd als het quotiënt

van de ontvangsten van een elektriciteitsbedrijf (b.v. per

jaar) en het daarmee verband houdende elektriciteits-

verbruik 10);

de ,,typical bill’
in de zin van de totale lasten (b.v. per

jaar) bij een representatief geachte verbruiksomvang 11);

d.een combinatie
van voornoemde prijsvariabelen 12).

Alternatief b. moet worden afgewezen, omdat de elek-
triciteitsprijs hier mede wordt bepaald door het elektrici-

teitsverbruik, welke laatste grootheid men juist – onder

meer door de elektriciteitsprijs – wenst te verklaren.

Hoewel alternatief d – in tegenstelling tot alternatief
b – niet principieel kan worden afgewezen, komt het

uit pragmatische overwegingen niet in aanmerking: men

introduceert namelijk op voorhand multicollineariteitspro-

blemen, omdat mag worden aangenomen dat twee prijs-

variabelen onderling sterk zullen samenhangen. De alter-

natieven a en c blijven over. Hierbij heeft de ,,typical

bill” het nadeel dat ook intra-marginale prijseffecten worden

meegenomen (b.v. verschillen in vastrecht). Tegelijkertijd

is dit een voordeel ten opzichte van de marginale prijs,

aangezien de ,,typical bill” mede wordt bepaald door

andere tariefcomponenten dan de marginale prijs (b.v.
de lage kWh-piijs) en daardoor completer is. We stellen

daarom voor beide prijsvariabelen bij het uitvoeren van

de schattingen te betrekken, voor zover gegevens ter zake
beschikbaar zijn, en op basis van statistische criteria te

kiezen voor de ,,beste” prijsvariabele.
De complicatie omtrent het bestaan van verschillende

periode-prijzen (b.v. voor een dag- en nachtperiode) kan

overigens het beste worden opgevangen door voor elke
periode afzonderlijk een vraagschatting uit te voeren.

De beschikbaarheid van adequate gegevens, alsmede een

gebrek aan uniformiteit omtrent de eventueel te onderschei-
den deelgebieden staat de realisering van deze suggestie

echter in de weg.

2.3. Een verklaring van de vraag op de lange of korte

termijn

De vraag naar elektriciteit is een afgeleide vraag. De

primaire vraag heeft betrekking op elektrische apparaten.
Aangezien deze apparaten gekwalificeerd moeten worden

als duurzame consumptiegoederen, kan men in de vraag

naar elektriciteit een korte- en lange-termijncomponent

onderscheiden 13). Op de korte termijn wordt er namelijk
van uitgegaan dat de voorraad apparaten constant is;
een verandering in het elektriciteitsverbruik vloeit dan

voort Uit wijzigingen in de intensiteit waarmee deze appa-

raten worden gebruikt. Op de lange termijn daarentegen

is het apparatenbestand zelf variabel (zowel het aantal

als het vermogen, c.q. de aansluitwaarde van deze apparaten).
Men dient zich nu af te vragen of men via de modelspeci-

ficatie, c.q. via de aard van de te gebruiken gegevens

met het onderscheid tussen een verklaring van de vraag

op de korte of lange termijn rekening kan houden. In

de literatuur zijn verschillende ,,oplossingen” voor dit
probleem te vinden 14). Het bestek van dit artikel laat

slechts toe dat we de door ons gekozen benaderingen

toelichten.
• Het is aannemelijk dat bij een kruisgewijze opzet de ver

schillen in het elektriciteitsverbruik per huishouding tus-

sen een aantal gebieden voornamelijk zijn terug te voe-

ren op verschillen in het apparatenbezit. Hoewel verschil-

len in de gebruiksintensiteit zeker niet zijn uitgesloten,
komt hiermee de nadruk te liggen op de verklaring van

lange-termij neffecten.
• Als men bij het uitvoeren van schattingen gebruik maakt

van een tijdreeks, is het veelal noodzakelijk de trendcom-

ponent in de beschouwde variabelen uit te schakelen. Met

de uitschakeling van een trendcomponent wordt tevens

de ontwikkeling op de lange termijn ,,weggedefinieerd”.
Per saldo verklaart men dan de korte-termijneffecten op

het huishoudelijke elektriciteitsverbruik.

In respectievelijk par. 3.2 en 3.3 worden de schattings-

resultaten van beide benaderingen besproken.

2.4. Hipothesen

In par. 2.1. lijn de variabelen genoemd die potentieel

van belang zijn voor de verklaring van het elektriciteitsver-

bruik. We zullen nu aangeven welke de hypothesen zijn

met betrekking tot de richting (het teken) van het effect

van ieder van deze variabelen op het elektriciteitsverbruik:

• elektriciteitsprijs: negatief;

• gasprijs: positief;
• prijzen van elektrische apparaten: negatief;

• prijzen van gasapparaten: positief;
• inkomen per huishouding: positief;
• aantal personen per huishouding: positief;
• de temperatuur: positief of negatief (ie. geen hypothese).

De aldus gestelde hypothesen worden geacht voor zich

zelf te spreken. Alleen in geval van de temperatuur
is een korte toelichting op zijn plaats. Op het eerste
gezicht verwacht men van een lagere temperatuur een

hoger elektriciteitsverbruik, met name in verband met

elektrische verwarming. Het kan echter ook zijn dat juist
een gemiddeld hoge temperatuur eerder aanleiding geeft

tot bi/verwarming met een elektrische kachel dan een

lage temperatuur, terwijl in dat geval b.v. ook het elektrici-

teitsverbruik van een koelkast of vrieskast/kist een hogere

waarde bereikt. Verder kan b.v. een extra warme zomer

het elektriciteitsverbruik hoger doen zijn dan ,,normaal”,
in verband met het – in Nederland nog bescheiden

– gebruik van airconditioning-apparatuur. In de laatst-

Bv. bij: H. S. Houthakker, Some calculations on electricity
consumption
in Great Britain,
Journal of the Royal Statistical
Society (A),
1951,
blz.
351-371.
liv.
bij: T. F. Cargillen R. A. Meyer, Estimatingthedemand for
electricity by time of the day,
Applied Economics,
1971,
blz.
233-246.
II) Bv. bij:
J. W.
Wilson, Residential demand for electricity,
Quarterli’ Review
of
Economics and Business,
1971,
blz.
7-22.
Een combinatie van a. en c. wordt bepleit door: L. D. Taylor,
The demand for electricity; a survey,
Bel! Journal
of
Economics
and Management Science,
1974,
blz.
74-110.
Taylor geeft eveneens
een kritische beschouwing van de hier genoemde prijsvariabelen;
zie voor dat laatste ook: H. B. van Broekhuizen,
De onderzoek-opzet van een kruisge wijze studie naar de prijsverbruiksre!a:ie van
elektriciteit
(ongepubliceerd doctoraal werkstuk), Groningen,
1977.
Geïntroduceerd via het werk van F. M. Fisher en C. Kaysen,
The demand for e!ectricitv in the United States,
Amsterdam, North
Holland Publishing Company,
1962,
hfst.
2
en
3.
Vgl. G. J. van Helden
(1977),
op.cit., par
2.3.

446

genoemde gevallen heeft de invloed van de iemperatuur

op het elektriciteitsverbruik een positief teken.

Het zou aantrekkelijk zijn, naast een hypothese omtrent

het teken van een verbruikseffect ook een veronderstelling

te kunnen maken over de
omvang
daarvan. Gegeven

de voorhanden zijnde literatuur, is slechts een indicatie

mogelijk over de invloed van de elektriciteitsprijs en het

inkomen. Dit gebeurt in tabel 1. Hierbij blijkt dat:

• de verschillen tussen de gevonden resultaten groot zijn,

hoewel men moet bedenken dat de betrokken studies qua

meetperiode, lokatie en methode eveneens sterke ver-

schillen vertonen;

• elasticiteiten op de lange termijn (in absolute zin) veelal

groter zijn dan die op de korte termijn.

Tabel 1. Prijs- en inkomenselasticiteiten
a)

Auteur(s)
Type
gegevens
Datering
gegevens
.
gjjsjasIiciteit
‘nkomerlasticiteit
korte
lange
korte
lange
termijn
termijn
termijn
termijn

krnisgewijs
1937
—0,89
n.g. b)
1,17
n.g.
tijdreeks
1964-1957
—0,33
n.g.
0,08
n.g.
kruisgewijs
1966
n.g.
—1.33
n.g.
n.g.

t.

Houthakker

……..

4. Mount/Chapman/

Fisher/Kaysen
……
Wilson

…………

combinatie
1947-1970
—0,14
—1,20 0,02
0,20
Tyrell

………….
5. Houthakker/
Verseger/sheehan
combinatie
1960-1971
—0,09
—1.02
0,14
1

1,64

De studies sub 1, 2 en 3 zijn aangehaald in de voetnosen 9, 13 en II. De onder.4 en
5 vermelde onderzoekingen worden geciteerd bij: H. B. van Brr’ekhnizen. op.cit., blz. 60.
n.g. = niet-geschat, c.q. schatting niet opportuun.

3. De schattingsresultaten

Nadat in par. 3.1 het selectieproces is beschreven

met betrekking tot de verklarende variabelen, die bij

het uitvoeren van de schattingen worden betrokken, komen
de schattingsresultaten in de paragrafen 3.2 en 3.3 aan

de orde. •Dit gebeurt respectievelijk voor de kruisgewijze
en tijdreeksstüdie.

3.1. Keuze van de verklarende variabelen ten behoeve
van hei uitvoeren van de schattingen

Dit keuzeproces- dôorloopt een drietal fasen, dat in

de achtereenvolgende kolommen van tabel 2 is geadstrueerd,
en wel als volgt.

Eerst is nagegaan van elke potentieel relevante verklaren-
de variabelen gegevens voorhanden zijn, c.q. kunnen

worden verzameld. Bij de kruisgewijze studie (de cross-

sectie) moeten op basis van deze vraagstelling de gasprijs

en de prijzen van elektrische en gasapparaten buiten be-
schouwing worden gelaten.

Vervolgens is vastgesteld voor welke van de na de

eerste stap resterende variabelen het teken van het effect

op het elektriciteitsverbruik per aansluiting in overeenstem-

ming is met de daaromtrent in par. 2.4 gestelde hypothese.

In de vierde kolom van tabel 2 is het antwoord op
deze vraag te vinden 15).

Als men beschikt over gegevens betreffende een bepaalde

variabele en de invloed van deze variabele op het elektri-

citeitsverbruik is conform de hypothese, dan moet deze

invloed bovendien voldoende sterk zijn, wil de betrokken
variabele bij het uitvoeren van de schattingen worden
betrokken. Het resultaat van deze selectiefase is in de

vijfde kolom van tabel 2 weergegeven, waarbij zij aangete-

kend dat een enkelvoudige correlatiecoëfficiënt van 0,300

(in absolute zin) tussen de afhankelijke en ieder van

de onafhankelijke variabelen als criterium heeft gediend.

Het spreekt voor zich dat genoemd criterium niet Vrij
is van enige willekeur. We kunnen concluderen dat zowel
in de cross-sectie als bij de tijdreeks schattingen worden

uitgevoerd, waarbij het elektriciteitsverbruik per aansluiting

ESB 3-5-1978

wordt verklaard door de elektriciteitsprijs, het inkomen

per huishouding en het aantal personen per huishouding.

Tabel 2. Keuze van verklarende variabelen met hei elek-

triciteits verbruik per huishouding als ie verklaren variabele

Algemene aanduiding
van de verklarende
variabele

Operationalisatie
van de verklarende
variabele (indien
gegevens
beschikbaar)

zijn gegevens beschikbaar,
c.q. te
verzamelen?

Is de invloed
op te ver-
klaren varia-
hele conform
hypothese?

is de invloed
op te ver-
klaren varia-
bcle voldoende
.
groot?

Cross-sectie
marginale prijs
ja
ja
ja a)
6f typical bill

nee

Elektriciteitsprijs
…….

Prijzen

van

elektriciteit
Gasprijs
…………..

of gasverbruikende

nee


inkomen

per

huishou-
ding

……………
belastbaar iuko- ja
ja ja
men per belasting-
plichtige
Aantal

personen

per
huishouding

…….
aantal

personen
ja
ja
ja
per

huishouding
gemiddelde

jaar-
ja
n.v.t. b)
nee
temperatuur
Klimaatsvartabele
……

Tijdreeks

apparaten

……….

typical bill
ja
ja
ja
typical bill
ja
nee

Prijzen van elektriciteit-
of

gasverbruikende
apparaten

………
prjsindex-
ja
nee

cijfer

van

was-

Elektriciteitsprijs

…….
Gasprijs

…………..

automaat

.

Inkomen

per

huis-
belastbaar in-
ja
ja ja
komen per houding

…………

belasting-
plichtige

.

Aantal

personen

per
aantal

personen
ja
ja c)
ja
per

huishouding
huishouding

……..

gemiddelde

van
ja
n.v.t. b)
nee
Klimaatsvariabele
……
anuari-

en

juli-
emperatuur

Gekozen is voor de marginale prijs, omdat de invloed daarvan het grootste is.
Niet van toepassing, omdat een hypothese ter zake ontbreekt.
Na herziening van de betrokken hypoihese.

3.2. Uitkomsten van de kruisgewi/ze studie

We definiëren de Volgende variabelen:
EV
75
: het (gemiddelde) elektriciteitsverbruik per aanslui-

ting in 1975 (d.i. de afhankelijke variabele);
MP
73
: de marginale prijs voor elektriciteit in 1973 16);
1NK
75
: het (gemiddelde) inkomen per huishouding in 1975;

AG75: het (gemiddelde) aantal leden per huishouding in
1975.

De schattingsresultaten zijn in tabel 3 weergegeven. Bij ieder van de regressiecoëfficiënten is tussen haken

de t-waarde gepresenteerd. Daarnaast wordt informatie
verstrekt over R
2
(de multipele determinatiecoëfficiënt), A (de hoogste van de correlatiecoëfficiënten tussen twee

onafhankelijke variabelen, in verband met multicollineari-

teit) en de elasticïteiten (voor de elektriciteitsprijs, het

Het voert te ver hier in te gaan op de mogelijke oorzaken voor
het ,,foutieve” teken van twee variabelen uit de tijdreeksstudie. Ook
moet de hypotheseverandering inzake het aantal personen per huis-
houding in de tijdreeksstudie onbesproken blijven. Zie respectie-
velijk: G. J. van Helden (1977), op.cit., blz. 68, 69 en 70.
Naast MP
73
is als prijsvariabele in overweging genomen:
MP
74
, MP
75
, TB
73
(TB =
typical bill voor elektriciteit; zie par. 2.2),
T8
74
en
TB
75
. De keuze is – geheel conform de statistische selectie-
fase, zoals geadstrueerd in deyijfde kolom van tabel.2 — gevallen ..
op de prijsvariabele, waarvan de invloed op EV
75
het sterkste is,
gegeven dat het niet is toegestaan twee of meer prijsvariabelen
simultaan als onafhankelijke grootheden op te nemen.
447

Tabel 3. Schat tingsresultaien van cle kruisgekt’ijze studie

Modelspecificatie
Regressiecoëfftciënten
Elasticiteiten
(en t-waarden)

MP
53

1NK
55

AG
55

constante
PEL tEL
1

AEL
R
2

A a)

-9,989
0.108
.057
—2.341
0,576
—0.156 —0,377
1,032
1,287
—1,45)
(2,85)
(4,35)
(-1,59)
Lincair-additief

…………….

Niet-tincair-additief b)
08.900
0,108
1.046
—4.411
0,590
0,157 —0,469
1,032
1,273
(1.70) (2.89)
(4.38)
(-3.31)

-0.398
0.931 1.243
—1.141
0.578
—0.153
—0,398
0,931
1,243
Multiplicatief c)

…………….
—1,53)
(2.62)
(4,46)
(-0.30)

De correlatiecoëfliciënt A heeft betrekking op het verband tussen dc prijs- en inkomenss’ariabele.

Bij deze specificatie is uitsluitend voor MP, een niet-lineaire vorm ontvankelijk geacht, namelijk

c) Het betreft hier een log-Iineaire specificatie in natuurlijke logaritmen.

inkomen en het aantal personen per huishouding worden

hiertoe respectievelijk de symbolen PEL, IEL en AEL

geïntroduceerd). Opgemerkt zij voorts dat de keuze van

de niet-lineair-additieve specificatie is gebaseerd op de

beoordeling van enkele niet-lineaire functievormen voor

ieder der onafhankelijke variabelen, waarbij de hoogte

van de enkelvoudige correlatiecoëfficiënt met de afhanke-

lijke variabele bepalend is voor de keuze van de ,,beste”

vorm. Het zou ook mogelijk zijn geweest de aard van de

niet-lineaire functievorm te bepalen op basis van ,,de

theorie”, c.q. bevindingen uit andere, vergelijkbare studies;

de indicaties daarvoor zijn echter onvoldoende duidelijk.
Uit tabel 3 valt op te maken dat de gevonden uitkomsten

op basis van een statistische validatie redelijk bevredigend

zijn:
1

• de t-waardcn zijn hoog genoeg om van significante

effecten te kunnen spreken. Bij 21 vrijheidsgraden (25

waarnemingen minus 4 te schatten parameters) is de

kritische t-waarde bij een significantieniveau van 10%

1,32 en bij
5%
1,72 (éénzijdig toetsen);

• de waarden van R
2
zijn – gegeven dat we te maken

hebben met slechts drie verklarende variabelen, terwijl

de dataspecificatie een cross-sectie is – acceptabel. Ook

in vergelijking met analoog onderzoek stekende gevonden
waarden voor R
2
niet ongunstig af 17);
• de multicollineariteit is van bescheiden omvang; zie daar-

toe de waarden van A.

Verder kunnen we nog uit tabel 3 afleiden dat de

elasticitcitswaarden tamelijk ongevoelig zijn voor de gkozen

modelspecificatie. Deze elasticiteiten, die de belichaming

zijn van lange-termijneffecten (zie par. 2.3), belopen voor

de elektriciteitsprijs een waarde van ongeveer —0,40; voor

het inkomen en het aantal personen per huishouding

zijn deze respectievelijk circa 1 en 1,25.
Het bestek van dit artikel laat niet toe ook in te

gaan op andere schattingsresultaten dan de in tabel 3

gepresenteerde, met name die voor stedelijke en provinciale
bedrijven afzonderlijk (met EV
75
als afhankelijke va-

riabele), voor een groeivoeten-specificatie, waarmee een

indruk over de korte-termijnverbruikseffecten kan worden
gegeven en voor een verklaring van ,,het percentage laag-

tarief-verbruik”. We Volstaan hier met een verwijzing 18).

3.3.
Uitko’n.sien i’an cle t ijcfreeksstuclie

We definiëren de volgende variabelen:

EV
1

: het (gemiddelde) elektriciteitsverbruik per aanslui-
ting in jaar t (de afhankelijke variabele);

PE

: de elektriciteitsprijs (als typical bill) in jaar t;

INK
(
: het (gemiddelde) inkomen per belastingplichtige in

jaar t;

448

MP
51

AG
1
: het (gemiddelde) aantal personen per huishouding

in jaar t;

t

: tijdsindex; t loopt van 1951 tot 1970; de waarne-

mingen over de jaren 197 1-’74 zijn ten behoeve van
een predictieve validatie gebruikt.

Dc hier gedefinieerde variabelen vertonen alle een zoda-
nig sterke trendmatige ontwikkeling dat eerst na uitschake-

ling van deze trends het ontdekken van causaliteiten

mogelijk wordt. Trenduitschakeling geschiedt volgens twee

alternatieve benaderingen:

eerste verschillen
(alle variabelen
x,t
worden getrans-

formeerd in x

– x.i);
groeivoeten
(alle variabelen x
i
, worden getransformeerd in

xi,
t
—x,_
xi
.t
_.i
Met het volgen van deze benaderingen blijkt inderdaad

een belangrijk deel van de trendcomponent te worden

,,weggedefinieerd”. Als neveneffect hiervan wordt de multi-

collineariteit tot enigszins aanvaardbare proporties terug-

gebracht. Ook impliceert trenduitschakeling dat door

de verkiarende variabelen bepaalde verbruikseffecten een

korte-termijnkarakter dragen (zie par. 2.3).
In tabel 4 zijn de schattingsresultaten weergegeven 19).

De presentatie is analoog aan die van tabel 3; toegevoegd

is de waarde van d, de Durbin-Watson-,,test statistic”

(voor autocorrelatie).
Vergelijken we de eerste twee rijen van deze tabel,

dan moet de eerste-verschillenspecificatie, ondanks een

relatief hoge R
2
, worden afgewezen in verband met

het optreden van autocorrelatie 20). Ook de groeivoeten-
specificatie levert echter niet in alle opzichten bevredigende

uitkomsten op. Enerzijds is de waarde van R
2
tamelijk

laag, anderzijds is er sprake van een aanzienlijke multicolli-
neariteit; de waarde van A is daarvoor een aanwijzing.

Laatstgenoemde complicatie kan worden opgevangen door
de elektriciteitsprijs en het inkomen, waarop de vermelde

waarde voor A betrekking heeft, niet simultaan in één

17) VgI. J. W. Wilson, op cit. (R
2
varieert daar tussen 0,524 en
0,566).
G. J. van Helden (1977), op.cit., par. 4.2, 4.3 en 4.4. Ook een
predictieve validatie van de in tabel 3 gegeven resultaten laten we
achterwege; ibid, par. 4.5.
In tabel 4 zijn uitsluitend lineair-additieve specificaties weer-
gegeven.
20) Bij 20 waarnemingen en een significantieniveau van 5% geldt:
d
1
= 1 en du = 1,68 (voor drie onafhankelijke variabelen) en
d
1
= 1,10 en du = 1,54 (voor twee onafhankelijke variabelen).

-1

Tabel 4. Sehattingsresultaten van de ti/dreeksstudie

Modelvorm i.v.m. trend-
Rcgressiecoiifficiënten
Elasticiteiten
uitschakeling
(en t-waarden)

PC1
INK
1
_ 1
A61
constante
PEL
IEL
AEL
Rt
d
A

Eerste verschillen

………………-0,664
0,024
-3.969
-6,689
0,574
0,890
-0,452 -0,158
0,285
-12.521
(-0.77)
(1,39)
(-3,58) (-0,27)

-0 351
0,170
-6,081
0,026
Groeivoeten

…………………..
(-1,80)
(0,96)
(-2,20)
(1,59)
0,488
1,946
-0,522
-0,351
0,170

6,081

Groeivoeten

………………….-0.450

-6,681
0,023 0,458
1,724
0,064
-0,450


6.681
(-2,70) (-2,48)
(1,46)


0,336
-5,760
0,031
0,384
1,604
-0,225

0,336

5.760
Grocivoeten

…………………..
(2.09)
(-1,96)
(1,82)

vergelijking op te nemen. De resultaten hiervan zijn in

de derde en vierde rij van tabel 4 weergegeven 21).

We zien dat de multicollineariteit een aanvaardbare omvang

heeft aangenomen. Als neveneffecten treden op: een lagere

waarde voor R
2
, hogere t-waarden en (in absolute zin)
hogere prijs- en inkomenselasticiteiten 22). Dit laatste

kan als volgt worden verklaard. Door de prijs- en inkomens-

variabele niet simûltaan op te nemen als verklarende

variabelen, wordt het effect van ieder van die variabelen,

indien separaat opgenomen, versterkt. De prijs trekt als

het ware het inkomenseffect naar zich toe, en omgekeerd,

een cii ander als gevolg van de intercorrelatie tussen

beide variabelen. Voor de interpretatie van de schattings-

uitkomsten lijkt het daarom verstandig de tweede rij

van tabel 4 te beschouwen, ondanks het daar optredende

multicollincariteitsprobleem.

Een hierboven eveneens vermelde complicatie betreft
de relatief lage waarde voor R
2
. AEs excuus moge gelden

dat de ,,goodness of fit” van een groeivoetenspecificatie

zelden hoge waarden bereikt. Bovendien wijzen we erop

dat hogere waarden van R
2
wèl realiseerbaar zijn, maar

dan tevens repercussies hebben voor andere relevante eigen-

schappen van de schattingsresultaten 23). Zo is een uitbrei-

ding van het aantal verklarende variabelen mogelijk (indien

ter zake gegevens beschikbaar zijn), maar dit zal het

multicollineariteitsprobleem, zo verwachten we, slechts ver-

groten. Ook kan men denken aan de bekende ,,autonome”
modellen, waarbij de tijd (T) als enige verklarende variabele

voor het elekti’iciteitsvcrbruik wordt opgenomen. .Deze

modellen, waarvan onderstaand twee voorbeelden worden

gegeven, kunnen bij het verrichten van voorspellingen

wellicht enige betekenis hebben, aan de verklarende waarde

– en mede daardoor aan de relevantie voor het beleid –

moet echter worden getwijfeld.

Expontentieel
In EV
1
=

0,08 IT + 6,122

R
2
= 0,998

(32,49)
(175,55)

d = 1,731

24)

Op basis van deze uitkomsten luidt de oorspronkelijke
(exponentiële) relatie: EV = 455,8 eOOStT

Logistiek:

(6000
– 1) =- 0,118 T + 2,815

R
2
= 0,998
EV

(-21,82)

(32,95)

d = 1,849

De oorspronkelijke (logistieke) relatie luidt dan:

EV1 =

6000

1 + 17,3 1 e
0.11
8T

4. Conclusies

In tabel
5
worden de verkregen resultaten nog eens
samengevat. Dit gebeurt door middel van elasticiteiten.

Tabel 5. Elasticileiten

Prijs-
Inkomens-
ilasticiteit van het
elasticiteit
elasticiteit
aantal personen per huishouding
korte
lange
korte
lange
korte
lange
termijn termijn
termijn termijn
termijn
termijn

n.g. a)
-0.398
n.g.
0,931
n.g.
1,243
Cross-sectie b)

…………
Tijdreeks c)

…………..-
-0,351
n.g.
0.170
n.g.
-6.081
n.g.

n.g. = niet geschat, c.q. schatting niet opportuun.
De multiplicatieve modelspecilicatie (zie tabel 3). De bovenste groei4oetspeciftcatie (zie tabel 4).

Deze resultaten zijn plausibel te noemen in vergelijking

met de uitkomsten van buitenlandse studies. Zo geldt

voor zowel de prijs- als inkomenselasticiteit dat die op de
lange termijn (in absolute zin) groter is dan die op de

korte termijn, hoewel genoemd verschil voor de prijselasti-

citeit tamelijk gering is: vergelijk dit met tabel 1.

Belangrijk is voorts de vraag hoe deze resultaten ten

behoeve van het beleid zijn te gebruiken. Bezien we
de drie variabelen, waarvan in tabel
5
de effecten op
het elektriciteitsverbruik zijn samengevat, dan moeten we
concluderen dat uitsluitend de elektriciteitsprijs als instru-
menteel kan worden bestempeld. Weliswaar zijn het inkomen

en het aantal personen per huishouding voor de overheid

eveneens tot op zekere hoogte beïnvloedbaar, zij zijn
echter in de eerste plaats doel- of instrumentele variabelen

van andere beleidsterreinen dan het energiebeleid. Met

de elektriciteitsprijs als enige instrumentele variabele,

kunnen nu de volgende aanwijzingen worden gegeven

voor het beleid van overheid of elektriciteitsbedrijf: gegeven

2))
In verband met het optreden van autocorrelatie (zie ook de
vorige voetnoot) zijn hier alleen de schattingsresultaten weer-
gegeven voor de groeivoetenspecificatie.
Bij
16
vrijheidsgraden
(20
waarnemingen minus vier te schatten
parameters) en een significantieniveau van 10% geldt als kritische
t-waarde
1,34,
bij een significantieniveau van
5% 1,75
(éénzijdig
toetsen). Voor
17
vrijheidsgraden (drie te schatten parameters) zijn
deze waarden respectievelijk
1,33
en
1,74.
Nader onderzoek betreffende de gegevens van de tijdreeksstudie
heeft overigens uitgewezen dat men de in tabel
4
weergegeven
schattingsresultaten met de grootst mogelijke voorzichtigheid dient
te hanteren. Gebleken is namelijk dat de coëfficiëntschauingen
een sterke variatie vertonen, indien achtereenvolgens verschillende waarnemingsreeksen worden beschouwd (respectievelijk van
1951
tot en met
1965,
van
1952
tot en met
1966. ………..
van
1960
tot en met
1974).
Zie verder: G. J. van Helden;
Depri/sgevoeligheid
van het huishoudelijke elektriciteitsverbruik; de resultaten van enkele
empirische studies, alsmede enige implicaties voor de economische
‘theorie en hei beleid.
Leiden, Stenfert Kroese, par. II.
4.4
(ver-
schijnt binnenkort).
d
1
= 1,18; d
u
= 1,40
bij een significantieniveau van
5%,
één
verklarende variabele en
19
waarnemingen. De schattingen zijn
gebaseerd op een voor autocorrelatie uitgeschakelde waarnemings-
reeks (methode: Hildreth-Lu). Men verliest hierdoor één waar-
neming, zodat de kritische t-waarde wordt bepaald bij
17
vrijheids-
graden
(19
waarnemingen minus
2
te schatten parameters), ge-
geven een significantieniveau van
5%;
deze waarde bedraagt
1,74.

ESB 3-5-1978

449

Industrie in armoede

DR. F. W. C. BLOM
Begin dit jaar kwam de
Statistiek van balans

en resultatenrekening beurs-n.v.’s 1975
van het

Centraal Bureau voor de Statistiek beschikbaar.

Deze statistiek bevat een schat van gegevens over

de financiële positie van het bedrijfsleven.

Dr. F. W. C. Blom, financieel adviseur, zet met

behulp van deze gegevens uiteen hoe zwak die

positie is. Het artikel is te beschouwen als een

vervolg van het artikel ,, Kapitaalnood in de
industrie” van dezelfde •auteur in
ESB
van

4
mei 1977.

Rendabiliteit reëel negatief?

1975 was een bar slecht jaar voor de beursondernemingen

buiten de sector van de bank- en verzekeringswereld. Onder

de vijf ,,ïnternationals” werkten Akzo en Hoogovens met

verlies; onder ,,binnenlandse industrie” was 17% verlies-
latend (gerekend naar het eigen vermogen van de onder-

nemingen welke tot die categorie behoren); bij ,,scheep- en

luchtvaart”
25%.
De gemiddelde rendabiliteit van het âandeelhouders-
vermogen – in de wandeling atavistisch ,,eigen vermogen”

genoemd – daalde – uiteraard na belastingen – tot:

Internationals (Kon. Pete.. Philips, Akzo, Unilever en Hoogovens)

8%
Handel
……………………………………………..
7%
Binnenlandse industrie
…………………………………
5%
Scheep- en luchtvaart
………………………………….
4%

De rendabiliteitscijfers zijn niet alleen historische diepte-

punten, maar ook bijzonder laag in vergelijking met de in

1975 bestaande kapitaalrentevoet – de rentevoet op

hypothecaire leningen was toen 10% – en zelfs minder dan

het infiatiepercentage dat in dat jaar tegen de 11% liep.

Men denke niet dat het bedrijfsleven voor inflatie wel

voldoende compensatie in ,,herwaarderingswinsten” vond;

een misverstand dat bij velen leeft. Integendeel, al deze

ondernemingen bij elkaar hadden in 1975, evenals in 1974,

aanzienlijke ,,herwaarderingsverliezen”, grotendeels op hun

belangen in het buitenland. Uitsluitend de groep binnen-

landse industrie had enige ,,herwaarderingswinsten”, en als

men die bij haar jaarwinsten telt zou haar rendabiliteit op

eigen vermogen tot 7% oplopen. Met 10½% inflatie zou dat

nog neerkomen op ca. 3% reeel verlies.

Onder deze omstandigheden is het geen wonder dat de

aandelen van ondernemingen bij beleggers slechts afbraak-

koersen maakten (zie tabel 1), hetgeen impliceert dat deze

ondernemingen in het algemeen geen mogelijkheden hadden

om nieuwe aandelen te plaatsen.

Tabel 1. Beurskoersen aandelen (eind 1975) in verhouding

tot het in die ondernemingen aanwezige aandeelhouders-

vermo gen (,eigen vermogen “)

Internationals
…………………………………………
57%
Handel
……………………………………………..
61%
Industrie
…………………………………………….
73%
Scheep- en luchtvaart
…………. . ……………………..

43%

De balansverhoudingen, die in voorgaande jaren al be-
nauwend zwak waren, verslechterden nog (zie tabel 2).

een bepaalde doelvariabele – bv. matiging van de groei

van het elektriciteitsverbruik – en gegeven de (geschatte)

waarden van het inkomen en het aantal personen per

huishouding in één of meer toekomstige jaren, kunnen
de verbruikseffecten van enkele alternatieve niveaus van

de elektriciteitsprijs worden bepaald aan de hand van
de numeriek gespecificeerde vergelijkingen die aan tabel
5

ten grondslag liggen (zie ook tabel 3 en 4).

Aangezien de betrokken vergelijkingen een niet onbelang-

rijk deel van de variaties in ‘het elektriciteitsverbruik

onverklaard laten, zijnde berekende verbruikseffecten onder-

hevig aan grote ,,onzekerheidsmarges”. Additioneel onder-

zoek, niet alleen econometrisch, maar ook via enquêteringen,

is vereist om enerzijds de omvang van deze onzekerheids-

marges te reduceren en anderzijds de verbruikseffecten
vast te stellen van andere instrumentele variabelen dan de

elektriciteitsprijs (bv. van voorlichtingsactiviteiten).

Slot

Ter afsluiting nog enkele kanttekeningen.

• In de eerste plaats is het nodig een gegevensbestand

op. te bouwen dat uitgebreider en meer verfijnd is dan

datgene wat ons bij de uitvoering van de onderhavige

studie ten dienste heeft gestaan 25).

• In de tweede plaats vali op te merken dat econome-

trische studies veelal een zodanige simplificatie van de
af te beelden werkelijkheid vereisen dat bepaalde facetten

van (beleids)variabelen als het ware onder tafel verdwijnen.

Met een voorbeeld is dit te verduidelijken. De variabele
,,elektriciteitsprijs” wordt niet volledig beschreven met

een marginale prijs of typical bill, zoals in het voorgaande

25) Zie voor een verdere uitwerking G. J. van Helden (1977),
op.cit., par. 6.

ri

450

Tabel 2. Balansgegevens Nederlandse beurs-nv’s 1975

(zonder ,,diversen” en financiële ondernemingen)

Tabel 3. Winst voor aftrek rentelasten en belasting ten
opzichte van de rentelasten

Inter-


Handel
Binnenlands

eep- en
Aantal
nationals
industrie
luchtvaart

5
40
102
9

Balanstotaal

in

Ç.

mln.

gld.
102.435
6.414
30.939 8.674
In % van balanstotaal

Vastleggingen op lange ter-
44
29
34
73
56
71
34
27

00
100 100 100
Aandeelhoudersvermogen

..
38
29
27
38
Vreemd lang vermogen
. . . .
29
19
21
38

mijn

………………..
Vlottende activa

…………

Lang vermogen
67
48 48 76
Vlottende schulden
33
52
52
24

100 100 100 100

Netto-werkkapitaal
25
20
14
3

Current ratio

………….
1.8 1,4 1,3
1,1

Groot tekort aan eigen vermogen binnenlandse industrie

Het grootste zorgenkind is het tekort aan aandeelhouders-

vermogen in de groep binnenlandse industrie. Zulke onder-nemingen hebben gemiddeld omstreeks 40% risicodragend
eigen vermogen nodig om daarnaast voldoende leningen op

lange termijn te kunnen verkrijgen, ten einde voor de rest met

normaal gebruik van vlottende schulden voor de financiering

zorg te kunnen dragen. Bij deze grove benadering schoot in

1975 het bij ,,binnenlandse industrie” aanwezige aandeel-

houdersvermogen ad f. 8,2 mrd. omstreeks f. 4 mrd. tekort!

Ten gevolge van het tekort aan eigen vermogen kan het

grootste deel van onze binnenlandse industrie ook niet vol-

doende leningen op lange termijn verkrijgen om in haar

behoefte aan langdurig kapitaal voor investeringen, deel-

nemingen en werkkapitaal te kunnen voorzien. Vandaar dat
zij noodgedwongen sterk is teruggevallen op het laatste

lapmiddel: zwaar gebruik van vlottende schulden, vooral ook

bankkrediet op korte termijn. Het ging steeds meer de

Japanse kant uit, waarbij de industrie bij gratie van kort

bankkrediet haar leven kan rekken.
De mate waarin het bedrijfsleven met schulden is belast,
kan men met behulp van drie maatstaven aflezen. De eerste

is: de balansverhoudingen welke in voorgaand staatje wer-
den getoond. De tweede is de mate waarin de rentelasten

zijn gedekt door de inkomsten:

winst voor aftrek rentelasten en belasting

rentelasten

Tabel 3 toont de achteruitgang van de dekking in de af-
gelopen jaren.
1973 1974 1975

Internationals
10,8
6.3
Handel
2,5
2,2
Binnenlandse

industrie

. . .
4,4
3,3 2,3
Scheep- en luchtvaart
3,1 2,1

Dat de dekking is achteruitgegaan, komt vooral doordat

de winst voor aftrek van rentelasten en belastingen in abso-

lute bedragen sterk is ingekrompen, terwijl de toename van de

rentelasten de dekkingsverhouding bij de internationals
en bij de binnenlandse industrie ook nog verzwakte.

De beschreven dekkingsverhouding is vooral belangrijk

voor de mogelijkheid om leningen op lange termijn te kunnen

verkrijgen. Zolang zij 4 â 5 bedraagt zijn geldgevers meestal

niet benauwd, maar als zij beneden 2,5 zakt, zal van een grote

terughoudendheid sprake zijn.

De derde maatstaf is de netto-schuld: de overmaat aan

schulden boven bezittingen aan vorderingen en geldmidde-

len. M .a.w. de schulden waarmee bezittingen aan goederen en

deelnemingen zijn gefinancierd. Tabel 4 toont de netto-
schuld in 1975.

Tabel 4. Netto-schuld in 1975 (in mln. gld.)

Bruto-
Vorde-
Netto- Netto-
Nettoschuld/
schuld
ringen
schuld
winst
nettowinst
a)
&
geld
a)

f.60.187
f. 34.392
f.25.715
f. 3.161
8
f.

4.478
f.

2.380
f.

1.998
f.

125
16
Internationals

………
Handel

……………
Binnenlandse industrie
f. 22.441
f.

9.023
f. 13.418
f.

412
33
Scherp- en luchtvaart
t.

5.355
t.

2.257
t.

3.098
t.

123
25

a) Onder de schulden zijn ook de voorzieningen opgenomen. Voor een deel zijn dal mis-
schien geen echte onvoorwaardelijke schulden. De voorzieningen bedroegen: Internationals
f. 11.391 mln., Handel f.380 mln., Binnenlandse industrie f.2.408 mln.. Scherp-en lucht-vaart t. 864 mln, zelfs al zou men b.v. de helft van de voorzieningen niet als schuld aan-
merken, dan zouden de uitkomsten van de opstelling nog zorgwekkend zijn.

Met betrekking tot de maatstaf ,,netto-schuld” is de ge-
dachtengang:

• Voor zover schulden tegenover vorderingen en geld-
middelen staan, zijn zij in elk geval gezond en normaal. Tot

die omvang kan een bedrijf altijd wel kredieten verkrijgen.

• Schulden daarboven – de ,,netto-schuld” – betreft

geld dat in goederen, immateriële activa en deelnemingen is

vastgelegd. Daarin liggen verliesrisico’s. Bij continuïteit van

het bedrijf moeten die bezittingen doorlopend worden ver

vangen. Dan blijft er uit verkopen tegen kostprijs geen geld

over om netto-schuld af te lossen. Als de vooruitzichten

gunstig zijn, zal de onderneming waarschijnlijk wel nieuwe

is gebeurd. Minstens even relevant is de prijstructuur of
het geven van voorlichting over prijsveranderingen. Micro-

studies, vaak gebaseerd op enquête-observaties, zijn dan

vereist om de (te) eenvoudige afbeelding van de econome-

trische studie te completeren 26).

• In de derde plaats wordt bij econometrische studies

impliciet verondersteld dat de gekozen modeistructuur

geldig is voor alle elementen van de steekproef. Vooral

bij een tijdreeksstudie, die zich in ons geval over 20

jaren uitstrekt, is deze aanname twijfelachtig. Wellicht

is dit één van de verklaringen voor de relatief grote

afwijking tussen de korte-termijnprijselasticiteit, zoals in

deze studie vastgesteld en die welke naar voren kwam uit

een recentelijk uitgevoerd enquête-onderzoek 27).

• Ten slotte wijzen we erop dat het zinvol is het

onderscheid tussen lange en korte termijn bij de modelspeci-ficatie door te trekken naar categorieën van beleidsbeslissin-

gen. In verband met het nemen van investeringsbeslissingen

door een elektriciteitsbedrijf zijn lange-termijneffecten pri-
mair relevant. Hetzelfde geldt voor het door de overheid

te voeren energiebeleid dat zich over tientallen jaren

dient uit te strekkén. Vâ’or beslissingen ter zake ‘van de
exploitatie – gegeven dat de produktiecapaciteit vastligt –

dient een elektriciteitsbedrijf zich te laten leiden door zowel
effecten op de korte als de lange termijn.

Jan van Helden

Henk van Broekhuizen

VgI. G. J. van Helden, I.E.Ö.-memorandum nr.
29, 1977,
op.cit., par. 111.5 en
111.6;
zie ook
ESB, 7
december
1977.
Ibid,
blz. 104 cv. De voor de korte-termijnprijselasticiteit be-
paalde waarde bedroeg ca. —0,150.

ESB 3-5-1978

451

leningen kunnen verkrijgen om ôp de oude af te lossen. Dan

blijft de netto-schuld in omvang in stand. Maar als-de vooruit-

zichten ongunstig zijn, zal de onderneming, wellicht geen

nieuwe vervangende leningen kunnen op1emen. Dan zal zij

dus netto-aflossing op haar netto-schuld moéten betalen.

Voor zover zij winst maakt kan deze als financieringsbron

daarvoor worden gebruikt.
S
Op zich zelf is netto-schuld tot op zekere hoogte goed,
omdat’ leenvermogen – rekening houde
1
nd met belasting-
aspecten sle,chts ca.
40%
kost van aadeelhoudersver-

mogen, gegeven de rendementseïs.van bekggers over aan-

deelhoudersvermgen.

S
Een in verhouding tot de winstcapaciteit excessieve

netto-schuld is op zich zelf. zorgelijk en een bewijs van een

tekort aan eigen vermogen voor de finnciering.van.het

bedrijf.

M.i. is een nettô-schuld gelijk aan IQ X de (toekomstige)

netto-winst voor industriele ondernemingen al marginaal.

• Voorbeelden en redeneringen maken aannemelijk dat

industrieën waarbij zich die verhouding voordoet, in een

toestand verkeren van zwakke balansverhoudingen in corn-

binatie met onvoldoende rendabiliteit, waardôor verstrek-

kers van leningen op lange termijn de ondernéming gaan

schuwen.

-‘

Dat – op de internationals na – de netto-schulden zo

excessief waren tegenover de,actuele jaarwinst, komt hoofd-

• zakelijk door het sterk inzakken van dewinst. ln.het vooraf-
gaande jaar
1974
waren dë verhoudingen nog: internationals

4 X,
handel 11 X, binnenlandse industrie 18 X, scheep- en

luchtvaart 10 X. Het is daarom zeer wel te begrijpen dat vele

ondernemingen in
1974/1975
hun externe financiering (=

schulden) levensgevaarlijk vönden. Het CBS geeft dan ook als

een voorzichtig commentaar: . .

,,Bij een afnemende rentabiliteit is het niet verwonderlijk, dat ge-
tracht wordt de interne financiering uit te breilen. Dit ter voor-
• koming van mogelijke desastreuze gevolgen voor de continuïteit
van de onderneming, indien de rentabiliteit van het totaal geïnves-
teerd vêrmogen zou dalen onder het niveau van de te betalen
rente
………

Buitensporige schuld van binnenlandse indistrie

Tabe.l 5 laat heel duidelijk zien, dat ,,binhenlandse in-

dustrie’ een . slechte uitschieter onder de’ verschillende
‘ groepen is.

Gezien het riskante karaktér van haar activa en. haar moei-
luk went’lhrirp hmlriifgtvnen hrsdden d verl

stidinruenin
Ik

gevâl veiliger moeten liggen danbijhandel’— een bedrijfstak

die in financiëringsmentaliteit allerminst conservatief is.

Tabel 5. Netto-schuld
van binnen
kindse industrie 1975′
(‘mln. gld.) . . .

Nonmonetaire

Gefinancierd met
act ina

eigen vermogen

netto-sch
en minderheids-
belangen derden
Internationals.

…………
f.68.043
(100%)
f: 42.328 (62%)
f25.715 (38%)
t.

3.934
(100%)
f.

1.936(49%)
t.

1.998 (51%)
Handel

.

……………..
Binnenlandse

industrie

s.

..

,
f.21.916
(100%)
f.

8.498
(39%)

f. 13.418 (61%)
Scheep- en luchtvaart
……..
f

6.417
(100%)
f.

3.319 (52%)
t.

2.098 (48%)

Zouden wij b.v. voor binnenlandse ndustrie
55%
eigen ver-

mogen + minderheidsbelangen van derden ên
45%
netto-

•schuld een-aanvaardbaar gezonde verhouding vinden, dan

zou dat een eigen-vermogenversterking van f.
3,5
mrd. ver-
eisen. Deze benadering komt dus op ôngevQer.hetzelfdè

kapitaaltekort, dat eerder op grond van een andere be-
nadering oi f.
4
mrd. wasgeschat. Daarnaast is bij enkele

internationals, bij de besloten ondernemingen en bij andere

bedrijfstakken ook kapitaaltekortaanwezig. Het totale tekort

aan eigen vermogen, waarmee ons bedrijfsleven in
1975
te
maken had en dat het verhinderde uit te breiden, zal ver-

rnoedelijkin
de orde
vanf 6
mrd.
hebben gelegen.

De nieuwe
balansstatistiek –

De nieuwe balansstatistiek is’ sterk verbeterd, beter ge-.

specificeerd, en mét meer bewerkingen van gegevens, ana-
lyses en commentaar. Te veel om hier te beschrijven. Inte-

ressant is b.v. de aparte onderverdeling van industrie naar

jaarrekening op basis vân historische kosten
(2/3
van het totale
eigen vermogen in industrie), op basis van vervangingswaarde

en op basis van diverse waarderingssystemen
(
1
/
6
). De
balansstatistiek omvat een schat van, materiaal voorzien -.

van intelligent commentaar en zal veel nieuwe inzichten

brengen. Het is slechts jammer dat zij zo vertraagd uitkomt.
Anders had zij de regering reeds eerder het bewijs geleverd,
dat de zwakke financiële positie van ons bedrijfsleven hèt

knelpunt is voor herstel-van de werkgelegenheid. Loonbeleid

alleen zal absoluut onvoldoende zijn om de stagnatie van de.’-

bedrijvigheid te doorbreken, want bedrijvigheid moet ook

worden gefinancierd. .

452

..

….. …

V.
vv.
L.
öiom

‘.5
\7acatures

sdcnnsj

omen en juristen) (ml. sri.) Voor de

/

funelie san )adjunct-)inspecttur isum Financiën sour
O’

hel \liimmslsrie Nan 1 inaimsien

436
t cunooin ntel bci.mmngsieflmitg 5uur remsarch vuurde atile-

llmfd hitre:nii sis
de-lijk opemmhaar N ersiner (inmil
sri.)
snor
nog t.cunomIscfl linøer!oek Van iie
AISUN
IS-mink
-tilt
lid

\lmtnnsleric

ijn

erkt er

cmi

\ alersiaal

t.h.s

hel
‘ cienschappelijk (hoofd)nmedesssrker Loste-in- cmi ssmmisl-
t lirectraal-(,eireraal

san

liet

‘s
crks er.

afdelirm
bepaling

bij

het lnsti(ui.nl

unie

l4edrijkkmnndc

Smjcn-
t mmiancnrls

/aken

436
rode te Breukelen
402
\ledcserker (mnt./vrt.) voor

het

\linislrric

Nmi

1 co-
t
ru,sren

ontwikkclmngses innoonm

ssomr

dc

afdeling
numische 7aken t h
v.
het flircelsrsm,ml-(,s-ncraal snor
Rsnl,rncenl

tnlernn,rin,,rnal

(,rissslh

san

list

\ederlaitnls
Prtjicim,

Ordsnmng

en

t4egmormaal

Beleid,

mlmreelme
conomminselm

Inslilutni

te

l-lollercl,nnn
402
(
onsunientenheieid
Bmmsnnes’, ,tttsml’,sl soor cle afdeimmig Research san \l

Is
nitses
\Iarketing-

eis

organisatie-adviseur

Nuor

aiR mes)mmresmmm
.
Company
4t
Bshssm en Hegener te Amsterdam

11
t ri aren

economisch

onds r,ocker

Noor

liet

openha.ir

els
Itscicdppelijk

medewerker

‘(nini.

sri.)

Notir

het
t
is
hsmam Rijnntund te Rit lcrd,n in
404
\linisterie

van

Volkshuisvesting

en

R utmlclijke
ni
tesehappelijk

bibliotheek

nieds sss-rk(si er

hij

lIet
()rdcninmg

t.h.s

de

Rijkspl,nnolognselme

l)icrnsl.
t islismsim Rijnniond te Rotterdam
II
1-titreamt

Opcnnbsmre

1
inanciën

III
\
elcnmss
happelijk

hihliotheekttiedesse rk(st (er

hij

het
\ledewerker
ops is
ha re gasu oorzicit isp
binnen de
(
inn-
Inli rminiversitair Instituut Bedrijfskuinlc le

l)s
Ift
III
merciële

Sector

sais

de

NV

\u’derl,mmidss’

(.ilsitnme
Beslrnjfseconisoni

als

-sfdclmmigshussfd

sam

de

afdeling
ie

(,rssnnnoemm

III
Bcdrnjfsnmils.srsmmsstts.

en

tiss-

hij

hel

(,enmeesmlclijk
t c000immelriul

snor

de

vakgroep

t cononnie

Slim .mdis’s-
II
as eintss-drmjf le Rot
Is
rdam
1
hun

.su
Berenschon le Ulrtsehl

l’u

&~
0

Geld- en kapitaalmarkt

D iscontoverlaging en

monetair beleid

DRS. J.
C.
PRANGER*

Wijzigingen in de basistarieven van De Nederlandsche Bank

in de

wandeling veelal enkelvoudig als disconto wijziging aangeduid

worden

slechts met een beperkte frequentie toegepast. A Is gevolg van het zuinige

gebruik van dit monetaire instrument behoort het nog immer tot de cate-

gorie voorpagina-nieuws. Voor het publiek vorm 1 een discontowijziging
vooral een indicatie van bewegingen op het ren tefront. De compiite toe-

lichtingen die De Nederlandsche Bank (DNB) pleegt te geven maken daarbij

duidelijk of de discontowijziging is bedoeld als aanpassing aan de rente-

ontwikkelingen op de markt dan wel door andere motieven is ingegeven.

Bij de verlaging van de basistarieven van DNB ingaande 17april j.l. luidde

de toelichting:
,,
Tegen de achtergrond van de teruggang in het in/lat ietempo

heefi De Nederlandsche Bank ter ondersteuning van de daarbij passende

daling van het binnenlandse rentepeil, besloten haar tarieven over de

gehele linie met
‘/2%
te verlagen. Zij heefi daarbij in aanmerking genomen

dat de omstandigheden op de geld- en valutaniakt zich niet tegen deze

verlaging verzetten’ De verwijzing naar het
infiatietempo
in relatie tot het
rentepeil is een in de toelichting nog niet eerder genoemd element. Onder-
staand zal beknopt worden ingegaan op de vraag op welke wijze deze dis-
contoverlaging past in het geheel van het monetaire beleid.

Rentebeleid

De instrumenten die DNB kan in-

zetten om de rente te beïnvloeden grij pen
primair op de geidmarkt in. De geld-

marktrente kan door DNB langs twee

wegen worden beïnvloed: via maatrege-
len gericht op de geldmarktruimte en

via het stellen van tarieven. Bij de ta-

riefstelling van DNB moet naast de
discontotarieven worden gedacht aan

de tarieven waartegen bijvoorbeeld

speciale beleningen en valuta-swaps

worden afgesloten, alsmede aan de kos-

ten van het beroep door de banken op
DNB bij het effectief worden van de

beroepsregeling. Wijziging van de
basistarieven, wisseldisconto, voor-
schotrente, promessedisconto, vindt

hooguit enkele malen per jaar plaats.
Hierdoor is het ,,announcement”-effect

in stand gebleven: een discontowijziging

confronteert belanghebbenden met

een uitspraak van
DNB.
Een disconto-

wijziging die, zoals de onderhavige,

niet slechts een aanpassing aan de markt

inhoudt, doch rentebeïnvloedend be-
oogt te werken, kan louter door het
feit van haar aankondiging niet slechts

de geldmarktrente doch ook de kapi-
taalmarktrente beïnvloeden. Nu is be-

invloeding van de rente-ontwikkeling
geen hoofddoel van het monetaire be-

leid. Het valutamanagement en de bege-

leiding van de liquiditeitscreatie staan

hoger gènoteerd op het prioriteiten-
lijstje van DNB.

Liquiditeitscreatie

Het monetaire beleid is erop gericht
de liquiditeitssituatie te beheersen ten

einde nu en in de toekomst stimulering
van de inflatie vanuit de monetaire sfeer

zoveel mogelijk te vermijden. Voor de

omvangrijke financieringstekorten van
de overheid houdt dit in dat zoveel

mogelijk naar monetair neutrale finan-

ciering moet worden gestreefd. (Dit

houdt ook in dat geen kapitaalimport

mag worden uitgelokt). De voor de

banken geldende restrictieregeling be-

helst een maximaal groeipercentage

voor dat deel van de kredietverlening
dat niet op monetair neutrale wijze

wordt gefinancierd. In de praktijk houdt

dit in dat de banken aan een belangrijk

deel van de kredietvraag slechts tege-
moet kunnen komen, indien zij die met

langlopende middelen financieren. De
liquiditeitscreatie van overheid en

bankwezen wordt aldus door de mone-

taire autoriteiten met behulp van voor

geschreven gedragsregels in de goede

richting gestuurd.

Om de liquiditeitscreatie vanuit het

buitenland af te remmen kon de rente-
daling in Nederland echter wel een

steuntje in de rug gebruiken. Tussen

december 1976 en maart 1978 daalde

het infiatietempo in Nederland van

8,3% tot
4,6%.
De lange rente daalde,

gemeten aan het effectief rendement

op langlopende staatsleningen, in deze

periode echter slechts van 8,1% tot

7,2%. In het valutair nauw met Neder-
land verbonden Duitsland daalde in de-

ze periode de rente juist sterker dan de

inflatie. De inflatie nam daar af van
3,9% tot 3,1% terwijl de (middel)lange

rente daalde van ca. 7,3% tot ca. 5,4%
(gemeten aan het effectieve rendement

op staatsleningen met een 7%-coupon).
Naast het verschil in rendement tussen

beleggingsmogelij kheden in twee landen

is ook de schatting van het verschil in
toekomstige valuta-koersontwikkeling

van belang. Deze laatste factor pleegt


subjectief als zij is

nogal te wisse-

len. Recentelijk was deze schatting van

het valutarisico door buitenlandse

beleggers echter zodanig dat de hogere

Nederlandse rente kapitaalimport bij-

voorbeeld via inschrijving op obligatie-

emissies in de hand werkte. Nu is het

beleid juist gericht op het stimuleren
van kapitaalexport ten einde de totale

liquiditeitscreatie vanuit het buiten-
land door middel van lopende rekening

en kapitaalrekening te zamen beperkt
te houden. Het verlagen van het dis-

conto kan, gezien de verwijzing naar het gedaalde infiatietempo in de toe-

lichting, dan ook worden gezien als

gericht op een lagere
kapitaalmarkt-

rente. Een lagere rente zal immers ka-pitaalimport minder aantrekkelijk ma-

ken.

*
De auteur is plaatsvervangend hoofd van
het Economisch Bureau van de Amro Bank.

ESB 3-5-1978

453

Esb
In gezonden

Mythen omtrent het voordeel

vân de eigen woning

C. P.
A.
BAKKER*

Vooral in de laatste maanden zijn op

vele plaatsen de voordelen van de eigen

woning breed uitgemeten. Daarbij

kwamen het meest naar voren:

het lage huurwaardeforfait voor de

inkomstenbelasting;

de rente-aftrek van hypothecaire geld-

leningen;
de spectaculaire stijging van de prijzen

van leeg te aanvaarden huizen in de

laatste drie jaar.

Wie de aangevoerde feiten opper-

vlakkig bekijkt, zou met een variant op
de titel van een bekend boekje over het

betalen van belastingen,
Betalen is voor

de dommen,
haast kunnen zeggen:

,,huren is voor de dommen”. Degene

die de feiten nuchter bekijkt, zal in vele

gevallen tot de ontdekking komen, dat de

werkelijkheid er wel wat anders uitziet.

De bestaande toestand is het resultaat

van een historische ontwikkeling van

vele jaren, die vele schrijvers kennelijk

onvoldoende bekend is. Het lijkt mij
daarom nuttig eerst hierbij even stil te

staan.

De geschiedenis van de volkshuisvesting

V66r de oorlog 1940-1945 maakte het

in financieel opzicht in de meeste geval-

len weinig uit of men een huis kocht dan wel een huis huurde. Een zekere

leegstand, zowel in oude als nieuwe

woningen, bracht mede, dat een ver-

huurd huis soms nog wat meer waard
was dan een leeg te aanvaarden huis.

De normale huur van een nieuwe woning

van f. 5.000 â f. 6.000 was ongeveer 6%.

Een hypotheek van 60 â 70% van de

taxatiewaarde (in publieke veiling) kon

men krijgen tegen een rentevoet, die

aan het eind van de jaren dertig rond de

4% schommelde. De zakelijke lasten,

onderhoud en verzekering vroegen on-

geveer 2% van de waarde van de woning,

zodat ook op het eigen geld ongeveer

4% werd gemaakt.

In de oorlog en ook nog enkele jaren

daarna werden de huren bevroren op

het vooroorlogs peil. Toen in 1945 bleek,

dat de gulden nog maar een waarde had

van 30 â 35 cent tèn opzichte van die

van 1939, heeft men zowel voor huur-

woningen als eigen woningen een sub-

sidiesysteem ingevoerd, waarbij de

woonlasten werden gebracht op 130%

van die van vooroorlogse woningen

om daarmede zowel het grotere gerief
als de voorrang tot uitdrukking te bren-

gen.

Aanvankelijk verkeerde men in de

mening, dat door rationeel bouwen de

huren niet tot 300% van het vooroorlogs

peil zouden behoeven te stijgen, doch

slechts tot circa 180% daarvan. Het ver-

schil tussen de werkelijke kosten en de

genoemde 130% aan baten maakte dat

men al na enkele jaren tot de ontdek-

king kwam, dat de dekking van het

verschil uit subsidies tot ondraaglijke

lasten zou voeren. Om de subsidies te

kunnen betalen moest de belastingdruk

worden verhoogd, terwijl de huren

slechts in een traag tempo werden aan-

gepast aan het continu stijgende prijspeil

van nieuwe woningen en van het onder-

houd. Van deze toestand profiteerden

zowel huurders als eigenaren-bewoners.

De subsidies voor nieuwe woningen

werden geleidelijk verminderd, het meest

in de sector koopwoningen en wel in

die mate, dat op een gegeven moment

de vrije sector een kans kreeg, omdat

het eerder aan bod komen meer waard

was dan het wachten op een kleine sub-

sidie. In de huursector bleven voor de

woningwetsector de subsidies weliswaar

relatief hoog, doch de uitkomst was zo-

danig, dat er toch steeds grotere huur-

verschillen ontstonden tussen de nieuw-

ste woningen en gelijksoortige woningen

die enkele jaren ouder waren. Voor

ruimere huurwoningen werd de subsidie

relatief lager met als gevolg ook rela-

tief hogere huren dan bij vergelijkbare

woningwetwoningen.

De ontwikkelingen van de laatste

tien jaar zijn wat meer bekend. Er werd

noodgedwongen een begin gemaakt met

een huurharmonisatie, waarvan nog

slechts een klein deel is verwezenlijkt.

* De auteur is registeraccountant en belas-
tingkundige te Zeist.

Het valutaire aspect

Blijkens de toelichting van DNB ver-

zetten de omstandigheden op de geld-
en valutamarkt zich niet tegen de

discontoverlaging. Met betrekking tot
de positie van de gulden in de slang

is vooral de verhouding t.o.v. de DM

interessant. De DM noteert reeds weken tussen spilkoers en bovenste interventie-

punt. De renteverlaging kan wat dit

aspect betreft als vroegtijdig worden
aangemerkt. Uit de omschrijving in de

toelichting blijkt dan ook dat de valu-

taire positie niet als doel, doch slechts
als randvoorwaarde is gehanteerd. Het

gaat hierbij dan om de valutaire positie

in technische zin, namelijk binnen de

slang. Ziet men naar de effectieve-

koersbeweging van de gulden dan is het

beeld overigens niet veel anders. De

effectieve appreciatie is weliswaar een

belangrijke factor achter de vermin-

dering van de inflatie waaraan de lange

rente zich nu – met steun van DNB –

lijkt aan te passen. Desondanks is – zo-
als uit het
Centraal Economisch Plan

1978
blijkt – de appreciatie van de gul-
den per saldo niet bevorderlijk voor de

Nederlandse exportpositie. Ook tegen
deze achtergrond bezien past een rente-

verlagend beleid goed in het beeld.

Conclusie

.Het monetaire beleid kent een groot

aantal doelstellingen die onder om-
standigheden kunnen conflicteren. In

zo’n situatie is ,,timing” van maatre-

gelen van groot belang. Voor de discon-
toverlaging van 17 april j.l. was het

tijdstip goed gekozen. Zodoende was het
mogelijk via een renteverlaging het

beleid gericht op beheersing van de

liquiditeitscreatie te ondersteunen zon-

der dat de positie van de gulden deze

stap in de weg stond.

J. C. Pranger

454

Naast de objectsubsidies deden de indivi-

duele huursubsidies hun intrede. In de

koopsector werden de stichtingskosten-

grenzen, beneden welke men voor premie

in aanmerking kwam, steeds wat aan de

krappe kant aangepast, terwijl door een

aflopend schema ter aanpassing aan de

situatie zonder premie (de ongesubsi-
dieerde sector) langzamerhand steeds

minder woningen met volle premie kon-

den worden gebouwd, waartegenover

meer woningen met verminderde premie.

Als resultaat van deze ontwikkeling

geldt al gedurende vele jaren, dat de

koper van een huis voor eigen bewoning

een relatief grotere financiele last moet

dragen dan de huurder van een vergelijk-

bare woning. In de praktijk heb ik dan

ook bij wijze van vuistregel aan kandi-

daat-kopers voorgehouden, dat zij er

rekening mee moesten houden, dat zij

de eerste tien jaar duurder uit zouden

zijn dan bij het huren van een vergelijk-

bare woning; dat zij daarna – met rente

– vijftien jaar nodig zouden hebben
om het verschil in te halen en dat zij

dus pas na 25 jaar in een situatie zou-

den geraken, waarin het eigen huis voor-

deel zou opleveren ten opzichte van

huren. Desondanks werd er gekocht en

wel in de meeste gevallen omdat de ver

gelj kbare huurwoning niet beschikbaar

was.

Het huurwaardeforfait voor de inkom-
stenbelasting

De regeling welke reeds onder de wer

king van de Wet op de inkomsten-

belasting 1914 bestond, werd overge-
nomen door het Besluit op de inkom-

stenbelasting 1941, dat een bepaling
bevatte luidende (art. 30 lid 1):

,,Als opbrengst van goederen worden be-schouwd de voordelen welke, anders dan
door eigen onderneming of door arbeid, uit
gebouwen, gronden en roerende stoffelijke
zaken worden getrokken, zooals:
10
huur- en pachtsommen
2
0
de huurwaarde van gebouwen, gedeelten
van gebouwen of gronden bij eigen gebruik
voor woning of tot huishoudelijke doel-
einden”.

Onder huurwaarde werd verstaan het

bedrag, dat men zou kunnen bedingen

bij verhuur. Toen voor na de oorlog

gebouwde woningen een wat hoger huur-

peil werd vastgesteld, werd bepaald dat

voor de heffing van de personele be-

lasting mocht worden uitgegaan van een

vergelijking met oude woningen, zodat
de bewoners van nieuwe woningen

buiten de extra verhoogde huur geen

extra personele belasting behoefden te

betalen. Voor de eigenaren van wonin-

gen die tot eigen gebruik bestemd waren,

gold dat bij
oude
woningen voor de be-

paling van de huurwaarde van vergelijk-
bare woningen mocht worden uitgegaan,

doch dat bij
nieuwe
woningen voor de

heffing vande inkomstenbelasting moest

worden uitgegaan van het huurpeil, dat

ookvoor nieuwe huurwoningen gold.

Materieel dezelfde regeling werd over-

genomen in de Wet op de inkomsten-

belasting 1964, zodat nog steeds de

eigenaar-bewoner bleef verkeren in de

positie als had hij de woning van een

ander gehuurd: de economische huur-

waarde werd bij zijn inkomen geteld,
terwijl hij daarvan de kosten van ver-

werving mocht aftrekken (rente, onder-
houd, zakelijke belastingen en verzeke-

ringen, alsmede een afschrijving van

15% van de huurwaarde). Die regeling

gaf in de praktijk aanleiding tot moei-

lijkheden. Enerzijds zat dat in de vast-

stelling van de huurwaarde, omdat ver-

gelij kbare huurwoningen dikwijls ont-

braken, en anderzijds in het bijzonder

in de vraag wat als onderhoud moest

worden aangemerkt, omdat de grens

tussen onderhoud en verbetering dik-

wijls moeilijk was te bepalen. Dit pro-

bleem werd met ingang van t januari

1971 opgelost door de instelling van een

netto-huurwaardeforfait, waarvan de
grondslag was verkregen uit onderzoek

van de voorafgaande toestand. De wijzi-

ging was in beginsel budgettair neutraal.

De neutraliteit gold echter niet voor de

individuele eigenaar-bewoner; immers,

een gemiddelde norm voor onderhoud

was in het nadeel van degenen die meer

dan een gemiddeld onderhoudsbedrag

mochten verwachten en in het voordeel

van degenen die minder dan normaal

onderhoud te verwachten hadden.

Anders gezegd: de nieuwe regeling vorm-

de een attractie bij de aankoop van een
nieuwe woning. Men moet echter niet

vergeten, dat daartegenover stond, dat

nieuwe woningen in vergelijking tot

oudere woningen ook steeds duurder

werden. Een deel van de prijsstijging

kan worden verklaard uit de toepassing

van duurdere constructies, die minder

onderhoud vragen, zoals b.v. alumi-

niumramen.
Met ingang van 1januari1974 wilde

de regering het forfait verdubbelen, het-
geen heftige tegenstand in de Tweede

Kamer ontmoette. Het bleef bij een
verhoging van 30%, terwijl de goed-

koopste woningklassen van verhoging
werden vrijgesteld.

Is het bestaande huurwaardeforfait te

laag?

Het antwoord op deze vraag kan men

niet los zien van het antwoord op de

vraag of de huidige huren in het alge-

meen te laag zijn. Er is met betrekking

tot de huren geleidelijk een toestand

ontstaan, waarin het geen zeldzaamheid
is, dat de één voor gelijkwaardige woon-

ruimte het dubbele moet betalen van dat

wat een ander betaalt. De ontwerpen
van wet met betrekking tot een nieuwe

huurwetgeving zij ri ontoereikend om dergelijke verschillen uit de wereld te

helpen. Het huurwaardeforfait zoals dat
thans bestaat, komt vrijwel overeen met

het gemiddelde op de markt van ver-

huurde woningen. De afwijkingen voor

de eigen woning zijn echter kleiner dan

bij de huurwoningen, omdat het huur-

waardeforfaitis gebonden aan de waar-

de van de woning in bewoonde toestand.

In de praktijk van de laatste jaren is

het huurwaardeforfait onder invloed van

de prijsstijging van woningen in het alge-

meen flink gestegen, omdat men tot nu

toe heeft aangenomen, dat de waarde

in bewoonde toestand op dezelfde voet
meestijgt als de waarde in leeg te aan-

vaarden toestand. Als men uitgaat van

de gedachte, dat de eigenaar-bewoner

moet worden beschouwd als een huurder,

dan betekent dit een relatieve achter-

uitgang van zijn positie, omdat de huren

veel minder zijn gestegen dan de waarde

van leegte aanvaarden woningen. Tegen

deze achtergrond kan men dan ook niet

volhouden, dat het bestaande huur-

waardeforfait te laag is.

Het rapport ,,Profijt van de overheid”

In dit op 7december 1977 gepubliceer-

de rapport van het Sociaal en Cultureel

Planbureau wordt een totaal afwijkend

beeld gegeven. Daarin is kennelijk zon-

der enig onderzoek het extreme stand-

punt gevolgd van de heren Halberstadt

en De Kam, die van mening zijn, dat

het forfait niet 1,3% doch 6,5% moet

zijn van de waarde in bewoonde toe-
stand. De betekenis van deze opvatting

laat zich het best demonstreren aan de
hand van een cijfervoorbeeld. Daarbij

ga ik uit van een ,,modale” woning.

Deze woning kan men zien als een tien
jaar geleden gebouwde premiewoning,

gelegen in de randstad of in het midden

van het land.

Toestand op
1
Toestand op
1januari

1januari
1975

1978

waarde leeg te aanvaarden
f. 100.000
f. 200.000
wettelijk toegelaten huurprijs
f.

2.400
f.

2.800
Zakelijke

lasten,

onderhoud
per jaar

…………….

en verzekering

………f.
1.200
f.

1.500

Overschot

cxci.

afschrijvin
f.

.200
f.

.300
Arschrijving

15% van

huu
f.

360
f.

420

Belastbaar inkomen

1
f.

840
1
f.

80

Indien, zoals gebruikelijk, de waarde

in bewoonde toestand voor de eigenaar-

bewoner wordt gesteld op 60% van de

waarde leeg te aanvaarden, dan is de

waarde voor de toepassing van het
huurwaardeforfait resp.

f. 60.000

t. 120.000
Het forfait is dan (1,3%)…

t.

780

t.

1.560
In het 5CP-rapport (6,5%)..

t. 3.900

t. 7.800

ESB 3-5-1978

455

Indien men de positie van de eigenaar-

verhuurder vergelijkt met die van de

eigenaar-bewoner, dan ziet men dat het
bij te tellen inkomen van de laatste vrij

aardig klopt met de situatie bij verhuur

in 1975 en dat de situatie voor 1978

reeds aanzienlijk uitgaat boven die bij

verhuur. Men kan deze zaak ook langs

een andere weg benaderen en wel door

te becijferen hoe hoog de huur zou moe-

ten zijn als de opbrengst netto gelijk zou

moeten zijn aan het bedrag dat het SCP

heeft berekend.

Toegerekende netto opbrengst
1.

3.900
f.
7.800
Bij te telten: het bedrag van de
zakelijke tasten

………
f.

1.200
f.
1.500
en de afschrijving: stel l%van
de teegwaarde

……….
1.

1.000
f.
2.000

llseoreiische huur

……..
t

6.100
r.
11.300
tegenover
werkelijke
huur ..
t

2.400
f.
2.800

Dit betekent, dat de werkelijke huur

in 1975 2,5 maal zo hoog had moeten

zijn en in 1978 zelfs 4 maal zo hoog om

gelijk te komen met het toegerekende
voordeel aan de eigenaar-bewoner.

Indien men nu weet, dat in de bereke-

ningen van het SCP het huurwaarde-

voordeel (het verschil tussen 6,5%

en 1
,3%-forfait)
het grootste deel uit-

maakt van het voordeel van de burgers
op het terrein van de volkshuisvesting,

dan is het duidelijk dat er eerder

sprake was van politiek stuntwerk dan

van wetenschappelijk onderzoek. Dit

geldt te meer, omdat men het voordeel

van de huurders met te lage huren buiten

beschouwing heeft gelaten.

De rente-aftrëk voor hypothecaire

leningen

Het kan niet worden ontkend, dat

ook de mogelijkheid om betaalde rente
in mindering te brengen van het belast-

bare inkomen als kosten van verwer-

ving van de inkomsten uit eigen woning,

een belangrijk punt is, dat de keuze tus-

sen huren en kopen – indien die keuze-

mogelijkheid bestaat – ten voordele van

de koop doet uitvallen. Immers, tegen-

over deze gunstige fiscale behandeling

staat het genieten van onbelastbare ver-
mogensaanwas van de woning. Die ver-

mogensaanwas is
in hoofdzaak
een no-
minale als weerspiegeling van de geld-

ontwaarding, doch daarnaast ook een

reele. Van 1950 tot 1968 was de reele

aanwas ongeveer 1% per jaar, doch
daarna – met als maatstaf het globale
indexcijfer van de bouwkosten van

woningen – tot 1977 gemiddeld 3% per jaar. Voor zover de financiering van de
koopsom plaatsvond met geleend geld,

hebben de eigenaren van de woningen

echter wel een deel van die aanwas

moeten afstaan aan de geldgevers. Tot

1956 schommelde de hypotheekrente

om de 4%, van 1957 tot 1964 rond de

5%.
Van 1965 tot 1969 steeg de rente tot
ongeveer
71,4%.
Daarna kwam de rente-

voet boven 8% om een top van circa 11%

te bereiken in 1974, gepaard gaande met

een daling van het bedrag van de

nieuwe hypotheken ten opzichte van

1973, waarna een daling intrad tot

9/2% in de jaren 1975 en 1976 en tot 9%

in 1977 met een neiging tot enige verdere

daling in 1978. Dit zijn de rentevoeten
voor
nieuwe
leningen.

Voor de meeste
bestaande
leningen,

die naar algemeen gebruik in de regel

voor 5 of 10 jaar waren afgesloten, vond

een aanpassing plaats aan de rente van

nieuwe leningen, waarbij meestal de

nieuwe periode op 10 jaar werd gesteld.

Tegenover de vertraagde aanpassing

naar boven onder invloed van de geld-

ontwaarding, staat ook een vertraagde

aanpassing naar beneden, mede door de

verscherpte voorwaarden
bij
verlenging

(zes maanden boeterente i.p.v. drie

maanden bij vervroegde aflossing). De

bezitter van een eigen woning kon de
verhoogde rentelasten echter voor een

deel afwentelen op de schatkist, omdat

de fiscus tot nu toe bleef vasthouden aan

het ,,gulden is gulden”-systeem, en wel

in ruimere mate naar gelang het inkomen

groter was als gevolg van de sterke pro-

gressie in de inkomstenbelasting. Het is

dan ook juist, dat de commissie-Hofstra

voorstellen heeft gedaan om deze ont-

wikkeling te keren. Daarbij is echter

grote behoedzaamheid geboden en een

overgangsregeling is terecht voorgesteld.
Daarvoor gelden verscheidene redenen.

In de eerste plaats moet worden be-

dacht, dat er na 1januari 1976 een zeer

sterke prijsstijging van huizen is ont-

staan, die maakt dat degenen die daarna

nog een huis hebben gekocht in het ge-

heel niet meer of in aanzienlijk mindere

mate mogen rekenen op het ontstaan van

vermogensaanwas. Deze kopers hebben
als het ware de contante waarde van de
toekomstige vermogensaanwas moeten

betalen aan de verkopers. Het is echter
voorbarig om te stellen dat die verkopers

een extra grote vermogensaanwas heb-

ben gerealiseerd, omdat in de meeste

gevallen de verkopers op hun beurt weer

als kopers zijn opgetreden tegen opge-

blazen prijzen. Vooral voor de duurdere
woningen geldt, dat zij vrijwel uitslui-

tend worden gekocht door personen die

tegelijk een ander huis hebben verkocht.

Het Hofstra-effect heeft er overigens al
voor gezorgd, dat op vele plaatsen deze

duurdere huizen praktisch onverkoop-

baar zijn. Er zijn mij gevallen bekend,

waarin zelfs bij verlaging van de ver

koopprijs met 20 â 25% ten opzichte van

de geldende prijzen van december 1977

geen kopers te vinden zijn.

in de tweede plaats geldt, dat de aan-

koop van een eigen huis in de meeste

gevallen heeft plaatsgevonden tegen de

achtergrond van het thans nog geldende

fiscale regime met volledige aftrek van

de betaalde rente en een matig huurwaar

deforfait, dat is afgestemd op hetgeen

huurders gemiddeld aan huur betalen.

Conclusie

De eigenaren-bewoners hebben in

het verleden in het algemeen relatief gro-

tere offers moeten brengen voor het

verkrijgen van woonruimte dan de

huurders, die hebben geprofiteerd van

(te) lage huren. Aangezien van de huur-

ders minder werd gevraagd dan de kost-
prijs op basis van de vervangingskosten

van de woningen, hebben verhuurders

in de meeste gevallen reële verliezen ge-

leden. Dit geldt vooral voor de grootste

verhuurder, de overheid. De lasten van

de lage huren zijn gedragen door de
gemeenschap. Dit is ook één van de

redenen van de verhoogde belasting-

druk. Het is theoretisch mogelijk de ach-

terstand in het gemiddeld huurniveau,

ontstaan door de sterke inflatie van de

laatste tien jaar, in te halen zonder dat

de huurders er reëel op achteruitgaan

en wei door de huurstijging te compen-

seren door een vermindering van de

loon- en inkomstenbelasting. (Ook de
trekker van het wettelijk minimumloon
betaalt tegenwoordig al 8 â 10% van zijn

loon aan loonbelasting!). Alleen als dat

zou gebeuren, wat niet waarschijnlijk is,

is er plaats om ook het huurwaarde-

forfait te verhogen.

C.
P. A. Bakker

EISb
Mededeling

Internationale Reclamevakbeurs

Van 22-26 mei a.s. wordt in Parijs de

tweede Internationale Reclameva kbeurs

(opp. 12.000 m
2
) gehouden. Parallel

aan de beurs worden bijeenkomsten

georganiseerd waarvoor o.a. Jerry della

Femina, Milton Glaser en Ed McCabe

zijn uitgenodigd.

Plaats: het tentoonstellingscomplex
C.N.I.T. bij La Défense te Parijs.

Voor nadere informatie: Commissariat
Général, 3 rue Garnier, 92 200 Neuilly

of telex 63 05 47 MIP/MID.

adverteer in ESB

456

Esb
In gezonden

Fiscus en eigen woning

DRS. R. M. DE HAAN

meer naar ,,horizontale” rechtvaardig-

heid wordt gekeken, maar uitsluitend•

naar ,,verticale”. Men zal toch ook de

huizenbezitter die de woning met vreemd

vermogen heeft gefinancierd en het

eigen vermogen op andere manier heeft

belegd, eerlijk moeten behandelen tegen-

over degene die alles in het eigen huis

heeft gestopt.

Opnieuw is gebleken dat —of een rap-

port nu wel of niet doordacht is – de

conclusies gemakkelijk worden mis-
bruikt.
R. M. de Haan

In het redactioneel artikel ,,Het einde

van de rente-aftrek?”
(ESB, 8
maart

1978)
worden enkele onjuiste argumen-

ten gebruikt om aan te tonen dat eigen-

woningbezitters bevoorrecht zullen blij-

ven, ook indien het kabinet geheel aan de

voorstellen van Prof. Hofstra gevolg

geeft. Bij de vier punten van de auteur
plaats ik de volgende kanttekeningen:
1. De berekeningen van het z.g.

,,huurwaardevoordeel” in het SCP-

rapport Profijt
van de overheid
raken

kant noch wal. Zij zijn immers geba-

seerd op de gedachte, dat de ,juiste”

huurwaarde gelijk is aan
6,5%
van de

economische waarde van een woning in

bewoonde staat, kennelijk omdat de

dynamische kostprijshuur door het

Ministerie van Volkshuisvesting en

Ruimtelijke Ordening op dat percen-
tage werd berekend in de
Nota
huur- en
subsidiebeleid 1975.

Daartegen valt in te brengen dat:

de dynamische kostprjshuur wordt

berekend over de stichtingskosten
en dus niet over een waarde die door

allerlei schaarstefactoren is opge-
dreven;

in deze kostprjshuur ook de eige-

naarslasten zijn verwerkt: onderhoud,
belastingen, verzekeringspremies enz.;

deze kostprijshuur inmiddels is terug-
gelopen tot
5,6%
(op basis van een
redelijk rendement, ontleend aan dat
van enkele courante staatsleningen);

d.geheel wordt voorbijgegaan aan de
discussie welk deel van de woondien-

sten, op geld gewaardeerd, tot het in-
komen mag worden gerekend (de toe-

deling aan beleggings-, resp. con-
sumptie-aspect).

Nu de overheid een meetsysteem ge-

bruikt voor de woningkwaliteit in het

kader van de bepaling van het huurver

hogingspercentage, valt te overwegen

of dat ook toepasselijk kan worden ge-

maakt voor de bepaling van de vergelijk-
bare bruto (!) huurwaarde.

Er zijn voorts belangrijke bezwaren in

te brengen tegen de gehanteerde presen-

tatie (toedeling van het ,,voordeel” aan
de decielen). Zo zou iedere keer moeten
worden beklemtoond, dat in de laagste

decielen ternauwernood ,,normale” huis-
houdens zijn opgenomen, dat het gezins-

inkomen van de ,,modale werknemer”

te vinden is in het achtste deciel en dat

het hoogste deciel wordt bezet door huis-

houdens waarvan niet minder dan
45%
twee verdienende partners kent. Dat be-

tekent dus heel concreet, dat de vrouw

van Jan Modaal, die na haar huwelijk

nog een paar jaar doorwerkt om de niet

geringe lasten van het eigen huis te hel-

pen opbrengen en een heel gewoon in-

komen heeft, samen met haar echtge-

noot in het hoogste deciel belandt.

Indien de auteur ook gegevens had

verstrekt van de opgegeven rente-

ontvangsten
naar inkomenscategorie,

zou ongetwijfeld een nog sterkere con-

centratie bij de hogere inkomens aan het

licht treden dan nu bij de rente-aftrek
1).

Zoals Prof. Hofstra in zijn evenwichtige
rapport terecht concludeert, is het in

beide
gevallen niet juist dat het (progres-

sieve) belastingtarief van toepassing is

op het deel van de rente dat aan de

infiatiefactor valt toe te schrijven.
De prijsstijging van de laatste jaren

heeft ,,de huizenbezitters” naast voor-
deel (het wegslinken van eventuele

hypotheekschuld) ook nadeel gebracht:

de hogere basis voor de bepaling van het

huurwaardeforfait, de gemeentelijke

onroerend-goedbelasting en de – steeds weer ,,vergeten” – vermogensbelasting.

Een en ander is een ernstig probleem aan

het worden, want van de toegenomen

waarde die in de woning is opgesloten

kan geen boterham worden belegd.
Tegen het vierde punt van de auteur

wil ik geen bezwaren aanvoeren. Wel
mag erop worden gewezen, dat bij af-

wezigheid van inflatie ook het ,,resteren-
de” voordeel van de aftrek is verdwenen.

Het slot van het artikel beschouw ik
opnieuw als een uitglijder. De belasting-
structuur is één geheel; het is tendentieus

daar een element uit te lichten en op

zichzelf te beschouwen. Ieder weet – al-
thans de auteur behoort te weten – dat

de rente-aftrek niet is ingevoerd met het
motief hoge inkomenstrekkers te be-

voordelen. Zoals ook uit Hofstra’s rap-
port blijkt, is die aftrek tegenover de

verplichting rentebaten op te tellen
logisch en billijk.

In het algemeen valt trouwens op –

zie de discussie over de kinderaftrek in de inkomstenbelasting – dat nauwelijks

1) Zie Sociale maandstatistiek,
januari
1978,
par. 3.3, tabel
2.1.2.

Naschrift

Nieuwe gezichtspunten die de strek-

king aantasten van mijn betoog, dat
eigen-woningbezitters er niet slecht

afkomen in het huidige belastingstelsel,

ook als de aanbevelingen van het rap-

port-Hofstra zouden worden overge-

nomen, levert de reactie van Drs. R. M.
de Haan op mijn artikel ,,Het einde van

de rente-aftrek?” niet op. Daarom kan ik

kort zijn in mijn weerwoord op zijn pun-
ten van kritiek.

De berekeningen van het ,,huur-
waardevoordeel” in het SCP-rapport
Profijt van
de overheid
zijn zeer arbi-
trair. Reeds eerder wees ik erop dat in

dit rapport ,,voor talloze moeilijkheden

op statistisch en definitorisch gebied op-
lossingen moesten worden gevonden die

haast per definitie aanvechbaar zijn” 1).
De uiteindelijk berekende en gepresen-

teerde cijfers van het huurwaardevoor-

deel zouden dan ook gemakkelijk door
andere kunnen worden vervangen, waar-

door de verschillen tussen de decielen

wellicht kleiner zouden worden. Er zal

echter een positief huurwaardevoordeel

blijven bestaan, zolang het huurwaarde-
forfait niet drastisch wordt verhoogd

en op een realistisch niveau wordt ge-

bracht. Door de progressie in de inkom-stenbelasting valt dit voordeel voor per-

sonen/gezinnen in hogere inkomens-

decielen groter uit dan voor die in lagere
decielen. Tegelijk met het huurwaarde-
forfait voor bepaalde woningen zullen

ook de huren van vergelijkbare wonin-
gen, waar die zijn achtergebleven, op een
realistisch niveau moeten worden ge-

bracht ten einde de ,,horizontale recht-
vaardigheid” geen geweld aan te doen.

Ongetwijfeld zullen ook de rente-
ont
vangsten
zeer ongelijk over in-

1) L. van der Geest, Naar een integraal in-
komensbeleid?,
ESB, 21/28
december
1977,
blz. 1261.

ESB 3-5-1978

457

1
Europa-bladwijzer

(Minimum) prijzen

MR.
L. A. M. MULDERS

Nadat het Hof van Justitie reeds eerder uitspraken had gedaan over

toelaatbaarheid van door een lidstaat vastgestelde maximumprïjzen heeft
het thans ook nationale minimumprijzen aan een nader onderzoek onder

worpen, naar aanleiding van de in Nederland geldende minimumprijzen

voor gedistilleerd. Nagegaan wordt welke conclusies hieruit kunnen worden

getrokken ten aanzien van de bevoegdheid van de lidstaten om prijsmaat-

regelen vast te stellen.

De minimumprijs voor gedistilleerd

De ,,Prijsverordening gedistilleerde

dranken” van het Produktschap voor

Gedistilleerde Dranken stelde minimum-

prijzen vast voor de afzet van gedistil-

leerd aan particulieren. Daarbij werd

geen onderscheid gemaakt tussen het

nationale gedistilleerd en het ingevoerde.

De minimumprijzen werden voor diverse

produkten op verschillende wijzen aan-

gegeven:

voor sommige produkten in de vorm
van een ,,geriefprijs” met opslag van

een vast bedrag (f. 0,60), vermeerderd

met de BTW. De geriefprijs was een

door de fabrikant vastgestelde prijs

(vermeld in zijn prijscourant) bij

levering in de kleinste hoeveelheden,

v66r aftrek van kortingen, doch ver-

meerderd met de accijnsverhoging per
1januari 1976. Daarnaast was nogeen

absoluut minimum aangegeven, waar

onder de drank niet mocht worden
verkocht;
voor andere als een vast bedrag;

3. voor alle andere als de inkoopprijs

(d.w.z. de werkelijk betaalde of ver-

schuldigde inkoopprijs na aftrek van

alle kortingen en exclusief BTW), ver-

meerderd met de BTW.

Uit de geschiedenis van deze prijs-

regeling kan worden afgeleid, dat de

minister het Produktschap de bevoegd-

heid heeft verleend om minimumprijzen

vast te stellen voor de binnenlandse

afzet van gedistilleerde drank om een

einde te maken aan de heersende ,,prij-

zenoorlog”. Deze was uitgebroken, na-

dat de Arrondissementsrechtbank te

Utrecht op 22 september 1975 had ver-

klaard, dat de verticale prijsbinding voor

gedistilleerd rechtskracht miste 1). Het

betrof weliswaar een individuele verti-
cale prijsbinding voor een merk, doch

deze maakte in feite deel uit van een

collectief systeem van prijsbindingen,

en leverde derhalve een krachtens de

Nederlandse Wet Economische Mede-

dinging verboden onderling afgestemd

optreden van een meerderheid van de

Nederlandse distillateurs op. Nu was

het volgens de minister niet de bedoeling

om via deze prijsmaatregel voor de

detailhandel de verticale prjsbinding te

vervangen. De minimumprijzen in de

verordening lagen dan ook op een lager

niveau dan v66r de opheffing van de

verticale prjsbinding, ondanks een tus-

sentijdse verhoging van de BTW. Hij

wilde echter voorkomen, dat zelfs de

moderne, efficiënte en.goed geleide slij-

tersbedrjven hun distributiekosten niet

meer zouden kunnen dekken. Ongeveer

de helft van de Nederlandse slijters-

bedrijven werkt immers maar rendabel

en zonder minimumprijzen zouden zelfs

de bedrijven die zich nog tot het niveau

van het moderne sljtersbedrijf kunnen

opwerken, te gronde gaan.

Toen een van de slijters zich niet hield

aan deze prjsverordening werd hij door

de economische politierechter veroor-

deeld. Het Gerechtshof te Den Haag

verklaarde dit vonnis echter ongeldig,

daar de prijsregeling in strijd werd ge-

acht met het Nederlandse recht. Ver-

volgens vernietigde de Hoge Raad weer
dit arrest en verwees de zaak naar het

Gerechtshof te Amsterdam. Dit ge-

rechtshof vond het nodigeen prejudiciële
beslissing te vragen bij het Hof van

Justitie van de EG, omdat de slijter

zich erop beriep, dat de minimumprijs

in strijd zou zijn met het communautaire

recht.

Maatregelen van gelijke werking

De Nederlandse prijsmaatregel zou nl.

een in het EEG-verdrag verboden maat-

regel van gelijke werking als een kwanti-
tatieve invoerbeperking zijn (art. 30-

37).
Zoals reeds eerder is uiteengezet 2),

heeft het Hof bij diverse gelegenheden

gezegd, dat een maatregel van de over-

t)
Nederlandse Jurisprudentie, 1976, no. 95.
2) L. A. M. Mulders, Maatregelen van
gelijke werking,
ESB,
Europa-bladwijzer,
II mei
1977.
blz.
448.

komenscategorieën verdeeld zijn en vol-
komen terecht concludeert Prof. Hof-

stra in zijn rapport dat het niet juist is

dat het progressieve belastingtarief van
toepassing is op het deel van de rente dat

aan inflatie is toe te schrijven. Ik had het

echter over de behandeling van de eigen-

woningbezitter door de fiscus. Als deze

een hypotheek heeft op zijn woning, lijkt

het mij onwaarschijnlijk dat hij daar-
naast nog aanzienlijke rente-ontvang-

sten geniet.
Ad 3. In mijn artikel heb ik niet de

onroerend-goedbelasting en de vermo-
gensbelasting genoemd. Wel heb ik ge-

wezen op het ontbreken van een ver-

mogenswinstbelasting, die uiteraard –

in de geest van Hofstra – een correctie

voor louter nominale vermogenswinst

zou moeten bevatten. Daaraan gaat de
heer De Haan echter geheel voorbij.

Het is mij niet bekend hoe het bedrag
dat in bepaalde inkomenscategorieën

wordt betaald aan onroerend-goedbelas-

ting en vermogensbelasting zich ver-

houdt tot het bedrag dat in die catego-

rieën wordt bespaard door het ontbre-

ken van een vermogenswinstbelasting.
Overigens heeft ook Prof. Hofstra zich
sterk voor het invoeren van een vermo-

genswinstbelasting uitgesproken 2).
Het is niet eenvoudig een doelmatig en
rechtvaardig belastingstelsel tot stand te
brengen. Telkens weer blijken er rege-

lingen of lacunes te bestaan waarvan be-

paalde groepen voordeel kunnen trekken

op een wijze die niet in de bedoeling

van de wetgever heeft gelegen en waar-

door het stelsel wordt ondergraven. Het
gaat mij te ver het signaleren van die ge-

breken te betitelen als ,,tendentieus” en
,,misbruik van een rapport”. Ik streef

slechts naar een situatie – en ik geloof

dat ik daarin niet verschil van Hofstra –

waarin de lasten zo rechtvaardig moge-

lijk worden verdeeld. Daarom zal er nog

heel wat moeten veranderen.

L. van der Geest

2)
Het Parool,
woensdag
5
april
1978,
blz.
15.

458

held als een verboden maatregel van

gelijke werking te kwalificeren is, wan-

neer zij al dan niet rechtstreeks, daad-

werkelijk of potentieel, de import (of

export) tussen lidstaten kan beperken.
Dit geldt niet alleen voor maatregelen
die uitsluitend op de import (of export

van nationale produkten) betrekking

hebben. Ook maatregelen die zonder

onderscheid zowel nationale als inge-

voerde goederen betreffen en waarvan

kan worden aangetoond dat zij een

importbelemmerend effect kunnen heb-

ben, kunnen onder het verbod vallen.

Bij de laatste categorie kan men in eerste

instantie denken aan verpakkingsvoor-

schriften e.d., doch als gevolg van uit-

spraken van het Hof bijvoorbeeld ook

aan produktiebeperkende maatregelen

en nationale prijsregelingen. Het Hof.

had zich nl. al enige malen moeten

buigen over een nationale regeling die

maximumprijzen vaststelde voor bepaal-

de landbouwprodukten, en had ver-

klaard dat deze onder omstandigheden

een maatregel van gelijke werking zou
kunnen opleveren.

In het arrest over de minimumprj-

zen 3) herhaalt het Hof zijn omschrijving

van de maatregel van gelijke werking

met als voornaamste kenmerk de werke-

lijke of potentiële invoerbeperking. Uit
de arresten inzake de maximumprijzen

• neemt het vervolgens de overweging

over dat een nationale prjsregeling die

zonder onderscheid van toepassing is op

nationale en geïmporteerde produkten
een dergelijke importbeperkende wer-
king in het algemeen niet zal hebben,

doch dat dit in bepaalde gevallen anders

kan zijn. Een invoerbelemmering zou het
resultaat kunnen zijn van het feit, dat

de overheid de prijzen of de winst-

marges op een zodanig niveau vaststelt,
dat de geïmporteerde produkten wor-

den benadeeld ten opzichte van gelijke
nationale produkten. Dit kan zijn, om-

dat zij niet, met winst zouden kunnen

worden afgezet of omdat het uit lagere

kostprjzen voortvloeiende concur

rentievoordeel teniet zou worden ge-

daan. Het eerste heeft vooral betrekking

op maximumprijzen, het tweede op mini-

m ump rijzen.

In de arresten over de maximum-

prijzen werd het aan de nationale rech-

ter overgelaten om in concreto te toetsen
of de invoer inderdaad werd belemmerd.

In casu was echter de nationale prijs-
regeling in strijd met de regels van de
communautaire marktorganisatie. Het

betrof ni. Italiaanse voorschriften die

maximumprjzen voor de suiker vast-

stelden, waarvoor een communautaire
marktorganisatie bestond met een vol-

ledige prijsregeling (interventie-, richt-
en drempelprijzen). Het Hof oordeelde,

dat nationale prjsvoorschriften, die de
werking, van de landbouwordening in
gevaar brachten, hiermee onverenigbaar

zijn. Het maakt dan geen verschil of de
nationale prijzen betrekking hebben op

de detailhandel- of de produktiefase,

daar de prijzen die gelden voor de detail-
handel ook de prijzen voor de produktie-

fase kunnen beïnvloeden. Het feit dat in het geval van de suiker

het mogelijke verbod van nationale

maximumprijzen vooral kon worden
gebaseerd op eventuele strijd met de

landbouwordening, leverde voor de

commentatoren de onzekerheid op of

aan het verbod een meer algemene be-

tekenis mocht worden toegekend, en of

het zou kunnen worden toegepast op

industrieprodukten of landbouwproduk-

ten die geen marktorganisatie kennen.
Nu het over gedistilleerd ging, waar

voor nog steeds geen landbouwordening

bestaat 4) kon het Hof aan deze on-

zekerheid een einde maken. Het Hof

verklaart thans uitdrukkelijk, dat de

prijsmaatregelen bij het ontbreken van

een landbouwordening uitsluitend in het

licht van de criteria voor de maatregel

van gelijke werking moeten worden

getoetst. Daarmee geeft het in ieder
geval te kennen, dat een (maximum)prijs-

regeling ook op zich zelf hieraan kan

worden getoetst.

Deze rubriek wordt verzorgd

door het Europa Instituut

van de Rijksuniversiteit Leiden

De minimumprijzen

In
het onderhavige geval gaat het Hof

na of de verschillende prijssystemen

die in de Nederlandse verordening ge-

distilleerd werden gehanteerd een maat-

regel van gelijke werking als een invoer-

beperking kunnen opleveren. Het komt
tot de volgende conclusies:

een nationale prijsregeling, die de

detailverkoop verbiedt tegen
lagere prij-
zen
dan de
door de detaillist betaalde
inkoopprjs
(mijn cursivering) en die

zowel op nationale als geïmporteerde
goederen van toepassing is, kan geen
schadelijke gevolgen voor de import

alleen veroorzaken en is derhalve geen
maatregel van gelijke werking als een

invoerbeperking (N.B. werkelijk betaal-
de prijs, niet de in een prijscourant ver-

melde prijs);

de op
een bepaald bedrag vastge-

stelde minimumpri/s
daarentegen kan
wel een maatregel van gelijke werking

zijn, ook als deze zonder onderscheid

van toepassing is op nationale en ge-
importeerde produkten, daar de afzet

van deze laatste kan worden benadeeld,

voor zover de minimumprijs belet, dat

hun lagere kostprijs wordt weergegeven

in de verkoopprijs van de consument;

ten aanzien van de vaststelling van
een
winstmarge
komt het Hof met een
genuanceerd antwoord: het zegt nl.:

dat voorts de zonder onderscheid
op nationale en geïmporteerde produk-

ten toepasselijke
vaststelling van de

winsimarge op een bepaald bedrag en

niet op een percentage van de kostprijs,

in een geval als het onderhavige, waarin

het bedrag van de winstmarge een be-

trekkelijk gering gedeelte van de defini-

tieve detailhandelsprjs uitmaakt,
even-

min tot gevolg kan hebben, dat de even-

tueel goedkopere, geïmporteerde pro-

dukten worden benadeeld”.

De eerste overwegingen zijn wel duide-

lijk, doch voor de laatste worden door

het Hof geen verdere motieven aange-
voerd. Het schijnt mij echter toe, dat het
Hof impliciet terugvalt op de vereisten

– zowel door de Commissie als het

Hof zelf ontwikkeld – waaraan de

nationale maatregelen die zonder onder-

scheid nationale en ingevoerde produk-

ten betreffen, moeten voldoen om niet

als een maatregel van gelijke werking

te worden aangemerkt. Volgens die ver

eisten mag de invloed van de maatregel

op het vrije goederenverkeer niet be-
perkender zijn dan in het kader van de

.(handels)regeling is beoogd. Dit is met

name wèl het geval, wanneer de beper-

kende invloed op het vrije goederenver-
keer in geen verhouding staat tot het.

nagestreefde doel en wanneer hetzelfde

doel door een ander middel kan worden

bereikt, dat het handelsverkeer minder
belemmert. Het Hof toetst derhalve doel

en middelen van de maatregel, en het

handelsbelemmerende effect ervan (toet-

sing van noodzaak en proportionaliteit).

Het doel de detaillist te beschermen

tegen de concurrentie van ,,discount-

bedrijven” die met lagere kosten werken,
of ,,stuntaanbiedingen” mag wel worden

nagestreefd met een regeling die rekening

houdt met de werkelijke kosten van

detaillisten (een vaste winstmarge), doch

niet met een regeling die is afgestemd

op toevallige factoren als de inkoop-

prijs van produkten (de procentuele

winstmarge).

In het geval van een lage importprijs
worden bij een procentuele winstmarge

de kosten van de detaillist niet gedekt,

hetgeen tevens een invoerbelemmering

kan betekenen, daar het voor hem min-
der aantrekkelijk is geïmporteerde pro-

dukten te verkopen, tenzij door de

grote omzet een kostenverlaging kan

worden bereikt. Dit laatste is echter
niet waarschijnlijk voor produkten die

nog een markt moeten veroveren. Bij

een importprijs die hoger is dan de
binnenlandse zal een procentuele winst-

marge ertoe leiden, dat de regeling zijn

Arrest van 24 januari 1978, zaak 82/77,
nog niet gepubliceerd.
In december heeft de Commissie welis-
waar een gewijzigd voorstel voor een land-
bouwordening voor de sector alcohol bij de
Raad ingediend
(Pb.,
C 309, 1976, blz. 2),
daar over een vroeger voorstel geen over-
eenstemming kon worden bereikt, maar
ook het gewijzigde voorstel blijkt nog niet tot
een marktordening te leiden.

ESB 3-5-1978

459

sociale doel van redelijke kostendek-

king voorbijschiet, terwijl de invoer

nog moeilijker wordt.

Met betrekking tot de vaste winst-

marge stelt het Hof als bijkomende

voorwaarde, dat het bedrag van de winst-

marge een betrekkelijk gering deel uit-

maakt van de detailhandelprijs. Hiermee

lijkt het Hof het argument van de Com-

missie over te nemen, dat een vaste winst-

inarge wel de concurrentie in de detail-

handelfase vermindert, doch haar bij de

produktie-, import- en groothandel-

fase in stand laat en derhalve de invoer

niet meer belemmert dan voor het ge-

stelde doel noodzakelijk is.

Het thans ingenomen standpunt met

betrekking tot de diverse minimum-

prijzen blijft volgens het Hof ook van

kracht indien, zoals in de Nederlandse

regeling, de mogelijkheid was voorzien,

dat het bevoegde gezag ontheffing zou
kunnen verlenen, bijvoorbeeld voor de

ingevoerde produkten. Zelfs indien hier-

van een royaal gebruik zou worden

gemaakt, zou waarschijnlijk de nood-

zaak van allerlei administratieve forma-
liteiten blijven bestaan, hetgeen op zich

zelf weer een maatregel van gelijke wer-

king oplevert, wegens de invoerbelemme-

rende werking ervan 5).

Het Hof voegt hier aan zijn over-

wegingen nog een interessante opmer-

king toe, ni. dat het tijdelijke karakter

van de toepassing van de vaste minimum-

prijzen geen omstandigheid vormt, die

een dergelijke maatregel kan rechtvaar-

digen. Waarschijnlijk wordt hiermede

gedoeld op het feit, dat de Nederlandse
maatregel ieder jaar moest worden ver-

lengd en daarbuiten een maximale gel-

digheidduur had van drie jaar. Men kan

zich afvragen of deze opmerking ook zou
mogen worden uitgebreid tot maximum-

prijzen. Het eventuele tijdelijke karak-
ter van maximumprjzen zou dan even-

min een grond vormen om ze niet onder

het verbod van maatregelen van gelijke
werking te doen vallen. Dit is in het

bijzonder van belang, wanneer de maxi-
mumprijzen worden gebruikt als instru-
ment voor een nationale conjunctuur-

politiek en derhalve ,,per definitie” tijde-

lijk (zouden moeten) zijn. Daar ook

maximumprijzen een maatregel van ge-

lijke werking kunnen opleveren, lijkt

mij dat de vraag bevestigend kan worden

beantwoord. Indien op deze wijze het

nationale instrumentarium wordt ver-

minderd zullen de conjuncturele pro-
blemen derhalve meer en meer door een

coördinatie van de nationale conjunc-

tuurpolitiek binnen de EG moeten wor-

den opge(ost.
Samenvattend kan worden gesteld:

1. Maximumprijzen zijn niet geoor-

loofd, indien zij de import belemmeren,

hetgeen het geval kan zijn, indien inge-
voerde produkten niet met winst zou-
den kunnen worden afgezet. Voor som-

mige landbouwprodukten komt daar

nog als toetsingscriterium bij of zij even-

tueel een communautaire landbouw-

ordening, en vooral het prijsstelsel

ervan, in gevaar zouden kunnen bren-

gen.

Minimumprjzen zijn niet geoor-

loofd, indien zij de import belemmeren,

omdat het uit lagere kostenprjzen

voortvloeiende

concurrentievoordeel

zou worden tenietgedaan. In ieder ge-

val zijn verboden regelingen die zon-

der onderscheid van afkomst of her-

komst minimumprijzen bepalen op een

vast bedrag of deze bepalen door een

winstmarge uitgedrukt in een percen-

tage van de inkoopprjs bij deze prijs

op te tellen. Het lijkt echter wel geoor-

loofd dat de winstmarge wordt uitge-

drukt in een vast bedrag, althans wan,-

neer deze een relatief gering deel uit-

maakt van de detailhandelprjs. Verder

is nog een minimumprijsregeling ge-

oorloofd die een verbod bevat tot

wederverkoop beneden de inkoopprjs.

Overigens is de enige mogelijkheid

voor het nationaal vaststellen van mi-

nimumprijzen gelegen in een niet van

toepassing verklaring van deze prijzen

op de ingevoerde produkten. Voor

deze laatste categorie zou een winst-

margeregeling kunnen worden gehan-

teerd bestaande uit een vast bedrag, mits

er een duidelijk nagestreefd doel aan ten
grondslag ligt dat niet om andere rede-

nen in strijd komt met het EEG-verdrag,

en mits de invoer zo min mogelijk wordt

beperkt.

Ondernemersafspraken

Onmiddellijk nadat naar aanleiding

van het arrest in Nederland de minimum-

prijsregeling voor melk – een vaste

minimumprijs voor zowel de nationale

als de ingevoerde melk – werd aange-
past, o.a. door voor de invoer een winst-

marge van een vast bedrag vast te stellen

boven op de invoerprijs, maakte de Bel-

gische exporteursvereniging bekend,

dat zij van plan was de Belgische export-

prijs die lager was dan de Nederlandse
inkoopprijs op het Nederlandse niveau

te brengen. Dit kan slechts gebeuren
door een onderlinge afspraak. Hoewel

deze actie op zich zelf begrijpelijk zou
zijn, is het niet slim dit in het openbaar
te zeggen. Op grond van artikel 85 van
het EEG-verdrag zijn nI. kartelovereen-

komsten of besluiten van ondernemers-

verenigingen die ertoe strekken of ten

gevolge hebben dat de mededinging

binnen de gemeenschappelijke markt

wordt beperkt en die de handel tussen de
lidstaten kunnen beïnvloeden, ver-

boden. Juist prijsafspraken worden in
artikel 85 als voorbeeld genoemd van

verboden afspraken. Uit de beschik-

kingspraktijk van de Commissie en de

rechtspraak van het Hof blijkt, dat het
verbod van prijsafspraken met name

geldt voor afspraken m.b.t. minimum-

prijzen voor de uitvoer. Zelfs kan een
prjsafspraak tussen alle ondernemingen

binnen een branche in een land, hoewel

niet rechtstreeks gericht op in- of uitvoer,

verboden zijn, omdat zij een versterking

van de nationale drempelvorming tot ge-

volg heeft, aldus de economische ver-

vlechting doorkruist en derhalve de

handel ongunstig beïnvloedt. Uit een

recent arrest van het Hof kan ook wor-

den afgeleid, dat een wettelijke maat-

regel van de nationale overheid die een
minimumprijsregeling van de onderne-

mingen bekrachtigt, een verboden

maatregel van gelijke werking kan op-

leveren 6).

Wet Economische Mededinging

Voor nationale prijsafspraken tus-

sen ondernemingen, die geen invloed

op de handel tussen de lidstaten hebben,

geldt het nationale mededingingsrecht,

voor Nederland de Wet Economische

Mededinging. Onlangs is een wijzigings-

voorstel voor deze wet bij het Neder-

landse parlement ingediend 7). De voor-

naamste wijziging is, dat nu horizontale

en verticale prjsbinding van onder-

nemers verboden wordt, doch dat na

toetsing door de Nederlandse overheid

van het gevolg voor de mededinging een

vergunning mogelijk zal zijn. Tot nu toe

was prjsbinding in principe toegestaan,

tenzij verboden wegens de nadelige ge-

volgen voor de mededinging.

Daarnaast zal aan de minister de

mogelijkheid worden geboden om op

grond van het algemeen belang of het

belang van het betrokken deel van het

bedrijfsleven (art. 15,h – 1) minimum-

prijzen vast te stellen, waaraan de on-

dernemingen gebonden zijn. Bij uitoefe-

ning van deze bevoegdheid, zal de

minister wel met de uitspraken van het

Hof rekening moeten houden 8) en zich
dus moeten afvragen in hoeverre een
voorgenomen maatregel de handel tus-

sen de lidstaten zal beïnvloeden en

welke effectiviteit zij kan hebben, in-
diende maatregel niet van toepassing kan

zijn op ingevoerde produkten. Overi-

gens kan een maatregel van dergelijke

aard altijd ook nog door de rechter
worden getoetst: de betreffende be-

palingen van het EEG-verdrag verplich-

ten hem daartoe.

L.
A.
M. Mulders

ESB,
Europa-bladwijzer, II mei
1977,
blz.
448.
Arrest van
16
november
1977,
zaak
13/77,
nog niet gepubliceerd.
Wijziging van de Wet Economische
Mededinging, Bijl. Hand.
II, 1977-1978,
14 886,
nr.
1-4,
ingediend op
12
december
1977.
Prof. Mr. P. VerLoren van Themaat
heeft dit wetsontwerp besproken in
Sociaal
Economische Wetgeving 1978,
blz.
178-192,
waarin hij o.a. aandacht besteedt aan de
Europese aspecten ervan.
Waar de Memorie van Toelichting bij
art. 15h spreekt over een minimumprijs ge-
relateerd aan de inkoop- 0f kostprijs
(blz.
61) is
een procentuele winstmarge bij-
voorbeeld uitgesloten.

460

Auteur