Ga direct naar de content

Jrg. 58, editie 2927

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 21 1973

ECONOMISCH
STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

21 NOVEMBER 1973

e!sb

STICHTING HET NEDERLANDS 58eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 2927

Een theoloog als herverdeler

Sinds de vakbeweging ernst maakt met het streven naar

inkomensherverdeling, verlopen de loononderhandelingen
zeer moeilijk. Het mislukte overleg overeen centraal akkoord

bewijst dit. lnkomensherverdeling is gericht op het bereiken
van een rechtvaardige personele inkomensverdeling. Hoe die
verdeling eruit ziet, kan niemand zeggen. Het is slechts

mogelijk naar een verdeling te streven die rechtvaardiger

is dan de huidige: Zelfs dit is moeilijk. Groepen die door

een herverdelingspolitiek er (relatief) op achteruitgaan, kunnen met behulp van geklaag zo de aandacht op zich
vestigen, dat de bereikte verdeling onrechtvaardiger lijkt.
Daar komt nog bij dat er geen onbetwistbare maatstaf be-

staat om de personele inkomensverdeling te meten, terwijl

wij ons vaak moeten bedienen van verouderde statistieken.

Omdat de rechtvaardige inkomensverdeling moeilijk is
te kwantificeren, bestaat het gevaar dat men nooit tevreden
zal geraken, waardoor men steeds ingrijpender herver-
delingsinstrumenten gaat gebruiken. Vijftien jaar geleden

bestempelde de vakbeweging het geven van loonsverhogingen

in centen in plaats van in procenten nog als onzin. Thans
wordt dit een veel gebruikt instrument. De werknemers zijn
nu zelfs zover dat zij de prijscompensatie als instrument

willen gebruiken. Hierdoor hebben zij belang bij veel inflatie!
Het gebrek aan overeenstemming over een rechtvaardige

inkomensverdeling is mi. voor een groot deel te wijten aan

het feit dat het bedrijfsleven te weinig de inkomens analy-

seert. Herverdelen lijkt nog te veel op een pakken wat je
pakken kunt. Een man die het nut van een dergelijke analyse
duidelijk inziet, is Prof. Dr. P. J. Roscam Abbing, hoog-

leraar aan de Faculteit der Godgeleerdheid te Groningen.

Zijn begin dit jaar verschenen boek
Eihiek i’a,i de inkomens-

verdeling
is hiervan een duidelijk bewijs 1).
In dit boek wil Prof. Roscam Abbing een ethisch en logisch
juiste benadering geven van tal van maatschappelijke en

economische vraagstukken, met name van de personele
inkomensverdeling. Zijn humanistisch, richtinggevend
uitgangspunt is de uit het Christendom voortkomende idee
van de naastenliefde. Roscam Abbing beschrijft als het ware

een ethisch economisch stelsel. Het gebruik van het begrip
personele inkomensverdeling roept dan ook verwarring op
omdat Roscam Abbing onder inkomen veel meer verstaat

dan de vakbondsman die streeft naar een rechtvaardige per-

sonele inkomensverdeling.
Prof. Roscam Abbing verstaat onder inkomen ontvang-

sten, vrijheid en verantwoordelijkheid, d.w.z. alles wat een
bijdrage levert tot de welvaart in de ruimste zin. Dit blijkt als
hij de inkomensbestanddelen analyseert. Onder ontvangsten
rekent hij: loon en winst uit arbeid, profijt en winst uit bezit,

schenkingen, collectieve overheidsgoederén en -diensten,

weldaden van de omgeving, psychisch loon uit arbeid en
uit bezit en persoonlijk geluk. Onder vrijheid verstaat hij de

vrijheid
van
(bijv, van knechting) en niet
vantvege
of
lol.

Verantwoordelijkheid, dat zijns inziens het meest eigene en
specifieke van het menszijn is, moet worden gewaardeerd.

In de huidige maatschappij ziet men daarentegen verant-
woordelijkheid veelal als iets negatiefs – hoewel men het
graag bezit -, dat redelijk moet worden beloond.

Om de rechtvaardigheid van de diverse inkomens-

begrippen te analyseren gebruikt Prof. Roscam Abbing
twee hoofdvooronderstellingen en drie sub-vooronder-
stellingen. De hoofdvooronderstellingen zijn: 1. de ethische

instelling van de mensen is ideaal; 2. de ordening van het
maatschappelijk leven is ideaal. De sub-vooronderstellingen

zijn: 1. allen verrichten hetzelfde gelijkelijk gewaardeerde
werk; 2. allen hebben gelijke behoeften en gelijke behoeften-

bevrediging; 3. allen hebben dezelfde bekwaamheden. Die
sub-vooronderstellingen houden in dat alle mensen gelijk zijn
en dus een gelijk inkomen verdienen.
De mensen zijn echter niet gelijk. Vandaar dat Prof.

Roscam Abbing één voor één zijn sub-vooronderstellingen
laat vallen. Op deze wijze is gemakkelijk
de rechtvaardige

inkomensverdeling te bepalen. Vervalt bijv. de eerste sub-
vooronderstelling en blijven de overige bestaan, dan zal
niemand bezwaar maken tegen een ongelijke beloning op
grond van ongelijk werk. Roscam Abbing concludeert hieruit

dat erfelijke aanleg, milieu, opvoeding, begunstiging,
ervaring en geoefendheid geen ongelijke verdeling recht-vaardigen. Het inkomen mag zijns inziens wel fluctueren
naar inspanning, bezwarende omstandigheden en behoeften.

Vervolgens laat Prof. Roscam Abbing de hoofdvooronder-
stellingen vallen, zodat hij rekening kan houden met

1. egoïsme van de mens en 2. een gebrekkige economische

orde. Hierna kan hij praktische (zij het niet altijd exacte)
richtlijnen geven. Egoïstisch gedrag moet bijv. vruchtbaar

worden gemaakt of worden afgeremd. Dit kan door middel

van ruil, samenwerking, arbeidslust, behoefte aan liefhebben,

profijt voor anderen, moreel en wetten. Deze middelen

kunnen pas worden toegepast nadat aanvaardbare en on-

aanvaardbare behoeften zijn vastgesteld. Prof. Roscam Abbing maakt duidelijk dat een communis-

tische economische orde beter is voor het bereiken van een
ethisch rechtvaardige inkomensverdeling dan een liberale.
Hij verstaat onder communisme echter iets anders dan er in
de politiek vaak onder wordt verstaan. Iemand die het boek
oppervlakkig leest, bestempelt Roscam Abbing hierdoor

gemakkelijk als communist. De door Roscam Abbing ge-
formuleerde inkomenspolitieke doelstellingen behoeven
evenwel niet in strijd te zijn met die van liberalen.

Prof. Roscam Abbing schreef een abstract boek, waarin
de westerse economische orde bekwaam is geanalyseerd.

Hij maakt daardoor duidelijk dat bepaalde elementen uit
die orde, zoals egoïsme, prijsmechanisme en prestatie-
beginsel een ethisch juiste inkomensverdeling in de weg staan.

We moeten evenwel realist genoeg zijn om te beseffen dat wij
in die orde zullen blijven leven.

Eihiek van cle inkoinens’er(leling
is een te dik en daardoor
soms langdradig boek. Het is ook een nuttig boek, waarvoor
ZWO terecht subsidie verleende. Iedereen die een mening
heeft over de inkomensverdeling of zich hierover een mening
wil vormen, behoort dit boek te lezen.

L. Hoffman

t)
Prof. Dr. P. J. Roscam Abbing,
Eihiek van de inko,nens-
verdeling, Kluwer BV, Deventer, 1973, 547 blz., f. 65.

1005

Inhoud
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Ma
,
7
*

Drs. L. Hoffman:

Een theoloog als herverdeler …………………………….1005

Column

Over noodzakelijke samenhangen: het centraal akkoord,
door Drs.

W
. Siddré

…………………………………………..1007

Mr. H. Versloot.’

Overgang naar een nieuw energietijdperk …………………..1008

Drs. J. J. van der Lee:

De ontwikkeling van de beroepsbevolking in Nederland op middellange
termijn……………………………………………..
1010

Dr. M. C. Tideman:

Het vakantiepatroon in Europa ………………………….

1013

Fisconomie

Huurwaarde eigen huis,
door Drs. D. A. Albregtse …………..

1014

Mededeling
……………………………………………

1018

Notitie

De druk van de inkomstenbelasting,
door K. T.
Bruyn

1019

Maatschappijspiegel

Wetenschap en democratie,
door Dr. A. Peper

1020

Boekennieuws

Dr. R. Dolman: Het vervolg van Bretton woods,
door Dr. R. L. Haan

1021

De administratie van ESB verzoekt leden en abonnees dringend géén
betalingen voor 1974 te doen alvorens daarvoor een acceptgirokaart

is ontvangen.

Onderzoek

is nodig. Het NEt-heeft zich daarop sinds 1929 gericht. Naast

het pure onderzoekwerk houdt het zich bezig met het uit-

voeren van opdrachten van overheden en bedrijfsleven in

binnen- en buitenland. Het heeft thans ervaring op vele ge-

bieden, in een spreiding over 50 landen. Er heeft in• die
periode een specialisatie plaatsgevonden, ‘maar door de

samenwerking in teams van economisten, econometrislen,

wiskundigen, sociologen, sociaal-geograjen, stedebouw-

kundig ingenieurs en civiel-ingenieurs wordt een brede

aanpak van de problemen gewaarborgd.

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Co,nn,issie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lamhers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck, A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman. Redactie-medewerker: W. D. Franckena.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rot terdan,-30 / 6: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 1455 II, toestel 3701.
Bij adres o’ijziging s. v.p. steeds adreshandje
incest ure,,.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
get,, dubbele rege/a/ita,id, brede marge.

Abonnementsprijs:
.f 78.00 per kalenderjaar
(incl. 4% BTW): studenten f4680
‘incl. 4% BTW), franco per pos, voor
A’ederla,,d. België, Luxemburg, overzeese
rijk sdelen (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na wit vangst van stort ings/giro-
acceptkaart) op girorekeningno. 122945
t. n. v. Economisch Statistische Berichten
te Rot,erda,n.

Losse nummers:
Prijs van rIO nummer! 2,50
(‘mci.
4% BTW en portokosien).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekeningno. 8408 t. n. t’. Stichting het iVedrIands Economisch
Instituut te Rotterdam niet vermelding
lan dat un, en nun,,ner van het gewenste
e.ren,,iaar.
.4 honnenienten k tinnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd ,,er ultinio ton een kalenderjaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roeiant.v – Schiet/au,
Lange 1/oven 141, Schiedam,
tel. (0 /0) 26 02 60. toestel 908.

Stic/ning Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rnt,erda,n-3016: tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

Baiancecl International Gron’th

Bedrijfr- Economisch Onderzoek

Econon,isch- Sociologisch Onderzoek

Econon,isch- Technisch Onderzoek

Vestigmgspotronen

Mlacro- Economisch Onderzoek

Pro jectstuclies Ont mt’ikkeiingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch- Moiheniatisch Onderzoek

lransport- Economisch Onderzoek

1006

W. Sidcfré

Over

noodzakelijke

samenhangen:

het

centraal

akkoord

Over het centraal akkoord is reeds zo
veel geschreven dat een outsider
nauwelijks op de hoogte kan zijn van
alle pennevruchten. Deze column bevat

geen uitgebalanceerde samenvatting van
alle standpunten. Hij beoogt aan te
geven waarom het niet doorgaan van het
centraal akkoord 1974 jammer is. Ook
zou ik wel durven volhouden dat cen-
trale afspraken op een andere leest ge-
schoeid moeten worden dan nu het ge-
val is.

Wat is een centraal akkoord? Een
centraal akkoord is – in de woorden
van Dr. Zijlstra – ,,een raamwerk,
een open calculatieschema dat beknopt
en helder de noodzakelijke samenhang
tussen enkele nationaal-economische
grootheden weergeeft” 1). Gedurende
de afgelopen weken werd onderhandeld
over de verdeling van de verwachte toe-
neming van het volume van het natio-
nale inkomen. Welke noodzakelijke
samenhangen spelen een rol? De onder-
handelingen spitsen zich toe op de

volgende: de concurrentiepositie ten
opzichte van het buitenland wordt bij
een gegeven verwachte groei van de
arbeidsproduktiviteit bepaald door de
loonsomstijging. Immers, deze twee variabelen bepalen de arbeidskosten
per eenheid produkt. De loonsom-
stijging bepaalt samen met de (ver

wachte) prijsstijging de toeneming van
het reële bruto loon. Het reële bruto loon

en de arbeidsproduktiviteit bepalen de
arbeidsinkomensquote, m.a.w. de ver

deling over loon- en winstinkomens. Tenslotte volgt het reële beschikbare
inkomen van werknemers uit het ver

schil tussen het bruto reële loon en de
lasten daarop, t.w. de belastingen en de
premies.

Het reële Vrij beschikbare inkomen is
waarschijnlijk de meest markante figuur
in het centraal akkoord. Uiteraard niet

ten onrechte. Het is de kernvariabele die
voor zeer velen in grote lijnen vastiegt in
welke mate zij individueel over con-
sumptiegoederen kunnen beschikken.

Gelijktijdig met het reële vrij.beschikbare
inkomen worden de ontvangsten voor
de overheid en de arbeidsinkomens-
quote bepaald. De arbeidsinkomens-

quote beïnvloedt het macro-rendement
en daarmede in sterke mate het niveau
van onze investeringen. Het verschil
tussen het bruto reële loon en het reëel
vrij beschikbare inkomen bestaat uit
premies en belastingen. Deze ontvang-
sten van de overheid bepalen en worden
bepaald door de mate waarin de over-
heid beslag legt, respectievelijk wil leg-
gen op de middelen om daarmede de
collectieve voorzieningen te financieren.
Tot zover het middel van het centraal
akkoord.
Waarom is de mislukking jammer?
Het centraal akkoord beoogt een expli-
ciete verdeling vooraf te geven van de
groei van de schaarse middelen over
bedrijven, gezinnen en overheid. Deze
verdeling vooraf is gewenst omdat er
gekozen moet worden: wij leven niet in
een ,,bliss”-situatie. Bovendien voor

komt een centraal akkoord, vanwege de
daarmee gepaard gaande coördinatie, wildgroei van één of meer van de ge-
noemde variabelen.
Het centraal akkoord geeft aan de
noodzakelijke relaties in onze gehele
economie een kwantitatieve inhoud.
Voor een evenwichtige ontwikkeling van
onze economie moet daarom de kring

van participanten zo groot mogelijk zijn.
De huidige kring dient uitgebreid te
worden met tenminste vertegenwoor-
digers van Vrije beroepen, van consu-
menten en met vertegenwoordigers van
grondspeculanten. Het akkoord krijgt

daarmede meer ,,body”. Een centraal
akkoord legt extra restricties op aan het
handelen van bedrijven en gezinnen.
Dit handelen van bedrijven en gezinnen
is voor een belangrijk gedeelte ge-
baseerd op maximalisatiegedrag. Bij
wijze van typering: bedrijven maxime-
ren winsten, gezinshuishoudingen maxi-
meren nut. Momenteel zijn waarschijn-
lijk de nevenvoorwaarden waaronder

gemaximeerd wordt te broos. Deze
nevenvoorwaarden, voor zover voort-

vloeiend uit een centraal akkoord,

hebben te weinig gezag en zij leggen
daarom slechts weke randvoorwaar-

den op aan dit gedrag van bedrijven en
gezinnen. Een op bredere basis geschoeid
akkoord is waarschijnlijk beter bestand
tegen de krachten die voortvloeien uit
maximalisatiegedrag. Wanneer meer
partijen deelgenomen hebben aan het

tot stand komen van een sociaal akkoord
zullen ook meer partijen zich verplicht
voelen om te handelen binnen de
restricties die het akkoord aangeeft.
Dan kunnen bijvoorbeeld werkgevers
het akkoord niet meer afwijzen, omdat
het hoger personeel niet heeft mogen

meepraten over de totstandkoming van
het akkoord.

De werkgevers hebben tenminste twee
andere argumenten 2) genoemd om het
akkoord 1974 af te wijzen. Het zakelijke

argument betreft de hoogte van de
minimum vergoeding van f. 160 per
procent prijsstijging. Zij wilden meer ge-

specificeerd zien op welke wijze met de
zwakke bedrijfstakken rekening zou

worden gehouden. Mijns inziens zou
hierover wel degelijk overeenstemming
kunnen worden verkregen. Het princi-

piële argument van werkgevers betreft
de vergoedingen voor prijsstijgingen

om daarmede inkomens te nivelleren.
Het prijscompensatie-mechanisme mag
volgens de werkgevers niet gebruikt
worden voor spreiding van inkomens.

Zij vinden fiscale maatregelen eerlijker.
Toegegeven moet worden dat op de
lange termijn inkomensherverdeling een
te belangrijke zaak is om deze over te
laten aan het al dan niet aanwezig zijn
van forse prijsstijgingen.

A7L
.
eco”

Verslag van De Nederlandsche Bank over het jaar 1972, blz. 14.
Zie
Algemeen Dagblad,
d.d. 10november.

ESB 21-11-1973

1007

Overgang

naar een nieuw energietijdperk

MR.H. VERSLOOT*

Vrijwel algemeen worden thans uit het gebeurde met de
olie de volgende conclusies aanvaard.

De restrictie van de olieproduktie door het OPEC-staten-
kartel is blijvend. Onzeker is op welk peil de rest rictie uit-
eindelijk gesteld zal worden, als het – bijkomstige –
gebruik als politiek wapen eenmaal zal zijn beëindigd.
Onzeker is welke wijzigingen in de produktieomvang,
hetzij uit breidend
of
inkrimpend, de OPEC-landen daarna
nog nuttig kunnen vinden.

De inkomstenstroom van de OPEC-landen kan door hen
onafhankelijk van inkrinipingen van de produktieomvang
gestabiliseerd
of
vergroot worden; de vraag naar olie is
zo
weinig prjs-elastisch dat er voorlopig geen gevaar dreigt
dat de verkleinde quota onverkocht zouden blijven.
Het systeem van vrije, private handel in olie is ten einde.
De oliemaatschappijen, eens zo machtig, zijn in elk geval
friteljk gearabiseerd, en zullen waarschijnlijk ook rech-
tens in toenemende mate in Arabische handen overgaan.
De voorzieningen van Japan en West-Europa met energie
is staatszaak geworden, en wel zo mogelijk een nog fn-
damentelere dan de zorg voor defrnsie.

Nieuw olietijdperk

Wij beginnen het nieuwe olietijdperk niet geheel onvoor

bereid, dankzij de aardgaswinning, maar wel uiterst kwets-
baar. De Rotterdamse haven is berekend op een aanvoer
van ruwe olie, die het binnenlandse verbruik daarvan verre
overtreft (1972: ca. 130 mln. ton aanvoer, waarvan 60 mln.
ton werd doorgevoerd per pijpleiding of overzee). Boven-dien echter is onze binnenlandse raffinage-capaciteit voor
ongeveer 2/3 werkzaam voor de export van olieprodukten. Van ons aardgas dat de binnenlandse energiebehoefte voor
90% zou kunnen dekken, exporteren wij 2/5 deel. Ruim 20%
van onze binnenlandse energiebehoefte ontstaat door ver

liezen bij het omzetten van energiedragers in andere
energiedragers, met name in elektriciteit.
Uiterst belangrijk is dat onze industrie nog slechts voor
een klein deel (14,3%) haar energiebehoefte uit olie dekt
(21,1 biljoen kilocalorieën op een energietotaal van 147,9).
Onze energiebalans over 1972 is weergegeven in bijgaande
tabel, waarbij slechts dient te worden opgemerkt, dat de
splitsing van het mutatieverlies van olieraffinaderijen (124,5 biljoen kilocalorieen) over export en binnenland is berekend
door het totale binnenlandse verbruik oliederivaten te stellen
op 169,0 biljoen kilocalorieën + 1,6 + 100/ 66,1 x 14,9 en

daarover 17,9/82, le deel als binnenlands mutatieverlies aan
te nemen.
In het systeem van het CBS blijft het binnenlands verbruik
van elektriciteit toegerekend aan de oorspronkelijke energie-

dragers, waaruit de elektriciteit is opgewekt.
Het berekenen van een at’hankelijkhetdspercentage is
niet erg zinvol, omdat een deel van onze nationale economie
bestaat uit het ten dienste van het buitenland muteren van

energiedragers (raffineren van aardolie) of doorleveren daar-
van (aardgas). Voor het behouden van die positie zijn wij in
1972 voor rüim 64% afhankelijk geweest van import. Als wij

afzien van deze handel in energie en de daaraan verbonden

deviezen en werkgelegenheid, waren wij in 1972 voor onze in-

terne energiebehoefte van 545,2 biljoen kilocalorieën geheel
self-supporting, althans in kilocalorieën. Wij moesten dan alleen de vraag oplossen hoe wij 160 biljoen kilocalorieen
de vloeibare vorm geven waaraan in 1972 kennelijk behoefte

bestond.

Doeleinden van de olieproduktiebepërking

De tegen Nederland gerichte totale Arabische boycot dient
te worden onderscheiden van de algemene beperking in de

olieproduktie. Het is onwaarschijnlijk dat het aangegeven politieke doel van deze boycot – strafsanctie voor een on-
welgevallig Nederlands beleid inzake lsrael – haar geheel
motiveert. Een drietal mogelijke nevendoelen lijken belang-

rijker:
psychologische introductie van de nieuwe machtspositie
van het OPEC-kartel (een olie-boycot was tot. op heden
ofwel een oorlogsdaad ofwel een daad van internationale

rechtspleging);
ontwrichting van het logistieke systeem der internationale
oliemaatschappijen en van de in Nederland daarvoor aan-
wezige infrastructuur;
mede daardoor het bij voorbaat wegnemen van eventuele
Nederlandse tegenstand tegen een Fra ns-geïnspireerde
Europese energiepolitiek. Deze immers zal nauwe coöpe-
ratie zoeken met de Arabische OPEC-landen en gericht
zijn tegen de Amerikaans-Engels-Nederlandse internatio-

nals.

Zowel de Franse zeehavenpolitiek als het eigen Franse be-
leid in energiewinning en in Arabische zaken versterkt deze

veronderstellingen over het achter de uitgesproken bedoelin-

gen liggende nut van de speciale anti-Nederlandse boycot.

Val van de internationale olie-maatschappijen

De val van de internationale oliemaatschappijen zullen wij
als een feit moeten beschouwen, rechtstreeks samenhangend
met de patstelling tussen het Oost- en Westblok en met de
vorming van een de produktie beheersend statenblok. Of
het behoud van het door de oliemaatschappijen onderhouden
logistieke systeem van aanvoerspreiding verdere waarde
heeft voor.ons hangt af van.de resterende rol van Arabische
olie als energiedrager. Alleen in zoverre is het voor ons in

* De auteur is lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal voor de
PvdA.

1008

Nederland van belang aangesloten te blijven bij een dan toch
Arabisch-Frans gedomineerd distributiesysteem.
Om deze situatie te analyseren moeten wij ervan uitgaan
dat de Rotterdamse aanvoer- en raffinagefunctie behalve
voor onze directe omgeving verloren is. Hoe behouden wij voor het overige onze energie- en grondstoffenvoorziening
in voldoende mate om niet tot armoede te vervallen en een
nieuwe toekomst op te bouwen?
Stel dat wij 20% van onze totale olie-import uit niet-OPEC landen kunnen blijven betrekken; dat zou 200 x
1012
kilocalo-
neen op basis 1972 kunnen opleveren, te zamen met 20 een-
heden eigen olieproduktie, minus ca. 50 eenheden voor
scheepsbunkering, blijft 170 eenheden voor binnenlands ge-
bruik in plaats van ca. 230 eenheden in 1972. Een gat in deze orde van grootte zou gedekt kunnen werden door een hogere
produktie van aardgas en omzetting van het meerdere in
bijvoorbeeld methanol als vloeibare energiedrager. Het kan
ook gedekt worden door spoedige ontwikkeling van een
aardgasbrandstofcel, die ons kan bevrijden van het lage ren-dement van de omzetting van olie of aardgas in elektriciteit, waaraan wij in 1972 ruim 70 eenheden verloren.
Tenslotte kan het gedekt worden door vervanging van de
elektriciteitspröduktie uit fossiele energiedragers door kern-
splitsing, waardoor op basis van 1972 maximaal 100 een-
heden gas en olie voor ander gebruik zouden vrijkomen.
Een dergelijk proces zou echter vele jaren in beslag nemen en
ons over nog veel meer jaren naweeen bezorgen. Het komt
dus (anders dan ik in
NRC Handelsblad
van 4 en 6 novem-
ber jI. veronderstelde) zeker niet als maatregel op korte ter-
mijn in aanmerking. Beperking in het consumptieve gebruik van energie is tij-
delijk mogelijk, maar heeft een zeer gering effect. Het totale
wegverkeer gebruikte in 1972 ca. 60 eenheden benzine en die-
selolie, waarnaast 110 eenheden stookolie en petroleum
staan. In de consumptieve sfeer ligt hiervan maximaal 25 een-
heden benzine en 45 eenheden stookolie. Het elektriciteits-
verbruik in de gezinnen omvatte 9 eenheden, staande voor
ca. 30 eenheden fossiele energiedragers. Een allround bezui-
niging op dit gebruik van 15% op basis 1972 – en dat is vrij
fors – levert ca. 15 eenheden op bij een gat van 60. Bij dit alles
is dan verondersteld:
dat de olie-boycot volledig tegen Nederland blijft gehand-

haafd; dat vanuit de EG-landen geen enkel soelaas wordt geboden,
tenzij volledig op (veronderstelde) Franse termen;
dat wij trachten onze aardgasexport niettemin te handha-
ven.

Indien de beide eerste veronderstellingen waar zouden blij-
ken, behoeft de derde echter niet volledig gehandhaafd te
worden. In dat geval is halvering van de export en omzetting
in methanol afdoende om de grondslag te leggen voor ons
voortbestaan.

Staatszaak
De geanalyseerde situatie is een uiterst extreme, zij het he-
laas niet meer een ondenkbare. De voor die situatie aange-
duide oplossingen zijn ofwel gebaseerd op aardgas, ofwel op
kernenergie, en dus beide tijdelijk, en de laatste vooral gevaar

lijk en evenmin onafhankelijk als energievoorziening geba-

seerd op olie. Het blijft dus noodzakelijk de ontwikkeling
ter hand te nemen van andere enrgiestromen: zonlicht,
wind- en waterenergie, zo mogelijk ook kernfusie.

Nu de energievoorziening staatszaak is geworden, is ener-

gie-ontwikkeling dat des te meer, vooral ook omdat tijdens

bepaalde fasen, met name die van de overgang van research
naar technische toepassing, het ontwikkelingsproces uiterst
kwetsbaar is voor manipulaties met de prijs van door de
nieuwe ontwikkeling bedreigde energiedragers.
Samenwerking met andere staten is uiteraard zeer wense-lijk. Nu het twijfelachtig is of Frankrijk niet ook op het punt
van energiebeleid de EG wil benutten voor zijn eigen concep-

Energiebalans Nederland 1972

(samengevat uit CBS,
De Nederlandse energiehuishouding,

no. 4, 1972) in biljoenen kilocalorieën.

Kolen
Gas
Olie
Kern-
Totaal
energie

19,7
491,5
16,4
0,3 527,9
28,8

975.1

003,9
verbruikte voorraad
3,4
,’- 0,7
28,4

31,1

totaal beschikbaar
51,9
490,8
1019,9
0,3
1562.9

niet voor binnenland:
export

………………
7′-
21,1

-7′-
204,3

7′-
594,7

-7′-
820,1

produktie

…………….



-7′-

115,2

-7′-

115.2

invoer

……………….

mutatieverlies export
raf
fi
nage prod
………….


-7′-
82,4

-7′-

82,4

-/-
21,1

-7′-
204,3

-7′-
792,3

-/-

017,7

beschikbaar voor binnenland:
30,8 286,5
227,6
0.3 545,2

bunkering

…………….

mutatieverliezen cnergiebedr.:

.

etekir. produktie (66,1%)
-7′-

4,3

-7′-

51,9

-7′-

14,9

-7′-

71,1
raff. prod. binnenland(l7,9%)

-7′-

0.5

-7′-

42,1

-7′-

42,6
overige energie bedr.

……
-7′-

3,8

-7′-

6,0

-7′-

1,6

-7′-

11,4

-,’-

8,1
-7′-.
58,4
-7′-
58.6

-7′-
125,1

verbruik binnenland waarvan:
22,7
228,1
169,0
0.3
420,1

industrie, overheid, agraç. ..
20,1
155,3
62,2
0,3 237,9
huishoudingen
2,6
72,8
46,5

121.9

.


60,4

60,4

hiervan in de vorm van elek-
triciteit

vervoer

………………

industrie, overheid, agrar

.
(1,5)
(19,0)
(5.5)
0.3
26,3
huisboudingen
(0,5) (6,3) (1,8)

8,6


(0,8)
-.
0,8
vervoer

………………

(2.0)
(25,3)
(8.1)
0.3
35,7

ties, zou wellicht samenwerking met de Noordzee-staten
denkbaar zijn, waarbij Nederland een initiatiefnemende,
althans verkennende rol kan vervullen. Samenwerking met
oliemaatschappijen als dragers van technische know-how
is evenzeer wenselijk, maar gegeven hun feitelijke en straks
wellicht ook juridische Arabisering zal die samenwerking
zeker geen regeringsminderheid toelaten, liefst een 51% meer-
derheid. De oliemaatschappijen hebben er alle belang bij zij-
wegen te openen en open te houden, maar het mag niet moge-
lijk zijn langs die zijwegen binnen te sluipen.

Tenslotte: het OPEC-kartel is, evenmin als Frans-Arabi-
sche samenwerking, niet steeds volledig stabiel en eensgezind. Het zal van belang zijn een zodanig beleid te voeren, dat even-
tuele meningsverschillen geaccentueerd worden. Dat is stel-
lig het geval als ons beleid er met kans op succes op kan wor-

den gericht, zowel olie als energie-grondstof als de infrastruc-
tuur voor raffinage en transport in snel tempo los te laten.
Hoe meer de overtuiging gewekt kan worden dat een agres-
siefOPEC-beleid t.a.v. produktiebeperking en prijsverhoging
op korte termijn kan worden beantwoord met substitutie
door andere energiedragers, des te meer ontstaat ook weer

de kans op een aanvaardbare onderhandelingssituatie, waar-
in eventueel zelfs de Rotterdamse functie niet catastrofaal
hoeft te eindigen.

Primaire elementen voor een Nederlands energiebeleid
zijn in dit verband:

het binden van het recht om olie in ons land te importeren,

raffineren en het produkt te distribueren aan concessies, waarbij om, het Nederlandse karakter van de concessio-
naris en zijn importquota geregeld kunnen worden;

het oprichten van een energie-ontwikkelingsmaatschappij, met 49% deelname van produktie- en raffinage concessio-
narissen;

het aankondigen dat Nederland vanaf een nader vast te
stellen datum slechts importconcessies zal toestaan t.a.v.
uitvoerlanden, waarmee het een verdrag over hoeveelheid en prijs gesloten heeft;

het aankondigen dat Nederland zich het recht voorbehoudt

ontwikkeling van éigen energiebronnen en -dragers zono-
dig te beschermen door heffingen;

het openstellen van deelneming aan dit beleid voor (en

het actief zoeken van medewerking van) andere staten in
gelijksoortige situaties;
(slot op
blz. 1024)

ESB 21-11-1973

1009 –

De ontwikkeling

van de beroepsbevolking in Nederland

op middellange termij*n

DRS. J. J. VAN DER LEE*

1. Inleiding

In 1947 bedroeg het aandeel van de beroepsbevolking

in de totale bevolking in Nederland 40,2%, in 1960 36,4% en

in 1971 36,3% 1). De stabilisatie in de periode 1960-1971
kwam voor velen onverwacht. De bedoeling van dit artikel is

de voornaamste factoren, die de ontwikkeling van dit be-
roepsbevolkingspercentage beïnvloeden, op te sporen. Vele

maatschappelijke verschijnselen zoals de deelname aan het
onderwijs, de hoogte van de pensioenen e.a. kunnen daarbij,

direct of indirect, van belang zijn. Tenslotte zijn er voor de

middellange termijn enkele berekeningen uitgevoerd, met als

peiljaar 1985.

2.
Deelnemingspercentage per leeftijdsgroep in 1960 en 1971

Dikwijls wordt gesteld, dat hoe hoger het aandeel van de
20 t/m 65-jarigen in de totale bevolking is, des te hoger is het

aandeel van de beroepsbevolking in de totale bevolking. Dat
naast de leeftijdsopbouw echter ook de verdeling over man-
nen en vrouwen een grote rol speelt, blijkt uit tabel 1.

Tabel 1. Deelnemingspercentages a) per leeftijdsgroep
(15 jaar en ouder) in Nederland in 1960 en 1971 b)

Leeftijd.
mannen
vrouwen

960
1971
1960
1971
in jaren

65
45,1
59
48,1
15 (/m

19

……………
.
20 t/m 24

……………
.
91
89,4
53
54,9
98
96.6
17
23,7
97
93.3
16
20,9
93
87,7
14
17,6
81
75.2
10
12,0

25 t/m 49

……………
.
50 t/m 54

……………
.
55 t/m 59

……………
.

20
14,1 3
3,1
50 t/m 64

……………
.
55 en ouder
…………..
.

15 jaar en ouder
82,6e)
78,1
22,6e)
25,4

Het deelnemingspercentage is de fractie, die de personen met beroep vormen, van een be-
paalde leeftijdsgroep. Personen met beroep zijn de werkende en de tijdelijk werklozen
(volgens de definitie van het CBS).
Volgens de definitieve resp. voorlopige uitkomsten van de volkstelling in 1960 resp. 1971.
Het percentage voor de leeftijdsgroep 1 Sjaar en ouder in 1960 is berekend op basis van de
veronderstelling dat het aantal 14-jarigen eenzesde van het aantal 14 t/m 19-jarigen was.

Het deelnemingspercentage van 0 t! m 14-jarigen is uit deze
tabel weggelaten, omdat het, als gevolg van de leerplicht, te verwaarlozen klein is. Het deelnemingspercentage van man-

nen in 1971 stijgt van 45,1 (IS t/m 19 jaar) tot een maximum

van 96,6 (25 t/m 49 jaar), vervolgens treedt er een progessieve
daling op tot 75,2 (60 t/m 64 jaar.) en 14,1 (65 en ouder). Bij

de vrouwen is slechts voor de 15 t/m 19-jarigen het deelne-
mingspercentage vrijwel gelijkaan dat van de mannen; bij de

volgende leeftijdsgroepen daalt het snel tot 23,7 (25 t/m 49
jaar), o.a. wegens het huwen. De ontwikkeling in de periode 1960-1971 kenmerkt zich
door een sterke daling van het deelnemingspercentage bij de

15 t/m 19-jarigen, een matige daling bij de mannen van 50
jaar en ouder en een relatief vrij belangrijke stijging bij de

vrouwen van 20 jaar en ouder.
Het is uit het voorgaande duidelijk, dat de samenstelling

van de bevolking naar leeftijd en sexe het aandeel van de
beroepsbevolking in de totale bevolking beïnvloedt. Factoren
als de geboortegolf in 1946/1947 en de relatieve afname van

het aantal kinderen per gezin sinds ca. 1965, spelen een rol bij de prognose. De overige factoren, die het beroepsbevol-

kingspercentage beïnvloeden, zullen in de nu volgende para-
grafen worden behandeld.

3.
De invloed van de deelname aan het onderwijs

De ontwikkeling van de deelname aan het dagonderwijs

in de periode 1958-1970 blijkt uit tabel 2.

Tabel 2. Deelname aan het dagonderwijs in pro mille in

1958, 1964, 1969 a)

leeftijd in iaren

jaar

17 t/m 19

20 t/m24

25

mannen t vrouwen t mannen t vrouwen t
mannen
t
vrouwen

1958
………
224

120

75

23

St

8
964……..267

153

99

31

53

10
1970……..381

212

138

45

72

18

a) De gegevens voor 1958 t/m 1970zijn ontleend aan:
De Nederlandsejeugd en haar onder-
nijs 197011971, CBS, blz. 38 en 42.

De 16-jarigen zijn in deze tabel weggelaten, omdat een ver-
hoging van de leerplichtige leeftijd tot 16 jaar v66r 1985 te
verwachten valt.
Uit tabel 2 blijkt, dat het percentage 17 t/ m 19-jarige man-

nen, dat aan het dagonderwijs deelneemt, in 1958 en 1970
resp. 22,4 en 38,1 was; een stijging met 70% in twaalf jaar.
Bij de vrouwen in dezelfde leeftijdsgroep was de stijgings zelfs
90%. De stijging bij de 20 t/m 24-jarigen was nog hoger,
namelijk 80 en 100% voor resp. mannen en vrouwen, wat

resulteerde in deelnemingspercentages aan het onderwijs van
resp. 13,8 en
4,5.
De geschetste ontwikkeling van de deel-
name aan het onderwijs, kan explosief worden genoemd ‘en

heeft belangrijke consequenties voor de beroepsbevolking.
Bij de jonge mannen geldt, dat optelling van de deelnemings-

percentages van het dagonderwijs (1961) en van de beroeps-

bevolking (1960) ca. 100% oplevert 2). De groei van het dag-

* De auteur is medewerker bij het Ingenieursbureau Dwars, Heede-.
rik en Verheij BV te Amersfoort.

Zie:
Voorlopige uitkomsten Volksie/ling 1971,
CBS.
De deelname aan het Onderwijs van mannen van 15 t/m 19 en 20
t, m 24 jaar was in 1961 resp. 358 en 86 pro mille, zie ook:
De Neder-
landse jeugd en haar onderwijs 197011971.

1010

onderwijs bij de 17 t/m 24-jarige mannen betekent dus een
even grote teruggang van de beroepsbevolking.

Bij de vrouwen van 17 t/ m 24 jaar, wordt het aantal be-

roepspersonen, behalve door de deelname aan het onderwijs,

ook door het in het huwelijk treden beïnvloed. Optelling van
juist genoemde drie groepen, levert een totaal op van resp.

87 en 95% voor de 15 t/m 19- en 20 t/m 24-jarigen. Dertien
resp. vijf procent is niet gehuwd, volgt geen dagonderwijs en

neemt niet deel aan het arbeidsproces. Te denken valt aan
meisjes, die thuis met de verzorging van het gezin helpen;

waarschijnlijk zal deze categorie in de loop van de tijd o.m.

onder invloed van een hogere deelname aan het dagonderwijs
afnemen.
De ontwikkeling van de pensioenen

In de afgelopen jaren zijn de pensioenen belangrijk ver-
beterd, voornamelijk onder invloed van de relatieve stijging
van de AOW. De sterke vermindering van het aantal beroeps-

personen boven 65 jaar laat zich dan ook uit de verbetering

van de pensioene.n verklaren. De deelnemingspercentages
voor mannen en vrouwen boven de 65 jaar zijn resp. van 20
en 3 in 1960,gedaald tot resp. 14 en 3 in 1971 (zie tabel 1).

De invloed van de sociale verzekeringen

In tabel 1 valt een belangrijke daling te constateren van het

deelnemingspercentage bij de mannen van 50 t! m 65 jaar in
de periode 1960-1971. De sociale wetgeving, met name de in-
voering van de Wet op de Arbeids Ongeschiktheid (WAO) en

de snelle evolutie in de produktiestructuur doen hier duidelijk
hun invloed gelden.

De ongehuwde en de gehuwde vrouw en de deelname aan
het arbeidsproces

Het deelnemingspercentage van alle vrouwen boven de 15
jaar is gestegen van 22,6 in 1960 tot 25,4 in 1971 (tabel 1).
Deze lichte stijging is een gevolg van:

een stijging van het percentage gehuwde vrouwen met
beroep van 7 in 1960 tot ca. 20 in 1970 (bijna een verdrie-dubbeling!) 3);

een daling van het aantal ongehuwden in de leeftijdsgroep
van 15 t/m 65 jaar in dezelfde periode van 31 tot 26% 3);
de stijging van de deelname aan het dagonderwijs met name

voor de groep van 15 t/ m 20 jaar (zie tabel 2).

De stijging van het deelnemingspercentage van de gehuw-
de vrouwen werd in belangrijke mate gecompenseerd door

een afname van het aantal ongehuwden (deelnemingspercen-
tage van de ongehuwde en gehuwde vrouwen was resp. 62

en 7 in 1960 (zie ook tabel 3) en een hogere deelname aan het dagonderwijs. De ongehuwden en de gehuwd-geweest-zijnde

vrouwen zijn in het voorgaande om statistische redenen
als één groep gehanteerd, waarin het aantal ongehuwden

sterk overheerst. Dat Nederland wat de deelnemingspercen-
tages betreft van met name de gehuwde vrouwen geen uit-

zondering meer vormt in Europa, mag blijken uit tabel 3.
Het percentage werkende gehuwde vrouwen was in Neder

land in 1960 met 7% één van de laagste in Europa: in 1971
was dat percentage gestegen tot ca. 20, vergeleken met de an-
dere landen in 1960 iets beneden het gemiddelde 4). Als een

relatief maximum kan het percentage van Finland worden
beschouwd, waar 45% van de gehuwde vrouwen een beroep
uitoefent.

Een verband tussen het deelnemingspercentage en de urba-
nisatiegraad van een land valt uit bovenstaande tabel niet af
te leiden; vergelijk bijv. Finland met zijn geringe stedelijke

concentratie met het sterk verstedelijkte Groot-Brittannië.

Het deelnemingspercentage van de gehuwde vrouw in Neder

Tabel 3. Deelnemingspercentages van de vrouwen van 15

t/m 64 jaar in een aantal Westeuropese landen in ca. 1960 a)

Land

Deelnemingspercentage

ongehuwd of
gehuwd gehuwd geweest

23
100
23
België

………………………………..92
Denemarken

…………………………..
76
45
Fintand
………………………………
Frankrijk

……………………………..
54
33
Groot-Brittannië

……………………….
72
42
66
6
62
7
61 10

Ierland

……………………………….

92
42

Nederland

…………………………….
Noorwegen

……………………………

97
34
Oostenrijk

…………………………….

58
14
West-Duitsland

………………………..
Ijsland

……………………………….
59
42
Zweden

………………………………
zwitserland

……………………………
77
17

a) Vgl.
Demogrophic yearbook 1968

land is blijkbaar aan sterke veranderingen onderhevig; de
oorzaken hiervan worden voornamelijk gezocht in een stij-
ging van het onderwijspeil, het toenemen van de urbanisatie-
graad en! of het aantal arbeidsplaatsen in de tertiaire sector en

een afname van het aantal kinderen per gezin. De genoemde
factoren kunnen als volgt worden toegelicht.

Een rapport van het ETI te Utrecht 5) vermeldt, dat van al-
le vrouwen van 14 jaar en ouder in de provincie Utrecht, die
lager onderwijs, mulo, vhmo en hoger onderwijs hadden ge-
noten, resp. 22, 41, 39 en 49% werkten (1960) 6).

De invloed van de urbanisatiegraad en van het relatieve

aantal arbeidsplaatsen in de dienstensector op de deelne-
mingspercentages zijn moeilijk te scheiden; als er voortaan

gesproken wordt over de invloed van de urbanisatiegraad

dan wordt daarmee impliciet ook de mogelijke invloed van de
tertiaïre sector bedoeld.

Uit een rapport van de SER over de arbeid van vrouwen

in Nederland blijkt een vrij belangrijke invloed van de urba-

nisatiegraad en een minder belangrijke invloed van het aan-
tal kinderen. Er werd geconstateerd, dat het deelnemings-
percentage van de gehuwde vrouw in gemeenten met meer

resp. minder dan 20.000 inwoners 8 resp. 4 was (in 1960 voor
de leeftijdsgroep van 20 t/m 44 jaar). Bij resp. geen, onafhan-
kelijke en afhankelijke kinderen was het deelnemingspercen-

tage van de gehuwde vrouw resp. 12,5, 6,2 en 5,3 in 1960.

In andere Europese landen blijken de deelnemingspercen-
tages van de gehuwde vrouwen sterk samen te hangen met

het aantal kinderen 8). Dit blijkt het duideljkste uit de gege-
vens voor Frankrijk en Noorwegen. In 1962 werkte in Noor

wegen 17% van de gehuwde vrouwen zonder kinderen, 10%

van die met één kind en bij het verder toenemen van de ge-
zinsgrootte daalde het percentage sterk. In Frankrijk is het

deelnemingspercentage van de gehuwde vrouw (excl. in agra-risch milieu) in 1968 bij geen kinderen, één kind, twee, drie of

meer kinderen beneden de 17 jaar resp. 33,1, 42,6, 26,2 en
12,8 8).

Het is waarschijnlijk, dat het gestegen deelnemingspercen-
tage van de gehuwde vrouwen in Nederland evenals in andere

landen, zal worden beïnvloed door het aantal kinderen per
gezin. Het is natuurlijk ook mogelijk, dat de wens om te wer-

Vgl. Uitkomsten Volkstellingen 1960 en 1971 (voorlopig).

Uit het rapport van Mme Evelyne Sullerot,
De vrouwenarbeiden
de daarmee verbonden problematiek in de lidstaten van de EEG,
big. 62 t/ m 65, valt een geringe verlaging van het deelnemingspercen-
tage af te leiden van alle vrouwen boven de 14 jaar in de lidstaten in
de periode 1960-1968.
Rapport betreffende het toekomstig vrouwelijk arbeidspotenzieel
in de provincie Utrecht,
ETI, Utrecht, 1967.
Ook in andere landen doet zich deze tendens voor, vgl.
Employ-
ment of women,
OECD, blz. IS, 1970.
Advies over de arbeid van vrouwen in Nederland in het kader van
de situatie op de arbeidsmarkt,
SER, 1966.
Employment of women,
OECD, biz. 20 en 21, 1970.

ESB 21-11-1973

1011

ken leidt tot een beperking van het kindertal; in beide geval-

len is het uiteindelijke resultaat echter hetzelfde.

,,Tenslotte schijnt de heersende ideologie niet zo’n belang-
rijke rol te spelen: het Duitsland van de ,,Kinder, Küche,

Kirche” heeft veel werkende vrouwen en Vlaanderen waar
de opinie over het algemeen gekant is tegen de vrouwenarbeid

heeft een hogere bedrijvigheidsgraad dan de verdraagzame provincie Luik. Bretagne dat zeer katholiek is en een tradi-

tionele visie op de vrouw heeft telt meer werkende vrouwen
dan Zuidwest-Frankrijk dat traditioneel socialistisch is. De

vrouwelijke bedrjvigheidsgraad verschilt niet noemenswaar-
dig bij protestanten en katholieken (bijvoorbeeld in Neder-

land) 9).
Uit het voorgaande vallen de volgende conclusies te trek-

ken t.a.v. de deelname van vrouwen van 20 t/ m 65 jaar aan het

arbeidsproces: in de eerste plaats is het aandeel van de onge-
huwden in die leeftijdsgroep van belang (het deelnemingsper

centage van ongehuwden is immers veel hoger dan dat van ge-

huwden); bij de gehuwde vrouwen wordt het deelnemingsper-

centage duidelijk beïnvloed door het opleidingsniveau, de ur-

banisatiegraad en het aantal kinderen per gezin.

7. De verwachte ontwikkeling van de factoren, die het

deelnemingspercentage beïnvloeden, in de periode 1971-1985

Een prognose van het deelnemingspercentage in Nederland
voor het jaar 1985 is een riskante zaak, omdat de invioeds-

factoren enerzijds afhankelijk zijn van het overheidsbeleid

(AOW, WAO enz.) en anderzijds van zeer individuele en
nauwelijks voorspelbare wensen van ouders t.a.v. het aantal

kinderen 10); daar het echter om een groot aantal factoren

gaat is het waarschijnlijk, dat schattingsfouten elkaar ge-
deeltelijk zullen compenseren. De berekening is voorts zoda-
nig opgezet, dat gemakkelijk nieuwe gegevens kunnen wor

den ingepast. De veronderstellingen, waarvan de berekenin-
gen voor 1985 uitgaan, zullen nu worden samengevat II).

Leeftijdsgroep 17 /m 19 jaar
Bij de mannen valt een stijging van de deelname aan het

dagonderwijs te verwachten, die slechts iets hoger is dan de
gemiddelde jaarlijkse toename in de periode 1964-1970 i.v.m.
het naderen van het verzadïgingsniveau. Bij de vrouwen

wordt een versnelde stijging verwacht op grond van de lage
startwaarde in 1970. Bij de mannen wordt de stijging van de deelname aan het

onderwijs in de periode 1970-1985 geraamd op 20 pro mille
per jaar (was 13 pro mille en 19 pro mille p.j. in resp. de
periode 1958-1970 en 1964-1970), bij de vrouwen wordt de

stijging voor dezelfde periode geraamd op 12 pro mille per
jaar (was 5 en 10 pro mille p.j. in resp. de periode 1958-1970

en 1964-1970).

Mannen en vrouwen 20 t/m 25 jaar

De wens om onderwijs op universitair of hoger beroeps-

niveau te volgen zal ongetwijfeld toenemen. Toch zijn er ook
wel tegenkrachten te verwachten, zoals de wens om een be-
paald ,,niveau” te handhaven en budgettaire overwegingen.

De jaarlijkse groei van de deelname aan het onderwijs in de
periode 1970-1985 is daarom bij de mannen even hoog ge-
raamd als die in de periode 1964- 1970; terwijl voot de vrou-

wen een zekere ,,inhaal” verondersteld is, dus een sterkere
groei dan in de periode 1964- 1970. Het percentage gehuwde
vrouwen is, in overeenstemming met een berekening van het CBS 12), gesteld op 45%.

Mannen 50 t/m 64 jaar

De verwachting is, dat de invloed van de WAO (invoering
1967) in de periode tot 1985 minder sterk zal doorwerken dan
in de afgelopen periode. Als deelnemingspercentages voor de

leeftijdsgroepen 50 t! m 54, 55 t/ m 59 en 60 t/ m 64 jaar wor-den resp. 90, 85 en 70% aangehouden: een daling, die per jaar

gerekend, iets lager is dan die in de periode 1960-1971.

Mannen en vrouwen 65 jaar en ouder

Op middellange termijn valt geen trendbreuk in de ver-
betering van de pensioenen te verwachten. In overeenstem-

ming met de bestaande trend en een geringe afremming van de
daling zijn de deelnemingspercentages gesteld op 10 en 3 voor
resp. mannen en vrouwen in 1985.

Vrouwen van 25 t/m 64 jaar

Het aandeel van de ongehuwde vrouwen in de leeftijds-
groep van 15 t/m 64 jaar zal, volgens de berekening van het

CBS, dalen van 26% in 1971 tot 19% in 1985 (het aandeel

gehuwden in de leeftijd 15 t/m 19 jaar is zowel in 1971 als in

1985
5%)
12). Het deelnemingspercentage van de gehuwden

zal in de periode 197 1-1985 waarschijnlijk toenemen, omdat
verwacht mag worden dat de urbanisatiegraad en het onder-

wijspeil zullen stijgen en het aantal kinderen per gezin zal da-
len. Het deelnemingspercentage van de vrouwen van 25 t/m

64 jaar, gehuwd en ongehuwd te zamen, zal naar verwach-
ting gelijk blijven of licht stijgen in de periode 197 1-1985.

8. Vooruitberekeningen voor 1985

Om tot een redelijke minimum- en maximum-raming te

komen, zijn drie tamelijk onzekere factoren gevarieerd. De
minimum-berekening gaat uit van een leerplichtige leeftijd

van 17 jaar (was 15 jaar in 1973), een deelnemingspercentage
van de vrouwen van 25 t/m 64 jaar gelijk aan dat in 1971 en

de leeftijdsopbouw die behoort bij de hoge bevolkingsraming

van het CBS 13).
De maximum-berekening gaat uit van de leeftijdsopbouw

die behoort bij de lage bevolkingsraming van het CBS, een
leerplichtige leeftijd van 16 jaar en een stijging van het deel-
nemingspercentage van de vrouwen van 25 t! m 64jaar met de

helft van de stijging in de periode 1960-1971 (een vertraging
van de stijging lijkt waarschijnlijk bij het benaderen van de
percentages werkende gehuwde vrouwen van landen als Fin-

land, Groot-Brittannië en Zweden).
De resultaten van de minimum-berekening worden in

tabel 4 samengevat.

Tabel 4. Berekening beroepsbevolkingspercentage in 1985
(minimum)

Leeftjds-
Bevolking inYm
Deelnemingspercentage
Beroepsbev. in°,l,o
groep in
jaren
mannen
vrouwen
mannen
vrouwen
mannen
vrouwen

17
8
7,6
0 0
0
0
l8en

19….
16
15,2
32 54
5,1
8,2
20 t/m 24

. .
40
39 78
55
31,2
21,5
25 t/m 49

..
178
169
98 24
174,4
40.6
50 t/m 54

..
26 25 90
21
23,4.
5,3
55
t/m 59

..
24 25 85
18
20,4
4,5
60 t/m 64

..
20 22
70
12
14,0
2,6
65 en ouder
46
67
10
3
4,6
2,0

Totaal
358
369,8
273,1
84,7

Mme Evelyne Sullerot,
De vrouwenarbeid en de daarmee verbon-
den problematiek in de lidstaten van de EEG,
blz. 27.
Vergelijk de elkaar snel opvolgende berekeningen van het CBS van het inwonertal in Nederland in 2000 met als uitkomsten 18, 20,
17 en (zeer recent) 15 â 16 mln.
II) De
leeftijdsopbouw
van de bevolking is ontleend aan het
Statis-
tisch bulletin
van 28 mei 1973 van het
CBS.
Er worden twee alterna-
tieve ramingen, zowel voor de bevolking als voor de leeftijdsopbouw,
gegeven voor de jaren 1975, 1980, 1990 en 2000.

Berekeningen omtrent de toekomstige bevolkingsgroei in Neder-
land in de periode 1970-2000,
blz. 86 en 90,
CBS
1971.

De hoge raming komt uit op 14,7, de lage raming op 14,4 mln. inwoners in 1985; deze uitkomsten zijn verkregen als gemiddelden
van de ramingen van het CBS
voor de jaren 1980 en 1990 gepubli-
ceerd in het
Statistisch bulletin
van 28mei .1973. De leeftijdsopbouw
is op basis van dezelfde publikatie voor 1985 berekend als gemiddelde
van de jaren 1980 en 1990.

1012

Het vakantiepatroon in Europa

DR. M. C. TIDEMAN*

Laat op het politieke terrein de eenwording der Europese

landen nog veel te wensen over – met name zou ten opzichte

van Oost-Europa, het Verre Oosten en de Amerikaanse
landen een synchronisatie en unificatie van handelen meer

kunnen worden overwogen – in statistisch opzicht is er

gelukkig meer overeenstemming. Zo hanteert men sedert
1969 voor de nationale vakantie-onderzoeken een gelijk
vakantiebegrip, namelijk het verblijf voor genoegen buiten
de woonplaats, gedurende tenminste 5 dagen en ‘4 achter

eenvolgende overnachtingen.

In ons land, zowel als in het Verenigd Koninkrijk, Frank-

rijk en de Bondsrepubliek vindt jaarlijks een vakantie-

onderzoek plaats, meestal door het nationale bureau voor
statistiek gehouden, soms door de nationale toeristische
Organisatie (Zweden, Verenigd Koninkrijk) dan wel een

onderzoekbureau (Zwitserland). Dit tast gelukkig de onder-
linge vergelijkbaarheid nauwelijks aan omdat dezelfde be-
grippen worden gehanteerd. Onder ,,netto vakantie-inten-

siteit” wordt verstaan het percentage van de bevolking dat
in de onderzoekperiode (bijna steeds 1 oktober – 30 septem-
ber) één of meermalen met vakantie gaat, het woord

,,vakantie-frequentie” spreekt dan voor zich en het produkt

van deze twee wordt dan bruto vakantie-intensiteit genoemd
(= het aantal vakanties uitgedrukt in een percentage van het

inwonertal). Voor de vergeljkbaarheid gaan wij zoveel
mogelijk uit van het jaar 1970, ook al zijn voor sommige
lande (Ned&tland, Zwitserland) recentere gegevens bekend.

Het vakantiepatroon van Nederlanders

Het hemd is nader dan de rok en dat houdt een doorgaans

grotere belangstelling in voor de situatie in eigen land dan
voor die in het buitenland. Daarom eerst een beknopte

analyse van het vakantiepatroon in ons land.

Het is dan nodig aan bovengenoemde begrippen er nog
één toe te voegen, want sedert het CBS met de reeks jaarlij kse

vakantie-onderzoeken is gestart (1969) werd gebroken met
het verleden en met de gewoonten in alle andere Europese landen om ook vakantie bij familie en kennissen te meten.

Het CBS heeft ervaren dat dit vakantielogies bij onder-
vraging in de maanden oktober – november over de voorbije

12 maanden onvolledig door de respondenten wordt opge-
geven. Daarom heeft het bureau in zijn publikaties aan de

hiervoor genoemde definitie van vakantie toegevoegd ,,mits

in dit verblijf een element van zakelijke dienstverlening te
onderkennen valt”, waardoor het vakantielogies bij familie

en kennissen wordt uitgesloten. Het CBS spreekt dan ook
niet van ,,vakantie-intensiteit”, maar van ,,vakantie-partici-

patie”. Eénmaal in de vier jaren (1966, 1970, 1974enz.) wordt
het nationale vakantie-onderzoek uitgebreid met een

enquête naar de recreatieve dagtochten (= min. 4 uur buitens-
huis zonder overnachtingen) en naar de korte verblijven van
recreatieve aard (= 1, 2 of 3 overnachtingen buitenshuis),
beide gedurende 21 weken in de zomermaanden (mei-sept.).

Omdat voor deze enquête bij dezelfde personen als voor het vakantie-onderzoek niet de retrospectieve vraagstelling kan
worden gehanteerd, maar
daglijsten
moeten worden ingevuld
dië-elke 4 weken door-een-enquêtrice worden opgehaald en

* De auteur is docent marktkennis en horeca-economie aan de
Hogere Hotelschool in Scheveningen en leidt een adviesbureau voor
toerisme en horeca.

Volgens deze tabel is het beroepsbevolkingspercentage
in 1985 minimaal
35,8.
Het maximum bedraagt 37,8%.
Dit is op dezelfde wijze te berekenen. De gevoeligheid van het
resultaat voor de leeftijdsopbouw (die op haar beurt weer

samenhangt met de raming van de bevolkingsgroei) is tame-
lijk grôot: wordt de minimum-berekening uitgevoerd voor
de leeftijdsopbouw die behoort bij de lage bevolkingsraming
dan resulteert dat in

een-beroepsbevolking van 36,4%, te ver-

gelijken met de berekende 35,8% bij de hoge bevolkings-
raming.

9. Samenvatting

Het deelnemingspercentage blijkt te worden beïnvloed
door een groot aantal factoren: de leeftijdsopbouw van de

bevolking en de deelname aan het dagonderwijs spelen een

belangrijke rol evenals de verbeteringen in de sociale voor-zieningen met name de WAO en AOW.

Het deelnemingspercentage van de vrouwen hangt verder

nog samen met het aandeel van de ongehuwden, de urbani-

satiegraad van een land, het onderwijspeil van de vrouwen en
het aantal kinderen per gezin. De deelname van de gehuwde
vrouw zal naar verwachting in de periode 1971-1985 toe-
nemen, zij het wat minder explosief dan in de periode 1960-1971, als gevolg van het toenemen van de urbanisatiegraad,
het stijgen van het onderwijspeil en een afname -van het kin-
dertal per gezin in Nederland; deze ontwikkeling zal geheel
of grotendeels gecompenseerd worden door een daling van

het aandeel van de ongehuwde vrouwen.
De vooruitberekeningen voor 1985 zijn gebaseerd op een
groot aantal veronderstellingen t.a.v. de ontwikkelingen van

de invloedsfactoren. Voor de drie meest onzekere fac-
toren zijn daarom minimum- en maximum-ramingen

gemaakt. Het minimum en maximum beroepsbevolkings-
percentage valt, op grond van de gevarieerde vooronder-

stellingen, te berekenen op resp. 35,8 en 37,8% in 1985. In
1971 bedroeg dit percentage 36,4.

..,,

ESB 21-11-1973

1013

Tabel 1. Vakantielogies van Nederlanders, 1 okt. 1969 –

30 sept. 1970, naar bestemming en logiesvorm, in %

% van
bevollvng

Ontwikkeling in Nederland (1954 – 1980) aan:
713

NVI

netto vakantie-intensiteit
VP

vakantie-participatie
Logies-

In Nederland

In buitenland
Totaal

vormen

Wa)

Za)

Wa)

Za)
Wa)

Za)

Ta)
6C

NVI
Familieen kennissen

71

43

26

10
51

32

34
Hotel,

pension

. .

4

8

51

36
25

17

18

5C
Zomerhuis, bunga-
17
0
1
IS
1
1
low

__________________
Tent, tenthuis

..
. .
13
1

24
1

17
Caravan, vouw-
t
1
t
wagen

………
26

10
23

II
24

10
48

40

d

-‘VP–

– –
______________
3
________ ______ ____________
Boot

_____________
Jeugdherberg,
_:
j

kamphuis
4
Overige
3

30

_______________

– –
Totaal

……
lOOb)

lOOb)

100

lOOb)
lOO

lOOb)

100
1954

’60

’66

’69 707172

1980
1 miljoen

..

0,7

6,5

0,6

3.2
1,3

9,7

11,0

a)W
=
winterperiode (1 oktober 1969-30 april 1970)

met de respondent besproken, kan het CBS voor deze groep
Z
=
zomerperiode (1 mei

30 september (970)
T
z
totale periode.
het logies bij familie en kennissen wel nauwkeurig waar-
b)afrondingsverschil.

nemen en verwerken in de jaarcijfers.
Van hoeveel invloed deze speciale logiesvorm is, komt tot
Tabel 2.

Vakantiepatroon in 8 Europese landen uiting in bijgaande grafiek, waarin een prognose voor 1980
is opgenomen. Daarom ook gaan wij in deze Europese ver-
Periode van

Vakantie-intensiteit
Aandeel

Vakanties
geljking van het vakantiepatroon niet uit van de meest
Landa)

onderzoek

netto
bruto

logies

in buttenl.

recente CBS-cijfers (1972) maar van 1970. Over dat jaar
F.

b)
K.

werd het beeld verkregen, zoals in tabel 1 is aangegeven.
Noorwegen

1/9/69-31/8/70

61
103

38

II b)

Wij leren uit deze staat niet alleen dat 35% van alle
Zwitserland d)
….

970

60
93

23

41

vakanties Xan Nederlanders in 1970 in het buitenland werd
Nederland

1/10/69-30/9/70

60
Ver. Koninkrijk..

1970

±60e)
86

34

35
72

26

14

doorgebracht, maar ook dat de bruto vakantie-intensiteit
969

45
68

42

14

11 mln. vakanties op 12,8 mln, inwoners
=
86% is, een hoog
Bondsrepubliek…1/10/69.30/9/70

38
BelgiO

………..
1/10/66-30/9/67

35 47

23

43 42

16

47
cijfer in Europa, zoals onze tweede tabel aantoont.
Italië

1968

26
28

44

4

De voornaamste verklarende variabelen voor het met

vakantie gaan, zijn in ons land: beschikbaar inkomen, leeftijd,

.
in volgorde van grootte van de brutovakantie.intensiteit.
F.K. is familie en kennissen; personen i.p.v. vakanties.
gezinsfase, onderwijsniveau, beroep en urbanisatiegraad van
teruerekend mcl een aangenomen vakantie-frequentie van ca. 1.25.

de woonplaats. Daarom is de derde plaats van Nederland in
d) voor 1972 resp. 66, 107, 23, 43.

deze lijst opvallend, want de eerste drie variabelen wijzen
uiting komen, waarbij beslist niet alleen
naar economische
daarop beslist niet. Hetgeen voor ons aanleiding was op het
variabelen moet worden gezocht, ook naar sociale, culturele
congres

vakantiebesteding

van

de

Stichting

Recreatie
en psychologische.
(oktober 1972) te pleiten voor een breed onderzoek naar de
achtergronden van dit verschijnsel 1).
M. C.
Tideman
Wellicht is er voor de teruggekeerde vakantieganger aan-
leiding te filosoferen over de verschillen die in deze tabel tot
1)

Zie
tijdschrift
Recreaiie,

1972 no. 6, bi’,.. 21.

Fisconomie

Huurwaarde eigen, huis

DRS. D. A. ALBREGTSE

1. Inleiding

Een Oostenrijks patent van 29 oktober

1849, verklaarde de huurwaarde van het

eigen huis tot belastbaar object voor de
inkomstenbelasting. Dit was de oudste

bepaling tav. de belastbaarheid van de
huurwaarde eigen huis, die Scholten 1)

vond. Vanaf die tijd werden in de diverse
belastingwetgevingen soortgelijke bepa-
lingen opgenomen. De Wet Vermogens-
belasting 1892, die samen met de Wet

Inkomstenbelasting 1893, deel uit-
maakte van een gesplitste inkomsten-

belasting, bepaalde, dat 4% van de
waarde van het vermogen, dat men be-

zat, als inkomsten uit vermogen moest

worden beschouwd. Bij de indiening
van het ontwerp van de wet tot heffing

ener inkomstenbelasting op 24 septem-
ber 1906 (ontwerp-De Meester) bleek

de regeling uit 1892 voor een groot deel

te zijn overgenomen. Veranderingen t.o.v. 1892 hadden hoofdzakelijk be-

trekking op de in de wet van 1892 gehan-

1) W. Scholten, De eigenaar-zeifbewoner
en de inkomstenbelasting,
WFR,
1963, 4675.
1014

teerde waardebegrippen. Voorgesteld

werd om 4% van 80% van de verkoop-waarde van onroerend goed tot inkom-

sten uit vermogen te rekenen. In een
fictief 2) stelsel, waarvan tot dan toe

uitsluitend sprake was, werd het van-

zelfsprekend geacht, dat het totale ver-
m9gen (mcl. het eigen huis) in de be-
lastingwetgeving werd betrokken.

In de Kamer had men bij de behande-
ling van dit wetsontwerp veel bezwaren

tegen het voorgestelde fictief stelsel.

De Meester kwam voor een deel tege-
moet aan die bezwaren en zette het deels
om in een reëel stelsel 2). Ondanks deze
wijziging, was er in 1908 weinig dis-

cussie over de vraag of het juist is het

eigen huis in de inkomstenbelasting-
wetgeving te betrekken. Ofschoon het
totale ontwerp-De Meester door

minister Kolkman werd ingetrokken, be-

vatte het ontwerp, dat deze laatste be-

windsman in 1911 indiende op het ge-bied van de huurwaarde eigen huis in-

houdelijk niets nieuws. Zonder discussie
werd de regeling m.b.t. het eigen huis

overgenomen in de WET IB’14. Ook in
het Besluit IB’41 werd de huurwaarde

van het eigen huis belastbaar gesteld in

art. 29; nader uitgewerkt werd de

regeling in art. 30 lid 1, 2° van het
Besluit lB’41.

2. De huurwaarde eigen huis in de wet
inkomstenbelasting 1964

Aanvankelijk was in de Wet IB’64
geen aparte regeling m.b.t. de huur-
waarde van het eigen huis opgenomen.

Art. 24 van deze wet bevat de alge-
mene bepaling, dat ,,inkomsten uit

vermogen alle niet als winst uit onder-
neming of als inkomsten uit arbeid aan
te merken voordelen zijn, die getrokken
worden uit onroerende en roerende

goederen en uit rechten, die niet op
goederen zijn gevestigd”. De huur-
waarde eigen huis was bij deze bepaling
belastbaar gesteld. De onderhouds-

kosten waren in principe geheel aftrek-baar. In verband met de moeilijkheden,

die men met name onder het Besluit
t.a.v. de bepaling van de huurwaarde

had ondervonden, werd de bruto huur-

waarde bij aanschrijving van 6 mei
1964 van de Staatssecretaris 3) ge-
koppeld aan de voor de personele be-
lasting vastgestelde huurwaarden.

Tijdens het Besluit diende men de

huurwaarde op de voor dat huis onder

normale omstandigheden te bedingen
huur 4) te stellen. Dein de Wet Personele
Belasting vastgelegde huurwaarden
liggen in het algemeen beneden de wer

kelijke huurwaarden. Goedgekeurd

werd, dat, indien desalniettemin de huur-

waarde van een bepaald huis lager zou zijn, dan die m.b.v. de PB-huurwaarde

berekende huurwaarde, men vol-
stond met bijtelling van die lagere,

werkelijke huurwaarde.

Per 1 januari 1971 werd een forfai-

taire regeling m.b.t. de huurwaarde

eigen huis van kracht. Deze is opge-

nomen in art. 42a IB’64. Een belang-
rijke reden om over te gaan tot een

forfaitaire regeling was het feit, dat

omtrent het begrip onderhoudskosten

vaak problemen rezen. Verder was het

maken van onderscheid tussen ener-

zijds aftrekbare onderhoudskosten en
anderzijds niet-aftrekbare kosten ter ver-

betering van de eigen woning een moei-

lijke zaak. Een derde reden, die de
memorie van antwoord 5) bij het be-
trokken wetsontwerp noemt, is, dat de
oorspronkelijke EEG-landen allen een
soortgelijke forfaitaire regeling m.b.t.
de huurwaarde eigen huis hadden. Aan
deze laatste reden hecht ik weinig
waarde.

Bij de totstandkoming van de wette-

lijke regeling van de huurwaarde eigen

huis heeft het door de commissie Van
Lawick 6) uitgebrachte rapport m.b.t.
de huurwaardeproblematiek een belang-

rijke rol gespeeld. De commissie onder-

scheidde twee aspecten aan het eigen
woningbezit: en wel het bestedingsaspect
en het beleggingsaspect. Alleen de huur-

waarde en de onderhoudskosten, die
aan dit laatste aspect toe te rekenen zijn,

Deze rubriek wordt verzorgd door het
Fiscaal-Economisch Instituut der Erasmus Universiteit Rotterdam.

zouden volgens de commissie bij de be-
rekening van het belastbaar inkomen in
aanmerking mogen worden genomen.

De netto belastbare huurwaarde is van-
uit dit gezichtspunt gelijk te stellen aan
de bruto huurwaarde minus de onder-

houdskosten minus een correctie voor
het bestedingsaspect. De commissie-
Van Lawick was van mening, dat het

beleggingsaspect in wezen te verwaar-
lozen was en concludeerde dan ook,
dat men de huurwaarde en daarmee ook
de onderhoudskosten beter buiten be-

schouwing kon laten.

De regering, die de uitgangspunten
van de commissie-Van Lawick voor een

groot deel overnam, verschilde van

mening met de commissie over de grootte

van het beleggings- en bestedingsaspect.

De regering was van mening, dat een, zij
het zeer matige bijtelling 7) gerecht-

vaardigd was. De bijtelling, de netto
huurwaarde, werd afhankelijk gesteld

van de waarde van het huis in het econo-
misch verkeer 8). Met de normale
onderhoudskosten van een in eigendom
hebbend huis werd forfaitair rekening

gehouden. Voor groot onderhoud werd
een aparte regeling ontworpen, die ech-

ter slechts betrekking heeft op woningen

met een waarde in het economisch ver

keer van minder dan f. 40.000. Renten

van schulden, kosten van geldleningen
en canons en andere periodieke betalin-

gen ingevolge de rechten van erfpacht,

opstal en beklemming bleven ten volle af-

trekbaar als kosten van verwerving 9).

De forfaitaire netto huurwaarde be-
droeg maximaal 1% van de waarde in

het economisch verkeer van het huis.
De indiening van het wetsontwerp ter zake van wijziging van art. 42 op

18 september 1973 heeft de discussie
over de belastbaarheid van de huur-
waarde van een eigen huis doen opleven.

Naast een wijziging van de redactie van

dit artikel en wijzigingen m.b.t. de be-

handeling van tot het ondernemend

vermogen behorende eigen woningen

en m.b.t. de onderhoudskosten van
kastelen, heeft het wetsontwerp vooral

betrekking op de verhoging van het
huurwaardeforfait. De bij te tellen

netto huurwaarde wordt gesteld op

maximaal 2% van de waarde in het eco-
nomisch verkeer. Voorts wordt een ver-
lenging van de tabel tot f. 360.000 voor-

gesteld, evenals een verfijning van de

tabel aan de top. De breedte van de
schijven der tabel zijn maximaal
f. 60.000. Tot een waarde in het econo-
misch verkeer van f. 30.000 heeft de

regering gemeend uit sociale over-
wegingen een verhoging van het forfait

achterwege te moeten laten. Tabel 1
laat een en ander zien in vergelijking
met de regeling, die nu nog van kracht is.

De momenteel geldende bedragen staan
tussen haakjes.

Ter motivering van de wijziging in de
hoogte van het huurwaardeforfait ver-
wijst de regering in de Memorie van

Toelichting naar het tweede rapport

van de werkgroep-Hartog, kamerstuk 11.784 10). Op de overwegingen van

deze werkgroep kom ik hierna terug.

3.
Huurwaarde en inkomstenbelasting

De eerste vraag, die mi. tav. de
huurwaardeproblematiek van het eigen

Er is sprake van een fictief stelsel van
belastingheffing, indien men belasting heft
van fictief berekend inkomen. In Nederland
hebben wij een lange tijd een dergelijk stelsel
gekend voor de inkomstenbelasting, in feite
voor een groot deel tot 1941. Op grond van
bij het begin van het belastingjaar aanwezige
bronnen, waaruit verwacht werd, dat in-
komen zou worden genoten, werd over dat
verwachte inkomen belasting geheven. Van
een reëel stelsel is sprake als het werkelijk
genoten inkomen als belastinggrondstag
wordt genomen.
BNB 1964/242. BNB 1956/309.
Zitting 1970/1971, stuk 10790.
Bijlage II bij Memorie van Toelichting
bij stuk 10 790, zitting 1969/1970.
Memorie van Antwoord bij wetsvoorstel
tot wijziging van de inkomstenbelasting en
loonbelasting.

Zitting

1970-1971,

stuk
10 790.
Bedoeld wordt de waarde in het econo-
misch verkeer in bewoonde staat.
Art. 42a lid 1 b.
Tweede rapport van de werkgroep-
Hartog: Subsidiëring van het wonen: van
object- naar subjectsubsidie. Zitting 1972-
1973, stuk II 784.

ESB 21-11-1973
1015

Tabel /

Indien de waarde in het economische verkeer
meer is dan:

maar minder dan:
dient de bij te tellen huurwaarde te worden gesteld op:
nominaal

dat is in
%
van de waarde


f.

15.000


f.

15.000
f.

30.000
f.

150(

50)
I-½ (144)%
f.

30.000
f.

60.000
f.

6001

300)
2-1 (l-½)%
f.

60.000
f. 120.000
f. 1.200)

600)
2-1

(l-)
f. 120.000
f. 180.000
f. 2.400 (1.200)
2-1

113 (I.213)
0
/o
f. 180.000 f. 240.000
f. 3.600 (1.200)
2-155 (213-
1
A)%
f.240.000
f.300.000 f.4.800 (2.400)
2-1.6 (1-0.8)%
f. 300.000
f. 360.000
f. 6.000 (2.400)
2-1 213 (0.8-2/3)%
f. 360.000

f. 7.200 (2.400)
mao.
27o
(max. 213)%

ander mogelijk te maken, zou de wet
uiteraard moeten worden aangepast,

waarop ik in dit kader niet nader inga.

Dat wonen voor een groot gedeelte

object van huur en verhuur is, laat

tabel 2 zien.

Tabel 2. Aantal gereedgekomen wonin-

gen naar eigen woningen en huur-

woningen jn procenten

Jaar

Eigen woningen

Huurwoningen

huis beantwoord dient te worden, is, of
het juist is de huurwaarde in de

inkomstenbelasting te betrekken. Ver

schillende argumenten worden hierbij

naarvoren gebracht. Vaak verwijst men

naar de lange geschiedenis, waarin men
rekening met de huurwaarde van het

eigen huis gehouden heeft, voor de

rechtvaardiging van het voortbestaan
van een dergelijke regeling. Ook het feit,

dat de ons omringende landen, behalve
Engeland, die een soortgelijke regeling

in 1964 heeft afgeschaft, rekening hou-
den met de huurwaarde van het eigen

huis, wordt vaak als rechtvaardiging
van de regeling aangevoerd. Deze argu-

menten spreken mij niet zo aan. Ver-
gelijk het door de regering hierboven

genoemde aangevoerde argument om
over te gaan op een forfaitair stelsel.

Meer waarde hecht ik aan een aantal

andere argumenten.
Wonen is een primaire levens-

behoefte, dit in tegenstelling tot de be-

hoefte aan de meeste andere duurzame

consumptiegoederen. Door tegenstan-
ders van het betrekken van de huur-

waarde eigen huis in de inkomsten-
belasting wordt er vaak op gewezen,

dat het genot, dat men heeft van andere
duurzame consumptiegoederen niet tot

bijtelling van een huurwaarde leidt,
wanneer men daarvan eigenaar is. Ze onderkennen het reeds in onderdeel 2

genoemde beleggingsaspect niet, terwijl
ook het feit, dat wonen een noodzakelijk

goed is geen reden voor hen is om een speciale behandeling van het genot uit
het wonen in een eigen woning te recht-
vaardigen.
Woneniseenzaak,waarinvooreen

belangrijk gedeelte wordt voorzien door

een overeenkomst van huur en ver-
huur, waarbij die huur uit het fiscaal

inkomen wordt betaald. Dit argument

heeft onder meer betrekking op de

positie van huurder,’. verhuürder en

“éigenaar-beworier.’ Dé inkomstenbelas-

ting is in de eerste plaats gebaseerd op
het draagkrachtbeginsel. Bij de beoorde-
ling van de positie van huurder t.o.v. de

eigenaar-bewoner

constateerde

de

werkgroep-Hartog 10) twee opvallende

verschillen.
Ten eerste leidt de huidige wijze van
kostprjshuurberekening ertoe, dat bij
stijgende stichtingskosten de huurder
uiteindelijk te veel huur betaalt, daar de

huren der bestaande woningen de nei-
ging zullen hebben de’huurontwikkeling

van de nieuwbouw te volgen. Bij eigen
woningen treedt dit verschijnsel niet op.

Op de tweede plaats constateerde de

werkgroep, dat de eigenaar-bewoner
t.o.v. de huurder het voordeel heeft,

dat een deel van de lasten fiscaal aftrek-

baar is, waardoor voor inkomens-
groepen van ca. f. 15.000 tot f. 27.000 bij

de huidige rentestand in de eerste jaren
een verlaging van de lasten ontstaat van
bijna 3% van de stichtingskosten, waar

bij mede de AOW/AWW-premie in de –
beschouwing is betrokken II). Volgens

de werkgroep leidt dit tot een zeer

gunstige situatie van de eigenaar-

bewoner t.o.v. de huurder met een
vergelijkbaar inkomen en in een ver-

gelijkbare positie als die eigenaar-

bewoner.
Hoewel deze constateringen bedoeld
waren om een verhoging van de huur-

waardeforfait te rechtvaardigen 12), kan

men ze ook gebruiken om de huur-
waarde in de inkomstenbelasting in het

algemeen te rechtvaardigen. De werk-
groep ging uit van de gedachte dat

huurder en verhuurder bij een eigenaar-
bewoner in één persoon zijn vertegen-
woordigd. De verhuurder betaalt

belasting over de ontvangen huur en

mag de onderhoudskosten aftrekken.
De huurcter mag niets aftrekken. Indien
men bij de eigenaar-bewoner analoog
te werk gaat, leidt dit tot belasting van

de bruto huurwaarde en aftrek van de
onderhoudskosten. Eén en ander kan in
een forfaitaire vorm worden gegoten.

De werkgroep-Hartog is ervan uitge-
gaan, dat bij huurwaarde eigen woning

sprake is van inkomen. Het eigen huis

wordt als bron gezien. Dit is mi. slechts
verdedigbaar, voor zover er sprake is van

beleggen in de vorm van eigen woon-
bezit. Het door de commissie-Van La-

wick gesignaleerde beleggingsaspect

staat dan op de voorgrond.
Een alternatief zou kunnen zijn, mde

sfeer van de’ buitengewone lasteir en
persoonlijke verplichtingen, waar de
verschillen in draagkracht worden ge-

effectueerd, rekening te houden met het
wonen in een eigen huis. Twee hoofd-
varianten zijn mogelijk. Men kan de
huur bij de huurder aftrekbaar stellen.

Eventueel kan men deze aftrek aan een
maximum binden i.v.m. het stands-

uitgavenkarakter, die de huur krijgt,

indien ze een bepaald bedrag te boven
gaat. Een tweede variant is een bijtelling

van de netto-huurwaarde. Om een en

1963

…………
37
63
1964

…………
35
65
965

…………
33
67
1966

…………
31
69
1967

…………
30
70
1968

…………
30 70
1969

…………
35
65
1970

…………
37 63
1971

…………
38
62

Bron: CBS.
Moerndstali.sliek van de bouu,nijve,’/teid.
Tabel
C.6., Den Haag. maart 1972.

Het eigen huis is een beleggings-

vorm. Indien men de huurwaarde van

het eigen huis niet in de inkomsten-
belasting betrekt en men doet dit wel

met alternatieve beleggingsvormen, be-

voordeelt men de bezitter van een eigen

huis boven de bezitter van een andere

beleggingsvorm. Bij dit argument over-

weegt het beleggingsaspect.
Men zou een parallel kunnen

trekken tussen het wonen in een huur-

huis en het wonen in een eigen huis,

dat men met vreemd vermogen heeft ge-
financierd. Indien men in een huurhuis

woont, is de bijtelling gelijk te stellen aan
de huur en derhalve per saldo nul.

Hoewel de huurder tegenwoordig wel
een deel van de onderhoudskosten

draagt, hetgeen eveneens een argument

voor het rekening houden met de huur-
waarde eigen huis zou kunnen zijn,
draagt de verhuurder toch het groot-
onderhoud. Op grond van deze over

weging is het gerechtvaardigd, dat men
bij een met vreemd vermogen gefinan-

cierd eigen huis de bijtelling (netto
huurwaarde) niet gelijk stelt aan de rente,
maar lager, zodat aanvankelijk een

netto aftrek overblijft. De veronder-

stelling, die hier achter zit, is, dat huur en rente een zelfde percentage van het

geïnvesteerd vermogen zijn. Indien de

lening is afgelost blijft een bijtelling van
de netto huurwaarde over. De woning

levert als het ware een fictieve rente op.
Het genot, dat men van een eigen
woni’ng’heeft,.is relatief goed. bepaal-
baar. Dit in. vergelijking met bijv: iri
komen uit doe-het-zelf-werk.

Naast argumenten als ontkenning van

het beleggingsaspect, zoals door de
commissie-Van Lawick naar voren ge-
bracht, en het feit, dat het bezit van een
woning een draagkrachtverhogende

II) Rapport-Hartog,
blz. 38.
12) Rapport-Hartog,
blz. 45.

1016

factor is, waarmee rekening moet

worden gehouden, hebben de andere

argumenten, die tegen het rekening
houden met de huurwaarde in de IB-sfeer

pleiten, niet zozeer betrekking op de

principiële vraag, of het juist is het eigen

huis in de inkomstenbelasting te betrek-ken, maar moeten deze vaak in verband

worden gebracht met de wens om de
bezitsvorming, vooral onder de lagere

inkomens, te stimuleren. Voor een deel hebben de tegenargumenten betrekking

op de wens tot vereenvoudiging van
de belastingwetgeving.

Wat dat laatste betreft, wil ik het

volgende opmerken. Hoewel een forfai-

taire vorm al een stuk vereenvoudiging
t.o.v. de vroegere regeling heeft ge-

bracht, brengt een dergelijke regeling
weer nieuwe complicaties met zich mee.

Hiermee doel ik op de problematiek
van het tijdelijk verhuren, het tot het
ondernemend vermogen behoren van

huizen, en de regelingen, die men moet
maken t.b.v. huizen, die onder monu-
mentenzorg vallen e.d.

M.b.t. de argumenten, die samen-
hangen met de wens de bezitsvorming

te stimuleren het volgende. Betoogd
wordt, dat met name beleggen in de

vorm van een eigen huis de mensen met
lagere inkomens meer aanspreekt dan
het beleggen in andere vermogenstitels.
De totale spaarquote zou stijgen, indien

de huurwaarde eigen huis niet in de
inkomstenbelasting zou worden betrok-

ken, zo wordt gesuggereerd. Dit is mi.

niet zo vanzelfsprekend als het lijkt.
Nagegaan zou moeten worden in hoe-

verre substitutie-effecten werkzaam zijn.

Ook dient erop te worden gewezen, dat
de aanschaf van een huis, zeker voor

mensen uit de lagere inkomenscatego-
rieën moeilijk is, gezien de grote be-

dragen, die ermee gemoeid zijn, o.a. in

de sfeer van het registratierecht. Een uit-
breiding van de faciliteiten in de lB-sfeer

t.a.v. inkomsten uit vermogenstitels, die
voor de lagere inkomensgroepen ,,toe-
gankelijker” zijn, zou wellicht meer

aanbeveling verdienen, indien men de
bezitsvorming van deze belasting-
plichtigen wil stimuleren.

T.a.v. het beleggings- en bestedings-

aspect, die verschillende malen hier

voor genoemd zijn, wil ik opmerken, dat de grootte van beide aspecten on-

bekend zijn en bij gebrek aan cijfers
niet te kwantificeren. Uitspraken zijn er

verbaal wel gedaan m.b.t. de relatieve

grootte van beide aspecten. Er zou een
correlatie bestaan tussen het beleggings-
en bestedingsaspect enerzijds en de

hoogte van het inkomen anderzijds. Tegen de vorm, waarin de huurwaar-
deproblematiek in Nederland momen-

teel is geregeld en de verhoging van het
huurwaardeforfait, zoals ze is voor-

gesteld, bestaan nog bezwaren, die

speciale aandacht verdienen. De poli-
tieke kant van de zaak lâti1ç.hierbuiten
beschouwing.

Vaak wordt beweerd, dat niet voldoen-

de rekening wordt gehouden met de

onderhoudskosten. (Sommigen menen

zelfs dat geen rekening met onder

houdskosten wordt gehouden, hetgeen

onjuist is). Blijkens de voorgestelde

regeling voor het tot het ondernemend
vermogen behorend huis en de regeling

i.v.m. de onderhoudskosten van

kastelen 13) wordt verondersteld, dat de onderhoudskosten gemiddeld 80%

van de bruto huurwaarde eigen huis uit-

maken. Dat dit een veronderstelling is,
die realistisch is, laat tabel 3 zien.

Tabel 3

Kosten in
%
van de Woningen

Woningen van 1961
huurwaarde eigen

van s’öôr

t/m 1965
huis

1961

1
Premie. 1 Vrije seri-
woningen woningen

(in %(

(in
V/
e
(

(in /(
o ……………….
5.40

3,55

3.
.26
minder dan 75

60.07

76.15

8325
tussen 75 en 00
….

13.18

8,68

6.99
meer dan 100

21,35

11,12

6.50

Bron: CBS.
Onderzoek eigen woningbezit.
1
965.

Uit deze tabel is af te leiden, dat een
bijtelling in het algemeen gerechtvaar-

digd is en dat er een positieve correlatie

bestaat tussen hoogte van de onder-

houdskosten als percentage van de

waarde in het economisch verkeer van
een huis en de ouderdom van dat huis.
Een verdere uitbreiding van de regeling

in verband met groot onderhoud lijkt mij
te overwegen.

Het voorgestelde forfait is gesteld
op max.
2%.
Rekening houdend met het
feit, dat is aangenomen dat 80% van de
bruto huurwaarde gelijk te stellen is aan
de onderhoudskosten, is uitgegaan van
een bruto rendement van 10% maximaal.

Op het eerste gezicht lijkt dit veel. Men

moet echter bedenken, dat in verband

met het feit dat de huurder een groot

deel van de onderhoudskosten, die hij
niet mag aftrekken, zelf draagt, waar

door de veronderstelling dat de onder

houdskosten, waarmee men rekening

dient te houden, 80% van de bruto

huurwaarde is, wat aan de ruime kant is.
Ter verdediging van de verhoging van

de huurwaarde tot maximaal 2% zou ik
ook willen verwijzen naar het hierboven

aangehaalde tweede rapport van de

werkgroep-Hartog en hetgeen ik daar-
over heb opgemerkt:
Vaak wordt betoogd, dat de voor-

gestelde verhoging leidt tot een schevere
inkomensverdeling. Aannemende dat

een positief verband bestaat tussen

hoogte van het inkomen en hoogte van
de economische waarde van het huis

waarin men woont, hetgeen zeer reëel
is, terwijl de hoogte van de huurwaarde

positief gecorreleerd is met de waarde

in het economische verkeer, lijkt die be-
wering mij onjuist. Hierbij betrek ik

dan nog het feit, dat de tabel aan de top
verfijnd en verlengd is en:heLfeit;xiait

voor huizen beneden f. 30.000 econo-

mische waarde geen verhoging van het

forfait wordt voorgesteld (zie tabel 1).
Voorts wijs ik er hier nogmaals op, dat

de regeling in verband met groot onder-

houd geldt voor huizen tot een waarde
van f. 40.000 in het economische verkeer

in bewoonde staat, terwijl het feit, dat,
zolang het onzuiver inkomen beneden

f. 25.000 blijft, waarover loonbelasting
is voldaan er f. 400 overig inkomen bui-

ten beschouwing mag worden gelaten
ertoe leidt, dat vele lagere inkomens-
trekkers, die een huis hebben beneden

f. 30.000 geen belasting over die netto-

huurwaarde vanf. 150 zullen betalen.

Dat de regeling op zich al voordelig
werkt voor de mensen met een huis, die

slechts een bescheiden inkomen ge-
nieten, laat tabel 4 zien.
Op grond van de afweging van de voor-

en tegenargumenten, die ik hiervoor

heb besproken, beantwoord ik de vraag

of het juist is de huurwaarde van het
eigen huis in de lB-sfeer te trekken
positief. Uit het oogpunt van vereen-

voudiging van de belastingwetgeving
vind ik een forfaitaire regeling aan-

vaardbaar. De huidige en voorgestelde
regeling vind ik echter te grof. Een ver-

fijning lijkt mij aanbevelenswaardig.
Een meer geleidelijke schaal lijkt mij ook

vanuit rechtvaardigheidsoogpunt wen-

selijk, hoewel ik ervan overtuigd ben,
dat dit aanleiding zal kunnen geven
tot meer processen over de waarde-

bepaling van het huis. Hoewel de voor-
gestelde wijziging van het forfait al een

verfijning aan de top inhoudt, lijkt mij
deze nog onvoldoende (let op de schom-

melingen in de verhouding tussen huur-

waarde forfait en de waarde van het huis
in het economisch verkeer uitgedrukt in
procenten, zie tabel 1). Een bijkomend

effect van een- geleidelijker verlopende
schaal is, dat, voor een gelijke opbrengst,
volstaan kan worden met een lager

maximaal percentage. Dit kan uit
politiek oogpunt van belang zijn.

4. De hypotheekrente

Tot nu toe heb ik de problematiek
rond de hypotheekrente vrijwel buiten
beschouwing gelaten. Wel heb ik in het

voorafgaande een parallel getrokken
tussen huur en rente. Over de aftrekbaar-heid van hypotheekrente wordt momen-

eel een felle discussie gevoerd 14).
In dit kader g ik hier niet nader op in

omdat ze meer in de sfeer van rente-
aftrek in het algemeen ligt. Forfaitair is

m.i. terecht geen rekening met de

hypotheekrente gehouden. Dit vind ik
juist, omdat het hier niet gaat om een

Art. 42a IB ’64 (zoals voorgesteld,
Vak-
studie Nieuss’s,
no. 19, 29 september 1973,
blz. 735).
Zie J. van Ark,
WFR,
511611973; C. P.
5I38/I973- Ch. P. A. van Geppaart,
WFR,
5143/1973.

ESB 21-11-1973

1017

lnkomensklassen

vastgesteld belastbaar

Kosten in
%
van de huurwaarde esgen woning

Totaal

Aandeel san
dc groep
Geen
<
25% 25% 50% 75%
100% 150%
200%
inkomen
<50% <75%
<10091
15091<20091
en mee
in%van het
lolaal

5,13
9,45
33,50 23,56
11.49
9.19
2,111
4.87
100
49.25
4,64 8.76
35.64
23.31
11.61
8.67
3.61
3.76
100
35.42 4,65
9.26
30.05
20.00
1.58
12.70
4.70
7,06
100
8.52 4,03
6.82
27,76
24.01 13.28
11.26
5.38
7.46
100
4.61


10.000

…………….

0.000<

20.000

…………….

20.000<

30.000

…………….

3.66
5,34
24.33 27.09
12.75
5,05
4,15
17,54
100
1,83
30.000<

50.000

…………….

50.000< 100.000

…………….

8.06
13.47
29.87
11.08
16,90
3,44
17,18
00
0,37
00.000 en meer

………………
Alle inkomensklossen te ‘amen
. . . .
.82
8.98 33.45 23.28
11,65
9,36
3.40
5.06
100
tOO

Bron: CBS,
Onderzoek eigen soningbezit.
1965.

Indien de waarde in het economisch verkeer
dient de bij te tellen huurwaarde te worden
gesteld op:

meer is dan:
maar minder dan:
nominaal
dat is in
°k
van de waarde


f.

15.000
f.

15.000
f.

30.000
f.

150 f.

30.000
f.

60.000
f.

480 1.6-0.8%
f.

60.000
f. 120.000
f.

960
1.6-0.8%
f. 120.000 f. 180.000
f.

1.920
1,6-1.07%
f. 180.000
f. 240.000 f. 2.880
1.6-1.2%
f. 240.000 f. 300.000
f. 3,840
1,6-1.28%
f. 300.000 f. 360.000 f. 4,800
1,6-1

113%
f. 360.000

f. 5.760
max, 1.6%

Bron:
NRC Handelsblad
van vrijdag 9 november 1973.

ESb
Mededeling

Tabel 4. Procentuele verdeling van de eigenaa,’-zeijbett’oners naar de hoogte van hei

inkomen en de hoogte van de kosten in ,’elatie tot de huurwaarde

correctie i.v.m. verschil in draagkracht

tussen een huurder en een bewoner-
eigenaar, maar om een correctie i,v.m,

verschil in draagkracht tussen een be-
woner-eigenaar, die zijn huis met vreemd

vermogen financiert en een bewoner-

eigenaar, die zijn huis met eigen ver-

mogen financiert. Rente-aftrek is mi.

in principe juist. Wellicht dient de rente-

aftrek te worden gebonden aan een

maximum, zoals ook voorgesteld bij de

aftrek van huur indien ze betrekking
heeft op het met vreemd vermogen

financieren van standsuitgaven, zoals

bedoeld in art. 42 lB ’64, waaronder
men een duur huis, te beoordelen naar
de omstandigheden, kan rekenen.

5. Conclusies

Met name het feit, dat wonen een

primaire levensbehoefte is en het feit,
dat hierin voor een groot deel wordt

voorzien door overeenkomst van huur en

verhuur, waarbij die huur uit het fiscaal

inkomen wordt betaald, rechtvaardigen het in de IB-sfeer rekening houden met
de huurwaarde van het eigen huis.

Het onderscheid tussen het beste-

dings- en beleggingsaspect lijkt mij min-
der belangrijk dan men wel vooronder-stelt; vooral niet indien men het geheel

in de buitengewone lasten- en persoon-

lijke-verplichtingensfeer

brengt.

De

grootte van zowel het bestedings- als het
beleggingsaspect is niet kwantificeerbaar

wegens gebrek aan cijfers.
De forfaitaire vorm, waarin men
het geheel kan gieten, is, gezien de wens

tot vereenvoudiging van de belasting-
wetgeving rechtvaardig. De huidige forfaitaire regeling acht

ik echter te grof. Een meer geleidelijke
schaal lijkt mij gewenst.
Gezien het verband tussen ouder-
dom van een huis en onderhoudskosten
verdient een verruiming van de groot-

onderhoudregeling overweging.

De regeling en de wijziging in de
regeling, zoals voorgesteld, heeft eerder

een positief dan een negatief effect op de

inkomensverdeling.
Het verband tussen fiscale behan-
deling van het eigen huis en bezits-

vorming is niet zo duidelijk, als wel
wordt gesteld.
h. De discussie over de aftrekbaarheid

van de hypotheekrente ligt meer in de
sfeer van de discussie over rente-aftrek
in het algemeen, dan in de sfeer van de
belastbaarheid van de huurwaarde van

het eigen huis. Wellicht dient de rente

aan een maximum te worden gebonden
i.v.m. het standsuitgavekarakter dat
wonen, nadat een basisbedrag hieraan

is
besteed, krijgt.
D. A. Albregtse

Dit artikel is geschreven voor het verschij-
nen van de Memorie van Antwoord bij het
wetsontwerp tot wijziging van het huurwaar-
deforfait van eigen woningen. Bij deze
Memorie van Antwoord heeft de minister
een nota van wijziging van het wetsontwerp
gevoegd. De hoogte van het huurwaarde-
forfait zal niet verhoogd worden tot maxi-
maal 2%, maar tot maximaal 1,6%. De
andere voorgestelde wijzigingen bij het oor-
spronkelijke wetsontwerp, zoals de ver

fijningen aan de top van de tabel, blijven
gehandhaafd, evenals het voorstel om het
huurwaardeforfait voor huizen met een
lagere waarde in het economisch verkeer dan
f. 30.000 niet te wijzigen. Voor bovenstaand
artikel heeft e.e.a. weinig betekenis. Met
name mijn conclusies blijven ongewijzigd.
De voorgestelde tabel ziet er nu uit zoals
onder aan de bladzijde is aangegeven.

Literatuuroverzicht

Vakstudie inkomstenbelasting 1964, art.
24 en art. 42a. Vakstudie lB-oud art. 30.
Huurwaarde eigen woning. Hoofdstuk
uit het ontwerprapport van de studie-
commissie, ingesteld door het bestuur
van de Vereniging van Inspecteurs van
‘s Rijksbelasting.
K. Sneep, Eliminering van de eigen
woning uit de inkomstenbelasting,
Elseviers Weekblad,
2 augustus 1969.
J. H. Drent, Het forfait voor de eigen
woning,
Weekblad voor Fiscaal Recht,
5010, 15 oktober 1970.
C. van Soest. Huurwaarde eigen woning,
Weekblad voor Ficaal Recht,
5041, 5043

Prijsvraag De Kruyff-fonds

De Stichting Mr. H.P. L. C. de Kruyff-

fonds schrijft een prijsvraag uit over

het onderwerp: ,,De sociale verzekering
in het jaar 2000″.

Manuscripten van 35.000 lx 40.000

woorden kunnen tot 1 juli 1974
worden ingezonden bij het bestuur van

het Mr. H. P. L. C. de Kruyff-fonds,

p/a Gemeenschappelijk Administratie-

kantoor, Bos en Lommerplantsoen 1,

Amsterdam-W.

De inzendingen zullen worden be-

oordeeld door een jury, bestaande uit
Prof. Mr. N. E. H. van Esveld, Prof.

Dr. C. de Galan en Prof. Dr. H. J. van

Zuthem.

De prijs voor de beste publikatie zal

bestaan uit een geldbedrag van

f. 5.000.

en 5052, 27 mei, 10 juni en 16september
1971.
W. Scholten. De eigenaar-zelfbewoner en
de inkomstenbelasting,
Weekblad voor
Fiscaal Recht,
4675, 26 oktober 1963.
W. Scholten, Over alimentatie en het
recht van bewoning,
Weekblad voor Fis-
caal Recht,
4992, 14 mei 1970.
W. B. Bruyns, De fiscus en de huur-
waarde eigen huis, Weekblad voor Fiscaal
Recht,
4974, 2 januari 1970.
C. P. A. Bakker, Huurwaarde eigen
woning, Weekblad voor Fiscaal Recht,
4974, 2 januari 1970.
C. P. A. Bakker, Hypotheekrente en in-
flatie, Weekblad voor Fiscaal Recht,
5138,
21juni1973.
II. J. E. A. M. van Dijck, Het forfait voor de
eigen woning in art. 42a Wet 18,
Weekblad
voor Fiscaal Recht, 5008,
1 oktober 1970.
12. C. P. A. Bakker, De huurwaarde eigen
huis: een onrechtvaardige toestand?,
Weekblad voor Fiscaal Recht, 5119, 1
februari 1973.
13, Ch. P. A. van Geppaart, Hypotheekrente
van het eigen huis in discussie,
Weekblad
voor Fiscaal Recht,
5143, 16 augustus
1973.
14. J. van Ark, De juridische onvolkomen-heid van een politieke vraag,
Weekblad
voor Fiscaal Recht,
5116, II januari
1973.
IS. Tweede Rapport van de werkgroep-
Hartog: De subsidiëring van het wonen: van object- naar subjectsubsidie. Zitting
1972-1973, stuk II 784.
16. Rapport van de commissie-Van Lawick,
Bijlage II van de Memorie van Toelichting
bij wetsontwerp op stuk 10 790, zitting
1969-1970.

1018

De druk van de inkomstenbelasting

In alle kranten, en ook in
ESB,
is
ruime aandacht
geschonken aan de wijziging van het schijventarief van de

inkomstenbelasting en aan het niet doorgaan van de

infiatiecorrectie. Jammer genoeg missen we echter een

adequate analyse van de gevolgen hiervan voor de
belastingplichtige zelf

De Miljoenennota
volstaat met te constateren, dat
voor alle inkomensklassen van hoog tot laag de vermin-
dering van de belasting
f
83 per Jaar bedraagt -. voor
gehuwden zonder kinderen – en geeft dan als toegt
de daling van de belasting hierdoor in procenten
van de
belasting
voor verschillende inkomensgroepen van

f
10.000 totf. 90.000.

Prof Dr. L. Koopmans gaat in zijn analyse van de
rijksbegroting 1974 in
ESB
van 3 oktober 1973 een
duidelijke stap verder en analyseert de toenemende druk

van de belasting als gevolg van het achterwege laten van
de infiatiecorrectie; alweer in procenten
van de belasting.
Voor de belastingplichtige is echter relevant: de

wijziging van zijn netto-inkomen, d.w.z. de toenemende
druk van de belasting in procenten van zijn
netto-inkomen
na aftrek van belasting.

De toegenomen belastingdruk (die de technische

vorm heeft van een vermindering van de verlaging van de

inkomstenbelasting op nominale inkomens) kan als volgt
zichtbaar worden gemaakt.
Tabel 1. Toegenomen belastingdruk (voor gehuwden

zonder kinderen)

Bruto
inkomen

1973

Netto
inkomen

1973

Verlaging
op grond

van 80%

Werkelijke
verlaging

in 1974

Vermindering van
dc verlaging

absoluut
in
%
in
%
infialie.
van van
correctie
belasting
netto.
1973
inkomen
1973

0.000
9.160
99 83
16
1,8
0,2
5.000
12.910
99 83
16
0.7
0,1
20.000 6.496
160
83
77
2,1
0,5
25.000
19.859
247
83
164
3,2
0.8
30.000
22.909
274
83
191
2.6
0.8
40.000
28.197
462
83
379
3.3
1.4
50.000
32.741
696
83
613
3,5
1.9
90.000
47.535
1003
83
920
2.2
1.9
50.000
66.133
1340 83 1257
1,5
1.9
500.000
167.632
1340
83 1257
0,4
0.8

De laatste drie kolommen geven aan hoeveel de
belasting te weinig is verlaagd door het achterwege
laten van de infiatiecorrectie. De Jeitelijke verhoging van de belastingdruk is het geringste voor inkomens
rond de f 15.000 en het sterkste voor inkomens van
f 50.000 tot f 150.000. Daarboven daalt hij weer.

Het bovenstaande overzicht is in feite toch nog
misleidend: er worden nominale inkomens uit 1973

vergeleken met dezeljde nominale inkomens in 1974.
Hier moet uiteraard ook rekening worden gehouden met

de inflatie! Men moet de procentuele belastingdruk op
inkomens in 1973 vergelijken met de druk op inkomens
in 1974, welke 7,4% hoger liggen. Ik ga er hierbij van uit,
dat alle inkomensgroepen even sterk door de inflatie

worden getroffen (In de
Macro Economische Verkenning

1974
wordt op blz. 63 gesignaleerd dat de hogere in-

komens systematisch zwaarder worden getrofJen!).

Daarnaast zullen we ons moeten afvragen,
of
de
beperking van de infiatiecorrectie tot 80% van de werke-

lijk opgetreden inflatie wel reëel is. De mogelijkheid
om de correctie tot 80% te beperken is indertijd in de wet

opgenomen met de motivering, dat een deel van cle be-

lastinginkomsten van het riJk niet proportioneel met de
inflatie meest i,jgt. Hierbij is gewezen op accijnzen, motor-

rijtuigenbelasting enz., welke per gewicht worden bere-

kend en dus ongevoelig zijn voor prijsstijgingen. Het
lijkt mij echter of onnoze/ of ironisch te stellen, dat dit

zo zou zijn. Ook dit jaar weer stijgen de accijnzen op ben-
zine meer dan 20% van de infiatiecorrectie 1).
Hoe dit ook moge zijn, de belastingplichtige zal

ervaren, dat hij een infiatiecorrectie van 100% mist:
Tabel 2. Stijging van de belastingdruk in % van het

netto inkomen als gevolg van:

Inkomen

het verschil tussen

het verschil tussen
i 1973

tarief 1974 en 80%

tarief 1974 en 100%
infiatiecorrectie

infiatiecorrectie

0.2 0.4
0.1
0.3
20.000
0.9
1.0 1.3
1.6 1.3 1.6

0.000

…………………….

5.000

……………………

.5
1.9

25.000

…………………….

2.0
2.5

30.000

…………………….

40.000

…………………….

2.0
2.5

50.000

…………………….

90.000

…………………….
2.4

50.000

……………………1.9

500.000

…….
0

.8
0.9

De beide overzichten leveren materiaal voor

enige conclusies. Wij zien dat voort: 10.000 enf 15.000

de bedragen
van de belastingcorrecties gelijk zijn. Hier-

door komen degenen met een inkomen vanj 10.000 er
relatief bekaaid af. Dit komt, omdat de belastingvrije
voet met slechts
f
332 (= 5%) wordt opgetrokken in
plaats van met f 394 (conform infiatiecorrectie). Daar-

naast zien we, dat bij de hoge en de heel hoge inkomens
de belastingverzwaring relatiej’ afneemt: zodra men in de
hoogste schijf terecht komt, is het nominale verschil
(vermindering van de verlaging) een gefixeerd bedrag

van
f
1.257. Relatief daalt dus de belastingverhoging

met het toenemen van het inkomen. Anders gezegd: hoe
meer men verdient, hoe minder een verzbt’aring van de

belastingdruk optreedt.
Als herverdelingsinstrument heeft

deze belastingmaatregel dus gebreken;
zowel aan de

onderkant als aan de extreme bovenkant van de in-

komensschaal.

Zoals reeds gezegd, de inkomens van
f.
50.000 tot

f
150.000 worden het zwaarst
getroffrn.
Maar ook de

reële inkomens van de middengroepen tussen
f
25.000

en f 50.000 zullen in 1974 dalen met 1,6 â 2,5%
bij
volledige prijscompensatie in 1974.
De premies inge-
volge de sociale wetten zijn hier buiten beschouwing
gelaten; deze vormen een hoofdstuk apart.

K. T.
Bru

* De auteur is register-accountant.
1) Het schrappen Van de 80% infiatiecorrectie scheelt f. 640 mln.
aan belastingopbrengsten. De aanvullende 20% moet dus f.160
mln, bedragen. De verhoging van de accijns op benzine en diesel-
olie bedraagt meer, nI. f. 240 mln. Bij een dergelijke accijns-
verhoging behoort derhalve de infiatiecorrectie niet tot 80%
beperkt te worden.

Met ,,ESB” een beter economisch-politiek inzicht

ESB 21-11-1973

1019

Maatschappijspiegel

Wetenschap en democratie

DR. A. PEPER

De opening van het academisch jaar

aan de Universiteit van Amsterdam is
niet zonder publiciteit verlopen. De
bewindvoerders aldaar waren op de ge-
dachte gekomen staatssecretaris Klein

uit te nodigen voor een inleiding. Deze

politicus, die niet bepaald bang is uit-
gevallen, greep de gelegenheid aan voor

een duidelijke kritiek op de wijze waarop

in sommige faculteiten met de pas ver

worven democratische rechten wordt
omgesprongen. Hij had het over instel-

lingen ,,waar brokken zijn gemaakt,
waar het aan verdraagzaamheid heeft

ontbroken, waar meerderheden en
minderheden zijn tekortgeschoten in het

respect voor de kwalitatieve eisen van

het democratiseringsproces. Het valt mij
daarbij op, dat juist enkele studie-
richtingen, die met tamelijk veel preten-

ties over de maatschappij van morgen
menen te kunnen praten, tot op heden
het minst orde op eigen zaken weten te

stellen” 1). In het Amsterdamse milieu
verwees de laatste opmerking naar het al

tijden slepende conflict over de inrichting
van de studie in de politicologie, al zijn

dit soort problemen niet exclusief voor

dit vak en voor Amsterdam.
De perikelen rond de Amsterdamse

politicologie zijn beter bekend onder de
naam: de kwestie-Daudt. Prof. Daudt

heeft vorig jaar, samen met een aantal
medewerkers, zijn colleges gestaakt,

om, omdat hij het niet eens was met

de structurering van het nieuwe
studieprogramma, zoals dat door de sub-

faculteitsraad was vastgesteld. Zijn
hoofdbezwaar gold het feit dat in het

nieuwe studieprogramma zijn vak – de
politicologie – geen verplicht onderdeel
meer was van de doctoraalstudie. Ande-

re delen van de studie, zoals bijv. inter

nationale betrekkingen, economie en

geschiedenis, werden in de nieuwe opzet

tot afstudeerrichtingen in de politicolo-

gie verklaard. Daudt vond dat daarmee de interpretatie van wat onder politico-

logie moet worden verstaan zo werd
,,opgerekt” dat hij dat moeilijk kon ver-
enigen met de aan hem gegeven leer-

opdracht én met een serieuze beoefening

yan de politicologie.

Deze zaak sleept al meet dan een jaar.

Onlangs verscheen het bericht dat een

oplossing nu in zicht lijkt. Het is wat

voorbarig om al van
de
oplossing te

spreken, omdat Amsterdam niet voor
niets bekend staat als een ,,lastige stad”.

De geschillencommissie van de faculteit
der sociale wetenschappen heeft nu uit-
gesproken ,,dat zijn vak, de wetenschap
der politiek, in elk geval deel zal blijven
uitmaken van het examenvak politicolo-

gie” 2). Wordt deze uitspraak door alle

partijen aanvaard – en de marge om
hiervan af te wijken lijkt mij na de lang-

durige malaise niet zo groot -‘ dan kan
Daudt toch wel als ,,winnaar” worden

beschouwd, zij het dat het een krappe

zege is. De vergelijking met een bikkel-

harde voetbalwedstrijd is wel op zijn
plaats. Het aantal geblesseerden én de

mensen die aan deze universitaire kam-

pen een ,,knietje” overhouden, is niet

gering. En, als gezegd, Amsterdam heeft

op dit punt niet het alleenvertonings-
recht. Soortgelijke situaties hebben zich

voorgedaan (of doen zich voor) in
Groningen, Utrecht, Nijmegen en, al-
weer, Amsterdam (de Calvinistische
variant van wetenschapsbeoefening).

In (bijna) alle gevallen betreft het sociale
faculteiten.
Men moet Klein toegeven dat in deze

faculteiten op nogal hoogdravende wijze
over de maatschappij wordt gesproken.

De kritische en ,,alternatieve” inslag van

deze faculteiten is bekend. Deze orien-

tatie ligt in zoverre voor de hand, dat juist op deze plaatsen de docenten en
studenten zijn vrijgesteld om – naar

hun opdracht – de samenleving te be-

studeren. Men behoeft geen bijzonder

overgevoelige nâtuur te zijn, om van
deze bezigheid enigszins in de war te

raken. En dat is stellig het geval als men
– jong van lijf, leden en geest – een

bijdrage wil leveren aan wat men enigs-
zins oubollig geformuleerd: de ver-
betering van de maatschappij zou

kunnen noemen.

In dit type situaties krijgen— ook.
kennissociologisch gezien – weten-

schapsopvattingen en ideoiogieën eew

kans, waarvan op zijn minst de suggestie
uI.tgaat dat zij alles keurig
«
op een
rijtje” zetten Het marxisme en vooral de

vele vulgaire varianten die daarvan in

omloop zijn bieden een dergelijk hou-

vast. Het is overigens goed te bedenken

dat niet alleen het marxisme deze functie

heeft. In dezelfde lijn liggen de aan-
spraken van de Calvinisten, die in hun

Vrije Universiteit – in ieder geval tot
voor kort (maar misschien is het nog

wel zo) – alle studenten een college in
een bepaald soort wijsbegeert/ethiek
voorschrijven. De docenten moeten (zie

de advertenties) – willen zij benoem-

baar zijn – de ethisch-religieuze grond-
slagen van deze universiteit onder-

schrijven. Niet lang geleden was het

feitelijk niet anders aan de Katholieke
Universiteit van Nijmegen. Ons land

heeft dus een geschiedenis op dit terrein.
Krentenwegen en theologiseren lijkt ons

ingebakken te zijn. Maar ook op andere

terreinen van wetenschapsbeoefening zien we een grote populariteit van be-

naderingen die het totaal pretenderen

te omspannen. Een voorbeeld hiervan

is de zgn. systeemtheorie, die gretig

wordt binnengehaald op terreinen die
met de verlegenheidsterm multi-
disciplinair worden aangeduid (bijv. de

bedrjfskunde). Verschillen in (studen-

ten-)populatie beslissen dan vaak over

hoe een en ander in de praktijk uitpakt.
Dat maatschappelijke veranderingen
sneller doorklinken in de aard en opzet

van studierichtingen in de maatschappij-
wetenschappen (economie, sociologie,

politicologie, e.d.), is niet zo verwon-
derlijk. De ratio van de maatschappij-

wetenschappen is – minimaal – de
verwachting dat de maatschappij, met de

verzamelde kennis en inzichten, beter is
te sturen, te veranderen, te beïnvloeden.
Wie niet gelooft in de ,,maakbaarheid”

(althans gedeeltelijk) van maatschappe-
lijke processen en vormen (instituties),

doet er goed aan er niet aan te beginnen.

Wie er wel in gelooft, maar dit werk niet

66k wil toevertrouwen aan – in een kli-
maat van vrijheid, distantie en reflectie
werkzame – wetenschapsbeoefenaars,

komt terecht in de totalitaire staat.

Folia Civitazis, 8
september I973 blz. 2.
NRC. Hij.ndeJsMad
13 november jI.

1020

Dr. R. Dolman: Het vervolg van Bretton
Woods. Een voorstel tot inbouw van de ontwikkelingshulp in een SDR-standaard. Publikatie van het Nederlands Instituut

voor het Bank- en Effectenbedrijf, no. 18, H. E. Stenfert Kroese NV, Leiden, 1972,
418 blz.,
f.55.

Het probleem van de sociale weten-

schappen is dat de beoefenaar tevens

subject (medespeler) is in het veld dat

hij als studie-object heeft gekozen. Dit
beperkt zijn mogelijkheid tot het nemen

van distantie. Bij de natuurwetenschap-

pen ligt dit eenvoudiger, hoewel ook op

dit terrein de invloed van de maat-

schappelijke context aanwijsbaar aan-

wezig is, zij het dat hier de ,,koppeling”

– via het te bestuderen object – veel

indirecter en veelal minder zichtbaar is.

Er bestaan verschillende middelen die

een redelijke bescherming bieden tegen
het afglijden van de sociale wetenschap-
pen naar het pijl-en-boog-tijdperk. Dat

zijn: de consistentie van de bewijs-

voering (methodologie e.d.), nauw-
keurigheid, controleerbaarheid enz.,
kortom de kenmerken waardoor het

wetenschappelijk bedrijf zich onder-

scheidt van andere vormen van kennis-

verwerving. Het valt niet te ontkennen

dat in de opleiding aan vele sociale

faculteiten – om van de sociale acade-

mies nog maar niet te spreken – de
wetenschappelijke variant van de kennis-

verwerking danig in de knel is gekomen.
Naar buiten toe wordt hierover — op een

enkele uitzondering na – een Groot

Stilzwijgen betracht. In de wandel-
gangen – collega’s onder elkaar –

hoort men de verhalen. De angst om

voor autoritair, anti-democraat of

rechts te worden uitgekreten door stu-
denten die ook niet precies weten wat
deze termen inhouden, is voor de meeste,

politiek weinig geschoolde docenten vol-
doende om er het zwijgen maar toe te

doen. Liever geen rotzooi, het salaris
gaat toch wel door.

Voor de positie van de sociale weten-

schappen – die er de laatste jaren toch

al niet op vooruit is gegaan – lijkt mij

dit een gevaarlijke situatie. Wil men die
positie niet verder verzwakken, dan

zullen studenten en docenten bereid
moeten zijn om voldoende zelfbeheer-
sing op te brengen. Dat geldt voor de ge-

democratiseerde besluitvorming, welke
niet uitsluitend een doel is. En dat geldt,

uiteraard, evenzeer voor de opleiding.
In welke traditie men ook wil werken,
in alle gevallen is men gehouden de
regels van het wetenschappelijke spel in

acht te nemen. Dat is geen hobbyisme

van een of ander wetenschappelijk

forum, maar een voorwaarde wil men –

met vallen en opstaan – een scherper
zicht krijgen op (onderdelen van)
de sociale werkelijkheid. De complexi-

teit daarvan legt de beoefenaren a.h.w.

een grote discipline op. Voor de op-
leiding is dat niet anders. Daarop doelde
Klein 66k toen hij het had over ,,de

kwalitatieve eisen van het democrati-

seringsproces”.

In sociale faculteiten wordt hiermee
nogal eens luchthartig omgesprongen.
Gedeeltelijk komt dit stellig-dobr een veel

te beperkte staf, waardoor docenten te
weinig tijd hebben zich met de plaats

en betekenis van hun vak bezig te hou-
den. Voor een ander deel lijkt er een te

gering besef te zijn van het verschil
tussen feit en fictie, tussen prestatie en

pretentie, een verschil dat zich weten-

schappelijk niet definitief laat overbrug-

gen door holistische verklarings-

schema’s, van welke huize dan ook

(functionalisme, marxisme, symbo-

lisch interactionisme e.d.). Een forse

hoeveelheid twijfel en verwarring is een

voorwaarde voor creatieve en kritische

Dit boekwerk diende de auteur als
proefschrift waarop hij aan de Erasmus
Universiteit
bij
Prof. Posthuma op 23

november 1972 promoveerde – op
twee maanden na 25 jaar later dan de
verschijning van de dissertatie (bij de-zelfde promotor en uitgever) van H. J.

Stokvis,
Bretton Woods en het interna-
tionaal monetair bestel,
die beschouwd
zou kunnen .worden als het voorgaande

deel in de reeks (zij wordt door Dolman echter nergens genoemd). Beide boeken

behoren tot het genus ,,lijvige studies”;
vergelijking van beide illustreert het

verschil in veelomvattendheid en inge-
wikkeldheid van de ,,Bretton Woods-

problematiek” toen, en nu.
De lijvigheid van een boek behoeft

een duidelijke probleemstelling en een-
heid van opbouw niet in de weg te

staan; in het geval van Dolman wordt
de omvang van het geschrevene echter
enigszins tot een probleem. Aan de
orde komen een groot aantal op zich-

zelf samenhangende internationaal-mo-
netaire onderwerpen, die eigenlijk ieder

een monografische behandeling krijgen, zoals de officiële reserves, de betalings-
balans, het aanpassingsproces (in feite

behandelt dit hoofdstuk alleen het wis-
selkoersregime), de dollar (ca. 50 blz.),
het pond sterling (ca. 90 blz.), korte ka-

pitaalbewegingen en wisselkoersmecha-

nismen, de SDR’s, de Eurodollarmarkt,

monetaire blokvorming. Over deze on-
derwerpen is reeds veel geschreven

(daarom moet het ontbreken van een

persoonsregister extra worden betreurd;

helaas komt het trouwens nog al eens

voor dat bronvermelding achterwege
blijft).
Onvermijdelijk blijft de behandeling
wetenschapsbeoefening. Wie daarvoor

in zijn denkraam geen plaats inruimt –

hetzij uit Vrije wil, hetzij Via een oplei-
ding
– én zich toch
als sociale weten-
schapper
blijft presenteren, heeft geen

idee van de beperkte marges waarbin-

nen de sociale wetenschappen moeten

werken. Dat velen zich hiervan

niet bewust lijken te zijn, stemt wel eens
pessimistisch.

Bram Peper

van al deze onderwerpen oppervlakki-
ger dan bij concentratie op één pro-

bleemstelling mogelijk zou zijn geweest;
herhaaldelijk moet de auteur zich dan ook verontschuldigen omdat hij op de
zaak ,,niet al te diep kan ingaan”, of

slechts een ,,indicerende analyse” kan
geven. Zijn boek draagt een sterk
beschrjvend, opiniërend (,,wij zijn van

mening”) en ook wijdlopig karakter.
Recensie van alle hoofdstukken zou te
veel ruimte vragen; het zou betekenen
dat op velerlei detail kritisch zou moe-

ten worden ingegaan. Daarom moet

met bovenstaande karakterisering wor

den volstaan, waarmee de auteur na-tuurlijk wat de inhoudelijke kant be-
treft geen recht wordt gedaan; toege-

voegd zij, dat de veelomvattendheid
van het boek uiteraard op zichzelf res-

pect afdwingt, evenals de journalis-
tieke ,,vaart” waarmee het is geschre-

ven. Een ander bezwaar dat sterk

spreekt onderkent de schrijver zelf, blij-
kens de zin waarmee hij begint: ,,Wan-

neer men een verhandeling schrijft over
een actueel onderwerp, is het risico

groot dat de zin van althans een deel

van het betoog verloxen gaat, doordat
de omstandigheden zich wijzigen nog

voordat de publikatie van die ver-
handeling heeft kunnen plaats
vinden”.

Het is moeilijk in een studie, die ei-
genlijk ,,alles” wil .bestrjken, maar die

tegelijkertijd een strikte afbakening (vi-

sie op de aard) van het terrein achter

wege laat, de ,,boodschap” te zien die
de auteur wil brengen, m.a.w. diens
voornaamste discussiebijdrage over de
aan de orde gestelde actualiteiten. Dol-

man is ons hier behulpzaam door de

ESB 21-11-1973

1021

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht, medicijnen en
techniek:

WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL ROTTERDAM B.V.
/

‘•J

.
Waarin opgenomen:

,
De Wester Boekhandel
Stamboekhandel Rotterdam

Rochussenstraat 223, Rotterdam 3003

.
TeL(010(234692,232076,239039en253941

Vestiging in de Erasmus
Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010)14 55 11, toestel 31 15.

(Buiten openingstijden neemt onze automatische telefoonbeantwoorder uw bestellingen op, onder
nr. (010) 23 46 92).

(M.)

aanwijzing van de hoofdbedoeling van

het boek die hij in zijn ondertitel geeft:

hij presenteert ,,een voorstel tot inbouw

van de ontwikkelingshulp in een SDR-
standaard”. Dit vormt, naast het daar-

toe strekkend verzoek van de redactie

en naast de reeds genoemde negatieve

reden, er de rechtvaardiging voor dat ik

mij concentreer op de meest relevante
passages van de desbetreffende gedeel-

ten van het boek.
In hoofdstuk VII, dat beschrijving en

commentaar geeft over het huidige
SDR-stelsel, wordt plotseling een para-

graaf ingevoerd over ,,ontwikkelings-

hulp en inflatie”. De auteur meent dat
dit verband er welhaast onvermijdelijk

ligt. Ik acht dit een zeer misleidende

stelling (die het in ,,monetaire kringen”
trouwens goed ,,doet”). Er is geen en-
,

kele reden inflatie toe te rekenen aan
één specifieke bestedingscomponent; zij

wordt veroorzaakt door een te grote
to-

tale bestedingsdruk. Committeert een
regering zich tot een bepaald niveau
van ontwikkeli’ngshulp, dan behoort
daarbij uiteraard een adequaat conjunc-

tuur en structuurbeleid; stijgt de ont-

wikkelingshulp en treedt er inflatie op,

dan bestaat daartussen, zo er al van een

causale relatie sprake is, principieel
geen ander verband dan geldt ten aan-
zien van iedere andere component van
de binnenlandse of buitenlandse vraag.

In de volgende paragraaf behandelt

Dolman een aantal van de verdelings-
aspecten van het SDR-creatïesysteem

die door ondergetekende in hun samen-
hang werden geanalyseerd in zijn boek

Special drawing rights and develop-
ment. Dolman neemt daarvan veel

over; o.a. de conclusie dat het huidige
verdeelsysteem van SDR’s infiatiebevor

derend werkt (blz. 241/242, 249, 251).

Daar Dolmans voorstellen niettemin

voortkomen uit zijn kritiek op deze
door hem als uitgangspunt gekozen pu-
blikatie, rijst allereerst de vraag of Dol-
man Haan correct citeert. Hoewel re-

censent en bestreden auteur hier samen-
vallen, moet het toch bepaald in eerst-
genoemde kwaliteit zijn dat deze in het

geweer moet komen. Het valt te betreu-
ren dat Dolman het inzicht in de aan de
orde zijnde aspecten in feite een stap te-

rug brengt door zijn onjuiste weergave
van wat de ,,monetaristen” onder de

,,link”-aanhangers op grond van hun

analyse voorstaan, in onderscheid van
het accent dat de ,,ontwikkelaars” on-
der hen aanbrengen. Het doel is niet:

meer ontwikkelingshulp, maar: een effi-

ciënt SDR-stelsel. Zo maakt Dolman
de opmerking (blz. 57), dat Stamp –

die historisch gezien de belangrijkste
auteur over de ,,link” is geweest, die hij

op
monetaire
gronden verdedigde –

,,zich bij de schatting van de behoefte

aan reserves te veel (zou) baseren op de
positie van de ontwikkelingslanden”.

,,Hulp” is bij Stamp, noch bij mij het
doel, maar een voorwaarde. Maar Dol-
man schrijft auteurs dingen toe die niet

worden verantwoord; het boek bevat
nergens een literatuurverwijzing naar

Stamp; zelfs ontbreekt hij in de litera-

tuurljst.
Haan wordt verweten dat hIJ de om-

vang van de creatie wil laten afhangen

van de ,,behoefte aan ontwikkelings-

hulp”. Daartoe citeert Dolman een ge-

deelte van een zin dat uit het verband

wordt gelicht van de paragraaf waarin
deze zinsnede voorkomt. Dat verband

laat zien dat de door Dolman aange-

vochten gedachte de jaarlijkse creatie-

omvang te baseren op ,,een ,onpar-

tijdige’ formule”
(,,such
as the amount

of financing required by multilateral

development effort,
however this may
be defined”)
betrekking heeft op een

kwalitatief meer dan op een kwantita-
tief criterium. Wat de kwantitatieve re-
servebehoefte betreft: Dolman gaat ge-
heel voorbij aan Haans behandeling
van dat vraagstuk (blz. 96-101 en 116-

121;
,,the proportion
of international

assistance to be monetized can be made
greater or smaller” (blz. 100); genoemd

wordt een bedrag van SDR 1-2 mrd. (blz. 99) of zelfs SDR 0,5 mrd. (blz.
121); in ieder geval moet het bedrag

,,klein” gehouden worden (blz.
lol),
maar ontwikkelingsfinanciering biedt

het voordeel dat het creatiebedrag
des-

gewenst
groot kan zijn, hoewel niet on-
gelimiteerd (blz. 92/93)). Het woord

,,onpartijdig” heeft betrekking op een

scheiding tussen de beslisser over de
omvang van de creatie (het IMF) en de
ontvanger van het directe koopkracht-

voordeel (de IDA), ten einde de onwil-
lekeurige vermenging van monetaire en

,,hulp”maatstaven te voorkomen; im-
mers, de ,,creatie en distributie van ad-

ditioneel reservemateriaal ,,uit het

niets” is in feite niet anders” – om
Dolmans woorden te gebruiken (blz.
273) – ,,dan een verkapte vorm van

ontwikkelingshulp in de vorm van gif-

ten”.
Foutief is ook Dolmans bewering dat

Haan voorstander zou zijn van ,,een
volledige allocatie der nieuw gecreëerde

SDR’s aan alleen ontwikkelings/anden” (om. blz. 245, mijn cursivering). Expli-

ciet immers, en onder andere om
mone-

taire redenen, werd deze mogelijkheid
verworpen ten gunste van allocatie ten
behoeve van, zoals Triffin het uitdrukt,

een ,,internationally agreed objective”,
dat wil in de praktijk dus zeggen een

wereldinstelling. De keuze voor ontwik-
kelingsfinanciering is in dit verband se-

cundair.
Dolman laat na enig onderscheid te
maken tussen 1.
,
7
ontwikkelingshulp”,

2. allocatie van SDR’s bij ontwikke-

lingslanden en 3. allocatie van SDR’s

bij instellingen van internationale econo-
mische politiek. Evenzeer vereenzel-

vigt hij betalingsbalansfinanciering en

ontwikkelingsfinanciering; ontwikke-
lingskredieten kunnen immers gegeven

worden aan landen met een betalings-

balansoverschot,
hetgeen wel iets te

maken heeft met de steeds veronder-
stelde inflatie-export uit de ontwikke-

lingslanden. Eenzelfde land kan in het

ene circuit debiteur zijn en in het an-
dere crediteur. In feite zijn de ontwik-

kelingslanden sinds jaren inderdaad
,,holders” van reserves en de rijke lan-

den als groep ,,spenders” van netto re-
serves. Dolman haalt voortdurend het
monetaire en het ,,hulp”-aspect door el-
kaar.
Dit komt ook tot uitdrukking in het
feit dat hij het quotumtotaal van de

arme landen in de ,,General Account”

van het IMF te laag vindt (blz. 248).
Bovenal blijkt het echter uit de essentie

van zijn voorstel: dat
,,de jaarlijkse, ex

anle overeengekomen omvang der ont-
wikkelingshulp wordt verminderd met

het bedrag van de jaarlijkse SDR-cre-

atie”
(blz. 279), waarbij dus deze twee

grootheden, mi. ten onrechte, onmid-
dellijk kwantitatief aan elkaar worden
gekoppeld, (zij het dat deze koppeling
in theorie wel afzonderlijke vaststelling
toelaat van het hulptotaal en de totale

SDR-creatie). Zijn reden hiervoor is het

oppervlakkig inflatie-argument, dat lo-

gisch onjuist is tenzij aan een groot
aantal in de praktijk niet aanwezige

veronderstellingen is voldaan (zie voor
een tiental weerleggingen van dit argli-
ment bijv. UNCTA D-in-formatie, NO-

VIB, nr. 48, blz. 8/9). Iedere basisperi-
ode moet dus worden voorafgegaan

door een moeizaam (nauwelijks haal-

baar) onderhandelingsresultaât betref-
fende de individuele hulpverplichtingen
en daarmee ook
betreffende de omvang
van de individuele SDR-allocaties. Dit

in tegenstelling tot de ,,organische link”

1022

waarbij een ,,self-qualifying” verdeel-

sleutel voor de reserve-aanwas werk-
zaam is en de procedure niet wordt be-

zwaard door onderhandelingsronden
over hulpverplichtingen.

De ,,Iink” die Dolman voorstelt

vormt een aardige premie voor de zgn.
,,hulpverlenende ofwel geïndustriali-
seerde landen” (blz. 279) op hun buiten-

landse politiek: hoe meer officiële ont-

wikkelingshulp zij geven, hoe meer

SDR’s zij ter compensatie krijgen toe-
gewezen. Zoals bekend is dit een link-
systeem waarvoor het nationalistische
Frankrijk zich ook wel kampioen wil
stellen; ook Portugal zal als een der re-

latief grootste ,,donors” niet ongeïnte-
resseerd zijn! Dolman bouwt, door bi-

laterale hulp niet uit te sluiten (hoewel

ook hij uiteraard multilaterale hulp pre-
fereert), dus weer een directe invloed in

van het belang van individuele rijke
landen op de mondiale beslissing over

de omvang van de reservecreatie, een
koppeling die juist een van de belang-
rijkste nadelen vormt van het huidige

stelsel en die in de bekende ,,organïsche-
link”-voorstellen die berusten op volle-
dige internationalisatie van het gehele

proces, volledig wordt weggenomen.
Tegen
Do/mans
,,link” is m.i. inder

daad Johnsons woord van toepassing

dat het bij reservecreatie en ontwikke-

lingsfinanciering gaat om ,,separate is-
sues, each with its own economics and,

more important, with its own politics”.

Hulpontvangers en -gevers (waar zitten
de olielanden?) zijn de twee categorieën

waarin de SDR-participanten als zoda-
nig, dus in het
monetaire
circuit, bij
Dolman uiteenvallen (blz. 279).

De ontkenning van de internationaal-

monetaire functie van de ontwikke-

lingslanden brengt Dolman tot de uit-

spraak: ,,De ontwikkelingslanden wor-

den geacht de ontvangen SDR’s” (in
zijn ,,SDR-standaard” de enige, naast
de goudtranche overgebleven reserve-

vorm) ,,na een zeker tijdsverloop te

hebben besteed”; hun SDR-quota

kunnen niet stijgen boven een op de
huidige reserveposities gebaseerd uit-
gangsniveau; bij S DR-creatie gaan

slechts de quota der ,,donorlanden”
omhoog. Hiermee is het aanvaarde
principe van de ,,reserves to hold” ver-
laten en tevens het verworven goed van

de gelijkwaardigheid van de IMF-part-

ners in hun monetaire samenwerking.
Ontwikkelingslanden kunnen in deze

gedachtengang per definitie in de reser-

vesfeer geen crediteur zijn – daarmee

zijn zij terug in het stereotype waaron-
der de tegenstanders van de linkge-

dachte (en de vroegere voorstanders

van creatie binnen de , ,limited group”
van rijke landen) hen willen zien: als

zou het ze niet gaan om de ,,lasten” (die
zijn voor de rijke landen), maar om de
,,lusten” (een zienswijze die des te grie-

vender is omdat het kwalijker is iemand
,,lasten” te ontzeggen, nl. het dragen

van medeverantwoordelijkheid, dan

hem ,,lusten” te onthouden). Dolman
zelf gaat nog verder: hij is ,,van mening

dat de ontwikkelingslanden geen aan-spraak mogen maken op een toename

van de monetaire reserves ( … ) zolang
zij ontwikkelingshulp krijgen toebe-
deeld” (blz.
295).
Ontkend wordt dus de
,,liquidity
need” van de ontwikkelings-
landen! Zij mogen alleen op het ,,ge-

wone” IMF hun conditionele trekkings-
rechten uitoefenen – en daarmee zijn

wij terug in het stadium van de Groep

van Tien van v66r de ministersconfe-
rentie in Den Haag in juli 1966. Ja zelfs

aan de huidige reserves van de ontwik-

kelingslanden zou het reservekarakter

worden ontnomen, aangezien gebruik
daarvan hen op hoge interestkosten zou
komen te staan (blz. 296).

Een principieel bezwaar tegen Dol-

mans plannen is ook dat het oorspron-kelijke, door de ,,drafters” enkele jaren
geleden gestelde (en nimmer als pana-
cee bedoelde) doel – naar welk het sys-
teem derhalve moet worden beoor-

deeld: het ging om het scheppen van
een mogelijkheid een
eventueel reserve-

tekort te voorkomen
– door hem
wordt verlaten, nI. dat van
reservecre-

atie. Terwijl de ,,organische link” de
kwaliteiten van de SDR als ,,reserve as-
set” verbetert (de debetrente kan bijv.

worden afgeschaft; voor reconstitutie-

verplichtingen is logischerwijs geen
plaats meer), wil Dolman juist de rente-
verplichtingen verscherpen en
alloceert
hij
(bij de individuele rijke landen)
geen
reserveactiva maar debetposities
(die
door overdracht van reële middelen

moeten worden weggewerkt).

Bij wijze van samenvatting: het boek

snijdt zo ongeveer ,,alles” aan wat er

bestaat aan internationaal-monetair-po-
litieke verschijnselen. Als echte ,,mone-

taire” studie biedt het veel, maar blijft

het bij deze verschijningsvormen staan;
wezenlijke ,,economische variabelen”

als de politieke bereidheid tot een en
ander worden buiten beschouwing gela-
ten dan wel voor 100% aanwezig veron-
dersteld. Het IMF kan bijv. van alles
afdwingen (zoals invoering van een
,,SDR-standaard” met vele, geheel
nieuwe automatismen, het niveau van

de wisselkoersen, tot het nakomen van

hulpverplichtingen toe). Een fundamen-
tele stand van zaken wordt mi. in deze
studie, zoals in zovele mechanische mo-

netaire verhandelingen, niet verdiscon-

teerd, nI. dat het internationale mone-
taire ,,stelsel” een terrein is dat zich niet

los laat denken van de ,,reële sfeer”;

daar liggen de belangrijkste problemen,

die in de internationale monetaire rela-
ties alleen maar tot
uitdrukking
komen.
Het door Dolman voorgestelde SDR-
regime is interessant als toevoeging aan

de zeer vele publikaties over het ,,ide-
ale”, vaak in detail uitgewerkte, mone-
taire wereldsysteem; het lijdt echter on-
der de gebruikelijke stilzwijgende pre-

misse: dat de inflatie en al het mone-

taire kwaad in de wereld te wijten zou
zijn aan de gebrekkige inrichting van
het stelsel en dat er
dus
een systeem
denkbaar zou zijn dat als het ware
zijn
eigen succes garandeert. Een streven
hiernaar miskent de normatieve aard
van het economische ervaringsaspect,

anders gezegd, vergeet het onderscheid

tussen spelregels en spel, alsmede tussen
de verschillende samenlevingsstructuren
waarin de spelers hun belangen laten

gelden. G6ede verkeersregels zijn on-

misbaar; aan de lezer het oordeel over
het hier besproken, door Dolman ont-

worpen, internationale financieringsre-
glement.

R. L. Haan

P. A. Koefoed: Een schets van een on-
derzoeksmodel van de arbeidsmarkt;
een uitgangspunt voor discussie.
Stich-

ting Stuurgroep Sociaal-Wetenschappe-
lijk Onderzoek, Stichting Interuniversi-tair Instituut voor Sociaal-Wetenschap-

pelijk Onderzoek, Den Haag, 1973, 113
blz., f. 15 (excl. BTW).
Deze nota vormt een poging te ko-
men tot een aantal aanwijzingen voor

het opstellen van onderzoekprioriteiten
betreffende de arbeidsmarkt in Neder-
land. De belangrijkste conclusie van het

rapport is dat de arbeidsmarkt geken-merkt wordt door principiële onvoor-
spelbaarheid,
zowel van de aanbod- als van de vraagzijde, en door
starheid van
aanpassing;
aanbod en vraag hebben
moeite de veranderingen te volgen die zij vaak zelf hebben veroorzaakt.

Om aan deze, voor het beleid een
probleem vormende, eigenschappen van

de arbeidsmarkt het hoofd te bieden,

wordt in de nota voorgesteld de flexibi-
liteit van de arbeidsmarkt te vergroten

door de volgende beleidsorganisaties op
te richten of uit te breiden.

t. Een arbeidsmarkt-informatiesysteem
dat gegevens verzamelt en verwerkt
over a. het (potentiële) aanbod van
banen en arbeidskrachten; b. de op-
leidingsmogelijkheden welke van be-
lang zijn voor de beroepsuitoefening
en c. de beschikbare en/of potentiële
organisatiestructuren (de verschil-

lende vormen van gedifferentieerd-
heid en gevarieerdheid van arbeids-
functies).
Een arbeidsfuncties-classificatie-insti-
tuut dat continu de ontwikkelingen
in de arbeidsfuncties registreert en ty-

peert naar leerinhoud.
Een leerprogramma’s-instituut dat,
op basis van bestaande kennis, snel
bepaalde concrete leerprogramma’s

voor het op het beroepsleven afge-
stemde onderwijs uitwerkt, waarbij in
het bijzonder nieuwe leerinhouden de
aandacht zullen hebben.

Fiscale bespiegelingen; een keuze uit 40
jaar fiscale publikaties van Mr. C. P.

ESB 21-11-1973

1023

Tuk, Directeur-Generaal voor Fiscale

Zaken.
Kluwer BV, Deventer, 1973, 208

bIs., f. 35.
Bundel publikaties van Mr. C. P.

Tuk, hem aangeboden bij zijn afscheid
als Directeur-Generaal voor Fiscale Za-
ken, bevattende de volgende artikelen:

Samenloop van strafbare feiten in

het fiscale recht
(Weekblad,
1932);

Artikel 16 van de wet op de Invor-dering en artikel 290, 4e lid van de

Algemene Wet
(Weekblad,
1939);
Het stelsel van heffing omzetbelas-

ting
(Openbare Financiën,
1946);

Accijnzen en omzetbelasting
(Week-
blad,
1947);

Enige beschouwingen over het fis-
caal strafrecht
(Weekblad,
1947);
De omzetbelasting 25 jaar
(Week

blad,
1959);

De belasting-juridische kant van de
BTW
(Ges(-hriflen voor de Vereni-
ging voor Belastingweienschap,

1969);
Belastingheffing bij particuliere be-

drijven
(Weekblad,
1970);
De verbruiksbelasting bij internati-

onale samenwerking
(Weekblad,

1970);

Belastingen. Indeling in drie groe-
pen
(Weekblad,
1970);

II. Omzetbelasting. Streven naar op-

heffing van grenscontrole
(Week-
blad,
1971);

12. Vijfentwintig jaar vereenvoudiging
belastingen
(Weekblad,
1971). Ach-
terin het boek zijn de publikaties
van Mr. Tuk vermeld.

Wie levert?
Kluwer’ Technische Tijd-

schriften BV, Deventer, 1973, 18e uit-

gave, 640 blz.

Bevat praktische, veel zoekwerk be-

sparende, technische informatie over

produkten en diensten van adverteerders

in het wekelijks verschijnend vakblad

Vraag & Aanbod.

Overgang naar een nieuw energieti/dperk

(slot van hlz. 1009)

f. het tonen van bereidheid op deze basis met OPEC-landen
te onderha ndelen over olieleveranties.

Technologische voorsprong

Het economische effect op lange termijn van een beleid

als hierboven omlijnd zal om. zijn dat Nederland een be-
langwekkend gebied wordt voor vernieuwing van energeti-
sche technologie. Dat zal toevloeiing verzekeren van buiten-

landse researchresultaten en opent nieuwe investcri ngs-

mogelijkheden. Een technologische voorsprong kan het

resultaat zijn.
De offers zullen vrij omvangrijk zijn, zeker als het Rotter-
damse oliecentrum inderdaad snel verloren zou gaan. Ook
de huidige voeding van de algemene middelen zou fundamen-teel moeten veranderen. Overigens kan de energievoorziening

voor de industriële produktie in grote lijnen gèhandhaafd
blijven en kunnen nieuwe ontwikkelingen nieuwe werkgele-
genheid scheppen. Het aangegeven beleid zal een niet ge-
makkelijke periode inluiden, maar achterwege laten daarvan

zal evenveel achteruitgang meebrengen en bepaald minder

vooruitzichten openen.
Hoe dan ook, wij zullen in de komende jaren ons vet ver-

liezen. Onze energie kunnen wij herwinnen.

H. Versloot

Nederiandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel

q
I]
7
7 77

zoekteen

Jurist of Econoom

in de leeftijd van 40 â 45 jaar met grote algemeen-maatschappelijke

belangstelling, die na een inwerkperiode de huidige

algemeen secretaris

in 1975 kan opvolgen.

Sollicitanten wordt verzocht eigenhandig geschreven brieven met uit-

voerige gegevens over opleiding en beklede functies en onder opgave van

referenties te richten onder de letters A.S. 3 tot het hoofdbestuur der Maat-

schappij, Postbus 205, Haarlem.

Het wordt op prijs gesteld indien degenen, die de aandacht zouden willen

vestigen op personen, die naar hun mening voor deze functie in aan-

merking komen, zich hierover vertrouwelijk met de algemeen secretaris,

mr. J. A. van Lanschot Hubrecht, in verbinding stellen.

1024

Auteur