Ga direct naar de content

Jrg. 37, editie 1814

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 27 1952

ECONOMISCH-
STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

37E
JAARGANG

WOENSDAG 27 FEBRUARI 1952

No 1814

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN AD VIES VOOR BELGIË

J. E. Menens; R. Miry; J. van Tichelen;

R. Vandeputte; F. Versie/telen.

Voor de niet gesigneerde artikelen is de Commissie

van Redactie verantwoordelijk

INHOUD
Blz.
Het werkgelegenheidsdebat

……………..
148
De Acte van

Mannheim

blijve

plechtanker
voor de Nederlandse Rijnvaartpolitiek
door
Dr

W.

F.

van

Gunsteren

…………….
149
De Duitse vooroorlogse kapitaalschulden aan
Nederland door Mr Dr

J. H. F. Bloemers
..
150
Wereldproductie en -handel van zuivelproducten
en eieren door Drs G. Greidanus ……….
154
Ingezonden

stuk:
De verenigbaarheid van de Wet Goederenver-
voer Binnenscheepvaart met de Rijnvaart-
acte door Prof. Mr Dr J. P. A. François
157
Boek bespreking:
Dr G. J. Kruijer: Suriname en zijn buurlan-
den, bespr. door A. H. Ponfoort ……..
157
A a n t e k e n i n g :
Het Europese kolenvraagstuk

…………
158
De Belgische geld- en kapitaalmarkt in Januari
1952 door Dr L. Delinotte

…………….
159
Geld- en kapitaalmarkt
door Drs J. C. Brezet
161
Statistieken:
Bankstaten

………………………..
162
Werkloosheid en werkverruiming in Neder-
land……………………………
162
Wisselkoersen

……………………..
162
Recente economische publicaties

………
163

.4UTEURSRCHT VOÖRBEHO(DEN

Dezer dagen

vergadering van de Organisatie van het Noord-Atlantisch

Pact te Lissabon. Voor de buitenstaander niet ongelijk
aan de gemankeerde zonsverduistering: een indrukwek-kende gebeurtenis achter wolken verborgen. Volgens de
slotcommuniqué’s heeft men bemerkt dat er groei is.
De Ministers van Financiën zullen er wâarschijnlijk
meer van doen weten, wanneer de financiële consequenties
van de concretisering van het besprokene naar buiten
moeten komen. Men zit in een tweetandige klem, omdat
een mededeling, dat men niet best vordert, te ontmoe-
digend, een mededeling, dat men best vordert te bemoedi-
gend zou werken ten opzichte van degenen, die men het
defensiedoel als noodzaak van grote inspanning voor ogen
moet houden.
In de klem zit, wie zou anders verwachten, de Franse
Regering. Een voorstel tot aanvaarding der glijdende
loonschaal is door de Kamer aanvaard, waarbij de be-
schermingsstukken, in de vorm van wachttermijnen waarop
de Regering had gehoopt, zijn weggenomen. De zaak
kan thans gaan glijden. De voor de financiering noodzake-
lijke belastingvoorstellen zijn nog niet door de volksver-
tegenwoordiging geschoven. De Franse voorkeur bij het
kunstrijden gaat naar de vrije stijl, niet naar de verplichte
figuren.
Beklemd zit ook het Britse Ministerie. De begrotings-
datum, eerst in een avalanche van aanvangskracht naar
voren verschoven, is thans een week teruggezet. Is de tweede
ronde der versoberingen zo tegengevallen naar inspanning,
dat men over de derde een langere tijd moet maken?
Veel verschil kan het niet inhouden, want men zal de rit
moeten beëindigen wel zullen de kreten langs de kant des
te schelfer en harder worden. Groot-Brittannië gaat een
zware gang. –
is Nederland uit de klem? De voorraad aan valuta is
boven de twee milliard gestegen; volgens voorlopige
cijfers zal de betalingsbalans over 1951 in evenwicht zijn
geweest. Geen goed-geoefende economist kan het bij deze
zinsnede laten zitten; de evenwichtsvraag is niet los te
denken van het peil, waarop evenwicht werd bereikt.
Daarover is thans te doen.
De Regering heeft, mede
bij
monde van de Minister
van Economische Zaken, een aantal maatregelen aange-
geven, waardoor zij hoopt het werkloosheidscijfer in en-
kele maanden tot honderdduizend te zien dalen. Het zijn
projecten van verschillende aard, de financiële en fiscale
zijde van het economisch leven is nog niet in geding ge-
bracht.
– Het is goed, dat er wat gebeurt. Goed ook, dat de Regering
duidelijk heeft doen uitkomen, dat een nationale economie
als de Nederlandse niet is te vrjwaren tegen eventuele
krachtige bewegingen in het internationale economisch
leven. Hoezeer de moderne economist ook geboeid is
door de maatsçhappelijke organisatievormen en hun in-
vloed op hetnationaal inkomen, hij blijft de wet van vraag
en aanbod kennen.

R. MEES . ZOONEN

ANNO’ 1720

Bankiers
&
Assurantie- Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen Assurantie)

COLLECTIEVE

]J
PENSIOEN-VERZEKERING

ASSOCIATIE CASSA

KASSIERSINSTEI.LING

OPGERICHT IN 1806

4 1

P$EERENGRACHT 179 • AMSTERDAM-C

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhae

Alle Bank- en Effectenzaken

BERICHT

Van

‘particulier

te

koop
Te

koop

van

part,

aan
Ford

’48,

in

pr.

st..

goed
part, weg. aansch. kl. wagen,
onderh.,

pr.

banden,

1

op

9,
Amer. Ford,

V 8
1949,
vier-
4-deurs,

met nat.bewijs, olie-
deurs

Sedan,

kleur

staal-
gebruik

normaal.

Kerklaan’
blatw,

uitgerust

niet

radio,
115-119,

Rijswijk .Z. -H.
kachel

spotlight,

i’olhoes.

In
zee!’ goede staat,’ prijs
f
5250.
Transitozaak,

goede persp.,
Elke

keuring

toegestaan.
zoektdeelgen.

m.

f 100.000.-.
Randenhi’oekerweg.

3.

Tel. Br.

‘onder

no.

E.S.B.

9-3,
4068,

Aniersfoort.
Bur.

v.

d.

bi.,

Postbus

42,
Schiedam.

Leden van het Nederlandsch Economisch Instituut en

abonné’s van ,,Economisch-Statistische Berichten” wordt

hierbij beleefd verzocht, voor zover zij ons geen formulier

voor automatische afschrijving inzonden en hun contri-

butie, resp. abonnementsgeld voor het jaar 1952 nog niet

remitteerden, de ons verschuldigde bedragen zo spoedig

mogelijk te voldben door storting op onze postgiro-

rekening no 8408 of op onze rekening bij 2a R. Mees &

Zoonen, alhier.

t
Nederlandsch Economisch Instituut.

met papier gei8oleerde kabels
voor zwakslroom en slerkstroom

koperdraad en koperdraadkabel
kabeigarnituren. vulmassa en olie

HE KABELFABRIEK

DELFT

146

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

147

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Het werkgelegenheidsdebat.

In ,,E.-S.B.” van 13 Februari ji. werd gesteld, dat een
vakkundige behandeling van de werkloosheidsverschijn-
selen vereist is. De Regering heeft tijdens het wergelegen-
heidsdebat in de Tweede Kamer de gelegenheid gehad een
beleid te verdedigen, dat aan deze eis ongetwijfeld voldoet. De door de Minister van Economische Zaken gegeven ana-
lyse zou in hoofdzaak aldus kunnen worden geparafra-
seerd, dat er een ongelukkige samenloop is van de sei-
zoentop met een nasleep van te sterke beperking der
bouwvergunningen in het midden van 1951 en een lang-
zamer op gang komen van de militaire opdrachten dan
aanvankelijk verwacht was. Daarom mag ook worden
aangenomen, dat herstel niet lang op zich zal laten wachten.
De therapie ligt opgesloten in de analyse. Zij blijkt ditmaal
niet al te moeilijk te zijn: Het bouwprogramma wordt
weer opgevoerd en meer openbare werken worden uit-
gevoerd dan na de drastische verlaging van verleden jaar
was voorzien. Intussen blijkt toch wel, dat het manoeu-
vreren met de voor deze sferen kenmerkende langdurige
productieprocessen toch nog mmutieuzer voorbereiding
zou verlangen om de werkgelegenheid naar wens te regu-
leren.

Dr W. F. VAN G UNSTEREN, De Acte van Mannheim bljjve

plech tanker voor de Nederlandse Rijn vaartpolitiek.

In de laatste weken is, ook van officiële Nederlandse
zijde, menig woord gesproken, dat als ondermijnend ten
aanzien van de Acte van Mannheim moet worden aange-
merkt. Bij de behandeling van de begroting van zijn Depar-
tement voor 1952 in de Tweede Kamer verklaarde de Mi-
nister van Verkeer en Waterstaat, dat het in de bedoeling
ligt op de Rijn vrachtminima te bepalen en te bewerkstelli-
gen door middel van vrachtquoten. Het fixeren van vrach-
ten en het voorschrijven van goederenverdelingsregelingen
is onverenigbaar met de tekst en de historische interpre-
tatie van de Acte. Inmiddels is men een volgende phase
ingetreden met het Protocol omtrent een afspraak tussen
de Nederlandse Minister van Verkeer en Waterstaat en zijn
Westduitse ambtgenoot. Uit dit Protocol is o.a. op te maken, dat de Nederlandse Minister geneigd is de in
West-Duitsland tot stand gebrachte ,,Ordnung” als recht-
matig te erkennen. Ter gelegenheid van de behandeling
van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart ver-
klaarde de Minister buitenlanders vrij van Nederlandse
regelingen op de Nederlandse Rijn; nu verklaart hij Neder-
landers onderworpen aan Duitse regelingen op de Duitse
Rijn. Verruiming van bewegingsvrijheid wordt nagestreefd
en ook ten dele verkregen. De vraag is echter, of zij niet te duur wordt gekocht. Een vergroting van de mogelijk-
heden voor Nederlanders in het binnen-Duitse verkeer
– hoezeer ook nodig en gewenst – ten koste van een deel
van Nederlandse rechten in de Rijnvaart is niet toelaat-
baar en zal later altijd ook van commercieel standpunt
een slechte ruil blijken te zijn.

Mr Dr J. H. F. BLOEMERS, De Duitse vooroorlogse
kapitaalschulden aan Nederland.

Nederland bezat v66r 1940 omvangrijke kapitaalbe-
leggingen in Duitsland, naar de toestand van 1939 geraamd op ca f
1,5
mrd. Over het verloop der Nederlandse kapitaal-
vorderingen op en beleggingen in Duitsland na 1939 zijn,
afgezien van enige zeer globale cijfers, eigenlijk nimmer
min of meer exacte gegevens van Nederlandse zijde ge-
publiceerd. Een preciese opgave van de samenstelling van
ons Duits bezit, voor zover deze bij de Nederlandse in-
stanties bekend mocht zijn, is iii ieder geval achterwege gebleven. In dit artikel onderwerpt schrijver daarom .de
officiële Duitse gegevens, welke overgelegd zijn ter gelegen-

heid van de te Londen gehouden inleidende besprekingen
over het probleem der Duitse vooroorlogse buitenlandse
schulden, aan een beschouwing.

Drs G. GREIDANUS, Wereldproductie en -handel van
zuivelproducten en eieren.

De wereldmelkproductie heeft zich de laatstejaren, als ge-
volg van hetherstel van de vooroorlogse veestapel, gunstig
ontwikkeld: in enkele landen van West-Europa werd eind
’50
reeds het niveau bereikt, dat onder het E.R.P. voor
1952/53
was begroot. De toeneming van de melkproductie werd
voor – het grootste deel aangewend voor productie van
boter. De wereldboterproductie lag eind 1950 nog 13 pCt
beneden het vooroorlogse peil. De wereidkaasproductie,
welke gedurende de oorlogsjaren niet noemenswaardig
is gedaald, bedroeg in 1950 30 pCt meer dan in 1938.
De wereldproductie van melkproducten lag de laatste
jaren op een peil, dat hoger lag dan véôr de oorlog. De
wereldexport verdubbelde sinds 1938. De productie van
eieren nam de laatste jaren eveneens sterk toe. In de meeste
landen ligt zij reeds op het vooroorlogse peil.

– SOMMAIRE –

Le débat sur l’emploi.

Dans l’,,E.-S.B.” du 13 février dernier on expose que
les symptômes de chôrnage doivent être traités avec corn-
pétence. Durant les débats sur l’emploi dans la 2e Chambre
le gouvernement a eu l’occasion de défendre une politique
qui satisfait sans doute â cette exigence.

Dr W. F. VAN GUNSTEREN, Que l’Acte de Mannheiin
reste la base de la politique néerlandaise en niatière de
navigation rhénane.

L’Acte de Mannheim subit une menace progressive
les derniers ternps. Les milieux officiels néerlandaiségale-
nient ont prononcé, les dernières semaines, des paroles
qui sapent les principes mêmes de 1’Acte. L’auteur attire,
dans cet article, l’attention sur quelques points d’une importance fondamentale et ayant des conséquences
pratiques qui peuvent mener lom.

Mr Dr J. H. F. BLOEMERS, Les dettes d’avant-guerre
de l’Allemagne aux Fays-Bas.

Aux Pays-Bas on n’a jamais puhlié, sauf quelques
chiffres globaux, des données plus ou moins exactes sûr
les créances en capitaux et les investissements néerlandais
en Allemagne après 1939. Dans cet article l’auteur exa-
mme les données officielles qui ont été produites lors des
pourparlers préparatoires â Londres relatifs au problème
des dettes étrangères allemandes d’avant-guerre.

Drs G. GREIDANUS, La production mondiale et le corn-
merce des produits laitiers et des oeufs.
La production mondiale du lait s’est développée fa-
vorablement les dernières années; dans quelques pays de
l’Europe occidentale on atteignit â la fin de l’année 1950 le niveau que 1’E.R.P. avait prévu pour les années 1952-
1953. En 1950 la production mondiale du beurre a dé-
passé de 30 p.c. la production de 1938. La production mon-
diale des produits laitiers se situait, les dernières années,
â un niveau plus élevé qu’avant la guerre. L’exportation
mondiale a doublé depuis 1938. La production des oeufs a augmenté considérablement les dernières années. Dans
la plupart des pays elle frise le niveau d’vant guerre..

148

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 Februari 1952
/

Het Werkgelegenheidsdebat

In een vorige beschouwing
1)
stelden wij, dat een

vakkundige behandeling van de werkloosheidsverschijn-

selen die de laatste tijd meer dan wenselijk, hun kop

hebben opgestoken, vereist is. Inmiddels heeft het werk-

gelegenheidsdebat in de Tweede Kamer plaats gehad,

dat door de interpellatie van de heren Nederhorst en
Stapelkamp is uitgelokt. De verontrusting van velen

heeft uitdrukking gevonden; de – niet steeds zeer

mededeelzame – Regering heeft de gelegenheid gehad

een beleid te verdedigen, dat aan de hierboven gefor-

muleerde eis van vakkundigheid ongetwijfeld voldoet.

In het bijzonder het evenwichtige en krachtige be-

toog van de Minister van Economische Zaken, die ook

de juiste woorden wist te vinden voor de menselijke

zijde van het vraagstuk, heeft de interpellanten zowel

als de overgrote meerderheid der Kamerleden daarvan

overtuigd. De Minister zal ook hun, die daaraan be-

gonnen te twijfelen, de zekerheid hebben kunnen ge-

ven, dat er toch werkelijk iets veranderd is sedert de

jaren dertig. Constaterende, dat de werkloosheid thans

165.000 mannen omvat, terwijl een normale werkloos-

heid van 90.000, overeenkbmende met 3 pCt der be-

roepsbevolking, geen ongerustheid behoeft te wekken,

heeft ZE., in uitzicht gesteld, dat tegen 1 Mei een

niveau van 100.000 moet kunnen worden verwacht en

dat een verbetering van de •situatie met 65.000 man-

jaren werkgelegenheid zal worden nagestreefd.

Bij zijn analyse stelde de bewindsman in het licht,

dat er uiteraard een seizoencomponent in onze werk-

loosheid van• vandaag schuilt en dat het feit van grote

betekenis is, dat er geen internationale conjunctuur-

daling is. Dit maakt het voor de Regering zeker minder

moeilijk dan wanneer een zodanige inzinking er wel

zou zijn geweest. Want tegen internationale conjunc-

tuurinzinkingen kan slechts een land met kracht op-

treden, dat over belangrijke deviezen reserves beschikt.

De analyse, die de Minister verder gaf, zou in hoofdzaak

aldus kunnen worden geparafraseerd, dat er een on-

gelukkige samenloop is van de seizoentop met een na-

sleep van te sterke beperking der bouwvergunningen in

het midden van 1951 en een langzamer op gang komen
van de militaire opdrachten dan aanvankelijk verwacht

was. Daarom mag ook worden aangenomen, dat herstel

niet lang op zich zal laten wachten.

Juist het feit, dat men van regeringszijde niet ge-

schroomd heeft streefcijfers te noemen voor de verbe-

tering gedurende de eerste maanden, zal een riem onder

veler hart geweest zijn. Bij de bespreking in
1950151

van de werkgelegenheidsnota’s van de Regering was

het toch voor verschillende deskundigen een teleurstel-

ling, dat – hoezeer dat voor een klein land begrepen
kan worden – onze Regering niet meende te moeten

tegémoetkomen aan het uitdrukkelijk verzoek van de

1)
,,E.-S.B.” van 13 Februari ii., blz. 113.

Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties

om algemene streefcijfers t.a.v. de werkgelegenheid be-

kend te maken. Thans blijkt men, nadat de concrete

situatie behoorlijk geanalyseerd was, voor de onmiddel-

lijk voor ons liggende periode een toezegging in deze

trant verantwoord te hebben geacht, hetgeen niet zal

nalaten psychologisch gunstig te werken.

De therapie ligt opgesloten in de analyse. Zij blijkt

ditmaal niet al te moeilijk te zijn. Het bouwprogramma

wordt weer opgevoerd – in feite was de Minister van

Wederopbouw en Volkshuisvesting reeds maanden zeer

actief – en meer openbare werken worden uitgevoerd
dan na de drastische verlaging van verleden jaar was

voorzien. ,,W en V” en ,,V en W” werken hier samen.

Intussen blijkt toch wel, dat het manoeuvreren met

de voor deze sferen kenmerkende langdurige productie-

processen toch nog minutieuzer voorbereiding zou ver-

langen.om
de werkgelegenheid naar wens te reguleren.

Naast de zo juist genoemde algemene trekken ver-

toont het beeld vele detail-nuances. Gevallen van bij-

zondere aard doen zich voor in de sigarenindustrie, de

textielnijverheid en de landbouw, alsmede in bijzondere

streken van het land. Zolang niet een proces van om-

schakeling naar plaats en beroep kan hebben door-

gewerkt – en daar is een zekere tijd voor nodig – zal

men door bijzondere maatregelen van tijdelijke aard

tegemoet kunnen komen aan deze gevallen.

Uiteraard kunnen slechts beperkte middelen voor

deze doeleinden aan de algemene landsmiddelen wor-

den onttrokken. Er moet een aansporing overblijven
voor alle betrokkenen om hun heil elders te zoeken.

En de maatregelen, die dit laatste bevorderen, zijn te

prefereren boven het alleen-maar steunen. Woningbouw

in streken waar een tekort aan arbeiders is als gevolg

van woningnood is. één voorbeeld. Het contingent dezer

woningen wordt verhoogd. Ontwikkelingswerken in de

speciale onderontwikkelde gebieden vormen een ander

voorbeeld. Ook zij zullen worden versneld, al zijn er

hier voor het lopende jaar enge grenzen. Voor de si-

garenindustrie zal dan een accijnsverlaging worden voor-

gesteld aan onze Benelux-partners.

Het is juist – wegens zijn principiële betekenis wil-

len wij daarbij nog even stilstaan -, dat een met België

en Luxemburg overeengekomen belastingtarief niet als

bij voorbaat onveranderlijk wordt voorgesteld, een

tendentie die men wel eens aantreft. Essentieel is het

overleg, niet een onveranderlijkheid.

Het Kamerdebat heeft daarnaast nog ettelijke andere

onderwerpen bestreken, zich bewegende tussen huur-

verhoging en Russische boompjes. Wat het echter zijn

betekenis heeft verleend was de inderdaad vakkundige
ontleding, in getallen en met een concrete doelstelling,

door een Minister die daarbij kon voortbouwen op

eigen wetenschappelijk werk.

(

.-

-,–

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

149

De Acte van Mannheim blijve plechtanker voor de

Nederlandse
Rij
nvaartpolitiek

De discussie tussen Prof. Jhr Mr W. J. M. van Eysinga
en Prof. Mr Dr J. P. A. François over de verhouding tussen
de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart en de Rijn-
vaartacte in dit blad’) heeft dit laatste stuk weer in het-
midden van de belangstelling geplaatst. En terecht, want
dit tractaat geraakt de laatste tijd in toenemende mate
in gevaar. Ondanks velerlei lippendienst is ook van offi-
ciële, Nederlandse zijde in de laatste weken menig woord
gesproken, dat als ondermijnend ten aanzien van de Acte

moet worden aangemerkt.
Het is daarom van belang thans niet meer te lang bij de
Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart stil te staan, doch
het licht op groter gevaren voor de Acte te doen vallen.
Het is niet te ontkennen, dat de Minister van Verkeer
en Waterstaat van goeden wille is en voortdurend de be-
doeling heeft de Acte van Mannheim te ontzien. Deze be-

doeling kwam tot uitdrukking in de Derde Nota van Wijzi-
gingen op bovengenoemd wetsontwerp, waarbij de wet
niet toepasselijk werd verklaard op binnenschepen van
buitenlanders op de wateren, vallende onder de Acte van

Mannheim 1868.

Van practische betekenis is deze bepaling niet, daar
buitenlanders aan deze vaart niet plegen deel te nemen
en evenmin te verwachten is, dat Nederlandse Rijnvaar-
ders hier bijzondere belangen zullen krijgen. De be-
paling is echter van bijzonder belang in principieel opzicht.
De Minister verklaart hiermede tweeërlei: in de ëerste

plaats, dat geen Rijnoeverstaat regelingen voor buiten-
landers kan vaststellen op de onder het tractaat vallende
stroom en voorts, dat aan iedere Staat het recht blijft
Qm op eigen grondgebied nadere regelen voor eigen onder

danen te geven.
Met het laatste punt hebben de heren Van Eysinga

en François zich bezig gehouden.
Hoeveel ook voor de argumentatie van Prof. François
2)

te zeggen moge zijn, zo moet daarnevens worden opge-
merkt, dat de Rijnvaartacte alle Rijnvaarders in een
internationale gemeenschap heeft geplaatst, waarin allen

gelijke rechten ‘en gelijke verplichtingen hebben. Deze
internationale gemeenschap vraagt niet alleen verplich-
tingen, doch beschermt ook degenen, die aan haar zorg
zijn toevertrouwd. Deze bescherming geschiedt in deze

internationale gemeenschap zonder onderscheid van na-
tionaliteit. Nederlandse onderdanen, krachtens hun hande-
lingen behorend tot deze internationale gemeenschap,
hebben recht op bescherming in deze kring en kunnen niet
door regelen van een enkele Staat — ook niet van hun
eigen Staat — achtergesteld worden bij andere internatio-
nale Rijnvaarders, die met hen aan de rechten en de ver-
plichtingen van de Acte van Mannheim zijn onderworpen.
• Hopelijk zal de Nederlandse jurisprudentie ook op

dit punt
3)
weldra de grenzen van de Nederlandse wetgever

bepalen.
De discussie Van Eysinga-François heeft dit voordeel
gehad, dat Prof. François in zijn argumentatie heeft doen
blijken in vraagpunten, rakend andere belangen dan die van Nederlanders op Nederlandse wateren, geen twijfel
te willen laten omtrent de juistheid van de opvatting van
Prof. Van Eysinga, alsmede van die van Prof. Anema,
zoals die is gebleken bij de behandeling van het wets-
ontwerp, regelende het vervoer van goederen met binnen-

‘)
Zie ,,E..S.B.” van 5 December 1951, 9 en 30 Januari 1952; voorts
ook het artikel van MrK. vonk over dit onderwerp in ,,E.-S.B.” van 20
Februari 1952.
t)
,,De verenigbaarheid van de wei Goederenvervoer ninnenischeepvaart
met de Rijnvaartacte” door Prof. Mr Dr S. P. A. François in ,,E..S.B.”
van 9 Januari 1952.
‘) Op een ander, niet minder gewichtig punt deed zij dit in hoogste
instantie in het arrest van de Hoge Raad van 25 Januari 1952.

schepen, in de Eerste Kamer der Staten-Generaal op
30 October 1951 (Handelingen 29). Hiermede was reeds
voor het Arrest van de Hoge Raad van 25 Januari 1952
door een jurist van het Ministerie van Buitenlandse Zaken
de onrechtmatigheid van de zgn. Stop bij Lobith vast-

gesteld.
-Sindsdien is echter de bedreiging van de Acte uitgebreid
op punten van principieel veel groter betekenis en ditmaal
met practische gevolgen, die zeer ver kunnen reiken.
Bij de behandeling van de begroting van zijn Departe-
ment voor het jaar 1952 in de Tweede Kamer der Staten-
Generaal verklaart de Minister van Verkeer en Water-
staat, dat het in de bedoeling ligt op de Rijn vrachtminima
te bepalen en te bewerkstelligen door middel van vracht-
quoten (Vergadering van 28 November 1951 — Hande-
lingen 685). Indien nu iets met de tekst en de historische
interpretatie van de Acte onverenigbaar is, dan is het wel het fixeren van vrachten en het voorschrijven van goede-
renverdelingsregelingen. Het waren juist de door deze
elementen gekenmerkte toestanden, welke in 1815 in Wenen
door de voorganger van het Tractaat van Mannheim
werden opgeruimd. Geen jurist kan de Minister de illusie
geven zijn hierboven aangegeven bedoeling te realiseren
zonder in flagrante strijd te komen met het mede door

Nederland gesloten tractaat.
Inmiddels is men een volgende phase ingetreden met
het Protocol omtrent een afspraak tussen de Nederlandse
Minister van Verkeer en Waterstaat en zijn Westduitse ambtgenoot. De ,,Deutsche Verkehrszeitung” van 8 Ja-nuari 1952 licht ons omtrent dit protocol in enmaakt de

inhoud openbaar. Nadat in de preambule beleefd de Acte van Mannheim is vermeld, wordt onder andere het volgende vastgesteld:

le. de Ministers spreken zich tezamen voor het ,,Ord-

nungsprinzip” op de Rijn uit;
2e. het binnen-Duitse verkeer blijft voor Nederlanders
in de tegenwoordige omvang ,,gestattet”;
3e. de vrijheid van Nederlanders in het grensoverschrj-
dend verkeer blijft ,,beibehalten”;
4e. een paritaire commissie zal de omvang van de uit-
breiding van het binnen-Duitse verkeer nader vast-

stellen.

Men kan zich een ordening denken, welke verenigbaar
is met de Acte; de meeste vormen zullen echter in strijd
zijn met de Acte. Zeker is dit het geval met de ,,Ordnung”,
welke de Minister in de Tweede Kamer der Staten-Gene-
raal op 28 November 1951 zeide na te streven en welke
blijkens Duitse uitlatingen van die zijde zeer wordt be-
geerd. Alles hangt hier af van de mate van ordening. Het
geven van deviezenvoorschriften is nog iets anders dan
het invoeren van een ,,tour de rôle”-bevrachting in de stijl
van vroegere gilden. Ten aanzien van de Acte zweeft deze
,,Ordnung” van Bremen dus nog voorshands.

De uitdrukking ,,gestattet” wijst er op, dat wij hier met
een Duitse handelspolitieke concessie en niet met een
voor allen gelijk recht hebben te doen.

Ook de uitdrukking ,,beibehalten” wijst op een toestand,
die als gevolg van bijzonder overleg is ontstaan en toe-
gelaten, doch niet wordt erkend op grond van een algemeen
erkende vrijheid.

De hier bedoelde handelspolitieke verruiming erkent
tevens een beperking in rechte.

150

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 Februari 1952

Voorts is uit het protocol op te maken, dat de Neder-
landse Minister geneigd is de m West-Duitsland tot stand
gebrachte ,,Ordnung” als rechtmatig te erkennen; Neder-
landers dienen zich – aldus het protocol – naar deze
,,Ordnung” te voegen.
Hiermede is de Minister echter binnen enkele weken een
ander standpunt toegedaan dan hij in de Staten-Generaal
ter gelegenheid van de behandeling van de Wet Goederen-
vervoer Binnenscheepvaart innam. Toen verklaarde hij
buitenlanders vrij van Nederlandse regelingen op de Neder-
Jandse Rijn; nu verklaart hij Nederlanders onderworpen
aan Duitse regelingen op de Duitse Rijn.
De goede bedoeling van de Minister ten aanzien van de Nederlandse Rijnvaart blijkt evenwel uit het Protocol van
Bremen onmiskenbaar. Verruiming van bewegingsvrijheid
wordt nagestreefd en ook ten dele verkregen. De vraag
is echter, of zij niet te duur wordt gekocht. Een vergroting
van de mogelijkheden voor Nederlanders in het binnen-
Duitse verkeer – hoezeer ook nodig en gewenst – ten
koste van een deel van Nederlands rechten in de Rijn-
vaart is niet toelaatbaar en zal later altijd ook van com-
mercieel standpunt een slechte ruil
blijken
te zijn.

Indien men zich ten aanzien van de bovengenoemde
punten distancieert van de rechtsbescherming, welke de Acte van Mannheim kan verlenen, en inlaat op een han-
delspolitieke discussie, kan men zijn verwachtingen niet
hoger stellen dan in een handel van geven en nemen is te
verwachten. In de handelspolitiek geldt nu eenmaal het
,,do ut des”. In de Rijnvaart heeft de Nederlandse Minis-
ter van Verkeer en Waterstaat voorts maar weinig te

geven en daarentegen veel te behouden. Dit behouden
kan wellicht door het recht, doch het heeft weinig kans
buiten het recht om. Te vertrouwen op eigen kracht in
plaats van op het recht is voorts voor een kleine staat als Nederland geen reële basis. Hoe kunnen de kleine staten
in de internationale, gemeenschap zich anders trachten te
handhaven dan door het recht?
Tegenover West-Duitsland zal Nederland in de toe-
komst handelspolitiek en commercieel de zwakkere blijven;
het vele, dat het in de Rijnvaart heeft te beschermen, zal het met meer succes in samenwerking met derden op de
weg van het recht, dan alleen staande, vertrouwend op
politieke bekwaamheid en economische kracht, kunnen

behouden.
Nederland, van ouds sterk aangewezen op dienstbetoon aan het buitenland, zal van de nieuwe mogelijkheden, ge-
legen in de liberalisatie van het handeisverkeer en de inte-
gratie van Europa, gebruik moeten maken om een be-
dreigde positie weer veilig te stellen. Dit is veiliger dan
afhankelijk te zijn van de gunst van een machtige buurman.
Voor de Rijnvaart kan dan naast een gebruik van de
liberalisatie van het handelsverkeer en de komende inte-gratie van West-Europa beschikt worden over de rechts-
bescherming van de Acte van Mannheim. Nederland moet
dan echter zelf overtreding van de Acte nalaten en niet
meer vertrouwen op handelspolitiek overleg dan op zijn
recht. Verliest Nederland zelf het vertrouwen in dit recht,
dan kan het zich later bezwaarlijk in internationale kring
gaan beroepen op dit recht.

Rotterdam.

W. F. VAN GUNSTEREN.

De Duitse vooroorlogse kapitaalschulden aan Nederland

Het is een algemeen bçkend feit, .dat Nederland vôôr
1940 omvangrijke kapitaalbeleggingen in Duitsland bezat, welke naar de toestand van 1939 geraamd werden een be-
drag van ca f
1.5
mrd te belopen. Over het verloop der
Nederlandse kapitaalvorderingen op en beleggingen in
Duitsland na 1939 zijn eigenlijk nimmer min of meer ex-
acte cijfers van Nederlandse zijde gepubliceerd. Wel is
eens in 1946 door Prof. S. Posthuma medegedeeld, dat het
rendement van ons nog aanwezige kapitaalbezit in Duits-
land te stellen is op f 30 â 40 mln per jaar, wel heeft de
Minister van Buitenlandse Zaken in een op 19 Juli 1949 aan de Tweede Kamer overgelegde nota betreffende het
Duitse vraagstuk, gesteld, dat naar Rijksmarkwaarde van
1938 gerekend ons kapitaalbezit in Duitsland totaal ca
RM 1.670 mln bedraagt, samengestelduit RM 1.130 mln deelnemingen, RM 300 mln effecten en uit RM 239 mln
onroerende goederen, van welke waarden ca RM 1.300 mln in West-Duitsland zou uitstaan, doch
bij
deze zeer
globale cijfers is het dan ook gebleven. Een exacte opgave
van de samenstelling van ons Duitse bezit; voor zover deze
bij de Nederlandse instanties bekend mocht zijn, is in ieder
geval achterwege gebleven.
Het schijnt daarom van belang kennis te nemen van de
officiële Duitse gegevens, welke overgelegd zijn ter gele-
genheid van de in de zomer van 1950 te Londen ge-
houden inleidende besprekingen over het probleem der
Duitse vooroorlogse buitenlandse schulden. Deze gegeven
betreffen uitsluitend de in de vorm van effecten en vorde-
ringen jegens het buitenland lopende verplichtingen en zijn
dus veel beperkter dan het van Nederlandse zijde genoemde
totale bedrag. Het valt daarbij op, dat er al zeer weinig
overeenstemming bestaat tussen het aan de Tweede Kamer
medegedeelde bedrag en de zeer nauwkeurig gespeci-
ficeerde Duitse cijfers. Deze Duitse cijfers zijn door de
,,Bank deutscher Laender” in September 1950 verzameld
naar de stand der schulden op-30 Juni 1950;
zij
zijn dus
ruim anderhalf jaar oud, zodat de bedragen, vermeld in de

tabel der bestaande rente-achterstanden, dienovereen-
komstig moeten worden verhoogd.
Bij de berekening der schulden zijn buiten beschouwing
gelaten de schulden, die geringer zijn dan DM 1.000 of
RM 1.000, hetgeen, naar de ervaring heeft geleerd, tot
een verhoging van maximaal
5
pCt van het berekende
totale bedrag moet leiden. Voorts bestaat er een aantal
onzekere elementen in de berekeningen. Ten aanzien van de binnenlandse leningen bestaat de mogelijkheid, dat de
debiteur daarvan niet bekend is met het feit, dat stukken
in handen van het buitenland zijn.
Bij
de in het buitenland
uitgegeven leningen moet een voorbehoud worden gemaakt
ten aanzien van plaats gevonden hebbende aflossings-
betalingen aan de ,,Konversionskasse”, ten aanzien van
de v66r en
tijdens
de oorlog geschied
zijnde
inkoop van
obligaties, die echter nog niet tot formele schulddelging
heeft geleid alsmede ten aanzien van het zich nog in Duits-
land bevindende of verloren gegane bestand van zodanige
bbnds, zulks in alle gevallen omdat de ,,Wertpapierberei-
nigung” in Duitsland nog niet is afgesloten. Verder zullen
niet meer als schulden door de Duitse debiteuren zijn aan-
gegeven de verplichtingen, waarvan de debiteur aanneemt,
dat het zijn crediteur op de een of andere wijze mogelijk
is geweest verhaal en daarmede voldoening van
zijn
vor

dering te vinden,
terwijl
daarnevens ook Duitse schulden
zonder voorkennis of medeweten van de debiteur intussen
door regres op Duits buitenlands vermogen geheel of ten
dele reeds zijn voldaan, zodat deze in de opgaven tèn
onrechte zijn opgenomen. Te denken is
bijv.
aan het op
7 November 1951 in Engeland gepubliceerde plan tot ver-
deling van het als vijandelijk vermogen in beslag genomen
Duitse vermogen in Engeland, waarbij een bedrag van
£ 15 mln tot verdeling zal komen, waaruit de Engelse
crediteuren van Duitsland een uitkering op hun vorderingen
van waarschijnlijk
15 pCt zullen ontvangen.
Behalve nog enkele andere kleine verplichtingen, omvat het van Duitse zijde overgelegde statistische

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

151

materiaal niet de verplichtingen van de ,,Konver-
sionskasse für deutsche Auslandsschulden”, yan de
,,Deutsche Verrechnungskasse”, van de Duitse Rijks-
bank met uitzondering harer schulden aan de Bank
voor Internationale Betalingen, de verplichtingen uit het
,,Lee-Higginson”-crediet, de van Maart 1938 tot Mei
1945 voor rekening van Duitsland komende dienst der
Oostenrijkse leningen, de schulden uit de eerste wereld-
oorlog zomede de verplichtingen uit hoofde van het Rijks-
markbezit van vroegere krijgsgevangenen en dwangar-

beiders. Op deze verplichtingen zal nog worden teruggeko-
men.
In deze berekeningen zijn de in effectieve Rijksmark
en Goudmark bestaande schulden in Deutsche Mark omgerekend tegen een koers van 10 RM = 1 DM en
1 GM = 1,7 DM, terwijl voor de in vreemde valuta lui-
dende schulden de thans geldende officiële koers der be-
treffende valuta is aangehouden. Het onder deze restric-
ties geproduceerde materiaal geeft dan als resultaat een
totale Duitse buitenlandse schuld van DM 6,976 mrd
zomede een rente-achterstand daarop van DM 4,297 mrd
of wel van 61 pCt, zulks per 30 Juni 1950. Dit bedrag
bestaat voor DM 4,539mrd uit in het buitenland uitge-
geven obligaties (rente-achterstand DM 3,894 mrd), voor
DM 82 mln uit zich in buitenlandse handen bevindende
binnenlandse staatsleningen (rente-achterstand DM 4 mln),
uit DM 442 mln ,,Stillhalte”-schulden (rente-achterstand
DM 187 mln), uit credietschulden der Duitse banken
tot een bedrag van DM 308 mln (rente-achterstand DM 14 mln) en uit schulden van andere aard ten belope van
DM 1,605 mrd .(rente-achterstand DM 136 mln). Dit
bedrag van DM 6,976 mrd is over de crediteuren
verdeeld als aangegeven in Tabel T.

Valutair gescheiden bestaan jegens de afzonderlijke
crediteurlanden de volgende verplichtingen: (zie Tabel II
op blz. 152).

De verdeling der schulden over de debiteuren blijkt
uit tabel III.
En afzonderlijke staten worden deze verplichtingen
nauwkeurig nader gespecificeerd naar valuta, aard en
tijdstip van ontstaan der schulden en naar de crediteur-
landen, verdeeld over. de volgende debiteurgroepen:
1. Duitse banken; 2. handel en industrie; 3. Rijk, landen en gemeenten; 4. overige Duitse debiteuren
mcl.
kerke-

lijke organisaties;
5.
verzekeringen, welke uit de groep
der overige Duitse debiteuren zijn gelicht. De vorderingen
van Nederland blijken dan als volgt te zijn verdeeld (in
duizenden):

Duitse banken:
DM16.015, RM. 56.408 en Goudmark

2.692;
.1-Jandel en industrie:
DM 162. 277, RM. 212.881 en Goud-
mark 2.290;
Rijk, landen en gemeenten:
DM. 226.132, RM. 3.451

en Goudmark 1.251;
Verzekeringen:
DM 4.242, RM. 741 en Goudmark 19;
Overige debiteuren
(mci.
kerkelijke organisaties): DM
11.083, RM. 5.412, Goudmark 991.
in een aparte tabel worden de rente-achterstanden
gespecificeerd naar crediteurlanden en valuta, welke in
verkorte vorm het volgende beeld geeft (zie Tabel IV).
Volgens deze gegevens zouden dus de Nederlandse

kapitaalvorderingen op Duitsland, voor zover in dit
materiaal verwerkt, inclusief de rente-achterstand per 1
Juli 1950 bedragen DM 644.442 mln, RM 308.614 mln en
Goudmark 8.188 mln of wel ca f 627 mln. Het blijft een
niet te beantwoorden vraag op welke wijze deze cijfers
te rijmen zijn met de indertijd van Nederlandse zijde
zonder enige specificatie genoemde gegevens. Naar het
wil voorkomen zou het aanbeveling verdienen, dat ook van
Nederlandse zijde thans eens een volledige documentatie
over en specificatie van onze Duitse kapitaalbelangen
liet licht zou zien, daar het toch wel zonderling aandoet, dat door de Duitse debiteuren bedragen worden opgege-
ven, welke in de honderden millioenen verschillen van
de Nederlandse opgaven, die kennelijk steunen op de inder-
tijd door De Nederlandsche Bank voorgeschreven aanmel-
ding door Nederlandse ingezetenen hunner yorderingen op Duitsland en hunner Duitse effecten, waarbij men er
nog rekening mede moet houden, dat van de zijde der
Duitse debiteuren ook nog wel bestaande verplichtingen
niet zullen zijn opgegeven. Ongetwijfeld zijn ook van Ne-, derlandse zijde wel vorderingen niet opgegeven, doch het
is nauwelijks aan te nemen, dat deze enorme verschillen
daaruit te verklaren zouden zijn. DaaTbij komt, dat, gelijk
boven opgemerkt, deze cijfers slechts een deël der Duitse
verplichtingen jegens het buitenland omvatten. In het
overige deel, waarover hieronder nader, zitten eveneens
nog belangrijke schulden aan Nederland, waarmede de
genoemde bedragen dus dienen te worden verhoogd.
In de eerste plaats zijn daar de schulden van de ,,Deutsche
Verrechnungskasse” te Berlijn, waarvoor het Duitse Rijk
aansprakelijk is. De verplichtingen van de D.V.K. bedroe-
gen per 1 Septeinber 1939 jegens het buitenland RM
457,5 mln, welk bedrag echter te verminderen is met de vorderingen der landen, die niet aan de schuldenconfe-
rentie deelnamen en van Italië voor zoveel betreft de tijd
na 31 Augustus 1939 (art. 77 van het vredesverdrag met
Italië van 10 Februari 1947).
Ten aanzien van Nederland is slechts het saldo per 31
Augustus 1939 bekend, niet het saldo per 10 Mei 1940.

De schuldenpositie der D.V.K. is dan als volgt:

Italië

…..
RM
106,6
mln per

31

Augustus

1939;

Nederland
.
RM
54,8
mln per

31

Augustus

1939;

Iran

…….
RM
12,4
mln per 31

December 1943;

Spanje


RM
117,7
mln;

Portugal

..
RM
7,4
mln;

Argentinië

.
RM
3,6
mln;

Totaal
…..
RM
302,5
mln.

Zwitserland had te vorderen Sfrs 1.184,2 mln of wel

DM 1.137.488 mln.

Ten aanzien van de ,,Konversioriskasse fuer deutsche
Auslandsschulden” waren volgens de laatste balans van 21
April 1945 in omloop: in valuta luidende ,,fundingbonds”
tot een tegenwaarde van DM 174.288 mln en in Rijks-
mark luidende bonds tot een bedrag van RM 56.309 mln.
De overige verplichtingen van de , ,Konversionskasse”, waarvoor de aansprakelijkheid van het Duitse Rijk wet-
teljk niet is vastgelegd, beliepen op dat tijdstip RM 463.351
mln jegens buitenlandse crediteuren; deze worden in de
overgelegde documenten niet naar crediteurlanden ge-

splitst.
Ten aanzien van de Duitse Rijksbank en de ,,Gold-

TABEL 1

Openbare en private buitenlandse schulden van West-Duitsland
(mci.
West-Berlijn).

(Kapitaal zonder rente per 31 Juni 1950)
(in duizenden)
ver. Staten
Engeland
Zwitserland

Nederland
1
Frankrijk
Zwedçn

1
België
Dene-

1
marken
1
Italië
Overige
tanden
Totaal

OM.

2.764894
RM.

173.641
GM.

7.167

1

1.185.686
1

74.085
j

44.722

872.639

419.749

218.115

278.893

110.949

7.243

771.691
178.186

1
1.404

208.157
6.394

1
320

77.253 37.978
350

12.669

1

10.163

1
485

26803
10.545
110

1

133.434
1.072.523 3.839

6.472.975

OM.

2.060.523

RM.

176.589

GM.

152

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 Februari 1952

TABEL 18.

Duitse’ buitenlandse schi


H

179.140
272.818
564

766
91
72

8

443

120

38

8.143
3.60.610
11.234
50!
884
296

6.847

213

71

367
(
Zwitserland
3.067
18
1.985
10
604.586
108.701
1.122

18.751

3.317

7499

674

2.010
284
2.262

7.531

90.358
91.917
9.321

2.045

279

105

329

2.341

1.134
P39
69

1.098.133
2.368.969
21.26

1.239

250

16!

1.134

5

189

2.067

173.803
163.182
83

20



19
16


9
– –

957
29

– –

354

159

732
1
258

13.797

4.892

668.534
7.393
2.116
36

24

438

4

164

115

32

40.334
18

Nederland

……….

27

16

32

1

6



2

676

Frankrijk

……………
België

…………….

Oostenrijk
121

62

750

65

2.126

819

2.317

743

Italië

………………

819
6
132

320

30

217

229

72

146

Spanje

…………….

230
-_
59

206

23

403

175

15

109

Ver.

Staten

…….

Luxemburg

…………

Denemarken
49

19

117
1
68

1.477

1.228

210

lol

Engeland

……….



29

– –
– – –
124

24

1.412
– –

177

990
– – – –

Turkije

…………..
Unie v.

Zuid-Afrika
8

92

36

3!

114

Ierland

………….

1

12

2
– –
– – – –
– – – –

Porlugal

…………..

Australië

…………
Nieuw-Zeeland

….
– – –

– –
– –


– –
– – –

Zweden

…………..
Noorwegen

…………

1

50

1

– –
5

– .

2


– –
2

– –
– – –

– – – –


24

38

133

27

18

8
– –

1

2

19


– –








India

…………..
Pakistan

…………

1

23

Argentinië

………
Canada

………….

– –
1

.-

1
– – – –




– –
Hongkong

………..
Straits

Settlem …….
Overige landen

….
203

26

152

100

40
– –
– –

– –

Valutabedragen

. . .
.jl94.950
1
273.1291

69.702

1
11.260
1618855
109.747
i

92.722

1

91.917

1
1.153.671

1
2.368.969
1
191.360

1
163.211
680.475
1

7.393
1

45.6811
15

DM-tegenwaarde

.
.8l8.794
1.941.956819.694

388.603

1
594410
1
1
50.35

1102477

262.000
1

13.844
1

663.312
1

16.0741

32.642
1

4.559
1

2.736
1

17.523

diskontbank” neemt men van Duitse Zijde het standpunt

,,Reichsbalin”, waarvoor deze aansprakelijkheid wel be-
in, dat hun verplichtingen niet als schulden van het Duitse

staat, belopen Goudmark 60 mln, valutaschulden tot een
Rijk zijn te beschouwen, daar het hier zelfstandige juri-

tegenwaarde van DM 15.368 mln, waarvan f 3.994 mln
dische rechtspersonen betreft. De schulden der Duitse

aan Nederland en RM 2,3 mln, waarvan RM 1.28 mln aan

TABEL
II!.
Publieke en private buitenlandse schuld van West-Duitsland
(mci.
West-Berlijn), verdeeld naar debiteurgroepen en

crediteurlanden. Kapitaalbedragen zonder rente-ach térstand.
(in duizenden)

Debiteurgroepen
Verenigdè Staten

1
Engeland Zwitserland
……

Nederland
Frankrijk

DM.

RM.

ICM.
DM.IRM.

1
CM.
DM.

RM.
1
CM.

1
DM.
1

EM.!___

CM.
DM

1

RM.
1
CM.

52.8761 4.021
345
.
317
1
30.792142.697!
46.427
148.426!
10.336 16.015
56.40k 2.692
44.668
106.198
1.223
Handel en industrie

. . .
597.846
..
112.276

1.949
261.365
37.84O
1.005
572.948
3.733
5.336
162.277
212.881
2.290
31.243
62.626
87
Rijk,

landen en

ge-

Duitsebanken

………316.054

meenten

…………
1.834.724
1.253

2
550.112
742
610
198.480
64.619
91.427
226.132
3.451
1.25!
690.207
1.549

Overige

debiteuren

(mcl.
.

kerkelijke organisaties)
16.270
7.236

1.195
28.892
4.711
410
54.784
1.337
3.850
15.325
6.153
1.010
5.573 7.813 94
Totaal

……….1
2.764.8941 173.6411
7.16711.185.6861
78
44.722!
872.639

2l8.115j
110.9491419.749!
278.8931
7.243!

771.6911

178.1861

1.404

Debiteurgroepen
Zweden
België
Denemarken
Italië
Overige landen
_
Totaal
DM.

EM.

CM.
DM.IRM.

CM.
DM.I EM. CM

,

OM.
RM.ICM
.
OM.
1

RM.

IGM.
OM.
EM.1CM

Duitse banken
1.855
6.229
182
9.181
22.003
147
1.597
5.119
154
4.752
9.971
39
1
47.286
1.001.16613.074
833.152
1.439.188
64.565
Handel en industrie
27.378
142
136
16.986 14.936
179
4.858 3.176
99
9.113
412
3
48.353
42.855
495
1.731367
490.877
11.579
Rijk, landen en ge-
meenten
175.455 20

46.385
229

276
80

2.833
11

3.031
26.678

3.727.635
98.632 93.290
Overige

debiteuren
(mcl. kerkelijke or-

3.469
3
2
4.701
810 24
5.938
1.788
232
10.105
151
68
34.7641
1.824
270
179.821
31.826
7.155
Totaal
208.1571
6.3941
3201
77.253137.9781330!12.6691
!0.163j
4851 26.80ifiöil
1101

133.4341

1.072.52313.8391
6.472.9751

2.060.5231

176.589

TABEL IV.

Rente-achterstand op dé in tabel 1 weergegeven publieke en private buitenlandse schuld van WestWuitsland (mci. Wist-

Berlijn) per 30 Juni 1950.
(in duizenden)

veremgoe staten
1

tnge!and
Zwitserland
Nederland
Frankrijk
Zweden
DM.

1
RM.

CM.
pM.

RM.
1
CM.
DM.
1
RM.
1 CM.
DM.

EM.

CM.

DM.

RM.
1
CM.
DM.
1
EM.
1
CM.

2
.
216
.
105
1
28
.
544
1

1.6391
708.8961

6
.
383
!
10
.
181

t

242.33023. 518!

16.0301

244.6931 29.72!!

2.9431

614.867

7.1641

325
1

160.8111

335

98

België
Denemarken

1

Italië
Overige landen

1

Totaal
DM.

RM.
1

CM,
I
DM.

RM.

CM:
OM.
1

EM.
1

CM.
OM.
1
EM.
1
CM.
DM.

1
RM.., 1
CM

44.308
J

1.2821

1111
2401
2.4481

2261
2.3981

3041
111
5.305

1117.249
1

809!
4.219.9531 216.94832.375!

In de DM.-bedrgen zijn
opgenomen de rente-achterstanden
op
OM-schulden en de in OM. omgerekende
schulden in vreemde valuta.

27 Februari J52

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

153
A

valuta verdeeld.

bO

.g
. .
8
U.l
0
d
N
N
Z
u

5


7

9
16

35
6
5
.
065

2.764.894
173.641
7.167
8
201

61

245 30

S
5
27

2
1

48.437 .185.686
74.085
44.722
665
118
17
579

125
333

9 2
27

1


103.340
872.639 218.115
110.949
– –

332

321
1

15

– –
1
12.783
419.749
278.893
7.243
48
1

16
– .
13
33
36
10
1
4
22
1

64.499
771.691
178.186
1.404



7

7
5
4
15.746
77.253 37.978
350
-.

– –
9.527
10.417
20.441
435

241

167
30 54

178
48

38
18

571
72
12.773
26.803
10.545
110

2


3
3
.
106

19.481
5.517
28
.564

– – –
2
1

578
4.758
709
14
169
9.297
3
195

142
40

2

1
19













54.094 59.539
960.437
329
7

40.524
85.158
267
76

3
8
7.806
208.157
6.394
320
10

676

9.575
15

10—————–

7
1.241
9.379
8.167
329
115
11

137

343 12.460
14
3

1
86
13
1
3.849
12.669 10.163
485
29
366
95
7

13



3.732













550

8.408
16.835
31










——————————-




—–










—-
—-






















—-






—————


-10.036
12.048 4.981 205
321

451
.

1.911
810
85

16
1
293
61


15

26
1



.



































—-
656
2.062
51.785
2.216
5.832
j 9.796
50
42.606
85.158 111.225
13.063
1

14
1

3.873

1

44

6

1

778
3.075
3

j

326
17
1

16

417.022
6.472.97512.060.5231 176.589

3.774
2.857
42

34.589
1161.800
1

6.602 7.994
1

27
1
5.811

1
522

56

10

686

941

10

1.245
1

12
1

22
1
417022

1
6
.
472
.
975
1

Nederland. De Duitse ,,Reichspost” heeft vervolgens de
volgende buitenlandse schulden: Goudmark 30 mln, DM
1,15 mln en RM 23,8 mln met goudclausule en RM
472.000 nog niet in DM geconverteerde RM girÖsaldi van

buitenlanders. Het kortiopende crediet van het Engelse
bankiershuis Lee Higginson & Co, Londen, beloopt nog
ruim $ 7,1 mln, terwijl de schulden uit hoofde der Duitse
aansprakelijkheid voor de dienst der leningen van Oosten-
rijk over de zeven jaren der inlijving van Oostenrijk be-rekend zijnop een bedrag van DM 68.789 mln. Omtrent
de overneming van de buitenlandse schulden van de na
1945 ontbonden Staat Pruissen is nog geen regeling getrof-
fen; deze zijn voorshands zwevend. Het betreft hier voor-namelijk de 64 pCt lening 1926, groot Gouddollar 20 mln
en de 6 pCt lening 1927, groot Gouddollar 30 mln, waarop
nog open staat Gouddollar 22,7 mln. Bij een koers van 1 $ – DM 4,20 vormt dit een bedrag van DM
95,3
mln;

bij een koers van 1 Gouddollar – DM 7,11 een bedrag

van DM 161,4 mln.
Ten aanzien van de zich ln buitenlands bezit bevindende

Duitse binnenlandse lenngen, schatkistpapier en Groot-
boekinschrijvingen is van Duitse zijde nog geen enkele
opgave mogelijk gebleken; in het ,,Reichsschuldbuch” staan echter kapitaalvorderingen, waarvan de eigenaar
in een der crediteurlanden gevestigd is, ingeschreven tot
een bedrag van RM 1,568 mrd. Tot deze categorie behoort
ook het door de Nederlandse Staat van De Neder-
landsche Bank overgenomen Duitse schatkistpapier
(RM 5,932 mrd) tot een tegenwaarde van ca f 4,5
mrd, zij het dat het hier geen vooroorlogse schuld
betreft. Van Nederlandse zijde is echter ter confe-
rentie opgemerkt, dat ten gevolge van de opheffing der Nederlands/Duitse deviezengrens de Duitse debitenren
in staat zijn geweest belangrijke vooroorlogse schulden
af te betalen en obligaties (vooral Dawes- en Young-lening
te repatriëren zonder dat hier van een reële betaling aan

Nederland sprake is geweest. De betreffende Rijksmark-
bedragen maken thans deel uit van het aan de Nederlandse
Staat overgedragen Rijksmarkenbezit van De Nederland-

sche Bank, waardoor het karakter dezer vorderingen is
veranderd van een vooroorlogse in valuta luidende bui-
tenlandse schuld in een tijdens de oorlog cntstane in Rijks-
marken luidende buitenlandse schuld, waarvan het billijk
is, dat zij betrokken wordt in een regeling der vooroor-
logse buitenlandse schulden van Duitsland. De Staat wil
hier als het ware in de plaats treden van de voormalige
houders van Dawes- en Young-obligaties, die deze effec-

ten na 1 April 1941 naar Duitsland verkochten. Over omvang en aard der Nederlandse aanspraken uit
dezen hoofde wordt tussen de Nederlandse en Duitse Regering overleg gepleegd. Zouden uit dezen hoofde
bijzondere rechten voor de Nederlandse Staat ontstaan,
dan valt echter nog minder in te zien waarom aan deze cre-
diteur bij uitsluiting van andere Nederlandse crediteuren
van Duitsland de gehele opbrengst van het Duitse vijande-
lijke vermogen in Nederland in de schoot moet vallen
en dit niet, gelijk zulks m Engeland geschiedt, met macht-
neming van bepaalde preferenties, overigens concurrent
onder de diverse Nederlandse crediteuren wordt verdeeld. Tenslotte worden de vorderingen van verschillende bui-
tenlandse regeringen, die door krijgsgevangenen en dwangar-
beiders uit Duitsland meegebracht Rijksmarkbankpapier
na 1945 in eigen valuta hebbenomgewisseld en de tegenwaar-
de aan deze groepen personen hebben uitbetaald, met in-
achtneming der convertering van RM in
1DM
gesteld op een

bedrag van ca DM 60 mln. De rente-achterstand op deze
niet in de overgelegde cijfers verwerkte schuidverplich-
tingen wordt niet vermeld. De in de overgelegde statis-
tische gegevens verwerkte Duitse buitenlandse schuld van

DM 11.273 mrd inclusief de rente-achterstand, zou uit
hoofde dezer schuldverplichtingen, exclusief opgelopen
rente, dus moeten worden verhoogd met ca DM 1,648 mrd,
RM 2,416 mrd en Goudmark 90 mln, zulks afgezien van
het feit, dat ten aanzien van Duitse binnenlandse leningen
en Duits schatkistpapier practisch nog geen gegevens over
het bezit van buitenlandse houders ter beschikking staan.
De Duitse effectenregistratie 2a1 op dit punt althans ten
dele licht kunnen verschaffen.

‘s-Gravenhage.

Mr Dr J. H. F. BLOEMERS.

154

ECONOMISCH-STA TISTISCHE BERICHTEN

27 Februari 1952

Wereldproductie en -handel van zuivelproducten en eieren

In October 1951 verscheen voor de derde maal sinds
het einde van de oorlog – de eerste en tweede maal waren
in 1948 en 1950 – de publicatie ,,Dairy Produce” van
de Commonwealth Economic Committee
1).
Deze en an
dere publicaties van genoemde Commissie bevatten steeds
een dermate grote schat van gegevens, dat wij een deel er
van ditmaal niet aan de lezers van ,,E.-S.B.” willen ont-

houden.
De wereldmelkproductie steeg de laatste jaren regelmatig.
Dit was hoofdzakelijk toe te schrijven aan de sterke toe-
neming van de melkveestapel in de Europesç landen. In
1950 lag deze weer ongeveer op het vooroorlogse peil. In enkele Westeuropese landen werd zelfs, dank zij gunstige
weersomstandigheden en een betere voederpositie, het
doelcijfer, dat onder het Europese Herstelprogramma voor
1952/53
was opgesteld, reeds aan het einde van 1950 be-
reikt. De Verenigde -Staten hebben sinds 1945 een ver-
mindering in hun melkveestapel te zien gegeven, doch
deze teruggang stopte in
1950.
Voorlopige schattingenvoor 1951 wijzen uit, dat de stijging van de melkveestapel in de
Europese landen zich in dat jaar in een iets langzamer tempo
heeft voortgezet, terwijl de omvang van de meikveestapel in Canada en de Verenigde Staten stabiel blijft.
Ofschoon het verbruik van consumptiemelk in vrijwel
alle landen veel groter was dan vôér de oorlog, vond toch
het grootste gedeelte van de toegenomen melkproductie de laatste jaren zijn weg naar de verwerkende industrie.
De volgende tabel geeft een duidelijk beeld van de
melkproductie in 12 belangrijke landen en het gedeelte
hiervan dat als industriemelk is aangewend
2).

TABEL 1

Melkproduclie van een aantal landen.
(x millioen liter)

1938

1948

j

1949

1

1950

totaal
indus-‘
trie-

totaal
melk


pCt

indus-
trie- melk
pCt

totaal
indus-
trie-
melk
pCt

indus-
totaal

trie-
melk
pCt

Verenigd Ko-
ninkrijk (a)
5.678
31,2
7.355
12,4

7.887
12,7
8.578
17,4
6.983
64,7
7.383 61,9

7.433
60,9
7.255
58,0
Australië (b)

..
5.405
86,1
5.514 79,4

5.701
79,9
5.478
79,6
Canada

……..

Nieuw-Zeeland
(b)

(c)
…….
4.055
88,8
4.469
88,7

4.596
88,3
4.882
88,7
Veren. Staten ..
47.987
55,8
52.238
48,7

53.879
49;6
54.457
48,5
Frankrijk

….
14.065(d)
52,9 10.842
46,8

11.615
48,6
13.065 51,7
West-Duitsland
14.597(e) 61,3
(f)
11.010
60,0
13.524
55,4
Italië

………
6.596
1
47,6
6.255
46,3

6.760
48,1
(f)
Nederland


5.182
73,6 4.364
4282!
51,7

5.210
57,9
5.569
61,0
Zweden

….
Denemarken ..
4.532
5.273
58,7
84,6
3.9231

56,8

4.523

77,4

4.728 58,8 80,9
4.769
5.264
59,7
82,0
Zwitserland….
2.637 45,7
2.223
38,4

2.3731
39,5
2.505
42,7

De cijfers van de totale productie betreffen de hoeveelheid melk, welke
de boerderij verlaat.
De cijfers betreffen resp. 1938139, 1948149, 1949150 en 1950151.
Bij het percentage voor de industriemelk zijn verliezen op de boerderij
inbegrepen.


1939.
Gemiddelde van 1935-1939.


Niet bekend.

Boter.

Verreweg het grootste deel van de toeneming in de
melkproductie van 1948 – 1950 werd aangewend voor de
productie van boter: Dit verschijnsel was het meest markant

‘)
De Comn,onwealth Economic Committee (vroeger Imperial Economie Committee geheten) heeft tot taak onderzoekingen le verrichten omtrent de (wereld)productie en handel van producten, welke voortgebracht worden in
de landen van het Britse Genieneblst; zij organiseert hierover conferenties
en brengt periodiek rapporten uit. Haar leden worden benoemd door de
regeringen van de resp. landen van het Gemenebest.
2)
De lezer zal in deze en de overige tabellen bemerken, dat het verenigd Koninkrijk en de andere landen van het Britse Gemenebest steeds het eerst
worden genoemd. Dit is niet verwonderlijk waar de cijfers uit een Britse bron
stammen. Wij hebben geen behoefte gevoeld in deze volgorde verapdering
te brengen.

in de Europese landen. Het voorgaande neemt evenwel
niet weg, dat de wereldproductie van boter in 1950 toch
nog 13 pCt beneden het peil van 1938 bleef.

TABEL 2.
Boterproductie in een aantal landen.
(x 1.000 ton)

1938

1948

1949

t

1950

Verenigd Koninkrijk (a)

20

9

11

17
Nieuw-Zeeland (b)
.

153

172

175

187
Austratië (b)

…………207

169

176

167
Canada
………………
1

163

159

152

141
Ierland

………………….
61

50

55

1

56
Verenigde Staten ……….

1.0
.16

1

694

771

756
West-Duitsland (a)

381

1

182

237

259
Frankrijk

……………..
213(c)

170

168

225
Denemarken
……………
189

.

120

156

180
Zweden (a)

……………80

90

98

– 109
Nederland
…………….

101

71

84
93
België
…………………
75

62

66

70
Italië

…………………
58

47

53

51
Argentinië (a)
………….
30

– 42

39

40

Fabrieksboter.
Reap. 1938139, 1948149, 1949150, 1950151.
Schatting.

Zoals uit de tabel is af te lezen, droegen de Europese
landen het meest tot de productieverhoging
bij.
Sinds de
terugsiag, welke volgde op de strenge winter van 1946/47,
heeft de boterproductie in de Europese landen zich trouwens
voortdurend in een stijgende lijn bewogen. De boterproduc-
tie van Nieuw-Zeeland blijft ook voortdurend toenemen,
die van Australië, Canada en de Verenigde Staten vertoonde
in 1950 enige kentering. Voorlopige gegevens over 1951 wijzen er op, dat de wereldboterproductie in dit jaar aan-
zienlijk lager is geweest dan in
1950.
Het verbruik van boter nam in de laatste jaren eveneens
toe, doch bleef in veel landen toch nog aanzienlijk beneden
het vooroorlogse peil. In Nieuw-Zeeland, Australië en De-nemarken werd in de loop van 1950 de boterrantsoenering
opgeheven en als gevolg daarvan steeg het verbruik met
flinke sprongen, vooral in Austra]ië met zijn snel groeiende
bevolking. In Nieuw-Zeeland ligt het verbruik per hoofd
van de bevolking gemeten het hoogst; voor 1950 wordt
het op 18 kg per hoofd geschat. In Nederland daarentegen,
waar de rantsoenering en subsidiëring in 1949 ophielden,
was het verbruik in 1950 lager dan in de voorgaande jaren
(resp.
5,4
kg per hoofd in 1948, 2,9 kg in 1949 en 2,7 kg in
1950).
De afschaffing van de subsidiëring van boter en het
daaruit resulterende grote prijsverschil tussen roomboter
en margarine zijn hier uiteraard debet aan
5).

Ook de wereldhandel in boter ging de laatste jaren flink
omhoog. De totale wereldexport bleef in 1950 echter
toch nog 23 pCt benedén het peil van 1938. Nieuw-Zeeland
was tot en met 1949 het belangrijkste uitvoerland, doch
werd daarna verdrongen door Denemarken, dat hiermede
zijn eerste plaats van v66r de oorlog opnieuw innam.
Nederland en Australië waren in volgorde van belangrijk-
heid na Nieuw-Zeeland de belangrijkste exportlanden in
1950.

Het grootte gedeelte van de Nieuw-Zeelandse, Austra-
lische en Deense boterexport wordt – zoals bekend –
binnen het raam van afgesloten ,,long term contracts” aan
het Verenigd Koninkrijk geleverd. Ons land voert ook een
gedeelte van zijn boterexport naar Engeland uit (in 1950
ongeveer een kwart), doch voorziet daarnaast de Belgische
en de Duitse markt.
Het is wel interessant om de uitvoerwaarde van de boter
in de vier voornaamste exportlanden te vergelijken met de
totale waarde van hun overige uitvoerproducten. Het
blijkt dan, dat de boter ook in dit opzicht voor Denemarken

‘) Gebrek aan plaatsruimte belet ons ons verder over de consumptie 8e-
detsilleerd cijfermateriaal op le nemen.

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

155

TABEL 3.
Wereldexport van boter.
(x 1.000 ton)

1938
1948
1

1949 1950

Nieuw-Zeeland (a)
120
1
,
46
147
142
Australië

(a)

……………104
83 80

.
54
Denemarken

……………
158 106
138
156
Nederland

……………..
51

24
53 65
Zwéden

…………….
29

2
14
Argentinië

……………..
7
.

II
t
9
Overige landen
122
12 (b)
11(b)
16(b)
Totaal

………………..
1

591
382
1

432
456

(a) Resp. 1938139, 1948149, 1949150 en 1950151.
b) Exclusief de tanden achter het ijzeren gordijn

het belangrijkste exportproduct is. In 1950 bedroeg de
waarde van de Deense boteruitvoer 1 9f pCt van de waarde
van de totale Deense uitvoer. V66r de oorlog lag dit per-
centage echter een stuk hoger (24,7). Nederland zag de
waarde van zijn boteruitvoer in relatie tot de waarde van
zijn totale uitvoer vergeleken met 1938 omhoog gaan
(1938 4,2 pCt, 1949 6 pCt en 1950 4,9 pCt), in Australië
daarentegen lag het percentage in 1948 en 1949 zeer veel
lager dan in 1938 en 1950 gaf nogmaals een sterke daling te
zien. Deze laatste daling was o.a. toe te schrijven aan de
belangrijke waardetoeneming van de Australische wol-
exporten.

TABEL 4.

Relatieve waarde van de boterexport tegenover de waarde van de totale uitvoer.

1938

1
1948
1949
1950

Nieuw-Zeeland

millioen
£
N.Z.)
(t)
16,5

.
33,8
35,4
34,9
(2)
28,6 pCt!
23,0 pCt
24,2 pCt
19,1

PCI
Austratië
(x

millioen
£
A.)
(t)
12,9
23,8
24,7
17,4
(2)
9,5 pCI
4,4 pCt 4,0 pCt
1,7 pCI
Denemarken
(X
mitlioen kroon)
(t)
378,6
712,8
900,8
891,7
(2)
24,7 pCti
26,1 pCt
25,3 pCt
19,5 pCI
Nederland
(x millioen gulden)
(t)
43,8
100,0
226,2 257,7
)2)

,
4,2 pCt
3,7 pCt 6,0 pCt
4,9 pCt

(t) Absolute waarde van de boteruitvoer.
(2) Idem als percentage van de waarde van de totale uitvoer.

Kaas.

De wereldproductie van kaas, welke gedurende de
oorlogsjaren vrij aardig op peil is ‘gebleven – hetgeen
vaak ten koste van de boterproductie ging – nam de
laatste jaren ook sterk toe. In 1948 lag zij reeds 9 pCt
boven het vooroorlogse peil en in 1950 niet minder dan
30 pCt. Voorlopige schattingen voor 1951 wijzen uit, dat
de stijging zich in dit jaar in een zwak tempo voortzet.

TABEL 5.

Productie van kaas in de belangrjjkste landen.
(x 1.000 ton)

1938 1948 1949 1950

Verenigd Koninkrijk
44
27 34 56
Nieuw-Zeeland (a)
87
101
107 110
Australië

(a)

……………
30
44
46
45
Canada

……………….
58
45
58
49
Verenigde Staten (b)
329
496
544
532
Italië

…………………
257
211
237
250 (d)
Frankrijk

……………..
189 144
200 230
West-Duitsland (c)
115
95
149
136
Nederland

…………….
126
97
128 127
Denemarken

……………
36 57 62
,

59
Zweden (c)
……………..
37 52

66
52
Zwitserland

…………..
53
50
54
56
Argentinië

…………….•
43 89
99
96

Resp.

1938139,

1948149,

1949150 en

1950151.
Excl. magere kaas en quark
(de productie
hiervan is in de \’erenigde
Staten niet onbelangrijk).
Fabriekskaas.

Schatting.

Uit bovenstaande tabel blijkt, dat de productiestijging
van kaas zich vooral voordeed in de Angelsaksische landen

(uitgezonderd Canada) en in Italië, Frankrijk en Zwitser-
land.
Destijginginhet
Verenigd Koninkrijkwasin 1950 zelfs
opvallend groot. In West-Duitsland, Nederland, Dene-
marken, Zweden en Argentinië daarentegen nam de pro-
ductie van 1948 op 1949 wel behoorlijk toe, doch in 1950
vertoonde zij in deze landen weer een geringe daling.

De toegenomen kaasproductie weerspiegelde zich niet
onverdeeld in alle landen in een toegènomen consumptie.
In het Verenigd Koninkrijk, Australië, de Verenigde Staten,
Italië, West-Duitsland, België en Zweden nam het verbruik
per hoofd van de bevolking gemeten toe, in Nieuw-Zeeland,
Denemarken en Nederland daalde het en in Canada bleef
het stationnair. In Zwitserland en Zweden was de consump-
tie per hoofd in 1950 het hoogst (resp. 8,2 en 8,1 kg), in de Engels sprekende landen was zij evenals tevoren het-
laagst (Canada 2,1 kg, Verenigde Staten 3,4 kg en het
Verenigd Koninkrijk zelf 4,6 kg)
4).
In ons eigen land be-
droeg het verbruik van kaas in 1950
5,0
kg per hoofd,
hetgeen 28 pCt minder was dan in 1938.
De wereldkaasexpôrt heeft gedurende de oorlogsjaren een ander verloop gekend dan de wereldboterexport. De
exporten van boter daalden sterk – hoofdzakelijk door
het wegvallen van Denemarken en Nederland als boter-exporteurs – die van kaas daarentegen stegen, omdat de
Verenigde Staten als belangrijk exporteur van kaas op
de internationale markt kwam. Gedurende de oorlog
waren de Verenigde Staten zelfs enige tijd het belangrijkste
exportland van kaas, een positie, welke zij naderhand weer
hebben prijsgegeven. De wereidkaasexport kon zich na
het beëindigen der vijandelijkheden enkele jaren niet op
het hoge oorlogsniveau (1942 339.000 ton) handhaven,
doch sinds 1948 is zij weer sterk gestegen. Nieuw-Zeeland
en Nederland zijn thans de belangrijkste exportlanden;
quantitatief laten zij de overige exportlanden ver achter
zich. De export van Denemarken – vôér de oorlog een
onbelangrijke kaasexporteur – Steeg de laatste jaren der-
mate, dat Denemarken tegenwoordig de derde plaats bezet.

TABEL 6.
Wereldexport van kaas.
(x 1.000 ton)

1938
1

1948 1949
1950

Nieuw-Zeeland (a)
81
93
99
101
Australië

(a)

……………
.
16
26
24
20
37
18
24
29
Canada

………………..
Verenigde Staten
1
43
44
22
Nederland

……………..
58
23
62 70
Denemarken

……………9
13
30 39
25
7
13
19
Italië

…………………
12
9
17
17
Frankrijk

……………..
22
7
12
15
Zwitserland

……………
Overige tanden
19
16 (b)
19 (b)
20 (b)
Totaal

…………………
280
1

255
1

344
352

Resp. 1938139. 1948149, 1949150 en 1950151.
Exclusief de landen achter het ijzeren gordijn.

Evenals van boter gaat het grootste deel van de kaas
uit de landen van de Commonwealth naar het Verenigd
Koninkrijk. Nederland voorziet vooral België, West-Duits-
land en Frankrijk en de Deense kaas vindt ook voor een
belangrijk deel zijn markt in West-Duitsland.
Drukken wij de waarde van de kaasexport voor de drie
belangrijkste exportlanden uit in een percentage van de
waarde van hun totale uitvoer, dan blijkt ook, dat de kaas-
exporten voor Nieuw-Zeeland relatief het belangrijkst zijn
(8 pCt van de totale uitvoerwaarde in 1950). Voor Neder-
land en Denemarken waren deze percentages resp. 3,1 en
3,3

(1950).

Melkproducten.

.

De productie van condens en melkpoeder handhaafde
zich dooreengenomen de laatste jaren op een peil, dat hoger
lag dan véôr de oorlog. Daar details veel plaatsruimte

iBcijfers over het verbruik in dit artikel

zijn schattingen, behalve die
voor ons eigen land.

156

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 Februari 1952

TABEL 7.

Relatieve waarde van de kaasexporten tegenover de waarde

van de totale uitvoer.

1938
1

1948
1

1949
1950

Nieuw-Zeeland
(x

millioen
£
N.Z.)

(t)
5,9
11,2
12,7
14,3
(2)
10,3 pCt
7,6 pCt 8,7 pCt
7,8 pCI
Nederland
(x millioen gulden)

(1)
29,0 60,0
162,6
(2)
2,8 pCt
2,2
pÇt

:59
1
0
4,2 pCt
3,1 pCI
Deemarken
(x millioen kroon)

(1) 13,9
57,1 18,5
151,8 (2)
0,9 pCt
2,1 pCI 3,3 pCI
3,3
pd

Absolute waarde van de kaasuitvoer.
Idem als percentage van de waarde van de totale uitvoer.

zouden vergen, zien wij er van af deze binnen het bestek
van dit artikel weer te geven. In het rapport van de Corn-
monwealth Economic Committee zijn deze desgewenst na
te slaan.
De wereldexport van melkproducten bedroeg in 1950
ruim het dubbele van die in 1938 (alle melkproducten
tezamen.1938: 280.000 ton, 1950:591.000 ton). De Ver-enigde Staten en Nederland zijn de belangrijkste export-
landen resp. met 214.000 ton en 170.000 ton. Naar waarde
gerekend betekende de export van melkproducten voor
Nederland in 1949 4,3 pCt en in 1950 3,6 pCt van de waarde
van de totale uitvoer. Deze percentages zijn voor Nederland
het hoogst.

Eieren.

Daar eieren in de Engelse terminologie ook onder
,,dairy products” vallen, ontlenen wij aan de reeds ge-
noemde bron ook een aantal gegevens over de wereld-
productie en -handel van eieren.
De omvang van de wereldeierproductie is statistisch niet
nauwkeurig bekend, daar een deel van de productie voor
statistische weergave ongrijpbaar is. Het betreft hier in de
eerste plaats het deel van de productie, dat op de bedrijven
achterblijft. Verder worden ook de geproduceerde hoeveel-
heden, waarvoor bepaalde overheidsvoorschriften moeten
worden ontdoken, in het algemeen niet officieel bekend. Toch blijkt uit de cijfers, welke wij in het rapport van de
Commonwealth Economic Committee onder ogen krijgen
– om bovengenoemde reden zien wij er vanaf ze hier op-
nieuw te publiceren -, dat de productie met name in de
Europese landen de laatste jaren sterk is toegenomen. In
de meeste landen ligt zij bovendien reeds op het vooroorlog-
se peil. In Nederland, Ierland en Italië heeft zich de pro-
ductie van eieren echter nog niet op het vooroorlogse
niveau hersteld. Speciaal ons eigen land bleef in 1950 nog
achter.
Zoals bekend verondersteld mag worden is het verbruik
van eieren in de Engels sprekende landen het hoogst. De
Verenigde Staten stonden met een geschat verbruik van
bijna 400 eieren per hoofd – d.i. gemiddeld meer dan 1
per persoon per dag voor de gehele bevolking! – in 1950
aan de spits. Voor Canada, het Verenigd Koninkrijk,
Ierland en Australië bedroegen deze aantallen resp. 276,
221, 224 en 217.
Resten ons nog enkele mededelingen over de wereld-
export van eieren. Deze heeft zich de laatste jaren gunstig
ontwikkeld, döch het vooroorlogse peil is nog niet bereikt.
VSér de oorlog waren de exporten van Nederland en Dene-
marken, de twee belangrijkste exportlanden van eieren,
ongeveer even groot. Door de oorlog viel de Nederlandse
eierexport geheel uit. De laatste jaren heeft zij zich echter
krachtig hersteld, vooral van 1949 op 1950. In 1950 lag
de omvang van de Nederindse eierexport evenwel nog
ruim 30 pCt beneden die van Denemarken.

TABEL 8.
Wereldexport van eieren.
(x millioen)

1938
1948
1949
1950

582 357
95
Australië (a)

…………..
122
235
277
178
..

299
221
233 327
260
406
403

Canada

……………….22

Nederland

…………….
1.512
365
453
1.113
1.559
692
1.367
1.618

Verenigde Staten

………….25

1
38
236

Ierland

…………………

België

………………
. 37

.

1
34 98

Denemarken

…………….
Frankrijk

……………….31

94

93
213
Zweden

………………..
Overige landen

……….
2.6
.32
1.068 (b)
868 (b)
1.178 (b)

Totaal

………………..
6.461
3.503
1

4.114

1
5.365

Resp. 1938139, 1948149, 1949150 en 1950151.
Excl. de Baltische landen, Indo-China, Thailand, Brazilië en Uruguay.

Beoordeeld naar de relatieve belangrijkheid in de totale
export van het betrokken land, betekenden de eieren in
1950 speciaal voor Denemarken en Ierland een belangrijk
product (resp. 7,5 en 7,4 pCt van de totale uitvoerwaarde
in 1950). Voor Nederland bedroeg dit percentage 3,2
(1950).

TABEL 9.

Relatie ve ivaarde van de eierexport tegenover de ivaarde
van de totale uitvoer.

1

1938

1

1948

1
1949

1
1950

Denemarken
(x

millioen kroon)
(1)
140(a)
160
310 343
(2)
9,1 pCt
5,9 pCI
8,7 pCI
7,5 pCt
Ierland (x

millioen £)

1,2
3,6
5,2 5,2

5,0 pCt 7,6 pCt
9,2 pCt
7,4 pCt Nederland
(x

millioen gulden)

40,0


51,7 64,7

1
171,0

3,8 pCt,
1,9 pCt
1,7 pCt
3,2 pCt

Absolute waarde van de eieruitvoer.
Idem als percentage van de waarde van de totale uitvoer.
(a)- Inclusief andere dan kippeneieren.

Samenvatting.

De gegevens, welke dit artikel bevat, kunnen als volgt
worden samengevat:
Als gevolg van het herstel van de vooroorlogse vee-
stapel heeft de wereldmelkproductie zich de laatste
jaren gunstig ontwikkeld. In enkele landen van West-
Europa werd aan het eind van 1950 reeds het niveau
bereikt, dat onder het Europese Herstelprogramma
voor 1952/53 was, begroot.
De toeneming van de melkproductie werd voor het grootste deel aangewend voor productie van boter. Eind 1950 lag de wereldboterproductie nog 13 pCt
beneden het vooroorlogse peil. Denemarken was in 1950 weer evenals vô6r de oorlog het belangrijkste
exportland; Nieuw-Zeeland kwam op de tweede plaats.
De wereldkaasproductie, welke gedurende de oorlogs-
jaren niet noemenswaardig is gedaald, bedroeg in
1950 30 pCt meer dan in

1938. De Verenigde Staten
waren gedurende de oorlog het belangrijkste export-
land. In 1950 bezette Nieuw-Zeeland de eerste plaats,
gevolgd door Nederland.
De wereldproductie van melkproducten lag de laatste
jaren op een peil, dat hoger lag dan vôör de oorlog.
De wereldexport verdubbelde sinds 1938. De Ver-
enigde Staten en Nederland zijn de belangrijkste ex-
portlanden van melkproducten.
De productie van eieren nam de laatste jaren eveneens
sterk toe. In de meeste landen ligt zij reeds op het
vooroorlogse peil. Denemarken was in 1950 het be-
langrijkste exportland; Nederland kwam op de tweede

plaats.

‘s-Gravenhage.

G. GREIDANUS.

27 Februari• 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

157

INGEZONDEN STUK

De verenigbaarheid van de Wet Goederenvervoer

Binnenscheepvaart met de Rijnvaartacte

Prof. Mr Dr J. P. A. François te ‘s-Gravenhage schrijft
ons:

De nieuwe argumenten, die Prof. Jhr Mr W. J. M.. van
Eysinga in zijn als steeds belangwekkend betoog in Econo-
misch-Statistische Berichten van 30 Januari ji. ter onder-
steuning van zijn standpunt omtrent de onverenigbaarheid
van de bovenvermelde wet. met de Rijnvaartacte heeft
aangevoerd, nopen tot een kort wederwoord mijnerzijds.
De hooggeachte schrijver meent een tegenstelling te kunnen
constateren tussen enerzijds de bereidheid van de Neder-
landse Regering om mede te werken aan de totstand-koming van een volledige Europese federatie of con-
federatie, welke houding van een onbewimpelde inter-
nationalistische geest zou getuigen, en anderzijds haar
Rijnvaartpolitiek die, dwars daartegen in, de nationalisti-
sche koers zou volhouden. ik zou daartegen willen opmer-
ken, dat de houding der Nederlandse Regering ten opzichte
van plannen tot Europese aaneensluiting toch zeker niet
de zienswijze rechtvaardigt, dat de Regering zich dermate
door een ,,onbewimpelde internationalistische geest” laat
leiden, dat zij niet in elk concreet geval zeer degelijk over-
weegt, in hoeverre de voorgestelde maatregeleninderdaad
moeten worden geacht in het algemeen belang, en daarmede
tevens in het Nederlandse belang, te strekken. Is het dan
onbegrijpelijk, dat de Regering in geval zij zekere ordening
van de binnenlandse vaart der Nederlandse schepen op
de Rijn noodzakelijk acht, tot maatregelen in deze zin
overgaat, mdien zij overtuigd is daarmede niet in strijd
te handelen met de letter en geest van de Rijnvaartacte? –
waarbij ik nu nog het feit, dat andere Rijnvaartstaten,
inderdaad in strijd met de Rijnvaartacte, veel verder
gingen, stilzwijgend voorbij ga. Prof. Van Eysinga versta mij wel: ik spreek mij niet uit voor of tegen een bepaalde
Rijnvaartpolitiek, voor of tegen ,,ordening” van de binnen-
landse vaart. Evenmin kan uiteraard uit mijn betoog een
verdediging worden afgeleid van maatregelen op het gebied
van de vaart, die de landsgrenzen overschrijdt; de kwestie
van de ,,Stop van Lobith” staat buiten deze discussie. Mijn
betoog beperkt zich, gelijk de titel aangeeft, tot de vraag,
of ordening van de nationale vaart van eigen onderdanen
in strijd is met de Rijnvaartacte, en deze vraag beantwoord
ik ontkennend.

Prof. Van Eysinga meent, dat zulk een ordening
wel
in strijd is met de Rijnvaartacte. Hij wijst op de ,,Gemeen-
schap der Rijnoeverstaten voor de vrije Rijnvaart”, zoals
– men, zegt hij, de door de Rijnartikelen van Wenen in 1815
opgerichte Rijnvaartorganisatie zou kunnen noemen.
,,Voor het goederenvervoer op de Rijn werd de oude
souvereiniteit der oeverstaten opgeheven”. En tegenover
dit lichtend voorbeeld van Wenen steekt zwart af de hou-
ding der Nederlandse Regering, die deze internationalisatie
niet onbewinipeld erkent. ,,Gelukkig is er nog een Hoge
Raad” zegt Van Eysinga. Maar wat heeft de Hoge Raad
in iijn arrest van 1 Februari 1937 verklaard? Dat uit niets blijkt, dat de Wener tractaatsbepalingen zouden dwingen
de internationale rivieren te internationaliseren in die zin,
dat de vaart ook voor binnenlands vervoer door eigen
onderdanen onder het verdrag zou vallen, en dat daarom
de Wet op de Evenredige Vrachtverdeling op een interna-
tionale rivier als de Schelde wel degelijk toepassing kan
vinden. De net-toepasselijkheid van zodanige regeling op
de Rijn berust, volgens de Hoge Raad, alleen op hetgeen
dit college bepaaldeljk in de Rijnvaartacte van 1868
meende te hioeten lezen. Zo erg best was het dus, in de
ogen van de Hoge Raad, niet de internationalistische geest van Wenen niet gesteld! En dat de Hoge Raad er toe geko-

men is, om in de Acte van Mannheim van 1868, in tegen-
stelling met Wenen, wel deze internationalistische tendentie
te lezen, berust, naar Telders heeft aangetoond, althans
ten dele op een vergissing. De Hoge Raad nam ni. aan, dat
de veel omstreden – en in deze discussie reeds herhaaldelijk geciteerde – bepaling van artikel 46 van de Acte van Mainz,
die uitzonderingén voor zekere vormen van nationale
vaart vermeldde, in 1868 geschrapt was,omdat men deze
bepaling in strijd met het toen aanvaarde regime oordeelde, terwijl in werkelijkheid deze schrapping is geschied, omdat
men liet voorschrift, als vanzelfsprekend, overbodig achtte!
Het is dus wel zeer twijfelachtig of, in het licht, dat sindsdien
op de wordingsgeschiedenis is gevallen, de Hoge Raad,
nogmaals geplaatst voor de betreffende vraag, deze weder-
om in dezelfde zin zou beantwoorden.
Jhr Van Eysinga beroept zich, ten bewijze van de be-
perkte strekking van het genoemde artikel 46 van de Acte
van Minz, op de plaats, waar het artikel in de Acte voor

komt. Had, zegt hij, men aan artikel 46 die wijde strekking
willen toekennen, die de Regering en Prof. François thans
opperen, dan had men dat zeker gezegd bij artikel 1, en
niet ietwat verstopt in Titel IV. Maar dat argument is
juist koren op mijn molen! Inderdaad, men heeft artikel
46 niet belangrijk gevonden, in 1868 zelfs zé onbelangrijk,
dat men het als vanzelfsprekend schrapte. Het vloeide
reeds voort uit het algemene regime, dat men aan de
Rijn ten grondslag had gelegd! Was het, zoals Prof.
Van Eysïnga meent, een
afwjjking
van het regime
geweest, dan had het inderdaad voor de hand gelegen,
het in Titel 1 op te nemen! Als, gelijk Van Eysinga
aanneemt, de Rij nvaartacte staat op het standpunt
van de gelding ook voor de binnenlandse vaart van
eigen onderdanen, hoe is het dan te verklaren, dat men een
bepaling als
vanzelfsprekend
kon schrappen, die uitdrukke-
lijk deze binnenlandse vaart van eigen onderdanen voor
bepaalde categorieën van vervoer – laat het dan zijn alleen
de veren en beurtschippers – van de werking der Acte
uitsloot?
Ikkanhetnietanders zien dan dat, indedoor Van
Eysinga gehuldigde opvatting, de schrapping in 1868 vn
zodanige bepaling volkomen onverklaarbaar is en dat
strikt genomen, dan zelfs de conclusie zou moeten worden
aanvaard – wat toch ook Prof. Van Eysinga niet doet –
dat de nationale veren en beurtschippers sinds 1868 wél
onder de werkking der Rijnvaartacte vallen.
Ik moet derhalve, ook na kennisneming van het nieuwe
betoog van mijn hooggeschatte opponent, mijn oordeel
handhaven, dat de Rijnvaartcommissarissen in 1937 het bij het rechte eind hadden, toen zij, als leidend beginsel
der Rijnvaartacte, aannamen, dat deze slechts een regeling
beoogt te geven, voor zover vreemde navigatie- of handels-
belangen bij de vaart betrokken zijn, en dat Prof. Van
Eysinga er niet in geslaagd is, de onverenigbaarheid van
de Wet Goedërenvervoer. Binnenscheepvaart met de
Rijnvaartacte aan te tonen.

BOEKBESPREKING

Dr G. J. Krujjer:
Suriname en zijn buurlanden. Licht-plekken in het oerwoud van Guyana. Meppel 1951,
285 blz., f6,90.

Op een geheel andere wijze dan in de lange reeks tot
nu toe over Suriname verschenen publicaties geschied is,
schildert Dr Kruijer in het boek, dat hij enige tijd geleden
aan de Suriname-literatuur toevoegde, de mogelijkheden
en onmogelijkheden van het middelste der drie Guyana’s.
Ondanks een kennelijke voorkeur voor de sociale vraag-
stukken legt hij de nadruk op de economische problemen
en door steeds een parallel le trekken met de situatie in

158

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

27 Februari 1952

de aangrenzende Britse en Franse gebieden weet de schrijver
de middenpositie, welke Suriname zowel geografisch als
economisch inneemt, op treffende wijze duidelijk te maken.
Dat hij, ondanks het feit dat de gebezigde methode der
vergelijking afwijkt van die, welke door de auteurs die hem
voorgingen werd gevolgd, t6ch tot conclusies komt, die
in vele opzichten met de conclusies der anderen overeen-
stemmen, is verheugend. Dit betekent immers, dat veel van de plannen, die de laatste jaren voor Suriname ge-
maakt zijn, mits ze niet los van elkaar, maar in synthetische
samenhang worden uitgevoerd, 66k vanuit dit brede, het,
gehele Caraïbische gebied omvattende gezichtspunt be-
zien, juist en uitvoerbaar zijn.

Ir Utermark vroeg zich in 1948 af, of de problemen van
Paramaribo wel de voorkeur moeten genieten
1).
Dr
Kruijer komt tot de conclusie, dat de problemen van de
te-grote-stad Paramaribo ernstig zijn, maar dat deze
inderdaad slechts via een omweg zullen zijn op te lossen
en dat deze omweg moet gaan via een ontwikkeling van
het platteland.

Gemakkelijk kan men het met de schrijver eens zijn,
wanneer hij het probleem van deze te-grote-stad, van dit
economisch ongezonde waterhoofd, in zijn boek, voor het
ogenblik, centraal stelt. De veel te geringe omvang van de
primaire productie in Suriname, de trek naar de stad van
alle bevolkingsgroepen, niet alleen van blanken en negers
maar ook van Javanen en Hindostanen, waardoor de
argrarische beroepsgroepen nog verder verzwakken, de
onverantwoorde groei van de dienstverleningsgroep in de
stad (waarom wil men een Rechtsschool, terwijl een land-
bouw- of ambachtsschool van veel meer nut zou zijn?), het
eenzijdige karakter van de op die ene pijler, de bauxiet-
winning, drijvende economie, al deze problemen worden scherp in het licht gezet.
Men kan een gevoel van jalouzie niet onderdrukken
wanneer Dr Kruijer ons uiteenzet hoe voor Brits-Guyana
de bauxietindustrie slechts een welkome aanvulling is en
dat Suriname niet alleen op economisch gebied, maar
ook cultureel en bestuurlijk steeds bij het Britse buurland
een phase ten achter bleef. Juist door de grote tegenstelling
met het buurland, waardoor de enorme problemen van
Suriname nog duidelijker naar voren komen, kan men het
wellicht niet altijd eens zijn met de optimistische toon,
die door de conclusies van de schrijver heen klinkt.
De gedachten, die hij echter ontwikkelt omtrent een
te volgen structurele politiek voor Suriname, een politiek
waarin versteviging van het bestaansfundament der
plattelandsbevolking nummer één moet zijn en ‘waarin
als essentieel onderdeel een niet alleen op landbouw
steunende bewuste concentratiein de districten moet zijn
opgenomen, deze gedachten maken het boek zeer belang-
wekkend.
Het boek van Dr Kruijer verscheen in een reeks
2),

die niet de pretefitie heeft een streng wetenschappelijk
karakter te dragen, maar de verantwoorde wijze waarop
de stof is behandeld, maakt het boek ook voor meer weten-
schappelijk geïnteresseerden belangrijk. Wil men zich met
Suriname’s vele problemen vertrouwd maken, dan is dit
het
aangewezen werk.

Amsterdam.

A. H. PONFOORT.

‘) Een ,,planbureau” voor Suriname?, door Ir W. L. Utermark in ,,E.-S.B.”
van 8 December 1948.
‘) Terra-Bibliotheek, uitgeverij J. A. Boom & Zonen te Meppel.

AANTEKENING

Het Europese kolenvraagstuk

,,Among the many commodity sliortages which have
befallen Europe since the war, the shortage of coal stands
out as both the most serious and. the most unnecessary”.
Deze vvoorden vormen de eerste zin en tevens de kern van

een zojuist verschenen rapport van de ,,Research and
Planning Division” van de E.C.E,, waarin het Europese
kolenvraagstuk wordt geanalyseerd, de gevoerde politiek
met betrekking tot kolen wordt beoordeeld en maatre-
gelen voor efficiënte ontwikkeling en economisch gebruik
van energiebronnen worden aanbevolen.

De Europese economie is – in tegenstelling tot die van de Verenigde Staten – n6g altijd in hoofdzaak gebaseerd
op het gebruik van steenkolen. . Hoewel dit werelddeel
over ruimschoots voldoende reserves beschikt en, met
uitzondering van enkele jaren vé6r en de jaren direct na
de tweede wereldoorlog, van oudsher in de behoeften
heeft kunnen voorzien door eigen productie, bieden de
huidige plannen en vooruizichten in de belangrijkste kolen-
producerende landen weinig hoop, dat de programma’s
ter opvoering van de industriële productie zullen kunnen
worden uitgevoerd zonder verhoogde invoer van kolen
of olie van overzee.. Volgens schattingen van dit rapport
zou Europa in
1956,
vooropgesteld, dat de productieplan-
nen worden verwezenlijkt, 20 mln ton kolen meer moeten
importeren dan in 1951, een hoeveelheid die, indien. de
Poolse leveranties uit zouden vallen, zou moeten worden
verhoogd tot 30 mln ton. In het ergste geval zouden in
1956
meer dan 50 mln ton uit de Verenigde Staten moeten
worden geïmporteerd.

De vraag rijst,’ of Europa zich een
dergelijke
verhoging
van zijn importrekening kan veroorloven, vooral wanneer
het merendeel hiervan zou moeten worden betaald in
dollars, of dat het niet beter zou zijn de kloof tussen vraag
en aanbod te overbruggen door krachtiger maatregelen
te nemen teneinde zowel de productie te verhogen als op
het gebruik te bezuinigen. Het rapport is van mening,
dat dergelijke maatregelen binnen het bereik der Europese
Regeringen liggen. Enerzijds zouden aanzienlijke bespa-
ringen in het gebruik kunnen worden bereikt, indien de
regen ngspolitiek ten aanzien van de energievoorziening
behoorlijk werd gecoördineerd, anderzijds kan de produc-
tie in de belangrijkste landen ongetwijfeld worden opge-
voerd, indien de leiding van de steenkolenproducerende
sector er van overtuigd zou zijn, dat er een blijvende
markt votr de verhoogde productie zou worden gevonden.
Dit vertrouwen nu schijnt te ontbreken. Het bovengenoem-
de tekort is gebaseerd op de veronderstelling, dat West-Europa’s bruto-nationaar product de komende vijf jaren
met 25 pCt zou worden verhoogd. Nu is het mogelijk, dat apathie van de zijde van enkele Regeringen de werkelijke
prestaties beneden de plannen zouden doen blijven en
wel zodanig, dat Europa het niet alleen in 1956 maar ook
in de nabije toekomst zonder Amerikaanse kolen zou kun-
nen stellen. ,,Would it not therefore be pointless to leap
into the dark before there is stronger concrete evidence
that more than lip-service is being paid to the target
announced?”.

Er zijn, aldus het rapport, drie antwoorden op deze
sceptische vraag•

indien onvoldoende steenkolen worden geproduceerd,
dan zou de gestelde taak alleen maar kunnen worden
vervuld ten koste van grote invoer van overzee, hetgeen
de meeste, zo niet alle, voordelen van de hogere in-
dustriële productie te niet zou doen;

investeringen met het doel de productiecapaciteit van
de mijnen op te voeren zullen altijd en bovenal indien
de vraag onvoldoende is, lagere productiekosten mo-
gelijk maken;

zelfs landen, die alleen maar meer kolen konden ex-
porteren door minder productiefactoren aan te wenden
voor andere exportindustrieën, zouden vermoedelijk
hun ruilpositie en daardoor hun betalingsbalans ver-beteren door steenkolen in plaats van minder essen-
tiële goederen aan te bieden.

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

159

De na-oorlogse steenkolenproductie.

In het afgelopen jaar was de steenkolenproductie in
Europa als geheel genomen hoger dan in enig voorafgaand
jaar, met uitzondering van 1929. De productie is sedert
1946 met 40 pCt toegenomen. Eén derde van deze toene-
ming komt voor rekening van West-Duitsland, maar ook
in de andere producerende landen mag van een aanzienlijke
stijging worden gesproken. Zelfs in Groot-Brittannië,
‘waar de productie minder van de oorlog heeft geleden dan
op het continent, heeft zich gedurende de laatste vijf
jaren een stijging voorgedaan van 17 pCt. Hoewel de jaar-
ljkse toeneming in Europa sedert de jaren direct na de
oorlog is verminderd, beliep zij de afgelopen twee jaren
gemiddeld nog meer dan
3+
pCt.

Europese productie van hardd steenkool
1)

(in miflioenen tonnen)

1913
……
578

1947

461

1920
……
452

1948

505

1925
……
522

1949

543

1929
……
607

1950

557

1937
……
580

.

1951

584

‘) Exclusief U.S.S.R.

Het verslag behandelt vervolgens uitvoerig de ont-
wikkeling der productie in de
belangrijkste
steenkolen-
producerende landen. In Engeland en West-Duitsland be-
vindt deze zich nog niet op vooroorlogs peil, hetgeen
in het eerste land is toe te schrijven aan gebrek aan ar-
beidskrachten voor de mijnen en in laatstgenoemd land
aan de geringe productiviteit.
In Frankrijk gaat de productie slechts langzaam voori.iit;
de grotere productie per ploeg wordt daar, evenals in
Engeland, gedeeltelijk teniet gedaan door een daling van
het aantal arbeiders in de mijnen. Terwijl in Engeland ech-
ter pogingen werden ondernomen om het aantal arbeiders
op te voeren, werd’ in Frankrijk gedurende enige tijd
willens en wetens de werkgelegenheid verminderd; in
laatstgenoemd land werd naar verhoging der productiviteit
gestreefd, niet om de productie te verhogen, maar voor

namelijk om de kosten te verlagen. De aanvankelijk am-
bitieuze productieplannen werden aldaar herzien. Deze
houding weerspiegelde, aldus het rapport, het feit, dat
Frankrijk steeds een netto-importeur van steenkolen is
geweest, welks grootste deel der productie niet gemakkelijk
met die van Engeland en Duitsland kon concurreren.
Naarmate in 1950 duidelijk werd, dat de voorraden te
snel slonken en dat in perioden van schaarste niet op
voldoende importkolen kon worden gerekend, wijzigde
Frankrijk zijn steenkolenpolitiek.
De meest opmerkelijke ontwikkeling in de Belgische mijnen vormt het feit, dat, hoewel het aantal Belgische
mijnwerkers
115
â
‘/ geringer is dan véér de oorlog, dank
zij de tewerkstelling van een groot aantal buitenlanders,
het totaal aantal mijnwerkers groter is dan vôôr de oorlog.

Aantal arbeiders in de Belgische mj/nen
1)•

(in duizenden)

Totaal waarvan

Totaal Waarvan

Belgen

1

1
Belgen

1938

148

123

1948

177100
1945

158

99

1949

163

101
1946

165

95

1950

153

97
1947

163

97

1951

157.90

‘) Per ultimo December; in 1951 per ultimo September.

Investeringsprogramma’s.

Ondanks de verkorting van de werkdag is de productie
per ploeg in Europa tussen 1913 en 1937 gemiddeld met
meer dan 1 pCt per jaar gestegen. Een groot deel dezer
toeneming moet worden toegeschreven aan de geleidelijke
mechanisering van alle werkzaamheden in de mijnen,
doch de rol die de rationalisatie heeft gespeeld is eveneens
belangrijk geweest. De invoering van mechanische hou-wers en transporteurs was vermoedelijk in hoofdzaak de

oorzaak van de toeneming der productie per ploeg in
Engeland met 10 pCt tussen 1913 en 1936. Doordat de
eigendom der Britse mijnen sterk verspreid is, was ratio-
nalisatie in dezelfde mate als in het Roergebied het geval
was, in Engeland niet mogelijk.
Dé omvang van een investeringsprogramma alleen is
derhalve een onvoldoende maatstaf voor de pogingen,
die in een land worden ondernomen om de steenkolen-
productie op te voeren. Niettemin schijnt een globale ver-
gelijking tussen de investeringsprogramma’s in de belang-
rijkste producerende landen gerechtvaardigd. De inves-
teringsinspanning in Engeland schijnt, zoals onderstaande
tabel doet zien, verhoudingsgewijs veel geringer te
zijn
dan
in Frankrijk, een opmerkelijk feit, wanneer dit wordt
vergeleken met het grote gebrek aan arbeidskrachten in
Engeland.

Bruto-investeringen in harde steenkool producerende
mj/nen.
(in millioenen dollars, uitgedrukt in de koopkracht van de dollar in 1950)

Land
1947
1948 1949
1950
1952
(plan)

Productie
in 1951
(mln ton

Ver. Koninkrijk
64 87
108
96
110
212
.
78
147
120
waarvan in

krachtin-
.
.
.
50

West-Duitsland

…………

105
129
179
168
148
53
stallaties

…………….
Frankrijk

………..
waarvan in

krachtin-
stallaties

…………
33
36
48
57 53
12
21
20
17
32)
29
waarvan in

krachtin-
België

……………

stallaties

………….
.
7
4

) Onderhevig aan ver’aging, indien particunier kapitaal niet voldoende
beschikbaar is.

In die gevallen, waar cijfers beschikbaar zijn betreffende
de winstgevendheid der investeringen, blijkt dat de kosten
van de extra steenkolen, die vermoedelijk worden gepro-
duceerd – gerekend ,,at pithead prices” -, geringer zijn
dan het huidige verschil tussen de kosten van uit Amerika
geïmporteerde kolen en de locale ,,pithead”-kosten. Zo-wel in Frankrijk als in West-Duitsland kan worden ver-
wacht, dat de kosten van de investeringen in drie jaren
zullen worden terugverdiend.
In een volgend nummer van dit blad zal worden ingegaan
op de richtlijnen, die in het rapport worden gegeven ter
besparing van brandstoffen.

De Belgische geld- en kapitaalmarkt

in Januari 1952

De algemene toestand van de geldmarkt.

Het jaareinde brengt in ons land steeds een belangrijke
spanning op de geldmarkt teweeg, niet alleen omdat dan
grote betalingen moeten worden uitgevoerd, doch vooral
omdat een zeer groot percentage hiervan nog steeds in
chartaal geld of met behulp van postcheque-overschrij-
vingen wordt uitgevoerd.
Bij
het jaareinde constateert
men dan ook telkenmale dat de bankdeposito’s dalen,
waardoor ook het bedrag van cail-gelden, ter beschikking
van de markt gesteld, terugloopt.
In de loop van de maand Januari groeiden de bank-
deposito’s terug aan, en werd de geldmarkt opnieuw
ruimer, zonder dat er evenwel voldoende daggeld werd
aangeboden om alle aangeboden accepten te financieren.
Waarschijnlijk stegen de bankdeposito’s einde Januari
lichtjes boven hun niveau van November 1951, de laatste
maand waarvoor tot hiertoe de globale staat der banken
werd gepubliceerd.
De stijging werd in de hand gewerkt door het nog relatief
belangrijk overschot op onze verrichtingen met de E.B.U.-
‘t

ri

160

ECONOMISCH-STATiSTISCHE BERICHTEN

27 Februari 1952

landen, alhoewel anderdeels de vooruitbetaling der be-
lastingen op de bankdeposito’s drukten.
De vervaldag einde Januari was opnieuw vrij zwaar:
volgens de weekstaat van de Nationale Bank van 31 Ja-
nuari namen de verdisconteringen op een week tijds met
fr. 1.089 mln toe, terwijl de voorschotten op overheids-
fondsen met fr. 526 mlii verhoogden.
De stijging van de bankdeposito’s, die van Augustus
tot November 1951 ca fr. 3,7 mrd bereikte, is, zoalsbekend,
grotendeels toe te schrijven aan de batige betalingsbalans
van België, en inzonderheid aan de belangrijke overschot-
ten in de maandelijkse compensaties van de E.B.U. Naar-
mate deze boni afnemen en de. handelsbalans opnieuw
deficitair zal worden, welke evolutie volgens de jongste
cijfers van de buitenlandse handel aan de loöp is, mag
men er zich aan verwachten dat ook de bankdeposito’s
zullen teruglopen, alle andere omstandigheden onveranderd

verondersteld.
Het huidige verloop van de buitenlandse handel wijst
er daarenboven op, dat de specifieke Vlaamse uitvoer in volume afneemt, terwijl de export van de zware metaal-
nijverheid nog op peil blijft. Waarschijnlijk zal zulks niet nalaten een zekere differentiële beweging uit te lokken in
het verloop van de bankdeposito’s in het Vlaamse en het

Waalse land.
Op de geldmarkt valt verder te signaleren, dat de Re-
gering op 8 Februari haar goedkeuring heeft gehecht aan
een voorstel tot verhoging van het kapitaal van het H.W.I.,
terwijl de staatsgarantie voor de obligaties van het Instituut

van 8 tot 12 mrd frank wordt opgevoerd. Deze verruiming
van de mogelijkheden van het H.W.J. zou in de eerste plaats
moeten dienen om sommige militaire bestellingen te finan-
cieren en wordt verder in verband gebracht met orders
van machifies, materieel, enz., in voorbereiding van het
oprichten van nieuwe nijverheden in de Vlaamse ge-

westen.

Kredietverlening van de banken aan de private economie
(in millioeners franken)

Herdisconto van
Totale krediet-
de banken bij
Portefeuille
verlening der
de Nationale
handelspapier
private banken
Bank en de
vast de Natio-
(accepten inbe-)
parastatale
nale Bank
grepen)

1945

Dec.

……..
4.168
5.171
23.117
1949

1Dec.

……..
3.339
4.006 24.506
1950 Juni
3.696
4.082 26.582
Dec.

……..
8.543
10.110
27.739
1951 Maart

..

8.781
10.567
29.592
Juni

..

7.707
9.511
29.921
Aug.

……..
6.749
7.778
29.507
Sept.

……
5.368

..

6.131
30.337
Oct.

……..
5.767

..

6.793
31.225
Nov.

……..
6.050
.. ..

7.199
32.614
1952 Jan

..
7.581

Rond het einde van de maand Januari werd bekend
gemaakt, dat de Nationale Maatschappij voor Krediet
aan de Nijverheid een bedrag van fr. 500 mln zou ter
beschikking stellen voor de financiering op half lange
en lange termijn van de invoer van kapitaalgoederen uit
de landen aangesloten bij de E.B.U. In plaats van tegen de gebruikelijke 6 pCt rentevoet, iouden deze kredieten tegen
3,50 of 4 pCt worden toegestaan; de Staat zal het rente-
verschil te zijnen laste nemen. Ook de Nationale Bank
zal breder optreden voor de financiering van de invoer
van productiegoederen uit de E.B.U.-landen en zal des-
gevallend haar visum verlenen voor accepten op 2 jaar ge-
trokken ter financiering van deze importen.

De toestand van de banken.

De deposito’s zijn onafgebroken gestegen sinds de maand
Juli tot November vorig jaar; karakteristiek was wel,
dat de percentsgewijze stijging van de termijndeposito’s
ruim dubbel zo groot was als van de zichtdeposito’s.

Anderdeels blijft
bij
de banken de kredietaanvraag op

een zeer hoog peil, en men constateert dat de overschake-
ling van disconto en mobiliseerbare kredieten naar kas-
kredieten verder doorloopt. Zulks is zeer typisch voor de
opstapeling van voorraden, die binnen de voor de accept-
financiering voorziene termijnen niet konden worden ver-
kocht. Dit verschijnsel is dus een gevolg van de vertraging
in het zakenleven. De opnamen binnen de kredietopeningen
blijven op een abnormaal hoog niveau.

Toestand van de Belgische banken

(in millioenen franken)

Einde
1
Aug.
1
Sept.
1
Oct.

Nov.

1950

1951

1951

1951

1951

Actief

Kas, Nationale Bank, P.C.2.853

2.098

2.105

2.275

2.205
Daggeld, banken, holdings

6.524

6.716

6.618

6.850

7.420
Kredieten aan private econ

27.739 29.507 30.337 31.225 32.614

Handeiswissels ………….6.845

8.238

9.799

10.030

10.251
Prolongaties en voorschotten

tegen effecten …………..764

735

685

675

718
Diverse debiteuren
……….

.

..13.996

14.170

13.863

13.964

14.267
Accepten

6.134

6.364

5.990

6.556

7.378
Kredieten aan de Overheid

34.856 36.475 37.884 39.431 39.230

Speciaal papier
………..
28.340

29.680

30.979

32.318

32.205
Genoteerde staatsfondsen

6.516

6.795

6.905

7.113

7.025
Vastgelegde middelen

1.215

1.243

1.249

1.253

1.265

Totaal actief
……………
78.085

80.806

83.486

87.137

89.241
Portef. van de N.D. en de
paraat. insteil. aan papier
door banken geherdiscon-
teerd ……………….8.543 6.749 5.368 5.767 6.050

P a s s i e
f
Deposito’s en crediteuren .

53.571

54.439 56.724 58.330 58.171

Zicht
………………..
.47.693

48.917

50.821

52.189

52.286
Op meer dan 30 dagen

5.878

5.522

5.903

6.141

5.885
Obligaties en kasbons

272

410

444

487

518

Eigen middelen
………….
5.064

5.496

5.509

5.521

5.527

Als karakteristiek voor de belegging van hun gestegen volume werkmiddelen mag wel onderlijnd, dat sommige
banken een groter bedrag handelswissels zelf in portefeuille
zijn gaan opnemen. Zoals hoger gesignaleerd is ook het
bedrag aer uitstaande kaskredieten verder toegenomen.

De toestand op de vrije goud- en deviezenmarkt.

In de loop van de maand Januari is de koers van het
goud in staven licht gedaald, terwijl de noteringen van de
gouden muntstulcken kleine koersafwijkingen in uiteen-
lopende zin doormaakten
Op de markt van de deviezen daarentegen liepen de
•noteringen van het pond sterling. de gulden en de Franse
frank terug. •Voor deze laatste munt was de baisse vrij
belangrijk; zij leunde klaarblijkelijk aan bij de moeilijke
financiële toestand in Frankrijk. De dollar en de Zwitserse
frank daarentegen bleven vast.

Noteringen op de vrije goud- en deviezeninarkt

Oct.
1951
Nov.
1951
Dec.
1951
Jan.
1952

iet

officiële

markt
Goud

per

gram

……………….74,375
73,75
72,50 71,625
Gouden

pond

………………..
675.125
670,-
657,50 662,50

Officiële

biljettenmarkt
126,50
128.50 130,50
126,-
12,55
12,82
12,175
12,55
12,60
12,45
12,50

Papieren

pond

………………..

55.125
55,-
54,25
54,70

Franse

frank

(100)

……………..12,90
Zwitserse

frank

………………..

12,90 13,20
13,20
13,125
Papieren dollar

…………………..
Gulden

……………………..
Duitse

mark

…………………
10,45
10,80
10,80 10,95

De obligatiemarkt.

In de loop van de maand Januari .heeft de obligatie-
markt zich verder hersteld van de koersafbrokkelingen
die in November vorig jaar werden veroorzaakt door het uitgeven van de jongste staatslening. De verbetering van
de koersen was tijdens de
voorbije
maand het belangrijkst voor de Schatkistcertificaten 1948, 1944 tweede reeks en
1943. Doch ook in de sector van de langlopende staats-
schuld nam de heropleving uitbreiding, en zulks vooral
voor de Bevrijdingslening.
Bij de fondsen van steden en gemeenten, van parastatale

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STA TJSTISCHE BERiCHTEN

161

instellingen en van de Kolonie, was de koersverbetermg
over het algemeen kleiner.
Deze vaste tendentie van de obligatiemarkt is niet alleen
toe te schrijven aan de Vrij grote geidruimte ingevolge de
kredietverleningen aan de E.B.U.; een factor van niet te
onderschatten belang ligt waarschijnlijk in de aarzelende
stemming van de aandelenmarkt, die herhaaldelijk een
kortstondige doch scherpe drukking onderging. Blijkbaar
grepen overschakelingen plaats van aandelen naar obli-
gaties. Zulks mag ons evenwel niet uit het oog doen ver-
liezen, dat ook de obligatiemarkt tijdens de eerstkomende
maanden nog herhaaldelijk onder spanning zal komen te
staan, vooral ingevolge de nieuwe emissies, die zowel van
de zijde der parastatale instellingen als van de Staat mogen
worden verwacht.
In de loop van de maand Januari schreef de N.M.K.N.
een lening van één milliard frank uit, rente 4,50 pCt,
uitgifteprijs 96 pCt en terugbetaalbaar in 10 jaarlijkse
lotingeri tegen een stijgende terugbetalingsprijs die uit-
eindelijk 105 pCt bereikt.
Ondertussen werd een 300 millioen frank lening van de
Stad Brussel aangekondigd, tegen 4,50 pCt rente, uitgifte-
prijs 96 pCt en terugbetaalbaar in 10 jaarlijkse trekkingen
tegen een stijgende terugbetalingsprijs.

Rentestand op de obligatiemarkt
i)

(in pCt per einde maand)

Loopt
ij
d

Aug. Juni Dec. Dec. Jan.

1948 1950

1950 1951 1952

5taatsobligaties
………..
langlopende . 4,77

4,38

i3T
464
Schatkistcertificaten

7 â 8 j.

4,83

4,63

4,92

4,98 4,90

Kasbons steden
……….
5 â 6 j.

5,07

4,49

4,66

5,30

5,26
Kasbons parastatale

instellingen
………..

ca 9 j.

5,25

5,24
10
Private instellingen
……

â 12 j.

6,06

5,43

5;69

5,90

5,88

‘) Reële rendementen – rekening gehouden met agio en disagio tegenover
terugbetalingsprijs.

De aandelenmarkt.

Begin van de maand Januari waren de aandelenkoersen relatief vast, doch deze tendentie moest tijdens het verder
verloop van de maand de plaats ruimen voor een nieuwe
afbrokkeling. Als kenschetsend mag worden genoemd,
dat de aandelenmarkt de laatste weken herhaaldelijk een
korte doch vrij scherpe drukking onderging. Alhoewel de e.k.
dividenden hoogstwaarschijnlijk nog zeer goed zullen zijn,
houdt de beurs blijkbaar rekening met een mogelijk
scherpere teruggang van de conjunctuur, vooral in aan-
sluiting met de flauwe tendentie van de grondstoffen-
prijzen en de terughoudendheid van de consumptie.

Koersverloop op de beurs te Brussel

(indices op basis 1936138 = 100)

3111152

28/12/51
2819151
Verschil
29112150

28/1/51
tot 3111152

Banken

…………..
189,6
175,4
160,2
131,6
+ 8,09
}Totdings

…………..
164,5
165,8
137.1
122,7
-0,79
Gas, Electr. trusts
……
136,0 129,6 119,9
91,5
+ 4,93
Gas en Electr. Mijen.
241,1
..
230,1
220,7
171,1
+ 4,78
lvletaalnijverheid

……
257,8
249,6
221,5
+ 1,93
Scheik. Prod.

………
215,2
195,9 147,5
+ 4,22
Steenkolenmijnen

……
228,5 231,3
165,0
-3,46
Spiegelglas
………….

..
262,8

88,2
86,9 82,0
-8,85
Glas

………………
..80,4
98,2 98,2
110,3
112,2

Bouwnijverheid

………
194,2

..

188,4
175,8 164,8
+ 3,07
Textiel

…………….
235,4

..

222,5 226,8
222,1
+ 5,79
Koloniale

………….

..224,3
..220,6

494,2
466,3
388,2
325,0
+ 5,98
Voeding

…………..
112,6
111,0 116,6
109,2
+ 1,44
255,2
258,0
230,8 224,8
-1,09
Brouwerijen

……….
84,4

..

81,7 77,3
79,6
+
3,79
Papier

……………
348,2

..
..

362,0 315,0 257,8
-3,82

Diverse

…………….

warenhuizen
………..
351,0
..
..

348,1
335,3
377,1
+ 0,83
GTiddelde
…………
.249,6
..
243,8
227,4
18776
+ 2,3f

Onder invloed van de lichte koersstijging en de sterke
verlaging van enkele dividenden in de textielrubriek, liep
het gemiddeld netto rendement van 75 genoteerde onder-
nemingen terug van 3,81 pCt einde December 1951 tot
3,62 pCt op 31 Januari van dit jaar.
Brussel.

Dr L. DELMOTTE.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geidmarkt.

De Nederlandse deviezenvoorraad breekt bij zijn steeds
voortgaande
stijging
het ene record na het andere.’ De
banken, bij wie de tegenwaarde hiervan in geldvorm neer-
slaat, verkeren momenteel tussen Scylla en Charybdis.
Het feit, dat er de komende maanden relatief weinig schat-
kistpapier vervalt, terwijl er dan – nl. wanneer de beta-
lingsbalans i.v.m. seizoenfactoren omsiaat – wellicht
grote bedragen aan de banken zullen worden onttrokken, leidt tot ongeneigdheid de thans binnenstromende midde-
len aanstonds geheel in jaarspromessen te beleggen. De
rentevergoejg aan cliënten, die het vorig jaar omhoog
werd gebracht enerzijds, en de afneming gedurende de
laatste maanden van de rentewinst op debiteuren (zowel
door daling van het uitstaand bedrag, als van de debet-
rente) anderzijds, maken echter het aanhouden van rente-
loze liquiditeiten uitermate ongewenst.
Uitbreiding van de uitzetting op call, een compromis
hiertussen, is thans bij gebrek aan voldoende geldnemers niet op grote schaal mogelijk. Gedurende de verslagweek
werd er aan de geidgevers zelfs cail teruggegeven i.v.m.
de uitkering van gelden van het Rijk aan de gemeenten.
De callgeldnotering bleef inmiddels op 1 pCt gehandhaafd.
De grote ruimte op de.geldmarkt blijkt uit de volgende
marktdisconto’s: Maart 1 pCt; April pCt; Mei 1
1
/
8

pCt; Juni 1/
16
–./
4
pCt; Juli
11/4
pCt; Augustus
pCt; September t/m December 1/ pCt; Januari 1952

lDCt.

De Kapitaalmarkt.

Het koersniveau op de aandelenmarkt vertoonde ge-durende de verslagweek een niet onbelangrijke daling.
De standvastigheid dergenen, die de afgelopen jaren uit
vrees voor ,,de gulden” en inflatie aandelen kochten in de
hoop daarmede de steen der wijzen in de vorm van een
waardevaste belegging te hebben gevonden, wordt thans wel zwaar op de proef gesteld. Het is niet verwonderlijk,
dat sommigen hunner – waaronder ook institutionele
beleggers – thans enigszins huiverig zijn geworden, wan-
neer zij het oog, behalve op de eigen koersverliezen,
op de conjuncturele situatie in binnen- en buiten.land rich-
ten. Niet iedereen voelt zich nu eenmaal voldoende gerust-
gesteld, wanneer hem wordt voorgehouden, dat op langer
termijn de infiatoire krachten internationaal toch weer
de overhand zouden krijgen en dat ook in ons land de
Regering straks conj unctuurstirnulerende d.i. infiatoire
maatregelen zal nemen.

Op de obligatiemarkt werden de afgelopen week alle
berichten – waaronder het mislukken van de premie-
lening Utrecht – overschaduwd door de aankondiging
van de emissie van een drietal leningen van de Bank voor
Nederlandsche Gemeenten onder de naam ,,Nationale
Woningbouwleningen”, t.w. een spaarbrieflening, een nor

male 4
1
/
4
pCt lening en een lening van het type ,,Vlaar

dingen”, met maximum looptijden van resp. 224, 25 en
22 jaar. De rentespaarbrie\’en, in coupures van f 25 en
f 100, vormen een novum. Zij hebben geen coupons,
doch zijn naar keuze van de belegger op bepaalde tijdstip-
pen (beginnend met 1 October
1958)
opvraagbaar; de
geaccumuleerde samengestelde. interest varieert hierbij
van 34 tot
41/4
pCt. Vervroegde aflossing is aan de debi-

162

ECONOMISCH-STATISTIScHE BERICHTEN

20 Februari 1952

trice bij de rentespaarbrieven na 15 enna 19 jaar toegestaan,
bij de
41/4
pCt lening van het 10e jaar
af.
Basis voor &ze leningen is een rentevoet van
41/4
pCt
voor langlopende leningen, welk percentage i.v.m. de

grote instemming, die de 44 pCt electriciteitsemissies ont-
moetten, als ,,krenterig” is te betitelen. Hetzelfde zou ech-
ter gezegd kunnen worden van een afwijzende houding
van diegenen, die over voldoende belegbare middelen be-
schikken, doch alleen op grond van de huns inziens
1/4
pCt te lage rentevergoeding niet zouden inschrijven.
Belangrijker dan deze strijd om
0,25
pCt is echter de,
vraag, of er buiten de institutionele beleggers voldoende
middelen beschikbaar zullen worden gesteld om de in-
tekening op deze emissies tot een groot succes te maken.
Dit zou, i.v.m. de ,,uitlogirig” van de kleine en grote ,,ka-
pitalisten” uit middel- en hoge inkomensklassen door

inkomensnivellering en hoge progressieve belastingen een
massale inschrijving op de rentespaarbrieven vereisen,
uit lopende inkomens bijeengegaard. Hierdoor zou blij-
ken, daf ook de lagere inkomensklassen naar vermogen wensen bij te dragen tot definanciering van de woning-
bouw, die te hunnen behoeve geschiedt.

15
Febr.
1952
22
Febr.
1952
Aand. indexcijfers,
Algemeen

………………………………
139,9
136,9
Industrie

………………………………
197,5
193,3
Scheepvaart

…………………………
172,1 169,6
Banken

…………………………………
121,1 117,5
Indon.

aandelen

……………………
44,7
43,6

Aandelen,
A.K.0
.

…………………………………
152 147
1
,4
Philips

…………………………………
152
147½
Unilever

………………………………
179½
177%
H
.A.L.

…………………………………
178
173
Amstei’d.

Rubber

…………………
88½
81%.
}I.V.A.

…………………………………
95%
94
Kon.

Petroleum

……………………
286’4
282

Staatsfondsen.

pCt

N.W.S .

……………………
69% 3-3
1
/2

pCt

1947

………………………
84
84
3

pCt

Invest.

cert.

………………
89%
89
1511e
3
14
5

pCt

1951

………………………
93%
93
3

pCt

Dollarlening

………………
96 94

Diverse obligaties.
3
1
/-
,
pCt Gem. R’dam
1937 VI
92%
92
1
/2

pCt

Bataafsche

Pet..

………
94½
94
1
A
3s,.

pCt

Philips

1948

………………
93
7
,
937/
s

3%
pCt Westl. Hyp. Bank
85% 86%
J.

C.
BREZET.

STATI STIEKEN

DE NEDERLANDSCHE BANK.

(voornaamste posten in duizenden guldens).

c
3
3
0 e’3
oZo
og
.5e

eO
P005
0
c.
.
’93UE2.3
.
0
0

3
S
ooSo

5
0

0

21 lan.

’52
1.214.418
801.269
5.508
256.430
‘111T0
28 Jan.

’52
1.214.016
848.176 6.278
271.417
120.339
4 Febr. ’52
1.213.644 881.943
6.332

1
275.721
113.612
11 Febr. ’52
1.213.778
958.009
7.033 278.999
112.122
18 Febr.
1
52
1.219.633
931.269
3.023

1
279.454
1

111.421
25 Febr. ’52
1.218.237
1.000.254
3.584

1.
287.700
113.181

Saldi in rekening courant

a5

,
jO

0
,o
1
.,
s.
4
•3
t9$

21Jan.

’52 ..
2.837.675
2.331.4641167.490

1.692.110
125.979
109.722
28 Jan.

’52 ..
2.866.874
2.364.0801142.414
1.730.294 129.116
111.406
4 Febr. ’52 ..
2.887.455
2.367.3492.490
1.730.256 111.024
112.637
11

Febr. ’52 ..
2.843.074
2.338.6934.387
1.730.256
121.144
112.702
18 Febr. ’52 ..
2.835.461
2.386.2809.750

1.730.256
1 .778.3061
92.775
110.499
25 Febr. ’52 ..
2.866.261
2
91.176
110.980

DE JAVASCHE BANK.

(voornaamste posten in duizenden rupiah’s)

,’O
5O3.5
3
i12
9

.
bO
,
1
Data
.S.3
1

1

16 Jan.

’52
1.438.080 375.043
514.170 523.426
1.366.428
23 Jan.

’52
1.438.080 394.564 544.188
491.068
1.366.060
30 Jan.

’52
1438.080
400.515 527.046 550.597
1.270.174
6 Febr. ’52
1.438.080
405.286
1.564.168
527.009 1.440.114
13 Êebr. ’52
1.438.081
386.994
1.586.880 581.192
1.401.074

’00
Rekening courant
0.3
saldi

Data

ce .

t5
H
0
>’

16 Jan.

’52
3.131.157 228.732


889.749
23 Jan.

’52
3.128.826 278.069


885.543
30 Jan.

’52
3.133.617
302.143


805.719
6 Febr. ’52
3.133.815
930.274


878.405
1.
Febr. ’52
3.157.169
944.961


925.192

Muntbiljettencirculatje per 16 Jan.
1952
Rp.
340.510.489
Muntbiljettencirculatie per 23 Jan.
1952 Rp. 338.783.297,50
Muntbiljettencirculatje per 30 Jan.
1952 Rp. 337.932.915,50
Muntbiljettencirculatie per

6 Febr.
1952 Rp. 335.961.748,50
Muntbiljettencirculatie per 13 Febr.
1952 Rp. 337.226.009

WERKLOOSHEID EN WERKVERRUIMING IN NEDERLAND 1),

Maand
Geheel werklozen
Geheel
wachtgetders.
[
Geregistreerde
1
D.U.W.-arbei-
ders
)

31 Dec.

1950
80.904 2.156 31.800
31

Jan.

1951
‘)
83.200
1.700
31.800
28 Febr. 1951
66.700
900
36.600
31Mrt

1951
57.800
500
32.700
30 April
1
95
1
53.400 200
28.000
31 Mei

1951
46.800
300
22.300
30 juni

1951
43.200 400
17.700
31Juli

1951
51.100
300 16.500
31 Aug.

1951
61.400
400
17.300
30 Sept.

1
95
1
64.400
500
14.100
31

Oct.

1951
73.700
500
19.600
30
Nov.
1951
92.000
700
29.100
31 Dec.

1951
119.100
1.200
34.700

‘) Bron: ,,Statistisch Bulletin C.B.S.”.
‘) mcl. vorstwerklozen, zieken, arbeiders, die ongevallenuitkering ontvingen
benevens een aantal personen, dat in het ,,vrije bedrijf” werk vond, zonder dat .de arbeidsbureaux hiervan tijdig bericht ontvingen.
‘) Van 31 Januari 1951 af zijn de cijfers afgerond op honderdtaUen

OFFICIËLE WISSELKOERSEN VAN DE NEDERLANDSCHE BANK

van 6 Februari 1952 af.

Plaats
Per

Schriftelijk en t.t.

Aankoop
verkoop

100
B.fr.
7,59
7,61
100
D.M.
90,39
90,57
100
D.Kr.
54,86 55,16
100
Escud.
13,15 13,28 1 £
10,63
10,65
1
Can.
$
3,784
3,804

Kopenhagen

……………….

1
Can.
$
3,78
3,80k

Lissabon

…………………
Londen

……………………

1
Can.
$
3,774
3,804

Brussel

…………………..

Montreal

(t.t.)

………………..
Montreal (Iuchtpost)

…………..

1 U.S. $
3,794
3,804

Frankfort a/Main

………….

Montreal (zeepost)

…………….

New York (luchtpost)
1 U.S. $ 3,79
3,804
1 U.S. $
3,784 3,804
100
N.Kr.
53,05 53,33

New York

(t.t.)

………………

100
Fr.fr.
1,084
1,088

New York (zeepost)

…………..

lOO
Kcs
7,58
7,62

Oslo

…………………….
Parijs

…………………….

100
Z.Kr.
73,25
73,66
Praag

…………………….
Stockholm

……………….
Ziirich

…………………..
100
Z.fr.
86,71
87,09

Abonneert U op de E.-S.B.

27 Februari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

163

RECENTE ECONOMISCHE

PUBLICATIES

Hoe werkt de ficus?,
door H. Weisfelt. Kluwer, Deventer
1952, 200 blz., f
5,50.
Economie in 16 bladzijden,
Inleiding tot de analytische
economie, door Prof. Dr Ir J. Goudriaan. J. H. de
IBussy, 1952, 249 blz., f 15,-.
Mens en groep in liet moderne hedrif,
door Dr D. Hor-
ringa. Van Gorcum 1951, 108 blz.,
t’
5,25.
Inleiding tot het balanslezen,
door W. J. de Langen, Hoog-
leraar belastingrecht te Amsterdam. Sanisom 1952,
88 blz., f 4,50.
Yearbook of laboiir statistics 1949-50.
Uitgave van het
International Labour Office, Iie editie, Genève 1951,
431 blz., $
5,
£ 1 10 s. Presents a summary of the prin-
cipal statistics relating to labour – population, eni-
ployment, unemployment, hours of work, wages, cost of living, family budgets, social security, in-
dustrial injuries, industrial disputes, migration –
in some sixty countries in all parts of the world.
Economic systems,
door G. N. Halm. A comparative
analysis. New-York 1951, 438 blz., f 20,25.
.Poverty and the t’elfare state,
door B. Seebohni Rown-
tree en G. R. Lavers. Longmans, Green & Co 1952,
112
biz.,
f5,25.
Principles of political economy,
door T. R. Maithus. Black-
well 1951, 446 biz., f 23,60.
The Malthusian controversy,
door K. Smith. Routledge
1952, 359 blz., f 18,90.
This unsuccessful age,
door W. Eucken. The pains of eco- nomic progress. Hodge 1952, 96 blz., f 6,70.
Survey of social science,
door M. B. Smith. Houghton,
3rd ed. 1951, 765 blz., f 22,50.
Social mnovements,
An introduction to political sociology,
door R. Heberle. A study of general sociological
theory of social and political movements using
p0-
litical developrnents in the U.S. and in Europe in
modern ti mes as illustrations. Appieton-Century-
Crofts 1951, 491 blz., f 18,-.
Unionismn, wage trends and income distribution 1914-1 947,
door H. M. Levinson. Michigan Business Studies,
vol. X no 4, 1951, 122 blz., f 9,50.
Antecedenis of the International Labour Organisation,
door
J. W. Fallows. Oxford 1951, 344 blz., f 15,75.
An economic approach to anti-trust problemns,
door C. E.
Griffin. American Enterprise Association 1951, 93
blz., f 4,75.
The United States in international banking,
door S. Stem. The role played by the U.S. banking activities in fo-
reign countries from the beginning of World War T
through World War IE with an explanation of the
politics that were developed to fit wartime and other
special conditions in different countries. Columbia
Univ. Press 1951, 619 blz., f 23,60.
Taxation and the American economy.
An economic, legal
and administrative analysis, door W. H. Anderson.
Prentice Hall 1951, 619 bla., f 35,20.
Full employ,nent ob/ectives, in relation to the problem of
European co-operation,
pubi. by the Secretariat-Gene-
rai of the Council of Europe, Strasbourg 1951,68
blz., f1,75.
The economics of the international patent .system,
door
E. T. Penrose. An economic interpretation of the In-
ternational Patent Convention and an economic
analysis of the international patent system. Hopkins
1951, 262 blz., f18,-.
Direct placements of corporate securities,
door E. Ray-
mond Corey. Harvard Univ. Press 1951, 233 blz.,
f 15,75.
Dictionary of mnarketing ter/ns.
United States Usage, Basel
1952, 102 blz., fl2,35.

The Economic Alrnanac 1951-1952. A
handbook of use-
ful facts about business, labor and government in
the United States and other areas. National industrial
Conference Board, New York 1951, 675 bIs., f 22,50.
Systems analysis for effective administration,
door N. N.
Barish. A practical presentation covering design,
evaluation, selling, installing of systems, preparing
systems, reports and procedures. Funk & Wagnails,
New York 1951, 316 blz., f 22,50.
Budgetary control,
door Rautenstrauch en Villers. Funk &
Wagnalls 1950, f 22,50.
Hospital accounting,
door F. L. Martin. Physicians Record
Co 1951, 230 blz., f 21,35.
The art of administration,
door 0. Fead. McGraw-Hill
1951, 223 blz., f 16,85.
Wholesaling, principles and practice,
door F. N. Beckman
en N. H. Engle. Ronald Press 1951, 762 blz., f26,40.
Incentive management.
A new approach to human rela-
tionship in industry and business, door J. F. Lincoin.
Lincoln Electric Co 1951, 280 bIs., f4,75.
Soviet attitudes towards aulhority,
door M. Mead. Mc
Graw-i-lill 1951, 160 bis., f18.-.
Chile, an outline of its geography, economics and politics,
door G. H. Butland. Royal Institute of International
Affairs 1952, 136 bIs., f 8,35.
Turkey: economie and comniercial conditions in Turkey. Philosophical Lib. New York 1951, 204 bIs., f 21,35.
Die Arbeitslosenversicherung als Mittel der Konjunktur-
politik und Vollbeschaftigu.’ig,
door R. J. Willeke.
Pflaum 1951, 88 blz., f 5,30.
Allgemneine Grundziige des industriebetriebes,
door H.
Funke und H. Blohm. Girardet 1952, f 6,20.
Die Lagerbuchhaltung.
Leitfaden für die Organisation der
Lagerkontrolle, Lager- und Betriebsbuchhaltung. door
E. Fein. Verlag Organisator 1951, 116 blz., f 11,35.

DE VESTER BOEKflA1TDEL

Algemene Binnen- en Buitenlandse Boekhandel

Nieuwe Binneuweg 331

ROTTERDAM

Telefoon 32076

Postgiro 18961

GESPECIALISEERD OP ECONOMISCH GEBIED

Begin Mei verschijnt een geheel bijgewerk-

te nieuwe druk van

Frtiin’s Nederlandse Wet boeken
Laat u nu reeds noteren! Prijs f36.-.

WAT ZEGT IDE WET?.

Een rechtskundige Encyclopaedie voor

iedereen, door Mr. J. G. VAN DER KOOGH,

ingeleid door Mr. G. BELZER, Docent aan

de N. E. H. te Rotterdam.

Omvang ruim 500 pag. Prijs bij intekening

f
21.50.

Een uitvoerig prospectus zullen wij op

aanvraag gaarne toezenden.

J)e Geldersch.Overijselsche Bond van Coöpe-
ratieve Zuivelfabrieken (G.O.Z.) te Zutphen,
vraagt

een ambtenaar

voor

de contrôle van de administratie der

aangesloten fabrieken

In aanmerking komen zij, die in het bezit zijn
van een diploma Middelbare Zuivelschool, S.P.D.,
acte M.O. Boekhouden of M.O. Handeisweten-
schappen en bedrijfseconomische belangstelling
hebben.

Sollicitaties te richten tot het Secretariaat van
de Bond, Nieuwstad 69, Zutphen.

LEIDENDE POSITIE GEZOCHT

door Weder!. 38 jaar, thans leider v. belangrijk bedr. in het
buitenland. Admin. en bedrijfsorgan. uitst. onderlegcl, ach
M.O. Boekh, veelz. erv. op comm., financ. en organis. gebied
in binnen- en buitenland. Bereisd, goede talenkennis, uitst.
ref. n getuigschr. Op korte termijn beschikbaar. Bi. onder no. ESB 9-8, Bur. v. d. bi.. Postbus 42, Schiedani.

Secretariat of the International Rubber Study Group,
Brettenham Ilouse, Strand, Loudon
W.C. 2, recluires

SENIOR STATISTICIAN OR
ASSISTANT STATISTICIAN

depending on circumstances.
University degrce or equivalent in Statistics or in
Economics (with Statistics) or in any other main sub-
ject (with Statistics). Knowledge English, French es-
sontial. Salary Senior Statistician £ 1000 to £ 1,500,
Assistent Statistician £ 600 upwards. Starting salaries
for both posts depending on qualifications, oxperience.
ete. Applications by letter stating qualifications, rob-
rences, age, niarried ot single, etc.
Final date 2OtIi
L’1arcli, 1952.

De N.V. Koninklijke Nederlandsche
Zoutindustrie

te Hengelo
(0.) roept op. sollicitanten voor het

vervullen van de functie van

Technisch Directeur

(bij voorkeur scheikündige)

Sollicitaties uitsluitend schriftelijk te richten aan

de secretaris van de Raad van Commissarissen,

Alexanderstraat 7, te ‘s-Gravenhage.

Abonneert U op

DE

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipman,- Prof. P. B. Kreukniet, Prof. H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. ‘ Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprjs
f
22.50: fr. p. post
f
23.60;

voor studenten
f
19.—; franco per post
f
20.10

Abcnneriienten worden aangenomen ‘door de

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEM

ECONOMISCH-, –

STATISTISCHE BERICHTEN
U2TGAVE VAN lIET NEDERLANDSCH ECONO!ItISCH INSTITUUT

Adres voor Nederland: Pieter de ffcochstraat 5. Rotterdam (14′.) Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam
Redactie-adres voor België: Seminarie, voor Gespecialiseerde Eko,mon,ie
14, Universiteitstraat, Gent.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).

Abonnementspr (is, franco per post. voor Nederland en de Uniegebieden en
Overzeese R(jksdelen (per zeepost) f 26,—. overige landen f28.— per jaar
Abonnementen kunnen ingaan niet elk nummer en slechts worden beiOndigd per ultimo van liet kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan liet Iljjkantoor . Westzeedijk,

.

Rotterdam (W.).,

ADVERTENTIES.


Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma H. A. Al.
Roelauts, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon 69300. toestel 6). Advertentie-
tarief f 0,43 per mm. Contract-tarieven op aanvraag. Rzibriken ,, J-‘acatures”
en ,,Beschikbare krachtén”f 0,60 per mm (dubbele kolom). De admi.iistratie
behoudt zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te
weigeren.

Losse nummers 75 cents.

Het Sociaal Fonds Bouwnijverheid

te Amsterdam, Spuistraat 288,

vragt voor zo spoedig mogelijk

een bekwaam

ARCHIVÂRIS

DOCUMENTALIST

Sollicitanten dienen over ruime vak-

kennis te beschikken en moeten in staat

zijn zelfstandig het archief te leiden.

Eigenhandig geschreven sollicitaties te richten

onder M-159.920, BOLREK, Kon.plein 1, A’dam’.

Auteur