Ga direct naar de content

Jrg. 27, editie 1363

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 4 1942

4 MAART 1942

E

B,eric

hten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJ VERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

27E JAARGANG

,

WOENSDAG 4 MAART 1942

.

No. 1363

__________

Zooeven verschenen:

DE BELEGGINGEN
ROTTERDAMSCHE
DER BIJZONDERE
BANKVEREENJGJNG
Stoomvaart-M
ii.
,,Nederland”
ROITERDAMAMSIERDMs GRAVENHAGE

Amsterdam
SPAARBANKEN IN

NEDERLAND

KAPITAAL EN RESERVE
162.000.000
*

door
SAFE LOKETTEN

.
(TER REEGIIG VAN WAARDE$

N.V.
Dr. J. R. A. BUNING.

Rotterdamsche. Lloyd

32ste Publicatie van het Neder-
150
KANTOREN IN NEDERLAND
Rotterdam
landsch

Economisch

Instituut.

PRIJS f
3.65*
r
Openbare werken en
leden

van 1e0
Conjunotuurbeweging

door
Dr. Ir. A. Baars

Verkrijgbaar in den Boekhandel
PRIJS
f
1.10* –


Prijs voor donateurs en leden

Uitcave- De Erven
van het N. E. 1.

f
1.50.

•”

F BOHN N V HAARLEM

In den boekhandel verkrjgbaar
U 1 T G A V
EE

DE ERVEN
F. BOHN N.V., HAARLEM

R.MeesbZoonen
Te

rv
r veânging van haar door brand verloren geganen voorraad nummers van

jo

Economisch-Statistische
Berichten en
Economisch-Statistisch Maandbericht RANKIERS

EN ASBUItANTrE-MÂKELAAR8

van den
jaargan’g 1940, zou
de
redactie het zeer op prijs stellen,
indiende
ROTTE R DAM
lezers .die hun exemplaren kunnen missen, deze aan haar zouden willen afstaan.
A M STER DAM (As..)
‘..GRAVENHAGE
DELFT

SCHIEDAM
VLAAR.DINGEN

-a

•1

AMSTERDAMSÇHE BANK N.V.

AMSTERDAM

‘T
.
BEHANDELING VAN
ALLE

BANK ZAKEN
Open bewaarnem.ng. van

••.,

effecten

BEZORGING VAN ALLE

Adviezen voor belegging

ASSURANTIËN

Uitvoering van beursorders

VERLIESPOSTEN.VOORKOMEND..SYSÏEEH

BESTAANDE UIT VIER DIENSTEN

Deze tijd is rijk aan veran-

deringen. Laat
daarom
Uw

onbetaald gebleven oude

•posten inschrijven bij

DIENST IV VAN HÈT V.V.S.

VAN DER GRAAF & Co. N.V.

AMSTERDAM C. – AMSTEISTRAAT 14-18

n.v. nederlandsche kabelfabriek

%’aDe’9

93pier-
n.kf.deIft

g

150
t0t1e

fl°
°

/
m a s s a

S

koperdraad, koperkabel

ABONNEERT U OP

DE ECONOMIST

ORGAAN VAN HET NED. ECONOMISCH INSTITUUT

Onder redactie van:

Th. Ligthart, Ch. Raaijmakers,

C. Â. Verrijn Stuart, G. M. Verrijn Stuart,
F. de Vries.

Do Economlst verschijnt don
15don van elkemaand. Do
prijs voor den Jaargang bo-

Met 1942 begon de Eén-en-negen-
draagt t
12.60*
voor ‘t blnnenl.,

tigste jaargang:
tranco i. p. t 13.40;
VOOT
stu-

Proefnummer gratis op
Centen t
10.50*.
franco p. p.
t 11.30; t 13.60 voor hct bul-

aanvraag
verkrijgbaar!
tenland, bij vooruitbetaling.

Abonnementen worden ook door den boekhandel aangenomen.

UITGAAF VAN DE ERVEN F. BOHN N.V.

HAARLEM – POSTGIRO 5403

KONINKtIJKE NEDERLANDSCHE BOEKDRUKKERij

H. A. M. ROELANTS — SCHIEDAM

Onze speciale afdeeling: Drukwerk voor contrôle en
administratie, levert alle voorkomend drukwerk op
dit gebied concurreerend, snel en accuraat.
Uitgifte-apparaten in groote verscheidenheid van werk-
wijze en capaciteit naar de behoeften van elk bedrijf.
Tel. 69300

Onze terzake-kundige staf is te allen tijde voor gratis
(3 lijnen)

advies te Uwer beschikking.

7-41cteutv uÂ4ewv:

Derde Gewijzigde Druk

van

Egalisatiefondsen

en Monetaire Poli-

tiek in Engeland,

Nederland en de

Vereenigde Staten

door

Prof. Dr. H. M. H.A.van der Valk

30ste Publicatie van het Neder-
lancisch Economisch Instituut.

Prijs
f
2.10*

(Prijs voor donateurs en ledeti
van het N. E. I. fl.50)

Verkrijgbaar in den Boekhandel

Uitgave: De Erven

F. BOHN N.V., HAARLEM

Laat Uw

JAARGANG

inbinden!

Stort f
0.75
op giro
5858
ten nante

vcm H.A.M. Roelmits, Schiedarn

met vermelding: Band E.-S. B.
1941 en U ontvangt, zoodra de

oplaag gereed is, franco per

post Uw band toegezonden;

Bij franco opzending van Uw

jaargczng acm

II. A, M, ROELANTS

SCHIEDAM

onder gelijktijdige storting van

f 2.40 op giro
5858,
ontvangt U,

zoodra de banden gereed zijn,

Uw Jaargcmg keurig gebonden

franco huis terug.

(Uitvoering van den band linnen

rug, verder stevig beplakt bord)

4 MAART 1942

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

EconomischAwStatistische

B.

ALGEMEEN WEEKLA1i VOOR HANDEL, NIJ VERHEID,FINANC1ËN ENVERKËER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

27E JAARGANG

WOENSDAG 4 MAART
1942

No, 1363

/

HOOFDREDACTEUR:

M. F. J. Gooi (Rotterdam).

PLAATSVERVANGEND HOOFDREDACTEUR

H. W. Lambers (Zwartewaal).

Redactie en administratie: Pieter de Hoochweg
122,
R’danz-W.

Aan geteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaat weg.

Telefoon Nt.
35000.
Postrekening
8408.

Abonnements prijs voor het weekblad, waarin tijdelijk

is opgenomen het Economi.sch-Statistisch Maandberich t,

franco p. p. in Nederland
y
20.85′
per jaar. Buitenland en

koloniën f
23.—
per jaar. Abonnementen kunnen met eik

nummer ingaan en slechts worden beëindigd per ulti,no oan

eik kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs’, en

leden van het Nederlandsch Economisch Instituut ontQangen

het weekblad gratis en genieten een reductie op de verdere

publicaties. Adreswijzigin gen op te geoen aan de administratie.

Adt’ertenties Qoorpagina f 0.50 per regel. Andere pagina’s

f
0.40
per regel. Plaatsing bij abonnement volgens tarief.

INHOUD:

Bedrijfsorganisaties en staatsorganen door
Dr. P. Kuin
9

Kapitalisatievraagstukken bij het

erzekerirgs-

bedrijf door
J

Brands ………………….
98

B o e k b ‘es p rek i n ge n.

Dr. C. Sytsma: De beleggingen van de levensverze-

kering-maatschappijen, bespr. door
G. Goedha,’i 101

Overheidsmaatregelen

op

écono-

misch

gebied

……………………..101

S t a t is t i e k e n.

Weekstaat van De Nederlandsche Bank ……102

GELD- ‘EN KAPITAALMARKT.

Op de
geldmarkt
zijn geen wijzigingen van beteekenis,
te constateeren. De Schatkist heeft weer een flinken post

materiaal aan de markt afgegeven, overigens natuurlijk
onder de huidige verhoudingen niet voldoende om alle

vraag te bevredigen. De’geldgevera zien zich gedwongen
om te zin naar andere investeeringsobjecten op korten
termijn dan schatkistpapier, maar deze zijn eveneens
schaarsch.

De
obligatiemarkt
heeft deze week een uitz6hder1ijk
vaste stemming aan den dag gelegd. De gestaffelde staats-
leening van 1938 heeft het
tot.96U/16
gebracht, een hoogte-
record voor het tijdvak sedert het intreden
vak den oorlog.
Ook de hieuwe 3j pCt.-leening was zeer vast, de koers
kwam tot
98/16.
Relatief nog belangrijker was de stijging voor de 3 pCt. langloopende leening van 1937; die het tot
bracht. De 4 pCt.-staatsleeningen deelden niet in
de vaste houding van de markt, hetgeen volkomen strookt
met hetgeen wij in een vorig overzicht terzake hebben opgemerkt. Stijging van de obligatiën met lager rente-type doet theoretisch de conversiekans voor de 4 pCt.. –
leeningen toenemen, zoodat deze onder zulke omstandig-
hden eerder omlaag neigen. De meeste 3j pCt.-gemeente-leeningen staan op of boven pan. Zelfs de leeningen Am-
sterdam en Rotterdam, die steeds lager worden gewaar-
deerd dan de obligatiën van andere gemeenten, soms
gevoelig lager zelfs, hebben volledig mee geprofiteerd.
Amsterdammers noteerden Zaterdag 993

98/8.

De
aandeeleninarke
heeft deze week belangrijke fluctuaties
vertoond, die dit keer geenszins beperkt ,bleven tot Indi-
sche en overzeesche aandeelen. Integendeel de grootste
schommelingen kwamen voor bij de zuiver Nederland-sche hoofdfondsen. Aandeelen Philips, die kortgeleden
nog om en nabij de 300 noteerden, zakten enkele dagen
achtereen bij sprongen in en boekten zelfs een dieptepunt
van 190. Ook aandeelen Leverbros volgden die beweging,
zij het dan ook, dat de daling iets minder uitgesproken was, zooals trouwens ook het daarna volgende herstel,

dat bijv: aandeelen Philips weer bijiia op 250 bracht. De
meeste Nederlandsche aandeelen, voor zoover daarin
n’oteering tot stand kwam, hadden te lijden van de weer-
slag van het groote aanbod in de hoofdfondsen, en de in
de minder courante waarden genoteerde koersen waren
veelal zeer beduidend lager, terwijl op de drie laatste
dagen der week ook hier een flink herstel zich baanbrak.
De Indische mai’kt registreerde op de twee eerste dagen der week een vrij gevoelige reactie, maar daarna een her-
stel, dat dus reeds inzette op den dag, dat de inheemsche
markt zijn gevoeligste daling boekte. Het slot van de
week was min of meer verdeeld, hoewel in den regel prijs-
houdend. Sommige fondsen sloten per saldo boven het
niveau van de vorige week, andere daarentegen konden dat peil nog niet bereiken.

96

-.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

4
Maart
1942


BEDRIJFSORGANISATIES EN STAATS-


ORGANEN.

Het tot stand komen van een alomvattend organi-
satorische structuur van het Nederlandsche bedrijfsleven

doet de vraaj rijzen, welke taak de. organisaties zullen
hebben bij het toepassen van de fioodzakelijke ordenende

maatregelen. Organiseeren op zichzelf is immers nog geen

ordenén; men kan een fraaie organisatie tot stand brengen

n,hetèr verder bij laten. Ordenen van het bedrijfsleven

doet men dan zeker niet. Inhaerent aan het begrip orde-
-nen is het bindend regelen van bepaalde verhoudingen

in den bedrijfstak, het uitvaardigen van bindende voor-
schriften dus. Dit is mogelijk gemaakt door het toekennen

van verordenende bevoegdheid aan de bedrijfsorganisaties.

In hoeverre zullen deze van die bevoegdheid gebruik

kunnen maken, en op welke gebieden?
Met het uitvaardigen van bindend voorschriften be-

treden de organisaties een, terrein, dat tot nu toe was

‘voorbehouden aan de Overheid, en tot

op zekere hoogte
aan de kartels.

De belangrijkste vraag van dit oogenblik is die van de taakverdeeling tusschen de organen der Overheid en die

van het’bedrijfsleven Het algemeene schema is bekend:

de Staat stelt de doeleinden der economische politiek vast,
geeft daartoe in groote lijnen opdrachten aan het georga-

niseerde bedrijfsleven en houdt toezicht op de naleving
dier opdrachten. De organisaties zijn dus in zekeren zin

uitvoerende organen, die voor haar taak de verordenen’de
bevoegdheid noodig hebben. Zij zijn daarnaast belast
met een raadgevende functie en met de behartiging van
de belangen hunner leden.
.. –

Dit algemeene schema, hoe exact het ook schijnt, laat
ten opzichte van allerlei concrete vraagstukken ruimte
voor verschillende uitlegging. Wil men- niet vervallen

in het gevaar van de frase, dan zal het noodig zijn de

taken, en bevoegdheden iets nader te bepalen. Wat dat
betreft kan men natuurlijk twee methoden kiezen: die

van den stillen strijd en die van de openlijke gedachten-

wisseling. In het eerste geval laat men de ontwikkeling
,,aan het leven zelf over”, d.w.z men laat de feitelijke machtsverhoudingen beslissen. Er zullen organisaties

zijn, die trachten den staatsorganen groote bevoegdheden
te ontwringen; er zullen er ook zijn, die hun tol betalen aan den nieuwen tijd door zich telaten formeeren, maar
wieF verlangen niet uitgaat, naar regelend ingrijpen. FIel
eene staatsorgaan zal bovendien sterker vasthouden aan
zijn bevoegdheden dan het andere. t

Tegenover de aantrekkelijke soepelheïd van ieder rea-
listisch opportunisme dragen de pogingen tot stelsel-
matige doordenking van dergelijke vraagstukken het ge-
vaar in zich van schematische abstractheid. Toch kunnen
zij hun nut hebben, indien zij bijdragen tot het rang-
schikken van de vele overwegingen, die bij het nemen
en het beoordeelen van beslissingen een rol spelen. 1-let is
daarom, dat ik enkele aspecten van het vraagstuk der
taakverdeeling tusschen staatsorganen •en bedrijfsorga-
nisaties onder de aandacht zou will&n brengen.
In de eerste plaats: wat moet er geordend worden, çp
welke gebieden zal regelend ingrijpen noodig zijn?

De oorlogsomstandigheden hebben op de geheele eco-
nomische politiek het stempel der schaarschte gedrukt.
Wat de soort van maatregelen betreft, is er echter veel

overeenstemming tusschen tijden van schaarschte en
van overvloed; het verschil ligt vooral in .het positi&ve
of het negatieve karakter der voorschriften. Zoowel de
rantsoeneerings- als de restrictieolitiek staan voor be
vraag: wat, hoeveel en door wie zal er worden voortge-bracht? Zoowel in hét eene als in het andere geval is ‘er bezwaar tegen onbeperkte vrijheid van vestiging en uit-
breiding. Vaststelling van bindende prijzen ziet men i
n

beide gevallen, alleen zijn het de eene maal maximun-,
de andere maal minimumprijzen. Standaardisatie van kwa-

liteiten, betalings- en leveringsvoorwaarden evenzoo;

eenerzijds ter beteugeling van verkapte prijsopdrijving,
anderzijds tegen verkapte prijsonderbieding.

Zoo kan men de onderwerpen, die zich aan het ge-

organiseerde bedrijfsleven zullen voordoen, wel in enkèle

algemeene groepen samenvatten. Het zijn:

productie- en verwerkingsprogranima’s;
verdeelingsschema’s voor den afzet en het werk-
terrein;

kwesties van vestiging en uitbreiding;

heffingen van en vergoedingen aan bedrijfsgenooten;
prijzen, leverings- en betalingsvoorwaarden;

kwaliteitsnormen voor producten en prestaties.

Wanneer men nu in het algemeen iets wil zeggen over
de taakverdeeling tusschen de staatsorganen en de

bedrijfsorganisaties, dan moet men een richtsnoer hebben.

Krachtens het algemeene schema staat reeds vast,
dat de Staat richtlijnen aangeeft voor de economische

politiek. Dit geldt in den ruimen zin voor de geheele
richting der economische politiek, maar het geldt ook in

engeren zin -voor ieder onderdeel daarvan: industrie-
politiek, handelspolitiek, vervoerspolitiek e. d.

Op de naleving van deze richtlijnbn dient door de be-

voegde staatsorganen te worden . toegezien, omdat zij
daarvoor verantwoordelijk zijn.

De uitwerking van de richtlijnen – de uitvoering van

het programma.— zal bij de bedrijfsorganisatie kunnen berusten. Daarbij moet echter de beperking worden ge-
maakt, dat er onderwerpen zijn, waarvan de staats-

organen zelf zich de regeling zullen voorbehouden, omdat

de bedrijfsorganisaties daarvoor krachtens haar wezen
minder geschikt zijn.

Het – in theorie en practijk – veel gehuldigde be-
ginsel van de subsidiaire werkzaamheid brengt mede,
dat de hoogere organen alleen die onderwerpen regelen,
die door de lagere organen niet of minder goed kunnen
worden geregeld. Wat bepaalt nu op dit gebied de rela-

tieve geschiktheid van de bedrijfsorganisaties en de
staatsorganen? Mij dunkt dit:
dat de bedrj/sorganisati6s
het groepsbelang en de staatsorganen het algemeene belang
oertegenwoordigen.

Dit beteekent niet, dat de bedrijfsorganisaties geen
oog zouden hebben voor de eischen van het algemeene
belang. Het beteekent slechts, dat zij in oorsprong en in
wezen de belichaming zijn van het groepsbelang en dat
de behartiging daarvan hun natuurlijke taak is. Evenzoo
zijn de staatsorganen de natuurlijke dragers van het
algemeene belang. Deze omstandigheid brengt. in de
eerste plaats mede, dat de staatsorganen een voortdurend
toezicht houden, ook op de uitvoering van de taak, die
aan de bedrijfsorganisaties is opgedragën en op de rege-
lingen, die zij daartoe treffen. Het groepsbelang valt
uiteen in een aantal belangen van ondergroepen en van
individueele ondernemingen. De leiders der grootere
groepen zijn altijd met hun bedrijf lid van een der kleinere
groepen. Ook bij den meest volmaakten goeden trouw bestaat
de mogelijkheid, dat zij regelingen ontwerpen, die met de
belangen van bepaalde onderdeelen van hun groep on-
voldoende rekening houden. Speciaal bij toepassing van
het 1eidersbeginselin de bedrijfsorganisatie is een krachtig
toezicht van den Staat noodzakelijk. liet kan natuurlijk
na een zekeren aanlooptijd heel goed blijken, dat dit
toezicht op een aantal gebieden repressief mag zijn. Voor-
loopig behoeven alle bindende verordeningen van de

bedrijfs- en vakgroepen de goedkeuring van den Staat,
hetgeen in de Nederlandsche wetgeving ook tot uiting
komt.

Behalve het waken tegen machtsmisbruik binnen de
groep heeft de Staat als drager van het algemeene belang
tegenover de bedrijfsorganisaties nog een andere taak.
Alle regelingen, die de belangen raken van hen, die niet in de groep zijn georganiseerd, benevens de regelingen,
die – in ruimeren zin – het algemeene belang raken,

4 Maart1942

.
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

97

kunnen door de Organisatie krachtens haar wezen niet

zelfstandig worden getroffen. Zij immers is• draagster
van het groepsbelang en kan – zelfs hij de zuiverste

bedoelingen – het eventueel tegengestelde belang van
anderen niet voldoende objectief zien om daaromtrent

verordeningen te maken.
Hier ligt naar mijn meening de natuurlijke grens der

bevoegdheden: iedere organisatie kan .alleen die onder-

werpen bindend regelen, die uitsluitend de belangen
van haai eigen leden raken. Zou zij ook het publiek, of
de aangrenzend6 bedrijfstakken kunnen binden, dan
zou de weg openstaan naar willekeur. Bindende rege-

lingen, die de ruimere belangen raken, dienen te worden
getroffen door den drager van het algemeene belang:

den Staat en zijn organen
1).

Zien wij nu naar de onderwerpen, die voor bindende
regeling in aanmerking komen, dan kan daarover in het

licht van het bovenstaande het volgende worden op-

gemerkt:

Productie- en Qerwerkingsprogramma’s.

Wanneer de groote’ lijn van wat er in een bepaalde

periode aan producten mag of moet worden voortgebracht,
resp. van wat er aan grondstoffen mag of moet worden
verwerkt, door het bevoegde staatsorgaan is vastgesteld,

kan de bedrijfsorganisatie zeer goed de verdeeling daarvan
over haar leden vaststellen. Dit zou dus practisch be-
teekenen, dat een deel van de verdeelende taak der Rijks-
bureaux op de bedrijfsorganisaties zou kunnen overgaan.
Een groot gevaar ligt hier echter in de kans op een min-
der scherpe contrôle en op een slappere houding tegen-
over overtreders. De leiders van de bureaux der bedrijfs-
organisaties zijn bezoldigden van de organisatie; het is
dus menschelijk, dat zij er meer tegenop zien, invloedrijke
leden aan straffen bloot te stellen, dan de leider van een
staatsorgaan dat zou doen. Pas wanneer het vraagstuk van de contrôe en de strafmaatregelen goed wordt op-
gelost, kan men het uitvoeren van rantsoeneerings- of re-
strictieschema’s aan de belanghebbenden zelf overlaten.
Misschien kan hier de ervaring van de groote kartels
een weg wijzen, hoewel men zich moet realiseeren,dat
straffe kartels niet in alle bedrijfstakken mogelijk

zijn

gebleken.

Verdeeling nan den afzet of het u-vrkterrein.

Hieromtrent geldt hetzelfde als in de voorgaande para-
graaf werd opgemerkt. Het zwaartepunt ligt wederom in de
contrôle: Terwijl echter bij de productie- en verwerkings-
programma’s de toewijzing en de contrôle in één hand
moeten zijn (omdat de contrôle grootendeels administra-

tief is), is’het bij de marktverdeeling denkbaar, dat de
regeling door de bedrijfsorganisatie wordt gemaakt,
doch dat de contrôle bij een staatsorgaan berust. Een
dergelijke opzet veronderstelt natuurlijk, dat er voor
den Staat aanleiding genoeg is, zich met de regeling te
bemoeien, m.a.w., dat het algemeene belang er door
wordt geraakt. Bij de hierboven genoemde productie-
en verwerkingsprogramma’s is dit automatisch altijd het
geval, omdat iedere overtreding een inbreuk beteekent
op het totale programma, dat aan de bedrijfsgroep ter
uitvoering is gegeven. Een verdeeling van de markt raakt
in vele gevallen alleen de belangen der leden en kan dus
den Staat betrekkelijk onverschillig laten. Mocht echter
bij bepaalde marktverdeelingen het algemeen belang wel
in sterke mate gemoeid zijn, dan zal de Staat behalve
de contrôle ook al spoedig de bindende regeling zelf aan
zich willen trekken. Een voorbeeld hiervan is een even-
tueele takverdeeling tusschen de verschillende soorten
van vervoermiddelen. Daarbij zijn zulke groote algemeene

‘)
Zoo is het bijv. niet toevallig, dat in Duitschiand vrijwel alle
voorschriften t.a.v. het verkeer en vervoer afkomstig zijn van het
zeer goed geoutilleerde , , Reichsverkehrsministerium”, terwijl de
bedrijfsorganisaties op dit gebied een zuiver uitvoerende en ad-
viseerende taak hebben.

belangen betrokken, dat de Staat de regelingen op dit

gebied moeilijk zal kunnen overlaten aan degenen, die
persoonlijk financieel bij bepaalde vormen van vervoer

belang hebben. Alleen demarktverdeelingen van zuiver
interne beteekenis zullen dus tot de taak der bedrïjfs
organisaties kunnen behooren. –

Vestiging en uitbreiding.

De ‘regelingen van de capaciteit der bedrijfsgroepen
zullen vrijwel steeds door den Staat moeten worden

afgekondigd, omdat deze regelingen de kern der eco-
nomische politiek raken. Daarenboven veegt op dit ge-
bied het argument van het groepsbelng zeer zwaar.

Wanneer de ,,gevestigde belangen” moeten beslissen over
toelating van nieuwelingen, ziet het er voor de nieuwe-
lingen slecht uit, terwijl toch versch bloed wel eens
noodig kan zijn. Omgekeerd zal – om een voorbeeld te

noemen – de leider van een bedrijfsgroep, indien hij zelf

een man van het groot-winkelbedrijf is, gemakklijk van
oordeel zijn, dat er in de plaats X een warenhuis mag
komen, terwijl de plaatselijke middenstand er misschien

heel anders overdenkt. Dergelijke beslissingen: vesti-
gingen, uitbreidingen, concessies, enz., behooren tot het
terrein van de staatsorganen en niet tot dat van de ver-
tegenwoordigers der groepsbelangen.

1-leffingen nan en oergoedingen aan bedrijfsgenooten.

Het vormen en besteden van fondsen (bijv. voor stil-
legging) is voornamelijk een interne aangelegenheid, die
door de bedrijfsorgariisat4e kan worden geregeld, mits er
een recht van beroep op den Staat is om willekeur te voor-
komen. Voor zoover deze regelingen

de capaciteit, de
prijzen, enz., raken, komt echter weer het algemeene
belang met zijn

eischen naar voren.

Prijzen, leoering- en betalingscondities.

liet eensluidend regelen van de leverings- en betJings-
voorwaarden is typisch een werk voor de bedrijsorgani-
satie. Ten aanzien van de contrôle geldt evenwel weer
witt daaromtrent al eerder is gezegd: het gevaar van te
slap optreden tegen invloedrijke leden. Dit is een punt,
dt speciale zorg vereischt. Wat betreft de prijzen, ta-
riéven ed. kan er geen twijfel aan zijn, dat daarvoor de
staatsorganen uitsluitend bevoegd moeten blijven, zoowel
wat de goedkeuring als wat de contrôle betreft. Geleidelijk
aan is men gaan inzien, van hoeveel belang de prijzen
voor de geheele economische politiek zijn. Bedacht moet
evenwel worden, dat de prijzen bij schaarschte – wette-.
lijk of onwettelijk – omhoog worden gedrongen, bij
overvloed omlaag. Het beslissende punt vormen de hoe-‘
veelheidsverhoudingen; zoolang deze een .disproportionali-
téit vertoonen, vereischt ieder prijsvoorschrift een kost-
bare contrôle, die in zeer veel gevallen ontoereikend zal zijn.

J(waliteitsnormen.

1-liervoor geldt hetzelfde, als voor de leverings- en be-
talingsvoorwaarden. De vaststelling is voor een belangrijk
deel typisch werk van de bedrijfsorganisatie, de contrôle
vormt wederom een moeilijkheid. Vooral wanneer de kwa-
liteitsnormen ter bescherming van het publiek dienen
(Warenwet) zal bovendien de Staat een woord willen me’e-
spreken in de vaststelling en naleving ervan.
**
*

Zoo slaat op verschillende belangrijke punten de schaal.
door in de richting van de staatsorganen. Daarmede wil
intusschen niet zijn gezegd, dat de eigen taak der be-
drijfsorganisaties onbelangrijk zou zijn. Wil men die taak
goed zien, dan moet men onderscheiden tusschen de naaste en de verdere toekomst. In de naaste toekomst zal het werk
der bedrijfsorganisaties ongetwijfeld worden ‘beheerscht

door den oorlogstoestand. De organisaties zullen eenvoudig
instrumenten van den Staat zijn voor de uitvoering van hét
oorlogsprogramma. Voortbrenging van goederen en diensten

r

98

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

4 Matrt 1942

voor de oorlogvoering, bezuiniging, bedrijfsconcentratie:

beschikbaarstelling van machines en arbeiders zullen de

belangrijkste punten van dit programma vormen In een
verdere toekomst zal de band met den Staat zeker losser,

de zelfstandigheid -grootér, de taak ruimer moeten zijd.
Dan zullen de organisaties ook naar binnen een belangrijks

functie kunnen vervullen: een op’voedende en een orde
nende. Het samenwerken voor concrete doeleinden, ht

gedurig toetsen ‘van alle geschilpunten en moeilijkheder{
aan het gemeenschappelijke belang, het behartigen van

dit gemeenschappelijke belang in het contact met de

Overheid en met andere groepen (met het buitenland ook),

schept zonder twijfel een saamhoorigheidsgevoel, dat
aan de economische kracht van het land ten goede moet

komen. –

Van de ordenende werkzaamheid op zichzelf gaat even:

eens een opvoedende en samenbindende werking uit.

Wil men, op dit punt echter mislukkingen voorkomen,

dan moet men de beperkingen in het oog houden, die
de natuur der dingen medebrengt. Ordenende maat-

regelen, waarbij het .algemeene belang.is
betrokken, of

waarvan de uitvoering een krachtiger en objectiever
gezag eischt dan het bureau eener bedrijfsorganisatie
bezit, behooren tot de taak der staatsorganen. Dat deze

staatsorganen daarbij zullen samenwerken met de be-
drijfsorganisaties spreekt vnzelf. De samenwerking
zal echter slechts vruchtbaar kunnen zijn, wanneer men

door een zakelijke ontleding der problemen de weder-

zijdsche bevoegdheden van het begin af duidelijk onder-
scheidt.
P. KUIN:

KAPITALISATIEVRAAGSTUKKEN BIJ HET

VERZEKERINGSBEDRIJF’).

Het’kapitaal bij de verzekeringsonderneming is meestal

tamelijk gering. Het dient om de zaak aan den gang te

brengen, de oprichtingskosten te dr’gen. Daarna dient
het alleen als waarborg. De verzekeringsverrichtingen ge-

schieden buiten het kapitaal om, door middel van de

premiën en dé gevormde reserves.
Van een zekere verhouding, bijvoorbeeld van kapitaal
tot premie-inkomen, of tot verzekerd bedrag, valt niets

vast te slellen. Soms is een minimum-kapitaal voorgeschre-
ven, zooals bij levensverzekeringmaatschappijen.
Zooals bekend wordt bij hypotheekbanken vastgehou-

den aan de verhouding van 1 op 10 voor geplaatst kapitaal
èn pandbrieven-kapitaal. Een marge van 10 pCt. voor
dekking van het solvabiliteitsrisico wordt daar noodig en ook voldoende geacht. Bij verzekeringmaatschappijen is

op dit punt niets vastgesteld.
De garantie voor het geplaatste kapitaal kan in den
beginne, bij de oprichting, wel degelijk van belang zijn. Bij
verdere ontwikkeling van de maatschappij zullen veelal
de reserves eeii ruimere dekking opleveren dan het kapitaal.
Meestal wordt nog vastgehouden aan het niet-volstorten
van het kapitaal. Uiteraard is de plaatsing gemakkelijker,
en latere volstorting kan bezwaarlijk worden gevraagd,
als deze niet strikt noodzakelijk is.
Hoe weinig essentieel het kapitaal is, blijkt bij de onder-

linge waarborgmaatschappij,die geen kapitaal kent, en,
in den beginne, ook nog geen reservefonds.
Het zal hier overbodig moeten worden genoemd, de zgn. technische reserves aan een bespreking te onder-

werpen.
Bij den vennootschapsvorm is het duidelijk, dat de zgn.
vrije reserves ter beschikking van de N.V. zijn, zoolang
alle verplichtingen behoorlijk kunnen worden nagekomen.
Toöh komen we hier in een dicht struikgewas terecht,
waar het uitzicht gering is. Meer en meer dringt de gedachte

‘) Tweede gedeelte van een inleiding voor den Vijftienden faar-
lijkschen Verzekeringsdag der,,Vereeniging voor Verzekerings-Veten-
schap”; voor het eerste gedeelte zie
,,E.-S. B.”
van
25
Februari
j.I.

zich op, dat elk verzekeringsorgailisme is een gemeenschap

van risico’s; de premiën zijn bestemd om den last der

schadegevallen inclusief de noodige reserves, te dekken,
de algemeenekosten te betalen, en een vergoeding aan het

waarb orgkapitaal uit te keeren.
De verzekerden deelen niet in het verlies; zij kuhnen

den ondernemer niet het recht betwisten op het winst-

saldo. Indien echter over een geruimen tijd en vooi’ een
voldoend aantal normaal verdeelde risic6’s, de premie

belangrijke overschotten laat, beteekentdit, dat ctp premie-
voet niet juist werd vastgesteld, of dat de feitelijke om-

standigheden zijn veranderd. De gemeenschap der verze-

kerden draagt in dit geval een onnoodig grooten last.
De concurrentie zal trouwens als regel de premie in dit

geval wel tot een redelijk peil terug brengen. Verdeeling

van excedenten bij onderlinge verzekering en winstuit-

keering bij levensverzekering geeft een juiste herziening.

Maar als blijvende overschotten boven een matig winst-‘
percentage den verzekerden behooren toe te koihen, van
wie zijn dan eigenlijk de opgehoopte reserves der maat-

schappijen? Zou uitkeering dezer reserves aan aandeel-
houders geoorloofd geacht moeten worden? En zouden dan

de gewone regels voor de winstverdeeling moeten gelden,
indien bijvoorbeeld is bepaald, dat overwinst ten deele

aan tantièmisten ten goede komt?

Er zijn risicio’s aanwezig; waarvan men de grootte niet
kan beoordeelen. Dë sterfte kan wisselen. Bij brandver-

zekering kan zich confiagratie voordoen 9.
Telkens oefende

het conflagratie-verschijnsel grooten invloed uit op de
ontwikkeling der verzekeringsinstellingen en
öp
hun me-
thodes. ,,Confiagrations are merely small fires grown
larger”, zegt Laidlaw. Voor de wereld als geheel zal er

van jaar tot jaar weinig variatie zijn in aantal branden en

totale schade.
Vermoedelijk wordt in een bepaald aantal gevallen het
tweede gebouw aangetast; in een kleiner aantal het derde,

het vierde, enz. Indien dit zoo is, is confiagratie eigenlijk evenzeer voor waarschijnlijkheidsberekening vatbaar als

brand.
De brand te San-Francisco in 1906 kon niet worden be-
perkt, doordat de aardbeving den watertoevoer had af-
gesneden. Tengevolge van dezen brand gaf de periode

1860-1906 voor de Amerikaansche maatschappijen per
saldo een verlies van $80 millioen, over de geheele periode
2
).

Daarna is veelal brandschade als gevolg van aardbeving
in de polissen uitgesloten en op overeenkomstige wijze,
schade van brand door -molest. Anders zou Rotterdajn een nieuw voorbeeld hebben opgeleverd.
Conflagraties hebben zich in het verleden voorgedaan;
waarschijnlijk zullen zij in de toekomst niet uitblijven.
Moet daarom van het overschot der premi&fl
, na aftrek

van schade en onkosten en van bijdragen voor de techni-
sche reserves, nog een extra-aftrek plaats hebben? Of moet
men aannemen, dat er in de Vrije reserves voldoende
waarborgen liggen voor de verzekerden in het assurantie-

bedrijf?
In het verslag van den Koninklijken Commissaris voor
het verzekeringswezen in België, uitgebracht in 1938,
wordt met betrekking tot de reserves der verzekeringmaat- schappijen, veel aandacht besteed aan deze vraagstukken
3
),

die hier – in verband met kapitalisatie en herkapitalisatie

– niet verdei’behoeven te worden besproken
4
). (Zie v.lg. blz.).

De technische reserves, hoe nauwkeurig zij ook worden
berekend, kunnen op een gegeven oogenblik ontoereikend

worden. Bij levensverzekeringmaatschappijen kunnen
wijziging in sterfte, rentevoet, omstandigheden van invloed
op beleggingen, onvoorziene correcties noodzakelijk maken.
Daarom acht Prof. van Dievoet het noodig, voor levens-

‘) Confiagralie in het gelijktijdig en op ongeveer dezelfde plaats
voorkomen van vele en groote branden; men leze hierover J.
B.
Laidlaw, ,,The conrlagration Hazard” Journal
of
the Insurance
Institute
1908.

‘) E.
van Dievoet, ,,FIt Verzekeringswezen in België”, Antwer-
pen/Zwolle
1940.

4 Maart 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERÏCHTEN

99

verzekeringmaatschappijen naast de wiskundige resrve

een
aanuullende waarborgreserue’
aan ‘te leggen, berekend

op den grondslag van de wiskuifdige ‘reserve. In de wets-
voorstellen wordt voorgeschreven aan deze reserve jaar-•

lijks een som toe te kennen, gelijk aan 2 per mille van de

wiskundige reserve der loopende contracten, tot de aanvul-
lendé reserve 5 pCt van de vereischte wiskuildige reserve

zal bedragen.

Bij de overige takken van verzekering wordt, voorge-

schreven de vorming van eeii
000rzorgfonds,
waaraan tel-
ken jare 5 pCt van de netto-winst van ieder jaar ten goede
moet komen, tot het een, door het reglement bepaald, be-
drag zal hebben bereikt. Dez6 maatregelen hebben ten

doelde ondernemingen te beletten,’ de geheele winst aan

haar aandeelhouders uit te keeren, ionder voldoende reke-
ning te houden met later mogelijke gebeurtenissen.
In verband met dergelijke voorstellen rijst zeker de vraag,
of de zgn. vrij e reserves der verzekeringmaatschappij en niet

/ moeten worden onderscheiden in
ondernemingsreserues
en
oerzekeringsreseres.
De ondernemingsreserves komen ten
volle toe aan de deelgenooten in de naamlooze vennootschap;

de verzekeringsreserves behooren in wezen aan de gemeen-
schap der verzekerden, staan los van den ondernemings-
vorm. –
Richtlijnen voor het berekenen van de vereischte groott&
zijn er, voor zoover ons bekend, nog niet. De kwestie-dezer
verzekeringsreserves is niet alleen van beteekenis voor de
bedrijfspolitiek; ook bij fiscale heffingen, waarbij de geheele
winst wordt belast, zooals bij de Winstbelasting, is de vraag,
wat in feite winst is, van belang!

Het Besluit op de dïc’idendbeperking
1941.

Het Besluit op de dividendbeperking 1941 van 15 Au-gustus 1941 stelt grenzen voor het dividend bij vennoot-
schappen met een aandeelenkapitaal van 1 500.000 of
meer, zoowel voor het percentage als voor het concreet
bedrag.
In den loop der jaren heeft de fiscus in toenemende
mate belar’tgstelling getoond voor de ondernemingen in
denvorrneenerN.Y. Nu werden door de Dividend- en Tan-
tièmebelasting alleen belast de uitkeeringen der
,
NV.,
niet de gereserveerde bedrgen. Zoo zijn er bij de N.V.
dikwijls groote reserves ontstaan, waarover nimmer be-
lasting is betaald; deze zou en zal ook nu nog verschuldigd
zijn, zoodra de reserves, in welken vorm ook, worden uit-
gedeeld. ,
De claim van den fiscus op deze reserves is al dikwijls
ter sprake gebracht. Bij de regeling vn het herkapitalisa-
tie-besluit wordt ook naar voren gebracht, dat hierdoor
de nog te verrekenen belasting voor een aanzienlijk ge-
deelte kan worden afgedaan.
Dat het fiscale argument zwaar heeft gewogen bij .het
Besluit blijkt wel uit de invoering met terugwerkende
kracht. Was het doel enkel geweest, wijziging in de kapi-
taalstructuur der N.V. aan te brengen, wanneer daartoe aanleiding bestaat, dan was deze terugwerkende kracht
niet noodig geweest. Door Art. 4 (2) in te voegen is de
opbrengst ten behoeve van den Staat zonder twijfel veel grooter dan anders het geval zou zijn geweest.
Alleen op fiscale gronden is het besluit echter zeker

‘)
Brandverzekeriogmaatschappijen, volgens Prof. van Dievoet,
drijven de voorzichtigheid wel heel ver, wanneer ze risico’s en kosten
uitsluitend door de jaarpremiën doen dragen, zonder eenige tus-schenkomt van de rente der
opgehoopte reserves.
In het buitenland
laten talrijke ondernemingen deze rente in de lasten tusschenkomen, zoodat de bijdragen evenredig kunnen worden verlaagd. De reserves
komen ten slotte uit de premiën voort, en het is billijk, dat het in-
komen uit deze reseves aan de gemeenschap ,der verzekerden ten
goede komt.
I
,
Ten aanzien van de reserves betreffende de verhintenissen van
den hèrverzekeraar acht hij het de juiste oplossing, den verzekeraar
te verplichten alle reserves voor de door hem gesloten overeenkom-sten zelf aan te leggen, zonder eenige vermindering voor het aandeel
van den herverzekeraar in zijn verbintenissen. De verzekerde kent slechts zijn verzekeraar, clie hem volledigen
waarborg schuldig is.

niet ingevoerd. Dan zou het immers eenvoudiger zijn g
e
:

weest, de overgangsreserve te belasten en het daarbij te
laten.

1-let maakt op het eerste gezicht een vreemden indruk,
dat wel hetzelfde dividendbedrag, als in vorige jaren mag
‘orden uitgekeerd. Als de kaitalisatie maar ‘ zoodanig

,wordt gewijzigd, dat hét
digidend percentage
niet meer dan

6 bedraagt, zal heffing van super-dividendbelasting achter-

Wege blijven. Als in vorige jaren werd uitgekeerd 20 pCt.

van 11 millioen, of 200.000 gulden, ‘en voortaan 5 pCt.
van 4 millioen of eveneens f 200.000 gulden, wat is er dan
eigenlijk bereikt?

Zooals reeds werd besproken, doet de onderkâpitalisatie

zich in het bijzonder voor bij productie-ondernemingen

Deze zijn van nature het meest ingesteld op voortdurende
expansie: bij deze ondernemingen speelt mede in ver
band met de conjunctuurgevoeligheid van deze bedrijven
– de zelffinanciering een groote rol.

Bij’de aandeelén dezer ondenemingen
js
dé’beurskoèrs
als regel wel lager dan zou overeenstemmen met het wezen-
lijk aanwezig vermogen, doch ook is de koers als regel zoo

hoog,’dat het rendement, naar deze beurskoersen gerekend,
gering is.
Nu blijkt, dat in oorlogstijd de drang naar belegging
in aandeelen gestimuleerd wordt, en.de
koersen zeer kunnen

stijgen. Tegen een exhorbitante koersstijging is dan ook
reeds eenige malen met nadruk gewaarschuwd, en er is
ok sprake geweest van maatregelen tegen ongemotiveerde
koersstijgingen.

Want in deze tijden is de overheidsfinancieriiig uiteraasd
een vraagstuk van de eerste orde. Het kan voor de markt
der staatsobligaties niet gewenscht zijn, dat de koersen
van aandeelen van productieondernemingen voortdurend
stijgen, hoewel het rendement dezer beleggingen zeer laag
wordt. Voorts kan er nog verband zijn met de prijsvormings-
maatregelen, welke ook weer in het bijzonder van belang
zijn voor de productieondernemingen. Ongetwijfeld kunnen
er nog andere argumenten een rol hebben gespeeld bij de
invoering van het besluit op de dividendbeperking, welke
voor deze bespreking buiten beschouwing kunnen blijven.
Hoe het ook zij, in verband met de eigenaardige con-
structie van het nominale kapitaaFhebben de goed geleide Nederlandsche ondernemingen, die zich hebben toegelegd
op doelmatig bedrijfsbeheer, moderne outillage, goede
ociale voorzieningen voor het personeel, en die wilden
bereiken, dat de aandeelen als goede beleggingswaarden.
met betrekkelijk-stabiel en matig rendement werden be-
schouwd, steeds het hulpmiddel van open en geheime
reserveering
moeten
gebruiken.
• Een dividendpercentage van bijvoorbeeld 20 pCt. door-
een beteekent, bij een gemiddelden prijs van f 4.000 per
aandeel van 1 1.000, nominaal een rendement van 5 pCt. ‘Het dividendpercentage zegt in het geheel niets.
– Het is zeer bezwaarlijk, wijzigingen in de kapitalisatie
aan te brengen, zonder op ernstige en ook onbillijke wijze
rinbreuk te maken op bestaande rechten. Herkapitalisatie verstoort de juridische verhoudingen en er is veelal geen
:mogelijkheid voor een rechtvaardige oplossing.
1 Hoeveel vraagstukken moeten worden opgelost blijkt
wel uit het aanvullingsbesluit van 26 November 1941, dat allen, die het hebben moeten bestudeeren, wel als een bij-
‘zonder knap stuk werk zullen waardeeren. –

– Van onderkapitalisatie moet men thans komen tot een
juiste
kapitalisatie. Wat is echter een ,,juiste”.kapitalisatie?
Als voortaan stabiliteit in het rendement. kan worden
verwacht, zou de oplossing niet moeilijk zijn, en kon de
earning power” theorie zonder meer worden -toegepast.
Echter is er thans in het geheel niets te zeggen omtrent
he’t toekomstig rendement der ondernemingen. De laatste
1
jaren geven’zeer waarschijnlijk een zeer geflatteerd beeld,
tengevolge van de liquidatie van voorraden en den gemak-
kelijken verkoop bij toenemende schaarschte.. Maar als
wisselingen in de economische welvaart zich ook,in de toe-

100

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTE&

4 Maart 1942

komst zullen voordoen, zullen de reserves hun buffer-

functies juist in de toekomst moeten vervullen. Als de

,,juiste” kapitalisatie van nu dan mocht blijkenoverkapi-
talisatie te zijn, dan dreigt weer de reorganisatie-noid-

zaak
5).

Deze gevaren zouden misschien het best kunnen worden
ondervangen door gebruik te maken van aandeelen zon-

der nominale waarde, welke omzetting echter niet mogelijk

is. In de ,,Bepalingen van civielrechtelijken aard” in het

Aanvullingsbesluit, is daaromtrent niets opgenomen.

Het besluit op de dividendbeperking is eigenlijk eenzijdig

fiscaal georiënteerd en brengt daardoor het gevaar met zich mede dat bedrijfseconomische kwesties uit het oog worden
verloren. Men gaat natuurlijk allereerst becijferen, op welke

wijze de fiscale lasten het minst oploopen. Men vergete

toch hierbij vooral niet, de algemeene lijnen voor gezond’
financieel beheer in het oog te houden.

Zijn ei’ andere dan fiscale redenen voor heikapitalisatie bij

verze]teringnzaatschappijen?

Kapitaal plus reserves zijn belangrijk.als waarborg voor

verzekerden. Of het kapitaal al dan niet gestort is, doet in
theorie weinig ter zake. Er werd reeds op gewezen, dat de

tendenz bestaat, op een deel der.reserves een min of meer

vast beslag te leggen. Dit komt eigenlijk voort uit de
omstandigheid, dat er nog geen normale verhoudings-

cijfers bekend zijn tiisschen den omvang van de l)orte

feuïlle en het vereischte waarborgkapitaal.

De verzekeringsonderneming is een groote mutualiteit,
welke wordtbeheerd door een beroepsverzekeraar, die winst

nastreeft, welke winst van het premietotaal slechts een gering gedeelte uitmaakt. Het ondernemings-achtige is

bijkomstig in deze organisatie, en dit geraakt meer.en meer

op den achtergrond. Indien gedeeltelijke storting op het
aandeelenkapitaal niet wettelijk was voorgeschreven, zou
het mogelijk voorkomen, dat er in het geheel geen storting

door aandeelhouders geschiedde, doch enkel garantie-

verklaringen werden afgegeven, eventueel met onderpand.
Nu zijn er zeker verzekeringmaatschappijen, die naar ver-
houding van het nominaal kapitaal groote reserves bezit-

ten, zelfs aanzienlijke reserves in vergelijking tot den om-

vang van de’ portefeuille.
– Deze reserves kunnen in den loop der jaren gevormd
zijn door voorzichtig beheer en begunstigd door enkele

zeer gunstige conjunctuur-periodes. Het rendements-beeld
wordt dan nog ten zeerste vertroebeld door de inkomsten
uit de rente van de belegde reserves. De dividendpercenta-ges zeggen hier in het geheel niets.
Om aandeelen in verzekeringmaatschappijen, hypo
theekbanken e.d., welke incourant zijn en waarop een
obligo rust, te kunnen plaatsen, moet, gerekend naar het
gestorte
bedrag, wel een hoog dividendpercentage worden
uitgekeerd. Anders weegt de aansprakelijkheid voor de

n
aandeelhouder werkelijk te zwaar. Dit blijkt uit de veel-
vuldige verhandeling van aandeelen met toebetaling, welke
hij hypotheekbanken en scheepsverbandmaatschappijen
is voorgekomen.
In de toekomst zou het plaatsen van deze aandeelen
geheel onmogelijk zijn, als niet meer dan 6 pCt. dividend
overhet gestorte nominale kapitaal kon worden uitgekeerd.
De feitelijke deelneming van de aandeelhouders is immers
niet het gestorte,doch het geplaatste kapitaal.Bij zeer hooge
dividendpercentages zou er
i
in zooverre aanleiding kunnen
zijn tot herkapitalisatie, dat het ,,optisch” bedrog aan
leiding zou kunnen zijn tot bezwaren tegen de maatschap-
pij, die geacht wordt teveel te verdienen,
en’dus
te liooge
premiën te berekenen, ook al komt het dividend vrijwel
geheel uit de rente der belegde reserves. Bij nader onder-
zoek blijkt, dat in de meeste gevallen de eigenlijke bedrijfs-
winst slechts een matig rendement over het garantie-
kapitaal oplevert. Opgemerkt moet worden,.dat de kwestie

‘)
Prof. Dr. P. v. Berkum: Herkapitalisatie, ,, Maandblad’ voor
Acountancy en Bedrijfshuisboudkunde’, September 1941.

sociaal zeer belangrijk is. Vele premiën worden met – de

grootste moeite betaald en het zou onbehoorlijk moeten

worden genoemd, indien daarin ruime overschotten zouden zijn begrepen,die tot grooten rijkdom bij de maatschappijen

en tot overmatige dividenden aanleiding gaven.

Het optisch bedrog is hier trouwens zeer groot. Daarom
moet er op worden gewezen, dat het dividend ten onrechte
wordt uitgedrukt in procenten van het nominale gestorte
kapitaal. Weliswaar wordt het gewoonlijk vastgesteld in

een bepaald bedrag per aandeel, maar het wordt toch

meestal genoemd in procenten, en dan juist
niet
in pro-
çenten van het
geplaatste
nominale kapitaal. • Leiden-nu hooge koersen van verzekeringsaandeelen de

âandacht al te veel af van staatsfondsen? Deze aandeelen

zijn zeer incourant en worden niet in de beursnoteering

opgenomen. Een der zeer gewichtige overwegingen, welke

hebben kunnen gelden bij het dividendbeperkingsbesluit,

heeft hier derhalve geen grond: Andere dan fiscale aanlei-

ding tot herkapitalisatie is hij de verzekeringmaatschap-

pijen bezwaarlijk te vinden. Of men zou deze al moeten

zoeken bij de onbevredigende situatie, die zich soms bij

niet-volgestorte aandeelen voordoet, nl. dat volstorting,
zou deze noodig zijn, niet of bezwaarlijk is te verkrijgen.

Bij maatschappijen, die haar weg hebben gevonden, en

haar reserves hebben opgebouwd, in overeenstemming
met den omvang hunner portefeuille, zou het in zekeren

zin een verfraaiïng moeten worden genoemd, indien het

obligo kon verdwijnen. Men bedenke echter, dat er ook
weer bezwaren oprijzen: men heeft nl. geen invloed meer

op het toetreden van aandeelhouders en de kwestie van de

beursnoteering der aandeelen wordt actueel.

Overvegin gen bij het bepalen van de nominale kap ttaalsver-

grobting.

Uiteraard zal bij de vraag, met welk bedrag het nominale

bedrag moet worden verhoogd, eerst worden geraamd,

welk dividend in de toekomst zal worden uitgekeerd en
wat de kosten van herkapitalisatie-, winst- en superdivi-
dendbelasting zijn’. De terugwerkende kracht is hierbij van
groote beteekenis. De verzekeringmaatschappijen keerden
als regel een dividend uit, dat, berekend als percentage
over het nominaal verstrekte bedrag, hoog uitkwam. Zij

hadden geen aanleiding tot extra hooge uitkeeringen over
1940, ook geen aanleiding tot veel lagere uitkeeringen dan
in vroeger jaren en vallen zoodoende onder Art 4 sub. 2.
De super-dividendbelasting heeft men, indien geen her-
kapitalisatie volgt, ‘in elk geval te voldoen. Als men een-
zelfde bedrag besteedt voor herkapitalisatie is deze uit-
gave uiteraard gemotiveerd. Verder bedenke men, dat her-
kapitalisatie op grond van het besluit slechts eenmaal is
toëgelaten. Wel blijft de mogelijkheid steeds open, mochten
de overschotten in de toekomst steeds meevallen, van uit-
gifte van aandeelen tegen lagen kders met claimrecht.
Herkapitalisatie bij verzekeringmaatschappijen is echter
niet enkel maar een vormverandering. Bij de bespreking
van de kapitalisatie is naar voren gekomen de zienswijze, dat,

als de onderneming eenmaal op gang is gekomen, het
kapitaal zijn taak eigenlijk heeft verricht. Het blijft als
waarborgkapitaal geheel op den achtergrond.
In de Belgische wetsvoorstellen is het moderniseeren ook
niet gezocht in vergrooting van het
kapitaal,
doch in
voor-

geschreven reseives.
Dit lijkt obk juist. Het verzekerings-
bedrijf is een eenheid op zichzelf, met eigen reserves; daar-
achter staat nog de N.V., die alleen als extra gaante op-
treedt. Toen bijv., naar aanleiding van de daling der rente,
de levensverzekeringmaatschappijen overgingen tot her-berekening en verhooging der premiereserve, konden zij
uit haar zgni. vrijereserves voor aanvulling zorg dragen.
Het zou voor de bedrijfspolitiek weinig fraai zijn geweest,
indien zij de premiereserves hadden moeten vergrooten
door overboeking, uit de kapitaalrekeningen! Zoo is- het
wel duidelijk, ‘dat juist verzekeringmaatschappijen in N.V.-
vorm ruime reseves moeten behouden en er niet aaii kun-

4 Maart 1942

ECONOMISCH-STATIS+ISCHE BERICHTEN

101

nen denken, deze in kapitaal om te zetten tot d’e in het
Besluit vermelde grens. Zag het er, bij het verschijnen
van het Besluit, al zeer somber uit voor de vennootschappen

met niet-volgestorte aandeelen, het Aanvullingsbesluit
van 26 November 1941 heeft de situatie aaiizienlijk ver-
beterd doorde afzonderlijke regeling van percentages over

het gestorte kapitaal en het obligo.

Verder is bij aanschrijving van het Departement van
Fiiianciën d.d. 18 December 1941 No. 152 een nadere rege-

ling gegeven voor vrijwillige stortingen op niet-volgestorte

aandeelen. Bij niet meer dan 4 pCt. rente over de vrijivillige

stortingen worden deze als deposito beschouwd, de uit-
keeringen als rente. Wordt 5 pCt. rente vergoed, dan geldt
deze als uitdeeling, doch het onverplicht gestorte bedrag
wordt medegerekend als gestort kapitaal.

J. BRANDS.

BOEKBESPREIUNGEN.
De beleggingen van de leoensQerzekeringmaatschappijen door

Dr. C. Sytsma.
(Purmerend, J. Muusses, 1941, 250

blz., prijs f 4.20).
De beleggingspolitiek der institutionele beleggers heeft

in de laatste jaren in toenemende mate de aandacht ge-
trokken. Verschillende tijdschriftartikelen werden aan dit
onderwerp gewijd. Thans zijn enige boekwerken, welke
deze materie behandelen, verschenen of in voorbereiding.
Behalve het bovengenoemde proefschrift
,
van
Dr. C.

Sytsma
moet worden genoemd het proefschrift van
Dr. J.

R. A. Buning
over ,,De beleggingen der bijzondere spaar-
bnken in Nederlând”, verschenen in de serie publicaties
in boekvorm van het Nederlandsch Economisch Instituut,
terwijl binnenkort in deze zelfde serie een studie verschijnt
vn Prof. Dr. H. M. H. A. van der Valk
en ondergetekende

over ,,De groei der institutioneele beleggers en hun betee-
kenis voor de Nederlandsche geld- en kapitaalmarkt”.
Het proefschrift van
Dr. S’ytsma
bestaat voor het groot-

ste deel uit een analyse van de jaarcijfers van een zestal
der grootste Nederlandse levensverzekeringmaatschappijen,
aan de hand van een groot aantal opstellingen van cijfers,
opsommingen en detailgegevens. Deze analyse wordt
voorafgegaan door een aantal hoofdstukken, welke be-
schouwingen van meer algemene aard bevatten, alsmede
een vrij summier gehouden overzicht-over de beleggingen
van de Nederlandse levensverzekeringmaatschappijen ge-
ztmenlijk in de periode 1923-1938. Waarom de schrijver
zijn kwantitatief onderzoek niet tot de jaren, voorafgaande
aan de instelling van de Verzekeringskamer ingevolge de

Wet op het Levensverzekeringbedrijf van 1922, heeft uitgebreid, is ons niet duidelijk; de publicaties van de
Vereeniging voor Levensverzekering – in het.bijzonder
de statistische overzichten in de Jaarboekjes bieden
een mogelijkheid tot een dergelijk onderzoek, dat met hët oog op de ervaringen in en na de wereldoorlog van 1914-
1918 interessante resultaten had kunnen opleveren.
Een ernstig bezwaar van het hier besproken proefschrift
achten wij het ontbreken van een duidelijke probleem-
stelling. Wel wordt soms aangegeven, wat
niet
in de be-
doeling van het geschrift ligt. Bij lezing van het boek blijkt

de schrijver de behandelde vraagstukken
yrijwel uitsluitend
uit bedrijfseconomisch gezichtspunt te bezien. De betekenis
van de beleggingsactiviteit van de levensverzekeringmaat-
schappijen voor de volkshuisbouding als geheel, en voor de
geld- eakapitaalmarkt en de aanwending van het nationale

spaarkapitaal in het bijzonder, blijft onbesproken. Des te
eigenaardiger doet het daarom aan, dat anderzijds ook
sommige specifiek bedrijfseconomische aspecten van dè
beleggingspolitiek der levensverzekeringmaatschappijen,

zoals bijv. het belangwekkende vraagstuk van de balans-
waardering van de obligaties en onderhandse leningen,
worden voorbijgegaan. – Daarentegen wordt weer wel aan-
dacht geschonken aan sommige onderwerpen, die met de

beleggingsolitiek der levensverzekeringmaatschappijen,
als zodanig, slechts zijdelings verband.houden, zoals de

yerschillende verzëkeringsvormen en het beleggingsschema
van de Beleggingswet 1928 voor de Rijksinstellirgen en
fondsen, waaraan de schrijver zelfs een volledig hoofdstuk

heeft. gewijd.

Voor het overige is deze dissèrtatie- min of meer te be-

schouwen als een samenvatting van een deel der literatuur,
welke in de laatste decenniën over de beleggingspolitiek

yan de levensverzekeringmaatschappijen is verschenen, een
sanienatting, waarin vooral de vragen naar de wenselijk-
heid van een actieve beleggingspolitiek, in het bijz6nder

met betrekking tot aandelen en onroerende goederen, en
naar de wenselijkheid van valuta-evenwicht tussen activa en passi’a ter sprake zijn gebracht. Met het bijeenbrengen
van beschouwingen over deze onderwerpen in een samen-

vattend boekwerk heeft de schrijver ongetwijfeld een nuttig

.werk verricht.

De verdienste van den schrijver van het onderhavige
jroefschrif t menen wij vooral te moeten zien in de toetsing

van de jaarcijfers der grootste maatschappijen aan de
door hem opgestelde ,,alemene richtlijnen voor het be-
heer van het kapitaal”. Aan het slot van zijn analyses dien-
aangaande komt de schrijver tot de conclusie, dat de be-
handelde maatschappijen zich in het algemeen hebben
gehouden aan de vooropgestelde beleggingsregels omtrent de belegging van de verschillende delen van het vermogen (premiereserves, onkostenreserves, vrije reserves en maat-schappelijk kapitaal), het valuta-evenwicht, de liquiditeits-

iorg en de risicôverdeling. –
Tenslotte willen wij nog wijzen op een naar onze mening
‘opmerkelijke lacune bij de behandeling der verschillende

beleggingsvormen en wel deze, dat de schrijver verzuimt
aan te tonen, welke de oorzaken zijn geweest van de door
hem geconstateerde sterk gestegen belangstelling voor
nderhandse leningen aan of onder garantie van publiek-rechtelijke lichamen, e.d. Evenmin laat de schrijver zien,

dat

het jüist de concurrentie op dit terrein is geweest,
welke de belangrijkste stoot heeft gegeven tot de beleggers-
samenwerking, welke in het voorjaar van 1938 in de vorm van het welbekende beleggerskartel werd geconsolideerd.

C. GOEDHART.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP.

ECONOMISCH GEBIED.

1IANDEL EN NIJVERHEID.

Heffing meelproducten.
Mededeeling inzake de heffing van f 1.50;per 100 K.G. bij aflevering van zgn. klopmeel.
(E. V. 13/2/’42, pag. 205).
In- en uitvoer. Mededeeling inzake verlenging van
exportcertificaten door den Centralen Dienst voor In-

en Uitvoer. – –
• Tot 1 Juni 1942 zullen geen uitvoermachtigingen meer
worden afgegeven voor den uitvoer van vruchtboomen-
onderlagen. (E. V. 13/2/’42, pag. 204; Stct. No. 20).
Kapok.
Alle vervangingsmiddelen voor kapok zijn thdns
ook onder de definitie van kapok in de Kapokbeschikking
1939 No. 1 opgenomen. (E.V. 6/2/’42, pag. 174; Stct.
No. 21).
‘Nationale Plan. Regeling inzake het in beroep komen
bij een- grondaankoop of uitvoering van een werk in ver-
band met de uitvoering van het Nationale Plan. (E. V.
13/2/’42, pag. 205; Stct. No. 19).
Prijsregelingen. Nadere prijsvoorschriften inzake stroo,
vruchtenpulp en takkenbossen. (E.V. 6/2/’42, pag. 173;
Stct. Nos. 21 en 22). –
Nadere prijsvoorschriften met

betrekking tot eikels,
kastanjes, beukenoten, zaaiboonen, zaaiveldboonen, akker-
bouwproducten, zuivel- en melkproducten, bloembollen
en -knollen en gezoutn groenten. (E. V. 13/2/’42, pak.
202-204; Stct. Nos. 25, 27 en 28). –

102

ECONOMISCH-STAhSTISCHE BERICHTEN

4 Maart 1942

• Nadere prijsvoorschriften inzake haring en’hout (mijr-
hout en rondhout-naaidhout). (E. V. 20/2/’42, pag. 228;
Stct. No. 33).

Papier. Voorschriften met betrekking tot de vervaar-
diging en gebruik van schrijfpapier en schrijfblocs voor overheids- en zakencorrespondentie. (E.V. 6/2/’42, pag. 174; Stct. No, 22).

‘Smeeroliën. Nadere regeling van de aflevering van

te regenereeren smeeroliën voor verbrandingsmotoren.
(E.
V.
13/2/’42,’pag.
205).

Textielindustrie. Nadere regeling van het beschikbaar

stellen van duurdere kleeding bij inlevering van in goe-
den staat verkeerende gedragen kleedingstukken. (E.V.
6/2/’42, pag. 174).

Verf- en verfgrondstoffen. Op inkten, andere dan druk-
inkten, en op phtaalzuuranhydride zijn thans de bepa-

lingen van de verf- en verfgrondstoffenbeschikking van
toepassing verklaard. (E.V. 6/2/’42, pag. 174; Stt. No. 22).

Vestigingseischen. Nadere mededeelingen inzake te

verrichten formaliteiten bij aanvragen in verband met
het Bedrijîsvergunningenbesluit 1941. (E.V. 6/2/’42,
pag. 173).
LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING.

Aankoop akkerbouwproducten. Nadere regeling inzake

den aan- en verkoop van akkerbouwproducten door de
P.I.C.A.’s (E. V. 13/2/’42, pag. 204; Stct. No. 28).

Dorschen landbouwproducten. Telers mogen slechts

met voorkennis of vergunning van de P.I.C.A., al dan

nié’t onder voorwaarden, een dorschapparaat bezitten,
(E. V. 13/2/’42, pag. 204; Stct. No. 28).

Garnalendrogerij. Regeling van steunverleening aan

garnalendrogers voor aan de Eieren- en Pluimveecentrale
afgeleverde garnalen van de vangst 1941. (E. V.13/2/’42,
pag. 204; Stct. No. 28).

Landbouwmachines.
Het afleveren van nieuwe land-
bouwmachines door fabrikanten of den handel is zonder
vergunning van het Bureau voor d6 Metalenverwerkende
Industrie verboden. (E. V. 20/2/’42, pag. 230).

Landstand. Nadere mededeelingen inzake de organisatie
van den Nederlandschen Landstand. (E. V. 20/2/’42,
• pag. 229; Stct. No. 29).

Nicotine en nicotiiieprodueten. Mededeelingen inzake
de 4istributie van nicotine en nicotineproducten voo
plantenziektenbestrijdingsdoeleinden.’ (E. V. 13/2/’42,

pag. 204).


PachtenAfkondiging van eenige besluiten der Grond-”
kamers, krachtens welke besluiten eenige bepalingen
vn het Pachtbesluit niet van toepassing zullen zijn op,
pchtovereenkomsten betreffende los zand van een be. paalde maximum-oppervlakte. (E.V 6/2/’42, pag. 173;
Stct. No. 22).
Tuinbouwteeltvergunningen. Volgens bekendmaking van

de Groenten- en Fruitcentrale zullen na 1 Februari 1942
geen aanvragen tot het verkrijgen van een nieuwe tuin-
bouwteeltvergunning of overdracht van een teeltvergun-~
ning in behandeling worden genomen, behoudens in eenig

gevallen, welke als gevolg van bijzondere omstandigheden
(algeheele bedrijfsoverdrachten, sterfgevallen, e. d.) zijn
ontstaan. (E.V. 6/2/’42, pag. 173).

• Visseherij. Wijzigingen van eenïge visscherijreglementen..
Nadere uitvoeringsbesluiten van het Pachtbesluit Visch-
recht 1941. (E. V. 20/2/’42, pag. 231; Stot. No. 39).
Zaden. Voorschriften inzake de teelt van landbouw-
zâden. (E. V. 20/2/’42, pag. 230).

Zuurkoolvervoerfonds. Fabrikanten van zuurkool zijn’
verplicht voor elke af te leveren hoeveelheid zuurkool
,een bepaald bedrag te betalen ten behoeve van ,een
da
ar
toe ingesteld ,,Zuurkoolvervoerfonds”. (E.V. 6/2/’42,
pag. 173; Stct. No. 22).

GELD-, OIIEDIET- EN BANKWEZEN EN BELASTINGEN.
Omzetbelasting. Nadere bepa1inen inzake heffiig
van de omzetbelasting met betrekking tot den vleesch-
handel en de intrekking van dee heffing, met ingang

van 1 Januari 1942, voor het vervoer per rail van steen-

kolen, bruinkolen, cokes en briketten. (E. V. 30/1/’42,
dag. 148/49).

Nadere regeling van de heffing der omzetbelasting

(resp.invoerbelasting) op verpakkingsmiddelen bij uitvoer,

resp. wederuitvoer. Nadere bepalingen inzake de heffingen

van omzetbelasting van Duitsche opdrachten. (E. V.
13/2/’42, pag. 202).

Resolutie inzake het heffen der omzetbelasting bij hei;
bewerken van thee. (E. V. 20/2/’42, pag. 228).

Opheffing Leeningfonds 1940. Opheffing van het bij

de Wet van 4 April 1940 (Stbl. No. 403) ingestelde Lee-

ningfonds. De bij de Wet van 26 April 1940 (Stbl. No. 404)
aangewezen heffingen ten bate van dit fonds blijven even-

wel van kracht en dienen thans tot versIerking van
‘s Rijks middelen. (E.V. 13/2/’42, pag. 202; Stct. No. 23).
Spaar- en •betaalzegelkasbedrijvcn. Besluit betreffende

de uitoefening van het zgn. spaar- en betaalzegelkasbedrijf,

waarbij de uitoefening of voortzetting hiervan aan ver-

gunning van den Secretaris-Generaal van het Departement

van Handel, Nijverheid en Scheepvaart is onderworpen.
(E. V. 30/1/’42, pag. 146; 20/2/’42, pag. 228; Stet. No. 19).

STATISTIEKEN.

DE NEDELtLA.NDSCHE BANK.
Verkorte balans op 2 Maart 1942.
Activa. Binneni.

Wissels,

(Bfdbank.

f
-.
Promessen, enz.

Bijbank
12.080
(Agentsch.

,,

67.000

—–f
79.080
Papier op het

Buitenland

f 1.106.539.584
Af:

Verkocht

maar

voor de
bank

nog

niet

afgeloopen

Beleeningen mci. “1.106.539.584
voorschotten in
f
136.358.885
~Mfdbank.
rekening-cour antl3ijbank. op onderpand

Agentsch.
,,
‘2.165.566
12.79.446

f
151.253.897
Op Effecten

enz .

……….

f
151.006.553 ‘)
Op Goederen en Ceelen ……..
247.344
151.253.897
1)
Voorschotten

aan

het

Rijk

………………

Munt en muntmateriaal:
Gouden

munt

en

gouden
muntmateriaal
…………

11.026.206.689
Zilveren munt,

enz.

……..
7.871.903

Belegging van kapitaal, reerves en pensioenfonds
1.034.078.592
53.56.896
Gebouwen en mcubolen der Bank
…..,,
4.0011.000
Diverse

rekeningen

……………………

150.310.254

2.499.798.303

Passlva.
Kapitaal

……………………………

20.000.000
Reservefonds

……………………………
5.368.354
Bijzondere

reserves

……………………..
16.583.835
Pensioenfonds

……………………

….
11.782 183
Bankbiljetten

in

omloop

………………..
2.185.694.790
Bankassignatien

in

omloop

…………….
16.013
Rek-Courant

,

Van het Rijk 1

19.444.998
saldo’s

Van anderen
,,

233.841.763

,,

253.286.761
Diverse

rekeningen

……………………7.066.367

2.499.798.303

Beschikbaar metaalsaldo

………………t

61.727.504
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
waartoe de bank gerechtigd is …………..154.318.760
Sdbatkistpapier, rechtstreeks
bij
de bank opder

gebracht
‘)
Waarvan aan Nederlandsch-IncIiO (Wet van
15 Maart 1933, Staatsbiad No. 99) ……….55.341.825

Voornaamsto posten in
duizenden guldens.

Gouden
Circu-
1

Andere
Beschikb.
1
Dek-
Data

munt en
1
-untmater.

.

latie
opeischb.
Metaal-
1
kings-
schuld&i
saldo
1
perc.
2 Mrt.
i

1.026.207
2.185.695
1

253.303
61.728
1

42.5
23
1
‘ebr.
421
1.026.237 2.138.927

277.090
70.951
42.5
16

,,

’42!
1.026.257
2.123.097
1

216.2u7 77.657
1

43
6

Mei
‘401
1.1 60.282
1.158.63
1

255.183
607.I42
83
Totaal
Schatkist-

Belee-
Papier
Div.
Data
bedrag
prom.
op het
t reken. disconto’s rechtstr.
ningen
buiteni.
.
1
(act.)
2 Mrt.îZ
79

1

151.254

1

1.106.540
231′ ebr. 42
90
– .
147.414

1
1.’ 82.326
155.014
78

149.314

i
1.057.684

1
150.310

160.893
6 Mei ’40
9.853

1

217.726

1
750
20.648

AfabetischeI1?dex Overheidsrnaatregelen öp Ecoomisck gebied

(Zie voor den alfabetischen index Overheidsmaatregelen in 1941 het Jaarregister 1941, laatste bladzijde.)

Blz.l

Blz.l
Turf
…………………………..
59
Uien

…………………………..
33
Varkens

……………………….
59
Vee
…………………………..
67
Veevoeder
………………….
47, 102
Verf en -grondstoffen
……………
102
Vervoerswezen
………………
59, 102
Vestigingseischen
.
………………
..102
Visscherij
…………….
33, 47, 59, 102
Vlas
………………………..
59, 75
Vleesch
…………………………
59
Voedselvoorziening
……..
33, 47, 59, 75
Wijnbelasting
……………………
33
Zaden
………………….
47, 59, 102

Aardappelen

33, 47
Aardolieproducten
………………
102
Accijns
…………………………
33
Bank- en Credietwezen
……………
33
Bedrijfsvorm
……………………
59
Bedrijfsorganisatie Vee en Vleesch

59
Belastingen
………………….
33, 59
Bindtouw

………………………
33
Binnenscheepvaart
…………………
59
Bouwnijverheid
……………….
47, 58
Buitenlandsche Handel . . . . 47, 59, 75, 101
Chemische Industrie
………………
58
Deviezenverkeer
………………
33, 59
Dividendbeperking

………………
59
Drankwet
………………………
58
Electrotechnische Industrie

……….
58
Fruit

…………………………
59
Gevogelte
……………………….
47
Grasland

………………..
33, 67, 85
Grafische Industrie

…………..
58, 75
Groenten
……………………….
33
Kaas
………………………….
75
Kamers van Koophandel
…………..
47
Kapok
…………………………
101
Keramische Industrie
…………….
58
Kunstmest
……………………..
59
Kweekerij

……………… – ……..
59.
Landbouw.. 33, 47, 59, 67, 75, 85, 53, 102
Landstand, Nederlandsche
……..
33, 102
Leeningfonds 1940
………………
102
Meel en -producten
……………….
101
Melk en -producten
………………
38
Metalen
…………………..
47, 58, 75
Motorbrandstof
…………………
. . 58
Nationaal Plan
………………..
101
Nicotine
………………………..
102
Oliën en vetten
………………..
102
Omzetbelasting
………………
59, 102
Organisatie Bedrijfsleven
……..
47, 102
Pacht
…………………….
67, 102
Papier

…………………….
58, 102
]?elterijen

……………………..
58
Pensionbedrijven

………………..
58
Postverkeer
……………………..
59
Prijsregeling
………….
47, 58, 75, 101

Radio

………………………….
47
Registratierechten
…………………
59
Restaurants
……………………..
75
Rijwielen
……………………….
47
Slachtvee
……………….
33, 59, 67
Smeerolie
…………..
. ………….
102
Spaar- en betaalzegelbedrijf
……….
102
Spertijden Kleinbedrijf
…………….
75
Tabak

……………………..
47, 58 Textiel

……………………….
102
Twee land enorgan isaties
…………….
59
Tuinbouw
……………….
33, 59, 102

Overzicht van de ontwikkeling der

handelspolitiek van het Koninkrijk

der Neder!anden van 1913 – t/m. 1938

(Samengesteld door een groep mede.

werkers van het N. E. 1., onder leiding van

Prof. Mr. P. Lleftlnck)

28e publicatie van het. Nederl. Econom. Instituut

Prijs f 2.10* –

(Prijs voor donateurs
:e
leden van het N. E. 1.

1.50)

Verkrijgbaar in den boekhandel

UITGAVE:

DE ERVEN F. BOHN N.V., HAARLEM –

Economische

aspecten der

internationale.

migratie

door

Dr. A. Winsemius

29e Publicatie van

het Nederlandsch

Econom. Instituut.

Prijs
f
2.10*

(Prijs voor donateurs en

leden van het N.E.I. fl.50)

Verkrijgbaar
in den boekhandel

Uitgave.:

D Efven F. Bohn N.Y.

. HaarIm

LI

4 MAART 1942

Publicaties van het Nederlandsch Ecônomisch Instituut:

A. J. W. RENAUD

.

Groot- en kleinhandeisprijzen in Nederland en België

…………………..(2 din.
/
5,25)*

Dr. H. M. H. A. VAN DER VALK.

De betrekkingen tusschen

banken en industrie in België

………………………
(f
4,20)*
3a

D. C. RENOOIJ

•…

.:
Beschouwingen over een to1unie tusschen Nederland en België-Luxemburg

1

……
(f
4.20)

3b.
en 3c. D. C. RENOOIJ

.

.
……..
Beschouwingen over een ,tolunie tusschen Nederland en België-Luxemburg

II

(2 din.
/
4,20)*

Ir. A. BAARS

-..;
Het verbruik van algemeen benoodigde &nsumptie-artikelen

…………………
(t
2,35)”

Dr. F. L. VAN MUISWINKEL

•,

De verzamelende graanhândel in de V.S. van Amerika, Canada en Argentinië
..
….

(f
3,65)”‘

Dr. G. Z. JOL

.

Ontwikkeling en organisatie der Nederlandsche brouwindustrie

,.
. .
………………
(f4,20)”‘

Dr. A. J. VERHAGE

De

handel

in

bloembollen

…………………………………..

……..
(f
3,15)

Dr. A. TREEP

..
De betrekkingen tusschen banken en industrie in Frankrijk

……
…………….
(/
4,20)
4

Mej. Dr. ROSA PHILIPS

De invloed van de Braziliaansche koffieverdedigingspolitiek op de koffie-importen der

hoofdconsumptielanden


……………………………….. ………………
(/
2,10)
4

Ir. A. BAARS en Dr. H. M. H. A. VAN DER VALK

.

Seizoensbeweginge.n in bet economisch leven van Nederland

………..
2

……….
(f
1,55)
4

Dr. J. C. M. VAN RHEE
De betrekkingen tusschen banken en industrie in Zwitserland

…………………
(/
3,65)

HENRI REUCHLIN M. A.
Werkverruiming en haar gevolgen voor volkshuishouding en overheidsfinanciën ……
(f .1,05)*

18.
Dr. H. M. H. A. VAN DER VALK

Economische politiek

in België in de

depressie

….. ………………………..
(/
1,05)
4

Dr. W. L. VALK

Conjunctuurdiagnose

……………………….. ………..

(/6.30*
geb.,
/
5,25
4

gekart.).

CH. GLASZ
Hypotheekbanken en Woningmarkt in Nederland

……………………………

Ir. J. W. BONEBAKKER

De Scheepsbouwnijverheid in

Nederland

…………………………………..
(/
1,55)

F. WEINREB
Statistische bepaling van de vraagcurve. Toepassing op de Nederlandsche vraag naar

suiker……………………………………………………………….
(f
8,15)
4

Dr. E. VAN DER WIEL


De betrekkingen tusschen banken en industrie in Zweden

…….. . ……………
(f
2,60)”‘

Dr. J. J. J. DALMULDER
On econometric5

.

.

……

:

……….
-……(/
2,65*
geb.,
/
1.55* ingen.)

Dr. T. KOOPMANS
Linear regression analysis of economic time series

…………..

(t
3,15e’ geb.,
f
2,10* ingen.)

Dr. W. L. VALK Production, pricing and unemployment in the static state

.. …

(t
3,15* geb.,
/
2,10* ingen.)

.
Dr.-H. J. FRIETEMA

.

..

.

.

.
Productie en prijsvorming op de Engelsch4 markt van Nederlandsche, Deensche en kolo-

niale

boter

…………………………..
……..
. …………..

……………..
(f
3,15)
4
‘.

Dr. jr. A. BAARS
Openbare werken

en cönjunctuurbeweging

…………………………………..
(/ 2,10)
4

Dr.- Ir.-F. J. C. VAN DER SCHALK
Een analyse van de arbeidsproductiviteit in Nederland

……………………..
(/ 2,60)
4

Dr. L. R. W. SOUTENDIJK
Methoden tot het vaststellen van den omvang der besparingen

…………………
(/ 2,60)4′

J. VAN DER WIJK
Inkomens

en

Vermogensverdeeling

……………………………………..
(/ 2,60)*

Dr. T. KOOPMANS
Tanker freight rates and tankship building

………………..
(1
3,15
4
‘,
geb.,
f
2,10* ingen.)

28:
Overzicht van de ontwikkeling der handelspolitiek van het Koninkrijk der Nederlanden
van 1923 t6t en met 1938, samengesteld door een groep medewerkers van het N.E.I.,

onder leiding

van

Prof.

Mr.

P.

Lieftinck

………………………….
. …….
(f
2,10)
4

29.
Dr. A. WINSEMIUS
Economische aspecten

der internationale migratie

………………… ………..
(/
2,10)

Dr.
H.
M. H. A. VAN DER VALK

Egalisatiefondsen en monetaire politiek
in
Engeland, Nederland en de Vereenigde Staten

(derde

gewijzigde

druk)

………………………………………………..
(f
2,10)

M.
J. SCHUT
Tinrestrictie

en

tinrijs

…………………………………………………..
..(/
1,55)
4
‘.

Dr. J. R. A. BUNING
De-beleggingen der bijzondere spaarbanken in Nederland
……………. . ……….
(/3,65)
4

Uitgave: De Erven F. Bohn N. V. Haarlem

Verkrijgbaar in den boekhandel

DEUK H. A. M. ROELANTS, SCHIEOAM

Auteur