Ga direct naar de content

Beter meten zonder meer te weten

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 18 2016

Het arbeidsinkomen is het door de factor arbeid verdiende deel van het totale verdiende inkomen. Op basis van internationale afspraken wordt dit inkomen afgeleid uit de nationale rekeningen die het CBS maakt en beheert. Het getal dat uit deze jaarlijkse exercitie rolt, geeft aan welk deel van de toegevoegde waarde aan de factor arbeid wordt uitgegeven. Over dit getal – de arbeidsinkomensquote – wordt jaarlijks door macro-economen flink gediscussieerd.

De arbeidsinkomensquote (AIQ) kan te hoog zijn. Vooral in de jaren zeventig leek dat een probleem in Nederland. Het hoge niveau zou ertoe bijdragen dat bedrijven mensen op straat zetten, waardoor de werkloosheid sterk opliep. Ook zouden bedrijven minder geneigd zijn om de productie in ons land uit te breiden. Werk zou verdwijnen naar het buitenland of worden vervangen door goedkopere machines. Daarnaast zijn macro-economen geneigd om te kijken naar gemiddelden over een wat langere periode en om bij een hogere dan gemiddelde AIQ in een bepaald jaar te melden dat er geen ruimte is voor hogere lonen.

De AIQ kan te laag zijn. De AIQ daalt al een tijdje in de meeste OESO-landen en dat is volgens sommigen problematisch voor de koopkracht van de bevolking. Anderen wijzen er juist op dat een wat lagere AIQ heeft geleid tot de hoge graad van werkgelegenheid in Nederland. Voor weer anderen is het aanleiding om te melden dat zelfstandigen worden uitgeknepen. En ten slotte zijn er mensen die op basis van de stand van de AIQ pleiten voor hogere lonen, die, naast meer koopkracht, ook nog eens innovatie en diepte-investeringen aanmoedigen.

Wat vooral opvalt is dat het in de meeste analyses gaat om eenvoudige correlaties over een tijdsperiode waarin van alles gebeurt, om analyses op basis van meer gevoel dan wijsheid of om voorspellingen die slechts op een kort en dun reeksje getallen zijn gebaseerd die kunnen worden uitgesplitst naar enkele sectoren. En met dat reeksje getallen is van alles aan de hand.

Ten eerste schiet de AIQ voor verschillende sectoren nogal eens door de honderd procent. Met de nieuwe reeks van het CBS – waarin het inkomen van zelfstandigen anders wordt gemeten – is dit niet zo vaak meer het geval, maar wie bijvoorbeeld de reeks van de sector ‘Exploitatie van en handel in onroerend goed’ in de nieuwe serie cijfers bekijkt, ziet een AIQ van 20 procent in 1995, 34 procent in 2005, 198 procent in 2012 en 56 procent in 2015. Sterk oplopend dus over de periode als geheel, met een uitschieter naar bijna 200 procent in 2012. Vast een kleine onbeduidende sector, maar het is toch lastig om hier een solide analyse van te geven.

Ten tweede – en dan bezondig ik mij ook aan statistische analyse op basis van een gering aantal waarnemingen – is de AIQ in de periode 1995–2014 gestegen in sectoren met een AIQ van minder dan tachtig procent in 1995 en gedaald in sectoren met een AIQ van meer dan tachtig procent. In sectoren met een AIQ rond de honderd is niets veranderd. Veel arbeidsintensieve sectoren zijn dus een kleiner deel van de toegevoegde waarde gaan besteden aan de factor arbeid. De winstquote is gestegen en blijkbaar zijn bedrijven in deze sectoren meer gaan investeren. Het omgekeerde is waar voor sectoren die in 1995 minder arbeidsintensief waren, zoals de energievoorziening en waterbedrijven. Is hier echt wat aan de hand of is er sprake van een louter statistisch fenomeen?

Ten slotte wordt bij het uitrekenen van de AIQ uitgegaan van een wereld met kapitaal en arbeid als – zo ongeveer de enige – productiefactoren. Door de beloning van werknemers en de arbeidsbeloning van zelfstandigen en andere ondernemers toe te wijzen aan de factor arbeid en de rest aan de factor kapitaal, wordt het deel van het totale verdiende inkomen dat we niet goed kunnen meten als het ware weggedefinieerd. De factor kennis wordt echter steeds belangrijker in het moderne productieproces. Een deel van die kennis kan relatief eenvoudig worden toegerekend aan kapitaal (expliciete kennis) of arbeid (impliciete kennis), maar een deel is ook onbewust. En dat laatste past niet in de nationale rekeningen van het CBS. Michael Polanyi heeft dit laatste type kennis beschreven als “we know more than we can tell”. Naarmate de economie zich ontwikkelt van een industriële naar een diensteneconomie of zelfs kenniseconomie, wordt het steeds ingewikkelder om alles toe te rekenen aan de factoren kapitaal en arbeid. Het zou daarom zomaar zo kunnen zijn dat we een steeds groter deel van de toegevoegde waarde niet meten.

Kortom, we zijn ondanks de verbeterde reeks nog lang niet af van het inzichtelijk maken van de toegevoegde waarde en (eerlijke) beloning van onze jaarlijks geleverde arbeid. En daarmee helaas ook niet van het periodieke rondje met macro-economen die zich opwinden over een te hoge of te lage AIQ.

Auteur

Categorieën