Ga direct naar de content

De Porterrage

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 17 1990

De Porterrage
W.J. de Flidder

Er woedt een Porterrage over Nederland1. Aanleiding is Porter zelf, die zijn
nieuwste boek reeds lang voor publikatie aankondigde en niets heeft nagelaten om de nieuwsgierigheid tot grote
hoogte te stimuleren. Ook heeft geholpen dat het boek met ruim 900 pagina’s
zeer voornaam oogt, zodat iemand die
belangstelling heeft voor economische
politiek zich ongemakkelijk voelt als hij
het negeert. Economische tijdschriften
en de betere kranten nemen readies op
en als de jongste beleidsnota van het
Ministerie van Economische Zaken
Economie met open grenzen met kennelijk genoegen Porter citeert en TNO
de methodiek van Porter volgt om Nederland te bestuderen, dan is het succes compleet2.
Er is ook een keerzijde. Het boek van
Porter levert stof voor vrijwel iedere
denkbare tekstuitleg. Oude wijn gaat
zonder moeite in Porters nieuwe zakken. De pers, op zoek naar de nieuwswaarde, heeft dan ook de gruwelijkste
koppen voordoorgaans onvolledige besprekingen bedacht, zoals “Hollands
calvinisme remt concurrentiekracht”3.
In feite is het nieuwste werk van Porter niets meer en niets minder dan een
beschrijving van een ideaalplaatje voor
nationale economische politiek. Welke
overheid zou niet het liefst zien dat het
bedrijfsleven op leven en dood de concurrentieslag aangaat, zijn produkten
aan zelfs de lastigste klanten kan verkopen, de best opgeleide mensen kan
aantrekken, de hoogste salarissen betaalt en netwerken vormt waarin bedrijven en instellingen als het ware een
ideaal complex van completerende activiteiten vormen. Dat is het beeld dat
Porter voorhoudt en waaraan de feitelijke situatie nooit zal voldoen.
Voor wie is dit beeld aantrekkelijk?
Voor de ondernemer niet. Die heeft
geen behoefte om onder nog moeilijker
omstandigheden te moeten werken.
Voor de universiteiten niet. Die trekken
zich graag terug op de fundamentele
research. Voor de werknemer niet. Die
ziet zich tot het uiterste uitgedaagd. En
wellicht ook de overheid zelf niet, want
die moet zich kwetsbaar opstellen om
uitvoering te geven aan het door Porter
voorgestelde overheidsbeleid. Alleen
de relatieve buitenstaander waardeert
het boek. Hij treft een frisse benadering
in een nieuw begrippenkader. Mede om
deze reden wordt Porter afwisselend
verguisd en vereerd. Beide ten onrechte; hij heeft slechts op een handige manier een betrekkelijk eenvoudig ideaal-

ESB 24-10-1990

nu steeds meer nationale en regionale
overheden in de Europese Gemeenschap de strijd om de kwaliteit van de
thuismarkt van het bedrijfsleven als een
nieuwe pijler van het economisch beleid
beschouwen. Steeds meer wordt duidelijk dat naarmate de economie internationaliseert veel mensen de eigen taal,
cultuur en nationaliteit hoogachten.
Hierdoor worden nationale overheden
geTnspireerd om nationaal beleid te
voeren ook al worden steeds meer beslissingen in Brussel genomen. Dit leidt
ertoe dat het Nederlandse parlement na
‘ 1992’ niet minder werk krijgt maar nieuwe instrumenten zal ontwikkelen om het
Nederlandse belang te dienen. Zijn de
grote Europese landen ons op dit punt
niet reeds voorgegaan? Het is in het
eigen belang van ondernemingen om
dit beleid met kracht te ondersteunen.
Europa wordt steeds meer een verzameling thuismarkten die met steun
van de eigen nationale en regionale
overheid onderling een hevige concurrentiestrijd aangaan. Dat zou wel eens
het beeld kunnen zijn dat Europa een
sterke mondiale positie geeft. Porter
geeft aanleiding om deze conclusie te
trekken, maar of hij deze zelf onderschrijft, daarover zal het groeiend aantal Portergeleerden het onderling voorlopig wel niet eens worden.

beeld aangegeven en verdient daarvoor noch straf, noch hoge beloning.
Illustratief in de discussie is de vraag:
is Porter nu voor of tegen een actief
sectorbeleid van de overheid? Het Ministerie van Economische Zaken heeft
geen aanleiding gezien om zijn sectorbeleid te activeren, terwijl TNO in haar
Porterstudie schrijft dat de overheid een
keuze moet maken: sterke sectoren
versterken. Het argument is dat een
land dat in economisch opzicht wil meekomen, moettrachten om het bedrijfsleven een goede thuismarkt te bieden.
Zelfs multinationale bedrijven blijken
vaak voor verschillende delen van het
bedrijf verschillende thuismarkten te
hebben. Juist daar zijn de rendementen
vaak het hoogst. Wat een thuismarkt is,
wordt niet alleen economisch, maarook
cultureel bepaald. West-Nederland is
het centrum van de snijbloemensector,
Amsterdam de toplocatie van het nationale bankwezen. Is Noordwest-Europa
de thuismarkt voor de chemie? Waar ligt
dat aangrijpingspunt van het sectorbeleid? Het is lastig Porters concept eenop-een toe te passen; het is een open
doel voor critici en een intelligent speeltuig voor degenen die zelf hun visie op
de economie willen verdiepen.
De Porterrage raakt de maatschappelijke ideologie. Er zijn mij geen commentaren bekend waarin Porters model
tot uitgangspunt wordt gekozen voor 1. M.E. Porter, The competitive advantage of
een discussie over de vormgeving van nations, 1990.
de nationale economische politiek. Dus .2. D. Jacobs, P. Boekholt en W. Zegveld, De
ook geen pogingen om inhoud te geven economische kracht van Nederland. Een
aan termen als partnership, consensus- toepassing van Porters benadering van de
concurrentiekracht van landen, SMO-boek
vorming en economische democratie. 1990.
Toch worden deze begrippen belangrijk 3. NRC-Handelsblad, 2 oktober 1990.

987

Auteur