Ga direct naar de content

Collegegelden

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 2 1986

Collegegelden
Onlangs lazen we in de krant dat de
collegegelden voor het wetenschappelijk en hoger onderwijs wel eens gevoelig omhoog zouden kunnen gaan om
daarmee het dreigende gat in de rijksbegroting te helpen beperken. Ter
goed begrip, het collegegeld bedraagt
voor het komend jaar f. 1.600 en de totale studiekosten per jaar (excl. collegegeld) liggen voor een student in de
ordevanf. 14.000. In de krant wordtde
mogelijkheid van een verdubbeling
van het collegegeld, dus tot f. 3.200,
gesuggereerd. De universitaire kosten
van een jaar studie aan de Erasmus
Universiteit bedroegen in 1983 voor
een student rechten ca. f. 6.600, voor
een student economie f. 10.400 en
voor een student medicijnen ca.
f. 66.700 per jaar. In een aankomend
wijsgeer werd ca. f. 46.300 per jaar
gei’nvesteerd. Tegen de achtergrond
van deze cijfers en het doortrekken van
de onmiskenbare trend van collegegeldverhogingen van de laatste tien
jaar, is het bepaald fascinerend om deze kosten-en prijsontwikkeling van het
studeren eens nader te beschouwen.
Laten we allereerst de student zelf
eens bekijken. Het is natuurlijk duidelijk dat een bedrag van f. 3.200, zijnde
ca. 25% van zijn kosten van levensonderhoud, voor de meeste studenten
niet zonder meer valt op te hoesten.
Voor de ca. 40% studenten met een
rijksstudietoelage betekent dit dat hun
toelage zal moeten worden verhoogd
met f. 1.600, terwijl de kostenverhoging ertoe zal leiden dat meer studenten een toelage in de vorm van beurs
en/of studielening zullen moeten aanvragen. Voor de studenten die geen
beroep kunnen doen op de toelage, betekent de collegegeldverhoging een
niet-marginale stijging van de ouderlijke kosten. Ons zijn geen Nederlandse prijselasticiteiten bekend, maar het
is zeer aannemelijk dat deze prijsverhoging bij niet-bursalen zal leiden tot
een vraagdaling alsmede tot een grondiger evaluatie van de bestaande alternatieven. Men wordt prijsbewuster.
Gegeven het prijsverschil tussen HBO
en universiteit zou dit b.v. kunnen betekenen dat het HEAO meer concurrentie gaat betekenen voor studies als bedrijfseconomie, bedrijfskunde en bedrijfsinformatica.
De vrij forse stijging van het collegegeld betekent uiteraard een veel kleinere stijging van de netto middelen
voor het Ministerie van O en W. Immers, de collegegelden zijn verwerkt in
de beurzen en de totale vraag naar wetenschappelijk onderwijs zal teruglopen. Indien in de sfeer van de inkomESB 9-7-1986

B.M.S. van Praag

stenbelasting een aftrek voor studerende kinderen zou herleven, zou dit
het netto revenu verder aantasten. Het
lijkt realistisch de elasticiteit van de
netto ontvangsten niet op een te zetten, maar op ca. een half.
Er is echter nog een andere kant aan
deze medaille, die nog veel interessanter is. Ik doel op de repercussies voor
het wetenschappelijk onderwijs zelf.
Indien de collegegelden voor bepaalde
studierichtingen gaan tenderen naar
een kostendekkend niveau, dan komt
er ruimte voor het particulier initiatief.
Is het bij voorbeeld niet zeer wel denkbaar dat een eerstefase-opleiding
rechten, economie, bedrijfskunde,
psychologic of sociologie die een voor
de bedrijfspraktijk zeer waardevol diploma aflevert, wordt opgericht voor
een prijs van f. 3200 per jaar? Natuurlijk zijn er manieren waarop de staat dit
kan tegengaan, b.v. door het onthouden van studietoelagen of het niet toelaten van aldus opgeleide juristen tot
de advocatuur en de rechterlijke
macht. Dit zou echter op gespannen
voet staan met de onderwijsvrijheid.
Wanneer dit soort opleidingen hun
waarde in de praktijk kunnen bewijzen,
lijkt de opmars van prive-opleidingen
echter onstuitbaar. In de eerste plaats
kunnen deze opleidingen een flexibel
curriculum bieden, waarbij geen rekening behoeft te worden gehouden met
allerlei academische tradities en het
academisch statuut. In de tweede
plaats is interne en externe kwaliteitsbewaking, b.v. via het Amerikaanse
systeem van accreditatie, mogelijk. In
de derde plaats kunnen deze instellingen overgaan tot kwalitatieve selectie
van studenten, waartoe de universiteiten niet bevoegd zijn. De ‘low-profile’

infiltratie door Amerikaanse ‘colleges’
op universitair niveau alsmede de verwante initiatieven in het middelbaar
onderwijs, worden stevig in de hand
gewerkt door de collegegeldverhoging.
Wat zal er bij de universiteiten gebeuren? In de eerste plaats zal er een
collegegelddifferentiatie gaan plaatsvinden tussen ‘goedkope’ en ‘dure’
studies. In de tweede plaats lijkt met de
komst van de student zelf als financier
een meer student- (lees: klant)gerichte
benadering geboden. Vindt de student
de aanbieding immers niet goed, dan
verliest de universiteit direct een stuk
financiering. Waartoe zal dit op lange
termijn leiden? Tot prijs-, produkt- en
marktdifferentiatie. Ik acht het helemaal niet onmogelijk dat universiteiten
bereidwillig dure studierichtingen zullen afstolen en met collegegeld en
kwaliteit zullen gaan concurreren. Ten
slotte lijkt de oprichting van particuliere universiteiten zowel op ‘undergraduate’ als ‘graduate’ niveau nog
slechts een kwestie van tijd. Kortom,
Amerikaanse toestanden. En is dit
erg?
In Nederland hebben wij met de
100% staatsfinanciering en -regulering alsmede de handhaving van het
uniforme en tot voor kort symbolisch lage collegegeld een universitair produkt
geschapen dat homogeen mag worden genoemd. Elke universiteit geeft
praktisch alles. Eenheidskaas dus van
constante kwaliteit. Maar is de kaas
ook lekker en krijgt men waar voor zijn
geld? In de jaren zestig was er de opkomst van het fabrieksbrood. De consument heeft het niet geslikt en bij de
bakker liggen nu weer twintig varieteiten, waaronder fabrieksbrood. Hetzelfde geldt gelukkig voor kaas. Wij menen
dat dit ook voor de wetenschap zal blijken te gelden. Enerzijds is er ruimte
voor eenheidskaas van constante kwaliteit. Anderzijds gaat de welvaart omhoog als er vele varieteiten op de plank
liggen. Laat de markt maar uitmaken
hoe het gedifferentieerde aanbod eruit
moet zien.
De collegegeldverhoging vind ik dus
wel goed, mils die gepaard gaat met
compensatie, zodat ook het talent uit
onbemiddelde families tot ontplooiing
kan komen.

B.M.S. van Praag
667

Auteur