Ga direct naar de content

Belasting weer stand: houding versus gedrag

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: januari 23 1985

Maatschappijspiegel

Belastingweer stand:
houding versus gedrag
DRS. H. ELFFERS – DRS. J.C. VROOMAN – DR. D.J. HESSING

DR. HJ. VAN DE BRAAK

Inleiding
Belastingweerstand leidt onder diverse
benamingen een taai bestaan. Ruw opgevat als een amalgaam van negatieve reacties op de heffing van algemene middelen,
is dit verschijnsel natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Van oudsher blijkt belastingweerstand een rol van betekenis te spelen bij processen van staatsvorming en
staatsverval, bij het financiele reilen en zeilen van zowel publieke als particuliere
huishoudingen en niet in het minst bij de
gemoedsrust van individuele burgers.
Voor zover belastingplichtige burgers zich
niet hebben verenigd in organisaties om
hun belangen te verdedigen, is de sociaalwetenschappelijke bestudering van belastingweerstand aangewezen op een tweetal
invalshoeken. De eerste invalshoek ligt op
ffiocro-niveau en beschouwt belastingweerstand als de uitkomst van een reeks
maatschappelijke determinanten, waartoe
bij voorbeeld de hoogte van de belastingdruk, de stabiliteit van het politieke systeem, de grootte van de collectieve sector,
de zichtbaarheid van de belastingheffing
e.d. behoren. De tweede invalshoek ligt op
wcro-niveau en vat belastingweerstand op
als de uitkomst van een serie gedragsdeterminanten, waartoe kosten, baten, normen,
intenties e.d. kunnen worden gerekend.
Met name deze tweede onderzoekstraditie
domineert in de sociaal-wetenschappelijke
bestudering van belastingweerstand. Zij is
vooral sedert de survey-onderzoekingen
van Gustav Schmolders (1959, 1970, 1977)
tot ontwikkeling gekomen. Ofschoon het
type survey-onderzoek enkele sterke kanten heeft, bij voorbeeld waar het gaat om
representativiteit, is een in het oog lopende
zwakte gelegen in de registratie van verbaal
gedrag. Dat wil zeggen, via batterijen van
vragen krijgt men weliswaar inzicht in zelfgerapporteerd gedrag, maar het is onzeker
in hoeverre zulk verbaal gedrag samenvalt
met feitelijk gedrag. In de onderzoekspraktijk valt zo’n bezwaar te ondervangen
door in laboratoriumsituaties daadwerkelijk gedrag te bestuderen, maar daar kleeft
weer het nadeel van de kunstmatigheid
aan. Het blijft dus behelpen in beide gevallen, voor zover de beoogde informatie
90

zwaar onderstrepen.
De opzet van deze bijdrage is als volgt.
Om te beginnen zullen we in het kort releveren wat in de voorgaande bijdragen naar
voren is gebracht. Daarnaast schetsen we
de gehanteerde onderzoeksprocedure, die
met het oog op de privacy van de respondenten in nauw overleg met de belastingautoriteiten is gekozen. En ten slotte presenteren we enkele onderzoeksuitkomsten
waarbij vooral de afwezige relatie tussen
houding en gedrag inzake belastingweerstand in het oog springt.
Gedrag: zelfrapportering en externe validering

In onze eerste bijdrage hebben we ons
gebogen over de heimelijke volkshuishouding, beter bekend als de onzichtbare, informele of illegale economic al naar gelang
moet worden afgewogen tegen inbreuken een (statistisch-)boekhoudkundige, econoin de persoonlijke levenssfeer. Anders ge- mische dan wel (fiscaal-)juridische invalszegd, onderzoekskosten, zeker waar het de hoek wordt gekozen 2). Staat deze diversiprivacy van de respondenten betreft, heb- teit in benaderingswijze al garant voor de
nodige begripsverwarring, opvallend is
ben een prohibitieve betekenis.
Niettemin blijft het probleem overeind vooral dat we weinig inzicht hebben in de
dat zich een discrepantie tussen houding en gedragslogica van huishoudingen: onder
gedrag voordoet. Exemplarisch voor de welke voorwaarden ontplooit men activimankerende correspondentie tussen beide teiten in de onbetaalde sfeer, werkt men
is het onderzoek dat Lapiere destijds met een uitkering of verzwijgt men in(1934) deed naar discriminatie. Aan een komsten voor de fiscus? Met name die
Chinees echtpaar dat werd begeleid door laatste vraag naar de gedragsdeterminande onderzoeker, werden slechts eenmaal ten van belastingweerstand heeft ons bediensten geweigerd in de 251 restaurants, ziggehouden. Ondanks diverse onderhotels en soortgelijke etablissementen die zoeksfoefjes om de betrouwbaarheid van
men bezocht. Opmerkelijk was evenwel zelfgerapporteerd gedrag op te voeren,
dat een postenquete onder diezelf de eet- en blijft de noodzaak van extern gevalideerd
slaapgelegenheden onthulde dat 90% van gedrag bestaan. Onze conclusie luidde dan
de binnengekomen readies antipathiek ook: onderzoekingen naar de determinanstond tegenover dienstbetoon aan Chinese ten van belastingweerstand zijn bij voorgasten door ,,neen” te antwoorden op de baat gedoemd te mislukken wanneer zij
vraag: ,,Accepteert u Chinezen in uw eta- zich beperken tot zelfgerapporteerd geblissement”? 1). De spectaculaire bevin- drag. Met geen enkele zekerheid kan wording van Lapiere werd uiteraard door vak- den vastgesteld welke determinanten wel
genoten bekritiseerd, omdat bij voorbeeld en welke geen invloed uitoefenen op het
de feitelijke confrontatie met ongewenste daadwerkelijke gedrag. Het is immers uit
gasten gedragsremmingen en -beperkingen de vakliteratuur bekend dat gedragingen
oproept die bij een papieren ontmoeting en houdingen ten dele door verschillende
volstrekt afwezig zijn. Kortom, er is hier determinanten worden bepaald. Met andevolgens de critici sprake van pseudo- re woorden, feitelijk gedrag dient dus een
inconsistentie. Toch moet in alle ernst wor- constituerend onderdeel te zijn van het onden bedacht dat vooral uitkomsten van on- derzoeksmodel. Het is duidelijk dat zulk
derzoek naar gevoelige aspecten van het onderzoek slechts kan plaatsvinden indien
(samen-)leven — discriminatie, erotiek, de fiscale autoriteiten – gegeven de wettebelastingweerstand – buitengewoon be- lijke geheimhoudingsplicht inzake belastrekkelijk zijn. Wat mensen daarover kwijt tinggegevens – alsook de belastingplichtiwillen is een zaak, wat zij werkelijk doen is gen zelf hieraan hun medewerking geven.
een heel andere zaak. Deze discrepantie En het ligt in de rede dat die medewerking
tussen houding en gedrag staat centraal in scharniert op de toestemming van potendit artikel, dat de eerste bevindingen rap- tiele respondenten om hun aangiften bij de
porteert over ons onderzoek naar belas- belastingdienst in te zien. Wellicht dat de
tingweerstand. Dat onderzoek is in zoverre inschakeling van een onafhankelijke tusuniek dat het zowel beschikt over het zelf- senpersoon (bij voorbeeld notaris) een sigerapporteerde gedrag van belastingplich- tuatie schept waarbij een anonieme koppetigen als over het extern gevalideerde ge- ling van inspectiegegevens mogelijk is zondrag, i.e. de gegevens waarover de be- der dat de betrokken partijen – inspectie,
lastingdienst beschikt. Kortom, houding notaris, onderzoekers – op enig moment
en gedrag met betrekking tot fiscale betalingsverplichtingen zijn dank zij een zorgvuldige onderzoeksprocedure in de be- 1) Alan Lewis, The psychology of taxation,
schouwing betrokken. En dat levert op- Londen, 1982, biz. 162/163.
merkelijke resultaten op, die de betrekke- 2) H. J. van de Braak en D.J. Messing, Onze heilijkheid van beschikbare bevindingen melijke volkshuishouding, ESB, 16mei 1984.

de vertrouwelijke informatie aan een naam
kunnen verbinden.
Tot zover onze conclusie in het eerste artikel over de onderzoekbaarheid van belastingweerstand. We zullen nu uiteenzetten
welke procedure we hebben gevolgd om
zowel houding als gedrag bij belastingbetalers in het vizier te krijgen, met inachtneming van de fiscale privacy. Zoals eerder
benadrukt, zijn de meeste gedragswetenschappelijke onderzoekingen naar belastingweerstand gebaseerd op zelfgerapporteerd gedrag van de respondenten. Dat wil
zeggen, de onderzochten worden via uitgekiende vragen ertoe gebracht om antwoorden te geven die de feitelijke situatie zo
goed mogelijk benaderen. Op de keper beschouwd, blijft deze meting van het gedrag
nogal kwestieus en is de kans op onderrapportering, bij voorbeeld waar het gaat om

verzwegen inkomsten of opgeklopte aftrekposten, groot. Daartegenover is onderzoek, gebaseerd op extern gevalideerd gedrag, ook niet geheel en al vlekkeloos.
Aangenomen dat men de beschikking heeft
over de officie’le dossiergegevens van de
belastingplichtigen, moeten de onderzoekers vertrouwen op het oordeel van de belastingdienst, bij voorbeeld voor wat be-

treft de toegepaste correcties op de aangiften. Het blijft, met andere woorden, mogelijk dat de, belastingdienst bepaalde feiten
niet heeft kunnen achterhalen, waardoor
het materiaal vertekend is. Met deze beperking in het achterhoofd prijzen wij ons zeer
gelukkig dat we via een afgewogen onderzoeksprocedure een zeldzame koppeling
hebben kunnen aanbrengen tussen respondentengegevens en inspectiegegevens, die
zowel de discretie van de belastingplichtigen waarborgt als de mogelijkheid biedt
om houding en gedrag aan elkaar te relateren. Beide zaken kunnen uit een oogpunt

van onderzoekbaarheid als een enorm
winstpunt worden beschouwd.Welke onderzoeksprocedure is nu gevolgd? In nauw en plezierig overleg met het
Directoraat-Generaal der Belastingen en
de Inspectie Rotterdam is een selectie verricht van 2 x 342 inkomstenbelastingplichtigen. Bij de eerste groep ging het om
de namen, adressen en telefoonnummers
van belastingplichtigen, waarbij op de
aangiften-IB over de belastingjaren 1981
en 1982 negatieve correcties zijn aange-

bracht betreffende inkomsten uit arbeid met uitzondering van correcties in de
winstrubriek, inkomsten uit eigen woning,
lijfrenten, periodieke uitkeringen en winst
uit aanmerkelijk belang -, die naar de
oordeelkundige mening van de betrokken
ambtenaren wijzen op een verwijtbare verzwijging van inkomen. Bij de tweede groep
ging het eveneens om namen e.d. van belastingplichtigen, waarbij op de aangifteIB over de belastingjaren 1981 en 1982 in
het geheel geen correcties zijn aangebracht
betreffende welke post op het aangiftebiljet dan ook. Naast de genoemde gegevens
beschikten we over een ruwe indicatie van
de gecorrigeerde bedragen – in honderden
guldens – voor de eerste groep en voor de
tweede groep over uiteenlopende, willekeurige getallen om identificatie onmogelijk te maken. Alle gegevens, dus naam e.d.
ESB 23-1-1985

en correctiegegevens, werden door de belastinginspectie gecodeerd en op speciale
notatief ormulieren verstrekt aan de onderzoekers. Die code werd pas in een laat stadium aan de onderzoekers bekend gemaakt. De formulieren werden verzonden
aan een notaris, die aan de onderzoekers
enkel namen e.d. ter beschikking stelde na-

dat de belastingplichtigen te kennen hadden gegeven dat zij mee wilden werken aan

het onderzoek. De geselecteerde belastingplichtigen werden vervolgens door de onderzoekers telefonisch benaderd en op hun
huisadres gei’nterviewd. In een later stadium bracht de notaris een koppeling tot

stand tussen de gecodeerde gegevens van
de onderzoekers en de gecodeerde gegevens van de belastingdienst, waarbij namen e.d. werden verwijderd. De bewerkelijke procedure, waarover dadelijk meer,
garandeert een optimale bescherming van
de privacy van de belastingplichtigen.
Geen der betrokken partijen beschikt immers op enig moment over alle gedecodeerde gegevens: de notaris is onbekend met de
codeersleutel van de gegevens, de onderzoekers beschikken of over naam e.d. of
over correctiegegevens, en de belastingdienst kent de overige interviewgegevens
niet. Gedurende het vraaggesprek werd
aan de belastingplichtigen duidelijk gemaakt hoe hun privacy was gewaarborgd,
dat het (niet) deelnemen aan het onderzoek
geen enkele invloed kon hebben op de be-

handeling van hun gegevens door de belastingdienst, en dat bij niet-deelname alle
reeds verzamelde gegevens werden vernietigd.
Voor de goede orde zullen we de volledige procedure, die zowel anonimiteit garandeert als de mogelijkheid biedt om houding
en gedrag aan elkaar te relateren, stapsgewijs weergegeven:
1. de belastinginspectie Rotterdam selecteert 684 respondenten en vult een notatieformulier in met naam e.d. en gecodeerde correctiegegevens:
2. de notatief ormulieren worden verstuurd naar de notaris;
3. de belastinginspectie zendt de 684 potentiele respondenten een brief, inclu-

sief een antwoordformulier en -enveloppe alsmede een brief van de onderzoekers, die uitnodigen om mee te
doen aan het onderzoek;
4. de respondenten sturen hun antwoordformulier naar de notaris;
5. nadat de notaris van een respondent
een antwoordformulier heeft ontvangen, zendt hij alleen namen e.d. naar

de onderzoekers;
6. de onderzoekers maken afspraken met
de respondenten voor een interview;
7. de interviewer bezoekt de respondent
thuis en vraagt hem/haar toestemming
om via de notaris de beschikking te
krijgen over de correctiegegevens 1981
en 1982;
8. de respondent verleent toestemming
tot inzage in de correctiegegevens door

de aan de antwoordlijst bevestigde toestemmingsverklaring te ondertekenen;
9. de vragenlijst wordt afgewerkt;
10. de antwoordlijst inclusief toestemmingsverklaring wordt in een gesloten

enveloppe aan de notaris gezonden.
Aangezien de notaris niet bekend is
met de door de onderzoekers gestelde
vragen, is de inhoud van de opgestuurde antwoordenlijst voor hem niet be-

grijpelijk;
11. na ontvangst verwijdert de notaris de
toestemmingsverklaring van de antwoordenlijst en hecht de correctiegegevens in code aan deze lijst;
12. de notaris stuurt deze lijst naar de
onderzoekers;
13. als alle lijsten via de notaris aan de onderzoekers zijn toegezonden, deelt de
notaris dit mee aan de belastinginspectie;
14. de belastinginspectie zendt de codesleutel voor de correctiegegevens
aan de onderzoekers, die nu enkel de
beschikking hebben over correctiegegevens plus antwoordlijsten zonder dat
zij daaraan namen e.d. kunnen verbinden.
Deze procedure vormt naar ons oordeel
een optimale bescherming voor de vertrouwensrelatie tussen belastingplichtige en belastingdienst. Immers, op geen enkel moment zijn aan wie dan ook (belastinginspectie, notaris, onderzoekers) gegevens
bekend, die in combinatie een bedreiging
vormen voor de privacy. Bovendien zijn in
ons onderzoek geen achtergrondgegevens
zoals beroep, inkomen, geslacht, woonwijk e.d. opgenomen, die identificatie van
de onderzochten nog mogelijk zouden
kunnen maken. Ofschoon de geschetste
onderzoeksprocedure even ingewikkeld als
waterdicht is, blijft de kans op een aanzien-

lijke ,,non response” aanwezig. Allereerst
is het zo dat de potentiele respondenten
door inspectie annex onderzoekers worden
uitgenodigd om mee te doen aan het onderzoek. Aangezien de belastingdienst nu eenmaal geen neutrale instantie voor hen is, is
de kans op weigering als het ware ingebakken. Voorts ligt een mogelijkheid tot weigering besloten in de telefonische benade-

ring om mee te doen aan het onderzoek:
een ,,neen” aan het apparaat is gemakkelijker dan aan de deur. En ten slotte kan de
belastingplichtige medewerking weigeren
wanneer tijdens de interviewsessie duidelijk wordt gemaakt dat de onderzoekers

een – weliswaar gewaarborgde – koppeling beogen tussen interview- en dossiergegevens. Desondanks bedroeg de respons
zo’n 22%. Het leeuwedeel van de uitval
vond plaats in de telefonisch-schriftelijke
fase. Van hen die thuis werden bezocht
voor een vraaggesprek, weigerde niemand
toestemming. Dat is al bij al een gunstig resultaat, gelet op de gevoeligheid van de

materie alsook op een gemiddelde beantwoording van ca. 30% bij het type enque-

te-onderzoek. Deze verheugende uitkomst
kan ten minste drie dingen betekenen. Ten
eerste zien onze respondenten kennelijk
geen bedreiging in de koppeling tussen
interview- en inspectiegegevens, waarover
zij overigens openhartig werden ge’informeerd. Ten tweede zijn zij klaarblijkelijk
op hun gemak gesteld door de waarborgen
voor anonimiteit. En ten derde hebben die
respondenten die een koppeling van gege91

vens vermoedden, waarschijnlijk in een
vroeg stadium afgehaakt. Opvallend bij
dit alles is dat de meeste respondenten
slechts matige belangstelling toonden voor
details van de onderzoeksprocedure.

door de inspectie daadwerkelijk ,,vuil”

zijn bevonden. Kortom, de correlatie tussen zelfgerapporteerd gedrag (respondent)
en extern gevalideerd gedrag (inspectie) is

Mer nul komma nul. Het spreekt vanzelf
dat aan deze uitkomst geen generaliserende
waarde kan worden gegeven, voor zover de
Houding versus gedrag
contrastgroepen niet op basis van representativiteit zijn geselecteerd. Niettemin
Zoals eerder vermeld, ging het ons om geeft de gedemonstreerde non-relatie tuseen tweetal contrasterende groepen belas- sen houding en gedrag zeer te denken. Betingplichtigen die al dan niet waren gecor- schikbare onderzoeksresultaten, die nagerigeerd voor hun aangiften IB 1981 en
noeg allemaal gebaseerd zijn op zelfrap1982. Voor het gemak – en misschien wat portage, mocten met de grootst mogelijke
oneerbiedig – zullen we die groepen in het reserve worden bezien.
vervolg betitelen als ,,vuil” en ,,schoon”.
Tot zover een eerste uitkomst van ons
In onderstaand schema is allereerst te zien onderzoek naar belastingweerstand. De
hoe uit de oorspronkelijke populatie het vraag is vervolgens welke uitkomsten
uiteindelijke aantal onderzochten te voor- voortvloeien uit het gehanteerde theoretischijn komt.
sche model. Daarvoor grijpen we terug op

342

75

75

342

75

75

,,Viail”
A k

75

75

• r
,,Sch oon”

Aantal bena-

Aantal gere-

Aantal af-

derde respondenten

tourneerde

spraken

Aantal onderzochten

antwoordfor-

100%

mulieren
±22%

±22%

±22%

Daarnaast is zonneklaar dat (niet) voldoen
aan fiscale verplichtingen weliswaar geen
object is van socialisatie (gezin, school),
maar dat de uitgeoefende werkkring wel
degelijk van invloed is op belastingweerstand (men denke aan de alom beken-

de, fraudegevoelige takken van bedrijvigheid). En misschien hebben Geeroms en
Wilmots gelijk, waar zij opperen dat nieteconomische variabelen determinerend
zijn voor al dan niet frauderen, terwijl eco-

nomische variabelen van betekenis zijn
voor de grootte van de fraude als de beslissing tot f rauderen eenmaal is genomen 4).
Bij dit alles moet natuurlijk weer worden
bedacht dat de meeste onderzoeksinformatie is gebaseerd op verbaal gedrag! Met andere woorden, lang niet alle belastingbetalers beschouwen zich verbaal als een banale ,,homo economicus”. Maar nauwgezet
onderzoek naar de feiten zal pas uitsluitsel
kunnen geven over de vraag of zij ook consequent de daad bij hun woord voegen.
Waar deze correspondentie tussen houding en gedrag problemen oplevert, ligt het
voor de hand dat de theoretische modellering van belastingweerstand houvast zoekt
bij een discipline die sinds jaar en dag met
deze kwestie bezig is: de psychologie. Met
name door Fishbein en Ajzen is een model

ontwikkeld dat recht doet aan economische variabelen zoals kosten-baten-structuren, maar ook ruimte biedt voor psychische en sociale drijfveren, die resulteren in
gedrag. In de onderzoekspraktijk blijkt

hun theoretische model zeer bevredigend te
Uit het totale onderzochtenbestand (150
antwoordlijsten) zijn er in eerste aanleg
2 x 42 geanalyseerd op de vraag of respondenten zich zelf als ,,schoon” dan wel
,,vuil” beschouwen, vergeleken met het

oordeel dienaangaande van de belastingdienst. Het resultaat, samengevat in onderstaande kruistabel, is ronduit onthutsend.

ons tweede artikel, waarin de theoretische

modellering van belastingweerstand werd
besproken 3). In grote trekken komt onze

aanpak op het volgende neer. Een populaire verklaringswijze voor het doen van onjuiste aangiften knoopt aan bij economi-

sche motieven. Belastingbetalers laten zich
in die visie leiden door een kosten-batenafweging, waarbij de verzwegen inkom-

Zelfrapportering

Houding

,,schoon” weet niet

Gedrag

,,vuil”

Totaal

,,schoon”

32

3

7

42

,,vuil”

30

4

8

42

62

7

15

84

Externe validering
Totaal

Van de 42 belastingplichtigen die door
de inspectie ,,schoon” worden bevonden,

beschouwt toch een zevental zich als
, ,vuil”. Bravoure van de belastingplichtige
of heeft de fiscus achter het net gevist? En
van de 42 belastingplichtigen die door de
inspectie als ,,vuil” worden bestempeld,
vindt slechts een achttal zich zelf onzuiver
op de graat. Anders gezegd, van de 62 on-

derzochte en geanalyseerde belastingplichtigen die zich zelf zuiver op de graat achten, zijn er zo’n 30 door de inspectie tot
tweemaal toe gecorrigeerd. En van de 15
respondenten die toegeven dat zij gecorrigeerd hadden moeten worden voor wat betreft hun inkomstenopgaven, zijn er 8 die
92

sten als baten gelden en pakkans annex
boeterisico als kosten fungeren. Voor zover belastingheffing en fiscale betalingsverplichtingen geen uitdrukkelijk object
van (vroege) socialisatie vormen in iemands leven, kan men misschien volhouden dat de belastingbetaler zich zal gedra-

gen als ,,homo economicus” en dienovereenkomstig streeft naar „ optimal tax
cheating”. De betrekkelijkheid van deze
conceptie blijkt echter genoegzaam uit de
onderzoekingen die ons ter beschikking
staan. Zo staan nogal wat mensen vanwege
hun positieve instelling tegenover het

bestaande, maatschappelijke bestel afkeurend ten opzichte van belastingontduiking.

werken, voor zover een verklaarde variantie van 60% in de afhankelijke gedragsvariabele geen uitzondering is. In onze versie
van genoemd model wordt belastingweerstand vooral geconcipieerd als een sociaal dilemma, een situatie waarbij de belastingbetaler wordt geconfronteerd met
de individuele voordelen en maatschappelijke nadelen van belastingontduiking. Of
omgekeerd met de individuele nadelen en
maatschappelijke voordelen van belastingnakoming. Welnu, een bevredigende verklaring van belastingweerstand — zo was
onze conclusie in ons tweede artikel moet dan ten minste de volgende elementen bevatten: (i) een meting van centrale of
primaire attituden, die van algemene aard
zijn en een lange socialisatieperiode ver-

gen: zelfwaardering, sociale orientatie
e.d., en (ii) een meting van perifere of secundaire attituden die gebonden zijn aan
concrete gedragsobjecten, in ons geval het
nakomen dan wel ontduiken van betalingsverplichtingen.

3) D.J. Hessing, J.C. Vrooman en H.J. van de
Braak, Fiscale (wan)betaling, ESB, 12 September 1984.
4) H. Geeroms en H. Wilmots, Poging tot multidisciplinaire benadering van de fiscale fraude,
Tijdschrift voor Sociologie, jg. 5,1984, biz. 426;
zie ook hun: Belastingontduiking en belastingontwijking: theoretische aspecten en empirische
verificatie, Economisch en Sociaal Tijdschrift,
jg. 38, 1984, biz. 499-517.

De anomische belaslingbetaler

tieve karakter van de steekproef en de mogelijke selectieve uitval van potentiele
respondenten is generaliseren gevaarlijk.

doorsnee Nederlander slechter en niet beter”; ,,De meesten van ons staan onverschillig tegenover wat mensen uit hun omgeving overkomt”; ,,Onwillekeurig vraag
je je wel eens af of er nog wel dingen zijn,
die de moeite waard zijn”. Uit de correlatiecoefficient van 0,38 blijkt, dat er een tamelijk sterk verband bestaat tussen een ho-

Bovendien zijn onze uitkomsten gebaseerd

ge mate van anomie en een correctie op de

op een deel (2 x 42) van het antwoordenbestand (2 x 75). Alhoewel onze bevindingen dus een voorlopige strekking hebben,
zijn zij ,,heet van de naald” en indicatief
voor de definitieve conclusies. Laten we
eerst bekijken welke variabelen enige samenhang vertonen met het belastinggedrag
zoals dat uit de opgave van de inspectie
blijkt. In onderstaande tabel zijn de correlatiecoefficienten vermeld van kenmerken
die met de dichotome gedragsvariabele (0
= niet gecorrigeerd en 1 = gecorrigeerd)
een verband tonen dat significant is bij
p<0,05. De factor ,,anomie” spring! onmiddellijk in het oog. Anomie verwijst
naar de mate waarin mensen algemeengangbare normen in de samenleving niet
onderschrijven. Men zou hier kunnen spreken van de ontworteling van het individu in

belastingaangifte door de inspectie. In de
zogenoemde vuile groep bevinden zich derhalve veel mensen die niet met gangbare
normen instemmen: het type anomische

Alvorens enige uitkomsten te bespreken
eerst nog een waarschuwend geluid voor de
interpretatie. Vanwege het niet-representa-

van primaire attituden, belooft in ons onderzoek zinvol te zijn. Anderzijds lijkt ook
de afwezigheid van correlaties tussen het
belastinggedrag volgens de opgave van de
inspectie en een aantal andere kenmerken
opmerkelijk. We wijzen hierbij op de lage
samenhang met de normen van belangrijke
anderen, de sociale orientatie en de afschrikking. Sommige van deze kenmerken
demonstreren echter wel enig verband met

de opgave, die de respondenten zelf van
hun fiscaal gedrag geven.

belastingbetaler. En in de zogenoemde
schone groep zijn relatief veel personen die
geen blijk geven van ontworteling.
Een volgende primaire attitude die enig
verband vertoont met het belastinggedrag
volgens opgave van de inspectie is de factor
,,zelfwaardering”. Het gaat hier om de al-

dan lijkt er een duidelijke structuur aanwezig in de variabelen, die samenhangt met
de mate waarin men aangeeft zich schuldig

gemene evaluatie die iernand van zich zelf

te maken aan belastingontduiking. Im-

geeft, wat niet direct te maken heeft met

mers, gemeenschappelijk aan de variabelen is het normatieve karakter ervan: de
mate waarin het gedrag wordt af- of goed-

het gedragsobject belasting betalen maar
een dieperliggend persoonlijkheidskenmerk behelst. Ook deze zelfwaardering is

in ons onderzoek gemeten met behulp van

Afsluiting
Overzien we verder onze uitkomsten,

gekeurd en de mate waarin aangegeven

primaire attitude, die niet zozeer te maken
heeft met het gedragsobject ,,belasting betalen”, maar eerder met een diepliggend
persoonlijkheidskenmerk.
We hebben de mate van anomie gemeten
met behulp van een veel gebruikte en goed
gevalideerde schaal. Deze schaal bestaat
uit de sommering van een reeks ,,items”,
waarbij men kan aangeven in hoeverre
men het eens is met uitspraken als: ,,Tegenwoordig moet je meer van de ene dag in
de andere leven en je niet bekommeren om
de toekomst”; ,,Ondanks wat sommige
mensen zeggen, wordt de situatie van de

Tabel. Correlates met het belastinggedrag
volgens opgave van de inspectie en de respondenten (r’s, significant bij p-< 0,05)
Belasting- Belastinggedrag
gedrag
volgens
volgens
opgave
opgave
inspectie respondent
a)
b)
Anomie c)
Zelfwaardering c)
Houding t.o.v. belasting betalen d)
Betastingdruk hogere inkomens c)
Belastingdruk lagere inkomens c)
Relatieve ongelijkheid in
belasting betalen e)
Komt ontduiking in omgeving
voor? f)
Immoraliteit van ontduiking g)
Afschrikking (pakkans x
strafgrootte) c)
Houding t.o.v. verzwijgen
inkomsten d)
a)
b)
c)
d)
e)
0
g)
h)

0,38
0,18
-0,22

0,23
-0,22
0,19

ns
ns
ns
ns

geen correctie/wel correctie
geen correctie/weet niet/wel correctie
laag/hoog
negatief/positief
weinig/veel
neen/ja
immoreel/niet immoreel
niet significant bij p < 0,05

ESB 23-1-1985

niet significant
(ns) h)
ns
ns

ns
ns

-0,22
0,25
0,34
-0,27
0,25

wordt dat de omgeving zich (niet) schuldig
maakt aan fraude. Wanneer mensen menen dat meerderen in hun omgeving de belasting bedriegen, geeft men eerder toe zelf
ook de fiscus een loer te draaien. En vindt
men belastingontduiking schandelijk, dan
geeft men eerder aan zelf een schone lei te

genomen ben ik geneigd mijzelf als een

bezitten. Ook wanneer wordt gevraagd

mislukkeling te beschouwen”; ,,Ik vind
dat ik nergens voor deug”. Hoewel de correlatie van zelfwaardering met het door de
inspectie gerapporteerde gedrag (0,18) ontegenzeggelijk zwakker is dan we eerder bij
anomie konden vaststellen, is het verband
toch significant. Het blijkt dat er enige po-

en correctie van de aangif te door de inspectie. De vuile groep heeft een relatief hoge
zelfwaardering, de schone een betrekkelijk

naar de pakkans en de strafgrootte, blijkt
dat men zuiverder op de graat is naarmate
men die hoger inschat. Ten slotte wordt het
verzwijgen van inkomsten minder gewaardeerd naarmate men meent zich zelf daaraan minder schuldig te maken. Natuurlijk
hebben we te maken met eerste analyses
van een beperkte groep onderzochten,
maar de resultaten duiden er in ieder geval
op dat de respondenten zich vooral bezighouden met de creatie of instandhouding

laag gevoel van eigenwaarde. Voorts is een

zijn sociale omgeving. Anomie betreft een

een vaak gebruikte en goed gevalideerde
schaal, waarbij respondenten kunnen aangeven in hoeverre zij het eens zijn met uitspraken van het type: ,,Ik vind mijzelf een
waardevolle persoon, op zijn minst even
waardevol als anderen”; ,,Over het geheel

van een fictieve of beter gezegd sociaal-

sitieve samenhang is tussen zelfwaardering

aantal secundaire attituden van belang.
Deze hebben wel te maken met het gedragsobject belasting betalen en vormen geen
centraal kenmerk van de persoonlijkheid.
Ons blijkt uit het materiaal dat mensen met
een negatieve houding ten aanzien van het

betalen van belasting (,,slecht, oneerlijk,
onbegrijpelijk e.d.”) vaker gecorrigeerd
worden (- 0,22). Verder blijkt dat mensen
die de belastingdruk op de hogere inkomens te laag en de druk op de lagere inkomens te hoog vinden, relatief vaker gecorrigeerd worden (resp. 0,22 en – 0,23). En
mensen die vinden dat zij vergeleken met
anderen te veel belasting betalen, worden
relatief vaker gecorrigeerd (-0,22). Wan-

neer we deze voorlopige resultaten bij onze
meest betrouwbare afhankelijke variabele,
namelijk het belastinggedrag zoals geverifieerd door de inspectie, overzien dan
blijkt dat zij voor een belangrijk deel stroken met onze verwachtingen. Het gedrag
van belastingplichtigen hangt samen met

een aantal primaire attituden (anomie,
zelfwaardering) alsook met een aantal secundaire attituden, die aspecten van het

belasting betalen bestrijken zoals geperci-

wenselijke werkelijkheid. Niet alleen de
onderzoeker, maar ook zich zelf omringen
zij met een aureool van wetsgetrouwe burgerzin.
De voorzichtige conclusie die we uit onze
analyse van het materiaal kunnen trekken
bevestigt ons eerdere commentaar op het
onderzoek van Greenland en Van Veldho-

ven 5). Onderzoek naar belastingweerstand, enkel gebaseerd op zelfrapportering, dreigt tautologisch te zijn, waarbij

houdingen slechts goede voorspellers zijn
van intenties maar niet van feitelijke gedragingen. De door ons getoonde nonrelatie tussen houding en gedrag ter zake
belastingweerstand betekent wellicht dat
zulk onderzoek een zeer betrekkelijke, zo
niet zinloze exercitie is. Gangbare verklaringsmodellen met kosten-baten-overwegingen, afschrikking door pakkans en boeterisico e.d. verklaren waarschijnlijk alleen houdingen maar geen gedragingen!
Een ontnuchterende conclusie, maar het is

niet anders.
Maar er is meer aan de hand. Belastingweerstand, zoals door ons onderzocht, is

pieerde druk, ervaren ongelijkheid e.d. De

meest essentiele aanpassing van het Fishbein-Ajzen-model, te weten de introductie

5) D.J. Messing e.a., op.cit., biz. 853.

93

kennelijk een moeilijk te bei’nvloeden variabele, gelet op de stevige samenhang tussen
het doen van onjuiste belastingaangiften

en diepliggende persoonlijkheidskenmerken als vooral anomie. Anders gezegd,
waar belastingweerstand slechts losjes sa-

menhangt met oppervlakkige kenmerken,
zoals houding tegenover aspecten van het
belasting betalen, moet het nuttige effect
van sancties bij fraudebestrijding sterk
worden betwijfeld. Geregeld terugkerende
voorstellen 6) om overtreders van fiscale
wetten via vergroting van de pakkans en
aanscherping van de boete in het gareel te
brengen, zijn weinig rendabel voor zover

de gedragslogica van de belastingbetaler
anders is dan men doorgaans meent. Ten
eerste blijkt immers uit ons onderzoek dat

houding en gedrag van de belastingbetaler
niet met elkaar corresponderen. Ten twee-

de komt naar voren dat het – door de fiscus geverifieerde – gedrag van de belastingbetaler nauw samenhangt met gevoelens van anomie en eigenwaarde. Men kan
moeilijk volhouden dat deze variabelen
bei’nvloedbaar zijn door de belastingdienst. Kortom, werkelijk effectieve fraudebestrijding ligt waarschijnlijk buiten het
bereik van de fiscus. Misschien gaat het te
ver om hier te spreken van een nieuwe, fiscale illusie, maar duidelijk is toch wel dat
belastingweerstand niet zo maar kan wor-

den voorgesteld als een manipuleerbare
grootheid, die gevoelig reageert op sanctionering en verifiering. De keten van oorzakelijkheid is hier immers langer en ingewikkelder dan hervormingsvoorstellen
voor de fiscale heffings- en inningspraktijk
suggereren. Dat betekent, in alle voorlopigheid, natuurlijk niet dat de belastingdienst het hoofd in de schoot moet leggen
in afwachting van de definitieve ontrafe-

ling van de fiscale gedragslogica. Het betekent wel dat belastingweerstand een constant gegeven is en daarom een andere
vraagstelling behoeft. De vraag is niet hoe
we kunnen bereiken dat burgers zich maximaal schikken naar de wetgever, doch eerder onder welke concrete omstandigheden
(vigerende wetgeving, gevoelens van normloosheid, sociale druk vanuit de werkom-

geving e.d.) zij bereid zijn dat te doen. Afijn, we zullen maar niet eindigen met de gemeenplaats dat meer onderzoek noodzakelijk is.

H. Elffers
J.C. Vrooman
D.J. Hessing
H.J. van de Break

6) Zie bij voorbeeld: Fraudebestrijding in de directe belastingen en de omzetbelasting, “s-Gravenhage, 1982 (Kamerstuk nr. 17 522), biz. 30
e.v.

94

Auteurs