Ga direct naar de content

Armoede fatum of fase?

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: januari 23 1985

Armoede:
fatum of fase?
Armoede is een relatief begrip. Armoede in
Ethiopie is een andere realiteit dan die in Brazilie en daar is het weer anders dan in Nederland. Armoede vandaag, in ons land bij voorbeeld, heeft ook een andere inhoud dan die
van vijftig jaar geleden. Je wordt je dat bewust als je literatuur uit de jaren dertig herleest: F. Bordewijk, Jan de Hartog, Albert
Kuyle, Jef Last, Jan Mens, H.M. van Randwijk, S. Vestdijk 1). Zelfs op veel korter termijn dan een halve eeuw moet je het begrip armoede al herijken. Kolnaar heeft uitgerekend
dat de koopkracht van het minimum inkomen
in 1974 22 jaar eerder – in 1952 dus – alleen
door de 12% hoogstbetaalden werd verdiend
2). Ook in het rijkste land van de wereld – de
Verenigde Staten – spreekt men van armoede. Blijkens jaarlijkse publikaties van het
Census Bureau heeft ongeveer 12% van de
Amerikaanse bevolking een inkomen dat beneden de armoedegrens ligt.
Een studieboek over statistiek van 40 jaar
geleden had van de schrijver – dr. A. Bakker
– het motto meegekregen ,,Er zijn kleine leugens. Er zijn grote leugens. Er zijn statistieken”. Nu is er in die veertig jaar veel gebeurd.
Er is nu veel meer cijfermateriaal dan vroeger. Is het ook beter, betrouwbaarder? Juist
als het om cijfermatige indicaties over de welvaart gaat, groeit de twijfel. Recente kranteverslagen over de echte minima waren bijna
onthutsend 3). Maar zelfs als de cijfers wel
,,juist” zijn, blijven er nog problemen. Welvaart – in materiele-inkomenstermen – is
natuurlijk niet hetzelfde als welzijn, gezien als
psychische bevrediging of gelukstoestand.
Voorts: een welvaartsindicatie – in getallen
– veronachtzaamt het witte gedeelte van de
informele economie: doe-het-zelf-werk, burenhulp 4). het is niet onaannemelijk dat de
betekenis hiervan toeneemt. Gelijkblijvende
armoedecijfers verhullen dan een reele
verbetering.
Er is nog een moeilijkheid met cijfers over
armoede. Mag men uit gelijkblijvende cijfers
concluderen dat de armoede niet wijkt, dat zij
een soort noodlot is? Vrijwel alle cijfers over
de armoede, ook in de Verenigde Staten, geven aan welk percentage van de bevolking in
een bepaald jaar een inkomen had beneden de
aangenomen armoedegrens. Daarin is nu een
verandering gekomen en daar ligt de aanleiding tot deze korte beschouwing. Dit jaar
kwamen beschikbaar de uitkomsten van een
Amerikaanse studie waarin de lotgevallen van
5.000 voor de gehele bevolking representatieve gezinnen over een periode van tien jaar
(1969 tot en met 1978) zijn verwerkt. Dit unieke en kostbare onderzoek – verder aangeduid met Panel Study – werd verricht door
de Universiteit van Michigan en werd gefinancierd onder andere met middelen van de
Ford Foundation. Greg J. Duncan vatte de
voornaamste uitkomsten samen 5); het complete onderzoekverslag bestaat uit 10 jaardelen. De uitkomsten zijn verrassend. Ik kies er
enkele en rubriceer ze in drie categorieen.
1. Dynamiek. Er is een verbazingwekkend
grote wisseling in de lage-inkomensgroep van
de bevolking. Slechts iets meer dan de helft
van degenen die in een bepaald jaar tot de
lage-inkomensgroep behoren, leeft ook het
jaar daarop nog in armoede. Slechts 2,5%
van de bevolking was voor een lange periode
afhankelijk van ondersteuning. Bijna een
kwart van de Amerikaanse bevolking ontving
in de tien jaren van het onderzoek ten minste
ESB 23-1-1985

een keer ondersteuning. In het laatste jaar van
de Panel Study had bijna de helft van het aantal gezinnen een ander gezinshoofd dan in het
eerste jaar. Inkomensveranderingen hangen
uiteraard nauw samen met het al of niet werk
hebben; echter ook bij degenen die steeds
werk hebben treden in de loop der jaren grote
inkomensveranderingen op. Het gemiddelde
aantal werkuren in tien jaren voor de gehele
bevolking (manner! en vrouwen) was 1.476;
echter, 44% werkte een of meer jaren minder
dan 250 uur, terwijl 46% meer dan 2.250 uur
werkte. In een opzicht was er sprake van dynamiek: ondanks verschillen in economische
omstandigheden en in sociale politick, traden
in de tienjaarsperiode van het onderzoek geen
merkbare veranderingen op in de structuur
van korte- en lange-termijnarmoede. Onderstaande figuur illustreert de langetermijnarmoede.
Figuur. Blijvende
1969-1978

armoede in de

VS,

Arm in 1 tot 7 van

de 10 jaar (21,8*)

Langdurig arm:
arm in 8 of meer jaren
(van de 10) (2,6*>

2. Oorzaak en accenten. De belangrijkste
verklarende factor voor veranderingen in de
gezinswelvaart is een verandering in de gezinsstructuur door echtscheiding, dood, huwelijk, geboorte of een kind dat het huis verlaat. Let men op de economische positie van
het individu, dan blijkt dat die van de man
veel minder wordt bei’nvloed door veranderingen in de gezinsstructuur dan die van de
vrouw. Het rapport spreekt over de ,,verwoestende” economische gevolgen van echtscheiding voor vrouwen. De positie van de
kinderen uit gezinnen waarvan de ouders uit
elkaar gingen is al even miserabel. De blijvend
armen zijn sterk vertegenwoordigd in twee categorieen: negergezinnen en gezinnen met een
vrouw aan het hoofd. De negers vormen 12%

van de bevolking, maar ,,leveren” 62% van
de blijvend armen; 19% van alle huishoudingen heeft een vrouw aan het hoofd, maar 61 %
van de blijvend armen woonde in zo’n gezin.
Het een met het ander gecombineerd betekent
natuurlijk een zware concentratie van de
lange-termijnarmoede bij de negergezinnen
met een vrouw aan het hoofd. Een ander accent is dat de armen vooral leven in plattelandsgebieden. Opvallend is dat een derde
van de blijvend armen tot de ouderen moet
worden gerekend. Voorts: het vertrek van
kinderen uit huis verbetert de positie van gezinnen met een man en verslechtert die van gezinnen met een vrouw aan het hoofd. De onderzoekers hebben de gelegenheid benut ook
de houdbaarheid van bepaalde armoedetheoriee’n te testen. Er moet wel een en ander naar
de rommelzolder. Zo leverde het onderzoek
geen enkele aanwijzing op voor een invloed
van houding, levensinstelling (resultaatgerichtheid, onafhankelijkheid, toekomstorientatie) op succes in economische termen
gemeten.
3. Collectieve sociale voorzieningen. De
sociale politiek van de overheid gaat uit van
bepaalde veronderstellingen. De Panel Study
bood gelegenheid enkele van die veronderstellingen te toetsen. Eerst enkele feiten: de sociale uitkeringen hebben in de Verenigde Staten
slechts een aanvullend karakter. Ze beogen
geenszins een totale inkomensgarantie te verschaffen. Datgene wat binnen de gezinnen
zelf wordt gepresteerd is vele malen belangrijker dan de hulp van overheid of externe particuliere instanties. De onderzoekers zijn van
mening dat, omdat de economische positie
van zovelen blijkt te worden bemvloed door
persoonlijke tegenslagen en lokale omstandigheden, voor deze steunbehoevenden het
sociale beleid het best kan worden gezien als
een verzekering. Het aanvullende karakter
van de steun en de grote wisseling in de ontvangers ervan maken de conclusie begrijpelijk dat de overheidspolitiek niet bestendigend werkt op de lange-termijnarmoede. Er
worden ook minder positieve conclusies getrokken door de onderzoekers. De langjarigesteunontvangers zijn vooral vrouwen en
zwarten. Voorts: de uitkeringen zijn te laag
om de korte-termijnarmen boven de armoedegrens te brengen. Voor de bewering dat de
sociale uitkeringen echtscheidingen en onwettige geboorten bevorderen, levert het onderzoek geen ondersteuning.
De Panel Study rekent af met verschillende
populaire wijsheden en biedt rijkelijk stof
voor nieuwe theorievorming. De periode van
onderzoek was een ,,normale”. Mede daarom achten de onderzoekers vele van hun bevindingen ook relevant voor de toekomst. Al
vergeten we de relatieve betekenis van welvaartscijfers niet, armoede is een afschuwelijke werkelijkheid. Ook in Amerika. De woorden van Mattheus (26:11): ,,Gij zult de armen
altijd bij u hebben”, behouden ook daar hun
geldigheid. Er ligt enige troost in de uitkomsten van dit onderzoek, die lijken te zeggen dat, althans in de VS, armoede meer een
fase is dan een fatum.
Th.M. Scholten
1) Harry Scholten, Voor wie de Lutinebel luidt,
Ambo, 1982.
2) A.H.J. Kolnaar, Inkomensherverdeling, ESB,
24julil974.

3) Ben van der Velden, ,,We eten er geen hap minder om”: vergeefs op zoek naar de echte minima,
NRC Handelsblad, 17 november 1984.
4) L. van der Geest, De informele economie, ESB,
28 november 1984.
5) Greg J. Duncan, Years of poverty, years ojplenty, University of Michigan, 1984.

75

Auteurs