Ga direct naar de content

Jrg. 62, editie 3102

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 4 1977

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

s=!sbECONOM*I’SCH

STICHTING HET NEDERLANDS

INSTITUUT

-. 4 MEI 1977

62e JAARGANG

No. 3102

Onzekere hoop

,,De toekomst blijft ook nationaal onzeker, maar is –

bij goed beleid – niet geheel zonder hoop”. Aldus besluit

Dr. J. Zijlstra zijn algemeen overzicht in het jaarverslag

over 1976 van De Nederlandsche Bank. Vorig jaar besloot

Dr. Zijlstra zijn overzicht met een pleidooi voor een
hernieuvde bezinning op het monetaire beleid om de
inflatie te voorkomen. Heeft die bezinning plaatsgehad?

Het lijkt erop. Aan de voorwaarden van DNB: het

terugdringen of op zijn minst het constant houden van
de liquiditeitsquote is overigens niet voldaan. Deze

quote (het geheel van primaire en secundaire liquiditeiten
als percentage van het nationale inkomen) steeg niet minder

dan 23% van 37½% tot 41%. Je zou haast zeggen dat de
liquiditeitsquote een grootheid is, die zich moeilijk laat
beïnvloeden, en die zelf zijn pad kiest. in dat geval is het
onzeker of DNB erin zal slagen hem tot 1980 jaarlijks

met minstens 1 punt te doen dalen, zoals het voornemen is.

Toch is Dr. Zijlstra – ik herhaal,— niet geheel zonder

hoop. Die hoop is gegrondvest op de economische ont-

wikkelingen ged.urende het afgelopen jaar en op ramingen.
van het Centraal Planbureau voor 1977. De inflatie daalt,

het financieringstekort van de overheid bleef achter bij
de verwachtingen, en het overschot op de lopende rekening
van de betalingsbalans handhaaft zich met als gevolg

een sterke gulden; allemaal zaken waarvan bankmensen

houden. Natuurlijk zijn er ook negatieve punten aan te
wijzen. Zoals gezegd de liquiditeitsquote en dus de geld-

hoeveelheid stegen fors. De oorzaak daarvan ligt in de
particuliere sector. Dr. Zijlstra kondigde daarom een krediet-
restrictie aan. Daarnaast zijn volgens hem de vooruit-
zichten voor de wereldeconomie nevelig geworden van-wege de aarzeling in de economische groei in de tweede
helft van 1976. Indien die aarzeling een definitieve onder-

breking van de tijdelijke lijn is, zal Nederland worden
meegesleurd in een nieuwe wereldrecessie. Herstel van

de werkgelegenheid kunnen we dan wel vergeten. De uit-

latingen van de directeur van het Centraal Planbureau,

twee weken geleden, zijn wat dat betreft niet hoopvol.
Het stemt tevreden dat Dr. Zijlstra zich niet overgeeft

aan lange-termijnbespiegelingen. Zijn gegeven is het heden.
Dat heden geeft bij goed beleid kans op hoop. Daarmee

zijn we bij de tweede onzekerheid aangekomen: wat is goed

beleid? Dr. Zijlstra noemt vier geboden waaraan in ieder

geval moet worden voldaan: 1. verdere terugdringing van

de inflatie; 2. doorzetting van de rendementsverbetering;
3. daling van het financieringstekort van de overheid tot

4 â
5%
van het nationale. inkomen; 4. terugkeer naar een

mate van geldschepping, afgestemd op de trendmatig be-
rekende stijging van het reele nationale inkomen. Of
dat gewenste beleid er zal komen, is overigens onzeker.

Met Zijlstra’s laatste gebod zijn we terug bij de mone-
taire bezinning waarvoor vorig jaar werd gepleit. Die
bezinning was een reactie op het opkomende monetarisme,

thans door Dr. Zijlstra monetaristisch reveil genoemd. Vorig

jaar zette hij uiteen dat in principe de geldhoeveelheid
zich zou moeten bewegen overeenkomstig de stijging van

het rede nationale inkomen, maar dat er redenen kunnen
zijn, daarvan af te wijken, zoals een inzinking van de

conjunctuur en een overschot op de betalingsbalans.

Dit jaar nadert Dr. Zijlstra meer de monetaristische visie.
Zo maakt hij duidelijk, dat, theoretisch gezien, ,,het een

misvatting zou zijn te menen dat een monetaire doelstelling,

geformuleerd in termen van een liquiditeitsquote, iets

geheel anders is dan zulk een beleid, gepresenteerd in de

vorm van een gewenste groeivoet van de geidhoeveel-

heid”. Immers, bij een veronderstelde groeivoet. van het
nationale inkomen naar hoeveelheid en prijzen, wordt de
noemer van de liquiditeitsquote vastgepind, waardoor de ge-
wenste liquiditeitsquote een gewenste liquiditeitenmassa
wordt. Zien we er even vanaf dat monetaristen liever niet

met de liquiditeitenmassa werken, dan is duidelijk dat
ook Zijlstra voor een vaste geldgroei-regel is. De opmerkin-

gen hierover zijn niet eerder in een jaarverslag van DNB

gedaan.
Nu kan men zeggen, dat dit allemaal theorie is. Het lijkt
echter veel op wat in Duitsland in praktijk wordt gebracht.
Dr. Zijlstra. verkondigt nog een Duitse opvatting, die
monetaristisch aandoet. Op blz. 14 schrijft hij: ,,Het ware

onjuist te menen dat door een expansieve interne politiek van

de zijde der overschotlanden de tekortlanden uit hun
deficits zouden kûnnen worden getild…..Het is veeleer

zo dat de eerste aanzet van bedoelde tekortlanden moet
komen”. Dr. Zijlstra pleit in dat verband voor het nastreven
van een sterke valuta. Landen met een sterke munt ver-

sterken thans hun exportpositie en houden de inflatie
in toom. Waarmee tevens gezegd is dat Nederland niet de

bestedingen moet stimuleren om het buitenland te helpen

(in Zijlstra’s woorden: ,,De zieken worden niet gezonder
door de gezonden ziek te laten worden”). Deze opvatting

wijkt af van die van de OECD en het IMF.

De afgelopen tien jaar publiceerde Dr. Zijlstra vnl.
pessimistische beschouwingen. Zijn tiende analyse, toont
aan dat hij ook redelijk optimistisch kan zijn, zonder aan

diepgang te verliezen. L.
Hoffman

401

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Inhoud

Èsb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. Hoffman: Redactie

Onzekere

hoop

………………………………………..401
Commissie van redactie: H. C. Bos.

Column R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
Strategische ondernemingsplanning,
door
Pro!’.
Dr. F. Rogiers

403
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.

Drs.
R. F. M. Lubbers:
Adjunct-redacteur-secretaris:

Kernenergie

………………………………………….404
L. van der Geest.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Drs. J. K. T Postma:
Rotterdam-3016: kopij voor de redactie:

Het

Franse Zevende

Plan

…………………………………408
postbus 4224.
TeL (010)1455 II, toestel370/.

Drs. J. T W. Al/eb/as:
Bij adreswijziging s. v.p. steeds adresbandje

Maatstaven ter beoordeling van de spreiding bij inkomensverdelingen
meesturen.

met negatieve inkomens

…………………………………414
kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Dr. F. W. C. Blom:
A
bonnementsprijs:
f
130,—. per kalenderjaar
Kapitaalnood

in de industrie

……………………………..417
(mci. 4% BTW): studentenf 88,40
(mcl.
4% BTW), franco per post voor

Drs. H. M. Becker:
Nederland, België. Luxemburg, overzeese

Beroemde economisten (10). Gustav Schmoller (1838-1917) ………419
rijksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
Ingezonden
beëindigd per ullimo van een kalenderjaar.

Nederland

en

de

Vezelakkoorden van

Genève,
door

Dr.

W.

T

Kroese

42
1
………………………………………………
Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
accepikaart) op girorekening no. 122945,
Au Courant
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Terug naar de overlegeconomie,
door A. F. van Zweeden
……….
423
Bank,Mees
&
Hope NV, Coolsingel 93,
Rotterdam, t.n. v. Economisch Statistische

Boekennieuws
Berichten te Rotterdam.

Prof. Dr. A. A. Verrijn Stuart: Kwantitatieve aspecten van informatie-
Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,-
systemen,
door Drs.

R. J.

Casimir

…………………………
424
(mcl. 4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers

Mededeling

…………………………………………….424
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t.n.v. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam met vermelding van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:

Houd er met uw tjdsplanning vast rekening mee dat
ESB
Roelants/ EPR
Postbus 7021

volgende week interessante informatie geeft over de econo-
Den Haag

mische programma’s van pôlitieke partijen.
Telefoon (070) 68 17 75
/
23 41 03
Te/ex 33101

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.
Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotter dam-3016; tel.
(010)
1455
1
1
.
PLAATS’

………………………………………………….

Onderzoekafdelingen:

,l
rbeidsmarktonderzoe/c
Ingangsdatum………………………………………………
‘.
Balanced International Growth

NAAM’

……………………………………………………..

Bedrijft-Economisch Onderzoek

STRAAT

……………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden aan*:

ESB,
Economisch- Technisch Onderzoek
Antwoordnummer 2524

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)’

………..
………………

ROTTERDAM

Handtekening:
Vestigingspatronen

‘Macro-Economisch Onderzoek
Projecistudies Ontwikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch- Mat hematisch Onderzoek

*Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

.
Transport-Economisch Onderzoek

402

Prof Rogier

Strategische

ondernemings-

planning

De ondernemingen en de ondernemers
hebben het de laatste jaren, in het bijzon-

der sinds het einde van de ,,golden

sixties”, bepaald niet gemakkelijk. Zowel

interne processen, als externe om-

standigheden brengen de onderneming

in toenemende mate in moeilijkheden, en

in de crisis die we meemaken, schijnen de

ondernemers over onvoldoende moge-

lijkheden te beschikken om het hoofd

te bieden aan nieuwe verwachtingen.

Daarom, hoewel Prof. Dr. E. Vanlom-

meI tijdens zijn openingstoespraak zei
dat het congresthema beschamend laat

komt, mag wel worden aangenomen

dat het past in de tijdsomstandigheden.

De Antwerpse organisatoren van dit

XIIIe Vlaams Wetenschappelijk Econo-

misch Congres (Antwerpen 22-23 april

1977) kozen als centraal thema ,,Strate-

gische ondernemingsplanning in een

evoluerende omgeving”, hetgeen toeliet
over te gaan tot een analyse van de om-
gevingsfactoren die op de onderneming

inwerken en daar conclusies uit te halen
voor het reactievermogen van de onder-

neming. Blijkbaar is de enige gunstige

weg die openligt voor de ondernemer

de bedrijfseconomische strategische

planning, die een effectieve brug slaat

tussen de gegevens binnen de onder-

neming enerzijds en de (zich wijzigende)

omgeving anderzijds. Hierbij moet de

strategie de richting aangeven van de

(voortdurende) aanpassing, terwijl de

planning structuur en inhoud van de

strategie dient te omvatten.

Bij de omlijnïng van de strategische
planning kunnen enkele noodzakelijke

fasen worden onderscheiden:

• het speuren naar de sterke en zwakke

zijden van de onderneming;
• de analyse van de omgeving, ten einde

bedreigingen en mogelijkheden te

onderkennen, waarbij een verkenning

van de sociaal-economische ordening,

een algemene en specifieke markt-

studie, een technologische prognose

behulpzaam moeten zijn;

• het vastleggen van de doeleinden op

lange, middellange .en korte termijn

(zowel kwantitatieve als kwalitatieve,

zowel bedrijfseconomische als niet-

economische), die het resultaat zijn

van een al dan niet expliciet onder

handelingsproces tussen eigenaars-

aandeelhouders, bedrijfsleiders, vak-

bonden, consumentenverenigingen en
andere belangengroepen;

• de opstelling van programma’s, pro-
jecten en budgetten om de gekozen

doeleinden te verwezenlijken en de

keuze van dein te zetten instrumenten,

rekening houdend met de aanwezige

en verwachte krachten en de interne

en externe besprekingen. Uit de con-

frontatie met de voorgaande fasen

kan dan als conclusie resulteren:

– groeistrategie door investeringen,

marktpenetratie,

marktontwik-

ling, reconversie, diversificatie of

specialisatie;

– stabiliteitsstrategie;

– desinvesteringsstrategie;

• overgaan tot de actie, permanent con-

trole-onderzoek en herneming van de

procedure.

Het is niet volledig juist te beweren dat

de congreswerkzaamheden uitsluitend

de tweede fase onder de loep hebben ge-

nomen, omdat ook in verschillende refe-

raten (er waren 14 commissies) flarden

aanwezig zijn van de andere fasen, waar-

door het referatenboek (dat door de

N.V. Kluwer in de handel zal worden

gebracht) als een up-to-date handboek

voor (bedrijfs)economen mag worden

beschouwd. De grote verdienste is wel

dat een grondige analyse van de om-

geving plaatsvond:

• maatschappelijke omgevingsfactoren,

waarin de opvattingen t.a.v. de doel-

stellingen en de statuten van de

onderneming, de sociale rapportering,

de betekenis van belangengroepen en

overheidsinterventie, de aanpassing

van de organisatie aan bod komen;

• economische omgevingsfactoren,

waarbij speciale aandacht gaat naar

de nieuwe schaarsten (grondstoffen,

energie, ruimte) en vermoedelijke

structuurveranderingen van de be-

hoefte- en consumptiepatronen, en

eveneens het concentratiefenomeen

en de ondernemingen ,,in nood” be-

licht worden;

• de internationalisering van het be-

drijfsleven;

• de technologische omgevingsfactoren.

Vele ondernemers, die het congres bij-

woonden waren geschokt door de ana-

lyse, omdat in zo korte tijd zo veel

wijzigingen voor en zo veel taken aan

de ondernemingen worden opgelegd, dat
de ondernemers zulks onmogelijk zullen

kunnen realiseren. Nochtans heeft Prof.

Dr. Ph. de Woot, die de feestrede uit-

sprak, heel duidelijk laten horen dat de
wijzigingen, die het gevolg zijn van de

huidige crisis, zo grondig zullen in-

werken op de ondernemingen, dat de

bedrijfsleiders hun economische, sociale

en politieke geloofwaardigheid zullen

moeten bewijzen door een snel en

continu aanpassingsvermogen. Men ver-

wacht van hen de kwaliteit van echte

staatslieden, omdat de radicalisering in

de verhoudingen, zowel economisch als

sociaal hen ertoe zal dwingen. In de

eerste plaats moeten zij een toekomst-

visie hebben, waardoor een nieuwe

sociale consensus mogelijk moet worden
gemaakt.
ESB 4-5-1977

..

403

Kemenergie

DRS. R. F. M. LUBBERS

De afgelopen jaren staat de kernenergie volop in discussie. Drs. Lubbers, minister van Economische Zaken,

behandelt in dit artikel een aantal aspecten: veiligheid, toekomstige behoeften, militaire en internationale aspecten.

Zijns inziens zal in de toekomst in Nederland kernenergie moeten worden toegepast, al hoeven wij er gezien de

sterke aardgaspositie geen haast mee te maken. Kernenergie behoeft volgens hem een zorgvuldige aanpak in

internationaal verband. Nederland dient daarbij een positieve rol te spelen.

Het is inmiddels al weer ruim twee en een halfjaar geleden

dat in de
Energienota
het beleid van het huidige, nu demis-

sionaire, kabinet ter zake van de kernenergie werd uiteen-
gezet.

De analyse welke in de energienota leidde tot het oordeel

dat de toepassing van kernenergie in beginsel zeer grote voor

delen zou opleveren, geldt nog steeds. Tegelijk werd in die-
zelfde nota gepleit voor een aanpak, waarbij aan de hand van
het voornemen in de jaren tachtig tot een
bescheiden pro-
gram aan kernenergie
te komen, alle problemen bestudeerd
zouden worden die zich bij een toepassen in die omvang
zouden kunnen voordoen. Dat beleid is in die zin geslaagd dat

inderdaad dat werk gedaan is. Dat geldt dan zowel voor de

befaamde rapporten ter zake van de veiligheidsaspecten als

wat betreft de Organisatie van een noodzakelijk geacht kern-

energiemonopolie in Nederland. Al die studies en voor-

bereidingen hebben als resultaat- opgeleverd dat daar geen aanleiding in gevonden kan worden terug te komen op. het
voornemen 3.000 MW additionele kernenergiecapaciteit

in Nederland in de jaren tachtig te installeren. Toch zijn er geen bouwbesluiten genomen en een defini-
tief standpunt is – al is inmiddels ook de planologische

procedure gestart – voorbehouden aan het volgende kabi-
net. Wanneer men de programma’s leest waarmee de poli-

tieke partijen nu de verkiezingen ingaan, moet men vast-
stellen dat een definitief besluit tot bouw geen eenvoudige
zaak zal zijn.
Bij het gegeven dat tijdens deze kabinetsperiode geen defi-

nitief groen licht – zelfs niet voor een bescheiden program –
is gekomen, passen twee constateringen.
De eerste is dat de vertraging in de groei van het elektrici-
teitsverbruik het aanvaardbaar maakte tot een opschuiving
van alle nieuwbouwvoornemens van zeg drie jaar te komen.
Het recent publiek geworden concept-elektriciteitspian geeft

aan dat in de periode, benodigd om een grote centrale voor

te bereiden en te bouwen, in feite slechts één nieuwe grote eenheid is gepland. Voorlopig is daarbij uitgegaan van één

grote koleneenheid in Dordrecht (afgezien van een reeds
lang voorziene relatief kleine uitbreiding in Harculo en een

eventuele uitbouw van de PEN-centrale in Noord-Holland
om mee te ,,groeien” met het beschikbaar komende Hoog-

ovengas).
Tot 1985 in feite slechts de behoefte te hebben aan één
additionele grote eenheid heeft alles te maken met een zekere
overcapaciteit nu; een logische consequentie van het feit

dat rond 1970, toen voor deze jaren gepland werd, nog uit-
gegaan moest worden van een aanzienlijk grotere toename

van het elektriciteitsverbruik. Nu past zo’n kolencentrale op

zich zelf in het streven naar diversificatie met een vergroting
van het kolenaandeel bij de elektriciteitsopwekking. Toch is
het – zelfs bij alle nieuwe technieken gericht op het voor-
komen van milieubelasting – interessant te zien dat tegen
een additionele kolencentrale kennelijk veel minder be-

zwaren verwacht worden, dan tegen een kerncentrale.

Dat leidt als vanzelf tot de tweede constatering. De anti-
kernenergiehouding is in de laatste jaren eerder versterkt

dan verzwakt. Geheel verrast behoeft men daarover niet te
zijn. Zelf wijdde ik in de energienota een paragraaf aan het

politieke vraagstuk van de maatschappelijke aanvaarding.

Deze invalshoek bestond toen in het buitenland praktisch nog

niet; sindsdien is dit vraagstuk echter in tal van landen

actueel geworden. Te meer reden is er tot een nadere eva-
luaije .te komen.

Is toepassing van kernenergie veilig?

Op verzoek van de regering zijn indringende studies gedaan
naar de risico’s van defecten in kernenergiecentrales en meer
in het algemeen naar de mogelijke schadelijke gevolgen

van radio-activiteit in de verschillende fases van de splijtstof-

cyclus. Het zou te veel een oratio pro domo worden uit-
gebreid op deze studies in te gaan. Ik volsta met de conclusie
die de regering uit de studies getrokken heeft, nI. dat daar

geen aanleiding in kan worden gevonden geen kernenergie
toe te passen.

Toch zijn er, waar het de maatschappelijke aanvaarding

betreft, enkele belangwekkende feiten te constateren. De
eerste daarvan is dat door velen zorgvuldige studies naar de
veiligheid verstaan worden als een bewijs dat het kennelijk
niet
veilig is. Helemaal onbegrijpelijk is deze reactie niet.

Wij kennen dit verschijnsel ook wel elders. Indien bijvoor-
beeld de justitie een onderzoek instelt, neemt men al gauw

aan dat er dan wel iets mis zal zijn; resp. wordt het onderzoek

zelf al gauw als een soort bewijs daarvoor beschouwd.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat het erg problematisch
wordt voor hen die verantwoordelijk zijn iets nauwgezet te
onderzoeken en daarbij ook weer nieuwe verbeteringen voor

resterende problemen aan te dragen, indien juist dat werk
contra-produktief lijkt te zijn. Als politicus zal men deze handicap zorgvuldig moeten incalculeren. Ditzelfde ver-
schijnsel zal ook wel in andere gevallen dan de kernenergie

404

zichtbaar worden. Zelf reken ik het tot een onvermijdelijk

probleem als men inderdaad mikt – wat ik doe – op vol-
doende maatschappelijke aanvaarding.
Dubieus wordt het overigens wel als de suggestie gewekt
wordt dat deskundigen het eigenlijk niet eens zouden zijn.
Op dat punt van de kernenergie, dus de vaststelling van de fei-

telijke risico’s bij de elektriciteitsopwekking en de stralings-
problemen in de splijtstofcyclus, is er immers vrijwel una-
nimiteit.

Een tweede feit is dat mede aan de hand van de kern-
energiediscussie, duidelijk is geworden dat een hele kleine

kans op een groot ongeluk duidelijk anders gewaardeerd
wordt, dan een grote kans op een klein ongeluk. Hele-
maal onlogisch is dit niet, toch lijkt het mij gevaarlijk aan

deze benadering geheel toe te geven. Veiligheid verdient over

een breed front aandacht. De kans op een zeer incidenteel

groot zowel als op vele kleine ongelukken moet worden

teruggebracht. Dat geldt voor allerlei gebieden, van de ver-

keersveiligheid tot de energie-opwekking. Dat geldt voor be-

staande zowel als nieuwe, betere technieken. Een voorlopige
conclusie lijkt mij wel te moeten zijn dat het verstandig is –

wederom uitgaande van de noodzaak van een maatschappe-
lijke aanvaarding – om bij de risico-analyse inderdaad grote
ongelukken relatief zwaarder te wegen. Deze materie ver-

dient serieuze aandacht. Intussen hoop ik dat het voor ieder

die zich in de materie interesseert, geleidelijk aan duidelijk
zal zijn dat ook dan elektriciteitsopwekking door middel van
kernenergie wezenlijk veiliger is dan de opwekking via kolen.

Deze balans lijkt mij definitief beslist in het voordeel van
kernenergie, tenzij men ongelukken bij het winnen en het
transport van kolen in het buitenland niet mee zou willen tellen. Een macabere benadering, waarvan ik moet hopen

dat niemand deze zal willen volgen.
Dit punt voert als het ware vanzelf tot een belendend
vraagstuk, nI. dat het bij kernenergie gaat om een
nieuwe nog
niet op grote schaal ingevoerde technologie. De stelling
wordt wel gehanteerd dat men uit een oogpunt van veiligheid

nieuwe technieken fundamenteel anders moet waarderen,
dan bestaande technieken. Deze stelling, hoe aantrekkelijk

op het eerste gehoor ook, is een gevaarlijke. Wat zou zij bij

consequente toepassing niet voor slechte gevolgen kunnen

hebben op tal van andere terreinen. Neen, de enige eis die
men terecht uit een oogpunt van veiligheid en risico’s kan

stellen, is dat het duidelijk veiliger dan het tot nu toe be-
staande moet zijn; en als men wetenschappelijke risico-
analyses kritisch wil toetsen aan de hand van praktijk-
ervaringen, dan kan dit alleen pleiten voor een geleidelijke

invoering.

Intussen verdient uit de ervaring van de laatste jaren wel
een andere conclusie getrokken te worden, nI. dat er een

essentieel verschil is tussen risico’s en angst. Deskundigen
menen nogal eens dat een beperkte omvang aan risico’s moet
corresponderen met een beperkte vrees. Dit hoeft echter be-
paald niet het geval te zijn. De combinatie van ,,er wordt
niet voor niets zoveel aandacht gegeven aan de veiligheids-

aspecten”, ,,er is een zeer kleine kans op een fors ongeluk”, en

,,het gaat om een nieuwe technologie” geeft een voldoende vruchtbare voedingsbodem voor angst en vrees. Het is dan

wel een resultante van een publieke discussie, nu eens niet

gevoed door ongelukken, maar door de veel ondoorzichtiger
discussie van mogelijke effecten in de toekomst.

Men kan, misschien moet men, kritische vragen stellen

over de aanvaardbaarheid van het mobiliseren van de angst.

Ik zal dat niet doen en constateer slechts dat ook veilige
kernenergie als onveilig kan worden ervaren.

De toekomstdimensie

Het begrip radio-activiteit heeft een magische klank. Dat is
niet in de laatste plaats het geval omdat sommige isotopen

hun stralingsactiviteit gedurende zeer lange periodes be-

houden. Al geldt dit verschijnsel – in het vakjargon het

probleem van de zeer lange halfwaardetijden – slechts voor

een zeer klein percentage van de radio-actieve afvalstoffen,
toch spreekt het erg tot de verbeelding. Deze problematiek

schuilt achter de formule: ,,Schepen wij toekomstige genera-

ties niet op met niet geheel overzienbare problemen?”.

In feite leven er waar het betreft de toekomstproblematiek

twee elementen. In de eerste plaats worden er van tijd tot tijd

vraagtekens geplaatst bij het vermogen van deskundigen om

toereikend zicht te hebben op bepaalde genetische effecten,

dus op veranderingen in de chromosomen van huidige en
via de erfelijkheid van toekomstige generaties. Deze kritiek
is niet altijd gemakkelijk traceerbaar omdat zij soms op het

eerste gehoor betrekking lijkt te hebben op de radio-actieve

straling bij de normale toepassing en spljtstofcyclus; bij

navraag echter verengd wordt tot ongevalssituaties. Alhoewel. deze kritiek met dezelfde regelmaat als zij geuit wordt, wordt
weerlegd, lijkt de hardheid van de wetenschappelijke bewijs-

voering per definitie zwakker naarmate minder experimen-
teel vaststaat. Het blijft dus een dankbaar aambeeld voor

critici om op te slaan, al is het slechts aan enkelen voor-
behouden daarbij in zich zelf te gaan geloven.

– Veel meer weerklank – en terecht – heeft gevonden de

stelling dat er nog geen definitieve oplossing is voor het pro-
bleem van het radio-actieve afval. Daarbij gaat het nu met
name om het definitieve afval dat overblijft bij de opwerking
van gebruikt verrijkt uranium in z.g. opwerkingsfabrieken.

Dit problèem heeft een onmiddellijk verband met het vraag-
stuk van de opslag van radio-actief afval in stabiele geo-

logische formaties. Ook op dit terrein is het goed enige onder-
scheidingen te maken.

Allereerst is het nuttig te constateren dat het overgrote deel
van het radio-actieve afval, of ander afval van hulpstoffen
verbruikt bij kernenergiecentrales en daar in een bepaalde
graad radio-actief geworden, een beperkte potentieel schade-
lijke levensduur heeft. Bij het begrip potentieel schadelijk
is het goed uit te gaan van het ezelsbruggetje dat de be-
trokken materie geen wezenlijke risico’s meer oplevert als

de stralingsintensiteit teruggelopen is tot onder datgene wat
in de natuur op bepaalde plaatsen, of in onze samenleving –

door allerhande apparaten als bijv. de (kleuren-)televisie –

voorkomt.

,Gedurende die periode van afbraak is het natuurlijk van
belang de materialen goed te beheren, om te voorkomen

dat er ongewenst contact optreedt. Daarom is het van be-
lang dat bij opslag niet door bijv. grondwater verspreiding
van de radio-activiteit kan plaatsvinden. In brede kring
wordt toegegeven dat het hier een overzienbaar en beheers-baar probleem betreft.

Daarnaast is er het zeer langdurige radio-actieve afval dat
weliswaar in volume onbeduidend is, doch dat een levens-

duur van vele eeuwen heeft, en wat betreft enkele isotopen
zelfs van veel langer. Dit is uiteraard iets dat zeer tot de ver-

beelding spreekt. Nu is het altijd goed ook dit vraagstuk weer
zoveel mogelijk op te lossen door de kleinst mogelijke volu-

mes, zo zorgvuldig mogelijk op te bergen. Het begrip ,,defi-

nitieve oplossing” begint echter een merkwaardige klank te
krijgen. Naarmate men namelijk zorgvuldiger oplossingen

vindt, gaat men weer stellen dat het probleem dus kennelijk
niet is opgelost.

Hoe dan ook, vast staat dat er ook na geruime tijd radio-
actieve stoffen overblijven waarmee mensen zich in de toe-
komst schade zouden kunnen doen. Dat gevaar wordt dan

door sommigen gevreesd als beschavingen uit elkaar zouden
vallen. Dit nu is een weinig overtuigend argument. Dan im-
mers zijn er weer vele nieuwe, dan onbegrepen, risico’s in de
natuur zelve, geheel los van de produkten van dan vroegere
menselijke beschavingen.

Bij het gehele probleem van de splijtstofcyclus, inclusief
dat van het radio-actieve afval, dringt zich wel de vraag op of deze problemen niet principieel ingebed moeten worden in een internationale benadering. Nu beschikt de Europese

ESB 4-5-1977

405

Gemeenschap wel over de institutie Euratom, maar deze

reeds meer dan 20 jaar geleden bij verdrag opgerichte Organi-

satie heeft in feite niet de autoriteit over de gehele splijtstof-
cyclus gekregen.

De militaire aspecten en de jongste voorstellen van president

Carter

De overwegende toepassing van kernenergie voor elektrici-

teitsopwekking is door middel van de z.g. lichtwaterreacto-
ren. Deze verbruiken licht verrijkt uranium. Tot nu toe ging
iedereen ervan uit dat het vanwege een
efficiënte cyclus
van-

zelfsprekend is, dit verrijkt uranium na gebruik in de centra-

les als het ware te recyclen, in die zin dat in opwerkingsfabrie-

ken er bruikbaar radio-actief materiaal, waaronder pluto-

nium uit ,,gedistilleerd” wordt, waarbij er dan slechts restan-
ten van het plutonium in het echte definitieve kernsplijtings-

afval overblijven.

Via deze technologie is er dus een rechtstreekse band tussen
plutonium voor atoomwapens en de splijtstofcyclus zoals die

voor vreedzame toepassing van kernenergie gepraktizeerd
wordt. Hier is een buitengewoon belangrijk punt aan de orde,
dat in feite reeds decennia geleden in discussie had moeten
komen. Toen immers na de tweede wereldoorlog de vreed-
zame toepassing van kernenergie werd bepleit, en toen in de

jaren vijftig Euratom werd opgericht, hebben de grote indu-
strielanden willens en wetens een onderscheid gemaakt tussen

de vreedzame en niet-vreedzame toepassing.

In feite ware het, gezien de nauwe samenhang die er in
technologie bestaat tussen vreedzame en niet-vreedzame

toepassing veel beter geweest als
alle
produktie en toepassing

van radio-actief materiaal onder internationale controle en
liefst internationale soevereiniteit waren gebracht. Dit was,
hoe begrijpelijk ook, helaas niet mogelijk.

De volgende stap had
kunnen zijn, dan maar geen vreed-

zame toepassing van kernenergie te bevorderen. Dit had op
basis van een internationale overeenkomst wellicht gekund,
maar was geheel begrijpelijkerwijze, niet op te brengen.
Het ging er juist om voor militaire doeleinden ontwikkelde

technieken voor vreedzame toepassing te gebruiken, zoals
dat al met zoveel vindingen was gebeurd. Dat die vreedzame

toepassing op zich zelf veilig en aantrekkelijk was, werd toen

niet betwijfeld en kan naar mijn oordeel ook nu niet be-
twijfeld worden. Dat alles neemt niet weg dat, als men in de

jaren vijftig ervan uitging dat kernenergie voor vreedzame

toepassingen mogelijk en wenselijk was, en als men daarbij
uitging van een duidelijke scheiding tussen vreedzame en

militaire toepassing, dat er dan in feite twee methodes waren
die scheiding zo strak mogelijk te houden. De eerste was de

vreedzame splijtstofcyclus onder internationale controle te
houden. De tweede om de splijtstofcyclus zelf een zodanige

te doen zijn dat er geen plutonium, zo essentieel voor het ver

vaardigen van bommen, in het ,,vreedzaam circuit” zou
worden geproduceerd.

Wat betreft het eerste zijn er reële pogingen gedaan. In alle

eerlijkheid moet echter worden geconstateerd dat de gehele

ontwikkeling van Euratom, IAEA, Zanggerregelingen en

Londense ,,suppliers club”, zo traag is verlopen dat men als
het ware steeds achter de feiten aanliep. De noodzaak van de

huidige discussie over de voorwaarden waaronder het verant-woord is verrijkt uranium aan Brazilie te leveren, is daar weer

een bewijs van. Dat deze internationale controle en beheer-

sing zo moeilijk is verlopen, heeft alles te maken met het ster-

ke streven naar autonomie en eigen baas spelen van betrok-
ken naties, van een vermeende discriminatie, nu ook op vreed-
zaam gebied door de eerste nucleaire landen, met name de
Verenigde Staten, en wellicht het al te argeloos zijn van hen
die verantwoordelijk waren voor de controle-instanties.

Evenzovele redenen waarom de internationale controle
op de ,,vreedzame splijtstofcyclus” zich zo moeizaam ont-

wikkelde. Reden te meer moet er dan echter zijn geweest in

de technologie zelf van die vreedzame toepassing cesuren

aan te brengen die de non-proliferatie veilig zouden kunnen

stellen. In feite gaat het daar om twee punten. Ten eerste
het beperkt houden tot een kleine kring van de verrjkings-

technologie. Op dat punt heeft Nederland een rol gespeeld.

Het technisch potentieel van Duitsland, Engeland en Neder-

land is via het verdrag van Almelo zo samengebundeld, dat

ieder van de drie landen proliferatie van die kennis kan voor-

komen. Daar het alternatieve proces van de gasdiffusie, dat
wordt toegepast in Frankrijk, Rusland en de Verenigde Sta-

ten, zeer kapitaalintensief is, heeft de bundeling van de ultra-

centrifugetechniek waarschijnlijk een zeer positieve rol ge-speeld bij het voorkomen van proliferatie van die techniek.
Een tweede punt is het plutonium dat vrijkomt in de op-

werkingsfabrieken. Het gaat hier niet om een afgeleid risico

zoals bij de verrijkingstechniek, maar om een direct risico.

Om dat risico moet men een geheel sluitende internationale

controle hebben: 6f de opwerkingsfabrieken beperken tot die

landen die toch al plutonium-naties zijn, 6f – en dat is de

kern van Carters voorstel – afzien van het opwerken. In
diezelfde lijn ligt de wenselijkheid de toepassing van de snelle

kweekreactor voorlopig op te schorten, resp. te vertragen. Uit
een oogpunt van de wens het gevaar van niet-vreedzame

nucleaire toepassing zo klein mogelijk te maken, zijn deze
voorstellen evident. Tegen deze voorstellen zijn natuurlijk

bezwaren in te brengen. Het meest triviale is dat het kern-

energie duurder maakt, omdat men bij niet opwerken nu een-

maal slordiger met het uranium omspringt. Toch geloof ik

dat, als men naast de opwerking ook de opslagproblematiek

van het radio-actieve materiaal in de beschouwing betrekt,

de voorstellen van Carter de elektriciteitsopwekking door
middel van kernenergie maar weinig duurder maken. Als op

die wijze het grote doel van de non-proliferatie wordt gehaald,

is het die prijs dubbel en dwars waard.

Intussen zal als een tweede bezwaar tegen Carters voor-

stellen ongetwijfeld worden aangevoerd dat het een beknot-
ting is van de technologische mogelijkheden van grote lan-
den, die nu nog niet beschikken over opwerkingsfabrieken.
Dit nationalistische argument zal bij weerlegging taai blijken
te zijn; dat maakt de weerlegging overigens te meer nood-

zakelijk. Toegeven aan nationalisme betekent immers in
evenredige mate vergroting van de proliferatierisico’s.

Ten slotte is tegen Carters lijn aan te voeren dat het slor

diger gebruik van uranium dat hij in wezen voorstaat, onver

biddelijk tot snellere uitputting van uranium zal leiden.

Dat is ongetwijfeld waar; men kan er zelfs aan toevoegen dat

de hierdoor eerder stijgende uraniumprijzen de kweek-

reactoren weer sneller onder economisch handbereik zullen
brengen. Toch vind ik ook dit tegenargument niet overtui-

gend. Bij de veel tragere invoering van kernenergie waar-
van men nu, mede door het beleid gericht op energiebespa-

ring, mag uitgaan, is de uitputting van het uranium immers

voorshands een zaak die pas over vele decennia enige actuali-
teit gaat krijgen. Die tussentijd zou benut kunnen worden

om tot een internationaal verdrag te komen waarbij ten

minste de opwerkingsfase en de snelle kweekreactoren onder
volledig en toereikend beheer van een internationaal orgaan
komen. Ook een dergelijk idee zal veel verzet ontmoeten

van tal van landen; mij komt het echter als volstrekt redelijk voor als men eenmaal vastgesteld heeft dat kernenergie voor
de toekomst van de mensheid als zodanig een goede, en wel-

licht tegelijk onvermijdelijke zaak is.

Wat betreft de Nederlandse situatie pleit de lijn Carter
voor een

• (reeds ingezette) vertraging van het snelle kweekreactor-

project, resp. het niet bouwen van Kalkar II en het onder

Euratom-beheer krijgen van de Franse reactor;

• voortzetting van het ultracentrifugeproject met een via het
verdrag van Almelo nauwkeurig afschermen van de daar

opgepotte technologische kennis;

• en een bescheiden uitbouw van het elektrisch opwekkings-vermogen door middel van kernenergie.

406

Waarom eigenlijk kernenergie?

Reeds meer dan twintig jaar geleden, reeds lang voor de

Club van Rome werd er, met name in verband met Euratom

en geactualiseerd door de Suez-crisis, op gewezen dat West-

Europa (en Amerika) wel erg afhankelijk zouden worden
van de olieproduktie in het Midden-Oosten. Daarom werd het

alternatief kernenergie bepleit. De bestuurders bleken echter

gemakzuchtig en de economie doorslaggevend. Conventio-
nele centrales leken goedkoper te blijven en daarmede bleven

wij het overwegend doen. Toen kwam de eigenlijk al twintig

jaar geleden voorspelde oliecrisis. De olieprijzen verdrie-
voudigden, de strategische afhankelijkheid werd duidelijk
aangetoond.

Ondanks de enorme veiligheidseisen die kerncentrales veel

duurder maakten dan oorspronkelijk werd aangenomen,
werd kernenergie in één klap economisch zeer aantrekkelijk
en dat is het ondanks de doorgaande stijging in de bouw-
kosten heel duidelijk gebleven. Toch dreigt de geschiedenis

zich te herhalen. De toepassing van kernenergie in de Ver-
enigde Staten en in de Europese Gemeenschap wordt aan-

zienlijk vertraagd, en het wordt onmiskenbaar duidelijk dat
wij afstevenen op een nieuwe oliecrisis. Van het schone voor-

nemen minder afhankelijk te worden van olie-import lijkt
noch in de Verenigde Staten, noch in Europa veel terecht te

komen. Nu is het niet toelaatbaar een onverbrekelij ken direct
verband te leggen tussen minder kernenergie en meer olie-

import. Om de situatie te verhelderen daarom ter adstructie

het volgende.
Er is veel te bereiken door een vertraging van de groei van
het elektriciteitsverbruik, komend uit een tijdvak dat de

groei van het energieverbruik sterker was dan die van het
nationaal produkt. Het moet mogelijk zijn die trend te door-
breken en in feite gebeurt het al. De meest hoopvolle en tege-

lijk vergaande-stelling vind ik dat Duitsland het nu reëel mo-gelijk acht de energiegroei over 10 jaar slechts een factor van

0,6 â 0,7 te laten zijn van de groei van het nationale produkt.

Dit zal natuurlijk wel enorme inspanningen vergen, met
name een scherp opgevoerde isolatie, hogere energierende-
menten in de industriële sector en – waarde Duitsers minder
over spreken – sterke prijsmatige beïnvloeding van het
energieverbruik.
Hoe dan ook, het bereiken van de factor 0,6 â 0,7 zal be-
Iangwekkend blijken te zijn. Intussen moet daar wel bij wor-

den aangetekend dat de Duitsers en wij ook, ervan uitgaan dat
binnen de energiesector het elektriciteitsverbruik veel sterker

dan het gemiddelde zal toenemen. Het wordt dan ook niet

voor mogelijk gehouden tot een lagere groei in het elektrici-

teitsverbruik te komen dan de groei van het nationale pro-

dukt. In feite gaan wij zelfs uit van een meer dan evenredige

groei. In Nederland bijv. van 5% bij een groei van het natio-

nale produkt van 33/4%.
Nu is er ook in de elektriciteitssector nog wel het een en

ander te doen aan rendementsverbetering en de bevordering van de total-energy-systemen en wat mij als zeer belangrijk
voorkomt, het afdwingen van gecombineerde stadsverwar-
ming en elektriciteitsopwekking. Dit alles moet het mogelijk
maken zeker in de jaren 1975 tot 1983, waar wij de mogelijk-
heid hebben een ,,slordigheidsachterstand” in te lopen, te
komen tot een relatief energie-armere welvaart. Er zal alles
aan gelegen zijn deze besparingsprioriteiten in de Westerse
economieën met rigoureuze maatregelen af te dwingen.

Hoe belangrijk deze inspanning ook zal zijn, de illusie
mag niet gewekt worden dat hiermede het olie-afhankelijk-

heidsprobleem tot aanvaardbare grenzen zal zijn terug-

gebracht. Alle berekeningen wijzen op zeer ernstige tekorten

in het midden van de jaren tachtig. Een deel daarvan zal zeker

worden opgevangen door een gestage uitbouw van de mon-
diale kolenproduktie, maar daartegenover staan ook de toe-
nemende behoeften van de derde wereld. Een overwegend
dichtvaren van de Westerse elektriciteitsopwekking vanaf de

jaren

tachtig op kolen zal niet wel mogelijk zijn, resp. onver-

biddelijk onbetaalbaar blijken voor zwakkere, minder koop-

krachtige economieën.
Het beste kunnen wij natuurlijk de situatie in de Gemeen-

schap overzien. Daar nu dreigen grote onevenwichtigheden

in de toevoer. Niet alleen aardgas, maar eigenlijk ook olie
zou uitgebannen moeten worden uit de elektriciteitsopwek-
king. Richtlijnen van de EG werken hier naar toe, en zo zal

men bij de benutting van olie moeten gaan komen tot een
situatie, waarbij de valorisatie als grondstof of meer in het

algemeen het benutten in verder ,,gekraakte” fracties een

veel grotere is.
Het niet of vrijwel niet toepassen van kernenergie in de
Europese Gemeenschap zal niet alleen een substantieel eco-
nomisch nadeel opleveren (in termen van vandaag per

kWh 2 â 3 ct.), doch ook onverantwoorde strategische en

politieke risico’s impliceren. Willen die voorkomen worden

dan zullen – naast de bevordering van het conventionele
energie-aanbod en de z.g. alternatieve methodes – én forse

energiebesparing én de toepassing van kernenergie nood-

zakelijk zijn.
Het probleem bij dat alles is dat wij spreken over een vol-
gend decennium, maar laten wij vaststellen dat de energie-
politiek van nu bepalend is voor de situatie over 10 jaar en
daarna. Een dreigende crisis in 1985 vereist nu actie. Diezelfde
noodzaak tot actie nu, omdat de vruchten van die actie toch
al vrij ver in de toekomst liggen, is er op het gebied van de z.g.
alternatieve vormen van energie-opwekking, resp. benutting;

of het nu gaat om warmtepompen, zonne- of windenergie.

Het resultaat van die technologische inspanning zal onge-

twijfeld slechts zeer langzaam de energiebalans kunnen be-
invloeden. Toch is ieder
‘/2%
meegenomen en cumulatief kan
het naar de toekomst gerekend, een substantiële bijdrage gaan

leveren.

Ook deze weg kan gaan bijdragen tot de zo gewenste over-
gang naar absolute plafonnering van het verbruik van olie en

gas. Een bijkomend voordeel van deze technieken is dat zij
in het algemeen kleinschalig zijn. Het nadeel dat zij relatief
kostbaar – hier dus relatief arbeidsintensief –

zijn, wil ik

niet te zwaar wegen; deels niet omdat serieproduktie altijd tot
zeer sterke kostenreducties heeft geleid, deels omdat een
grotere inschakeling van de factor arbeid via de energie-
voorziening even goed als een voordeel kan worden gezien.
Uit deze fundamenteel positieve benadering en het beschik-

baar stellen van fondsen voor alternatieve energie, mag ech-

ter niet de conclusie getrokken worden, dat de alternatieve
energie méér dan een bijdrage tot het totaal van het energie-

vraagstuk zou kunnen zijn.

De Nederlandse situatie

Bij de voor de Europese Gemeenschap onverbiddelijk vast-

staande noodzaak kernenergie toe te passen, kan men zich

afvragen wat de Nederlandse situatie in dat geheel is. Zo

summier mogelijk blijvend, moeten dan de volgende kant-
tekeningen worden gemaakt.

De oersolide benadering van de in Nederland benodigde

capaciteit, alsmede het in hetjongste ontwerp-elektriciteits-
plan zichtbaar geworden vertrouwen in zaken als stads-
verwarming, kleinere eenheden enz., heeft het mogelijk
gemaakt de beoogde 3.000 MW pas na 1985 in gebruik
te gaan nemen. Zelfs dat vergt (in ieder geval voor de eerste
centrales) nu beslissingen.

2. De nieuwste technieken maken het mogelijk kolen relatief
schoon te verstoken. Toch blijft dit uit een oogpunt van
luchtverontreiniging inferieur ten opzichte van nucleaire

centrales. Dit zal duidelijker worden naarmate de betekenis

van het relatief schone aardgas na 1980 in onze volks-
huishouding sterk zal gaan teruglopen.
2

ESB 4-5-1977

407

Het Franse Zevende Plan

DRS. J. K. T. POSTMA*

In juli 1976 is door het Franse parlement een

nieuw economisch plan aanvaard, dat is gericht

op de jaren loten met 1980. Dit beleidsprogram-

ma voor de middellange termijn verdient alleen

al onze aandacht, omdat het laat zien hoe de

regering van de vierde industriële macht in de

westerse wereld – na de Verenigde Staten, West-

Duitsland en Japan – over de nabije toekomst

van haar land denkt. In het navolgende artikel

zullen we hei macro-economische beeld in be-

schouwing nemen, dat in het Zevende Plan is
geschetst. Eerst schenken we echter aandacht

aan hei karakter van het plan. Dit is van belang,

daar in de naoorlogse discussies over de eco-
nomische orde de Franse planning steeds een

belangrijke rol heeft gespeeld. Hiervan getuigt

het veelvuldige gebruik van Franse termen in

dit verband, zoals économie concerlée, écono-

mie orientée enz.

Lange tijd is de Franse planning gepresenteerd als een
middenweg tussen de imperatieve planning in de Oostbiok-
landen en het Vrije spel der economische krachten in de
westerse staten, c.q. de globale vormen van planning in deze
landen. Van de specifieke kenmerken is in de loop van de

tijd echter weinig overgebleven, zodat het laatst vastgestelde plan in grote lijnen het karakter van een macro-economische
prognose heeft gekregen. Terwijl in het begin van de jaren
zestig in ons land bij het versterken van de oriëntatie van
de markteconomie door het opstellen van bedrijfstaksge-

wijze verkenningen naar het Franse voorbeeld werd gekeken
0,
wordt nu naar de ervaringen in Frankrijk verwezen bij
het verdedigen van de stelling, dat de opstelling en uitvoe-

ring van een gedetailleerd, kwantitatief uitgewerkt structuur-
plan in onze economie op vele moeilijkheden stuit 2).

Het plan voor de periode tot en met 1980 is het zevende
in een reeks meerjarenplannen, sinds in 1947 het Franse

planningsysteem werd ingevoerd. Niet alleen het karakter

van de plannen is in de loop van de jaren drastisch gewij-
zigd, maar ook het politieke kader waarin zij tot stand zijn

gekomen. Een van de oogmerken om na de tweede wereld-

oorlog een nieuwe planning op te zetten is geweest om
Frankrijk te verlossen van het conflict tussen de ,,mur

cl’argent” – de bourgeoisie – en het Volksfront, welke tegen-
stelling in de jaren dertig de Derde Republiek zozeer had

verlamd 3). In de eerste fase ondersteunden alle politieke

partijen, vakbonden en werkgeversorganisaties de nationale
planning. Zowel de communistische als de ,,burgerlijke”

ministers hebben in 1947 het eerste plan – dat naar zijn in-
spirator het Plan-Monnet is genoemd – ondertekend. Daar-

tegenover hebben de linkse oppositiepartijen (socialisten,
communisten, linkse radicalen) vorig jaar niet hun steun
aan het Zevende Plan willen geven.

* De auteur is werkzaam bij de Directie Algemene Financiële en
Economische Politiek van het Ministerie van Financiën. De inhoud
van het artikel komt uitsluitend voor zijn persoonlijke verantwoor-
ding.
C. J. van Eijk,
Econometrische model/en en georganiçeerd over-
leg in de economische planning,
Haarlem, 1963.
F. W. Rutten, Economische structuurpolitiek, in
Instrument,
gangmaker van maatschappelijke vooruitgang.
Delft, 1976, blz.
11-23, inz. blz. 19.
H. en M. Schmiegelow, The new mercantilism in international
relations,
International Organisations,
Voorjaar 1975, Vol. 29,
nr. 2, blz. 367-391, inz. blz. 386.

Kernenergie geeft relatief veel afvalwarmte, en dat zal zo
blijven, zeker zolang hier de afvalwarmte niet zal kunnen

worden benut, juist omdat de eenheden relatief ver van de
woonbebouwing worden geprojecteerd. Koelwater, waar

van een zekere temperatuurstoename geen ecologische
problemen oplevert, is in Nederland echter relatief ruim
voorhanden.

Investeren in kernenergiepotentieel betekent gezien de

relatief hoge kapitaalkosten en de relatief lage brandstof-

kosten dat men toekomstlasten naar het heden verschuift.

Als complementaire actie is dit, bij geleidelijk teruglopen-
de aardgasopbrengsten, met name gedurende de jaren tach-
tig, attractief.

Nederland is een dichtbevolkt land en dat zou een argu-
ment kunnen opleveren grootschalige technieken zoveel

mogelijk te vermijden. Dit zou echter dan gemotiveerd
moeten worden aan de hand van de risico’s van een cen-

trale op zich zelf. Dit element is bij de kritische be-
schouwingen over kernenergie van veel minder betekenis,
dan de discussie over de splijtstofcyclus en de risico’s wat
betreft niet-vreedzame toepassing.
Al met al kan men uit deze punten moeilijk de stelling op-
bouwen dat juist in Nederland geen kernenergie zou moeten
worden toegepast; eerder het tegendeel.

Intussen is wel begrijpelijk dat Nederland gezien zijn sterke

aardgaspositie en relatief grote potentieel aan elektriciteits-
opwekking bepaald geen haast wil maken met de toepassing
van kernenergie. Dat hebben wij dan ook de laatste vier jaar

niet gedaan. Wel hebben wij de voorbereidingen getroffen

408

Karakter van de Franse planning

De kenmerken van de Franse meerjarenplannen kunnen

we beschrijven met behulp van een indeling van de soorten

economische planning in westerse landen, die door Kirschen

is opgesteld. Hij heeft een onderscheid gemaakt tussen in-

dicatieve, incitatieve en contractuele planning 4), waarbij
als criterium de invloed van de overheid op het economische

proces wordt gehanteerd. Bedacht moet worden dat het

begrip planning ook in een andere betekenis wordt gebruikt,
te weten als de wetenschappelijke voorbereiding van het
overheidsbeleid
5).
Hier gebruiken we de term planning
echter in de zin van leiding van boven af. De meest vergaan-
de vorm van planning van het economische proces is, dat de
overheid alle beslissingen aan zich heeft getrokken en dat

het prjsmechanisme buiten spel is gezet (imperatieve plan-
ning).

In een systeem van indicatieve planning maakt de over-

heid haar doeleinden bekend, waarna zij plannen met markt-
conforme maatregelen voorbereidt, gericht op verwezen-lijking van deze doelstellingen. Zij hoopt hierdoor ook de
particuliere ondernemingen ertoe te brengen zich zodanig te
gedragen, dat deze eveneens een bijdrage leveren aan het tot
stand brengen van de gestelde doelen. De overheid publi-
ceert bijv. een streefcijfer voor de groei van het nationale
inkomen en hoopt dat de bedrijven hun investeringsplannen

daar zo op zullen afstemmen, dat het mogelijk wordt om het
gewenste groeipercentage inderdaad te verwezenlijken.

Hoewel bij deze indicatieve plannen de overheid vrij krach-
tige maatregelen kan toepassen, laat zij het marktmecha-
nisme zijn rol behouden.

Bij incitatieve planning gaat de staat een stap verder,
doordat hij beloningen geeft door bijv. de prjsvoorschriften
te versoepelen of op te schorten voor ondernemingen, die

trachten de doeleinden van de overheid te verwezenlijken.
Bij contractuele planning binden de staat en de particuliere
economische subjecten elkaar daadwerkelijk door overeen-
komsten aan te gaan.

In Frankrijk is de planning aangevangen als een meng-

vorm van de indicatieve en de incitatieve planning. Later in

de jaren zestig is hier ook de contractuele planningvorm
toegepast. Nauw verbonden met deze begrippentrits is de
concertation,
de openbare discussie over de overheidsplan-
nen, die al dan niet tot overeenstemming of zelfs tot een
overeenkomst tussen de sociale partners en de overheid kan

leiden. Deze openbare discussie is wel als het meest ken-
merkende verschijnsel van de Franse planning gezien 6).
De gedachte van een ,,économie concertée” is al gelan-ceerd door Jean Monnet, door wiens persoonlijke invloed
De Gaulle ertoe gebracht is in 1947 een planningsysteem in
te voeren. Monnet stelde de z.g. moderniseringscommissies
in als een forum voor discussies tussen overheid, werkgevers
en vakbonden. Bij hem speelde heel sterk het verlangen ge-

zamenlijk een programma tot stand te brengen, waarin de
publieke en de particuliere sector op elkaar worden afge-
stemd, en waarover van te voren overeenstemming is bereikt

tussen de verschillende maatschappelijke groeperingen.
Het centrale thema van het Eerste Plan was de wederop-

bouw; het bevatte dan ook stringente taakstellingen voor

de investeringen in de sectoren staal, steenkool, olie, cement,
tractoren, kunstmest en vervoer. De overheid verleende op
grote schaal financiële steun aan ondernemingen, waarvan

de investeringen in haar meerjarenplan pasten. Het Eerste
Plan werd dan ook wel aangeduid als een vorm van verlicht
Colbertisme, waarbij een modern Saint-Simonisme samen-
ging met neo-Keynesiaanse gedachten 7).

Het Tweede Plan legde meer nadruk op een harmonische ontwikkeling van alle sectoren, terwijl de gedachte veel na-
druk kreeg, dat ook na het herstel en de wederopbouw een
krachtige economische groei gewenst was. Ook in het Derde

Plan bleven modernisering van de economie en expansie de
belangrijkste doelstellingen, terwijl daarbij vooral de col-lectieve goederen in het middelpunt van de belangstelling
kwamen te staan 8).

Tijdens de voorbereiding van het Vierde Plan (1962-1965)

zorgde een aantal factoren voor een gunstig economisch en
politiek klimaat. In dit verband kunnen we wijzen op het

herstel van de Franse economie na de recessie van 1957-1958,
de politieke stabiliteit van de eerste jaren van de Vijfde Re-
publiek en de voorkeur van De Gaulle voor de planning-
gedachte.

Hierdoor kreeg de planning een nieuwe impuls, met name
het tripartite overleg in de z.g. moderniseringscommissies.
In het Vierde Plan werd een nieuw element ingebracht, dat
internationaal sterk de aandacht ging trekken. Gebaseerd
op afzetverwachtingen werden in overleg met het bedrijfs-
leven gedetailleerde streefcijfers voor de produktie vastge-

steld. Dit systeem is door de planningautoriteiten zelf wel
aangeduid als een ,,marktonderzoek op nationale schaal”,
gericht op het verminderen van de onzekerheid in de markt-
economie.

Het Vierde Plan kan in sterke mate als een z.g. nationaal plan worden gekarakteriseerd 9), een overeenkomst tussen

E. S. Kirschen (ed),
Economic policies compared,
Vol. 1, Am-
sterdam, 1974, blz. 301-302.
F. Hartog,
Democratie en economische planning,
Leiden, 1959,
blz. III.
C. Siebel, Planning in France, in M. Bornstein (ed.),
Economic
Planning. East and West.
Cambridge (Mass.), blz. 153-188, inzh.
’55.
Schmiegelow, blz. 386.
F. Hartog,
Economische stelsels.
derde druk, Groningen 1975,
blz. 175.
D. Liggins, What can we learn from French planning?,
Llovds
Bank Review,
april 1976, nr. 1210, blz. 1-12.

dat straks verantwoorde beslissingen kunnen worden ge-
nomen. Daarbij gaat het – het zij ten overvloede gezegd –

niet om een zwart/wit besluit om helemaal af te zien van de

kernenergie, resp. ons daar helemaal aan over te leveren.

Het zou erom moeten gaan in de tweede helft van de jaren
tachtig te beschikken over 3.000 MW additioneel kernenergie-
vermogen; voldoende om een reele betekenis te hebben,

bescheiden genoeg om andere opties (zoals toch meer succes
bij alternatieven, resp. bij de besparing) voldoende open te
houden.

Los echter van het aandeel in onze eigen energievoorzie-

ning is de wezenlijke vraag: wil Nederland bij de verantwoor-
de toepassing van kernenergie en de broodnodige intensi-

vering van de internationale zorgvuldigheid een rol blijven
spelen?

Voor politici lijkt het vandaag gemakkelijker en aantrek-

kelijker een uiterst terughoudende, zo niet afwijzende hou-
ding in te nemen Regeren behoort echter nog steeds vooruit-

zien te zijn. In ieder geval hoop ik duidelijk gemaakt te hebben

dat men kernenergie vooral in haar internationale dimensie
moet zien. Het zou een ernstige tekortkoming zijn als Neder-

land de positieve rol die het kan spelen, zou laten liggen; uit
gemakzucht of om welke reden dan ook. Omgekeerd, als wij

die rol wel spelen, is er alles aan gelegen de sterkst mogelijke

politieke druk uit te oefenen om tot een zorgvuldige aanpak

van de kernenergie te geraken; dat betekent naar mijn oor-

deel een aanpak waarbij essentiële bevoegdheden en ver

antwoordelijkheden bij supranationale organen komen.

R.
F.
M. Lubbers

ESB 4-5-1977

409

alle participanten in de economie, tussen de overheid en de
sociale partners, dat is gericht op het verwezenlijken van

gezamenlijk vastgestelde doeleinden. Het was bedoeld als
een ,,derde weg” tussen kapitalisme en socialisme, en vulde

het marktmechanisme aan door de onzekerheid over de toe-
komstige economische ontwikkeling drastisch te verminde-

ren. Meer concreet kwam in het Vierde Plan de nadruk te
liggen op de (semi) collectieve voorzieningen: onderwijs,
huisvesting, gezondheidszorg.

Maar de uitvoering van het Vierde Plan kwam al in 1963
in moeilijkheden, toen de prijzen sterk opliepen en de be-
talingsbalans een tekort ging vertonen. Een bestedingsbe-

perking was nodig en de voorbereiding van het Vijfde Plan
viel samen met de invoering van een stabilisatieprogramma

door de minister van Financiën, Giscard d’Estaing. Het
politieke klimaat was zodanig verslechterd, dat de vakbon-

den en werkgevers er weinig voor voelden te discussiëren
met, laat staan tot overeenstemming te geraken met de plan-

ningautoriteiten. Met name werd de gedachte van een in-

komenspolitiek door de sociale partners afgewezen. Toch

werd met het Vijfde Plan (1966-1970) de politiek moeilijke
richting ingeslagen van het aangeven van indicatieve normen

voor de ontwikkeling van lonen, prijzen en winsten.

Een en ander leidde ertoe, dat in het Zesde Plan (1971-

1975) – dat de klemtoon legde op de industriële ont-
wikkeling – weinig was overgebleven van het specifieke
karakter van de Franse planning, terwijl ten slotte in het

Zevende Plan (1976-1980) de nadruk volledig op de alge-
mene, macro-economische prognose is komen te liggen 10).
Daarmee speelt het Plan uiteraard nog wel een belangrijke rol, het specifieke element is echter verdwenen. Tekenend
is, dat de Franse president Giscard d’Estaing in zijn boekje
Démocratie Française
slechts geringe aandacht aan de
planning besteedt. Hij stelt de soepele planning ,,op zijn
Frans” zonder meer tegenover de autoritaire planning, en

wijdt slechts enkele zinnen aan de overlegprocedures 11).

De vice-voorzitter van de Economische en Sociale Raad
Deleau heeft het in een beschouwing over het Zevende Plan
zeer concreet geformuleerd:

,,De Franse planning is soepel, eenvoudig indicatief. Zij kent geen
enkele wettelijke of reglementaire beschikking, die tot dwang leidt.
Dat is haar essentiële karakter, maar ook haar zwakte” 12).

Organisatie van het planningapparaat

Het Plan wortelt in Frankrijk in een sterk dirigistische
traditie. Dirigisme, de controle uitgeoefend door een mach-
tige, gecentraliseerde administratie, is eeuwenlang een onder-

deel geweest van het Franse maatschappelijke leven. De
filosofie en politiek van actieve interventie in de economie
door de Franse staat gaat terug op Colbert, de Franse revo-
lutie en het Keizerrijk.

Direct na de tweede wereldoorlog is een aantal nationali-saties doorgevoerd, die de publieke sector in Frankrijk aan-
zienlijk hebben vergroot. In de jaren 1945-1947 zijn in staats-
bezit overgegaan de centrale bank, die sinds 1936 reeds on-
der staatstoezicht stond, de vier belangrijkste particuliere

banken, de voornaamste verzekeringsmaatschappijen, de
kolenmijnen, de elektriciteits- en gasbedrijven, de burger-

luchtvaart, de vliegtuigindustrie en enkele belangrijke auto-
fabrieken en drukkerijen 13). De beheersing van verschillen-

de sleutelindustrieën en grote banken is door de staat mede in
dienst gesteld van de uitvoering der meerjarenplannen.
In dit klimaat kan in de jaren direct na de tweede wereld-
oorlog een sterk georganiseerd planningapparaat worden

opgezet. Planners en technocraten hebben de kans gehad om
hun eigen blauwdruk voor de toekomst van Frankrijk te
maken. Naast vele andere factoren heeft zeker ook het bij-
zondere organisatievermogen van de Franse overheid in dit

opzicht aan de nieuwe welvaartsgroei bijgedragen.
Een belangrijke factor is hierbij, dat de relaties tussen

overheid en bedrijfsleven in Frankrijk altijd erg nauw zijn

geweest. Zo is er veel uitwisseling van mensen tussen de

particuliere en de publieke sector. Dit ,,netwerk” is nog ver-
sterkt door de nauwe samenwerking van ondernemers en
planners in de voorbereidende plancommissies.

Het plan wordt immers, zoals hierboven al is aangegeven,

voorbereid door een groot aantal werkgroepen, waarin

ambtenaren overleg voeren met vertegenwoordigers van
werkgevers en werknemers. In eerste instantie worden be-
leidsdoeleinden geselecteerd, die kunnen worden voorge-

legd aan het kabinet en daarna aan het parlement. In tweede
instantie worden voorstellen geformuleerd hoe deze doel-
einden kunnen worden verwezenlijkt.

Het planningapparaat, het Commissariat Général du

Plan, heeft steeds de drijvende kracht gevormd. Gezien het

karakter van de plannen hadden de planners een veelheid

van taken uit te voeren. Zijn waren ,,part industrial consul-
tant, part banker en part plain bully” 14). Wel bestond bij
de uitvoering van de plannen een min of meer nauwe samen-

werking tussen het ministerie van Financiën en Economi-

sche Zaken en het Commissariaat voor het plan.

Het Commissariaat had in het verleden een bijna kerke-
lijke autoriteit. Een gehele mythe was opgebouwd rond de

katalyserende rol van het Plan in een zeer verdeelde Franse
maatschappij. De doeleinden van het Plan hadden welhaast
een sacrosancte betekenis en regeringen werden beoordeeld op hun succes bij het verwezenlijken van de streefcijfers.
President Giscard d’Estaing heeft de mystiek rond de

planning zorgvuldig verwijderd. Hij heeft het Commissariaat
volledig in het overheidsapparaat geïntegreerd. Bij de voor-

bereiding van het Zevende Plan is sinds 1974 een nieuw college ingevoerd, de Algemene Raad voor de Planning,
met het oogmerk om de planning voor de middellange ter-
mijn meer te integreren met de besluitvorming van het rege-

ringsapparaat. De Raad wordt gevormd door de president
van de Republiek, de minister-president, de minister voor
Economische en Financiële Zaken, de minister voor Arbeid
en Werkgelegenheid en de commissaris voor het Plan. Elke
maand komt de Raad bijeen om het dagelijkse beleid af te
stemmen op de doelstellingen op lange termijn. Andere

ministers worden bij het beraad betrokken, als tot hun com-
petentie behorende kwesties op de agenda staan.
De andere aspecten van het planningproces zijn niet veel
veranderd, hetgeen in het bijzonder voor de politieke proce-

dures geldt. Wel is men zorgvuldiger onderscheid gaan

maken tussen de wensen van de planners en de door het be-leid gesanctioneerde doelstellingen. In de loop van de voor-
bereidingsperiode voert het Parlement een discussie over de
belangrijkste beleidsopties, voordat het plan verder wordt
uitgewerkt, terwijl aan het eind van de procedure het uitein-
delijke document ter goedkeuring aan het Parlement wordt

voorgelegd. Ten slotte zijn de commissies voor het plan aan-
zienlijk gestroomlijnd.
Door het vereenvoudigen van de Franse planningproce-
dure heeft Giscard d’Estaing gereageerd op de vele kritiek,
die werd uitgeoefend op de wijze van voorbereiding van eer-dere plannen. Het apparaat is sterk ingekrompen. De integra-

tie in het overheidsapparaat heeft als voordeel, dat overlap-
pende werkzaamheden worden voorkomen, terwijl een

soepelere relatie met andere overheidsinstellingen tot stand
kwam.
Nadat Frankrijk was getroffen door de oliecrisis en de

daaropvolgende economische recessie lag het voor de hand,

10) Liggins, blz. 2.
II) V. Giscard d’Estaing,
Démocratie Française,
Parijs,
1976,
blz.
87.
J. Deleau, VlIe Plan et plus-values,
Le Monde. 13 juli
1976,
blz.
11-12.
F. Hartog,
Economische sielsels,
blz. 174.
A.
Shonfield,
Modern capitalism,
Londen,
1965,
hoofdstuk
7.

410

dat de planning weer belangrijker zou worden. Had de socia-

list Mitterand of de gaullist Chaban Delmas de presidents-
verkiezingen gewonnen, dan zou het Commissariaat waar

schijnlijk iets van zijn oude glorie hebben herwonnen, maar

het aan het bewind komen van president Giscard d’Estaing,

die weinig enthousiast is voor de planninggedachte, leidde

ertoe, dat het Commissariaat in omvang werd teruggebracht.

Relatie met de maatschappij

Over de positie van de sociale partners in de planning-procedure is een uitvoerige discussie gevoerd. De nauwe
banden tussen de staat en de grootste particuliere onderne-
mingen bij de Franse planning is één der voornaamste pun-

ten van kritiek geweest van de zijde der linkse critici van deze
planning. De planning heeft de positie van de particuliere
ondernemingen volgens hen naar verhouding zelfs ver-
sterkt 15).
De vakbeweging zou slechts een ondergeschikte rol in de
planningprocessen hebben kunnen spelen, doordat aan haar
afvaardiging informatie werd onthouden, terwijl bovendien

deze vertegenwoordigers binnen de diverse commissies in
aantal aanzienlijk werden overtroffen door die van de werk-
gevers 16). Dit is echter uitdrukkelijk ontkend door P. Massé,
een vroegere Commissaire du Plan, die een voorwoord heeft
geschreven bij een boek over de Franse planning, waarin

deze aantijgingen voorkwamen 17). Bij dit alles heeft zeker
ook een rol gespeeld, dat de vakbeweging soms om ideologi-

sche redenen verstek liet gaan. Bezwaren van de grote Franse
vakcentrales tegen planning onder kapitalisme, leidden vaak
tot het snel afhaken van deze bonden.

Tegenover de kritiek van links stond de kritiek van liberale
zijde, die ook meermalen is geuit, dat door de planning het
marktmechanisme en daarmee de concurrentiekracht van de
economie werd aangetast 18).

Wat betreft de voorbereiding van het Zevende Plan kan
met betrekking tot de inschakeling van de maatschappelijke
organisaties worden opgemerkt, dat bij de formulering van
het Plan alle sectoren van het economische en sociale leven
zijn geconsulteerd. De klacht is geuit, dat in de uiteindelijke

tekst te weinig rekening is gehouden met het werk van de
commissies 19). Dit heeft sommige leden van deze commis-
sies ertoe gebracht elke verdere deelname stop te zetten,
waarmee de onzekerheid over het bestaan en over de doel-

treffendheid van de consultatie is vergroot.
Bij de opstelling van het Zevende Plan heeft uiteraard in

sterke mate een rol gespeeld in welke mate het daaraan voor-
afgaande beleidsprogramma is verwezenlijkt. Alvorens na-
der in te gaan op de concrete inhoud van het Zevende Plan
schenken we daarom aandacht aan de resultaten van het
Zesde Plan.

De resultaten van het Zesde Plan

Het laatste deel van de periode, waarop het Zesde Plan
was gericht viel samen met de economische recessie, die uiter-
aard een sterk ongunstige invloed had op de verwezenlijking

van de meeste doelstellingen voor de middellange termijn.
Voor de eerste keer in de geschiedenis van de Franse meer-jarige planning werd het streefcijfer voor de produktiegroei
bij lange na niet bereikt 20). Voor de jaren van 1971 tot 1975

was de gemiddelde jaarlijkse volumegroei van het bruto
binnenlandse produkt 3,5% in plaats van de nagestreefde

5,9%. Voornamelijk was de ongunstige ontwikkeling van de
investeringen hiervoor als oorzaak aan te wijzen. Het con-
sumptievolume bleef veel beter op peil. Het aandeel van de
lonen in de toegevoerde waarde steeg van 4 1,2% in 1970 tot

44,6% in 1975.
Het falen bij het verwezenlijken van de streefcijfers voor
de produktie heeft negatieve invloed gehad op de werkgele-
genheid. Al bij de voorbereiding van het Zesde Plan was ge-

signaleerd, dat de gekozen groeidoelstelling in het laatste
jaar van de planperiode geen volledige werkgelegenheid zou
waarborgen. Eind 1975 bedroeg het aantal werkzoekenden
meer dan 1 mln., terwijl het Zesde Plan voorspelde, dat het
aantal werklozen slechts 340.000 zou zijn. De stijging van

werkloosheid is gepaard gegaan met een verandering van
haar structuur. Terwijl aan het begin van de planperiode de

werkloosheid voornamelijk beperkt was tot vrouwen, jonge
mensen en witte-boordenwerkers, steeg het aandeel van
volwassen mannen en geschoolde arbeiders aanzienlijk in de
tweede helft van de periode.

Dat de doelstellingen van het Zesde Plan niet zijn ver-

wezenlijkt, noch ten aanzien van de prijzen, noch met be-.
trekking tot de groei, is voor een deel te wijten aan de in-
vloeden, zowel direct als indirect, die de oliecrisis en de

wereldrecessie op de Franse economie hebben gehad. De
economische politiek heeft deze invloed van buitenaf niet
voldoende kunnen compenseren.

Twee scenario’s van het Zevende Plan

Bij de voorbereiding van het Zevende Plan moest rekening
worden gehouden met twee belangrijke factoren. De on-
zekerheid was groot, doordat de resultaten van het Zesde Plan bij de prognoses waren achtergebleven. Tevens was
duidelijk geworden, dat de werkloosheid voor een belangrijk
deel een structureel karakter had gekregen.

Als belangrijkste doelstellingen worden in het Zevende

Plan genoemd 1. de terugkeer naar volledige werkgelegen-heid door een sterke economische groei en 2. evenwicht op
de betalingsbalans 21). Voorts is een aanzienlijke daling van
de inflatie van belang, terwijl echter tevens gestreefd moet
worden naar vermindering van de ongelijkheid, naar ver-

betering van de kwaliteit van het bestaan en naar een betere
verdeling van de zeggenschap.
Voor het Zevende Plan zijn in de voorbereidende fase

twee scenario’s uitgewerkt, gebaseerd op hypothesen met
betrekking tot a. exogene factoren, die waarschijnlijk in-

vloed hebben op de ontwikkeling voor de middellange ter-mijn van de Franse economie en b. mogelijke beleidsalter-
natieven 22).

Heteerste scenario, dt door de opstellers als de optimis-
tische variant is aangeduid, wordt gekenmerkt door een snel
herstel van de wereldhandel. Uitgangspunt is een groei van
de wereldhandel in de orde van grootte van 8 â 9% per jaar voor de periode 1976-1980 – l’hypothèse rose -, hetgeen tot

een sterke groei van de export, een terugkeer van de pro-
duktieve investeringen naar de trend van de jaren zestig en
het bereiken van een gemiddelde groei van het bruto binnen-
lands produkt met 6,6% over de gehele planningperiode zou
leiden. Bij de veronderstelling van een aanzienlijke matiging
in de groei van de beroepsbevolking – voornamelijk als ge-
volg van afremming van de immigratie en enige daling van
de gemiddelde pensioenleeftijd – zou de werkloosheidsgraad
tot minder dan 3% kunnen worden verlaagd aan het eind

van de planperiode. De snelle groei van de uitvoer, samen-gaand met een actieve politiek om de invoer van energie te
beperken, zou het mogelijk maken een omvangrijk overschot

op de handelsbalans te ontwikkelen in 1980. Dit zou vol-

S. S. Cohen, From causation to decision: planning as politics,
American Economic Review, LX,
nr. 2, mei 1970, blz. 180-185.
G.
Grossman.
Economische stelsels.
vijfde druk, Amsterdam,
1976, blz. 123-124.
P. Pascallon,
La planificalion de l’économie Française,
Parijs,
1974.
Grossman, blz. 124.
J. Deleau,
Le Monde,
13juli1976.
OECD,
Economic surveys: France.
januari 1976, blz. 32-35.
Viie Plan de développemeni économique ei social. 1976-1980,
Parijs, 1976, blz. 1.
OECD-rapport, blz. 36-37.

ESB4-5-l977

411

Tabel 1. De beide hypothesen van hei Viie Plan (jaarlijkse
groei in %)
Tabel 2. Belastingen en sociale premies (als % van het bruto
binnenlands produkt)

1960-1973

Vie Plan
Viie Plan (1976-1980)

1970-1975
Optimisti-
Pessimisti-
sche groei
sche groei
hypothese hypothese

Middelen:
Bruto binnenlands produkt
6
3,8 6,6
5

11,5
6,3
12,8
9,2

Bestedingen:
5,5
4,7
4,7
4

Import
………………

Bedrijfsinvesteringen
8
2,9 9,4
5,8

Consumptie
…………..

9,7
8
12,6
8,4
Export

………………

Overheidsbestedingen ..
7,1
3,8
4,2
3,5

Bron:
Le Monde,
22januari1976.

doende zijn om evenwicht op de totale lopende rekening te
verzekeren.

Het tweede, minder optimistische scenario, dat door de
opstellers van het Plan als het meest realistische is aange-

merkt, is gebaseerd op de veronderstelling van een langzame
groei van de wereldhandel. Uitgangspunt is een groei van
4 â
5%
perjaar – l’hypothèse triste -, hetgeen zou leiden tot
een significant lagere groei van het bruto binnenlands pro-
dukt:
5%
gemiddeld over de planperiode. In het pessimis-
tische scenario is een aantal economisch-politieke maat-
regelen ingebouwd, zoals afremming van de immigratie, een

grotere creatie van arbeidsplaatsen in de overheidssector,
arbeidstijdverkorting en inkomensherverdeling, die zouden
moeten leiden tot grotere bestedingen.
Zelfs als men met de invloed van deze economisch-poli-tieke maatregelen rekening houdt, komt het pessimistische
scenario uit op een aanzienlijk lagere groei van het bruto

binnenlands produkt van 3,9% gemiddeld over de jaren
1975-1980 tegen een stijgingstempo van 5,2% in het optimis-
tische scenario.

Kijken we naar de ontwikkeling van de binnenlandse
vraag, dan verschillen de beide scenario’s voornamelijk ten

aanzien van de omvang van de bedrjfsinvesteringen. De
veronderstellingen over de groei van de gezinsconsumptie
liggen dichter bij elkaar.

Wat de prijzen betreft, voorzien de twee scenario’s een
even sterke opwaartse beweging van ca. 8,4% per jaar, ver

gelijkbaar met het gemiddelde in de jaren 1971-1975. Of-
schoon de druk op de grondstoffenprijzen waarschijnlijk bij

het eerste scenario sterker zou zijn dan in het tweede scena-
rio, vormt de grotere toeneming van de produktiviteit een
compenserende, tegenwerkende factor.
Gezien het verschil in uitgangspunt met betrekking tot de
toeneming van de wereldhandel is het niet verwonderlijk,
dat de twee benaderingen belangrijke verschillen laten zien
voor de ontwikkeling van de betalingsbalans. De voorziene
groei van de export is in de tweede situatie immers aanzien-
lijk geringer dan in de eerste. In beide scenario’s is een over

schot op de goederen- en dienstenbalans voorzien, dat in het
pessimistische scenario aanzienlijk lager is (18,4 mrd. Fr.
fr.) dan in het optimistische
(29,5
mrd. Fr. fr).

In welke mate de overheidsfinanciën afhankelijk zijn van

de economische groei laat tabel 2 zien. Bij de optimistische
groeihypothese van 6,6% per jaar is het overschot op de
overheidsrekening, inclusief sociale verzekeringen in 1980
14 mrd. Fr. (in lopende prijzen). Daarentegen zou bij een
groei van
5%
– ondanks een aanzienlijke verzwaring van de

collectieve lasten in 1980 – een tekort van 7,6 mrd. Fr. op-
treden. Het verschil in economische groei van 1,6% zou
budgettair derhalve een verschil van 21,6 mrd. Fr. betekenen.
Bij de 5%-variant blijkt de belastingdruk in 1980 echter 0,7%
hoger te zijn. De opstellers van het plan menen, dat de over-

heid er in dat geval namelijk niet onderuit komt de directe
belastingen en premies te verhogen. Die zullen ,,ondanks de

1970

1
1973 1974
1975
1980

Groei- Groei-
Voet
voet
6,6%
5%
Directe belastingen
7,8
7,7 8,6
7,8
8,5 8,8

Indirecte belastingen
16,8 16,7 15,6
16,4
16,0
16,4

(10,0)
(9,5)
(10,0)
(.)
(9,7)
(10,0)

24,6
24,4 24,2
24,2
24,5 25,2

waarvan

BTW
………..

Belastingdruk

………….

15,1
15,5
16,2
17,3
16,7
18,1

39,7
39,9
40,4
41,5
41,2 43,3

Sociale premies

………..

Collectieve lasten

……….

Bron: Le Monde.
20januari1976.

veelvuldige onvoorzichtige beloften van president Giscard
d’Estaing”, zoals
Le Monde
opmerkt – in de periode 1975-
1980 stijgen van 7,8 naar 8,8% van het BBP, respectievelijk
van 17,3 naar 18,1%. Alleen de druk van de indirecte belas-

tingen zal constant blijven, te weten 16,4%. De totale druk
van de collectieve lasten, die eind 1970 39,7% van het BBP

bedroeg en in 1975 de 40% was gepasseerd, zal dan in 1980
de hoogte van 43,3% bereiken. Met enig leedvermaak citeert
Le Monde
een uitspraak uit 1970 van president Giscard
d’Estaing, die volgens deze krant steeds heeft geweigerd acht

te slaan op deze ontwikkeling: ,,Au delâ de 40 pct., c’est le
socialisme!”.

Voorts zal een aanzienlijke verzwaring van de tarieven
van openbare nutsbedrijven volgens de opstellers van het
Plan nodig zijn. De overheidssubsidies aan deze bedrijven
moeten worden verlaagd. Het niveau van de jaarlijkse ver-
hogingen zal toenemen van 6,5% in de huidige situatie naar
11 of 12% in 1980.

Er wordt vanuit gegaan, dat de groeivoet zeker niet bene-
den de
5%
mag dalen. Mocht de groei tegenvallen, dan dient

de overheid een krachtig investeringsprogramma uit te voe-
ren. Vier onderdelen worden in het bijzonder genoemd: tele-

communicatie, autowegen, energiecentrales en Rijn-Rhône-
kanaal.

De opstellers van het Plan wijzen er verder op, dat er wel
voldoende risicomijdend kapitaal door de aankoop van
obligaties ter beschikking wordt gesteld op de kapitaal-
markt, maar te weinig risicodragend kapitaal. Bestudeerd
moet worden hoe de aankoop van aandelen door de over-
heid, bijv. door fiscale faciliteiten, kan worden bevorderd.
Eveneens zal in studie worden genomen hoe de staat de tot-

standkoming van nieuwe ondernemingen kan stimuleren.
Met betrekking tot de werkloosheid is in eerste instantie
gesteld, dat deze enigszins zal afnemen tot 680.000 â 800.000

in 1980 bij de optimistische groeivariant, maar zich op het
huidige niveau van 1 mln, zal handhaven bij het pessimis-
tische scenario. Door rekening te houden met aanvullende
veronderstellingen over verkorting van de werkweek, ver-

vroegde terugtreding uit het arbeidsproces en wijziging in
deelnamepercentages meent men de werkloosheid verder
terug te kunnen brengen.

Realiteitswaarde van de scenario’s

Voor de realiteitswaarde van de scenario’s is voor alles

van belang de vraag: hoe sterk zal de groei zijn? In de laatste
jaren viel een sterke onderbezetting van het produktieappa-

raat waar te nemen. Een belangrijke voorwaarde voor het
verwezenlijken van de doelstellingen is, dat de particuliere
investeringen weer gaan stijgen. De financiële positie van de -‘
ondernemingen is ‘echter sterk verslechterd.

Wat bttreft de gezinsconsumptie is een belangrijke vraag
of de spaarquote werkelijk zal dalen, als er geen aanzien-

lijke verbetering in de werkgelegenheidssituatie komt in de jaren tot 1980.

412

Met betrekking tot de werkloosheid kan men zich afvra-
gen welke kans er is, dat het gehele stelsel van veronderstel-
lingen werkelijkheid wordt (beperking immigratie, spontane

verlaging van de terugtredingsleeftijd en verkorting werk-
week). Zou een en ander wel worden bereikt, dan is een ver-

hoging van de arbeidskosten het gevolg, hetgeen weer een

nadelige invloed heeft op de werkgelegenheid.
De exportprojecties lijken in beide scenario’s nogal op-

timistisch. De streefcijfers voor de produktiegroei zijn am-
bitieus, te weten jaarlijks 5,5 resp. 7% voor de periode 1977-
1980.

Beide scenario’s impliceren een aanzienlijke verschuiving
in het patroon van de primaire inkomensverdeling. Het aan-

deel van de lonen in de toegevoegde waarde, dat nogal sterk
is gestegen tussen 1970 en 1975, namelijk van 41,2% tot
44,6%, wordt verwacht te dalen tot 41,4% in 1980 in het
eerste scenario en tot 41,3% in het tweede.
De voorwaarden voor het bereiken van evenwicht in de
overheidsfinanciën verschillen nogal in de twee projecties:
de ,,hoge” projectie wijst een overschot van 14 mrd. Fr. aan,

terwijl de lage projectie een tekort van 7,6 mrd. Fr. aan-
geeft.

In beide projecties stijgen de uitgaven van de centrale

overheid in dezelfde mate, terwijl in de lage projectie de toe-
neming van de inkomsten een flink stuk lager is. Toch kan
men zich met het OESO-secretariaat afvragen, of de bepa-ling van het tekort in het pessimistische scenario werkelijk
consistent is met de keuze van een zeer actieve economische

politiek, bijv. met betrekking tot investeringen in de infra-
structuur, die ten grondslag ligt aan de voorspellingen. Bovendien impliceert het bereiken van een evenwicht in
de overheidsfinanciën (of het houden van het tekort binnen zeer nauwe grenzen) een niveau van collectieve lasten, dat

is vastgepind op een voor Frankrijk hoog peil, te weten 41,2%
van het BBP in het optimistische scenario en 43,2% in het
pessimistische. Maatregelen, die tot deze percentages leiden,
kunnen op sterke sociale en politieke weerstand stuiten.

Het uiteindelijke Plan

Op basis van de boven beschreven scenario’s is uiteindelijk
het Zevende Plan geformuleerd. In het laatste schema is als

wenselijke groeivoet 5,7% per jaar gekozen. Dit lijkt nogal
ambitieus, als we weten, dat in de jaren van het Vie Plan
deze groeivoet nooit hoger is geweest dan
4,5%.
Voor een
economische groei van 5,7 â 5,8% per jaar moet de indu-
striële produktie met 7,2% toenemen, terwijl dit cijfer in de
jaren 197 1-1974 6% heeft bedragen.

Volgens het aangehouden schema zou de groei snel zijn
gedurende het eerste deel van het VlIe Plan, voornamelijk

getrokken door de consumptieve vraag en de investeringen
van staatsbedrijven, die belangrijke programma’s zullen

uitvoeren. Gedurende het tweede deel van het Plan moeten
de particuliere investeringen de motorische rol vervullen.
De gemiddelde volumegroei van de investeringen (particu-

liere en overheidsinvesteringen) zal 8,1% per jaar moeten
zijn. Een nieuw element in het Plan is, dat 25 concrete ,,pro-

grammes d’action prioritaires” in de overheidssfeer zijn
vastgesteld, die bij voorrang zullen worden uitgevoerd.

Dit schema zal de werkloosheid tot 600.000 in 1980 terug-

brengen. Naast een sterke groei (5,5 â
6%),
gericht op ver-mindéring van de werkloosheid, is een andere leidende ge-
dachte van het VIle Plan de bestrijding van de inflatie. Ge-
dacht wordt aan een infiatiegraad van 7,6% per,
jaar, hetgeen
het gemiddelde is van hogere percentages in het begin, die
uiteindelijk tot 6% in 1980 worden teruggebracht.

De collectieve lasten zullen stijgen van 4 1,5% van het

BBP in 1975 tot 43,2% in 1980. Het staatsbudget en dat van
de sociale verzekeringen zullen zo in 1980 in evenwicht zijn,

maar niet het totale budget van de collectieve sector dat een
geraamd tekort vertoont van IS mrd. (in Fr. van 1980). De
belangrijkste oorzaak daarvan zijn de uitgaven van de lokale
overheid.

Voorts wordt voorzien dat de handelsbalans een overschot
zal vertonen van 29 mrd. Fr. (waarde 1980), als gevolg van

goede resultaten met betrekking tot de agrarische en indu-

striële produkten, en van een beperking van de olie-invoer.
Desondanks zal de betalingsbalans een tekort van 9 mrd.

Fr. in 1980 laten zien. De experts geven toe, dat dit gemak-
kelijk kan oplopen tot 16 mrd. Fr. als aan bepaalde gunstige

voorwaarden niet is voldaan (bijv. de sterke groei van de
agrarische en industriële export) 23).
Uitvoering van het Viie Plan zal moeilijk zijn gezien de
doelstellingen, die conflicteren. Daar komt nog een laatste
doelstelling bij: heroriëntering van de groei en de prijs van
zekere sociale verlangens. Het gaat hier om arbeidstijdver-
korting tot 39 uren per werkweek in 1980, pensioenverbete-
ring en extra inkomensverbetering voor bepaalde catego-
rieën van de bevolking.

Conclusie

In het voorgaande is geconstateerd dat het specifieke ka-
rakter van de Franse planning – het nastreven van taak-

stellingen per bedrijfstak – is verdwenen. Het Franse Zeven-

de Plan is in hoofdzaak een macro-economische prognose.
Een nieuw element is slechts, dat 25 ,,programmes d’action
prioritaires” in de overheidssfeer zijn vermeld, die bij voor-
rang zullen worden uitgevoerd. Het Vlie Plan is opgesteld

en vastgesteld in een klimaat van onverschilligheid en scep-

ticisme ten aanzien van de noodzaak en doeltreffendheid
van de planning. Daarvoor is tekenend de geringe belang-
stelling, die de parlementaire behandeling van het Zevende

Plan heeft ondervonden, terwijl dit programma toch de weg
uitzet voor de Franse economie tot het jaar 1980. Dit is in

grote tegenstelling tot de welhaast mystieke betekenis, die
in het verleden in Frankrijk in sommige perioden aan het

Plan werd toegekend. Van het element van de ,,concerta-
tion” is weinig overgebleven.

J. K. T. Postma

23) A. Vernholes, Le Viie Plan quinquennal,
Le Monde.
30 maart
1976.

Indien u niet élles op economisch gebied kunt lezen,

dan kunt u ESB onmogelijk missen.

ESB 4-5-1977

413

Maatstaven ter beoordeling van

de spreiding
bij
inkomensverdelingen

met negatieve inkomens

DRS. J. T. W. ALLEBLAS

Viel spreidingsmaatstaven voor de inkomens-

verdeling zijn niet geschikt voor de beoorde-

ling van inkomensverdelingen met negatieve

inkomens. Het is echter mogelijk de coëffi

ciënt van Gini zo te corrigeren dat deze wel

een geschikte maatstaf lijkt, om ook negatie-

ve inkomens in het beeld der inkomensspreiding

te betrekken. Drs. J. T. W. Alleblas, werk-

zaam bij het Landbouw Economisch Instituut

te Den Haag, zet dit in onderstaand artikel

uiteen.

Inleiding en doel

Inkomensverdelingen kunnen op vele manieren worden
weergegeven. Een van die manieren bestaat uit het bere-
kenen van een spreidingsmaatstaf. Men kan hiermee d.m.v.

één cijfer de plaats van de gehele inkomensverdeling
weergeven. In de land- en tuinbouw wordt gewerkt met

het zogenaamde ondernemersinkomen 1). Aangezien dit

negatief kan zijn is de bruikbaarheid van bestaande maat-
staven niet vanzelfsprekend. Daarom werd een onder

zoek ingesteld naar de toepasbaarheid van bestaande para-

meters bij inkomensverdelingen met negatieve inkomens.
Het doel van het aan dit artikel ten grondslag liggende

onderzoek is om uit de bestaande methoden en technieken

een bruikbare maatstaf voor inkomensverdelingen met

negatieve inkomens te postuleren. Het uitgebreide vooron-

derzoek zal slechts summier worden verwoord met dien

verstande dat de gekozen en aan de omstandigheden
aangepaste maatstaf uitgebreid zal worden behandeld.
Bij het onderzoek hebben wij ons laten leiden door
de wetenschap dat inkomensspreidingsmaatstaven eigen

karakteristieken hebben 2). Wij beschouwen daarom de
door ons ontwikkelde maatstaf niet als zaligmakend, doch

meer als hulpmiddel bij de bepaling van de ongelijkheid
der inkomens in de Nederlandse tuinbouw. Dit betekent

dat additionele gegevens m.b.t. inkomensklassen, inkomens-
lagen en inkomenstrekkers voor een goed inzicht in de

inkomensverschillen noodzakelijk zijn. Bij de interpretatie van de gegevens moeten verscheidene facetten naar voren

kunnen komen 3).
Dit artikel voorziet echter niet in mogelijkheden tot vorming van een totaalbeeld, doch tracht een bijdrage

te leveren aan de mogelijkheid om negatieve inkomens

in een coëfficient tot uitdrukking te brengen.

Keuze en motivatie der maatstaf

In het kort zal een overzicht worden gegeven van

de onderzochte maatstaven en de daaraan gekoppelde

bezwaren van toepassing op inkomensverdelingen met nega-

tieve inkomens.

Bij de eerste selectie werden de constante van Pareto

(met daarbij behorende varianten) en de Theilcoëfficient

niet geschikt bevonden voor toepassing. De Theilcoëffi-
ciënt kent het bezwaar dat inkomensverdelingen waarin

negatieve inkomens voorkomen niet in de berekening
kunnen worden betrokken, terwijl de constante van Pareto
slechts toepassïngsmogelijkheden kent voor ondernemers-
inkomens boven de f. 10.000. Bij halfiogaritmisch verband

(de inkomens werden uitgezet op een logaritmische schaal
en de aantallen op een lineaire schaal) en
bij
normaal

verband (zowel aantallen als inkomen werden lineair in-
geschaald) gaf de curve pas bij f. 5.000 inkomen een
lineair verband te zien. Dit houdt voor de tuinbouw

in dat ca. 15% der inkomenstrekkers niet in aanmer-

king kon worden genomen.
De concentratiemodulus, het psychisch inkomen 4) en
de psychologische concentratiemodulus (d.i. een variant
van het psychisch inkomen) kennen te veel arbitraire ele-

menten bij het bepalen van de van toepassing zijnde in-
komensklassen. Vooral de bepaling van de inkomensgren-

zen bij het centrum van dichtheid kent arbitraire elementen.

Als gevolg hiervan werd in het kader van de doelstelling van het onderzoek aan de toepasbaarheid van deze maat-

staven getwijfeld.
De Lorenzcurve is een verdienstelijke methode om de

spreiding te visualiseren. Er ontstaan echter moeilijkheden

bij de interpretatie als de curves elkaar snijden of zeer dicht bij elkaar gaan lopen. Als er in de curve negatie-
ve inkomens worden ondergebracht, zal door de afwijkende
vorm der curve een vergelijking met inkomensverdelin-
gen met alléén positieve inkomens vrijwel onmogelijk

worden.
De standaarddeviatie werd niet gekozen, omdat de invloed

van een verschillend gemiddelde op de spreiding niet goed naar voren komt. De variatiecoëfficient kent dit

verschijnsel niet, maar heeft daarentegen het nadeel bij
een zeer laag gemiddeld inkomen tot oneindig te kunnen
stijgen. De keuze van de maatstaf ging derhalve uit

Hoe rekent hei LE! over de landbouw.
LEI, Mededelingen
en overdrukken 131, 1975 blz. 20-33: ,,Uitgangspuntenen begrippen
bij de vaststelling van bedrijfsresultaten in land- en tuinbouw”.
D. G. Champernowne, A comparison of measures of in-
equality of income distribution,
Economic Journal,
no. 336,
1974, blz. 787-8 16. J. Hartog, Inkomensongelijkheid naar beroeps-
groepen 1952-1967,
ESB,
17maart1976, blz. 273-276. Hieruit wordt
o.a. onderzocht de mate van overeenstemming van indicaties ont-
leend aan verschillende maatstaven.
J. Pen en J. Tinbergen, Hoeveel bedraagt de inkomensegali-
satie sinds 1938?,
ESB.
15 september 1976, blz. 880-884.
J. v. d. Wijk,
Inkomens en vermogensverdeling,
De Erven
F. Bohn NV, Haarlem, 1939.

414

Figuur 1. Opprvlakkenverhoudïng en

Figuur 2. Curve van een inkomensver-

Figuur 3. Curves van inkomensverdelin-
de maximale waarde der coëfficiënt bij deling mei 37% negatief inkomen

gen naar oplopend percentage negatief
toenemende negatieve inkomens. (De

inkomen

curve van de inkomensverdeling volgt

de assen AB, BC)

Inkomens %
c

Inkomens %
c
Inkomens %

A

90
80

70

60

• 50

40

30

/
Inkomenstrekkers%/

20

I0
B
10 20 30 40 50 60/ 70 80 90
740
/. 80/

00
90

80

70

60
50
40
30
20

to

0

to

20

30

40

50
60

70

80

90

00

0

naar de coëfficiënt van Gini. Deze heeft o.a. het voordeel

dat negatieve inkomens in de berekening kunnen worden

betrokken. Het gedrag van de coëfficint bij aanwezigheid
van negatieve inkomens is echter onzeker 5). Dit is de
reden geweest, waarom de coëfficient uitgebreid werd
onderzocht.

Het onderzoek naar de coefficient van Cmi
6)

Als uitgangspunt blijft gehandhaafd dat de coëfficient

zich bij aanwezigheid van negatieve inkomens blijft bewegen

tussen 0 en 1. De formule die als basis voor het verdere
onderzoek dienst zal doen, luidt als volgt:

Gini = l

fl(y+y_
1
)
waarbij

LL.
= de relatieve cumulatieve inkomens-

fractie van de i-de klasse;

fi = de relatieve fractie der inkomenstrek kers.

Wij starten met de opstelling van een overzicht, waarbij

het percentage negatief inkomen in de verdeling oploopt
van 0 tot lOO, en waarbij vervolgens de maximale waar-

de van de coefficient werd berekend met behulp van

de formule. Uit deze berekeningen blijkt dat de coefficient boven 1 kan stijgen
7).
Verder kan nog worden opgemerkt
dat de reeks een procentuele voorstelling is, zodat ze
betrokken kan worden op verschillende gemiddelde en
totaalinkomens. De symbolen stellen achtereenvolgens
voor:

Y-
= negatief inkomen;
Y+=
positief inkomen;
YT = totaal inkomen (= Y- + Y+)

Als randvoorwaarde bij het onderzoek geldt dat
Y-
tot
-100% van YT mag dalen.

Tabel 1. Maximale waarde van de
coëfficiënt
van Gini

bij toenemende negatieve inkomens; berekend met de

formule van Gini

Percentage
van YT
Perntage
Y+ van YT
Maximale waarde
der co6fficitnt

0
loo

0
110
1,2

20
120.
1,4

30
130
1,6

40
140
1,8
1,8

50
50
2,0

60
160
2,2

70
170
2,4

80
180
2,6

90
190
2,8
—lOO
200
3,0

In tabel 1 zijn
Y-
en Y+ steeds uitgedrukt als een

percentage van Y- +
Y+
= YT. Het totale inkomen

Bedrijfseconomische Encyclopedie,
Deel t, Algemene economie,
W. de Haan, Bussum, 1969, blz. 180-181.
De coëfficiënt van Gini beweegt zich tussen 0 en 1. De
inkomensongelijkheid neemt toe als de waarde der coëfficint
toeneemt. Als alle inkomens gelijk zijn is de coëfficient 0.
Bij een waarde van 1 is de ongelijkheid maximaal.
J. T. W. Alleblas,
!nkomensspreiding in de tuinbouw van 1966
tol 1974.
LE!, interne nota 215.

ESB 4-5-1977

415

is dus steeds 100%. Indien de coëfficient maximaal 3,0

wordt, betekent dat, dat de eerste inkomenstrekker -100%
van de totale inkomenssom geniet en dat de laatste

inkomenstrekker +200% van YT aan inkomen heeft. De

overige inkomenstrekkers hebben geen inkomen. Bij -50%

inkomen’ kan de coëfficiënt maximaal 2,0 worden. Dit

is het geval als de eerste inkomenstrekker -50% van

de som der inkomens heeft terwijl de laatste inkomens-

trekker de rest, zijnde +150%, toekomt.

De coëfficiënt kan boven 1 stijgen. Aangezien dit bij

de coëfficient van Gini ongebruikelijk is zullen we

proberen enige duidelijkheid te scheppen door de berekende
inkomensspreiding te visualiseren met behulp van de opper-

vlakkenverhouding die aan de coëfficiënt ten grondslag

ligt (zie figuur 1).

De coëfficient is bij verdelingen met alleen positieve
inkomens gelijk aan de verhouding van het concentra-

tieoppervlak (dit is het door de curve van een inkomens-

verdeling en de lijn AC ingesloten oppervlak) en de
driehoek ABC.

In het navolgende zal een analoog betoog worden
opgebouwd voor inkomensverdelingen met negatieve inko-
mens. Hiermee kan worden verklaard waarom de coëf-

ficient de in tabel 1 aangegeven waarde kan aannemen.
Bij 100% negatief inkomen steeg de maximale waarde
der coëfficient tot 3,0. Dit komt overeen met de verhouding

der oppervlakken Bij 50% negatief inkomen is
ABC

dit

2,0. Hieruit kan worden geconcludeerd dat

ADEC

ABC

voorgaande formule geen rekening heeft gehouden met
de maximale ongelijkheid die kan worden bereikt als
er resp. 100% en 50% negatief inkomen aanwezig is.
De A ABC wordt steeds als noemer gehandhaafd, on-

geacht het oppervlak dat werkelijk voor de maximale

spreiding in aanmerking moet komen. Indien de werkelijke

maximale spreiding in de berekening zou worden betrok-

ken, zou dit overeenkomen met de oppervlakken AFGC

en ADEC als noemer te gebruiken i.p.v. de A ABC.
Hierdoor zal als uitkomst een maximale ongelijkheid van

AFGC

ADEC
1 verschijnen: – en
AFGC

ADEC
Conclusie uit bovenstaande is dat op de uitkomst van
de formule een correctie zal moeten worden uitgevoerd,
die overeenkomt met de verhouding van de oppervlakken

der werkelijke maximale spreiding bij negatieve inkomens

en dat der maximale spreiding bij alleen positieve inko-

mens. Voor elk percentage negatief inkomen kan een
correctiecoëfficiënt worden opgesteld die kan worden bere-
kend door de in tabel 1 genoemde maximale waarden
terug te brengen naar 1. Zo wordt de correctie op een
berekende inkomensspreiding bij 50% negatief inkomen
2, dat wil zeggen dat de uitkomst zal moeten worden

gedeeld door 2. De correctiecoëfficiënten zijn door interpo-

latie te berekenen uit tabel 1, omdat hier de maximale spreiding wordt weergegeven die is berekend op basis
van een verdeling met alleen positieve inkomens.

Voorbeeld ter berekening van de spreiding (figuur
2)

De curve AFC (die analoog aan de Lorenzcurve is

opgezet) bereikt in F zijn laagste punt (figuur 2). Hier
is 37% gecumuleerd negatief inkomen bereikt. De maximale
spreiding bij 37% negatief inkomen wordt weergegeven

door het trapezium ADEC. Dit oppervlak zegt ons dat

de eerste inkomenstrekker -37% van het totaal inkomen

(100%) heeft en dat de laatste inkomenstrekker +137%
(van YT) aan inkomen geniet. Alle overige inkomens-

trekkers hebben een inkomen gelijk aan nul.

Berekenen we met de formule van Gini de spreiding
van bovenstaande verdeling dan geeft dit 0,974 als uit-

komst. Deze uitkomst moet echter nog worden gecorri-

geerd voor de maximale spreiding bij 37% negatief inkomen

in vergelijking tot de maximale spreiding bij 0% negatief

inkomen. Uit tabel 1 is te berekenen dat die correctie

1,74 moet zijn. Dit komt overeen met de oppervlakken-

verhouding der werkelijke maximale spreiding en de maxi-

DECA

8700
male spreiding bij positief inkomen zijnde – = — =

0,974
1,74. De uitkomst van de spreiding wordt dan- = 0,600.

Controle op de berekende coëfficiënt

De controle zal worden uitgevoerd voor 5 inkomens-

verdelingen, die een oplopend percentage negatief inkomen

bevatten. In figuur 3 zijn de hierbij behorende curves
in beeld gebracht. De curves zijn opgebouwd uit coör-
dinaten der punten, welke de cumulatieve percentages in-

komens en inkomenstrekkers voorstellen.

Er werd begonnen met de berekening van de coefficiënt
volgens de formule. De uitkomsten werden op de hiervoor
aangeduide wijze gecorrigeerd (tabel 2, kolom
5).

Vervolgens werd met behulp van de regressie-analyse de
functie der kromme bepaald. Door middel van een inte-
graalberekening werden daarna de oppervlakken welke

door de curves ingesloten zijn, berekend. Deze opper-
vlakken werden gedeeld door het bij de betreffende func-

tie behorende oppervlak der maximale spreiding (overzicht
2, kolom 8). Dit werd gedaan omdat de coëfficient van

Gini overeenkomt met de verhouding van het concentratie-

oppervlak en het oppervlak der maximale spreiding 8).
(N.B. De coefficient kan dus m.b.v. de Lorenzcurve bepaald
worden).

Tabel 2. De coèfJiciënt van Gini volgens cle integraal-
berekening en volgens de formule

i
2 3
4
5
6
7 8
9
Verde- Co8ffi-
%
Nega-
Maxima-
Cmi ge-
Concen- Opper-
Cmi
=
R
2
der
ling
citni van
tief inko-
le onge-
corn-
Iratieop-
vlak der
617
functie Cmi
men
lijkheid
geerd
pervlak maximale
xpreiding

1
0,292
0,36
1,0072
0,290
1453
5036
0,289
0,996
2
0,403 3,75
i,0750
0,375
2025 5375
0,377
0,995
3
0,554
0,60
1,2120
0,457
2798
6060
0,462 0,992
4
1,015
35,40
1,7080
0,594

5154
8540 0,603
0,969
5
1,916
85,14
2,7028
0,709

9753
1314
0,722
0,915

We kunnen nu de kolommen 5 en 8 vergelijken. De

conclusie is dat de coëfficienten van Gini die op 2 ma-

nieren werden berekend nauw op elkaar aansluiten. De
verschillen zijn gering te noemen. Bij ca. 10 â 15% nega-

tief inkomen is er een verschil van ongeveer 0,5%; dit loopt

op tot ruim 1% bij 80% negatief inkomen.

Samenvatting en conclusies

In dit artikel werd nagegaan of er mogelijkheden zijn
om negatieve inkomens te betrekken in het beeld der

inkomensspreiding. Uit een aantal onderzochte maatsta-
ven werd de coefficiënt van Gini gekozen. Bij toepassing
van de Ginicoëfficiënt op verdelingen met negatieve in-
8) Mens en keuze,
Hfst. 10, F. J. de Jong, De kromme van
Lorenz en de concentratiecoëfficiënt van Gini, blz. 171-209,
Noord-Holland Uitgevers Mij.

416

Kapitaalnood in de industrie

DR. F. W. C. BLOM

Onlangs kwam met enorme vertraging de

balansstatistiek van beurs-NV’s 1974 uit 1). Deze

statistiek is enorm verbeterd, met veel meer

specficaties en analytisch commentaar. Dit werd

mogelijk door de invoering van de Wet op de

Jaarrekening, die de ondernemingen tot een

bepaalde detaillering van hun jaarrekening heeft

verplicht. Hieronder zal slechts één finan cie-

ringsonderwerp worden aangeroerd, als een
demonstratie van de grote betekenis van die

statistische bron, en tegelijk als een belangrijk

economisch-politiek probleem. Dat onderwerp

is: de ontwikkeling in de financiële structuur van

beurs-N V’s van de,, binnenlandse industrie”. Die

groep om vat niet de internationals, maar wel de

rest van de industrie mcl. hun buitenlandse be-

drijven.

1. Samenstelling financiering

Op grond van het statistisch materiaal heb ik de procen-
tuele samenstelling van de balanspassiva van de categorie
beurs-NV’s van de binnenlandse industie berekend. Dit wordt
in figuur 1 uitgebeeld. In tabel 1 staan dezelfde gegevens
tabellarisch, alsmede de gezamenlijke balanstotalen.

De balansotalen zijn sterk gegroeid om. door: a. algemene
geldontwaarding; b. toenemende afzetfinanciering. Het eigen
vermogen heeft dat groeitempo niet kunnen bijhouden. Op-
merkelijkis vooral:

1. Het aandeel van het eigen vermogen in de totale financie-
ring daalde doorlopend in 7jaren van 45% tot 28% eind
1974, dus met 3 punten per jaar. Die
trend
lineair door-
trekkend, zou dat thans op
22%-23%
kunnen staan. Dit
betekent een ernstige verzwakking van de solvabiliteit, één
van de vereisten voor kredietwaardigheid van leningen op
lange termijn:

De daling van de component eigen vermogen is
niet
gecompenseerd door een expansie van de component
vreemd vermogen op lange termijn. Hoewel dat laatste
voor de onderneming toch het naastbeste surrogaat voor
eigen vermogen zou zijn voor haar langdurige kapitaalbe-
hoeften. Heel opvallend is dat de component vreemd
vermogen op lange termijn in percentage van het balans-
totaal ook wat is gedaald. Tot aan 1972 toe lag die in de

orde van 20%, daarna zakte zij in tot 19%. De verklaring
ligt voor de hand, dat het aandeel van deze component is
gedaald doordat vele ondernemingen bij te verzwakte
solvabiliteit niet in staat waren nieuwe geldleningen op
lange termijn te verkrijgen.

De daling van de component eigen vermogen is
int egen-
deel
gecompenseerd door een expansie van de component vlottende schulden. Hoewel dat laatste het radicale tegen-deel is van eigen vermogen.

2. Netto-werkkapitaal

,,Kapitaal” is een naam voor kapitaalmarktmiddelen die
voor lange duur aan ondernemingen worden verstrekt. Dus
gewoon eigen vermogen
.
+ vreemd vermogen op lange termijn

= totaal vermogen op lange termijn.
Voor zover kapitaal langdurig in activa wordt ginvesteerd,
is het vastgelegd kapitaal; het daarboven overschietende
kapitaal wordt gestoken in een deel van de vlottende actia en
dat heet netto-werkkapitaal. Figuur 2 en tabel 2 tonen de
ontwikkeling van het netto-werkkapitaal. Hierin is vooral

opmerkelijk:

1. Het percentage netto-werkkapitaal in de
balans is
even-
eens hard achteruitgegaan van 21% naar 13% in 1974. Dit is voor een deel een doorlopende
trend
met een daling van
een punt per jaar, maar bovendien een meer
eenmalige
kleine instorting na de oliecrisis van 1974.

1) Beurs-NV’s 1974, Financiele statistiek uit jaarrekeningen 1974, in
Maanc/siatis,iek Financiewezen,
Centraal Bureau voor de Statistiek,
december 1976.

komens bleek de coëfficiënt boven 1 te kunnen stijgen.
Dit zou inhouden dat verdelingen met negatieve inkomens

in principe een grotere spreiding kunnen hebben dan
verdelingen met alleen positieve inkomens, hetgeen onjuist

verondersteld mag worden. Dit verschijnsel werd onderzocht

en kan verklaard worden uit het feit dat de formjile
geen rekening houdt met de opbouw der maximale sprei-

ding bij verdelingen met negatieve inkomens. Daarom
zal de uitkomst een correctie moeten ondergaan die overeen-
komt met de verhouding van de oppervlakken der maxi-

male spreiding bij verdelingen met negatieve inkomens en
de maximale spreiding bij verdelingen met alléén positieve

inkomens. De gecorrigeerde coëfficiënt van Gini werd ge-
controleerd door de oppervlakken werkelijk te berekenen

m.b.v. regressie-analyse. De uitkomsten van deze berekenin-
gen zijn zodanig dat de op onze wijze berekende cofficint
een goede manier lijkt om de spreiding weer te geven van
inkomensverdelingen met negatieve inkomens.

J. Alleblas

ESB 4-5-1977

417

Figuur 1. Procentuele balanssamenstelling van Nederlandse
beurs-NV’s industrie excl. internationals (eigen vermogen:

aandeel van derden in dochterondernemingen inbegrepen)

7

80%
i

WAL

L

1

1

40%

20%-1 45%

1
27%
EIGEN VERMOGEN

1

0%
1968

969

1970

1971

1972

1973

1974

Tabel 1

1968
1969
1970
1971
1972
1973
1974

Schulden op
kortetermijn

….
37% 39%
45%
45%
44%
52%
54%

Vreemd vermo-
gen op lange
termijn
(mcl.
voorzieningen)

18% 19% 18%
20%
22%
17%
19%

Eigen vermogen
mcl.
aandeel
derden
……….
45 %.
42%
37% 35% 34%
31%
27%

Balanstotaal …..100%
100%
100% 100% 100%
100%
100%

Balanstotaal
inf.mrd
………
.f.13
f.14
C.16
1

f.18
f.20
1

f.25
f.29

De relatieve toeneming van de vlottende activa van 58%
naar 67% van de totale activa.zou.eerder een daarmee
evenredige toeneming van het percentage netto-
werkkapitaal in de balans hebben gevergd. Daardoor zakte het percentage netto-werkkapitaal
in de
vlotiende acliva
nog sterker. Decimaal uitgedrukt: van
0,36 tot 0,19. Gevolg daarvan is een
trendmatige
sterke
achteruitgang van de liquiditeitsverhouding (current ra-tio) van 1,6 X naar 1,2 X in 1974.

3.
Dekking rentelasten

In de nieuwe statistiek is de winstsamenstelling verder
gespecificeerd. Daaruit kan het volgende worden opgesteld

voor die groep van industrie-beurs-NV’s (zie tabel 3).

Tabel 3

(in f. mln.)
1973 1974

Winst véôr aftrek rentelasten
en belastingen
F.

1.476
f.

1.723

Rentelasten
f.

336
f.

568

Winst v6dr belasting
f.

1.140
f.

1.155
helastittgen
F.

540
f.

544

Winst na belasting
f.

600
f.

611

Dekking van rentelasten

.
4,4 X
3,3 X

Opmerkelijk is vooral:

de rentelasten zijn in 1974 zeer veel toegenomen, met 69%; de winst v66r aftrek van rente en belastingen is in 1974 met
17% gestegen;

Figuur 2. Vermogen op lange termijn (z.g. kapitaal) in vaste
activa e.d. voor lange termijn vastgelegd kapitaaL Netto-werkkapitaal voor vlottende activa in % balanstotaal van

Nederlandse beurs-NV’s industrie excl. internationals
BALANSTOTAAL ACTIVA/PASSIVA
108% t

t

t

t

t

t

80

60%.

21%

VERMOGEN
NEflO-Wl(RKKAPITAAL

,TERMIJN
VASTE

20%-

1

0%.–

,

1
968

1969

1970

1971

1972

1973

1974

Tabel 2

968
1969
1970
1971
1972
1973 1974

Vlottende
58
%
59
%
63
%
62
%
62
%
66
%
67
%
activa

…………

Af: schulden op
kortetermijn

….
37% 39%
45% 45% 44%
52% 54%

Netto-werkka-
pitaal
………..
.21%
.20%
18% 17%
18%
14%
13%

Vastgelegd
kapitaal
……….
42% 41% 37% 38% 38% 34% 33%

Vermogen op
ktnge termijn
(kapitaal)

.
63%
61 %
55%
55%
54%
48%
46%

Vlottende
i’ctis
,
a

Schulden op
1,6 X
1.5 X
1,4 X
1,4 X 1,4 X
1,3 X
1,2 X
korte termijn
Bron: CBS
Wi,tst. en Verntogestssiasistiek t’u,t /.,eurs-N Vs

de dekking van rentelasten is dramatisch achteruitgegaan.

De achteruitgang in dekking van rentelasten is werkelijk
tragisch. Die verhouding is voor verstrekkers van geldlenin-
gen op lange termijn een belangrijke maatstaf voor krediet’
waardigheid op lange termijn. Voor industrie zijnde normen
ongeveer: dekking rentelasten 5 X is uitstekend, 4 X is goed,
3 X is zwak en 2 X is slecht. De dekking rentelasten is in 1974
door de kritische norm van 3
1
/2
X doorgezakt; in één jaar van
,,goed” in ,,zwak” ömgeslagen. Waarschijnlijk is die verslech-

tering in 1975 en in 1976 doorgegaan.
De toeneming van de rentelasten in 1974 zal ongeveer voor
de helft het gevolg zijn van toeneming van de rentedragende
schulden, en overigens van hogere rentevoeten.
Rentabiliteit

Helaas is de gepubliceerde statistiek niet zo ver gedetail-
leerd, dat het navolgende rendement op activa exact kan –
worden berekend. Met een kunstgreep kan dat wel benade-
rend worden geschat (zie tabel 4).

Opmerkelijk is:

in 1973 verdiende deze groep industrie véér belasting nog
wel de marktrentevoet op genvesteeerd financieringsver

mogen;

in 1974 echter niet meer; de industrie is dus subrendabel
t.o.v. de marktrentevoeten,

418

Tabel 4 (in mln, guldens)

1973
1974

Totaal acliva/passiva balanstotaal
t. 24.936
t. 29.155

Stel: ca.
3
1,
renteloze crediteuren
in het balanstotaal. Dan:

met kapitaal en rentedragende krcdietengelinancierdeaetiva
t. 16.624
t. 19.457

Winst v6dr aftrek rente en
belastingen
t.

1.476
f.

1.723

Rentabiliteit van die activa/dat
financieringsvermogen
9% 9%
Rentabiliteit eigen vermogen, na
belastingen
8
0
/0
8%

Rentestand op kapitaalmarkt
voor hypothecaire leningen gemiddeld
9%
11%
Rentestand op geldmarkt voor
rekening-courant kredieten gemiddeld
9%
12%

5. Kapitaalnood bij
industrie

In beginsel zou het denkbaar kunnen zijn, dat de verande-
ringen in financieringsstructuur een beleidsbeslissing zou zijn

geweest. De conventionele balansverhoudingen berustten op
ervaringswijsheden van lang geleden; sindsdien is er zoveel

veranderd met geldontwaardingsvooruitzichten, rentevoeten,
belastingen enz. dat de traditionele balansverhoudingen niet meer optimaal zijn.

Maar alle voorgaande gegevens brengen aan het licht, dat
de ingrijpende veranderingen in balansverhoudingen het
gevolg waren van kapitaalnood.

Sub 1 bleek, dat de afneming van de portie eigen vermogen
niet werd opgevangen door versterking van de portie lang
vreemd vermogen, hoewel dat nog de beste oplossing voor de
financieringsstrucuur zou zijn geweest.

Sub 2 bleek, dat de financiering niet meer in het benodigde
netto-werkkapitaal kon voorzien. Dat had een droevig en
gevaarlijk gevolg voor de liquiditeit op korte termijn. Sub 3 bleek, dat de dekking rentelasten scherp terugliep.
Sub 4 bleek, dat de industrie in 1973 nog maar net de

marktrentevoet voor leningen op haar financieringsvermogen
verdiende (v66r de extra-belastingen op ondernemingswin-
sten); en dat zij in 1974 duidelijk sub-rendabel was.
Gezien dat alles blijkt duidelijk, dat het voor de industrie-
beurs-NV’s over het geheel genomen onmogelijk was om

voldoende in kapitaalbehoeften (waarvan het bedrag vrij snel

oploopt) te voorzien.

Conclusie t.a.v. binnenlandse industrie-beurs-NV’s

Sinds 1968 is een doorlopende verzwakking in financie-
ringsstructuur opgetreden. In 1973 en 1974 onderging zij ook
nog een eenmalige extra-verzwakking door de gevolgen van
de oliecrisis. In 1974 stond een groot deel van de industrie al
aan het eind van haar financieringslatijn. De verzwakkende
trend is na 1974 niet opgehouden; de actuele toestand van de
financieringsstructuur is nog zwakker.
De zwakke vermogenssituatie van de industrie is de zwak-
ste schakel in elke poging de industriële bedrijvigheid te
stimuleren. Ook al zou de overheid met premies de winstvoor-
uitzichten op verdere investeringen wat aantrekkelijker ma-
ken, dan loopt dat dood op gebrek aan kapitaal bij de
industrie.
Er zijn twee manieren om een ezel tot doorgaan te dwingen:
met een peen voor zijn neus als hij hongerig is of met een stok
achter zijn rug als hij geen honger heeft. Maar als hij door
langdurige uitbuiting tot vel en been is verzwakt, helpen geen
van beide prikkels. Mi. bevat deze statistiek gegevens, die
bewijzen dat de industrie nu financieel uitgeput is.

Hoogst veelzijdig nieuw statistisch materiaal

Nu nog een paar opmerkingen tav. de bedoelde statistiek
over 1974. Deze omvat veel meer gegevens dan vroeger. Ook
jaaromzetten, winstmarges, omloopsnelheden. Verbeterde
,,herkomst en besteding van middelen”. Beter onderscheid
tussen monetaire en non-monetaire activa. Een goudmijn
voor onderzoek, dat betere doelstellingen voor de financieel-
economische politiek kan opleveren. Een doelstelling is
meestal: het opheffen van een toestand, die de realisatie van
het hoofddoel (zoals voortbestaan) in de weg staat.
Maar het kost enorm veel werk en tijd om dat alles grondig
te onderzoeken, en dan wordt het resultaat daarvan helemaal
mosterd na de maaltijd. Daarom heb ik mij tot een snelle
vlotte analyse van één aspect beperkt; beter snel en ongeveer
goed çn beknopt, dan wachten totdat alles in zijn geheel is
geanalyseerd.

F. W. C.
Blom

Beroemde economislen (10)

Gust.a.v. Schmofier

(1838-1917)

Schmoller werd te Heilbron geboren als telg uit een gegoe-
de familie. Zijn vader was een hoge ambtenaar, ,, Kameral-
verwalter” te Würtemberg. Deze goedaardige, ernstige en
plichtsgetrouwe man voedde de jonge, ziekelijke (waar-

schijnlijk tuberculeuze) Gustav na de vroegtijdige dood van

diens moeder op met het ideaal van een streng geordend en
vooral werkzaam leven. Het was zijn bedoeling dat zijn zoon

ook ambtenaar zou worden. Schmoller, een ,, braundugiger.
schwarzhaariger Rundschiidel (Spiethoff Schmollers as-
sistent) werkte, mede met het oog op zijn toenmalige zwakke

gezondheid, na het gymnasium, alvorens te gaan studeren
aan de hogeschool van Tübingen, een jaar bij zijn vader.

Hier werd zijn interesse voor zijn land, de mensen en de

sociaal-economische verhoudingen versterkt. Na zijn studie
in de , , Staatswissenschaften”, een combinatie van openbare

financiën, economie, administratie, statistiek, geschiedenis
en sociologie, maar waarin ook o. a. chemie en techniek een
rol speelden, won hij een prijs met de verhandeling
Die na-
tionalökonomischen Ansichten in Deutschiand wahrend der
Reformation (1860),
waarop hij tegelijkertijd promoveerde.
Gein teresseerd in de ideeën van Hildebrand en Roscher

begon hij een studie over de invloed van filosofische syste-
men op economische systemen.

Nadat hij een handelsverdrag had gepropageerd tussén
Frankrijk en de Duitse Zollverein kwam hij in Pruisische

gunst en werd hij als buitengewoon hoogleraar benoemd in
Halle. Hij zou een van de meest vurige Pruisische patriotten

worden, die in de Wilhelm-periode op economisch gebied

de toon aangaf. Hij koesterde een – hoewel niet onkritische
– bewondering voor Bismarck en werd lid van de Pruisische
Raad van State. Als vertegenwoordiger van de universiteit

van Berlijn kwam hij in het herenhuis en talrijke academi-
sche en niet academische eerbewijzen vielen hem ten deel. Uiteindelijk werd hij in de adelstand verheven en mocht hij
de titel van excellentie voeren (hetgeen hij ook gaarne deed).

Zijn hoofdwerk uit de Halle-periode is
Zur Geschichte
der Deutsche Kleingewerbe im neunzehnten Jahrhundert.

Statistischen und Nationalökonomischen Untersuchungen

ESB 4-5-1977

419

(1870), waarin hij duidelijk liet uitkomen dat de vrije con-

currentie niet alleenzaligmakend was en waarin ook de diepe
overtuiging, dat sociale hervormingen noodzakelijk waren,

tot uiting kwam. Dit ging recht in tegen het toenmalig

heersende En ge/skiassieke economische denken. Kritische

reacties leidden tot de oprichting in 1872 van de ,, Verein

für Sozialpolitik’ waarin Schmoller tientallen jaren een

leidende rol zou gaan spelen. De nieuwe groep mei o.a.
Wagner en Brentano werd door de tegenpartij ,,Katheder-

socialisten” genoemd; katheder omdat de academische ka-

iheders gebruikt werden voor politieke propaganda, socia-

listen omdat men iedereen zo noemde die tegen de econo-

mische laissez-faire-poliziek was.
Schmoller was een conservatief-sociale hervormer. Hij

was ervan overtuigd dat democratisering, hoewel zij grote

gevaren had, heilzaam en onontkoombaar was. Hij werd

gedreven door de optimistische levensovertuiging van de

mogelijkheid en noodzaak van zedeljke vooruitgang en

sociale gerechtigheid, waarbij de staat met een integer amb-

tenarenapparaat een beslissende rol had. In de politiek is
Schmoller nooit als woordvoerder van een der politieke par

tijen opgetreden. Als academicus bewaakte hij met wijsheid en zekerheid en met een afgewogen oordeel (aan niets had

hij een grotere hekel dan een zaak van één kant bekijken)
de gestadige vooruitgang der sociale hervormingen. Duide-

lijk was hierbij zijn persoonlijke betrokkenheid en zijn grote

moed om voor een zaak te vechten. Dictatoriaal, maar char-
mant en universeel met een voorliefde voor ,, Realpolitik”

en met de gave de leidende ideeën van zijn tijd te verwoor-

den, groeide zijn invloed sterk en kon er uiteindelijk geen
hoogleraar in de economie benoemd worden in Duitsland

zonder zijn goedkeuring (die uitbieef als het een aanhanger

van de Engelskiassieke ideeën betrof).

Als hoogleraar stond Schmoller bekend om zijn boeiende,
met Zwabisch accent gehouden, voordrachten en zijn gave

om studenten te motiveren. Zijn adembenemende werk-

kracht – zelfs de wandelingen maakte hij lezend – gesteund
door een gelukkig huwelijk, deden hem veel publiceren.

Schmoller schreef snel (hoewel niet altijd even accuraat,

iets dat hij wel propageerde) en veel was direct drukklaar.
Na Halle werd Schmoller een tiental jaren hoogleraar te

Straaisburg, waar zijn bekendste werk
Die Straszburger
Tucher-
und Weberzunft….
(1879) was. In 1881 begon hij
met de uitgave van het
Jahrbuch für Gesetzgebung, Ver-
waltung und Volkswirtsôhaft im Deutschen Reiche,
beter
bekend als
Schmollers Jahrbuch.
In 1882 was Schmollers

faam als nationalistisch royalisiisch geleerde groot genoeg

om benoemd te worden aan een nieuwe sociaalpolitieke
richting aan de Universiteit van Berlijn, een benoeming die

een tiental jaren was tegengehouden door het ministerie, dat van deze richting huiverig was. Schmoller zou hier 35
jaren arbeiden. In deze tijd raakte hij betrokken bij de twee

generaties durende meihodenstrjd, die begon toen CarI
Menger in 1883 als verlaat antwoord op Schmollers on gun-
stige recensie van zijn
Grundsatze der Volkswirtschaftslehre
(1871) met een fel geschrfi de door de historische school
gevolgde methode aanviel. Hierbij werd in de hitte van het
gevecht de historische school, die de klassieken verweet dat
zij met de deductieve methode en met de methode van ab-

stractie de samenhang met andere maatschappelijke ver-schijnselen geweld aandeed, verweten het slechts met in-

ductie en zonder theorie te willen doen, hetgeen veel te ex-
treem gesteld was. Schumpeter bestempelde later deze me-
thodenstrjd dan ook als volgt:,, The history of
this literat ure
is
substantially a history
of wasted energies, which could
have been pui to beiter use”.

Schmollers antipathie voor liberale economische dociri-

nes met hun isolatie van economische verschijnselen leidde
er niet toe, dat hij de analytische theorie door alleen his-

torische research wilde laten vervangen. Hij was er echter

van overtuigd dat een adequate economische theorie slechts
kon worden gevonden door een geweldige hoeveelheid on-

derzoekswerk naar gebeurtenissen, instituties en structuren.

Zelf verzette hij dan ook enorme hoeveelheden werk in ar-

chieven. Zijn tegenstanders stelden echter dat bij Schmoller
een werkelijk analytische basis niet te vinden is, ook niet in

zijn in 1900 en 1904 uitgekomen, 1400 blz. tellende hoofd-
werk de
Grundrisz der algemeinen Volkswirtschaftslehre,
waarmee Schmoller eigenlijk wilde laten zien wat ,,zijn” his-
torische school tot dan toe gepresteerd had. Sinds haar ont-
staan rond 1870 was Schmoller nl. de onbetwiste leider van
de z.g. jonge historische school. Deze richting ging verder dan

de z.g. oude historische school in haar afkeuring van de door

de klassieken geformuleerde economische (/aissez-faire-)wei

ten met hun gepostuleerde absolute geldigheid en probeerde

de piurformiteit en het gebonden zijn aan tijd en plaats van het economisch proces aan ie tonen door een enorm pro-
gramma van economische historische research. Het op-

komen van deze school in de pas gevormde Duitse staat

met infan t-industry en consoliderings-prob/emen valt
eenvoudig te verklaren. Een aardige anekdote, die zowel

het karakter van Schmol/er belicht als diens kijk op het economisch proces is de volgende. Op een congres te

Bern sprak Pareto van economische natuurwetten, waar-
op Schmol/er interrumpeerde dat die niet bestonden.

Pareto boog stilzwijgend, maar vroeg Schmoller later
of
hij in Bern weg wijs was en daar een restaurant kende waar
voor niets kon worden gegeten. Schmoller in statig geklede
jas moet de eenvoudig geklede, maar niet onbemiddelde

Pareto half medeljdend half verachteljk hebben aangeke-

ken en geantwoord hebben: ,,Er zijn wel goedkope restau-
rants, maar overal moet men iets betalen”. Pareto: ,,les bis nature/les de l’economie politique, les voilâ.”

Er gaat een grapje over Schmoller dat economen hem als een groot historicus en historici hem als een groot econoom

zagen. Van beide zijden is hij echter aangevallen. Na zijn

dood verflauwde de invloed van zijn economisch denken
snel. Typerend zijn uitspraken als van Wolfram Fischer:

,,In his attempi to construct a theory mainly by historical
methods he damaged both theory and hisiory, and ham-
pered their development in Germany for nearly a century.”
Hiertegenover staat een waardering voor Schmollers werk

verwoord door Von Beckerath: ,, Aber ein Wissenschafi,
welche die Grenzen überschreitei, um gemeinsam mii an-deren Disziplinen das Wesen des Menschen in seiner Ge-
schichtlichkeit zu erhellen, wird man ihr Recht nicht minder

zugesiehen müssen. Darin liegt die ware Aktualitöi von
Schmollers Werk gegeniiber einer jeden Fach drohende
Horizontverengung”.
H. M. Becker

420

Es

b
In gezonden

Nederland en de Vezelakkoorden van Genève

DR. W. T. KROESE

De lezers van
ESB
zullen Drs. P.
J. Kuyper en zijn medewerkers onge-
twijfeld zeer erkentelijk zijn voor de

gedetailleerde en goed gedocumenteerde
informatie die hij in
ESB
van 30 maart

jl. op de blz. 314 t/m 319 verschafte

betreffende de EG en het Multivezel-
akkoord. Het is echter wel jammer, dat

in die beschrijving enkele passages voor

komen (met woorden als: ,,misbaar”,
,,hoogst merkwaardige GATT-bepa-
ling”, ,,MVA een protectionistisch in-

strument” e.d.) die insiders het recht

geven er vraagtekens bij te plaatsen.
Overigens komt dit voort uit de be-

perking die de schrijver zich door de

titel (1974-1977) zelf oplegde.
Wil men zich werkelijk een af-
gerond beeld vormen van het Multi-

vezelakkoord, dan moet men daar een

inleiding aan vooraf laten gaan die
ten minste een twaalftal jaren be-

strijkt. Daar ik zelf de geschiedschrij-

ving van de textielindustrie in
ESB

voor
1/4
eeuw als ooggetuige heb mogen
verzorgen, mag ik nu misschien een

poging wagen enkele korte, aanvullende
notities te maken welke het betoog van

Drs. Kuyper m.i. alleen maar ver

duidelijken. Uit de door mij gekozen titel: ,,Neder-
land en de Vezelakkoorden van Genève”

kan iedereen opmaken, dat er – zoals
ook door Drs. Kuyper vluchtig werd
aangestipt – een lange voorgeschiedenis

aan het Multivezelakkoord is vooraf-
gegaan. Ik heb deze historie uitvoerig be-

schreven bij het derde lustrum der ver-
schillende, elkaar opvolgende vezel-
akkoorden ( 1 oktober 1976) onder
de titel van: ,,Vijftien jaar ,,pech ge-
had” voor de Nederlandse KRL-

industrie. Een triest jubileum met

een

hoopvol, wenkend perspectief”. Deze

artikelen verschenen op 11 en 18 sep-

tember 1976 in-het weekblad
Texpress
te

Amsterdam, zodat ik hier kan volstaan

met een korte weergave en enkele nieuwe
feiten.
Direct na de tweede wereldoorlog
hebben de katoen-industriëlen van het

VK, de VS, Japan, India en sommige
landen van het continent van West-
Europa (w.o. in het bijzonder Neder-

land met zijn relatief groot exportbelang

van de textiel-industrie) nauw contact
met elkaar onderhouden, ten einde te

trachten zich een beeld te vormen

van de nieuwe, groeiende internationale
textielmarkt. De conferentie van Buxton

(VK, 1952; dus 25 jaar geleden) was in
dit overleg de belangrijkste mijlpaal.

Ik had toen het voorrecht de delegatie
van ,,continental Europe” te presideren.

De EEG bestond toen nog niet.

Het zou echter nimmer tot de taak van

privé-ondernemers kunnen behoren om,

binnen het vrije spel van krachten toch

tot een bepaalde, dicht bij de natuur-
lijke ontwikkeling gelegen regeling van
juist dât internationale krachtenspel

te komen. Daarom werd door de Engelse en Amerikaanse industrie getracht via de
resp. regeringen tot bepaalde markt-
afspraken te geraken.
De Engelse textielondernemers en

-werknemers, verenigd in de Cotton

Board sloten – geruggesteund door de
Board of Trade – handelspolitieke over-
eenkomsten af met India, Pakistan en

Hongkong.
Onder de regering van president
Dwight D. Eisenhower kwam de eerste
,,vrijwillige” autolimitation van de

Japanse textielexport naar de VS tot
stand.
In Nederland bereikte de Twentse

textielindustrie zonder regeringshulp een

goed commercieel contact met de ver-

enigde batik-coöperaties op Java.
Het was een ieder echter wel duidelijk

dat dit alles nooit tot een mondiale

regeling zou kunnen leiden. Toch zou dit

nodig zijn wilde men de overgang van
bepaalde delen van de textielindustrie
naar de derde wereld goed begeleiden. Alleen op die wijze zouden chaotische
toestanden in de klassieke, oorspronke-
lijke textielproduktiecentra kunnen wor

den vermeden.
Het GATT – ik heb dit in het begin
van de jaren zestig uit persoonlijke

gesprekken met Mr. Wyndham White,
de toenmalige leider op kunnen maken
– voorzag het ontstaan van ernstige

marktverstoringen op de internationale
textielmarkten. Dit zou ongetwijfeld
leiden tot een terugval in een zuiver

protectionistische handelspolitieke sfeer.

Doordat het GATT (gebonden aan de

San Francisco-principes) nöch mocht
discrimineren, nöch kwantitatief rege-

lend mocht optreden, diende men in
Genève in de jaren vijftig dus geheel
werkeloos toe te zien. Gelukkig kwamen
er spectaculaire mogelijkheden naar

voren die een optreden tegen marktver-
storing acceptabel zouden maken.

Na president Eisenhower had ook.
president John F. Kennedy toegezegd

,,iets” voor de Amerikaanse textiel-
industrie te zullen doen. Voor een goed
begrip moge dienen dat, als er sprake

was van de Amerikaanse textiel-
industrie dit tevens omvatte het katoen-
en negerprobleem van de Dixielanden in

het zuiden van de VS. Het is de
nog altijd belangrijke politieke macht

van de oude Confederate States die

hier een rol speelt.
President Kennedy lanceerde in april

1961 zijn 7 textielpunten w.o., als be-
langrijkste, dat van een handelspolitiek
World Textile Arrangement. Mr.

George W. Bali werd op een snelle
wereldreis gezonden om de mogelijk-
heden af te tasten. Daarna bleek het

dat een akkoord, zoals door Drs. Kuyper

beschreven werd, (nog) niet mogelijk
zou zijn. Men besloot daarom (het was
inmiddels 1 oktober 1961 geworden)
tot een voorlopig short-term-arrange-
ment voor katoen
alleen
te komen. Dit

akkoord werd een jaar later tot Long-

Term-arrangement (LTA) uitgebouwd.

Het zou duren tot 1967; het werd daarna
twee maal voor drie jaar verlengd
tot 1974.

Nadat president Lyndon B. Johnson

door het afschaffen van de ,,dual-
pricing-poliçy for cotton” zijn steentje

tot de bloei van de Amerikaanse textiel-
industrie had bijgedragen, beloofde zijn

opvolger, president Richard M. Nixon
het katoenakkoord tot een Multivezel-
akkoord uit te bouwen. Dit kreeg op
1januari1974 (voor 4 jaar) zijn beslag,
dus bijna 13 jaar nadat Kennedy zijn

eerste plan concipieerde.
Als men alles tot in details nagaat,
zijn er natuurlijk wel verschillen tussen

het LTA (1962-1974) en het huidige

MFA (de Engelse afkorting Multi Fiber
Arrangement) op te sporen. Toch liggen
alle arrangementen wel in elkaars ver

lengde en beogen zij een geleidelijk
toenemend marktaandeel voor de textiel-

industrieën van de derde wereld met

een tegelijkertijd beheerst terugtrekken
van de ,,oude” textielproducenten.
Wat is er nu van 1961 tot 1974 in

feite gebeurd? Amerika had met grote
voortvarendheid direct gebruik gemaakt

van de handelspolitieke kansen die

ESB 4-5-1977

421

Tabel. Wereld spincapaciteiten (exclusief USSR, Oost-Europa en China) (‘mln.
spindles; 1939 = 100)

West-Europa VS
India
Japan
Overige
landen

1939

…. . ………..
68,8

100%
25,4

100%
10.1

100%
11.4

100%
8.0

100%
1950

…………….57,3
84%
23.0

91%
10.5

104%
4.4a)

39%
8.7

09%
1960

…………….40,4
59%

.

20.1

79%
3.5

34%
3,0

114%
15,5

194%
1970

…………….22,1
32%
19,6

77%
17.9

177%
11.6

02%
27,5

344%
1974

…………….20,9
30%
18,6

73%
18,9

187%
11.8

104%
32,3

404%

a) Terugval in de tweede wereldoorlog.
Bron: IFCATI, zrich.

„Genève” bood. Het GATT vond het

attractief na te gaan hoe het met de

LTA’s zou vergaan. Het wilde kenne-

lijk ervaring opdoen, aleer t.z.t. mis-

schien zelf reglementen te wijzigen (art.

XIX?) of geheel nieuwe te creëren. Het
adopteerde het LTA dus officieel. Daar-

mee verwierf het katoenakkoord de
erkende status.

Nederland kon tot 1januari1974 nog
bilateraal ageren. Als er één land was
dat (naast het VK) het LTA met beide

handen had moeten aangrijpen om de

onvermijdelijke – toegegeven – af-
bouw van de textielproduktiecentra in

Twente en Brabant zinvol te begeleiden
(m.a.w. vooral vervangende werkge-

legenheid te scheppen) was dat Neder-

land. Helaas is dit niet gebeurd.

Sedert oktober 1961 hebben zes rege-

ringen (en daarbinnen zeven ministers
van Economische Zaken) nauwelijks

gebruik gemaakt van de unieke, inter-

nationaal gesanctioneerde mogelijkheid

om op te treden tegen marktverstorin-

gen. Dit is ten dele bewust geschied
(o.a. in verband met het laag houden
van een belangrijk percentage van de

kosten van levensonderhoud), ten dele is
het een gehoor geven aan te onge-
nuanceerde uitingen van sommige

macro-economen dat misschien de ,,on-
bewuste” kant van de inactiviteit
vormde.

Na januari 1974, Drs. Kuyper be-
schrijft het bij herhaling, zijn wij in de
Brusselse traagheid verward geraakt,

met alle gevolgen vandien! In Washing-
ton kon men het MFA onmiddellijk
enten op het complete netwerk van

maatregelen, dat van 1961 tot 1974
onder het regime van de LTA’s was
uitgewerkt.

Wat de VS betreft hoeft er op 1januari

1978, wanneer vermoedelijk een nieuw

MFA ingaat, niets veranderd te worden.
Immers, 6% van nihil blijft nihil. Neder-
land als onderdeel van de EG moest

te zamen met de 8 andere landen alles
opnieuw opzetten. Men kan begrijpen
hoe de import tijdens de jarenlang ge-
rekte onderhandelingen toenam.

Als het ons in Europa door de
Amerikanen wel eens voor de voeten
wordt gegooid, dat er inmiddels door
de VS zo’n kolossale textielinvoer wordt
geaccepteerd, is er nooit sprake van een
zekere relativering. D.w.z. men zet die

invoer niet af tegen het verbruik op de
binnenlandse markt.

In Nederland verzorgden Twente en

Brabant in het begin van de jaren
vijftig zo’n 70 â
75%
van de Neder-
landse textielbehoefte (met daarnaast
een grote export natuurlijk). Amerika
dacht toen nog zuiver autarkisch.
Momenteel zal het percentage van de

Nederlandse marktvoorziening door de
Nederlandse textielindustrie eerder bij

40 dan bij 50 liggen. In de VS is dat
percentage nog steeds 80 en meer.
Een goed beeld van de wijze waarop

men in Amerika industrieel denkt,
wordt ook gegeven door de stijging en

daling van de capaciteitscijfers. Zie
daarvoor de tabel.

Het is natuurlijk onjuist om alle

globale ups and downs alleen maar
toe te schrijven aan het al of niet

toepassen van de vezelakkoorden. Toch

maakt het een groot verschil uit in

een afgebakende markt als die van de

VS te opereren dan in een door grote,

goedkope import vergiftigd klimaat te
moeten leven zoals wij, in de EG.
Een schrijnend feit bij dit alles is nog

de constatering dat de zojuist weerge-

geven afbouw van de capaciteiten in
Nederland en andere landen van West-
Europa zeker
niet
aan het ideale beeld
heeft beantwoord. Het zijn niet de

,,echte” ontwikkelingslanden die van
de te geringe toepassing van de vezel-

akkoorden geprofiteerd hebben. De
,,armsten der armen” hebben er weinig

van gemerkt; hun plaats werd, zoals
Drs. Kuypers terecht opmerkt, inge-

nomen door de ,,routiniers” Hongkong,

Korea en Taiwan. De industriële kolo-
niën van Japan en de VS.

Bij het noemen van de armsten der

armen moet nog even een kleine notitie

worden gemaakt bij de ,,handgeweven

stoffen” uit India die overal Vrije toegang

hebben. Terecht, zal iedereen opmerken
die daarbij uitsluitend denkt aan de
3 mln. handgetouwen die – natuurlijk

niet altijd in actie – hier met een
acceptabel voordeel gaan strijken. Wat
is echter het geval. Zojuist zagen wij in de
capaciteitstabel dat India’s spincapaci-
teit na de oorlog met 87% toenam.

Een verheugend verschijnsel. De daarop
afgestemde weefcapaciteit bleef echter

praktisch gelijk en steeg in de zojuist
genoemde periode van 198.000 naar
206.000 getouwen. How can?

Dit komt omdat de officiële capaci-

teitscijfers van de weverijen alleen be-

trekking hebben op de grote fabrieken.
Naast de 3 mln. handgetouwen zijn

er in India nog de z.g. decentralized
looms, kleine weverijtjes die mechanisch
werken, maar met hun in totaal ruim

200.000 getouwen gemakshalve tot de
handweverjen worden gerekend (alle

wevers hebben toch handen!). Deze
totale hand-bom-sector consumeert ca.
80% van het garenvolume, dat door de
grote fabrieken wordt verwerkt. Zo

klopt de rekensom dus. Met het begrip:
handgeweven stoffen moet men in dé
handelspolitiek echter toch wel voor-
zichtig manoeuvreren.

Hoe zal het nu verder met het Multi-

vezelakkoord gaan? De huidige Neder

landse regering is als eerste naoorlogse

bijzonder actief, ook op handelspolitiek

gebied. De EG wil wijzigingen aan-
brengen. Terecht, want er is sedert

1 januari 1974 te veel gebeurd op de
Europese markt. Nederland kan daarvan

meepraten. Zeker, de import in ons land

kwam slechts voor een betrekkelijk
gering percentage (Drs. Kuyper noemt

12
1
/2%
voor 1974) uit de ontwikke-

lingslanden, maar hoe groot zou dit

percentage zijn, als men kans ziet om
na te gaan welke import afkomstig uit

de overige EG-landen al dan niet ver-

edelde stoffen uit de ontwikkelings-

landen is?! Handelspolitiek was de
EG de laatste 3 jaar immers zo lek als
een mandje, waarbij nog het grote gat

tussen de twee Duitslanden komt. De

Comecon zou bij wijze van spreken vrij

spel op de EG-markt kunnen hebben.
West-Duitsland is tegen een wijziging.

De textiel-machine-industrie is daar een
grote macht. Of zal de Commissie in

Brussel (waarin Ir. H. Vredeling de
sociale portefeuille beheert) tijdig inzien,

dat bij een ongewijzigd verlengen van
het MFA de werkgelegenheid van vele
miljoenen werknemers in de textiel- en
confectie-industrie gevaarlijk op de tocht

blijft staan.
We zullen het moeten afwachten.
Vast staat echter, dat men vooraf tijdig
alle basisgegevens moet hebben ver-

zameld. De beslissingen kunnen alleen
worden genomen als het Textiel-comité
neutraal en betrouwbaar cijfermateriaal
ter beschikking stelt over al datgene

wat in 1974/1975/1976 is gebeurd en

ook nu nog plaats vindt. Het voorbeeld

van de handgetouwen is in dezen

sprekend.

Indiende lezers van ESBdan daarover
verder weer zo goed worden geïnfor-meerd als door Drs. Kuyper in eerder
genoemd artikel werd gedaan, kan ieder-
een zelf oordelen over het nut van de
voortzetting van het boeiende spel der
z.g. textielvezelakkoorden.

W. T. Kroese

422

Au courant

Terug naar de

overlegecono mie

A. F. VAN ZWEEDEN

De windstilte voor de verkiezingen

van de 25e mei biedt een mooie gelegen-
heid voor bezinning. Allerlei organisa-

ties die zich bezighouden met het maat-
schappelijk leven storten zich in forums

en studiebijeenkomsten op thema’s als de
maatschappelijke orde en de arbeids-
verhoudingen. Een hoogtepunt in deze

symposia-orgie was de in het Koninklijk
Paleis te Amsterdam gehouden ,,Tus-

sentijds Bestek”-discussie, ditmaal ge-

wijd aan de veranderingen in de arbeids-
verhoudingen. In de vorstelijke ruimte
van de Vierschaar was een gezelschap
verzameld dat toonaangevend mocht

worden genoemd. Deze bijeenkomst

was een unieke gelegenheid om een be-

stek op te maken van de voorraad wijs-
heid waarover de belangrijkste vertegen-
woordigers van ons maatschappelijk be-

stel beschikken.

Iedereen beseft dat we met onze op-
vattingen over de plaats van de arbeid

in onze samenleving nieuwe wegen

moeten zoeken. De waardering van be-
grippen als materiele welvaart en vol-

ledige werkgelegenheid wordt immers
danig op de proef gesteld nu we door

structurele ontwikkelingen worden ge-
dwongen onze prioriteiten te herzien.

Prof. Van den Beld, de directeur van
het Centraal Planbureau, plaatste de

mogelijkheden waarover we nog beschik-

ken om volledige en volwaardige werk-
gelegenheid te garanderen, in een som-

ber perspectief. Op basis van een ,,ver-
rassingsvrije” projectie voorspelde hij in

de eerste helft van de jaren tachtig een
werkloosheid die nog tot boven 200.000

zou oplopen. Pas na 1985 is een zekere

toeneming van het aantal arbeidsplaat-

sen te verwachten, omdat dan de golf

van vervangingsinvesteringen, die tegen
1980 wordt verwacht, zal zijn uitgewerkt

en de investeringen wat minder op ver-
vanging van arbeid door kapitaal gericht
kunnen zijn. De moeilijkheden op de

arbeidsmarkt zullen dan zeker niet min-

der groot zijn, omdat de vraag- en aan-
bodverhoudingen in de verschillende

segmenten van de arbeidsmarkt sterker
zullen contrasteren. Het aanbod van
hoger opgeleid personeel zal de vraag
sterk overtreffen, terwijl er tekorten

blijven aan middelbaar en lager opge-

leiden. Aan een vérgaande wijziging van
de beloningsverhoudingen zal volgens

Van den Beld dan ook niet te ontkomen
zijn. De arbeidstijdverkorting die hij
in zijn projecties had verdisconteerd

(een Vrije vrijdagmiddag voor 1980 en
eventueel vervroegde pensionering) leidt
niet tot spreiding van de werkgelegen-

heid.

Drs. P. J. Vos, sociaal-economisch
deskundige van de Industriebond NVV,

betoogde dat de door Van den Beld
gesignaleerde dualiteit van de arbeids-
markt ertoe zal leiden dat niet de hoger

opgeleiden met werkloosheid worden be-
dreigd, maar juist degenen die het laag-
ste opleidingsniveau hebben. Als gevolg

van het aanbodoverschot van hoger
opgeleiden zullen immers velen op een
lager niveau gaan werken. Er voltrekt

zich een mobiliteit in neerwaartse rich-

ting waardoor ten slotte het afgestoten
volume in de arbeidsreserve terecht-

komt of geheel buiten de arbeidsmarkt
wordt geplaatst. Door de t.eneming

van de werkloosheid worden de collec-
tieve lasten verhoogd, waardoor de
prijsaanpassing op de arbeidsmarkt
wordt belemmerd. De vraag waarvoor

we staan is, aldus Vos, hoe we de neer-

waartse mobiliteit kunnen omzetten in

een opwaartse. In het arbeidsmarkt-
beleid zal het begrip ,,passende arbeid”

moeten worden geweerd, omdat dat leidt
tot sociale degradatie. Het is het be-
wegingsmechanisme van de neerwaartse
mobiliteit. De weg die Vos zoekt, loopt

uit op spreiding van werkgelegenheid
door vergroting van de deelbaarheid
van vraag en aanbod. Onder de voor-
waarden dat de arbeidskosten en kapi-
taalkosten per eenheid produkt niet mo-gen worden verhoogd, biedt arbeidstijd-

verkorting een uitkomst als de tot taak

gestelde eçonomische groei op middel-
lange termijn niet kan worden ver-

wezenlijkt. Grotere variaties in werk-

tijden en in het arbeidspatroon sluiten

ook aan bij de aspiraties van de beroeps-
bevolking om aan een hoger niveau
van opleiding te werken.

Onder het benauwende vooruitzicht
van geringe €conomische groei, toe-

komstige handelsbalanstekorten en een

blijvend hoge werkloosheid, moet een

beleid worden gevoerd dat kan steunen

op de medewerking van de sociale part-ners. De toekomst van onze maatschap-

pelijke orde wordt door een econoom
als Stevers in de zwartste tinten geschil-
derd. Nog onlangs heeft hij voorspeld

dat een drastische verbetering van de
werkgelegenheid alleen te bereiken is in
een andere economische orde. ,,Die

andere orde”, zo zei hij op een bijeen-

komst van de Rotary-club in Amstel-

veen, ,,zal dan weliswaar de zegeningen
brengen van volledige werkgelegenheid

en inkomensnivellering, maar daar-
tegenover staan inefficiency, bureau-

cratie, arbeidsdwang en agressie tegen

de overheid”.

In de Paleis-discussie was het de voor-

zitter van de SER, Drs. J. W. de Pous,
die de Kafka-maatschappij van Stevers
afwees. Hij formuleerde een nieuwe con-

structie voor het sociaal-economisch
overleg die een weg tussen de Scylla van
de corporatistische staat en de Charyb-

dis van de dirigistische planeconomie
zou bieden. In het spoor van Boersma en

Albeda bepleitte hij een permanent drie-

partijen-overleg, dat evenwel niet zal

mogen leiden tot ondermijning van de
volksvertegenwoordiging en tot uit-

holling van de verantwoordelijkheden
die aan de particuliere sector toekomen.

Dit gevaar ligt besloten, aldus De Pous,
in het (in dit blad) door Van den Doel,
De Galan en Tinbergen bepleite systeem

van democratische aanvaarding van

dwang in de vorm van een door regering
en parlement geleide loonpolitiek.
De Pous wil een verband leggen tussen
het centraal overleg over de arbeids-
voorwaarden en een indicatieve plan-

ning, die het mogelijk maakt de grond-
slagen te leggen voor een meerjaren-

planning van het arbeidsvoorwaarden-
beleid. De visie van het georganiseerde

bedrijfsleven op de sociaal-economische

ontwikkeling op middellange termijn
zou gebruikt kunnen worden bij het jaar

lijkse gemeenschappelijke overleg

tussen regering en parlement over de
indicatieve meerjarenplanning dat voor
het zomerreces van het parlement zou

dienen plaats te vinden. De uitkomst
van dit gemene overleg zou het referentie-

kader verschaffen, zowel voor de vast-

ESB 4-5-1977

423

stelling van het regeringsbeleid, zoals

dat in de Miljoenennota wordt gepre-
senteerd, als voor het overleg in de parti-

culiere sector over lonen en andere ar-

beidsvoorwaarden dat in het najaar en
het vroege voorjaar in de Stichting van

de Arbeid en in de bedrijfstakken wordt
gevoerd. –

De voorzitter van de FNV, Wim Kok,

deed in zijn inleiding uitspraken die in

dezelfde richting wijzen. Hij pleitte voor

een stelsel van democratische planning

waarbij de centrale overheid richting

geeft aan de economische ontwikkeling.

Het parlement moet de plaats worden

waar de beslissingen worden genomen.

Regering en parlement scheppen een
kader dat in beginsel ruimte overlaat

voor de autonomie van de ondernemin-

gen en de bedrijfstakken. Coördinatie

Als hoogleraar in de informatica te

Leiden speelt Prof. Verrijn Stuart een

belangrijke rol in het Nederlandse in-

formaticawereldje. Als zo iemand een
boek schrijft, verdient dit in de eerste
plaats aandacht vanwege de daaruit

sprekende visie op de problemen rond
informatiesystemen, ook al wordt het
gepresenteerd als een leerboek voor het
Hoger Beroeps Onderwijs.
Deze visie is nuchter en optimistisch;

de schrijver legt er de nadruk op dat bij
het ontwerp van informatiesystemen

moet worden gezocht naar een juiste
taakverdeling tussen mens en machine.

Daarbij beveelt hij het gebruik van

kwantitatieve technieken aan, waarbij

hij terecht wijst op het nut van simula-tie. Vier aspecten van informatiesyste-

men worden nader belicht en daarbij

valt een verschil in benadering op. De

behandeling van de tijdschaal waarin

informatiesystemen moeten werken be-
vat een nuttige classificatie, het hoofd-

stuk over omvangseffecten is meer een

terreinverkenning. Hierop volgt een
beschrijving van een methode voor de

analyse van de doeltreffendheid van een

informatiesysteem, waarna in het
hoofdstuk ,,Uitvoerbaarheid” een aan-

tal hulpmiddelen bij het ontwerpen van
een informatiesysteem voor het voet-

licht komen.

Op enkele punten geeft het boek aan-

leiding tot detailkritiek. In de eerste
plaats maakt de schrijver niet overal

een duidelijk onderscheid tussen de be-

van economische beslissingen op sector-

niveau is absolute voorwaarde om ver

spilling tegen te gaan en het overheids-

beleid mogelijk te maken. Een verder

gaande centrale besturing van de econo-

mie moet in de visie van Kok gepaard
gaan met bevordering van de democrati-

sering en decentralisatie van de besluit-

vorming. Het marktmechanisme komt
binnen nauwere grenzen dan thans het

geval is. De vakbeweging eist in principe

haar autonomie op, zij wijst ,,democra-

tische dwang” op het gèbied van de loon-
politiek af. Kok verklaarde geen voor-

stander te zijn van een straffe institutio-

nalisering van het sociaal-economisch

beleid, maar wel van coördinatie. In
de bedrijfstakken, en op centraal niveau
moeten afspraken worden gemaakt over

arbeidsvoorwaarden en over de vraag

grippen informatiesysteem en compu-

tersysteem. Informatieverstrekking
door het informatiesysteem wordt gelijk

gesteld met uitvoer door de computer,
hoewel deze uitvoer toch op allerlei ma-

nieren verder verwerkt kan worden
zopder het informatiesysteem te verla-
ten. Anderzijds wordt de gecomputeri-
seerde rekening-courant-administratie van banken en girokantoren tot het in-

formatiesysteem gerekend, hoewel deze

mi. deel uitmaken van het objectsys-
teem – de eigenlijke activiteit – van

deze instellingen.

Ten tweede valt het een econoom op
dat de schrijver bij de behandeling van
bepaalde facetten van het computerver-
werkingsproces geen verband legt met
de overeenkomstige bedrijfseconomi-
sche begrippen. Zo is de keuze tussen

batch- en transactiegewijze verwerking
in feite een voorraadprobleem, de keuze

tussen standaard- en specifieke pro-
gramma’s een investeringsbeslissing.
Ten slotte had ik van de schrijver toch wel een korte uiteenzetting van het data-
base-model van Codd verwacht, vooral
omdat aan de hand daarvan duidelijk
gemaakt kan worden in hoeverre de

wijze waarop gegevens in de data-base
worden opgeslagen voor de gebruikers
van belang is, een onderwerp dat uitste-

kend in dit stramien zou passen. Daar-
voor had een onhandig geformuleerd
bewijs uit de informatietheorie best

weggelaten mogen worden.

R. J. Casimir

hoeveel mensen in de ondernemingen

werkzaam zullen zijn. De wijzigingen die
Kok voorstelt gaan niet naar een totaal

andere economische orde, maar wel

naar herstel van een overlegeconomie.
De ideeën van werkgevers, werknemers

en autoriteiten als De Pous, Boersma
en Albeda beginnen steeds duidelijker

te convergeren.

De verschillen tussen de uitersten,

Kok en Van Veen, liggen in de mate van

centrale besturing van investeringen. De

ideeen zouden zich echter kunnen gaan

uitkristalliseren rondom de denkbeel-

den van De Pous over indicatieve plan-
ning. Ook ondernemers zullen eieren

voor hun geld moeten kiezen als zij aan

het ,,Stevers-dilemma” willen ont-

snappen.
A.
F.
van Zweeden

Mr. J. A. Fruin: De Nederlandsche
wetboeken.
Bewerkt door Mr. M. P. J.
A. Cremers, Mr. J. H. F. J. Cremers

en Mr. P. H. A. J. Cremers, Martinus
Nijhoff, Den Haag, 1976, 1715 blz.,f. 125.
Verzameling van de in artikel 164

van de Grondwet bedoelde algemene
wetboeken, met uitzondering van het

thans op de helling staand militair straf-
recht, aan welke wetboeken zijn toege-
voegd de Grondwet, diverse uitvoerings-
wetten en -besluiten en enige verdragen

en wettelijke regelingen die zeer frequent

worden toegepast of in het centrum van

de belangstelling staan. De wijzigingen in

de teksten zijn bijgewerkt tot 1juli1976.

The Philippines. Prioritiés and prospects
for development.
The World Bank,
Washington, 1976, 573 blz.

Over de economische groei mogen de
Philippijnen tevreden zijn. Het land
slaagt er tot nu toe echter niet in de
vruchten van die groei zo te verdelen om
op eigen kracht zijn economie te kun-

nen ontwikkelen. Vandaar dat de

Wereldbank o.l.v. R. J. Cheetham dit
rapport samenstelde. De economische

politiek wordt bestudeerd en er wordt
aangegeven waaraan die politiek moet
voldoen om de economie op eigen kracht

te laten ontwikkelen.

E.Sb
Mededeling

Lezing over arbeidsconflict

De Nederlandse vereniging voor het
onderzoek van arbeidsverhoudingen

organiseert op vrijdag 27 mei a.s. een
lezing van Dr. P. K. Kienast, hoogleraar

aan de Universiteit van Washington,

Seattle, over ,,het arbeidsconifict”.
Plaats: ,. Jaarbeursgebouw, Utrecht.
Aanvang: 15.00 uur. Inlichtingen:

Secretariaat N.V.A., Vrijburgstraat 22,

Voorburg, tel.: (070)87
25 75.

Boekc

ieuws

Prof. Dr.
A. A.
Verrijn Stuart: Kwantitatieve aspecten van informatie-systemen.
Reeks automatische informatieverwerking, Samsom, Alphen aan den Rijn, 1976,
181 blz., f. 32,50.

424

Auteur