Ga direct naar de content

Jrg. 56, editie 2795

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 28 1971

EconomischoStatistische Berichten

UITGAVE VAN
DE
STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT

28 APRIL 1971

56e JAARGANG

No. 2795

Belgische

behoeften in

de j

Zoals de lezer reeds in dit blad heeft kunnen vernemen,

werd op 24 en 25 april jI. in Brussei het Tiende Vlaams

Wetenschappelijk Economisch Congres gehouden, waar-

bij de behoeften van de Be1gen in de jaren tachtig

centraal stonden. Omdat het niet meevalt een goed

economisch op de praktijk gericht tweedaags congres

met een 613 bladzijden tellend referatenboek kort te

verslaan, zal ik volstaan met de behandeling van enkele

uitgangspunten en conc1usis.

Het pleit voor de organisator, de Vereniging voor
Economie, zich in de hidige snel evoluerende maat-
schappij te durven wagen aan een voorspelling, dan

wel planning, van de behoeften.

Hoewel duidelijk uit het congres bleek dat de eco-

nomie meer ingeschakePd moet worden ter verbetering

van het menselijk welzijfi, heerste er toch de mening

dat dit zonder grondige erandering van de-maatschap-

pijstructuur te verwezenlijken is. De congressisten wa-

ren dan ook niet onder de indruk – althans niet

zichtbaar – van de revolutionaire leuzen op de college-

banken en muren van de Vrije Universiteit, waarin het

congres gehouden werd:

Eigenlijk werd het doçl van dit congres niet juist

geformuleerd, omdat niet alle menselijke behoeften ge-
analyseerd en voorspeld werden, maar alleen de behoef-

ten waarvoor de economie de middelen geeft. Het ging

dus in feite om het verkrijgen van een staat-van midde-

len en bestedingen. We mogen er gelukkig niee zijn dat

de bestedingen, zowel qua samenstelling als qua omvang,

centraal stonden, maar we mogen niet vergeten dat er

ook in 1985, het prognosejaar, nog veel behoeften

zullen zijn die niet bevredigd kunnen worden.

De verdeling van het bruto nationaal produkt staat

voor de jaren 1969 en 1985 in tabel 1 (op blz. 382)

vermeld. Deze verdeling werd nièt met behulp van een

macro-economisch model verkregen, maar door elf

commissies die, gecoördineerd door een centrale werk-

groep, rekening hielden met elkaars voorspellingen en

wensen: Wetenschappelijk gezien was de toepassing van

een economisch lange-termijnmodel wel zo interessant

geweest. Tot het jaar 1985 werd met behulp van een

,,capaciteitsmodel”, met als belangrijkste relatie een pro-

duktiefunctie van Cobb en Douglas, een jaarlijkse reële-

produktiegroei van 4,6% voorspeld. Hierdoor waren

de middelen bekend. Enkele belangrijke voorspellingen

hierbij waren: een netto immigratie van 10.000 per

sonen per jaar, een arbeidsduurverkorting van
0,65%

per jaar en een dalende kapitaalcoëfficiënt (verhouding

tussen de kapitaalvoorraad en het bruto nationaal

produkt).

De produktiecapaciteit werd ook voor de regio’s

Vlaanderen, Wallonië en Brussel voorspeld. In de ko-

mende 15 jaar is de reële-produktiegroei per jaar in

Vlaanderen 6,2%, in Wallonië
2,5%
en in Brussel

4,7%. Het verschil tussen Vlaanderen en Wallonië

wordt veroorzaakt door een snellere -groei van de

actieve bevolking, een gunstiger leeftijdsstructuur, meer

investeringen en een grotere technische vooruitgang in

Vlaanderen. In dezelfde periode wordt de groei van

de produktie per inwoner in Vlaanderen 5,5% en in

Wallonië 2,1%. We mogen ons afvragen of deze regio-

.nale verschillen juist voorspeld en mogelijk zijn. Zijn

ze juist voorspeld, dan zullen ze zeker een bron van

sociale en economische spanningen kunnen worden.

381

Inhoud

Drs. L. Hoffman:

Belgische behoeften in de jaren

’80

………………….381

Drs. R. F. M. Lubbers:

Vakbeweging inbeweging . . . . 383

Prof. Dr. H. J. van Zuthern:
Sociologie en de studie van de

economische orde,
met com-

mentaren van Prof. Dr C. de

Galan, Drs. A. Peper en Prof.

Dr. W. Albeda …………
385

Dr. H. Hoelen:

Het Duitse ,,Reinheitsgebot” en

de brouwindustrie in de EEG 397

Toets op taak

…………399

Europa-bladwijzer ……….400

Mededelingen

………….404

Redactie

Co,nniissie van redactie: H. C. Bos,
R.Iwema, L. H. Klaassen, H. W.Lambers,
P. J. Montagne, 1. H. P. Paelinck,
A. de Wit

Redacteur-secretaris: P. A. de Ruiter

Adjunct redacteur-secretaris:
J. van der Burg

Economisch-Statistische Berichten

Uitgave van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudiaan 50,
Rotterdani-3016;
kopjj voor de redactie:
postbus 4224. Telefoon:
(010) 1455 11, toestel 3701. Bij
adreswjjziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie: in t,veevoud,
getypt, dubbele
regelafstand,
brede marge.

Abonnenientsprijs:
f.
44,72 per jaar,
studenten
f
31,20, franco per Post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rjksdelen (zeepost).
Prijs van dit nummer:
f.
1,50. Aboniementen
kunnen ingaan op elke gewenste datum,
maar slechts worden beëindigd per
ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
giro 8408; Bank Mees & Hope
NV, Rotterdam; Banque de Commerce,
Koninklijk plein 6, Brussel,
postcheque-rekening 260.34.

Advertenties:
N. V. Kon. Ned. Boekdrukkerjj
H.A.M. Roelanis, Lange Haven 141,
Schiedam, te!. (010) 2602 60, toestel 908.

Een doelstelling, gericht op het verkrijgen van een evenwichtige regionaal-

economische groei, was zeker niet overbodig geweest.

Om (le behoeften te kunnen voorspellen moest . rekening worden ge-
houden met de. hierboven genoemde ‘oorspelling van de produktiecapa-

citeit. De behoeften werden verdeeld in individuele en côllectieve

behoeften. Het congres heeft zich in elf commissievergaderingen bezig

gehouden met de gezinsuitgaven, de besparingen, de collectieve uitgave’h
waaronder de i.iitgaven aan onderwijs en gezondheidszorg, de r’uimtelijle

ordening, cle spanningen tussen ondernemers en consumenten en tussen

gezinsuitgaven en collectieve uitgaven. Het is onmogelijk hier uitvoerig

op in te gaan; daarom enkele korte opmerkingen hierover.

Het aandeel van de totale netto overheidsuitgaven (inclusief rente en

overdrachten) in het bruto nationaal produkt zal van 40% in 1968 toe-

nemen tot 47% in
1985.
De onderwijsuitgaven zullen sterker toenemen

dan het bruto nationaal produkt. Desondanks zal het aandeel ervan in

het BNP in 1985 ongeveer even hoog zijn als thans in Nederland. Ook de

kosten voor de gezondheidszorg zullen sterk toenemen. De huidige maat-

schappij ontkomt niet aan een goede ruimtelijke ordening met benadruk-
king van het leefmilieu. Vandaar dat berekeningen werden gemaakt over

de woningbehoefte (72.000 woningen in
1985,
waarvan 25.000 sociale

woningen), groenvoorzieningen, infrastrucfuur en milieuverontreiniging.

België verdient dat de voorspellingen en wensen van dit congres uitkomen
of gunstig worden overtroffen, al zullen ze in 1985 een sociale-premie- en

belastingdruk van 42% en een spaarquote van 15% vereisen, waarbij het
probleem van de thans voorkomende forse belastingontduiking in België

niet meer mag bestaan.

L. Hoffman

Tabel 1. De verdeling van het bruto nationaal pròdukt (pr(jzenvan
1963)

België
Nederland
1969 1985
1969
Tnmrd.
Inmrd.
Bfr.
In %
Bfr.
In % In
BNP tegen marktprijzen
910
100
1.845
100
100
Totale consumptie
715
78,57
1
1
.430
77,51
70,52
Particuliere consumptie
591
64,95
1.164

.
63,09
8,41
Overheidsconsumptie
124 13,63
266
14,42
. .

12,11
Totale bruto investeringen
190
20,88 409
22,17
27,34
waarvan: particulier
158
17,36
… 319
17,29
22,43
overheid
32
.

3,52.
90

.
4,88
.
4,90

Tabel 2. Overheidskosten ter verbetering van het ieefmilieu in België iz

1985
(in
Bfr.
mrd., prijzen van
1963)
.

Huisvesting

.

.

.

. . 15,2
Groenvoorziening ” 6,1
Stedelijke infrastructuur en toeristische autowegeri 10,0
Bestrijding van lucht-, waterverontieiniging enz. .. 4,1 ….

Totaal

.

. – 35,4

Tabel
3.
Verdeling van de Belgische overheidsuitgaven (als % van het BNP)

1968
1985.

Algemeen bestuur
.

1,7

Justitie en politie
1,3

1,5
Landsverdediging
2,8
1,6
Buitenlandse betrekkingen 0,5.
18
Vervoer en verkeer
5,9

.
6,4
Handel, nijverheid, middenstand
.1,6
2,5
Landbouw en voedselvoorziening
1,3
.
0,4
Onderwijs, cultuur, erediensten
5,9
7,4
Sociale voorzieningen
14,2 19,0
Volksgezondheid
1,1
Huisvesting
0,4
0,7
Oorlogs- en rampschade
0,9
.0,4,
Niet verdeeld
2,8 3,0

Totaal
40,6 47,4
382

R. Lubbers

Vakbeweging

in beweging

Plaats en functie van de vakbeweging

vormen reeds jaren lang onderwerp

van gesprek. Thans ziet men de

vakbeweging pogingen doen effectief

tot gewenste structurele wijzigingen te

komen. Hieronder wil ik enkele fa-

cetten hiervan signaleren. en trachten

deze in het petspectief van een ver-

anderende maatschappij te ‘plaatsen.

Allereerst is daar het feit dat er

onder de werknemers kennelijk een

groeiend verzet is tegen ,,hkkoorden

door hoge heren in Den FTag”. Meer

dan vroeger houdt de vakbeweging

daar rekening mee. Bij afpraken op

landelijk niveau wordt mer en expli-

cieter. dan vroeger gesteld, dat de

goedkeuring van de leden (van de

basis) voorwaarde is.
Op
zichzelf ge-

nomen is dit een normale interne

democratische procedure.’ De leden

krijgen een voorgenom’n akkoord

van het bestuur (hun ‘onderhande-

laars) voorgelegd.

Men moet hier dan echter direct

bij aantekenen dat ‘naarmate een

voorgenomen akkoord minder ,,dwin-

gend” aan de leden ,wodt voorge-

legd, het al te gemakkelijk is voor

de betrokken werknonerk wat méér

te vragen; zowel te weinig als teveel

geven wordt immerg gezien als een

verantwoordelijkheid van de werkge-

vers.

De mate waarin zo’n voorstel

,,dwingend” voorgelegd kan worden,

wordt mede bepaald door de beteke-

nis van het vakbondsvoorstel voor de

ongeorganiseerden (of anders georga-

niseerden). Deze kunnen immers, als

de specifieke situatie van bedrijf of

regio dit toelaat, het voorgenomen

akkoord zien als een opstapje. Zij

nemen dan het initiatief over. Alleen

al de angst dâârvoor werkt verhogend

op de te maken afspraak.

Wij moeten dit natuurlijk niet

overdrijven. Veel wordt, steunende

op een redelijke consensus van de

werknemers enerzijds en werkgevers

anderzijds,. centraal geregeld. Infor-

maties over en taxaties van de fei-

telijke toestand zijn dan kennelijk

voldoende, geweest. Het overleg is ge-

slaagd …..’maar het haalt de krant

niet.

Bepalend voor de richting waarin

het overleg over arbeidsvoorwaarden

gaat, is echter niet deze routine uit

het verleden, maar een verschuiving

van de onderhandelingen naar de

basis. Een en ander impliceert, dat op

centraal niveau slechts in zoverre af-

spraken gemaakt kunnen worden als

beide partijen menen, dat deze af-

spraken voor de achterban haalbaar

en houdbaar zijn.

Dit betekent dat meer dan tot nu

toe gewerkt zal moeten worden met

raamovereenkomsten. Bepaalde ele-

menten van zulk een overeenkomst

zullen ook kwantitatief aan de top

geregeld kunnen worden; andere ele-

menten zullen .bewust overgelaten

moeten worden aan het overleg, per

regio of bedrijf. Die bewuste keuze

van welke elementen centraal
en

welke niet, is juist daarom zo. be-
langrijk omdat men over dezelfde

zaak ,niet op twee niveaus kan onder-

handelen. Een reëel .open overleg ,is

dan niet mogelijk.’ :

Geconfronteerd met de maatschap-

pij zoals deze nu eenmaal is, is het

begrijpelijk dat de vakbeweging tracht

het overleg meer te verschuiven naar

regio en bedrijf en — voor zover, dit

niet haalbaar is tracht aân de

basis zodanige structuren uit te

bouwen, dat maximale informatie, ge-

waarborgd is.

Intussen doen zich in .dit proces en-

kele interessante vraagpunten voor.

Allereerst is het. vaak zo, dat ,onder

handelen over arbeidsvoorwaarden

beter aan de districtsbestuurder of ,in

ieder. geval aan een professioneel

vakbondsvertegenwoordiger. kan wor-

den overgelaten, dan dat mensen uit
het bedrijf rechtstreeks in de ‘onder-

handeling betrokken worden. Voot

alsnog moet aangenomen worden dat

distantie en objectiviteit bij het spre-

ken over arbeidsvoorwaarden ‘gemak-

kelijker op te brengen zijn door hem,

die niet op de ,,loonIijst”. staat. Dit

pleit voor een goed ondersçheid tus-

sen informatie en meebetrekken in

de voorbereiding van , akkoordeti

ESB 28-4-1971


ffl

enerzijds en het onderhandelen zelf

anderzijds.

Verder moet men zich bij een

zwaarder accent op het overleg per

regio en bedrijf realiseren dat vak-

bondsfunctionarissen slechts de tota-

liteit van het personeel kunnen ver-

tegenwoordigen, voor zover dit de

expliciete of impliciete goedkeuring
van dat personeel heeft. Op centraal

niveau stelt zich deze vraag in veel

mindere mate, omdat daar naast de

vakbonden geen andere onderhande-

lingspartners aanwezig zijn. Boven-

dien is daar de steun van de ,,ver-

bindendverklaring”.

Zodra echter het onderhandelen

over arbeidsvoorwaarden voor een

deel bij het bedrijf zelf gebracht

wordt, zal dit geënt moeten zijn op
het bestand van de werknemers als

zodanig en niet uitsluitend op de

leden van de erkende vakbonden.

Voorshands zal men veel reserves

moeten hebben tegen een verschui-

ving van bepaalde puntén van het

overleg naar de basis. Zodra en voor

zover men echter onderhandelt per

bèdrijf, ligt het, gegeven de sterk ver-
ruimde positie van de ondernemings-

raad als personeelsvertegenwoordi-

ging, voor de hand dit te formaliseren

vanuit de ondernemingsraad. Onder-

handelingsdelegaties van werknemers

uit het bedrijf zelf zullen, voor zover

niet samenvallend met de onderne-

mingsraad, van daaruit gesanctioneerd

en getolereerd moeten worden.
Nu zullen ondernemingsraad en de

zgn. kaderleden van de vakbeweging

in het bedrijf in het algemeen geen

tegenstelling vormen. Een belangrijk
deel van de ondernemingsraadsieden
komt voort uit de door de vakvereni-

gingen gestelde kandidaten. Daar-

naast zal het gebruikelijk kunnen

worden vakbondsmensen als deskun-

digen in te schakelen bij talloze pro-

blemén die de ondernemingsraden-

hièuwestijl te behandelen krijgen. Zo

geschetst, wordt de vakbeweging

meer zichtbaar dan voorheen dienst-

baai aari het totale personeelsbestand

in het algemeen en aan de oriderne-

mingsraad in het bijzonder.
Althans zij kan het; duidelijk is dit

nog niet. Soms krijgt men de indruk

dat de vakbeweging tracht het poten-

tiële werk van de ondernemingsraad

te negeren en eigen, uitsluitend uit

vâkbondsleden bestaande, instituten

binnen de onderneming gestalte te

geven. Of dit wijsheid is mag ten

sterkste betwijfeld worden. Alle goe-

de bedoelingen ten spijt kan het snel

tot een antagonisme tussen vakbonds-

leden en niet-vakbondsleden leiden.,

Daarmee kan in korte tijd meer good-

will verspeeld worden, dan men in

lange tijd kan opbouwen.

Intussen is het zo dat, als de vak-

beweging zich in belangrijke mate,

zo veel als binnen haar eigen verant-

woordelijkheid mogelijk is, zou rich-

ten op de ondernemingsraad en het

gehele personeelsbestand, het dan

wel merkwaardig is dat de financiële

lasten van dat werk uitsluitend ge-

dragen zouden worden door de leden

van de vakbeweging.

Zoals bekend pleit de vakbeweging

zelf voor een aanzienlijke retributie

van de bedrijven. Zij schijnt deze te

willen gebruiken. voor vormings- en

opleidingswerk enerzijds en een druk-

ken, c.q. periodieke gedeeltelijke res-

titutie van de contributies anderzijds.

Als zij zich werkelijk dienstbaar zou

maken aan het totale personeel, dan

lijkt dit verzoek tot aanzienlijke fi-

nanciële tegemoetkoming niet geheel

onlogisch. Dit ,,als” blijft overigens

een moeilijk precies af te palen voor-

waarde. De zaak zelf is moeilijk in

harde lijnen te vatten en bovendien

is het zo, dat de vakbeweging zich in

het algemeen door de werkgevers

geen voorwaarden wil laten stellen,

waaronder aan haar geld verschaft

wordt.

Wanneer echter de vakbeweging

dienstbaar is aan het gehele perso-

neelsbestand en het werk van de on-

dernemingsraad in het bijzonder, of

dit nu vorming en scholing betreft

of het geven van deskundige voor-

lichting, dan is het logisch dat enige
financiële tegemoetkoming gegeven

wordt door diezelfde ondernemings-

raad.

Uiteraard zal dit geld in laatste in-

stantie van de onderneming moeten

komen. Het is echter onlogisch dat

de ondernemer de hem vreemde vak-

beweging financiert. Het gaat immers

om de werknemers, die bijdragen in

de lasten van de voor hem werkende

vakbeweging. Daarom verdient het

aanbeveling het budgetrecht van een

eventuele bijdrage aan de vakbewe-

ging bij de ondernemingsraad te leg-

gen. Het gaat voor een belangrijk

deel over hun scholing en vorming en
over hun belangenbehartiging.

Gegeven de historisch gegroeide

positie en belangen van de vakbewe-

ging, ware het te overwegen voor een

periode een deel van het door de

ondernemingsraad uit te geven (te

budgetteren) geld rechtstreeks ter be-

schikking te stellen van de vakbewe-

ging. Hieruit kan dan een zodanige

vertrouwensrelatie groeien dat dit ge-

continueerd kan worden na afloop

van deze periode. Een ander dêel

kan naar de vakbeweging vloeien via

.,concrete diensten, scholing, vorming

en deskundige assistentie. Tenslotte

zal een deel juist niet naar de vakbe-

weging vloeien 6f omdat zij de ge-

wenste service niet geeft 6f omdat zij

het niet goed doet.

Overigens is het zo dat ook nu al,

van bedrijf tot bedrijf sterk verschil-

lend, uitgaven gedaan worden in het
kader van de ondernemingsraden en

de sociale-overlegstructuren in het
bedrijf. Aangezien de kosten thans
overwegend bestaan uit een aantal

uren en niet uit externe kosten wor-

den ze niet of onvolledig geregi-

streerd. Waar een onderneming

echter een economische doelorgani-

satie is, verdient het aanbeveling ook

deze kosten zichtbaar te maken. Als

de vakbeweging geen rechtstreekse

bijdragen gaat ontvangen van de on-

dernemingen, maar deels (voorlopig)

ongebonden en deels aan concrete

service gebonden vergoedingen van

de ondernemingsraden, dan lijkt dit

wellicht voor de vakbeweging op

korte termijn onaantrekkelijker dan

rechtstreekse inning. Het heeft echter

het grote voordeel dat het grondslag

en basis kan zijn voor een daadwer

kelijke vertrouwensrelatie tussen per

soneel en vakbeweging. Daarnaast

zullen de vakbondscontributies be-

vroren of, wellicht enigszins vermin

derd kunnen worden.

Zowel hierom, als om het feit dat

de vakbeweging in die situatie ken-

nelijk het totale personeelsbelang

dient, zal deze nieuwe situatie ge-

paard kunnen gaan met een ook in

het ledentl grotere en representatie-

vere vakbweging. Ook aan het in-

slaan van deze weg zijn belangrijke

risico’s verbonden, én voor de vak-

beweging én voor de ondernemingen.

Een en ander zal nadere bezinning
vergen; daarna zal blijken wie wel

en wie geen risico’s wenst te lopen.

Maar zoals Minister Polak zêi: ,,De-
mocratie is,net iets voor bange men-

sen”. –

384

Sociologie e n de studie

van de econmische orde

PROF. DR. H. J. VAN ZUTHEM

De Delftse
oratie
van de socioloog Prof. Dr. H. J. van Zuthem, ,,De
geloofwaardigheid
van

onze economische
orde” (juni 1969) heeft vele tongen en pennen losgemaakt, vooral onder

economen. Ook in ESB, getuige bijv. het artikel van Prof. Dr.
C.
de Galan in ESB van

september 1969, onder de titel ,,Een uitnodiging die geen aandacht verdient”. De sindsdien op

vele fronten gevoerde pennestrijd -tussen sociologen en economen was voor de redactie van ESB

aanleiding om Prof. van Zuthem te vragen nog eens wat nader in te gaan op enkele
,,stenen

des aanstoots” uit zijn oratie. Ook werden de economen De Qalan en Albeda en de socïoloog

Peper om commentaar gevraagd. Het produkt van de aldus ontstane discussie treft de lezer op
de volgende pagina’s aan.

Inleiding

De redactie van dit tijdschrift heeft mij enkele keren

gevraagd in te gaan op de reacties op mijn Delftse oratie

De geloofwaardigheid van onze economische orde
(juni

1969). In deze oratie had ik op grond van empirisch

materiaal de stelling verdedigd, dat de geloofwaardigheid
van onze economische orde nogal groot is. Daarbij stelde

ik de uit verwondering geboren vraag: hoe kan die

geloofwaacdigheid zo groot zijn, gelet op allerlei tekorten

in onze samenleving en het gebrek aan voldoende hulp

aan ontwikkelingslanden?

Nu blijkt, dat de reacties voornamelijk afkomstig zijn
van economen. Er zijn ernstige bedenkingen geuit tegen
mijn opmerkingen over schaarste. Verder zou ik de mo-

gelijkheden van een economische orde overschat en vol-

gens anderen onderschat hebben.

Het lijkt me na zoveel tijd niet zo zinvol allerlei be-

denkingen los van een groter verband te gaan beant-

woorden. Ik wil in dit artikel een poging doennog wat

nader in te gaan op die dnderdelen uit mijn oratie, die

veel kritiek hebben opgeroepen. De zin van het schrijven

en lezen van dit artikel jigt hopelijk in het bevorderen

van een beter begrip tussen economen en sociologen. In

ons land is de verhoudipg tussen beide groepen niet zo

best.

De economische orde als sociologisch studieobject

Bij de studie van de economische orde (vooral bij een

vergelijking tussen economie en sociologie) doen zich

twee belangrijke prealabele kwesties voor.

In de
eerste
plaats is er de inhoud van het begrip eco-

nomische -orde. Sociologe’n zullen als regel dit begrip
ruimer interpreteren. De Galan heeft in zijn kritiek ge-

zegd, dat hij onder de economische orde verstaat ,,de

Organisatie van het economisch leven, de wijze van cö-
ordinatie van economisch handelen, de mate van decen-

tralisatie en democratisering van economische beslissin-

gen”‘. Zelf spreek ik het liefst over ,,de Organisatie vin

de produktie en verdeling van goederen en diensten”.

Op het eerste gezicht zijn er weinig verschillen. We den-

ken kennelijk beiden aan regelingen, afsprakén, proce-

dures, machtsverhoudingen e.d. Het punt, waarom hët

echter gaat is, dat de socioloog hiermee niet kan vol-

staan. Hij betrekt- in zijn – beschouwingen de ,,diepere

lagen” in de sociale werkelijkheid vanwege het feitdat

de organisatievormen onlosmakelijk zijn verbonden met

waarden, doelstellingen, ideeën, voorstellingen e.cl.
2
Nu

is het uiteraard mogelijk ter beperking van het sttidie-

object uitsluitend te letten op de structurele kant, met

name op de machtsverhoudingen. Ik heb echter een rui-

mer uitgangspunt genomen, al had ik er goed aan gedaad

dit nadrukkelijk te vermelden. –

In de
tweede
plaats is er een kennis-theoretisch pr&

bleem. De moeilijkheid in onze tijd is, dat in de discussiës

tussen allerlei wetenschappen niet direct duidelijk is welk
kennis-theoretisch uitgangspunt wordt gekozen. Tot voor

enkele jaren was dit niet zo belangrijk, omdat economie

en sociologie overwegend positivistisch georiënteerd

waren. Op deze
,
basis was een fraaie taakverdeling mo-

gelijk, waarbij men elkaar ongemoeid kon laten. Ik noem

als relevant voorbeeld voor mijn artikel de behoeftefi-

bevrediging. De psychologie stelde aard en intensiteit

1
C. de Galan: Een uitnodiging die geen aandacht ver-

dient, in ,,ESB”, 17 september 1969, blz. 894. 2
G. Gurvitch: Dieptesociologie, in G. Gurvitch:’- ,,-Hand

boek van de sociologie”, deel 1, Utrecht/Antwerpen

1968, blz. 266. .-

ESB 28-4-1971

38

van de behoeften vast. De economie hanteerde deze
behoeften als data en bestudeerde de mensen in hun

pogingen met behulp van ter beschikking staande mid-

delen de behoeften zo goed mogelijk te bevredigen. De

sociologie (met name de klassieke bedrijfssociologie)

was goed voor de studie van de menselijke verhoudingen

en de sociale structuren vanuit het gezichtspunt van de

beheersing van het menselijke gedrag (waarbij de socio-

logie op haar beurt de doelstellingen als gegeven be-

schouwde).

Intussen waren er maar weinig mensen die zich afvroegen

waar die behoeften en doelstellingen vandaan kwamen,

welke gevolgen de bevrediging van de behoeften had en

wie er eigenlijk het meeste belang had bij die behoeften-

bevrediging.

Ik laat in het midden, in hoeverre deze benadering

nog overwegend is. Ik constateer groeiende twijfels aan

de juistheid van deze benadering, waarin elke weten-

schap een stukje van mens en werkelijkheid neemt, zon-

dér na te gaan of het totale resultaat nog wel menselijk

en leefbaar is. Zowel in de economie als in de sociologie

knnt de dialectische benadering naar voren, waarin de

wisselwerking tussen mens en samenleving nadrukkelijk

tot. uitgangspunt wordt genomen. De mens is een produkt

van de samenleving en de samenleving is een produkt

van de mens. In dit dialectisch proces doet zich de

belangrijke vraag voor, in hoeverre er symmetrie op-

treedt tussen het bewustzijn van de mens (kennis, bele-

ving, beoordeling en duiding van de werkelijkheid) en de
werkelijkheid zelf (de structuren die wij maken, de waar-

den die gelden enz.). De mensen hebben wel zelf die
werkelijkheid gemaakt, maar zij kan een eigen leven

gaanleiden en zich tegen de mens keren. Anders gezegd:

in welke mate herkennen de mensen zich in de wereld

om hen heen?

Mijn bezwaren richten zich hierbij niet op het feit, dat

e’en wetenschap een bepaald aspect voor haar rekening

reëmt. Het- verwaarlozen echter van een visie op het

geheel en op de mens in het bijzonder kan tot gevaarlijke

eènzijdigheden leiden. Nu is het niet mijn bedoeling in dit

artikel de metbodenstrijd onder economen en sociologen
ttn tonele te voeren en persoonlijk blijk te geven van een

uitgesproken keuze. Ik maak deze opmerkingen om

begrip te vragen voor mijn twijfels (en die van anderen)

aan de betekenis van de – bestaande wetenschappelijke

benaderingen van de economische orde. Mijn oratie was
ëen-poging, door mezelf speculatief en bespiegelend ge-

noemd (een beperking die door geen enkele criticus ge-

citeerd is).

-. Mijn ôpvatting is, dat ook de wetenschappen die zich

met de economische orde bezighouden, op een of andere

Wijze de bewoonbaarheid van deze samenleving beïnvloe-

dn: Een kritische instelling m.b.t. deze samenleving

pfeekt dan vanzelf
4.
Veel mensen vinden onze econo-

mische orde geloofwaardig. Is dit het resultaat van be-

zinhing, kennis en oordeel of het succes van de mecha-

nismen in’on’ze samenleving die de mensen deze geloof-

waardighèid ‘aanpraten? Ik ben me ervan bewust, dat

deze probleemstelling nog niet uitmunt door scherpte en

exactheid, maar ze leek me relevant genoeg om als uit-

gang

s
. pünï voor een oratie te nemen.

– De sociologie kan op een aantal manieren dit pro-

bleemveld -bétreden. In de eerste plaats kan er een

pogig. Worden gedaan na te gaan, waardoor ons denken

cp’.het. teriein van dé behoeftenbevrediging wordt be-

invloed (kennis-sociologisch aspect). In de tweede plaats

hanteren mensen allerlei waarden en voorstellingen, die

het proces van produktie en consumptie sterk beïnvloe-

den; hier past een kritische benadering van het verschijn-

sel schaarste (cultuur-sociologisch aspect). In de derde

plaats is er de kwestie van de invloed en verantwoorde-

lijkheid van werknemers en consumenten voor produktie

en behoeftenbevrediging (rnachts-sociologisch aspect). In

mijn oratie ben ik uiteraard op al deze aspecten maar

weinig ingegaan. Ik wil proberen de kritiek te plaatsen

in een nadere uitwerking van deze punten.

Het denken over behoeftenbevrediging

In zijn relatie tot de wereld kent de mens aan de samen-

leving een zekere waarde en zeker vertrouwen toe, mede

als gevolg van de functie die iedere samenleving heeft,

nI. aan de werkelijkheid orde en zin toe te kennen. Tegen

deze achtergrond moet het begrip geloofwaardigheid

worden gezien. Een samenleving is geloofwaardiger naar-

mate de mensen meer symmetrie beleven tussen hun

eigen bewustzijn en de werkelijkheid
5
.

Geloofwaardigheid is derhalve een maatstaf ‘voor de

symmetrie tussen bewustzijn en werkelijkheid. De inhoud
van deze symmetrie kan zeer complex. zijn, hoewel, men-

sen vaak volstaan met het gebruik van enkele symbolen

of indicatoren. In het geval van de economische orde,

waarin het gaat om voortbrenging en verdeling van goe-

deren en diensten, ligt het Voor de hand deze indicatoren

te zoeken bij de inkomensverdeling, welvaartsbeleving,

machtsverhoudingen, arbeidsontplooiing e.d. In mijn

oratie heb ik volstaan met inkomensverdeling, welvaar-

beleving en machtsverhoudingen. Ik zou het nu iets rui-

mer willen stellen. Een economische orde is geloofwaar-

diger naarmate de werking van die orde meer vertrou-

wen wekt m.b.t. de behartiging van belangen en de ont-

plooiing van het leven. Hiermee is dan tevens een poging

gedaan tot operationalisering-. De diepere kwestie blijft

echter de symmetrie tussen bewustzijn en werkelijkheid.

Uit het voorgaande zal duidelijk geworden zijn, dat

het vertrouwen niet alleen ontstaat uit een activiteit van

de mensen zelf.. Immers, ook de economische orde werkt

op dit vertrouwen in via de tradities en de voorstellingen

m.b.t. de consumptie, de ôpvattingen over goed en

kwaad, recht en onrecht. Maar ook via de invloed van

machtige belangengroepen.

Voor een goed begrip van de -letekenis van deze benade-

ring moeten we gebruik maken van een aantal kennis-

sociologische noties. De kennis-sociologie houdt zich

bezig met de studie van de verhouding tussen het mense-

lijk denken en de sociale omstandigheden
6.
Een van de

basisstellingen van de kennis-sociologie is, dat de geloof-

waardigheid van de visies op dç werkelijkheid afhanke-

lijk is van de sociale steun die deze visies ontvangen.

Vgl. P. L. Berger en T. Luckmann: ,,The social con-

struction of reality”, Londen 167.

‘ Alleen al op grond hiervan zijn deze wetenschappen

waardegebonden. Zie hierover het boeiende artikel van

J. F. Staal: De academicus als nowhere man, in ,,De

Gids”, 718, 1970, blz. 96 e.v.,
Ik volg hier de uiteenzettingen ‘van P. L. Berger: ,,Er-

zijn nog altijd engelen”, Utrecht/Antwerpen 1969, blz.

47 e.v.

1.

6
Uitvoeriger hierover Berger: ,,Er.
zijn
nog altijd enge-

len”, t.a.p., blz. 48 e.v.

396

3-

De geloofwaardigheid kent een structuur, die afhanke-

lijk is -van drie factoren: de definitie van de werkelijk-

heid, de sociale relaties waarin deze definitie als vanzelf-
sprekend wordt ervaren en de ondersteunende therapieën

en legitimeringen.

De definitie van de werkelijkheid wordt ons als regel

meegegeven in onze opvoeding. Hierin kunnen traditio-

nele gegevens een belangrijke rol spelen. Ideeën kunnen

een hardnekkig bestaan hebben. Zij worden bevestigd

door bepaalde sociale relaties. Werkgevers bijvoorbeeld

kunnen onder elkaar bepaalde opvattingen als zeer van-

zelfsprekend huldigen. Het is de functie van denkbeelden

een en ander moeiteloos en met een grote mate van van-

zelfsprekendheid over te dragen, waarbij de vraag naar de

waarheid of de zin buiten beschouwing kan blijven. Ten

slotte zijn er therapeutische mechanismen, die afwijkende

meningen trachten te cureren. Afwijkende opvattingen en

non-conformistisch gedrag zijn als regel voorwerp van

sociale controle. Daarnaast zijn er talrijke rechtvaardi-

gingsredeneringen (ideologieën), die de juistheid van be-

staande opvattingen en praktijken trachten aan te tonen,

met de bedoeling dat zij als legitiem ervaren worden.

Ik zou de werking van de geloofwaardigheidsstructuren

willen toelichten aan de hand van het volgende voor-

beeld. Hoewel hier nog veel onderzoek moet worden ver-

richt, kent de
consumptie
naar mijn indruk een duidelijke

geloofwaardigheidsstructuur. Het is de opvatting van

velen, dat de mens-recht heeft op een zo groot mogelijke

bevrediging van behoeften. Via reclame, films, romans

e.d. wordt ons voortdurend verteld hoeveel we nog

tekortkomen. De uitdrukking ,,de tering naar de nering

zetten” heeft eén remmende en een stimulerende wer-

king. Immers, wie het breed heeft laat het breed hangen.

Het gegeven, dat we het nu beter hebben dan vroeger,

vraagt -om een daadwerkelijke bevestiging. Het thera-

peutische element zit niet in de laatste plaats in het bezit

van consumptiegoederen als teken van succes en vooruit-

gang.

Het lijkt me duidelijk, dat al deze voorstellingen en
ideeën te beïnvloeden zijn, vooral omdat ze zelden in

discussie zijn. De welvaart kan met sprongen omhoog

gaan, terwijl nog altijd het besef aanwezig is dat er vele

tekorten zijn. Op dezelfde Wijze kan er hard worden ge-

werkt aan de economische groei, zonder een duidelijk

antwoord op de vraag waartoe die groei eigenlijk dient.

De betekenis van de kennis-sociologie kan hierin liggeji,

dat bestaande opvattingen en denkbeelden worden gere-

lativeerd. Bijvoorbeeld de gedachte, dat ons huidig den-

ken niet los staat van de armoede in het verleden.

In mijn oratie heb ik géwezen op de enorme beteke-

nis van de kennis omtrent onze maatschappij. Het door-

breken van de geloofwaardigheidsstructuren zal vooral

via een, betere kennisdistributie moeten verlopen. Dit zal

zich naar mijn inzicht moeten toespitsen op het verband

tussen onze consumptie en de noden in de samenleving

hier en ginds. Welk verbat’id is er tussen onze consumptie

en de tekorten in het ondèrwijs, de woningbouw, de vei-

ligheid op straat, de ontwikkeling van arme landen, de

democratisering van het bedrijfsleven op basis van een

vooronderstelde beschadiging van de efficiency bij in-

voering van medezeggenschap?

Waarden en consumpde

Aan de consumptie liggen bepaalde waarden ten grond-

slag. De sociologie interesseert zich voor deze waarden,
o.m. als onderdeel van het economisch denken. Gelet op

de kritiek op mijn oratie wil ik nader ingaan op twee

factoren, die dit denken sterk beïnvloeden, nl. het ver-

schijnsel schaarste en de invloed van de economische

wetenschap.

1. Schaarste als cultureel verschijnsel

De economische wetenschap noemt al die goederen

schaars, waarvoor mensen die ze willen hebben, iets moe-

ten opofferen. Wintersportvakanties zijn schaars, omdat

mensen niet over onbeperkte hoeveelheden tijd en geld

beschikken. Essentieel in deze benadering van het begrip

schaarste is de confrontatie van behoeften en middelen.

M.a.w. wintersportvakanties zouden niet schaars zijn,

wanneer hieraan geen behoefte bestond of wanneer men-

sen over onbeperkte hoeveelheden tijd en geld zouden

kunnen beschikken. Bestaan
en
omvang
van schaarste

kunnen zowel afhankelijk zijn van de omvang van de

behoeften als van de omvang van de middelen.

Nu is het bekend, dat de economische wetenschap
volgens de gangbare opvatting de behoeften als data

accepteert. Hetzelfde geldt voor de doelstellingen. Deze

wetenschap richt zich op de aanwending van de mid-

delen.

Vanuit deze gedachtengang zijn mijn opmerkingen

over schaarste sterk bekritiseerd. Ik heb de vraag ge-

steld: in hoeverre praten wij elkaar een schaarste aan die

op grond van elementair-humanitaire maatstaven (hoe

veranderlijk ook in de tijd) verworpen of tenminste sterk

gerelativeerd moet worden? Hierbij werd schaarste uiter-

aard niet gebruikt als een technisch-economische term

(in de oratie komt de economische wetenschap niet aan

de orde), maar als waardebegrip in de zin van nood, on-

toelaatbaar tekort. Verder merkte ik op, dat een groei-

end deel van onze behoeften buiten het vlak van de

elementaire behoeften komt en daarmee in de sfeer van
de menselijke beheersing geraakt ,,Met de groei van de

welvaart worden de voorwaarden geschapen, waaronder

wij de produktie kunnen richten op hetgeen wij in geza-

menlijk overleg noodzakelijk vinden. Om die reden is het

onjuist het begrip schaarste in zijn huidige absolute en

bijna sacrale betekenis te handhaven”
7.

– Het is duidelijk, dat ik hiermee niet alleen een ander

schaarstebegrip gebruikte, maar ook de behoeften ter

discussie stelde. De vraag, die mij bezig hield was of de

ene schaarste niet dringender is dan de andere, de ene-

authentieker dan de andere. Schaarste en schaarste zijn

inderdaad twee
8

Wanneer men, zoals ik, schaarste ziet als de uitkomst

van zowel behoeften als middelen, kan men de maat-

schappelijke achtergronden (zoals het ontstaan van het

denken over behoeftenbevrediging) ter discussie stellen.

Bijvoorbeeld: behoeften mogen in onze samenleving on-

gestraft worden opgewekt, hoewel iedereen kan weten

dat behoeftenbevrediging elders noden en tekorten kan

veroorzaken. Afgezien van het gebruik van een bepaald

woord, zijn in de kritiek opmerkingen gemaakt over

Oratie, blz. 13.
8
Aldus S. U. Zuidema: De (on)geloof waardigheid van

onze economische orde, in ,,Mededelingen van de ver-
eniging voor de calvinistische wijsbegeerte”, december

1969, blz. 5.

ESB 28-4-1971

387

consurnptie-ethiek. Wanneer er wel auto’s worden ver-
kocht, maar onvoldoende veilige wegen aanwezig zijn,

wanneer er wel kleuren-TV’s worden gekocht, maar er

onvoldoende geld is voor ontwikkelingshulp of verbete-

ring van het basisonderwijs, dan kun je zeggen dat men-

sen foutief consumeren.

Uiteraard staat de consumptie-ethiek niet buiten deze

kwestie, maar het lijkt me onjuist te zeggen, zoals bij-
voorbeeld Albeda, dat dit alles buiten de economische

orde staat . Ik hoop, dat de uitvoerige beschouwingen

in het voorafgaande duidelijk hebben gemaakt dat con-

sumptie-ethiek (goed en kwaad in het consumeren) een

onderdeel is van de geloofwaardigheidsstructuren van

onze economische orde. Deze ethiek staat op z’n minst

in wisselwerking met marktsysteem en reclame en maakt

cle werking van deze instituten mogelijk. Ik ben het dan

ook niet eens niet De Galan, die de menselijke wil plaatst

tegenover de economische orde en de politieke keuzen

los ziet van de aard en de werking van de economische

orde
10
En dit niet, omdat ,,alles niet alles samenhangt”,

maar vanwege het concrete gegeven dat consumptie als

zodanig een politieke bezigheid is
11
.

Derhalve is het begrip schaarste in onze samenleving

veel meer dan een technisch-economische term. Het is

mi. een onderdeel van de geloofwaardigheidsstructuren.

Er bestaan diep gewortelde voorstellingen omtrent gebrek

en armoede in het verleden. Mensen menen recht te

hebben op een zo groot mogelijke behoeftenbevrediging,

een gedachte die eerder wordt gestimuleerd dan bestre-

den.
In deze context is schaarste in het bewustzijn van

mensen een inisstand en een onrechtvaardigheid.

Naar mijn inzicht is het zeer onvoldoende te wijzen

op een andere consumptie-ethiek of op een beter sociaal-

economisch beleid. Deze zaken staan niet los van de aard

van de economische orde. Het waardevolle van een man
als Marcuse vind ik, dat hij m.b.t. dit onderwerp het per-

spectief opent op een kritische benadering van de con-

sumptie. Vooral de gedachte, dat in het streven naar

materiële goederen de mogelijkheid ligt opgesloten van

een sublimatie van behoeften, die voor een menselijke

ontplooiing veel grotere waarde kunnen hebben, vind ik

bepaald stimulerend
12
Fromm stelt, dat onze zucht naar

consumptie elk verband met reële menselijke behoeften

verloren heeft
13
Dit mag overdreven zijn, het spook van

het materialisme, waarin geestelijke behoeften worden

omgezet in materiële en menselijke ontplooiing identiek

wordt gemaakt aan de levensstandaard, moet op z’n

minst onze sociaal-wetenschappelijke ogen openen voor

andere probleemstellingen dan de gebruikelijke.

Ik herhaal, dat ethiek en sociaal-economisch beleid

belangrijk zijn. Men onderschat echter de invloed van de

economische orde zelf en de daaraan ten grondslag lig-

gende culturele waarden, wanneer men de bestaande

noden en tekorten alleen van daaruit wil aanpakken. De

krachten in het marktsysteem, de reclame, de produkt:

ontwikkeling, de hiërarchie in bedrijven, de eigendoms-

verhoudingen, het winststreven e.d. kunnen naar mijn

inzicht niet buiten schot blijven. Het alternatief is dat

men de economische orde gaat zien als een ,,gekooide

tijger”, die tot een beter functioneren wordt gedwongen

door ethiek en beleid. Een dergelijk beeld van de werke-

lijkheid onderschat de waarden die aan onze orde ten

grondslag liggen en gaat ten onrechte uit van een instru-

mentele opvatting van deze orde.

Schaarste in de technisch-economische zin zal er wel

altijd blijven. Schaarste als cultureel verschijnsel is een

waarde-gebonden begrip, dat in zijn verbondenheid met

misstanden en onrechtvaardigheid op een fictie (een ver-

zinsel) kan berusten en voor een groot aantal behoeften

een fictie is. Immers, het lijkt billijk aan te nemen

dat een oordeel over misstanden en onrechtvaardig-

heden zal moeten ontstaan uit een totaal-overzicht van

noden en tekorten. In feite wordt thans de aanschaf van

allerlei luxe-artikelen niet het opheffen van dergelijke

misstanden in verband gebracht viade reclame, terwijl

bijvoorbeeld de ontwikkelingshulp nauwelijks op gang

kan komen. Dit klemt te meer, wanneer we bedenken,

welke (luxe) goederen we volgens de futurologen nog te

verwerken krijgen
14 –

2.
De invloed van de economische wetenschap

Welke invloed heeft de economische wetenschap op het

economisch denken en op het voortbestaan van schaarste
als misstand? Er is een belangrijke stroming die beweert,

dat de economie een neutrale wetenschap is
15
Immers,

behoeften en doelstellingen worden als data gehanteerd.

Naar mijn inzicht is deze neutrâliteit schijn, want het

bestaan en voortbestaan van overvloëd hier en noden

ginds staan niet los van de werking van het door de

economische wetenschap verschafte inzicht in het zo

goed mogelijk bevredigen van behoeften. Dit inzicht

legt beslag op de middelen.

Heertje spreekt over de ,,logische neutraliteit van de

economie”
16
. Ik kan dit niet volgen. De economische

wetenschap laat de behoeften en doelstellingen vo6r wat

ze zijn en houdt zich alleen bezig met de middelen.

Waarom is een dergelijke keuze logisch en neutraal?

Wanneer een zo goed mogelijke behoeftenbevrediging als

wetenschappelijk probleem is gesteld, zou toch logisch

gezien ook kunnen worden gekozen voor het ontstaan

van behoeften en een betere voorlichting aan consumen-

ten? Wanneer de bestaande doelstellingen als data wor

den geaccepteerd en daarmee dus de bestaande politieke

verhoudingen, stelt men dan, via het inzicht in de aan-

wending van de middelen zijn wetenschap niet in dienst

van die politieke verhoudingen? Is men dan nog neu

traal?

°
W.
Albeda: De economische orde in hei geding, in

,,AR-Staatkunde”, november 1970, blz. 488.
10
De Galan, tap., blz. 896.
11
Er
zijn
economen, die hiervoor volledig begrip. hebben.

Th. van de Klundert heeft erop gewezen, dat ons econo-
,nisch systeem totalitaire trekken vertoont en in belang-

rijke mate cultuur en menselijk gedrag be’ialen. (Markt,
planning en menselijk gedrag, in ,,Wending”, novembér

1969, biz. 582).
12
H. Marcuse: .,,De een-dimensionale mens. Studies in

de ideologie van een hoogindutriëIe samenleving”, Hil

versum 1968, blz. 24 e.v.
13
E. Fromm: ,,De gezonde samenleving”, Utrecht, 2e

druk 1969, blz. 105. –
14
H. Kahn en A. J. Wiener: ,,The year 2000″, New

York 1967.
15
F. J. de Jong: ,,De werking van de volkshuishouding”,

Leiden 1957, blz. 212. –
10
A. Heertje: Bewogen beleid, in ,,Sociologische Gids”,
juli/augustus 1970, blz. 279.

3.8.8

Of is het toeval, dat de consumenten in onze econo-

mische orde heel wat zwakker staan daii de producenten

wanneer het gaat om het bevredigen van behoeften en

het realiseren van doelstellingen met behulp van econo-

mische inzichten? In die zin heb ik de economische

wetenschap in een interview gevaarlijk genoemd, omdat
zij onder de schijn van neutraliteit de ene schaarste helpt

opheffen en de andere in stand houdt of mede veroor-

zaakt j.

Hier is uiteraard geen sprake van een vooropgezette

bedoeling van de economische wetenschap. Zijlstra heeft

eens opgemerkt, dat het fundamentele economische pro-

bleem het welvaartstekort is
18
Pen schrijft over het men-

selijk geluk als een richtsnoer voor de produktie
19,
in

dienst waarvan ook de economische wetenschap geplaatst

kan worden. Zodra die doelstellingen van welvaart, wel-

zijn en gelulç niet op een bevredigende wijze worden

bereikt, zou het ook kunnen zijn dat er iets mankeert aan

de uitgangspunten en concepties van de economische

wetenschap.

Ik heb overigens nooit beweerd, zoals Zahn doet voor-

komen, dat de economische wetenschap alleen maar oog
heeft voor de materiële welvaart
20
Ik heb opmerkingen

gemaakt over de m.i. onjuiste verhouding tussen welvaart
en welzijn. Ook ontgaat mij, waarom Heertje ,,een enkele

sdcioloog die zelfs meent dat schaarste op fictie berust”
in de schoenen moet schuiven, dat hij niet gedacht heeft

aan de bestaande armoede en aan de schaarste aan col-

lectieve voorzieningen
21
In mijn oratie worden die te-

korten met name genoemd. Ook is er geen enkele aan-

leiding mij te verwijten, dat ik de economie van alles de

schuld geef
22
Wel lijkt het mij wenselijk een zo naver-

wante wetenschap de buurtschappelijke vraag te stellen

of het vasthouden aan een ongenuanceerd en neutraal

schaarstebegrip niet schadelijk is voor welzijn, geluk enz.

In de kritiek op mijn oratie is er ook op gewezen, dat

er vanuit de economische wetenschap zelf steeds meer

aandacht wordt geschonken aan de negatieve effecten

van onze economische orde. Met. name wordt dan ge-

wezen op de zgn. welzijnseconomie, waarvan Pigou een

van de grondleggers is. Er ontstaat besef voor nieuwe

vormen van schaarste (schoon water, schone lucht, bos-
sen, speelplaatsen e.d.)
23•
Vanuit deze benadering wil

men komen tot een betere kostencalculatie, zodat het

prijzenmechanisme de allocatie der middelen beter kan
regelen
24

Hoe belangrijk deze benadering ook kan zijn voor een
betere verdeling van allerlei goederen, terecht heeft Van

Santen opgemerkt dat deze benadering onvoldoende is
25

Wat mij betreft vraag ik me- af, of een beter prijsmecha-
nisme ook de ontwikkelingshulp zal bevorderen en meer

geld ter beschikking brengt voor het basisonderwijs. Kan

een beter functionerend prijsmechanisme de verdeling

over individuele consumptie en collectieve voorzieningen

beïnvloeden? Of is hiervoor een herziening nodig van

prioriteiten, hetgeen samenhangt met politieke inzichten

en gewenste maatschappelijke ontwikkeling? Hoewel een

-bestrijding van bijvoorbeld de milieuverontreiniging via
een – beter functionerend prijsmechanisme belangrijk is,

moet ook worden gevreesd dat een dergelijke oplossing

de geloofwaardigheid van onze economische orde zal

doen toenemen, naar ik verwacht ten koste van allerlei

yoorzieningen hier en ginds.

Sprekend over de invloed van de economische weten-

schap lijkt het mij belangrijker te letten op de discussie

onder economen over de waardevrijheid van deze weten-

schap
26
Ik denk hier ook met name aan de kritiek, die
ontstaat op de manipulatie van behoeften en de voor-

onderstelling van de soevereiniteit van dé consument
27

De kritiek op de waardevrijheid van de economische

wetenschap kan grote gevolgen hebben voor het inzicht

in het functioneren van de economische orde. Met name

wanneer dit inzicht doorwerkt in het economie-onderwijs

op de scholen. Bevordert dit onderwijs op dit moment

wel voldoende het kritisch denken? Ik denk aan de uit-

spraak in een veel gebruikt leerboek, dat de economie

zich niet uitspreekt over behoeften en daarom neutraal
is
28

In het kritisch denken over de econoniische orde kun-

nen economie en sociologie elkaar op dit moment vinden.

De sociologen kunnen zich gesteund weten door inzich-

ten als die van Galbraith. Hij schrijft, dat we moeten

onderzoeken hoe onze economische denkbeelden gewor-

teld zijn in de armoede, de economische ongelijkheid en
het gebrek aan bestaanszekerheid in het verleden
29•
Een

opmerking, die kennis-sociologisch nogal relevant is.

Behoeften en menselijke verantwoordelijkheid

Het vraagstuk van de behoeftenbevrediging is naar mijn

inzicht voor een deel in een maatschappelijk en moreel

isolement terechtgekomen. Ik wees er- al op, dat in onze
samenleving behoeften ongestraft kunnen worden opge-
wekt. De reclan

ie is nauwelijks aan banden gelegd. Ook

17
In ,,De Nieuwe Linie”, 18 april 1970.
18
J.
Zijlstra: ,,Economisc/ie orde en economische poli-

tiek”, Leiden 1956, blz. 33. –
19
J.
Pen: Het prijzenstelsel als extern communicatie-
systeem, in ,,Maandblad voor accountancy en bedrjfs-

huishoudkunde”, oktober/november 1969, blz. 490.
20
E. Zahn: Economische orde en sociologie, in ,,Folia

Civitatis” (Universiteit van Amsterdam), 11 april 1970,

blz. 3. Zie in dit verband ook de kritiek van W. J. de

Gooijer op Zahn: Wie is een losgeslagen socioloog, in

,,Folia Civitatis”, 2 mei 1970, blz. 8, waarmee ik geheel
instem.
21
A. Heer! je: Bewogen beleid, t.a.p., blz. 255.
22
Zoals P. J. Uitermark in ,,De Nieuwe Linie”, 18 april

1970.


23
R. Hueting: De nieuwe schaarste is keihard, in ,,ESB”,
1969, blz. 344.
24
J. Pen: Het prijzenstelsel als extern communicatie-

systeem, tap., blz. 492; idem: Laat de vervuilers bloe-

den, in ,,Haagse Post”, 19 juni 1970, blz. 39.
25
J. van Santen: ,,Welvaart en welzijn. Kritisch econo-

misch denken”, Eurosboekje 1970, blz. 21.
26
Een recent overzicht hiervan bij- A. Kouwenhoven:

Gunnar Myrdal over feiten en waarderingen, in ,,Econo-

mix, – afscheidsbundel aangeboden aan T. P. v. d. Kooy”,
Kampen 1970.
27
O.a. bij Th. van de Klundert: Ekonomnie en de ideo-

logie van het westen, in ,,Weienschap en samenleving”,
augustus 1970, blz. 130. Verder bij E. J. Tuininga: Zin-

nige en onzinnige reclame, in ,,Intermnediair”, 16 oktober

1970, hlz. 69 en E. Mandel: ,,Wat is neo-kapitalisme”,

Sunschrif t nr. 24, IVijmegen 1970, blz. 20.
28
Ik citeer A. Heertje: ,,Elementaire economie”, 4e druk

1970, blz. 14.
29
J.
K. Galbraith: ,,De economie van de overvloed”,

Amsterdam 1961, blz. 13.

ESB 28-4-1971

389

kunnen mensen ongestraft en ongeremd behoeften po-

neren, zonder zich zorgen te maken over de maatschap-

pelijke gevolgen van de behoeftenbevrediging.Toch. moet

het bij enig nadenken iedereen duidelijk zijn, dat een

belangrijk deel van de noden en tekorten hier en ginds

het gevolg is van deze behoeftenbevrediging.

Er is overigens meer aan de hand dan de kwestie van

de verdeling van de materiële voorzieningen, in mijn

oratie heb ik ook gewezen op de gevolgen voor de demo-
cratisering. We worden in een tegenstelling tussen demo-

cratie en efficiency gedrongen, hoewel het verband tus-

sen beide nog onvoldoende is aangetoond.

Uit mijn betoog komen drie culturele grootheden naar

voren, die voor de inrichting van de economische orde

van doorslaggevende betekenis zijn, t.w.
behoe tien van

consumenten, verantwoordelijkheid van consumenten en

werknemers
en dc
regeling van de beslissingen.

Mijn analyse voert tot de voorlopige conclusie, dat

deze grootheden op het niveau van de economische orde

weinig samenhang vertonen en waarschijnlijk steeds min-

der samenhang zullen gaan vertonen.

Thans kan worden vastgesteld, dat het opwekken en
poneren van behoeften niet direct in verband staat met

de menselijke verantwoordelijkheid (anders dan via een

individuele ethiek). Dit is duidelijk te maken aan de hand

van het consumptiegoed pornografie. Het opwekken van

sexuele behoeften is aan banden gelegd i.v.m. de geeste-

lijke volksgezondheid. Wie op dit gebied bepaalde gren-

zen overschrijdt, wordt ter verantwoording geroepen.

Wie echter de mensen in verleiding brengt een auto te

kopen, wordt niet ter verantwoording geroepen, hoewel

het moderne verkeer elk jaar duizenden slachtoffers eist.

In feite geldt dit voor vrijwel alle consumptiegoederen.
Toch zou men zich kunnen voorstellen, dat de relatie
tussen consumptie en samenleving voorwerp wordt van

een betere regeling van de verantwoordelijkheid. De

voorbeelden van pornografie en auto’s maken mi. duide-

lijk, dat onze moraal in vele opzichten achter is gebleven

bij de produktontwikkeling. Met name het begrip ,,ver-

antwoordelijk consumeren” heeft nauwelijks enige maat-

schappelijke gelding
30
.

We hebben wél een industrieel produktiesysteem (met

eendaarop afgestemd rnarktsysteem en consumptiestimu-

lering), maar het is de vraag of wij al een industriële cul-

tuur hebben, waarin de moraal opgewassen is tegen de

vraagstukken. Naar mijn inzicht kan echter niet worden

volstaan met een andere moraal en een betere morele

,,begeleiding” van de behoeftenbevrediging. Ook de be-

slissingsstructuur zal aan een nader onderzoek onder-

worpen moeten worden. Kunnen werkneEners en consu-

menten dichter bij de produktiebeslissingen worden ge-

bracht? Is een verantwoorde produktie mogelijk tegen de

achtergrond van een verantwoord consumeren? Of gaan

we dan de door velen gevreesde weg op vande roman-
tiek en de utopie, die mensen in verwarring en het be-

reikte in gevaar brengt?

Albeda heeft me n.a.v. mijn oratie verweten de lezers

in de kou te laten staan met betrekking tot een alterna-

tieve economische orde
31
Ik ben echter aan een alter-

natieve economische ordé niet toe. Ter verduidelijking

wil ik wel opmerken, dat geen van de bestaande econo-

mische orden bij mij favoriet is. Ik heb me tot taak ge-

steld vanuit de sociologie een bijdrage te leveren aan de

analyse van onze orde.

In dit vërband past de vraag, in hoeverre het bestaan-
de maatschappelijke en morele isolement van de behoef-

tenbevrediging kan worden bestreden met nieuwe be-

slissingsstructuren, zoals arbeiderszelfbestuur, inschake-

ling yan consumentenorganisaties, toepassen van plan-

ning e.d. Tegenover de pogingen de consument onder

controle te houden kan worden gedacht aan democrati-

sering van de produktiebeslissingen. Hierbij doet zich

een aantal verschijnselen voor, die ook sociologisch zeer

relevant zijn.

In de
eerste
plaats stem ik met Albert in, dat het

marktmechanisnie moet worden gezien als ,,ein Teil-

systern der Kontrolle im wirtschaftlichem Bereich”
32

Het staat niet bij voorbaat vast dat het prijsniechanisme,

gelet op de maatschappelijke problemen, het meest aan-

gewezen is voor de allocatie der middelen. Vooral niet,

omdat het verantwoordelijk consumeren nauwelijks is
doorgedrongen tot onze opvoedingssystemen, die ook

belangrijk zijn voor de beheersing van het menselijke

gedrag. In het laatste ligt echter een grotere vrijheid

voor, de mens en een beter inzicht in de alternatieven be-

sloten.

• In de
‘tweede
plaats zal bij het overwegen van de

30
Vgl. H. M. de Lange: Hy,nne aan de lpmiddelen, in

,,Wending”, 1970, blz. 76 e.v.
31
W. Albeda: ,,De economische orde in het geding”,

i.a.p., b/z. 488.
32
H. Albert: ,,Marktsoziologie und Entscheidungslogik”,

Neuwied ain Rhein und Berlin, 1967, blz. 508.

(I.M.)

Een snel groeiende bank
Gunstige renteconditles.

– Balanstotaal
f
343.9 miljoen

Grootste bank
van Friesland

Friesland Bank

Vestigingen in geheel
Friesland

Hoofdkantoor: Zaailand 110 Leeuwarden

390

mogelijkheden van planning voorop moeten staan, welke

toekomst op economisch terrein door ons wordt gewenst.

Het is opvallend, dat dit beslissende punt nauwelijks in

discussie’ is. Hoe ver willen we gaan met de economische

groei? Welke prioriteiten zijn er op langere termijn,

gelet op woningbouw, wegenaanleg, recreatie, onder-

wijs e.d.?

In de
derde
plaats zal de discussie over de toekomst

van de menselijke arbeid gestimuleerd moeten worden

en minder genoegen genomen moeten worden met de

uitkomsten van de technologische ontwikkeling. De sterk

psychologische denktrant m.b.t. de arbeid zal moeten

worden aangevuld met het denken vanuit de maatschap-

pelijke functies van de arbeid. Het mag waar zijn en ver-
werpelijk, dat arbeid geestelijk en sociaal gedraineerd is,

niet minder belangrijk is dat arbeid
politiek gedraineerd

is. Werknemers behoeven zich in en tijdens hun werk

geen zorgen te maken over maatschappelijke gevolgen en

maatschappelijk nut van de produktie. Deze situatie doet

vreemder aan naar mate meer de overtuiging bestaat,

dat ieder mens geroepen is deze wereld bèwoonbaar te

maken. De bestaande zeggenschapsverhoudingen in de

bedrijven zijn dan wel erg onmenselijk.

De bijdrage van de economische sociologie

In het voorgaande is een benadering van de sociologie

gepresenteerd, goed voor mijn visie op de taakstelling

van de economische sociologie. Helaas moet worden ge-

constateerd, dat de economische sociologie nog altijd een

weinig ontwikkeld onderdeel van de sociologie is, hoewel

er andere tijden zijn geweest
33
. Tot nu toe is in ons land

de meeste energie gaan zitten in de micro-verhoudingen

en in de studie van het bedrijf als sociaal systeem., Stu-

dies van de samenhangen tussen markten, bedrijven, vak-

bonden, onderwijs e.d. vanuit machtsverhoudingen,

waarden, denkbeelden enz. zijn er nauwelijks.

Het was noch de bedoeling van mijn oratie, noch die

van dit artikel de economische wetenschap vanuit de

economische sociologie in gebreke te stellen. De studie

van de economische orde is niet de taak van één weten-

schap en wanneer er sprake is van eenzijdigheden, zal de

beschuldigende vinger allereerst moeten uitgaan naar de

sociologie. Mijn oratie is dan ook geboren uit bezwaren

tegen de beoefening van de sociologie en niet uit een

roeping.te komen tot een ,,Soziologisierung der National-

ökonomie”
34
. Het zou al mooi zijn wanneer – ook in

allerlei opleidingen – economie en sociologie wat meer

zouden samenwerken.

H. J. van Zuthem

33
Zie hiervoor het boeiende overzicht van J. Lhornme:

Verhouding tussen economie en economische sociologie,

en J. Weiller: Ovérgang van de economische analyse

naar de economische sociologie, in G. Gurvitch: ,,Hand

boek van de sociologie”, deel 2, Utrecht/Antwerpen

1968, blz. 148 e.v.
34
Albert, t.a.p., blz. 506.

Commentaren

T. Economie en sociologie,

orde en schaarste

Prof. Dr. C. de Galan

Het is verheugend dat Van Zuthém, mede naar aan-

leiding van de geleverde kritiek, de gedachten die aan

zijn oratie ten grondslag lagen heeft willen verhelderen

en uitwerken. Die oratie vond ik een afknapper, omdat

een interessant onderwerp ten onder ging in een brei

van warrige en aanvechtbare beschouwingen. Van

Zuthenis stuk in dit nummer van
ESB
is m.i. veel

beter. Hoewel ik moeite blijf houden met de woordkeus

en de systematiek van het verhaal, wordt nu veel dui-

delijker waarom het gaat en zitten er elementen in

die de moeite van het overdenken zeer waard zijn.

Wel wordt er in het artikel erg veel overhoop gehaald.

Ik zal mijn reactie beperken tot de naar mijn idee meest

belangwekkende punten.

Schaarste

Het centrale- thema van Van Zuthem, zoals ook al uit

de oratie viel op te maken, is de uiteenlopende drin-

gendheid en de authenticiteit van behoeften. Menselijke

behoeften komen ergens vandaan: van de natuur, de

opvoeding, de buren, de reclame of hoe dan ook. Ze

zijn verbonden met normen en waarden en met de

inrichting van de samenleving. In onze maatschappij

komen volgens Van Zuthem niet de juiste behoeften naar

boven; sommige behoeften zijn veel dringender dan
nu tot uiting komt, al liggen ze soms verder van ons

bed. Deze verkeerde voorkeuren zijn niet alleen een

kwestie van consumptie-ethiek, maar ook van dieper

liggende factoren en van economische orde.

In andere Van Zuthemse woorden: er bestaat een

veel wezenlijker schaarste dan de schijnbare van thans.

De ene schaarste, in de zin van nood en misstand,. is

de andere niet. Het technisch-economische begrip

schaarste is te ongewogen, te ongenormeerd.

Deze gedachten zijn niet bijzonder nieuw, maar (zeker

ook voor economen) interessant genoeg om er aandacht

aan te schenken. Ik plaats er enkele kanttekeningen bij.

Van Zuthem gebruikt een van het spraakgebruik en

van het economisch jargon afwijkend begrip schaarste.

Dat kan natuurlijk, al blijf ik het doelmatiger vinden

in zo’n geval een ander woord te verzinnen.

Schaarste, hoe ook gedefinieerd, is geen mythe, geen

fictie. Zij is dat in de zin van beperkt voorhanden,

evénmin als nood. Wat Van Zuthem, meen ik, bedoelt,

is dat sommige behoeften fictief zijn, niet echt, niet

waarachtig, aangepraat.

Hoewel ik het met Van Zuthems subjectieve waar-

deoordelen grotendeels eens ben, ,vind ik zijn opvat-

tingen over behoeften en schaarste toch aarivechtbaar

generaliserend. Aan de ene kant overdrijft hij; schaar-

ste in de zin van beperkte behoeftenbevrediging wordt
over het algemeen niet als misstand of onrechtvaardig-

heid gezien, wél de ongelijke verdeling en het onvol-

ESB 28-4-1971

.

391

w

doende rekening houden ‘met nieuwe schaarsten. Aan

de andere kant schuilt er iets elitairs in de bagatelli-

sering van behoeften aan consumptiegoederen bij’ de

omvangrijke groepen die net boven het primaire niveau

uitstijgen. Redelijke kleding, vakantie, een auto zijn

geen exorbitante eisen, al kan iedereen de uitwassen

herkennen. Welvaart blijft een relatief begrip.

De achtergronden en oorzaken van behoeften vor-

men inderdaad een interessant ‘studieobject voor de

sociale wetenschappen. Hoewel verklaarbaar op grond

van de arbeidsverdeling tussen deze disciplines, heeft

Van Zuthem gelijk als hij stelt dat de economie hier-

aan teveel voorbijgaat. Er ligt zeker verband met de

economische orde, maar een vergelijking met andere

6rden doet betwijfelen of dit verband zo sterk is als

Van Zuthem meent; de verschillen zijn in dit opzicht

nièt opvallend groot.

‘Verreweg het interessantste probleem lijkt mij hoe

‘we – achter de authenticiteit van de behoeften komen,
dus hoe de schaarste kan worden geëvalueerd en afge-

wogen. Dat vereist niet alleen studie van de beïnvloe-

dende factoren, maar ook van afweegmechanismen.

Van Zuthem schuwt het prijsmechanisme, zonder het

overigens te analyseren. Het is bekenJ, dat achter dit

mechanisme de normen en opvattingen en ook de

bestaande verdeling schuilgaan. Bovendien dat het ge-

brekkig functioneert, voornamelijk in verband .met

machtsvorming op de markt, maatschappelijke kosten

en collectieve goederen. Van Zuthem behoeft zich dan
ook niet af te vragen of het prijsmechanisme de gehele

allocatie kan regelen; daarover bestaat literatuur ge-
noeg, o.a. het heldere, door hem aangehaalde artikel

van Pen. Het probleem is enerzijds hoe de werking

van het prijsmechanisme kan worden verbeterd (door
de maatschappelijke kosten er in te verdisconteren en

machtsvorming te beperken of te compenseren) en an-

derzijds welke allocatiemechanismen ons verder ten

dienste staan: overleg- en politieke-besluitvormingsstruc-

turen. Ik vind het jammer dat Van Zuthem hierop

opnieuw niet nader ingaat. Een democratiscie besluit-

vorming over de allocatie, over wat, waar- en ‘hoe wordt

geproduceerd, is bijzonder moeilijk te organiseren, zelfs

‘in ruwe contouren, laat staan in details. Een functio-

nerend prijsmechanisme werkt zeer democratisch in die

zin, dat ieders voorkeuren daarin worden geregistreerd.

Als Van Zuthem tegelijk de voorkeuren wil wijzigen

en deze dan ook nog optimaal tot gelding wil brengen,

stelt hij een enorme opgave.

Daarbij blijf ik van mening dat hij overdrijft en dat

bewijst hij ook zelf; Binnen de bestaande orde, of

hoogstens met marginale veranderingen daarin, kan er

:veel. Als de ruimtevaart kan worden georganiseerd,

êen niet-commerciële doelstelling, kunnen net, zo. goed

andere wensen gerealiseerd worden. Dat de commerciële

‘produktie zich vervolgens op deze ,,collectieve” be-

hoeften werpt, is geen beletsel; dat kan ook in andere

richting. Tekenend is ook het voorbeeld van de por-

‘nografie; hoezeer ook een behoefte,, hoezeer ook winst-

gevend, zij kan worden beperkt en zelfs onderdrukt.

Het beleid, beïnvloed uiteraard door waarden en nor-

men, kan sturen en bijsturen. Natuurlijk staan politieke

keuzen niet los van de economische. orde, natuurlijk

is consumptie – zoals in beginsel alles – een politieke

‘bezigheid. Ik moet me wel erg onduidelijk hebben uit-

gedrukt als Van Zuthem een omgekeerde mening uit mijn

kritiek kon afleiden. Maar ook hier is het verband

wederzijds. De buitenparlementaire actie, die de pro-

duktie voor een groot deel is, kan wel degelijk parle-

mentair worden beïnvloed. Mijn bezwaar was en blijft,

dat een te grote nadruk op de orde en op de onver-

anderbaarheid het politieke immobilisme bevordert. Van

Zuthem versterkt het alibi voor politieke inactiviteit;

ik ben eerder geneigd de ,,hulde aan de lapmiddelen”

van’De Lange te onderschrijven.

Economische orde

Ook het begrip economische orde wil Van Zuthem

anders hanteren dan gebruikelijk is. Hij stopt er waar-

den, normen, achtergronden in. Omdat ik vrees dat

zo een ratjetoe ontstaat, acht ik dit niet doelmatig,

maar het kan uiteraard wel. Een vergelijking van ver-

schillende orden wordt er ook niet eenvoudiger door.

In elk geval gaat het bij hem, meen ik, om de algemeen

politiek-maatschappelijk-economische orde. Dat er ver-

band is :tussen deze en allerlei (o.a. religieuze) waarden

en normen en dat er een wederzijds verband is tussen

individu en samenleving lijkt me buiten kijf. Men denke

aan het inkomensstreven, de arbeidsethos, de economi-

sche ,,vrijheid” enz.

Van Zuthem is te somber over de veranderbaarheid

van en de mogelijkheden binnen het huidige stelsel.

Andere waarden kunnen, onder meer langs de weg van

opvoeding, tot gelding komen en dat blijkt ook al. Een

gelijker machtsverdeling binnen de produktieorganisaties

is realiseerbaar en zij is ook efficiënt in zoverre zij

zelf als doelstelling geldt en andere doeleinden bevor

dert. Efficiency is immers gerelateerd aan de doelstel-

lingen en dus geen grootheid in zichzelf. Ook hier

past een waarschuwing tegen overdrijving. Neem bijv.

de reclame. Ik heb me daar jaren geleden al eens

kritisch over uitgelaten (en werd toen een linkse purist

genoemd, nu naar aanleiding van mijn kritiek op Van

Zuthem in dit blad door Peper een begrippenpurist;

ik vrees dat ik oud word), maar ik heb de indruk dat

Van Zuthem de betekenis ervan overschat. Reclame is

zeker een uitwas van onze economische orde (zij komt
overigens bij mijn weten in elke bestaande orde voor),

maar zij overheerst de behoeften en de allocatie niet.

Om misverstand te voorkomen: Van Zuthem plaatst

over. de economische orde en haar verband met andere

factoren vele waardevolle opmerkingen. Met de term

geloofwaardigheid en met de inhoud van dat begrip

blijf ik echter moeite hebben. De term aanvaardbaar-

heid, lijkt me beter. Het gaat om de symmetrie van

:eigen bewustzijn en werkelijkheid, maar die werkelijk-

heid wordt weer op een bepaalde manier beleefd. Er

is dus een wederzijdse relatie en die lijkt moeilijk te

ontwarren en dus moeilijk operationeel te maken.

De economische wetenschap

De twijfel van Van Zuthem over’ de economie als

neutraal instrument berust n.m.m op een misverstand.

Het instrument is neutraal in de zin van logisch be-

grippen- en analyse-apparaat. Het is op vele manieren

aan te wenden. De economie is’ niet neutraal in de

richting waarin zij zich ontwikkelt, (objectkeuze) en

evenmin in haar praktische aanwending, bijv. voor be-
drijfs- en beleidsdoeleinden. Economen zijn nooit neu-

392

traal. Neem bij wijze van voorbeeld dé theorie van

Keynes. Die is neutraal in de zin van logisch juist en

objectief analyserend. Dat deze theorie werd ontwik-

keld staat niet los van personen en omstandigheden en

nog minder hoe zij wordt aangewend. –

Er is reden om op een aantal in dit verband döor

Van Zuthem gemaakte opmerkingen nog even in te

gaan. De neutraliteit van de analyse en het hanteren

van consumentenvoorkeuren als data moet, juist ook

door hem, worden toegejuicht. Ten onrechte Wordt

immers vaak over ,,economische” doeleinden en nood-

zakelijkheden gesproken, waardoor onder het mom van

objectiviteit subjectieve meningen worden verkocht. Het

analyse-apparaat moet van deze voorkeuren vrij worden

gehouden. Door van bestaande behoeftenschalen uit te

gaan wordt dit apparaat ook niet gekleurd, zoals Van

Zuthem meent. In elk geval heeft de econoom voor zijn

discipline niets beters. Het is heel iets anders dat men

zich in dienst stelt van bepaalde ideeën en belangen en
,,men” is uiteraard nooit neutraal. Dat de economische

wetenschap de ene schaarste helpt opheffen en de art-

dere in stand houdt of zelfs bevordert, is onzin.

Ook de economische wetenschap behoort tot de

kennis met behulp waarvan Van Zuthem de geloof-

waardigheidsstructuren wil doorbreken. De analyse van

schaarste, van economische macht, van individuele en

collectieve goederen, van maatschappelijke kosten is,

mits op zichzelf juist en dus neutraal, waardevol. Ik

betwijfel eerlijk gezegd een beetje of Van Zuthem de

economie wel voldoende kent. Zij laat bijv. zien dat

het geen toeval is dat de consumenten in bèpaalde

opzichten veel zwakker staan dan producenten; zij helpt

zulke omstandigheden verklaren.

Economie en sociologie

Van Zuthem’ wil het contact en het wederzijds begrij

tussen economie en sociologie bevorderen. Graag. Zijn

oratie droeg daartoe niet bij, zijn onderhavige artikel

wel. Het betreft hier een uitnodiging die
wel
aandaôht

verdient. De beide disciplines zijn voor èlkaar grens-

bepalend; ze belichten veronderstellingen en voorwaar-

den. Ze hebben grotendeels een gemeenschappelijk
studieobject en behandelen daarvan niet zozeer een

deel als wel’ eén facet. Ze belichten de zaak op een

verschillende manier en het gemeenschappelijke’ licht

is h’elderder dan de âpa’rte schijnsels. Het gaat in beide

gevallen om het menselijk handelen.

I’u’ i het probleem niet zozeer dat de verhouding

tussen deze wetenschappen slecht is, als wel dat zij

miuwelijks’ bestaat. De ontwikkelingen verlopen los van

elkaar en de wederzijdse kennis is over het algemeen

gering. Dat zegt ook Van Zuthem tërecht. Hét eerst

nodige is,’dat we elkaars taal leren verstaan en in dat

licht is het ook essentieel om begrippen nauwkeurig

af ‘te bakenen. Ten tweedé kan het niet anders dan

vruchtdragend zijn geméenschappelijk studieprojecten

ter hand te nemen. De economische orde en, zoals

gezegd, het genereren van behoeften behoren daartoe.

Ten derde is het inderdaad nuttig dat in de wederzijdse

studieprogramma’s plaats wordt en blijft ingeruimd voor

de andere discipline. Daarbij kan het niet meer de be-

doelihg zijn mensen op te leiden die beide wetenschap-

pen beheersen; dat is met één al nauwelijks meer moge-
lijk. Wel zou er over te denken zijn voor de maatschap-

p’ijwetenschappen tot een gemeenschappelijke basisstudie

te komen. ‘Hoe dit zij, ‘samenwerking is’ aanlokkelijk. In

interdisciplinair werken geloof ik niet zo erg, gezien de
al aanwezige grote verschillen. In multidisciplinaire ar-

beid wel.

Tenslotte

Er is geloof ik meer in discussie dan Van Zuthem doet

voorkomen en dat laatste verbaast me, omdat hijzelf tot

die disëussie bijdragen’ levert Over de zeggenschap in het

.bëdrijfsleven, maatschappelijke kosten, de consumptie-

maatschappij en het feit dat de toekomst wordt’gemaakt,

wordt’ druk geschreven ‘en gepraat; ‘ook wel’ onderzoek
verricht.’ Van Zuthems artikel is de moeite waard,,,maar

ijerrassen’d zullen weinigen, van bijv. degenen die re-

gëlmatig
ESB
lezen; het vinden. Terecht stelt hij,. ,de

ei& van een doelgericht ‘formuleren van prioriteiten en,

nar ik aanneem, van consequente politieke actie ver-

volgens. Daaruit maak ik op dat hij die actie, ook

binnen onze economische orde, toch zinvol acht.

C. de Galan

II. Economie en sociologie:

een moeilijk huwelijk?

Drs. ‘A. Peper
Van Zuthem als wegwerp-professor

Wat mij getroffen- heeft in de stoet van reacties die

Van Zuthems Delftse oratie heeft opgeroepen, is niet

zozeer de kritiek ‘op de inhoud van zijn betoog, maar

de felheid – die hier en daar bedenkelijk veel weg

had van gekwetstheid – waarmee ‘is gereageerd. Op

elk werkstuk is kritiek ‘nogelijk en die moet vooral

worden gegeven. Wetenschapsbeoefening ontleent haar

zin aan de voortdurende kritische beoordeling van

denkbeelden, onderzoeken e.d. Nog teveel wordt .na’ar

mijn mening de creatieve betekenis van kritiek onder-

schat. Vooroordelen begeleiden de wetenschapsbeoefe-

ning; de bestrijding ervan is, aldus De Groot, de kern

van alle denken in de wetenschapsbeoefening
1•

Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat

de slechte ontvangst, die Van Zuthems ‘rede ,ij, eco

nomen ten deel is ‘gevallen, niet uitsluitend is . terug

te voeren op bezwaren tegen de inhoud, van zijn ver-

haal. Ik’ heb de knipsels er nog eens op doorge,lezen.

Wat daarin o.m. opvalt ‘is een zekere ergernis. overhet

feit dat een socioloog zich bezighoudt met een terrein
de economische orde – dat in het mooi verkav,elde

landje van ‘de wetenschap toch is toebedacht aai,çj

economen. ‘Van Zuthem heeft daar
dus-
geen verstaid

yan: Hij zou- bijv., het begrip
schaarste
onjuist. hebben

geïnterpreteerd. –

Men, zou met die kritiek vréde kunnen hebben,

wanneer daar
,
van de kant van economen definitief

over -zulke centrale begrippen als schaarste en econp.

mische orde tegenover waren gesteld, die het voor elke

socioloog duidelijk zouden maken dat de gehanteerde

1
Aangehaald bij Ernest Zahn: ,,Meningsvorming’ en

maatschappelijke orde”, Amsterdam 1971, blz. 22.

ESB 28-4-1971

393

begripsomschrijvingen slechts met het instrumentarium

der economische wetenschap – en in ieder geval niét

met dat van de sociologie – behandeld zouden kunnen

worden. Afgezien nog van het feit dat het nogal

werkelijkheidsvreemd is vraagstukken van economische

orde aan één wetenschap toe te vertrouwen, zijn de

gegeven definities zo vaag dat zij a.h.w. uitnodigen

tot• een terreinverkenning vanuit andere sociale we-

tenschappen dan de economie. De definities moeten

noodzakelijkerwijs vaag zijn, omdat zij verwijzen naar

centrale mechanismen en vraagstukken in het sociaal-
economische proces. Het lijkt nog steeds nodig te zijn

er bijv. op te wijzen dat schaarste – de spanning

tussen behoeften en middelen – ook een wetenschap-
pelijk probleem is voor sociologen (en trouwens ook

voor psychologen).

Neem bijv. het vraagstuk van de behoeften. Veel

sociologisch onderzoek richt zich juist op het registre-

ren en verklaren van behoeften en behoeftenvorming,
zowel op het individuele als maatschappelijke niveâu.

Veel sociologisch onderzoek alweer concentreert zich op

het ontstaan en de ontwikkeling van maatschappelijke

voorkeuren. Ik moge hierbij herinneren aan het om-

vangrijke politiek-sociologische onderzoek (en theorie-

vorming), dat de laatste decennia op gang is gekomen.

De resultaten daarvan zijn niet zonder betekenis voor

de bestudering van de economische orde, zowel naar

Anhoud als naar ontwikkeling. In de omschrijving, van

De Galan van de economische orde, nI. ,,de organisatie

van het economisch leven, de wijze van coördinatie

van economisch handelen, de mate van decentralisatie

en democratisering van economische beslissingen”
2

worden kernvragen van de sociologische theorie en

toëgepaste sociologie aangeroerd. Je hoeft echt geen

socioloog te zijn – gezond verstand is meer dan

voldoende – om dat in te zien. Wanneer de academi-

sche opleidingen in de sociologie en economie niet
zo;gescheiden zouden zijn opgezet, zou bijv. op dit
‘terrein nogal wat kennis kunnen worden ingebracht

vanuit de sociologie van organisaties en bureaucratieën.

Veel amateurisme – aan beide zijden! – zou dan

vermeden kunnen worden. Het is mij bijv. een raadsel

hoe je openbare financiën kunt doceren zonder vol-

doende kennis in te brengen over het functioneren van

grote organisaties. En zéker wanneer je je vertrekpunt

kiest in de concrete maatschappelijke problemen, die

zich echt niet zo veel aantrekken van de verkavelingen

die op de universiteit zijn aangebracht.

Zou het misschien kunnen zijn dat Van Zuthem een

gevoelig en belangrijk punt aan de orde heeft gesteld?

In ieder geval heeft De Galans eerste reacti: ,,Een

uitnodiging die geen aandacht verdient”
3
weinig aan-

hangers gevonden. Aan aandacht heeft het Van Zuthem

niet ontbroken. En als we er even van uitgaan dat

serieuze economen niet ondersteboven vallen van een

professorentitel – het inflatiespook kent immers geen

grenzen – dân rest geen andere conclusie dan dat Van

‘Zuthem zich in ieder geval een interessante vraag heeft

gesteld voor zijn oratie. Dat gebeurt niet elke dag. Van

-Zuthem dan te definiëren als een wegwerp-professor

is je reinste struisvogelpolitiek. Een rede die vanwege

de inferieure kwaliteit geen aandacht verdient, houdt

niet zo lang de aandacht vast als met het betoog van
Van Zuthem het geval is geweest. Misschien is Van

Zuthem wel het ,,slachtoffer” geworden Van een kli-

maat waarin ,,de verkettering tot een algemeen be-

dreven gezelschapsspel is geworden” (J. Pen
4)
In een

394

dergelijk klimaat krijgt de selectieve perceptie vrij spel,

wordt het nauwkeurig lezen een hele opgave en breken

vooroordelen schielijk door. Prof. Zahn heeft over dit,

overigens niet onbekende, verschijnsel in zijn boek

Meningsvorming en maatschappelijke orde
behartens-

waardige opmerkingen gemaakt
5
.

Opnieuw Van Zuthem

Nu de kruitdamp wat is opgetrokken, is het plezierig
dat Van Zutheni in zijn nieuwe bijdrage probeert een

aantal misverstanden, waartoe zijn rede aanleiding heeft

gegeven, op te ruimen. Je kan in een verhaal van

ongeveer vijftien bladzijden nu eenmaal niet alles be-

handelen, een simpel feit dat vele van zijn critici over

het hoofd lijken te hebben gezien. Voor degenen die

enigermate bekend zijn met zijn wetenschappelijke

werk – en dat zijn uiteraard vooral de sociologen –

was de noodzakelijke beknoptheid niet zo’n bezwaar.

Van Zuthems onderzoek (samen met Wynia) naar me-
dezeggenschap heeft hem zonder twijfel mede geïnspi-

reerd tot de vraagstelling van zijn oratie
11
.

Verhelderend in zijn nieuwe bijdrage is de uitwerking

van zijn kennistheoretische en -sociologische benadering,

die impliciet een belangrijke rol speelde in zijn be-

handeling van de geloofwaardigheid van onze econo-

mische orde
7
. Essentieel daarin is dat van de gangbare

interpretatie van de sociale werkelijkheid, zoals deze

mede wordt bepaald door wetenschappelijke kennis, een

zelfstandige invloed uitgaat op de perceptie van die

werkelijkheid. Vooral de sociale wetenschappen be-

invloeden in toenemende mate die interpretatie. Uit

dien hoofde dragen de beoefenaren van die weten-

schappen een bijzondere’ verantwoordelijkheid. Zij bie-

den een bepaald beeld aan van die werkelijkheid, dat

een eigen leven gaat leiden. In een samenleving die er

prijs op stelt in zo groot mogelijke vrijheid te kiezen
uit de verschillende koersen die denkbaar zijn, is het

van belang de ontwikkeling van alternatieve interpre-

taties van de werkelijkheid te stimuleren. Daarmee

wordt in een democratische samenleving een bewuste

en rationele keuze mogelijk.

Het formuleren van alternatieven bevordert een be-

wuste besturing van het samenlevingsproces. Daarbij is

het noodzakelijk – hoe moeilijk dat ook is – de bij-

drage van elke wetenschap te betrekken op het grotere

geheel dat samenleving heet. Al was het alleen maar

omdat men ook in zijn eigen vakgebied wordt gecon-

fronteerd met samenhangen, die de grenzen van dat

gebied overschrijden. Voor het terrein van de econo-

mische politiek ligt dit alles heel duidelijk. Daar is de

economische wetenschap gehouden – en waarschijnlijk

meer dan nu gebeurt – ,,die Lehre von den Alterna-

tiven” te zijn
8

2
C. de Galan: Een uitnodiging die geen aandacht ver-
dient, in ,,ESB” van 17 september 1969, blz. 894.

De Galan, a.w., blz. 894-896.

Aangehaald bij Zahn, a.w., b(z. 153.
Zahn, a.w., blz. 18-30.

H. J. van Zuthem en A. Wynia: ,Medezeggenschap”,

Noordwijk aan Zee 1967.

Dit punt stipte ik al even aan in een bijdrage: Wel-

vaart versus welzijn: economen versus sociologen?, in

,,ESB”, 2 september 1970, blz. 837.

Zie A. van Doorn, die Röpke citeert in
zijn
oratie

,,Paradijs en economie”, Haarlem 1971, blz. 10.

De bewustwording en explicitering van de weten-

schappelijke en maatschappelijke vooronderstellingen
waarvoor Van Zuthem pleit, slaat uiteraard niet alleen

terug op de economie. Het is de taak van elke weten-

schap. Ook de sociologie heeft nogal wat te doen dp

dit terrein. Ik htef in dit verband alleen maar te her-

inneren aan de veelal onnozele publieke-opinie-onder

zoekingen, op basis waarvan vele beleidsvoerders ‘bereid

zijn hun politiek te ontwikkelen.

Ten aanzien van een tweetal punten zou ik bij het

betoog van Van Zuthem enkele kanttekeningen willen

plaatsen. In de eerste plaats geloof ik dat hij de ,,wis-
selwerking tussen mens en samenleving” te exclusief

koppelt aan een dialectische benadering. De zaak is

gecompliceerder. De dialectische benadering is één

van de vele ingangen waarmee de spanningsverhouding

tussen sociaal-culturele stilering en de mogelijkheden tot

doorbreking daarvan geduid kan worden. Het is een

oud probleem in de sociologie, waarbij theorieën over

sociale verandering en institutionalisering, althans par-

tieel, vruchtbare inzichten hebben opgeleverd
9.

In de tweede plaats geeft hij een wat te simpel beeld
van de economische wetenschap, wanneer hij opmerkt

dat zij ,,volgens de gangbare opvatting de behoeften als

data accepteert. Hetzelfde geldt voor de doelstellingen.

Deze wetenschap richt zich op de aanwending van

de middelen” (blz. 4). Deze voorstelling zan zaken gaat

mij tè ver. Mensen als Tinbergen (optimale economische

orde), Frisch, Lange, Myrdal, Galbraith en Robinson

– toch geen ,,kleine jongens”, al moet ik toegeven

dat enkelen (Myrdal, Galbraith) een wat ,,perifere”

positie in de economische wetenschap innemen – heb-

ben ‘heel uitdrukkelijk de doelstellingen mede tot onder-

werp van hun analyses gemaakt.

Zeker internationaal doet de discussie die in dit land

moet worden gevoerd over de noodzaak tot samen-

werking tussen economie en sociologie wat belegen aan.

Noodzakelijk is zij jammer genoeg wel. Als Van Zuthem

bedoelt dat in de economie – en vooral in ons land –

wat al te gauw randvoorwaarden worden geïntrodu-

ceerd, omdat het vraagstuk dat aan de orde is anders

zo moeilijk te vatten is, ben ik het met hem eens. In

de studie van de randvoorwaarden en de vooronder-

stellingen ligt het werkterrein waar beide wetenschappen

op vruchtbare wijze zouden kunnen samenwerken.

Concrete vraagstukken die om een gemeenschappelijke

bestudering vragen zijn er genoeg. Het wordt tijd er

nu eens aan te beginnen, vooral aan de universiteiten.

Bram Peper

Voor een zeer fraaie behandeling van deze materie

verwijs ik graag naar het opstel over instellingen van

de wijsgeer/socioloog R. F. B.eerling, in
zijn
,,Wijsgerig-

sociologische verkenningen”, Arnhem 1964, blz. 129-

215.

III. Sociologie, economie

en economische orde

Prof.Dr. W. Albeda

In hoeverre is de beoefenaar van de economische weten-

schappen betrokken bij de vraag naar de gewenste

economische orde, het gewenste gedrag van consument

en producent, het meest aanvaardbare beleid van vak-

verenigingen en de noodzakelijke koers voor de econo-

mische politiek? Wie de samenstelling ziet van regering,
volksvertegenwoordiging, SER, SER-commissies, bestu-

ren en adviserende organen van vakverenigingen, werk-

geversorganisaties en consumentenverenigingen (en zo

voort) zal tot de couclusie komen, dat deze vraag nau-

welijks beantwoord behoeft te worden. Economisten zijn

in sterke mate betrokken bij de discussies over de eco-

nomische orde, bij het bepalen en uitvoeren van het be-

leid van overheid en pressiegroepen. Zij adviseren

(gevraagd of ongevraagd) de overheid. Zij geven hun

opinie (ook weer gevraagd of ongevraagd) aan vakver-

enigingen, werkgeversorganisaties enz. Tot nu toe, mag

men veilig stellen, hebben zij de gehele discussie over de

gewenste economische orde beheerst.

Inmiddels moeten zij zich daarbij wel realiseren, dat

de economische wetenschap de vraag naar de gewenste

economische orde altijd gemeden heeft. Met name Rob-

bins’ heeft zich verzet tegen het uitzetten van de grenzen
der economische wetenschap. Hij wil wel onderscheiden

tussen theoretische en toegepaste economie. Maar de

toegepaste economie bestaat dan alleen uit antwoorden

op vragen als: ,,Hoe bereik ik volledige werkgelegen-

heid?”, maar niet de vraag: ,,Is het gewenst naar volle-

dige werkgelegenheid te streven?”, niet de vraag: ;,Moet

het prijspeil gestabiliseerd worden?”, wél de vraag: ,,Hoe

wordt het prijspeil gestabiliseerd?”

Het is niet zo moeilijk zijn overwegingen te begrijpen.

Wie ook de doeleinden tot zijn gebied van onderzoek

gaat rekenen, komt op een moeilijk terrein. De vraag

naar de gewenste economische orde, naar aanvaardbare

consumptie en naar de redelijkheid van het optreden

van belangengroepen, valt niet binnen de economie te

beantwoorden. Om zulke vragen te beantwoorden moet

een .beroep gedaan worden op andere wetenschappen,

zoals de sociologie, maar ook op ethiek en op ons gevoel

voor rechtvaardigheid. Economisten past daarom met

betrekking tot zulke vragen enige bescheidenheid. Wie

zijn wij
……?

Maar ondertussen concludeerde A. van Doorn
2
dat

economisten zich in de praktijk zelden houden aan de

strikte eis van de waardevrijheid. ,,De meerderheid der

economen wordt in de praktijk weinig geremd in het

uitspreken van voorkeur wanneer vraagstukken van

economische orde en economische politiek ter discussie

worden gesteld”. Economen zijn tenslotte ook maar

.rnensei en wie, zal het hun euvel duiden, indien zij ook

wel eens wat anders doen dan waarnemen en analyseren,

ook al vergeet men dan vaak de waarschuwing: ,,Dit

zeg ik niet als man van wetenschap, maar als politiek ge-

interesseerd staatsburger, als overtuigd socialist of als

tevreden lid van het establishment”.

Zo is, lijkt ons, wel ongeveer de stand van zaken. Een

stand van zaken, die niet zonder bedenkingen is. Het

gevaar is immers niet denkbeeldig, dat de empirisch

(positivistisch) ingestelde economist, zonder daarop te

zijn voorbereid, toch maar (niet als economist) zijn uit-

1
,,An Essay on the Nature and Significance of Econo-

mic Science”, Londen 1948.
2
,,Axiologie en Economie”, Franeker 1960, blz. 126.

ESB 28-4-1971

395

spraken doet. V66r hij het weet vervalt hij in economis-

me: hij aanvaardt ook in zijn normatieve betoog be-

hoeften als gegeven, economische motieven als de door-

slaggevende voor het mensdom, het vrije-marktmodel

als een natuurgegeven enz. Om kort te gaan, juist omdat

zijn wetenschap zich zo netjes binnen de eigen perken

houdt, maakt hij brokken, indien hij dit daarbuiten niet

doet.

Als ik het goed zie, zit daar het gelijk van Van

Zuthem. Wij, economen, kunnen nu wel volhouden, dat

economie geen apologie is voor de bestaande orde, maar

de economen zijn vaak wel apologeten daarvoor en we

gebruiken de economie daarbij als wapen.

De socioloog en de economische orde

Men kan echter op soortgelijke wijze de sociologen

onder vuur nemen. Van Zuthem hult zich niet in de

fraaie mantel der waardevrijheid. Hij constateert, dat

de sociologie (evenals de economie) ,,op de een of an-

dere wijze de bewoonbaarheid van deze samenleving be-
invloedt” en kiest daarom maar ineens voor een kritische
instelling tegenover die samenleving. In hoeverre, is dan

mijn vraag, weet Van Zuthem daarbij zich Vrij te hou-

den van de valstrik die voor hem gevormd wordt door

,,sociologisme”? Het is niet zo moeilijk dit laatste te

constateren.

Hij ziet drie culturele grootheden naar voren komen,

die voor de inrichting van de economische orde van

doorslaggevende betekenis zijn, t.w. behoeften van con-

sumenten, verantwoordelijkheid van consumenten en

werknemers en de regeling van beslissingen. Hij consta-

teert dan, dat het begrip verantwoordelijk consumeren

nauwelijks enige gelding heeft, en meent dat consumen-

ten en werknemers in onze maatschappelijke orde geen

verantwoordelijkheid kiinnen dragen. Hij is weliswaar

aan een alternatieve economische orde niet toe, maar

vraagt naar democratisering der produktiebeslissingen

door daarbij werknemers en consumenten te betrekken,

wat hem in deze economische orde moeilijk verwezen-

lijkbaar lijkt, een reden om om te zien naar alternatieven

voor het prijsmechanisme.

Men moet nu vaststellen, dat Van Zuthen-i tracht de

economische orde te karakteriseren door culturele groot-

heden, de stand van zaken ten âanzien van die groothe-

den ethisch waardeert, en op grond daarvan betreurt

dat die orde door velen als volstrekt aanvaardbaar (ge-
loofwaardig, of althans niet in discussie) wordt gezien.

Ik zie hierin een redenering, die al te gemakkelijk de

economische orde determinerend acht voor de cultuur.

Schdmpetër heeft gesproken over de culturele onbe-

paaldheid van het socialisme. Hoe veel te meer zou men

niet moeten spreken over de culturele onbepaaldheid van

de ondernemingsgewijze produktie (of zo men wil: het

kapitalisme). Het lijkt mij niet moeilijk grote culturele

verschillen waar te nemen tussen de Verenigde Staten,
Japan en Zweden (of tussen Amsterdam en Staphorst),

ondanks de overeenkomst in economische orde. Een

deel van de Nederlandse bevolking verzet zich met suc-

ces tegen de ons opgedrongen behoefte aan T.V. en

blijft mitsdien verstoken van STER-reclame. De consu-

ment is niet machteloos en velen benaderen (bijvoor-

beeld uit godsdienstige motieven) de consumptie uiter-

mate kritisch.

Van Zuthem ziet consumenten die maar raak consu-
meren en werknemers die geen inspraak hebben en dat

nog nemen ook. Zijn droefheid daarover wordt door mij

gedeeld, al vind ik, dat zijn oordeel niet vrij is van een

zekere generalisatie. Maar is het nodig de economische

orde aansprakelijk te stellen voor feilen, die ouder zijn

dan de economische orde, waarmee wij leven, en die

ook in de bestaande alternatieve economische ordes niet

onbekend zijn? Een geleidelijk groeiende welvaart als-

mede de gewenning daaraan zouden ertoe kunnen

leiden, dat een kritischer, minder manipuleerbaar con-

sument ontstaat. Ook vorming én onpartijdige voorlich-

ting door bijvoorbeeld consumentenorganisaties zouden

in deze richting kunnen werken. De ondernemingsge-

wijze produktie verdraagt zich zeker met het verbieden

van sommige soorten reclame (die voor pornografie,

voor sigaretten) of zo men wil het verbieden van de

consumptie van bepaalde produkten (drugs, auto’s enz.).
Het prijsmechanisme kan aangevuld en gedeeltelijk ver-

vangen worden door overlegstructuren en planning van

producenten en overheid. Arbeiderszelfbestuur lijkt wat

moeilijk te realiseren, maar als de arbeidersraden de

spelregels handhaven (winststreven en concurrentie), dan

laat onze economische orde nog wel wat vergroting van

de verantwoordelijkheid der werknemers toe.

Maakt Van Zuthem het zich eigenlijk niet wat te ge-

makkelijk? Is er iets waar van de beschuldiging van

d’Iribarne, dat sociologen ,,préfèrent habituellement une

contestation globale de la société á la participation

des travaux qu’ils qualifient de réformistes”?
3
Zij heb-

ben een neiging de empirisch aanwezige maatschappe-

lijke orde te stellen tegenover een niet bestaand alterna-

tief, waarin mensen zich gedragen als engelen dankzij

andere (slechts summier aangeduide) structuren. Van

Doorn spreekt in zijn VU-oratie in dit verband over

,,sociologisme”: individuele ethiek gaat schuil achter

sociale ethiek, menselijke feilen worden geheel geweten

aan de ,,bestaande” maatschappelijke orde.

Besluit

Als economisten vanuit hun wetenschappelijke eenzij-

digheid maatschappijkritiek bedrijven (of de maatschap-

pelijke orde goedpraten) vervallen zij licht in ,,econo-

misme”. Voor sociologen ligt een soortgelijke valstrik

klaar. Wat ligt meer voor de hand dan de poging maat-

schappijkritiek te plaatsen in het ruimere kader vân

verschillende disciplines? In het kritisch denken over de

economische orde kunnen economie en sociologie elkaar

op dit moment vinden, zegt Van Zuthem. Ik kan hem

daarin helaas niet volgen. Economisten en sociologen,

die bereid zijn zich uit hun eenzijdige achtergrond los te

maken voor een gezamenlijke maatschappij-evaluatie,

zijn schaars. Het teamwork, waaraan behoefte zou zijn

en waarbij bijvoorbeeld naast ethici ook beleidsmensen

zouden moeten worden betrokken, is er eenvoudig niet.

Mensen als E. R. Walker
4
en ten onzent Van der Kooy

zijn veelal roependen in een woestijn van overigens zeer

competente vakkennis. Op dit punt ben ik het met het

slot van het betoog van Van Zuthem eigenlijk wel weer

eens. Jk vind alleen, dat juist deze constatering -van het

nog onontgonnen zijn van de relevante disciplines zou

moeten manen tot enige voorzichtigheid bij het oorde-

len, niet zo zeer over de ,,geloofwaardigheid” als wel

over de wenselijkheid van de geloofwaardigheid van

onze economische orde.
W. Albeda

Philippe d’lribarne: ,,La science ei ie Prince”, Parijs

1970, blz. 292.

‘ ,,From economic iheory to economic poiicy”, Ch içago

1947.

396

Het Duitse .,,Reinheitsgebot”

en de brouwindustrie in de EEG
DR. H. HOELEN*

Het bestaan van een economische gemeenschap heeft

oa. tot voorwaarde, dat het economisch verkeer zich

kan voltrekken zonder te worden belemmerd door

kunstmatige obstakels, opdat de gemeenschap des te

beter kan profiteren van verschillen in de natuurlijke

produktievoordelen. Tot die obstakels behoren bijv. ver-

schillen in directe belastingen (omzetbelasting, accijn-

zen) en ook verschillen in de warenwetgeving.

Zo kent men bij onze oosterburen reeds sinds 1516

een wetgeving voor de bierbereiding, in de wandeling

,,Reinheitsgebot” geheten, volgens hetwelk bier in prin-

cipe moet worden gebrouwen uit de grondstoffen gerste-

mout, water, hop en gist. Dit voorschrift is later op-

genomen in de accijnswetgeving (,,Biersteuergesetz”). In

de overige partnerlanden mogen de brouwers evenwel

ook andere granen, tarwe, maïs(gries), breukrijst, ook

in ongemoute toestand (Rohfrucht, grains crus) gebrui-

ken. Tevens mogen aldaar aan het bier stoffen worden

toegevoegd ter stabilisering, verhoging van de houdbaar-

heid en verbetering van de schuimhoudendheid. Deze

stoffen (additieven) komen ook voor in andere produk-

ten als limonade, wijn enz. Zij worden dan ook alge-

meen aanvaard zoals blijkt uit de Codex Alimentarius
1
.

Dit alles is vanzelfsprekend in de onderscheiden waren-

wetten streng geregeld. Als onderdeel van de Europese

industriepolitiek is de Europese Commissie thans met
een voorstel gekomen tot unificatie van de wetgeving

voor bier in de EEG.

Volgens dit voorstel wordt het gebruik van andere

granen en van ,,Rohfrucht” toegelaten tot 30% van

de grondstoffenstorting. Ook zal een aantal met name

genoemde additieven geoorloofd zijn. Voor Nederland

betekent dit reeds een aanmerkelijke afwijking van de

eigen bierwet, waarmee de Nederlandse brouwers zeer

content waren. De Duitse collega’s echter zijn een uit-

gëbreide campagne tegen het voorstel begonnen, dat

volgens hen beoogt Duitsland een bierwet op te .dringen

die een fatalè verslechtering van de kwaliteit ten gevolge

zal hebben. Door vöortdurend te tamboereren op het

begrip ,,zuiver” (,,rein”)doet men een zeer slim beroep

op de publieke opinie. Het spreekt de weinig deskun-
dige consument sterk aan dat het produkt ,,zuiver” is.

Daarnaast hebben de Duitse brouwers zich nog van

andere supporters vèrzekerd: de gerstboeren, de mouters,

de vakvereniging en tenslotte ook de overheid in de

persoon van Kite Strobel, minister van Volksgezond-

heid. Ook al staakten de Duitse brouwers met ingang

van heden hi.in activiteit, dan was het kwaad toch reeds

geschied: alle niet-Duitse bier is in een slecht daglicht

gesteld en de Duitse overheid zal zich schrap zetten

om de belangen van de Duitse brouwers te. behartigen

onder het mom van het algemeen belang.

Wat hebben de Duitse brouwers nu ter verdediging

van hun standpunt aan te voeren? In de eerste plaats

weinig ter zake doende kreten als: ,,Onze warenwet

dateert al van
1516″.
Dat is zeer waar, maar lijkt ons

geen sterk pleidooi, integendeel. Euwenoude wetten
houden uiteraard weinig rekening met de huidige si-
tuatie. Het ,,Reinheitsgebot” was er bovendien meer

op berekend de agrarische belangen van de vorst te

beschermen (eigen gerst- en hopverbouw) dan te waken

voor de volksgezondheid. Ook de exclamatie, dat

Duitsland de grootste bierproducent in de EEG is, be-

wijst niet, dat de Duitse bierwetgeving aanbevelens-

waardig zou zijn. Trouwens, meer dan 90% van de

wereldproduktie wordt niet volgens het ,,Reinheitsgebot”

gebrouwen.

De argumentatie der Duitse brouwers spitst zich meer

in het bijzonder toe op de volgende punten.
1. Duits bier
.
is ,,zuiver”. Van Duitse zijde wordt het

bier van buitenlandse brouwers zelfs ,,unedler Saft” ge-

noemd, m.a.w. die brouwers zijn eigenlijk knoeiers.

In de eerste plaats rijst hier de vraag waarom granen

als tarwe, haver, maïs, rijst en grondstoffen als suiker,

glucose, tapioca minder zuiver zouden zijn dan gerst

en ook waarom ongemout graan minder zuiver is dan

gemout? Voor dit alles wordt geen spoor van bewijs

geleverd omdat het niet te leveren
is.
Er valt hier ove-
rigens nog op te merken, dat mout uit niet voor 100%

gekiemde gerst gelijk te stellen is met ,,Rohfrucht”, dat

in Duitsland het gebruik van suiker en tarwe voor

bovengistend bier en specialiteiten wél geoorloofd is
Cfl:
… dat het ,,Reinheitsgebot” in Noord-Duitsland

niet
geldt voor te
exporteren
bier. Hierbij worden dan

ook ,,grains crus” en eiwitsplitsende enzymen gebruikt.

,,Ter aanpassing bij de smaak van de buitenlandse

consument” zegt men in Duitsland. Ten onrechte, want

in het algemeen valt noch aan de samenstelling noch

* De auteur is adjunct-directeur van het Centraal

Brouwerij kantoor te Amsterdam.
1
Een lijst van produkten, die aan bepaalde eisen vol-

doen en dan voor hei maatschappelijk verkeer worden

aanvaard door de landen, welke
zijn
aangesloten bij de

World Health Organisation.

ESB 28-4-1971

397

aan de smaak van het eindprodukt te controleren welke

grondstoffen werden gebruikt. Als pikante bijzonderheid

vermelden wij hier nog, dat in het verleden de Duitse
bierexport opkwam in Bremen en Hamburg, waar het
,,Reinheitsgebot” niet gold. Beiers bier was in de 19e

eeuw -daarentegen nogal eens slecht en men keek toen

bewonderend naar Engeland, waar men ook andere

grondstoffen dan gerstemout gebruikte.

Het ,,Reinheitsgebot” zegt voorts niets over een wer-

kelijk belangrijk aspect: de
kwaliteii
der grondstoffen;

de Duitse brouwer kan rustig
inferieure voergerst
ver

mouten. In feite zijn vele Westduitse brouwers anti

het ,,Reinheitsgebot”, omdat dit hen in hun bedrijfs-
gestie belemmert. In het traditionele Beieren is men

echter pro. De brouwer – en niet hij alleen – keert

zich hier tegen elk novum, zo bijv. aanvankelijk ook

tegen hop-extract, hoewel het gebruik nu gelegaliseerd

is.

Onze tweede vraag heeft betrekking op de zgn. ad-

ditieven, welke de brouwers buiten Duitsland toevoegen

ter bevordering van de houdbaarheid en de schuim-
houdendheid. Is dit dan niet ongewenst uit het oog-

punt van de volksgezondheid? De Duitse bestrijders

schijnen hierbij helemaal te vergeten, dat in beschaafde

Europese landen de overheid zorgvuldig waakt voor die
volksgezondheid, daartoe een warenwetgeving heeft af-

gekondigd en de naleving.daarvan rigoureus controleert.

Zo staat in ons Bierbesluit ex Warenwet, art. 3
di

en 4 c, o.a. dat bier
,,geen schadelijke
stof/en”
en
,,geen

vreemde elementen”
mag bevatten (tenzij dit uitdruk-

kelijk is toegestaan). Wij moeten hierbij verder niet

vergeten, dat er tussen de deskundigen geen overeen-

stemming bestaat over de al dan niet schadelijkheid

van allerlei stoffen, zelfs van gerenommeerde voedings-

middelen als melk, aardappelen. Dit verklaart mede

de afwijkingen tussen de warenwetgevingen in de ver-

schillende landen.

Het ,,zuivere” Duitse bier bekomt de consument –

het beste en daarom prefereert hij het. Dit is volkomen

onwaar. De consument proeft niet of piisner bier al

dan niet met behulp van suiker is gebrouwen en weet

ook in het algemeen niets van het ,,Reinheitsgebot” af.

Als het Duitse argument juist ware zou men vermoe-

delijk over de hele wereld brouwen volgens het ,,Rein-

heitsgebot”, hetgeen juist niet het geval is. Dan ook

behoeft niemand te vrezen dat de brouwers andere

wegen zouden inslaan als er officieel geen ,,Reinheits-
gebot” meer zou bestaan. Blijkbaar vreest men echter,

dat velen op andere methoden zullen overgaan. Dit

toont overduidelijk de inconsistentie der Duitse argu-

mentatie aan.

Het loslaten van het ,,Reinheitsgebot” impliceert,

dat (brouw-)gerst het veld moet ruimen voor tarwe,

hetgeen – een grotere belasting voor het Landbouwfonds

van de EEG betekent. Hierop zij in de eerste plaats

vastgesteld, dat dit met smaak, kwaliteit of ,,zuiver-

heid” van het bier niets meer te maken heeft. Wél

klinkt in dit argument de o.i. verfoeilijke opvatting

door, dat de consumenten (of meer in het algemeen

de afnemers) er zijn terwille van de producenten. En

tenslotte: Duitsland
importeert reeds meer dan 800.000

ton brouwgerst.

Wij zien dus, dat de Duitse brouwers zich op basis

van een inconsistente argumentatie richten tegen een

EEG-wetgeving, die hen volstrekt niet belet in Duitsland

volgens het ,,Reinheitsgebot” te blijven brouwen. Z6nder

dit gebod zagen andere landen kans een omvangrijke

bierexport op te bouwen, zoals Nederland met zijn

uitvoer van 1.440.000 hI naar 143 landen.

Thans gaan wij onze eigen principiële bezwaren tegen

het Duitse standpunt formuleren.

Het is zuiver
reaclionair.
Het ,,Reinheitsgebot” legt

de vrijheid van de ondernemer m.b.t. keuze van grond-

stoffen en produktiemethoden aan banden. Dergelijke

inbreuken op de vrijheid moeten vooral niet via de

EEG tot principe worden verheven. Generaliseren van

het ,,Reinheitsgebot” zou neerkomen op een atavisme:

een terugkeer naar het gilde-conservatisme der middel-

eeuwen. Men steile zich eens voor, dat wij dit principe

bij âlle goederen gingen toepassen. Het economisch

leven zou verkommeren in een dirigistisch warnet. De

ondernemer moet vrij zijn grondstoffen kunnen kiezen,
waarbij hij zich uit welbegrepen eigenbelang, maar ook

uit hoofde van het fatsoen in het maatschappelijk ver-

keer reeds beperkingen zal opleggen. De overheid dient

alleen-te waken tegen het gebruik van notoir schadelijke

stoffen en methoden.

Het belemmert de gezonde concurrentie van niet-

Duits met Duits hier.
Zou het Duitse ,,Reinheitsgebot”

voor de gehele EEG gelden dan zouden alle andere

partnerlanden htn traditionele methoden -moeten laten

varen. Bepaalde specialiteiten als het Belgische Geuze

Lambiek zou men niet eens meer kunnen brouwen.

Aangezien de houdbaarheid zou dalen zouden de part-

ners sterk belemmerd worden bij hun export naar

Duitsland. Ook ware het onaanvaardbaar als zij hun

bier weliswaar niet volgens dat gebod zouden behoeven

te brouwen, maar dit dan ook op het etiket zouden

moeten vermelden (niet volgens het ,,Reinheitsgebot”

of ,,met Rohfrucht”). Zeer verhelderend is in dit op-
zicht een uitspraak van de heer Feierling
2
uit 1969:

,,Trotz aller Hemmnisse und Schwierigkeiten darf man

in der Beibehaltung des Reinheitsgebotes das beste

Mittel sehen, die Einfur ausliindischer EBiere zu
drosseln

und
abzuwehren”.
Het behoeft geen betoog, dat dit

alles voor de adspirant EEG-leden Engeland, Ierland,

Noorwegen en Denemarken eveneens onaanvaardbaar is.

Welke oplossingen zijn er nu mogelijk voor een har

monisatie van de bierwetgeving in Europees kader?

Volledige vrijheid. Dit
is geen haalbare kaart, des

te minder omdat er in de partnerlanden toch reeds

wettelijke voorschriften bestaan over de (on)toelaatbaar

heid van sommige stoffen. Deze bepalingen zijn ook

gewenst.

Generalisering van het Duitse ,,Reinheitsgebot”

voor de EEG. Nog afgezien van de boven opgesomde

bezwaren wensen de Duitse brouwers vermoedelijk ook

deze oplossing eigenlijk niet. Zij begrijpen bovendien

wel dat ook dit niet haalbaar is.

Aanvaarding van het huidige ontwerp van de Euro-

pese Commissie: andere granen dan gerst benevens

2
President van de Bayerischer Brauerbund.

398

Rohfrucht tot 30%, toelaatbaarheid van proteolitische

enzymen, tannine en ascorbinezuur tot bepaalde hoe-

veelheden. Op het etiket mag worden vermeld: ,,Met

zuiver gerstemout”. Reeds tegen dit compromis bestaan

ernstige bezwaren. Op deze wijze wordt de produktie-

methode. voor decennia min of meer ,,bevroren”, een

hoogst ongewenste beperking van de ondernemer in

diens vrijheid de voordeligste combinatie der produktie-

factoren te kiezen. Ook de kandidaat-leden hebben aan

deze oplossing geen boodschap.

d. Aanvaarding van het compromis sub 3, doch hand-

having van het ,,Reinheitsgebot” in Duitsland. In

Duitsland ingevoerd bier dient dan te voldoen aan het

,,Reinheitsgebot” of een aanduiding te dragen in de

geest van ,,Met Rohfrucht gebrouwen” of iets van

dien aard. Dit is op een Euromarkt volstrekt verwer-

pelijk en in strijd met het Verdrag van Rome.

Onzes inziens mag een compromis niet veel anders

behelzen dan het volgende: vrije keus van grondstoffen

en enige voorschriften over de toelaatbaarheid van ad-

ditieven. Hiermee is het algemeen belang in de Euro-

markt het beste gediend.

H. Hoelen

Toets

op taak

Woningperikelen

De
Handelingen van de Stalen-Ge-

neraal
zijn voor een onderzoeker van

overheidsuitgaven een onuitputtelijke

bron van materiaal. Het Parlement is

als een vulkaan, die dag in dag uit

een vloed van feiten, meningen, cij-

fërs, al dan niet levensbeschouwelijk

gekleurde visies en – helaas – ook

misvattingen uitstoot. Ten onrechte

valt de aandacht vooral op de von-
kenregen van beslissingen. Opper-

vlakkig gezien kn het lijken of deze

besluiten bijna willekeurig in de een

of andere richting uitvallen. In wer-

kelijkheid is alleen het tijdstip dat

een bepaalde maatregel wordt getrof-

fen in hoge mate van toevallige om-

standigheden afhankelijk. Wie de dis-

cussies regelmatig volgt, kan Vrij

aardig voorspellen waarop het ten-

slotte wel zal uitdraaien.

Een voorbeeld geeft de gang van

zaken rond de subjectieve huursubsi-

dies.
Enkele jaren geleden was het

ongenoegen over de kwestie ,,rijke

mensen in gesubsidieerde woningen”

zo gestegen, dat er stemmen opgingen

om tot een ander systeem te komen:

niet de woning, maar de bewoner zou

steun verdienen. De poging van mi-

nister Bogaers om deze aan kracht

winnende stroming op te vangen met

de ,,huurbelasting” (welke de Staat

middelen zou opbrengen in plaats

van kosten) mislukte, doordat men

genadeloos de op bepaalde punten

onrechtvaardige gevolgen aanwees.

Men dreef intussen steeds verder

naar de ,,positieve” variant toe, waar-

bij de pleiters in de Kamer zich

weinig aantrokken van de meer terug-

houdende opstelling van bijv. de

Raad voor de Volkshuisvesting. Ten-

slotte werden de subsidies ingevoerd,

zonder dat in het Parlement een

fundamentele discussie over de ver-

diensten van het stelsel had plaatsge-

vonden. Dezelfde onrechtvaardighe-

den en discrirninaties, die de huurbe-

lasting de das omdeden, bleken geen

beletsel voor de invoering van de

subjectieve subsidies.

De omvang van de nieuwe over-

heidsuitgave werd beperkt door alleen
de bewoners van reeds gesubsidieerde

huizen aanspraken te geven. Iedereen

kon begrijpen dat dit een toestand

was die niet lang zou voortduren.

Het ,,huurharmonisatieontwerp” dat

in maart de Tweede Kamer is ge-

passeerd bood de kans er een zekere

Deze rubriek wordt verzorgd door

het Instituut voor Onderzoek van

Overheidsuitgaven.

uitbreiding van de subjectieve subsi-

dies aan vast te knopen. Ongetwijfeld

zal de werkingssfeer nog verder wor-

den uitgebreid. De minister probeert

intussen door de instelling van een

hooggeleerde commissie te voorko-
men dat men met de operatie voort-

gaat voordat de patiënt is onderzocht.

Grote belangstelling verdient ook

op dit punt de opstelling van de

Kamerleden van de nieuwe ster aan

het politieke uitspansel, DS ’70. Van

hun programma is nog niet zoveel
bekend, maar daden, politieke uit-

spraken in de Kamer, zijn zeker zo

interessant. Men moet daarbij na-

tuurlijk wel in het oog houden, dat

de betrokken parlementsleden inder-

tijd niet door de nieuwe partij, maar
door de PvdA zijn gekandideerd. Of

fractie- en partijstandpunt elkaar dek-

ken is daardoor – in sterkere mate

dan gewoonlijk het geval is – enigs-

zins onzeker.

Mevr. Van Veenendaal toonde

zich een groot voorstandster van de

subjectieve huursubsidiëring. Hier-

over door de heer Wiegel aan de

tand gevoeld, lichtte de heer Goed-

hart toe: ,,dat er in de opvatting van

mijn partij twee soorten van subsi-

dies bestaan: constructieve, sociaal-

positieve subsidies – die willen wij

natuurlijk niet afbreken – zoals de

huursubsidies, die naar onze mening

in vele gevallen zullen moeten wor

den verhoogd
1
, en daarnaast subsi-

dies . . . . die door de maatschappelij-

ke ontwikkeling volkomen zijn ach-

terhaald
……

Het zal interessant zijn als DS ’70

ertoe komt om uit te leggen welke cri-

teria de fractie hanteert bij de schei-

ding van kaf en koren in de subsidie-

politiek. Zal het Pareto-optimaliteit

zijn (stroming Drees?) of welvaarts-

herverdeling (stroming Berger?)? Wij

kunnen slechts afwachten of er op

deze punten binnen DS ’70 eenstem-

migheid zal worden bereikt
2.
Lukt dat

niet, dan is het wel duidelijk dat de
allocatie-criteria het meest de kans
lopen op de achtergrond te worden

gedrongen. Zij lenen zich moeilijker

voor de politieke strijd.

Een moeilijk te begrijpen voorstel

van DS ’70, dat in hetzelfde. debat

1
Gordon Tullock in ,,The American

Economic Review”, maart 1971, blz.

218: ,,lt seems to me that we would

be better advised to try to change

government policy toward raising the

incomes
0/
the poor rat her than

trying to adjust iheir consumption

toward the qualitative siandards
0/

those who are not poor”.
2
Edgar 0. Olsen in ,,The American

Economic Review”, blz. 224: ,,1 pro-

posed rent certi/icates because 1 be-

lieve that there are many paternalistic

altruisis in this country . . .

ESB 28-4-1971

399

werd gedaan, moet hier toch worden

gesignaleerd. Mevr. Van Veenendaal

wilde ni. de premiebouw extra sti-

muleren door gemeenten hun oude

woningbezit te laten verkopen en met

de aldus behaalde boekwinsten nieu-

we complexen te laten bouwen. Dc
minister ging op deze suggestie se-

rieus in. Premiebouw, betoogde hij,

is aan de corporaties voorbehouden.

Mevr. Van Veenendaal wist een uit-

weg: ,,Als de gemeenten dan dit oude

woningbezit voor boekwaarde zouden

overdragen aan woningbouwcorpora-

ties en die zouden het gaan verkopen,

zoudt U dan die medewerking willen

verlenen?” Minister Schut reageerde:

,,Ja, schitterend! Natuurlijk!” Ook de
heer Andriessen (KVP) vond het een

reuze-idee
3
.

Merkwaardig dat bij deze gelegen-

heid niemand erop wees hoe veel

logischer het zou zijn om in plaats

van zo’n ongemotiveerde vermogens-

overdracht vân de onder hoge schul-

den gebukt gaande gemeenten naar

de woningcorporaties, eens andere

alternatieven te bekijken. De gemeen-

ten zouden hun ,,winst” bijvoorbeeld

kunnen
lenen
aan de woningcorpora-

ties. Of – na wijziging van de rege-

ling – tôch zelf kunnen gaan bou-

wen. Van DS ’70 verwacht men geen

weerstand tegen zo’n instandhouding

van gemeenschapsbezit. En hierop

voortbordurend: wat is eigenlijk de

ralio van de verkoop?
Men onttrekt

dan beleggingskapitaal aan de markt,

waardoor de ,,normale” premiebouw

zal inkrimpen. Eenvoudiger is het

dan als de gemeente zelf of via de

BNG zich direct tot de kapitaalmarkt

wendt. Wanneer men vooral het oog

zou hebben op verkoop aan de bewo-

ners doemen tal van bezwaren op ,

volkomen analoog aan die welke wor-

den aangevoerd tegen de regeling

zoals die voor woningwetwoningen
al geldt. Een ander alternatief is dat
de corporaties toestemming krijgen

een 100%-hypotheek te geven, bijv.

gegarandeerd door de gemeenten of

door het Rijk.

Het hier besproken voorval illu-

streert, hoezeer een bepaalde regeling
een eigen leven gaat leiden. Als daar-

door moeilijkheden ontstaan, wordt

de hindernis niet uit de weg geruimd,

maar probeert men een omtrekkende
beweging. Het blijft daarbij vaak on-

duidelijk wat men aan de andere kant

eigenlijk te zoeken heeft. Als gemeen-

ten niet zelf mogen bouwen, waarom

mogen ze dan wel die bouw finan-

cieren? En waarom zouden zij zelfs

de filantroop moeten gaan spelen?

400

Het is onwaarschijnlijk dat de toet-

sing van deze taak gunstig uitvalt.

Drs. R. M; de Haan

Zie ,,Hande/ingen”, Zit/ing 1970-

1971, blz. 3350 (ii maart 1971).

Zie R. M. de Haan: De verkoop

van woningwetwoningen aan hun be-

woners, in ,,De Gemeente”, oktober

1967.

Eurona-

bevolking in de totale beroepsbevol-

king (13,8%).

Om het inkomen van de agrariërs

gelijke tred te laten houden met de

overige inkomens, zouden de land-

bouwprijzen voortdurend moeten

worden verhoogd. Dit zou evenwel

niet tot een verbetering van de pro-

duktiviteit in de landbouw leiden.

Een prod uktiviteitsverhoging zou be-

reikt kunnen worden door een groot

aantal landbouwers ertoe te bewegen

de landbouw te verlaten. De beschik-

baar komende landbouwgronden zou-

den moeten worden samengevoegd

tot grotere bedrijven. Na deze ver-

groting van de produktiviteit zou een

toestand ontstaan, waarbij de inko-
mens van de agrarische beroepsbe-

volking op een niveau zouden komen,

dat vergelijkbaar zou zijn met dat

van de overige inkomens.

De fundamentele stelling van de

Europese Commissie in het memo-
randum van 1968 is, dat een verbe-

tering van de bedrijfsstructuur in de

landbouw niet verwezenlijkt kan wor-

den door een verhoging van de

landbouwprijzen. Afgezien van de

vraag, of daardoor de landbouwinko-

mens op een aanvaardbaar niveau

zouden kunnen worden gebracht,

zouden marginale bedrijven hierdoor

juist in stand gehouden worden. Dr.

Mansholt heeft berekend dat de helft

van de agrarische beroepsbevolking

uit de landbouw moet verdwijnen.

Vandaar dat de Commissie het een

illusie noemt, te geloven dat een

markt- en prijsbeleid alléén nog een

belangrijke bijdrage tot de verbete-
ring van de levensstandaard van de

landbouwbevolking kan leveren.

Op 15 februari jI. heeft de Euro-

pese Commissie prijsvoorstellen voor

1971/1972 formeel gekoppeld aan

voorstellen tot verbetering van de

landbouwstructuur. Aan dit pakket

was het overleg van de landbouw-

ministers gewijd.

In wat voor emotioneel klimaat dit

overleg plaatsvond bleek al op de-

zelfde 15e februari. Toen de vice-

voorzitter van de Commissie, Dr.

Mansholt, in het Brusselse congres-

gebouw de nieuwe versie van de

voorstellen wilde presenteren, ,,storm-

den ter contestatie zelfs twee vaarzen

en een stiertje (door de – niet zo

gespecialiseerde – pers drie koeien

genoemd) over het tapijt van de

Euro-zaal naar binnen”
1
Zo kwam

het dat we daags erna in onze kran-

1
,,Europese Gemeenschap” van maart

1971, nr. 134, blz. 3.

S

De landbouwmarathon

Na de langste nachtzitting tot dusver

heeft de Ministerraad van de Euro-

pese Gemeenschappen vérreikende

besluiten over de landbouwprijzen en
over de landbouwstructuur genomen.

De beslissing viel op
25
maart 1971.

Deze datum zou wel eens belangrijk

kunnen worden in de geschiedenis

van de Europese Gemeenschappen.

Want er is nu een begin gemaakt met

een gemeenschappelijk structuurbe-

leid voor de landbouw. Tot nog toe

zijn er slechts enkele aanzetten daar

toe geweest.

In december 1968 heeft de Euro-

pese Commissie een memorandum
inzake de hervorming van de land-

bouw in de Europese Economische

Gemeenschap gepubliceerd, dat als

het plan-Mansholt een discussie in

de gehele Europese landbouw heeft

losgeslagen. In het plan-Mansholt

werd uitvoerig uiteengezet, dat de

produktiviteit en de inkomens in de

landbouw lager liggen dan in andere

sectoren van de economie. In de

jaren na de indiening van het me-

morandum van december 1968 is in

deze situatie geen verbetering opge-
treden. In 1969 was het aandeel van

de landbouw in het totale bruto

produkt
(5,8%)
veel lager dan het

aandeel van de agrarische beroeps-

Tabel 2. lnterim-indexcijfers van grooihandelsprijzen (1948 = 100)

1967 1970
Stijging
in
%
Akkerbouwprodukten
156
188
20,5
Veehouderijprodukten
152 163
7,2
Totaal landbouwprodukten
154
175
13,6

Algemeen indexcijfer
164 176
7

Bron:
voor 1967
CBS:
Statistisch Zakboek
1970,
blz. 221; voor
1970 CBS:
Statistisci, Bulletin
van 18 maart 1971.

Tabel 1.. Verloop Europese landbouwprijzen
ten een foto konden bewonderen van

koeien haast’ confererende landbouw-

ministers; het naakte meisje van de

PSP-affiche ontbrak er nog maar

aan, maar misschien is men in Brussel

nog niet zo ,,ontwapenend”. Vervol-
gens kwamen de boeren die bij deze

koeien horen daags v66r het mara-

thondebat en masse in Brussel de-

monstreren. De ministers hadden toen

al bij voorbaat de wijk genomen naar

de vijftiende verdieping van het ge-

bouw ,,Karel de Grote”, enige kilo-

meters buiten het stadscentrum.

De belangen van de zes lid-staten

liepen bij het begin van de onderhan-

delingen nogal uiteen. Italië en –

in mindere mate – Frankrijk hebben

te kampen met een achtergebleven

landbouw en zouden voordeel trek-

ken uit structuurverbeterende maat-

regelen. Duitslard, Nederland en

België voelden weinig voor een ge-
meenschappelijk structuurbeleid en

wilden zich voorlopig beperken tot

het vaststellen van nieuwe prijzen.

Vooral Italië en Duitsland wilden

hoog spel spelen. Italië heeft na-

melijk tot nu toe veel minder voor-

deel gehad van het gemeenschap-

pelijk markt- en prijsbeleid dan

Frankrijk en Nederland. En de Duitse

landbouwminister Erti had gedreigd

eigenmachtig de landbouwprijzen te

verhogen als niet v66r 1 april op

gerneenschapsniveau tot prijsverho-

ging zou zijn besloten. Dit zou de

gemeenschappelijke Iandbouwmarkt

geen goed gedaan hebben na de ont-

wrichting als gevolg van de Franse

devaluatie en de Duitse revaluatie van

1968.

De Italianen hebben hun machtspo-

sitie – net als vorig jaar bij de

onderhandelingen over de hervorming

van het Sociaal Fonds – terdege

uitgebuit. Ze weigerden eenvoudig

over de prijzen te praten tenzij er

een beslissing over het structuurbe-

leid genomen zou zijn. Italië moest

dus op structureel gebied afgekocht

worden in ruil voor medewerking

aan de prijsverhogingen.

Het resultaat

Het gemeenschappelijke structuurbe-

leid houdt onder andere maatregelen

in ten gunste van boeren tussen 55

en 65 jaar oud, die hun bedrijf aan

de kant willen doen. Zij ontvangen

een jaarlijkse inkomstenvergoeding

van f. 2.150. Hiervan neemt de Euro-

pese Gemeenschap
25%
voor haar

rekening, de nationale regeringen fi-

nancieren 75%. In landen waar op

Produkt

Aard van de prijzen

Durumtai-we
Richtprijs Basisinterventieprijs Aan de producent gegarandeerde
minimum-prijs (niveau groothandel)

Zachte tarwe
Richtprijs Basisinterventieprijs

Gerst
Richtprijs Basisinterventieprijs

Rogge
Richtprijs
Basisinterventieprijs

Maïs
Richtprijs

Gedopte rijst
Richtprijs

Olijfolie
Produktierichtprijs
Marktrichtprijs Interventieprijs

Oliehoudende zaden
Richtprjs
Basisinterventieprijs

Suiker Minimum-prijs voor
suikerbieten
Richtprjs witte suiker
Interventieprijs
Witte suiker

Melk
Richtprijs voor melk
Interventieprijs:
voor boter
voor magere
melkpoeder
Directe steun voor
magere melk:

in poeder
vloeibaar

Rundvlees
Oriëntatieprijs voor: volwassen runderen
(levend gewicht) kalveren
(levend gewicht)

Varkensvlees
Basisprijs (geslachte varkens)

nationaal niveau nog geen sanerings-

regeling voor de landbouw bestaat

zoals in Italië, vergoedt de Gemeen-

schap 65% van de inkomstenvergoe-
ding. De lid-staten voeren verder een

steunregeling in voor landbouwers

die een ander beroep kiezen. In de

tijd dat ze zich omscholen, ontvan-

gen ze een inkomen. Voor de finan-

ciering van de omscholing zal het

Sociale-Fonds-nieuwe-stijl
2
worden in-

geschakeld. Aan kinderen van land-

bouwers met kleine inkomens kunnen

studiebeurzen worden verstrekt.

Ook voor degenen die in de land-

bouw werkzaam blijven, is een steun-

regeling ontworpen. Om daarvoor in

Eerste
Prijzen
Prijswijziging
gemeen-
197011971
in
%
schappelijke
prijzen

(prijzen in rekeneenheden)

125,00
125,00
0
117,50 117,50
0

145,00
145,00
0

106,25 106,25
0
98,75 98,75
0

91,25 95,44
+
4,6
85,00
88,44
+
4,0

93,75 97,50
+
4,0
87,50 91,00
+
4,0

90,63
9594
+
5.9

181,20
189,70
+
4,7

1.150,00 1.152,50
+
0,2
800,00
721,00

9,8 730,00
648,50
-11,2

202,50
.

202,50
0
196,50
196,50
0

17,00
17,00
0

223,50
223,50
0

212,30 212,30
0

103,00 103,00
0

1.735,00 1.735,00
0

412,50
412,50
0

82,50 82,50
0
15,00
15,00
0

662,50 680,00
+
2,6

895,00 915,00
+
2,2

735,00 772,50
+
5,1

aanmerking te komen, moet een

landbouwer een ontwikkelingsplan

opstellen. Het plan moet erop gericht

zijn, dat het bedrijf binnen zes jaar

aan één of twee volwaardige arbeids-

krachten een inkomen uit arbeid op-

levert, dat tenminste kan worden ver-

geleken met niet-agrarische inkomens

in dezelfde streek. De steunmaatre-

gelen houden onder meer in dat land-

bouwgronden die door het vertrek

van landbouwers ter beschikking ko-

men, bij voorrang voor een bedrijf

2
V
g
l
. Europa-Bladwijzer in ,,ESB”

van 24 maart 1971, blz. 277-279.

ESB 28-4-1971
401

(met een ontwikkelingsplan) bestemd

zijn. Ook kunnen rentesubsidies voor

investeringen worden verleend. Bij

wijze van uitzondering kunnen de

lid-staten – voor eigen rekening –

een aflopende inkomensvergoeding
verstrekken aan landbouwers in be-

paalde gebieden voor ten hoogste de
duur van een ontwikkelingsplan.

Van groot belang is verder dat de

lid-staten zich hebben verplicht, uit-

breiding van voor agrarische doelein-

den aangewende gronden te voorko-

men. Op aandrang van Nederland

zijn nationale steunmaatregelen ver-

boden, die het Europese structuurbe-

leid zouden doorkruisen. De Europe-
se Commissie zal de nationale steun-

maatregelen stelselmatig uitkammen

volgens het volgende tijdschema:
1-1-1972 fruit, glasteelt, groente en

suiker;

1-7-1972 melk, rundvlees, varkens-

vlees, eieren en slachtpluimvee;

1-1-1973 graan, wijn, tabak, vis-

serij;

1-7-1973 andere produkten.

De verhoging van de landbouwprij-

zen per 1 april 1971 komt gemiddeld

neer een stijging met gemiddeld

6% voor zuivel en vlees en met 3%

voor plantaardige produkten zoals

granen en rijst. De prijzen van de

overige landbouwprodukten blijven

onveranderd.

Over deze verhogingen van de

landbouwprijzen wordt verschillend

gedacht. Sommige Nederlandse co-

lumnisten verkondigen steeds de me-

ning, dat de landbouwprijzen inder-

tijd te hoog zijn vastgesteld, dat

VRIJE UNIVERSITEIT TE AMSTERDAM

De te dezen samenwerkende Centrale Interfaculteit

en de Faculteit der Economische Wetenschappen

delen mede dat er binnenkort een vacature ontstaat

voor de functie van

docent in de

“vakfilosofie der

economie”

Van de te benoemen docent wordt verwacht dat

hij voor de kandidaatsopleiding in de economische

faculteit de wijsgerig -encyclopedische inleiding

in de economie zal kunnen doceren en voor de

doctoraalstudie de economische vakfilisofie.

Binnen het kader van de doctoraalstudie in de
centrale interfaculteit dient de te benoemen docent
de keuzerichting van het hoofdvak ,,economische

vakfilosof ie” mogelijk te maken.

Het zal tot aanbeveling strekken indien de
sollicitant tevens bevoegd of in staat zal zijn in de
economische faculteit de algemene inleiding in de

wijsbeeerte (systematiek en geschiedenis) te

verzorgen.

Van hen die in aanmerking willen komen voor deze
functie, wordt verwacht dat zij zich positief

opstellen ten opzichte van de grondslag van de

Vrije Universiteit.

Sollicitaties worden vÔôr 1 september 1971

ingewacht bij de ab-actis van de Centrale

Interfaculteit, Prof. Dr. A. Troost, De Boelelaan

11 05, postbus 7161, Amsterdam, die ook gaarne

-.
bereid is nadere informatie over deze functie te
IN
verstrekken.

402

daardoor overproduktie is ontstaan

en dat deze prijzen bijgevolg niet

mogen worden verhoogd Deze me-

ning wijkt duidelijk af van die van

de Commissie (geen structuurpolitiek

via het markt- en prijsbeleid).

Men kan de prijsverhogingen ook

anders beoordelen. De inkomens van

de Europese boeren zijn – vergele-

ken met de inkomens van andere

Europeanen – aan de lage kant. De
prijzen zijn enkele jaren achtereen

nauwelijks verhoogd (zie tabel 1). De

Europese boeren waren dus niet in

staat -kostenstijgingen in hun afzet-

prijzen door te berekenen. De lage

Europese landbouwinkomens daalden

daardoor. Het is niet onbillijk, dat

deze inkomens enigszins worden bij-

gesteld.

De gegevens van tabel 1 worden

navranter, wanneer men ze confron-

teert met de stijging van groothan-

delsprijzen van landbouwprodukten.

Voor ons land gelden hiervoor de
gegevens, vermeld in tabel 2. Het

blijkt dat de op de oerproducent vol-

gende geledingen van de bedrijfs-

kolom wel hogere afzetprijzen heb-

ben berekend. En dat terwijl de in-

koopprijzen van hun handel constant

zijn gebleven (niet van hulpstoffen,

arbeid en afschrijvingen). De groot-

handel zal dus wel in staat zijn ge-

weest, kostenstijgingen af te wente-

len op de consument; misschien is

de winstmarge van de groothandel

zelfs gestegen. Het indexcijfer van de

landbouwprijzen is in deze periode

bijna tweemaal zo snel gestegen als

het algemeen indexcijfer van degroot-

handelsprijzen.

De Europese boeren bevinden zich

in een zwakke positie ten opzichte

van hun afnemers, omdat ze geen

prijspolitiek kunnen voeren. Daarom

is het goed, dat in de besluiten van

de Europese Ministerraad ook een

steunregeling voor producentenorga-

nisaties is opgenomen. Op het gebied

van groente en fruit is enige jaren

geleden zo’n regeling getroffen. Nu

de Gemeenschap de samenwerking

van producenten, bijv. in afzetcoöpe-

raties, gaat bevorderen, kan hieruit

een versteviging van de marktpositie

van de Europese boeren voortvloeien.

Europa-Instituut Leiden

Het

INSTITUTE

OF SOCIAL STUDIES

zoekt een

WETENSCHAPPELIJK
MEDEWERKER

voor de

Dèvelopment Administration Workshop.

De workshop organiseert voor bestuurders uit

ontwikkelingsgebieden tweejarige cursussen, leidend

tot de graad van Masler of Public Administration.

Vereist is een doctoraal examen in bestuursweten-

schappen, politicologie, sociologie, sociale psycho-

logie, andragogie of bedrilfseconomie. Praktische

ervaring met of specialisatie in groepstraining,

planning, openbare financiën of project management
strekt tot aanbeveling.

Benoeming zal geschieden in het rangenstelsel van

de wetenschappelijke ambtenaren, afhankelijk van

leeftijd en ervaring.

Directe opneming in het Pensioenfonds.

Premie A.O.W. wordt voor rekening van het

Instituut genomen.

Brieven met volledige personalia te richten tot de

Controller van het Institute of Social Studies, Molen-

straat 27, Den Haag, binnen 14 dagen na verschijnen

van deze oproep, onder vermelding van vacature

nr. 35.

Technische Hogeschool Delft

Bjj de Afdeling der Weg- en Waterbouw

kunde bestaat een vacature voor een

academisch gevormd

ECONOOM

met belangstelling voor de

vervoers- en verkeerseconomie

die onder leidjng van de betrokken hoogleraar
als wetenschappelijk medewerker zal worden
belast met werkzaamheden op het gebied van
het onderwijs in de verkeerskunde en het
economisch onderzoek op het gebied van het
vervoer en verkeer.

Inlichtingen kunnen worden verkregen bij prof. drs. E. H. v. d. Poll, Oostplantsoen 25,
Delft, telefoon (01730)33222, toestel 5456.

Aanstelling en bezoldiging zal geschieden in
het rangenstelsel der wetenschappelijke
medewerkers.

AOW-premie komt voor rekening van de
Technische Hogeschool.

Directe opneming in welvaartsvast pensioen-
fonds.

Schriftelijke sollicitaties te richten aan het

Hoofd van de Centrale Personeelsdienst,
Julianalaan 134 te Delft, onder vermelding van
nr. 87124//0936 in de rechterbovenhoek van
de brief.

ESB 28-4-1971

403

Mededelingen

MVE Voorjaars-Efficiencydagen

1971

Op woensdag 26 en donderdag 27

mei as. houdt het NIVE, het Ne-

derlands Instituut voor Efficiency, de

Voorjaars-Efficiencydagen 1971 in

het Nederlands Congresgebouw te

Den Haag. In een achttal bijeen-

komsten, voorbereid door bij het

NIVE aangesloten verenigingen, zul-

len onderwerpen op deelgebieden van

management worden besproken.
Voor dit congres is het navolgende

programma vastgesteld:

Woensdag 26 mei 1971

10.00-12.30 uur: ,,Inforrnatiebeleid

en beleidsinformatie”, georganiseerd

door het NIBIN, Nederlands In-

stituut voor Beleids-Informatie.

11.30-16.30 uur: ,,Techni’sche Be-

drijfsvoering”, samengesteld door

de NVDO, Nederlandse Vereni-

ging voor Doelmatig Onderhoud.

14.00-16.30 uur: NEVIE, Nederland-

se Vereniging voor Inkoop-Effi-

ciency, behandelt ,,Inkoop voor

verkoop – Inkoop voor produktie”.

14.00-16.15 uur: ,,Verpakking en

milieuhygiëne”, wordt besproken

door het NVC, Nederlands Ver-

pakkingscentrum.

14.00-16.30 uur: De NVP, Neder-

landse Vereniging voor Personeel-

beleid, spreekt over ,,Nieuwe wet-

Een der grotere Nederlandse aannemersbedrijven
in de waterbouwkundige sektor met een omvang-

rijke aktiviteit in binnen- en buitenland zoekt een

accountant, econoom

of een economisch

gericht jurist

met grote bedrjfs- en beleidservaring om de direktie te helpen,

zoveel mogelijk op basis van exacte gegevens en met behulp

van recent ontwikkelde inzichten en technieken, zo verantwoord

mogelijk het financieel en economisch beleid te bepalen op alle

terreinen waarop het bedrijf opereert. Hij zal hierbij te maken

krijgen met de diverse dochtermaatschappijen en met de diverse

samenwerkingsvormen met andere maatschappijen, zowel in

Nederland als vooral ook in het buitenland. Hij zal ook te maken
krijgen met marketing problemen en met de financiële aspecten

van de ontwikkelingsprojekten van dit bedrijf.

BIJ GEBLEKEN GESCHIKTHEID LIGT OPNAME IN DE DIREKTIE

IN DE BEDOELING.

Gelieve sollicitatiebrieven met volledige vermelding vn oplei-

ding en ervaring zo spoedig mogelijk te zenden aan het

PSYCHOLOGISCH INSTITUUT
o.I.v. Mr. Drs. E. A. Hof,
de Ruyterstraat 60, Den Haag.

404

ten >ragen om vernieuwend be-

léid”.

Donderdag 27 mei 1971

10.30-16.00 uur: ,,Mode en marke-

ting”, samengesteld door het

NIMA, Nederlands Instituut voor

Marketing.

14,00-16.30 uur: Het IC, Ideeëncen-

trum, behandelt: ,,ldee en Idee-

fixe”.

14.00-16.30 uur: ,,De taak en de

plaats van de produktieleider in het

bedrijf” georganiseerd door de

NLP, Nederlandse Vereniging voor

Prod uktieleiding.

Nadere inlichtingen worden gaarne

verstrekt door het’NIVE, Parkstraat

18, Den Haag, tel. (070) 6149 91,

toestel 76.

Met

een beter

economisch-

politiek

inzicht

GEMEENTE ARNHEM

Ter secretarie komt de nieuwe functie
vacant van

ORGANISATIE – DESKUNDIGE

vac. nr
. 68/501

TAAK in het gemeentelijk verband – even-
tueel in samenwerking met externe
deskundigen – adviseren over verbete-
ring van structuren ten aanzien van
organisatie, samenwerking en commu-
n icatie
;

initiëren, begeleiden en coördineren
van de daartoe of daardoor nodige
maatregelen, zoals organisatieonder

zoeken, procedure-wijzigingen, beleids-
formulering, enz.

Betrokkene zal fungeren als secretaris
van de Organisatie Adviesgroep, be-
staande’ uit enkele bestuurders en
hoofdambtenaren.

Gedacht wordt aan iemand met een
gedegen vakopleiding en ruime erva-
ring op uitvoerend en organisatorisch
terrein die deze coördinerende en ad-
viserende functie ambieert, waarbij het
beschikken over overlegkwal iteiten een
belangrijke vereiste is.

SALARIS
nader overeen te komen. Kandidaten
moeten bereid zijn deel te nemen aan
een psychologisch onderzoek.

De bij de overheid gebruikelijke
rechtspositieregelingen zijn van toe-
passing (pensioenvoorziening, ziekte-
kostenregel ing, vergoeding verhuis-
kosten).

S

Sollicitaties binnen 10 dagen te zenden aan de
directeur van de Centrale Dienst Personeelszaken,
Koningstraat 38, onder vermelding van het vaca-
turenummer.

GEMEENTE .STEENBERGEN

Burgemeester en wethouders zijn voorne-

mens over te gaan tot aanstelling van een

SOCIAAL-ECONOMISCH

MEDEWERKER

die een actieve bijdrage zal leveren bij de

beleidsvoorbereiding en de besluitvorming

in de sociaal-economische sector.

Hij zal daartoe eigen onderzoeken moeten

verrichten, contacten onderhouden met het
bedrijfsleven en op zijn eigen terrein voor-

lichting geven.

Onze gedachten gaan uit naar een
JONGE

ECONOOM,
die belangstelling heeft voor het

openbaar bestuur en de moderne opvattingen
hierover, gevoel heeft voor wetenschappelijk

werk en beschikt over goede contactuele

eigenschappen.

STEENWIJK (ruim 12.000 inwoners), een stad

met een dynamische ontwikkeling, ligt in

Noord-West-Overijssel, bij het merengebied

en uitgestrekte bossen. Het heeft goede ver-

bindingen met alle delen van het land.

Aanstelling is mogelijk binnen de salaris-

grenzen van
f
1391,— tot
f
1721,— per

maand, exclusief 6 procent vakantietoelage.

Van toepassing zijn een gunstige verhuis-

kosten- en. ziektekostenregeling en andere

secundaire voorwaarden als premiespaar-

regeling en studietoelageregeling.

Een goede eengezinswoning met centrale ver-

– warming is beshikbaar.

.

Belangstellenden voor deze functie worden verzocht
te solliciteren bij b,u,rgmeeste.r en wethouders. van
Steenwijk binnen 14 dagen na het verschijnen van
dit blad.

ESB 28-4-1971

405

L

De PNEM is een expansief bedrijf, dat voor Noord-Brabant de
elektrische energie opwekt, transporteert en grotendeels
distribueert.
Met nu ruim 1800 medewerkers voorziet de PNEM in een in
10 jaar verdrievoudigde vraag, met een omzet over 1970 van
225 miljoen gulden. –

•-
‘v


••

het technische apparaat; jaarlijks wordt voor meer dan 100 mil-
joen gulden geïnvesteerd.

Voor

het

verwezenlijken

van .e

toekomstplannen

dient

de

p n e rri

A.

EEN ECONOMETRIST

die zich vooral zal gaan bezighouden met wat men pleegt te noemen: operations research.

Dit omvat het verzamelen en analyseren van gegevens ten behoeve van het financieel-
economisch beleid, onder meer op het gebied: van de tariefstellirg, de ontwikkeling van
het verbruik en de prognoses op lange termijn in het kader van het investeringsbeleid.
Vooral de enigszins ervaren, jonge doctorandus in de economie, die de econometrie als
studievak prefereerde, of de accountant, die voor economisch-financiële research belang-
stelling heeft, komen voor deze zelfstandige functie in aanmerking.

B. EEN ACCOUNTANT OF EEN

DOCTORANDUS ECONOMIE

met

belangstelling

voor

administratieve

Organisatie,

die

na

een

inwerkperiode

in

staat

is
een leidinggevende functie in de administratieve sector te vervullen.
De functie biedt aan een register-accountant (of iemand die deze studie binnenkort hoopt te
voltooien) of een jong, economisch doctorandus interessante toekomstperspectieven.

=

• •

Déze administratieve afdeling omvat ongeveer 300 medewerkers en maakt gebruik van de
modernste hulpmiddelen voor de verwerking van de administratieve gegevens.
Het ontplooien van initiatieven voor het op peil houden en verbeteren van de administra.
tieve organisatie en de toepassing van nieuwe administratieve technieken zal een belangriji
deel van zijn taak worden.

Deze interessante en verantwoordelijke functies worden

adequaat gehonoreerd, terwijl dc
pensioenregeling volgens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet zeer aantrekkelijk

is.

Zij die voor een van deze functies belangstelling hebben, wor
den verzocht, liefst op korte termijn, een sollicitatiebrief, waar
bij ingesloten een recente pasfoto en een beknopt curricululT
vitae, te richten aan de directie van de N.V. P.N.E.M., Willems
plein 2 te ‘s-Hertogenbosch. Nadere informatie eventueel tele
fonisch

via

nr.

04100-22333.

Voor vertrouwelijke

behandelinc.

van de verstrekte gegevens wordt volledig ingestaan.

,
nv. provinciale noordbrabantsche

,
electriciteîts-rnaatschappij

“s-hertogenbosch

S S

406


4bom.eert
IJ
op

DE

ECONOMIST

Tweernaandelijks tijdschrift onder redactie van

Prof. P. Hennipman,

Prof. F. J. de Jong,
Prof. Th. C. M. J. van de Klundert,

Prof. P. B. Keukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. F. W. Rutten,

Prof. J. Tinbergen,

Prof. J. Zijlstra.

*

.

Erevoorzitter: Prof. G. M. Verrijn Stuart.

*

Abonnementsprijsf
45,—;
vöor studenten f 22,50.

Losse nummers f 8,—.

*

Abonnementen worden aangenomen door de boek-

handel en door de uitgevers

DE ERVEN F. BOHN – HAARLEM

HET

STEDEBOUWKUNDIG

ADVIESBUREAU

Ir. P. A. Leupen

Ir. F. E. Wilmer

C. Dekker hbo.

Ir. R. Maier

H. Reuser

drs. 0. J. Smits

APELDOORNSEWEG 65 te ARNHEM

vraagt voor spoedige indiensttreding een

sociaal-

wetenschappelijk

onderzoeker

academisch gevormd,
studierichting bij voorkeur –
Sociale geografie of Planologie,
enkele jaren ervaring is gewenst.

Uitsluitend met de hand geschreven sollicitaties te richten
aan bovenvermeld bureau.

Eventueel verlangde inlichtingen kunnen tevens telefonisch
worden ingenomen onder no. (085) 45 3841.

ACADEMISCH ZIEKENHUIS

ij
e

I,ERSITEIT VAN AMSTERDAM
WILHELMINA IiASTHUIS

In bovengenoemd academis:h zieken-

huis wo:rdt gevraagd een

adjunct-accountant

Voor het vervullen van dez functie

wordt gedacht aan een medewerker

met een ruime controle-ervaring, die

– in staat is om, onder supervisie van de

intern-accountant,, leiding te geven

aan de afdeling interne controle.

• .

. Sçhriftelijke sollicitaties onder vermelding van no. T 2605

kun hen worden gericht aan het hoofd van de personeels-

dienst -Eerste Helmersstraat 104, Amsterdam (Oud-

West).

ESB 28-4-1971

407

Neem bier

goede nota

van,
middelgrote
ondernemer:

Wat Is factoreren? Dat Is het
overnemen van uw tijd- en geld-
rovende debiteuren-administratie en Incasso-werkzaamheden, met
inbegrip van het volledige risico
van non-betalingl
Door uw debiteuren over te dragen
kunt u direct beschikken over uw
vorderingen.

Door uw debiteuren over te dragen
kunt u de contant-kortingen van uw
leveranciers verdienen.

Door uw debiteuren over te dragen
kunt u uw tijd vrijmaken voor meer
winstgevende aktiviteiten, zoals pro-
duktie en verkoop.

Door uw debiteuren over te dragen
kunt u financiële armslag krijgen voor
verdere uitbreiding van uw bedrijf.

Factoreren is dus In feite een moderne
financiering van uw bedrijfsontwikkeling.
Dank zij de samenwerking tussen de
Nederlandsche Mlddenstandsbank N.V.
en Walter E. Heller & Comp., Chicago,
kunnen wij vele middelgrote ondernemers
deze nieuwe dienst aanbieden.

Alle inlichtingen: Zamenhofdreef 49a, Utrecht. Tel. 030-611833.

LL

NB

W
HELLER

FACTORING
INTERNATIONAL NETWORK

Middelbaar EconomischeSchool

DEN HAAG
Nieuwersluisstraat 36 – Tel. (070) 29 90 93/29 90 94

GEVRAAGD per .1 augustus
1
71

wegens sterke groei

EEN COLLEGA

die mee wil werken in ons jonge team aan de opleiding en vorming van iongelui van 16 tot
20 jaar. Belangstelling voor moderne onderwijs-
methoden is gewenst. Bij voorkeur enige jaren
bedrijfs- en/of onderwijservaring.

*

BEDRIJFSECONOOM

volledige weektaak
(drs. bedrijfseconomie c.q.
M.O. handelswetenschappen)

TAAK
:

0
cotacten met bedrijfsleven leggen en

onderhouden;

S
organsatie en begeleiding van de stages;

• les geven in bedrijfseconomie, commerciële

economie en bedrijfsadministratie.

SALARIS :

f
20.000,— tot
f
40.000,—.

Vakantietoelage 6 procent.

AOW-premie voor rekening van het Rijk.

VAKANTIE: 12wekèn.’

*

Wij zijn een ionge (nog) kleine, maar snel
roeiende school op oecumenische grondslag
met een enthousiast docententeam. De school
geeft een driejarige opleiding voor leiding.
gevende functies bij bedrijfsleven, instellingen en overheid van administratieve, commerciële,
bstuuriijke of secretariële aard na een voor-
‘opleiding MAVO of 3 iaar VWO/HAVO.

Het schoolbestuur verleent daadwerkelijke hulp
bij het verkrijgèn van een woning.

*

Inlichtingen en sollicitaties zo spoedig mogelijk bij de directie,
telefoon thuis (070)39 3751.

Bijbenen en bijblijven.

E.-S.B. maakt het mogelijk

48

GEMEENTE NIJMEGEN

SECR:ETARIE

Door verschuivingen in het

takenpakket van enkele

afdelingen bestaat bij het

financieel-ekonomisch bureau
van de afdeling Financiën

plaatsingsmogelijkheid voor

een

bedrilfsekonoom

Tot de taak van het bureau
behoort o.m;

o definancieel-ekonomische

beoordeling van de begrotingen

van diensten en bedrijven;

• het analyseren van de verschillen

tussen begroting en werkelijk-

heid
;

• het uitvoeren .vatdiverse

bedrijfsekonomische studies ter

ondersteuning van het beleid;

• het uitbrengen van bedrijfs-

ekonomische beleidsadviezen.

Voor deze vakature gaan de

gedachten uit naar een akademisch

gevormdekonoom (bedrijfs-

ekonomische stidierichting) met
enige ervaring.

Kandidaten die aan deze eisen

voldoen, wordt de rang van

referendaris geboden (salaris max.

f
2602,- per maand).

Een psychölogisch onderzoek

behoort tot de selektieprocedure.

Sollicitaties binnen 10 dagen te

zenden aan het Hoofd van de

Centrale Afdeling Personeelszaken,

Stadhuis, Nijmegen, bij wie ook

nadere informaties kunnen worden

ingewonnen.

U gelieve op de enveloppe te

vermelden vakature no. 470.

flGN

U

ESB 28-4-1971
409

CENTRALE BANK

Bil de
Afdeling Studiedienst
van de
Centrale

VAN SURINAME

Bank van Suriname
kan worden geplaatst

EEN ECONOOM

die met de leiding van deze afdeling zal worden

belast.

Eigenhandig gschreven brieven met

De voorkeur gaat’ uit naar een gegadigde, die

volledige inlichtingen, opgave van

gespecialiseerd is en ervaring heeft opgedaan

referenties en recente pasfoto ware te
in de problematiek van het geld-, krediet- en
zenden aan dê Centrale Bank van
bankwezen, alsook in statistisch en economisch
Suriname, Postbus 1801, Paramaribo,

Suriname.

onderzoek en het samenstellen van verslagen.

INTERECULÎEITI

De
INTERFACULTEIT BEDAIJFSKUNDE
i.o.

r

is een door de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam
en de Technische Hogeschool te Delft ingestelde nieuwe faculteit
met een post-kandidaatsopleiding voor studenten met een kandi-
daatsexamen in de ecohomische, juridische, sociaal-culturele of
technische wetenschappen. De duur van de opleiding, waarmee in
oktober 1970 is begonnen, bedraagt twee jaar en drie maanden.

BEDR’JFSKUNDE

Een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen geeft recht bp de titel doctorandus in de bedrijfskunde.

.

Ter verzorging van enige onderdelen uit de rechtswetenschappen,
die voor de a.s. bedrijfskundige relevant zijn, zoals o.m. het con-
tractenrecht, het arbeidsrecht, het mededingingsrecht en het
ondernemingsrecht, bestaat rn.i.v. het komend academisch jaar
de vacature voor een .

BUITENGEWOON HOOGLERAAR
RECHTS WETENSCHAPPEN

In verband met de voorziene groi yan het aantal studenten en de
samenwerking met de Technische Hogeschool te Delft bestaat de
mogelijkheid, dat de buitengewone leerstoel in de loop van 1972
in een ordinariaat zal worden omgezet.

De te benoemen hoogleraar zal in een dynamischè omgeving, te
zamen met de overige leden van het wetenschappelijk corps, de
nieuwe doctorale studie helpen vormgeven. In verband met de aard
van de opleiding en de plaats van het rechV hierin, ‘wordt de voor-
keur gegeven aan een jurist met ruime ervaring in het bedrijfsleven of in de advocatuur.

Zij, die in aanmerking wensen te komen voor deze functie worden
verzocht zich te wenden tot Prof.mr.drs. H. Langman, decaan van
de Interfaculteit en voorzitter van de Delfts-Rotterdamse benoe-
mingscommissie, Prinses Julianalaan 96, Rotterdam.
Suggesties van derden worden gaarne aan dit adres verwacht.

Nadere Inlichtingen kunnen desgewenst verkregen worden
bij
Prof.mr.drs. H. Langman
of Mr. J.J. Kamp jr., Prinses Julianalaan 96 te Rotterdam, tel. 010 – 14 55 66.

410

Voor het ontwerpen en mede uitvoeren van onder-

zoeken inzake structuur- en functionerings-

vraagstukken, voornamelijk op concernniveau,
en het in aansluiting daarop ontwikke/ën van

advies- en invoeringsprogrammas zoeken wij een

senior

organisatie-adviseur

Dize functie bij onzè Centrale Afdelind

-.

Organisatie en Efficiency biedt de mogelijkheid

tot het opbouwen van een in hoge mate

zelfstandige en verantwoordelijke positie in

een veelzijdige Organisatie
1fl
beweging.

Wij vragen hiervoor

academisch niveau,

ervaring opgedaan bij een extern adviesbureau

of bij een organisatie-afdeling van een concern,
ervaring met werken in projectgroepen.

Desgewenst kunnen telefonisch nadere

inlichtingen over deze functie worden verkregen

bij Drs. T. E. de Vos van de Centrale Afdeling

Organisatie en Efficiency,

S

telefoon (070) 81 48 01, toestel 244.

Schriftelijke sollicitaties te richten aan het
Hoofd van de Centrale Afdeling
Hoger Personeel, Centrale Directie PTT,

Antwoordnummer 2424 (geen postzegel),

‘s-Gravenhage.

S

CENTRALE DIRECTIE

1104102

ESB 28-4-197 1

411

Nederlandse Economische

Hogeschool

~~
1
1

Hogeschool voor Maatschappijwetenschappen

Bij.
d Faculteit der economische wetenschappen Is vacant een

GEWOON LECTORAAT

in het econometrlscli’ onderzoek.
De taken van de te benoemen

lector
zijn
de volgende: verrichten van en leiding geven aan econo-
metrisch onderzoek; leiding geven aan het econometrisch praktikum
voor kandidaatsstudenten in de studierichting der econometrie;
doceren van econometrische modellen en methoden aan doctoraal
studenten; leiding geven aan afstudeerwerk; een en ander volgens een
door de vakgroep econometrie (i.o.) nader te regelen taakverdeling.

Gegadigden, alsmede
zij
die de aandacht op geschikte kandidaten

willenvestigen, kunnen zich schriftelijk wenden tot prof. dr. T. Kloek,
Burgemeester Oudlaan 50, Rotterdam-3016, Tel. 010-145511, die tevens
bereid is nadere inlichtingen over de te vervullen vacature te ver-

strekken.

econoom

die assisteert bij de voorbereiding en uitvoering van

het Verbondsbeleid met betrekking tot

vraagstukken op macro-economisch gebied

en op het terrein van de publieke financiën.

Gedacht wordt aan een academisch gevormde
econoom. Kennis van c.q. belangstelling voor het

fiscale gebied strekt tot aanbeveling.

De desbetreffende functionaris
zal
tevens worden

betrokken bij de behandeling van de economische
aspecten van andere onderwerpen en bij
organisatorische activiteiten in het kader van

het Verbondssecretariaat.

Leeftijd ca. 30 jaar.

Schriftelijke sollicitaties gelieve U, gaarne met

pasfoto., te richten aan Drs. R.R.M. Lyppens van het

9T
IP
GEMEENSCHAPPELIJK INSTITUUT
VOOR TOEGEPASTE PSYCHOLOGIE

Wilhelminapark 25

Tilburg

Het Nederlands

Christelijk Werkgevers

Verbond (N.C.W.)
is per 1januari1970

ontstaan uit het Ned.

Katholiek Werkgevers

Verbond en het Verbond

van Protestants-

Christelijke Werkgevers.

Op het centrale

secretariaat in Den Haag

en op enkele regionale
secretariaten werken een

20-tal gespecialiseerde

staf-leden die zowel de
landelijk sociale

economische politiek
voorbereiden voor de

behandeling in centrale

overlegorganen als

individuele werkgevers
van advies dienen.

Op het centrale

secretariaat in Den Haag

is nu vacant een

staffunctie voor een

412

Auteur