Ga direct naar de content

Jrg. 51, editie 2557

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 31 1966

LD

kl

UITGAVE VAN ‘DE STICHTING HET NEDERLANDSÇH ECONOMISCH INSTITUUT

Ontwapenend (II)

E

EN vorig maal schreven wij over de economische gevolgen, welke

ontwapening zou hebben voor de ontwikkelingslanden
1).
De con-

clusie moest aanzienlijk in mineur worden gehouden. Nu wij, wederom

Duisenbergs Economische gevolgen van ontwapening
2)
volgend, de Neder-

landse situatie zullen beschouwen, zal blijken dat ons land gemakkelijker

dan de ontwikkelingsgebieden de. gevolgen van ontwapening zal overleven

(ontwapening overleven: een ietwat wrange beeldspraak, het zij toegegeven).

Ook hier wordt weer vooropgesteld dat wij ons uitsluitend beperken tot

de
economische
gevolgen van de hypothetische situatie dat Nederland zou

ontwapenen. Wij zullen in het onderstaande Duisenbergs analyse volgen

ten aanzien van de economische gevolgen
op korte termijn,
d.w.z. de capa-

citeit en de samenstelling van het nationale produktie-apparaat zullen als

gegeven grootheden worden beschouwd.

Allereerst enige kengetallen. De defensie-uitgaven bedroegen in 1960

f. 1.728 mln. Haar relatieve betekenis in datzelfde jaar moge blijken uit de

percentages 4,0, d.w.z. uitgedrukt in procenten van het bruto nationaal

produkt, en 18,3, uitgedrukt in procenten van de totale overheidsuitgaven.

De betekenis van defensie voor de betalingsbalans wordt geïllustreerd

m.b.v. de cijfers 1,0 pCt. en 2,6 pCt., de mediaan 1959/1963 van de uitvoer

resp. invoer van militaire goederen, uitgedrukt in procenten van de mediaan

1959/1963 van de totale uitvoer resp. invoer (voor de mediaan is gekozen

omdat zowel percentages voor één enkel jaar als een rekenkundig ge-
middelde over de bewuste periode het nadeel vertonen te kunnen zijn

beïnvloed door een toevallige grote uitschieter bij uitvoer of invoer van

militair materieel, een order van 100 Starfighters buy.). In 1964 waren ge-

middeld 157.000 mensen in dienst van Defensie, waarvan 31.000 man

burgerpersoneel. Dit betekent bijna 4 pCt. van de gehele beroepsbevolking.

Ontwapening zou overigens niet betekenen dat het gehele defensiebudget

zou wegvallen, in de eerste plaats omdat er diensten zijn (de Tbpografische

Dienst, om er maar één te noemen), die ook buiten de defensiesector be-

staansrecht hebben, in de tweede plaats omdat ten gevolge van de afvloeiing

van personeel de reeds bestaande post ,,mil,itaire pensioenen” belangrijk

zou moeten worden vergroot, ook al omdat een deel van de employés niet

gemakkelijk, of in het geheel niet, weer in het civiele proces zal kunnen
worden ingeschakeld. Onder de vooronderstellingen van Duisenberg’ en
volgens zijn berekening, waarvan de details er hier verder niet toe doen,

zou ontwapening voor de situatie in 1960 leiden tot een vermindering der

overheidsuitgaven met f. 1,3 rnrd. (f. 500 mln. personeelsuitgaven +

f. 800 mln. materiële uitgaven) en tot een vergroting van het aanbod op

de arbeidsmarkt met 142.000 man.

Duisenbergs berekening van de economische gevolgen van ontwapening

op korte termijn voor de situatie anno 1960 is gebaseerd op een door het

Centraal Planbureau op basis van de input-outputtabel voor dat zelfde

jaar uitgevoerde berekening. De aan deze berekening ontleende gevolgen

van ontwapening – zonder compenserende maatregelen, uiteraard een

onwaarschijnlijke hypothese – komén erop neer dat de totale toegevoegde

waarde afneemt met f. 884 mln. (of 2,2 pCt.), de invoer met f. 432 mln.

(2,1 pCt.) en de werkgelegenheid met
5,4
pCt. \’an de onderscheiden be-

drijfstakken krijgen de metaalindustrie en de chemische nijverheid het het
zwaarst te verduren.

De deflatoire werking’ van de vermindering der overheidsuitgaven zal

vanzelfsprekend worden bestreden door tegenmaatregelen; aard en grootte

van deze laatste zullen afhankelijk zijn van de doeleinden der economische

politiek. Duisenberg veronderstelt dan dat de begroting gelijk zal worden

gehouden en, uitgaande van de economisch-politieke voorkeuren van de

—*

883

31 augustus 1966

51e
jaargang, no. 2557

verschijnt wekelijks

COMMISSIE VAN REDACTIE:

L. H. Klaassen; H. W. Lambers; P. J
Montagne; J. Tinbergen; A. de Wit.

REDACTEUR-SECRETARIS:

A. de Wit.

ADJUNCT REDACTEUR-SECRETARIS:

P. A. de Ruiter.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

F. Collin; J. E. Mertens de Wilniars;
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J.
Vlerick.

SECRETARIS COMMISSIE VAN ADVIES
VOOR BELGIË:

J. Geluck.

Ontwapenend (II) ……….883

Jhr. Mr. D. J. de Geer:

De financiering van het ge-

meenschappelij k landbouw-

beleid van de E.E.G. ……884

Dr. G. F. A. de Jong:
De toekomst van het vesti-

gingsbeleid in de detail-

handel ………………890

Drs. R. Iwenia:

Kapitaalcoëfficiënt en inves-

teringsrendement ……….894

Prof Dr. H. W. J. Wijnholds:

Opheffing van de scheiding

tussen handelsbanken en

spaarbanken in de Verenigde

Staten
9
………………896

Prof Dr. C. D. Jongman:

Geld- en kapitaalmarkt … 898

laatste jaren, dat de eerdergenoemde f. 1,3 mrd. als volgt

zal worden verdeeld: verlaging loon- en inkomstenbelasting
f. 700 mln.: additionele overheidsuitgaven in de bouwsector

f. 400 mln.; gerichte exportbevordering f. 200 mln. In de

volgende tabel is weergegeven het netto effect anno 1960

van ontwapening en deze compenserende maatregelen.

Gevolgen op korte termijn van ontwapening en
tegenmaatregelen tezamen in 1960

toeneming
(+)
of afneming (-) van

bedriJfsklassen

waarde
1

werk-
(netto,

invoer

gelegenheid

1
markt-
prijzen)

(in pCt.)
land- en bosbouw, visserij
+
0,5
+
0.6
+

0,5
steenkolenmijnen,

olie-

en

zout-
winning,

veendelverijen,

dcl-
verijen van zand e.d.

………
+
0,2
+
0,1
+
0,2
voedingsmiddelenindustrie
+
0,5
±
0,5
+
0,5
voortbrenging

van

dranken

en
+

1,2
±
1,2
+

1,0
textielnijverheid,

schoeisel-

en
+

1,2
+
1,0
+

1,0
chemische nijverheid, raffinaderijen

0,4
-0,4

0,2
metaalnijverheid

……………

0,1
-0,4

0,5
overige industrie
…………….
+

1,7
+
1,0
+

1,5
bouwnijverheid

…………….
+

6,2
+
5,4
+

5.5
elektriciteits-, gas- en waterleiding-

..

bedrijven

……………….
0,1
– –

tabaksprodukten

…………

±

1,0
+
0,9
+

1,0

kledingindustrie
……………..

woningbezit
…………………
+

1,1

van petroleum

…………….

vervoer- en communicatiebedrijven

0,5

..

-0,3

0,3
overige dienstverlenende bedrijven
±

2,5

.. ..

+
2,5
+
2,2
goederen en diensten niet naar her-

..
handel

……………………..

komst verdeeld

..


0,8

+

1,3

totaal bedrijven

……………..

12,8
-31,4
overheid

…………………..
invoer van eindprodukten
-2,5

totaal generaal
……………..

.- 0,3

1


0,2

1


3,3

De tabel zegt niet alles: de achteruitgang van de che-

mische industrie en de metaalnijverheid bijv. zal snel on-

gedaan worden gemaakt door de juist in deze sectoren

sterke groei. De snelle toename van de bouwnijverheid is

niet zo opvallend als men deze vergelijkt met de gereali-

seerde groei van de netto toegevoegde waarde in deze

sector in de afgelopen jaren. Daarentegen kan een

gelijkblijven van de produktie heel wel toch een aantal

problemen met zich brengen, nl. in die bedrijven waar

men over moet gaan van produktie voor militaire doel-

einden naar produktie voor civiele doeleinden. Of de

ontstane vermindering van de werkgelegenheid funest

zal zijn, is afhankelijk van de conjuncturele situatie.

Duisenbergs analyse was voornamelijk nationaal. De

regionale gevolgen van ontwapening (door het opheffen

van legerplaatsen, hetgeen vooral de plaatselijke midden-

stand treft, en door grote regionale of lokale werkloosheid

ten gevolge van het wegvallelT van orders voor bepaalde

defensiecontractanten) kregen in zijn studie niet de plaats

die hun toekomt. De weinig medewerkende houding van

het Ministerie van Defensie is hier debet aan geweest.

Zijn betoog t.a.v. de economische gevolgen op korte

termijn voor Nederland afsluitend komt Duisenberg tot

de conclusie dat de gevolgen, mits de overheid tijdig tegen-

maatregelen neemt, wel op te vangen zijn. In een derde

en laatste artikel zullen de gevolgen voor Nederland
op

lange termijn
onder de loep worden genomen.
dR

‘)
In
E.-S.B.
van 10 augustus 1966, blz. 803.
2)
Dr. W. F. Duisenberg,
Economische gevolgen van ont-
wapening,
Van Gorcum, Assen 1966, 257 blz., f. 17,50.

De financiering van

van de E.E.G.

Inleiding

S

CHOKSGEWIJS is in de afgelopen zes jaar inhoud

gegeven aan de artikelen inzake de landbouw
1)
van

het E.E.G.-Verdrag. Voorheen kende iedere lid-staat

een eigen systeem voor bescherming van de binnenlandse

producent tegen lagere produktiekosten in andere landen

en onstabiele wereldmarktprijzen. In plaats hiervan moest

nu één landbouWbeleid voor de zes lid-staten gezamenlijk

tot stand worden gebracht. Evenals in de oorspronkelijke

systemen maakten ook hier de produktie- en handels-

structuur in de landbouw en de wens de eigen producent

een behoorlijk inkomen te verschaffen zonder tot grote

overschotten te komen, een gedetailleerd systeem nood-

zakelijk.

Een onderscheid kan worden gemaakt tussen het schep-

pen van de gemeenschappelijke marktorganisatie voor een

produkt en het invoeren van een gemeenschappelijke streef-

prijs voor dat produkt. In de periode waarin de gemeen-

schappelijke marktorganisatie werkt maar nog geen uni-

forme prijs in werking is getreden, is het systeem van

marktordening in de lid-staten gelijk maar kunnen de

prjsniveaus nog verschillend zijn (bij goederenverkeer
tussen de lid-staten is het dan nog noodzakelijk aan de

grenzen de prijsverschillen glad te strijken).

Wij sommen nog even de hoogtepunten op:

jan. 1962: de regeling van de marktordeningen voor granen,

de veredelingsprodukten: pluimvee, eieren en

varkensvlees, en voor groenten en fruit, en wijn;

dec. 1963: overeenstemming over de opzet van de markt-
ordeningen voor zuivel, rundvlees en rijst;
dec. 1964: vaststelling van de gemeenschappelijke graan-

prijs en zijn ingangsdatum (1 juli 1967).

Het sluitstuk – de gemeenschappelijke prijzen voor

zuivel, rundvlees en rijst, benevens marktordeningen en

prijzen voor suiker, olijfolie en oliehoudende zaden en

een aanvullende verordening voor groente en fruit – is

eind vorige maand afgeleverd
2).
Hierbij behoort ook het

vaststellen van de criteria voor een gemeenschappelijk

concurrentiebeleid. Het door een gemeenschappelijke

marktordening en uniforme prijs mogelijk geworden vrij

intern verkeer van landbouwprodukten is slechts ver

antwoord wanneer het steunbeleid van lid-staten op andere

terreinen
3)
niet verstorend werkt. Gelijktijdig met het vrije

interne verkeer vangt een voor de zes landen gelijke be-

scherming aan de buitengrenzen aan. Volgens de gemaakte

afspraken zal de gemeenschappelijke markt voor land-

‘) Art. 38 voorziet in een gemeenschappelijk landbouwbeleid,
art. 39 geeft de doeleinden van dat beleid aan, art. 40, 41 en 42
geven een omschrijving van de te gebruiken middelen.
Na vergeefse pogingen eind juni en half juli, werd in de
nacht van 23 juli jl. overeenstemming bereikt. De genomen
beslissingen wijken af van de veronderstellingen waarop de
raming van de fondsuitgaven gebaseerd was. Volgens een eerste
ruwe schatting betekent dit een verhoging van de uitgaven met
80 mln. rekeneenheden per jaar. Hiermede is in het volgende
geen rekening gehouden. Bijv. investeringssubsidies of fiscale faciliteiten.

884

het gemeenschappelij*k landbouwbeleid

bouwprodukten zodoende produktsgewijs tot stand komen

tussen 1 november 1966 (olijfolie) en uiterlijk 1 juli 1968
(suiker).
Keuze van financiering

W

IJ keren terug naar ons onderwerp. Het meest op

de voorgrond tredende doel van het gemeenschappe-

lijk landbouwbeleid is het steun verlenen aan de

producent van landbouwprodukten om voor zijn produk-

tieve inspanning een redelijk geachte beloning te ont-
vangen
4).
Men kan dit enerzijds doen door erin bij te
dragen dat een gegeven produktieve inspanning meer

produkten oplevert (structuurbeleid). Anderzijds kan men
ofwel door prijsregelingeri ofwel door produktiesubsidies

(deficiency-payments) aan de producent een zekere in-

komenssteun geven.

Bij prjsregelingen wordt een marktprijs vastgesteld en

zodoende de beloning voor de boer in de eerste plaats

opgebracht door de consument. Slechts het handhaven

van de gewenste marktprijs – met name bij overproduktie-

brengt lasten met zich voor de Schatkist in de vorm van

ofwel het opkopen van produkten wanneer de prijs be-

neden het gewenste niveau zakt (interventie) ofwel steun

bij afzetin het buitenland (exportsubsidies)
5).
Aan de

andere kant vloeien uit bescherming van het prijspeil aan

de buitengrens baten (heffingen) voor de Schatkist voort

ten laste van de consument die ook voor de ingevoerde

produkten de hoge binnenlandse prijs betaalt in plaats

van de lage wereldmarktprjs.

Bij produktiesûbsidies komen de lasten voor rekening

van de Schatkist. De consument betaalt de op de vrije

markt (inclusief de wereldmarkt) tot stand gekomen prijs.

Uit de Schatkist wordt aan de producenten de wenselijk

geachte toeslag verstrekt. Daar dit op de gehele produktie

(kwantitatieve beperkingen buiten beschouwing gelaten)

betrekking heeft – en nièt slechts op de overschotten –

zullen de financiële lasten hiervan voor de Schatkist in het

algemeen relatief groot zijn. Volledigheidshalve moet hierbij

worden opgemerkt dat in bepaalde omstandigheden, ni.

bij een gegeven produktie en een grote prijselasticiteit, de

budgettaire lasten van een prijsregeling nog hoger kunnen

zijn. Het Verenigd Koninkrijk maakt van oudsher in be-

langrijke mate van dit systeem gebruik. Het geeft daardoor

de Commonwealth-landen een afzetgebied voor hun land-

bouwprodukten, terwijl de budgettaire lasten beperkt

blijven door de geringe omvang van de eigen landbouw-
sector.

Mengvormen van beide systemen kunnen zich natuurlijk

voordoen.

Wat betreft het E.E.G.-beleid stelde de Commissie zich

oorspronkelijk op het standpunt dat de aan de boer in het

vooruitzicht te stellen prijs via prjsregelingen. tot stand

zou moeten komen
6).
Een reden hiervoor kan geweest

4)
De opsomming van doeleinden in art.
39
en 110 van het
Verdrag lijkt voornamelijk een weerspiegeling van tegen elkaar
at te wegen – in de praktijk vaak tegenstrijdige – belangen.
5)In Brussel ‘worden deze ,,exportrestituties” genoemd.
6)
Zie W. Le Mair in
Economie
van maart
1963,
blz.
357.

E.-S.B. 31-8-1966

zijn dat de E.E.G. een groot lindbouwareaal heeft en dat

jaarlijks terugkerende enorme budgettaire lasten weer-

standen op zouden roepen. De laatste tijd komen echter

steeds meer deficiency-payments naar voren
7).

Het Europees Oriëntatie en Garantie Fonds

voor de Landbouw (E.O.G.F.L. ofwel Fonds)

R

EEDS bij de eerste kernbeslissing over het gemeen-

schappelijk landbouwbeleid (januari 1962) werd be-

sloten een Fonds op te richten om in de financiering

te voorzien (Verordening
25)
8).

Dit Fonds is als afzonderlijk onderdeel opgenomen in

de begroting van de E.E.G. De Commissie beheert het

Fonds, hierin bijgestaan door een adviserend Fonds-

comité, waarin vertegenwoordigers van de lid-staten zitten.

Op het ogenblik is dit een voornamelijk comptabele aan-

gelegenheid, daar het uitgaventotaal van het Fonds be-

paald wordt door de inhoud der marktordeningen, met

name door de streefprjs voor de verschillende produkten.

Deze worden. door de Raad op voorstel van de Commissie
vastgesteld. Een gelijke procedure is gekozen voor de her-

zieningsclausule welke is opgenomen bij de vaststelling van

de gemeenschappelijke prijs voor granen. De Raad be-

paalt daardoor welke de totale omvang van het Fonds

zal zijn. De invloed van de Commissie moet echter ook in

deze procedure niet worden onderschat. Naast het gewicht
dat het verdrag aan een Commissievoorstel geeft (art. 129)
zijn het recht en de plicht van initiatief in deze vaak uiterst

ingewikkelde materie van grote betekenis.

Het Fonds kent twee afdelingen, één voor garantie (in-

komensbeleid), en één voor oriëntatie (structuurbeleid).

Op zichzelf lijkt een gemeenschappelijk gefinancierd struc-

tuurbeleid niet absoluut noodzakelijk. Dit komt ook tot

uiting in het feit dat de lid-staten, i.t.t. het marktordenings-

beleid, een eigen structuurbeleid zullen blijven houden.

Van Italiaanse kant is echter sterk aangedrongen op een

structuurpot, om daaruit o.a. de ontwikkeling van achter-

gebleven Italiaanse landbouwgebieden te bevorderen.

In Verordening 25 werden de uitgaven en inkomsten
van het Fonds voor de periode van 1 juli 1962 tot 1 juli

1965 geregeld. Voor het resterende gedeelte van de over-

gangsperiode werden slechts richtlijnen gegeven
9).
Vast-

gesteld werd reeds toen dat in het eindstadium de finan-

ciële gevolgen van het landbouwbeleid door de Gemeen-

schap gedragen zullen worden en dat de heffingen op de

invoer uit derde landen dan aan de Gemeenschap ten goede

zullen komen. Hiermede werd dus impliciet aanvaard dat

de uit invoer resulterende heffingen uiteindelijk ten gunste

van die instantie moeten komen die verantwoordelijk is

voor de afzet van overschotten. Een tegenstelling bestond

7)
Naast otijfolie bijv. ook voor harde tarwe. Daarnaast stelt
de Commissie een mengvorm van beide in de zuivelsector voor.
8
)Publikatieblad van
20
april
1962.
Het kon eerst in werking
treden nadat begin
1964
de belangrijkste uitvoeringsverordening
was vastgesteld, Verordening
17164,
Publikatieblad van
27 februari
1964.
9)
De nu genomen besluiten tonen slechts weinig overeen-
stemming met deze richtlijnen.

885

echter, tussen met name Frankrijk (weinig invoer) en Duits-
land (veel invoer) over de vraâg in welke mate reeds tijdens
de. overgangsperiode de heffingsopbrengsten financierings-

middel voor het Fonds zouden moeten zijn. Het bereikte

compromis hield in twee opzichten rekening met de

heffingsopbréngsten:

in jaarlijks toenemende mate (1/6, 2/6, 3/6) ging het
Fonds de exportiasten overnemen, echter alleen de lasten

van de netto export per produkt. De export waartegenover

import (en dus heffingsopbrengsten) stond, bleef voor

rekening van de lid-staat;

een jaarlijks stijgend gedeelte van het Fonds (resp.

0, 10 en 20 pCt.) werd gefinancierd naar rato van de netto

invoerwaarde; het restant volgens een vaste sleutel.

In deze opzet zaten twee gebreken t.a.v. het doel de

heffingsopbrengsten van invloed te doen zijn op de passieve

financiering van het Fonds. In cie eerste plaats behoeft de

invoerwaarde niet evenredig te zijn met de heffingsop-

brengsten, daar de verhouding tussen heffing en invoer-

waarde bij de respectievelijke produkten verschillend is.

Voor Nederland betekende dit een verlichting van zijn

bijdrage
10).
In de tweede plaats kan het financieren naar
rato van de invoer van een stijgend deel van het Fonds –

waarvan de omvang niet afhankelijk is van de heffings-

opbrengsten – tot gevolg hebben dat men volgens deze

sleutel meer bijdraagt dan zijn totale heffingsopbrengsten.

Door de snelle stijging van het fondstotaal zou dit zich,

bij voortzetting van het ritme van de eerste drie jaren, in

de
praktijk
in 1967-1968 hebben voorgedaan.

De in mei jI. getroffen financiële regeling

B

IJ het politiek akkoord van Luxemburg (januari 1966)

werd prioriteit gegeven aan het vinden van een rege-

ling voor de landbouwfinanciering. Dit heeft op 11

mei jl. tot overeenstemming geleid over de financiering

gedurende het resterende gedeelte van de overgangs-

periode
11).
Zowel voor de actieve als voor de passieve

financiering van het Fonds is onderscheid gemaakt tussen

de perioden van 1 juli 1965 tot 1 juli 1967 en van 1 juli

1967 tot de aanvang van het eindstadium
12).
Voor dit

onderscheid bestond aanleiding, omdat in december 1964

besloten is op 1 juli 1967 het vrij verkeer van granen tot

stand te brengen.

A. De periode van 1juli 1965 tot 1 juli

1967

Het Fonds zal in deze jaren resp. 6/fo en 7/10 van de

financierbare netto uitvoerkosten overnemen
13)
De pas-

sieve financiering zal geschieden volgens een forfaitaire

verdeelsleutel (Nederland resp.
9,58
pCt. en 9,74 pCt.).

Ten laste van het fondsjaar 1965-1966 zal een forfaitaire

10
)Het Nederlandse aandeel in de totale invoerwaarde is
omstreeks 15,5
pCt., in de heffingsopbrengsten ca.
17,6
pCt.
Deze overeenstemming werd door Duitsland en Nederland
afhankelijk gesteld van beslissingen onder meer op het terrein van de Kennedy-ronde en landbouwordeningen en prijzen.
Dit is 1 januari
1970,
tenzij de lid-staten conform art. 8
van het Verdrag unaniem anders beslissen.
Indien voor 1 juli
1966
een serie beslissingen waren ge-
nomen zou dit resp.
4/6
en
5/6
zijn geworden. Dit is niet gebeurd;
wellicht zal men echter nu de beslissingen nog in juli genomen
zijn, deze datum niet al te precies aanhouden.

steun ten behoeve van de uitgaven voor die produkten

waarvoor nog geen marktordening bestaat, aan de meest

betrokken landen worden gegeven
14).
Mocht in 1966-1967

voor deze produkten nog geen marktordening in werking
zijn getreden, dan zal de financiële verantwoordelijkheid

van de Gemeenschap verder worden gewaarborgd.

B. De periode van 1 juli 1967 tot 1

januari 1970

1. Achtergrond

Voor een goed begrip van het tot stand gekomen com-

promis is het wenselijk even terug te gaan tot de oor-

spronkelijke commissievoorstellen van april 1965.
De Commissie stelde voor de douane-unie te doen aan-

vangen op 1juli1967. Voor landbouwprodukten betekende

dat een vrij verkeer op deze datum benevens (conform de

in Verordening 25 voor het eindstadium vastgelegde rege-

ling) het ten goede komen van de ontvangsten uit derde-

landen-heffingen aan de Gemeenschap (eigen middelen).

Hieraan was weer verbonden een uitbreiding van de be-

voegdheden van het Europees Parlement. De politieke

moeilijkheden die dit voorstel meebracht en welke hebben

geleid tot de crisis van 30 juni 1965, zijn genoegzaam

bekend. Bedacht moet echter worden dat de commissie-
voorstellen tav. de landbouwfinanciering een logisch en

in elkaar sluitend geheel vormden.

Na 1 juli 1965 zag men af van het behandelen van de

heffingsopbrengsten als eigen middelen (het begrip ,,eind-

stadium” van Verordening 25 werd verplaatst naar 1970).

Wel bleef men echter een vrij verkeer van landbouw-

produkten vanaf 1 juli 1967 (reeds beslist voor granen)

nastreven.

Het vrij verkeer van landbouwprodukten binnen de

Gemeenschap nu maakt het wenselijk tot een centrale

financiering te komen. Indien men dit niet zou doen, zou

bijv. de export van Frans graan via de haven van Rotterdam

lasten met zich brengen voor de Nederlandse Schatkist.

Uitgaande van een centrale financiering van de export-

restituties blijft de vraag wat te doen met de heffings-
opbrengsten. In de eerste plaats stond hier vroeger de

noodzaak tegenover om de export van overschotten te

financieren; dat geschiedt nu centraal. In de tweede plaats

is het hij vrij intern verkeer zeer wel mogelijk dat ingevoerd

wordt in een ander land dan in hetwelk de consumptie

plaatsvindt. Bijv. invoer in Rotterdam bestemd voor

Duitsland; in dit voorbeeld zou de Duitse consument een
bijdrage aan de Nederlandse Schatkist betalen.

Door dit alles bestond er tijdens de onderhandelingen
een natuurlijke tendens om zover mogelijk toch de oor-

spronkelijke commissievoorstellen te realiseren, zonder dat

de heffingen tot eigen middelen zouden worden. (Dit zou
weer moeilijkheden over de bevoegdheden van het Euro-

pees Parlement met zich brengen). Hierbij kwam dat

Frankrijk als steeds de heffingen als eerste financierings-

bron wilde zien en dat voor Duitsland financiering volgens

heffingsopbrengst of sleutel financieel weinig verschil bleek

te maken.

Italië
45
mln. rekeneenhederi (de rekeneenheid komt over-
een met de waarde van de dollar) voor olijfolie en groente en
fruit; Belgie
4
mln. rekeneenheden voor suiker.

(1. M.)

Met één aandeel
VEREENIGD BEZIT VAN

886

2.
De hoofdlijnen
Met ingang van 1 juli 1967 zal het Fonds geheel de

voor financiering in aanmerking komende uitgaven over-

nemen voor de produkten waarvoor een gemeenschappelijke

marktordening van toepassing is. Dit betreft export-

restituties voor de gehele uitvoer en interventies.

Voor zover voor ,,belangrijke” produkten op die datum

nog geen marktordening bestaat, aanvaardt de Gemeen-

schap een zekere financiële verantwoordelijkheid. Dit was

voor Italië aanleiding om ruwe tabak en tafelwijnen als

belangrijk aan te merken. Voor 1967-1968 is aan Italië

ten slotte 15 mln. rekeneenheden toegezegd als steun in de

sector tabak.

Voor de financiering van het garantiedeel van het

Fonds zullen de lid-staten in eerste instantie 90 pCt. van

hun heffingsopbrengsten bestemmen. Het dan nog onge-

dekte gedeelte zal worden gefinancierd volgens een vaste

sleutel (Nederland 8,2 pCt.). In het oriëntatiedeel dragen

de lid-staten volgens de vaste sleutel bij.

3.
De uitgaven van het Fonds

Vanaf 1juli1967 zal het Fonds de gehele uitvoer (,,bruto

uitvoer” genoemd als tegenstelling tot het systeem van de

voorgaande periode) financieren. Dit voorkomt complica-

ties ten gevolge van de export van een lid-staat via een

andere lid-staat. Oorspronkelijk werd voorgesteld om de

volledige vergoeding voor een produkt pas te laten ingaan

wanneer de gemeenschappelijke prijs van dat produkt in

werking zou zijn getreden. Immers, ook dan pas komt het

Vrij intern verkeer tot stand. Voor de overige produkten

waarvoor een marktordening bestaat, zouden de kosten

slechts gedeeltelijk worden overgenomen, d.w.z. 8/10 in

1967-1968 en 9/10 in 1968-1969. In feite zou dit betekenen

dat de granensector vanaf 1 juli 1967 volledig door het

Fonds gefinancierd zou worden, terwijl de zuivelsector pas

later daaraan toe zou komen. Dit betekende een voor

Nederland onaantrekkelijke discriminatie tussen deze beide

sectoren. Toen bovendien eenmaal duidelijk werd dat het

grootste deel van de heffingsopbrengst ,00r financiering

van het Fonds gebruikt zou worden, werd dit voorste!

onaanvaardbaar. De bereikte overeenstemming houdt in

dat alle produkten waarvoor een gemeenschappelijke

marktordening bestaat, op gelijke voet behandeld zullen

worden.

In Verordening 25 is vastgelegd, dat de omvang van voor

structuuruitgaven bestemde gelden (oriëntatiedeel)
1/3
deel
van de omvang van de garantiesector zal hebben. Dit was

een typische compromisbes!issing, waar geen logische basis

voor is. De garantie-uitgaven zijn boven verwachting snel

gestegen. De beslissing over te gaan van netto naar bruto

financiering betekende een nog verdere verhoging. Hier-

door zouden onverwacht grote sommen voor oriëntatie

(in de orde van grootte van 400 mln. rekeneenheden)

beschikbaar komen. Enerzijds ontstond daardoor de vraag

of dergelijke bedragen op zo’n korte termijn wel efficiënt
aangewend zouden kunnen worden, anderzijds zouden de

lid-staten voor zeer grote uitgaven zijn komen te staan

om hun eigen aandeel in de financiering van de projecten

op te brengen
15).
Daar komt nog bij dat het oriëntatie-
bedrag in beginsel bovenop de nationale uitgaven voor

VERGADEREN

CONFEREREN
STAFBESPREKINGEN


IN HET CENTRUM VAN HET LAND

IN EEN VOLKOMEN RUSTIGE OMGEVING
WAQENJN6N

ZALEN VOOR 10-20-50-I00-200 PERSONEN
08370.3241
GEEN PARKEERPROBLEEM

HOTEL DE WAGENINGSE BERG
R8tisserie

Belmonte

Ind,sch

restaurant

.
Bar

(1. 1lÎ.)

structuurbeleid komt. De Raad besloot het oriëntatie-

gedeelte te fixeren op een maximum van 285 mln. reken-

eenheden per jaar. Hierbij is – juridisch overbodig
vastgesteld dat de Raad dit bedrag op voorstel van de

Commissie kan verhogen.

4. De ontvangsten van het Fonds

Van de heffingsopbrengst zal 90 pCt. voor financiering

van het Fonds worden gebruikt (de tötale heffings-

opbrengsten worden geschat op omstreeks 600 mln, reken-

eenheden). Dit is voor Nederland een relatief zware be-

lasting, daar ongever 17,6 pCt. van de totale heffings-

opbrengsten hier geïnd wordt. Voortzetting van het sys-

teem van de eerste drie jaar was echter om reeds genoemde

redenen niet wel mogelijk. Een oplossing had kunnen zijn

om het naar rato van de invoer gefinancierde deel te binden
aan een plafond, dat gelijk zou kunnen zijn aan een percen-

tage van de heffingsopbrengsten. Aan de andere kant is

zeer goed te verdedigen dat bruto financiering door hét

Fonds van de exportrestituties een de facto overdracht van

heffingsopbrengsten met zich behoort te brengen. Met name

van Duitse zijde werd bovendien, gewezen op de noodzaak

om tot verevening van hefflngsopbrengsten te komen, indien

deze niet gebruikt zouden worden voor de centrale finan-

ciering (het probleem van de importen in Rotterdam van

voor Duitsland bestemde produkten). Hier wreekte zich

het feit dat het ingaan van vrij verkeër ontkoppeld is van

het eindstadium, waarbij de afdracht van de landbouw-

heffingen behoort. Op grond van politieke bezwaren tegen

een volledig gebruik van de heffingsopbrengsten voor

financiering van het Fonds, is ten slotte tot de genoemde

90 pCt. besloten.

Het resterende gedeelte van de garantie-afdeling en het

oriëntatiedeel zullen volgens een vaste verdeelsleutel ge-

financierd worden. Uitgaande van de bestaande vaste

sleutel van Verordening 25 en later van de sleutel van het

Sociaal Fonds, werd na langdurige onderhandeling het

hieronder vermelde resultaat bereikt. De moeilijkheden

ontstonden voornamelijk doordat Duitsland als uiterste

limiet voor zijn bijdrage 31 pCt. stelde. Men kan zich af-

vragen in hoeverre het resultaat ,,communautair” is. De

importlanden hebben van hun historisch voordeel afstand

gedaan ten behoeve van de Gemeenschap door de baten

(heffingsopbrengsten, c.q. voorheen lagere consumenten-

prijzen) uit hun goedkope invoer ter beschikking te stellen

van de gemeenschappelijke financiering. Het lijkt logisch
dat men dan de door de heffingen niet gedekte lasten ver-

15)
Het Fonds financiert volgens de huidige regeling maximaal
25 pCt. van een project. De Raad heeft nu tevens besloten dat
dit in uitzonderingsgevallen tot 40 pCt. kan worden verhoogd.

(T. M.)

1894
: aandeelhouder in ca. 200 ondernemingen

E.-S.B. 31-8-1966

887

deelt op basis van de draagkracht der deelnemers, even-

tueel enigszins aangepast aan het gewicht dat de landbouw-

sector in de verschillende lid-staten heeft. Ter vergelijking

zijn daartoe in onderstaand staatje het bruto nationaal
produkt en het agrarisch inkomen der lid-staten opge-

nomen.

TABEL 1.

Mogelijke vaste sleutels van E.O.G.F.L. in procenten

Vastgestelde
sleutel

Volgens bruto
nationaal
produkt a)

Volgens agra-
risch
inkomen a)

Nederland
8,2 6,2
7,3
België
8,1
5,6
4,6
Luxemburg
0,2 0,2
0,1
Duitsland
31,2
37,8
21,1
Frankrijk
32,0
32,0
34,7
Italië

…………..
20,3
18,2
32,2
100,0

..

100,0
100,0
Totaal

a) Jaar 1964; Basisstatistieken van de Gemeenschap, 1965.

Wat gaat het kosten
A

AN de uitgaven van het Fonds is geen maximum

gesteld. Wel heeft de Raad in februari 1964 een motie

aangenomen, waarbij aan de Commissie wordt ge-

vraagd om het indienen van haar voorstellen voor de prijs

vaststelling van landbouwprodukten voor alle produkten

gelijktijdig te doen en daarbij een raming te geven van de

totale uitgaven waartoe dat zal leiden. Deze raming kan

natuurlijk invloed hebben op de te nemen beslissingen.

Daarna behoudt zij echter haar karakter van een raming

(stelpost) en krijgt geen duidelijke budgettaire betekenis

(een maximum). In theorie kunnen daardoor de uitgaven
ongelimiteerd stijgen. Indien men dat niet wil moet inge-

grepen worden in het beleid wanneer de kosten te hoog

stijgen. Dit zou tot gevolg hebben dat niet meer alleen het

beleid de uitgaven bepaalt, maar dat het beleid zo nodig

aangepast wordt aan de beschikbare middelen
10).

TABEL 2.
Uitgaven van het E.O.G.F.L.

(in mln. rekeneenheden)

1962-19631963.1964
1964-1965
1967-1968

Afdeling garantie. .
. .
29
50
176
1.250
Afdeling oriëntatie
. .
10 17
59
285
Bijzondere afdeling



206

39 67
235
1.741
Totaal

Dekking van de uitgaven van het E.O.G.F.L.

(in mln. rekeneenheden)

1962-1963: sleutel van art. 200 lid 1
1963-1964: 90 pCt. van 67 mln.: sleutel van art. 200 lid 1
10 pCt. van 67 mln.: netto invoersleulel
1964-1965: 80 pCt. van 235 mln.: sleutel art. 200 lid 1
20 pCt. van 235 mln.: netto invoersleutel
1965-1966 en 1966-1967: forfaitaire sleutel
1967-1968:
1 afdeling garantie : 90 pCt. van heflingsopbrengsten (ca. 540 mln.
rekeneenheden) restant (1.250- 540 mln. rekeneen-
heden): vaste sleutel (zie boven)
2 afdeling Oriëntatie : vaste sleutel
3 bijzondere afdeling: sleutel van art. 200 lid 1.

Slechts de uitgaven van het Fonds voor het eerste boek-

jaar (1962-1963) staan vast. Het is aardig te vergelijken

met ramingen uit het verleden. De uitgaven voor export-

restituties werden begin 1962 op 8,5 mln. rekeneenheden

geschat
17)
Zij werden 22,3 mln. rekeneenheden. De Com-

missie schatte eind 1964 de garantie-uitgaven voor 1967-

1968 nog op ca. 500 mln. rekeneenheden
17).
Nu is deze

raming ca.
1.250
mln. rekeneenheden. De in de E.E.G.-

begroting 1966 geraamde uitgaven voor de boekjaren 1963-
1964 en 1964-1965 vertonen enerzijds een
stijging
doordat

het bijdragepercentage van het Fonds jaarlijks stijgt en

anderzijds voor nieuwe produkten marktordeningen in

werking treden. De uitgavenraming voor 1967-1968 omvat

volledige financiering van alle produkten. Deze raming is

door de Commissie opgesteld. De bijzondere afdeling om-

vat het eerste deel van in drie jaar aflopende forfaitaire

uitkeringen aan Duitsland, Italië en Luxemburg. Deze zijn

toegezegd
bij
de vaststelling van de gemeenschappelijke

graanprijs om tegemoet te komen in een prijsverlaging voor

de betreffende producenten. De huidige verwachting is dat

na 1967-1968 het fondstotaal betrekkelijk constant zal

blijven. Dit zal echter van vele factoren afhankelijk zijn,
zoals de streefprjzen, het wereldmarktprjspeil en de ont-

wikkeling van de produktie. De ervaring met de moeilijk-

heden om jaarlijks het negatieve saldo van het Landbouw-

Egalisatiefonds te ramen, moet ons in deze voorzichtig
maken. Te hopen is echter dat de sombere voorspelling

dat ,,over enkele jaren het Fonds alleen voor de afdeling

Garantie een omzet zal hebben van 2 miljard dollar, d.i.

7,2 miljard gulden”
18)
niet bewaarheid zal worden.

Een berekening van de saldi der lid-staten tav. het

Fonds is noodzakeljkerwijs nog minder betrouwbaar dan

een schatting van de totale uitgaven
19).
De resp. bijdragen

zijn wel te ramen
20),
doch de ontvangsten geven meer

moeilijkheden. Wel staat vast dat Frankrijk een aanzienlijk

batig saldo zal hebben. Italië zal waarschijnlijk ook een

voordelig saldo overhouden. Duitsland zal voor een belang-

rijk deel de netto lasten dragen, terwijl voor België ook

een negatief saldo te verwachten is. Nederland zweeft om

het nulpunt heen.

Conclusies

De opzet van de landbouwfinanciering ligt wel defini-

tief vast. In 1970 zal de politiek moeilijke zaak van de
eigen middelen voor de Gemeenschap weer ter sprake

moeten komen.

De huidige vaste sleutel past niet geheel in de finan-

ciële regeling. Deze sleutel behoort in verband te staan

met de draagkracht der lid-staten en eventueel het gewicht

van de landbouwsector der lid-staten. Ook dit punt zal

in 1970 weer ter sprake kunnen komen.

Nederland zal per saldo, in tegenstelling tot vroegere

verwachtingen, niet in aanzienlijke mateyan het E.O.G.F.L.

profiteren.

Duitsland zal een belangrijk deel van de financiële
lasten overnemen welke noodzakelijk zijn om afzet van

de Franse overproduktie te verzekeren.

Het ontbreken van een plafond voor de totale Fonds-
uitgaven kan tot grote financiële problemen leiden, indien

men er niet in slaagt de gemeenschappelijke prijzen op

een zodanig niveau vast te stellen, dat daaruit een even-

wichtige produktie-omvang voortvloeit.

‘s.Gravenhage.

D. J. DE GEER.

Zie bijv. F. A. M. Alting von Geusau in
Economie
van
maart
1964
(blz.
246).
Deze wees op de gevaren van het niet
binden van de middelen aan de heffingsopbrengsten.
Resp.
E.-S.B.
van 24
januari
1962,
blz.
73
en
Revue dit
Marché Commun,
januari
1965,
blz.
14.
De Vakbeweging
van
7
juni
1966,
blz.
195.
Enige ramingen van het Franse netto resultaat tav. het
Fonds geven dan ook een zeer diffuus beeld. Van Le Monde
hebdomadaire (11-17
november
1965)
met
120
mln. rekeneen-
heden, via de
Common Market
(juni
1965)
met
300
mln, reken-
eenheden, naar
Die Zeil (20
mei
1966)
met
375
mln. rekeneen-
heden.
Zie de nota aan de Tweede Kamer dd.
14
juni
1966,
zitting
1965-1966 – 8631.

888

1©©i=L1

11Ï

LjÏJ

k8 ONTWIKKELING

M12L

Mn
n
h
[1[[H
H

in
m
knh w~.w
n
.
,
H km@ u
.JLJLJ LU’J L’ LJ LJLJ ‘.J LJ
U
L.J

L_JUL
U
ULJ \JLJ Li LJ U\JLJ l.J
ULI
\..J
LI LJ LJLJ U
U’S.J ‘.J U

p

VERENIGDE BEDRIJVEN BREDERO N.V. NIEUWE GRACHT6UTRECHTTELEFOON 030-16481

E.-S.B. 31-8-1966

889

Recentelijk is door het Hoofdbedrijfschap Detail-
handel een ontwerp-advies aan de Staatssecretaris van
Economische Zaken inzake het toekomstige vestigings-
beleid voor de detailhandel gepubliceerd. In dit advies wordt geen gemotiveerd antwoord gegeven op de door
de Staatssecretaris voorgelegde vraag of zou kunnen
worden volstaan met het verplicht stellen van slechts
één diploma in plaats van de thans voorgeschreven diploma’s handelskennis en vakbekwaamheid. Het
advies meent een betere oplossing te zien in de zgn.
blokconstructie. Hoewel deze constructie voor het
ogenblik een zekere verruiming in de assortiments-
samenstelling biedt, is de gesuggereerde oplossing,
hoewel het advies pretendeert een visie te geven op
het toekomstige vestigingsbeleid, geenszins op de
toekomstige ontwikkeling afgestemd.

De toekomst

van het

vestigingsbeleid

in de detailhandel

De eis van vakbekwaamheid in een nieuwe situatie

D

E uit 1937 daterende vestigingswetgeving, thans

geregeld in de Vestigingswet Bedrijven 1954, maakt

het mogelijk door middel van vestigingsbesluiten de

ondernemer in de detailhandel (en ambacht) de verplich-

ting op te leggen te voldoen aan toelatingseisen op het

gebied van handeiskennis, vakbekwaamheid en krediet-

waardigheid. Het is geen toeval, dat naarmate de moder-

nisering van de detailhandel zich in een sneller tempo

voltrekt, de noodzaak tot aanpassing van de vestigings-

wetgeving dringender wordt. Vooral de laatste jaren

wordt dan ook bij herhaling de vraag gesteld hoe deze

wetgeving zodanig aan te passen, dat de modernisering

van het detailhandelsapparaat er niet door wordt geremd.

Het is hierbij met name de eis van vakbekwaamheid,
waarop de aandacht is gericht. De eisen van handels-

kennis en kredietwaardigheid zijn algemeen in een basis-

besluit geformuleerd en gelden voor vrijwel alle branches,

dit echter in tegenstelling tot de eisen van vakbekwaam-

heid, die per branche verschillen. Om de eis van vak-

bekwaamheid te kunnen toepassen is de detailhandel

geleidelijk met een net van vestigingsbesluiten overdekt,

waarbij in ieder besluit voor een bepaalde branche af-

zonderlj k eisen van vakbekwaaniheid worden gesteld.

Dit heeft geleid tot een afbakening van de diverse branches
in de detailhandel, waarmee een economisch verantwoorde

aanpassing van het assortiment aan de veranderingen in

de produktie, distributie en consumptie wordt bemoeilijkt.

Deze moeilijkheden doen zich in het bijzonder voor in

die branches, waar de ondernemer een geparallelliseerd
assortiment zou willen voeren, maar dit slechts ten dele

kan verwezenlijken, omdat vele buiten zijn eigenlijke

branche gelegen artikelen door hem niet mogen worden

verkocht, wanneer hij de voor de verkoop ervan voor-

geschreven vakdiploma’s niet in zijn bezit heeft.

In het besef dat het stellen van de eis van vakbekwaam-

heid met name voor de detaillist die assortimeiitsverbreding

nastreeft vele beperkingen oproept, is de laatste jaren ge-

streefd in de vestigingsbesluiten meer ruimte te creëren

voor een bredere assortimentssamenstellïng. Met name

in het Vestigingsbesluit levensmiddelenbedrijven 1961 en

het recenter afgekondigde Vestigingsbesluit gebruiks-

artikelenbedrijven 1966 is in beperkte zin een gemeen-

schappelijk terrein van waren en gebruiksartikelen ge-

creëerd, waarop men zich, ongeacht welk vakdiploma

men binnen een bepaalde sector heeft, vrijelijk kan be-

wegen, en o.a. in het Vestigingsbesluit textielgoederen 1962

is het
door ht
kizn van een meer omvattende bedrijfs-

omschrijving mogelijk gemaakt, dat men met een vak-

diploma tot meerdere vormen van bedrijfsuitoefening

binnen deze sector kan geraken.

Hoewel de wetgever getracht heeft wat meer vrijheid

in de assortimentssamenstelling mogelijk te maken, blijkt

steeds meer dat deze
vrijheid
in wezen te beperkt is. Is de

huidige ontwikkeling niet van dien aard, zo vragen velen

zich af, dat het stellen van de eis van vakbekwaamheid

minder dringend is? Gewezen wordt dan op het feit, dat

de specifieke warenkennis, die een belangrijk deel uitmaakt

van de voor het vakdiploma vereiste kennis, minder nood-

zakelijk is door het toenemend belang van de verpakte

artikelen en de merkartikelen, door de voorlichting door

middel van reclame, aanduidingen op de verpakking en

gebruiksaanwijzingen en door de ontwikkeling van het

zelfbedieningssysteem, waarin de persoonlijke voorlichting

nagenoeg is verdwenen. Gewezen wordt dan ook op de

gevolgen die de produktie- en consumptieverwantschap

van de artikelen en de verwantschap in distributie- en

verkooptechniek hebben op de assortimentsverbreding en

ten slotte wordt gewezen op de consument die een duidelijke

voorkeur toont voor de grotere bedrjfseenheid en de

grotere keuzemogelijkheid binnen het assortiment, ten

einde in staat te worden gesteld in korte tijd een grote ver-

scheidenheid van aankopen te kunnen verrichten. Bij dit

alles speelt dan een beslissende rol dat de ondernemer,

afhankelijk van de voor hem geldende situatie en omstan-

digheden, uit concurrentieoverwegingen in staat moet

worden gesteld te komen tot een economisch verantwoorde

samenstelling van het te voeren assortiment.

Dit alles doet de vraag rijzen of de positieve waarde van

de vakbekwaamheid opweegt tegen de belemmering in de

bewegingsvrijheid die er uit voortvloeit. Tegen de achter-

grond van deze vraag heeft Staatssecretaris Bakker in

maart 1964 het Floofdbedrijfschap Detailhandel verzocht

hem te adviseren in hoeverre in de toekomst zou kunnen
worden volstaan met het verplichtstellen van slechts één

diploma, dat toegang geeft tot de gehele detailhandel.

Het Hoofdbedrijfschap heeft deze adviesaanvrage in eerste

instantie voorgelegd aan de Commissie Vestigingsvraag-

stukken, die een mogelijke herziening van de geldende

vestigingsvoorschriften reeds in studie had genomen.

Het ontwerp-advies Vestigingsbeleid voor de detailhandel

D

OOR de hiervoor genoemde Commissie is recentelijk

een ontwerp-advies uitgebracht. Geadviseerd wordt

de vakbekwaamheidseisen wel te handhaven, maar

deze eisen een andere inhoud te geven, waarbij minder de

90

klemtoon wordt gelegd op de specifieke warenkennis,

maar meer op de bedrijfseconomische (branche)kennis en

de kennis van de gebruiksmogelijkheden van de arti-

kelen, zonder hiermede overigens de inhoud van deze

eisen te verzwaren. Om zoveel mogelijk te ontkomen aan

het met het continueren van de eis van vakbekwaamheid

samenhangende nadeel van branche-afbakening, beveelt de

Commissie in het bijzonder aan: de samenvoeging van

verwante branches in zgn. ,,blokken”. De Commissie stelt

zich voor, dat er een aantal van deze blokken zijn, zoals

het levensmiddelenbiok, het textielblok, het woning-
inrichtersblok, het gebruiksartikelenblok enz. In der-

gelijke blokken, waarin de verwante branches worden

samengevoegd, worden de branche-opleidingen zodanig

op elkaar afgestemd, dat het mogelijk gemaakt wordt, dat

de bezitter van één vakdiploma binnen het gehele blok

Vrij kan opereren en binnen het blok zijn eigen assorti-

ment kan samenstellen. Om deze gang van zaken te

illustreren geven wij als voorbeeld de situatie zoals de

Commissie zich deze denkt met betrekking tot de levens-

middelensector. Het levensmiddelenblok zou kunnen om-

vatten de verkoop van alle soorten levensmiddelen, zoals

kruidenierswaren, melk en melkprodukten, aardappelen,

groenten en fruit, vlees, vis, wild en gevogelte, brood en

banket. Naast deze artikelen, die het kernassortiment van

het levensmiddelenbedrijf vormen, is er een aantal artikelen,

dat weliswaar deel uitmaakt van het kernassortiment van

een ander bedrijf, maar dat als nevenassortiment in de

levensmiddelensector mag worden verkocht, zoals tabaks-

artikelen, cosmetische artikelen en verfwaren. Een beperkt

aantal eenvoudige levensmiddelen (zoals koffie, thee,

dranken) wordt uitgezonderd, in die zin dat het geen deel

uitmaakt van het kernassortiment van enig bedrijf en

derhalve zonder de beperkingen van specifieke vak-

bekwaamheid vrij mag worden verkocht. Bezit men nu

bijv. één vakdiploma in een der levensmiddelenbranches,

laten wij stellen het vakdiploma groenten, aardappelen en

fruit, dan kan men vrijelijk binnen het gehele levens-

middelenblok opereren; de groenteman kan dan dus

zonder meer alle soorten levensmiddelen verkopen, als-

mede de niet-levensmiddelenartikelen, die deel uitmaken

van het nevenassortiment.

Daar ook het grootwinkelbedrijf onder de bepalingen

van de vestigingswetgeving valt, gaf de Commissie ook

aandacht aan de vraag in hoeverre het verantwoord is de

eis van vakbekwaamheid ook voor de filiaalhouder te

blijven verplicht stellen. Ten aanzien van deze vraag be-

perkt de Commissie zich tot het adviseren dit in de concrete

situatie per vestigingsbesluit afzonderlijk te bezien. Ten
slotte dient te worden vermeld, dat de Commissie ook is

ingegaan op de eis van handeiskennis, ten aanzien waar-

van enige suggesties worden gedaan met betrekking tot

aanpassing van deze eis, met name op het bedrijfsecono-

mische vlak.

De fasen van aanpassing van de eis van vakbekwaamheid

A

LVORENS een oordeel te geven over de gedachten

die aan het ontwerp-advies ten grondslag liggen, is

het nuttig zich te realiseren via welke fasen een

aanpassing van de vestigingswetgeving, theoretisch gezien,

gerealiseerd zou moeten worden. Daar deze aanpassing in

feite alleen betrekking heeft op de eis van vakbekwaam-

heid – het al dan niet continueren van de eis van handels-

kennis en kredietwaardigheid en de wijzigingen die ten

aanzien van de inhoud van deze eisen worden gegeven,

spelen in dit verband een ondergeschikte rol – zal deze

aanpassing uitsluitend bezien worden vanuit de vak-

bekwaamheidseis. De volgende 4 fasen zou men kunnen

onderscheiden:

fase 1:
Het vakdiploma in zijn
algemeenheid handhaven,

maar
meer ruimte
geven voor parallellisatie door:

a.meer bewegingsvrijheid dan voordien te geven aan de

bezitter van een vakdiploma, die daarmee toegang krijgt
tot het assortiment van aanverwante branches (het blok-

idee binnen een bepaalde sector, zoals door de Commissie

geadviseerd);

b. het afschaffen van de eis van vakbekwaamheid voor
bepaalde artikelen (de uitzonderingsartikelen waarvan de

Commissie er een beperkt aantal noemt).

fase 2:
Het vakdiploma in zijn
algemeenheid
handhaven,

maar daarbij de
maximale
ruimte geven aan de parallel-

lisatie. In deze fase zou de bezitter van een vakdiploma

toegang hebben tot nagenoeg de
gehele
detailhandels-

sector, hetgeen verder reikt dan de bepaalde sector die in

de vorige fase is genoemd. Alleen de verkoop van bepaalde

(groepen van) artikelen, waarvoor specifieke vakkennis

vereist is, wordt daarbij uitgezonderd.

fase 3:
Het vakdiploma in
bijzonderheid
handhaveh.

In deze fase is de eis van vakbekwaamheid in zijn alge-

meenheid opgeheven, met uitzondering van bepaalde

artikelen, waarvan de verkoop voorbehouden is aan hen

die een bepaalde (praktische of theoretische) graad van
kennis hebben. Het verschil tussen fase 3 en 2 is hierin

gelegen, dat in fase 3 geen vakbekwaamheid vereist wordt,

met uitzondering van bepaalde artikelen waarvoor zulks

wel geldt, terwijl in fase 2 de eis van vakbekwaamheid als

(1. M.)

E.-S.B. 3 1-8-1966

891

zodanig nog gesteld wordt, maar daarbij wordt de bevoegd-

heid tot verkoop van artikelen niet beperkt tot de branche

of sector waarin het vakdiploma is behaald.

fase
4: De fase waarin de verplichte eis tot vakbekwaam-

heid wordt
opgeheven.
In deze fase wordt getracht langs

vrijwillige weg het verwerven van de noodzakelijke vak-

kennis te stimuleren. Voor zover uit andere motieven dan

vakbekwaamheid – bijv. het gevaar voor de veiligheid

of volksgezondheid – de verkoop van enige artikelen niet

geheel kan worden vrijgegeven, zal zulks door middel van

de specifiek op die belangen gerichte wetgeving moeten

worden geregeld, zoals de Geneesmiddelenwet, de Waren-
wet, de Vuurwapenwet e.d.

Hoe men ook over de toekomst van de vestigingswet

denkt en ongeacht de mate waarin men de afschaffing van

de eis van vakbekwaamheid al dan niet voorstaat, toch
ontkomt men niet aan het feit, dat in de nabije of verre

toekomst deze in fasen aangegeven liquidatie van de

vestigingswetgeving zich onherroepelijk zal gaan vol-

trekken, daar het handhaven van de verplichting tot vak-

bekwaamheid, gegeven de te verwachten ontwikkeling,

misschien wel mogelijk, maar dan toch wel in velerlei op-

zicht steeds meer onverantwoord zal blijken te zijn.

Niemand zal beweren, dat het verantwoord is om ineens

van fase

1 in fase 4 te geraken en dus van vandaag op

morgen de vakbekwaamheidseis maar meteen op te heffen,

maar naarmate men meer doordrongen raakt van de

nadelen die aan ons systeem van vestigingswetgeving kleven

en die zich steeds meer gaan openbaren, zal men de tijd

om tot fase 4 te geraken willen bekorten. Het is vanuit deze

gedachtengang, dat wij ons vervolgens afvragen welke

bijdrage het ontwerp-advies Vestigingsbeleid voor de

detailhandel heeft geleverd tot de gedachtenvorming over

het toekomstig vestigingsbeleid.

Kritische opmerkingen ten aanzien van de uitgangs-

plinten van het ontwerp-advies

I

N de

notitie die de adviesaanvrage van de Staats-

secretaris begeleidt, worden in feite twee kernvragen

gesteld ‘):

Weegt de positieve waarde van de vakbekwaamheid

op tegen de belemmering in de bewegingsvrijheid die er uit

voortvloeit?

Zou voor de gehele detailhandel niet beter kunnen

worden volstaan met de eis van kredietwaardigheid en

handelskennis of, met andere woorden, zou de eis van vak-

bekwaamheid niet beter kunnen worden afgeschaft?
• Wie zou verwachten in het advies een duidelijk gemoti-

veerd antwoord op deze beide kernvragen te vinden, die

toch immers bepalend zijn voor de aan het toekomstig

vestigingsbeleid te geven inhoud, wordt hierin na lezing

van de enkele zinnen die het uitgangspunt hadden moeten
zijn voor het rapport, teleurgesteld
2).

Ten aanzien van de eerste vraag wordt slechts gesteld

,,dat de tijd is aangebroken om met een open oog voor de

positieve
zijden van de vestigingswet te trachten een aan-

passing te vinden aan de wensen, die in verschillende

sectoren leven”. Bij het beantwoorden van deze vraag

1)
De notitie is als vervolg bijlage 1 in het ontwerp-advies
opgenomen; de bedoelde vragen worden gesteld op de blz.
37
en 38.
Het ontwerp-advies is gepubliceerd onder de titel
Het Vestigingsbeleid voor de detailhandel, Ontwerp-advies aan
de Staatssecretaris van Economische Zaken inzake het toeko,nstige
vestigingsbeleid voor de detailhandel.
2
)De hiernavolgende aanhaling is opgenomen op blz. 14 van
het ontwerp-advies (cursivering recensent).


wordt derhalve de positieve waarde van de vestigings-

wetgeving c.q. van de
,
eis van vakbekwaamheid niet ge-

relativeerd, rekening houdende met de aan de vestigings-

wetgeving verbonden nadelen, maar wordt de positieve

waarde veeleer nog eens benadrukt. Op zich zou dit ver-

antwoord kunnen zijn, mits de motivering hiertoe juist is.

Afgezien van de positieve waarde gelegen in het verplicht

kunnen stellen van de vakopleiding, worden de verdere

positieve waarden door de Commissie echter gezocht in

elementen die nooit aan de vestigingswetgeving ten grond-

slag mogen liggen, gezien de doelstelling van deze wet-

geving. De Commissie vermeldt in dit geval het voor

komen van eventuele nadelige bij-effecten van de parallel-

lisatie en de beschermende werking voor bepaalde onder

nemingen
3).
Duidelijk komt in dit geval ook naar voren

dat het accent bij de beoordeling van de positieve en

negatieve waarden van de vestigingswetgeving vaak ver

schillend wordt gelegd. Elders
4)
hebben wij gemotiveerd,
dat bij de beoordeling van de positieve en negatieve waar

den van de vestigingswetgeving het accent is komen te

liggen op de negatieve waarden, hetgeen tot de conclusie

heeft geleid dat het continueren van de vestigingswetgeving

in zijn huidige vorm onverantwoord is. Uitgaande van de

noodzaak om de negatieve waarden te elimineren komt

men dan tot de uitspraak, dat getracht moet worden de

ongetwijfeld aanwezige positieve waarden zo goed mogelijk

anderszins te verwezenlijken, waartoe wij ook enige

suggesties hebben gedaan. Ook de Staatssecretaris legt in

zijn notitie het accent op de negatieve waardën en komt

dan tot de hiervoor weergegeven vraagstelling. De Com-

missie legt echter het accent op de positieve waarden en

tracht dan de negatieve waarden zoveel mogelijk te eli-

mineren. Het huldigen van deze principieel afwijkende

opvatting wordt niet alleen niet gemotiveerd, maar boven-

dien ontkomt men niet aan de indruk dat de doelstelling

en het uitgangspunt van de vestigingswet niet juist worden

geïnterpreteerd, hetgeen weer niet verwonderlijk is gezien

de opmerking dat de Commissie ,,geen aanleiding heeft

gevonden de wet zelf of de daarin vervatte principes in zijn

beschouwingen te betrekken”
5).
De Commissie gaat er

daarbij niet van uit dat het vestigingsbeleid zich moet

aanpassen aan de concrete, zich steeds wisselende, feitelijke

situatie, maar stelt dat door een evoluerend aangepast

beleid bereikt wordt dat het bedrijfsleven zich aan dat

beleid kan aanpassen
6)

Daar bij het onderling afwegen van de positieve en

negatieve waarden van de vestigingswetgeving in de toe-

komst, gegeven de steeds verder gaande ontwikkeling, het

accent steeds meer op de negatieve waarden zal komen te

vallen, wordt
bij
het eenzijdig uitgaan van de positieve

waarden geen rekening gehouden met de te verwachten

ontwikkeling, hetgeen in een advies, handelend over het

toekomstige vestigingsbeleid, een tekortkoming is. Hier-

mede houdt onmiddellijk verband onze kritiek ten aanzien

van de tweede gestelde vraag, nI. de vraag of de eis van

vakbekwaamheid zou kunnen worden afgeschaft. Deze

vraag doet de Commissie af met de opmerking dat het

zonder meer opheffen van de verplichting tot het behalen

van bepaalde vakdiploma’s lijkt op ,,het weggooien van

Blz. 15
van het ontwerp-advies.
Vestigingswet en Dynamiek, Beschouwing omtrent het
statische karakter van de vestigingswetgeving in verband met de dynamische ontwikkeling in de detailhandel,
Leiden
1962,
blz.
175-192.
BIz.
8
van het ontwerp-advies.
Blz. 15
van het ontwerp-advies.

892

het kind met het badwater”
7),
een – zeker in het licht

van de omstandigheid dat juist te dien aanzien om advies

is gevraagd – voor de kwaliteit van het rapport typerende

uitspraak.

Duidelijk mist men in het advies van de Commissie de

stellingname vanuit de toekomst. Wanneer men immers

vanuit de toekomstige situatie zoekt naar een in de huidige

situatie verantwoorde vorm van vestigingswetgeving, dan

komt men tot een constructie die ook op de toekomst is

afgestemd. Hierbij dient beseft te worden dat, hetgeen de

Commissie nu voorstelt, pas rond 1970 verwezenlijkt kan

worden
8)
Wanneer men zich realiseert welke veianderin-

gen zich in de komende jaren nog zullen gaan voltrekken,

dan kan niet voorbijgegaan worden aan de noodzaak,
rekening te houden met de situatie zoals deze zich zal

voordoen op het tijdstip waarop de herziene toepassing
van de vestigingswet een feit wordt, nog maar afgezien

van het feit dat de dan geldende wetgeving ook op de

verdere toekomst moet zijn gericht. Deze gedachte heeft

de Commissie kennelijk geen problemen opgeleverd, daar

zij haar mening om de. eis van vakbekwaamheid te hand-

haven motiveert met de uitspraak dat een dergelijke

rigoureuze ingreep niet geboden is door de huidige structuur

van de detailhandel, noch door de te verwachten ont-

wikkelingen binnen een enigermate afzienbaar tijds-

bestek
9).

Kunnen de zgn. blokbesluiten de voor de

toekomst noodzakelijke ruimte bieden?

D

AAR de Commissie de oplossing van de wettelijke

beperking inzake de assortimentssamenstelling uit-

sluitend vanuit de huidige situatie heeft bekeken, is

geen aandacht gegeven aan de inhoud van de vestigings-

wetgeving ,,op de lange termijn”. Het afwijzen van de

noodzaak om de vakbekwaamheidseisen nu of’in de toe-

komst op te heffen heeft geleid tot een constructie die niet

beoogt een geleidelijke overgang mogelijk te maken naar

een nieuwe situatie, waarin de eis van vakbekwaamheid

niet meer in zijn algemeenheid of wellicht in het geheel

niet meer gesteld wordt. Wanneer men de ,,blokbesluiten-

constructie” van de Commissie plaatst in de hiervoor aan-

gegeven fasen-indeling, dan constateert men dat deze con-

structie uitsluitend in fase 1 thuis hoort. Er is
.
daarbij na-

gelaten aansluiting te zoeken op de daarna volgende fasen,

een aansluiting die – met het oog op de toekomst –

toch .had moeten worden aangegeven. De constructie van

de Commissie komt dan ook voor een belangrijk deel

overeen met de constructie die de wetgever thans in de

nieuwe vestigingsbesluiten volgt om de noodzakelijke

ruimte te creëren, zij het dat door het openmaken van de

branches binnen een bepaalde sector de bewegingsvrijheid

van de ondernemer duidelijk is vergroot. Als zodanig is

thans wel een stap vooruit gezet, maar dit is nog geen stap

op een weg die in de toekomst verder zal worden ingeslagen;

de Commissie blijft met haar advies in de fase waarin wij

thans verkeren.

7
)Blz. 14 van het ontwerp-advies.
M. G. van de Kaa: ,,Middenstand vraagt om nieuw vesti-
gingsbeleid”, Elseviers Weekblad, 16 juli 1966.
Blz. 14 van het ontwerp-advies.

Zich beperkend tot de huidige situatie heeft de Com-

missie ook geen oplossing gezocht voor een intensiever

verkeer tussen de blokken onderling. Wanneer een derge-

lijke poging gedaan zou zijn, zou de Commissie geconfron-

teerd worden met de technisch nagenoeg onuitvoerbare

mogelijkheid om voor al de vërschillende ontwikkelingen

en situaties een oplossing te creëren, hetgeen de grenzen

van de toepassingsmogelijkheid van de vestigingswetgeving

zou overschrijden. Bij het overwegen van de vraag wat in

een dergelijke situatie de oplossing is, wordt het probleem

van het wel dan iiiet continueren van de vakbekwaamheicjs-

eis in zijn huidige vorm eigenlijk pas duidelijk gesteld.

Deze vraag heeft de Commissie echter omzeild.

Afgezien nog van de beperkingen die ook in een sector-

gewijze indeling van de detailhandel zijn.gelegen, daar het

economisch verantwoorde assortiment ook niet door

grenzen van sectoren wordt afgebakend, wordt men tevens

geconfronteerd met het probleem welke inhoud aan het

vakdiploma moet worden gegeven. Het wordt immers
uit praktische overwegingen onmogelijk een zodanige

inhoud te geven aan de deels op één van de vormen van

bedrijfsuitoefening in bijzonder afgestemde vakbekwaam-

heidseis, dat ook bij het uitoefenen van meerdere bedrijfs-

uitoefeningen de door de Commissie zo belangrijk geachte

branchekennis in voldoende mate aanwezig is. Hierbij

dient niet alleen aan de opleiding gedacht te worden, maar

ook aan het praktische nut dat de ondernemer heeft van

een dergelijke opleiding, die wellicht meer omvattend is

– zowel wat betreft de inhoud van de vakkennis, alsook

wat betreft het aantal bedrijfsuitoefeningen waarop deze

kennis betrekking heeft – dan voor hem in de gegeven

situatie noodzakelijk is. Daar de Commissie zich voorstelt

in de eis van vakbekwaamheid met name de bedrijfs-

economische branchekennis op te nemen, wordt dit

praktische probleem niet eenvoudiger.

Het is hierbij echter ook zeer de vraag of de in het vak-

diploma op te nemen eisen nu ook wel in het vakdiploma

thuis horen. Zo deze vraag ontkennend dient te worden

beantwoord – de verdere uitwerking van de gedachten
van de Commissie zal hierin meer inzicht geven – dan

kan men zich ook in dit verband opnieuw afvragen of in

plaats van het ombuigen van de eis van vakbekwaamheid

niet beter gest.reefd zou kunnen worden naar één diploma
dat toegang geeft tot de gehele detailhandel en waarin een

zo breed mogelijke algemene bedrijfseconomische onder

grond zou kunnen worden gegeven aan de ondernemer,
op basis waarvan de dan verder noodzakelijke bedrijfs-

economische kennis, alsmede de noodzakelijke specifieke

branchekennis, aangepast aan de concrete voor de onder-

nemer geldende situatie, langs vrijwillige weg zouden

kunnen worden verworven.

Het is deze vraag die de Staatssecretaris ook aan het
Hoofdbedrijfschap heeft gesteld, een vraag waarop het

Hoofdbedrijfschap – als het het ontwerp-advies in zijn

huidige vorm overneemt – een antwoord schuldig blijft,

ondanks het feit dat het na een studie van bijna 24 jaar

pretendeert een advies inzake het toekomstige vestigings-
beleid te geven.

‘s-Gravenhage.

Dr. G. F. A. DE JONG.

(I.M.)

E.-S.B. 31-8-1966

.

1

893

Kapitaalcoëfficiënt en investeringsrendement

D

EZER dagen werd in dit tijdschrift, in één maand

tijd, twee maal onze wekelijkse aandacht gevraagd

voor het begrip kapitaalcoëfficiënt. In
E.-S.B.
van

29 juni ji. vestigt Dr. J. A. Wartna deze aandacht nog eens

op het relatief hoge peil van onze marginale kapitaal-

coëfficiënt, ,,m.a.w.” op de vraag ,,waarom in Nederland

relatief zoveel moet worden geïnvesteerd om een bepaalde

toeneming van het inkomen te kunnen bewerkstelligen”.

Wartna relateert dan de gemiddelde en de marginale

kapitaalcoëfficiënt, alsmede de bewegingen in beide groot-

heden, aan elkaar, ten einde zowel de huidige als de toe-

komstige macro-economische rentabiliteit van de inves-

teringen in ons land met die van andere landen te kunnen
vergelijken. In
E.-S.B.
van 27 juli ji. stelt daarentegen
Dr. A. van Doorn, dat de gemiddelde en de op de ge-
bruikelijke wijze gedefinieerde – en ook door Wartna

gehanteerde – marginale kapitaalcoëfflciënt te enen male

ongeschikt zijn als maatstaf voor het macro-economisch

kapitaalrendement. Doordat heide een sterk geflatteerd

beeld van dat rendement zouden opleveren, zouden zij

Solow en Tinbergen tot aanvechtbare uitspraken hebben

verleid nopens de wenselijkheid van verhoging van de

nationale spaarquote en in het bijzonder laatstgenoemde
auteur tevens tot een aanvechtbare uitspraak nopens een

verlegging van de beslissing over het spaarniveau van de

individuen naar de overheid. Van Doorn verwerpt daarom

de gebruikelijke conceptie van de marginale kapitaal-

coëfficiënt geheel en vervangt haar door een andere, door

hem de ,,echte” marginale kapitaalcoëfficiënt genoemd,

welke volgens zijn becijferingen een aanmerkelijk lager

investeringsrendement oplevert. De lichte verwarring, die

wellicht bij enkele lezers van
E.-S.B.
door deze verschillen

van opvatting is teweeggebracht, geeft mij aanleiding met

hen de omstreden denk-werktuigen nog eens rustig te

bekijken.

Gemiddelde en
marginale kapitaalcoëfficiënt

Laat ons beginnen met de gemiddelde kapitaalcoëfficiënt,

omtrent welks definitie geen meningsverschil bestaat. De
gemiddelde – macro-economische – kapitaalcoëfficiënt is

de verhouding tussen de waarde van de nationale kapitaal-

voorraad en het nationaal inkomen (K/Y). Bij de gemiddel-

de kapitaalcoëfficiënt wordt derhalve het totale nationaal

inkomen van één jaar in relatie gebracht met slechL één

produktiefactor, ni. het in dat jaar aanwezige kapitaal.

Het ligt voor de hand om bij de marginale kapitaal-

coëfflciënt hetzelfde te doen, d.w.z. de totale additie in

één jaar aan het nationaal inkomen in relatie te brengen
met de additie in dat jaar aan de éne produktiefactor, de

I
nationale kapitaalvoorraad (-

dKdY
– of, exacter, —-/ -).

De hier gehanteerde – gebruikelijke – definitie van de

marginale kapitaalcoëfficiënt heeft niet slechts een zekere

elegantie, zij is ook doelmatig. In de eerste plaats is zij op

eenvoudige wijze uit het beschikbare cijfermateriaal (natio-

nale inkomens- en investeringscijfers) te berekenen. In de

tweede plaats is het op deze wijze mogelijk de toekomstige

ontwikkeling van de gemiddelde kapitaalcoëfficiënt uit de

huidige waarde van de marginale kapitaalcoëfficiënt af te

leiden. Is de marginale kapitaalcoëfficiënt hoger dan de

gemiddelde, dan stijgt de laatste, is hij lager dan de ge-

middelde, dan geschiedt het omgekeerde en is hij gelijk

894

aan de gemiddelde, dan blijft de laatste constant. Van deze

samenhang maakt Wartna gebruik om een blik in de toe-

komst te werpen. En ten slotte is het – dankzij de ver-

nuftige vondst van laatstgenoemde de trendmatige toe-

neming van de (onbekende) kapitaalvoorraad gelijk te

stellen aan die van de (bekende) investeringen – mogelijk

uit deze marginale kapitaalcoëfficiënt de gemiddelde te

berekenen, volgens de door Wartna gegeven formule:

KLK
LY/LK

Y =

Y/ K

oftewel de gemiddelde kapitaalcoëfficiënt is gelijk aan de

marginale kapitaalcoëfficiënt, vermenigvuldigd met het
quotiënt van de groeivoet van het nationaal inkomen en

de groeivoet van de kapitaalvoorraad.

V

AN Doorn prefereert een andere conceptie van de

marginale kapitaalcoëfficiënt, ni. de verhouding

tussen de additie aan de kapitaalvoorraad en de

daaruit resulterende
additie aan het nationaal inkomen.

(Dus de reciproke van 6Y / 8K in plaats van die van

dY/dK
-/ -).
Hij verbreekt daarmee dus de symmetrie tussen

de begrippen marginale en gemiddelde kapitaalcoëfficiënt
en offert daarmee een gemakkelijk berekenbare grootheid

op, die ons in staat stelt zowel de omvang van de ge-

middelde kapitaalcoëfficiënt, als de richting waarin deze

zich in de toekomst zal gaan bevegen, te bepalen. Welis-

waar legt ook Van Doorn een relatie tussen zijn marginale

en de gemiddelde kapitaalcoëfflciënt; een relatie die uiter-

aard tevens de kapitaalelasticiteit van de produktie bevat.

Met behulp van deze relatie zouden we de gemiddelde
(resp. de ,,echte” marginale) kapitaalcoëfficiënt echter

alleen kunnen berekenen indien de ,,echte” marginale

(resp. de gemiddelde) kapitaalcoëfficiënt en de kapitaal-

elasticiteit van de produktie bekend zouden zijn, quod

non. Wat bij Wartna een relatie was tussen één onbekende

(de gemiddelde kapitaalcoëfficiënt) en 3 bekenden (de

marginale kapitaalcoëfficiënt, de groeivoet van het natio-

naal inkomen en die van de kapitaalvoorraad, alias van

de investeringen), wordt dus bij Van Doorn iii feite een

relatie tussen 3 onbekenden.

Marginale kapitaalrentabiliteit

Natuurlijk staat tegenover al deze nadelen ook een

voordeel. De door Van Doorn gehanteerde marginale

kapitaalcoëfflciënt is immers
per definitie
gelijk aan de

reciproke van de marginale rentabiliteit van ht kapitaal,

terwijl de gebruikelijke conceptie van de marginale kapi-

taalcoëfficiënt dit slechts onder bepaalde omstandigheden

(I.M.)

,
al
V
ertrouwd
,-,to.

59
et eefl Sp

nd. en

41I251° rente

Algemene

Bank Nederland
(Nederlandsche Handel-Maatschappij
– De Twentsche Bank)

is.We moeten hierbij goed onderscheiden tussen de macro-

economische en de bedrijfseconomische i nvesterings-

rentabiliteit. Terwijl bij bedrijfseconomische rentabiliteits-

berekeningen alleen de te behalen winst – al of niet

inclusief de kapitaalrente – als resultaat van de investerin-

gen pleegt te worden aangemerkt,
kunnen
tot het natio-

naal-economisch resultaat van een investering in beginsel

alle componenten van liet nationaal inkomen behoren,

dus behalve kapitaalrente en -winst, tevens arbeids- en

ondernemersloon. Wanneer alléén de produktiefactor

kapitaal schaars is, kan liet dan ook zinvol zijn de gehele

additie aan het nationaal inkomen aan de investeringen

toe te schrijven. In dit geval, dat bij de ontwikkelingslanden

– en
bij
de ontwikkelde landen bij grote werkloosheid –

soms dicht benaderd wordt, is de marginale (macro-

economische) rentabiliteit van het kapitaal tevens gelijk
aan de reciproke van de marginale kapitaalcoëfficiënt in

de gebruikelijke zin, of anders gezegd, vallen de gebruike-
lijke conceptie van de marginale kapitaalcoëfficiënt en die

van Van Doorn samen. Dat is 66k het geval, wanneer bij

een overvloed aan ongeschoolde arbeidskrachten weliswaar

geschoolde arbeid schaars is, doch onder de investeringen

tevens de ,,investment in man” wordt begrepen, een in de

ontwi kkelingseconomie niet ongebruikelijke procedure.

Dit wat de marginale kapitaalcoëfflciënt betreft. In de

bovengenoemde gevallen zou de gemiddelde kapitaal-

coëfficiënt alleen dan eveneens een juiste maatstaf vormen

voor de macro-economische rentabiliteit van het kapitaal,

als hij constant zou zijn in de tijd, d.w.z. als hij gelijk zou

zijn aan de marginale kapitaalcoëfficiënt in de gebruikelijke

zin, hetgeen afwezigheid van ,,econon3ies of scale” impli-
ceert.

In elk geval vormt in de ontwikkelde landen thans

echter, het zij Van Doorn graag toegegeven, de marginale
kapitaalcoëfflciënt in zijn gangbare interpretatie (of liever

gezegd zijn reciproke) slechts een onzuivere maatstaf voor

het macro-economisch investeringsresultaat. In zoverre

kritiseert Van Doorn terecht Tinbergens wat onzorg-

vuldige formulering in ,,The ‘best’ economic order “‘).

Hij zou deze kritiek ook op Wartna hebben kunnen rich-

ten, met name op diens, in de aanvang van dit artikel

geciteerde, zinsnede, die eigenlijk had moeten luiden:

,,waarom in Nederland met een bepaalde toeneming van

het inkomen relatief zulke hoge investeringen
gepaard
gaan”.
Dit is echter pure schoolmeesterij. Belangrijker is

of het door Van Doorn becijferde investeringsrendement

voor een land als Nederland thans bij benadering juist is.

Enkele cijfers

Van Doorn baseert zich op de Cobb-Douglas produktie-

functie, met een kapitaalelasticiteit van de produktie vn

0,3 en neemt een gemiddelde kapitaalcoëfficiënt aan van
4.
Hij vindt dan een ,,echte” marginale kapitaalcoëfficiënt
van
4
: 0,3 = 13. Imn

iers, een netto investering ten bedrage

van 1 pCt. van de kapitaalvoorraad, oftewel
4
pCt. van

het inkomen (gemiddelde kapitaalcoëfficiënt 4) levert op

een toeneming van liet inkomen met 0,3 pCt. (kapitaal-

elasticiteit van de produktie 0,3). Uit de gevonden kapitaal-

coëfflciënt resulteert een kapitaalrentabiliteit van 1/13 of

7,5 pCt.

N

U is echter het moderne inzicht, dat de technische

vooruitgang, die, naast de kwaliteitsverbetering van

de arbeids-input, accommodatie vindt in de trend-

factor van de Cobb-Douglas produktiefunctie, niet onaf-

1)
Hong Kong Econoniic Papers,
juni 1961.

E.-S.B. 3 1-8-1966

hankelijk is van de toeneming van de kapitaalvoorraad.

Doordat de nieuwe kapitaalgoederen een hoger produktie-

vermogen hebben dan de oudere, wordt de technische

vooruitgang immers juist in de investeringen geïncorpo-

reerd. Hierdoor wordt in de Cobb-Douglas produktie-

functie de invloed van de investeringen op de toeneming

van het nationaal inkomen onderschat
2).
Weliswaar behoeft

door het bovenstaande de waarde van de kapitaalelas-

ticiteit van de produktie op zichzelf geen verandering te

ondergaan. De toeneming van het produktievermogen van

het kapitaal is echter groter dan in het bedrag van de

netto investeringen uit de nationale jaarrekeningen tot uit-

drukking komt, evenals de toeneming in produktie-

vermogen van de arbeids-input, als gevolg van de voort-

durende kwaliteitsverbetering daarvan, groter is dan in het

aantal man-uren wordt uitgedrukt. Gemeten in het effect

van de investeringen op het nationaal inkomen komt dit
op hetzelfde neer als een onderschatting door de Cobb-

Douglas produktiefunctie van de kapitaalelasticiteit van

de produktie. Gezien de grote rol, die de trendterm van

deze functie bij elke statistische toetsing toevalt, ver-

moedelijk zelfs een aanzienlijke onderschatting. Blijkens

onderzoekingen door ondergetekende op het Nederlandsch

Economisch Instituut verricht, waarschijnlijk wel met de

helft. Wanneer we nu tevens de door Van Doorn ver

onderstelde gemiddelde kapitaalcoëfficiënt van 4 vervangen

door de door Wartna berekende van 3, dan bedraagt de

,,echte” marginale kapitaalcoëfflciënt van Van Doorn

3 : 0,6 =
5
en de macro-economische investeringsrentabili-
teit
115
of 20 pCt., hetgeen ongeveer de waarde is welke

door Solow wordt gevonden en al tamelijk dicht in de

buurt van die van Tinbergen komt. Overigens komt Solow
niet via de door Van Doorn gewraakte marginale kapitaal-

coëfflciënt tot dit rentabiliteitscijfer, maar juist via een

variant van de Cobb-Douglas produktiefunctie die rekening

houdt met de leeftijdsopbouw van de kapitaalvoorraad,

een verfijning waarvan hij de auctor intellectualis is, terwijl

Tinbergen vnl. de ontwikkelingslanden op het oog heeft,
waar, zoals we zagen, de omstandigheden geheel anders
kunnen liggen.
Mijnsheereniand.
R. IWEMA.

2)
Dat zou niet het geval zijn indien de kapitaalvoorraad
gewaardeerd werd op vervangingswaarde. Dit zou namelijk
impliceren dat in deze kapitaalvoorraad de oudere investeringen
werden afgeschreven, rekening houdend met hun relatieve daling
in produktiviteit ten opzichte van nieuwe investeringen. Zie
Prof. Dr. L. H. Klaassen:
The Solow production function and
the measureinent
of
the capitalstock,
N.E.I. 1963.

(1. M.)
Beleggen in goud

GOLDMINES

Een bloemlezing uit de Zuidafrikaanse goud-
mijnen. Vraagt inlichtingen
of toezending van
documentatjemateriaal bij de beheerder
Algemene Bank Nederland.

895

Opheffing van de scheiding
tussen handelsbanken en spaarbanken

in de Verenigde Staten?

D

E ,,agressieve concurrentie” tussen de handelsbanken

en andere financiële instellingen, speciaal de spaar-

banken, is uitgegroeid tot een rente-oorlog, aldus

een prominente figuur in spaarbankkringen. De ,,00rlog”

bestaat in het proberen te onttrekken van elkaars spaar-

of termijndeposito’s door het betalen van steeds hogere

creditrenten.

In een vorig artikel
1)
is uiteengezet dat de strijd is

begonnen met het afgeven van depositocertificaten (C.D.’s)

door de handelsbanken. Dit zijn verhandelbare bewijzen

van deponering van termijndeposito’s. Werden deze

depositobewijzen aanvankelijk slechts uitgereikt in grote

denominaties
($
100.000 of hoger), thans zijn er
C.D.’s
van
$ 25,
terwijl de rentevergoeding is gestegen tot
54
pCt.

De C.D.’s hebben inderdaad grote bedragen bij de

spaarbanken weggetrokken
2),
met het gevolg dat de

spaarbanken hun creditrente ook moesten verhogen.

Handelsbanken en spaarbanken zijn echter aan verschil-

lende wetten onderworpen en daardoor zijn de voor-

waarden waaronder zij werken niet gelijk. De spaarbanken

kunnen thans officieel
5
pCt. creditrente betalen; zij mogen

hoger gaan, maar dan verliezen zij zekere herbelenings-

faciliteiten bij haar districtsbankeii. Dit is intussen gebeurd

en enige ,,spaar- en leningsbanken” betalen thans
5
1
pCt.

voor hun gelden plus een speciale bonus van
4
pCt. De
veiligheid van de spaargelden ‘wordt hierdoor uiteraard

verminderd.

De concurrentie tussen de handelsbanken enerzijds en

de ,,mutual savings banks” en, ,,savings and ban asso-

ciations” anderzijds wordt voorts beïnvloed door het feit

dat laatstgenoemde instellingen een grote mate van be-

lastingvrijdom genieten (omdat het onderlinge, niet op

winstbejag gerichte, instellingen zijn), terwijl de handels-

banken ten volle aan de vennootschapsbelasting onder-

worpen zijn en ook andere belastingfaciliteiten, die de

spaarbanken genieten, ontberen.

Er is een grote mate van sympathie voor de spaar- en

leenbanken, ‘die opgericht zijn om de kleine spaarder en

de aspirant-huizenbezitter te helpen, een categorie van
personen waaraan de handelsbanken vroeger weinig of

geen aandacht besteedden.

Om de enorme groei van de C.D.’s enigszins te stuiten,

heeft de Federal Reserve Board onlangs de kasreserve,

vereist voor termijndeposito’s, waartegen C.D.’s afgegeven

worden, verhoogd van 4 pCt. tot
5
pCt. (het maximum

percentage is 6 pCt.). De algemene opinie is dat deze

maatregel weinig of geen effect zal hebben, voor zover het

de aantrekking van termijndeposito’s betreft. Wèl effect

heeft de maatregel gehad op de rente die de banken aan

hun cliënten in rekening brengen. De ,,prime loan”-rente

is verhoogd van
54
pCt. tot
5ffi
pCt. Enkele banken

1)
Zie
E.-S.B.
van 18 mei 1966.
2
)Door de uitgifte van de C.D.’s zijn de termijndeposito’s
thans’reeds tot $ 37 mrd. opgelopen.

896

bleven aanvankelijk
54
pCt. berekenen, indien de cliënt

bij de bank een deposito (direct opvraagbaar) onderhield

van minstens 20 pCt. van de lening.

Hier komt het merkwaardige verschijnsel tot uiting dat

de Amerikaanse handelsbanken van hun kredietnemers

verwachten, dat zij tegelijkertijd een deposito bij de bank

aanhouden. Onder het Amerikaanse boekingssysteem is

dit heel eenvoudig. De cliënt wordt
bij
de verstrekking

van de lening gecrediteerd, voor het volle bedrag der lening,

terwijl hij aan de andere zijde gedebiteerd wordt. Ver-

wacht wordt dat de lening niet geheel wordt opgenomen,

of dat uit andere middelen een deposito wordt aangehouden.

Zou dit niet het geval zijn dan zou de bank geen geld

kunnen uitlenen tegen
54
of
5
pCt., terwijl zij voor het

grootste deel van haar deposito’s (termijndeposito’s)
54

pCt. betaalt, waarbij dan nog komt 0,38 pCt., zijnde de

,,kosten” van de verplichte 5 pCt. reserve.

In een onlangs gehouden rede
3)
noemde de Vice Chair-

man van de Federal Reserve Board, J. L. Robertson, de

toestand onhoudbaar. Hij suggereerde eenvormige regels

voor handelsbanken en spaarbanken (,,mutual savings

banks” en ,,savings and ban associations”). Dit komt

hierop neer dat alle spaarbanken op verzoek (en na regis-

tratie) het gehele bankbedrijf zouden kunnen uitoefenen.

Spaarbanken zotiden ook direct opvraagbare deposito’s

mogen aantrekken, waaraan een cheque-verkeer zou zijn

verbonden. Anderzijds zouden haar belastingvoordelen

vervallen. Voor beide groepen van instellingen zouden

gelijke liquiditeitsregels gelden.

Om te beginnen zouden, aldus Robertson, de handels-

banken bevrijd moeten worden van de verschillende con-
trole-instanties: de Controller of the Currency, de Federal

Reserve Banks en de Federal Deposit Insurance Corpo-

ration. In plaats daarvan zou één nieuwe controle-instantie

moeten komen, de ,,Federal Banking Commission”, waar-

van de leden zouden moeten worden benoemd door de

President. ‘

3)
Peoria, Illinois, 17 mei 1966.

(I.M.)

Het opheffen van de scheidslijn tussen handelsbanken

en spaarbanken vindt wel aanknopingspunten in de Ame-

rikaanse economische literatuur. In een recent verzamel-

werk
4)
zijn enkele artikelen herdrukt, waarin er op wordt

gewezen dat het onderscheid tussen handelsbanken en

andere financiële instellingen kleiner is dan meestal wordt

4)
Readings in Money, National Incorne and Stabilization
Policy, Ed. by W. L. Smith and R. L. Teigen. Homewood,
Illinois 1965.
gedacht. Tobin
5)
noemt het verschil slechts gradueel.

Een artikel van John G. Gurley en Edward S. Shaw:

Financial Intermediaries and the Saving-Investment Process,

gaat in dezelfde richting
6),

Los Angeles.

Prof. Dr. H.
W. J. WJJNHOLDS.
Graduate School of Business
Administration, Univ. of California.

James Tobin:
Commercial Banks as Creators
of
,,Money”.
Zie in het bovengenoemde verzamelwerk.

BANDEN E.-S.B.

.

1965

Er zijn nog enkele benden be-

schikbaar voor de jaargang 1965.

Zendt uw bestelkaart nu wel om-

gaande in daar de voorraad slechts

SMITmKINDERDIJK

beperkt is.

Besteladres:

..

N.V. Koninklijke Nederlandsche

De Directie van Smit Kinderdijk te Kinderdijk

Boekdrukkerij H. A. M. Roelants.

(lid van de I.H.C. Holland groep),
Postbus 42, Schiedam.
nodigt gegadigden uitte solliciteren naar de functie van

1

Administrateur

Telkens en telkens blijkt ons weer

teneinde allereerst de huidige functionaris die over enkele hoezeer de nog steeds snel groeiende

lezerskring van onze uitgave

jaren de pensioengerechtigde leeftijd bereikt bij te
staan om vervolgens, bij gebleken geschiktheid, diens
functie volledig over te nemen.

De
I.H.C. Holland groep omvat Werf Gusto – Schiedam;
Verschure – Amsterdam; De KTop – Sliedrecht en
Smit Kinderdijk – Kinderdijk.

deze wegwijzer, speciaal voor de

Het productieprogramma omvat o.a. baggermaterieel,

particuliere bele
gg
er, wat inhoud,

speciale vaartuigen, dieselmotoren, aluminium verwerking,
actualiteit en objectiviteit betreft
waardeert.

engineering.

Van gegadigden wordt verwacht dat zij zelfstandig de

Dit heeft vele redenen: het bevat

leiding van de administratie op zich kunnen nemen
wekelijks:

en de directie bijstaan in haar beleidstaak.

le Interessante (hoofd)artikelen, die

Voor een juiste vervulling van deze belangrijke functie is
steeds actuele onderwerpen des.
kundig behandelen.

nodig dat gegadigden in het bezit zijfl, van het H.B.S. diploma
en het S.P.D. of akte M.O. Boekhouden.
2e Een uitvoerig en levendig, bijna

d
y
namisch
g
eschreven beursever.

Kennis van en ervaring met moderne administratie methoden
zicht, de stemming goed weer.
gevend.

is bovendien noodzakelijk..

3e Door een ieder te hanteren fonds.

Leeftijd: minimum 35 jaar.
analyses, volgens een eigen prak.

tisch s
y
steem, enig voor Nader.

De Directie verleent; zo nodig, actieve medewerking aan het
land,

verkrijgen van een goede woning voor de aan te

4e Een chronique scandaleuse, fair

stellen functionaris.
en onderhoudend geschreven en
uiteraard zonder Sensatie.

Gegadigden worden verzocht te schrijven aan de Directie

5e Een leerzame vragenrubriek, cd.

van Smit Kinderdijk, Postbus 1, Kinderdijk.

viezen voor velen inhoudend.
.

.

Zij moeten bereid zijn aan een psycho-technisch onderzoek deel te nemen.

6e Gegevens omtrent vele fondsen


(ook van incourante) telkes
‘ LH.C.

wanneerhieromtrent iets te mei.

HOLLAND
dan valt.

Wij zenden u op uw verzoek gaarne
gratis een 2.tal proefnummers ter
kennismaking.

Adm. Bel-Bel, Postbus 42, Schiedam.

.

ROEP

E-S.B. 31-8-1966

.

897

Geldmarkt

D

E laatste helft van augustus was een periode, waarin

een duidelijke ontspanning in de situatie op de geld-

markt is opgetreden. Het best laat zich dit aan het

verloop van de daggeldrente illustreren. Op 17 augustus

daalde deze rentevoet van
5
pCt. tot 4
4
pCt.; op 24 augustus

werd de rente verder tot 4 pCt. verlaagd en op 26 augustus

tot 34 pCt. Een belangrijke factor in deze ontwikkeling is

de seizoendaling in het uitstaande bankpapier geweest.

Begin juli bereikte de omloop reeds f. 8.231 mln, om op

18 juli met f. 8.267 mln. het hoogste punt van het jaar te

bereiken. Op 22 augustus was er
f.
7.808 mln. in circulatie

zodat per saldo f.
459
mln. de kassen der banken is terug-

gevloeid. Verkoop van valuta aan De Nederlandsche Bank
door de banken heeft in dezelfde periode eveneens belang-

rijk tot de verruiming bijgedragen. Men kan zeggen, dat

de uitzetting van de bankbiljettencirculatie grotendeels is

gefinancierd door uit het buitenland teruggekomen midde-

len. Toen het bankpapier uit de omloop terugkeerde werd

de markt ruimer.

Een belangrijk deel van de middelen, waarover de ban-

ken de beschikking hebben gekregen, is gebruikt om de

schuld aan De Nederlandsche Bank af te lossen. Op
5
juli

bedroeg deze nog f. 396 mln., op 22 autustus f. 54 mln.

Het vervallen van het door de banken aan De Neder-

landsche Bank verdisconteerde schatkistpapier heeft op de

geldmarktsituatie geen invloed, omdat het hier gaat om

een betaling van de Schatkist aan de Centrale Bank. Het

Ministerie van Financiën heeft zich behendig door de

moeilijke tijd heengeworsteld. Half juli was het Staats-

tegoed tot slechts enkele tonnen teruggelopen. Door alle

mogelijkheden uit te buiten, zoals opnemen van kasgeld-

leningen, gebruik van herfinancieringsmogelijkheden bij

De Nederlandsche Bank, aantrekkelijke rente voor schat-

kistpapier en wellicht door versnelling bij de inning van

Op het sekretariaat van de Katholieke Nederlandse

Boeren- en Tuindersbond is plaats voor een

STAFFUNKTIONARIS

Zijn taak zal, naast werkiaamheden van meer algemene

aard, in hoofdzaak bestaan uit het behartigen van de

tuinbouwaangelegenheden in de onderscheiden sektoren

van deze bedrijfstak.

Gedacht wordt aan een academicus, die kennis heeft

van en grote belangstelling voor agrarische vraag-

stukken, zowel nationaal als internationaal; ervaring

op organisatorisch gebied strekt tot aanbeveling.

Salaris nader overeen te komen.

Datum van indiensttreding zo spoedig mogelijk.

Uitsluitend schriftelijke sollicitaties te richten, véôr

15 september aanstaande, aan het bestuur van de

Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond,

Nieuwe Parklaan 105, Den Haag (Schev.).

belastingen en vertraging bij de uitgaven beschikte de

Schatkist 22 augustus weer over f. 309 mln. De storting

op de 7 pCt. Staatslening is aanstaande,

Kapitaalmarkt

O

P de kapitaalmarkt kenmerkte de maand augustus

zich door een zekere rust. De rente bleef in dit tijd-

vak praktisch stabiel. De schaarse emissies werden

goed ontvangen. Slechts op de beurs handhaaft zich een

sombere stemming. De koersen staan constant onder druk,

waardoor het koersniveau zich vrijwel dagelijks in beneden-

waartse richting beweegt. Ten dele is dit een gevolg van
een aanpassing aan het verhoogde renteniveau, voor een

ander deel vreest men, niettegenstaande de expansie blijft

aanhouden, dat hieraan mede door overheidsmaatregelen

een spoedig einde zal komen en dat daarbij een teruggang

tot de mogelijkheden behoort. Dit zou dan plaatsvinden

onder omstandigheden, die door de aanhoudende kosten-
stijging niet sterk genoemd kunnen worden.

Sedert begin 1966 blijkt het algemeen gemiddelde index-

cijfer met meer dan 20 pCt. te zijn gedaald. Het rendement

op internationale aandelen begint de
5
pCt. thans te

naderen, dat van de lokale aandelen heeft dit peil reeds

overschi eden.

De besparingen bij de traditionele spaarbanken lopen
achter bij die van vorig jaar. Van januari tot en met juli

1965 heeft het verschil tussen stortingen en terugbetalingen

f. 787,3 mln. bedragen, in het lopende jaar f. 694,7 mln,,

zodat er dus een achterstand is ontstaan van f. 92,6 mln.

De handelsbanken zien echter kans deze achterstand te

compenseren. Deze instellingen boekten in het eerste half-

jaar 1966 een spaarverschil van f. 264,3 mln, tegen f. 161,3

mln, in dezelfde periode van
1965.
Het totaal der be-

sparingen uit deze bronnen vloeit dus tot nu toe iets rijke-

lijker dan vorig jaar. De handelsbanken hebben echter in

DE VERENIGDE

H.V.A.-MAATSCHAPPIJEN N.V.

vraagt een

jong

stafemploye

die na een stage op het Hoofdkantoor
bestemd zal worden voor uitzending
naar een der overzeese vestigingen van het Concern.

Hiervoor wordt in de eerste plaats ge-
dacht aan een jong jurist of drs. econo-
mie, terwijl ook candidaten met diplo-
ma N.O.I.B. in aanmerking kunnen
komen.

Goede beheersing der moderne talen
strekt tot aanbeveling.

Sollicitaties met volledige inlichtingen betreffende
leeftijd, opleiding en praktijk, uitsluitend schriftelijk
aan het kantoor der Maatschappij, N.Z. Voorburgwal
162, Amsterdam.

898

H.
&
L.
19aug. 26aug.
1966
1966 8966
361 —262
275 262
513-351
375
351
322-251
260
251
140— 102
107 102
187— 140
144
143
167— 128
132
128

t. 93,70 F. 88,10
t. 84,10 t. 80

de eerste helft van 1966 de verkregen spaargelden niet naar
de kapitaalmarkt doorgevoerd. Integendeel, de beleggingen

op de binnenlandse markt zijn in het eerste halfjaar met

f. 100 mln, ingekrompen. Dit is mede een factor die de

rente-ontwikkeling heeft beïnvloed.

lndexcijfers aandelen
30 dec.
(1953

100)
1965
Algemeen

………………
343
Internationale concerns
477
Industrie

………………..
313
Scheepvaart

…………….
136
Banken en verzekering
……..
180
Handel enz.

…………..
163

Bron:
A
.
N
.P.

CBS., Prijscourant.

Aandelenkoersen a).
Philips

…………………
t. 112,50
Unilever. cert.

……………
t. 114

30 dec.
19 aug. 26 aug.
1965
1966
1966
Kon. Petroleum

………….
t. 147,60
t. 127,90
t. 115,70
A.K.0.

………………..
t.

77,80
f.

58,40 t.

54,90
K.L.M.

………………..
f. 268
t. 520
t. 478
Hoogovens, n.r.c .

………..
440
310
2964
E.M.S .

…………………
190
140
1344
Kon. Zout-Ketjen

………..
7654 455
425
Zwanenberg-Organon

……..
t. 171
t. 162,80
t. 158,50
Robeco

…………………
t. 222
t. 194
f. 190
New York.
f
Dow Jones Industrials
964
805
781

Rentestand.
Langlopende staatsobligaties b)
5,98
6,69 6,68
Aandelen: internationalen b)
4,0
4,7
lokalen b)

………
4,2
5,3
Disconto driemaarids schatkist-
papier

……………….
4’/,
5,0 5,0

Aangepast voor kapitaalwijzigingen.
Bro,,:
Amsterdam-Rotterdam
Bank.
C. D. JONG
MAN.

WARMTE- EN ELECTROTECHNISCH

ADVIESBUREAU

J. A. VERHOEVEN N.V.

Als gevolg van de verdergaande expansie van

ons raadgevend ingenieursbureau, met ves-

tigingen in Amersfoort en Rotterdam, zoeken

wij een

economisch’

doctorandus

die rechtstreeks onder de overwegend tech-

nisch gerichte directie komt te ressorleren.

In deze vertrouwenspositie zal hij zich met

vrijwel alle beleidsvraagstukken, welke niet

op zuiver technisch terrein liggen moeten

bezighouden. Zo worden van hem bijdragen

.zs
gevraagd ten aanzien van de financiering, de

interne Organisatie en het te voeren perso-

neelsbeleid.

Hij moet leiding geven aan enkele niet-tech-

nische diensten en zelfde werving, selectie en

introductie van personeel ter hand willen

nemen.

Voor de vervulling van deze aantrekkelijke

positie met standplaats Amersfoort, denken

wij aan een econoom van 30-35jaar, die mede

op grond van zijn ervaring aan deze veel-

zijdige functie vorm en inhoud kan geven.

Bij het zoeken naar huisvesting kan
op
daad-

werkelijke steun gerekend worden.

Eigenhandig geschreven brtevcij met
volledige gegevens, waarbij ingesloten
een recente pasfoto, kunt U onder/
nummer A. 620 richten aan

ZAANSP STICHTING VOOR BEDRIJFSPSYCHOLOGIE EN PERSONEELSBELEID

ZAANWEG 46 • WORMERVEER

£tbote..ef’ere
11
op

DE ECONOMIST

Maandblad ouder redactie

van

Prof. P. Hennipman,

Prof. A. M. de Jong.

Prof. F. J. de Jong.

Prof.
P. B.
Krcukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuati,

Prof. J. Zijlstra.

*

Abonnementsprijs f. 30:
vooi

studenten f.
15.

*

Abonnementen worden aan-

genomen door de boekhandel

en door uitgevers

DE ERVEN F. BOHN

TE HAARLEM

E.-S.B. 3 1-8-1966

899

Geconsoideerde maandstaat per 31juli1966

Kas, kassiers en daggeldieningen
f
267.651.000
Kapitaal

……………
f

136.280.000

Nederlands schatkistpapier

. . . . .
f
779.741.000
Reserves

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.
f

175.000.000

Ander overheidspapier
.

. . . . . . .
f
741.649.000
Leningen

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.
f

91.497.000
Wissels

…………….
f
389.990.000
Depösito’s op termijn

…….
f
2.764.962.000
Bankiers in binnen- en buitenland
f
975.305.000 Spaargelden

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.
f

876.765.000
Effecten en syndicaten

……..
f
188.797.000
Crediteuren

……………
f2.927.278.000

Voorschotten tegen effecten

. .
f
200.787.000
Geaccepteerde wissels

. . . . . . .
f

60.047.000

Debiteuren

…………..
f3.585.961.000
Overlopende saldi en andere
Deelnemin en (mcl voorschotten)
f
25.167.000
rekeningen

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.
f

130.229.000

GebOuWefl

.

.

.

.

.. .

.

.

.

.

.

.

.

.

.
f
701
000
0

f7.162.058.000 f7.162.058.000

Algemene Bank Nederland N.V.

(Nederlandsche Handel-Maatschappij – De Twentsche Bank)

De opleiding is in beginsel bedoeld voor
hen, die het doctoraal examen in de
economische, psychologische of sociolo-

T
N T E R A
c
A i E
PviI
i A L E

gische wetenschappen dan wel het
ingenieursexamen aan een technische of
landbouw-hogeschool met gunstig gevolg
hebben afgelegd.

Anderen,

wier

opleiding

en

ervaring

J P L E T D iii G
zodanige waarborgen bieden, dat ver-
wacht mag worden dat zij de cursus met vrucht kunnen volgen, kunnen eveneens

0
R G A N T S A T 1 E K U N D E

tot

de

opleiding

worden

toegelaten.
Gegadigden moeten ten minste twee jaren
in de praktijk werkzaam zijn geweest.
Schriftelijke aanmeldingen worden uiter- lijk ultimo september 1966 ingewacht bij
……………………………………………………………………..-
de rector, p.a. Bouwcentrum, Kruisplein
1, postbjs 299. te Rotterdam.

Het onderwijs zal gemiddeld anderhalve

inschrijving

ag per week in beslag nemen. Een uit-
voerige brochure kan aan bovenvermeld
adres worden aangevraagd.
De opleiding gaat uit van de Rijksuniver-

voor de negende c.q. tiende tweejarige cursus,
siteit te Groningen, de Universiteit van
Amsterdam,

de

Vrije

Universiteit

te

aan vangende in
Amsterdam. de Nederlandsche Econo-
mische Hoogeschool te Rotterdam, de

januari 1967
Katholieke Hogeschool. te Tilburg en de
Technische Hogescholen te Delft, Eind-
hoven en Enschede, met medewerking
van een aantal organisatie-adviseurs.

900

AUTO MATION CENTRE VOLMAC”

(
a
d
v
i
seren
en programeren
op
het gebied van electronische informatieverwerking)

NU GROTE COMPUTER-ERVARING TOT UW BESCHIKKING

Het Automation Centre ,,VOLMAC” kunt U inschakelen bij:


APPARATUURKEUZE

1


SYSTEEMANALYSE

PROGRAMMERING
1


SOFTWARE PROBLEMEN

1

FLORESLAAN 41; VLAARDINGEN, TELEFOON (01898) 3279

OGEM

– In opdracht van de Directie van de

OVERZEESE GAS- EN ELECTRICITEITMAATSCHAPPIJ

Rotterdam

een groot concern met vestigingen in het

buitenland (utiliteitssector) en een 15-tal

dochterondernemingen in Nederland,

zoeken wij contact met een functionaris die

belast zal worden met de positie van

hoo .fd personeelszaken

Het betreft hier een nieuw te creëren

staffunctie met betrekking tot al haar

vestigingen in binnen- en buitenland en zij
omvat:

• het adviseren en coördineren inzake de

personeelsaangelegenheden van deze

ondernemingen

• het voorbereiden van het personeels-

beleid in concernverband met name wat

betreft het afstemmen van de arbeids-

voorwaarden, het beloni ngssysteem, de

personeelsselectie en de opleiding

• hetvoorbereidenvan het promotiebeleid.

Deze functionaris zal rechtstreeks ressor-
teren onder de concern-directie.
Voor de uitoefening van deze gevarieerde

en belangrijke functie gaan de gedachten

uit naar iemand met academische vorming

in een der sociale wetenschappen en er-

varing – bij voorkeur in een groot bedrijf-

die in staat is genoemde taken op zich te

nemen.

Hoge eisen worden gesteld aan organisatie-

vermogen, overwicht en tact.

Leeftijd omstreeks 40 jaar.
Wij zijn gemachtigd aan serieuze gegadigden telefonisch nadere inlichtingen te verstrekken

(telefoon 010-254966, toestel
7).

— — –

— –

Eigenhandig geschreven brieven met uitvoerige gegevens worden onder nummer 8-18 ingewacht bij

Psychologisch Adviesbureau Dr. J. G. H. Bokslag, Nwe Binnenweg 474, Rotterdam.

E.-S.B. 31-8-1966

901

VotledtgecOncentr,iie. Niets ontgaat de dirigent. Niets ontgaat
Int publiek. Een harmonisch eam,,epni met e,n ,arrease,d
,enuiteet
Bilecnd,re’ aandacht k,ljgt ook Uw adnorta,tla in het nehtijd-
schrift. E,n tijdschrift wordr gelezen in e,n rustige sta,,. SIJ
uitstek de gelegenheid om Uw eertoopboodachep
te
lanceren.
Dea,Om adverteren stoot, mddn badrrjvan- met groeiend aus.
s-
Is
,zktilde*h,ittonj

De staf van de Stichting tot Ontwikkeling van de Noord West

Veluwe zal worden uitgebreid met een

medewerker voor

middenstandsaangelegenheden

De taak van deze functionaris zal zijn voorlichting te geven,

zowel individueel als ingroepsverband, aan de ondernemers

in het midden- en kleinbedrijf op de Noord West Veluwe.

Doel van deze benadering is de middenstand
bij
te staan in

het streven naar aanpassing van de bedrijven aan de in dit

gebied snel veranderende omstandigheden.

De uitvoering van deze taak geschiedt in nauwe samen-
werking met het Ministerie van Economische Zaken, de

georganiseerde middenstand in het gebied en het reeds bij
de Stichting gestationeerde team van medewerkers.

Voor de ‘ervulling van deze functie zijn een gedegen eco-

nomische vooropleiding, kennis van en belangstelling voor

middenstandsvraagstukken alsmede goede contacteigen-

schappen onmisbaar.

De nieuwe medewerker zal voorlopig een tijdelijke aan-

stelling krijgen voor de periode van één jaar. Zijn salaris

zal, afhankelijk van opleiding, ervaring en leeftijd, worden

bepaald in overeenstemming met de voor ambtenaren van

de provincie Gelderland geldende regelingen.

Sollicitaties te richten tot de secretaris van de Stichting tot

Ontwikkeling van de Noord West Veluwe, Bruggestraat 49

te Harderwijk, gaarne vé& 15 september 1966.

werknemers
zijn
al genoeg

om een collectieve

pensioenverzekering te sluiten

De Eerste Nederlandsche heeft een

grote ervaring op het gebied van collec-
tieve verzekeringen. Zij concipiëert uw
nieuwe pensioenverzekering “naar
maat”,

aangepast aan

de specifieke

N
omstandigheden van uw bedrijf. Ook
voor uitbreiding van bestaande contra c-
ten of herverzekering van pensioen-
EERSTE NEDERLANDSCHE
fondsen kunt u altijd deskundig advies
van ervaren specialisten verwachten.

BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN
JOHAN DE WJTTLAAN 50 – ‘s-GRAVENHAGE
POSTADRES: POSTBUS 5-TEL. 070- 514351

A. SIJTHOFF N.V.

Ter vervulling van de v a c a t u r e van

4 CONTROLLER

zoeken wij

een economisch doctorandus of

accountant (N.l.V.A.- of V.A.G.A.-lid)

omstreeks
35-45
jaar

die capabel is deze interessante, veel

energie vragende, functie te vervullen.

Sollicitaties, waarom trent volstrekte geheimhouding wordt

verzekerd, te richten
aan de
Directie, Wagenstraat 37,

Den
Haag,
van de

A. SIJTHOFF N.V.

Wt, Iets
t, xnggare
buft
– adcenrteeeri t. msksdse5vift.

902

Auteur