Ga direct naar de content

Jrg. 37, editie 1810

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 30 1952

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

37E
JkARGANG

WOENSDAG 30 JANUARI 1952

No 1810

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

.

Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

.

COMMISSIE VAN AD VIES VOOR BELGIË

J. E. Mertens; R. Miry; J. van Tichelen;
R. Vandeputte; F. Versichelen.

INHOUD
Bli
Het verloop van de consumptie in Nederland

na Juni 1950 door Drs S. C. Bakkenist
….
76

Crisis der conjunctuurpolitiek?
door Drs J.

Hartog……………………………
79

Verhouding tussen de Wet Goederenvervoer

Binnenscheepvaart en de Rijnvaartacte
door

Jhr Mr W. J. M. van Eysinga ……….
82

De
publieke kapitaalmarkt in
1951 door Drs

A.

Bâtenburg

…………………….
83

B o e k bespreking:

L. van Egeraat: Engeland, de Labour Party

en Europa bespr. door Mr K. P. van der

Mandele

……………………….
86

Mededelingen voor economisten

……….
87

Geld- en kapitaalmarkt door Drs J. C. Brezet
87

De Belgische geld- en kapitaalmarkt in No-

vember en December 1951
door Dr L. De!

motte

…………………………..
88

S t a t is t i e ken:

Wisselkoersen

…………………….
90

Emissies

in

1951

…………………..
90

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Dezer dagen

komen vele cijfermozaïeken over 1951 gereed. Soms zo, dat men geneigd zou zijn uit te roepen: ,,Ik houd van het
proza”. Zo, wanneer de nette rijtjes aantonen, dat de
export van groenten en fruit gunstig was en dat over het
geheel van onze handelsbalans de passiviteit zeer ver zal
blijven onder die van 1950.

Ook hoorden wij, dat de opbrengsten der belastingen
uitkwamen boven de herziene ramingen, met ruim f
550
millioen. Berusten wij, met Vondel: ,,Zo willen wij..
ons troosten met Uw rijke tas”? Het is een pikant onder-
werp, waarbij de Minister zich waarschijnlijk niet eveneens
op Vondel zal willen beroepen: ,,En spaarpot, uit uw buik
gespaard”

Wanneer Ministers van Financiën tot beelden komen, dan
wordt de buikriem meestal opgevat. Zo zit en zwijgt
Groot-Brittannië in afwachting van het groot sermoen
der matigheid, dat het Lagerhuis zal worden voorgelegd. In voorgaande weken zijn de punten reeds belicht, nu zal
de toepassing komen. ,,Befloerste trom noch rouwgebrom
ga romm’lende om”; wie zal de medicijnmeester vrezen? Bvendien wacht een versterkende drank: de toekomstige
dollarhulp wordt geraamd op $ 300 millioen.
Strak klonk ook het economisch programma van het
nieuwe Belgische kabinet. Tegenover de credietverlening
aan de Europese Betalingsunie – de creditpositie van
België is één opgaande lijn – zal terughouding wor-den betracht; werkloosheid in Vlaanderen noopt tot
investeren in eigen land. Portugal daarentegen beziet de
opgaande credietlijn met een ander oog; het heeft besloten
de handel met Europese partners volledig te liberaliseren.
•Nog royaler kan Zweden zijn, het heeft besloten af te zien
van dollarhulp; zo was er eens een goed jongetje met veel
gulle familieleden, die tegen de bezoekende Sint-Nicolaas
zei: ,,Geef u nu maar wat aan andere kindertjes, ik heb,
genoeg gehad”.

Genoeg, onbekende term voor economisten. Er is tekort
aan steenkool. Nederland hoopt er iets bij te krijgen door een overeenkomst met West-Duitsland, waardoor onder-
grondse grensoverschrjding – zonder illegaliteit – moge-
lijk wordt. Doch die steenkool moet eerst worden gedolven.
Daarvoor zijn mijnwerkers nodig, en dus huizen. Doch
daarover was de Minister van Wederopbouw – althans
globaal – wat lichter van gemoed. Misschien echter zal
de lichte frons van zijn financiële ambtgenoot over de
vindingriikheid der gemeentelijke adviseurs hem weer wat
bezorgder maken.
Waarmee de heersende gelaatsuitdrukking zou zijn her-
wonnen. Panmudjon, Egypte, Tunis, Perzië, indo-China,
het betekent één rimpel méér per bericht. ,,Wat zijt ge,
ô samenstel van Onbegrijpelijkheden? ô Schaakling van
gewrocht en oorzaak zonder end?” Aldus Bilderdijktot de wereld in t 786; het heeft iets troostends.

R. MEESI ZO
I
ONE
.
N

ANNO 1720

Bankiers
&
Assurantie-Makelaars

ROTTERDAM
• ‘s-Gravenhage, Delft, Sch iedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen ‘Assurantie)

Nationale Handelsbank, N.V

Ansterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhago

Alle Bank- en Effectenzaken

Abonneert U op

DE ECONOINIST
;

Maandblad onder, redacüe van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P. B. Kreukniet, Prof.
H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs f 22.50; fr. p. post f 23.60;

voor studenten
f
19.—; franco per post
f
20.10

Abonnementen worden aangenomen door de

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEM

• Aan het Secretariaat van de Kamer van Koop-
handel en Fabrieken voor Friesland is plaats
voor een

ECONOMISCHE MEDEWERKER

bij voorkeur doctor of doctorandus in de econo-
mische wetenschappen, niet ouder dan 30 jaar.

Eigenhandig geschreven sollicitaties te rich-
ten tot de Secretaris der Kamer, Willemskade 29,
Leeuwarden.


niversen

CITROËN

’49, nw. grijs gespoten; ge-
revicleerde
motor;
kachel,
imperiate, enz. Aan particu-
lieren. Van Ogtrop, 35 Ed:
weg, Blaricum, Tel., Laren
3383.

Koninklijke

Nederlandsche

Boekdru kkerlJ

H. A. M. Roehints

Schiedam

met papier geïsoleerde kabels

voor zwakstroom en sterkstroom

koperdraad en koperdraadkabel

kabelgarnituren, vulmassa en olie

ABELFABRIEK

DELFT…

01

74

30 Januari 1952

ECONOMISCH-STA TISTISCHE BERICHTEN

75

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK
Drs S. C. BAKKENIST, Het verloop van de consumptie in
Nederland na Juni 1950.

In deze analyse van de recente ontwikkeling van de
Nederlandse consumptie worden het verloop van de
consumptie en de betekenis van de consumptiebeperking
in de eerste plaats bezien vanuit de gezichtshoek van de
handel en meer in het bijzonder van de detailhandel.
Op grond van het beschikbare cijfermateriaal is het op
dit moment nog niet mogelijk, vast te stellen in hoeverre de gewenste consumptiebeperkirig reeds is gerealiseerd. Wel kon een prognose worden samengesteld ten aanzien
van de invloed, die deze consumptiebeperking zal hebben
voor de detailhandel. Daarbij valt in het oog, dat de ge-
volgen voor bepaalde sectoren van de detailhandel van
veel meer betekenis zullen zijn dan voor andere. De voe-
dings- en genotmiddelensector zal betrekkelijk weinig last
van de consumptiebeperking ondervinden. Het zwaarte-
punt van de consumptiebeperking zal komen te liggen
bij de handel in duurzame verbruiksgoederen. De detail-
handel in duurzame verbruiksgoederen ziet niet alleen
door het tijdelijk wegvallen van de vraag de omzetten
teruglopen, doch voor deze sector van de handel als geheel
gezien mag men ook voor de naaste toekomst niet op een
herstel van de toestand 1949/1950 rekenen. Ook ten aanzien
van de financiering is de detailhandel in duurzame con-
sumptiegoederen in een minder gunstige positie dan de
detailhandel in voedings- en genotmiddelen.
Drs J. HARTOG, Crisis der conjunctuurpolillek?

De rector rnanificus van de Nederlandsche Econo-
mische Hoogeschool, Prof. Dr H. J. Wïtteveen, heeft ter
gelegenheid van de dies natalis van deze hogeschool op
8 November 1951 een rede gehouden, getiteld ,,Crisis der
conjunctuurpolitiek”, in welke rede hij, behalve theoretische
beschouwingen over conjunctuurpolitiek, ook een streng oordeel heeft uitgesproken over het door de Nederlandse
Regering sinds de bevrijding gevoerde economisch beleid. Schrijver geeft in dit artikel critiek op de door Prof. Witte-
veen gehanteerde conjunctuurtheorieën en op de wijze,
waarop Prof. Witteveen zijn conjunctuurtheorieën toepast.
Volgens schrijver is Prof. Witteveens critiek op het na-
oorlogse beleid van de Overheid weinig geslaagd.

Jhr Mr W. J. M. VAN EYSINGA, Verhouding tussen de
Wet Goederen vervoer Binnenscheepvaart en de Rijn-
vaartacte.

Naar aanleiding van het artikel van Prof. Mr Dr J. P.
A. François: ,,De verenigbaarheid van de Wet Goederen-
vervoer Binnenscheepvaart met de Rijnvaartacte” in
,,E.-S.B.” van 9 Januari
1952,
geeft schrijver in dit artikel,
in antwoord op een hernieuwde vraag van de voorzitter
van de Kamer van Koophandel en Fabrieken .voor Rot-
terdam, zijn oordeel over de Wet Goederenvervoer Binnen-
scheepvaart en de Rijnvaartacte.

Drs A. BATENBURG, De publieke kapitaalmarkt in 1951

In dit artikel, dat een overzicht van de publieke kapitaal-
markt in 1951 geeft, wordt allereerst aandacht geschonken
aan de veranderingen, die in de rentestand zijn opgetreden.
Met name wordt ingegaan op de methoden, die de ge-
meenten hebben gehanteerd om de benodigde gelden (o.a.
voor de woningbouw) aan te trekken zonder in strijd te
komen met het officiële rentegamma. Wat dit punt betreft stelt schrijver, dat, wanneer de gemeenten op de publieke
kapitaalmarkt weer in concurrentie moeten kunnen treden,
een veranderd rentegamma dan niet te star zal kunnen
worden toegepast. Men dient te aanvaarden, dat een

verhoging van de rente van de wonigbouwleningen de
exploitatielasten en daarmede het huurpeil verder in
ongunstige zin zal beïnvloeden. Uit een overzicht van de in 1951 uitgegeven obligaties en aandelen, mcl. reeds op
emissievoorwaarden geplaatste bedragen, blijkt duidelijk,
dat in de aandelensector de emissiebedrijvigheid in 1951
aanzienlijk groter is geweest dan in 1950. Ter sprake komen
voorts de volgende onderwerpen: het koersbeloop in 1951,
de sinds kort weer toegestane belening van effecten, de in
1951 tot stand gekomen Wet op de Herkapitalisatie en de
invloed van de effectenarbitrage.

-. SOMMAIRE –

Drs S. C. BAKKEN!ST, L’évolution de la consonimation
aux Pays-Bas après juin 1950.

Dans cette analyse du développernent récent de la
consommation aux Pays-Bas on examine l’évolution de
la consornniation et la signification de la restriction en
matière de consommation, en premier lieu du point de
vue du corn merce et plus particulièrernent sous l’angle
du commerce de détail. Eu égard aux chiffres disponibles,
il n’a pas encore été possible de déterminer dans quelle
mesure la restriction a été réalisée. Toutefois un pronostic
a été établi en ce qui concerne l’influence de cette restriction
sur le commerce de détail.

Drs J. HARTOG, Crise en nzatière de politique de con-
joncture?

A l’occasion du dies natalis de la Nederlandsche Econo-
mische Hoogeschool le 8 novembre 1951 le Prof. Dr H.
J. Wïtteveen a prononcé un discours intitulé ,,Crisis der
conjunctuurpolitiek”. Dans cette harangue le conférencier
a traité des considérations théoriques relatives á la poli-tique de conjoncture; en outre II a formulé un jugement
sévère concernant la politique éconornique appliquée par
le gouvernement néerlandais depuis la libération. L’auteur
de cet article.. critique les dires au sujet des théories de
conjoncture ainsi que la manière dont le Prof. Witteveen
applique ces théories. L’auteur est d’avis que la critique
du Prof. Witteveen sur Ja politique d’après guerre du
gouvernement néerlandais n’â guère réussi.

Jhr Mr W. J. M. VAN EYSINGA, La relation entre la Loi
Goederenvervoer Binnenscheep vaart et l’Acte de Mann-
hein,.

Déférent â l’insistance du Président de la Kamer van
Koophandel en Fabrieken de Rotterdam, l’auteur de cet
article expose son opinion sur la relation entre la Loi
Goederenvervoer Binnenscheepvaart et l’Acte de Mann-
heim se référant â l’étude du Prof. Mr Dr J. P. A. François
intitulée ,,La compatibilité de la Loi G.B.S. et l’Acte de
Mannheim”, publiée dans l’,,E.-S.B.” du 9 janvier dernier.

Drs A. BATENBURG, Le marché public des capitaux
pendant 1951.

Dans cet article, donnant un aperçu du marché public des capitaux pendant 1951, l’auteur attire e.a. l’attention
sur les points suivants: les changements qui se sont pro-
duits relatifs au taux; l’activité en matière d’émissions tant
en ce qui concerne les actions que les obligations; l’évolu=
tion des cours; la mise en gage des actions; la bi concer-
nant la réorgamsation du capital des entreprises; l’in-
fluence de l’arbitrage des valéurs.

76

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30
Januari 1952

Het verloop van de consumptie in Nederland na Juni 1950

Een analyse van de recente ontwikkeling van de Neder-
landse consumptie moet noodzakelij kerwijze het uitbreken
van het conflict in Korea aangrijpen als uitgangspunt.
Immers, vele factoren, die het verloop van de consumptie
in belangrijke mate beïnvloed hebben, vinden, hetzij direct,
hetzij indirect hun oorzaak in de politieke en economische
nasleep van dit conflict. De economische en politieke
ontwikkeling bracht immers via ongunstiger worden van
de ruilvoet een ernstige passiviteit van de betalingsbalans
met zich. Als gevolg van de ongunstige betalingsbalans
en gezien het feit, dat een bewapeningsprogramma dient
te worden uitgevoerd, drong zich de noodzaak van een
beperking van de consumptie op.
De consumptiebeperking wordt veelal, en dit is begrij-
pelijk, uitsluitend beschouwd als een vraagstuk van be-
hoeftenbevrediging van de consument; daar ligt ook het
zwaartepunt van de problematiek. Een ander aspect
van deze consumptiebeperking, iii. de inkrimping van de activiteit van het bedrijfsleven, voor zover dit werkzaam
is ten behoeve van de civiele sector, wordt als gevolg daar-
van min of meer op de achtergrond gedrongen.
In de huidige situatie is de beperking van de bedrijvig-heid van de industrie in het algemeen een zaak van tijde-lijke aard. Aangenomen mag immers worden, dat de Ne-
derlandse industrie zal worden ingeschakeld bij de uitvoe-
ring van het bewapeningsprogramma, zodat in plaats van
een inkrimping van de activiteit gesproken kan worden van
een omschakeling van activiteit. Bepaalde sectoren zullen
evenwel van deze compensatie niet profiteren. Tenslotte
moet de uitbreiding van de productie in de ene richting
gaan ten koste van de andere richtingen.

Voor de handel, zowel voor de distribuerende groothan-
del als de detailhandel, is dit van essentieel belang. Immers,
in deze delen van de bedrijfskolom kan er geen sprake
zijn van een omschakeling van de civiele op de militaire
vraag; de inkrimping van het volume van het verbruik
van de civiele consument betekent onmiddellijk een even-
redige inkrimping van de omzet in hoeveelheden. Welis-
waar zal deze contractiebeweging gedeeltelijk kunnen
worden gecompenseerd doordat het verkleinde volume
tegen een hogere prijs wordt verkocht, maar zelfs wanneer we rekening houden met deze hogere prijzen blijft het nog eeti open vraag, of de handelsbedrijven individueel gezien
hun omzet zullen kunnen handhaven.
Immers, wanneer de prijs relatief minder sterk stijgt
dan de afneming van de omgezette hoeveelheid, zal de to-
tale omzet gaan teruglopen; een verschijnsel, dat zich in
bepaalde delen van de detailhandel dan ook ongetwijfeld
zal gaan voordoen. Tengevolge van de Prijzenbeschikking
Handelsmarges 1951 kan zelfs bij gelijk gebleven of toe-
genomen geldomzet de nettowinst dalen.
In het onderstaande zullen wij het verloop van de con-
sumptie en de betekenis van de consumptiebeperking in
de eerste plaats bezien vanuit de gezichtshoek van de han-
del en meer in het bijzonder de detailhandel.
Ter vergemakkeljking van de bespreking der ver

schijnselen zal een onderscheid gemaakt worden, tussen de
handel in duurzame consumptiegoederen enerzijds en de
handel in voedings- en genotmiddelen anderzijds.
De betekenis van deze onderscheiding wordt o.a. dui-
delijk, wanneer wij in het oog houden,-dat de handel in
duurzame consumptiegoederen na 1949 nog moest voldoen
aan de niet verzadigde inhaalvraag naar duurzame con-
sumptiegoederen als gevolg van de door de oorlog ontstane
tekorten. Bij de handel in voedings- en genotmiddelen speelt
deze inhaaivraag uit de aard der zaak geen rol.
De situatie in de consumptiesector op het moment
van het uitbreken van het conflict in Korea, kan als volgt
worden getypeerd:

De omzetten van voedings- en genotmiddelen vertonen
tegenover 1949 nôg een langzame stijging, hoofdzakelijk
als gevolg van het doorwerken van de gevolgen der

devaluatie van September 1947 op het binnenlandse
prijsniveau. Het omgezette volume, dus de hoeveelheid
goederen, lag in de eerste 4 maanden van
1950
ongevèer
3
pCt lager dan in 1949.
De teruggang van het volume is in de sector van de duurzame consumptiegoederen minder sterk dan in
de sector van de voedings- en genotmiddelen. De
invloed van de inhaalvraag deed zich nog zo sterk
gevoelen, dat de consument, althans in dit stadium,
vrijwel niet op de prijsstijging als gevolg van de deva-
luatie reageerde.

Een algemeen beeld van de ontwikkeling geven de
onderstaande cijfers.

Volume van de consumptie (1947=100).

1949
1

1950

Januari
……… .

……………………..
99 97
Februari
. ……………………………..
92
90
101

..
..
98
Maart

…………………………………
April
…………………………………
104
100

Ten gevolge van de gebeurtenissen in Korea maakte
zich van de consumentenmassa een angstpsychose meester,
die zich, in de eerste plaats ontlaadde in een hamster-
woede in de levensmiddelensector. De omzetten in deze
branche vertoonden dan ook vrijwel onmiddellijk een be-
langrijke stijging, zodat het omzetcijfer over de periode
Juli t/m September, dus juist na Korea, ongeveer 17 pCt
hoger lag dan in de drie daaraan voorafgaande maanden.
In October, toen de politieke en militaire ontwikkeling
zich min of meer stabiliseerde, nam dit hamsteren echter
zeer snel af en ging de consumptie zich meer op normaal
niveau bewegen.

Ook de omzetten in de sector der duurzame consumptie-
goederen ondergingen de invloed van het conflict in Korea.
De onderstaande omzetstatistiek geeft hiervan een dui-
delijk beeld. –

Omretten duurzame ronu,np/,e.
(oe
d
eren
in de detailhandel.
(in mln gids)

1949

1950

textiel

overige totaal

textiel overige totaal

162

129

291

204

156

360

Juli
…………….
103

113

216

141

125

266

Augustus
…………
147

120

267

241

161

402
September
……..
Totaal

412

362

774
1
586

442

1.028

Het zwaartepunt van de hamsterwoed voor duurzame consumptiegoederen heeft gelegen in September. Dat
houdt in, dat het publiek voor dit deel van de consump-
tiegoederen vrij traag op het conflict in Korea heeft
gereageerd.

De belangsteffing van het publiek heeft zich blijkens de cijfers in hoofdzaak geconcentreerd op de textielsector.
In deze sector lag de omzet over de periode Juli t/m
September 1950 meer dan 42 pCt hoger dan de omzet
over dezelfde periode van 1949. Voor de overige duur-zame consumptiegoederen was de stijging veel minder
markant; deze bedroeg 22 pCt.
Deze speciale belangstelling voor de textielsector bij de consument is zonder twijfel te verklaren uit het feit,
dat de gemiddelde consument in de laatste wereldoorlog aan den lijve heeft ondervonden, welk stringent verband
er kan bestaan tussen de politieke en militaire gebeurte-
nissen en de textielvoorziening.
In het voorafgaande hebben we ons beperkt tot de sti-

30 Januari
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

77

mulans, die de ontwikkeling van het conflict in Korea
uitoefende op de omzetten in de detailhandel. Inmiddels voltrokken zich echter onder de invloed van
de strategische voorraadvorming door de leden van het
Atlantisch Pact, belangrijke wijzigingen in de wereldmarkt.
Immers, deze voorraadvorming en vooral de wijze waarop deze voorraadvorming markttechnisch tot uitvoering werd
gebracht, hd tot gevolg dat het prijspeil voor grondstof-
fen op de wereld markt zeer snel opliep.
Deze spectaculaire stijging van de grondstoffenprijzen interesseerde niet alleen degenen, die uit hoofde van hun functie direct bij de stijging betrokken waren, doch werd
vooral als gevolg van de berichtgeving ook binnen de on-
middellijke belangstellingssfeer van de consument gebracht.
Op zichzelf is deze belangsteffing van de gemiddelde con-
sument voor deze prijzenbeweging op de wereldmarkt
– een prijzenbeweging die hem op dit moment slechts zijdelings zou kunnen raken – reeds een merkwaardig
verschijnsel.
Deze belangstelling van het grote publiek voor het in-
ternationale economische gebeuren is momenteel in het algemeen veel intenser dan dit voor de oorlog het geval
was. Deze belangstelling komt niet voort uit toevallige
factoren; zij hangt samen met een wijziging in de levens-
houding van de consument. De consument heeft in de
afgelopen decennia duidelijk aan den lijve ervaren hoe
sterk de internationale gebeurtenissen de eigen levens-
standaard kunnen beïnvloeden. Daarnaast dient te worden
opgemerkt, dat de vakbeweging er geleidelijk aan in is
geslaagd de georganiseerde arbeider te doordringen van
de betekenis, die de economische gevolgen van de gebeur-
tenissen, buiten zijn eigen kring, kunnen hebben voor zijn
.persoonljk leven.
Droeg de belangsteffing van het grote publiek voor deze
prjsbewegingen in de aanvang wellicht een platonisch
karakter; al spoedig ging de consument zijn eigen eco-
nomische belangen in verband brengen met de prijsstij-
gingen op de internationale grondstoffenmarkt. Uit
angst voor de doorberekening van de hogere grondstof-
fenprijzen in de prijs van de eindproducten, die de consu-
ment over enige tijd in de winkel zou zien verschijnen,
ging deze er toe over die duurzame consumptiegoederen,
waaraan eerst in de meer of minder jiabije toekomst be-
hoefte zou zijn, direct aan te schaffen.
De consument anticipeerde dus op zijn toekomstige
behoeften. Oorspronkelijk had men hier te doen met een
incidenteel besluit van bepaalde consumenten maar al spoedig kwam de gehele consumentenmassa onder de
greep van dit verschijnsel, zodat zich naast de normale
vraag naar duurzame consumptiegoederen een ruime vraag
ontwikkelde, die wij anticipatievraag kunnen noemen. Deze anticipatievraag beperkte zich uiteraard tot die
duurzame consumptiegoederen, waarvan de consu-
ment – op grond van de persberichten omtrent grond-
stoffenprijzen met daarbij behorende commentaren – de
verwachting had, dat er in de naaste toekomst een belang-
rijke prijsstijging zou optreden. Waarschijnlijk is hierbij
ook sprake geweest van een versneld inhalen van de
oorlogsachterstand.
Het is de vraag in hoeverre het publiek zich bij deze
anticipatie-aankopen – die in hoofdzaak gebaseerd waren
op de vrees voor prijsstijging, al speelde ook de vrees voor
oorlog een rol – voldoende gerealiseerd heeft, dat een
prijsstijging van grondstoffen slechts gedeeltelijk en ge-

Volume-prjjsindices voor duurzame consumptiegoederen.
(1947

100)

Volume-indices

Prijsindices

1950 i 1951

1950
1
1951

Januari

………………………
109

126

112

130

Februari ……………………..91

113

113

136
.
Maart

……………………..07

121

114

143

leidelijk tot uitdrukking komt in de prijs van het eindpro-
duct.

Met voorgaande tabel is de grootte van de anticipatie-
vraag naar duurzame consumptiegoederen na de eerste
hamstermaanden duidelijk geïllustreerd.
Uit bovenstaande cijfers blijkt, dat een stijging van het
prijspeil gepaard ging met een stijging van de volume-
index. Een dergelijke reactie – in het voorgaande is hierop
reeds de nadrukgelegd – valt slechts te verklaren, wanneer
men in gedachte houdt, dat het publiekeen nog grotere
prijsstijging verwachtte. In zekere zin, d.w.z. binnen be-
paalde grenzen, vormde de reeds opgetreden prijsstijging
voor het publiek een stimulans om te gaan anticiperen
op de verdere prijsstijging.
In Maart 1951 deelde de Regering mede, dat het met
het oog op de offers, die de defensie in de komende jaren
zou vragen, noodzakelijk zou zijn zowel de investeringen
als de consumptie in te perken. Bij de aanduiding van de
omvang van deze consumptiebeperking werd een ver-
laging van de consumptie met
5
pCt als desideratum ge-
noemd.

Deze consumptiebeperking zou op directe wijze in de
hand worden gewerkt door de opvoering van de belasting-
druk. Daarnaast wenste men de beperking van de consump-
tie op indirecte wijze te bevorderen door vergroting, resp.
handhaving van de spanning tussen lonen en prijzen.
De eerste prijsverhogingen, t.w. die, welke volgden op
de afschaffing van de subsidie op de grondstoffen beno-
digd voor verschillende belangrijke voedingsmiddelen,
werden onmiddellijk doorgevoerd. – De gezinsverbruik-
index’ (een kostenindex) voor voedingsmiddelen steeg dan ook van Maart tot April 1951 van 113 tot 122, een stijging
dus van bijna 8 pCt.

Teneinde de consument de gelegenheid te geven deze
schok op te vangen en anticiperende op de volgende maat-
regelen, waarvan een prijsverhogende invloed zou pitgaan,
werden de lonen met
5
pCt verhoogd.
Tezelfdertijd bleek het vormen van grote strategische
voorraden enigszins tot staan te zijn gekomen. Er trad
op de wereldmarkt een ontspanning op, die vrijwel onmid-
dellijk het sterk opgeschroefde prijsniveau van verschil-
lende artikelen beïnvloedde. De prijsstijgingen kwamen tot
staan,
terwijl
er in Mei 1951 zelfs al van een lichte terug-
gang kon worden gesproken.

De stijging van de prijzen van de voedingsmiddelen
enerzijds en het wegvallen ‘van de vrees voor verdere
prijsstijging, nu het prijsniveau op de wereldmarkten af-
brokkeling vertoonde, leidde er toe dat er een geheel
nieuwe marktsituatie ontstond.
Daarmede verdween tevens de grond voor de antici-
patievraag naar duurzame consumptiegoederen; de grond-
stoffenprijs was immers tot staan gekomen, de tendentie
tot daling van het prijsniveau was zelfs aanwezig en voor
een prijsstijging van de eindproducten, zo redeneerde althans
de consument, behoefde niet meer te worden gevreesd.
Niet alleen de anticipatievraag verviel, doch ook de nor-
male vraag viel terug beneden het normale niveau; de
aanschaffingen, die onder het motto van anticipatie op
de prijsstijging tot stand waren gekomen, weerhielden de
consument nu van normale aankopen. Dit is eenvoudig
verklaarbaar, wanneer wij rekening houden met het karakter
van deze anticipatievraag. Het betrof hier immers duur-
zame consumptïegoederen; gezien de aard van de artikelen
moet een belangrijke uitbreiding van de aankopen boven
het normale niveau in een bepaald tijdvak noodzakelijker-
wijze gevolgd worden door een inkrimping van de aan-
kopen op een ander moment, aannemende dat er geen wij-
ziging is opgetreden in de mate van behoeftebevrediging
van de consument en er geen grote achterstand meer is.
Onderstaande tabel illustreert de inkrimping van de
vraag naar duurzame consumptiegoederen.

78

ECONOMISCH-StATISTISCHE BERICHTEN

30
Januari
1952

Omzetten in duurzame consump/iegoederen.

op zijn reserve, d.w.z. hij diende tot ontsparing over te

(1947 – 100)

gaan.
De omvang van deze ontsparing blijkt uit onderstaande
• Volume-indices

Prijs-indices

Omzelten-indicei

tabel.
1951
1951 1951
in pCt
in pCt
in pCI
1950
1951
van
1950
1951

van
1950
1951
van
1950
1950



1950

Januari
109
126
i

116
112
130
116 122
164
134
Februari
91
113 124
113
136
119 103 153 149
Maart
107
121
113
114
143
126 122
173
142
April
115
94
92
114 147
129
131
138
105
Mei
127
99
78
114
143
126
145
142
98
Juni
109
89
82
114
141
124 124
125
101
Juli
142
106
75
115 137
110
162
145
90

Bij de beoordeling van deze tabel dient het volgende in aanmerking te worden genomen:

Voor de vergelijking met de overeenkomstige maand
van het vorige jaar behoeft men bij de beoordeling van
het verloop van de volume-indices- de seizoenfactor
niet meer te elimineren.
De volume-index bewoog zich in de eerste maanden
van 1951 ver boven het niveau van
1950.
In April 1951
zette zich echter als gevolg van het tot staan komen van de prijsstijging op de wereldmarkt een daling in de ver-
kopen in.

In weerwil van de na April 1951 opgetreden prijsdaling
(zie prjs-indices) bleef de omzet in hoeveelheden verder
dalen. Men kan zelfs stellen, dat deze prijsdaling de kopers verder tot voorzichtigheid heeft aangezet. In
afwachting van verdere prijsdaling is de consunent
zijn aankopen gaan uitstellen.
De detailhandel kon over de eerste maanden van 1951
bogen op omzetten, die ca 40 pCt boven het niyeau van
1950 lagen. Ten opzichte van 1950 waren de prijzen
belangrijk gestegen, terwijl ook het niveau van de ver

kochte hoeveelheden belangrijk boven het normale lag.
In verschillende branches had evenwel de handel, ener-
zijds onder de invloed van de gestegen vraag van de con-
sumenten en
anderzijds
als gevolg van verwachtingen om-
trent verdere prijsstijgingen, grote voorraden ingeslagen,
hetgeen een grote, soms veel te grote belasting van de li-
quiditeitspositie met zich bracht.
Toen de vraag van de consumenten terugliep en de anti-
cipatie-aankopen betaald moesten worden, ontstonden
ernstige moeilijkheden, welke tot geforceerde liquidatie
voerden. Deze uitverkopen hebben er hoogst waarschijh-
lijk toe bijgedragen de haussespeculatie van de consument
in een baissespeculatie om te zetten.
In April 1951 keerde het tij dan ook vrij plotseling;
dalende prijzen en sterk dalende omzetten in hoeveel-
heden veroorzaakten tezamen een rigoureuze inkrimping
van de omzetten. Het peil van de omzetten lag voor Juni/Juli 1951 beneden dat van de overeenkomstige
maanden van 1950 en men mag gevoeglijk aannemen, dat
deze tendentie zich gedurende Augustus en. September
heeft gehandhaafd. Hierbij moet men evenwel in het oog
houden, dat de omzetten in de maanden Juni/Juli 1950
relatief hoog waren.

Men ziet deze omzetdaling van 10 pCt eerst in de juiste
proporties, wanneer men er rekening mede houdt, dat
van Juli1950 tot Juli 1951 twee loonsverhogingen van ieder
5 pCt zijn toegekend, zodat een handhaving van de omzet
op het peil van 1950 reeds een relatieve teruggang zou
hebben ingehouden. –
De betekenis van de anticipatie-inkopen van duurzame
consumptiegoederen in de hausseperiode kan behalve aan
het omzettenverloop in de detailhandel worden gedemon-
streerd aan de
wijze,
waarop de consument deze aankopen heeft gefinancierd. Het was immers de gemiddelde consu-
ment niet mogelijk deze aankopen uit de lopende inkom-
sten te financieren; de consument diende een beroep te doen

Overzicht van liet verschil tussen inlagen en terugbetalingen
bij spaarbanken.
(in mln gids)

Kwartaal

1949

j

1950

1951

1

………………………

.+18

+37

—84
11

……………………..


.

15

+ 25

– 52

III
……………………..

..
+

9

—93

1V
……………………..

.-
4

—16

De totale omvang van de ontsparingen blijkt eerst dui-
delijk, wanneer men in aanmerking neemt, dat als gevolg
van de ontsparingen in deze periode het totaal van de te-
goeden bij de spaarbanken in het tijdvak van Juni 1950
tot Juni 1951 met bijna 10 pCt is verminderd.
In Juli 1951 lag het niveau van de terugbetalingen nog
boven het niveau van de inlagen, Augustus gaf voor het
eerst weer hogere inlagen te zien dan terugbetalingen.
Uit de aard der zaak is het aan de hand van dit gegeven
niet mogelijk vast te stellen of hier sprake is van een inci-
denteel gunstige maand, dan wel van een werkelijk keren
van het tij, in ieder geval wijst het op een kentering.
Bezien we tenslotte het verloop van de consumptie in
totaal.

Volume-indices van consumptie en gezinsverbruik. (1950 = lOO).

Volume-index

Gezinsverbruik-

Consumptie

index

1951, le kwartaal

100

106
1951, 2e kwartaal

92

.112
Juli 1951

98

1

lii

Deze cijfers geven aanleiding tot de volgende opmer-
kingen:

De index van het gezinsverbruik in geld steeg van het eerste kwartaal 1951 naar het tweede kwartaal
1951 van 106 tot 112, een toeneming dus met bijna 6 pCt. Einde Maart 1951, dus aan het begin van het
tweede kwartaal werd een loonsverhoging toege-
kend, zodat mocht worden aangenomen, dat de
spanning tussen lonen en prijzen althans gedurende
het tweede kwartaal 1951 nog niet was toegenomen.
De consumptie beweegt zich blijkens de volume-
index van de consumptie in dalende richting. Deze
daling van het verbruik houdt echter niet volledig
een reële consumptiebeperking in. Voor een belang-
rijk deel is hier ook sprake van de gevolgen van de
daling van de anticipatievraag naar duurzame con-
sumptiegoederen, waardoor de omzetten speciaal in deze sector ver beneden het normale niveau zijn ge-
daald.

Uit de aard der zaak waren de maatregelen, die de
Regering zich in Maart jI. voorstelde door te voeren, ten-
einde tot de inperking van de consumptie te geraken, in
Juli nog niet alle doorgewerkt,.terwijl de beschikbare
indices van de consumptie door verschillende incidentele
factoren zijn beïnvloed. Derhalve is het op dit moment
nog niet mogelijk op grond van het bovenstaande cijfer-
materiaal vast te stellen in hoeverre de gewenste con-
sumptiebeperking reeds is gerealiseerd.
Wel zal men met behulp van bovenstaande gegevens
een prognose kunnen samenstellen ten aanzien Yan de
invloed, die deze consumptiebeperking zal hebben voor
de detailhandel.
Daarbij valt onmiddellijk in het oog, dat de gevolgen
voor bepaalde sectoren van de detailhandel van veel
meer betekenis zullen zijn dan voor andere.

30Januari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

79

De voedings- en genotmiddelensector zal betrekkelijk
weinig last van de consumptiebeperking ondervinden.
Ook bij een toeneming van de spanning tussen lonen en
prijzen immers zal de consument in eerste aanleg geneigd
zijn ten aanzien van zijn verbruik van voedings- en genot-
middelen zijn levenspeil te handhaven.
Het zwaartepunt van de consumptiebeperking zal dus
komen te liggen bij de handel in duurzame verbruiksgoe-
deren. Ten opzichte van het peil van 1950 zullen de om-
zetten zonder twijfel teruglopen. Wij hebben hier niet te
doen met een tijdelijk verschijnsel, als het ophouden van
de vraag onmiddellijk na een vlaag van koopwoede, zoals
in het tweede kwartaal van 1951 kon worden geconstateerd.
Integendeel, hier is sprake van een structureel verschijnsel,
dat nauw samenhangt met enerzijds de militaire inspan-
ning, die Nederland zich als gevolg van het oorlogsgevaar
moet getroosten, en anderzijds met het slechter worden van onze ruilvoet, die al even nauw samenhangt met de

militaire krachtsinspanning van de deelnemers aan het

Noord Atlantisch Pact.
Dit houdt dus in, dat de detailhandel in duurzame
verbruiksgoederen niet alleen door het tijdelijk wegvallen
van een deel van de vraag de omzetten ziet teruglopen,

doch dat men voor deze sector van de handel, als geheel
gezien, ook voor de naaste toekomst niet op een herstel

van de toestand
194911950
mag rekenen.
Niet alleen ten aanzien van de omzetten zijn de ver-
wachtingen voor de detailhandel in duurzame consurnptie
goederen aanmerkelijk ongunstiger dan voor de detail-
handel in voedings- en genotmiddelen, ook ten aanzien
van de financiering is men in een minder gunstige positie.
Als gevolg van de veel lagere omloopsnelheid van de
voorraden is men in veel sterkere mate dan in de voedings-
en genotmiddelenhandel afhankelijk van leveranciers-
crediet. De credietbeperkende maatregelen en de stijging
van de rentevoet doen hier dus ook sterker hun invloed
gevoelen. Daarnaast zal de consument, nu de spanning
tussen lonen en prijzen toeneemt, geneigd zijn om langere
crediettermijnen te vragen, resp. vaker dan voorheen
op afbetaling te gaan kopen.
Resumerende kunnen we zeggen, dat de detailhandel in het algemeen moeilijkheden zal blijven ondervinden
van de consumptiebeperking. Het zwaartepunt van de
consumptiebeperking zal echter zonder twijfel blijven
liggen in de detailhandel voor duurzame consumptiegoe-

deren.

Arnsterdanj.

Drs S. C. BAKJCENIST,

Crisis der conjunctuurpolitiek?

Inleiding.

De rector magnificus der Nederlandsche Economische
Hoogeschool, Prof. Dr H. J. Witteveen, heeft ter gelegen-
heid van de dies natalis van deze hogeschool een rede ge-
houden, getiteld ,,Cfisis der conjunctuurpolitiek”, in
welke rede hij behalve enige theoretische beschouwingen

over de conjunctuurpolitiek ook een streng oordeel uit-
sprak over de door de Nederlandse Regering sinds de
bevrijding gevoerde begrotings- en rentepolitiek
1).

Wat de lezer van zijn betoog vooral treft is de grote
stelligheid, waarmee Witteveen een ongunstig oordeel
uitspreekt over een zo uitermate complex geheel als het

begrotings- en rentebeleid, in Witteveens woorden de

conjunctuurpolitiek.
Naar mijn mening bevindt, ook in haar beste vorm, de
economische theorie zich nog in éen dermate primitief
stadium, dat men zeer voorzichtig moet zijn met het uit-

spreken van een o
r
d
ee
l
,
zelfs over slechts de economische

zijde van de handelingen diergenen, die feitelijk de beslui-
ten hebbenmoeten nemen. Dit blijft uiteraard des te meer
van kracht, wanneer die economische theorie, waaraan het
becritiseerde optreden wordt getoetst, ernstig tekort
schiet, vergeleken met wat als de reeds bereikte stand van
kennis beschouwd mag worden en dit is – weer volgens
mijn mening – zeer zeker met de door Witteveen ter sta-
ving van zijn oordeel gebruikte argumenten hèt geval.
Wanneer voorzichtigheid reeds geboden is bij de be-

oordeling van de economische aspecten van het optreden
van de Regering, geldt de noodzaak hiertoe uiteraard

des te klemmender, wanneer men zich niet
zeer nadruk-

kelijk
tot deze aspecten beperkt, maar integendeel de in-
druk vestigt het gehele regeringsbeleid aan een oordeel
te willen onderwerpen. Deze indruk wekt Witteveen inder-
daad, omdat bijv. het tussenzinnetje – ,,hoe wenselijk

misschien in andere opzichten”
2)
– te gemakkelijk ver-

loren raakt in een betoog van enige bladzijden en de be-
tekenis van die ,,andere opzichten” geen recht doet weder-
varen. Mijns inziens is de betekenis van die ,,andere op-
zichten” dusdanig ten opzichte van de betekenis van de
conjuncturele aspecten van het regeringsbeleid, dat het

mij zeker verdedigbaar lijkt, de relatieve aandacht besteed

)Deze rede is verschenen bij de Erven F. Bohn, Haarlem.
‘) Op een na de laatste alinea van blz. 20.

aan deze twee onderwerpen te verwisselen.
In het volgende zal schrijver dezes aannemelijk maken,
dat:
le. Witteveens conjunctuurtheorieën in essentiële on-
derdelen tekort schieten, wanneer zij gebruikt moeten
worden ter, be’oordelirig van de situatie, waarin Nederland

zich bevindt;
2e. het niet aangaat, een oordeel uit te spreken over
het in Nederland gevoerde beleid, gebaseerd op conjunc-
tuur-theoretische overwegingen, wanneer er niet tegelijker-

tijd
met nadruk
op wordt gewezen, dat onder de omstandig-
heden, welke feitelijk van kracht waren, andere overwe-

gingen een veel onmiddellijker en dringerder betekenis

hadden;
3e. de economische theorie zich nog in een dusdanig
stadium bevindt, dat zij de econoom als econoom slechts
in uitzonderingsgevallen in staat stelt tot het uitspreken

van niet zeer gequalificeerde oordelen.

Witte t’eens conjunctuur! heorieën.

Mijn bezwaren tegen Witteveens conjunctuurtheo-
rieën vallen in hoofdzaak uiteen in twee groepen: in de
eerste plaats bevredigt mij niet de wijze, waarop dezë
materie wordt gehanteerd en in de tweede plaats meen ik,
dat een conjunctuur-theoretisch beeld van een land als
Nederland essentieel onvolledig is, wanneer niet de be-
trekkingen met het buitenland in het centrum van de aan-

dacht komen te staan.

Opvallend ,,literair” is Witteveens behandeling van de
conjunctuurtheorie. Ofschoon de discussies op het ter-rein van de conjunctuurtheorie in wezen steeds quanti-
tatieve discussies zijn, komen in Witteveens rede slechts
3 getallen voor, ni. op blz. 22 het uitgaventotaal op de
begroting, een gedeelte van het bedrag der hierop betrek-
king hebbende bezuinigingen, benevens de verhoging van
de belastingopbrengst.
Men is het er ni. over het algemeen wel over eens, welke
invloeden in een discussie over het conjunctuurvraagstuk
moeten worden betrokken. Verschil van mening ontstaat
‘eerst, wanneer men de relatieve betekenis van deze invloe-

den moet gaan beoordelen.
Laten wij de behandeling van het rcnteproblecni een

80

ECONOMISCH-STATiSTISCHE BERICHTEN

30 Januari 1952

er uitlichten, omdat dit in het betoog zo’n belangrijke
plaats inneemt. Witteveen becritiseert de monetaire po-
litiek ook vanuit dit gezichtspunt (goedkoop-geidpoli-
tiek!). Hij meent, dat, hoewel op korte termijn de invloed
van de rentestand onbelangrijk mag zijn, de Overheid
rekening bad moeten houden met de repercussies op lange
termijn. Het vervelende is echter, dat niemand een exacte
voorstelling van de betekenis van deze invloeden op
langere termijn, die in verschillende richting kunnen Wer-
ken, heeft kunnen vormen.

Het kan inderdaad niet worden ontkend, dat de twee vertra-
gingen, waarôver Witteveen op blz. 7 spreekt, nl. de vertraag-

dereactie van de rente op de credietvraagen die van de in-
vesteringenop de rentestand, inderdaad zullen voorkomen.
Problematisch is slechts de betekenis, die wij moeten
toekennen aan de invloed, die zij uitoefenen. Tinbergen,
in zijn artikel over de verklaring van de interestvoet
3)

meent bijv., dat geheel andere vertragingen het dynamisch
karakter van de kapitaalmarkt bepalen. Slechts intensief
onderzoek van de beschikbare gegevens kan ons misschien
enige zekerheid geven, welke factoren, zonder het beeld
te verwringen, ter vereenvoudiging kunnen worden ver-
waarloosd en welke factoren essentieel zijn.
Dit inzicht nu mis ik ten enenmale in Witteveens
behandeling. Veel te veel gewicht wordt toegekend aan

overgesimplificeerde en ongetoetste theorieën. Het is
inderdaad zeer goed mogelijk, dat,de invloed op lange
termijn van de rentestand een andere is dan die op korte termijn. Dit probleem van het mogelijke verschil van de ,,long term” en ,,short term” elasticiteiten trekt momen-
teel op verschillend gebied van economisch onderzoek
sterk de aandacht. Tinbergen heeft in zijn genoemd artikel
de weg aangewezen, waarlangs hij meent, dat dit probleem
voor de kapitaalmarkt moet worden aangepakt. In plaats
van echter -te gaan onderzoeken hoe groot nu die ,,long
term” elasticiteit bijv. van het aanbod van besparingen
ten opzichte van het inkomen is, neemt Witteveen aan,
dat deze ,,long term” elasticiteiten inderdaad van beteke-
nis zijn. Hij geeft het problematische van dit alles aan
met vijf woorden – ,,maar wanneer dat zo is” -‘ welke
qualificatie (bovenaan blz. 7) verloren gaat in een betoog
van enige bladzijden, en begeeft zich- dan aanstonds in
uitweidingen over de ongewenste gevolgen en ,,essen-
tiële moeilijkheden”, welke deze vertragingen met zich
brengen. –

Citaten spelen in de meeste ,,literaire”.betogen een grote
rol. Zo ook bij Witteveen. Steeds wordt een bepaalde
bewering gestaafd door het citeren van enige autoriteiten.
Ik ben mij bewust, dat ieder wetenschappeljk onderzoe-
ker uitgaat van hetgeen zijn voorgangers hebben bereikt.
Bij de exacte wetenschappen echter wordt het resultaat
van een voorganger slechts overgenomen, nadat het
herhaaldelijk ook door anderen experimenteel is getoetst.
Aanhalingen worden dan ierder slechts gebruikt om de
lezer het teruggaan tot het basismateriaal gemakkelijk
te maken en de schrijver het overnemen van de gehele
bewijsvoering te besparen. In de economische wetenschap
in het algemeen en bij Witteveens behandeling in het
bijzonder, krijg ik echter sterk de indruk, dat de aanha-
lingen tot taak hebben de lezer door het gewicht van de
aangehaalde autoriteiten op de knieën te brengen. Dat eçn dergelijke behandelingswijze vele gevaren met zich brengt, behoeft wel geen betoog. – Zeker nog zolang
in de economie niet de goede gewoonte bestaat, slechts
die opvattingen te publiceren, die met alle ter beschik-
king staande middelen getoetst zijn aan de feiten, blijft
veel ruimte tot verschil van mening bestaan. Het gevaar
is dan niet denkbeeldig, dat slechts die auteurs worden
aangehaald, welke opvattingen verkondigen, waarmee men
zich kan verenigen en waarbij wordt vergeten de lezers

3)
J. Tinbergen: ,,Explanation of interest rates” in ,,Quarterly Journal
of Economies”, Mei 1947.

attent te maken op die auteurs, welke een niet welgevaUige
mening zijn toegedaan.

Bovendien bestaat het gevaar, dat het citaat, uit zijn verband gelicht, gebruikt wordt om andere dingen aan
te tonen, dan de oorspronkelijke auteur bedoelde. Ter staving van zijn betoog over de betekenis van de
rentestand wordt bijv. de bekende Engelse econonlist
Sayers aangehaald met het weinig indrukwekkende citaat:
,,changes in the interest rate
may
have considerable effect
on business activity……. Het is wel te betreuren, dat Wit-
teveen zijn toehoorders alleen maar wees op deze uitla-
ting van Sayers; het betoog van deze laatste, onmiddel-lijk na het citaat gehouden, geeft een opsomming van de

factoren, die enerzijds er toe kunnen hebben geleid, dat
er in onze tijd weer reden is om meer betekenis aan de
rentevoet toe te kennen, terwijl andere factoren genoemd
worden, die er weer toe hebben bijgedragen om de hoogte van de rentevoet als minder relevant voor de investerings-
beslissing te ziçn. Sayers conclusie is dan kort gezegd ook,
dat het hier kan vriezen of dooien. ,,My impression is
that, for such reasbns as these, the efficacy of the interest
rate has changed and will go on changing continuously,
some forces tending to duil its edge while others sharpen
it”. Witteveen kiest evenwel voor de positieve betekenis
van de rentevoet.

Nog duidelijker komen de gevaren van het citeren naar
voren in de aanhaling van Colin Clark op blz. 18 – ter staving van Witteveens geloof in het slechter worden
van de ruilvoet ,,die ons land te verwachten heeft” – en
van het aantal socialistische schrijvers op blz. 16, welke

aanhaling dienen moet om de„politiek van latente in-
flatie” der Overheid nog scherper te kunnen veroordelen. Colin Clark spreekt inderdaad van een slechter worden
van de ruilvoet van industriële producten ten opzichte van
agrarische producten. Hoe deze bewering voor het Neder-
landse geval moet worden uitgelegd is echter problema-
tisch, omdat de Nederlandse uitvoer geen zuiver indu-
striële uitvoer is, maar voor ca 50 pCt uit agrarische
artikelen bestaat. Wat gelden mag- voor de Engelse ruil-
voet behoeft nog niet te gelden voor de Nederlandse.
De socialistische schrijvers worden op blz. 16 aangehaald
teneinde er de nadruk op te leggen, dat ook socialistische
schrijvers het prjsmechanisme als onmisbaar beschouwen.
Slechts weinig nadruk wordt er echter op gelegd, -dat
deze schrijvers een geheel andere prijsvorming op het oog
hebben dan iii feite ergens ter wereld bestaat, ni. het
prijsvormingsproces ,,dat zich
bij
volledige mededinging in een vrije verkeershuishouding zou ontwikkelen”.

Mijn tweede bezwaar tegen Witteveens behandeling
van de conjunctuurtheorie als door hem toegepast op de
Nederlandse omstandigheden, is zijn onvoldoend belichten van de nauwe banden, welke ons land met de buitenwereld
binden. Zoals uit vele econometrische onderzoekingen
bleek, en zoals zich ook wel zonder meer laat verstaan,
zijn het in ons land in het verleden vooral internationale
factoren geweest, die de conjunctuur bepaalden. Ook
tegenwoordig lijkt mij de aard van onze betrekldngen
ten opzichte van het buitenland wel dusdanig, dat het mij
zinloos lijkt, het te doen voorkomen, alsof de conjunc-
turele toestand in ons land in overwegende mate een func-
tie is van het overheidsoptreden ten onzent. Van veel
directer belang is de situatie op de wereldmarkt, vooral als bepaald door de Amerikaanse omstandigheden. Zo-
lang de Amerikaanse conjunctuur op een hoog peil blijft
gestabiliseerd, bestaat er weinig gevaar voor de Neder

landse conjunctuur. Het recente verleden leerde ons echter,

hoe gevoelig wij zijn voor de geringste terugsiag in de
Amerikaanse bedrijvigheid, zodat het naar mijn mening
een realistische conjunctuurpolitiek is, tezamen met de
andere Europese landen, die maatregelen te ontwerpen,
die ons kunnen beschermen tegen een eventuele terugsiag
in de Verenigde Staten. –

30 Januari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

81

Deze overwegingen zijn Witteveen uiteraard niet

onbekend. Op blz. 28 bovenaan zegt hij zelf: ,,al zou ook
dan een depressie waarschijnlijk niet ver kunnen door

werken, zolang de conjunctuur enerzijds een sterke grond-
slag zou behouden in defensie en export en anderzijds

door een zeer hoge import- en belastingquote bij elke be-
weging krachtig zou worden geremd”:
Volmaakt onbegrijpelijk is het mij dan, waarom hij
– er terecht van overtuigd zijnde, dat het conjunctureel
gevaar momenteel niet overmatig dreigend is – op con-
unctuur-theoretische gronden het overheidsbeleid op
scherpe wijze meent te mogen veroordelen. Was de Re-
gering niet geplaatst tegenover omstandigheden, welke
in betekenis het conjunctuurvraagstuk ver
1
overtroffen,

en is,het niet datgene, wat de Overheid in het licht van deze
omstandigheden heeft bereikt, wat gebruikt moet worden als maatstaf ter beoordeling van haar optreden?

Conjunctuurpolitiék en het overheidsbeleid.

Mijn voornaamste bezwaar tegen Witteveens rede is
dan ook, dat hij voortdurend het beleid van de Overheid
trekt binnen de kring van de conjuncturele beschouwingen,
terwijl dit beleid was afgestemd op een geheel andere en

veel dringender problematiek. Witteveen doet het voorkomen, alsof de moeilijkheden,
waarin de Nederlandse volkshuishouding in de na-oorlogse
periode verkeerde, het gevolg waren van een onjuiste

conjunctuurpolitiek
4).
Zoals maar al te bekend, kunnen
deze moeilijkheden kort worden samengevat in .de bewe-
ring, dat er een discrepantie bestaat tussen de productie-
mogelijkheden van de Nederlandse volkshuishouding ener-
zijds en de consumptieve eisen van de Nederlandse bevol-
king anderzijds, en zo gesteld, is het duidelijk, dat de oor-
zaak van dit verschil moeilijk kan worden gevonden in
de conjunctuurpolitiek op zich zelf. Een gehele reeks van
factoren heeft tot deze situatie bijgedragen, welke moeilijk
de belastingpolitiek van de Regering in de schoenen kan
worden geschoven. De beperktheid van onze productie-omvang vond aanvankelijk haar oorzaak in de gevolgen
van de oorlog, terwijl momenteel politieke (bijv. de acht-urige arbeidsdag, vrouwenarbeid), economische (bijv. de
grondstoffenpositie, ,,kapitaalschaarste”) en andere fac-
toren zijn toeneming tegenwerken. Dat anderzijds de
consumptie niet kan worden verlaagd mag niet alleen
worden toegeschreven dan de goedkoop-geldpolitiek en
aan de al of niet daar direct verband mee houdende hoge
regeringsuitgaven. Veel meer moet dit op rekening worden
geschreven van het gewijzigde politieke klimaat, van de
snelle groei van onze bevolking, van autonomiteit van
onze gemeenten, van onze verhoudingen tot Indonesië, van
de defensie, om slechts enkele factoren in een willekeurige
volgorde te noemen. De gevoerde begrotings- en rente-politiek moet men mijns inziens grotendeel zien als een
gevolg van deze omstandigheden. Men mit mijns inziens gevoel voor proportie, wanneer
rhen bijv. de ,,kostbare en ambitieuze plannen voor sociale
voorzieningen” rangschikt onder alle ,,conjuncturele fou-
ten”. Men kan deze maatregelen zien als de prijs voor de
in ons land heersende sociale rust, dus als een middel
tot productievergroting. Men kan ze ook zien als een
onderdeel van het regeringsprogramma, door de kiezers
aan de Regering opgelegd, maar het verraadt weinig
gevoel voor realiteit, deze maatregelen van conjunctureel
oogpunt uit af te keuren. Dat ten gevolge van vermindering van de beschikbare

) Blz. 21, einde van de tweede alinea

buitenlandse steun moeilijke aarpassingen noodzakelijk
kunnen worden is duidelijk en dat die aanpassingen moeten
worden gedragen door bepaalde personen of groepen per-
sonen is eveneens duidelijk. Voor zover dit de onderne-
mers zijn uit deze noodzaak tot aanpassing zich dan mis-
schien in zeer onpleizierige liquiditeitsmoeilijkheden;
voor zover het de consumenten betreft uit zij zich bijv.
in een verlaging van het reële loon, of in een verminderde
groei van de woningvoorraad; ‘voor zover het de arbeiders
betreft uit zij zich misschien in een noodzaak tot verhoogde
arbeidsinspanning. Maar kan men de oorzaak van dit
alles eenvoudig een verkeerde conjunctuurpolitiek noemen,
al heeft men zich beschermd met het ene, weer in het
betoog verloren gaande, tussenzinnetje ,,hoe wenselijk
misschien in andere opzichten”?

De stand van de economische wetenschap.

Maar geheel ongeacht zelfs de formele tekortkomingen’.
van zijn betoog, ben ik van mening, dat Witteveen in deze
redeneringen verder is gegaan dan hij als goed econoom
kan verantwoorden. De economie is in het geheel niet
rijp vqor de ,,sweeping generalisations”, welke zo dank-
baar door de politici worden aanvaard en waarvan de uit-
wassen zo onovertroffen door Melis Stoke en Kapitein Nemo in hun ,,Robinson Cruso-eiland” zijn geridiculi-
seerd. Wat moeten wij bijv. zeggen omtrent stellige uit-
spraken over de toeneming van de arbeidsproductiviteit,
terwijl wij er in de verste verte nog niet in geslaagd zijn
dit begrip op enigszins bevredigende wijze te meten? Dit laatste is weer eens duidelijk naar voren gebracht
door W. Duane Evans in een onlangs te Princeton gehou-
den voordracht, waarin hij uitvoerig de moeilijkheden
uiteenzette, verbonden aan het meten in de tijd van een
gecompliceerd begrip als de zich voortdurend wijzigende
voortbrenging van een land, terwijl ook het vraagstuk van
de meting van de verbruikte hoeveelheid arbeid bezaaid
is met voetangels en klemmen, nog geheel daargelaten
de dikwijls zeer grote onnauwkeurigheid van de te ver-

werken statistische gegevens.

In plaats van het geduldige geleerdenwerk, zo kenmer-
kend voor veel wetenschappelijke arbeid, verbonden aan
verdieping van ons inzicht in dergelijke quantitatieve ver-
houdingen, is het doen van stoutmoedige analyses en voor-
spellingen echter veel aantrekkelijker. Of de economische
wetenschap daar veel mee gebaat is, is echter een andere
vraag. Dit houdt niet in, dat de economist geen oordeel
over practische problemen mag hebben, in de praktijk
dienen besluiten te worden genomen en is hij het waar-
schijnlijk, die, vergeleken met de jurist, predikant, arbei-
dersleider, om slechts enkele groepen personen te noemen,
van de economische aspecten der onderhavige proble-
matiek het best op de hoogte is.
Als adviseur van de verantwoordelijke personen is hij
dus zeer zeker op zijn plaats, temeer omdat wâarschijnlijk
van verschillende economen advies zal worden ingewonnen,
zodat de verschillende standpunten voldoende zullen wor

den belicht en tegen elkaar afgewogen. Ook kan de eco-
noom als burger en politicus er uiteraard de meest uitge-
sproken ideeën op na houden, aangezien hij in deze functies
voor andere dan wetenschappelijke verantwoordelijk-
heden staat.
De econoom als geleerde echter past, zeker zolang
hij er nog niet in is geslaagd zich een voorstelling
te yormen van de mate van osizekerheid, waarmee
zijn beweringen behept zijn, slechts de grootste reserve.

Rotterdam.

J. HARTOG.

82

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30 Januari 1952

Verhouding tussen de Wet Goederenvervoer

Binnenscheepvaart en de
Rij
nvaartacte

In antwoord op een hernieuwde vraag van de voor-
zitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken

voor Rotterdam aan Jhr Mr W. J. M. van Eysinga
om naar aanleiding van het laatste artikel van Professor
François in dit weekblad
1)
zijn oordeel te mogen ver

nemen over de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart
en de Rijnvaartacte, heeft deze als volgt geantwoord.
Van de Juridisch Adviseur van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken was niet anders dan een scherp-
zinnig betoog te verwachten. Toch geloof ik, dat Pro-
fessor François geen goede zaak heeft verdedigd.
Onlangs heeft de Regering in verband met dc
Europese defensie zeer in het algemeen haar bereidheid
verklaard mede te werken aan de totstandkoming van

een volledige Europese federatie of confederatie.
Daarbij staat ook haar voor ogen de vèrgaande over-
dracht van zelfstandig heslissingsrecht, van souvereini-

teit aan internationale of als men wil supernationale
organen, zoals de ,,Europese Gemeenschap voof Kolen
en Staal” in het Schuman-tractaat voorziet. De ont-
wikkeling van de statenwereld in internationalistische
zin, die hier door onze Regering voorgestaan wordt, is niet nieuw. Zij bestond ook vroeger, zij het dat zij
toen niet zo intensief gepropageerd werd als thans.
Een voorbeeld uit vroeger tijd is de ,,Gemeenschap
der Rijnoeverstaten voor de vrije Rijnvaart”, zoals men
de door de Rijnartikelen van Wenen in 1815 op-
gerichte Rijnvaartorganisatie zou kunnen noemen. Ter-
wijl tot dien elke Rijnoeverstaat de vaart op het stuk
van de stroom, dat binnen zijn grenzen lag, souverein
kon regelen —
1
vrij toelaten, dan wel aan voorwaarden
binden, of ook verbieden – hief Wenen de souverei-
niteit der Rijnoeverstaters in zover op, dat voor het
goederenvervoer de stroom als een geheel zou zijn te
beschouwen, waarop een ieder volkomen Vrij zou
kunnen vervoeren. Voor het goederenvervoer op de
Rijn werd de oude souvereiniteit der oeverstaten op-
geheven. De vrijheid op de. internationale Rijnstroom
is slechts beperkt voor zover de thans ter uitvoering
der artikelen van Wenen geldende Acte van Mannheim
dat bepaalt, bijv. ter zake Van de douane, dan wel de
gemeenschappelijke politiereglementen ten behoeve der
algemene veiligheid voorzien (artikel 1 der Acte).
Nu is het opmerkelijk, dat onze Regering, die zoals
gezegd zich nog onlangs in zo onbewimpeld internatio-
nalistische geest heeft uitgelaten, en dat niet voor de
eerste maal, ten opzichte van de Rijnvaart dwars daar
tegen in de nationalistische koers blijft volhouden, die
sedert enige tientallen jaren haar voorliefde heeft. Zo
toen de wet betreffende de evenredige vrachtverdeling
in de binnenscheepvaart van 1933 Stbl.
251
als ook
voor de Rijnvaart geldend werd beschouwd. Een ander
voorbeeld is de in later jaren ingestelde zgn. Stop van
Lobith.
Gelukkig is er nog een Hoge Raad. Diens arresten
van 17 December 1934 en zeer inlangs dat van 25 Ja-
nuari van dit jaar hebben hun veto uitgesproken over
de nationalistische, soms door de Staten-Generaal ge-
volgde, Rijnvaarthouding der Regering.
Het is in het licht dier houding en als haar uitvloei-sel, dat ook de Wet Goederenvervoer Binnenscheep-
vaart is te zien.
Blijkens artikel 7 laatste lid van het eerste ontwerp
zouden ook buitenlandse schepen op de Rijn een ver-
gunning voor goederenvervoer binnen Nederland be-

‘),,De verenigbaarheid van de wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart niet
de Rijnvaartacte’ dooi Prof. Mr Dr S. P. A. François in ,,E.-S.B.” van
9 Januari 1952, blz. 25.

hoeven cii wilde wat de Rijnvaart betreft de Regering
de ,,concrete richtlijnen, geldend onder alle omstandig-
heden”, die volgens haar niet ,,gemakkelijk zouden
zijn op te stellen”, bij – niet in het wetsontwerp
genoemde – Algemene Maatregel van Bestuur treffen,
,,opdat met alle omstandigheden ten volle rekening kan
worden gehouden”.
Deze opeenhoping van vaagheden zag er niet erg
hoopvol uit voor de vrije Rijnvaart.
Het kan dan ook niet ‘verwonderen, dat de vaste
Commissie voor Verkeer en Waterstaat het aangehaalde
uit de Memorie van Toelichting ,,niet geheel duidelijk”
achtte en aandrong op een uitdrukkelijke uitzondering
voor de Rijnvaart
in de
wet
als ,,enige mogelijkheid
om tot uiting te doen komen, dat de Regering aan de
beginselen der Acte van Mannheim trouw blijft”. Dat het laatste lid van artikel 7 ook vergunning voor bin-
nen-Nederlands vervoer door buitenlanders op de Rijn
voorschrijft, achtte de Commissie hoogst bedenkelijk.
De Minister van Verkeer en Waterstaat is wat de
buitenlanders betreft aan de bezwaren der vaste Com-
missie tegemoetgekomea door een toevoeging aan arti-
kel 2, die blijkbaar niet zo moeilijk was op te stellen.
Artikel 7 laatste lid slaat dus ook niet meer op buiten-
landse schepen.
Maat’ op het punt van het vervoer van goederen door
Nederlandse binnenschepen op de Rijn heeft de Minister
volgehouden, dat de Acte van Mannheim het eisen
van ccii vergunning niet belette. Wat betreft Neder-
landse schepen moest de discriminatie tussen scheeps-
en autovervoer, die de vaste Commissie de Minister
krachtens de Rijnvaartacte had doen aanvaarden voor buitenlandse schepen, uitgesloten blijven. Hier moest
dus de acte, zoals die aanvankelijk ook door de vaste
Commissie terecht was begrepen, ,,omgebogen” worden
teneinde te passen in de nationale Nederlandse ver-
voerspolitiek.

De Minister heeft deze houding trachten te verdedi-
gen door een tweetal argumenten, die nu ook behandeld
worden door Professor François.
Het eerste argument luidt als volgt. ,,Indien men
dit begrip (hier is bedoeld het begrip ,,vrijheid van
vaart” in artikel 1 der Acte van Mannheim) aldus
zou interpreteren, dat zulks zou inhouden, dat een
land niet de vrijheid zou hebben regelingen voor
zijn onderdanen te treffen, die een doelmatige co-
ordinatie van vervoer beogen, dan wordt die inter-
pretatie door de Minister niet onderschreven. Interna-
tionale verdragen, zoals de Acte van Mannheim,
immers beogen naar hun aard internationale verhoudin-
gen te regelen en geen nationale aangelegenheden be-
treffende eigen onderdanen. De vaart van Nederlanders
binnen Nederland op de Rijn is derhalve een aange-
legenheid, die niet door een internationaal verdrag
wordt beheerst”.
Wie deze passage leest, kan er moeilijk iets anders in
zien, dan een algemene stelling, waaruit dan voor de
Nederlandse Rijnvaart binnen Nederland de conclusie
wordt getrokken. Nu verheugt het mij zeer, al verbaast
het mij niet, dat ook de Juridische Adviseur van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken deze algemene stel-
ling onjuist acht. Maar als hij zegt, dat zover hem be-
kend, zij nooit van regeringswege is verdedigd, dan maakt daarop toch een uitzondering de zoëven aan-
gehaalde mening van de Minister van Verkeer en
Waterstaat. De vraag dringt zich op, of toen de aan-
gehaalde enormiteit de Minister in de mond werd ge-legd, de grondiç overweging op Buitenlandse Zaken,

30 Januari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

83

waarvan het slot van Professor François” stuk spreekt,
wel reeds had plaats gehad.
Mag aldus het eerste argument van de Minister van
Verkeer en Waterstaat als van de baan beschouwd wor-
den, het tweede heeft de instemming van Professor
François. Het is,
gelijk
bekend, ontleend aan artikel 46
der Acte van 1831, dat gedeeltelijk niet overgenomen werd in de Acte van 1868 als zijnde vanzelfsprekend.
Ik had gemeend mij in mijn eerste advies aan de
Voorzitter der Rotterdamse Kamer van Koophandel te
kunnen beperken tot het afdrukken naast elkaar van
het advies der Rijnvaartcommissarissen van 1937 en de
daartegen gerichte woorden van dq Minister van Ver-
keer en Waterstaat, menende dat dan de keuze niet
moeilijk zou zijn.
Maar nu Professor François al zijn scherpzinnigheid
gekeerd heeft tegen het advies der Rijnvaartcommis-sarissen, is het nodig nader bij het geval stil te staan.
Het verdient daarbij de aandacht, dat de Regering, die
zoals gezegd reeds sedert jaren bezig is het grote be-
ginsel der Rijnvaartgemeenschap, de vrije vaart, uit te
hollen, artikel 1 der Acte van Mannheim te minimiseren,
het niet meer passend te achten bij de moderne tijd en
daarom verinterpreteert teneinde de door haar nage-
streefde nationale verkeersordening mogelijk te maken,
en dan telkens door de Hoge Raad ter verantwoording
moet worden geroepen -, het verdient de aandacht,
dat die Regering zich thans verschanst achter een
artikel uit de Acte van Mainz van 1831.

Dit artikel luidt als volgt
,,Het vervoer van personen, paarden, rijtuigen, goederen en andere voor werpen van de ene oever naar de andere, en hetgeen tot de gewone handel
tussen de beide oevers betrekking heeft, heeft niets gemeen met het tegenwoor

dig Reglement, evenmin als de vaart van een schipper
of scheepsbestuurder,
welke dezelve bepaaldelijk uitoefent binnen de omtrek des grondgebieds
van zijn souverein, zonder de grenzen daarvan te overschrijden; zijnde zo-
danig schipper
of
scheepsbestuurder alleentijk onderworpen aan de autori-
teiten des lands, alwaar hij zijn beroep uitoefent”.

Het artikel, zelfs wanneer men het leest los van
de plaats waarop het in de Acte staat, betreft ken-
nelijk soorten Rijnvaart van beperkte omvang. De
dwars over de rivier varende veren, het ook wel diago-
naal varende handeisverkeer van oever tot oever, en
dan de vaart van mensen, die blijven binnen de oever-
staat, waarin zij hun beroep uitoefenen. Dat is dus alles
plaatselijk beperkt.

Dat aan de derde der genoemde soorten van beperk-
te Rijnvaart niet die wijde betekenis is toe te kennen,
die de Regering en Professor François opeisen, is ook
duidelijk wanneer men let op de plaats, waar artikel 46

in de •Acte van 1831 staat. Die acte is zeer systema-
tisch ingedeeld. De vrije vaart staat voorop in Titel 1,
Van de vaart op de Rijn in het algemeen enz. Nadat
Titel II gehandeld heeft over de scheepvaartrechten en
Titel 111 over de toepassing op de Rijnvaart van de
douanewetgevmgen, handelt Titel IV, waarin artikel 46
voorkomt, over het recht tot de uitoefening der Rijn-
vaart, de materie dus van de schipperspatenten. Had
men nu aan artikel 46 die wijde strekking willen
toekennen, die de Regering en Professor François
thans opeisen, dan had men dat zeker gezegd bij
artikel 1. Maar kennelijk slaat het op vaarten op een
beperkt stuk van de Rijn, bijv. op beurtvaarten zoals
die in Titel V haar regeling vinden. Van ,,hineininter-

pretieren” door de Rijnvaartcommissarissen van 1937,
zoals Professor François hun verwijt, is geen sprake.
Veeleer is het waar, dat de Regering artikel 46 van
1831 ombuigt teneinde het te doen passen in haar na-
tionale vervoerspolitiek.

Professor François heeft zich, evenals onlangs de
Minister van Verkeer en Waterstaat, beroepen op
woorden van de voorzitter der Centrale Commissie
voor de Rijnvaart. Ik wil er hier slechts dit van zeggen,
dat het mij beleefder tegenover deze voorzitter voor-
komt te zijn, zo zijn Dusseldorpse causerie niet onder-
werp van discussie wordt gemaakt.

De Regering blijft hard doorwerken aan het uit-
hollen der internationale Rijnvaartacte in zuiver na-
tionale zin. De ,,Deutsche Verkehrs-Zeitung” van
8 Januari jE. licht uitvoerig in over een Protocol, dat

half December te Bremen is gesloten tussen onze Mi-
nister van Verkeer en Waterstaat en zijn Westduitse
ambtgenoot. De tekst van dit Protocol is voor zover
mij bekend nog niet gepubliceerd in ons land, maar
zal er wel spoedig in het Tractatenbiad verschijnen.
Uit het overzicht in het Duitse blad teken ik slechts
aan, dat over en weer het ,,nationale Ordnungsprinzip”
boven de Rijnvaartacte gesteld wordt. ,,Die gemeinsame
Anerkennung des Ordnungsprinzips durch beide Mi-
nister bedeutet insofern eine Anerkennung der Tat-
sache, dass die Mannheimer Akte 1951 anders auszu-
legen ist, als dies bisher wiederholt in der Literatur und in Erklarungen offizieller Stellen erfolgte”. Hier verlaat
onze Regering dus yolkomen het rechtsstandpunt, en
dit ook in die zin, dat afwijking der Rijnvaartacte
rechtens slechts mogelijk is na bespreking in de Cen-trale Commissie voor de Rijnvaart.

Leiden.

VAN LYSINGA.

De publieke kapitaalmarkt in 1951

De rentestand heeft in 1951 in het middelpunt van
de belangstelling gestaan in weerwil van de hautain
minachting, die de theoretische economie korte tijd voor
de rente aan de dag heeft gelegd op de overweging,
dat nèch de omvang der investeringen nôch die der
besparingen in enige belangrijke mate de invloed
ondergaat van de hoogte van de rentestand en de ver-anderingen, die daarin optreden. Reeds in April kwa-
men de rentevoeten zeer duidelijk in beweging. Een 3j4
pCI 25-jarige staatslening, waarop de inschrijving in die maand werd opengesteld, ten bedrage van
f
209
mln, oogstte slechts een zeer matig succes. Wel kon het gehele bedrag worden bijeengebracht, maar niet
dan nadat de Rijksfondsen hun deelneming aanzienlijk
hadden verhoogd en wel tot
f
144 mln, zodat slechts

f
56 mln verkregen werd uit particuliere inschrij-
vingen. De stemming op de publieke kapitaalmrkt ten
aanzien van het overheidscrediet werd bepaald nog

ongunstiger, toen luttele dagen, nadat op deze staats-
lening kon worden ingeschreven, de directie van De
Nederlandsche Bank besloot haar tarieven niet één

percent te verhogen. Deze plotselinge tariefsverhoging
kwam voor hen, die nog bereid gevonden waren om
aan de Staat te lenen tegen 3/ pCt, op een uitermate
ongunstig tijdstip, want reeds onmiddellijk noteerde de nieuwe staatslening beneden pan. In dit verband vraagt men zich terecht af, wat er in feite mee bedoeld wordt,
wanneer in de Bankwetvan 1948 gesproken wordt
over coördinatie van de monetaire en financiële poli-
tiek der Regering en de politiek van de Bank.
In dezelfde maand werden ook de leningsvoorwaar-
den voor de lagere publiekrechtelijke lichamen aan-
gepast, met dien verstande, dat voor de lange leningen,
die bij een looptijd van 30 jaar en langer gedurende
de eerste tien jaren 3 pCt rente en daarna 3/ pCt
mochten afwerpen, lepaald werd, dat deze hij een ge-

84

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30 Januari 1952

middelde looptijd van tenminste 15 jaar, maar korter
dan 20 jaar, 33′ pCt konden dragen en bij een ge-
middelde looptijd van tenminste 20 jaar eveneens 3½
pCt, maar bij een koers van uitgifte van 99 pCt.
Soulaas bracht deze aanpassing van de rentevoorwaar-
den echter geenszins en derhalve werden in Juli de

leningsvoorwaarden nogmaals herzien, zodat aan lange
leningen met een gemiddelde looptijd van tenminste
15 jaar een 4 pCt rentetype kon worden gegeven. Maar
andermaal liep de Overheid achter de markt aan, hèt-
geen in dezelfde maand nog tot uiting kwam door de
mislukking van twee 4 pCt-leningen, namelijk die van
de gemeente Haarlem en van de Provincie Zuid-Holland.
De politiek van het officiële rentegamma, waardoor
in de eerste na-oorlogse jaren met succes een onnodige
concurrentie van de overheidsorganen op de kapitaal-
markt was voorkomen, bleek in 1951 te star geworden
te zijn om nog langer in die vorm toegepast te worden.
Het tweemaal gewijzigde rentegamma sneed de ge-
-meenten en de provincies dc toegang tot de kapitaal-markt eenvoudig af, als gevolg waarvan’ de financiële
positie van deze lagere publiekrechte’ijke lichamen bij
voortduring ongunstiger werd, tot uiting komende in
eeii snel aangroeiende vlottende schuld, die alleen al bij
de gemeenten in weinig meer dan een jaar verdubbelde

tot een hoogte van ca
f
1 mrd. Door deze ongunstige gang van zaken dreigde de uitvoering van het woning-
bouwprogramma in moeilijkheden te geraken en aan-
gezien de gemeenten onder geen beding het toch al
onrustbarende woningtekort nog ernstiger vormen
wilden zien aannemen, werd vooral in de laatste maan-
den van 1951 naarstig gezocht naar middelen om de
benodigde gelden aan te trekken ook met handhaving
van het rentegamma. Een viertal systemen is daarbij

toegepast.

De gemeente Amsterdam bood ten bedrage van
f
10

mln een 2½ pCt premielening aan, die goed werd op-
genomen, hoewel ten dele de inschrijvingen geen nieuwe besparingen vertegenwoordigden, maar tot ontsparingen,
o.a. bij de spaarbanken, aanleiding gaven. Hoewel voor
hen, die ondanks de minuscule kans op een hoge premie
hopen, dergelijke premieleningen een bepaalde aan-
trekkelijkheid bezitten, is dit leningtype toch weinig
geschikt om meer omvangrijke bedragen ten behoeve
van de financiering van de woningbouw aan de
kapitaalmarkt te onttrekken.
In verscheidene gevallen konden gemeenten gelden
aantrekken tegen
4
½ pCt of 4/ pCt, waarbij het halve
of driekwart percent verschil met de krachtens het
rentegamma geoorloofde rentevoet werd bijgepast door
locale industrieën, die zich hiervoor het recht zagen
toegewezen om de te bouwen huizen te laten bewonen
door eigen arbeiders. Op deze methode doelde waar-
schijnlijk de Minister van Financiën, toen deze in de
Memorie van Antwoord op Hoofdstuk T van de Rijks-
begroting 1952 de verzuchting slaakte, dat het gemeente-
beleid in deze in bepaalde gevallen heeft geleid tot ge-
ringe deviaties van het smalle pad der deugd.
De derde weg, die de gemeenten kunnen volgen, is
het uitgeven van zgn. ,,burgerzin”-leningen, waarmede
een beroep wordt gedaan op de burgerij om in te te-
kenen op een binnen het rentegamma blijvende lening
ten behoeve van de gemeentelijke woningbouw. De
mate van succes hangt hier grotendeels af van de be-
lanigstelling. die voor dergelijke leningen door middel
van allerlei propagandistische manoeuvres opgewekt
kan worden en de materiële welstand van de burgerij.
Dit soort burgerzinleningen is buiten het onderstaande
overzicht van de emissies in 1951 ‘gebleven en wel
vooral omdat weinig bekend is geworden omtrent de resultaten van dergelijke leningen, terwijl bovendien
geenszins zekerheid bestond of de ter beschikking

staande gegévens wel alle dergelijke burgerzinleningen

omvatten.
De vierde weg, die tenslotte bewandeld is, voorzag
in een obligatietype, waarbij gedurende een deel van de looptijd geen en over de resterende duur een naar
de huidige begrippen zeer hoge rente wordt’vergoed.
Dit novum werd geïntroduceerd bij een door de ge-
meente Vlaardingen, weliswaar niet voor de finan-
ciering van de woningbouw maar voor de financiering van de uitbreiding van gemeentelijke bedrijven, uitge-
geven door De Twentsche Bank overgenomen obligatie-
lening, waarop gedurende de eerste 14 jaren van de
looptijd geen en gedurende de laatste 16 jaren niet min-
der dan 10 pCt rente zou worden uitgekeerd. De aantrek-
kelijkheid van dit leningtype lag vooral in het fiscale
voordeel voor hen, die na verloop van ca 14 jaren, bijv
door pensionnering, een aanzienlijke inkomensvermin-

dering moeten tegemoetzien. Het sterk progressieve
bclastingtarief is oorzaak, dat er bij deze catagorie
weinig drang aanwezig is om het lopende inkomen te
verhogen, zodat wanneer in de eerste tijd afgezen moet
worden van rente, slechts een zeer gering netto-
inkomen gederfd wordt, terwijl het netto-rente-inkomen
relatief hoog wordt op het moment, dat het jaar-
inkomen een belangrijke vermindering ondergaat. Dat
deze lening, die aanvankelijk op
f
3 mln was vast-

gesteld, maar naderhand tot
f 5
mln werd verhoogd,

slechts ten dele slaagde, moet dan ook geweten
worden aan het feit, dat de gemiddelde belegger nog
te weinig ,,tax-minded” is, hoe vreemd dit ook in de
oren mag klinken. De normale emissietechniek kan dan
ook bij dit soort noviteiten niet met vrucht worden
toegepast. Veeleer dienen potentiële belangstellenden
langs een meer individuele weg benaderd te worden
dan het emissieprospectus ooit vermag te doen.
De variant op dit type, de serie B van de obligatie-
lening Arnhem, waarbij de eerste drie jaar 7 pCt, het
vierde tot en met het tiende jaar 6½ pCt en gedurende
het elfde tot en met het twintigste jaar geen rente werd
geboden, ondervond nog geringer belagstel1ing. De serie A van deze lening was met een gering verschil
van eenzelfde type als de zoöven genoemde lening van
Vlaardingen
i).
Alles bij elkaar genomen kan men eerbied
hebben voor de vindingrjkheid van sommige personen
om toch nog de nodige,gelden bijeen te vergaren,.z6dat
de woningbouw geen te grote stagnering ondervindt,
maar voor hen, die voorstander zijn van enige ordening aan de vraagzijde van de kapitaalmarkt moet deze gang
van zaken weinig bevrédigend heten. Bij vermijding van
inflatoire tendenties kan in de vraag naar geldmiddelen
slechts worden voorzien door besparingen en wanneer
deze in te geringe hoeveelheid beschikbaar zijn, dan
zal noodzakelijk een deel van de potentiële vraag on-
bevredigd blijven, Waarbij men er goed aan zal doen de
rente zoveel mogelijk haar schiftende functie onge-
stoord te laten verrichten. Wanneer de gemeenten op
de publieke kapitaalmarkt weer in concurrentie moeten
kunnen treden, dan zal eert veranderd rentegamma niet
star kunnen worden toegepast. Dat een verhoging van
de rente van de woningbouwleningen de exploitatie-
lasten en daarmede het huurpeil verder in ongunstige
zin zal beïnvloeden, dient men te aanvaarden. Het te lage huurpeil is immers een onhoudbaar economisch
monstrum. Het werkt een snelle waardevermindering
van de bestaande woningvoorraad in de hand en belem-
mert de particuliere woningbouw. Bovendien is de
gevcerde huurpolitiek sociaal onrechtvaardig, o.a. om-

1)
Inmiddels zijn in 1952 door de gemeente weer nieuwe
wegen bewandeld. Uit het oogpunt van financieringstechniek
was het intussen verboden obligatietype, dat de gemeente
Tilburg introduceerde, weinig geslaagd, want ten onrechte
werd hiej’ het object, dat gefinancierd behoort te worden met
langlopende middelen, gefinancierd met middelen, die slechts
voor korte tijd ter beschikking kunnen blijken te zijn.

30 Januari 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

85

dat zij een niet te motiveren discriminatie tussen huren
van oude en nieuwe woningen heeft gebracht. –
Van de obligatiemarkt dient verder nog melding te
worden gemaakt van het feit, dat de 3Y
2
pCt indus-
triële obligaties, die in de aanvang van 1951 nog enkele
percenten boven pari noteerden, inmiddels plaats heb-
ben moeten maken voor het 4% pCt rentetype, dat
in het algemeen zeer goed werd opgenomen, getuige het succes van de diverse obligatie-emissies van ver

scheidene provinciale electriciteitsmaat.schappijen. Het
rendement op de meeste staatsobligaties schommelde
in de laatste maand tussen 4 pCt en 4 pCt, waarbij
de koersen nog steeds steun ondervinden van• de mo-
gelijkheid om voor bepaalde belastingen deze obligaties
in betaling te geven. Tegen het einde van het jaar ten-
slotte deden, zonder een grote vraag te ontmoeten,
4/ pCt pandbrieven en
5
pCt scheepshypotheekbrie-
ven hun intrede. Opmerkelijk is, dat vooral in de
tweede helft van 1951 de belangstelling voor obligaties
van de zijde der particuliere beleggers weer groter was
dan wij in de na-oorlogse jaren onder de vrees voor
waardedaling van de gulden en rentestijging gewend
waren.
Hieronder laten wij thans volgen een overzicht van
de in 1951 uitgegeven obligaties en aandelen mcl. reeds
op emissievoorwaarden geplaatste bedragen.
Emissies van obligaties en aandelen, mci. reeds op
emissievoorivaarden geplaatste bedragen.
(reële bedragen in duizenden guldens).

1950
1951

Nieuw geld
Conversies

Nieuw geld
Conversies
Obligaties.
Staat der Nedertan-

………..
359.647 ‘)
/

371.983 ‘)

Andere

overheids-
den

..



72.960
lichamen

……….
Particuliere lichamen
173
.354
101.091
36.808
7

533.001
101.091
481.751
7
Totaal

………
Aandelen
……….
57.405

253.075

rotaal generaal

..
590.406
101.091
734.826
7
‘) waarvan:
Investerings-
certificaten

..
148.475

1.870

Beleggings-
cértificaten

..
11.172

209

Belasting-
certificaten

..


169.904

Uit dit overzicht blijkt duidelijk, dat in de aandelen-
sector de emissiebedrijvigheid in 1951 aanzienlijk gio-
ter is geweest dan in het voorgaande jaar. Verreweg
de grootste emissie vond plaats in de maand Juli, toen
Philips ten bedrage van
f
30 mln 6 pCt cum. pref.
winstdelende aandelen op de markt bracht benevens

f
69.627.000 gewone aandelen. De ontvangst van deze
emissie was slechts matig te noemen. De claimkoersen noteerden aanzienlijk beneden de theoretische waarde,
zoals ook het geval was geweest niet de claimnoteringeri

voor het merendeel van de aandelenemissies, die eerder
in het jaar hadden plaatsgevonden. Bijna voortdurend stonden de koersen vart de aandelen onder een zware
.druk, zodat het kocrsgemiddelde tegen het einde van
Juni een laagtepunt bereikte van even boven 140.
Sindsdien is een geleidelijk herstel ingetreden, waârbij

het koersgemiddelde in October iets boven 150 zich
stabiliseerde, maar andermaal zakte het koersniveau in,
toen in de beide laatste maanden van 1951 de inschrij-ving op een aantal groté emissies werd aangekondigd.
Een consortium onder leiding van de Nederlandsche
Handel-Maatschappij stelde de inschrijving open op

f
20 mln aan aandelen A.ICU., welke aandelen reeds

een.eel vormden van het geplaatste en genoteerde
aandelenkapitaal. Deze
f
20 mln was de helft van een
door het consortium van het Nederlandse Beheersinsti-
tuut uit het vijandelijk
vermogen
gekochte aandelen
pakket. Bovendien wèrd tot een gelijk bedrag

pCt
in aandelen converteerhare obligaties A.K.U. aangebo-
den. Kort daarop annonceerde Lever Brothers & Uni-
lever een aandelenemissie van
f
43.004.000. Met
enkele kleinere emissies werd zodoende in de maanden
November en December op de kapitaalmarkt in de
aandelensector een beroep gedaan voor ruim
f
100
mln, terwijl gelijktijdig op de obligatiemarkt de Vrije
inschrijving openstond op reëel circa
f
60 mln, waarbij
de burgerzinleningen nog, zoals reeds eerder werd op-
gemerkt, buiten beschouwing gelaten zijn. Het opne-
mingsvermogen van de openbare sector van de kapitaal-
markt is dus nog betrekkelijk meegevallen ondanks de
ernstige schaarste aan voor belegging beschikbare mid-
delen. Dat vooral de grote emissies in het midden en
op het eind van 1951 niet zonder schokken op de beurs
zijn verlopen, spreekt welhaast vanzelf, al zijn de koers-
dalingen, die van de emissies het gevolg waren, nog
betrekkelijk beperkt gebleven. Nadat de Philipsemissies
verwerkt waren, is zelfs een zeer bevredigend herstel
ingetreden, dat zich wellicht ook na de grote uitgiften
van November en December zal herhalen. Ter illustratie
volgt hier een overzicht van het koersverloop op enkele
typerende data:

2 pan.
1
5
Febr.
28 Juni
1
8 Oct.
j
28 Dec.

135,75
142,79
127,00
136,56
130,03
216,04 229,79
202,12
215,44
205,41
171,63
187,25
158,14
180,19 172,34

Petroleum

……………….
Industrie

………………

126,65
133,84
112,06
122,49
123,84
Scheepvaart

…………….
Banken

………………..
Indonesische fondsen
50,04 56,36
47,28
52,10
44,52
Algemeen

……………..
151,27 162,82
f40,93
152,56 143,46

Mede ter vermindering van de door grote emissies
veroorzaakte koersdruk is sinds kort belening van effecten, niet dien vertande, dat de be-
lening slechts plaatsvindt om op een aandelenemissie te
kunnen inschrijven en onder voorwaarde, dat het aldus
verleende crediet weer binnen zes maanden na de
stortingsdatum . van de çiesbetreffende ernissies zal wor-
den afgelost. Het is weinig waarschijnlijk, dat deze
maatregel veel lucht op de kapitaalmarkt zal verschaf–
fen. Men vraagt zich echter af, waarom de effecten-
belening niet in volle omvang weer is toegelaten, zodat
ook op dit stuk de vrijheid in .ons land •is hersteld.
Wanneer zich monetair ongewenste gevolgen van deze
effctenbelening zouden voordoen, kan immers gemak-
kelijk worden ingegrepen door een dekkingsmarge voor
te schrijven, zoals dit o.a. in de Verenigde Staten van
Amerika wordt gedaan.

Eindelijk kwam in 1951 ook nog de Wet op de Her-
kapitalisatie tot stand, die het koersniveau van fondsen
van bepaalde bedrijven, die herkapitalisatie overwogen, een haussemotief bezorgde. Ondanks de geboden facili-
teiten zal in vele gevallen de herkapitali.satie een aan-
zienlijke aantasting van de liquiditeitspositie der be-
trokken vennootschappen ten gevolge hebben, in aau-
merking genomen, dat deze vennootschappen in de
regel een contant dividend betaalbaar zullen stellen,
waaruit de aandeelhouders de inkomstenbelasting over
de bonusaandelen en het contante dividend zelf zullen
kunnen voldoen. Dit bezwaar weegt onder de huidige
kapitaalschaarte nog meer, aangezien het immers
geenszins zeker is, dat de behoefte aan middelen met
succes zal kunnen worden gedekt dooi

een eventuele
op de herkapitalisatie volgende emissie. Het laat zich
aanzien,.. dat over 1951 vele stockdividendén zullen
worden gedèclareerd, omdat ouk daarop de bepalingen
van het herkapitalisatie.wetje van toepâssing zijn, zodat

r:–”
•*c ,–.

86

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

30 Januari 1952

langs deze weg de aandeelhouders niet alleen een fiscaal
voordeel bezorgd kan worden, maar ook de dividend-

beperkingsm aatregelen omzeild kunnen worden.
Wat in het overzicht van de publieke kapitaalmarkt

in 1950
2)
over de invloed van de effectenarbitrage
werd geschreven, is ook voor 1951 van kracht gebleven,
hoewel de omvang, waarin buitenlandse fondsen worden
geëxporteerd in ruil voor Nederlandse stukken, in de

tweede helft van 1951 bij hetgeen
Of)
dit gebied in de

eerste zes maanden van dat jaar heeft plaatsgevonden,

is achtergebleven.
Het buitenlands aanbod is ook de oorzaak geweest,’
dat een fonds als de Koninklijke Olie voortdurend
onder druk gestaan heeft, welke tendentie nog bevor-
derd werd door de omzetting van converteerbare obli-
gaties in aandelen. Gedurende korte tijd werd dit
koersdrukkende effect zeer ten dele gecompenseerd door
aadkoop van Olies van buitenlandse zijde met gebruik-
making van saldi op accoordrekeningen, maar hieraan is door De Nederlandsche Bank een einde gemaakt, al spoedig nadat deze transacties door de stijging van de
dollarprijs van aandelen Koninklijke Olie attractief
waren geworden. Van invloed niet op de grootte, maar
wel op de aard van ons bezit aan dollarfondsen was
de 4 pCt Philips dollar-obligatielening ten bedrage van
maximaal $20 mln, waarop de inschrijving op de

eerste tranche in Juli werd opengesteld
3). Door deze

emissie vond een ruil plaats van Amerikaanse shares
in Philips dollarobligaties, als gevolg waarvan een ge-
makkelijk te liquideren dollarbezit omgezet werd in een
moeilijk te mobiliseren investering, in de dollarsfeer.
Soortgelijke transacties, maar op veel kleinere schaal,
werden in 1951 ook door enkele andere maatschappijen

uitgevoerd.
Wat de vooruitzichten voor de publieke sector van de
kapitaalmarkt betreft, kunnen wij kort zijn. Temidden
van de onzekerheden, die dit deel van dc kapitaalmarkt
altijd typeren, zal rekening gehouden moeten worden.
met één dominerende factor, namelijk het gebrek aan
voor belegging beschikbare middelen. Het verdient
aanbeveling, dat de door de Overheid te volgen fiscale
politiek een zodanig karakter zal dragen, dat althans
de vervangingsinvesteringen op peil gehouden kunnen

worden.

Amsterdam.

A. BATENBURG.

‘) Economisch-Statistische Berichten no 1768, dd. 4 April 1951.
‘) Deze uitgifte is niet in het bovenstaande overricht van dein 1951 plaats-
gehad hebbende emissies opgenomen in de overweging, dat tot het bedrag,
waarop is ingeschreven op deze Philips dollsrobligaties, ook middelen ter beschikking zijn gekomen door voôrafgaande aankoop van dollarfondsen
door Philips.
Geheel sluitend is deze redenering echter niet, omdat een deel van deze
middelen uit de publieke sector van de kapitaalmarkt zal zijn weggelekt.

BOEKBESPREKING

Engeland, de Labour Party en Europa.
Proefschrift van

L. van Egeraat.

Bij het lezen van het proefschrift van Van Egeraat schiet
ons dit gezegde te binnen: ,,tracht een Katholiek de
Engelsen te begrijpen en te verklaren, dan overschat hij
stellig hun puriteinse inslag; probeert het een Calvinist,
zo ziet hij te sterk hun katholiek verleden. Zo lang het de
Engelsen niet lukt zichzelf te verklaren, zullen zij alleen
instinctief begrepen, d.w.z. aangevoeld kunnen worden”.

Dit is in grote lijnen onze
critiek
en onze
waardering
voor

Van Egeraat’s dissertatie.
De Nederlandse kooplui enhet Nederlandse bedrijfs-

leven (handel, bankwereld, kolen, scheepvaart, Konink-
lijke, Unilever, om maar de paar belangrijkste te noemen),

die sedert generaties, soms sedert eeuwen, met Londen
door nauwe functionele banden gelieerd zijn, kennen de
Engelse mentaliteit en de Engelse samenleving door en door.
Voor hen biedt de dissertatie van Van Egeraat geen nieuwe
gezichtspunten. Door en sedert de tweede wereldoorlog zijn echter zo veel uiteenlopende groepen Nederlanders
met de Engelsen in aanraking gekomen, voor wie de Engelse
maatschappij en de Engelse houding tegenover ,,aliens”
en tegenover het continent een ,puzzle” zal blijken, dat de
uiteenzetting van Van Egeraat een waardevolle leidraad

in meer dan een opzicht voor hen kan worden.
Ons treft, dat hij bij de beschrijving van de Engelse
volksaard de ,,sense of humor” niet opgemerkt heeft; deze

zelf
ironie, deze zelfkennis, dit zich
zelf
bespottelijk vinden,

wanneer men zich zelf te gewichtig voelt en voordoet.

Wat de buitenlandse politiek en de verhouding tot het
Gemenebest betreft, wordt stellig het puriteinse en het

utiliteitsbeginsel te veel op de voorgrond geschoven. Wan-
neer Van E. poneert, dat de Commonwealth-idee zonder
deze puriteinse trek niet voldoende te verstaan is, zouden

wij naar voren willen brengen, dat de Puriteinen, de grote
kooplieden tijdens de regering van Elisabeth, weliswaar

de grondslagen van het
horizontale
Britse wereldrijk gelegd

hebben, maar dat het
verticale
Empire, de latere Common-

wealth pas door de Stuarts is gesticht. De sacrale band
tussen Kerk en organische samenleving, tussen het Rijk
en de Kroon, die nauw verbonden is met het geestelijk
moreel gezag van de Anglicaanse Kerk werd pas toen ge-
legd. De ideologie van het Empire werd door Kipling op
onnavolgbare wijze verder uitgewerkt en Lionel Curtis
heeft deze thans in zijn werk: ,,Civitas Dei- The Common-
wealth of God” misschien het scherpst en duidelijkst op-
nieuw gesteld. Het belang der delen is
prinair
boven het

belang van het centrum. De structuur van deze levens-
gemeenschap, van deze welvaartssfeer, is zodanig, dat de
afscheiding van een der delen, steeds het gevaar van uit-
putting van het geheel met zich brengt. Het Britse Gemene-
best is het eerste, niet uitsluitend uit Christenen bestaande wereldrjk op Christelijke basis, dat op twee principes van
het Christendom gegrondvest is: de vrijheid (vrijwilligheid)
en het universele. Immers, ook Christus nodigt
allen
uit.

Daaruit is o.i. de instinctieve afkeer der Engelsen voor alle
constitutionele (exclusieve) binduigen af te leiden.

Het beste in het werk van Van E. lijkt ons het aan-
voelen van de waardehiërarchie: individu-gemeenschap-
Staat, waarover nu de geestelijke strijd met Labour gevoerd
wordt en die Labour zal verliezen, of beter gezegd, bereid
is te verliezen, indien Van E.’s stelling juist is, dat de
Engelse socialisten in de eerste plaats Engelsen zijn en pas
daarna Labour; een mening die wij ten volle met hem delen.
Uit de dissertatie blijkt echter niet hoe deze waardehiërar-chie ontstaan is en dat deze feitelijk niets anders is dan de

Engelse functionele
,,response” op de
Franse constitutionele

,,challenge” van de Tiers Etat: Liberté (individu); Egalité
(Staat); Fraternité (gemeenschap). Het is de metamorphose
van het steeds terugkerend tweegesprek Civitas terrena-
Civitas Dei, de antithese van het Christendom. De eis:
,,het Rijk God’s op aarde vestigen” en tegelijkertijd be-
grijpen: ,,Mijn Rijk is niet van deze wereld”, welke de mid-
deleeuwse standenhiërarchie deed ontstaan, heeft nu in
Engeland de vorm van een voor alle kasten, standen, par-
tijen en kerken aanvaardbare waardehiërarchie aangeno-
men – individu, gemeenschap, Staat -, die onderling een
dienende functie uitoefenen en samen een drieledig orga-
nisme vormen. De impuls van het individu wordt in, door
en aan de gemeenschap in practijk gebracht, getoetst, ge-

louterd, om ‘uiteindelijk als een door allen aanvaardbare

geestelijke
waarde in de Staat tot uitdrukking te komen.
Terwijl de meeste onzer opmerkingen ten opzichte van
Van E.’s proefschrift van aanvullende aard zijn of een
andere interpretatie aan zijn waarnemingen geven, moeten
wij één stelling ten zeerste bestrijden: dat de Engelse buiten-

30 Januari
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BEPJC’HTEN

87

landse politiek eerder door een kruideniersmentaliteit dan
door staatsmanschap wordt gekenmerkt.
Op alle beslissende ogenblikken geeft alleen de zaak de
doorslag, anders zouden wereidrijken (geestelijke of wereld-
lijke) even vlug weer verdwijnen als Hitler’s duizendjarig
rijk. Een mooi voorbeeld van ,,In majorem Dei gloriam”
of ,,for sake’s sake” heeft de wereld nog onlangs in Parijs
kunnen beleven, toen Eden aan Rusland
en
Amerika een
morele klap in het gezicht gaf, ook en misschien in de eerste
plaats aan Amerika, en met alle daaruit voortvloeiende
consequenties rekening houdende: Engeland staat voor het bankroet en alléén Amerika zou kunnen helpen. De gehele
wereld voelde: dit is Downing-Street op zijn best. Dit is
de enige therapie die genezing kan brengen: het morele
overwicht.
Samenvattend zouden wij dit willen zeggen over het
proefschrift: Van E. heeft met grote nauwkeurigheid en fijn
aanvoelingsvermogen de Engelsen en de ontwikkeling der Labour-Partij gekenschetst. Wij herhalen: indien zijn stel-
ling juist is, dat de socialisten in de eerste plaats Engelsen
zijn, dan kan Labour pas
goed
beoordeeld worden, wanneer
het zich weer volledig doorgeworsteld heeft tot de Engelse
levenshouding en aanvaardt dat zijn impuls, zijn initiatiëf
(bijv. de welvaartsstaat) eerst van kracht kan worden,
wanneer dit 66k door de tegenpartij als een noodzaak
en tevens als een vooruitgang in het rechtsbevl4stzijn van
allen gevoeld wordt.
Dit eeuwig-wederkerende principiële conflict van het
Christendoi (het grote compromis), waarvan Labour
alleen incidenteel, d.w.z., op zijn beurt, het debat inleidde
kan alleen opgelost worden, wanneer beide
partijen
van
mentaliteit veranderd zijn, dus het kleine compromis ge-
vonden hebben. Dat het van weerskanten nog niet 100 pCt
zover is, is ,,the bad luck” van de schrijver, zodat zijn con-
clusies soms te voorbarig lijken.
Rotterdam.

K. P. VAN DER MANDELE.

MEDEDELINGEN VOOR ECONOMISTEN

Landdag voor Economen

Op 8 Maart a.s. zal opnieuw een Landdag voor Eco-
nomen worden georganiseerd te Utrecht en wel in
Esplanade. Het onderwerp is: ,,De functie van de
ondernemer in het huidige tijdsbestek”.

Als sprekers zijn hiervoor uitgenodigd:

van Tilburgse zijde: Drs A. C. J. Rottier (Directeur
van de Staatsmijnen in Limburg);
van Rotterdamse zijde: Prof. Dr J. F. ten Does-
schate (Directeur van de N.V. Kon. Ned. Hoog-
ovens);
van Amsterdamse zijde: Prof. Dr J. F. Haccdû
(Hoogleraar aan de Gem. Universiteit te Amster-
dam).
Prof. H. W. Lambers (Rotterdam) zal als discussie-
leider optreden.

Het is de bedoeling, dat ‘s morgens om 10 uur de eerste
spreker zal spreken, terwijl ‘s middags om 2 uur resp.
om
4 uur de beide andere sprekers zullen optreden.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geidmarkt.

De geldmarkt bleef ook gedurende de afgelopen week
zeer ruim, met marktdisconto’s regelmatig opklimmend
yan l’/ pCt voor Februaripapier tot 1/
8
—/
j6
pCt voor
September- t/m Decemberpapier. Cailgeld noteerde nog
steeds 1 pCt.

De verlaging met 4 pCt van de officiële tarieven (wissel-disconto, promessendisconto, debetrente voor voorschotten

en beleningen) van De Nederlandsche Bank, die met ingang
van 22 Januari plaatsvond, is noch gevolg, noch oor-
zaak van ruimte op de geldmarkt. Wel zijn deze beide
verschijnselen te beschouwen als dochters van één vader.
De verbetering van de Nederlandse betalingsbalans ge-
durende de laatste maanden voerde enerzijds voortdurend
lïquide middelen toe aan de voornaamste geldgevers ter
geldmarkt, de banken. Anderzijds was het ook vooral
deze verbetering, die de leiding der circulatiebank aan-
leiding gaf tot verlaging van het officiële disconto,
welk disconto fungeert als gevaarsignaal
bij
vermin-
dering van de deviezenvoorraad en een infiatoire
monetaire situatie. Per 26 September 1950 was dit
onveilig licht van de ruststand op sterkte 1 gebracht
(verhoging wisseldisconto van 24 op 3 pCt), per 17 Apfil
1951 op sterkte 3 (verhoging van 3 op 4 pCt), terwijl het
thans op stand 2 (verlaging wisseldisonto van 4 op 34 pCt)
werd teruggeschakeld.
De verlaging van het officiële disconto brengt een ver-
laging mede van de rentetarieven, die de banken aan hun cliënten berekenen, doch heeft geen invloed op de rente-
voet(en) van schatkistpapier op de geidmarkt. Deze laatste
immers hangen wat hun niveau betreft practisch geheel af van het discontopercentage, dat het Ministerie van Finan-
ciën op nieuwe jaarspromessen wenst te betalen; sinds
23 Juni 1947 bedraagt dit onveranderd 14 pCt.
In de maximum-rentepercentages, welke krachtens het
rentegamma officieel voor kasgeldieningen van gemeenten
gelden, is uiteraard evenmin verandering gekomen. Voor
zover dergelijke leningen – in andere vorm dan kasgeld-
leningen – in werkeljkhek tegen hogere rentepercentages
werden afgesloten, was reeds enige tijd van zekere rente-
daling sprake, vooral ‘ten gevolge van het feit, dat de be-
hoefte der gemeenten aan kort geld de laatste maanden
afnam.

De kapitaalmarkt.

Op de aandelenmarkt was de stemming. de afgelopen
week iets vaster, maar de algemene index bleef toch nog
steeds binnen de sinds maanden heersende niveau’s 143-144.
Vooral die groepen aandelen, welke niet van de binnen-
landse conjunctuur afhangen (scheepvaart en cultures)
ondergingen een koersstijging. Bij de banken onderstreept
de Rotterdamsche Bank, die
bij
gestegen winst haar divi-
dend handhaafde, nog eens, dat de door de Overheid
– in overeenstemming met de verlangens der vakvereni-
gingen – gehandhaafde dividendstop niet de enige oorzaak
is van de beperking van het (geld)inkomen van beleggers
in aandelen. Ook in die gevallen, dat de Wet Dividend-
beperking zulks in verband met de aanwezigheid van fiscale
reserves toestaat, blijken ni. vele ondernemingen niet
bereid tot een op grond van de behaalde resultaten alleszins
mogelijke dividendverhoging over te gaan.
De ontspanning op de obligatiemarkt vond de dfgelopen week verdere voortgang, waartoe de psychologische wer-king van de discontoverlaging bijdroeg. De inschrijvingen
op de f5 mln 44 pCt obligatielening P.E.G.E.M. (Noord-
Holland) waren zo groot, dat de toewijzing gering is.
Thans gaat de P.G.E.M. (Gelderland) over tot emissie
van f74 mln 44 pCt 1 5-jarige obligaties. Verre overtekend
werd ook het aangeboden bedrag van de 4 pCt leningen Emmen en Zutphen (emissiekoers
94314,
niet
993/, zoals
abusievelijk in het vorige nummer werd vermeld) en van
de lening Tilburg. Laatstgenoemde lening, waarbij de
geldgevers het recht van vervroegde opeisbaarheid hebben – met terugbetaling van het renteverschil tussen de genoten
4 pCt en volgens het rentegamma voor de betreffende
kortere looptijd toegestane rentepercentage – vond na-
volging door de gemeenten ‘s-Gravenhage en Zwolle.

Het Rijk vond inmiddels aanleiding verdere uitgifte
van leningen met een dergelijke clausule voor finan-
ciering van woningbouw te verbieden. Zij heb-

88

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30 Januari 1952

ben ni. slechts een semi-geconsolideerd karakter, hetgeen
uit monetair oogpunt uiteraard onwenselijk is. Voor de

beleggers betekent dit echter, dat de enige weg, waarlangs zij aan de gevolgen van een eventuele verdere stijging van
de rentestand kunnen ontsnappen, is afgesloten.

18 Jan. 52

25 Jan. ’52
Aand. indexeijfers.
Algemeen

………………………………
.

143,2 143,9
Industrie

…………………………………
203.4
203,6
Scheepvaart

……………….. ………….
173,0
175,6
Banken

……………………………………
.125,9
124,0
Indon.

aand .

……………………………
45,3
46,1

Aandelen.
A.K.1J.

……………………………………
156%
157
1
/4
Philips

……………………………………
167%
168%
Lever

Bros

………………………………
186 ½
191
3
/4
H.A.L.

…………………………………… 180

.
183
1
/
,
Amsterd.

Rubber

………………………
93% 93%
H.V.A
…………………………………….
98%
100
Kon.

Petroleum

………………………
286
287%

Staatsfondsen.
2%

pCt

N.W.S.

………………………
7O
3
fio
70½
3_31/

pCt

1947

………………………
84’/i
84%
3

pCt

Invest.

cert.

……………………
88%
89½

pCt

1951

……………………………
93%
93
1
/L 3

l)Ct

Dollarlening

… ………………
96%
95

Diverse
obligaties.
½
pCt Gein. R’dam 1937 VI
90
11
116
92
1
/-.
3’/.

pCt

Bataafsche

Petr .

…………
93%
9391

pCt

Philips

1948

…………………
92%
93
1
/8
3
1
/
1
pCt Westi. Hyp. Bank
85
85%
J.

C.
BREZET

De Belgische geld- en kapitaalmarkt

in November en December 1951

De algemene toestand van de geidmarkt.

In de loop van het vierde kwartaal van 1951 nam de
liquiditeit op de geldmarkt aanvankelijk aanzienlijk toe,
vooral onder invloed van het grote boni op onze handels-balans en de hiermede gepaard gaande ijitbreiding van de bankdeposito’s. De maand November daarentegen bracht
een sterke inkrimping van het volume der uitstaande
cailgelden. De uitgifte van de nieuwe staatslening was hieraan niet vreemd, alhoewel ook de stortingen op 15
November aan de Rijksdienst voor de Maatschappelijke
Zekerheid hun invloed lieten gelden.
Ondertussen begonnen de bedrijven, evenals de banken,
hun voorzorgen te nemen om de vervaldag van het jaar-
einde vlot van stapel te laten lopen. Deze bekommernis
was zeer typisch voor het verloop van de geldmarkt tijdens

de maand December. Het aanleggen van een liquiditeitsreserve bij de banken
gebeurde over het algemeen niet door meer herdisconto
bij de Nationale Bank, doch door het tijdelijk uitstellen
van de hernieuwing van vervallen schatkistpapier. Zulks
is trouwens één van de redenen waarom de voorschotten
van de Nationale Bank aan de Schatkist zo sterk gestegen
zijn tijdens de laatste maand van het voorbije jaar.
De jaareinde-vervaldag zelf kon over het algemeen vrij gemakkelijk worden afgehandeld. Men mag evenwel niet
uit het oog verliezen, dat een gedeelte van de jaareinde-
betalingen slechts de 2e of 3e Januari werden vereffend.
Tijdens de 2 â 3 dagen voor en na de 31e December
hebben sommige banken, die doorgaans zoveel mogelijk
handelspapier zelf in portefeuille houden, bijkomend be-
roep moeten doen op herdisconto van de centrale bank.
De liquiditeit van de banken bij het jaareinde werd daar-
enboven aanmerkelijk versterkt door de bedragen, die de Staat op 31 December aan de banken liet geworden voor
de betaling van de interesten op de Muntsaneringslening en
voor de terugkoop van de saldi kleiner dan fr. 1.000.
Voor een aantal banken, die einde van het jaar hun balans
afsluiten, stond het opvoeren van hun liquiditeit ook

enigermate in het teken van de gebruikelijke ,,window
dressing”.
De bevoorrading van de ,,markt in verrekening” met
callgelden verliep tijdens de laatste weken eerder sprons-gewijze; op deze markt zijn immers de private banken de
bijzonderste verstrekkers van daggelden, waarvan het vo-
lume stefk de weerslag onderging van het tempo, waarin
het Wisselinstituut de betalingen voor uitvoer naar de
E.B.U. toeliet. Naast de private banken wordt op de markt
in verrekening nog daggeld uitgeleend door de Bank van
Belgisch Kongo en het Gemeentekrediet. Zoals bekend
is het Herdisconterings- en Waarborginstituut de voor-
naamste geldnemer op deze markt.
Op de markt buiten verrekening daarentegen, wordt

het door de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid,
de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, de Luxembur’gse
Spaarkas en enkele andere organismen aangeboden dag-
geld . hoofdzakelijk opgenomen door het Rentenfonds, dat deze gelden aanwendt voor de financiering van zijn
steunaankopen op de markt van de staatsfondsen.
Einde van het jaar noteerde men in de banken een aan-
merkelijke toeneming van de vraag naar krediet. Niet
alleen stonden vele ondernemingen voor zware vervaldagen,
doch tevens was 15 Januari de uiterste datum voor de ver-
vroegde betaling van de bedrijfsbelastingen. Met de verho-
ging in sommige sectoren van het bedrijfsleven worden
daarenboven bijkomende kredieten gevraagd voor het
verder aanhouden van grondstoffenstocks en voor de
financiering van de productie, die tijdelijk dè voorraden
afgewerkte goederen zal vergroten. De vroeger reeds ge-
signaleerde gedwongen overschakeling van disconto naar
kascredieten liep dus nog verder door.

Kredietverlening van de banken aan de private economie.

(in millioenen franken)
Herdisconto van

Totale krediet-
de banken bij
Portefeuille
verlening der
de Nationale
handelspapier
private banken
Bank en de
van de Natio-
(accepten inbe-)
parastatale
nale Bank
grepen)
instellingen

1945

Qec.

……..
4.168
5.171
23.117
1949 Dec.

……..
.3.339
.
4.006 24.506
1950 Juni
3.696
4.082 26.582
Dec.

……..
8.543
10.110
27.739
1951 Maart
8.781

10.567
29.592
Juni
7.707
9.511
29.921
Aug
6.749
7.778 29.507
Sept
5.368

.

6.131
30.337
Oct.

……..
5.767
6.793 31.225
Dec.

……..
.-
. 6.703

In het kader van de algemene overheidspolitiek tot
aanmoediging van de invoer uit de E.B.U.-landen en de
uitvoer naar de dollarzone, verdisconteert het Hrdiscon-
terings- en Waarborginstituut van 6 November af de voor
de financiering van deze verrichtingen uitgeschreven bank-
accepten op hoogstens 120 dagen tegen
2114
pCt, hetzij
een kwartje lager dan de sinds midden September gebrui-
kelijke rentevoeten. Tevens werd door deze instelling een
nieuw tarief uitgewerkt voor de verschillende looptijden,
waarbij de rentevoet voor de verdiscontering van geviseer-
de bankaccepten over gans de lijn
1/
pCt lager gesteld
werd dan het tarief voor de geviseerde handelsaccepten.
Ondertussen is ook. de Nationale Bank terug breder ge
worden in het verlenen van het visum op accepten ter
financiering van invoer uit de E.B.U.-landen en export
naar de dollarzone.

De toestand van de banken.

In vergelijking met de maand Augustus waren de bank-deposito’s einde October met ongeveer fr. 4 mrd gestegen
en bereikten zij een nieuw toppunt. Zoals hoger uiteen-gezet is deze uitzetting van de bankdeposito’s vooral te wijten aan de hoge boni op onze betalingsbalans, en in-
zonderheid met de E.B.U.-landen. Hierdoor werd ook de

30 Januari
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

89

liquiditeit van de ondernemingen in enkele industriesec-
toren aanmerkelijk opgevoerd.
Deze oorzaak van de stijging der bankdeposito’s verklaart
meteen waarom hun uitbreiding tijdens de.laatste maanden belangrijker was dan deze van de bankbiljetten. Als karak-
teristiek mag eveneens worden gesignaleerd, dat sedert mid-
den 1951 de progressie van de termijndeposito’s relatief
sterker was dan deze van de tegoeden op zicht, welk ver-
schijnsel zich normalerwijze steeds voordoet wanneer het
publiek de conjunctuurperspectieven als minder vast
gaat beschouwen.
Gedeeltelijke gegevens
wijzen
er op, dat de stijging van
de bankdeposito’s tijdens de maand November licht, ge-daald zijn, terwijl einde December zich meestal een sei-zoendaling van de deposito’s voordoet. De grote verval-
dagen brengen in België immers nog steeds omyangrijke
regelingen in chartaal geld, en dit legt meteen uit waarom
de banken voor die gelegenheden steeds omvangrijke
liquiditeitsreserves aanleggen.

Toestand van de Belgische banken.

(in millioenen franken)

Einde
1950
Maart
1951
Juni
1951
Aug.
1951
Sept.
1951
Oct.
1951

Actief:
Kas, Nationale Bank,
P.0.

…………
2.907
.693
2.098
2.105
2.275
Daggeld, banken,
6.340
<

6.220
6.716
6.618
6.850
Kredieten aan private
economie
27.739 29.592
29.921
29.507
30.337 31.225
Handeiswissels
6.845
7.584
7.533 8.238 9.799
10.030
Prolongaties.

en

voorschotten

te-

..2.853

holdings

……….6.524

gen effecten
. . .
764 735
731
735 685 675
Diverse debiteu
.en
13.996
13.905
14.500 14.170
13.863
13.964
7.368 7.157
6.364
5.990 6.556
Kredieten aan de
Accepten

………6.134

34.856 36.272
35.803 36.475
37.884
39.431
Overheid

……….
Speciaal papier

.
28.340
29.801
29.329
29.680
30.979
32.318
Genoteerde

staats-
fondsen
6.516
6.471
6.474
6.795
6.905 7.113
Vastgelegde middelen
1.215
1.211
1.227 1.243
1.249
1.253
78.085
81.572 80.849 80.806
83.486
87.137
Portef. van de N.V. en
de

parast.

instell.
aan

papier

door

banken geherdis-
8.543
8.781
7.707 6.749
5.368
5.767

Totaal

actief

…….

Passief:
Deposito’s en credi-
53.571
54.979
54.550
54.539
56.724
58.330

conteerd

……….

47.693
49.510
49.278 48.917
50.821
52.189
Op meer dan 30

teuren

………..

5.878 5.469 5.272 5.522
5.903
6.141

Zicht

………….

Obligaties en kasbons
272
307 348
410
444
487
dagen

………

Eigen middelen
5.064 5.100
5.499 5.496
5.509
5.521

Als karakteristiek voor de belegging van hun gestegen
volume werkmiddelen mag wel ‘ônderlijnd, dat sommige
banken een groter bedrag handelswissels zelf in pôrte-
feuille zijn gaan opnemen. –

De toestand op de goud- en deviezenmarkt.

In de loop van het, vierde kwartaal van 1951 is de lichte
af brokkeling van de koersen van het goud op de Vrije markt
verder doorgelopen. Alhoewel die lichte koersverschillen
dikwijls aan zeer toevallige oorzaken te wijten zijn, lijkt de minder pessimistische interpretatie van de internatio-
nale politieke toestand wel enige rol te hebben gespeeld.
Op de markt van de deviezen noteerde men een lichte verbetering van het pond sterling, dat door de speculatie
sterk gedrukt was, doch waarvoor het gevaar van een de-
valuatie thans door de markt als meer -verwijderd wordt
beschouwd. De geleidelijke terugkeer van Engeland tot
een meer orthodoxe kredietpolitiek leek wel van aard het
vertrouwen in het pond te herstellen, doch de publicatie
vân de aanzienlijke goud- en dollarverliezen tijdens het
laatste kwartaal van 1951 veroorzaakte een nieuwe baisse
van het pond tijdens de eerste dagen van het jaar
1952.

Noteringen op de vrije goud- en deviezenmarkt.


Oct.
1951
Nov.
1951
1

Dec.
1951

Niet officiële markt:

-,

73,75 72,50
Gouden

pond

………
………………
675.125
670,-
657,50
Goud per gram

……………………..74,375

Officiële bi!/ettenmarkt:

.

126,50
128,50
130,50
12,90
12.55
12,825
Zwitserse

frank

……………………
12,55 12,60
12,45

Papieren

pond

…………………….

55,-
54,25

Franse

frank

(100)

………….. …….

Gulden

…………………………..
12,90

.

13,20
13,20
Papieren

dollar

……………………….55.125

Duitse

mark

………………………..
10,45
10,80
10,80

De Zwitserse frank en de dollar liepen rond het einde
van het ‘laatste kwartaal van Vorig jaar eveneens eniger-
mate terug. Deze daling wordt meestal beschouwd als
een technische reactie na hun sterke hausse uitgelokt door
de vernauwing -van de Belgische wisselcontrôle.
De gulden en de Duitse mark waren koersvast.

De obligatiemarkt.

Nadat de koersen van de obligatieleningen tijdens het derde kwartaal van dit jaar een licht stijgende beweging
hadden doorgemaakt, ingevolge de discontovoetverlagingen
van
5
Juli en 13 September, veroorzaakte de aankondiging
van de aanstaande emissie van een overheidsienirig einde September reeds een nieuwe koersafbrokkeling. Het uit-
geven van deze lening in de loop van-de maand November
deed de koersen van de, obligaties nog wat verder terug-
lopen. Deze nieuwe emissie was van het
4,50
pCt type op
10 â 15 jaar, uitgegeven tegen 96 pCt en terugbetaalbaar
bij uitloting tegen pari gedurende de eerste 10 jaar en tegen
een telken jare met 1 pCt verhoogde premie gedurende de rest van de looptijd. De houders hebben evenwel het recht
de vervroegde terugbetaling te vragen op 15 November
1961. Het rendement van- deze emissie beliep
5,02
pCt
op 10 jaar, 5,12 pCt op 15 jaar en 5,19 pCt als gemiddelde
over gans de looptijd. Deze voorwaarden waren vrij gunstig
in vergelijking met het rendement van een aantal geno-
teerde schatkistcertfficaten, hetgeen een reeks arbitrage-verrichtingen op de obligatiemarkt voor gevolg had.
Op deze lening wérd voor fr. 6.350 mln ingeschreven,
waarvan 2.517 mln in speciën, 2.075 mln door afgifte van
3,50 pCt schatkistcertificaten 1942, le reeks, en
1.758
mln
door afgifte van 4 pCt schatkistcertificaten 1947. Deze
cijfers wijzen er op, dat de politiek van de Overheid af te
breken met de tot hiertoe gevolgde gewoonte slechts
leningen uit te geven met een definitieve of facultatieve
vervaldag na
5
jaar, maar een matig succes heeft geoogst.
In de loop van de maand December herstelden de obli-
gatiekoersen zich enigermate, met -uitzondering van de
schatkistcertificaten 1942, le reeks, die blijkbaar een tech-
nische reactie doormaakten na hun sterke hausse van de
vorige weken.

Rentestand op de obligatien-iarkt
1)

(in pCt per einde maand)

Looptijd
Aug.
1948
Juni
1950
Dec.
1950
Juni
1951
1
Oct.
1951
Nov.
1951
Dec.
1951

Staatsobliga-
lang-
ties
lopende
4,77 4,38 4,53 4,68 4,63 4,65
4,64
Schatkistcertif.

7 â 8 j.
4,83
4,63 4,92
5,24
4,94
5,-
4,98
Kasbons
steden
6 â
7 J.
5,07
4,49 4,66
5,37 5,35
5,36
5,30
Kasbons
parast.

in-

stellingen
ca 8

j.



5,41
5,28
5,29
5,25
Private oblig
10 8 123.
6,06
5,43
5,69 6,08 5,85
6,21-
5,90

1)
Reële rendementen – rekening gehouden -met agio of disagio tegenover
terugbetalingeprija.
Opvallend bij dit verlopp van de obligatiemarkt is wet – de grotere koersvastheid van de langlopende staatsfond-

90

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30-Januari 1952

sen en inzonderheid van de Geünificeerde Schuld. Deze
licht differentiële evolutie is grotendeels toe te schrijven aan
de steunaankopen van het Rentenfonds. Volgens het ver.
slag van de Kamercommissie voor de Rijksschuldbegro-
ting heeft het Rentenfonds van de verbetering der note-
ringen ingevolge de discontovoetverlagingen gebruik
kunnen maken om van 28 Juni tot 26 October van vorig
jaar voor fr. 888 mln overheidsfondsen op de markt te
verkopen. Tijdens de maand November heeft het evenwel
voor ca fr. 300 mln papier teruggenomen.

De aandelenmarkt.

Over het afgelopen jaar in zijn geheel beschouwd zijn
de koersen van de aandelen op de Brusselse beurs met ge-
middeld 30 pCt gestegen, terwijl de groothandeisprijzen
met ca 9 pCt en de detailprijzen met 10 pCt opliepen.
Alles samen genomen was 1951 dan ook een tamelijk goed
beursjaar.
Als voornaamste oorzaken van deze vaste tendentie
der aandelenkoersen over 1951 dienen o.a. vermeld:

de intense economische bedrijvigheid, die gedurende
het eerste kwartaal vrij algemeen was, doch nadien
enkele uitzonderingen kende, vooral in de consump-
tiesector;
de gewijzigde houding van het publiek tegenover .de
internationale toestand, hetgeenals typisch gevolg had,
dat het goud amper zijn koersen van einde 1950 kon
handhaven;
de verruiming van de- geldmarkt ingevolge de uit-
zetting van de geldcirculatie, veroorzaakt door one
hoge kredietverlening aan de E.B.U. Sommige onder-
nemingen lijken• vrijgekomen middelen tijdelijk op de
obligatiemarkt te hebben belegd
;

Koersverloop op de beurs te Brussel.

(indices op basis 1936-1938 = 100)


2
811
2
15
1

2819151
29112150

Koersverschil
in pCt van:

2819151

28112150
tot

tot
28112151

28112151

175,4 160,2
131,6
+
9,5
+33,3
Holdings

…………….
165,8
137.1
122,7
+20,9
+35,1
Gas en Electr. trusts

.
129,6
119,9
91,5
+
8.1
+41,6
Gas en Electr. Mijen

..
.
230,1
220,7
171,1
+
4,3
+34,5
257,8
249,6
221,5
+
3,3
+
16,4
5cheik. producten
215,2

..

195,9
147,5
+
9,9
+45,9
Metaalnijvërheid

……….

Steenkolenmijnen

……..
228,5
231,3
165,0

5,2
+38,3
88,2 86,9 82,0
-1–

1,5

+
7,6
Spiegelglaa

…………….
Glas

………………..
98,2
..188,4
110,3
112,2
-11,0 -12,5

Banken
.
………………

Bouwnijverheid
175,8
164,8
+
7,2
+14,3
222,5
226,8
222,1

1,9
+
0,2
Koloniale

……………
466,3 388,2 325,0
+20,1
+43,5
Voeding

…………….
111,0
116,6 109,2

4,8
+
1,6
258,0

230,8 224,8
+
11,8

+
14,8

Textiel

………………..

77,3
79,6
+
5,7
+
2,6
Papier

…………….
.
62,0

..
..

315,0
257,8
+
14,9
+40,4

Diverse

……………….
Brouwerijen

………….81,7

warenhuizen

…………
348,1
..
335,3
377l
+
3,8

7,7

Gemiddelde

…………..
..243,8
227,4
187,6
1

+
7,2
1

+
30.0

teze, algemene hausse vân de beurs neemt evenwel niet
weg, dat de evolutie van de verschillende rubrieken nog
zekere afwijkingen vertoonde. Naarmate de stijging van
de beurs vorderde, leken de individuele perspectieven van de betrokken ondernemingen en bedrijfstakken van steeds
meer -belang in de koersvorming op de markt.
Over geheel het afgelopen jaar zijn alleen de koersen in
de rubrieken Glasfabrieken en Grootwarenhuizen gedaald,
terwijl de hausse gering was voor de textielaandelen, de
voeding- en brouwerij-effecten, evenals voor de spiegel-
glaswaarden. In de metaalnijverheid waren de koerswin-
sten eveneens Vrij gelimiteerd, ondanks de zeer hoge acti-
viteit. We mogen evenwel niet uit het oog verliezen, dat de
winsten van de siderurgie, die-in het derde kwartaal werden
bekendgemaakt, nog niet zeer hoog waren, terwijl de pers-
pectieven in enkele sectoren van de metaalverwerkende
nijverheid niet bepaald gunstig waren.
Uit de vergelijking van de stijgingspercentages over ge-
heel het jaar en het laatste kwartaal van 1951 blijkt, dat
o.a. in de steenkolenmijnen, de gas- en electriciteitsmaat-
schappijen, evenals in de metaalrubriek, de koersver

betering tijdens de laatste maanden van het jaar sterk
aan intensiteit heeft ingeboet. De banken, de holdings en de koloniale aandelen maakten een tegengesteld verloop
door.
Tij dens de maanden October, November en December
beliepn de gemiddelde dagelijkse omzetten respectjeve-
lijk 129,6, 93,5 en 122,8 mln fr., het zijn de hoogste cijfers die vorig jaar werden bereikt.
De verdere koersstijging tijdens de maand December,
die ca
5
pCt beliep, droeg er toe bij het gemiddeld rende-
ment vaii 75 genoteerde aandelen te doen teruglopen van
4,08 pCt einde November tot 3,81 pCt einde December.

Brussel.

Dr L. DELMOTTE.

STATISTIEKEN

OFFICIËLE WISSELKOERSEN VAN
DE
NEDERLANDSCHE BANK.
Van 24 Januari 1952 af.

Schriftelijk en t.t.
Plaats
Per

Aankoop
verkoop

100 B.fr.
7,59
7,61
100DM.
90,39 90,57
100 D.Kr.
54,86 55,16
100 Escud.
13,15 13,28

Brussel

…………………..
Frankfort 1/Main

………….

Londen

…………………
1
£
10,63 10,65

1 Can.
$
3,781
3,801

Kopenhagen

……………….

1 Can.
$
3,78
3,80

Lissabon

…………………

1 Can.
$
3,774 3,80

Montreal

(It.)

……………..
Montreal (luchtpost)

………..

1 U.S.
$
3,794 3,804
Montreal (zeepost)

………….
New York (t.t.)

……………
New York (luchtpost)
1 U.S.
$
3,79
3,801
New York (zeepost)
1 U.S.
$
3,784
3,801
100 N.Kr.
53,05 53,33
100 Fr.fr.
1,084
1,088
100 Kcs
7,58
7,62

Oslo

…………………….
Parijs

…………………….

100 Z.Kr.
73,25
73,66
Praag

…………………….
Stockholm

……………….
Zürich

…………………..
100 Z.fr.
86,71
87,09

EMISSIES IN 1951
(Reële bedragen in duizenden guldens).

Maand
Obligaties
Aandelen
Totaal
Waarva n
conversies
Uit omzetting van
andere beleggingen en
geblokkeerd tegoed

Nieuw geld

Januari
2.752
6.347 9.099

102
8.997
Februari
133.726
4.191
137.917

158
137.759
Maart
15.728
14.854
30.582

165
30.417
April
211.659
14.364
226.023

278
225.745
Mei
1.722
7.307
9.029
7
544
8.478
Juni
1
)
16.833
2.198
19.031

164
18.867
Juli
10.009
101.830
111.839

149
111.690
Augustus
330

330


330
September
3.100
110
3.210

100
1110
October
16.935
1.250
18.185

90
18.095
November
46.328
41.066
87.394

243
87.151
December
22.636
59.558
82.194

86
82.108

Totaal 1951
481.758 253.075 734.833

-.
7
2.079
1

732.741
Totaal 1950
634.092
57.405
691.497
101.091 259.691
1

330.709

1) Gecorrigeerde gegevens.

Uitgîfte van

f 10.000.000.- 4 pCt. 30-jarige Obligatiën,

waarvan
reeds t 5000.000.— obligatin
op inschrijvingsvoorwaarden zijn geplaatst,
ten laste van de

GEMEENTE ‘s-GRAVENHAGE

f 5.000.000.-
4 pct. 30-jarige Obligatiëri,

waarvan reeds t
2500.009.-

– obliatiën op inschrijvingsvoorwaarden zijn geplaatst,
ten laste van de

GEMEE NTE_ENSCHEDE

f 5.000.000.-
4 pCt. 30-jarige Obligatiën,

waarvan reeds t 2.500.000.-
– obligatiiin op inschrijvingsvoorwaarden zijn geplaatst,
ten laste van de

GEMEENTE LEIDEN

Grootte der stukken: nominaal t 1.000.— aan toonder.

Bovenstaande leningen zijn in haar geheel 4 pan aflosbaar op 1 Maart 1982

Obligatiehouders hebben het recht telkenjare
O
1 Maart, vooi de eerste maal op 1 Maart 1953, aflossing te vragen,
mits zij hun wens daartoe uiterlijk 1 Februari van elk jaar kenbaar maken.
Terugbetaald zal alsdan worden t 1.000.

per obligatie, verminderd met hetgeen op de ter aflossing aangeboden
obligatie op het ogenblik van de terughetaling aan rente meer is betaald dan het thans voor publiekrechtolijke licha-
men geldende rentegamma toestaat.

Indien derhalve aflossing gevraagd wordt op onderstaande data, zal het daarachter vermelde bedrag in nindering
worden gebracht van elk terug te betalen bedrag van f1.000.—, en zal de in dc laatste kolom vermelde rente genoten
zijn.
Op elke terugbetaling van fl.000.— in

Per saldo
Aflossing op mindering te brengen een bedrag van

genoten rente

1 Maart 1953

/ 18,75

2
1
/
8
pCt.
1

1954

32,50

2/8
1

1955

37,50

2
3
/
4

1

1956

40,—.

3
1

1957

37,50

31/4

1

1958

30,—

31/3

1

,, 1959

35,-
1

1960

40,-
31
/2

1961

45,….

31/2

1962

25,—

33/4

.1

1963

27,50

33/4

1

,,

1964

,, 30,—

33/4

1

1965

32,50

33/4

1

1966

35,—

33/4

van 1 Maart 1967 af,
telkenjare op 1.Maart

-,-

4

Vervroegdealgehele of gedeeltelijke aflossing á pan – voor gedeeltelijke aflossing door middel van uitloting – is
aan de Gemeenten van 1 Maart 1957 af toegestaan op 1 Maart van elk jaar, mits het voornemen daartoe 3 maanden
tevoren kenbaar wordt gemaakt. Indien de Gemeenten tot vervroegde aflossing 4 pari overgaan zal geen aftrek plaats
vinden van rente, zoals geschiedt in het geval, dat de houder aflossing vraagt.
De ondergetekenden berichten, dat de inschrijving op bovengenoemde obligatiën, voor zover niet i’eeds op inschrijvings-
voorwaarden geplaatst, zal zijn opengesteld 01)

Vrijdag, 8 Februari 1951
van des voormiddags 9 uur tot des namiddags.4 uur,

tot de koers van 100 pCt.
bij hare kantoren te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Enschede en Leiden, voor zover aldaar gevestigd, op de voorwaarden van het prospectus van uitgifte d.d. 30 Januari 1952. Exemplaren van dit prospectus en inschnij-
vingsbiljetten zijn bij genoemde kantoren verkrijgbaar.

Amsterdam, 30 Januari 1952.

AMSTERDAMSCHE BANK N.V.

INCASSO-BANK N.V.

NATiONALE HANDELSBANK N.V.

Uw ex.aet aac

Bij
voldoende belangstelling van handel en industrie
organiseert het
CIHAN
wederom de
NEDERLANDSE DEELNEMING
naar de internationale

JAARBEURS te MILAAN

(12_29 April 1952 )
Fiera di Rlilono

• De grootste en meest internationale jaarbeurs in
Europa. In LISt waren er inzendingen uit 45 landen.
• 28 en 29 April speciale kopersdagen.
• Uitbreiding van export naar Italië mogelijk tengevolge
van sierk doorgevoerde liberalisatie van het handels-
verkeer.
• Het CIHÊi,N zorgt voor huur, inrichting en demon-
tage van de stand, regelt liet transport van expositie-
goederen v.v., inclusief in-, uit- en doorvoerdocu-
men ten.

Kosten van transport, Inrichting, afwikkeling etc. wor-
den y.rrakond In l’Iederlandsa valuta.
• Verblij(sdevieeen voor
S
pet sonen gedurende 20 dagen
ten behoeve van deelnemende lirma’s.
• Bezoekersicaarten voor n:et-deelnemers (o.a. recht-
gecende op epooiwegreductie,
viiie
toegang leer-
beursterrein etc.) verkrijgbaar bij liet CIHAN tegen
storting van ii. 1.84) per kaart op postrekening No. 141.
• Organisatie in samenwerkingmetNed.K.v.It. in Italië.

)C

Spoeclige aanmelding verzekert
U

van een gunstige standruimte.

CENTRAAL INSTITUUT TER BEVORDERING

VAN DE BUITENLANDSE HANDEL (CIHAN)

Afd. Buiteni. Jaarbeurzen: te) K 1700-771958

BEZUIDENHOUTSEWEG 64, DEN HAAG
ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
LIET NEDERLANDSCH ECONOMISCH
INSTITUUT

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.)
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.

Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Ekonomte
14, Universiteitsirani, Gent.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).

Abonnementsprjs, franco per ‘post, voor Nederland en de Unlegebleden en
Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f 26,—, overige landen f28,— per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worde,i beëindigd per
ultimo van liet kalenderjaar.

ti

Aangelekrnde stukken in Nederland aan het Bijkantoor West :eedijk,
Rotterdam (W.).

12

ADVERTENTIES.

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma H. A. M
Roelants, Lange Haren 141, Schiedam (Telefoon 69300, toestel 6). Advertentie-
tarief f 0,43 per mm. Co,ztract-tarieven op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Bescl,ikbaro krachten” f 0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie
behoudt zich liet recht ,’oor o,,, advertenties zonder opgaaf van redenen te wei

geren.

H1 WESTER BOEKhANDEL

Algemene Binnen- en Buitenlandse Boekhandel

Nieuwa Binnenweg 331

ROTTERDAM

Telefoon 32076

Poatgiro 18961

GESPECIALISEERD OP ECONOMISCH GEBIED

Zo Juist verschenetu

Prof. Dr Ir J. Goudriaan:

Economie in 16 bladzijden

Inleiding tot de Analytische Economie

Prijs gebonden f 15.00

De bestelde exemplaren zijn verzonden

Het aangekondigde boekje van
Prof.
Dr H. J. Witteveen: ,,Conjunctuurtheorie
en
conjunctuurpolitiek” zal in de loop van
het voorjaar verschijnen. Bestellingen hier-
op worden in nota gehouden.

Wilt u de in dit nummer btJgesloten
antwoord1aarten gebruiken voor Uw be-stellingen op de door ons geadverteerde
boeken en uit de maandelijkse rubriek in
dit blad:

,,Recente Economische Publicaties”.

Koninklijke Machinefabriek

Gebr. STORK & Co. N.V.

gevestigd te HENGELO (0.)

UITGIFTE
van

2734 gewone aandelen

elk groot f 1000.— nominaal

aan toonder (desgewenst op naam), ten volle
delende in de resultaten van het boekjaar
1952
en volgende jaren.

Ondergetekende bericht, dat zij de inschrij-
ving op bovengenoemae aandelen,
uitsluitend
voor houders van claims van gewone en
preferente aandelen,
openstelt op

VRIJDAG 1 FEBRUARI 1952

van des voormiddags 9 uur tot des na-
middags 4 uur,

bij haar kantoren te
Amsterdam, Rotter-
dam, ‘s-Gravenhage
en
Hengelo (0.)

TOT DE KOERS VAN 100 pCt.

Prospectussen en inschrijvingsformulieren
zijn bij de kantoren van inschrijving ver

krijgbaar.

DE TWENTSCHE BANK
N.V.

Amsterdam,
22
Januari
1952.

Auteur