Ga direct naar de content

Jrg. 35, editie 1728

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 21 1950

AUTEURSRECHT

GEMEENTEVRA’GSTUKKEN

Economisch,-,rStatistische.

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEI15, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

35E
JAARGANG

WOENSDAG 21JUNI1950

No. 1728

COMMISSIE VAN REDACT1E:

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries] C. van den Berg (secretari.$).
RedacteurSecretarj.9:6A. de Wit.

Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E. Mertens; R. Miry; J. van Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.

Gegevens over adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde van dit nummer.

INHOUD: Blz.

De artikelen van deze week

………………….
487

Sommaire,

summary

……………………..
487

Rijk en’gemeenten
doo’r Prof. Mr C. W. de Vries …..
488

Het wettelijk toezicht op de gemeentefinanciën
dooi’
Prof.

Mr

D.

Simons

……………………..
491

Conjunctuurpolitiek en de NederIande gemeenten

door H.

M.

de Lange

……………………..
492

Conjunctuurpolitiek en gemeentelijke zelfstandigheid
door J. 1-lasper

…………………………..
495

Conjunctuurpolitiek en gemeentefinanciën
door L. H.
Klaassen

………………………………
497

De wôningverdeling
dooi’ Ir J. S. van’Nouhuys ……
498

De ‘prijsbepaling van industrieterreinen
‘door L. H.
Klaassen

………………………………
500

B o e k b es
p
r e king:
Oemoentebestuur van Amerstoort: ])e begroting van Amers-
foort in woord en
beeld,
bespr. door L. II. Klaassen ..
501

Geld- en kapitaalmarkt

………………….’….
501

Statistieken:
De
bevolking van enkele Nederlandse gemeenten gedurende
de

periode

1850-1950

……………………..
502
Woiiiiigvoorraa4

In

Ne5erlanC

……………………
502

DEZER DAGEN

wordt men gepraaid. Van alle vlakken, waar nog, een
reclamebiljet een plaats kon vinden, worden Neder-
landers en buitenlanders opgeroepen tot het bezoeken
en aanschouwen ‘van een plethora van tentoonstellingen, manifestaties, beurzen, abele, volks- en openluchtspelen,
en herdenkingsfeesten. ,,Deez’ waereld is een schouw-
toneel”, zo blijft steeds Vondel actueel en het spelkat
rakter in onze cultuur wat overdreven.

Boven dit alles uit hebben wij, misschien omdat het

huis van de redactie in Rotterdam en dicht bij de haven
staat, één kreet verstaan: Ahoy. Rotterdam heeft onder

de naam van deze aanroep over het water ,een tentoon-
stelling ingericht; zij doet zien, dat de sculptuur van

Zadkine, de klacht van de stad om het uitgescheurde
hart, een momentopname is, die in de geest reeds is over-
leefd,

,,Het is, of vanuit deze haven iets over heel de wereld
drijft” – men zal de regels van Jan Prins herkennen -,
‘want op vele gebieden is
1
er een neiging tot bijdraaien. De moeizame onde’handelingen ‘over de Europese be-

talingsunie hebben een overeenstemming over beginselen
gebracht.i De Belgen, &ie meenden, dat zij niet langer in
dit korvooi konden varen, hebben hun plaats in de linie
hernomen

Over de Benelux zal men evenzeer een nieuw punt van
rencontre zoeken; een zekere neiging tot• afdrijven is

onmiskenbaar geweest en – het is een bekende geschiedenis
uit de journalen van onze zeevaarders – de afgesproken
ontmoetingsplaats en -datum leverden de navigators
moeilijkheden; maar het zal er van ‘komen.

\Vat doet de Britse Minister-President ten aanzien van

het Plan-Schuman, bijdraaien of afhouden? De overige
nauw-betrokken landen hebben elkaar reeds rendez-vous
gegeven te Parijs. En Attlee denkt en denkt. Ook over
een andei’e moeilijke, ditmaal in eerste aanleg interne, beslissing. Hoe te handelen met de loonstop, door vele vakverenigingen met kracht aangevochten? Te loevert
bevindt de Britse Regering zich niet.

Is West-Duitsland zover, wat zijn internationale poli-

tieke positie aangaat? De volksvertegenwoordiging heeft
besloten toe te treden tot de Raad voor Europa; de stem-
ming wees uit, dat thans vele afgevaardigden geneigd
zijn de steven in deze richting te wenden. Tegelijk is

een internationaal gesprek gaande over de prijs van de
Roerkölen, die verschillend is gesteld voor binnen- en
buitenland. Overeenstemming is niet bereikt; duidelijk
is echter, dat, economisch, Duitslands stem weer gaat

klinken. Zij het zeer bescheiden, ‘bij het forse geluid, dat
van de overkant van de Atlantische Oceaan komt. Daar-
vandaan kan ieder uit een indrukwekkende reeks pro-
ductie- en werkgelegenheidscijfers vernemen, dat de vaart
in het schip blijft.

Betekent dit, dat alle landen op zoek naar dollars hun
doel zullen bereiken in het kielzog van deze prosperiteit?

Op de conferentie van de Nederlandsche Economische
Hoogeschool over vraagstukken van internationaal even-
wicht, toonde Professor Tinbergen aan, dat, vergeleken
met 1938, de verhouding tussen nationaal inkomen en
invoer in de Verenigde Staten na de oorlog zelfs lager was.
,,Tracing a new international balance”. 1-let is mis-
schien even wanhopig als het praaien van passerende

schepen, dat Ahab deed op zoek naar de witte walvis.
Maat’ wat is wetenschappelijk nuttiger dan het zelf ge-
leerde door te geven aan degenen, die men in het voorbij-
komen ontmoet? –

.
,
..e
,
Qe
n

L) ±

ALRNAA4

AOL

tKI
..t3•J

..S;?

OCILO

sy7

(

UIL000t

—,

.z:”P

(1
,
01fl

P

153LSS 1,
4’IIIJDOODJ

1


DO .UA.

UDI. NT

GOUDA

hAI,OI

Wl,,Ip,wYO

0515.

t
000SN0000
L

NUM6E

LOILCO

DID

1000*5.
LO
0
.
ISI0001IO

t

SDOIM

ftSI000LIS

S

______________

WOOG
,•

..,,

EI’sOOOvIfl

j

DUISDUDG

MUIS M

S

‘((050

EDEL

1

yv,nOUt

0/

•.-‘.,,

/

5-
S _._.#•

,IuLtflLO
WOORD

-.,_•

op ILDOLF

0

iOI”

HAflLLT

DI
1
LEuvin

r i

UOSIL

S.-
.
.-. — •

5.COEfl


S
– –

________ Lsr.00.

55

JQI

De Nieuwe Haven- en Industrieterreinen te Nijmegen

Zoals elders in den lande bestond ook in Nijmegen na de oorlog

vermeerderd met
t
5,— per jaar per strekkende meter glooitnde

een groeiende belangstelling voor de vestiging van nieuwe incius-

en
1
25,— per jaar per strekkende meter verticale oever.
trieën. In 1948 werd daarom begonnen met de aanleg van een

In de gereedgekomen haven, welke in de bodem een breedte
nieuwe haven aan het Maas-Waalkanaal. Rondom deze haven zijn

van 60 na flaef t, is het peil ca 7,50 m + N.A.P., terwijl de terreinen
industrieterreinen aangelegd met een breedte van 60, 100 en 130 31,

op 9,20 m tot 10,00 na + N.A.P. liggen. De diepte langs de kade
terwijl er ook enkele terreinen van grotere afmetingen zijn. Behalve

is 3,50 na, zodat de haven bereikbaar is voor de grootste binnen-
deze haventerreiflen zijn nog aanzienlijke oppervlakten beschikbaar

schepen.
voor terreinen die geets behoefte hebben aan een ligging direct
Voor dc te Nijmegen gevestigde inclustrieen zijn voldoende ge- aan een haven. Deze bedrijven zullen gebruik kunnen maken van
schoojde en ongeschoolde arbeidskrachten beschikbaar, terwijl
een openbare loswal met kranen. De terreinen Lullen spooregaan-

nieuwe werkers gemakkelijk uit het omliggende platteland kunnen
sluiting krijgen, zodra daarvoor belangstelling bestaat.

worden aangetrokken.
De grondslag van de terreinen bestaat uit opgespoten zand op
een zandige ondergrond, zodat zelfs zware gebouwen zonder kost-

Voor het verkrijgen van nadere inlichtingen gelic4e men zich
bare funderingen kunnen worden opgetrokken.

.

te wenden tot het Stadhuis te Nijmegen, Lange Nieuwstraat no. 2,

Als regel worden de gronden in langdurige erfpacht uitgegeven.

of lot het Ingenieursbureau v/h 1. van Hasselt & de Koning, Pater De erfpachtscanon bedraagt in het algemen
f
0,23 per na
0
per jaar, • Brugmanstraat 2, te Nijmegen.

482

.

S

EM

.1/

0

rn

zowel voor grote
als
voor kleine

INDUSTRIEËN,..

Industrieterrein langs de rijksweg Arnhem-Zevenaar

direct beschikbaar ± 20 ha

ontworpen

±, 80 ha

•1

Industrieterreinen

beschikbaar te

URK

Liggend aan kanaal en weg

N.O.-Polder en in ônmiddel-

lijke. nabijheid van Urker-

havens.

*
Inlichtingen verstrekt het

Gemeentebestuur van Urk

Gemeente

ZUIDBROEK

Industrietcrréin

Is gelegen aan spoorweg

aan verkeersweg

en binnenkort

aan 1000-tons kanaal

Vraagt inlichtingen op het gemeentehuis (tel. no 8)

IND USTRIETERRÈIN

Sassenhei
M

De in het hart van de Randstad Han
olld gele-
gen zich zeer snel uitbreidende gemeente Sas-
senheim beschikt nog over enkele percelen zeer,

gunstig aan 200-tons vaarwater en grote weg
gelegen industrieterrein.

De percelen bieden door hun bijzondere ligging
in de onmiddellijke nabijheid van de auto-snel-
weg Amsterdajn-Sassenheim-Den Haag-Rotterdam
en de grote verkeersweg Leiden-Sassenheim-
Haarlem bijzondere mogelijkheden uit een oog

punt van reclame en vervoer.

De gemeente Sassenheim beschikt over een
ruim arbeidersoverschot, zodat vestiging van
arbeidsintensieve bedrijven zeer, op prijs gesteld
wordt.

Vooral voor de levensmiddelen-industrie biedt
deze in het centrum van het grote consumptie-
gebied van Nederland gelegen gemeente enorme
voordelen.

Voor de voorziening in de benodigde woon-
ruimte verstrekt het Gemeentebestuur zijn volle
medewerking.


InHchlingen zullen U qaarne
worden verstrikt oo te. t
Buren. van Gems’entewerkn

,-:483

ro

be$

Z
,
t

_ffi1I

Dan rookt hjj beter!

Een

goede

vestigingsplaats

voor Uw bedrijf is

Oostelijk

Friesland,

want

hier

liggen
0
een

12-tal

industrieterreinen

aan spoor- en autowegen en

aan 1000

tons vaarwater;

£U*ADEN:
hier is

een

arbeidsoverschot
RA

_____________________
van duizenden, die

zeer

ge

schikt

zijn

voor

industriële

arbeid;

hier

is de

prijs

van

bouw-

rijp industrieterrein op ste’ige

zandgrond

uiterst laag.

I4EERENV”N

Vraagt inlichtingen over ves

tigingsfactoren

en

industrie

,’
WOLVEGA
gebouwen

aqn

het

Bureau

Industrieschap
Oostelijk Friesland

POSTBUS 65

LEEUWARDEN

HOFPLEIN 33 -TELEF.O51OO-6447 en 4364

1

484e

NtAASTRICHT

C
e r1eIe
5
e

ijieIx

Gelukkige cômbinatie van monumenten-, cultuur-

en werkstad ‘te midden van industrie- en recreatie-

gebiéden, waardoor alle aantrekkelijke ‘economische

en sociale vestigingsfactorer aanwezig zijn.

Het is heus niet verantwoord Uw plannen vast te

leggen, alvorens Maastricht ‘te hebben bekeken.

Gemeentebestuur telefoon K 4400 – 2044.

WAGENINGEN

GUNSTIG GELEGEN•

INDUSTRIETERREINEN

Groot vaarwater met goed

geoutilleerde Rijnhaven
Grote verkeerswegen

-I

Arbeidskrachten beschikbaar
Mijdrecht

De gemeente MIJDRECHT, gunstig gelegen
t.o.v. Amsterdam en Utrecht, heeft de beschik-
king over een

11DUSTRIETERREIN

groot ongeveer 6 ha.

Dit terrein is in de onmiddellijke nabijheid van
de spoorlijn gelegen en ook via waterwegen
bereikbaar.
Mijdrecht telt reeds diverse belangrijke indus-
triële bedrijven.

Voor nadere inlichtingen betreffende grondprijs ed.
wende men zich tot de gemeentesecretarie van Mijdrecht.

-I

Aantrekkelijke streek

Uitstekende onderwijsvoorziening

(o.a. Technische School en Lyceum)

inlichtingen
DIRECTEUR GEMEENTEWERKEN
(Ir J. Klaarenbeek)

Waagstraat 4, Wageningen

Telefoon K 8370

2041

DE GEMEENTE MAASSIjUIS

de eerste havenstad aan de Nieüwe Waterweg

en de poort van het Westiand heeft

INDuSTRIETERREIN

zeer gunstig gelegen aan spoor en water

te koop en te huur. Een uitgebreid wegen-

net in alle richtingen is aanwezig.

Het gemeentebestuur ‘Verstrekt gaarne

inlichtingen.

485

GEMEENTE BEUNINGEN

4J HA INDUSTRIETERREIN
aan Maas-Waalkqncial op 3. KM
afstand, van centrum Nijmegen

RUIME BOUWTERREINEN

1

!n fraaie omgeving

Gunstige arbeidsmarkt

Centrum van fruitteelt

Inlichtingen: Gemeentehuis K 8807-206

CI-

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering Mij. op het Leven en tegen InaIiditeit N.V.
Gevestigd te-‘s-Oravenhage

ADMINISTRATIEKANTOOR DORDI1ECHT.BELLEVJESTAAT 2, TELEFOON 5346

Personeels

Pensioenverzekering
verschaft directe fiscale beparing – afschrij ving van
toekomstige lasten – blijvende sociale voldoening
Vraagt U -eens welgedocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

Nederlandsch Indische ilandelsback, N.Y.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhage

—II

Alle Bank- en Effectenzaken.

-lii

N.V. BETONFABRIEK ,,DE METEOOR”

GEVESTIGD TE DE STEEG (GEM. RI-IEDEN)

Uitgifte van

/ nominaal 1 750.000.— aandelen’

in stukken groot nom.
f280.—
aan toonder,
voor de helft delende inde winst van het boekjaar 1950
en ten volle in de winst van volgende boekjaren.


Ondergetekende bericht, dat zij de inschrijving op bovengenoemde
aandelen,
uitsluitend voor houders van aandelen,
openstelt op

Dinsdag 27 Juni 1950
van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur
,

-‘II
bij haar kantoren te
Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Graven-‘ hage, Arnhem
en
Velp,

tot den koers’van 120 pCt.,

op de voorwaarden van het prospectus dd. 19 Juni 1950.
Prospectussen en inschrijvingsbiljetten zijn verkrijgbaar bij de
i nsc h rij vi ngskantoren.

NEDERLANDSCHE HANDEL-MAATSCHAPPIJ, N.V.
Amsterdam, 19 Juni 1950.

met papier geïsoleerde kabeta

voor iwakstroom en sterkstroori

koperdraad en koperdraadkabet

abeIgarnituren, vulmassa On alle

HE KABELfABRIEK

DELFT-

PA

46

21 juni 1950

ECONOMISCH-STATIST’ISCHE BERICHTEN

487

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Prof. Mr
C. W. de Vries,
Rijk en gemeen/en

De gevolgen van de geleidelijke afschaffing der onder-

nemingsbelasting voor de gemeenten laten zich in twee

woorden samenvatten: compensatie en suhstitutie. Com-

pensatie door het Rijk voor de periode 1948-1950, we-
gens eerst toegezegde – en later gederfde gemeentelijke

inkbmsten; substitutie na opheffiiig van de ondernemings-

belasting, uit cle algërnene middelen ,van het Rijk, in

afwachting van een eigen gemeentelijke belasting. Om

aan de onzekerheid een einde te maken en om klaarheid
te brengen in het vrwarde financiële statuut van de
gemeenten is een regeling gewenst. Dit eist met 1953

een codificatie, buiten de Gemeentewet. Het gemeentelijk

financieel statuut zou naar een afzonderlijke finncie-
wet voor de gemeenten kunnen worden o’ergebracht.

Prof. Mr D. Siinons,
Hei oeuelijk toezicht op de gemeente-

financiën.

Op tweeërlei wijze kan men funderen, dat grondwet

en wet het financieel beleid van de gemeenten onder toe-
zicht hebben gsteld. Het gemeentelijk financieel beleid

mag het financieel beleid van het Rijk niet in gevaar
brengen. Voorts rhoet ‘toezicht van hoger hand het ge-
meentebestuur behoeden voor handelingen,tdie het finan-
cieel bestel van de gemeenten in gevaar brengen. De

eerste grond heeft allengs véel aan betekenis verloren;
de tweede maakt, theoretisch althans, volgens schr.
het meeste inbreuk op de gemeentelijke ‘autonomie. Richt-
snoer moet blijven, dat aan de gemeenteh en haar bestaan autonomie is toegekend.
/
1-1. M.
de Lange,
Conjunctuurpoittick en de Nederlandse
gemeenten.

Voor succesvolle toepassing van een cornpenserende openbare werkenpolitiek is intensieve voorbereiding en
ritedewerking van de gemeenten noodzakelijk. Een be-
roep op vrijwillige medewerking is niet afdoende, en syn-
chronisatie is nodig. De keuze gaat hierbij tussen een
systeem van contrôle en voorschriften of een stelsel van
wisselende subsidies. De politiek enig mogelijke weg is
die van het indirecte middel, hetgeen inhoudt, dat, in-
dien in door de Regering te bepalen perioden kapitaals-

uitgaven worden gedaan, een zeker percentage van de
daarmee gemoeide bedragen wordt gestort op een geblok-
keerde rekening bij het Rijk. Zodra de Regering de tijd
gekomen acht, worden de gestorte gelden teruggegeven
voor het doen uitvoeren van wei’ken.

J. Ilasper,
Con junctuurpolitiek en gemeentelijke zelfstan-
digheid.

Indien êen regeringspolitiek, gericht op synchronisatie
van een eventuele landelijke conjunctuurpolitiek t.a.v.
/e gemeenten, wordt gevolgd, zullen de gemeenten het
restant hunner fifanciële zelfstandigheid verliezen en in
verval geraken. Willen we bij het voeren van een uit-gavenpolitiek rekening houden met een blijvend con-
junctuurverschijnsel, dan zal moeten worden opgehou-
den met een financieringspolitiek, die een volgende gene-
raf.ie belast. In tijden van hoogconjunctuur zal met dit

systeem van dekking van (buitengewone) uitgaven uit
de gewone middelen moeten worden begonnen. Komen
moeilijke jaren, dan kan in meerdere of mindere mate
worden geleend zonder dat het budget wordt bezwaard.
Deze mogelijkheid is met vrijwillige medewerking der
gemeenten te verwezenlijken, mits haar de nodige vrijheid
en financiële zelfstandigheid wordt gelaten.

L. H.
Klaassen,
Con junctuurpolitiek en gemeente/inanciën.

liet is voor een gemeente momenteel niet eenvoudig
om conjunctuurpolitiek te gaan bedrijven. Immers, juist
nu nopen sociale en economische overwegingen de gemeen-
ten tot het doen van grote uitgaven. Gezien de begr9tings-

tekorten, zijn bovendien de mogelijkheden voor het voeren

van een effectieve conjunctuurpolitiek uitermate gering.

Nu het kweken van overschotten voorlopig uitgesloten
is, zal in de zeker komende periode van grotere werk-

loosheid een uitkering van de Rijksoverheid aan de ge-

meenten, die stijgt, naarmate de werkloosheid’ dreigt toe

te nemen, slechts uitkomst kunnen bieden.

Ir J. S. van Noiilniys,
De n’oningerdeling.

Nagegaan wordt in hoeverre. de resultateh der woning-
verdeling over de
,
gemeenten aan de gestelde richtlijnen

beantwoorden. Schr. komt tot de conclusie, dat er geen

uniformiteit bestaat in de woningverdeling tussen de
verschillende provincies. Voorts verstoort het toewijzen
van industriewoningen in ernstige mate het gezonde
principe van verdeling naar het relatieve tekort,. terwijl

algemeen economischemotieven om deze verstoringen te

rechtvaardigen niet aanwezig lijken.

H.
lilaassen, De prijsbepaling Qan indust.ieterreinen-

In dit artikel’ wordt de politiek, welke de gemeenten

moeten voeren ten aanzien van de industrievestiging,

besproken. Gesteld wordt, dat – een bepaalde structuur van de financiële verhouding tussen het Rijk en de ge-

meenten een noodzakelijke voorwaarde is voor het voeren
van een juiste politiek in dit opzicht. Uitgaande van een op lange termijn in evenwicht zijnde begroting, mag dit
in principe aanwezige evenwicht nimmer door een be-

volkingstoe- of -afnerning worden verstoord, lIet afschaffen
van de ondernemingsbelasting schept hier problemen,

welke er toe zouden kunnen leiden, dat althans een deel van de hierdoor weggevallén inkomsten verhaald wordt
op de prijzen van industrieterreinen en dus op de zich
uitbreidendë en nieuw vestigende industrie. Een regeling
van de finaniële verhouding van het Rijk en de gemeenten
zal hiermede rekening moeten houden.

Le présent numéro des ,,E.-S.B.” est consacré aix
communes néerlandaises. Le premier article (dit â la plume

du Prof. Mr C. W. de Vries) traite des difficultés révélées
dans les relations financières entre l’Etat et les commu-
nes, pendant la période de 1948 k 1952. Une deuxième
étude (rédigée par le Prof. Mr D. Simons) examine la
mesure dans laquelle la politique financière des com-
munes doit être surveillée légalement, en tenant compte
de l’autonomie communale. Les trois articles suivants
publiés respectivement par M.M. 1-1. M. de Lange, J. Has-
per et L. H. Klaassen, traitent de l’opp’ortunité et de la
possihilité pour les communes d’appliquer une politique

de conjoncture. L”article de l’ingénieur J. S. van Nou-
huys, donne un exposé des résultats obtenus par la ‘dis-
tribution des habitations allouées aux communes.
L. H. Klaassen commente la politique l suivre par
les communes en matière d’établissemcnt d’industries.

SUMMARY

This issue is devoted to the Netherlands municipalities.’ The first article, \
itten
by Prof. Dr C. W. de Vries, deals
with the difficulties prevailing in the financial relation
between the State and ‘the municipalities during the
current period (1948-1952). Prof. Dr D. Simons, the
writer of the second article, discusses the question cove-
ring the extent of legal supervision of municipal finan-
cial policy in connection with municipal economy. The
next three articles, prepared by Mr. H. M. de Lange, Mr.
J. Hasper and Mr. L. H. Klaassen, respectively, ‘deal
with the desirability and the possibility of conducting
a municipal economie policy. The article of Dr J. S. van
Nouhuys outlines the results of the distribution of houses
among the various municipalities. In the last article
Mr. L. H. Klaassen discusses the policy which should
be followed by the municipalities with regard to industrial
establishments.

488

ECONOMISCH-STAflSTISCHE BERICHTEN

21 Juni 1950

RIJK EN GEMEENTEN.

Een meer pakkende titel, zich aanpassende hij de moei-

lijkheden in de financiële betrekking van Rijk en gemeenten

van deze periode (1948-1952), ware wel wenselijk. Elke

periode- bracht voor de deskundigen een zeker jargon.

Ieder deskundige weet uit de negentiende eeuw de moei-

lijkheden der ,,fixatie”. Na de eerste ,wereldoorlog kwam
,,het nationaal minimum”; met 1929 kwamen de ,,tover-

formule”, het ,,plafond”, de belastingcapaciteit, de vlucht-
heuvels.

Zou dit tij dschriftartikel nu tot opschrift mogen hebben:

compensatie en substitutie? Wij-S’ leven (zomer 1950) in

de moeilijkheden, ontstaan door de (ten aanzien der ge-
meenten) geleidelijke afschaffing der ondernemingsbelas-

ting. De. gevolgen daarvan laten zich in deze twee woorden

uitdrukken: compensatie en substitutie.

De noodvoorziening 1948-1950 moet gewijzigd worden.
Over 1949 en 1950 ontvangen de individuele gemeenten en

het Gemeentefonds minder inkomsten uit de ondernemings-

belasting dan waarop zij oorspronkelijk voor deze periode
recht hadden. De begrotingen der gemeenten zijn onder-
tussen vastgesteld en goedgekeurd. De budgetten mogen

niet in de war worden gestuurd. Het Rijk zal dus over

1949 en 1950 een ,,compensatie” geven. Deze compensatie
wordt volstrekt niet afgedwongen. In de Memorie van
Antwoord op het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer

(Kamerstukken 1948-1949 no 1251) ten aanzien van het

wetsontwerp tot wijziging (en latere afschaffing) van de

ondernemingsbelasting werd dadelijk medegedeeld, dat

een voorziening zou worden getroffen voor het verlies, dat
de gemeenten en het Gemeentefonds lijden als gevolg van
de gedeeltelijke opheffing (en latere afschâffing) van de

ondernemingsbelasting.

Hier is dus sprake van een ,,compnsatie” wegens eerst
toegezegde en later gederfde gemeentelijke inkomsten.

Over 1951 en 1952 echter treedt een nieuwe toèstand in.

Een ondernemingsbelasting bestaat niet meer. Hier was
een belastingbron van de gemeenten en van het Gemeente-

fonds. De bron is opgedroogd. Van ,,compensatie”

kan
.nu geen sprake meer zijn. Het gaat om geheel iets anders.

De wetgever gaf vroeger deze belastingbron. De wet-
gever moet in de toekomst een nieuwe eigen belastingbron
(n wel een enigszins conjunctuurgevoelige belastingbron)
aan de gemeenten toekennen. –

Over 1951 en 1952 echter ontbreekt deze belastingbron.
Er komt dus tijdelijk een rijksuitkering voor in de plaats.
Dit is niet een ,,compensatie”, maar een tijdelijke substitu-

tieregeling, waardoor de gemeentelijke budgetten worden
beschermd. De substitutie-gedachte moet worden – vastge-
houden. Zij wordt uitgewerkt in een uitkering uit ‘s Rijks

algemene middelen; zij behoort gestort te worden in het
Gemeentefonds, teneinde déér te worden gegeven aan de
individuele gerfieenten, zulks in afwachting van een eigen
gemeentelijke belasting. –

Maar deze substitutie-uitkering moet onderscheiden
worden van de reeds uit de noodvoorziening 1948-1950

bekende uitkering aan het Gemeentefonds, thans berekend
naar eén bij ‘de wet vastgesteld percentage van 8 pCt van
de zuivere opbrengst van de in de wet van 1948 genoemde
rijksbelastingen. Zelfs wanneer de gehele substitutierege-
ling over het Gemeentefonds zoude lopen, zoals ook een

deel van de opbrengst van de ondernemingsbelasting over
het Gemeentefonds liep, dan nog zoude moeten worden
onderscheiden tussen deze bestaande, bekende, percentage-
uitkering en de verhoging daarvan door een substitutie-

regeling, welke het uitzicht opent en open houdt voor
een gemeentelijke belasting op zich, in de toekomst.
Of deze nieuwe gemeentelijke belastingwetgeving over
1953 en volgende jaren zal kunnen werken, is nog zeer
dubieus. Het is voor hét Rijk zoveel gemakkelijker om een
rijksuitkering te geven

dan een eigen belastinggebied,

rakende de rijksinkomstenbelasting, aan de gemeenten toe
te kennen. De moeilijkheden daarbij zijn extra groot, want

alle heffing uit inkomsten en vermogen moet door één

gedachte’ worden beheerst. Hoe zal de Regering hier,
krachtens de wet, tegelijk binden en vrijlaten? Algemeen

wordt echter wel aanvaard, dat naast de, volgens wette-

lijke regelen vastgestelde uitkering uit een Gemeentefonds

of uitkeringen eventueel rechtstreeks uit ‘s Rijks Ka, de
gemeente de beschikking behoort te hebben over een eigen

belastinggebied, waarmede het gemeentebestuur naar het

inzicht dezer bestuurders, mag en moet manipulèren.

**
*

Onze tijd wordt dus beheerst door de compensatie-ge-

dachte 1949-1950 en door de substitutieregeling 1951 en
1952.

Een tweede gedachte moet worden vastgehouden. De

noodvoorziening 1948-1950, die slechts in bijzondere zi.n

de gemeentelijke zelfstandigheid diende, maakte een einde,

aan de wanhopige periode der gemeentelijke tekorten.

Het werd een bijzondere tijd: geen tekorten (dan in enkele

uitzonderingsgevallen), zelfs gelegenheid tot aflossing van
schulden en tot reserveringen. Aan de behoeften der ge-

meenten tezamen wordt voldaan. De onderlinge, bestaan-
S

de, verhouding der gemeenten wordt erkend, maar tevens
in zekere zin bevroren. Opkomende gemeenten, die arm-

slag behoeven, zijn in beknelder positie dan de gemeenten,

waar stabiele toestanden heersen. Dit is nog een fout der
noodvoorziening. –

Gemeenten, die zuinig werden beheerd, klagen over de
gelijke behandeling, welke zij ondervinden met de gemèen-
ten, die met ruimer hand werden bestiurd. Maar andere•

zeggen: besturen is altijd duurder dan gewoon beheren.

De moeilijkheden van 1948-1950 zullen in dit opzicht

niet voor de jaren 1951 en 1952 kunnen worden wegge-
werkt. Daarvoor is een nieuwe eigen gemeentelijke be-
lasting nodig. –

De nieuwe noodvoorziening 1951 en 1952 zet een traditie

voort. Eerst wordt gevraagd wat de gemeentebesturen te-

zamen behoeven om de dienst sluitend te maken. De

gemeentebesturen rekenen daarop. De – gemeentebesturen
geven in het algemeen dan ook geen tekenen van onge
rustheid. De noodvoorziening 1948-1950 loopt af. Een wet
op de compensatie 1949 en 1950 en een wet op de substi-

tutie 1951 en 1952 plus een wettelijke regeling tot normale
verlenging der uitkeringen der noodvoorziening (dus van

driè jaar op vijf jaar) ontbreken nog. Maw het vertrouwen
bestaat, dat de budgetten der gemeenten zullen worden
beschermd. Over de regeling dezer materie maken de ge-

meentelijke bureaux zich geen zorgen. De begrotingen voor
1951 worden reeds opgemaakt. De inkomsten zullen zich
wel aan de behoeften der gemeenten moeten aanpassen.

De zorgen zitten elders. Hoe verschillen die zorgen hij
Rijk en gemeenten, zowel ten aanzien van de financiële
positie als ten aanzien van de wettelijke regelingen, welke

daaraan ten grondslag liggen! De regelingen dej’ gemeente-
financiën zijn horribel. Rijkswetgeving ten aanzien der
rijksfinanciën is een open boek. De .belastingwetgeving alléén is wat gecompliceerd, maar wel begrijpelijk. Wie
begrijpt de
regelingen
ten aanzien der gemeentelijke finan-
ciën?

Maar daarnaast. De financiële positie van de gemeenten
is weer best (1948-1950). Het zal over 1951 en 1952 wel
terechf komen!

De financiële positie van het Rijk is horribel. Deze kan
in geen jaren verbeteren, omdat de inkomsten slechts in
verband met de uitgaven achteruit kunnen gaan. –

**
*

Thans eerst de wettelijke bepalingen, welke het finan-
cieel statuut der gemeenten regelen.

– –

a. De regeling der gemeentefinanciën aan de inkém-

21 Juni 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

489

stenzijde, ten behoeve van de individuele gemeenten, staat

in de Gemeentewet, zoals deze sedert 1851 ontelbare malen

is gewijzigd. Laatstelijk gewijzigd door art. IV van de wet

van 15 Juli 1948 S.J. 307 (noodvoorziening). De eigen
inkomsten der gemeenten aan eigen gemeentelijke belas-

tingen en retributies, die samenhangen met het. eigen

karakter en de eigen structuur van de gemeente (vermake-

lijkheidsbelasting, straatbelasting, schoolgelden enz.) wor-
den aangevuld door de opcenten op de rijksbelastingen
(welke meestal worden gehèven tot het maximum-geoor-

loofd bedrag), maar alles bij elkaar is deopbrengst volko

men ontoereikend om de kosten te dekken.

Gelukkig komen er uitkeringen, niet in de Gemeentewet

genoemd, krachtens tal van wétted binnen (onderwijswet-

geving). De bepalingen zijn dus zeer verspreid te vinden

in onze administratieve wetgeving. Onderscheidene bij-
dragen en subsidies uit ‘s Rijks Kas zijn verder op de rijks-

begroting op vele hoofdstukken uitgetrokken. De rijks-
bijdrage-politiekostn, ten behoeve der 127 gemeenten met

gemeentepolitie, is toevallig weer te vinden in art. III

van de wet van 1938 (noodvoorziening) ‘).

b.
Voor het Gemeentefonds moetde speurder naar de

gemeentelijke inkomstenbronnen zoeken in de wet-de Geer

1929, laatstelijk gewijigd door de wet van 1948, maar
de regeling dezer bronnen van inkomst van het Gemeente-
fonds is niet beperkt tot de jaren 1948-1950. Art. 10 der
gewijzigde wet van 1929 is niet aan een termijn gebonden.

Daar echter over 1951 en 1952 de opbrengst der in aan-
merking komende belastingen wordt verlaagd door des
Rijks belastingpolitiek of daardoor ook kan worden ver-
hoogd, zal het percentage, opgenomen in art. 10, eerste
lid, sub d moeten worden verhoogd of verlaagd, om ver-
volgens nog eens te moeten worden verhoogd ten behoeve
van een goede substitutieregeling (hierboven omschreven).
Hierbij moet alleen nog rekening worden gehouden met

het feit, dat de opcenten op de rijksbelastingen beter
kunnen gaan vloeien.

De middelen van het Gemeêntefonds, nu afgezien van de afschaffing der ondernemingsbelasting en afgezien van een
wijziging van het percentage (8 pCt) der rijksbelastingen,
dat aan het Fonds wordt toegewezen, kunnen dezelfdè
blijven. –

De hoofdzaak van de noodvoorziening is de uitkerings-
regeling, welke inderdaad wèl in 1948 voor slechts drie
jaar is vastgesteld. Het gaat hier dus niet om de Gemeente-
wet, noch om de oorspronkelijke wet van 1929, maar om
een verlenging van de nooduitkeringen, die steunen op de
in 1948. voor drie jaar gewijzigde wét van 1929. Er is
voorlopig een verlenging nodig voor de twee jaren 1951
en 1952. 1-let uitkeringssysteem blijft hetzelfde. De ,,jaar-
wedde”-bijdrage, de algemene uitkering, de belastinguit-
kering, de bijzondere uitkering, de garantie-uitkering,
komen natuurlijk alle terug
2).

1)
De wet van 1948 regelt deze bijdrage voor onbepaalde tijd.
De ,,noodvoorziening” is hier niet tot drie jaar beperkt. Wanneer
bij de wijziging van 1950 de bepaling omtrent de politie-bijdrage
niet wordt herzien, loopt dus de regeling van 1948 voor 1951 en
volgende jaren door. Is dit wenselijk?
‘) Krachtens de Wet NoocUroorziening Gemeentefinanciën kan
aan de gemeenten behalve de jaarwedde-uitkering en de belasting-
uitkering, worden toegekend:
een algemene uitkering, afhankelijk van het aantal inwoners
en van de uitgaven van onderwijs en armenzorg, gedaan in de jaren 1939, 1940 en 1941; een bijzondere uitkering, afhankelijk van de begrotingspositie
1948, gelet ook op de uitkomsten van de rekecing 1947, derhalve
een uitkering in grote mate afhankelijk van het werkelijk uitgaven-
niveau.
Daar de bijzondere uitkering o.a. ten doel heeft om de daarvoor
In aanmerking komende gemeenten in staat te stellen de gewone
dienst van haar begrotingen sluitend te krijgen, is de grootte daar-
van op een vast bedrag bepaald. De bedoeling dezer uitkeringis
om alle gemeenten op een ongeveer gelijk( minimum-) niveau te
brengen.
Dit doel Is niet bereikt en is ook onbereikbaar. Het uitgavenpeil
der gemeenten, zelfs van ongeveer gelijke bevolking, is nog altijd
zeer belangrijk.

Nieuw zijn alleen (wegens het afschaffen van de wet op
de ondernemingsbelasting) de nieuwe uitkeringen, die bo-

ven reeds werden genoemd, dus: de compensatievergoe-

ding voor 1949 en 1950 en de substitutieregeling voor 1951
en 1952, zorel ten aanzien van de individuele gemeenten

als ten aanzien van het Gemeentefonds.

De gehele uitkeringsmaterie behoeft dus in een nieuwe

wet van 1950 niet opnieuw te worden vastgelegd.

**
*

Tegenover deze wanhopige verbrokkeling van de regeling

van het financieel statuut der gemeenten buiten de Ge
meentewet om, staat het eenvoudig te begrijpen finan-
cieel statuut van het Rijk.

Is eervoud, naar Boerhaave’s woord, het kenmerk van

het ware? Dan is de regeling van het financieel statuut der
gemeenten lang niet ,,je ware”.

Thans de ,,goede” financiële gevo1gn voor de gemeenten

dezer ,,slechte” regeling. De periode der tekorten is sedert
1948 gèëirdigd. 1-Jet Rijk wenst deze tekorten niet terug. De normale en redelijke behoeften zullen worden gedekt.

Het Rijk vraagt naar die redelijke behoeften, zonder met

het kamerlid Lucas te speuren naar een druk op de gemeen-
ten, om deze tot zuinigheid te dwingen. Deze ,,methode-
Colijn” is altijd mislukt. Ieder ontdekt wel eens eenge-
meentelijke uitgave, waarbij de gemakkelijke vraag kan
worden gesteld, of deze uitgave wel tot het opgegeven
bedrag noodzakelijk is. Dikwijis blijkt dan, dat juist de

uitgave, waarop een aanmerking kan vallen, in de gemeente –
is tot stand gekomen bij een verzorging van een bepaald
belang, zulks op instigatie of op samenwerkingsbasis met
het Rijk zelf.’ .

Over 1947 en over 1948-1952 gold de regel, dat de inhoud
van het Gemeentefonds werd opgedeeld. Over 1947 bleef
een onverdeeld bedrag in het Gemeentefonds in admini-

stratie achter. Het zou voor de gemeenten, die over 1947
wel nog tekorten hebben gehad, aangenaam zijn, wanneer
deze uitkering uit het Gemeentefonds aan de individuele
gemeenten alsnog kon geschieden. Maar hier kan thssen

arme en rijke gemeenten niet worden onderscheiden. De restantuitkering uit het Gemeentefonds over 1947 zoude ook ten goede komen aan gemeenten, die reeds in goede
doen zijn. Beter is deze som te reserveren voor alle ge-
meenten tezamen in het Gemeentefonds. –

Over 1948-1950 ligt de zaak anders. Hier ontbreken
tekorten (zulks in het algemeen gezegd). Er is juist een

overschot. 1

her wordt dus voor het Gemeentefonds even-
eens een reserve (in het Gemeentefonds) gevormd. Het Rijk
erkent de waarde dezer reserve met het oog op de even-
tuele magere jaren. De gemeenten hebben slechts weinig

i’uimte voor haar zelfstandigheid. Het is onmogelijk op
eigen inkomsten een conjunctuurpolitiek te bouwen. Een
gemeente heeft gaarne stabiele inkomsten• bij stabiele
uitgaven. Een reserve in het Gemeentefonds is dus nood-
zakelijk, wil er van de conjunctuurpolitiek iets terecht
komen. 1-let Rijk moet juist in de slechte jaren worden be-
schermd. Overigens staat vast, dat de uitgaven der gemeen-
ten slechts geleidelijk zijn opgelopen. Welk ‘een verschil
met het Rijk. De wijze der regeling der inkomsten verschilt,
maar welk een verschil ook in het resultaat.

Wie kijkt.naarde behoeften van het Rijk op de wijze
als wordt voorzien in de behoeften der gemeenten? De
tekorten van het Rijk worden niet door een hogere macht
aangevuld. Het Rijk staat telkens voor onverwachte nieu-
we uitgaven. Het budget van het Rijk is enorm gestegen.
De waterschappen vragen nu ook om sluitende begrotingen
en om garanties. . .

**
*

,

Rijk en gemeenten. Bij het Rijk is de regeling Van in-
komsten en uitgaven bevredigend en eenvoudig. Bij de
gemeenten is de regeling van hetfinancieelstatuuthorribel.

490

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

21 Juni 1950

Bij het Rijk is de financiële positie zelf horribel. Bij dc
go-

meenten is de financiële positie bevredigend, eenvoudig,

het budget sluit.
Is nu eenvöud het kenmerk van het ware?

Er is nog een derde verschil tussen Rijk en gealeenten.

In de periode 1925-1930 stonden het Rijk en de ge-

meenten tezamen op een vrij,vel gelijk peil-van inkomsten

en uitgaven.

Het budget van het Rijk en het totaal budget der ge-
meenten waren gelijk. Beide’kwamen – om de gedachte
te bepalen – om en bij fle f 600 mln. De uitgaven waren

in beide gevallen iets beneden de 1 600 mln te houden, de

inkomsten van beide liepen iets boven de f 600 mln op.
(lii Engeland overtroffen toen reeds de staatsinkomsten

en de staatsuitgaven verre het totale budget van alle

plaatselijke autoriteiten tezamen).
Bij de’wet van 1929 was er geen zorg, het totale bedrag

der gemeente-uitgaven te dekken. De zorg was, de vr-

scheidenhëid van rijke èn van arme gemeenten enigszins.

te egaliseren. ‘ –

Sedertdien is het rijksbudget formidabel opgelopen. 1-let
is, alsof er aan de stijging der gewone uitgaven geen einde

komt.
Van 1925 op 1950 is het gemeentebudget voor de gewone

uitgaven slechts verdubbeld. De schuldenlast is niet hoger
dan 1 2.500 mln, w’elke bedrag ook al vroeger is bereikt.

Volgens de gemeentebegrotingen 1948 moeten de totale

inkomsten van de gewone dienst voor alle gemeenten te-
‘zamen worden geraamd op 11.229.184.000 en de uitgaven
op 1 1.231.449.000. Er is dub slechts een klein tekort. De
rekeningscijfers komen later. Voor 1951 staan de gemeenten
voor de nieuwe uitgaveii voor salarisverhoging en voor

het opvangen van de gevolgen der devaluatie; het finan-
cieren van woningbouw en Van de gevolgen ener langzaam
oplopende werkloosheid. Er zijn vele rijksuitkeringen nodig.

,’De eigen gemeentelijke belastingbronnen plus de gemeen-

telijke opcenten op de rijksbelastingen dragen slechts een

klein deel der uitgaven.
In de gemeêntebegroting 1948 is voor alle gemeenten

tezamen de opbrengst der,-rechtstreeks aan de gemeenten

ten goede komende belastingen in totaal op f191.156.000
geraamd en de uitkeringenuit de eerste afdeling van het
Gemeentefonds in totaal op 1 322.839.000 (uitvoering van

de YlTet financiële verhouding) en die uit de tweede afdeling
in totaal op 11.122.000 (wegens steun aan gemeenten).
1-let bovenvermelde bedrag der belastingen kan nog

als volgt worden gesplitst:
a. eigen belastingen
.
………………..f

54.748.000

.b. opcenten op rijksbelastingen
…………
136.408.000

– .

f191.156.000

Betreffende de overige inkomsten der gemeenten zijn
geen andere gegevens bekend dan de totalen per hoofd-

stuk, waaronder de bijdragen vaii het Rijk en de baten
uit bezittingen begrepen zijn.
Voor de belangrijkste hoofdstukken volgen hieronder de
totale geradmde inkomsten (in mln guldens):

1
Vroegere

diensten

……………………..
t

31.656
II
Algemeen

beheer

……………………….
34.875
III
Openbare orde en veiligheid (zonder de belastin-
gen)

………………………………..
72.418
V

Volkshuisvesdng

………………………..
.51.564
. ..
VI
Openbare werken (zonder de belastingen)
…….
34.148
VII
Eigendommen niet voor openbare dienst bestemd
,,

29.270
VIII
§
t
t/m

6

Openbaar lager onderwijs

……….
57.208
V111
9 7
t/m

11

Bijzonder lager, onderwijs

……….
9.484
IX
Maatschappelijke steun en voorzorg

…………
74.629
XIII
Bedrijven

………………………………
143.478
XIV
Kasvoorzieningen
…………………………
73.428
XV
Overige

inkomsten

……………………..
,,

73.978

Hoofdstuk XIII levert voor alle gemeenten tezmen een

-verlies op van 1 1.741.000, hetgeen globaal geacht kan
worden het geraamde saldé van de winsten en verliezen
van alle bedrijven der gemeenten te zijn (met inbegrip

dus van

alle gmeentelijke hemoeiingen, ‘welke als afon-

derlijke tak’ van diénst worden beheerd). Omtrent de

winsten en verliezen der productiehedrijven zijn over

1948 nog geen gegevens bekend.

Wegens bijdragen van de kapitaaldienst tot het sluitend
maken van de gewone dienst is onder hoofdstuk 1 begrepen

f18.966.000 en onder hoofdstuk XV 1 22,675.000
3)

**

De verbrokkelde regelitg van het financieel statuut der

gemeenten eist met 1953 een codificatie, buiten de Ge-

meentewet. Het is niet noodzakelijk alle recht der gemeen-

ten in één wet tezamen te houden.

1-let Centraal Stembureau deed het yoorstel de bepalin-

gen omtrent het kiesrecht uit deGemeentewet te lichten.
Het gemeentelijk financieel statuut zoude naar een afzoii-

derlijke financiewet voor de gemeenten kunnen worden

overgebracht. . . ”

Allereerst kan dan-ook dat deel vin de-wet van 1929

vervallen, dat tot nu toe ongewijzigd bleef. 1-let tegenwoor-

dige art. 37 der wet van 1929 omtrent de consultatieve
administratie, welke aan de- uitvoering der wet is ver-bonden, kan worden herzien in verband met het beheer

van het Gemeentefonds.

Tot het fina’ncieel’ statuut der gemeenten behoort ook

de regeling vafi het beheer van het Gemeentefonds.

De gemeentelijke financiewet worde een ,,raam%vet” ten

aanzien van de gemeentelijke bronnen van inkomst. Krach-
tens deze raamwet zal telkens voor een bepaalde periode

bij afzonderlijke wet het percentage worden bepaald der

opbrengst van de rijkshelastingen, welke aan het Ge-
meentefonds zal toekomen.

**
*

Uit cle feiten blijkt, dat de gemeentebesturen al weer,

evenals in 1.947, reikhalzend uitzien naar de regeling van,,
de verlenging van de noodvoorziening. De ervaren ge-
meen tebestuurders hebben reeds lang begrepen, dat

er geen definitieve regeling. kan komen. Zij hebben zelfs

wel begrepen, dat er niet een -meer definitieve regeling
komt dan die der noodvoorziening over de jaren 1948,

1949 en 1950.

Daar de Regering hier wacht en moet wachten op de
voorstellei’i van de commissie-Oud, is enige mededeel-
zaamheid der Regering hij het indieneri der rijksbegroti?ig
1951 in September 1950 as. wel gewenst, maar wellicht zal de Minister •van Binnenlandse Zaken het Voorlopig
Verslag over de rijksbegroting voor Binnenlandse Zaken

afwachten. Mar het land verwacht dan toch enig pers-
pectief, niet alleen voor de jaren 1951 en 1952. – –
1-Jet is een onmogelijke toestand voor de gemeente-
.besturen, dat zij, evenals in 1947 bijv. bij elke
installati6 van een nieuwe burgemeester – moeten
constateren: ,,maar hoe het met onze financiën’ over
1951 en 1952 zal gaan daarvah weten de gemeentebestu-
ren niets”. Dit kan dan wegens de aanwezigheid van hoge.
autoriteiten – zo is ons land – nog gezegd worden met een vriendelijk gebaar, maar de zucht wordt toch ook
gehoord. –
1-let gaat om de onzekerheid vooral in v6rband met het
trapsgewij ze afschaffen der ondernemingsbelasting. Maar
dat is niet het gehele vraagstuk. ” –
1-let gehele vraagstuk is, dat sedert 1865 altijd met
lapmiddelen is gewerkt. De herziening vbn 1865 was een
lapmiddel, omdat Thorbecke en Betz het vraagstuk

eenvoudig niet aankonden. Minister de Geer heeft de
moed wel gehad, maar zijn wet, op normale tijden theore-
tisch goed berekend, werd door tijdsomstandigheden getroffen, waarin geen ,,vaststelling van een plafond”‘
of ,,het leggen van een vloer” definitieve verbetering kon
brengen. En nu?
Rotterdam.

C. W. DE VRIES.

) Gegevens,over
1948
zijn verstrekt door liet Centraal Bureau
voor de Statistiek, waarvoor gaarne dank.
C. W.

t

21Juni 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

491

HET WETTELIJK TOEZICHT OP

DE GEMEENTEFINANCIËN.

Zelfs de heftigste verdedigers van de gemeentelijke auto-

nomie hebben nimmer bezwaar gemaakt tegen het feit,

dat grondwet en wet het financieel beleid van de gemeente-

besturen onder toezicht hebben gesteld.
Men kan dit toezicht.op tweeërlei wijze funderen. In de

eerste plaats kan dit toezicht daartoe dienen, dat door het

gemeentelijk financieel beleid niet het financiële beleid van
het grotere geheel, het Rijk, in gevaar wordt gebracht. Dit

is van de aanvang arde grond gew’eest,.waarop het toezicht
van de Kroon op de totstandkoming van gemeentelijke
helastingverordeningen gebaseerd was. De gemeentelijke
belastingverordeningen zouden immers diezelfde burgers

treffen, die ook aan het ‘Rijk ingevolge de rijksbelasting-

wetten hun penningen voor de uitvoering van de staatstaak

hadden te offeren. Indien in de rijkshelastingwetten eed

stelsel werd nagestreefd, dat met zo weinig mogelijk schade

voör de nationale economie en met een streven naar ver-

delende rechtvaardigheid de middelen voor die uitvoering

trahtte bijeen te brengen, zo mocht de gemeente daaraan

door haar eigen stelsel van belastingen geen afbreuk doen.

Daarbij kwam nog, dat aanvankelijk de opcentenheffin-
gen en na 1920 ook de sindsdien verdwenen gemeentelijke
inkomstenbelasting door . de rijksbelastingadministratie
moesten worden uitgevoerd en dat het Rijk daarom terecht

ook op deze grond tevoren. wilde beoordelen, of de door

de gemeentebesturen gewenste regelingen uitvoerbaâr

waren.
Wat aanvankelijk gemeengoed was onder hen, die het
gemeenterecht en zijn toepassing bestudeerden, heeft,
dunkt mij, door de ontwikkeling van de finaniële verhou-ding tussen Rijk en gemeenten veel, zo niet alles, aan ge-
wicht verloren. Wie kan nog volhouden, dat de gemeente, binnen de enge perken voor eigen belastingheffing, welke.
de gemeehtewet in haar tegenwoordige redactie ‘haar stelt,
en bij de overheersende betekenis van de rijksbelastingen
(onder deze begrijp ik nu ook die, welke voor het Gemeente-
fonds worden geheven), door haar belastingpolitiek de
uitvoering van het rijkshelastingstelsel in gevaar zou kun-nen brengen of de economische invloed daarvan in bedui-
dende mate zou kunnen verstoren? Terwijl ik het criterium
van het niet in gevaar brengen van het financiële beleid
van het Rijk ook thans niet geheel wil verwerpen, meen ilc,
d’at juist op het punt w’aar grondwet en wet hiervoor de

legale basis geven, ni. bij de gemeentelijke belastingveror-
deningen, het toezicht van het Rijk zou kunnen worden
gemist. Doch goedkeuringsbepalingen hebben een taai
leven en ik maak mij daarom niet de illusie, dat bij de aan-
staande grondwetsherziening het preventieve rijkstoezicht
op de gemeentelijke belastingverordeningen zou vervallen.
De tweede fundering van het toezicht op het gemeentelijk
financieel beleid is gelegen in de bezorgdheid, dat het ge-
meentebestuur en met name de gemeenteraad niet vrij op eigen benen kan staat;, doch door een toezicht van hoger
bestuur moet worden behoed voor handelingen, die het
financieel bestel der gemeente in gevaar zouden brengen.
Men spreekt in dit verband wel eens over de administra-
tieve voogdij, die op de gemeentebesturen wordt uitge-
oefend. lIet beeld is mi. niet geheel juist. De ‘gemeente
wordt in hét wettelijk stelsel niet behandeld als een minder-
jarige, voor wie de voogd optreedt. Niet het College van
Gedeputeerde Staten, de voogd in deze gedachtengang,
doch het gemeentebestuur zelf vertegenwoordigt de ge-
meente. Wil men bepaald een vergelijking zoeken op het
terrein van het kinderrecht, dan vervullen Gedepdteerde
Staten, naar het mij voorkomt, meer de rol van de kanton-
rechter, die-de voogd moet machtigen, voordat deze tot
bepaalde handelingen, het vermogen van de minderjarige
betreffende, kan overgaan. Wanneer men deze twee gronden voor het toezicht op de
ge,meentefinanciën ana,lyseert, komt men naar mijn mening

tot de conclusie, dat de eeste, theoretisch althans, minder

inbreuk maakt op de gemeentelijke autonomie dan de
tweede. Menig kenner van ons gerneenterecht zal deze

conclusie als een paradox in de orén klinken. 1-Jet toezicht

van Gedeputeerde Staten is namelijk steeds aanvaard als

een begrijpelijke rem op besluiten van gemeenteraden en

slechts zo nu en dan is strijd ontstaan omtrent de mate,

waarin van dit goedkeuringsrecht werd gebruik gemaakt.

Zolang Gedeputeerde Staten het toezicht uitoefenden met’

het oog op het belang van de gemeente, werd dit theore-tisch als, gerechtvaardigd geaccepteerd, al werd hieraan

de restrictie toegevoegd, dat het gew’estelijk college bij de

uitvoering van deze taak niet ,,op de stoel van de gemeente-‘
raad mocht gaan zitten”. Waarop hadden Gedeputeerde
Staten, die door de Grondwet en de wet wt;’ren belast met
het voorafgaande toezicht op dé gemeentebegrotingen en

op een aantal gewichtige burgerlijke rechtshandelingen, dan
wel te letten? Volgens verschillende schrijvers zouden

Gedeputeerde Staten door hun toezicht moeten waken

tegen het in gevaar brengen van de algemene vermogens-

toestand der gemeente, tegen het bezwaren van de toekomst
door uitgaven, welke Ôf niet gedt;an, ôf wel ten laste van

het”heden moesten worden gebracht, en in het algemeen

gesproken tegen het aantasten van de blijvende finanèiële belangen der gemeente. Ofschoon.ik deze uitwerking van
het criterium niet verwerp – reeds het feit van haar aan-
vaarding in de administratieve practijk van vele jaren
pleit voor haar -, zo vraag ik toch, of dit waken voor de
blijvende belangen van de gemeente.niet evenzeer taak is

van de gemeenteraad zelf. Grondwet ‘en wet, die aan de
gemeenten autonomie toekenden en aan het hoofd van haar
de raad, uit en door de inwoners gekozen, plaatsten, kunnen
tôch niet hebben gemeend, dat deze raad slechts door de
waan van de dag zou worden beheerst en dat hij geen oog
zou hebben voor de continuïteit van de plaatselijke ge-

meenschap, waarover zijn leden tijdelijk door hun raadslid-
maatschap .het bewind voerden. –

Wanneer Gedeputeerde IStaten naar de gebruikelijke
theorie hun toezicht op de gemeentelijke financiën uitoefe-
nen, dan nemen zij wellicht niet breeduit plaats op de zetels,
van de raadsleden, doch zij zetten zich als het ware ophet’
voorste gedeelte van die stoelen om de genomen besluiten
van de raad uitsluitend te toeten uit de genoemde ge
zichtspunten, welke evenzeer die van de raad zijn geweest
of hadden moeten zijn. Men begrijpt, dat vooral bij het
ambtelijk apparaat van Gedeputeerde’ Staten, de Provin-
ciale Griffie, vier gespecialiseerde ambtenaren dit toezicht

tot een dagtaak hebben, de neiging ontstaat om meer en
langer te vertoeven op die zetels, waarop zij zich slechts
bescheiden’ en voor een korte wijle zouden mogen plaatsen.
Uit die neiging vloeien besluiten van Gedeputeerde Staten
voort, die, buiten proportie met het hierdoor geraakte

financiële belang, aan de raden nauwkeurig willen voor-
schrijven, wat deze wel en wat deze niet mogen doen. Uit
de latere jaren signaleer ik een besluit van Gedeputeerde
Staten van Noord-Brabant van 10 Augustus 1949, waarbij
goedkeuring werd onthouden aan verhoging van een post
verteringen ten behoeve van de bureau van stemopneming met f 52,19. De Kroon heeft het besluil.van Gedeputeerde
Staten in beroep bevestigd (K.B. van 18 Januari 1950,
no 6, Officiële Bekendmakingen no 7301). De Kroon heeft
daarbij overvogen dat de voor uitgaven als deze geldende
eis van soberheid niet slechts kan worden getoetst aan de
absolute hoogte der uitgegeven bedragen, maâr ook aan
de hoogte der uitgaven in verhouding tot de. redelijke be-
hoeften. Met Gedep,uteerde Staten oordeelde de Kroon,
dat het door de gemeente uitgegeven bedrag, van dit
standpunt gezien, inderdaad’ niet onbeduidend hoger is
dan met de eis van soberheid in overeenstemming zou zijn
en dat dus terecht aan de desbetreffende begrotingswijzi-
ging goedkeuring was onthouden.
– Ik kan mij niet onttrekken aan de gedachte, dat de rijks-
organen, die veel prijs stellen – en
,
terecht – ophet

492

‘ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

21 Juni 1950

toezicht, dat de colleges van Gedeputeerde Staten op de uit-
gavenpolitiek der gemeenten uitoefenen, niet gaarne in

beroep die colleges tegenover de gemeentebesturen ongelijk

geven. Begrijpelijk is de vrees, dat door het remmen van

Gedepüteerde Staten de toezichtmachine wellicht bijna

geheel tot stilstand zou worden gebracht, althans niet

meer met andere dan formele gronden zou blijven function-
neren. Het beslissingsrecht van de Kroon in beroep van

besluiten van Gedeputeerde Staten is ook naar mijn mening

een zaak van bestuursbeleid, waarbij de Rijksoverheid

tot
taak heeft de lagere besturen in hun juiste verhouding te

handhaven of te brengen. Dat hierbij niet lichtvaardig

wordt afgeweken van het serieus gevormde oordeel van

Gedeputeerde Staten, is acceptabel. Doch evenzeer moet

aandacht blijven bestaan voor de positie van de gemeente

en haar bestuur, aan wie in ons staatsbestel .autonomie,

eigenbestuur, is toegekend. Het is niet voldoende om regel-

matig van rijkswege te verkondigen, dat de Regering een

open oog heeft voor de betekenis van die gemeentelijke

autonomie. Zij moet zich ook tot richtsnoer voor haar

.bestuursbeleid maken, dat zij deze autonomie, zover hogere

belangen zich daartegen niet verzetten, eerbiedigt. Naar

het woord ‘van de Burgemeester van Rotterdam, de Voor-

zitter der Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Mr Oud,

moet de Regering het terwille van dit eigen bestuur door

de plaatselijke gemeenschappen aandurven, dat deze eens

een fout maken. Wanneer het toezicht op het gemeentelijk
financieel beleid wordt beperkt tot het waken tegen het

aantasten van de blijvende financiële belangen dergemeente,

kan dunkt mij een ieder daarmede vrede hebben. Het toe-

zicht is dan een waarborg voor een juiste uitoefening van

de autonomie, die niet door onberaden stappen in gevaar
mag worden gebracht, maar het is niet de domper, die
het initiatief van de gemeentebesturen smoort en hen geen

besluitdurft te laten nemen, voordat-eerst door overleg

met de provinciale griffie de zekerheid is verkregen, dat
het daar niet op moeilijkheden zal stuiten.

Mogen Gedeputeerde Staten ook het criterium aanleggen,
dat ik in de aanvang van dit artikel noemde? Mogen zij dus
aan een raadsbesluit tot wijziging van de begroting of aan

een besluit tot het verrichten van een belangrijke burger-

lijke rechtshandeling goedkeuring onthouden op de grond,
dat hierdoor het financiële beleid van het Rijk in gevaar

wordt gebracht? In andere artikelen in dit nummer wordt
het verband tussen de autonomië en de landelijke conjunc-
tuurpolitiek besproken. Zelf heb ik in 1949 op het congres
van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het stand-

punt verdedigd, dat deprovinciale besturen zeker bereid
zouden zijn om bij hun toezicht overwegingen, aan de

algemene welvaartspolitiek ontleend, te laten meespreken.
De juridische fundering hiervan zie ik dan toch uitsluitend
in de overweging, dat de blijvende financiële belangen van

de gemeente slechts worden gediend door een beleid, dat
0
niet met de algemene welvaartspolitiek van het land in

strijd is. Voor de uitvoering van deze algemene welvaarts-

politiek, ook door de gemeenten, bepleitte ik de vrijwillige samenwerking–tussen de verschillende overheden en wees
ik af het geven door de Regering van nauwkeurige richt-
lijnen voor het te voeren beleid.

Bij de inrichting van onze Staat is de mogelijkheid voor-
zien, dat de lagere besturen in strijd zouden handelen met
de wet of met het algemeen belang. Deze laatste term
heeft een vage en wijde strekking gekregen, zoals nog
onlangs in de prae.adviezen van Dr S. 0. van- Poelje en
Prof. C. H. F. Polak voor de Vereniging voor Administra-

tief Recht duidelijk is uiteengezet. Nietemin schuilt in
de term ,,algemeen belang” naar mijn mening een ge-
dachte, die slechts op een enkele plaats in onze wetgeving
is uitgedrukt en die als de kern van de vage en wijde strek-
king in de administratieve practijk moet worden be-

schouwd, ni. een hoger gewaardeerd belang, waarvoor het lager gewaardeerd belang, dat het gewraakte besluit wilde
dienen, moét wijken. De Kroon is in ons staatsstelsel

het orgaan, dat in repressief toezicht optreedt, wanneer

besluiten van gemeentebesturen geacht worden tegen een

zodanig hoger gewaardeerd belang te strijden. Gedeputeer-

de Staten zijn veeleer’het orgaan, dat de Regering op een

door hen geconstateerde strijd met een algemeen belang

attent moet maken. 1-let feit, dat de provinciale verorde-

ningen, de begroting van de provincie en sommige burger-

rechtelijke besluiten van de Staten, de goedkeuring van de

Kroon behoeven, heeft geleid tot een opvatting, dat het

goedkeuringsrecht in het algemeen ook een toetsing aan

het algemeen belang zou inhouden. Naar mijn mening

moet worden onderscheiden. Het goèdkeuringsrecht van
de Kroon ten opzichte van het provinciaal bestuur is van

andere aard dan dat van Gedeputeerde Staten tea aanzien

van het gemeentebestuur, nu naast ditlaatstegoedkeurings-

recht de afzonderlijke bevoegdheid van de Kroon tot ver-

nietiging wegens strijd met het algemeen belang bestaat,

die bij het -goedkeuringsrecht op de provinciale verorde-

ningen ontbreekt:

In de laatste tijd heeft bijzondere aandacht getrokken

een contraire beslissing van de Kroon (KB: van 6 Decem-
ber 1949, S.’ no J 533), ‘waarbij aan een besluit vafi de
gemeenteraad tot verlaging van de rentevoet van enige lopende geldieningen goedkeuring werd onthouden op

grond .van de overweging, ,,dat het noodzakelijk is, dat

de gemeenten zich strikt houden aan de normen, welke
door de Regering in het kader van de door haar – mede

in het financiële belang der gemeenten – gevoerde rente-

politiek, zijn gesteld voor het sluiten van leningen door

lagere publiekrechtelijke lichamen”. Men ziet, dat de Re-gering zich bij dit besluit niet alleen beroept op het alge-

meen belang vande door haar gevoerde rentepolitiek, doch
dat zij er tevens op wijst, dat deze rentepolitiek mede in

het belang van de gemeenten wordt gevoerd. Formeel valt
het besluit dus nog binnen het criterium, dat door het

raadsbesluit de blijvende financiële belangen der gemeente
zouden worden geschaad. De vraag mag echter worden
gesteld, of dit criterium niet al teveel wordt uitgerekt in
een geval als hier tegen het advies van de afdeling voor

de geschillen van bestuur van de Raad van State werd
beslist. Het bedenkelijke zie ik vooral in de verwijzing

naar ,,de normen, welke door de Regering zijn gesteld

voor het sluiten van leningen door lagere publiekrechtelijke lichamen”.

Waar is aan de Regering de bevoegdheid gegeven nor-men voor het financieel beleid van de lagere lichamen te

stellen? Schrijft art. 144 der Grondwet niet voor, dat de

bevoegdheid der gemeentebesturen wordt geregeld door
de wet?

Indien men van oordeel is, dat de Regering inderdaad
de macht moet hebben, welke zij zich thans heeft aange-

matigd – ik kan het tot mijn spijt niet anders formuleren,
-, zo zal de wetgever-haar die macht moeten verschaffen.
Naar mijn mening is daarvoor onvoldoende grond aanwe-

zig. Ook zonder een volledige uniformiteit is dunkt mij de
rentepolitiek van de centrale. Overheid te handhaven.
Indien in de weegschaal van het bestuursbeleid tegenover
elkaar worden gesteld het nadeel, veroorzaakt door een
geringe inbreuk op deze uniformiteit, en het nadeel, teweeg-
gebracht door een verdere besnoeiing van de vrijheid der
gemeentelijke bestuursorganen, moet naar mijn overtuiging
de schaal naar het laatste overslaan.

‘-Gravenhage.

D. SIMONS.

CONJUNCTUURPOLITJEK EN DE
NEDERLANDSE GEMEENTEN.

Nu – het vraagstuk van de handhaving der volledige
werkgelegenheid in toenemende mate in de belangstelling

komt te staan, is het een aantrekk1ijke gedachte, de dis-
cussie omtrent de vraag, welke taak de gemeenten hierbij
hebben, te mogen hervatten. Op het in 1949 gehouden

21 Juni 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

493

congres van de Vereniging der Nederlandse Gemeenten
heeft Dr Van Rhijn, als Voorzitter van de Werkgelegen-

heidscomrissie, begrip en medewerking van de gemeenten

gevraagd voor de politiek, die de centrale Overheid ten
aanzien van dit vraagstuk voert en zal voeren. Wij kunnen

ons niet geheel aan de indruk onttrekken, dat zowel ma-
terieel als ,,formeel” deze medewerking niet, geworden is,

wat men er van had mogen verwachten.
Vooropgesteld, dat in internationaal verband de maat-

regelen worden genomen, die een doeltreffende conjunc-
tuurpolitiek verzekeren, blijft op elke regering de plicht

rusten de voorbereidingen te treffen voor een anti-depres-
siepolitiek. In het kader hiervan dient de Overheid een
compenserende uitgavenpolitiek te voeren. Dit betekent,
dat de overheidsorganen in tijden van grote spanning op

de,arbeidsmarkt hun vraag dienen te beperken en in tijden

van werkloosheid met een zo groot mogelijk programma

van werken moeten komen.
Wisselende overheidsuitgaven in de loop van de con-

junctuurcyclus hebben betrekking op Rijk èn lagere

publiekrechtelijke lichamen, wo. gemeenten.
Het spreekt immers vanzelf, dat van een doelbewust

optreden van de centrale Overheid geen sprake kan zijn,

indien de lagere organen een gedrâgslijn volgen, we]ke af-
breuk doet aan maatregelen, die van regeringswege in het
belang van de nationale welvaart noodzakelijk worden
geacht. Doorkruising of neutralisering van de door de

centrale Overheid toegepaste politiek moet worden voor-

komen. –
1-let middel van de wisselende uitgavenpolitiek of, nog
wat nauwer omgrensd, dat van de compenserende openbare
werkenpolitiek, krijgt in het geheel van de conjunctuur-

politieke middelen schijnbaar vaak wat te veel belangstel-
ling. De reden hiervoor moet niet worden gezocht in het
feit, dat van de toepassing van dit middel grotere gevolgen
worden verwacht dan van andere middelen, maar in het

feit, dat talloze voorwaarden van organisatorische aard
moeten zijn vervuld, alvorens het middel met succes kan
worden toegepast. Het duidelijkst is dit gebleken in de
dertiger jaren, toen het, eenzijdig (d.w.z. niet in het kader

van een conjunctuurpolitiek-plan), veelal met weinig ge-
volg (omdat geen goede voorbereiding was ,00rafgegaan)
gebruikt en…. ook misbruikt is (als middel om ook
gèschoolde niet-bouw- of landarbeiders aan het werk te
zetten). Dat ook hier opnieuw alleen de openbare werken-
politiek ter sprake komt, hangt samen met het feit, dat de
gemeenten op directe wijze bij dit stuk conjunctuurpolitiek

zijn betrokken.
Bij de openbare werkenpolitiek kunnen we in hoofdzaak

aan twee facetten denken:
toegepast in een stabilisatieplan voor de bouwnijver-
heid en dus voor de geschoolde bouwvakarbeiders;.
toegepast als middel om groepen ongeschoolden aan werk

te helpen.


Voor beide vormen is een intensieve voorbereiding nood-
zakelijk en de medewerking der gemeenten onontbeerlijk.

Het stabilisateplan.

De huidige Minister van Wederopbouw en Volkshuis-

vesting heeft aangekondigd, dat hij het uit te voeren bouw-volume, na nog enkele jaarlijkse verhogingen, op een zeker
niveau wil stabiliseren,teneinde het corps bouwvakarbei-
ders en de omvang der productie van de bouwmaterialen-
industrie daarop te kunnen afstemmen. Uiteraard gaat
het hier om grote lijnen, maar deze zijn reeds duidelijk ge-

noeg om te kunnen vaststellen, dat, indien dit plan zou
slagen, een zeer grote, bijdrage van conjunctuurstabilise-
rende aard wordt verkregen. Van ouds immers is de bouw-
nijverheid zeei conjunctuurgevoelig. In 1936 was niet
minder dan 48 pCt van de bouvvakarbeidérs werkloos.
\Vil het stabilisatieplan effectief worden, dan lijkt het
echter onvermijdelijk, ‘dat, bepaalde onderdelen van het
bouwvolume aan een zekere c?ntrôle onderhevig blijven.

Met name zijn dat di ,,kolommen”, waarbij lagere publiek-

rechtelijke orgahen betrokken zijn. Zou na een conjunctuur-
omIag de particuliere woningbouw afnemen, dan bèstaat

de mogelijkheid de woningbouw via de gemeentelijke orga-
nen en woningbouwverenigingen te stimuleren. Dit proces
‘moet zich eveneens kunnen voltrekken, indien bijv. de

bedrijfsbouw vermindert. De dan werkloos wordende bouw-

yakarbeiders moeten aan het werk komen door de bouw.

van overheidsgebouwen, scholen, ziekenhuizen en weg- en

waterbouwkundige werken. De plannen voor deze door de
Overheid geëiitameerde of met behulp van overheidssub-
sidies, uitgevoerde werken moeten gereed zijn niet alleen

op een lijst, maar zo volledig mogelijk uitgewerkt.
Op dit punt bestaan er spanningen, niet alleen met de
technici, maar ook met de bestuurders der lagere organen.

De laatsten zijn zeker bereid om subsidies te ontvangen

teneinde in hun locale gemeenscha’ppen het nodige te doen

om de werkloosheid te bestrijden: Maar de vraag om terug-houdendheid, in de tijden van opgang, in de tijden van grote

bedrijvigheid, kortom in de tijden van nu, ontmoet be-

– zwarefl.
I-letzelfde geldt voor het tijdig gereedmaken van het
onder 2 genoemde ruimere openbare werkenplan, waarbij

in de eerste plaats gedacht moèt worden aan de voorberei-
ding van voldoende mogelijkheden tot onmiddellijke
• tewerkstelling van werkloos geworden ongeschoolden uit
andere bedrijfstakken dan die der bouwnijverhçid.

Waar lzet’ om gaat.


In de afgelopen.jaren is van-overheidswege een politiek van terughoudéndheid gevraagd, eQn politiek van werken
reserveren, indien dit maar- enigszins mogelijk was, een

politiek van ich vooihereiden om mee te helpen een even-
tuele conjunctuurinzinking te bestrijden (n.b., indien ooit
het behoud van onze democratie ergens van afhankelijk
is, dan toch zeker van de voorkoming van een massale
werkloosheid!). Vooraf mag nog worden gesteld, niet uit-
gewerkt, dat om op een juiste wijze een verantwoorde

politiek van terughoudendheid te volgen het opstellen
van gemeentelijke investeringsplannen een allereerste ver-eiste is. Ten’ tweede mag worden opgemerkt, dat een poli-
tiek van terughoudendheid niet betekent de uitgaven ver-
minderen tot nul. Op dit punt ontmoeten wij de heer

Hasper, die in een vorige jaargang van dit blad een aantal
artikelen aan het vraagstuk van de gemeentelijke bijdragen

tot een conjunctuurpolitiek wijdde
1).

De schrijver wees daarbij op de voor de gemeenten on-

aanvaardbare consequenties, met name dopr het ontstaan
van een ondraaglijke schuldenlast, indien de gemeenten de
Rijksoverheid zouden volgen in haar conjunctuurpolitieke
lijn. Beperking van de gemeentelijke uitgaven zou zich
moeten uiten in het ,,stilleggen van de millioenen verslin-
dende woningbouw”. ,,Vlak daarachter komen de millioe-
nen, die tegenwoordig in de energiebedrijven worden ge-
investeerd”. Deze beperking der uitgaven is onder de hui-
dige omstandigheden uitgesloten. In de depressie zullen
nieuwe uitgavenvolgen voor werken, die ;,omdat het een
tijd van neergang is, niet productief zijn” (bl: 513).
De grote fout, die de heer Hasper in zijn artikelen maakt

is deze, dat hij de huidige
abnormale
hausse koppelt aan

de te verwachten
normale
baisse. Het is inderdaad zo, dat
de huidige situatie (grote achterstand in de uitvoering van
openbare werken en drukkende schuldenlast uit de oorlog)
zowel bij het Rijk als bij de gemeenten een belemmering
vormt voor het voeren van een goede conjunctuurpolitiek.
Door deze abnormale hausse is het in vele gevallen
onmogelijk voldoende financiële reserves te vormen, die
straks in de baisse gebruikt zouden kunner worden. Toch worden wel openluchttheaters en sportparken aangelegd,
raadszalen verbeterd en ,nieuwe straatverlichtingen aan.-

gebracht.

‘) ,,Economisch-Statistiscbe Berichten”, raargang 1949, rep.
blz. 513 en hlz. 531.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

21 Juni 1950

Kapitaalsuitgoven voor alle gemeenten tezamen in millioenen guldens

Eendomnwn n,et
non, de openbare

Onderwn. kunsien
Openbare werken

diens’ bsiend

en wetenschappen

Sedrjnen

O’u.rige uilganen
120

no

100

90

80

70

60

50
40
30
20

0

1930123.4567894030123456789403012345678940301234567894030123.45675940301334567891940
•CS
5
1
40)
C 8$

43

In de constructie van de heer Hasper: abnormale hausse
MLN
+
normale baisse
=
normale conjunctuurcyclus is uiter-
GLD

aard een verlaging van de schuld onmogelijk. Het merk-
25
waardige is echter, dat hij blijkbaar verwacht, dat na de

eerste baisse de conjunctuur ophoudt te bestaan, want
anders was hij toch zelf wel op de gedachte gekomen, dat,
zoal reservevorming door de huidige bijzondere_ omstan-

digheden is uitgesloten, schuldaflossing na de baisse wel

mogelijk is.

20
In de gedachtengang van de heer Ilasper blijkt het

noodzakelijk

te zijn in de hausse de bouwnijverheid stil
te leggen

In werkelijkheid gaat het er juist om, zoals
boven is uiteengezet, door de toepassing van de compen-
serende uitgavepolitiek een bijdrage te leveren tot stabili-
satie van de bouwnijverheid, dus in ieder geval te trachten
.

alle geschoolden.aa

het werk te houden. Daarnaast is het

nodig voor in de toekomst te verwachten ongeschoolde

werklozen een groot aantal werken in reserve te hebben,
die deels op het terrein van de bouwnijverheid liggen, deels
op het terrein van de landbouw’, hetgeen dus met zich
brengt, .dat in de hausse zo min mogelijk van dit soort
10
.

.

werken moet worden uitgevoerd. De heer llasper wijst
.

er op, dat in de hausse de inlustrieën worden uitgebreid,
de centrales moeten worden vergroot, de verkeersmiddelen
moeten toenemen. Hij vraagt: ,,Moet de Overheid dit niet doen en wachten tot de baisse?”. 1-let antwoord moet lui-
den, dat de Overheid moet vooruitzien en door planning en’
goede vestigingspolitiek reeds v66r de hausse voor het
nodige zorgen: industrieterreinen, energiebedrijven op peil
brengen van de te verwachten vraag, verkeersmiddelen

t
verbéteren.
De heer Flasper maakt de zaak veel ingewikkelder dan
noodzakelijk is.’
Voorbeeld:
als Rotterdam een deel der open-
bare werken, uitgevoerd tussen 1925 en
1
1931 had ‘opge-

0

T

spaard en had laten uitvoeren tussen 1931,en 1935 dan was

1930 1931
ipz
1933 1934 1935 1936 1937 1930 1939

een nuttig effect verkregen voor stabilisatie van de bouv’-

t’itçavei voop oe gemeenÉe/ijke op nbø’p bouw

nijverheid en had een deel van de Rotterdamse bouwvak-
n
arbeiders aan het werk kunen blijven, daarnaast een

o
ver
de periode 1.930 t/m 193.9

aantal ongeschoolden.

– .

#
W7
PROD UC TIE .Openb,bouw o’er gemeenI- vé6r 1910
vuil9,
1942

,

.

.,
.
.

494

S

—I
S,

1111
nil
ri

III
1

:
F’JIIi•rul

_____

.
1hfl

———–

0
HU
1
.
111H1111
11

11111
1

IlI1IlflhIIIllIIhIhilIllIhIlIhIhhIlIlIirlI[1

– Volk huavHng

,

-‘II

:

21 Juni 1950′

,
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTÈN

495

Ook inzijn laatste artikel past de heer Haspe’r weer te

veel een statische beschouwingswijze toe, waar hij zegt:

,,Zou de Regering tussen 19291939
01)
een advies van een

statistische conjunctuurdienst vérlaging van lasten en
uitzetting van de uitgaven hebben voorgeschreven, dan
zouden de tekorten groter zijn geweest”.

Opgemerkt kan immers worden, dat vbôr 1929 door het

niet-uitvoeren van werken een
reserve
had.kunnen worden

gevormd. –

Indien deze financiële reserve was gevormd en werken

waren voorbereid, dan had de, scherpe daling in de kapi-
taalsuitgaven, zoals in de grafieken op blz. 494 tot uit-

drukking komt, voorkomen kunnen worden en was in
edonomisdh, soiaal, financieel en more’el opzicht een betere

politiek gevolgd.

Hoe het doel te bereiken.

Vast staat naar onze mening dat een beroep op vrijwil-
lige medewerking niet afdoende is. Vast staat eveneens de.

noodzaak tot svnchronisatie. De keuze van het middel gaat
tussen een systeem van contrôle en voorschriften of een

stelsel van wisselende subsidies.

Op het ogenblik bestaan contrôle en voorschriften via
het stelsel van de rijksgoedkeuringén. Afgezien van het
feit, dat het stelsel niet sluitend is, bestaat geen enkele

sanctie op niet-naleving, liet grootste bezwaar is evenwel,
dat de regeling is gemaakt voor een situatie, waarin een
algemene schaarste aan bouwmaterialen bestaat, waarbij
het conjunctuurpolitieke gezichtspunt nauwelijks een
plaats krijgt, met name bij ‘de toetsing door Gedeputeerde

Staten, welke dus meer gericht is op de contrôle der finan-
ciële huishouding der gemeenten dan op het bevorderen
der synchronisatie van de uitgavenpolitiek der gemeenten

met die van het Rijk. – ; –

Een andere mthode van contrôle, die, afgaand o$
wat er van bekend geworden is, bçter past in ons staats-

recht dan het bovengenoemde systeem van de goedkeurin-
gen, is door de gemeenten: ik ben zo Vrij te zeggen, bij vöor-
haat verworpen. Alweer ‘oor,zover bekend, kreeg men de
indruk, dat dit nieuwe systeem geen mogelijkheden van
ontduiking toeliet en daarom wellicht hoewel -het veel
minder willekeurig werkte dan het goedkeuringsstelsel,

niet werd geaccepteërd.

Rest de politiek enig mogelijke weg van het indirecte
middel, waarbij een zeker automatisme tot stand komt
zowel in hausse- als in baisseperioden, althans voor de
kapitaalsuitgaven, die overigens’ de gewone dienst toch

beïnvloeden. ])eze suggestie is gedaan door de heer Nap
2)

en houdt in, dat indien, telkens in door de Regering te
bepalen perioden, kapitaalsuitgaven worden gedaan een
zeker percentage van de daarmede gemoeide bedragen
wordt gestort op een geblokkeèrde rekening bij het Rijk.
Zodra de Regering daartoe de tijd gekomen acht, worden
de gestorte gelden teruggegeven voor het doen uitvoeren
van werken.
Weliswaar wordt bij dit systeem geen zekerheid verkre:
gen, dat niet toch uitgaven worden gedaan, welke beter
achterwege hadden kunnen blijven, niettenin achten wij
dit stelsel minder willekeurig en daarom superieur aan de
huidige regeling via het goedkeuringsstelsel.

Een nog te overwinnen moeilijkheid blijft de reële vor-
ming van een voorraad werken, w’elke op een bepaald
tijdstip in een snel itempo in uitvoering kan wôrden ge-
bracht. Hierbij môet niet zozeei- gedacht worden aan het
etiketteren van bepaalde werken als behorend tot con-
junctuurreserve, maar aan het vergroten van de tijdsduur,
welke verloopt tussen het afsluiten van de voorbereiding
en het tijdstip van aanbesteding.
Men kan zich dit ook indenken in de vorm van een bijv.
twee-jarenplan, dat dooi’ alle overheidslichamen wordt

klaargemaakt en dat eventueel in.één-jaar kan worden uit-

‘)
,,Tijdschrift voor Overhciclsadministratie” van 30 runi 1949.

gevoerd. De bezwaren daartegen zullen wellicht groot zijn,.
,

maar het is goed ons steeds het alternatief – machteloos-

heid tegen groeiende werkloosheid – voor ogen te stellen.

‘s-&ravenhage.

.

11. 31. DE LANGE, cc. drs.

/
CONJUNCTUURPOLITIEK EN

GEMEENTELIJKE ZELFSTANDIGHEID.

Het vorige jaar is men ei’ in geslaagd de wenselijkheid

en de mogelijkheid van ht ‘deren van een gemeentelijke

conjunctuurpolitiek door leden van besturende colleges en
gemeentelijke hoofdambtenaren te doen behandelen.
Dit is geschied in de jaarvergadering van de Ver-

eniging van Nederlandse Gemeenten van 2 Juni 1949,

waarna het vraagstuk in alle gemeentelijke vaktijdschrif-

ten werd besprôken. Dit was op zichzelf al een succes,
want practiserende gemeentelijke bestuurders beginnen

gemeënlijk met’zwijgen, wanneer op het treffen van maat-

regelen ‘wordt aangedrongen, die nog niet op hun conse: quenties zijn beproefd. Maar toen de heren in de Rotter-
damse Schouwburg ,,onder ons” waren, konden vrijelijk
bedenkingen worden geuit. Zij nanen stelling tegen de
bewering, dat de economie voorlopig, is uitgestudeerd en
het woord nu reeds aan de practijk wordt gelaten. De be

stuurders, die ten congresse aanwezig waren, en later de
penvoerders, hebben er in verschillende toonaard
01)
ge-

wezen, dat de economie huns inziens de studie nog lang
niet beëindigd kon hebben, omdât het financiële probleem
nog vele duistere plekkn ,toont. En van de gelegenheid
werd meteen gebruik gemalakt om eens te informeren Of de

regeringspolitiek inderdaad – voorgoed was omgebogen en
of al bekend was, dat de vakverenigingen bereid zouden zijn
aan noodzakelijke maatregelen, zoals de omscholing van

vakarbeiders, mede te werken.

Een tragisch aspect.

Het typische van het geval is dit, dat ieder om strijd
verklaart de toestanden van de dertiger jaren niet terug
te wensen. Men denkt dan aan de werkloosheid, niet alleen
onder de arbeiders, mdar ook van het kapitaal. Men reali-

seert zich dan niet direct, dat ook de locale gemeenschap-
pen hçt in die jaren slecht hebben gehad; de gemeenten
verzeilden al mede in de draaistroom van de armiastigheid
met het gevolg, dat ze werden geknecht. Ook die toestand
wenst,nieinand ter’ug.En nu is het juist zo tragisch, dat de
maatregelen, welke tot nu toe door de voorstanders van
de conjunctuurbeheersing worden bepleit, de ondervonden
nadelen voor de gemeenten in versterkte mate te voorschijn
zullen roepen. Men bestrijdt een kwaad door ongewild een
ander euvel te veroorzaken, het euvel van een verpaupe-
risering van de locale genieenschappen. Ik mag dit zo kort
stellen, omdat ik in ,,Economisch-Statistische Berichten”
van 8 Juni, 29 Juni en 6 Juli 1949, Nos 1674, 1677
en .1678 heb uiteengezet, dat niemand de aanbevelingen
zal willen opvolgen (bijv. bouwnijverheid verminderen,

energie-uitbreiding belemmeren) en dat de gemeenten.
door een afdwingen van maatregelen in goede en

slechte tijden, mede als gevolg van een onvermij-
delijke toeneming van schuld, het restant van haar finan-
ciële zelfstandigheid zullen verliezen. En dit, zonder dat
de oorzakén van de werkloosheid worden weggenomen of
de gevolgen van – structurele wijzigingen worden onder-

vangen.
1-let nieuwe leed zal ongetwijfeld schrijnend zijn, want
de gemeenten zullen dan niet door oorzaken van buitenaf
in verval geraken, maar door de naleving van recepten,
die de Regering zal voorschrijven. Immers zal, eed
nieuwe regeringspolitiék, gericht op een synchronisatie van
een eventuele landelijke conjunctuurpolitiek ten aanzien
van de gemeenten, wördt gevolgd, 6en (scherpe) contrôle
(met sancties) worden ingesteld op de naleving van de

496

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

21 Juni 1950

(dwingende) voorschriften, welke de gemeenten er toe

moeten brengen (desnoods tegen het welberepen locale

belang in) haar aandeel in. de werkverruiming te leveren.

Deze maatregelen zullen o.a. bestaan uit het stilleggen van

werken, het verlagen en verhogen van belastingen, het
berusten in budgetaire tekorten en het aanvaarden van

een toenemende schuldenlast. Openlijk hebben zij, die aan
de mogelijkheid van conjunctuurbeheersing geloven, vér-

klaard, dat ,,enige” beperking van de vrijheid van het

individu een niet te hoge prijs is ioor een verhoogde be

staanszekerheid. Welnu, de gemeenten, die zich zullen
verzetten tegen een terugvoeren tot de staat van nood-

lijdendheid, zullen een grotere vrijheidsbeperking dan het

individu moeten ondergaan. Onder belofte van eeuwige

welvaart zullen zij haar bestaanszekerheid verliezen. Ten-

slotte zal men menselijk verzuchten: ,,Het kwaad, dat ik

niet wil, dat doe ik”.

Dvang.

Dwang kan in het voorgestelde systeem. niet worden

gemist, noch voor de gemeenten, noch voor het Rijk, tenzij

de vertegenwoordigende lichamen, ook in de jaren, waarin

verkiezingen worden gehouden, steeds beslissingen zullen
nemen, die tegen de draad ingaan, iets waarop men in
bestuurszaken niet mag anticiperen. De Kamers en de

gemeenteraden zullen in jaren van begrotirgstekorten be-

lastingen moeten verlagen en meer geld, dan waarover

terecht wordt beschikt, moeten uitgeven; zij zullen in tijden

van opgang lasten moeten verzwaren om een opbloeiende

bedrijvigheid opzettelijk te remmen entegelijk eigen werk-

zaamheden moeten inkrimpen. Men moet zich wel ver

– buiten de werkelijkheid begeven, als men meent, dat hijv.
ontslag van personeel en verlaging van lonen en salarissen
zijn door te voeren ten tijde, dat winsten en lonen in de
particuliere sfeer stijgen. Stelt men zich tot taak aan de

conjunctuurgolven de impuls te onttrekken en met de
vrijgekomen energie de stuwende kracht van de conjunc
tuur te breken, dan veronderstelt dit, dat men van alle

vertegenwoordigende lichamen kan en mag eisen, dat zij.

besluiten nemen en uitvoeren, die in strijd zijn met de
belangen, welke op dat ogenblik het sterkst worden ge-

voeld. ,Dit is zonder dictatoriale bevoegdheden niet door
te voeren. Dwangis daarom zo verderfelijk, omdat men

van kwaad tot erger komt en tenslotte moet belanden bij
een totalitaire beheersing van het volk en zijn economisch
leven. En dan nog bestaat gerechte twijfel of het centrale gezag er in zal slagen de conjunctuur, gezwegen nog van

de structuur, te ,,beheersen”.

Beperkt doel.

In de practijk verzet men zich tegen eisen, die een heerser oplegt. Daarom volge men niet de weg van Prof. Tinbergen,

maar die van Prof. Simons, de weg van persuasie. Dat is
mogelijk, want wanneer men de stem van de gemeenten
beluistert, is ieder bereid, waar mogelijk, geen werken te
ondernemen., die de overspanning van de conjunctuur
verergeren en wil men allerwege medewerken aan maat-
regelen, die de nadelen van een dalende conjunctuur kun-
nen verzachten. Billijkheidshalve geven degenen, die het Rijk.nu met straffe hand willen zien optreden, toe, dat de
gemeenten, welke zoveel dichter bij de bevolking staan en
vlugger dan de Regering reageren; eerder in deze richting
initiatieven hebben genomen dan de Regering zelf. Van
gemeentezijde zal men evenzeer als een tekortkoming willen
erkennen, dat de van harentwege genomen maatregelen
slechts werden genomen bij achteruitgang in het bedrijfs-

leven.. Het nieuwe is eigenlijk, dat men zich allerwege,
geleerd door de ervaring van de dertiger jaren, meer en meer
bewust is geworden, dat de voorzorgen reeds in tijden van
voorspoed moeten worden getroffen. En toch is dit een oude waarheid. In Genesis 41 eten de
7 magere koeien de eerder verschenen 7 vette koeien op
en de 7 lege aren de 7 volle aren. Pharao was in zijn droop

begonnen met de vette jaren. Zij, die niet vooruit hadden

gezien, waren later gedwongen in Egypte levensmiddelen
te kopen. De Hebreeuwen hebben hiervoor zwaar moeten

boetén, want Jozef heeft weten te bewerken, dat Benjamin
en daarna de gehele stam naar Egypte trok. En het ver-
laten van het diensthuis Egypte heeft heel wat bloed en
tranen gekost. De centrale zowel als de plaatselijke Over-

heid zullen moeten beginnen om, als het maar even kan
(dus in de hoog-conjunctuur) voorzorgen te nemen, zoals
wij groenten eerst telen en oogsten en daarna in glas, blik

of onder zeer lage temperaturen bewaren, om de tafel in

de winter met dezelfde spijzen als in de andere jaargetijden
te kunnen voorzien. –

Nu zijn de omstandigheden naar de opvattiig van de

bestuurders en bestuurden niet altijd zo gunstig geweest,

dat gemakkelijk reserves konden worden gevormd. Ook

het toezicht van het Rijk en van Gedeputeerde Staten was

er op gericht zo min mogelijk ten laste van de gewone dienst

te brengen en zoveel mogelijk naar de kapitaaldienst over
te hevelen. Op deze wijze maakt mén geen reserves, doch

kweekt men schuld. De beste reserve, die men kan maken,
is: het voorkomen van schuld.

Zien wij nu af van conjunctuurbeheersing, doch willen
wij bij het voeren van onze uitgavenpolitiek rekening hou-
den met een blijvend conjunctuurverschijnsel, dan moeten

we bereid zijn te breken met de gedachte, welke aan onze

huidige leningpolitiek ten grondslag ligt, nl. dat men het

tegenwoordige geslacht niet wil belasten met de financiële gevolgen van maatregelen, die voor een groot deel het toe-

komstige geslacht voordeel zullen brengen of van economi-

misch nut zullen zijn. Dat men deze politiek heeft gevolgd,
is te verklaren uit dQ wens om in een tijd van een koorts-
achtige ontwikkeling van ons economisch leven mee te

blijven doen, zonder de belastingen op te voeren. De finan-

oiële gevolgen vande noodzakelijke voorzieningen werden
door het toen levende geslacht te zwaar geacht. Men zag
slechts voordelen voor het nageslacht. En zoals bij over-

heidsmaatregelen wel mee’r voorkomt, werd achteraf een
redelijke grondslag aan voor het ogenblik wenselijk geachte
maatregelen gegeven. Terwijl de schuld van het verleden

nog op ons rust, zullen wij, het nageslacht, bereid moeten

zijn de vroeger vastgestelde afbetalingstermijnen in acht te nemen en tegelijk moeten ophouden met een financie-
ringspolitiek, die een volgende generatie zal belasten. De
steriele reserves, welke daartoe gevormd moeten worden,

behoren niet thuis in reële fondsen, doch zij moeten worden
gezien in een zo groot mogelijk schuldloos bezit. Juist,omdat
het zo moeilijk is op een straff ere financiering over te scha-

kelen, zal in tijden van hoogconjunctuur met dit systeem van dekking van (buitengewone) uitgaven uit de gewone

middelen moeten worden begonnen om te beproeven of het bestuur werkelijk ,,om” is. Flier liggen uit bestuurs-

oogpunt wel moeilijkheden, maar toch zeker ook mogelijk-
heden van verWezenlijking van een beperkt doel, zonder
dat op de begeleidende verschijnselen van een bankroet
wordt aangestuurd. En vooral betere mogelijkheden dan
die tot nu toe werden aangeprezen, omdat van de ver-
tegenwoordigende colleges geen beslissingen worden ge-
vraagd, die steeds tegen een bevattelijke redenering ingaan.
Met een bestuurlijke gematigdheid zal het uitvoeren van werken worden geremd, terwijl geen overschotten op de

gewone dienst tot verlaging van belastingen zullen verlei-
den. Komen de moeilijke jaren, dan kan in mindere of
meerdere mate, worden geleend, zonder dat het budget,
met désastreuse gevolgen, wordt bezwaard.

Deze mogelijkheid is te verwezenlijken met vrijwillige
medewerking van de gemeenten, mits haar de nodige vrij-
heid en financiële zelfstandigheid wordt gelaten. Voorwaar-
de is dan, dat de gemeenten financiële armslag behouden
en niet worden beknot, zodra het tij iets gunstiger wordt.
Letten wij op hetgeen zich nu voordoet met betrekking
tot het verlenen van compensaties bij de afschaffing van
de Ondernemingsbelasting, dan moet worden gevreesd,

21 Juni 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BEPCHTEN.

497

dat een gelegenhèid om een nieuwe financiële politiek te

volgen, wordt verwaarloosd.

Oud zeer.

Er bestaat over en weer nog weinig vertrouwen in een

geslaagde uitvoering van elkanders goede bedoe’ingen. In
dat opzicht kan van weerskanten veel tot verbetering
van de verhouding worden bijgedragen. Maar dan. is het

niet voldoende, dat de pleiters voor een gesynchroniseerde

conjunctuurpolitiek beweren, dat de Regering ,,om” is,

want het eerste bewijs, dat de Regering werkelijk ,,om”
is, moet nog worden gegeven. Of is men zo naif te denken,
dat de Regering ,,om” is, omdat een Nationaal Plan be-
krachtigd wordt, of omdat de Regering bevordert, dat

plannen worden verzameld om werkeû geheel of ten dele

ten koste van de gemeenten, eventueel uit te voeren?
Want daar liggen de moeilijkheden van dit vraagstuk niet.
Beter had men het vorige jaar kunnen stellen, dat men klaar
,

is met het verkondigen van sociale inzichten en dat men

thans genaderd is tot een omschrijving van de practische

financiële politiek; en daarbij gaat het uiteindelijk niet om

een fl00 millioen meer of minder schuld, noch om de vraag-
stukken, die bij de delging daarvan zullen rijzen. De oor-

zaken van de conjunctuurbeweging liggen niet daar, maar bij in het ecnomisch bn maatschappelijk leven optredende
krachten, die noch door ‘s lands noch door gemeente-

financiën kunnen worden beteugeld. Wil men daartoe toch een plan maken, zulk een toren van Babylon. bouwen, dan
zullen die krachten gebonden moeten worden. Men zou
eerst slagen, wanneer het verschijnsel van conjunctuur-

golven niet meer optreedt en structuurwijzigingen worden

voorzien of voorkomen. Slaagt men daarin niet aanstonds,
dan zal men bij elke teleurstelling de oorzaak van het falen
niet in eigen optreden zoeken, maar de fouten, evenals
thans, toeschrijven aan het nog niet genoeg breidelen van

wensen en begeerten van de mens en aan het door hem
gekozen bestuur, dat nog niet de macht heeft om het vrije bedrijfsleven afdoende te beheersen. Men zal steeds meer
moeten gaan regelen, tot men tenslotte in een volmaakt
gedirigeerde staat leeft. En in die staat zullen de bedwongen
krachten zich tenslotte in calaniteiten ontspannen.
Men zal tussen de paden vande goedgelovende oplossers

van sociale vraastukken en die van de ongebonden vrij-
heidszoekers een weg moeten inslaan, die in de harde prac
tijk begaanbaar zal blijken te zijn. We willen wel op ver-
keersregels letten, maar (nog) niet in rijen van drie of vier
over de weg marcheren. En de gemeenten zullen niet mogen

terugkeren in het diensthuis, waaruit zij dank zij de Nood-
voorziening Gemeentefinanciën werden uitgeleid.
Als wij nu, ‘mede om de conjunctuurkwalen te .rerlichten,
de zelfstandigheid van de gemeenten voorstaan, dan moge
dat uit de tijd schijnen, nu men bij supra-nationale overeen-
komsten souvereiniteitsrechten prijs wil geven, toch moeten
wij vasthouden aan het beginsel, dat de zelfwerkzaamheid
van de bevolking in de locale gemeenschappen blijvend en
zo ver mogelijk moet worden ontzien ter bescherming van
het gemeentewezen, dat de hoeksteen vormt vah ons•
democrâtisch staatsbestel.

Rotterdam.

. HASPER.

CONJUNCTUURPOLITIEK EN

GEMEENTEFINANCIËN.

In de compenserende budgetpolitiek bezit de Overheid

het instrument om invloed uit te oefenn op de algemene
conjunctuurbeweging. Zeer in het kort houdt dit de eis
in, dat de Overheid in tijden van opgaande conjunctuur
(zoals thans) moet trachten de door haar beheerste inves-teringen tot het meest noodzakelijke te beperken om deze in tijden van neergaande conjunctuur tot een hoog niveau
te kunnen opvoeren. Van de verantwoordelijke instanties

wordt hiervoor dus gevergd, dat hun houding principieel

tegengesteld zal zijn aan die van de particuliere onder-

nemer. Beperkingen alsde inkomsten ruim vl6eien, grote

uitgaven als het getij begint te keren. .
We nemen aan, dat ook in Nederland de Rijksoverheid

van het nut en de mogelijkheden van een bewuste con-
junctuurpolitiek overtuigd is en dat zij er naar streeft

deze politiek ook in de lagere overheidsorganen’ als pro-
vincie en gemeente ingang te doen vinden. De vraag rijst

dan, in hoeverre deze organen tot het voeren van een

dergelijke politiek bereid en in staat zijn. Laten wij eens een ogenblik met zeer luchthartig opti-

misme aannemen, dat de bereidheid in principe aanwezig
is, dat het grootste deel van de ca elfhonderd gemeenten,
welke ons landje rijk is, genegen is de uitvoering van niet-

urgente grote werken uit te stellen, overschotten op de

begrotingen te kweken en deze gelden in de komende
depressiejaren aan de dan tot uitvoering komende werken

te besteden. We kunnen onze gedaôhten dan concentreren
op le mogelijkheden, welke er voor de gemeenten bestaan

en de grenzen, welke er aan deze mogelijkheden gesteld

zijn.
Beginnen we met de
woningbouw.

De omvang van het landelijk woningcontingent is door
de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting vor
de eerstkomeiide 10 jaren gefixeerd op 55.000 woningen
(van een bepaalde gemiddelde kubieke inhoud) per jaar

of een overeenkomstig groter aantal woningen met een
kleinere gemiddelde inhoud. Dit aantal wordt trapsge-
wijs verdeeld en uiteindelijk door Gedeputeerde Staten
aan de gemeenten toegewezen. Behoudens kleinerê afwij-

kingen zal dus het aantal voor iedere gemeente jaarlijks
beschikbare woningen, vastgesteld volgens bepaalde (per
provincie verschillende) normen vastliggen. In feite is dat
ook thans reeds het geval.

In principe is de politiek van stabilisatie van de bouw-

activiteit toe te juichen. Er ligt weliswaar een subjectief
elemenÇ in verscholen, nl. het afwegen van de noodzaak
tot het snel opheffen der samenwoningen tegen het gevaar
van werkloosheid in de bouwvakken na bijv. lOjaar, in-
dien thans op al te grote schaal wordt gebouwd, doch de
gevolgde middenweg is redelijk.
De omvang van de in de woningbouw te verrichten in-

vesteringen is hiermee eveneens practisch vastgelegd. Aan-
nemende, dat er een zeker evenwicht tot stand komt tussen
de particuliere bouw enerzijds en de bouwdoor gemeenten
en woningbouwverenigingen anderzijds, staat ook het door
de gemeenten te investeren bëdrag vast. Mogelijkheid €ot
variatie van dit bedrag is vrijwel uitgesloten.
V.Te
komen dan tot de
scholenbouw.
Iliervan kan de bouw niet zonder meer worden gesta-
biliseerd. Het hoge na-oorlogse geboortecijfer zal tot gevolg
hebben, dat het aantal leerlingen, dat de lagere scholen
zal bevolken, omstreeks 1958 een maximum bereikt. Na-dien zal het aantal leerlingen weer een daling gaan verto-
nen. Zou men dus zonder meer voor deze leerlingen scholen
bouwen dan zou men nadien met een surplus aan school-ruimte komen te zitten en bovendien zou een periode van
zeer omvangrijke scholenbouw wordengevolgd door een,
waarin de activiteit op dit gebied minimaal is. In het
kader van een conjunctuurpolitiek, welke zich richt op

stabilisatie, laat zich dit moeilijk voegen en ook hier zal
men weer, evenals zulks bij de woningbouw het geval is,
een compromis moeten vinden tussen de noodzaak tot
het huisvesten van de leerlingen voor lagere scholen en
de ndodzaak tot het stabiliseren van de investeringen.
1-lelaas zal slechts voor een enkele gemeente de uitgestelde
sloop van schoolgebouwen verlichting kunnen brengen.

Hier; zowel als bij de woningbol.!w, is dus hoogstens een
zo groot mogelijke stabilisatie van de activiteit bereikbaar.
Een conjunctuurpolitiek eist echter, dat de Overheid meer
doet dan slechts haar eigen uitgaven stabiliseren. Zij moet
een dusdanige politiek kunnen voeren, dat de totale uit-

498

ECONOMISCH-STATISTISd’HE BERICHTEN

21 Juni 1950


gaven, dus van Overheid en edrijfs- en gezinshuishoudin-

gen tezamen, worden gestabiliseerd. En daarvoor is meer
nodig.

Het zijn echter niet uitsluitend sociale doch anderzijds

ook zuiver economische overwegingen, welke de gemeenten
nopen tot het doen van uitgaven juist op dit moment, nu
we ons in een opgaande conjunctuur bevinden. Dit geldt
in de eerste plaats ten aanzien van de
aanleg Qan industrie-
terreinen.
Afgezien van de, het zij toegegeven, hier en daar

nogal opgeschroefde, concurrentie ten aanzien van de

grondprijzen tussen de gemeenten onderling, laat het, niet

de minste twijfel over, dat het treffen van maatregelen,

welke de industrialisatie bevorderen of althans er zorg voor
dragen, dat deze onbelemmerd zal kunnen plaatsvinden,

ook nu reeds een belang van de eerste orde is. Het gaat

niet aan om te wijzen op de noodzaak van inustrialisatie,

liefst nog v63r hel eindigen van de Marshall-hulp in 1952

en tegelijkertijd te eisen, dat de aanleg van industrie-

terreinen wordt uitgetteld totdat er een depressie komt.

Industrialisatie is op dit môment nodig en het scheppen
van de voorwaarden daartoe dus ook.

Nu komt deze industrialisatie in verschillende gemeenten

al aardig op gang en doet zich daar de noodzaak gevoelen
tot het-aanleggen van op het industrieterrein aansluitende
toevoerwegen van voldoende capaciteit, het,aanleggen van
havens en het doen uitvoeren van de vèrdere benodigde

werken. Dit kan men niet los denken van het gebruik van
het indpstrieterrein. Wordt dit gebruikt dan moeten er

ook andere, met het gebruik samenhangende, faciliteiten
zijn. En ook hiervoor is geld nodig. –

En nog zijn we niet uitgeput. De
publieke bdrijen,
vrij-
wel alle nog in hun vooroorlogse omvang, voelen geducht
de roodzaak tot uitbreiding en vernieuwing. De sterk ge-

stegen bevolking moet van gas, electriciteit en water
worden voorzien en de productie- en bergcapaciteit moet

daarop zijn ingesteld. De gementen, welke op dit gebied
geen moeilijkheden kennen, zijn gering in aantal.
Tenslotte is er over een aantal
andere posten van de ge-
meentelijke begroting
ook nog wel een woordje te zeggen.
Niet slechts voor het bedrijfsleven zijn de kantooronkosten
gestegen, de sociale lasten verzwaard en de salarissen aan-

zienlijk hoger geworden. In het achterstallige onderhoud

van de gebouwen en de in beheer zijnde woningen moet
worden voorzien wil het bezit niet steeds sneller in waarde
gaan verminderen; het onderhoud van wegen dient onder alle omstandigheden door te gaan enz.

Kort gezegd is het voor

een gemeente
01)
dit moment
nu niet bepaald een eenvoudige zaak om conjunctuurpoli-.
tiek te gaan bedrijven. De gemeente, waarin het mogelijk
is de begroting zonder kunst en vliegwerk sluitend te
krijgen, neemt een gunstige plaats in.
In de gemeente Amersfoort is een zeer serieuze poging
gedaan om’ na te gaan, welke mogelijkheden er ondanks
de thans en ook in de naaste toekomst bestaande lasten
aanwezig zijn. Deze pogingen concretiseerden zich in het

samenstellen van een investeringscommissie, welke zich
ten doel stelde het samenstellen van een gemeentelijke be-

groting voor de eerstkomende vijf jaar op basis van het
huidige loon- en prijsniveau. Verondersteld werd, dat, zo

door bepaalde landelijke maatregelen de inkomsten der
gemeente op één punt zouden teruglopen, de Rijksoverheid
een voldoende compensatie elders zou verschaffen. De
basis van de berekeiuingen werd gevormd door een woning-bouw- en scholenbouwprogramma; beide weer gebaseerd op
een reeds eerder gemaakte hevolkingsprognose

lIet resultaat van de onderzoekingen was, dat zelfs,
indien in de eerstkomende vijf jaar in het geheel niet zou
worden geïnvesteerd, de gewone dienst van de,begrotingen

over deze jaren een tekort zou vertonen van gemiddeld
1180.000 per jaar. Uiteraard zoudèn de rendabele investe-
ringen, hoewel zeer gering in omvang, hierbij opgeteld
moeten worden. Een verandering van enige betekenis
spruit hieruit echter niet voort. In principe zijn het de
0.

noodzakelijke gewone uitgaven, welke het tekort veroor

zaken. Uitvoering van de eveneens noodzakelijke investe-

ringen doet het gemiddelde jaarlijkse tekort stijgen tot
tenminste 1 500.000 per jaar.

– Niet alleen het feit, dat gegevens van deze, aard slechts

voor een enkele gemeente beschikbaar zijn, stemt tot na-
denken. Veeleer is ‘het hoogst bedenkelijk, dat, wgar de

resultaten van eventuebi onderzoekingen, uit te voeren

in de andere gemeenten, naar alle waarschijnlijkheid niet

noemenswaard van die in Amersfoort zouden afwijken, het
voeren van een conjunctuurpolitiek door de gemeenten

volmaakt uitgesloten blijkt te zijn. hoogstens zal men de
grootte van het tekort nog enigszins kunnen variëren, in

de haussejaren wat minder tekort, in de haissejaren wat

meer. Doch daar blijft het bij. Zelfs daar, waar de bereid-

heid aanwezig is, zijn, althans voor deze conjunctuurcyclus

met zijn wel zeer bijzonder karakter, de mogelijkheden voor

het vderen van een effectieve conjunctuurpolitiek door de

gemeenten uitermate gering. En het constateren van’ hét

feit, dat gemeente A een stadhuis laat bouwen waar ze

evengoed nog een paar jaar mee zou kunnen wachten of

gemeente B een millioen gulden aan, een betrekkelijk weinig
urgente wegaanleg besteedt, doet, door de naar verhouding

geringe omvang van deze bedragen aan het wezen van de zaak niets af.
lIet probleem, dat hier ligt, is nog ver van de oplossing

verwijderd. In welke richting deze oplossing voor de eerst-

komende depressie zal moeten gaan, staat echter wel vast.

Nu ten gevolge van de oorlog de gemeentelijke uitgaven
op een zo hoog

niveau zijn gekomen, dat het .kweken van
overschotten voorlopig uitgesloten is, zullen de lasten van
nog omvangrijker investeringen in de zeker komende
periode van grotere werkloosheid slechts gefinancierd
kunnen worden met
stijgende
inkomsten. En dus inkomsten,

welker beweging niet samenvalt met de conjunctuurbe-
weging doch daaraan tegengesteld is. Een ondernemings-

belasting is daartoe ten enenmale ongeschikt, terwijl een

gemeentelijke inkomstenbelasting, mede door de progressie

van de tarieven, welke de opbrengsten nog conjunctuur-

gevoeliger maakt, ook niets tot de oplossing kan bijdragen.

Uitkomst kan slechts bieden een uitkering van de Rij ksover-
heid aan de gemeenten, welke stijgt naarmate de werkloos-
heid verder dreigt toe te nemen. In feite zou dit betekenen,
dat het Rijk een deel van de investeringen in het kader

van de conijunctuurpolitiek door lagere organen laat uit-
voeren en deze dus, mede rekening houdend met plaatselijke
omstandigheden, voor een effectieve aanwending van cle
gelden zorg kunnen dragen.

Indien een dergelijke regeling, welke in beginsel een
incidenteel karakter kan hebben, aangepast aan de bij-

zondere eigenschappen van de huidige economische toe-
stand, niet tot stand zou kunnen komen, zal van ëen effec-
tieve velichting van de werkloosheid van geneentelijke
zijde niet veel kunnen komen.

Aflïersfooni.

.

L. Ii. KLAASSEN.

DE WONINGVERDELING.
De Minister stelt het jaarcontingent te bouwen woningen
vast en verdeelt dat over de ‘verschillende provincies.
Daarbij werden voor 1949 richtlijnen in acht genomen,
die in het kort op het volgende neerkomen:

het bestaande en toekomstige wöningtekort is be-
slissend, ongeacht de oorzaken van dit tekort;

het vonintekort moet inalle gebieden in zo kort

mogelijke tijd een gelijk percentage bedragen. Hierbij is
gedacht aan een tekort van 9 pCt, te bereiken aan het
eind van 1953;

met verschillen in kwaliteit en omvang der bestaande
woningen in de verschillende gebieden wordt in dn eersl-

21 Juni 1950

‘ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

-, 499

1

volgende jaren geen rekening gehouden. Vervolgens werd

aangenomen,’ dat het woningtekort aan het einde van 1960

vrijwel zou zijn opgeheven en dat er bij de verdeling

rekening mede gehouden is, dat de bouwnijverheid noet
worden geco’ntinueerd in die gebieden, waar de.woningnood

reeds om en bij de 9 pCt ligt, teneinde een soepele overgang

te verkrijgen met de bouwactiviteit in de jaren 1953 en

daarna.

Voor zover bekend, is hij de vaststelling van het woning-

programma na 1950 van dezelfde richtlijnen, althans wat

de strekking betreft, uitgegaan.

De verdeling van de woningen over de gemeenten laat

de Minister, over aan de colleges van gedeputeerde staten
en het is duidelijk, dat daarbij van dezelfde ongetwijfeld

juiste richtlijn, die de Minister zich bij de provinciale ver-

deling heeft gesteld, dient, te worden uitgegaan. Het is

interessant, om de resultaten van de verdeling over de

gemeenten nader te beschouwen en na te gaan in hoever
die aan het doel beantwoorden.

Nemen we als voorbeeld de provincie Utrecht; de

woningverdeling leidde voor 1949 tot het volgende resul-

taat.

TABEL T.
T’Voningtoenntjzing 1949.

E
Gemeente
0

-2
.0.-
ct

.n
r
1

Amersfoort

………….
2.254
2.713
16,3
‘18,7
+2,4
685 740
162
16,9
+0,7
722
815
‘15,0
16,’
+1,4 ’62
564
15,1
17
1
6
+2,4

Baarn

………………..

311
515
12,2
1 8;2
+
6,0
418
449
‘13,6
14,3
+0,7

de

BUi

………………..
flniehei’gen

……………

952
1.072
16,6 17,8
. +
12

J’utj)haas

……………..

6.382
7.147
13,2
14,3
+1,1

Maartensdijk

………….
Soest

……………….

..
416
‘12,2
11,9
-0,3
Utrecht

……………..
Veenenclaal

………….397
Zeist

………………
1.656
2.092
16,3 19,3
+3,0
Zuilen
.536
589
9,4 9,8
+0,4
47
SQl
121
405
4’7 1
1

11
,
7
1

_l_l

e

I

n de tabel zijn alleen de gemeenten met meer dan 10.000
inwoners vermeld. Het blijkt, dat het provinciaal contin-
gent niet voldoende was om zelfs ht procentuele woning-
tekort constant te houden. Van een vermindering van het
woningtekort is nog geen sprake. Of de materiaalpositie

en de arbeidsmarkt voor de bouwbedrijven, dan wel nog
andere ,factoren, de provinciale contingenten voorlopig
hebben beperkt, laten we buiten, beschouwing, omdat de
gegevens hiervoor ontbreken. Maar wel is het van belang

vast te stellen, dat voor de verschillende gemeenten binnen de provincie de afwijkingen nogal uiteenlopen; in het alge
meen stijgt het woningtekort vooi’ de gemeenten met de
hoogste woningnood en daalt dat voor de gemeenten met
de laagste woningnood ten opzichte van het provinciaal
gemiddelde. i’Ioe dit komt,zal ‘duidelijk worden, indien het
resultaat van de voorlopige woningv’erdeling 1950, in tabel

II veergegeven, wordt bezien.
Wederom zijn de gemeenten hoven de 10.000 inwoners. genomen. Kolom (2) geeft het aantal te bouwen woningen
weer in een periode van 5 jaar, waarbij rekening werd
gehouden met het relatieve woningtekort, in tegenstelling

tot de verdeling 1949
1
, waar voor iederé gemeente een vast.
percentage van het absolute woningtekort werd genomen.
Na de 5 jaar hoopt men het woningtekort gelijdelijk tot

14,29 pCt te hebben teruggebracht, een
%
aanzienlijk lang-
zamer tempo dan hij de opstelling’ van de verdeling 1949
werd aangenomen. Voor het nieuwe tempo zal de provincie
gemiddeld ruim 2.000 woningen per jaar moeten bouwen.
Tabel II geeft 1.697. Dit b11oeft niemand t6 verontrusten
als we bedenken, dat het de voorlopige verdeling betreft
en de reserve nog niet is verwerkt, terwijl in de vrije sector
ook nog kan worden gebouwd. Het is echter weer van be-

lang’te ‘constateren, dat door het aanbrengen van enige

niet onbelangrijke correcties de totale toewijzingen’ (6)

hogal afwijken van die aantallen (7), waarbij de toewijzing

alleen op het relatieve woningtekort wordt gebaseerd.

Volgens dit principe werd in feite nog geen 65 pCt van het

totale contingent verdeeld, namelijk 1.080 woningen (3)
van de 1.697 woningen.

TABEL TT.
TVoningtoewijzi.ng 1950 (000rlopig)

5″1

1

“/

,

,

5’J

I

•/
I

5U/

Amers-
toont

1.440

152

28

. 27

207

239

– 32
Baarn

436

46

2

4

‘ 52

72 .– 20
de Bilt

559

59

3

3

65

93 ‘ – 28

Driebergen 449

47

4

51

74 – 23
Jutphaas

269

27

1

20

48

43

+ 5
Maartens-
dijk

77

8

3

2

13

13

0
Soest

‘694

73

5

, 2

80

115

– .35
Utrecht

3.855

408

33

40

481

636

-155
Veenen-
daal

7

24

31

+ 31
Zeist

1.365

943

7

02

172

226

– 54
Zuilen

83

9

5

96

‘110

. 94

+ 96
Overige ge-
‘1.

gemeenten 1.047

‘108’

223
1

56,.

387
1

177

+210

Provincie 110.266 t
1.080
t 317

1
300

1
1.697
1
1.697
1

0

Uit een beschouwing van tabel II tezamen met tabel 1
blijkt ook voor 1950 een zelfde tendentie te bestaan als
de verdeling 1949 vertoont, nl. een zekere prioriteit voor
de gemeenten met het geringste woningtekort. Uit een en

ander blijkt, dat door de toegepaste correcties het principe van de verdeling.in
ernstige mate in,het gedrang komt en
de vraag rijst, of de correcties gerechtvaardigd zijn.’
We zullen ze een vöor een nader beschouwen.

Correctie 1
beoogt het toekennen van een afzonderlijke
toewijzing voor noodwoningen. Dit impliceert, dat aan in
noodwoningen wonende gezinnen.prioriteit wordt verleend,
hetgen in strijd is met de richtlijn onder c. genoemd.
Zijn de noodwoningen dermate slecht, dat zij voor bewoning
ongeschikt zijn, dan dient het .woningtekort der betrokken
gemeente met het aantal in aanmerking’komende nood-

woningen te worden vermeerderd. Op grond van het ‘ge-

corrigeerde
tekort
kanvoor die gemeente de toewijzing
*orden berekend.
Correctie 2.
Het toekennen van een extra toewijzing

voor. herboiiwgevallen. Dit houdt een dubbele telling in.
De ‘betrdffende huishoudingen worden medegeteld bij’ de
berekening van de woningbehoefte èn hij de extra toewij-
zing.

Correctie 3.
Ver’v’anging van slechte woningen. Voor deze
correctie geldt hetzelfde als onder 1 génoemd. De drie
correcties vormen tezamen kolom (4) van tabel II.

Correctie 4
beoogt het toekennen van een extra contin-gent voor de industrie. Deze correctie. maakt de grootste inbcei.ik op het principe van de verdeling. Zelfs als men volmaakt orhvetend is omtrent de gronden, waarop deze
toewijzingen zijn gebaseerd (hetgeen in feite het geval is)

liggen er twee bezwaren voor de hand:
het tekort aan woningen voor industrie-arbeiders’ ‘komt ook voor onder het totale tekort. Dit tekort wordt,

derhalve twee maal geteld;
men bevoordeelt gezinnen van industrie-arbeiders
ten koste van andere gezinnen. Aangezien in het econo-
misch leven een ieder zijn taak heeft en de een deze nimmer
zal kunnen verrichten, wanneer anderen hem daartoe niet
in staat stellen, kan niet zonder meer worden aangenomen,
dat men dit extra contingent op economische gronden heef t
toegewezen.

Toegewezen
wegens:

.0o

Gemeente

j0

.0

500

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

21 Juni
1950

Men kan zich afvragen, of hier tegemoet is gekomen

aan het verlangen van de leiders van de grotere industriële

bedrijven (althans voor zover deze in de gelegenheid ge-

steld zijn hun verlangens kenbaar te maken), die uiteraard

een toewijzing ten gunste van, hun arbeiders zullen toe-

juichen, niet beseffende, dat deze woningen aan andere,

mogelijk dringender, behoeften worden onthouden.

Vergelijken wij thans de woningtoewijzing van bijvoor-
beeld de provincie Noord-Holland (exclusief Amsterdam)

met die voor de provincie Utrecht dan vallen de volgende

verschillen, afgezien van die voor de wijze van berekening

van de woningbehoefte, op. De correcties 1 tfm 3 komen

niet voor. Weliswaar komt een aantal woningen voor her-

stel van vernielde woningen voor, maar dit verschijnt als

een van de componenten van het totale woningtekort, die

afzonderlijk wordt behandeld. Van een dubbele telling is
hier geen sprake. Ook de provincie Nbord-Holland heeft

een toewijzing van industriewoningen, hier geheten ,,voor

tijdelijke versnelde economische ontwikkeling”. De mi-
gratie moet dus door de woningen worden gestimuleerd,

hetgeen ongetwijfeld wel het geval zal zijn, omdat er in

deze tijd van spanning in de woningbehoeften een duide-

lijke correlatie bestaat tussen de woningnood en de migra-

tie. Tegen de positieve migratie hier, ‘ten koste van een

negatieve migratie elders, als gevolg van de huisvestings-

mogelijkheid, bestaat uit een algemeen economisch oog-

punt hetzelfde bezwaar als boven werd aangevoerd. Dit

bezwaar geldt niet met het oog op de netto dagelijkse

migratie (forenzenoverschot).

Resumerende kan het volgende worden geconcludeerd

(voor zover uit de beschikbare gegevens blijkt):
er bestaat in de woningverdeling tussen de verschillende
provincies geen uniformiteit;

het toewijzen van industriewoningen verstoort in em-
stige mate het gezonde principe van verdeling naar het

relatieve woningtekort;

8. algemeen economische motieven, om deze storing te
rechtvaardigen lijken niet aanwezig.

Amersfoort. –

Ir J. S. VAN NOUIITJYS.

DE PRIJSBEPALiNG VAN INDUSTRIE-

TERREINEN.

In beginsel kan men de in een gemeente gevestigde

industrieën verdelen in twee groepen. De eerste groep
kenmerkt zich door een neiging tot concentratie in de

stadskern, dus in het zwaartepunt van de stedelijke con-

sumentengroep. De tweede categorie kent deze neiging
niet en vestigt zich bij voorkeur meer aan de rand der
periferie, niet in uitbreidingsmogelijkheden helemm’rd

door direct aangrenzende percelen en liefst zo goed moge-
lijk verbonden met land-, spoor- en waterwegen voor de
aanvoer van grond- en hulpstoffen en de afvoer van
eindproducten. De vestigingsfactoren in groter verband,
als gunstige geographische ligging, aanwezigheid van gôed-
kope of gesciToolde arbeidskrachten, nabijheid van grond-stoffen enz. spelen hier de meest belangrijke rol.
De verdeling in deze beide ‘groepen valt in hoofdzaak
samen met die in verzorgende bedrijven, die voor hun
afzet noodzakelijk (in economische zin) op de plaats van
vestiging zijn aangewezen en primaire bedrijven, waarbij

dit niet het geval is. De vestiging van een primair be-
drijf is (mede)
oorzaak
van een bevolkingstoeneming,
de vestiging van een verzorgend ‘bedrijf slechts
gevolg.
Niettemin oefenen beide categorieën bedrijven een even
belangrijke functie uit in het economisch leven. De aan-
wezigheid van de een is niet denkbaar zonder het bestaa’n
van de ander.

Indien nu een gemeente besluit, met het belang van
de nationale èn de plaatselijke economie voor ogen, over
te gaan tot het nemen van matregelen, welkè de indus-

trievestiging ter plaatse bevorderen, zijn er voor haar

twee taken weggelegd. De ene betreft het verschaffen

van vestigingsmogelijkheid voor primaire bedrijven door
het projecteren, aanleggen en bouwrijp maken van in-

dustrieterreinen buiten de stadskern op een daartoe meest
geëigende plaats. De andere het voorzien in een vestigings-

mogelijkheid voor de kleinere verzorgende bedrijfjes in

of zeer dicht nabij de stadskern. Bedrijfjes, welke over

het algemeen weinig kapitaalkrachtig iijn en tot dusverre
dan ook vrijwel uitsluitend gevestigd waren in oude goed-

kope fanden, niet zelden weinig geschikt voor- het uit-
oefenen van een bedrijf.

De kosten, welke ‘het treffen van voorzieningen voor

de primaire industrie met zich brqngt, noemen wij, om
de gedachten te bepalen, de directe kosten hiervan. De
directe opbrengst is de prijs van het industrieterrein en
de daarbij behorende voorzieningen.

Stel nu, dat er zich in een willekeurige gemeente een
primaire industrie vestigt. Ten dele, zonemen wij aan,

zal deze industrie in haar behoefte aan arbeidskrachten
– ter plaatse kunnen voorzien, daarnaast zullen ook arbei-.
ders van buiten de gemeente moeten worden aangetrok-

ken. We stellen dit aantal, uiteraard willekeurig, op 100.

Nemen we aan, dat de beroepsbevolking ca 40 pCt van de

totale bevolking bedraagt, dan volgt uit het voorgaande,

dat de vestiging van 100 arbeiders zal leiden tot een ves-

tiging van 250 personen in totaal. Deze bevolkingstoe-
neming leidt op haar beurt weer tot een vergrote ver-

zorgende activiteit. Uiteindelijk zal de totale bevolkings-
toeneming ca 500 personen bedragen. Hierbij nemen w&

dus aan, dat ongeveer de helft van de beroepsbevolking
werkzaam is in de primaire bedrijven en dus de helft in
de verzorgende bedrijven.

Deze 500 personen nu maken aanspraak op vele en

velerlei sociale en andere voorzieningen. Sociale zorg,
geneeskundige hulp, onderwijs, voorziening met gas,

water en electriciteit, bescherming van politie en brand-

weer, huisvesting enz. enz. De kosten, die hiervoor moeten
worden gemaakt, zijn indirect een gevolg van de vesti-

ging van het industriële bedrijf en zullen geheel of tea

dele weer bestreden moeten worden uit de indirecte op-
brengsten, als bijv. grotere uitkering uit het Gemeente-

fonds ten gevolge van de bevolkingsaanwas, opcenten op
de personele belasting, verm akelij kheidsbelasting, straat-
en rioolbelasting, opbrengst van de verkoop van gas,
electriciteit en water, schoolgelden, huren enz. enz.

Naast de directe stan dus de indirecte kosten en op-

brengsten, ontstaan door. de vestiging van het- bedrijf.
Hoewel het uiteraard een omvangrijk rekenwerk mee-
brengt, zijn indirecte zowel als directe lasten en baten
quantitatief te bepalen.
De vraag rijst nu, welke kosten de te vestigen industrieën

in rekening zullen moeten worden gebracht. De totale
netto kosten (dus inclusief de indirectekosten en op-
brengsten) of slechts de directe kosten, eventueel nog
inclusief de op de balanswaarde der gronden bijgeschre-
ven rente, hoewel deze feitelijk geen kostenkarakter
draagt? Nemen we aan, dat de gemeente van het gezonde
principe uitgaat, dat het treffen van voorzieningen voor

de industrie geen winst behoeft op te leveren, noch haar
verlies mag bezorgen, dan moet men op de gestelde vraag
antwoorden, dat inderdaad de totale kosten bepalend
zullen moeten zijn voor de prijs van het industrieterrein.
Dat deze stelregel tot merkwaardige situaties aanleiding
kan geven is onmiddellijk duidelijk. Zouden nl. de indi-
recte kosten de indirecte opbrengsten overtreffen, dan
wordt in feite het gvestigde bedrijf belast voor bijv. de
kosten van het meerdere onderwijs, van’ de uitbreiding van het politiecorps, de geneeskundige dienst enz. Een

min of meer onbevredigende situatie,’ aangezien deze taken toch typisch gemeentelijke, taken zijn, waarvan
men het nadelig saldo niet zonder meer op het bedrijfs-
leven mag afwentelen. De kosten hiervoor moeten door

21 Juni 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

501

de gemeente worden gedekt uit de haar daarvoor aange-

wezen middelen, en voor zover dit niet mogelijk is zal er

dus een nadelig saldo optreden, dat zij zelf moet dragen.

Maar dan komen we in strijd met onze praemisse, dat het
treffen van voorzieningen ten behoeve van de industrie

de gemeente geen verliezen mag opleveren. Dan zou het

dus het meest voordelig voor de gemeente zijn om die

voorzieningen maar niet te treffen, waarmee we echter

weer in strijd komen met het nationale belang. En dat dit

niet gewenst is, staat wel vast.

Is nu de situatie omgekeerd, dus.zo, dat de indirecte
opbrengsten groter zijn dan de indirecte kosten, dan

zou de gemeente de
\
grond beneden de (directe) kostprijs
kunnen vrkopen en dit bijv. op grond van concurrentie-

overwegingen t.o.v. andere gemeenten kunnen verdedigen.

Zelfs zou men in bepaalde gevallen de grond cadeau kun-

nen geven of de ondernemer nog een bedrag ten geschenke

geven. Gezien de begrijpelijke neiing van de gemeente-

lijke Overheid om nimmer te protesteren tegen een ver-
hoging der inkomsten, waar dit zonder schade mogelijk

is, is dit laatste niet bepaald waarschijnlijk, maar in prin-
cipe is de mogelijkheid aanwezig. De gemeente doet in

alle gevallen iets cadeau aan de ondernemer, welke zich

op het industrieterrein vestigt en daardoor in een relatief
gunstiger positie kom’t dan wanneer hij bijv. zelf de aan-
leg had moeten bekostigen. Maar de gelden, welke hier
ten geschenke worden gegeven, zijn afkomstig uit belas-

tingen, opbrengsten van gemeentebedrijven, school-

gelden enz. en men zou terecht bezwaar kunnen maken
tegen het overdragen van dit, uit vele bronnen stammend,

voordelig saldo aan één enkele ondernemer. Hiermee schiet
de gemeente haar doel voorbij; de belastingbetaler bijv.
kan er terecht tegen protesteren.
Nu is momenteel het eerste geval, ni. dat van het na-
delig saldo, waarschijnlijker dan het laatste. Zeker zal

dit het geval zijn, indien de inkomsten, welke tot dusverre
vloeiden uit de ondernemingsbelasting, worden gefixeerd
op een bepaald bedrag en dit constante bedrag als rijks-
bijdrage aan de gémeenten jaarlijks wordt uitgekeerd.
Een zeer groot deel van de indirecte inkomsten mist dan
het verband met de bevolkingsomvang en zal marginaal,
dus bij de vestiging van een nieuw bedrijf, geen rol meer
spelen.

Ondanks het voorgaande, blijft in principe ‘de stelling,
dat de gemeentelijke Overheid véér- noch nadelen van
industrievestiging behoeft te hebben, onaangetast. Daar komt nu echter nog een voorwaarde bij, nl. dat het toch
evenzeer redelijk is om de ondernemer niet meer voor het
industrieterrein te berekenen, dan het hem gekost zou
hebben, indien hij zelf, eventueel in combinatie met ande-
reh, dit terrein bouwrijp zou hebben gemaakt.

Aan deze beide voorwaarden kan slechts op één manier
worden voldaan, nl. indien de indirecte kosten gelijk
zijn aan de indirecte opbrengsten. Dan zijn de netto

totale kosten gelijk aan de directe kosten en betekent het zonder verlies verkopen door je gemeentelijke Overheid
tevens het kopen tegen de ,,werkelijke” kosten door het
bedrijf.
In feite is dus een bepaalde structuur van de finan-
ciële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten een
noodzakelijke voorwaarde voor het voeren van een juiste
gemeentelijke politiek ten aanzien van de industrievesti-
ging. De hierboven gestelde eis komt er ni. op neer, dat uitgaande van een op lange termijn in evenwicht zijnde begroting, dit in principe aanwezige evenwicht nimmer
door een bevolkingstoeneming (of -afneming) verstoord
mag worden.

Het lijdt geen twijfel, dat het afschaffen van de onder-
nemingsbelasting, hoewel aanvaardbaar op andere gron-
den, hier problemen schept. Problemen, welke er toe
zouden kunnen leiden, dat althans een deel van de hier-door weggevallen inkomsten verhaald wordt op de prij-
zen van industrieterreinen en dus op de zich uitbreidende

en nieuw vestigende industrie. Een regeling van de finan-

ciële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten zal,

zo zij in afzienbare tijd tot stand mocht komen, hiermse
zeker rekening moeten houden.

Nederlandsch Economisch Instituut.

L.
H.
KLAASSEN.

BOEKBESPREKING.

Gemeentebestuur Qan Amersfoort. De begroting ç’an Amers-

foort in voord en beeld.

Een gemeentebegroting is een noodzakelijk kwaad.
Noodzakelijk, omdat nu eenmaal ook de gemeentehuis-

houding de tering naar de nering moet zetten en haar

financiële plannen aan de raad moet uiteenzetten. Een

kwaad, omdat toch eigenlijk maar zo weinigen waarde-

ring kunnen vinden voor de massale boekwerken, waarin

zulks pleegt te geschieden en de onbegrijpelijke taal, die
deze spreken. Indien we zeggen, dat de belangstelling voor

de lijvige delen, waarin de verantwoording van de ont-

vangsten en bestedingen wordt neergelegd voor de ge-
middelde burger gelijk is aan nul, zijn we zeker niet ver van de waarheid af.
De gemeente Amersfoort heeft getracht hierin verande-

ring te brengen door op initiatief
1)
van wethouder J.
Koopman een boekwerkje uit te geven, waarin in korte
en duidelijke trekken de essentie van de officiële begroting

is weergegeven in een twintigtal beeldgrafieken met ver-klarende tekst. Het boekje wordt beschikbaar gesteld aan
alle inrichtingen van voortgezet onderwijs, is verkrijgbaar
bij de boekhandel en wordt ook nog langs andere wegen
onder de bevolking verspreid.
1-let gemeentebestuur heeft hiermee blijk gegeven van
een wil om te streven naar een levende democratie, waarin

de bewoners van de gemeente niet slechts hun belastingen
en schoolgelden betalen, maar ook inzicht hebben in de
noodzaak tot het betalen daarvan en in de wijze, waarop
deze gelden worden besteed. Een doel, dat met de uitgave

van het boekje zker zal zijn gediend.
liet is nu ook weer niet zo, dat een ieder, die even zijn
blik laat gaan over de inhoud van het boekje, haarfijn
weet hoea11es in elkaar zit. Daarvoor is de materie zelf
toch nog te ingewikkeld. 1-lij, die zich echter een geringe
moeite wil geven, zal zonder twijfel reeds betrekkelijk
veel over de structuur van de begroting kunnen leren.
Ook raadsleden zullen daar hun voordeel mee kunnen
doen.

En toch bevredigt het boekje niet helemaal. Ondanks
de keurige uitvoering, de fraaie beeldgrafieken en de
prettige druk, ontbreekt er iets. En wel de humor. Niet,
dat we hadden verwacht, dat de gemeente Amersfoort
een beeldroman zou laten verschijnen over haar financiële
plannen voor 1950. Maar wel, dat de taal wat losser en de beeldgrafieken wat minder formeel waren geweest,

zö dat er bij het lezen van het boekje nog eens een glim-
lach af zou kunnen. De lezerskring zou er nog groter door

zijn geworden en de waardering in niet-ambtelijke kringen
hoger. Ook dit heeft zijn nut voor de democratie.
Doch het idee is nieuw en krngezond. En vergissen we ons niet, dan zal het aan navolging zeker niet ont-
breken.
Amersfoort. –

L.
H.
KLAASSEN.

1)
Een initiatief geboren vöör het verschijoen van de populaire
uitgave van de Millioenennota.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Dc gehimarkt.

De geidmarkt was ook gedurende de verslagweek we-
derom ruim: Het feit, dat er voortdurend schatkistpapier
verviel, droeg hiertoe mede bij. Een geringê daling van de

502

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
21 Juni1950

16 Juni’

1950

98
11
/je

995/
98
1
/
8.

saldi van Nederlandse banken bij de circulatebank ad

1 3 mln van 5 op 12 Juni moet dan ook waarschijnlijk

aldus worden verklaard, dat

de banken dit tegoed, juist
met het oog op het feit, dat er toch elke dag geld vrij-

komt, vrijwillig enigszins verlaagden en daarmede niemv
schatkistpapier kochten. –
De biljettencirculatie bleek op de weekstaat van De

Nederlandsche Bank per 12 Juni wederom te zijn gedaald,

ni. tot 1 2.824 mln; de deviezenvoorraad is daarentegeil

gestegen en wel tot 1 1.030 mln. Het is de vraag of deze

ontwikkeling, welke de ruimte op de geidmarkt bevordert,

gehandhaafd zal blijven, wanneer het accumuleren van

vorderingen op Duitsland een einde zal nemen; men ver-

wacht ni., dat in de tweede helft van het jaar de Xeder-

landse import uit Duitsland de export daarheen zal 6ver-

treffen:

De marktdisconto’s bleven zeer laag voor kortiopend

papier; Juni,1 pCt en Jul’ 1
1
/8
pCt. De langere termijnen
:noteerden vrijwel alle
1/16
pCt. Caligeld noteerde de ge-
hele week J pCt, maar het viel vaak nioeilijk geldnemers

hiervoor te vindqn.

De kapitaalmarkt.

Het koersherstel, dat enige weken geleden gevolgd wa

op de gevoelige daling, welke in Mei op de aandelenmarkt

pk&atsvond, blijkt zich niet veel verder door te zetten.
Gedurende de verslagweek brokkelden’ vele
koeil’sen,
zoals

uit onderstaand staatje blijkt, zelfs weer enigszins af.

Het 60-jarig bestaan’ van de Konink1ijke Olie, welker

aandelen het hoofdfonds van de beurs vormen, werd niet

gevierd met een extra-dividenduitkering voor de aandeel:
houders. liet-moge voor aandeelhouders een troost zijn
te weten, dat iemand, die 60 jaar geleden één aandeel

Koninklijke kocht, dit aanhield, de dividenden knipte én

bij de emissies van zijn voorkeursrechten gebruik maakte,

thans enige malen millionnairis.

Het dividend van dete Djakarta gevestigde Escompto-

bank (voorheèn Nederlands-Indische Escompto Mij) trok

nogal aandacht. Uitgekeerd wordt 8 pCt in Indonesisch courant, naar keuze in aandelen of contanten. I.v.m. de

– Indonesische deviezenbepalingen zal dit laatste op
22/3
pCt

Nederlands courant uitkomen.
Onder de geidzuivering wordt, blijkéns een,publicatie
van het Ministerie van Financiën gedurende de afgelo-
pen week, in het as. najaar een streep gezet. Zij, die nog
geblokkeerd geld hebben, dan wel tegoed op optie-rekening, worden in.feite gedwongen investerings- of beleggingscerti-
ficaten te nemen, met als alternatief een renteloos tegoed bij

‘sRijks Schatkist, indien op 21 October nog geblokkeerd
tegoed of op 18 November 1950 nog tegoed op optie-

rekening aanwezig is.
1-let agio van certificaten van Amerikaanse aandelen
kromp verder in; vele dezer stukken worden thafts te

– Amsterdam op de Amerikaanse pariteit verhandeld;

9 Juni

16Juni
1950
1950

Aand. indexcijfers.

Algemeen

…..
. …………..
148,9′
147,6

Industrie

…………..
.
……
213,2 212,5

Scheepvaart

………………
141,5
139,9

Banken

…………………..
122,3
121,7

Indon.

aand.

…………….
54,9
53,5

Aandelen.

A.K.0 .

………………..
169
170-&.

Philips

………………….
280-
234

Unilever

…………………
207e
200.

H.A.L.

…………………..
151
1421

Amsterdam Rubber

……….
130k
124

lI.V.A.

………………….
130 128

Kon.

Petroleum

…………
279
2711

-‘9Juni

1950
Staatsobligaties.

2.

pCt

N.\.S.

…………..
81

3-31.

pCt

1947

…………..
98.

3

pCt

Invest.

certif
………
993

3

pCt

Dollarlening
…………
98
1
/
8

STATISTIEKEN

DE
BEVOLKING
VAN
ENKELE NEI)ERLAN1)SE GEMEENTEN
GEDURENDE DE PERIODE 1850-1950.

Temee

3

19
Nov.

1849

31,
Dec.
1909

31.
Dec.
1930

31
Dec.
1939

31
Dec.
1945
1
)

1
Jan.
1950

Procen-
tuele
toene-
ming
gedu-
rende
1850-
1950

Amsterdam
224.035
566.131
759.286
800.594
770.86 6
835.835
273
Rotterdam
90.073
417.989
586.285
619.686
6 16.065
675.905
650
‘s-Gravenh.
72.225 071.280
443.357
504.262 476.378 558.854
674
Utrecht
47.781
119.006
154.975 165.029
176.674 193.173
304
haarlem
25.852
69.410
119.851 140.4’69
150.464
161.992
527
Eindhoven
3.083 5.665
95.567
113.126 129.598
140.555 4.459
Groningen
33.694
74.613
105.33
121.632 128.828
136.556
305
Tilburg
14.645 50.405
78.651
97.250
1
‘10.773
120.492
722
Nijmegen
21.218 54.803
81.686
95.121
103.650110.659
422
Enschede
3.778
34.201
51.889
91.498
97.338 106.882
2.729
Breda
14.743
27.389
44.860
51.811
82.191
89.307
506
Lecuward.
24.490
36.522 48.397 54.973 74.437
78.654
221
Delft
18.449 34.19
1

50.555 54.957
59:693
64.672
251
Ileerlen
4.539
11.021
46.505 50.498
56.29! 60.260
1.228
Amersfoort
12.377
23.620
38.534
48.943
52.510
58.063
369
s-Herto-
%
genbosch
21.703
34.928
42.076 48.822 52.413
57.297
164
Zwolle
18.168 34.055
40.473 42.525
45.848
49.313
171
Deventer
15.258 27.787 36.393 41.096
43.091
45.607
199
VIa ar-
dingen
7.590
21.885 27.842
31.037
41.541
46.323
510
Almelo
6.628
20.852 32.434 36.248 38.920
41.528
527

Rijk ‘3 3.0571
5.8581
7.9201 8.8341
9.3041
10.0061
28

Bron:
C.B.S.

‘) Dc abnormalë wijzigingen in liet inwonertal van een aantal ge-
meenten zijn een gevolg van de oorlogsomstandigheden.
9 In duizenden.

WONINcIVOORRAM) IN NEJ)ERLAND..

Woning-
voorraad
op
31
Dec.
1939

Aantal wonin
gen

vernietigd
van
1
Mei
1940
af t/m
30
Juni
1945

Wo
ning-
voor raad
Op
1
Jan.
1950′)

0-roningen
110.497
1.062 113.075
Friesland

. . .
115.274
381
114.903
Drenthe

. . .
55.851
423
58.532
Dverijssel

.
133.310
3.312
138.044
aelderland

.
213.355
14.095
221.040
Utrecht
119.893
‘1.502
125.151
Nl-Holland’).
458.375
12.749
458.886
7.-Holland 9
586.820
39.572
554.819
Zeeland
70.E20
.

7.083
70.67!
Nl.-Brabant

.
213.390
8.503
227.022
Limburg

. . .
.

.123.893
3.383
128.462

Nl.O.-Polder

. .


1.114

Amsterdam
. .
224.085
3.248
24.018
‘s-G-ravenhage
156.560 8.275
134.719
Rotterdam

. .
182.141

.
27.751
166.103

Nlederland

-. .-
2.000.678

.
.

92.065
1

2.211.719

Bron: C.B.S.

‘) Bewonde woningen, leegstaande en beschadigde woningen,
noodwoningen, nood boerderijen len deelwoningen. –
9 mci. Amsterdam.
9 met. ‘s-Gravenhage en Rotterdam.


1

t

S.

RIT

~

OËROAM

trekt zowel
in

/

• .

S

BINNENai8

BUITENLAND

de aandacht
als

t

VESTIGINGSPLAATS

VOOR1NDUSTRIEËN
t

INLICHTINGEN: STADSONTWIKKELING ROTTERDAM, COOLSNGEL 107, TELEFOON 29015

• HAVENBEDRIJF GEM. ROTTERDAM, STIELTJESSTRAAT 27, TELEFOON 72960.

Vele
,
VOORD E L E N

DE ACHTERHOEK

De Gelderse Achterhoek


In vele gemeenten industrieterrein beschikbaar
en Lierners a’sngewezen

1
In enkele plaatsen bedrijfsgebouwen disponibel
streek voo’ nieuwe
of filialen.
man- strieiin

• Goede, snelle verbindingen

Alle inlichtingen:

WELVAARTSTICHTING OOSTËLIJK GELDERLAND, Terborgseweg
63
i, Doetinchem, Telefoon
8340 – 792,

-‘1

&6,&e,&
V
,
.

Çiteatte indut’deitad

in O flede,tan4.

Moderne geoutilleerde industrieterreinen aan of bij de

havens ‘in het Twente-kand’l.

Waterverbinding
met de grote zeehavens en het

mijngebied. Spoor en/of wegaonsluiting.

Personeelsopleldlng:

Middelbare Technische School, Machinisten-

school, Ambachtsschool, Hogere en Lagere

Textielschool, Ku nstnijverheidsschool e.a. in-

stellingen van Middelbaar en Lager Onderwijs.

Aangename woonstad

flaüucPio.ctn

fleekea&

Alle Inlichtingen over Industrievestiging:

Gemeentelijk Grondbedrijf,

Stadhuis, Telefoon K. 5420 –
4041

Heren Industriëlen,

Indien Ijvoornernens mocht zijn in
TWRNTE
industrie te vestigen, verzOimt IJ dan vooral niet
te informeren naar -de mogelijkheden, welke de
gemeente
WIERDEN IJ biedt!

Te
DORP WIERDEN,
gunstig gelegen aan de
hoofdverkeerswegen en spoorwegverbindingen
naar Deventer, Zwolle en Twente, op 5 km af-
stand van Almelo, op l½ km afstand van het
Twente-Rijnkanaal, zijn zeer gunstig gelegen industrieterreinen, vlak bij de spoorweg, aan-
wezig.

Te ENTER, gelegen op 4 km afstand van
Russen, zijn door een groot overschot aan
arbeidskrachten, gunstige vestigingsmogelijk-
heden voor industrieën.

GEMEENTE

t

Beschikbaar
9000 cA industrieterrein
gunstig

gelegen voor weg- en watervërvoer. Ook in
gedeelten

te koop
of
te huur.

9iefitv9

eLij
h.et

ntetietw

Gemeente

LEEUWARDEN’

Industrie-terreinen

Qelegen an:

Grootscheepsvaarwater

Belangrijke wegen

Desgewenst met spoor-

wegaansluiting

Voor onmiddellijke uitgifte beschikbaar 10 ha

In aanleg 30 ha

Toekomstige uitbreiding
onbepekt

Inlichtingen te verkrijgen Op het bureau van

Gemeentewerken, Wissesdwinger 1 te Leeuwarden,.

Telefoon iC 5100/4541.
0

504

,•

j

,

INDUST ‘ PI EG
.
EBIED HAAPLE M

INLiCHTINGN GEMEENTELIJK 6RONDBEDR1JF

…__
. . JACOBIJNESTRAAT-24•

. .

TEL.11866-K.2500

.. rT:

1

.

\ :
INDUSTRIETERREIN

[1

V

‘ \

BESTAAND

.

.

BE TOEKOMSTIc3

.

LI1BESTAANDEHAVEN

j

n

0

TOEt’OMSTIGE HÂVEN
:r

.

0″

/

9UD

si.

T

*

_ <1

\j

Tf..

505

0

AMERSFOORT als plaats voor industrievestiging


In de elders in dit nummer voorkomende advertentie wordt de
aandacht gevestigd op vijf belangrijke voordelen, welke Amersfoort
biedt als vestigingsplaats voor tal van industriële bedrijven. Op
deze plaats zal op elk dezer vestigingsfactoren nader worden inge-
gaan
Allereerst het
arbeidsloon.
In 4948 bedroeg de gemiddelde uur-verdienste (inclusief toeslagen, maar exclusief kinderbijslag) van
mannelijke arbeiders in de nijverheid van 25 jaren en ouder:

Groep
Amersfoort Gemeenten
Stad Nederland
met 50.000-
Utrecht
100.000 mw.
geschoolden
103.1
106.4
108.4
109.1
geoefenden
92.9
97.6

.
100.1
99.4
ongeschoolden
86.5
91.2
94.1
92.6

Deze cdfers geven duidelijk de loonstandaard te Amersfoort
aan in verhouding zowel tot de omgeving, als tot de gemeenten van
ongeveer gelijke grootte en het gehele land.
Vervolgens de
verbindingen.
Met alle grote steden van het land
bestaan uitstekende spoorwegverbindingen. Ook met de kolenleve-
•rende gebieden In het Zuiden des lands zal, indien de rivierovergang
hij Rhenen weer hersteld is, een zeer bruikbare verbinding per rai
1

via Rhenen en.Nijmegen bestaan. Wat de auto-verkeerswegen be;
treft is Amersfoort eveneens uitermate gunstig gelegen. Het knoop-punt der ieeds bestaande en nog aan te leggen grote rijksautowegen Hoevelaken bevindt zich even ten Oosten van de stad. Door middel
van de rivier de Eem staat de weg naar het Ilsselmeer en daardoor
naar het gehele hinnenwaterwegennet voor middelgrote binnen-
schepen open.
Voor de
Iransporikoslen
is het van belang, dat Amersfoort in
het Centrum van het land is gelegen, zodat de verbindingen met alle
delen van het land betrekkelijk kort zijn. Dit, gevoegd bij de moge-
lijkheid om uit diverse vervoersmogelijkheden een keus te doen,

houdt in dat de transportkosten laag kunnen worden gehouden.
Voorts de
arbeidsmarkt.
De situatie op de arbeidsmarkt te Amers-.
foort en omgei’ing is momenteel zodanig, dat r speciaal met be
trekking tot geoefende en ongeschoolde arbeiders aanwervings-mogelijkheden zijn. Een verruiming van de plaatselijke arbeids-
markt over de hele linie is te voorzien tengevolge van een te ver-
wachten ruimere
toewijzing
van bouwvolume voor Industriewonin-
gen.
Tenslotte Amersfoort als
woonstad.
In het raam van dit artikel
moet worden volstaan met de mededeling, dat de centrale ligging
te midden van een prachtige omgeving, de goede verbindingen en
niet het minst ook de mooi en ruim aangelegde
woonwijken
en
de vele recreatie-mogelijkheden, Amersfoort tot een alom zeer ge-waardeerde woonstad hebben gemaakt.
De hiervoor genoemde factoren wettlgen de veronderstelling
dat Amersfoort, mede als gevolg van de noodzaak tot Industriali-
satie van het land, moet rekenen op uitbreiding van de bestaande
en vestiging van nieuwe Industrie. In 1948 is dan ook een aanvang
gemaakt met uitbreiding te geven aan het reeds bestaande industrie-
terrein. Daarbij is het terrein zodanig in het stadsplan geprojec-
teerd, dat van alle bovenomschreven transportmogelijkbeden het
meest volledige profijt kan worden getrokken. De aanleg is intussen
zover gevorderd, dat, na de inmiddels reeds plaats gevonden
hebbende verkopen, thans nog terreinen beschikbaar zijn. De
bodemgesteldheid laat het optrekken van zware gebouwen zonder
kostbare funderingen toe.
Ten gerieve o.a. van de plaatselijke nijverheid verstrekt het ge-
meentebestuur van Amersfoort periodiek uitgebreide, door .ht
Nederlandsch Economisch Instituut opgestelde, gegevens betref

fende de economische toestand der gemeente. Voor deze gegevens,
alsmede voor verdere inlichtingen omtrent het industrieterrein,
gelieve men zich .te wenden tot het gemeentebestuur van Amers-
foort.

VTISIN

lk’s

VN U/ INDU%DT’

1′

ÂMIIJJF
0 ORT,
1

lo
ZZT

XV

0
1

••

?1

IN

1
4

I


’00
00~ – 7″

0

5TEN.I

2OOED V.PBI

40

k’L’JK F= WOONTAD

506

9

Diversen

Aangeboden van part. aan
part. Mercedes-Benz ’40, 6
cyl. 2.3 1., schuifdak, als n.,
geen olie. Tel. 22092 Utrecht,
tussen 10 en 5 uur. Na 6 uur
Tel. 3391 Laren.

Aangeboden 11otor-Scoote,
98 cc, met reserve-wiel, merk
,,Corgi” (8ngels). Tel. 22092
Utrecht, tussen 10 en 5 uur.
Na 6 uur Tel. 3391 Laren.

Standard Vanguard 1948, v.
part, alleen aan part., 41.000
km gelopen. Zeer goede wa-
gen, pr. st. Frankenslag 173,
Den Haag, Tel. 554810.

Aan dit nummer is een

inlegQel toegei.’oegd i’an

*.

De Wester-

boekhandel

*•

NIEUWE

BINNENWEG 331 b

te Rotterdam

INDUSTRIE-

‘TERREIN

te koop
in de gemeen-

teCapelle aan den

Ijssel gunstig gelegen

aan de ‘s-Gravenweg;

2 km van grens Rotter-

dam.
f 6.— per
m
2
..

II

F,_

X
&VlmeeN/eIawe/azd

}e49r4i
KflMPEN

Aawl
de/sd/

STAVOREM

7
LEMsIES

J’
.
,……….S……

1

__

•,/

N
.
O. POLDER

BLOZUL
ENkHUIZEN

e

EMMELOORD

URK

WES
TERPOLD
E
R

IAKLIEDEN

)

//

AARWATER

‘1 bY7d’ht%
KAMPEN

Ai
//Wï//iM

OOSTERPOLDER

T

HEEROL
1
ZUIDERPOLDER

– –

_-‘

-‘

?EPE
•,

HARDIRWUIC
)
0

/
I
I
,

0

I

APELDOORN

IDEAAL GELEGEN BOUWRIJP
~
J
a`

INDUSTRIETERREIN â{250P M
2

INLICHTINGEN. TEN
STADHUIZE

flOU5Tq1cTEDRLN

AANvRAQEN: GEMEENTE5TUUR iuu M PtN
AAN

Brieven aan
het

gemeentebestuur.

0

AD VER TEER IN DE E. SB.

507

ALMELO

Bloeiende, gevestigde in-
dustriestad van 42.000 in-
woners.

Achterland met 100.000 in-

woners: arbeidsreservoir en

verzorgingsgebied.

Industrieterrein aan

het
Twente-Rijnkanaal, opper-

vlakte 26 ha. netto, gun-

stige voorwaarden.

1 Mei 1951, geëlectrificeer-
de spoorverbinding met het

Westen. –

Sociale rust.

Grote behoefte aan metaal-

verwerkende en chemische
industrieën.

N.V. BRONSWERK

GEVESTIGD TE AMERSFOORT

Uitgifte van f 800.000,— aandelen B

aan toonder,

In stukken van fl000.— nominaal,

ten volle delende in de winst van het boekjaar 1950 en volgende jaren, tot den

koers van
108
pCt.

N.V. NEÔERL

ANDSCHE FABRIEK VAN BRONSWERKEN

VOORHEEN
BECHT & DYSERINCK

GEVESTIGD TE AMSTERDAM

Uitgifte van f 250.000,— aandelen

aan toonder,

In stukken van f100.— nominaal,

ten’volle delende in de winst van het boekjaar 1950 en volgende Jaren, tot den
koers van 130 pCt.

Ondergetekenden berichten, dat zij de inschrijving op eerstgenoemde aandelen,
uitsluitend
voor houders van aandelen A of B
in de
N.V. Bronswerk
en op de aandelen
N.V. Nederlandsche Fabriekvan Bronswerken voorheen Becht en Dyserinck,
uitsluitend voor houders van aandelen
in deze Vennootschap, openstellen op

Woensdag 28 Juni 1950
van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur, bij de kantoren van de
Nederlandsche H&ndel.Maatschappij, N.V.
te AMSTERDAM, ROTTERDAM, ‘s-GRA-
VENHAGE en AMERSFOORT,
De Twentsche Bank N.V.
te AMSTERDAM, ROTTERDAM n ‘s-GRAVENHAGE,

op de voorwaarden van het prospectus dd. 20 Juni 1950. Prospectussen en inschrijvings-
biljetten zijn verkrijgbaar bij de inschrijvingskantoren.

Nederlandsche Handel-Maatschappij; N.V.

De Twentsche Bank N.V.

Amsterdam, 20 Juni 1950.

N. V. ROUERDAM

Qraagt

aanbiedingen van

INDUSTRIETERREINEN,

ZANDG ROND,

gelegen in gemeenten, die

daadwerkelijk aan de vestiging

en de instandhouding, van

industrieën medewerken.

Aanbiedingen te richten tot de Directie, Postbus

584, Rotterdam.

*
Adverteer in dit blad
*

Economisch – Statistische
Berichten

Adres
voor
Nederland: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W).
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408,
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie, 14, Universiteit.straat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).
Bankiers: Ban gue de Commerce, Brussel.

Abonnernents prijs, franco per post, voor Nederland f 26,— per jaar
voor België/Luxemburg
/ 28,- per jaar, te voldoen door storting van de
tegenwaarde in Belgische francs bij de Banque de Commerce te Brussel
of op haar Belgische postgirorekening no 260.34.
Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f a6,—, overige
landen
/
28,— per jaar.
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.
Alle correspondentie
betreffende
advertenties ‘te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
‘4’,
Schiedam
(Telefoon
69300, toestel 6). Advertentie-tarief /
0,40
per mm. Contract-tarieven
op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” ,en ,,Beschikbare krachten”
/ o,6o per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

ZE VEN BERGEN:

de gemeente van de toekomst!

Tussen
Rotterdam en Antwerpen ligt

ZE VEN BERG EN

Alle drie gemeenten liggen oon
ruim vaarwater

prachtige verkeerswegen en
intensieve spoorwegverbindingen

Om
van andere voordelen niet te spreken!

Juist iets voor industrie

Losse nummers
75
cents, resp. 12 B.
francs.

Auteur