Ga direct naar de content

Jrg. 33, editie 1643

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 3 1948

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Economisëh-Statistischë

B

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKËER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

1
3E.JAÂRGANG

WOENSDAG 3 NOVEMBER 1948

-. No. 1643
1

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Ölasz; H. W. Lambei’s; J. Tinbergen;

F. de Vries;

J. H. Lubbers (Redacteur-Secretaris).

4ssistent-Redacteur: A. de Wit.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BLGIË:

J. E. Mertens; R. Miry; J. t’an Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.
‘GegeQens over adrissen abonnementen enz. op de laatste

bladzijde van dit nunrnèr.

INHOUD:.

Blz

De artikelen van deze week ………. 868

Sommaire, summaries …………….864

En nieuwe phase in de loon- én prijspolitiek
door
Mr Dr A. A. van Rhijn …………………..
865

De worgende greep van de fiscus
door Dr II. W. J. A.
Vredegoor

……………………………..
867

Staatsburgerschap en bedrijfsburgerschap
door Prof.
Mr C. W. de Vries ………………………..
870

Ingezonden stukken:
Nogmaals: liet experiment
door Mr P. Verloren van Themaat,


met naselirift van
i’rof. Dr Ir 1. Goudriaan
……….
871
Enkele uitdrukkingen op vcrvoersgebieJ
door 11. A. A. de
Melvercla en Ir 1
1
. A. C.
du Pui, beide met nasehritt
van Prof. Ir II. van .Breen
……………………
871

L o ii d o n L e t t e r
door Harold Wincolt ……..
873

A a n ticening :
fle Amerikaanse landbouw

……………………..
874

Internationale n o t i t i e s :

/

fle IDuitse staalindustrIe.

……………………….

876
De komende taak der O.E.E.C. . . ………………….

876
Economisch herstel In italië
……………………..
876

Geld- es kapitaalmarkt

……………………877

Statistieken:


Bankstaten

…………………………………..
877
Stand van
‘5
Rijks Kas

………………………..

878
troothandelsprijzen van granen, veldhonen, boter en kaas
In Nederland

……………….. …………….
8

79
WerkloosheId In Nederland

.
………………………879
WerkloosheId In Delgië
…………………………
879
Enige
Indexeijfers
van de IndustrIële productie In BelgIë . . 879

DEZER DAGEN

‘t

doet men in Nederind pogingen om op te schieten. De
Noodwet. Indonesië, ook de Eerste Kamer
.
. aanvaardde
vlot het ontwerp, is reeds van kracht. Op grond daarvan
is. al een Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, Dr Beel,
benoemd, beëdigd, vertrokken. Het ambt van Luitenant-
Gouverneur-Generaal is thans beëindigd, de taak, zodra
een federale in.terim-regëring zal zijn ingesteld. De Hoge

Vertegenwoordiger, de bevoegdheid overnemend, gaat
samen te werken, niet om te gebieden.

Voordien wil de Regering geen steek meer laten vallen.

Voor een ander doelwit, voortgang ten opzichte van de
Republiek, ging de minister van Buitenlandse Zaken in

persoon naar Batavia. En een bijzonder vertegenwoordigèr

isIndiëwaarts gezonden om de voorlichting in Den haag
en Batavia één toon te doen treffen; een streven om mee
accoord tè gaan. –
– Effen is kwaad treffeh. Niet alleen in Indonesië, ook

in ôns land zelf. Vele voorstellen zijn gelanceerd, voordat
men meende de goede hoogte tussen subsidieverlaging en
loonsverhoging te hebben gevonden. liet prijsschot bleek
de opgevulde gulden. Men zou verkeerd doen, als men in

de naam een spaarvarken vermoedde; althans voor de
private sector van het economisch leven. De consument

moet een verscherpte strijd voeren tussen zijn budget en
zijn kooplust; brood, suiker en versnaperingen zijn wel
vrij, maar lijken minder dan ooit op vrije goederen. Niet
ieder zal zo kalm
zijn
als Thoreau: ,,Wat kan een redelijk
man meer verlangen, in vredestijd …. dan een voldoend
aantal blaadjes van gekookt groen zoet koren”.

Zal één gulden per week — althans voor die categorieën,
die hem krijgen, de band tussen vrijheid en blijheid leggen?
Daârvoor hebben vele wijze mannen gecijferd; de Neder-
landse huisvrouw zal het uitmaken.

Doelbewust, maar minder parlementair, ging de Re-
gering van Israël te werk. Bij haar staat voornamelijk het
bereiken van de juiste punten voorôp. Terwijl de Veilig-

heidsraad zich bezon op resolutie’s, waarin het begrip
sanctie zou kunnen voorkomen, verbeterde Israël snel de
feitelijke positie. ,,The baby beats the nurse, and quite

athwart goes all decôrum” zuchtte Shakespeare, die een
Brit was.

Er zijn meer koppige Regeringen. Zo de Franse, die voor-
bestemd scheen om in een week parlementaire geschiedenis
te worden; thans blijkt zij taai genoeg om door de staking
in de mijnen heen te komen. En de Engelse Regering jaagt
haar doel, de nationalisatie van de ijzer- en staalindustrie,
even onvermurwbaar na als kapitein Ahab aanzat achter
Moby Dick, de witte walvis. Voorgesteld is, dat de eigen-
dom van 107 maatschappijen en hun belangen door de
Staat zal worden overgenomen. Is deze geweldige trans-
actie voorbij – in 1950 of 1951 – dan worden de bestuur-

ders van de voor het overige intact gelaten ondernemingen
‘geacht elkaar verder te beconcurreren uit het oogpunt
van het nationaal belang., liet lijkt niet uitgérloten, dat de betrokkenen allen in voorstellingsvermogen te kort
zullen schieten.

Dit moet ook het geval zijn met één van de beide ernstige
candidaten voor het presidentschap van de Verenigde
Staten. Beiden ‘immers ‘hebben met grote vasthoudend-
heid ae eigen overwinning voorzegd. Eens van hen, het
symbool van zijn partij ‘ is de muilezel, tegen ieders
mening in.

Is het dan wonder, dat Maarschalk Stalin bij zijn jongste
inter’iew op zijn oude standpunt bleek te blijven staan?

DE VONK DIE STERKER IS DAN 100.000 VOLT

,T

on

re

5
,

de locomotief: zijn levenswerk,..

Met een locomotiefje voor de mijnen

Die éne kleine vonk van onmetljke

maakt George Stephenson zijn

voltage inspireert tot de hoogste ver-

debuut. Dan wordt op zijn aanwijzing

richtingenop alle gebieden des levens.

‘s
werelds eerste personenspoorweg

Wij zien het bij een zo veelzijdige

aangelegd.
5
En reeds
rijpt een nieuw

en wijdvertakte organisatie als Philips

project in dit naarstig voortbouwend

iedere dag. Ook daar geven werkers
brein: de spoorlijn Liverpool – Man-

met hand en hoofd het beste dat in

chester. Als dan in 1829 Stephenson’s

hen is, omdat zij zich vrijelijk ‘kunnen

ster straalt aan de hemel van de

wijden aan dingen, die hun liefde en

roem, heeft men aanschouwd, wat

aandacht hebben. Zij doen het in

één man louter door de vonk

Eindhoven en, als het moet, aan

van zijn enthousiasme vermag.

het andere eind van de wereld.

5,’

Publicatie: Philips – Eindhoven

F

K “
NZ
il

N.V. KONINKLIJKE

NEDERLANDSCHE

Z 0 U T IN D U S T R IE

.Boekelo – Hengelo

ZOUTZIEDERIJ

Fabriek jan.

zoutzzinr, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

chloorbleekioog

natronloog, caustic’ sodi,.

ROTTERDAMSCHE

BÂWI(

225 VESTIGINGEN

IN NEDERLAND

REISCHËOUES

VOOR

BELGIË

.2

3 iovember 1948


ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

863

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Mr Dr
A. A. van Rhijn, Eeh.nieuue phase in de loon- en

prijspolitiek.

.”:

De noodzaak om aan het tekort op de rijksbegroting

zo spoedig mogelijk een eind te maken, de afspraak van
het Château d’Ardennes om tot vermindering der subsi-

dies te komen, de mogelijkheid om de rantsoenering op
verschillende punten af te schaffen; ziehier de argumentçn,

die tot de verlaging der subsidies, en dus tot een nieuwe

phase in de loon- en prijspolitiek, hebben geleid. Naar

aanleiding van de thans toegepaste maatregelen kan
worden opgemerkt dat het, in de eerste plaats, van groot
belang is gebleken, dat de vraag der loonsverhoging voor

het
gehele
bedrijfsleven werd besproken; een behandeling

per bedrijfstak is daardoor voorkomen. Voorts zijn de

gevolgen van de subsidievermindering op het huishoud-
budget tot op de cent nauwkeurig uitgerekend, zodat de

betekenis der toegepaste maatregelen voor ieder duidelijk
is geworden. Zonder de gevolgde behandeling zou de

sociale vrede in Nederland vermoedelijk niet zijn bewaard.

Wanneer in do toekomst door de noodzakelijkheid van

verdere subsidieverlaging en het aanpassen an het huur-
peil een nieuwe sociaal-economische operatie noodzakelijk
zal blijken, dan zal de thans opgedane ervaring nuttige
diensten kunnen bewijzen. –

Dr U.
W. J. A. Vredegoor, De worgende greep oan de fiscus.

Flandliaving van de huidige belastiigen zal voor de
Nederlandse volkshuishouding catastrophale – -gevolgen
hebben. De voornaamste bezwaren met name tegen de
hoge belastingen op het inkomen zijn, dat de arbeids- en
de ondernemerslust worden geremd, dat de mogelijkheid
tot reserveren wordt beperkt, dat de kosten in hdt bed rijs-
leven worden opgedreven en dat liet aanbod van kapitaal
(vooral liet tot risico’s bereid zijnd kapitaal) afneemt.
Wil men het ontstaan van eeii omvangrijk werkloosheid,
een blijvende alhankelijkheid van Amerikaanse credieten
en een bestendiging vanhet no relatief lage welvaarts-
peil vermijden, dan is een drastische verlaging der belastin-
gen op het inkomen noodzakelijk. hierbij is te bedenken,
dat Nederland als enig land in West-Europa voor de
zware taak staat de sterk toenemende bevolking bijna

uitsluitend door industrialisatie werk en brood te ver-
schaffen. liet is het beste, de verlaging der directe belastin-
gen te verbinden aan een verminderirig der overheids-
uitgaven; met name verdient het aanbeveling een ver-
binding te leggen tussen de opheffing der subsidies voor
het levensonderhoud en de verlaging der belastingen op

het inkomen. –

Prof. Mr C. W.
de
Vries,
Staatsburgerschap en b
e
d,:
L
jf
s
.

– burgerschap.

Blijkenshet ontwerp van wetop de publiekrechtelijke
bedrijfsorganiatie -zijnde

bedrijfsorganen ingesteld ten-.

éinde:
10.
een het belang van het Nederlandse volk dienende
werkzaamlieid van het bedrijfsleven te bevorderen; 2°. het
belang van het bedrijfs)even en de daartoe behorende
personen te behartigen. De vraag is, of hier twee heren tegelijk kunnen vorden gediend. Met name ten aanzien
.van het eerste punt geldt, dat het hier de vervulling van
een plicht betreft, welke niet kan of mag worden nagelaten;
de Overheil heeft daarop toezicht te houden. liet is nog
niet goed duidelijk, hoe de bedrijfsorganen twee zo ver-
chillende functies zullen kunnen vervullen. Bij het be-

hartigen van eigen belangen .schijnt te veel overheids-
invloed een bezwaar; bij hel behartigen van de openbare
belangen schijnt te weinig dverheidsinvloed een -gevaar.

,,HOLLAN DIA”•

HOLLANDSCHE FABRIEK VAN MELK-

PRODUCTEN EN VOEDINGSMIDDELEN N.V.

HOOFDKANTOOR -TE

VLAARDINCEN

P

koninkIijke –

Nederlandsche

Boekd rukkerij

H. Ai. M. Roelunts

,’
Schiedam

Exporteert. U

naar Zuid- en Midden-Amerika?

EMB

Ondernemingen met belangen in de Zuid- en
Midden-Amerikaanse Republieken, of die aldaar
relaties zoeken, vinden in – het advertentie-ge-
deelte van het half December grotendeels in het
Spaans verschijnende belangwekkende –

ZUID- EN MIDDEN-AMERIKA NUMMER

van het bekende weekblad’ ,,Groothandel” een,
unieke gelegenheid om nadere contacten te leg

gen, in welke Republiek ook.
Zeer intensieve en deskundige verspréiding in
nauwe samenwerking -met de Bedztjfsgroep
Groothandel, het Nederl. Zuid-Amerikadnsch In-
stituut en Handels-attaché’s vaii diverse Repu-
blieken.
Nadere inlichtingen verstrekt de uitgeef ster:
Kon. Nederl. Boekdrukkerij
H. A. M. Roelants,
Schiedam, Postbus 42, Tel. 69300. —

864

1

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN –
3 November 1948

SOMMAIRE.

Mr Dr A. A.
van lihijn,
Une phase nouoelle dans la pol itique
des prix ei des salaires.
Aux Pays-Bas les subventions pour les comestibles

et les combustibles ont été diminuées. Ces mesures ont

été dictées par la nécessité de réduire le déficit du budget
et de faciliter la réalisation de 1’Union Economique dans

le cadre de Benelux. D’autre part ii a été possible de

prendre ces mesures grâce au fait que le rationnement

de plusieurs denrées alimentaires a été supprïmé. Ces

mesures résult&nt des pourparlers entre le gouvernement

et les représentants des employeurs et des employés.

Le maintien de la paix sociale aux Pays-Bas est vraisem-
blablement dû â ces délibérations.

Dr H. W. J. 4.
Vredegoor,
L’emprise du fisc.

La fiscalité actuelle aura des conséquences funestes

pour l’économie néerlandaise. Les contributions appli-

quées â présent, constituent un frein
a
l’initiative de la
vie économique et rendent la création de réserves et de

capitaux très dif!icile. En outre les impôts élevés compro-

mettent l’industrialisation, si nécessaire nu redressement

du pays. C’est pourquoi les impôts directs doivent être
réduits.

Prof. Mr C. . Vi. de Vries,
Le bien public ei l’iniérêt prieé
La bi sur l’Organisation légale de 1’Economie prévoit
la constitution d’organisrnes qui seront appelés â servir

tant le bien public que l’intérét privé. On peut se de-
mander si ces conseils seront â même de contenter les

deux secteurs. Le Gouvernement doit se réserver une

certaine influence afin d’éviter que les nouveaux organismes
ne négligent le bien public.

..-

SUMMARIES.

Dr A. A.
van Rhiju,
A new phase in wages and prices
policy.

In the Netherlands cost of living subsidies have been
reduced in consequence of the necessity to bower the
Budget deficit. Other causes were the coming Benelux

union and the fact that derationing is now possible to a considerable extent. The new policy is the result of
deliberations between the Government and joint represen-
tatives of employers and labourers. Without this kind of deliberation social peace in the Netherlands would
undoubtedly have bèen disturbed.
Dr H. W. J. A.
Vredegoor,
The heaQy tax burden.

Maintenance of the present high taxes will have cata-
strophic consequences for the Dutch economy. The tax
burden restricts the propensity to vork and to invest.
The possibilities of capital formation are limited. That

means that the so urgently needed, process of industriali-
zation is endangered. Therefore direct taxes have to be
drastically reduced.

Prof. Dr
C.
W.
de Vries,
Group interesis and the interests
o/ the cominunity.

Under the law on ,,public organization of business”,
now before Parliarnent, representative bodies of industry
and trade will be created which have to serve both
the interests of the comiliunity and the interests of their
branch. It is open to doubt whether two masters can be
served at the same time. As a matter of fact, the Govern-
ment might very usefully retain some control on business
serving the public good.

Behandeling van alle

bankzak

en

* *

Bezorging van alle

assurantiën.

R. MEELS & ZOONEN
BANKIERS EN ASSURANTIE.MAKELAARS

AMSTERDAM
. ROTTERDAM
S-GRAVENHAGB
DELFT SCHIEDAM

VLAARDINGEN

De £ete1enj6 uan 1et 6.pawn in

JVe4e’iiand, &zeeand en de Ve’t-

e,zide Staten

wordt uitvoerig belicht in de thans verschenen

September-aflevering von het

– . . Economisch-

Statistisch.

Kwartaalbericht

Research uitgave van

het Nederlandsch Economisch Instituut

Jaardbonnementen
f6,50

voor
abonné’s E.-S.B. f5,-

Telefoon 38010, Rotterdam

Giro no. 8408

Abonneert U op

DE ECONOMIST

Madndbbad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P. B. Kreukniet, Th. Ligthart.

Prof. J. Tinbergen, Prof. H. M. H. A. van der

Valk, Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. Mr.

F. de Vries.

Abonnementsprijs
f2250;
fr. P. post f23.30;
voor studenten
f
19.—; franco per post
f
19.80.

Abonnementen worden aangenomen door de

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEM
0

3 November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

865

EEN NIEUWE PHASE
IN DE LOON- EN PRIJSPOLITIEK.

I’Vaarom subs id ieQerlaging
2

/

DeNederlandse Regering lieef t in de jaren na de oorlog

een politiek van stabiele lonen en prijzen nagestreefd.

liet is niet noodzakelijk deze politiek nog eens nader,uiteen

te zetten. Belangstellenden ,kunnen een samenvatting
vinden in het Rapport van de Interdepartementale Com-
missie inzake de loon- en prijspolitiek, dat in Mei van dit

jaar door de Regering is gepubliceerd.
Intussen, betekende dit streven naar stabiliteit geens-

zins, dat geen aanpassing aan meei- normale verhoudingen
werd nagestreefd. Het standpunt was slechts, dat ook deze –

-aanpassing zou moeten geschieden langs weloverwogen lijnen en niet door op een bepaald ogenblik iïiaar ineens
zoveel mogelijk producten Vrij te geven. De Regering

heeft thans enkele stappen in de richting vaii meerdere
aanpassihg gedaan. Verschillende redenen waren daar-

voor aanwezig.

In de éerste plaats werd meer en meer gevoeld, dat

aan het grote tekort op de rijksbegroting zo spoedig moge-
lijk eed einde moest worden- gemaakt. Door dit tekort
blijft inflatie ons land bedreigen. De samenwerking in
het Marshallplan brengt met zich mede, dat ons land

moet tonen financieel behoorlijk orde op zijn zaken te
kunnen stellen. Welnu, aan subsidies werd in het laatste
jaar een bedrag betaald van ongeveer f 650 millioen,
zonder dat daarvoor voldoende dekking ‘aanwezig was.

Sanering der rijksbegroting zou daarom met vermindering
der subsidies gepaai-d moeten gaan. –
In dezelfde richting wees de ontwikkeling der onder-
handelingen inzake Benelux. 1-let Belgische loon- en prijs-
peil ligt op dit ogenblik hoger dan het Nederlandse. In de
kringen van onze Zuiderburen leeft kennelijk de opvatting,
dat de loon- en prijsniveau’s in beide landen weL min of
meer zullen worden geëgaliseerd, indien de subsidies in

Nederland ivorden afgeschaft en lonen en prijzen dien-
overeenkomstig een verhoging ondergaan. Ik betwijfel
of dit standpunt juist is. Naar mijn mening zal, ook

wanneer al de subsidies in de lonen en prijzen zijn ver-
disconteerd, het Belgische ‘loon- en prijspeil, ‘dat in het

laatste jaar nog de neiging had te stijgen, hoger liggen dan
het Nederlandse. Maar aan de afspraak, op het Château
d’Ardennes gemaakt, om tot vermindei’ing der subsidies
te komen, moet thans uitvoering worden gegeven. 1-let
belang van de Benelux-samenwerking, welke ook voor

Nederland een ‘veri’uiming van haar. economich aiet-
gebied en een belangrijke versterking van haar interna-
tionale positie betekent, vereist, dat hiermede niet wordt

gedraaid.

Naast de argumenten ontleeid aan het Marshallplan
en Benelux zijn er ook redenen van nationale aard, die
op het ogenblik voor vermindering van de subsidies pleiten.
De distributies zijn ingesteld, omdat het tekort aan allerlei
producten daartoe dwong. Wij realiseren ons thans nauwe-
lijks meer, met welke beperkte voorraden ons land het
• vlak na de iorlog moest stellen. Intussen is daarin geleide-
lijk een aanzienlijke verbetering ingetreden. De gunstige
oogsten in binnen-s en buitenland hebben dit, jaar het
perspectief voor de toekomst verhelderd. Terwijl de rant-
soenen van sommige producten reeds op een peil zijn
gebracht, dat niet ver meer van het normale verbruik
verwijderd ligt, is voor andere producten een mogelijkheid van verhoging aanwezig, indien atthans de deviezenpositie
een aankoop in het buitenland niet belet. De wens naar afschaffing van bepaalde rantsoeneringen moèt – ddar-
door levendig worden. Flierbij dient dan ook nog te worden
bedacht, dat iedere distributie de neiging heeft de afzet
te vermeerderen in die zin, dat bij het publiek nu eenmaal
de gedachte leeft, dat men ,,zijn bonnen moet opmaken”.
Vooral bij de snoepbon had dit onevenste gevolgen.
Wanneèr nu distributies kunnen worden afgeschaft”
omdat er weer voldoende voorradén aanwezig zijn, dan

is het toch wel uiterst bezwaarlijk dergelijke distrihuties

alleen daarom in het leven te houden, omdat er anders
geen behoorlijke mogelijkheid voor het geveh van subsidies

aanwezig is. Terecht zal dan het verlangen opkomen om

ook ‘aan de subsidies een einde te maken. Distibuties

terwille van de subsidies zijn op de duur niet houdbaar.
Daarvoor zijn aan iedere distributiemaatregel teveel

bezw’aren verbonden. Vij hebben ze in de laatste jaren

ruimschoots leren kennen door de euvelen van de zwarte
markt ende moeilijkheid om overtredingen behoorlijk te

achterhalen. Ook wanneer de nalevin’g van een distributie-
maatregel bevredigend is, dan nog iijn de administratieve

onkosten hoog. Voorts is een bezwaar de verstarrende

tendenz, die iedere distrihutiemaatregel eigen is en bij de

producent de neiging ontw’ikkelt’ om op zijn lauweren,

in casu de distributiemaatregelen, te gaan rusten. Zijn
klanten moeten immers toch bij hem terecht komen. Een

frisse concurrentiewind kan hier prijsverlagend werken.

T’Velke subsidie verlagingen?

üp grond van deze argumenten werd besloten de’ sub-
sidies in vergelijking friet het lopende jaar in totaal met f 330 miilioen te vermindei’en. De subsidies op levens-
middelen zullen met rond f 240 millioen en die op brand-
stoffen met ca f 90 millioen worden verlaagd. Een bedrag
van f 70 millioen hiervan heeft echter betrekking op

vermindering van impoi’tsubsidies, die zich voor de consu-
ment niet doet gevoelen, omdat deze mogelijk is geworden
door prijsverlagingen, die zich in de laatste maanden op

de buitenlandse markt hebben voltrokken. Voorts zal van
de verlaging der brandstoffensubsidie niet meer dan on-
geveer een kwart op de consument drukken.
In een overleg tussen de Interdepartementale Commissie

voor de loon- en prijspolitiek en de Stichting van den
Arbeid, waaraan ik leiding mocht geven, word van de zijde
der Commissie uiteengezet, welke de lijnen waren, die bij
de keuze der subsidieverlagingen waren gevolgd. De

bedoeling was om bij de meest belangrijke producten van
levensonderhoud de ene soort wel in prijs te verhogen en de verwante soort niet of minder. ‘Wij raken hier de uit-
wijkmogelijkheden”, welke vooral betekenis hebben bij de

prijsverhogingen van
boter, wiuebrood
en’
Qarkensylees.

Bij anthraciet is de uitwijkmogelijkheid naar eierkolen’

van minder belang. –
De
boter
wordt
f0,80 â f 1, per kilo duurder. De margarine

daarentegen wordt niet in prijs verhoogd. Men kan dus
van boter naar margarine ,,uitwijken”. Dit behoeft niet

te ‘betekenen, dat het verbruik van boter geheel wordt
opgegeven. Bij de besprekingen tussen de Commissie en
de Stichting van den Arbeid ging men er van uit, dat er
slechts voor ruim
1/4
van het tegenwoordige verbruik van

boter naar margarine zou worden uitgeweken, waardoor
in het huishoudbudget de totale uitgaven voor beide
‘artikelen tezamen gelijk zouden blijven. Er is dus geen
sprake van, dat de boter geheel van het arbeidersbudget

werd geschrapt.
Moeilijker lag de zaak ten aanzien van het
brood.

Aanvankelijk was het plan om de prijs van het normale brood gelijk te houden en met het bedrag aan subsidie-

veiminderïng reeds verkregen door de hogere prijs van het
luxe-wittebrood (per 800 gram ongeveer 12 cents) te
volstaan. Later bleek het wenselijk de nog overgebleven

binnenlandse subsidie op het ‘normale brood odk af te
• schaffen. Het gevolg daarvan is geweest, dat het normale
brood 4 cents duurder is geworden. Daarentegen was het
– door deze maatregel mogelijk om het brood geheel vrij te
gevefi, hetgeen voor de verbruiker aantrekkelijk is,
terwijl bovendien het betreffende distributie—apparaat
kon worden afgeschaft, waarmede vele onkosten worden
bespaard. Ook bij het brood is thans nog een uitwijk-
mogelijkheid aanwezig in zoverre, dat het gebruik van het

JIerckniiig
W’clelijkSe uitgaven
pci’
gezin
(van vier personen).
B rood
Suiker

…………….
0,20
Oliëre
en


i’etlen

……..
0,06
(Zond er margar) ne)
Zeep

. –
..’0,10
(las

en

licht
.

……..

0,10

Tezanied

………
f

0,84
AF

melk

………….

0,15

Total

……….
t 0,69

GG

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 November -148

‘hoi’male.ibrood veel goedkoper blijft dan liet ge’bruik van

het, luxe-wittebrood. Bij de besprekingen tussen de Corn-
missie en de Stichting van den Arbeid nam men hij de
berekening ‘an de prijsstijging van het huishoudbudget,
die al gevolg

der subsidieverihindering optreedt, de
mogelijkheid
op,
dat de arbeider eenmaal per week het
luxe-wittebrood zou kunnen gebruiken.

Rundvlees, dat op dit ogenblik -in ôns land veel ineer

wordt gebruikt dan varkensvlees, blijft in prijs gelijk,
terwijl het
oarkensolee
door vermindering der subsidie
iit
‘prijs is verhoogd. hier bestaat dus de volledige mogelijk-

heid van’ varkensvlees naar rundvlees uit te wijken.

Van •arheiderszijde evenwel werd hiertegen ernstig be-

zwaar gemaakt, o.a. op grond van de betekenis van het

varkensvlees als volksvoedsel. Bij de berekening van de

stijgilig van -de kosten van het arbeidersbudget is daarom

een bedrag voor dé -stijging van het varkensvlees inge-
calculeerd. –

Voor andere artikelen, ‘waarop subsidievermindering
werd toegepast, zoals de
suiker,
bestaat geen uitwijk-mogelijkheid. Tegenover deze verschillende prijsverho-
gingen staat een prijsverlaging van ‘de
melk
met één cent
pèr hier. FIet preekt vanzelf, dat deze maatregel een

verhoging van het subsidiebedrag betekent. Maar deze
verhoging werd gerechtvaardigd geacht. Want de melk

is wel het voedsel. bij uitnemendheid. Vooral in gdzinnen

met kindei-en neemt’ de melk een belangrijke plaats in-

Jn9led op de kosten oan lei’ensonderhoid.

Bij de berekeningen betreffende de kostenstijging van
liet arbeidersbudget tengevolge der subsidievermindering, –
word uitgegaan van, een standaardgezin van man, vrouw
en twee kinderen: Bij volledige -toepassing der uitwijk-

mogelijkheden blijkt do stijging 69 cents per week te

bedragen,gelijk uit staatje A blijkt. Zoals rneds opgemerkt,
werd in het ‘overleg met de Stichting van dcii Aiheid de

loe’passing der uitwij kmogelijkhed en slechts gedeeltelijk
aanvaard. Dit leidde tot een berekening van een prijs-
stijging van f1 per week (staatje B).

Eerekening
B.
Wekelijkse uitgaven per
gezin:
(van vier personen).
Brood

…………..r
0,48
Andere

nieelproducten
,,

0,09
Suiker

………….
.0-20
Varkensvlees

……..0,13
..
i’laiitaardlge

OliOn

en
vetten

(cxci.

inarga-
rine)

…………..
-0,06

.
Zeep

………………
..

0,10
iluishrandkoleii

…….0,05
Ga

en

licht

……..
–0,10

‘rezamen


——–
f

1,15
AF

melk …………..
..
0,15

‘i’o(aal

———-

f 1,-

Ceoogeie
0001′
dc lonen.

.0e berekening 13, w’aarover overeenstemming met de
Stichting van den Arbeid was bereikt, werd de grondslag
van cle loonhijslag van f :1 pei’ week, die aan cle arbeiders
zal worden uitgekeerd.. – –

.Decategorie arbeiders, die voor de bijslag-in aaiimei’king
kpmt, werd nader begrensd. Vooreerst wei’cl een
loongrens
genomen van f.3700. .0e gedachte was, dat, de kostenver-
moerdering van f 1 per week door de hogere inkomens
wel zonder compensatie zou kunnen worden gedragen.
Natuurlijk schuilt in liet genoemde bedrag iets wille-
keurigs. Dc loongrens voor de sociale verzekering is thans
f i1750 en is daarom

als uitgangspunt genomen .Afronding
naar beneden tot f 3700 volgde om te vermijden, dat zij,
(lie thans nog linnen de loongrens dci’ sociale verzekering
blijven, door het toekennen. van een jaarbedrag van on-
geveer f :50 buiten de verzekering zouden vallen.
Een verdere beperking van de categorie, die voor de
bijslag in aanmerking komt, werd gevonden in het stellen
van .een
leeftijdsgrens
van 23 jaar. De lonen der jongeren

zijn immers na de. oqriog relatief moer gestegen dan de

lonen der ouderen, terwijl de gestegen kostenvan liet

leensondei’hioud producten hdtreffen, die .vöoral op cle
uitgaven van een gezirishoofd. drukken. Er is uien- telkens spralce van een
loonbijsiag,
niet van
een uurloonverhoging. 1)eze bijzondere vorili is opzette-
lijk gekozen. De.hijslag heeft immers alleen ten doel een

prijsstijging op te vangen, niet om liet levenspeil ‘te ver-

beteren, In de toekomst zullen de subsidies nog verder

moeten worden verminderd om geheel te worden afge-
schaft: De vraag, of en zo ja welke verhoging van de

loonbijslag hieruit moet voortvloeien, zal te zijner tijd onder
de ogen worden gezien. Zou zich bijv. op de vereldmarkt
een belangrijke prijsdaling voordoen, dan zal daarmede

hij het opnieuw vaststellen van een loonbijslag rekening

moeten worden gehouden. Ei’ zou dan zelfs een ‘verlaging

van de loonhijslag kunnen optreden. Wanneer de bijslag

eenmaal in liet normale weekloon is opgenomen, is dat
minder gemakkelijk mogelijk. –

– Een opmerking, waartoe de berekening van de stijging
van de kosten van het levensonderhoud met f 1 per iyeelc
aanleiding geeft, is het feit, dat grondslag der berekening
was een, gezin met
twee
kinderen. Gezinnen met drie en
meer kinderen vinden hier dus geen voldoende compensatie.

Daarentegen ontvangen kinderloze gezinnen of gezinnen
met één kind eigenlijk te veel. Aanvankelijk is nog op

voorstel van de Commissie voor de loon- en prijspolitiek

gepoogd om de compensatie voor deze categorie tot bijv.

50 cents te beperken en voor het derde en volgende kind
de kinderbijslag met :30 cents per-kind te verhogen. hier-
mede ‘zou een meer logische oplossing zijn verkregen,
maar er was omtrent dit voorstel geen overeenstemming
te bei’eiken. liet vraagstuk van de kinderbijslag, dat

blijkens de Troonrede door d’e Regering aan de.ordeis

gesteld, heeft daardoor een nog wat grotere betekenis –
verkregen.

Geoolg eoor de prijzen.

Bij onze gehele loon- en prijspohitiek,moet’ één axioma
vooi’opstaan: het vermijden van de loon- en prijsspiraal.
Aan de andere kant.kan men uiteraard niet steeds voort-

gaan met de kosten van liet bedrijfsleven te verzwaren en
prijsverhogingen te verbieden. Er is hier een grens. Ge-

meend werd, dat de toegekende loonbijslag – en hetzelfde
geldt voor de verhoging dci’ productiekosten door hietweg-
vallen der kolenubsidie – in de huidige economische

omstandigheden voor de producent toch. in het algemeen
niet zo drukkend is, dat daarom prijsverhoging gerecht-
vard.igd zou zijn. Dit betekdnt natuurlijk niet, dat do
huidige loonbijslag in’de toekomst nimmer in de kostprijs-
calculatie zou mogen worden opgenomen. Zij wordt uit-

drukkelijk als element in de toekomstige kostprijsoalculatie
erkend. De mededeling van de Regering, dat een verlich-
ting van lasten voor het bedrijfsleven zal intreden als
gevolg van de herziening der. fiscale wins tvaststelli ng,
zal liet voor het bedrijfsleven minder moeilijk maken.op
dit ogenblik iedere prijsverhoging achterwege te laten.

Enige c’oorlop ige opmerkingen.

Dc thans toegepaste maatregelen maken het mogelijk
nog enkele ,voorlopige opmerkingen te maken.

In de eerste, plaats ‘is liet van groot belang gebleken,
dat de vraag dei’ loonsverhoging door overleg tussen de
Commissie en de Stichting van den Arbeid voor
het gehele
bedrij/sle pen
werd besproken. Daardoor is een . behande-
ling
pei’ bedrijfstak
voorkomen. Was deze weg ingeslagen,
dan zouden ongetwijfeld de uitkomsten der besprekingen tussen w’erkgevers en arbeiders in iedere bedrijfstak ver-
schillend zijn geweest. De arbeiders in bepaalde bedrijfs-
takken zouden dan allicht naijverig zijn geweest ovei’ de
resultaten elders bereikt. Wie nagaat hoezeer.
hijv.
loonsveranderingen op het platteland in liet bouwbedrijf en het landbouwbedrijf elkaar beïnvloeden, i’eet hoe ge-
1,

r

‘-

3 Noveniber 1948

ECONOMISCHSTATISTISCHE BERICHTEN

807

makkelijk een bepaalde verhoging hier een nieuwe verho-

ging elders zou hebben uitgelokt. Men zou dan voor een

loonspiraal zijn geplaatst, die moeilijk zou zijn te stoppen
en ons land grote economische nadelen zou hebben ge-

bracht. Want de gebiedende noodzakelijkheid om do

doTlsumptie te beperken, investatiés te bevorderen, cle

uitvoer op te voeren en naar een sluitende betalingsbalans

te streven,
zou
ernstig zijn verwaarloôsd, indien men het

loonpeil op deze wijze op economisch onverantwoorde

wijze had laten stijgen.
In (le tvced.e Plaats heeft het feit-, ,dt (le gevolgen van

d(
,
. suhsidieverminderingen
01)
het huishoud budget in. een
(entraal overleg, met behulp van het Centraal Bureau voor
de Statistiek en het Centraal Planbureau, tot op de cent

nauwkeurig zijn u i tgerekencl,• het gunstige gevolg, dat men

zielt in cle lande precies rekenschap heeft kunnen geven
van de betekenis der subsiclieverininderingen en dedaaruit
volgende prijsverlioingen. Wanneer deze berekening niet
was gegeven, dan zouden in cle onderhandelingen tussen

werkgevers en arbeiders allerlei eigen calculaties en schat-
tingen grondslag der discussies zijn geworden. Dit zou
veel gekibbel over cijfers hebben gegeven en eveneens
groot meningsverschil over de vaag, welke looncorreOtie –
zou moeten worden toegepast. Nu is de betekenis der
toegepaste maatregeln voor ieder •in nauwkeurige cijfers –
duidelijk geworden.

In de. derde plaats mag worden aangenomen, dat
zonder de gevolgde behandeling de sociale vrede in eder-,
land vermoedelijk niet zou zijn hovaard.- De opmerkelijke
sociale rust, welke wij na de oorlog in ons land kennen,
mede dank zij het wijs beleid der drie – vakverenigingen, –

heeft het tempo van onze wederopbouw aanmerkelijk
versneld. Frankrijk is het waarschuwend voorbeeld –
voor wie in andere richting gaa

t.
rp
ens
l
o
tt
e
nog een laatste punt. De in ons land

toege-

paste gebonden loon- en prijspolitiek heeft bij velen de
vrees doen ontstaan, voor verstarring, zodat een voldoende beweeglijkheid bij noodzakelijke veranderingen -niet meer
aanwezig zou zijn. 1-let is nu mogelijk gebleken tegelijk èn het niveau der subsidies èn de prijzen van belangrijke producten van levensonderhoud èn de lonen, als met één
slag, te wijzigen. Vooral het feit, dat dit alles op één en hetzelfde ogenblik gebeurde, is van groot belang. Want
daardoor’ zijn repercussies elders die verder doorwerken
en op – haar beurt weer nieu’e moeilijkheden uitlokken,
vermeden. “Wanneer in de toekomst door de noodzakelijk-
heid van verdere subsidievermindering en het aanpassen
van het huurpeil een nieuwe sociaal-economische operatie
noodzakelijk zal blijken, dan zal bij de voorbereiding van
het daartoe nodige plan de thans opgedane ervaring
nuttige diensten kunnen bewijzen.

‘s-Gravenhiage.

I r Dr A .A. VAN JeU EJN,

DE ‘WORGENDE GREEP VAN DE FISCUS.

Belasting betalen is zeker niet de plezierigste wijze om
zijn zuurverdiende penningen uit te geven, lIet valt daarom
niet te verwonderen, dat er reeds hevig geklaagd werd
over het drukkende peil der belastingen, toen dit peil
naar tegenwoordige maatstaven nog verheugend laag was.
liet gevaar bestaat, dat op grond van deze ervaring de
huidige klachten over de hoge belastjngen door de Over-
heid niet geheel au sérieux genomen zullen w’orden en dat
zij er vanuit zal gaan, dat, als in -het verleden, de maat-
schappij zich op cle duur wel aan het sterk verhoogde
helastingpeil zal aanpassen. Zeker, aanpassen zal de
maatschappij zich wel, maar ten koste van de welvaart,
want de handhaving van de huidige belastingen zal voor
cle Nederlandse volkshuishou ding catastrophale gevolgen
hebben.
De gevaren dreigen met name van de hoge belastingen
OJ)
het inkomen en de winsten.
r1
ei
,,,
v
ill
e
van de eenvoud

van het betoog zullen hier alleen de nadelen van de hoge

inkomsten- (en loon)belasting worden uiteengezet:
N
uatis
mutandis gelden verschillende van deze nadelen ook voor.

een hoge winst.helasting.

De voornaamste bezwaren tegen- hoge belastingen. op
het inkomen, zoals de huidige in Nederland, zijn de-, vol-,

gende:

ie. de arbeidslust wordt geremd;

2e. d,e ondernemerslust wordt geremd;
3e.. de mo
g
elijkheid tot reserveren wordt beperkt;

4e. cle kosten in het bedrijfsleven worden opgedreven;
5e. het aanbod vn kapitaal en met name hetaanhod ‘an

tot riico’s bereid zijnct kapitaal neemt af.

De ongunslige iin’1cd een ‘d hoge bc1asiineh op het tnlçomcn

0/)
de cirbeids-‘ en ondernemers1ust . .

Wat liet eerste bezwaar aangaat,leidt zoals-bekend is,
dc irogressiviteit der belastingen er toe, dat reeds bij b

trekkelijk lage inkomens cen belangrijk deel van elke toe-
neming van het inkomen naar cle fiscus gaat,. waardoor

de prikkel om’ zich door grotere inspanning eep hoger
inkomen te verwerven een belangrijke vermindering
ondergaat. Reeds bij

de goed.betaalde arbeider is dit-
lid

geval. Een ongetrouwd, resp. getrouwd man, die 1240
per maand verdient, moet voor elke gulden, die hij meet
verdient,

30 resp. 20 centen aan belasting betalen. ‘liet is
duidelijk, dat hierin bijv. een ernstige helemmring schuilt

tot -opvoering der productie door middel van een premie-
stelsel, liet zou interessant zijn te, weten in hoeverre de
lage- arbeidsproductivitet liet gevolg is van de hoge -be–
lastingen.

Belangrijk sterker zijn deze ongunstige gevolgen uiter-
aard bij de hogere inkomensgroepen, met name in de vrije
beroepen,- maal’ ook elders. Bij een inkomen van- f 10.000 meet een ongetrouwd man resp. getrouwd man zonder kin-
deren en getrouw’d man me

t twee kinderen van elke gulden meer verdienste resp. 50, 38 en 35 centen aan de fiscus af-
staan, en bij een inkomen van f 15.000 resp. 59, 46,en 45
centen, liet valt dan ook niet te verwondereni, dat –
egoïstisch als de mens nu eenmaal is — tegenwoordig

vooral in de zwaar getroffen hogere inkomensgroepen de neiging steeds groter wordt om te genieten van een dolc
far niente liever dan ‘zich in te spannen vooral ten bate
van de fiscus. Dit heeft nobdlottige gevolgen voor.. de
welvaart, •die nu eenmaal in belangrijke mate afhangt
van de activiteiten van de leidinggevende klasse. –
In versterkte mate geldt het zojuist gezegde van de
klasse der onderi’iemers, wier inkomen veelal grote fluctua-
ties vertoont, en met name van die ondernemers; die ris-
kante nieuwe investeringen verrichten. Stel, dat een onder-
nemer, die uit zijn normale activiteit ongeveer 120.000
verdient, een belangrijke riskante inves tering overweegt.
Deze ondernemer moet er dan rekening mee houden, dat
van elke gulden, die hij meer verdient, indien hij .onge-

trouwd is 64 centen en anders circa 50 centen aan de fiscus
moet worden afgedragen. –
Bij een inkomen van f 50.000 i’eeds zijn deze- bedragen
niet minder dan 76 en 65 centen en gaat er in totaal f 30.700
resp. cii’ca f 24.000 naar de fiscus. Daartegenover worden
uiteraard verliezen dooi’ de fiscus niet vergoed. Bij een

dergelijke belastingpolitiek zullen de meer riskante inves-
teringen, die naast een mogelijkheid van hoge winsten
een grote lcans op vei’liezen hebben, achterwege blijven. En het zijn juist deze investeringen, bij w’elke. de platge-
treden paden w’orden verlaten, w’aarvan de vooruitgang
clermaatschappij in belangrijke mate afhangt.
Hieruit volgt ook de onjuistheid van de in dit verband nog
al eens’gemaakte opmerking, dat de ondernemer zich bij
zijn taak niet moet laten leiden door een zucht naar gewin
maar dooi’ zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Louter verantwoordelijkheidsgevoel t.o.v. het h’em toe-
vertrouwde kapitaal zalhem er tegenwoordig. al ‘gauw
van weei’houden een riskante investering
te
onderUemen.

868 ,

ECONOMISbH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 November 1948

Verder kan men uiteraard van mening verschillen over

de ethische wenselijkheid van hoge progressieve belastin-
gen, hier de mogelijkheid van grote verliezen al of niet bij

betrekkend. Vast staat echter, dat, wil men in deze egoïs-

tische wereld een maatschappelijke vqoruitgang bereiken,

het wenselijk is degenen, die tot deze vooruitgang veel
kunnen bijdragen, de mogelijkheid van hoge inkomens te

laten.

De ongunstige inaloed aan de hoge belastingen op het in/comen

op de mogelijkheid tot zelf/inanciering.

Behalve dat de hoge belastingen ee funeste invloed

uitoefenen op de investeringsactiviteit, zijn zij îoor de

maatschappelijke vooruitgang zeer schadelijk, doordat zij

– en hiermede zijn wij aan het in de derde plaats genoemde

bezwaar gekomen – de mogelijkheid tot reservering be-

langrijk verminderen. Een zelfde gevolg heeft trouwens de

afwijzende houding der autoriteiten t.o.v. de calculering

op basis van vervangingswaarde. Wij zien dus, dat het
hoge belastingpeil niet alleeh de
neiging
tot investeren
ernstig belemmert, maar ook de
mogelijkheid
van inves-

teren (die verder hinder ondervindt van de hierna nog te

behandelen ongunstige fiscale invloed op de besparingen).

De ernst vn deze beperking van de rserveringsmogelijk-
heid moge blijken uit het feit, dat hét overgrote deel van

de bedrijven, waarop de Nederlandse volkshuishouding

heden ten dage steunt, in het verleden is begonnen als klein

bedrijf, dat zich sterk uitbreidde, doordat de ondernemers

de grote winsten, die zij maakten, niet consumeerden maar

in hun bedrijf investeerden. In analogie hiermede hangt

onze toekomstige welvaart in hoge inate af van de mogelijk-
heid tot ontplooiing van de doortastende, fantasierijke
kleine ondernemers van het heden. De mogelijkheid tot een

beduidende interne financiering bestaat echter tengevolge

van de huidige fiscale politiek voor het kleine bedrijf

praktisch in het geheel niet en is trouwens ook voor de
grotere ondernemingen maar zeer beperkt.

Men kome nu niet aan met het argument, dat in het

kader van de moderne economische verhoudingen de
Overheid bijv. via de Herstelbank dan maar voor de finan-
ciering van de industriële uitbreiding moet zorgdragen,

want dat kan zij per se niet Waar het hier nl. in de eerste

plaats om gaat, zijn de meer riskante investeringen door
kleine bedrijven, waarbij als onderpand veelal niet veel
meer’kan worden aangeb6den dan-de capaciteiten van de

betrokken ondernemer. Voor dergelijke investeringen, die
vééraf voor buitenstaanders dikwijls van twijfelhchtige
waarde lijken, mag de in zih zelf gelovende en enthousiaste
ondernemer en mogen wellicht enkele avontuurlijk aange-
legde en enthousiast gemaakte geldschieters de verant-
woordelijkheid en het risico durven nemen.’Dat dit zal ge-
schieden door de vele ambtelijke instanties, die – ten
nadele van de besluitvaardigheid – nu eenmaal betrokken

zulln worden bij een financiering door de Overheid; lijkt
wel zeer onwaarschijnlijk. Niet alleen omdat de ambtenaar
in dit opzicht nu eenmaal een mentaliteit heeft, die tegen-
overgesteld is aan die van de ondernemer, maar ook omdat
de ambtenaar via zijn minister verantwoordelijk is t.o.v.
de volksvertegenwoordiging, die, indien het verkeerd gaat,
niet zal nalatën schei-pe critiek uit te oefenen op de geld-
smijterij naar waardeloze projecten”. In dit verband zij
ook nog gewezen op het gvaar, dat de Overheid, indien
een doorhaar gefinancierde investering dreigt mis te gaan,
om verliezen en critiek te voorkomen, sterk in de verleiding
zal komen het betreffende bedrijf met kunstmatige maat-

regelen te steunen, waartegen ook ernstige bezwaren
vallen aan te voeren.
Verder zij er op gew’ezen, dat het verlenen van een i’uime
mogelijkheid tot belastingvrije reservering resp. investe-
ring, de zojuist geschetste bezwaren niet uit de weg kan
ruimen. Immers, het gevolg hiervan zou zijn, dat – om-
dat de fiscus toch (bijv.) de helft betaalt” – er door de
minder energieke, de routine-ondernemers grote bedragen

zouden worden gereserveerd resp. geïnvesteerd, die anders

zouden zijn uitgekeerd of opgenomen. Daardoor zou het

bedrijfsleven het karakter van een beleggingsmaatschappij
krijgen en/of op grote schaal economisch ongerechtvaar-

digde en kunstmatige investeringen worden verricht.
– Neen, wil men de toekomstige welvaart van ons land-

niet fnuiken, dan is een drastische verlaging van de be-
lastingen op het inkomen (en de winsten) noodzakelijk.

Voor Nederland geldt dit zeer in het bijzonder, omdat de

hier nog sterk groeiende bevolking bijna geheel in de

industrie zal moeten worden ondergebracht. De daarvoor
noodzakelijke aanzienlijke uitbreiding der industrie zal

nooit kunnen plaatsvinden, indien niet op grote schaal
investeringen in tot dusrre onbekende richting worden

gedaan. Maar hiervoor is de mogelijkheid van een omvang-

rijke zelffinanciering, door het bedrijfsleven een absoluut
vereiste. Het is mij dan ook een volslagen raadsel, hoé de

Regering in ernst kan beweren, dat •ter vermijding van
massale werkloosheid een belangrijke industrialisatie in
ons land op kortè termijn noodzakelijk is, indien zij
niet
van plan zou zijn over te gaan tot een drastische verlaging
van de hoge belastingen, welke momenteel die industriali-
satie onmogelijk maken.

Enkele andere ongnstige geaolgen aan de hoge belastingen
op het inkomen.

Wat het in de vierde plaats genoemde bezwaar tegen

hoge directe belastingen betreft – dat zij een opdrijven

van de bedrijfskosten tengevolge hebben -, kunnen wij

kort zijn. Economisch bezien is in dit opzicht het opvoeren.
van privé-rekeningen e.d. omdat de fiscus toch meer dan
de helft betaalt” niet zo ernstig als het veronachtzamen

van de efficiency, waartoe de ,,inefficiencypremie” van

de fiscus de tendentie heeft te leiden zolang er behoorlijke
winsten worden gemaakt.
Wat tenslotte de ongunstige invloed op de bèsparingen

betreft, deze hangen samen met het feit, dat de particuliere
(niet-institutionele) besparingen, die in het verleden vooral
in de hogere inkomensklassen plaatsvondën, belangrijk

zijn gedaald, ten . eerste omdat het netto-inkomen der
meergegoeden tengevolge van de belastingen belangrijk is gedaald en ten tweede omdat daarnaast de neiging tot

sparen in de opbrengst van de besparingen als additioneel inkomen
een belangrijk deel naar de fiscus vloeit. Nu kan men van
mening verschillen over de vraag, of na afloop van de
herstelperiode een relatief laag niveau der besparingen
niet wenselijk is met het oog op de deflationaire invloed
die er van besparingen uitgaat. Het lijdt echter mi. geen
twijfel, dat de belemmering van de besparingen der meer-

gegoeden zal leiden tot een zeer onvoldoend aanbod op
de kapitaalmarkt vaP risico zoekend kapitaal, hetvelk

immers grotendeels uit de besparingen der meergegoeden
stamt.

Deze ontwikkeling, met de gebrekkige mogelijkheid tot zelffinanciering, maken de toekomst voor de ondernemer,

die kapitaal nodig heeft (en voor de industrialisatie)
somber. 1-let kan hierbij maar een zeer wrange troost wor-

den genoemd, dat aan de andere kant de neiging tot inves-
teren en derhalve de vraag naar kapitaal tengevolge van
de hoge belastingen belangrijk zullen afnemen indien de
wederopbouw eenmaal achter de rug ligt. In ieder geval
is duidelijk, dat voor een mislukking der industrialisatie

en het ontstaan van een massale werkloosheid hij hand-
having der huidige fiscale politiek straks de Qndernemers niet aansprakelijk zullen kunnen worden gesteld.

Maatschappelijke gelijkheid en maatschappelijke aooruitgang.
Uit het voorgaande volgt de condlusie, dat een drastische
verlaging der belastingen op het inkomen noodzakelijk is,
wil men in ons land het ontstaan van een omvangrijke
werkloosheid, een blijvende afhankelijkheid van ‘Ameri-kaanse credieten en een bestendiging van het nog relatief

3 November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

869

lage welvaartspeil vermijden. Dit geldt trouwens voor
meerdere landen in West-Europa, datconomisch wordt
bedreigd door de door scherpe prikkels gestimuleerde

massaproductie van de Amerikaanse en in een later stadium

ook van de Russische kolos.
rçoch
geldt het in het bijzonder

voor Nederland, dat als enig land in West-Europa voor de

zware opgaaf staat de sterk toenemende bevolking bijna

uitsluitend door industrialisatie werk en brood te verschaf-
fen en waar dus een sterke ontplooiing van de ondernemers-

activiteit een eerste vereiste is.
Deze noodzaak tot belastingverlaging betekent wellicht voôr menigeen een pijnlijke stap terug van het in oorlogs-
tijd ontstane ideaal van een hoge mate van inkomens-

nivellering. Daarom loopt dit betoog wellicht kans te vor-

den misverstaan en zij er nadrukkelijk op gewezen, dat

noch schrijver dezes, noch, naar ik aânneem, welk verant-
woordelijk persoon in Nederland dan ook, terug wil naar

een scherpe tegenstelling tussen arm en rijk, zoals die tegen-
woordig bijv. nog wel in een land als Frankrijk bestaat.

.Ook behoeft een verlaging van de belastingen op het
inkomen bij de geleidelijk toenemende voorziening, zoals

vanzelf spreekt, niet tot een daling van het reële inkomen

der arbeidersklasse te leiden. Dit artikel beoogt slechts te wijzen op het grote gevaar,
dat een economische en sociale politiek, die teveel berust
op het streven, dat ieder zijn deel van het nationale product
krijgt, tengevolge heeft, dat niemand meer door eigenbelang

geprikkéld wordt het nationale product te vergroten. In
het communistische Rusland heeft men deze waarheid al
spoedig na de revolûtie ingezien en de economische en

sociale politiek er rigoreus op gebaseerd. Een te grote
inkomensnivellering betekent nu eenmaal een premie op
de luiheid, tenzij diegenen gelijk hebben, die er bij hun
theorieën van uit gaan, dat het menselijke ras in dit atoom-
tijdperk eensklaps van natuur verandert en in de ,,brave
new world” het egoïsme geen drijfveer van het menselijk handelen meer zal vormen.

liet is vreemd, dat men een politiek van rigoureuze in-
komensnivellering veelal als progressief hoort bestempelen.
Indien een dergelijke politiek, welke, zoals gezien, een zeer
ernstige belemmering voor de maatschappelijke vooruit-gang inhoudt, met recht vooruitstrevend mag worden ge-

noemd, dan bekent de schrijver, op het gevaar af voor een
aarts-reactionnair te worden gehouden, fel
t
tegen de

vooruitstrevendheïd te zijn. Mij komt progressief voor de
politiek, die het de energieken en de intelligenten voldoende
aanlokkelijk maakt zich uit egoïstische overwegingen in
te spannen. Van deze inspanning profiteren uiteindelijk,

via dé maatschappelijke vooruitgang waartoe zij leidt, ook
de minder energieken en intelligenten. Daarnaast verdient
het dan aanbeveling, uit ethische overwegingen zowel als
met het oog op de maatschappelijke vooruitgang, dat de
Overheid op grote schaal de minder kapitaalkrachtige
begaafdeii in staat stelt zich voor leidinggevende functies
te bekwamen. Dit, en niet een dodelijke inkomensnïvel-
lering, is mi. waarachtige sociale politiek.
liet spreekt verder vanzelf, dat het hier betoogde niet alleen geldt voor de ondernemerskiasse, maar evenzeer
voor de arbeidersklasse. Het is 66k in het belang van de
maatschappelijke vooruitgang, dat de bekwame en ijverige
vakman belangrijk meer verdient dan de nietsnut. Ook
hieraan ontbreekt, voor een deel als gevolg van de oorlog,
momenteel nog veel. Zeker, voor een ieder dient een be-
paald bestaansminimum beschikbaar te zijn, maar het is
van het grootste belang, dat de luiaard niets meer en de
bekwame vakman belangrijk meer in handen krijgt.
In dit verband zij er nog
01)
géwezen, dat de nog alge-
meen heersende opvatting, volgens welke de sociale maat-
regelen betaald worden door d6 meergegoeden (,,haal het
geld waar het te halen valt”, ,,soak the rich”), zo zij ooit
geheel juist is geweest, tegenwoordig absoluut fout is. Men
kan er nog over discussiëren (zij het nauwelijks) of de hui-dige belastingen op het inkomen zonder grote maatschap-

pelijke nadelen te dragen zijn. Aan een verdere belasting

verhoging zal wel geen verantwoordelijk persoon denken en
zeker niet een Regering, die met de funeste gevolgen ervan

voor werkgelegenheid en welvaart krijgt te maken. Prak-
tisch zullen nieuwe sociale maatregelen dan ook door de

grote massa, zelf worden betaald. Indien men bijv. de
ouderdomsvoorziening wil verbeteren, zullen de trekkers

vân lagere inkomens de kosten hiervan zelf voor het

overgrote deel .(bijv. via indirecte belastingen) moeten

dragen. Doordringen van het besef hiervan zal niet nalaten
de houding van de arbeidersklasse t.o.v. een uitbreiding

der sociale voorziening te wijzigen. Men zal zich meer dan
vroeger – toen er vanuit gegaan werd, dat anderen het
geld opbrachten – voelen in de positie van degene, die het voordeel van een particuliere verzekering afweegt

tegen het nadeel van de inkomensderving, welk& met de
premiebetaling samenhangt.
De financiering oan een daling r’an de opbrengst der belastin-
gen op het inkomen.

Luidt de conclusie van dit artikel, dat een drastische

verlaging der lelastingen op het inkomen, d.w.z. een ver-

laging met op zijn allerminst een ‘derde, noodzakelijk is,
dan dient nog de vraag te worden beantwoord, hoe deze
verlaging moet worden gefinancierd. De opbrengst der
belastingen op het inkomen (in ruime zin, wo. vennoot-
schapsbelasting en dividendbelasting) wordt voor 1949
geraamd op bijna f 1.300 millioen (op een totale belasting-

ontvangst van f 2.919 millioen), zodat met een verlaging
van bijv. een derde een bedrag van circa f 400 millioen
gemoeid zou zijn. Opgemerkt zij hierbij, dat men zich des-
noods een verlaging in etappes kan denken, omdat alleen
al van de zekerheid van lagere belastingen in de toekomst een gunstige werking zal uitgaan.

Wat nu de dekking van de lagere opbrengst der genoemde
belastingen betreft, kan worden gezegd, dat een dekking
door verhoging der indirecte belastingen momenteel is
uitgesloten met het oog op de bestaande spanning tussen
lonen en prijzen, die zich bij een dergelijke verhoging zou
dreigen teontladen in infiationaire loon- en prijsstijgingen.
Beter lijkt het een verlaging der directe belastingen te
verbinden aan een vermindering der overheidsuitgaven,
die trouwens voor een niet onbelangrijk deel een aflopend
karakter hebben. Met name verdient het mi. aanbeveling

een verbinding te leggen tussen de opheffing der subsidies
voor het levensonderhoud en de verlaging der belastingen
op het inkomen. Want is het eigenlijk niet in hoge mate
absurd, dat de Overheid voor in totaal f 600 millioen aan
ieder persoon per jaar f 60 ‘(in het komende jaar volgens
de begroting f 40) in de vorm van prijsverlagende subsidies
uitkeert en zij de hiervoor nodige geldmiddelen weer aan
dezelfde mensen onttrekt via de loon- en inkomstenbelas-
ting, welke door haar hoogte en haar progressie een ernstige
belemmering voor een toeneming der productie en welvaart

betekent? Het lijkt mij dan ook weinig aanbevelens-
waard, overèenkomstig de bestaande plannen, de stijging
van dé kosten van levensonderhoud die het gevolg van
de aangekondigde vermindering der subsidies zal zijn,
voor de arbeiderste compenseren door een loontoeslag.
Waarom niet door een verlaging der loon- en inkomsten-
belasting en alleen door een aanvullende en tijdelijke toe-
slag in de laagste inkomensklassenvoor zover deze door
een dergelijke belastingverlaging onvoldoende worden be:
reikt, hetgeen voornamelijk b.ij gezinnen met meerdere
niet verdienende kinderen het geval zal zijn? –
Uiteraard zullen bij de hogere inkomensgroepen de
voordelen van een proportionele belastingverlaging de
nadelen van de hogere kosten van levensonderhoud al
spoedig overtreffen en de schatkist derhalve in het nadeel
komen. Met het oog op het belang van een verlaging der
belastingen in deze groepen voor de algemene welvaart en
het behoud der werkgelegenheid lijkt het mij volkomen

gerechtvaardigd hiervoor het begrotingstekort tijdelijk

870

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 November 1948

te laten oplopen. Het hieruit voortspruitende tekort kan

m.i. ecônomisch z6wel als fiscaal als zeer productiefwordën

beschojiw’d. De kost gaat ook hier voor de baat uit.
Eindhovei.

Dr H. W. J. A. VREI5EGOOR.

STAATSBURGERSCHAP

EN BEDRIJFSBURGERSCHAP.

De taak der bedrijfsorgahen,

voorzien in de ontwerp-
wetgeving op de publiekrechtelijke . hedrijfsorganisatie,

wordt in de artt. 2 en 71 omschreven. Daar heet het,.
dat de bedrijfsorgânen zijn ingesteld, teneinde:

çen het belang van het Nederlandse volk dienende

wérkzaamheid van, het bedrijfsleven te bevorderen;
het belang van het bedrijfsleven en de daartoe be-horende personen te behartigen.

.

In art. 71 wordt voor het punt onder, 1 hier nog aan

toegevoegd, dat de productschappen en de bedrijfschappen

dit belang bevorderen door de ondernemingen”. (waar-

voor zij zijn ingesteld). Ten aanzien ‘an punt 2 wordt
in dit art. 71 nog gezegd, dat behartigd moet worden ,,het

gemeenschappelijk belang van die onderhemingen en van
de daarbij betfokken personen”.

De vraag is, of hiei twee heren tegelijk kunnen worden
gediend. Dit wâs inderdaad mogelijk in een vroegere

theorie, die zeide: wanneer gij uw eigen belang goed,
redelijk, dient, dan behartigt gij tevens het algemeen

belang. Toen was het slechts de ‘vraag, wat goed en redelijk
dienen van het eigen belang was. Meestal werd niet goed
onderscheiden. De mens had de

neiging naar zich toe te
rekenen. Handelen in de ondernemingen de bedrijfsburgers zoveel betêr?

De vraag ter zijde laténde, of het dienen ‘van het be-
drijfsleven en van het gemeenschappelijk belang der

ondernemingen en van de daarbij betrokken en daartoe
behorende personen door de eigen bedrijfsorganen mogelijk

is, kan in deze werkingsfeer vrijheid ot het behartigen
der eigen belangen worden t6egestaan. De proef ‘moet
worden genorhen. Bélangen van groôtbedrijf en klein-
bedrijf, in één bedrijfschap opgenomen, zullen tegen

elkaar worden uitgebalanceerd. Een overheidstoezicht,
uitgéoefénd langs andere weg dan de ,,repressie”, dat is
de opheffing .door het vernietigingsrecht van datgene
wat in strijd met de wet of het algemeen belang is tot
stand gekomen, is dan niet nodig. 1-let is begrijpelijk,

dat nu reeds wordt geklaagd over onnodige overheids-
inmenging, wanneer hier in geval van een bepaald geschil
,,bij Ons” vorziening wordt gevraagd. Zo komt de Over-

heid wèer ordenend optreden, terwijl het nu juist de be-
doèlïng was de bemoeienis van de Overheid uit te bannen.

Een, in de wet géregeldè, verplichting om deze eigen
bedrijfsbelangen god td verzorgen, bestaat er, niet. De
O’erheid heeft geen initiatief. Zij heeft een goedkeurings-
recht en een vernietigingsrecht. Méér is niet nodig. Voor
,’ele recente beoordelaars is het reeds te veel.

**

– Anders wordt het beleid, wanneer een het belang van
het Nederlandsé volk dienende werkzaamheid van het
bedrijfsleven moet worden bevorderd door de bedrijfsorga-
nen. Hier geldt het de vervulling van een plicht, welke
niet kan of mag worden nagelaten. De Overheid heeft
daarop wêl toezicht te houden. Geen ambtenaar aan een
departement zal kunnen worden gemist; geen departemen-
thie afdeling zal worden opgeheven teneinde het inzicht
van de Overheid in de behartiging van de openbare be-
langen niet te schad&n: Van enige ontvoogding van het

bedrijfsleven is geen sprake: De voogdij komt juist zo
veel te sterker uit; De ,,ontmanteling” van de Staat
kan niet worden voltrokken. De Staat moet: een eigen
oordeeï’bohouden. . •- –
BÎj het behartigen vari dè ëigen belangeii ig hét oordeel

verdedigbaar, dat te veel overheidsinvloed ongewenst is.

Bij het behartigen vn de openbare belangen (geformu-
leerd als: een, het belang van het Nederlandse volk

dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven) moet
worden geconstateerd, dat dw’ai op. de plicht tot het

vervullen van die taak ontbreekt. IIt is merkwaardig,

dat uit de publicaties der belanghebbende organisaties
blijkt, dat op deze tweede taak ternauwernood wordt

gereageerd. Zelfs de spreker (v. d. Lende) die he,t wooi’d

,bodrijfsburgerschap” introduceerde, sprak over de nieuwe
wijze van het behartigen van de belangen van een aan-

merkelijke volksgroep, hiet over het dienen van het

staatshurgerschap, ( wel van het algemeen belang, zij
het, op een nieuwe wijze.

Wanneer het gaat om verordeningen, welke de taak

van wetgever en Regering op zijde zullen zetten, moet

zekerheid bestaan, dat die taak van de Overheid zal

worden overgenomen. Het overheidsapparaat blijft dus

volledig in functie, maar het heeft geen macht dwang uit
te oefenen. Zolang een bedrijfschap niet aan deze regelen

toekomt, zal de ,,wet” moeten regelen. Geen ambtenaar

wordt overbodig. Geen terugtrekken van de Staat is

geoorloofd. Hoe echter is overeenstemming te bereiken
tussen de wettelijke regeling en de regeling, welke uitgaat

van de bedrijfsburgers? Er komen dan tweëerlei regelingen.
Eén voor staatsburgers en één voor bedrijfsburgers.

**
*

liet bedrijfsorgaan is niet alleen belast met een ver
ordenende taak, het bedrijfsorgaan kan ook in een zelf-
bestuur worden betrokken.
Iiierqver handelen de artikelen 94 en 97 van ht ont-
werp van wet.

Art. 94: 1. Het bestuur en de andere organen van een productschap verlenen de bij of krachtens de wet en de
bij een verordening van de Raad gevorderde medewerking

tot uitvoering daarvan.

Het bestuur en de andere organen van een hoofd-

bedrijf- en bedrijfschap verlenen de bij of krachtens de
wet en de bij een verordening van de Raad of het bestuur

van een productschap gevorderde medewerking tot uit-
voering daarvan.
Het bestuur en de andere organen van een bedrijf-
schap verlenen voorts de bij een verordening van het

bestuur van een hoofdbedrijfschap gevorderde mede-
werking tot uitvoering daarvan.
Art. 97: Indien het orgaan van een product-, een hoofd-

bedrijf- of een bedrijfschap, dat tot medewerking is ge-
roepen, deze niet of niet behoorlijk verleent, wordt daarin

voorzien:
indien het betreft medewerking, gevo?derd bij of
krachtens de wet, door de betrokken Minister; in de overige gevallen door de Raad.


Hier komt dezelfde figuur terug, welke geldt, in het
algemeen gesproken, bij de territoriale, lagere openbare
corporaties. Maar de strekking van de gemeentewet is,
de openbare besturen terug te voeren tot hun taak. In
de regeling van art. 97 wordt de uitvoering (het zelfbe-

stuui’) door het departement overgenomen. De bedrijfs-
burger wordt weer staatsburger. De ,,stok bij de deur”,
welke in het publiek recht inderdaad aanwezig is, wordt

niet dan bij hoge uitzondering gebruikt. Zijn de bedrijfs-burgérs gesteld op het vérvullen van een, aan hun bédrijf

en onderneming, vreemde taak?

**
*

1-let is nog niet goed ‘duidelijk, hoe de bedrijfsorganen
twee zo verschillende functies zullen kunnen vervullen.
Bij het behartigen van eigen belangen schijnt te veel
ôverheidsinvloed een bezwaar; bij het behartigen van
de openbare belangen schijnt te weinig overheidsinvioed
een gevaal

Rotterdam.

..

C. IV:

VRIES.

3 Noveniber’ 1
~
48

ECONOMISCH-TATISTISCHE BERICHTEN

871

INGÊZONDEN STUKKEN
• ,


NOObIAALS:
HET
EXPERIMENT.
Ii

S,,


Mr P.•Verloren van Themaat te ‘s-Gravenhage schrijft

Ons:..


.

”…..

Hoewel de repliek van Prof. Goiidriaan in’ ,,E-.S.B.”

van 29 September ji. voor insiders naar mijn mening

zichzelf reeds veroordeelt, ga ik er met het oog op de

tallo’zen, die van de behandelde materie niet nauwkeurig

op de hoogte zijn, gaal’netoch nog eenpuntsgewijze
01) ii).

ad
i. Artikel’ 3
vn’
het’Mijnstatuut omschrijft iiiet
de concrete taak,lmaar de
doelstelling
van de Mijnindustrie-

raad. Daargelateii, dat Prof.; Gôudriaan’ deze onvolledig

en dardooi’ misleidènd citeert: kan de conrete verant-
voorde1ijkh6id an de Mijriindustrieraad in ieder geval
nooit uit dezedoélstelling alleen Wdrden afgelezen, maar

uitslüitend uit dé. do6lste1lin, gecombineerd. met de

niiddelen de bevoegdheden, waaroer de Mijnindustrie.
raad beschiktoom het gestelde doel te’ bereiken.
De voltooiing van de opsomming van de ecorio-

mische- bevoegdheden van de Mijnindustriëraad, welke

Prof. Goudriain,geeft, ‘bevéstigt slechts, dat deze niet of

nauwelijks

over niiddelen beschikt om de productiviteit
van de mijnen te bevorderen en voor een eventueel te
lage productie van .de mijnen dus niet verantwoordelijk
mag ‘worden gesteld. Prof. Goudriaan herhaalt hier de wetenschappe-
lijke fout, welke hij in zijn rëdenering ten opzichte van de
M:1R: mdakte, nog eens ten ôpzichte’ van de bedrijf-
s6happen voor de voedselvoorziening Hij spreekt zijn
afkeuring uit oyer een aantal z.i. verderfelijke maatregelen,
o.a. de verhoging van de landarbeiderslonen, en laat dan

Barbertje in casii de bedrijfsohappen, daarvoor hangen.
Deze zijn aan deze maatregelen, welke men al of niet juist
kan achten; echter ”olkomen onschuldig. Zelfs de meeste buitenstaanders zullen tochweten, dat de bedrijfschappen
ten aanzien van de loonvaststelling geen enkele bevoegd-
heid beitten. En ten aanzien van de subsidies zal Prof.
Goüdriaan ook ivel’ weten, dat deze niet van de bedrijf-
schappen afkômstig zijn, maar van de parlementair de-
moôiatische regering.

Ik’ constateer, dat Prof. Goudriaan tegen een
advisërende functie van de publiekrechtelijke bedrijfs-
ôrganisatie

welke voor de Sociaal-Economische. Raad
de belangrijkste en ook elders een belangrijke is

in
ieder geval geen bezwaar meer heeft. Floe Prof. Goudriaan
aan de stelling komt, dat het wetsontwerp ten opzichte van
de verordenende bevoegdheid minder garanties voor het
algerheen belang bevat dan bijv. dé Gemeentewet, is mij een raadsel. Dit originele verwijt hen ik nog nooit eerder
tégengekomen en vindt in het öntwerp toch wel heel
duidelijk geen steun.
Wahneer Prof. Goudriaan meent, dat onder-
nemersovereenkoinstèn althans de vestigingsvrijheid steeds
ônbeperkt laten, heeft hij het mis. Gelukkig hebben de
leden der. Staten-Generaal bij herhaling blijk gegeven
in dit opzicht beter geïnformeerd te zijn. Korthëidshalve
volsta ik met Prof. Goudriaan in dit verbknd verder te
ivijzen op het hoofdartikel van Prof. Romme in de Volks-
krant vân 2 October jl.
Ik’ constateer vöorts nog, dat Prof. Goudriaan blijft
negerén het belangrijke door mij vermelde advies van de

Mijnindustrieraad 6ver de wijze, waarop de productivi-
teit der mijnen zou kunnen worden bevorderd (het enige

en indirecte middel, waarover de Mijnindustrieraad beschikt
om aan zijn indirecte doelstelling op dit punt iets te doen).
Daarentegen blijft hij verwijzen iiaar twee oorbeelden,
waarbij in het ene geval zijn (al of niet gerechtvaardigde)
verwijt niet tegen de Mijnindustrieraad, maar uitsluitend
tegên .de vakbeweging kôn worden gericht

oals
men
bij herlezeii van’zijn vborbeelden direct zal zien

terwijl
in
het;
andere geval

dê. Mij nindustrieraad blijkens een
later perbëricht- zelf zijn begrijpelijke bezwaren voor. de

zwaarder wegende eisen vah het algemeen be1aig heëft
laten wijken. Het bewijs van zijn te1lingen moet Prof.

Goudriadn nog steeds leveren. Maar intussen zal -deze

overtuigde parlementaire deni’iocraat zelf wel blijven menen;
dat, wat ër in Nederland ook verkeôrd gehehrt, depubliek

rechtelijke bedrijfsorganisatie de schuld draagt.
.
Wanneer

er tenminste op het betrokken gebied e’en bedrijfsogani:

satie bestaat. Ik lio dus voor ‘Prof. Goudriaan, dat ‘er,

spoedig vele van dergelijke gémakkelijke zondëhokken

zullen worden ingesteld. De.,productie van
,
,Goud riaanse.

cénclusids” ver’de oorzaken vali econOmische ulisstanden

zal daardôor in icdei geval aanmerkelijkkünnen
wôi’deu
bevorderd.

iVaschri!t.

Ik laat.
Mi
Verloren van Themaat gaarne
hot)
•laatst

woord.

J.
(;OUI)](LAN.

ENKELE UITDRUKKINGEN OP VERVOERSC4EB11
,
h).,

‘De
heer
11…A. cle Melverd’a te ‘s-Gravenhage schrijft

ons:
Onder bovenstaande titel gaf Prof. Ir F1: van Breen in
,,E.-S.B.” van 6 October 1948 enige aandacht aan ‘de
terminologie ‘in het verkeer (en.
: . .
het vervoer)… l-lët’ is
.nuttig aandacht aan terminologische kwesties te.wijden
;

maar het is ook heel dikwijls niet nuttig of nog niet nuttig.
Ik bén persoonlijk geen vurig bewonderaar van defini
ties èn wel om verschillende redenen. In de eerste paats
hebben definities begripsverstarring tengevolge; gedachten
zijn levende dingen en men moet ze liefst levend laten,
zolang ze nog een scheppend vermogen moeten behouden.
In de tweede plaats
halen
definities de gedachten meetal
voortijdig uit de abstracte naar de concrete denksfeer
omlaag en bemoeilijken daardôor het abstracte denken.
In de derde plaats is definiëren om wijsgerige redenen
eigenlijk niet mogelijk, hetgeen Spinoza uitdrukte met zijn gezegde: ‘omnis determinatio est omnis negatio; met enige

wijziging zou ik dit willen weergeven met de woorden:
hoe meer ‘men definieert, hoe’ minder men definieert.
Deze drie bezwaren laten zich.zeer wel demonstreren
aan de hand van de beschouwing van Prof. van Breen.
Alen vatte tot goed begrip het onderstaande echter niet
als critiek op, doch slechts als waarschuwing-tegen hegrips-
verstarring, hetgeen nog erger is dan hegripsverwarrieg.

1-let is zeer juist de ‘,,uitdrukkingen”
eerkeer
en.
m’ercoer

te onderscheiden. Doch daarnaast is er behoefte.aan een
woord, dat beide uitdrukkingen overkoepelt. De terminolo-
gie zou inderdaad een voordeel hebben bereikt,
als
hiervoor

een derde woord algemeen kon worden aanvaard. Doch in depractijk heeft men zich nog steeds bhoIpen met het
‘woord verkeer
;
zodat wij zitten met twee uitdrukkingen:
verkeer in engere zin en verkeer in de betekenis van het
eerste plus vervoer. Doch wat is hier eigenlijk tegen? Dit
overkoepelende begrip vindt men in de benamingen Mi-
nisterie van Verkeer, Directeur-Generaal van het Verkeer
enz., en als zodanig zijn ze juist, tenzij a priori vaststaat,
dat de benamingen uitsluitend betrekking kunnen hebben
op vervoer, want dan zou de benaming te ruim zijn:
zowel te ruime
als
te enge henamingen zijn onjuist. De dooi’ Prof. van Breen voorgestelde benaming van hijv. Ministerie
van Vervoer (en Waterstaat) is mi. beslist te’eng, daar

ik meen, dat dit ministerie zich ook no
g
bezighoudt met

het verkeer
in
engere zin:, verkeersbeveiliging, verkeers-
tellingen, P.T.T., enz.
In de Engelse taal heeft het begrip ,,transport”
(=
ver-

voer) liet begrip ,,traffic”
(=
verkeer) overgroeici; in de
Nederlandse taal is dit juist andersom gebeui-d. Oorzaak kan zijn de klank: verkeer klinkt nu eenmaal mooier dan
vervoer; voorts:. verkeer is concreter clan’ vervoer; ten-
slotte:

verkeer heeft eei’der, prob1men opgeworpen clan
vervoer.

872

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 November 1948

Ernstiger zijn echter mijn bezwaren tegen het verstai’-

rende karakter van definities in de door Prof. van Bren,

voorgestelde omschrijving van
coördinatie.
Dat Prof. van

Breen dât er onder wil verstaan, ach, wat is er tegen?

Doch laten wij het. niet allen doen. Of moet men de.

volgende omschrijvingen a priori onjuist achten: bij coör-

dinatie streeft rden naar zo gering mogelijke geldelijke

offers voor een zelfde totaal van vekeersdiensten (zwaar-

tepunt bij de totale effiiency); bij coördinatie streeft

men naar een zo rechtvaardig mogelijke verdeling over de
onderscheidene verkeerstakken (zwaartepunt bij de recht-

vaardigheid); bij coördin”atie streeft rrien naar glijke.voor-
waarden vanexploitatie (zwaartepunt bij gelijkheid-), enz.

Al deze omschrijvingen zijn zeer wel houdbaar en des-

ondanks niet identiek. Aan elke definitie kleven nadelen.
,De voorkeur van de een voor een bepaalde definitie en die

van een ander
‘roor
een andere definitie komt voort uit

een bepaalde vooringenomenheid, waarvain men zich dik-
wijls geen rekenschap geeft. Zelfs bij standaardisatie van

definities zouden deze vooringenomenheden nôg bestaan;

wat is dan het nut van standaardisatie? Er zijn geen twee

mensen, die precies hetzelfde denken, en daarom ln de
eenheid van gedachten en dus van definities van abstracte

begrippen nooit komen. Men moet daarom zoeken naar
eenheid van streven. Dat is veel belangrijker.
Dat voorts de oms’chrijvingen van Prof. de ‘Vries en van

Prof. van Breen (zwaartepaint bij uitsluiting van concur-

rentie) verstarrend en verwarrend kunnen werken, moge
blijken, als men zich afvraagt, wat eigenlijk ,,schadelijke”

concurrentie is, wie er uitgeschakeld moet worden als er

,,schadelijke” concurrentie is (voor concurrentie zijn
er altijd tenminste twee T) en waarom er beslist geconcen-
treerd moet worden voor en aleer men ,’an coördinatie

kan spreken. 1-let bezwaar tegen de voorgestelde omschrij-
ving is mijnrzijds voornamelijk gericht tegen de omstandig-
heid, dat zij het gevolg is ‘an een bepaalde theorie, die op

zichzelf zeer betwistbaar is. –
Men doef daarom beter zich een ideaal voor ogen te

stellen van rechtvaardigheid en doelmatigheid en dit na
te jagen, ‘nu eens meer het accent leggend op het ene,

dan weer meer op het anderel Wat coördinatie dân wordt,

is dan meer een kwestie van beleid dan van definitie.

Ir P. A. C. du Pui te ‘s-Gravenhage schrijft ons:
Naar aanleiding van het artikel van Prof. Ir H. van
Breen, getiteld: ,,Enkele uitdrukkingen op vervoersgebied”

in Uw nummer van 6 October 1948, nr 1639, moge ik het

volgende op merken
Door Prof. van Breen wordt voor het begrip coördinatie

de definitie genoemd, ‘ivelke meer dan tien jaren geleden
naar voren werd gebracht, nl. : ,,concentratie gepaard gaand met opheffing van (schadelijke) concurrentie”.
Ik meen, dat’deze definitie niet juist is. Onder ,,côör–
dinatie” moet naar mijn mening worden verstaan een

ordening van de vervoerstakken in die zin, dat invloed
wordt uitgeoefend op de wijze, waarop de verdeling over

de in ‘aanmerking komende vervoers takken van zich
ten vervoer aanmeldende reizigers of de ten vervoer aan-

geboden goederen geschiedt.
Onderscheiden moet worden het begrip coördinatie,

zoals hierboven gedefinieerd is, en de coördinatiemaat-

regelen. –
Een coördinatiémaatregel kan bijv. zijn: concentratie,

– het stellen van tarieven, het door middel van een ver-
gunningstelsel weren van een yervoerstak op een bepaald

traject of de bovengenoemde maatregelen tot opheffing

van schadelijke concurrentie.
Indien nu concentratie en maatregelen tot opheffing

van schadelijke concurrentie alleen worden samengevat
onder het begrip coördinatie, dan is daarmede slechts
een deel van wat onder de maatregelen, die onder coör-

dinatie kunnen vallen, aangeduid en allerminst het be-

grip coördinatie uitputtend omschreven. –

Ik zou dan ook willen bestrijden, dat coördinatie op
vervoersgebied in alle gevallen met zich brengt een

concentratie van vervoersbedi’ijven; zelfs behoeft het
begrip coördinatie niet altijd aanpassing Van vervoers-

capaciteit aan de vervoersbehoeften op passend verzor-

gingsniveau te omvatten.

Naschrift.

Met genoegen heb ik kennis genomen van de beschou-

wende opmerkingen, die de heer de Melverda heeft willen

wijden aan mijn artikeltje.’ 1-Jij gaat daarmede beduidend

verder dan ik heb willen gaan en mét het oog op het

door mij vooropgestelde doel gemeend heb te moeten gaan.

Hij uit daarbij de vrees voor bemoeilijking van het abstrac

te denken en acht het niet uitgesloten, dat zich hier ook

het bezwaar doet gelden van minder te definiëren door

-meer te definiëren. Om dit laatste te bnderstrepen haalt 111j

Spinoza aan; hij had misschien beter nog ve’der in de

geschiedenis ‘der filosofie kunnen teruggaan tot Socrates,
de denker van het zuivere begrip.

Zonder mij los te maken van discuisief denken, ben

ik in de concrete denksfeer binnen bepaalde grenzen ge-

bleven op een gebied (het vervoersgebied), waarop inge-

wikkelde problemen praktisch moeten worden opgelost en

verwarring bestaat m.b.t. enkele bij het zoeken naar

oplossingen gebezigde uitdrukkingen. Tegen deze verwar-

ring houdt mijn artikeltje een waarschuwing en een voor-

zichtige aanbeveling is. Verstarring kan hiervan niet het

gevolg zijn, want ik definieer niet doch tracht, als door
mij nadrukkelijk gesteld, een voor de practijk voldoende
nauwkeurige benadering fe geven van wat de behandelde
uitdrukkingen inhouden.

Ik stel er nu echter prijs op te verklaren, dat ik het

verderreikend betoog van de heer de Melverda kan volgen,
grotendeels met instemming kan volgen, vooral waar hij

aandringt op zoeken naar eenheid van streven en w’aar

hij besluit met. de opmerking; dat coördinatie meer een
kwestie van beleid dan van definitie ï, waaraan ik zou

willen toevoegen, dat het geheel een kwestie van beleid is.

De heer de Melverda werkt er tot mijn spijt niet toe mede
de verwarring, die bestaat ten aanzien van de uitdrukkin-

gen verkeer
(oQerbrenging)
en vervoer, tegen te gaan dor
de Engelse uitdrukkingen ,,traffic”
(beneging)
en ,,trans-
portation” in vergelijking daarnaast te stellen. Mij dunkt,
w’aL deze uitdrukkingen in onze taal betreft, behoeft er
geen verwarring te bestaan en behoeft niet naar een nieuw
woord om beide uitdrukkingen te overkoepelen te worden
gezocht; hiervoor diaint reéds het woord verkeer. Men
bedenke echter, dat alle vervoer verkeer is maar niet alle
verkeer vervoer. De uitdrukking vervoer, heeft een kleinere
sfeer daiTi de uitdrukking verkeer, waarvan de sfeer die

van vervoer insluit.
Ik moet toegeven, en doe zulks gaarne, dat ik met de
suggestie om de benaming van het Ministerie van Verkeer
te verbeteren fout bn geweest. De heer de Melverda heeft
gelijk, dat, aangezien P.T.T. deel uitmaakt van dit Ministe-
rie en dit ook bemoeienis heeft met verkeer (hewéging),
de benaming Ministerie van Vervoer beslist te eng zou zijn.
Zelf heb ik me eerder in ,,E.-S.B.” voorstainder getoond
van onderbrenging van P.T.T. bij het genoemde Ministerie
en nog duidelijk staat mij voor de geest de voordracht van
de toenmalige Secretaris-Generaal van dit Ministerie,
Mr Spitzen, over de door hem voorbereide nieuwe ver-
keerswetgeving op de K.N.A.C-dag van ‘het vorige jaar.
Ik heb dus wetens gedwaald T Belangstellende lezers zou-
den mij verplichten met in mijn artikeltje dé woorden hoewel dit wellicht beter Ministerie van Vervoer (en

Waterstaat) had kunnen heten” te schrappen.
In alle bescheidenheid meen ik, dat het door de heer
de Melverda naar voren gebrachte over coördinatie niet in’
gaat tegen een omschrijving daarvan, welke hij mij alleen
wil laten. Ik voel t.o.v. coördinatie met hem de kracht,
welke kan uitgaan van het zich voor ogen stellen en na

,3 November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

873

/
jagen van ‘een ideaal van rechtvaardigheid en doelmatig-
heid, maar dan niet, als door hem vöorgesteld, beide ver-
anderlïjk t.o.v. elkaar, doch beide altijd gelijk gewicht toe-

kennend. Wat ik in verband daarméde eenvbudig met de

door mij aangegeven betekenis heb willen bereiken, is, dat

de uitdrukkingen coördinatie en concentratie, aI9 men de

ordening van liet vervoer beoordeelt, passend zullen worden

gebruikt. Aangegeven als door mij is gedaan, passen de

aangehaalde uitdrukkingen bij het
beleid,
dat ten behoeve

van de vervoerscoördinatie sedert de instelling van het

Verkeersfonds in 1984 is gevoerd; en wat van niet minder
belang is, zij passen ook bij de voorwaarden, die voor de
wederopbouw van het vervoersapparaat onder de huidige

omstandigheden moeten worden gesteld. Deze vorderen,

dat het zwaartepunt gelegd worde op de door de heer de
Melverda liet eerst genoemde streving bij coördinatie doch

verder ook groot gewicht toegekend worde aan de andere
door hem genoemde strevingen bij coördinatie en aan

nog meer.
Ik moge ditnaschrift op de. waarçlevolle beschouwingen
van de heei’ de Melverda eindigen met de verduidelijking,

dat onder schadelijke concurrentie, door mij in combinatie

-met concentratie genoemd, bedoeld is: concurrentie, welke
ben adeling van het algemeen belang ten gevolge heeft.

De heer du Pui blijft, voor zover mijn bescheiden arti-

keltje betreft, bij riij in de buurt. Ik neem toch aan, dat
hij met het gebruiken van het woord begrip niet bedoelt
zich op wijsgerig terrein te begeven, reden, waarom ik zelf
dit woord vermeden heb, waarbij ik aanstonds ter attentie’
van de heer du Pui aanteken, dat ik ook geen definities
gegeven heb, wat hij wel poogt te doen.
Als ik dan de heer du Pui goed begrijp, meen ik, dat er

van-tegenstelling tussen ons sprake is, waar hij als definitie
aangeeft
wat door
coördinatie moet worden bereikt en ik

genoemd heb
door wat
coördinatie is te bereiken. Over
watbereikt moet worden – dat ik iets verkort anders
dan hij zou willen voorstellen als de economische verdeling
van het vervoer over de verschillende vervoerstakken
bestaat waarschijnlijk geen verschil van mening tussen
de heer du Pui.en mij. In dit verband moet ik echter op-
merken, dat ik er hierbij van uitga, dat de heer du Pui
met het slot van zijn waLhij noemt ,,bestrijding” niet
bedoelt te doen uitkomen, dat naai zijn mening niet altijd
gezocht behoeft te worden naar aanpassing van de vervoers-
capaciteit aan de vervoersbehoefte en ook niet op de hoogte.
van het verzorgingsniveau ‘behoeft te worden gelet, tot
waar economisch verantwoord mag worden gegaan. Zulks
zou, vooral onder de tegenwoordige omstandigheden, erger
zijn dan de vervoersluxe van voor de oorlog in bescherming
nemen, zou nu met toelaten van ongeoorloofde verkwisting
van schaarse maatschappelijke goederen gelijk staan.
Dat onderscheid moet worden gemaakt tussen coördi-
natie en coördinatieniaatregelen is juist. Ik dacht dit te
hebben gedaan. Ik noemde de twee belangrijkste maat-
regelen; mocht mij daartoe bepalen ook, omdat ik naast
.-,opheffing van schadelijke concurrentie” de uitdrukking
concentratie speciaal in verband wilde tonen met de
uitdrukking coördinatie, welke uitdrukkingen veelvuldig
verwarrend worden gebezigd. Uitputtend omschrijven van
de laatste uitdrukking heeft niet in mijn bedoeling gelegeö;

nog minder heb ik de weg van begripsanalyse willen op-gaan; met opzet heb ik die, als vooropgesteld, niet
,
willen
gaan. Ik heb..mij ook onthouden van het aangeven der voor conôentratie in aanmerking komende bjecten om
tot coördinatie te komen. De heer du Pui noemt alleen die
van de vervoersbedrijven; er kunnen meer zijn. Om deze
reden kan ik het eens zijn met hem, dat niet in alle gevallen
coördinatie concentratie van vervoersbedrijven met zich
behoeft te brengen. Er kunnen zich eveneens gevallen
voordoen, waarin bijv. met concentratie van vervoersver-
gunningen geschikte coördinatie is te verwezenlijken. Ook

kunnen zich gevallen voordoen, waarin tarievencoördinatie,
te rangschikken onder de coördinatiemaatregel ,opheffing

van schadelijke concurrentie”, de gewenste vervoersco-

ordinatie bevordert.
Dit naschrift op de door mij gewaardeerde critiek van

de heer du Pui wil ik besluiten met nog op te merken, dat

indertijd de instelling van het Verkeersfonds mede als een

concentratie in het belang van de vervoerscoördinatie

werd opgevat.

‘s-Gravenhage.

Prof. Ir H. VAN BREEN.

LONDON LETTER.

London,’ October 30.

The ,,Daily Express”, Britain’s largest newspaper with

a circulation of nearly 4,000,000, recently published a

story” saying that Sir Stafford Cripps had instructed

our Civil Service chiefs-that they must reduce their staffs by 10 per cent. The Treasury promptly denied the charge,

saying that while the Government “is continuously

conderned to secure all possible administrative economies”,
no ordej’ had been issued for’ “arbitrary” staff cuts of
ten per cent. or indeed any other fixed percentage.
Yet it would seem that some reduction in the number
of persons not in directly productive employment will

sooner or later have to be achieved if we are to balance our external accounts unaided and maintain our present
standard of living. For it is now officially and freely

admitted that as at present constituted our economy
has virtually reached its maximum effort. Sir Stafford
Cripps has said our increase in output over pre-war
represents not an increase in PMH but merely reflects
the fact that the pre-war unemployed now have jobs.
The official programmes for the year to June 30, 1949,
produced •for the American authorities as a condition
of the granting of the first year’s Marshall aid show that

the levels of production, consumption, investment and exports in the next eight months are expected to differ
very little from those of the past few months.

It w’ould thus seêm that any additional worthwhile
expansion in ourproduction and exports must come from
one or another of the folloving sources:
1-larder work by individuâls
Increased technical efficiency in industry

(3)A reduction in the capital investment programme
A reduction in consumption standards
An actual increase in the numhers employed in
productive industry.
rfh
ere
seems no reason to expect any sensational results
under (1). 1f all the propaganda efforts of the Government
so far have failed, it is difficult to, see why they should
succeed in the future. Any attempt at such expedients
as an increase in the working week are politically impossi-
ble. There is undoubted scope under (2). 1f British industry
had abundant raw materials, it could certainly avoid
many of the stoppages and delays which are today impe-
ding output. But it is difficult to forecast such conditi1ns
with any real confidence today. And the other main
source of increased output under this head – improve-

ments in technology and mechanisation – is traditionally
a slow and gradual process.

A reduction in the capital. investment programme
would involve either a sore blow to hopes of improvément
under (2),or the sacrifice of many projects (such as housing)
which the Government would find it politically most
difficult to abandon or reduce. Equally,’ no Government
would be anxious to resort to (4), except in dire emergency,
particularly when standards have already suffered con-
riderable reduction. ,It is worthwhile, therefore, examining the possihilities under (5)., for although increased produc-
tion and exports could be secured under the other headings,
No. 5 does seem to be the least painfuf.

14

874

ECONOMISCR-STATISTISCHE BERICHTEN

.

3 November 1948

r
The following ta1e cntrasts the distribution of Britain’s

manpower
as
at June 30, 1939, and July 1948;

Jun’e

July

1939.

1948

– Thousancls

Total working population

……….

19.750

20,265

Armed forces and auxiliary services .

480

816

Total in civil employrnent

……..18,000

19,069

Agriculture,

fishing,

ctc.

……….
950
1,118

Mining and quarrying
873 840

National Govt. service

.•
539
990

Local

Govt.

service

…………..
846
1,142

Ciil defence, fire service, police

.
80
91

Gas, water and

electricity

……….
242

276

Transpbrt and

shipping

……………
1,233
1,475

Mantifaturing

industries
.
.. …..
….
6,815
7,240

Building and civil-engineering …….
.
1,310
1,377

Distributive

trades

………. . …
.
2,887

.
2,360

Commerce and finance,

professional’

and personal service, entetain ments,

catering,

etc….. ……………..
2,225
2,160
Unemployed .

…….. ……..

……
1,270
290

it will be seen that on the positiveside, Britain’s avail-

able manpower resources have been increased by 515,000

between the two dates,. while the f all in unemployment

has yielded 980,000 workers. These gains, howe.ver, have
been offset and more than offset first by an increase
(regrettable but inevitable and likely,. in today’s circum-
stances, to go further) of 336,000 in the arrned forces,.

and secondly by a rise of 758,000 in the numbers employed

in the various forms of Government and local services.
The gains in the manpower foroes of manufacturing and

other industries have only been secured by means of re-
ducing. those in the distributive and ,.professional”
sections of the economy. Such reductions may well be an

inevitable part of our adjustment to a lqwer standard

of livïng. But it is difficult to see how they can go much
further. 1f that is so, thea the only remaining field for new

sources of manpower would seem to be the ,,bureaucracy”.
This, however, raises the w’hole question of rationing and
controls, for it is obvious that the. increased manpower

requirements of Government Departments and the

local authorities reflect, in the main, the mass of egu-
lations and rationing schemes which were non-existent
beforo the war. There has undoubtedly been a trend

in recent months in Britain towards a relaxation of con-trols, for more and more is rationing being achieved by
shortage of cash rather than by coupons. Yet there are
no signs that this relaxation is releasing manpower from
Government and local authority service, but rather the

reverse. Very often the explanation is simply that relaxa-
tion .by itself releases no manpower; only complete
abolition Of the controls could do that. Indeed, it is some-
times the case that relaxation of controls, or more generous
raoning, involves more, not fewer, officials. The resto-
ration of a petrol allowance for pleasure motoring live
months ago, for example, can hardly have failecl •to
inerease the numbers ernployed in the Petroleum Offices.
The urgency and full significance of the- matter fails
toemerge from the statistics of manpower quoted above.
For It is certain that within industry itself large numbers
of people, nominally in productive employment, constitute in fact the opposite numbersof the Civil andLocalGovern-

ment servants; they are occupied in filling in the forms,
just as the “hureaucrats” are occupied. in conipiling and
later collating them. 1f this “unseen” loss of manpower
could be,assessecl, then it w’ould almost-certainly ho found

that the cost of controls in ternls of nianpower bas more than offset the apparent incienseS in tliose pr,oductively

employed.

1

,

.lt is easier to pose the prob1em than to suggest its
so.lution. The Government carlier this year was.evidently

conscious of the need to reduce the number of non,

productive workers, for in Economie Survey for 1948,

it was, for example, budgetting for a fail in the.numbers omployed in Local Government service from 1,105,000

at
the end of 1947 to 1,075,000 by the end of 1948. As the

table ahove shows, however, so far from the total having

been reduced, it bas actually heen substantially increased.
The only useful conolusion which can ho reached is that

ye can choosc betwe?n being satisfied that our present

progress represents virtually the maximum that can he’

achieved. with our present manpower resources, or w’e

can increase those resources hy cutting controis to the
nnimutn and allowing the price.mechanismto.tpke theit

place. Neither alternative is really 1)alatable to-public

opinion in this country ‘loday. But it is probably fair

to say. that if a referendum was held now, .-inajority
opinion would stili ho against the abolition bi controls;

the doctrine, of ,,fair shares’? is very, deeply ingrained. in

the British mmd.

AANTEKENING.:

DE AMEBIKAANSE LANDBOUW.

lIet wel en wee van de agrarische sector in de Verenigde

Staten was vôôr de oorlog van grote ‘betekenis voor
gehele wereld; thans is dit in zeker niet -mindere mate

het geval. Interessant is daarom het overzicht, dat, onder
-de titel , ,Agriculture in mid-1948″ verschenen is in het
,,Federal Reserve Bulletin” van September jI. liet vol-

gende is hieraan ontleend.
In het algemeen zullen de oogsten dit jaar ruim 10 pCt
boven die van.het vorige jaar liggen. Dit is vrijwel geheeL
het gevolg van gunstige weersomstandigheden; het be-

bouwde areaal is thans slechts 1 pCt groter dan in 1947. Opvallend is vooral de sterke stijging van de’maisoogst,
die met 3,5 mld bushels bijna 9 pCt groter zal zijn dan het

record, dat in 1946 werd’gehaald, en die bijna 50 pCt
boven de oogst van 1947 zal liggen. De katoenoogst zal
ca 30 pCt boven die van 1947 komen. De tarwe-oogst
ligt weliswaar, met 1,3 mld hushels, 6 pCt beneden die
van 1947 (een recordjaar), doch is altijd toch nog- 70 pÇt

groter dan voor de oorlog.
11
1
het.algemeen wordt, wat de

akkerbouwproducten betreft, een aanzienlijke vergroting

der carry over,” verwacht. Daarnaast zal over het geheel genomen de veeteelt-
en zuivelproductie- 5 pCt beneden die van 1947 liggen.
Gedurende de laatste jaren is er voortdurend meer vee

voor slachtdoeleinden verkocht dan anderzijds werd ge-
fokt. Weliswaar zijn door de ruime oogsten van VOOr
veevoeder geschikte producten de kosten van veevoeding
ruim 30 pCt lager dan in Januari jI. (toen deze kosten
exceptioneel hoog waren), zodat , ,incentives” voor
uitbreiding der veeteelt ruimschoots aanwezig zijn; het betreft hier echter een proces, dat pas op de lange duur
voelbaar zal worden in een vergroot aanbod van veeteelt-
en zuivelproducten. Voorshands zal in elk geval het aanbod
van deze producten worden beperkt door ht feit, dat het aantal stuks vee thans aanzienlijk beneden de tijdens de

oorlog bereikte top ligt.

De expo’t çui ograrLsche producten.

Zo groot zijn inmiddels cle verwachte oogsten, dat het
Bulletin verwacht, dat ze aanzienlijk bovefi liet peil der
te verwachten binnenlandse vraag en der exporten zullen
komen. Wat de agrarische export betreft, deze was,

naar waarde gerekend, in de eerste heil t van dit jaar
22 pCt lager dan in de overeenkomstige periode van 1947;
cle export van enkele der met agrarische. grondstoffen

yervaardigde producten, zoals katoenen weefsels en ciga
i’etten, toonde een nog scherper daling. Een en andey’neenit

3 November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

87;3

jiiet weg, dat de agrarische .exportcii, naar waarde, ruim

4 maal zöiioog waren als vôôr de oorlpg.
Naar hoeveelheid vertoonden de agrarische producten
in vergelijking met v66i de oorlog gröte onderlinge ver-

schillen: de exporten van granen, eieren en zuivelproducten

svaren in de eerste helft van dit jaar aanzienlijk hoger, die

van katoen en tabak waren belangrijk lager. Van vrijwel

alle agrarische producten was echter de export, naar hoe-
veelheid, de eerste 6 maanden van dit jaar lager dan in de

eerste helft van 1947.
Dit laatste weerspiegelt de dollarschaarste. Inmiddels
ging do. daling der buitenlandse vraag gepaard met een
daling van die in hei binnenland, waardoor de betrokken
producten de afgelopen maanden in prijs daalden. De

financièring van de agrdrische export zal thans worden
vergemakkelijkt door de aan het buitenland te verlenen
hulp. indien, aldushet Bulletin, dë omvang der Amen-
kaanse importen wordt vergroot en de door do Verenigde

Staten verstrekte leningen en ,,grants”toenemen, zullen

cle middelen, die ter financieningvande export in 1948/1949
ter beschikking zullen staan, zeker van dzelfde grootte

zijn als in het âfgelopen jaar. Wellicht zal het gedeelte
dezer middelen, datvoor de aankoop van agrarische
iroduoten %ior.dt bestemd, kleiner zijn dan het vorige
jaar; gezien echter de lagere agrarische prijzen kan het
volume der agianische eporten een stijging ondergah.

De hoogte der ograiische prijzen.

Na çeii duidelijke tijging in de herfst van 1947 en de
daarop vôlgende winter, vooral w’at de graanprijzei he-
treft lag de tötalindex der prijzen, ontvangen door de
boeren, medio Jan’uari jl. 30 jCt boven het hoogste peil
van de na-oorlogse inffatieperiode van 1919-4920 en
ca 185 pCt boven het gemiddelde van i9,351939. Na
een ‘scherpe daling in Februari steeg de index opnieuw,
vooral t.a.v. veeteeltproductén, waarna medio Juli een
punt w’erd bereikt, dat slechts 2 pCt beneden cle top van
:Januani lag. Van medio Juli tot eind Augustus gingen de
prijzen vervolgens weer 5 pCt ohilaag.
De graanprijzen verdienen afiönderlijke veimelding.
Gedurende 1948 gingen de noteringen scherp omhoog.
Dit w’s een gevolg van omvangrijke aankopen, van
1ederale zijde, voor exportdoeleinden, van de slechte
‘mdisoogst, van clë scherpe daling van Europa’s graan-
productie, van de gure w’inter, en tenslotte van de algemene;
stijging van inkomens en prijzen, vooral in de tweede helft
van het jaar. In Januari jI. bereikten de graanprijzen eên
top: 60 pCt boven het peil van begin 1947, 250 pCt boven het vooroorlögsë gemiddelde. Intussen werd het duidelijk,

dat de wintertarwe-oogst zou meevallen, dat Argentinië
een goede tarwe-oogst kon verwachten en dat de vraag
oor veevoederdoeleinden niet zo groot zou zijn als was
verwacht. De prijsstijging wrd afgeremd, en begin
Februari volgde een schere daling, toen speculatieve
belangstelling yoor ‘verdere stijging verdween. Nieuwe
>rijstijgingen bleven vervolgens binnen de perken, toen
in de dadrop volgende maanden uit alle delen der wereld
gunstige oogstrappoiten binnenkwamen; tenslotte resul-
teeedc. cle buitengewone omvang der ii icuwe oogsten in

‘erdene prijsdalingen.

S’!eu
nrn ontregelen.

Van liet einde vn dc oorlog af tol clii seizoen iiebhen
‘Fiderale maatregelen tot steunadn cle agrarische )Iijzen
slechts zeer incidenteel plaatsgehad; alleen cle aard’apel-
prijzen werclefl ieder jaar gesteund. In Augustus jl. echter
bevonden deprijzen van de meeste producten zich op de
support levels”. In Juli en Augiitus fluctueerden de
tarwepnijzen zelfs ièts beneden dit peil, vul, als gevolg van
gebrek aan opslagruimte, welke voldeed aan de daaraôn
gestelde Federale eisen. -Bij zeer grote oogsten hebben de ondersteuningsmaat-
regelen de tendentie de prijzen zover boven de vrije-

marktprijzen te houden, dat stijgingen onmogelijk zijn,

tenzij zich buitengewone ontwikkelingen voordoen. Ond»’

dergelijke omstandigheden bezorgen do maatregelen cle

producenten grotere inkomsteii dan zij anders zouden

ontvangen en’ tevens beperken zij de omvang van reducties

van kosten en ‘prijzen, welke producenten inandere sec-

toren (en indirect cle donsumenten) als gevolg van liet
overvlo’edig aanbod zouden kunnen genieten. In hoe”enie
juist het overvloedig aanbod moet word en toegeschreven
aan tevoren vastgelegde Federale verplichtingen tot steun
dan de prijzen, is, aldus het Bulletin, een belangrijke vraag
‘bij iedere poging tot beoordeling van de gevolgen van cle

steunprogramma’s.

Het inkomen der agrarische producenten.

Het ‘Bulletin verwacht, dat ‘het totale inkomen, uit
verkopen door de boeren genotn, in 1948 iets hoger zal
• zijn dan het bedrag’van S 90 mld, dat in 1947 werd ont-

.’vangen. ‘Gedurende de eerste 7 maanden van 1948 waren de kasontvangsten ca 4 pCt hoger dan in de overeenkorn-
stige’ periodeS van het vorig jaar. Voor bodembehoud keert

‘de Overheid in 1948 aan de boeren ongeveer evenveel uit
als in 1947, toen het betreffende bedrag $ 350 mln beliep.
Het totale ,,cash farm income” zal dit jaar bijna’4
maal zo grodt zijn als int 19351939. Netto ‘zullende

kasontvangsten naar verhouding nog iets, hoger zijn, daar

de prod u ctie-uitgaven naar verh,ouding minder zijn ge-stegen. Reëel gezien, rekening houdende dus met de stij-
ging vafi de kosten 1van levensonderhoud, ligt het ,,net
cash income” ongeveer 2 maal zo hoog als voor de oorlog.

‘Wat dit betreft, ‘vërtonien de groepen van ‘agrarische
producenten inmiddéls grote onderlinge verschillen;
het meest is het ,,cash income” gestegeTi bij de graan-
verbouw en de veeteelt. De ‘onderlinge verschillen zijn zelfs zo groot, dat er onder de kleine boeren velen zijn, ‘die zich.gedwongen hehbengezien, werk in de industrie

te zoelcen. –

Enkele algemene aspecten.

De belangrijke ontwikkêling op agrarisch gebied in
dit seizoen heeft zich reeds in de algemene ecQnornische situatie doen gevoelen; daarnaast zullen andere gevolgen
zich eerst na verloop van tijd voelbaar maken. Voor
industriële’ bedrijfstakken, die met agnische grondstoffen werken, en voor dô veeteelt zijn de kosten omlaaggegaan;
een daling van de prijs huilner eindprodupten op lange
duur is daardoor mogelijk gewordeh. Anderzijds hëeft

de stijging van de prijzen van veeteelt en zuivelproducten
– die, in tegenstelling tot de graanprijzen, de inzinking
van Februari jl. meer dan te boven zijn gekomen – de
kosten van levensonderhoud verhoogd op een moment,
dat inflatoire invloeden ook op anderd markten, vooral
-die van metalen en metaalproducten, zichtbaar waren.
De scherpe stijgingen der prijzen van metalen en metaal-
producten verspiegelden cle wijziging in de voordien door de industrie toegepaste politiek om de prijzen te
stellen beneden liet peil, dat de onmiddellijke wi,nst zou
maximaliseren. ‘Daarnaast weerspiegelden ze het bestaan
van een sterke vraag naar industriële producten als ge-

volg van herhewappning en vorming van strategische
voorraden, het E.R.P. en cle sterke binnenlandse in-
vesteringsdrang. Dan is er nog de inhaalvraag der con-
sumenten, geëffectueerd met behulp van beschikbare ii-(luide middelen en gemakkelijke credietverlening. –
De toekomstige ontwikkeling der Amerikaanse agrai’i-
sche productie zal van grote betekenis zijn voor liet gehele
terrein der internationale economische en politieke ver-
houdingen. Tezèlfdertijd zal de economische ontwikkeling
van andere landen grote invloed hebben op de landbouw
in de Verenigde Statent. Neemt, de agrarische l)rOduCtie
in het buitenland verder, toe, dan is, op langere termijn,
een aanzienlijlce daling van de Amerikaanse agrarische
export te verwachten.

876

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 November 1948

INTERNATIONALE NOTITIES.

DE DUITSE STA.ALINDIJSTEIE.

Het is moeilijk te begrijpen, aldus een briefschrijver
(John Mc Laren) in ,,The Times” van 29 October- ji.,

waarop het groeiende verlangen tot stopzetting van de

ontmanteling der Duitse staalindustrie eigenlijk berust;
door deze stopzetting wordt vrijwel de gehele capaciteit,

die Duitsland in staat heeft gésteld zich in korte tijd op-

nieuw te bewapenen; intact gelaten.

De schaarste aan staal voor Europa’s herstel wordt,

aldus deze schrijver, in het algemeen als reden opgegeven.

Maar in de komende jaren zal Europa’s staalproductie
niet door gebrek aan capaciteit, doch door gebrek aan

grondstoffen worden beperkt. FIet verleden jaar opgestèlde

rapport van de O.E.E.C. te Parijs over de staalindustrie
komt tot de conclusie, dat de bestaande capaciteit volledig

zou kunnen worden benut, als de cokesaanvoer met 50 pCt

zou worden vergroot en schroot uit Amerika zou kunnen

worden ingevoerd. Thans is de grondstoffenpositie slechter
dan.in
dit rapport werd voorzien, en wel doordat Amerika

aanzienlijke hoeveelheden schroot uit Duitsland impor-
teert
1)
en bovendien een sterke vraag naar rijke ijzer-

ertsen uitoefent.
Wïordt
bij deze slechte grondstoffen-

pQsitie de ontmanteling in Duitsland stopgezet, dan kan

het resultaat niet anders zijn dan dat de Duitse staal-

productie wordt vergroot ten koste vdn die van Frankrijk,

het Verenigd Koninkrijk en andere landen.

Zet.men ondanks dit de ontmanteling toch stop, dan
is het – zo betoogt .de schrijver – ten zeerste gewenst,

dat de geallieerden een directe contrôle op de aciditionele
staalproductiecapaciteit, die de Duitsers wordt gelaten;
gaan uitoefenen. Indien de reden voor het stopzetten der

ontmanteling is gelegen in de behoeften voor Europa’s

herstel, dan is het noodzakelijk, om er op toe te-zien,
dat h’et aan de Duitsers gelaten deel der staalproductie

inderdaad aan deze behoeften ten goede zal komen.

Alleen op deze wijze kan de vrees van Frankrijlçen van
andere nabuurlanden voor een Duitse jierbewapening

zijn bestaansgrond worden ontnomen.
,,In our treatment of Germany we are repeating one by

one the mistakes made after the 1914-18 war”. De
schrijver geeft toe, dat dit gedeeltelijk te wijten is aan de
druk van gebeurtenissen elders; dit is echter geen excuus

voor het achterwege laten van stappen, die- potentiële
gevaren als hier gesignaleerd kunnen bezweren.

‘) VgI. Problemen der Amerikaanse staalindustrie”, in ,,E.-S.B”
van 27 Octoherjl., blz. 86..

DE KOMENDE TAAK DER O.E.E.C.

Het project der Westeuropese landen voor het eerste
jaar van het Europees herstelprogramma is thans door de

deelnemers ondertekend en bij de, E.C.A. ingediend;
momenteel zijn zij druk doende het ,,four-year master
plan” voor te bereiden, zoals dat door .Iloffmann is’ge-
vraagd.
,,The Economist” van 30 October tekent hierbij aan,
dat dit long-term programma op 1 November had moeten
worden afgeleverd. Enkele der landenprogramma’s hebben de O.E.E.C. echter nog niet bereikt, en de meeste kwamen
pas in de tweede helft van ‘October binnen. Van deze
binnengekomen projecten is de inhoud over het geheel
genomen niet bevredigend. Sommige landen hebben
duidelijk geaarzeld om zich tot in quantitatieve details
voor de komende jaren te binden; de rapporten van
anderen laten reden tot twijfel open wat betreft de juist-

heid van de gebruikte statistische techniek; anderen weer
blijken nog niet definitief ernst te hebben gemaakt met
hun financiële en monetaire sanering. Een grotere krachts-
inspanning van de afzonderlijke landen zal dus nodig zijn
vôdrdat het eigenlijke coördinatiewerk kan beginnen.
Als dat eenmaal het geval is dan zullen de E.R.P.-
landen, aldus ,,The Economist”, gezamenlijk een antwoord

op enkele lastige vragen moeten vinden. Kan bij het

maken van plannen worden gerekend op handel tussen

Oost- en West-Europa in enigszins belangrijke omvang?
Kunnen afzetmarkten worden gevonden in Azië, Afrika

en Zuid-Amerika? Hoe kan de Westeuropese behoefte aan

dollars in overeenstemming worden gebracht met het
dollaraanbod, voortvloeiend uit het normale internationale
ruilverkeer?

In zekere zin is het alleen maar mogelijk, deze vraag-

stukken te benaderen ,,with no more equipment’ than a

slide rule and a few sheets of paper”. Twee punten moeten

dan nog in aanmerking worden genomen. Teii4 eerste:
hoever zullen 51e Verenigde Staten bereid zijn te gaan

inzake hin planning en het bekend maken van hun

importpolitiek in de komende vier
,
jaren? En ten tweede:

in hoeverre zal Floffmann in W
1
est-Europa, een systeem

van contrôle, reglementering en sancties, vereist door het

bestaan van een vierjarenplan, tot stand willen zien komen?

ECONOMISCH HERSTEL IN ITALIË.

Met het oog op de te vormen economische unie tussen

Italië en Frankrijk is het economisch gebeuren in Italië

voor Frankrijk natuurlijk van groot belang. Vandaar,

dat ,,L’Economie” van 27 October jl. de aandacht vestigt

op een voordracht, die de Italiaanse Minister van Buiten-

landse Handel, Merz’agora, voor de Kamer van Koop-
handel te Parijs heeft gehouden. Bovendien, zegt het blad,

kan Frankrijk van ‘s Ministers uiteenzettingen iets leren.

In eerste instantie stond de Italiaanse Regering, aldus
Merzagora, voor de taak de bevolking voedsel en verk
gelegenheid te verzekeren, dc opwaartse beweging der

prijzen te stoppen en de handel op gang te brengen. Voor

deze doeleinden heeft de Amerikaanse hulp, eerst in de
vorm van ,,interim aid”, later onder het Marshall-plan,

goede diensten bewezen. Op voortzetting van deze hulp
kan echter niet beslist worden gerekend; de Minister
bleek daarom duidelijk voorkeur te bezitten voor herstel

op eigen kracht dan wel door samenwerking met buur-

landen. Bovendien prefereert Merzagora hierbij ,,simples

programmes d’actualité” boven een grootscheepse en

ambitieuse planning.
Een improvisatiernaatregel was bijv. het beroep van de
Regering op het in het buitenland geïnvesteerde Italiaanse
kapitaal. Geen dwang of overredingskracht, doch slechts

,,natuurlijke” middelen werden hierbij in het vuur ge-
bracht. Aldus resulteerde het herstel van importyrijheid,
voor de betrokken kapitaalbezitters, in een repatriëring
vaif ca $ 300 mln in de vorm van goederen. Gevolg was,

dat de prijzen, daalden, waarna een zekere stabilisatie

werd bereikt.
Inmiddels maakt het economisch herstel goede vorde-
ringen. Van de 0 mln verwoeste woningen zijn er 3 mln

hersteld; het spoorwegnet kan aan de.behoeften voldoen.
De statistieken vermelden een werkloosheid van 2,3 mln;
in werkelijkheid, aldus Merzagora, is het cijfer lager en
ebloopt het 1,5 1,7 mln. Lastig is, dat het aantal

werklozen teiideert toe te nemen telkens wanneer men
maatregelen neemt om hun positie te verbeteren.
De grote moeilijkheid voor Italië is de grondstoffen-
voorziening. Weliswaar is Italië crediteur van verschillende
Europese landen, het is echter debiteur t.o.v. de dollar-
zône. Flerstel van de inter-Europese handel is een dringende
noodzaak. De economische unie met Frankrijk – te be-ginnen met een douane-iTnie – kan een eerste stap zijn tot een oplossing van Europa’s problemen op Europese
schaal, waarbij, wat Italië betreft, vooral het werkloos-

heidsprobleem kan worden overwonnen. Een goede ge-
dachte, hoewel het niet correct is om hier van een eerste
stap te spreken.

3 November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

877

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Bij het naderen van de -maandultimo toonde de geld-
markt merkbare tekenen van verkrapping, ondanks de
ruime voorzorgen, welke de banken hadden getroffen.

De callgeidmarkt steeg in de tweede helft van de afge-

lopen week tot 1 pCt en ook de marktdiscontos trokken
iets aan. Aan het einde der week noteerde driemaands-
papier dan ook 1
1
/
8
pCt, Aprilpromessen waren tegen

1
/16
pCt aangeboden, terwijl Julipapier tegen
1
/8
pCt werd
gevraagd. Dat de Octoberultimo, welke altijd grote geld-

onttrekkingen met zicli brengt wegens omvangrijke char-
tale betalingen in de agrarische sfeer, tot nu toe niet met

bepaalde spanningen gepaard ging, is dan ook vooral te

danken aan de goede voorzieningen, welke door het niet

verlengen van vervallen schatkistpapier waren getroffen.
In de afgelopen week moest De Nederlandsche Bank
weder f 2,4 millioen van haar toch reeds vrij Fchaarse

goudvoorraad afstaan tei’ dekking van het tekort in het
betalingsirerkeer met Zwitserland. De vorige goudont-

trekking vond plaats in Augustus 1948, toen f 27 millioen
aan goud werd beleend in de V.S. wegens het niet tijdig

betalen’ door de E.C.A. van onder ‘het Marshall-plan in-
gevoerde goederen. Dat dit goud nog niet is terugontvangen
door aflossing van het dollarcrediet, wijst op het nog steeds bestaan in

een achterstand m.b.t. de door de
Amerikaanse instanties geëiste documenten voor de be-
taling van de Marshallgoederen. Het is te hopen, dat deze

,,kinderziekten” in verband met de zorgwekkende deviezen-
positie van ons land spoedig worden overwonnen.

Per 1 November a.s. zullen een aantal subsidies op de
prijzen van goederen van noodzakelijk levensonderhoud worden verminderd of afgeschaft. .Ter compensatie van
de hieruit voortvloeiende pi’ijsstijgingerf zullen de lonen
met f 1 per week worden verhoogd, voor zover het weke-

lijkse loonbedrag f 71 niet overschrijdt, lIet bedrijfsleven
zal echter deze kostenstijging niet mogen doorberekenen,

evenmin als de verhoogde electriciteitsprijzen en de ver-
wachte stijging van de kolenprijs met ongeveer 25 pCt.
Dit betekent dus vermindering vn winstmogelijklfeden
voor het bedrijfsleven, terwijl de verlaging der subsidies

op indirecte wijze hetzelfde gevolg oplevert, daar hierdoor
het op inflationistische wijze gefinancierde overheidstekort
afneemt, en dientengevolge eveneens de koopkachtige
vraag.

De aandelenkoersen vertoonden in de verslagperiode,

na enige stijging als reactie op de vrij scherpe daling van
de voorgaande week een nieuwe verlaging, zodat per saldo
het bereikte niveau niet veel afweek van het in het voor-
gaande overzicht genoemde. De in het voorgaande ver-
melde ongunstige factoren

m.b.t. de winstverw’achtingen
hadden hierbij waarschijnlijk een belangrijke invloed.

22 Oct.

29 Oct.
1948
1948
A.K.0 .

…………………..
147
148
v.

Berkels’

Patent …………..
119+
121
Lever Bros. Unilever C.v.A.

.. . .
284
284
Philips

G.b.v.A .

……………
223 226
Koninklijke Petroleum

……….
318 319
II.A.L .

……………………
167+
166
N.S.0
.

…………………….
166 161
H.V.A.

………

………….

..
255
253+
Deli

Mij

C.v.A

…………..
147+
147
Amsterdam Rubber.
..

………
159+
157
Jiiternatio

………………..
191
190

STATISTIEKEN.

DE NEDERLANDSCIIE BANK.
Verkorte belans op 1 November 1948.

Acliva.
V0

Hoofdbank

f

1)

h

i

ç Hijbank


CI

reve
:

. Agentseli.,,

1.000,-
rn

iscon
0
.

S
1.000,-‘)
Wissels, schatkietpapier en scbuldbrieven, door
de

Bank

gekocht

(art. 15,

sub 4,

van

de
Bankwet

1948)

…………………
.
….

.

Schatkistpapier, door de Bank overgepomen van
de StaaA der Nederlanden ingevolge overeen-
komst van

26

Februari

1947

…………

..
1.800.000.000,-
Beloningen:

i’
lloofdbank

S

141.505.744,96
1
)
(mci.

voor-


schotten in re-

Bijbank

,,

946.750,25
kening-courant
t
op onderpand)
L
Agentsch.

,,

8.172.721,22

f’ 150.625.216,43
Op

effecten,

enz.

……….

..
149.685.047,82′)
Op goederen en celen

940.168,61

_______ – 5150.625.216,43
‘)
Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van dc Bank-
wet

1948)

…………………………

Boekvordering op de Staat der Nederlanden
ingevolge Overeenkomst van 26 Februari 1947

,,
1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:

Gouden munt en gouden
muntmateriaal –

……..
S

451 .282.969,91
Zilveren munt, enz
…….

..3.128.962,84
454.41 1.932,75
Papier op het buitenland

. –

345.493.480,-
Tegoed bij correspondenten in
het buitenland

……….

..

103.677.826,92
Buitenlandse betaal-
middelen
…………….

..

5.734.523,18

Belegging van kapitaal, reseTves en pensioen-
454.905.530,10

.
…………………………………………
fonds
102.250.841,82
Gebouwen

en inventaris

……………….

..
2.500.000,-
Diverse.rekeningen

……………………
23326O.915,0Z

S 4.697.955.436,12

/

Passiva.
Icajiitaal

…………………..
………

S
20.000.000,-
Reservefonds

……………………….

..
12.759.703,05
Bijzondere

reserves

……………………

..
54.447.566,03.
Pensioenfonds

……………………….

..
19.994.772,59
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)

….


113.832.415,-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgifte)
…….
3.080.568.145,-
Bankassignaties in

omloop
………………

..
141.679,29
Rekening-courant saldo’s:
‘5
Rijks Schatkist

……
S

303.777.577,24
Geblokkeerde

saldo’s

van
banken

…………..

..

77.257.912,51
Gehlokkeerde

saldo’s

van’
anderen

…………….
21.671.59111
Vrije

saldo’s

……….

..

762.181.474,76

Diverse

rekeningen

………………….

..
1.164.888.555.62
– 231.322.599,51t

f

4.697.955.436,12

‘) Vaarv’n

schatkistpapier rechtstreeks

door
cle Bank in disconto genomen

……….
S

‘)
Waarvan aan Nederlands-Indië (Wet van 15
Maart

1933,

Staatsbiad no.

99)

……….

..
.36.894.550,-
Circulatie der door de Bank namens de Staat
in het verkeer gebrachte muntbiljetten ….. ..
143.954.252,50

BANK VAN ENGELAND.
(Voornaamste posten in millioenen ponden).

cd
-C
d
Cz

25 Dec. ‘461
13 Oct. ‘481
20 Oct. ‘481
27 Oct. ’48j

0,2
0,2 0,2
-‘

0,2

1.449,1

1

1.299,2

1

1.299,1

1

1.299,2

j

1.450
1.300
1.300 1.300

1.428,2
1.236,1
1.231,6 1.230,8

22,1
‘64,2
68,6
69,5

Otbersecurities
Deposits

0

oE

,a
o
.i

(5
.0
10

25 Dec.’46
1,3
311,8
13,6
t

15,8
346,5
1

10,3
278,9
13 0ct.

48
2,2
325,5
– 26,4
t

22,6
423,2
18,9
1

303,1
.20

0ct. ’48
2,5
322,1
25,3
1

23,4
424,2
15,9
1

301,5
27 Oct. ’48
2,6
322,3
19,3
1

37,4
433,2
1

13,1
307,5

-‘

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3Novembe’
148

DE NEDERLANDSCHE
BANK.

1

STAND
VAN
‘8
RIJKS
KAS.
•.

(Voornaamste pôstën in duizenden guldens)..
– –


.
.c.

°
cz
1
5

c
‘R

30 Dec. ’46
700.876
4.434.786
100.816
103
153.109

21) Sept.48
455.947
321.127
155.691
5
162.775
27

,
’48
,
456.172
330.546
121.559
5
1 47.626
4 Oct. ’48
456.712 331’644
108.674
1
147.552
II

,,

.

’48
457.350

337.819
114.265
.

1
•l’i6.77l
IS

’48
457.505 338.260
121.698
1
1 43.006
25

1
48
455.448 346.968
111.952
1
.148.140
1 Nov. ’48
454.412
345.493
109.412
1
150.625

9

0
Saldi in rekening-courant

Ct
:
”oi’2
0

.
.4
0

Cd
,.-.

30 Dec. ‘4 61
2.744.151 1.099.855
90.071
43.706 590.158
20 Sept.’48
3.015.670
504.049
68.283
20.789
666663
27’48
,,

.
3.035.088
.

503.578
.58395
19.844
667.747
4

Oct. ’48
3.076.459
393:166 68.163
23.340
687.476
11

’48
3.039.92.3
40.1.259
88.674 21.724
698.024
18

’48 3.012.025
336.253
121.056 21.107
707.797
25

’48
,,
.3.013.841
347.129
70.158
20.404
803.339
1 Nov.’48
3.080.568
303.778
77.258
21.672
762.181

NATIONALE BANK
VAN BELGIË

(Voornaamste posten in millioenen francs).

g
00
.-

‘)

16 Sept.

1948
28.136
11.042
427
9.986
303
414
22 Sept.

1948
28.123
11.373
202 9.175
,

286
426
30 Sept.

1948
28.190
11.544
348
10.560
338
419
7 Oct.

1948
28.321
11.817
221
10.315
327
416
14 Oct.

1948
28.368
11.723
581
9.349
278 435
2l.,Oct.

1948
28.326]
,

12.103
426
8.491
230
458

Rekening-courant
saldi

C.
“0
:
-2
.
-.

..
..
-S


o
E-..z

.S
E.
0
‘0
0

16

Sept..

1948
657
9(729
.81.568
22
2.425
6.251
23 Sept.

1948
685
90.864 81.115
24
2.532
6.009
30 Sept.

1948
742

.
92.930 82.359
20
2.846
6.897
7Oct.

1948

754
92.858
82 866
22
3.135 6.507
14 Oct.

1948
765
92.763
82.198
114
3.018
6.513
21

Oct.

1948
770.
91.807
81.555
114
.
2.925 6.234

‘) Met ingang van 16 Sept: 1948 verscheen de weekstaat van de
Nationale Bank in een nieuwe vorm vergelijking met vorige.week-
cijfers is hierdoor niel meer mogelijk.


.

BANK
AN
FRANKRIJK.
(Voornaamste oosten in miflioenen franes).

Voorschotten aah de Staat

Data

‘0

.2
.

o

26. Dec.

1946
94817
118.302
59.449
67.9’bO
426.000
7 0ct.

1948

52.817
275.058 125.062
131.900 426.000
14 Oct.

1948
52.817
219.875
125.042 138.400
26.000
l

Oct.

1948
52.817
275.244
125.042
140.400 426.000

Bankbil-
Deposito’s
Data
jetten in
circulatid
Totaal

Staat

1
Diversen

26 Dec.

1946
721865
&3.458
765
62.693
‘7

Oct.

1948
923.695 150.584
733
148.295
14

Oct.

1948
915.023 157.365
636
155.402
21 0ct.

1948
901.788 172.658
750
170.055

Vorderingen
23 Oct. 1948

{
15 Oct.

1948

Saldo van ‘5 Rijks

chatkist
.
bij De Nederl: Bank N.V.
f

351.826.228,88
f

423.622.009,21
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij de Bank voor Neder-
landschc

Gemeenten

,..,;’
263.463,14 ,,

504.715,86
Kasvorderingen wegens cre-
.
.

.

.
dietverst.rekklng

aan

het
buitenland

………….

Daggeldlening

tegen

onder-

,

Saldo der postrekeningen van
Rijkscomptahelen

……
687:741.189,59
,,

658.312.672,56

pand

……………………….

Voorschotten op ultimo’Sept
.

..
1948

aan

de

gemeenten

….

wegens

aan

haar

uit .te
49.205.894,16
,,

19.205.894,16
keren belastingen

………….
Vorderingen in rekeriing-cou-
.
rant op Indonet)ë

……
1148.986.195;54
.
,,1 1 38.863.586,40
Suriname

…………..
31.271.341,59.
,,

31.271.916,59
Ned. Antllleii

-.

Het Algemeen Burgerlijk Pen-
.
– –
sioenfonds

……………..
Het staatsbedrijf der P., T.

en.T ………………….

.
.-

Andere staatsbedrijven en in-
.
stellingen ,,

250.406.484,38-
,,

250.096.299,61

Verplichtingen

Voorschot,

door

De Nederl.
Bgnk N.V. verstrekt
Voorschot,

door .De

Neder-
landsche.

Dank

N.V.

In
-.
rekening-courant ‘verstrekt

Schuld aan de Bank voor Ne-

derlandsche Gemeenten

Schatkistbiljetten in omloop
f 1638.093.100,-
fl617.993.100,-
Schatkistpromessen

bij

De
Nederlandsche Bank N.V.
ingevolge

overeenkomst
.
1800.000.000,-
,,1800.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop

.
(rechtstreeks bij De Nederl

Bank N.V.is geplaatst nihil)


/ 5.855,6
mini
wo. garantie
Bretton Woods 1804 mill.
,,505 1.600.000,-
,,5099.000.000,-
van 26 Februari 1947

……..

Daggeldieningen
142.977.163,50
,,

144,141.221,50
Schuld op ultimo September

Muntbiljetten In-omloop ……..

1948

aan

de .gemeenten

wegens

aan

haar

uit

te
t

keren belastingen
.


Schuld in rek.-courant aan:

Suriname

…………..


1.89R645,92
,,

1.890.645,92
liet Algemeen Burgerlijk Pen-
34.816.980,49
‘,,

32.909.179,35
Het staatsbedrijf der P., T.

Indonesië

………………….

Ned.

Antillen

……
…………

en

T

………………

………

861.740.978,22
,,

816.906.848,48

sioenfonds

……………….

Andere staatsbedrijven

.
.
.
– –
Schuld aan diverse instellin-

….

.
gen in rekening met ‘s Rijks
.
Schatkist

……………..
2218.512.31!,-
,,2216.994.539,96

FEDERAL RESER1E BANKS. (Voorna5mste posten in millioenen dollars).

1
Metaalvoorraad
.
Other
U
.
S.Gov.t

Totaal

1

1

Goudcer-
Data
cash

i
securities
tificaten

31 Dec.

1946
18.381 .

17.587
268
23.350
7 Oct. .1948
22.623 21.990
252
23.143
14

Oct.

1948
22.689
22.058
258 23:303
21

Oct.

1948

22709
[

22.078
.

267
23.192

f
F.R.-bil-
Deposito’s

Member-

Data

.
1
jetten in
eirculatie
1

Totaal
,
Govt
banks

34 Dec:

4946
24.945
17.353
39
.’

16.13
7 Oct.

1948
24.077
22.046 1.596
19.584
14

Oct.

4948
24.127
22.307
1.551
19.840
21

Oct.

1948
24.041

.
22.354
1.530
19.910

Data

0
ç
0

31 Dec

1946
4.949,9
238,7 52,7
4.090,7
1.113,7
7 Oct.

1948
5.752,8
169,9
.

134,9
47,6
4.256,5
4.341,1
15 Oct.

1948
5.738,7

~’

158,0

184,9
112,1
47,6
4.219,9 1.360,8
23 Oct.

1948
5.748,2
198,2
106,7
.47,6
4.219,9 1.373,8

NATIONALE BANK VAN. ZWITSERLAND.
(Voornaamste posten in ‘millioenen francs).

5

4

S
3 November 1948

EÇONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

‘ . ‘

879

ROO’fHANDELSPllIJ
ZEN
VAR
OJANEN, VELDBONEN, BOTER ENKAAS INNEDERLAND
) .


Tarwe)
Rogge)

Gerst
Haver)
Mais
gh
um

KtJ
ai
Boter
Kaas

.
1


1


S


0be
Oc
1



osO

o

5
r-•
o
.
E
p1


.
O
.

bO
ç’
.
.
s
&
O
,

55
S

.
Ii

va

.
) ,

G)
) bO
.

.
,-.

)




.G)_;


b5


.QO
ct
cz,



r


“5)

c)
.
Q
-.

.
cl
Q

.
-.
4

1
-0

•_Q)
;.

‘E
?s
,Q
001


-Q)
G),
.
.-)
-)

.
.
.

.

.

f

f

.

f

.

r
ç

f
f

f

f

f

f

f
Jan.

1948


21,50

21,29

t9,78

20,57s
18,54

22,17
2O,t7
5

2O,I7

2O,i7

23,00

3,12

1,63
Febr.

2I,50

1,24

19,97

20,375
18,48

22,37e
0,37

2O,37

O,37

26,O6)

3,12

1,66
Maart

21,35

21,19

20,39

20,50
..18,38

2,50
20,50

20,50

20,50

26,70

3,12

1,68
April

21,34

.

,

21,19


20,71

2O,&7
18,56

22,67e
W,67s

20
5
67

20,67

29,56

3,1

1,64e
Mci


2I,1

21,14′..

20,46

2Q,77
18,58

22,70
0,77
5

20,77

20,77′

27,50

3,07

1,65
Juni

21,31

21,10

20,92

20,85 18,55

22,85 20,85

20,85

20,85

26,75

3,07

1,65
Juli

21,73

.21,47

20,77

.,

20,95


18,47

22,95
21,17′

20,97′

20,97′

3,07

1,64
6
.
Aug.

22,18

21,08

.

19,81

19,17′
,

48,19

21,27′
49,32′

19,17′

19,17′

3,14

1,05

20Aug.-

4 Sept.

20,85-22,00

20,70-22,00.

18,50-20,50

19,37′
16,75-20,50

21,47′
19,37′

10,37′

19,37′

3,14

1
66
‘18,25-20,00
6-11

Sept.

20,75-21,75

20,70-21,90

19,37′

.
16,50-19,75

21,47′ 19,37′

19,37′

19,37

3,14

1,65
13-18 Sept.

20,85-21,70

0,70-21,85

19,0-20,50.

.1937′
16,75-19,25

21,47′
19,37′

19,37′

19,37′

.

3’14

1,68
20-25 Sept.

20;95-21,90

20,75-21,70

19,00-21,00

19,37′
16,50-19,00

21,47′ 19,37′

19,37′

19,37′

3,14

1,67
27Sept.


.-
S

.
t

2 Oct.

20,90-21,85

20,75-2180

19,00-21,2.5

19;57′

.
16,75-19,00

21,67′
19,57′

19,57′

19.57
1

3,14

1
67
.4- 9

Oct.

21,00-21,75

20,90-21,70

19,00-21,25

19,57′

.
17,00.18,90

21,67′
19,57′

19,57′

.99,57′

.
3’14

1’68
11-16

0ct.

‘21,00-21,70

20,85-21,65

19,25-21,60

19,57′
17,00-19,00

21,67′
19,57′

19,57
5

19,57
1

3,14

1’67
18-23

Oct.

21,00-21,75

20,85-21,65

19,50-29,50

19,57′

.
11,50-19,25

21,67′
-19,57′

19,57′

19,57′

.

3:
1
4

1
:6
4

‘)
Deze statistiek sluit, uitgezôndérd vôor Gerst en Havëifaân
bij die, gepubliceerd
in ,,E.-S.B.” van 7

Juli
1948, blz. 539.
“)
betekent: Vrije marktprijzen;

.
betekent: geen aanbod.

‘)
Met ingang van
9
Februari 1948
is
de handel Vrij geworden.,

ZVEEDSE RIJJ4SBAN1C.


%VERKLOOS1TEID IN BELGIË
‘).
(
oornaamste posten in millioenen

kronen).

Metaal

Staatsfondsen

,

.
G
ii

1

Gedeeltelijk
weios

en toevallig
..’

.
‘-….+,

,
.
werkloos.-

Data

E

E
‘.

“n

.

27.891

20.846

cc
o

>
o

.

s’s.
0

°
29.963

15.513

p
October

……………..
30.913

16.829 39.984

21.124

31Dec.

1946

839

532

1.544

7 —


Yanuari

1948:::::::::::::::
7 Oct.

1948

178

113

2.978

198

237

“-

182

September

……………..
Augustus

1947
………………..

71.854

63.870
15 Oct.

1948

178

112

3.022

266

172

182

November

……………..

Maart
64.113

31.338
23 Oct.

1948

177

112

3.090

266

188

182
= = =

=
Deposito’s

Direct opvraagbaar

.

Februari

……………..

April

61.562

33.117
Mei

59.606

34.439
Juni

61.814

42.903
Juli

……………..69.571

59.703

‘)
Bron

Bulletin”

het
Data


,,Statistisch
van

Nationaal InstItuut
c.’

,e
.’
voor de Statistiek.

Cd
INDEXCLIFERS
VAN
DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE
31 Dec.1946

2.877

875

706

94

230

174

7
P4
BELGIË
7 Oct.

1968

2.757

815

600

137

177

247

7

!L_!!!I!!_
1938
= 100
.

*
Algemene index
v.
d.
1103
WEIIK1,06SI1EID IN NEDERLAND
,

md.

pi’od.’)
…….
101

902

107

iio

105

96

94
Steenkool

……..
83,9

91,0

70,1

93,2

94,0

84,0

93,0

80,6

1
Vacht eld rs’
Maand

.

Werklozen

t
Cokes

…………
..
.105,5 106,9 102,8 105,1 108,0 111,5

96,8 108,1
105,1

108,6 102,0 107,9 116,8 120,5 116,3 108,4
ramin
146,5 151,2 146,4

60,6 165,4 158,
1
113,5 160,8
Ruw
staal

……..
152,4 162,2 150,1 168,9 174,3 158,7 119,0 164 3
30

Juni

1945

…………….

112.622

201.400

.

Cement

…………

Afgewerkt staal

.
163,1

165.8 157,8 172,0 186,1 1 75,4 137,7 162,1
29

Juni

1946

…………….

45.953

7.800
Afgewerkt ijzer

.
71,584,6

66,1 137,8

67,3

69,5

63,1

50,3
.
..

Ruw

ijzer

……….

.

Vlas (spinnerij)
. . .
132,2 121,3 119,1 121,0

99,7

75,4

80,4

67,3

..

30

Sept.

1947

……………..21.600

900

.
31

Oct.

1947

……………..22.400

1.000
VlaS (vieverij)

. . .
76,9

66,0

67,2

67,9

67,5

50,3

55,0

47,1
Katoen (spinnerij)
114,5 117,5 118,0 121,3 130,8 104,3 109,8

9,9

31

Dec.

1947

……………

.

30.600
3
)

.

1.400
Katoen (weverij)

.
.

146,2 144,6 133,2 140,4
%40,4
115,7 1258
111,1
29

Nov.

1947

………………..24.600

1.200

Wol
(kamwol, spin-

1
28

Febr.

1948

…………….

36.000

3.400
31

Maart 1948 ……………..

26.800

.
1.700
nerij)

………..
Wol
(weverij)

. .
171,3 176.5 160,7 184,8 150,9 130,4 135,3 107,1
.

119,0 126,0 127,9 138,2 133,7 115,3 144,3 145,0

..

112,4105,7

97,6

97,2

93,8

94,6

87,1

88,3

31

Jan.

1948

…………….

…16.700′)

2.600
..

143,3 138,8 132,0 144,6 154,4 143,9 141,8 1322
30

April

1948

……………..26.400

1.800
.

149,3 143,9 121,5 156,3 155,3 127,8 136,4 106,1

.

31

Mei

1948

……………..22.400

1.600
30

Juni

1948

……………..21.200

1.500

Vlakglas

………..
liolgIas

………..

105,0

93.6

99,3 101,7
109,1

81,5

71,6

98,2
31

Juli

1948

……………..22.000

1.500


31

Aug.

1948

……………..24.800

1.400

Papier

…………
Slargarine

……….

Geraffineerde suiker

76,7

75,4

76,4

86,7

81,8

69,3

73,2

85,8

1)

Bron:

,,Statlstisch

Bulletin

van

het C.B.S.”.

.
Sigaren

………
Sigaretten

…….
..

58,6

59 3

43,1

43,0

42,6

41,1

43,0

34,2
..

129,8, 18,3

91,8,156,8 136,3 16

1,2 134,2 j97,3/
-‘)
Gegevens van de arbeidsbureaux.


.
‘)
Bovendien

600

vorst-

en hoogwaterwerklozen uit het vrije
O1.
Gierde
bedrijf.

.

.
gegevens zijn Cursief
gedrukt.
)
Bovendien 4.200 vorst- en hoogwaterwerklozen uit het vrije

1936-’38
100

(Instituut

voor

Economisch

en

SCiaal
bedrijf.

.

,
Onderzoek

(Leuven)),

.

Kon

Nederi

J3oekdrukkerij H. A. M. Roelants

-. Schiedim

1*

t

.

t

.

..

GEMEENTE ‘s-GRAVENHAGE.
Burgemeester en Wethouders van ‘s-Graven-
hage roepen sollicitanten op voor de betrekking
van

HOOFDCOMMIES

aan de afdelingen
a. Economische Zaken
». Onderwijs

van de gemeentesecretarie.
Salarisgrenzen van
f
4.560,—,tot
f
5.940.—.

Aanstelling boven het minimumsalaris niet
uitgesloten. Regeling verplaatsingskosten van
toepassing. Indiensttreding
zo
spoedig mogelijk.

Vereisten:
voor de betrekking onder a:
studie en ervaring op economi$ch gebied, in
het bijzonder betreffende vraagstukken van
handel en nijverheid; redactionele bekwaam-
heid;

voor de betrekking onder b:
bestuurswetenschappelijke kennis en ervaring
in onderwijszaken.

Voor beide functies hebben juristen de voor-
keur.

Schriftelijke sollicitaties te richten tot Burge-
meester en ‘Wethouders van ‘s-Gravenhage bin-
nen 14 dagen na de verschijning van dit blad.

/

PHILIDS

N.V. PHILIPS’

GLOEILAMPE N FABRIEKEN

EINDHOVEN

Ten behoeve van het Secretariaat (Juridische Af-
deling) wordt gezocht een bekwaam

Mr. in de Rechten

met enige jarer practijk ervaring en, bij voorkeur,
internationâle scholing.
Goede talenkennis wordt vetonderste!d. Leeftijd
niet hoger dan 35 jaar.

Brieven met volledige gegevens en recente f010
aan de Secretaris van de Raad van Bcsuur te
Eindhoven, onder E.S.B. 177.

‘S

0

GROOT TEXTIELBEDRUF

zoekt een

BEDRIJFSLEIDER

bij voorkeur ingenieur met intense be-
langstelling voor moderne bedrijfsorga-
nisatie en beschikkende over ruime
ei vering op dit gebied. In staat op elf i-
ciënte wijze leiding te geven aan per-
soneelsiormatje van ± 1 500 man. Zeer
zelfstandige positie, waarbij het aan-
komt op initiatief, tact en doorzettingsver-
mogen. Salaris f12.000.. tot f15.000.-
p. j. Moderne dienstwoning beschikbaar.
Candidaten zullen eventueel worden
uitgenodigd voor een psychologisch
onderzoek op 3 December 1948 door de
NEDERLANDSCHE STICHTING
VOOR PSYCHOTECHNIEK,
Wittevrouwenkad
e
6, te Utrecht.

Eigenh geschr. b,feven met volIedge inl. over opl. en
practijk, onder vermeloing van geboortedotum en vergezefd
vantwee pasfoto s (van voren en opzij) aan Adv Bur ALTA.
Peusdam te Utrecht v66r 13 Nov. In linkerbovenhoek van
br en envel. en op de foto’s no E.S.B. 2900, neem en adres

(a.

De
KLM.
vraagt

JONG ECONOOM

leeftijd niet boven 35 jaar. Sollicitaties,’ uitsluitend
schriftelijk en onder vermelding van dit blad en
onder toevoeging van pasfoto en evtl. documenten
in afschrift, te richten aan Dienst Personeelszaken
KLM., Postbus 121, ‘s-Gravenhage.
Op enveloppe functie vermelden,

ASS 0 CUTIE TAS SA

KASSdERSINSTELIING

OPGERICHT IN 1806

HEERENGRACHT 179 • AMSTERDAM-C

Economisch — Statistische

Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).
Telefoon: Redactie en Administratie 38040. Ciro 8408,
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie,
‘4,
Unjversiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraai 5, Rotterdam (W,),
Bankiers: Ban que de Commerce, Brussel.

Abonnementoprijs, frânco per post, voor Nederland f 26 per jaar,
voor België fLwzemburg
/
28 per jaar, le voldoen door storting van de
tegenwaarde in franco bij de Ban que de Commerce te Brussel. Overzeese gebiedsdelen (per zeepost) f26, overige landen 128 per jaar. Abonnemen-
ten kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van hel’. kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor 14’estzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants,’ Lange Haven
141,
Schiedam (Telefoon
69300, toestel 6).

Losse nummers
75
cents, resp. 12 B. francs.

0

Auteur