Ga direct naar de content

Jrg. 33, editie 1619

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 19 1948

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

h

Berichte
*
n

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

33E
JAARGANG

WOENSDAG 19 MEI 1948

No. 1619

COMMISSIE VAN REDACTIE:.

Ch. Glasz; H. W. Lambers; N. J. Polak; J. Tinbergen;

F. de Vries;

J. H. Lubbers• (Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de Wit.

COMMISSIE VAN ADVIES ‘VOOR BELGIË:

J. E. Mertens; R. Mirj; J. oan Tichelen; R. Vandeputte;

F. Vers ichelen.

Gegec’ens ooer adressen, abonnementen enz. op de laatste
bladzijde pan dit nummer.

INHOUD:

Blz

I)e

artikelen

van

(leze

week

……..
883

Somenaire,

summaries

…………….
383

Exportprikkels
door A.

.
een ii meringen

……..
384

I)e kostprijsverlaging in de Nederlandse landbouw
door Dr Jr iI. 1V. G. Koppejan

………………..
386′

1)e

producent

met

betrekking, tot

de

‘afzet

van
groente, fruit en vis
door A. G.
.
U. Ilildebrandt
….
889

1)e vervoers- en verkeerscommissie van dc Econo-
mische en Sociale Raad
door Mr J. J. Oyeeaar

….
391

A a ii te k e n
i
n g
J.)e goud- en dol(arreserves van de wereld

…………..
393

Internationale

notities:
De

bevolkijigestructuur in

Bizonia

………………..
394
liiIitvaartiiiaatsehappijeii

in

de Verenigde

Stateii

……
395

Geld-

en

kapitaalmarkt
.

……………………
395

J)e Belgische geld- en kapitaalmarkt in April 1948
door
V.

van

Rompuy

…………………………
..
395

Statistieken:
Hankstaten

…………………………………..
396 Liulcxcl.Jfers van

groothandeisprijzen in Nedorland

……
897
Stand van

‘s Rijks

Kas

…………………………
398
Enire indexcljfers van de industriCle productie In Nederland
398
Productie cii export van natuurrubher

…………….
398
Do

koleiiposltlo

van

België

………………………
398
Ilavonbeweging

………………………………..
399
Iiileggiiigen cii torugbetalingen
01)
particuliere spaarboekjes
bij de

lgeineiie Spaar- en Lijf rontekas in Ilelgiö
……
399
Enige lndexcijfers van de industriële productie in België
.
399
In-

en

uitvoer

van

België

………………………..
399
Werkloosheid

in

België

…………………………
399

DEZER DAGEN

vernioede desondarks teleurstellende, gebeurtenissen.
Ilare Majesteit de Koningin heeft, zelfs hij haar eigen
opvatting van plichtshetrachting, zich het voortzetten

van haar taak niet kunnen afdwingen. Zij heeft, ook nu,
gehandeld als een’ goed bestuurster, door zelf de conse-
quenties te overzien: met behojd van de lijn van het
eigen denken is zij het Nederlandse volk tegemoet gekomen

in’ haar bereidheid zich niet aan de huldigingsfeesten ter
ere ‘van haar verhoopt jubileum te onttrekken. –

Een koninklijke houding, zij is verder verre. De Britten

hebben hun mandaat in Palestina ten einde zien komen
,,gelijk luiden, die langs den weg gaan, met hunne mantels
om de ooren geslingerd”, zoals Gerard’Brandt één van de
Ruyters, eervolle, terugtochten heeft ‘getypeerd. Voor

huldebetoging werd geen’ aanleiding gevonden. De af

scheidsstoten van de vertrekkende kruiser, die de ex-
gouverneur-generaal wegvoer, gaan verloren in krachtiger
geluiden, geschutvuur en luchtalarni. Daartussendoor
de proclamtie’die het bestaan van een nieuwe Staat
bekend gaf: Israël
Bij het scheiden van de markt leert men de kooplui
kennen. President Truman was de eerste, die de nieuwe

Staat de facto erkende. Zodoende werd Rusland, geogra-
fisch toch dichter in de nabijheid, tweede. Meer overeen-
komst in gedragslijn dan eei”r gelijk optreden op dit punt
is bij deze twee beheersers van het’machtgebied der wereld-
politiek nôg niet te ontdekken. Tenzij dan de bij beiden
aanwezige wens de gedragslijn van de ander te doorkruisen.
Zo werd van d6 poging tot samengaan der duopolisten, – geheel volgens liet handhoek, ingeleid doordat elk de ander als uitnodigende partij trachtte voor te stellen
niets. Stalin echter schijnt toch gaarne met een Amerikaan
te willen spreken. Zo althans deed hij antwoorden aan Henry Wallace, eveneens candidaat bij de presidents-
verkiezingen, doch; naar men vermoedt, geen vertegen-
woordiger van de meerderheid.

Aangenamer nog dan de duopolist kan de monopolist
zich gevoelen, die overeen onvervangbaar artikel beschikt.
Zo blijkt de huidige Belgische premier Spaak te staan.
Men heeft zijn grote naam in het buitenland niet als credit-
post voor de Belgische Regering willen derven. Rij had

dit kunnen vermoeden; sommigen betwijfelen, of het een teleurstelling voor hem is, daardoor niet van zijn dubbele
functie te zijn ontheven. Zo ook Minister Bevin, zich
bezwaard gevoelend in zijn taak door een slechte gezond-

heidstoestand, desondanks, zeer waarschijnlijk tevreden als overwinnaar naar beleid bij de .partijdemonstratie in
Groot-Brittannië, w’aar i’eputaties ter markt komen.
FIet -is niet altoos kermis, al staan er kramen, liet

Nederlandse publiek had dit kunnen weten, toen het zich
gedurende de Pinkster’dagen ‘vrolijk gevoelde over de ver-

meende toezegging van de opheffing der vleesrantsoenering.
Per saldo bleek al het vlees een dode mus of, zo men wil, een ‘geslachte .,,canard”. Eén vermoeden, en dat juist een
tegenvaller, zal echter -wel werkelijkheid blijken: de
Nederlandse boter staat zwak op de buitenlandse markten.
De vliegdienst’ van mnisters op indië’is hervat; voorts
besl)reekt men, wanneei’ de delégatietrein naar Djokja-
karta zal vertrekken. Er is geen Indisch nieuws, dat tot
rm
verheugende veoedens aanleiding geeft.

Groothandel

Weekblad voor de
internationale handel

Heeft U al eens

een proefnummer

aangevraagd?

H. A. M. Roelants

Schiedam

N.V. KONINKLIJKE

N E D E R L A N D S C H E

ZOU TIN DV STR IE
Boekelo . Hengelo

ZOUTZIEDERIJ

Fabriek van:

zoutzuar, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

cbloorbleekloog

[ffatmnloq& caustk soda.

II

,,HOLLAN DIA”

HOLLANDSCHE FABRIEK VAN MELK-

PRODUCTEN EN VOEDINGSMIDDELEN N.V

HOOFDKANTOOR TE

VLAARDINGEN

z4t
tftti3t

ESTABLISHED 1878

An Independent’ Journal of Finance

and Trade

OBJECTIVE APP1.AISALS

CONSIDERED JUDGMENT

IMPARTIAL OPINION

Contains most complete range of

British economic and financial statist-

ics published in any wèekly journal

World wide circulation

*

Annual subscription rate: (post free-

to inciude all supplements) £ 3:2:6

(fi 33,40)

.d Special Suppiement mi .Economic (jou- etitions in The Netherlan4s was pubflsheci om January 31. A iimitecl
number
of
this
Suppiement remain for bate.

LONDON: 51 (JAITNON STNJ3JJ5T, E.C. 4

Vermogensheffin gen

Objectieve

en deskunlige
oorlichting aan bedrijven en
particulieren die een deel van
hun vermogen moeten vrij-
maken voor betaling der ko-
nende heffingen, verstrekt de

Naami. Venn.

Hou
andsche

Belegging- en

Beheer-Mij.

Anno 1930

Keizersgracht
706

Amsterdam
C
S

Commissarissen;
Prof. Ir. 1. ‘P. de Vooys;
Drs. I. H. Gispen; Mr. J. E. Scholteos.
Directie:
Gerlof Verwey;
Dr. F. Ph. Groeoeveld;
A. C. Leeuweoburgh.

Behandeling van alle

bankzaken

*
*

Bezorging van alle

assurantiën.

R. MEELS & ZOONEN
BANKIERS EN ASSURANTIE-MAKELAARS
AMSTERDAM
. ROTTERDAM . ‘
S-GRAVENHAGR

DELFT
. SCHIEDAM –
VLAARDINGEN

Ii

ROTTERDAMSCHE

BANK

225 VESTIGINGEN
IN NEDERLAND

FINANCIERING

VAN

IMPORT-

EN EXPORT-

TRANSACTI ES

Abonneert U op

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hennip..

man, Prof. P. B. Kreukniet, Th. Ligthart, Prof.

N. J. Polak, Prof. J. Tinbergen, Prof. H.
M.’
H.

A. van der Valk, Prof. C. A. Verrijn Stuart, Prof.

G. M. Verrijn Stuart, Prof. Mr. F de Vries.

Abonnementsprijs
f
22,50: franco p. post
f
23,30;

voor studenten
f
19.—: franco per post
f
19.80.

Abonnementen worden aangenomen door den

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEM

19 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

383

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

A. A. van Ainoringen,
Eiportprikkëls

Het, schijnt
1
dat de Regering niomenteel overweegt om
een deel vdn de deviezenopbrengsten, voortvlÖeiende uit

de export naar dollargebieden, aan exporteurs ter be

schikking te stellen. Deze plannen hebben, hoe loffelijk

van bedoeling, be’zwaren. Zij komen neer op het vestigen
van een• gelegitimeerde zwarte valutamarkt. Verder
kunnen de dollars weleens worden aangewend voor de

aankoop van luxegoederen.

In plaats van de regeringsplannen ware het beter een ge-
deeltelijke toewijzing vari dollars te geven in geval van addi-
tionele export. Deze dollars kunnen in een- fonds worden

ingebracht met het doel de export naar de Verenigde

Staten te bevorderen. Verder kunnen daarmee ook pro-
ductiemiddelen worden aangekocht, die niet direct een
gegarandeerde prioriteitspositie hebben, maat’ niettemin

nodig zijn. De nog resterende dollars kunnen worden aan-

gewend voor inschrijvingen op de 3 pCt dollarlening van
1947.

Dr Ir
A. W. G.
Koppejan,
De kostprijs oerlaging in de iVe-
derlandse landbouw.

Het vraagstuk van de kostprijsverlaging is van groot
belang voor de toekomst van de Nederlandse landbouw. De mogelijkheden daartoe vallen uiteen in drie groepen.

Ten eerste zijn daar de maatregelen-tot kostprijsverlaging, die onafhankelijk van de omvang van de productie kunnen worden toegepast. Vervolgens de maatregelen, die samen-
hangen met de omvang van de productie op ieder afzon-
derlijk bedrijf. Tenslotte de maatregelen, die direct verband houden met de omvang van de totale productie, waarbij dus
het vraagstuk voor de dag komt van het rationele produc
tieschema voor het gehele land, uitgaande van dat per
bedrijf.

SOMMAIRE.

A. A. van ÂmeÏ’ingeii,
Exhortation â l’xportation

Le Gouvernement néerlandais a l’intention de mettre

â la libre disposition des expoi’tateurs une partie des béné-
fices réultant des exportations vers la zone dollar. 11 vau-

drait mieux d’ocfroyer des dollars, seulement en. cas
d’exportations acrues. Ces dollars devraiént être versés

dans un fonds d utiliser an profit du bien commun

Dr
A. W.
G.
Koppean,
La di,ninution du coût de la pro-
duction dans l’agriculture aux Pays-Bas.

L’uteur examine quelques possibilités pour ramener
le coût de la production agricole néerlandaise un niveau
plus bas. C’est un problème important par rapport au
marché international.
Â. G. U. Hildebraudt,
Le.producteur et les débouchés pour légumes, fruits et poissons.

11 ser

ible désirable et nécessaire que les producteurs
prennent une part active dans la ventO des produits Sus-mentionnés. Ils peuvent atteindre ce but l’aide de coopé-
ration en ce qui concerne la vente et la publicité, ainsi
qu’ en participant â l’industrie de la congélation rapide.

Dr J. J.
Oyevaar,
La Cominission du transport et des
communications au Conseil Economique et Social.

Plusieurs problémes ont déj été traités par la Corn-
mission précitée; notamment l’allocation des ondes courtes,
le trafic maritime international, les statistiques inter-
nationales du transport, la coordination du trafic inté-
rieur.

SUMMARIES.

A. G. U. llildebrandt, De producent met betrekking tot de
afzet oan groente, fruit en ois.

De moeilijkheden, ondervonden bij de afzet van boven-
vermelde artikelen, doen de vraag rijzen of de producent

niet mede actief daaraan dient deel te nemen. 1-let lijkt
wenselijk, dat de producent daartoe overgaat. De handel,
voorzover hij een economische functie blijft vervullen,
behoeft daarbij niet bevreesd te zijn voor uitschakeling.
Tot de middelen van de producent om de afzet te be-
vorderen behoren o.a. de coöperatieve groothandel, collec-
tieve reclame e.d. Verder zal hij een gepaste deelneming
moeten hebben in de snelvriesindustrie.

lIr J. J.
Oyevaar,
De vern’oers- en oerkeerscommissie Qan de
Economische en Sociale Raad.

Deze commissie is een orgaan van de Economische en
Sociale Raad van de U.N.O. Haar werkzaamheid omvat
het gehele terrein van vervoer en verkeer. Haar taak is
van adviserende, organiserende, stimulerende en coördi-
nerende aard. Zij heeft geen uitvoerende bevoegdheid. Tot de onderwerpen, die op enkele conferenties door de
commissie zijn behandeld, behoren:

De verbetering van de allocatie van radiofrequenties;
de al of niet noodzakelijkheid van een internationale scheep-
vaartorganisatie; het weg- en motorverkeer; het vraagstuk
van de internationale transportstatistiek; de internationale
uitwisseling van goederen in verband met consulâire en
andere formaliteiten; de coördinatie op het gebied van het
binnenlands vervoer.

A. A. van Ameringen,
Export incentiQes: –

The Dutch Government is planning to put at the free
disposal of exporters part of the earnings from exports to
the dollar area. Better than this might. be
to provide
dollars only in case of additional expôrts. These dollars

might be put into a fund for purposes of general interest.

Dr
A. W. G. Koppejan, Lower agriculsural cost of produc-
tion in the .lVetherlands.

The author reviews some possibilïties to arrive at lower
agricultural cost of production in the Netherlands. This

is an important problem in connection with the promotion
of international trade.

A. G. U. Hildebraudt,
Sales pronwtion by producers of Pege
7

tables, fruit and fish. –

It is considered desirable and necessary that produ-
cers take an active part in the selling of the abovementio
ned products. They can do so by coopei-ating in selling
and advertising; also by making use of the quick fi-eezing industry.

Dr J. J.
Oyevaar,
The – .Transport and Crnmunications Corn-
mission” of the Economic and Social Council.

Many s,ubjects have already been tackled by the above-
mentiôned commission, such as the allocation 6f short
wave lenghts, international shipping, international sta-
tistics of transport, the coordination of internal traffic.

384

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

EXPORTPRIKKELS.

Ongeveer anderhalf jaar ge]eden overwoog de Regering
serieus de gedachte van een afroming van export-

winsten
1).
Men had daarbij speciaal de industriële

exportwinsten op het oog. De gedachte van een der-
gelijke exportheffing schijnt intusser . in het praenatale

stadium – bij de behandeling op de Departementen –

om het leven te zijn gebracht. Men kan zich allicht voor-

stellen wat hiervan de redenenzijn geweest. In de eerste

plaats zijn er grote technische bezwaren. 1-Jet vaststellen

vai{ het gedeelte van de winst van industrile ondernemin-

gen hetwelk direct of indirect aan exportvalt toe te rekenen, i
vergt.in bepaalde gevallen een diepgaande analyse van de
kostprijsstructuur der ondernemingen. Het is niet zo een-
voudig als bij talrijke landbouwartikelen, die marktnoterin-

gen hebber, waarbij door een aftreksommetje de marge

tussen buitenlandse en binnenlandse prijzen en dus de

extra-exportwinst valt tebepalen. 1-loe wil men voor een
gecomplicerde machine, die op een speciale tekening van

de opdrachtgever wordt vervaardigd, vaststellen welke

extra-winst gemaakt is door de omstandigheid, dat het
product niet in het binnenland maar in het buitenland

wordt afgezet? Men zou kunnen zeggen, dat men hierbij

houvast heeft aan le door de Nederlandse prijsbeheersing

vastgestelde maximumprijzen of calculatieschema’s. Dit

gaat echter niet altijd op, daar er vele specifieke export-

producten zijn, die niet eens op de binnenlandse markt

verkocht mogen worden. 1-let is verder een bekend feit, dat het door de Prijsbeheersing opgelegde prijsniveau in

het binnenland in talrijke gevallen alleen gedragen wordt
door de grotere winsten, die op het in het buitenland te
plaatsen deel van de productie zijn te behalen. Bedrijfs-

economisch komt dit er eigenlijk op neer, dat de binnen-

landse productie min of mëex’ als additioneel wordt be-

schouwd en behalve met de variabele kosten met een naar
verhouding te gering deel van de constante kosten wordt

belast. De buitenlandse dfzet moet dan het leeuwendeel

van de constante kosten voor haar rekening nemen en
bovendien de ondernemer speciaal de hogere vervangings-

waarde van zijn apparatuur vergoeden, welke de Prijs-

beheersing niet op de binnenlandse afnemer wenst te laten
afwentelen.
Afgezienvan deze technische bezwaren zou een veelom-
vattend systeem van exportheffingen, bij een te sterke
afroming, ook nog principiële betekenis kunnen hebben
voor de binnenlandse prijsstructuur. De druk van het ge-

stegen prijsniveau voor machine, welke thans yeelal,
zij het onvoldoende, door de exportprijzen wordt opgevan-
gen, zou ôf ten volle op de bedrijven gaan drukken, ôf
in het binnenlandse prijsniveau verdisconteerd moeten
worden. De bestaande prijsspanningen zouden dus weer
met één vermeerderen, een vermeerdering waaraan Neder-
land alles behalve.behoefte heeft.
Een nog groter bezwaar van de exportheffing zou zijn
het verzwakken van de prikkel tot exprt bij de onder-
nemer. Men moet zich realiseren, dat in ons systeem van
geleide economie de Overheid langs verschillende wegen een sterke invloed kan uitoefenen op de aard, de kwaliteit
en de omvang yan de productie voor de binnenlandse
markt, maar dat de invloed hiervan op de export slechts

indirect is. Indien de ondernemer geen voldoende grond-
stoffen krijgt toegewezen om zijn apparaat op volle toeren
voor de binnenlandse markt te laten draaien, zal hij er

ongetwijfeld vaak naar streven volledige bezetting te
bereiken door verkrijging van grondstoffen, welke alleen
voor de export mogen worden gebruikt. De ondernemer
beschikt echter nog over verschillende andere uitwijkings-
mogelijkheden om aan de indirecte exportdwang te ont-
snappen. Waar er geen productiewet is, waarmede de
ondernemer rechtstreeks verplicht kan worden tot het ex-

1)
Zie rede Minister Huysmans in de Tweede Kamer op
12
Decem-
ber
1946,
Handelingen TK
1946147, blz. 794.

porteren van dat gedeelte van zijn produtie, dat r/aar de
mening van de Overheidsinstanties hiervoör in aanmerking

komt en waarvoor in het buitenland afzetmogelijkheden
bestaan, blijft er een lacune in het beïnvloeden van om-

vang en richting van de export. In deze lacune moetworden

voorzien, zo goed en zo kwaad als het kan, door de werking

van de marktwetten. Dit wil zeggen, dat men er op ver-

trouwt, dat de ondernemer zijn product bij voorkeur daar-

heen zal sturen, waar hij de gunstigste prijzen kan behalen

en dat is nog steeds in vele gevallen de exportmarkt.

Verzwakt men de werking van deze marktwetten door

een exportheffing, welke de extra-winsten verbonden aan

de uitvoer vermindert, en het exporterende bedrijfsleveii

met meer romplomp belast, dan betekent dit, dat ge-

noemde lacune in ons systeem van geleide ,economie

zich ten volle zal doen gelden. De bedrijven, die dan af-

kerig worden ‘van export, zullen er in versterkte mate naar

streven hun product op de binnenlandse markt onder te

brengeii en alle beslommeringen en risico’s van de export

te vermijden.
1-let blijkt niet alleen, dat de Regering de gevaren van

een dergelijke exportheffing inziet en deze plannen thans

laat varen, zij schijnt nu zelfs volledig overstag te willen

gaan en middelen te beramen om een deel van het expor-

tereiide bedrijfsleven nog bijzondere henefices te verschaf-

fen. In de samenvatting van het deviezeiiprogramma der
Regering, opgenomen. aan het slot van de deviezennota

van 31 Maart jl., verklaren de Ministers, dat zij overwegen

exporteurs onder bepaalde voorwaarden de beschikking te’

geven over een zeker percentage van de opbrengst in de-
viezen bij export naar het dollararea. Op deze wijze zou
dus een bepaald deel van de export gepremieerd worden,
n1 die, export, die dollars inbrengt. Een kwantitatieve

motivering hiervan treft men al direct aan in het in dezelfde

nota opgenomen overzicht van de uitvoer verdeeld naar,

groepen van landen. 1-lieruit blijkt, dat de waarde van onze
uitvoer, gecorrigeerd met cie inmiddels sterk gestegen

prijzen door een herleiding tot de inde±cijfers van 1937/38,
in 1947 totaal 47 pCt heeft bedragen van de uitvoer in
1937/38. Daarbij bleef de uitvoer naar de verdragslanden

belangrijk boven dit gemiddelde, nl. 71 pCt, terwijl

de uitvoer naar de dollararea nog slechts 33 pCt ‘beliep van de uitvoer in de genoemde basisperiode.
Ei’ is een hele reeks van factoren in het geding, die
het verklaarbaar maken, dat onze uitvoer, welke ook voor
de oorlog slechts in zeer beperkte mate op de dollargebieden
was gericht, thans nog relatief minder, dan vroeger op de

landen georiënteerd is, die met dollars betalen. De Hoofd-groep Industrie heeft er onlangs op gewezen, dat het prij-
niveau in de landen met zwakke valuta vaak hoger is dan in die met sterke valuta, hetgeen een ongewenste
contraselectie op de richting van onze export zou uitoefe-
nen
2)
Wij zullen hier op dit onderwerp, dat een chapiter
op zichzelf voi’mt niet ingaan, maar slechts constateren,
dat het zeer begrijpelijk is, dat de Regering het toedienen
van en bijzondere stimulans overweegt, welke de afzet
in de dollargebieden voor onze exporteurs een grotere aan-
trekkelijkheid zou kunnen verschaffen.

De grote bezwaren, die aan een dergelijke stimulans vastzitten, zijn ongetwijfeld de oorzaak, dat men reeds

niet veel eerder tot het toepassen van dit middel is over-
gegaan.
De vraag, die in de eerste plaats moet worden gesteld,
betreft het gebruik, dat deexporteurs van deze vrije de-
viezen maken. Wil men ze in de deleg6heid stellen deze dollars tegen een vrije koers, welke belangrijk boven de
öfficiële paritèit zou uitgaan, te verkopen?Dit zou beteke
nen, dat ook Nederland het systeem van gelegitimeerde
zwarte valutamarkt zou introduceren, waartoe rèeds eerdej
landen als Italië, Griekenland en Frankrijk zijn overgegaan.
Het is voldoende bekend, welke nadeligè gevolgen aan dit
systeem verbonden zijn. 1

let betekent een min of meer

‘) Zie de ,,Industrie” van
1
Maart
1948.

19 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

385

openlijke erkenning van de devaluatie van de gulden en
zou ongewenste repercussies kunnen hebben op het binnen-

landse prijsniveau. lIet zou voorts de moeilijkheden ver-

groten voor de landen, die vasthouden aan het systeem

van handhaving van de officiële pariteit door middel van

regulering van het betalingsrégime. Vooral nu nauwere
bindingen van economische en financiële aard in het kader

van de Westelijke Uitje worden overwogen, zou Nederland

er niet aan kunnen denken de Engelse dollarmoeilijkheden
nog verder te vergroten door het eenzijdig openen van een

vIije dollar’markt.

Een andere mogelijkheid zou zijn de ondernemrs, die
ons de dollars inbrengen, toe te staan een gedeelte daarvan

te gebruiken voor aankoop van goederen in het dollar-

gebied, waarv6or zij hiér te lande invoervergunning zonder

betalingsvergunning zullen kunnen krijgen. Dit systeem,
dat ook in Frankrijk en Italië wordt toegepast, brengt het grote gevaar mede, dat men in plaats vn een gedeeltelijk

vrije valutamarkt een gedeeltelijke legalisering van de
zwarte markt voor go&deren krijgt, hetgeen slechts een

verplaatsing van de moeilijkheid vormt. Men moet immers
met de mogelijkheid rekening houden, dat de dollarop-

brengsten, welke ter vrije bechikking van ondei’nemers
komen, wel eens een dergelijke omvang kunnen beriken,
dat. de exporteurs deze niet alleen kunnen gebruiken voor
de bevrediging van hun eigen individuele behoeften. Er

is nu eenmaal een verzadigingspunt zelfs voor het absor-
beren van dollarartikelen. 1-Jet zou dus voor de hand liggen,
dat de exporteurs, indiei zij bij de besteding van hud dol-

lars vrijgelaten wor.den, pogen schaarse consunptiegoede-
ren te importeren, welke hier te lande hoge zwarte prijzen
zouden behalen. Men krijgt dan onmiddellijk het sociale
nadeel, dat de verschillende «roepen hun behoeften op

volkomen ongelijke wijze bevredigen, hetgeen de grond-
slagen van ons distributiestelsel aantast. Floeveel kritiek’

is er reeds niet geoefend op het mogelijk ihaken van bon-
loze aankopen met behulp van Amerikaanse cadeaubonnen. liet behoeft vooÇts geen betoog, dat een dergelijke methode
ook volkomen zou indruisen tegen het systeem van onze
invoerplanning, waarbij speciaal ten aanzien van het

dollararea de verschillende prioriteiten zorgvuIdig zijn
-uitgebalanceerd teneinde tot een optimaal effect van onzé
schaarse dollarfondsen te geraken. In de derde plaats is
ook duidelijk, dat een dergelijke partiële vrijmaking van
de invoer gevaarlijke pfijsstijgendetendentics in het binnen-
land zou kunnen uitlokken.

Deze verschillende schaduwzijden van het door de Re-
gering overwogen programmapunt zijn zo overwegend en
komen zozeer in botsing met de grote lijnen van de econo-
mische, sociale en financiële politiek van de Regering, dat
de conclusie zou moeteh zijn een sfreep onder dit hoofdstuk
te zetten en de bemoeiingen tot verbetering van onze
dollarpositie in andere richting te leiden.
Onze dollarpositie is echter zo precair en het aangeprezen
middel opent hiervoor wellicht zulke aantrekkelijke pers-
l)ectieven, dat het dubbel en dwars de moeite waard lijkt
na te gaan of ei’ geen systeem denkbaar is, waardoor de
bovengenoemde nadelen ‘worden uitgeschakeld en ‘alleen
de voordelen overblijven.
Indien men in deze richting verder wenst te denkén,
moet aan twee eisen worden voldaan. In de eerste plaats
moet voorop staan, dat de omvang van de vrij te geven
dollaropbrengsten beperkt blijft. In de tweede plaats moet
worden verzekerd, dat de beloning alleen wordt uitgereikt,
indien zij inderdaad werkzaam is als prikkel tot export-
vermeerdering. Dit sluit uit, dat de traditionele exporteur
naar het dollargebied van een dergelijke premie zou mogen
ji’ofiteren. Gedeeltelijke toewijzing van dollaropbrengsten
aan exorteurs zou alleen mogen plaatsvinden, wanneer
de door hen bewerkstelligde uitvoer ‘additioneel is. Voor
het bepalen van dit additionele karakter komen verschil-
lende maatstaven in aanmerking, bijv. de vergelijking met
de uitvber véÔr de oorlog of in de naoorlogse periode naar
de dollargebieden of wel toetsing aan het volgens de regels
der planning per bedrij fstak opges telde exportprogramma

naar het dollargebied. T-let is een kwestie van opportuniteit,
welke maatstaven men moet kiezen; in elk geval moeten

deze van eenvoudige en begrijpelijke aard blijven en zou

,de toetsing daaraan vati de reële export ook slechts’een

simpele procedure mogen vormen. –

Voorts z’ou de besteding van de aldus ter beschikking

komende ,,vrije” dollars aan nauwe grenzen moeten wrorden

gebonden, een principe, velker juistheid volgens de hoofd-

groep Industrie door het bedrijfsleven wordt erkend. Een
zeer rationele bestemming zou kunnen zijn de vorming
van dollarfondsen, individueel of pel’ bedrijfstak, voor de
bevordering van onze export op de Amerikaanse markten.

Dus reclame en yooi’lichting, rnrktonderzoek, vetiging

van behoorlijk geoutilleerde vertegenwoordigingen. In dez
richting moet nog zeer belangrijk werk’ worden gedaan

door het Nederlandse bedrijfsleven. Het gebruik van uit

additionele •export voortkomende middelen tot dit doel

betekent het scheppen van een Nederlands activum in
Amerika,nl. goodwill, hetgeen bijdraagt tot’ een ruimer

vloeien van de dollarbron in een nabije en verre toekomst.

Zou men deze bestemining tevens dienstbaar kunnen maken
aan een bevordering van cle samenwerking tussen de veelal
nog sterk individualistische exporteurs, dan zou dit een

secundair voordeel van niet geringe omvang kunnen blijken.
Dit zou ook al daarom nodig kunnen zijn om tevoor-

komen, dat de ex’porteurs in de wedloop om de zo begeerde
dollars elkaar scherp gaan beconcurreren en het systeem dus zijn doel voorbijschiet.
Een verdere, mogelijkheid van besteding zou, zijn.’het
aankopen van productiemiddelen ten behoeve van de
verbetering en uitbreiding.van de industriële apparatuur
in de exporterende fabrieken. Ook dit zou een bestemming

vormen, die de hele Nederlandse volkshuishouding ton
goede komt. Men zou daarbij onderscheid moeten maken

tussen invoer van productiemiddelen, met een dergelijke
prioriteitspositie in de invoerplanning, dat hun aanschaffing
in de loop van 1948 toch verzekerd is, en die goederen,
welke een minder bevoorrechte plaats innemen. Vooi’ de eerste categorie heeft het natuurlijk geen zin exti’a facili-teiten te verschaffen, omdat voor deze goederen toch in-
voervergunningen zouden worden verleend en men de
exporteur daardoor niet in eenhevoorrechte positie plaatst
ten opzichte van niet naar dollargebieden exporterende
,ondernemingen. 1-let gaat uitsluitend om de tweede cate-
gorie, welke niet in het invoerprogramma is opgenomen.

Zovei’ het hier productiemiddelen betreft, welke weliswaar
niet tot de allerhoogste pnioriteitsklassen worden gerekend,
waarin door het uiteraard veel te beperkte dollarhudget
wordt voorzien, maar welker aanschaffing zeker bevorderd
zou worden, indien de dollarfondsen groter waren, zou ge-
bruik van ,,vrije” dollars door het algemeen belang worden
gerechtvaardigd. Hierdoor zou het tempo,’ waarin de
industrie haar outillage op peil brengt, kunnen -woi’den
opgevoei’d, terwijl de betrokken bedrijven hiervoor zelf de
dollai’s fourneren..

Zou blijken, dat er nog belangrijke ,,vrije” dollarmid-
delen overblijven, nadat uit de’ beide bovengenoemde be-
stemmingn het uiterste zou zijn gehaald, dan zal voor de
rstanten een aannemelijke oplossing moeten •wordeh
gezocht, welke voordelen medebrengt voor de ondernemer
zonder het algemeen belang te benadelen. liet ligt voor de
hand ‘hier te dèncen aan de mogelijkheid de exporteurs
gelegenheid te geven hun overtollige dollars om te zetten
in pari te verwerven dollarobligaties van de 3 pCt lening 1947. Bij de huidige notering wordt hiermede direct een
winst ‘behaald. De grootste attractie voor de exportëur
zal echter vaak zijn, dat hij zich daarmede vnijwaart tegen’
de, in sommige kringen van het bedrijfsleveh, nog wel éens
hoog aangeslagen risico’s van de gulden. Men hoort nogal
eens in de kringen van het bedrijfsleven de verzuchting,
dat alle moeite voor de export tenslotte, na betaling der

386

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

belastingen, slechts een gutdensbezit oplevert, waarvan

men maar moet afwachten wat het waard zal blijken.

Door uitgifte van dollarobligaties helpt men de onder-

nemer aan een voordelige en van valutarisico’s bevrijde

belegging voor zijn liquide middelen en draagt men tevens

bij in de kasbehoeften van het Rijk. Wanneer men hieraan

de faciliteit verbindt, dat deze obligaties steeds gebruikt

kunnen worden voor betaling van bepaalde op de onder-

nemi ng drukkende belastingen tegen parikoers, beschermt

men het bedrijfsleven tevens tegen het risico van rente-

stijging in geval de gulden stabieler zoû blijken dan de

exporteur verwacht. –

Door het zoeken naar bijdragen tot de oplossing van het

dollarprobleem in deze geest, zou onze geleide economie,

die niet over een voldoende tsnge stick” blijkt te beschik-

ken, de ondernemers de veelgeprezen ,,carrot” kunnen

voorhouden. Het ware te wensen, dat een zo groot mogelijk

deel van het bedrijfsleven aldus een behoorlijke portie

,,additionele” carotin toegediend zou krijgen.

s-&ravenhage.

A. A. VAN AME RING-EN.

DE KOSTPRIJSVERLAGING

IN DE NEDERLANDSE LANDBOUW.

De toekomst van de Nederlandse landbouw is een vraag,

die nâ de bevrijding in alle toonaarden wordt gesteld en

in alle toonaarden wordt beantwoord. Het aantal menin-

gen, ook uit deskundige bron, dat in woord en geschrift

ter openbare kennis is gekomen, is groot en varieert tussen
somber pessimisriie en rooskleurige schilderingen. 1-let
merkwaardige hierbij is, dat, althans op het ogenblik, nog
niemand met een behoorlijke mate van zekerheid kan zeg-

gen, wie er gelijk heeft of zal krijgen en wie niet.
Verklaarbaar is dit verschijnsel overigens wel. De toe-komst van onze landbouw wordt jn zeer belangrijke mate

bepaald door de ontwikkeling der in- en exportmogelijk-

heden. En deze op hun beurt zijn weer afhankelijk van

de ontwikkeling der internationale verhoudingen op het gebied van politiek en handel. Nu vormen, treurig maar

waar, juist deze verhoudingen een der meest onzekere
factoren in de huidige samenleving. Betreffende hun ont-
wikkeling kan dan ook nog weinig als vaststaand worden
aangenomen. Bij het opstellen van een algemene be-

schouwing op landbouwgebied zullen dus onveimijdelijk
ook vele persoonlijke inzichten een belangrijke rol spelen.
Hierin schuilt een, bron van fundamentele .rneningsvr-
schillen, hetgeen voor de vorming vaneen definitief oordeel
uiteraard weinig bvorderIijk is. –
Er is maar één manier om deze moeilijkheid te vermijden
en een objectieve beschouwing mogelijk te maken. Dat
is het invoeren van een scherp onderscheid tussen de vraag-
stukken, ‘waarvan de oplossing geheel door de omstandig-
heden binnen onze grenzen wordt bepaald, en die, waarvan
de oplossing (mede) door de internationaleverhoudingen
wordt beïnvloed. Ten aanzien van de eerstgenoemde
vraagstukken is de situatie langzamerhand wel zo, dat een
Vrij .volledige en grondige bespreking mogelijk is. Ten
aanzien van de laatstgenoemde i, zoals gezegd, het gevaar
groot, dat men zich verliest” in het weergeven van min

of meer persoonlijke opvattingen. Men zal zich dus eigenlijk
dienen te beperken tot het bespreken van een aantal
factoren, die bij de toekomstige ontwikkeling van belang
zullen zijn. Hierbij kan nI. aanzienlijk gemakkelijker de
vereiste objectiviteit in acht worden gefiomen.
Wanneer wij nu als onderwerp van deze beschouwing de
toekomst van onze landbouw aan de orde stellen, dan dient
men zich wel voor ogen te houden, dat deze toekomst
direct afhankelijk is van de mate, waarin onze landbouw als producent van voor export bestemde veredelingspro-
ducten kan optreden. M.a.w. in hoeverre wij in de gelegen-
heid en in staat zullen zijn veredelingsproducten van een

zodanige kwaliteit en tegen
;
een zodanige prijs voort te

brengen, dat het buitenland deze in voldoende hoeveelhe-
den zal willen en kunnen afnemen. Voldoende” dan in

die zin, dat er een totale productie wordt bereikt, waaraan

de bedrijven, die geheel of gedeeltelijk op de voortbrenging

dezer producten zijn aangewezen , ,een bestaansmogelijk-

heid” kunnen ontlenen.

1-let hier gestelde vraagstuk valt bij nadere beschouwing

in drie delen uiteen.

Zullen wij in staat en in de gelegenheid zijn de beno-
digde hulpmiddelen van buitenlaPdse oorsprong, vnl.

voedermiddelen, te verkrijgen.

Welk peil van kostprijs en kwaliteit onzer producten

zullen wij kunnen bereiken. C Zullen bij dit peil voldoende (zie boven) afzetmogelijk-

heden kunnen worden gevonden.

Het is duidelijk, dat alle vraagstukken, waarvan de

oplossing geheel door de omstandigheden binnen onze

grenzen wordt bepaald, uitsluitend onder B. vallen.

Wanneer wij ons voorlopig hiertoe bepaleh, dan is het

voornaamste probleem dat van de kostprijsverlaging.

Bij nadere beschouwing van de mogelijkheden daartoe
kunnen ook deze weer in drie groepen worden verdeeld.

Ten eerste zijn daar de maatregelen tot kostprijsver-

laging, die onafhankelijk van de omvang van de productie en dus volkomen ongeacht de afzetmogelijkheden kunnen

worden toegepast.

Vervolgens de maatregelen, die samenhangen met de
omvang van de productie op ieder afzonderlijk bedrijf.

Tenslotte de maatregelen, die direct verband houden
met de omvang van de totale productie.
De eerste groep betreft in de eerste ptaats de aanwending
van productiemiddelen per eenheid product. Hieronder

vallen dus alle vraagstukken betreffende rationele voede-

ring, bemesting, verpleging, aanwending van bestrijdings-

middelen, arheidsmethoden, enz. Daarnaast staat als
minstens even belangrijk de kwestie van rassenkeuze en

veeverbetering.
Tot de tweede groep behoren de vraagstukken van liet
rationele productieschema per bedrijf. Dit betreft dusde

samenstelling van het bouwplan en de veebezetting, voor-
zover deze alleen door rationaliteitsoverwegingen, dus
onafhankelijk van algemene productie-eisen, kunnen wor-

den bepaald. • De derde groep omvat de vraagstukken van het rationele

productieschema voor het kehele land, uitgaande van dat
per bedrijf. Hieronder vallen ook de.problemen van even-

tueel noodzakelijke algemene productieregelingen met hun doorwerking op ieder afzonderlijk bedrijf.
Als voorbeeld kan deze indeling voor de varkenshouderij

als volgt worden ontwikkeld.
De eerste groep betreft de vraag,
hoe
een varken van

een bepaald gewicht en een bepaalde kwaliteit zo goedkoop

mogelijk kan w’orden verkregen: zelf fokken of aankoop van biggen (in beide gevallen van op productie gecontro-
leerde duders), samenstelling van de voederrantsoenen,

verpleging, enz.

Bij de tweede groep gaat het omde vraag,
hoeoeel
varkens er op een bepaald bedrijf het best kunnen worden gehouden: verband met beschikbaar goedkoop eigen voe-

der en de arbeidsverdeling voor een zo laag mogelijke
kostprijs.
De derde gioep heeft in de eerste plaats betrekking op
de vraag,
welke
bedrijven er op deze grondslag voor varkens-
houderij in aanmerking komen. En verder, wanneen’ er
door omstandigheden een bepaald aantal varkens moet worden gehouden, hoe kunnen deze dan het beste over
de daarvoor in aanmerking komende bedrijven worden
verdeeld, opdat de algemene kostprijs zo min mogelijk
nadelig wordt beïnvloed.
Op geheel overeenkomstige wijze kan deze indeling ook
voor andere veesoorten en de met ieder gewas beteelde
oppervlakte worden toegepast. –
Het is wederom duidelijk, dât van deze drie groepen

19 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

387

alleen de eerste twee geheel (lOOr de omstandigheden

binnen onze grenzen worden bepaald. Ten aanzien van de
derde groep is het zo, dat het voorschrijven vah het aantal
van een bepaalde veesoort te houden dieren of van de met
een bepaald gewas te bebouwen oppervlakte nodig wordt

door uit internationale verhoudingen voortvloeiende om-
standigheden. Bij v. gebrek akn afzetmogelijkheden; vee

en fabrieksaardappelen voor de oorlog; gebrek aan pro-

ductiemiddelen; vee in en na de oorlog; wegvallen van

invoermogelijkheden; koolzaad in de oorlog; enz.

Dit geheel van vraagstukken valt dus samen met die,

welke bij de algemene indeling onder A. en C. werden
aangegeven. Een. bespreking van de mogelijkheden tot
kostprijsveriaging, voorzover wij die geheel in eigen hand

hebben, moet dus worden beperkt tot de vragen
hoe.
en

hoeeeel kan
er worden voortgebracht.
Het vraagstuk, hoe een eenheid product zo goedkoop
mogelijk kan worden voortgebracht, ornvat, zoals ieeds
gezegd, alle problemen van iassenkeuze, veeverbetering,

rationele arbeidsmethoden,voedering, bemesting, aanwen-

ding van bestrijdingsmiddelen, enz. Stuk voor stuk kwes-
ties, waarvan het belang sindi jaar en dag bekend is en

waaromtrent reeds zeer veel kennis ter beschikking van
de practijk staat en nog bij voortduring wordt gesteld.
Dat op dit punt de grens van het mogelijke nog lang niet
is bereikt, is dus niet zozeer een kwestie van tekorten
aan kennis, maar vloeit voort uit cle nog onvoldoende

mate van toepassing van deze kennis. Wanneer werkelijk
alle ervaring, die op dit gebied bestaat, in practijk zou
worden gebracht, dan zouden daar voor vele bedrijven
nog zeer belangrijke kostprijsverlagingen van soms tien-
tallen procenten uit voort kunnen vloeien.
Niet alle streken in ons land mogen in deze over één
kam *orden geschoren. Met de ontwikkeling van de boe-
renstand in een gebied neemt ook het gebruik maken’ van
de beschikbare kennis toe. Landbouwvoorlichting en land-

bouwonderwijs hebben, gedragen door het vertrouwen
der boerenbevolking, op dit punt reeds veel weten te be-
reiken. Toch valt er, zelfs in de verstgevorderde gebieden,
bijv. Noord-Beveland,de Friese w’eidegebieden en de Veen-
koloniën, nog heel wat te verbeteren. Voor voorlichting
en onderwijs op grond van reeds verkregen kennis en in-
zicht is dus nog steeds een zeer belangrijke taak weggelegd.
Doch niet alleen dit. Wetenschap en techniek zijn nog
allesbehalve aan hun einde gekomen, zoals de laatste
jaren wel overduidelijk is gebleken. Ook onderzoek is
dus nog steeds noodzakelijk om naar voren komende
nieuwe mogelijkheden op hun bruikbaarheid te beproeven.
Voorzover het hierbij gaat omnieuwe rassen, nieuwe be-
strijdingsmiddelen e.d., kunnen de reeds gebaande wegen

worden gevolgd.

Anders staat het met twee meer ingrijpende middelen
tot individuele kostprijsverlaging, die wel al reeds bekend
%n toegepast zijn, doch nu meer dan ooit worden aange-

prezen cultuurtechnische werken: ruilverkaveling, her-,
ontginning, ontwatering, enz., en mechanisatie. Het
stadium, waarin deze twee vraagstukken thaiTs zijn ge-
komen, en ‘hun belang voor de toekomst van onze land-
bouw vereisen een nadere bespreking.
1-Jet nut van ruilverkaveling e.d. staat zonder meer
vast. De vraag is allen, wat mag onder gegeven omstan-digheden de uitvoering daarvan kosten om verantwoord
te zijn. Dit hangt af van hetgeen men onder ,,verant-
woord” verstaat. Wordt hierbij alleen naar de eventuele

verhoging van de verkoopwaarde gekeken, dai zullen in
vele gevallen de kosten te groot zijn. –
Deze maatstaf is echter onvolledig. De in geld uit te’ drukken betekenis yan een ruilverkaveling e.d. gaat in het algemeen ver boven de verhoging van de verkoop-,

waarde, c.q. de gekapitaliseerde .pac’htwaarde, uit. Ook-
de mogelijkhecien tot vergroting van werkgelegenheid en betere bedrijfsujtkomstep door rationele – bedrijfsvoering
mogen, hierbij in-rekening ,worden gebracht. Dit’ neemt

echter niet weg, dat er vel degelijk voor ieder geval een
zekere grenswaarde kan word en aangegeven, waarboven

de kosten niet mogen stijgen. 1-Toewel het onderzoek naar

dit vraagstuk nog niet is afgesloten, bleek al wel, dat de
grenswaarden niet zo hoog liggen, dat iedere wenselijke

cultuurtechnisclte vei’betering ook economisch verant-
woord is. Een nationaal plan, zoals thans in Denemarken

wordt overwogen, komt voor ons land dan ook niet in

aanmerking.
Hier komt nog bij, dat ook om andere redenen beper-

kingen ten aanzien van het ondernemen van cultuurtech-
nische werken, althans voorlopig nog, noodzakelijk zijn.
De grote arbeidsbehoefte hiervoor draagt er, naast die
voor de wederopbouw’, ongewild maar onvermijdelijk toe
bij, dat voor landarheid vaak lonen moeten worden be-
taald, die, zoal niet zwart, dan toch in ieder geval ,,grijs”

moeten worden genoemd.
Ten opzichte van de mechanisatie bestaan eveneens
een aantal overwegingen, die tot voorzichtigheid stemmen

en dat deels’ ook reeds met merkbare gevolgen hebben

gedaan.
De huidige jacht op een ti’actoi’, waarin de drang naâr

mechanisatie wel het sterkst tot uiting komt, wordt name-
lijk goeddeels veroorzaakt door de schaarste aan, en dus
duurte van, arbeiders en, in mindere mate, paarden. Zo-
lang de situatie nu zo blijft, ‘dat de prijs van tractor en
te vervangen aantal paarden ongeveer tegen elkaar op-
wegen en tegenover de aanschaffing dei’ werktuigen en de

exploitatiekosten de besparing staat van het onderhoud
der te vervangen paarden en in de drukke tijd een bedrag
aan arbeidsloon te berekenen haar f 70 é f 80 per week,

dan is een tractor al gauw rendabel.
Men kan echter met absolute zekerheid aannemen, dat

deze situatie
niet
blijft. D.w.z. de hoge kosten voor mense-
lijke en dierlijke arbeid blijven niet, de aan de tractor-
arbeid. verbonden kosten echter wel. Bij de beoördeling
of het aanschaffen van een tractor voor een bepaald bedrijf
gewenst is of niet, zal men dus over de huidige abnormale
toestand moeten heenzien. Dit betekent een, althans ge-
deeltelijke, terugkeer tot de vooroorlogse inzichten. Om de gedachte te bepalen werd toen aangenomen, dat men onder’
de 40 ha liever niet aan een tractor moest beginnen, nu

zal deze grens in het algemeen niet onder de 30 ha liggen.
Hetzelfde geldt uiteraard in nog sterkere mate voor de

mogelijkheden tot mechanisatie van oogstwerkzaamheden,
waarbij tractoren als trekkracht benodigd zijn: grote
combines, rooi- en vlastrekmachines e.d. Voor een renda-
bele aanwending hiervan zullen min+mum oppervlakten
van dè betrokken gewassen moeten worden aangegeven,
die op de meeste bedrijven niet vrden bereikt.
Anders ligt het met de kleinere typen van deze ma-
chines en de lichters, die (ook) met paardenti’actie kunnen
werken. Deze zijn ook op gemiddelde en kleinere bedrijven
op hun plaats, zoals vooral ten aanzien van de lichters

reeds voldoende is gebleken.

Een afzonderlijk geval is het op een of andere wijze
gemeenschappelijk gebruiken van tractoren, machines en werktuigen. Indien hiervoor een goedlopende organisatie
kan worden geschapen, zijn zeer. aanzienlijke besparingen

mogelijk. Echter,
en dit is een belangrijke beperking, alleen

dan, wanneer de te besparen’ arbeid ook inderdaad in geld
kan worden bezuinigd of op andere wijze minstens ed’en
lonend aangewend.
Vooral op kleinere bedrijven zal het
bij deze gang van zaken kunnen voorkomen, dat een deel
van het loon, dat de boer en zijn gezin anders zelf ver-
dienen, nu naar een loonwerker of personeel van een
werktuigencoöperatie gaat. Wanneer hier geen compen-
serende voordelen tegenover -staan: zichzelîbetalend beter
werk of meer lonende andere werkgelegenheid, kan deze
vorm van mechanisatie beter achterwege blijven.
.,Bovendjen is het zeer .de vraag, of de voor deze meer
.lonende’ andere arbeid, voornamelijk’ meer intensieve be-
drijfsvoering,’ .benodigde tijd door mechanisatie moet

r

388

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

worden verworven. In het algemeen kan er bij de arbeid

op het kleine bedrijf nog ruimschoots voldoende tijd wor-

den bespaard zonder gebruik van (deviezen-)kapitaal ver-eisende middelen als mechanisatie..

Economisch bezien zal mechanisatie van kleine bedrij-

ven dan ook op zichzelf in het algemeen niet rationeel zijn.

hier stiat echter tegenover, dat mechanisatie in de prac-

tijk als ,,katalysator” kan werken voor andere,- wel

lonende, rationalisatiemogelijkheden, die anders veel

trager zouden worden toegepast. In dit verband kan me-chanisatie voor het bereiken van verbeteringen op korte

– termijn soms ,,psychologischY’ wel rationeel zijn.

Over het tweede, de kostprijs betrffende,vraagstuk,
hoe Qeel
er van een bepaald product per bedrijf-moet of kan

worden voortgebracht, is aanmerkelijk minder bekend.
1-hierbij gaat het eigenlijk om de organisatie van de bedrijfs-

voering: hoeveel koeien, jongvee, varkens, pluimvee moet-

(en) er worden gehouden, hoe moet de verdeling tussen

bouwland en grasland zijn en welk deel van het bouwland
moet met ieder gewas worden bezaaid. De beantwoording

van deze vi’agen is een kwestie van bedrijfseconomisch
onderzoek, waarbij het bedrijf als geheel beschouwd wordt.

Deze vorm van onderzoek is, in voldoend brede opzet,
voor het eerst in 1943 door de toenmalige afdelingjX A

(Bedrijfseconomie) ,van de Directie van de Landbouw

aangevat. Bij de opheffing van deze Afdeling in 1945 moes-

ten de werkzaamheden, althans voorlopig, helaas worden

gestaakt. Uit de in die periode verkregen resultaten is

echter wel gebleken, dat hieruit zeer nuttige aanwijzingen

kunhen w’orden verkregen. Het gaat hierbij voornamelijk

om het vermijden van over!, resp. onderbezetting met vee,
gezien in verband met de eigen voederproductie, en zo
regelmatig mogelijke arbeidsverdeling in het bouwplan.
De kostprijzen op de bij deze onderzoekingen als ratio-

neel gevonden bedrijven bleken 5 â 10 pGt lager te zijn dan

het gemiddelde op alle betrokken (boekhoudende) bedrij-
ven. Daar deze bedrijven naar kwaliteit der bedrijfsvoering
veelal boven het gemiddelde peil liggen, kan men veilig

aannemen , dat bij algemene toepassing der gevonden be-

drijfsvormen kostprijsverlagingen van 10 pCt en meer

kunnen worden bereikt. Dit percentage zal uiteraard in

verschillende gebieden en ïoor verschillende bedrijfs-
typen nogal wat uiteenlopen. In een gebied met een
weinig gecompliceerde bedrijîsvorm en een goed ontwik-
kelde bevolking, bijv. in het Friese weidegebied en in de
Veenkoioniön, zal 10 pCt wel de grens zijn. In de meeste

zandgebieden is een percentage van 15 â 20 mogelijk.
Samenvattend kunnen de middelen tot kostprijsverla-
ging nu als volgt worden gesteld:
1.

Algemene toepassing van de resultaten van de

landbouwwetenschap, te bereiken door voorlichting
en onderwijs. Hierbij gaat het dus om rassenkeuze,
bemesting, ziektebestrijding, veeverbetering, vee-
voedering, enz.

Toepassing van vindingen der landbouwtechniek,
dus voornamelijk mechanisatie. T-hierbij gaat het om
rationele arbeidsaanwending, waarbij vooral voor
het grotere bedrijf de beste kansen zijn weggelegd. Cultuurtechnische werken, dus verbetering der lig-

ging en verkaveling. Hierbij gaat het om rationele
arbeidsaanwending en opbrengstv,erhoging, waarbij
vooral voor complexen- van kleinere, verspreid ge-
legen en ongunstig verkavelde bedrijven de meeste
verbetering mogelijk is.
Algemene toepassing van de resultaten van bedrijfs-
economisch onderzoek, eveneens te bereiken door

voorlichting en onderwijs. 1-lierbij gaat het om ratio-
nele organisatie van de bedrijfsvoering:- bouwplan
en veebezetting.

Ten aanzien van de bij de inleiding onder B. gestelde
vraag naar het te bereiken kostprijspeil kan uit de boven-staande beschouwing het volgende worden afgeleid. Afgezien van enkele nieuwe mogelijkheden tot mecha-

nisatie vormen de genoemde middelen tot kostprijsver-

laging een geheel van omstandigheden en maatregelen,

dat op zeer goed geleide en gunstig verkavelde bedrijven
reeds in de practijk zal voorkomen. Er kunnen dus een aan-

tal bedrijven worden aangewezen, waar op het punt van

kostprijsverlaging slechts heel weinig meer té verbeteren

valt Het laagst mogelijke kostprijspeil is daardoor een
in de practijk reeds ongeveer bestaande grootheid.-

Algemene kostprijsQerlaging is dan ook niet zo zeer een

kwestie van Qerlaging -‘an het minimum, maar oan hét
gènziddelde.
Dit kan geschieden door een zo groot mogelijk
aantal bedrijven door (meerdere) toepassing van de ge-
noemde middelen of op bij dit bestéande – minimum te
brengen. Op – grond van de reeds genoemde voorlopige

onderzoekingen van de Afdeling Bedrijfseconomie van de

Directie van de Landbouw kan van het streven in deze

richting ongeveer het volgende worden verwacht.

Voor de productie van akkerbouwbedrijven een gemiddel-
de kostprijsverlaging van ëa 10 pCt, voornamelijk door

invoering van op betere werkirerdeling ingestelde bouw-
plannen, betere arbeidsmethoden c.q. mechanisatie en

– (eventueel) gebruik van beschikbare bijproducten voor
goedkope veehouderij..

Voor deproducten van de veehouderij op weidebèdrijven
een gemiddelde kostprijsverlaging van 15
6L
20 pCt, voor-
namelijk door veeverbetering en bepaling van de veebe-
zetting in samenhang met efficiënt gebruik van het gras-

land en van aangekochte voedermiddelen (omweidings-
systeem en rantsoenberekening).
f

Voor de producten van de veehouderij op gemengde be-
drijven een gemiddelde kostprijsverlaging van ca 20 pCt,
voornamelijk door de hiervoor genoemde middelen, als-
mede door meer efficiënt gebruik van hetbouwland voor

voederproductie en door cultuurtechnische werken.
– T-het is zonder meer duidelijk, dat deze resultaten niet

van het ene jaar op het andere kunnen worden bereikt.
Vooral de veeverbetering is een taak, dîe zich oveimeerdere,

zo niet vele, jaren moet uitstrekken. De hier gegeven

percentage’s zijn, mede met het oog hierop, niet op uiter-
sten gebaseerd, maar op hetgeen in ongeveer 10 jaar kan
worden bereikt.

Bij de bepaling dezer cijfers is de invloed van thans nog
heersende naweeën van de oorlog: bodemuitputting, vei-
vuiling, kunstmestgebrek, verjonging van de rundvee-
stapel, onderbezetting voor varkens en pluimvee e.d.,

buiten beschouwing gelaten. Vergeleken bij de toestand
op het ogenblik zullen dus voor een aantal producten nog
aanzienlijk grotere verlagingen te bereiken zijn, te schatten

op ca 5 A 10 pCt extra. Speciaal ten aanzien van, de
veehouderijproductie, w’aarover momenteel zeer sombere
geluiden worden gehoord (de boterprijs hier en in Dene-
marken), is dit van belang.

Tenslotte moet bij de beschouwing der genoemde per-

centages in het oog worden gehouden, dat deze als gendd-
delden betrekking hebben op de gehele ,,productenbundel”
der betrokken bedrijyen. Voor ieder afzonderlijk product
zullen dus grotere, resp. kleinere kostprijsverlagingen mo-
gelijk zijn. In hoeverre deze verschillen voor de algemene

prijspolitiek voor de afzonderlijke producten van belang
kunnen zijn, valt aan de hand van de thans beschikbare

nog niet na te gaan. Met de mogelijkheid van een
meer, resp. minder, gunstige ontwikkeling -voor bepaalde

•producten, dan uit de genoemde gemiddelde cijfers is af
te leiden, moet echter rekening worden gehouden.

Ten aanzien van de tweede, bij de algemene indeling
onder B. gestelde, vraag, naar het te bereiken
kwaliteits-
peil
ligt de situatie aanmerkelijk eenvoudiger.
Vele der hierbij betrokken problemen vallen samen met reeds bij het kostprijsvraagstuk besprokene. 1-Jet gebruik

van betere rassen in de akkerbouw en betere fokdieren
in de veeteelt zal vaak niet alleen besparingen, maar ook
kwaliteitsverbetering tot geyolg hebben Het meest spre-

kende voorbeeld daarvan bestaat weer in de varkenshou-

1 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

889

derij. Uit een op hoog peil staande fokkerij..zullen .niet

alleen dieren kunnen worden verkregen, die een hoog
rendement van het verstrekte voeder geven (geen,,door-
jagers”), maar ook in een hogere kwaliteitsklasse vallen.

Dan snijdt het mes aan twee, kanten: lagere kostprijs en

hogere verkoopprijs.
In gevallen als deze, die verreweg het merendeel vormen,
is het streven naar kwaliteitsverbetering dus zonder meer

nuttig en nodig.
Ziektebestrijding en betere bewaarmethoden zijn even-eens zulke ,,tweesnijdende zwaarden”: opbrengstverbete-

ring en kwaliteitsverhoging. 1-let kan echter odk anders, ni. zo, dat een betere kwali-
teit slechts bereikt kan worden hij meer kosten. en
(of)

kleinere opbrengst. De extra fijne consumptierassen bij
4

aardappelen vormen hiervan een voorbeeld. Dan wordt het
streven naar betere kwaliteili bepaald door de te bedingen

verk9opprijs.
Onder deze groep valt ook éen aanvei’wante mogelijk-
heid, namelijk de overgang van productie voor consumptie

naar die •voor voortplanting, fokvee, zaai- en pootgoed.
Ook hiervan wordt de wenselijkheid bepaald door de,
wegens de kleinere markt, minder’stabiele verkoopprijs.
Afzetmogelijkheden spelen hierbij dus veer een belang-

rijke rol.
Op het gebied van d,e kwaliteitsverbeteririg is, evenals

voor het kostprijsvraagstuk, de grens van het mogelijke nog allerminst in zicht. Vooral door middel van véeverbetering,
ziektebestrijding en goede bewaarmethoden kan nog zeer
veel worden bereikt. Het te behalen voordeel kan worden
uitgedrukt in een (deels relatieve) kostprijsdaling, die
voor vele producten: varkensvlees, eieren, aardappelen,
peuivruchten, enz. tot gemiddeld 5 pCt extra boven de

reeds genoemde percentages kan bedragen.

‘s-Gravcnhage.

Dr’Ir A. ‘IV. G. KOPPEJ’AN.

DE PRODUCENT MET BETREKKING TOT
DE AFZET VAN GROENTE, FRUIT EN VIS.

Inleiding.

In een vorig artikel
1)
bespraken wij de economische be-
tekenis van, het sneivriesprocédé en wezen er op, dat jia
de bevrijding ongeveer 60 pCt van de sneivriescapaciteit
h.t.l. in handen van de Nederlandse Regering kwam en
aan de georganiseerde Nederlandse tuinbouw werd

overgedragen. Dit laatste hef t ook in dit weekblad tot
een discussie geleid over de vraag naar de juistheid van

bedoelde overdracht
2).

De vraag, in hoeverre de agrarische producent en de

reder of visser zich moet inlaten met de verwerking en de
afzet van zijn producten, kan echter alleen afdoende worden
beantwoord, indien men de gehele productie en afzet van
verse en verwerkte groente, fruit en vis in beschouwing

neem t.
Dat hiertoe eden is, blijkt uit de praktijk. Immers ont-
stonden aan het eind van de vorige eeuw de grote landbouw-
coöperaties tengevolge van wanverhoudingen tussen
producenten en handel of industrie; in het bijzonder na de

crisis van 1930 is er, tengevolge van het zgn .,, doordraaien”
en het verschil in, prijs, dat de producent ontvangt en de
consument betaalt, allè reden de situatie opnieuw te onder-

zoeken.

De oorzaken (;an de opkomst van de veilingen van groente,

fruit en vis.

Een eeuw geleden’ verkochten de, tuinder en de visser
zelf hun oogst en vangst in de plaats hunner inwoning, of

zij verkochten hun producten aan handelaren, waardo’or

‘)
A. G. U. T-lildehrandt, ,,De ecônomische betekenis van het snel-
vriezen”, In ,,’E.-S.B.” van 21 April 1948.
‘) ,,Een diepvriesindustrie op coöperatieve grondslag?” door
L. B. Padinos in ,,E.-.S.B.” van 17 September 1947 met in-
gezonden stuk door Mr H. J. Louwes en naschrift in„E.-S.B.”
van 17 December 1947. –

er dan een directe relatie bestond tussen de producent en

de handelaar.
De verkoop door tuindei en visser zelf had het nadeel,

dat dit veel tijd in beslag nam en veelal geen sortering

kon worden aangeboden.
,- –

De verkoop aan handelaren bracht met zich mede, dat

de handelaren vele tuinders moesten bëzoeken, hetgeen
veel tijd kostte. Voor de tuinder en de visser had de directe

relatie met de handelaar echter het nadeel, dat de hande-

laren een lage prijs boden. Men verzond dientengevolge’

zijn oogst of vangst ook wel in consignatie naar een hande-

laar, die dan als vertrouwensman fungeerde, doch op wie
men geen contrôle had.
Bovendien geraakten velè tuinders en vissers in finan-

ciële afhankelijkheid van een handelaar, met alle nadelige

gevolgen daaraan verbonden. –
De verhouding tussen producent en handelaar liet dan
ook veel te wensen over, zodat het begrijpelijk is, dat tuin-

der en visser naar middelen zochten om hun economische
positie te verstevigen.
Aan het eind van de vorige eeuw ziet men dan soms spon-,

taan, doch meestal op voorbeeld van elders, de veiling

ontstaan, waarop de tuinbouw- en visserijproducten bij

afslag worden verkocht.
In 1887 ontstond bijv. te Broek op Langendijk min of
meer spontaan de eerste tuinbouwveiling. De tuinbouw-
veilingen worden thans op coöperatieve basis door de

tuinders zelf geëxploiteerd. Hetzelfde is het geval met de
bloemen- en eierveilingen.

In de visserij ontstohden in Ijmuiden omstreeks 1890
enige visafslagen, dooi’ particulieren ingesteld, waarmede
aan het verlangen van de vissers om aldus een hogere prijs
te verkrijgen werd tegemoet gekomen. Metbehulp van koop-
manskortingen poogde men de vishandelaren aan de afslag
te binden. Deze onderlinge Loncurrentie heeft echter tot
wantoestanden geleid en had in 1899 de instelling van het

Staatsvissershavenbedrijf te IJmuiden tot gevolg, dat
spoe’dig als enige visafslag te IJmuiden overbleef. Coöpe-
ratieve visafslagen vindt men in de visserij weinig, het

zijn veelal gemeentelijke instellingen.
De instelling van veilingen en visafsiagen aan het eind

van dd vorige eeuw betekende een grote vooruitgang voor de visser, tuinder, enz. Immers, door de verkoop bij afslag.
werd het mogelijk onder de gegeven Qmstandigheden de
hoogst mogelijke prijs te behalen, terwijl tevens de directe

relatie van producent en handelaar werd verbroken.
Op de veiling ontmoeten elkaar het geconcentreerde aanbod
en de geconcentreerde vraag. Door ondei’linge concurrentie
zijn de producenten genoodzaakt de beste kwaliteit aan te bieden teneinde de hoogste prijs’ te verkrijgen. De hande-

laren zijn genôodzaakt eveneens onderling te concurreren
om de beste kwaliteiten en soorten te kunnen kopen.
Bovendien heeft de handel een duidelijk overzicht van het
totale aanbod, hetgeen de prijsvorming zéer ten goede

komt.
Aldus is er een gezonde arbeidsverdeling ontstaan: de
producent produceert en kan zich geheel op zijn productie specialiseren en er tevens van overtuigd zijn op de veiling

de hoogst

mogelijke prijs te zullen behalen; de handelaar
verzorgt de afzet, terwijl het niet meer nodig is vele
tuinders of vissers op te zoeken, hetgeen veöl tijd en moeite

kost.

Bezwaren aan
de
veiling ivrbonden.

Gedurende decennia heeft de veiling voôr landbouw-
producten en de visafslag zeer gunstig gewerkt. Na 1920
en in het ‘bijzonder na 1930 is echter gebleken, dat de
veiling slechts dan gunstige resultaten voor de producent

kan afwerpen, indien er een expanderende markt i, althans
de markt nog niet een vei’zadigingspunt.heeft overschreden
en ei’ van de zijde van de handel dooi’ mon’opolievorming
geen invloed kan worden uitgeoefend op de prijsvorming
op de veiling.

390

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

Vooral na 1030 is gebleken, dat bij overschrijding ran

het -relatieve verzadigingspunt van de markt de belangen

van producent en handel niet meer parallel lopen: een

deel der aangeboden productie blijft onverkocht staan,

wordt ,,doorgedraaid”. Nu zullen er steeds mômenten zijn,

dat er door bijzonder gunstige- weersomstandigheden of om andere redenen een zo groot aanbod van het zeer be-

derfelijke product is, dat het niet in zijn geheel kan worden
opgenomendoor de handel. Niet hiertegen richt zich echter
liet bezwaar van de producent, doch tegen het onverkocht

blijven als vrijwel permanent verschijnsel. De handel zal

dit toeschrijvenaan overproductie en inkrimping van de
productie als geneesmiddel aanbevelen. De producent

daarentegen zoekt de-oorzaak van dit doordraaien in een

onvoldoende bewerking van de afzetmogelijkheden en

in een te groot verschil in prijs betaald aan de producent

en betaald door. de consument, de marge voor de handel

acht hij te groot en daardoor een belemmering voor de
afzet.. , –

Hier nu doet zich een begrijpelijk verschil in economische

instelling tussen producent en groothandelaar voor.
De groothandelaar tracht een bepaald inkomen te ver-
krijgen, daarbij het economisch principe huldigend. Boven-

dien verkoopt hij een zeer bederfelijk product: groente,
fruit, vis enz., dat geen merk heeft. Reclame maken doet
hij dan ook niet, want dan zou hij tevens de reclamekosten

voor zijn coicurrenten betalen. Voorts wordt zijn product

snel omgezet, zodat hij slechts een klein bedrijfskapitaal
nodig heeft en in verband met de snelle omzet ook geen

leverancierscrediet van betekenis heeft te verlenen.

De groothandelaar in groeiite, fruit, vis enz. werkt
dan ook met een klein kapitaal en heft daardoor een be-
trekkelijk groot economisch aanpassingsvermogen. Geen

wonder, dat in cle crisisjaren velen gingen beunhazen op

het terrein van de handel in de genoemde producten,

omdat dit met een gering kapitaaltje reeds mogelijk was.
Gehèel anders is het gesteld met de producent. Zowel de-

tuinder als de reder-visser hebben een niet onaanzienlijk
kapitaal in hun grond met- opstallen of het veertuig ge-
investeerd. Zij
moeten
produceren, hun economisch aan-

passingsvermogen aan kleinere afzetmogelijkheden is gering,
zodat zij geheel afhankelijk zijn van de veiling. Hun econo-
misch lot hangt dan ook geheel af van de prijsvorming op de veiling of visafslag, waarop zij verder geen invloed
hebben.

Zodra dan ook een verzadigingspunt is bereikt blijkt,

dat de tuinders, reders en vissers passief hebben af te
wachten, hoe de prijsvorming op veiling en visafslag over
hun lot zal beslissen.

De handelaar staat er veél beter voor. Bij een daling van
de markt geeft hij de daling prompt door aan de produ-

cent door op de veiling of afslag een lagere prijs te bieden. De handelaar voelt ook geen noodzaak om liet gehele aan-
bod op te nemen. Hij schat zijn mogelijk te verkopen
hoeveelheden en de te maken prijs, alsm€de de marge om
zèlf een inkomen te verwerven. Het gevolg is, dat het afzet-
risico vrijwel geheel op de producent komt te drukken,

ofschoon hij geen invloed op de afzet kan uitoefenen!
1.
De. conclusie uit deze situatie kan geen andere zijn dan
dat, zodra de markt zijn expanderénd karakter verliest
en een verzadigingspunt bereikt, de producent niet langer
zich afzijdig kan houden van de afzet, doch zich actief
op de een of andere wijze met de afzetmogelijkheden moet
gaan inlaten, opdat het verbruik wordt verhoogd, ener-

zijds door verlaging vaii de productiekosten èn van de handeismarge, anderzijds door het product ook daar te
bréngen waar de handel het nog niet bracht en eerst
dan tot productiebejerking over te gaan als inderdaad
alle mogelijkheden ter vergroting van de afzet zijn uit-

geput; Eerst dan zullen tuinder, reder en visser er van – overtuigd zijn, dt zij teveel produceren.
Onze conclusie is dan, ook dat onder de huidige omstan-
digheden de producenten in landbouw en visseiij zich

principieel actief met de afzet van hun producten moeten

bezighouden, teneinde nieuwe consumenten te bereiken

en het verbruik verder op te voeren door verlaging van de
distributiekosten. De
vorm,
waarin zij zich mèt de afzet
moeten bemoeien, laten wij buiten beschouwing.

In de practijk ziet men trouwens reeds tekenen in de
bedoelde richting. Het Centraal Bureau vaii Tuinbouw-

veilingen in Nederland heft 1 pCt van de omzet ten behoeve

van een propagandafonds tot vergroting van de afzet;

in 1940 heeft men een eigen groentedrogerij opgericht

om lh5orgedraaide groente te drogen en aldus de prijs te
steunen. De Coöperatieve Vereniging van IJsselmeer-
vissers verzorgt ook de afzet van de vis.

Het buiten beschouwing laten van de vorm, waarin de

producent zich met de afzet moet bezighouden wil niet

zeggen, dat wij de vorm onbelangrijk achten. Integendeel!

In het bijzonder voor de reder en visser is de vorm van
belang, omdat men in deze kleine tak van bedrijf bij de
landbouw vergeleken een grote achterstand heeft in te

halen en door de keuze van een onjuiste vorm het Visserij-
bedrijf grote schade kan worden toegebracht.

Geen uitschakeling van groot- en kleinhandel gewenst, indien
geen monopolist als koper optreedt.

In de kringen van de handelaren bestaat er uiteraard
verzet tegen’ de belangstelling van de producent voor de

afzet van zijn product: men vreest uitschakeling. O.ï.

ten onrechte. Uitschakeling zal alleen daar plaats vinden,

waar de handel geen nuttige functie meer verricht.

Zoals de producenten van groente, fruit, vis enz. ruim
een halve eeuw geleden op de handel in vis een correctie
aanbrachten door de instelling van veilingen en visaf-
slagen, zo is het thans opnieuw gewenst, dat corrigerend

wordt opgetreden. Het wegvallen van de expanderende
markt na 1920 tengevolge van toigrenzen, contingenterin-

gen, verstarringen van het economisch leven, enz. maakt
zulks noodzakelijk.

Het doel daarbij is het verbruik te vergroten door te stre-

ven naar grote omzetten hij zo gering mogelijke winstmarge.
In de vishandel is gebleken, dat van de vestiging van

een moderne viswinkel een het verbruik stimulerende

werking uitgaat, mede doordat de winkeliers ter plaatse
hun bedrijf op een overeenkomstig peil zullen trachten
te brengen. Dezelfde stimulans gaat uit van -een coöpera-

tieve groothandel van de producenten op bestaande
groothandel, terwijl eerst dan de collectieve reclame van
producenten ter stimulering van het verbruik voldoênde
kan worden benut. –

Op de geschetste wijze kan door de producenten coöpera-
tief een- belangrijke corrigerende invloed worden uitge-
oefend op het distributie-apparaat.
De positie van de producent tegenover een monopolistische,
ho per. – –

Tot nog toe bespraken wij de taak van de producent met
betrekkin’g tot de afzet van zijn product, indien er op de veiling of visafslag zowel aan de aanbodzijde als aan de

vraagzijde voldoende onderlinge concurrentie aanwezig is.

Thais moet de taâk van de tuinder en visser ten aanzien
van de afzet van hun producten worden beschouwd,
indien aan de vraagzijde één der kopers een zodanige

positie inneemt, dat deze belangrijke invloed op de prijs
kan uitoefenen.

Een eenvoudig voorbeeld is de export van pekelharing

naar de Sovjet-Unie. Hier heeft men te maken met ééii
koper, die enerzijds de laagst mogelijke prijs tracht te behalen en anderzijds een niet onbelangrijk kwantum
vraagt. Onderlinge concurrentie van de exporteurs zal
door de koper worden uitgebuit en tot een lage prijs
leiden, ongeacht het belang van de haringrederij. De prijs,
waartegen aan een dergelijke monopolistische vraag kan

‘) Zie
ook:
,,De Nederlandse Haringexpori” door
A. G. U. Hil-
debrandt
In ,,E.-S.B.”
van
14
Juni
1944.

19.Mei 1948


ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

91

worden voldaan, dient resultaat te zijn van een te voeren
prijspolitiek, waarbij, rekening houdend met buitenlandse

mededinging, getracht wordt de.hoogst mogelijke verkoop-
prijs te bereiken. Zo nodig zal tegen een-prijs lager dan de

kostprijs, desnoods tegen differentiële kosten worden ver-
kocht, doch uitsluitend op grond van prijspol!tieke over-

wegingen voorzover deze het wel en wee van de producent
betreffen
3).

Voor een moeilijker probleem stelt ons de snelvries
industrie.

In de U.S.A. produceerde men in 1941 ruim 1 milliard

kg, terwijl men verwacht, datomstreeks 1950 de productie
enige malen groter zal zijn. In Nederland werd de laatste

jaren ongeveer 8 millioen kg geproduceerd, terwijl de vries-
capaciteit ongeveer. 15 millioen kg bedraagt. De verdere

ontwikkeling van de Nederlandse productie van snel-
gevroren groente en fruit zal in de komende jaren voor-

namelijk. afhangen van het verloop van de koopkracht

en de daarmede nauw. samenhangende exportmogelijkhe-
den. Immers, zoals wij in een vorig artikel
4)
reeds con-
cludeerden, ligt snelgevroren goente, fruit en, aan de wal

snelgevroren vis buiten het bereik van de grote massa

der minder koopkrachtigen. De sneivriesindustrie zal daar-
door een conjunctuurgevoelig bedrijf blijken en dientenge-
volge scherp reageren op veranderingen in de koopkracht.

Voorts wezen wij er in bedoeld artikel op, dat de in ver afgelegen zeer visrijke zeeën gevangen en aan boord ver-
werkte en snelgvroren vis wèl binnen het bereik van de
koopkracht van grotere groepen der bevolking kan komen:

In verband hiermede mag worden verwacht, dat bij de

verdere ontwikkeling van de snelvriesindustrie de. snel-
gevroren volksvis van grote betekenis kan worden, omdat
deze snelgévroren, vis het gehele jaar door verkocht zal
worden en snelgevroren groente en fruit seizoenartikelen
zijn. Dit is van belang voor een zo goedkoop mogelijke
exploitatie der sneivriesvemen, -transportmiddelen en
containers van de ‘winkeliers.
Wij wezen in eërderhedoeld artikel eveneens op het

kapitaalintensieve karakter van de snelvriesindutrie,
in het bijzonder van de vriesketting. Een dergelijk kapitaal-
intensief karakter leidt veelal tot monopolievorming, ten-
einde kapitaalverlies te voorkomen
als
gevolg van onder-
linge concurrentie, die in dergelijke gevallen-dikwijls een
destructief karakter krijgt. Monopolievorming moet. dan

ook in de snelvriesindustrie op de.’duur verwacht worden.
Indien zulks inderdaad de te verwachten consequentie
van de ontwikkeling is, staan wij thans voor de vraag,
wat de houding moet zijn van de tuinder, visser enz. ten

opzichte van de sneivriesindustrie. Immers, indien de snel-
vriesindustrie in handen van weinigen zal komen, dan zal
de prijsvorming op de veiling daardoor worden beïnvloed, hetgeen niet ten gunstè van de tuinder of de visser behoeft
te zijn. Bovendien heeft de snehriesindustrie niet alleen

behoefte aan goedkope goede kwaliteiten, doch tevens aan
zeer bepaalde variëteiten, waardoor ten dele voorzien zou
kunnen worden door contracten met tuinders, die daardoor
in een afhankelijke verhouding zouden kunnen geraken

Tenslotte kan de opkomst en groei van de sneivries-
industrie leiden tot technische structuurveranderingen in
het tuindersbedrijf
5
), waarbij gewezen dient te worden op
gedeeltelijke verdringing van de intensieve teelt van ,,glas-groenten” door de minder intensieve teelt van vollegronds-
,,zomergroenten” ten behoeve van de sneivriesindustrie.
De tuinder kan dus naast economische ook technische
gevolgen van de opkomst der snelvriesindustrie verwachten.
Tuinbouw en visserij staan dus, met betrekking tot de
in opkomst zijnde snelvriesindustrie, voor de keus zich
uitsluitend op prductie voor veiling,en visafslag toe te
leggen, of zich zelf in enigerlei vorm medezeggenschap te

‘)
,,De economische betekenis varf het snèlvriezen” in’ E.-S.B.”
van 21 April
191u8
‘)
Zie: ,jEnige mogelijke lnvineden.van het dlepvrleben
I
op onze
tuinbouw”, door W. J.-Sangers in de,,Economist•” van Januari
1947.

verschaffen in de verwerking en de afzet van het product.

In het eerste geval neemt men lie trisico om .passief afhank-

lijk te worden van de prijsvorming o veiling en visafslag,
wetende dat één of enkele kopers op deze prijsvorming

invloed zullen uitoefenen, welke niet alleen economische,
doch ook technische gevolgen zal hebben. In ht andere

geval gaat men actief deelnemen aan de prijsvorming en

de daaruit voortvloeiende economische en technische ge-
volgen door aanvaarding van de risico’s, die een riskant

bedrijf als de snelvriesindustrie met zich mede brengt.
De keuze moge in het onderhavige geval moeilijk zijn,

de te verwachten gevolgen van een pasieve houding
mogen zeer zeker niet worden onderschat! Van groot
belang is dan ook de vôrm van deelneming van de producent

in de snelvriesindustrie en de afzet der snelgevroren

producten. Dat door de Nederlandse tuinbouw het risico
van een passieve houding niet is aanvaard, wijst er op,
dat men de
:econonische
en technische gevolgen yan- de
sneivriesindustrie niet heeft onderschat, ‘terwijl men on-

getwijfeld een onder de gegeven omstandigheden gelukkige

voim van deelneming in deze nieuwe ‘industrie heeft ge-vonden en aldus het eigen lot in eigen hand houdt!’

‘s-Gravenhage.

A. G. U. FIILDEBR

DE VERVOERS- EN VERKEERSCOMMISSIE

VAN DE ECONOMISCHE EN SOCIALE RAAD.

FIet lijkt nuttig aan het werk van de ,;Transport and
Communications Commission” van de Ecdnomische en
Sociale Raad, welke op 20 April haar tweede zitting te

Geriève beëindigde, grotere bekendheid te geven dan zij
op het ogenblik in Nederland bëzit. Als adviesorgaan
van genoemde Raad voor het gehele terrein van vervoer
en verkeer, omvatten de functies van de T.C.C. de gehele
wereld, en alle vormen van vervoer en verkeer, zoals de
verschillende vormen van binnenlands transport (weg,
binnenvaart en spoorweg), luchtvaart, zeescheepvaart ën
verre-berichtgeving. Deze functies zijn van adviserende,
organiserende, stimulerende en coördinerende aard. De
Commissie heeft derhalve geen uitvoerende bevoegdheid, doch haar adviezen leiden via de Economische en Sociale

Raad tot actie in bepaalde zin, een actie welke veelal kan
worde’n overgelaten aan de organen, die daarvoor hetzij
reeds bestonden dan wel in het leven geroepen werden.

Zo ligt het voor de hand, dat de Commissie niet treedt op
de eigen terreinen, noch van de zgn. ,,specialized agencies”,
noch van de regionale organen van de Verenigde Naties,
zoals de Economische Commissie voor Europa en meer
in het bijzonder het ,,Inland Transport Committee” van de Economische Commissie voor Europa. Evenmin als
deze gespecialiseerde en regionale organen, betreedt de
T.C.C. het eigen terrein van de niet-Gouvernementele

organisaties, voorzover deze in het kader van de Verenigde Natie,s erkenning hebben gevonden, zoals de Internationale
Kamer van Koophandel, de organisaties der spoorweg-
adfninistraties, van de wegvervoerders, e.d. Wel komt
t.a.v. deze laatste organisaties de coördinerende functie van de T.C.C. in het bijzonder tot haar ‘recht.
De eerste zitting van de T.C.C. begon op 6 Februari
1947 te Lake Success, de tweede ruim een jaar later op
12 April 1948 te Genève, beide onder voorzitterschap van een Nederlander, de Directeur-Generaal van Scheepvaart.
Voor deze beide zittingen waren de leden van de’Commissie
vertegenwoordigers voor de volgende landen: Brazilië,
Chili, China, Egypte, Frankrijk, India, Noorwegen, Neder-
land,, Polen, Sovjet-Rusland, Zuid-Afrika, Tsjecho-Slo-

wakije, Engeland, de Verenigde Staten en Joegoslavië.
Wanneer men de resultaten van de beide zittingen
overziet, dan komt men tot de conclusie, dat de Commissie
haar taak ernstig heeft genomen en dat haar werk aan-
leiding tot bevrediging geeft. ,
Zo werd op de eerste zitting een advies gegeven op hët

392

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

gebied van de verre-berichtgeving, dat ertoe geleid heeft,

dat van 2 Juli-2 October 1947 een administratieve con-

ferentie in Atlantic’ City werd gehouden op het gebied
van de verre-berichtgeving, en in dezelfde stad van 15 Augustus-15 September 1947 een diplomatieke confe-

rentie tot herziening van de Internationale Conventie

inzake ‘verre-berichtgeving en ter reorganisatie van de
International Telecommunications Union”. De laatste

conferentie werd eveneens in Atlantic City gehouden,

van 15 Mei-15 September 1947. De eerste Conferentie

nam een beslissing strekkende tot verbetering van de

allocatie van radiofrequenties. De laatstgenoemde trad in

onderhandeling met de Verenigde Naties, als Ngevolg

waarvan de , ,International Telecommunications Union”

als ,,specialized agency” van de Verenigde Naties werd

erkend in overeenstemming met art. 57 van het Charter.
In haar coördinerende functie adviseerde de Commissie

op hâar eerste zitting tot het bijeenroepen van een verga-


dering van specialisten teneinde te geraken tot coördinatie

op het gebied van de veiligheid ter zee en in de lucht,

waarbij betrokken zijn de organisaties op het gebied van de luchtvaart, de scheepvaart en de verre-berichtgeving.

Ook deze bijeenkomst heeft reeds plaatsgevonden en leidde

tot een reeks van uitstekende aanbevelingen, welke door

de Commissie werden overgenomen, en die thans aan de

diverse organisaties zullen worden doorgezonden ter be-

werking elk op hun eigen terrein en in samenwerking met
elkander. Ook zal dit rapport onderwerp van behandeling

uitmaken op de Conferentie inzake de veiligheid ter zee,
w’elke op 23 April te Londen zal aanvangen.
Tenslotte was één van de belangrijkste aanbevelingen
op de eerste zitting van de Commissie nog, dat een inter-

nationale conferentie zou worden gehouden ter bespreking

van de vr&ag, of eön internationale scheepvaartorganisatie

nodig werd geacht, en zo ja, hoe haar Statuut zou moeten
luiden. Ook deze conferentie heeft reeds haar beslag ge-

kregen ni. in Februari/Maart .1948. Zij leidde tot de aan-

vaarding van een conventie, waarbij de Intergouverne-

mentale Maritieme Consultatieve Organisatie werd op-

gericht. Deze conventie werd reeds door 20 landen, onder

voorbehoud van ratificatie, getekend
1).
Ook deze organi-

satie zal eerlang een ,,specialized agency” vis â vis de
Verenigde Naties zijn.
Ook op de tweede zitting kwamen alle vier de functies

van de Commissie tot haar recht en bewoog zij zich weder
op het terrein van alle vormen van vervoer en verkeer.
In de eerste plaats gold dit het terrein van het binnen-

lands vervoér. Gelijk bekend, heeft zich van de Verenigde
Naties een regionale organisatie afgesplitst, nl. de Econo-
mische Commissie voor Eüropa. Laatstgenqemde Com-
missie heeft een afzonderlijke Commissie voor binnen-lands vervoer ingesteld, nl. het ,,Inland Transport Cori-
mittee”, dat thans reeds aan zijn derde zitting toe is en
o.a. door middel van een ingestelde werkgroep belangrijk
werk heeft verricht. Wat de E.C.E. is voor Europa, is de
,,Economic Commission for Asia and the Far East” voor
de in haar naam begrepen landen en de ,,Economic Corn-mission for Latin America” voor Latijns Amerika. Voorts
is te verwachten, dat een ,,Economic Commission for the
Middie East” zal worden ingesteld. Flet lag voor de hand,
dat de Vervoers-Commissie zich bezig hield met de vraag,

of bedoelde regionale commissies ook over g&specialiseerde
transportorganisaties zouden moeten beschikken, en om
in dat geval het vraagstuk van de coördinatie onder het oog te zien. I-Ietzclfde geldt voor Zuid-Afrika. Aan dit

onderwerp zijn een vijftal resoluties van de tweede zitting
gewijd.

De belangrijkste resolutie van de tweede zitting betrof
wel de kwestie van het weg- en niotorvervoer. De
bestaande conventies van 1926 zijn volkomen veroudei’d.
Voor Amerikais van kracht een moderne conventie nl.,

1)

gl.
Mr
H. E. Sdheffer, ,,De Maritieme Conferentie der Ver-
enigde Naties”, in ,,E.-S.B.” van 14 April ji., blz. 286.

de ,,Convention on the regulation of Inter-American
Automotive Traffic”, afgesloten in Washington in 1943,

doch deze heeft uitéraard een regionaal arbidsveld en

kan niet met de verouderde conventies vn 1926, die een

wereldwijde strekking hebben, verbonden worden. De

Transport Commissie beveelt nu aan het houden van een

wereldconferentie op diplomatiek niveau ter herziening

van de oude conventies. Teneinde spoed bij de zaak te

zetten stelt zij voor, deze Conferentie uiterlijk 1 Mei 1949

te doen plaatsvinden. Treedt de Commissie hier dus orga-

niserend en stimulerend op, zo treedt haar coördinei’ende

functie in dit verband aan de dag, omdat zij mede aan-

beveelt een werkstuk van het Europese ,,Inland Transport

Committee” op ditzelfde terrein als werkbasis op de

toekomstige conferentie te doen gebruiken. Genoemde

I.T.C. heeft nl. een permanente werkgroep voor het weg-

verkeer ingesteld, die zich o.a. met het vraagstuk van de

conventies reeds levendig bezighoudt. 1-let rapport van

de I.T.C. terzake zal voor het einde van dit jaar gereed

moeten zijn, teneinde op de toekomstige conférentie als

werkbasis te kunnen fungeren. Aldus zal de Conferentie voor een wereldwijde conventie op het gebied vdn weg-

en motorverkeer het profijv trekken van de moderne
Amerikaanse Conventie van 1943 en het gloednieuwe

ontwerp van de Europese organisatie, dat op zijn beurt

weer op de lees.t van de Amerikaanse zal zijn geschoeid.

Coördinerend en stimulerend handelde de Commissie
op haar recente zitting t.a.v. het ingewikkelde vraagstuk

vn de internationale transpprtstatistiek. De Commissie

behandelde dit vraagstuk in realistische geest. In de eerste
plaats erkende zij, dateen statistiek niet om haarszelfs
wil bestaat, doch dat zij dringend nut moet hebben.

Zij constateerde dus, dat het noodzakelijk was om vast

te stellen, aan welke verkeersstatistieken behoefte bestaat.
(Bij het onderzoek daarnaar dient aan statistieken van

economische aard de voorkeur te worden gegeven boven

statistieken van technische aard).’ Verder onderstreepte zij

de noodzakelijkheid van onderlinge vërgelijkbaarheid der
verschillende nationale statistieken, met het oog waarop

de standaardisatie van formulieren noodzakelijk moest

worden geoordeeld. Ook kwam de Commissie tot de con-
clusie, dat het verzamelen van de statistische gegevens
niet in eerste instantie een taak was van het Statistische
Bureau van de Verenigde Naties. Wel moest met dit

Bureau voor de methodologie nauw contact worden ge-
houden en moest het Bureau de beschikking ki’ijgen over
de verzamelde statistieken, doch behoorden naar de mening
van de Commizsie de statistische gegevens in de eerste

j3laats terecht te komen hij de lichamen, die daarmede
hebben te werken. In dit opzicht stelde de Commissie het
volgende vast: primair komt de verzameling van statisti-
sche gegevens toe aan de respectieve ,,specialized agencies”
(luchtvaartstatistieken hij de I.C.A.O., scheepvaart bij
de I.M.C.O., etc.); daar waar geen ,,specialized agencies”
bestaan, zoals op het terrein van binnenlands vervoer,
moet de verzameling der statistische gegevens worden
toevertrouwd aan de regionale Economische Commissies van de Verenigde Volken (behalve die statistieken, waar-
over het ,,International Labour Office” zich ontfermt,
dus voornamelijk op het sociale terrein), uiteraard in die
gebieden waar dergelijke regionale organisaties bestaan;
daar waar zij niet bestaan, vervalt ook de verzameling

aan het Statistisch Bureau van de Verenigde Volken.

Op de grondslag van deze richtlijnen beveelt de Com-
missie nu aan, dat een werkgroep van specialisten op het

gebied van de transportstatistiek (Verkeer en Vervoer)
worde ingesteld, welke specialisten zullen worden aange-
wezen door de voorzitters van de Commissies van de Ver-
enigde Naties, welke hierbij het meest betrokken zijn,
nl. de voorzitter van de Commissie van Vervoer en Verkeer
en de voorzitter van de Commissie voor de Statistiek.
Deze werkgrôep zal een studie 1,an het vraagstuk hebben
te maken in samen’verking met de ,,specialized agencies”

r

19 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

393

en de regionale commissies, die er op dit terrein lij be-
trokken zijn en met de bijstand van het Statistisch Bureau

en de Afdelingen van de Verenigde Volkenorganisatie voor

Vervoer en Verkeer en voor Economische Stabiliteit ën
Ontwikkeling. Op.deze wijze hoopt de Commissie een eind

te hebben gemaakt aan het spel van kaatsbal, dat met

dit onderwerp zo geruine tijd had plaats gevonden. –

1-letzelfde geldt voor een ander onderwerp, dat op -de
tweede zitting werd behandeld, ni. dat van de beletselen,

die de internationale uitwisseling van goederen onder-

vindt van consulaire en andere formaliteiten.. 1-her toonde
de Commissie voorts begrip en waardering te hebben voor
he t initiatief van niet-gouvernementele internationale
organisaties, in casu dat van de Internationale Kamer van
Koophandel. Deze Kamer had reeds geruime tijd geleden

het vraagstuk door een Commissie van specialisten doen
onderzoeken. Men ]can echter met grond constateren,

dat dit een vraagstuk is, dat primair ligt op het terrein

van de ,,international Trade Oranization”, tot we1ker
dprichting onlangs te Havana werd besloten. Toch

heeft dit vraagstuk zonder twijtel typische vervoersaspec-

ten. De recommendatie van de Commissie zal er nu toe
leiden, dat de respectieve competenties van de beide

lichamen zullen worden nagegaan, en vastgesteld zal
worden, welke aspecten van het vraagstuk door de Trans-
port Commissie zullen moeten worden behandeld. –
Ten aanzien van beletselen op het gebied van het ver-

keer van personen is eveneens reedseen studie gemaakt

door een vergadering van specialisten, wier taak het zou
zijn, voorbereidingen te treffen voor eèn wereldwijde
conferentie met betrekking tot paspoorten en grensforma-
liteiten. In het licht van het Sovjet Russische standpunt,

gedeeld door enkele andere Oost-Europese landen, hetwelk
hierop neerkwarn, dat dit. een interne aangelegenheid

voor elk land is, moest de Commissie tothetoirdeel komen,
dat de tijd voor een wereldconferentie nog niet rijp was.
Voorts waren de aanbevelingen der specialisten zo. grondig,
dat een tweede bijeenkomst van specialisten voor het

ogenblik niet nodig werd geoordeeld. De aanbeveling der
Commissie luidde derhalve, dat de ôrganisatie der Ver-
enigde Volken de verschillende landen zou aanmoedigen de aanbevelingen der specialisten op te volgen. De Com-
missie hoopt op haar derde zitting een rapport te ontvangen
over de gemaakte vooruitgang, waarbij vooral melding

wordt gemaakt van de vraag, in hoeverre die vooruitgang
bereikt werd langs de weg van bilaterale en multilateralö
overeenkomsten.

Tenslotte (en wij laten hierbij enkele minder belangrijke
agendapunten onaangeroerd) heeft de Commissie zich

bezig gehouden met het vraagstuk van de coördinatie
op het gebied van het binnenlands vervoer, welk vraag-
stuk door het ,,International Labour Office” in een om-
vangrijke studie aan haar was voorgelegd. Ook hier trad
de Commissie weder ordenend öp. Zij erkende twee aspec-

ten van dit vraagstuk, het aspect op kort, zicht en dat op lange termijn. Het aspect op de korte termijn, dat voort-
vloeit uit de schaarste, veroorzaakt door de oorlog, be-
hoort naar het oordeel der Commissie behandeld te worden
op regionaal niveau
(waar
het hier voornamelijk betreft
de toestand in Europa, wijst de Commissie m.a.w. het
,,Inland Transport Committee” van de E.C.E. hiervoor

aan). Ten aanzien van het aspect op de lange termijn
heeft de Internationale Kamer van Koophandel het initia-
tief tot een verdere bestudering genomen en liever dan dit
initiatief te doorkruisen, besloot de Commissie het resultaat
van deze studie af te wachten.

Hiermde zijn de belangrijkste onder’erpen van de
eerste en de tweede zitting van de Commissie van Vervoer
en Verkeer in het kort besproken.
1-let is interessant hief’ melding te maken van de. dit-
stekende stemming en het grote wederzijdse begrip, dat
•door de vertegenwoordigers van de verschillende leden-‘
landen zonder uitzondering aan de dag werd, gelegd.

Van de 13 resoluties behoefden slechts 2 in stemming te
worden gebracht, die met een medrderheid van 9 tegen
4 werden aangenomen. Van de 11 6verige resoluties, die
met algemene stemmen werden aangenomen, moest één
land zich .t.a.v. 2 resoluties van stefnming onthouden.

De afgelopen zitting heeft evenals haar voorgangster

mi. de onmisbaarheid van het bestaan van de Commissie

voor Vervoer en Verkeer van de Economische en Sociale
Raad bewezen.

s-Gravcnhage.

Mr J. J. OYEVAAR.

AANTEKENING,

DE GOUD- EN DOLLARRESERVES VAN DE WERELD.

De hetalingsbalansen van vrijwel alle landen ter wereld

buiten de Verenigde Staten vertonen een ernstig tekort
aan dollars, terwijl de’goudvoorraden
j
waaruit dit tekort
bestreden-zou kunnen u/orden, steeds verder slinken. Het
Federal ‘Reserve Bulletin van April 1948 wijdt een be-

schouwing aan dit probleem en publiceert cijfers, waaruit
de betekenis ervan duidelijk wordt.

1-let totaalbedrag van de buitenlandse centrale goud-
voorraden plus de buitenlandse hanksaldi in de Verenigde
Staten ontwikke1d6 zich als ‘o1gt: –

1939 . . . . 15 milliard $
1945…. 23

1947 . . . . 18

Lend-lease en de onimogelijkheid voor andere Ameri-
kaanse landen om hun dollars in goederen om te zetten,
waren de oorzaken van de stijging in 1939-1945. On-

danks de daling der laatste jaren was de goud- en dollar-
reserve in 1947 groter dan in 1939. Men moet hierbij
echter in aanmerking,nemen, dat de koopkracht ervan

thans minder dan de helft van 1939 bedraagt en voorts
dat de concentratie ervan in een klein aantal landen in
1947 nog sterker was dan vôôr de oor1g reeds het geval
was.

De oorzaken win het dollartekort en de wijze, waarop
he& buitenland dit dekte, blijken uit.de volgende tabel:

X
x
mittiard
$
1066
1947
1946+1967
Export

U.S.A .

………………
15,3
.
19,6
34,9
Import.

U.S.A .

………………
7,1
8,3
15,5

Ov’ersehot handels- en dienstenbalans
8,2


11,3
19,4
Gefinancierd als volgt:

,

,

Credieten en giften door Regering der
U.S.A.

……………………
5,4 5,7
1•11
Idem particulieren U.S.A .

……..
0,7
1,3
2,0


Internat. ,Bank er, Monet.. Fonds

.

0,8
‘0,8
Goudverkoop door huiteni. aan U.S.A.
0,7
2,8 3,5
Liquidatie v. saldi buitenl. in U.S.A.
1,1
1,1
2,2
Liquidatie v.

andere

buiteni.

activa
in

U.S.A .

………………….
0,4 0,5
.0,9

8,3
12,2 20,5
Nog niet de helft.van de export der Verenigde Staten was
derhalve door import gedekt. De overige landen hadden

in deze beide jaren tezamen een tekort van ruim $19 mii-
hard, dat voor $ 11 milliard werd gefinancierd door de Re-
gering dem’ U.S.A.en, voor S 6,6 milliard door liquidatie
van goud, dollarsaldi en effecten door het buitenland. Dat de dollarmoeilijkheden der meeste landen vooral

in 1947 nijpeiid wem’den, zodat zij toen hun goudvoorraad
moesten aanspreken, blijkt uit het volgende kwartaal-
overzicht. –

Net to goudoer/coop aan buitenland aan de U.S.A.

x x mittioen dollar $
II

iii

iv
1946

…………….
269

.46

94

295
1047

……………..
632

778

663

763
1948

…………….
344

.

1-let lage bedrag van begin 1948 is uiteraard niet het
gevolg van een verbetering der betalingsbalansen, doch
van de wens de nog resterende goudvoorraden niet verder
uit te putten

894

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

Zoals boven reeds werd opgemerkt, kwam goudverlies bij vele landen voor. De volgende tabel geeft hiervan, en

van de daling der buitenlandsè banksaldi in de Ver.

Staten, een duidelijk beeld.

Verandering goudoorraad en
$
banksaldi.

Goud
Dollarsaldi
1946
1947
Goud-
1946 1947
Bank- voorraad
saldi
einde einde
1947 1947
X

1
mlllioen
Frankrijk

……..
-688
—319
570
—223
—100
195
Zwitserland

……
+ 88

74
1.356
+ 89 + 73
446
België

………. +

2
—138
613

36
—43
.168
Zweden

……..
-101
—276
‘105

37
—114
59
Nederland

……

5
—161
255

69

83
158
Noorwegen

…….

9

19
72

92

68
56 Andere
E.R.P.-
landen

………

3
—251
782
+211

61
425

Engeland

…….•.
+445
—386
2.025
—217 —139
39
Zuid-Afrika

……

26
—177
762
+
41

1
46
Andere sterling ge
bieden

……..

26
+

1
446
+
40

+

7
153
Canada

……….
+182
—249
294
—432
—524
410
Rusland

……..
+450
+175
2.575
+
32
14
74
Ander continentaal
Europa

……..
+

2

4
688
+
49
27
153

Argentinië

……
-125
—783-
289
+ 36
+123
236
Brazilië
.
.
354

21

69
105
Mexico

……….
-113

81
100
+
36

13
139
Cuba

…………
+
35
+
53
279
+
25

+
82 235
Ander Latijns Am
+
22
—123
631

4

9
479

China
……….
_4fl7 – 36

Q5

—336 -202

230
Rest v. d. wereld Ç

—134 – 55 • 686
Totaal
……….
-226 —2.848 12,881 —1.062 —1.155 4.852

Zeer zwaar waren de goudverliezen van Frankrijk en
Argentinië; rtlatief ook van Zweden en Nederland.
T.a.v. de banksaldi zijn de ver1izen van Canada, China,

Engeland en Frankrijk aanzienlijk.

Rusland; Engeland en Zwitserland zijn thans buiten

de U.S.A. cle voornaamste goudhezitters.
Sinds het inwerkingtreden van het Internationale
Monetaire Fonds in Maait 1947 moet rekening w’orden

gehouden met de goud- en deviezentransacties van deze

instelling. Zo moet een gedeelte van het hovnstaande

goudverlies ad $ 2.848 millioen worden toegeschrevén 6an
een goudafstand door de deelnemende landen. aan het

Fonds, ten bedrage van
S
670 millioen. Hiernaast stortten
de Verenigde Staten S 2.750 millioen in goud en dollars.
Anderzijds kunnen de deelnemers onder zekere voor-

waarden (o.a. eisen t.a.v. de wisselkoers) bepaalde bedragen
aan andere valuta bij het Fonds kopbn tegen storting in

eigen valuta. .In verband met het dollartekort werden
uiteraard vnl. dollars aangekocht; een uitzondering hierop
vormde Nederland, dat bovendien nog £1,5 millioen kocht.
Een overzicht van de deviezentransacties van het
Fonds in 1947 geeft de volgende tabel.

Bij toetreding
Door het Fonds Maximum toege-
tot het Fonds
verkochte dollars
stane verkoop
door leden
tegen betaling van
van dollars
gestort In goud
landsvaluta
tegen

betaling
van landsvaluta
per

12

maanden
x

1
millioen
$
Engeland
210
240
325 Frankrijk
80
125
131
Canada
74

Nederland
69
1
46
69
België
56
11
56
Andere
181
40

670

462

± 1.000

Gedurende het eerste kwartaal van 1948 werd boven-
dien op deze wijze door de deelnemende landen nog $ 132
millioen van landsvaluta in dollars omgezet.
Van de 27 leden van het Fonds namen slechts 8 in 1947
gelden op. Van het maximum van
S
1 milliard voor 1947

werd hierdoor nog fiiet de helft gebruikt. Het bezit aan
goud en dollars van het Fonds overtreft thans nog steeds

de oorspronkelijke bijlrage van de U.S.A., welke bijdrage
derhalve voor
,
verdere – rerstrekking van dollars nog

onaangetast aanwezig is.
I
-.

INTERNATIONALE NOTITIES.

DF BEVOLKINGSSTRUCT.UUR IN BIZONIA.

In een door het ,,Institut für Weltwirtschaft an der

Universitaf Kiel” in Januari 1948 gepubliceerde verhande-

ling van H. Wander, getiteld ,,Bevölkerung, Arbeitspoten-

tial und Beschë.ftigung im britisch-amerikanischen Be-

satzungsgebiet” treffen wij enige belangwekkende gegevens

betreffende de huidige bevolking van West-Duitsland aan.

Het Brits-Amerikaanse bezettingsgebied omvatte in Oc-

tober 1946 ca 39,5 milhioen inwoners (in 1939 34 millioen).

Het aantal geëvacueerden vanuit andere zônes bedroeg

1,2 mihlioen, het aantal vluchtelingen uit de gebieden ten

oosten van Oder en Neisze 6,1 millioen en het aantal

vreemdelingen 0,9 millioen. Het spreekt vanzelf, dat de

beide wereldoorlogen en de daarmee gepaard gaande
schommelingen in het geboortecijfer niet nagelaten hebben

op de bevolkingsstructuur een sterke invloed uit te oefenen.
In bijgaande figuur is de verdeling naar Ieeftijdsklassen

in 1946 schetsmatig weergegeven. In het bijzonder valt

Schets pan de leeftijdsopbouw der bec’olking pan de Brits-

Amerikaanse bezettingszône van Duitsland. 29Oct. 1946.

100

MANNEN

VROUWEN

70

60

50

40

30

20

10

400

300

200

ioi

0

lOO

200

300

400

het zeer geringe aantal 25- tot 35-jarigen op. Ten dele is

– dit het gevolg van het grote aantal gesneuveld’en tijdens
de laatste wereldoorlog, ten dele ook van het zeer lage
geboortecijfer gedurende de eerste wereldoorlog. Doch
ook in de lagere leeftijdsklassen nemen we de invloed van
de oorlog (ook het zeer lage geboortecijfer!) duidelijk waar.


Het gevolg van een en ander was onder andere, dat niet-
tegenstaande de bevolking in het betreffende gebied met
5,4 millioen personen toenam sinds 1939, het aantal, -voor
het arbeidspotentieel zo belangrijke mannelijke personen
van 14 tot 40 jaar met 1,6 millioen verminderde Dat
thans vrijwel in alle leeftijdsklassen de verhouding tussen

aantallen mannen en vrouwen ongunstig
.
is, moge nog

blijken uit bijgaande cijfers welke weergeven het aantal
vrouwen per 100 mannen in October 1946.

0— 6 jaar
95
80-40 jaar
153

6-14
97
40-50
119

14-20
103
50-60
129

20-25

. .

170
60-65
121

25-30
170
boven 65

,,
116

Totaal
122

Een bevolkingsprognose, gemaakt aan de hand van bij-

gaande bevolkingspyramide, en waarbij men zich baseerde
op een normaal geboortecijfer van 16 per 1.000 inwoners,
gaf tot resultaat, dat de bevolking, welke momenteel ca
89 millioen bedraagt, in 1951 waarschijnlijk eveneens 39
millioen, in 1956 38,8 mihlioen en in 1961 38,7 millioen zal
-bedragen. Het laat zich evenwel aanzien, dat deze schat-
ting nog aan de hoge kant zal zijn. De mogelijkheid, dat het momentèel. lage geboortecijfer zich nog enige jaren

handhaaft is ni. geens2ins uitgesloten.

19 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

895

LUCJITVAÂRTMAATSC}IAPPIJEN IN DE VERENIGDE STATEN.

De resultaten van luchtvaartmaatschappijen in de

Verenigde Staten over 1947 bleken teleurstellend te zijn.
In totaal werd door deze maatschappijen een vérlies geleden

van $ 22 millioen.
Wie naast deze gegevens de vervoercijfers nagaat, aldus

de president vn de ,,Trans ‘World Airline” in The
Commercial & Financial Chronicle” van 22 April ji., staat

voor een paradox. Want het passagiers- en vrachtvervr

is zeer sterk gestegen. Het aantal mijlen, dat in het
binnenland ten behoeve van passagiers werd gevlogen,
bedroeg het zesvoudige van 1940. Verder steeg het binnen-

landse vrachtvervoer ,,to a volume of ton miles 20times
the air express carried in 1940″. Wat het buitenland be-

treft, van de passagiers; die in de Verenigde Staten kwa-
men, werd per vliegtuig 14 maal zoveel vervoerd als per
schip. 1-Jet aandeel van de Amerikaanse luchtlijnen in het

aantal passagiers, dat over de Noord-Atlantische route

kwam, was 85 pCt; het cijfer voor de vertrekkende passa-
gierA bedroeg 75 pCt. Tegen&,Ter dit grote passagiers- eï
vrachtvervoer, dat het inzetten met zich bracht van

nieuwe toestellen,

stonden minder arbeidskrachten.

on the domestic airline payrolls at the end of 1947

was approximately, 10 pCt less than those on the payrolls

a year earlier”.
Desondanks boekten de luchtvaartmaatschappijen in

totaal het hierboven genoemde verlies van $ 22 millioen.
De president van de ,,Trans World Airline” maakt

melding van enkele oorzaken voor dit verschijnsel:
Men heeft zich vergist ten aanzien van de groei-

mogelijkhedenvan de luchtvaart. In 1944 was het,binnen-
lands passagiersvervoer 50 pCt hoger dan in 1943; in 1945
handhaafde zich degroei ten opzichte van 1944. Men
werd toen overoptimistisch ten aanzien van de volgende

jaren.


Daarbij onderschatte men de kosten. De ,,Trans World Airline” meende een conservatieve raming te
hebben gemaakt door in 1944 de aanschaf van een com-
plete Constellation te schatten op $ 550.000. Toefl zij
begin 1946 werd geleverd, bleek zij $ 800.090 te kosten.

Men heeft de prijsstijging niet voldoende getaxeerd. Lonen,
prijzen van onderdelen, van olie en benzine, zij alle zijn

de hoogte ingegaan.
Behalve deze hoofdfactoren zijn er nog andere, zoals
liet verlagen van passagiers en posttarieven, de houding
van de Overheid, die met prioriteiten werkte, welke

nadelig bleken voor de betrokkenen.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De verruiming, welke de voorgaande week op de geld-
markt intrad als gevolg van het weer ruimschoots ver-

vallen van schatkistpromessen en het terugstromen van
bankpapier naar de banken, zette zich in de afgelopen
week voort. Vrij omvargrijke bedragen aan vervallen
promessen werden waarschijnlijk niet meer verlengd,

teneinde een
5
betere liquiditeit van het bankwezen te

bereiken, zodat zich de invloed van de betaling der hef-
fingen en de aankoop van investeringscertificaten ter af-

wikkeling van de geldsanering reeds deed gevoelen in een
vermindering van de vlottende staatsschuld. In overeen-
stemming met deze geldruimte daaldende rrarktdisconto’s
voor schatkistpromessen enigszins. Driemaandspapier
noteerde pCt, September t/m Februari-papier werd

practisch tegen
13/8
pCt verhandeld, terwijl de langer

lopende termijnen tegen
1/18
pCt werden gevraagd.
Uiteraard sproot deze daling vân de inarktdisconto’s
meer voort uit afgenomen aanbod vanwege de grotere

liquiditeit dan uit toegenomen vraag, aangezien belegging
in het voldoende liquide jaarpapier een hoger rendement

oplevert. De huidige disconto’s geven uiteraard nog weinig
aanleiding tot ruiltransacties vanwege de niet grote ver-

schillen voor de diverse termijnen, zodat de omzetten nog

betrekkelijk gering bleven. De callgeldrente daalde in het

begin der week tot j pCt, op welk niveau niet alle aanbod
kon worden geplaatst.
Volgens mededeling van het Ministerie van Financiën

is de conversielening een succes geworden, doordat slechts

5 pCt van de oorspronkelijke houders aflossing heeft ver-

langd; het vrije g&deelte – door deze aflossing van 5 pCt

verhoogd tot f 435 millioen – is overtekend. De Rijks-
fondsen en -instellingen hebben niet op dit vrije gedeelte

ingeschreven. Niettemin bestaat de indruk, dat door

particulieren en institutionele beleggers slechts geringe
belangstelling voor de vrije inschrijvingen aan de dag is
gelegd met ter vrije beschikking staande middelen, zodat
het grootste gedeelte van de deelneming in het vrije ge-

deelte der emissie wel zal zijn gesproten uit de bedragen,

welke reeds in 1945 in ‘s Rijks Kas zijn gestort ter deel-
neming in 1ater uit te geven staatsleningen.

De aandelenmarkt vertoonde in de tweede helft der af-

gelopen week eén merkwaardig herstel. Naar het schijnt

hebben hierop vooral geruchten omtrent een aanstaande

nieuwe vordering’van Amerikaanse fondsen invloed gehad,
omdat men hiei’uit herbeleggingsvraag verwacht. Niet

alleen de vraag, of het gerucht waarheid bevat, doch ook de
omvang van het te vorderen bedrag en de hieruit resul-
terende herbeleggingsvraag zijn van uitnemend belang.
Dit laatste vooral met het oog op de vrij omvangrijke
kapitaalvraag, welke door tal van emissies, die op stapel

staan, zal worden uitgeoefend, en welke bij het ontbreken
van herbeleggingsvraag waarschijnlijk een sterke druk op

het koerspeil zouden kunnen uitoefenen.
De beleggingsmarkt was weinig veranderd. De conversie-
lening 1947 noteerde aan het einde der veek 99 .pCt, 3 pCt
investeringscertificaten werdeii onveranderd op 994 pCt
verhandeld, terwijl de 3 pCt Grootboekschuld 1946 tot
het tot nu toe niet bereikte peil van 99
/16
pCt steeg.

7 Mei 14 Mei
1948
1948

A.K.0.

……………………
1694
175

v.

Berkel’s

Patent

…………..
1264GB
129 GB

Lever Bros. Unilever C.v.A…….
2784
289

Philips

G.b.v.A .

…………..
258 GL
259

Koninklijke Petroleum

……….
322 GB
334

H.A.L
.

……………………
206
212

N.S.0
.

……………………
181
186

H.V.A.

………………………
237
2304

Deli

Mij.

C.v.A .

……………

160 GB

Amsterdam Rubber

…………
174 GB
178

DE BELGISCHE GELD- EN

KAPITAALMARKT IN APRIL 1948.

Geidmarkt.

De geldomloop bij de Nationale Bank liep gedurende
de maand April verder terug ingevolge een lichte daling
van de credieten aan de .privaateconomie.

EQolutie Qan de biljettenomloop en rekeningen courant bij de
Nationale Bank.
(maandgem. in mlllloenen fr.)
Dank- Rek. Totaal Index Totaal

biljetten Cour.

1936-’38

100
April 4947
……….
75.511

4.719

80.230

315
Dec

……….
78.535

4.357

82.891

321
Febr. 1948
……….
79.833

4.668

84.501

332
Maart

……….
78.454

5:252

83.706

329
April

……….
78.127

5.013

83.140

327

De verruiming van de daggeldmarkt, die reeds in Maart
werd vastgesteld, ging in April verder door. De rentevoet
voor het daggeld bleef onveranderd (1,25 pCt).
De handelsportefeuille van de Nationale Bank daalde
opnieuw inevolge een verdere vertraging van de econo-

396

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

19 Mei 1948

mische activiteit in bepaalde sectoren, in. hoofdzaak om
reden van moeilijkheden bij de export. De discontovoet

voor eersterangspapier werd onveranderd op 3 pCt ge-
houden. Over de credietverlening van de private banken

zijn geen nieuwe gegevens beschikbaar.

De goud: en deviezenvoorziening van het land bleef
gunstig evolueren. De toepassing van de bilaterale he-
talingsaccoorden (goudoverdrachten voor betaling schulden

boven credietmarge) liet niet alleen too het mali op de

betalingsbalans met de U.S.A. aan te zuiveren, maar

deed daarenboven de goudvoorraad van het Emissie-

instituut toenemen met ongeveer 600 millioen fr. De
deviezenvoorraad liep lichtjes terug.
Goud- en deç’iezenç’oorraad van de Nationale Bank pan

België.

(maandgein. in millioenen fr.)

Goud

Deviezen Index totaal
1936-’38 = 100
Mei

1947 …………..27.934

10376

170.9
Dec

………….26.057

12.434

171.7…
Maart 1948…………..25.691

12.881

172.1
April

…………..26.298

12.743

176.2

Op de zwarte markt van goud en deviezen viel de ver-
betering te noteren van de Belgische franc tegenover het

goud (Sovereign 805 tegenover 865) en de sterke deviezen
(ollar 52 tegen 55k). Papieren pond (136
k
tegen 1331)
en gulden (9.40 tegen 8.90) gingen daarentegen merkelijk
vooruit.

Kapitaalmarkt.

De emissiemarkt was in April. even bom gestemd als
de vorige maanden. Geen enkele belangrijke obligatie-
uitgifte viel aan te stippen. Een private vennootschap

trachtte 90 millioen fr. aandelen te plaatsen aâ.n 102 pct

van de nominale waarde. Niettegenstaande aan de in-
schrijvers voor de jaren 1948 tot 1952 een redelijk dividend
(minimum 4 pCt) werd gewaarborgd, bleek de uitgifte
moeilijk van de hand te gaan.
Tussen 31 Mei en 15 Juni e.k. wordt de inschrijving

opengesteld voor de nieuwe uitgifte van schatkistcertifi-
caten 4 pCt door de Staat. Ze zullen een looptijd hebben
van 10 jaar met facultatieve terugbetaling na 5 jaar (zowel

uit hoofde van de obligatiehouder als van de debiteur).
De uitgifteprijs werd vastgesteld op 97,5 pCt. De terug-
betalingsprijs na 5 j. op 102 pCt en na 10 j. op 1081 pçt.
De opbrengst moet dienen om de investeringsuitgaven
van de Overheid te financieren. Er werd geen bepaald

bedrag voor de uitgifte vastgesteld, maar de Staat heeft
zich het recht voorbehouden de inschrijvingstermijn te
verkorten.

Rekening gehouden met het uitgiftedisagio van 2j pCt
en van de terugbetalingspremie van 2 pCt na 5 j. en 8 pCt

na 10 j. worden volgende netto-rendementen bekomen:
voor een looptijd van 5 j.: 4,95 pCt en voor 10 j.: 5,04 pCt.

1-lierdoor wordt de stijging van de rentevoet in de laatste
tijd duidelijk geïllustreerd. In Juni 1947 werd inderdaad
een Staatslening uitgegeven van hetzelfde type met een

netto-rendement van 4,46 pCt op 5 j. en 4,66 pCt op 10 j.
Bij. de aankondiging van de voorwaarden van uitgifte
voor de nieuwe staatslening kwam de obligatiemarkt in
beweging. In alle rubrieken werd een lichte koersdaling

waargenomen. Bij de staatsrenten was bijzonder de koers
van de 4 pCt Bevrijdingslening zwak (80,10 tegen over 81,35). Ook de loten, stads- en gemeenteleningen en de

obligaties van private vennootschappen brokkelden af.
De baisse was nochtans meer uitgesproken in de publieke
dan in de private sector, zodat de spanning tussen de
rentevoet in beide sectoren verminderde.

Gemiddeld rendement oan overheids fondsen.

Middelm. looptijd Lange looptijd
(2 tot
10
j.)
30 April

1947

…………4.44

4.40
31
Dec

4.60


4.69
31
Maart 1948

…………4.68

.

.

4.73
30 April

4.75

4.77

Bij de schatkistcertificaten waren het vooral d 4 pCt

schatkistcertificaten 1947 die het meeste nadeel onder-

vonden van het aankondigen ‘an de nieuwe lening. De

aanpassing ian het rendement van genoemde certificaten

aan dit van de nieuwe emissie bracht de koers op 97,15.

(tegenover 98,15). De andere schatkistcertificaten schom-
melden weinig.

Bedrijvigheid pan de aandelenbeurs van Brussel.

Aantal verhan- Kapitalen

Algemene
delde stukken (in mili. fr
.)

koersindex
(in duizend-

1936-’38 = 100
tallen)
Einde Dec. 1947 . . .

12.2

10.9

140.2
Einde Feb. 1948 . . .

44.4

50.9

160.4
Einde Maact

23.5

28.0

157.1
Midden April

20.0

22.6

156.8
Einde April

21.0

20.2

152.7

De aandelenbeurs van Brussel was gedurende de drie
eerste weken van de maand prijshoudend. De stemming

van het Europees 1-lerstelprogramma in het Amerikaans

Parlement, de gunstige vooruitzichten van de Italiattnse

verkiezingen, gepaard met een verbetering van de inter-
nationale toestand in het algemeen, steunden de koersen.

Tegen het eiqde van de maand kregen interne baisse-

factoren, o.a. de berichten omtrent een bréde verspreiding

(naar raming voor 2 milliard fr.) van titels, voorzien van

onwettelijke certificaten van aangifte, de hovenhand

en de maand eindigde in een uitgesproken baissestemming.
De algemene koersindex liep in April met 2,4 pCt terug,

dit niettegenstaande de resisltaten van de vennoot-
schappen blijven vooruitgaan. De netto-winsten na af-

schrijvingen van de 95 voorname hardelsvennootschappen,
die in April hun resultaten publiceerden over het boekjaar
1947, vertonen een stijging van 34 pCt tegenover 1946.

De uitgekeerde dividenden beliepen 56 pCt van de netto-
winst (53 pCt voor 1946). Van de voorname rubrieken

bleven de banken en holdings, de metaalnijverheid en de
kolonialen nagenoeg stabiel; de scheikundige producten,

de steenkoolmijnen en de waarden van de bouwnijverheid

ondergingen daarentegen de sterkste daling (circa 4 pCt): De index van de buitenlandse waarden ging ‘licht vooruit.
Op te merken viel de zwakke stemming van de buiten-
landse plantages en de aanzienlijke hausse van Çanadian
Pacif ie (8021 tegenover 675) en Securities (142 tegen 112).

Brussel. . V. VAN ROMPUY.

STATISTIEKEN.

DE NEDEItLANDSCHIO BANK.
(Voornaamste posten in duizenden guldens).
4.
2
00
Eot.
0
C2)

45
O
1


0
5

1
,
0
t4,e
Pq

30 Dec. ’46
700.876 4.434.786
100.816
103
153.109
30 Mrt ’48
484.227
269.186 171.506
1
146.587
12April’48
484.271
314.956 163.107
1
146.871
19

,,

’48
484.311
318.954
155.124
..

1
147.135
26

,,

’48
484.374 326.177
150.891
1
151.280
3 Mei ’48
484.485
331.538
143.611 5.000
167.872
10

,,

’49
483.991 327.306
124.172
1
168.302
18

’48
483.640
339.800 127.314

150.350

0
Saldi
in rekening-courant

*
0

.
,6
cd

4.20
6)0

.0

co

4)

30 Dec. ’46
2.744.151 1.099.855
90.071
43.706 590.158
30 Mrt ’48
2.931.712
879.968
108.948
30.208 499.736
12April’48
2.899.918 986.272
88.442
28.616
494.311
19

,,

’48 2.870.412
1.086.841
43.110 23.419
440.228
26

’48
2880.651
1.039.888
36.576 23.360
483.398
3 Mei ’48
2.940.419
789.663
30.046 26.065
500.122
10

’48
2.919.415 1
709.077
97.852
20.612
482.885
18

,,

’48
2.899.604
734.607
62.221
29.113
518.402

-;

19 Mi 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

397

DE NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte balans op 18 Mei 1948.
Activa. Wissels, pro-

Hoofdbank’

t

1)
messen en

Bijbank

,,


SC
u
u
r even

Agentsch.

900,-
,,
in disconto

t
900
Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven, door
de Bank gekocht (art II, Ie lid, sub 3 van de
Bankwet 1937
r
art. 4 van het Koninklijk
besluit van 1 October 1945, Staatsbiad No.
F204)

………

…………………..

Schatkistpapier, door de Bank overgenomen van
de Staat der Nederlanden ingevolge overeen-
komst van 26 Februari

1947

…………

..
1.800.000.000,–
Beleningen:

Hoofdbank

T 140.904.930,33
‘)

(mci. voor-
schotten in re-

Bijbank

,,

3.921.348,78
kening-courant
op onderpand)

Agentsch.

,,

5.523.406,16
150.349.685,27
Op

effecten,

en7
.
.

……….

..150.069.832,93
‘).
Op goederen en celen

279.852,34
..
105.349.685,27
1
)
Voorschotten aan het Rijk (art. 16 van de Bank-
wet

1937)

…………………………

]3oekvordering

op

de

Staat der Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Februari 1947 ,,
1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt

en

gouden


muutmateriaal

……..T

481.849.020,05
Zilveren munt, enz …….

..1.790.822,82
483.639.842,87
Papier op het buitenland

. .

f

339.800,100,-
Tegoed bij correspondenten in
het

buitenland

……….,, 121.813.222,21
Buitenlandse betaal-
middelen

…………….

5.500.293,87
467.113.616,08
Belegging van kapitaal, reserves
en
pensioen- fonds

… ………

………………….

..
100.807.270,08
Gebouwen

en inventaris

………………

..
2.500.000,-
Diverse

rekeningen

………………..
….,
178.678.610,93

t 4.683.089.925,23

Passiva.
Kapitaal

…………………………..T
20.000.000,-
Reservefonds

…………………… ……
12.759.703,05
Bijzondere

reserves

……………………

..
54.447.566,03
Pensioenfonds

………………………….
19.951.277,33
.
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)

…..122.346.310,-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgifte)

…..
2.899.603.535,-
Bankassignaties In omloop ………………..
225.626,35
Rekening-courant saldo’s:
‘8
Rijks Schatkist

…….T

734.607.269,38
Geblokkeerde saldo’s van
banken

…………..

..

62.221.335,69
Geblokkeerde

saldo’s

van


anderen

…………..

..

29.112.864,53
Vrije saldo’s

………..,

518.402.250,58
,,
1.344.343.720,18
Diverse

rekeningen

.

…….. …………..

..
209.412.187,29

t 4.683.089.925,23

‘)
Waarvan

schatkistpapier rechtstreeks door
de Bank in disconto genomen

……….t


‘)
Waarvan aan’ Nederlands-Indi6
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad no. 99)

.
,,
39.529.875,-
.Circulatie der door de Bank namens de Staat
in het verkeer gebrachte muntbiljetten …
…..
146.952.098;-

In

BANK VAN ENGELAND.
(Voornaamste posten in milhioenen ponden).

8
5
,

.

0
4-;
00′
-0

W.

25 Dec. ’46
0,2

1.449,1

1.450

1.428,2

22,1
28 April’48
0,2

1.299,2

1.300

1.237,8

62,4
5 Mei

’48
0,2

1.299,2

1.300

1.242,9′

57,3
12 Mei ’48
0,2

1.299,2

1.300

1.247,3

53,0

Othersecurities

Deposits
0
0
00
cd
,5
000

,;Q

,._

4,
d9

Id
.1.1

Pl,

25 Dec. ’46
28 April’48
5 Mei
’48
12 Mei ’48

1,3
0,7 0,7 0,6

311,8
320,0
321,2
344,3

13,6
14,5
14,8 9,2

15,8
30,6 36,4 23,3

346,5
41’0,4
412,5
412,6

10,3
12,6
20,9
8,6

278,9 307,4
.
300,0 311,5

NATIONALE BANK VAN BlLGIË. (Voornaamste posten in millioenen francs),

00

100
0
80
.,0’0
0
‘n
bf
.&)
Data
t’0.21
•”
c.
,
0
,
4
00
Pi
cd
0′

26 Dec.

1946
32,226

5.648 4,953
214
698
49,158
8 April 1948
26.163

13.070 5.848
990 334
52.561
15

1948
26.202

12.876
5.518
979 330
52.601
22

1948
26.562

12.308
5.490
936

957
326
52.036
28

,.

1948
26.577

12.281
6.233
324.
52.601
5 Mei

1948
26.581

12.304
6.962
946 299
52.621
12

,,

1948
26.591

12.113
6.884
851
307
52.601

0


Rekening-
0
courant
saldi

Data
0
no

.

0
0

4-‘
0

1.10

‘-
.84
0)
4-

0
0
Id
,
0
0
Pq
rn
26 Dec.

1946 637
159.377
72,165
1
4,482
614
8 April 1948
637
166.699
78,701
6
5.795
489
15

,,

1948
637
166.116 77.988
4
6.020
488
22

1948
637
.165.211 77.592
5
5.574
487
28

,,

1948
637
166.583 77.805
3
6.670
487
5
Mci

1948
637
167.298
79.113
1
1

6.094
486
12

,,

1948
637
166.910
78.648
2
6.210
486

‘) waarvan 1U.4UJ millioen Trcs onneschikbaar goudsaldo na her-
waardering van de goudvoorraad (Besluitwet no. 5 van 1-5-1944).
1)
Waaronder begrepen de post – ,,Emissiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 millioen frcs.
0)
Deze post omvat: oude biljetten over te boeken op tijdelijk
onbeschikbare of gebiokkeerde rekeningen en niet aangegeven
oude biljetten.


BANK VAN FRANKRIJK.
(Voornaamste posten in millioenen frâncs).
Voorschotten aan de Staat
‘0

.
0
Data
.
Cd
0
g.
00
0

o
0′)
,0
“0
0

0
e
P
.

CI)

26 Dec.

1946
94,817

118.302

59.449

67.900

426,000
22 April 1948
52.817

242.259

125.042

129.500

426.000
29 April 1948

.
52.817

240.368

125.042

129.500

426.000
5 Mei

1948
52.817

237.927

125.042

130.300

426.000

Bankbil-

Deposito’s
,Data jetten in
circulatie

Totaal

Staat

Diversen

26 Dec.

1946

721.865 63.458
765
62.693
22 April 1948
735.622
282.772
829
280.778
29 April 1949
759.054
265.912
790
264.002
5 Mei

1948,
.
772.934 255.300
729
253.439

INDIIXCIJFER.S VAN ORO0TIrANDELSPRIJZEN
IN NEDERLAND
1) )

Juli’38-Juni’39=100
1946
Dec.
1Q47

Jan.
Feb

Voedingsmiddelen:
209
232
230 230
230
230
191
239
199
238
236
234
200
236 214
235.
233
232
Grondstoffen:
houtw. buitenlands
463
647
631
582 582
582
chem. producten

.
272
367
.
342
361
366 364
258
.281
284
283 280 279
224
243
243
243 243
243.
26!
304 294 305 305
305

plantaardige

…….
dierlijke

………..
totaal

…………..

332
538 ‘
474
538 538 538
hulpstoffen.

……
170
216
201
216
216
216
282
342
328
340
340
339
Afgewerkte producten:

papierwaren

…….

glas, aardewerk, enz
238
257
.
256 256 263
263

textielwaren

…….

totaal

…………..

349

.

399
390
385
385
385

Ieder

………….
metaalwaren ……..

chem. producten

.
328
322
318
3230)

323 323 315
357
344 355 354
352 292
.325
321
324
325 327

houtwaren

………

283
308
303
.

315
325 325

textielwaren

…….


gefabr. voed.midd..
211
222
223 222
322
222

lederwaren

………
papierwaren

…….

248
268
263
271
270
272
metaalwaren

…….
261
279
276
279
280
280
totaal

………….
algeni. indexeijfor
. . .
251
280
271
279 279 279

1) Bron: ,,Statistmsch Bulletin van het C.B.S.”.
‘)De wegingscoOfficiOnten zijn vastgesteld overeenkomstig de
verhoudingen in 1941.
0) G-ecorrigeerde gegevens,

S

al

t
398

Vorderingen
7 Mei 1948
30 April 1948

Saldo van

‘s Rijks Schatkist
bij De Nederi. Bank N.V.
f

782.227.453,77
f

811.741.504,39
Saldo van ‘s Rijks

Schatkist
hij

de

Bank voor

Neder-
556.528,28
,,

1.576.874,40
Kasvorderingen

wegens

ere-
dietverstrekking

aan

het

landsche

Gemeenten

……….

buitenland

……… …..

Daggeldiening

tegen

onder-
.
pand

………………


Saldo der postrekeningen van
Rijkscomptabelen

……..
498.928.180,41
,,

475.21 8.300,99
Voorschotten opultimo Maart
1948 aan de gemeenten we-
gens aan haar.uit te keren

…….

belastingen

…………..
54.078.110,96
Vordering

in

rekeiiing-cou-
rant

op:

Nederlands-Indiê

……

,,

733.038.538,06
,,

731.328.446,15
Suriname

…………….

…54.078.110,96

31.209.010,80
Curaçao

………………
7.643.959,61
Het Algemeen Burgerlijk Pen-
sioenfonds

…………..
20.370.82048
Het

staatsbedrijf der P., T.
…31.204.375,80
…7.643.959,61

. 76.868.082,30

enT

…20.402.939,21


Andere staatsbedrijven en in-
stellingen

………… ……
,,

169.027.366,89

Verplichtingen

Voorschot,

door

De

Nederl.
Bank N.V. verstrekt


Voorschot,

door

De

Neder-
landsche

Bank

N.V.

In
rekening-courant

verstrekt


Schuld aan de Bank voor Ne-
derlandsche Gemeenten


Sehatkistbiljetten

In

omloop
fl477.873.100.- fl460.773.100,-
Schatkistpromessen bij De
Ne-
derlandsche Bank N.V. in- gevolge overeenkomst van
26

Februari

1947

………..
1800.000.000,-
,,1800.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop
(rechtstreeks hij De Nederl.
Bank N.V. is geplaatst nihil)
/
6.545,8 m/m wo. garantie
Bretton Woods /785 milI
,,5762.800.000.- .5822.200.000,-
Daggeldleningen


Muntbilletten In omloop ….
…145.901.571,50
,,

145.495.858,- Schuld op ultirno Maart 1948
aan de gemeenten wegens
aan

haar uit te keren be-
lastingen

…………….


Schuld in rek.-courant

aan:
Nederlands-IfidiO


Suriname

…………..


Curaçao

…………….

……..


Het Algemeen Burgerlijk Pen-

……..
……..

Het staatsbedrijf der P., T.
sioenfonds

……………….

en

T.

………………
599.837.610,63
,,

562.602.761,41
5.868.091,30
,,

5.797.944,82
Schuld aan diverse instellin-

….
Andere

staatsbedrijven

……….

gen In rekening met ‘s Rijks
Schatkist

…………..


3008.950.879,45
.3013.655.229,45

FEDERAL RESERVE BANKS.
(Voornaamste posten in millioenen dollars).

1

Metaalv’od’rraad

1

Data

Other

13.5. t.ovt
Totaal

Goudcer-

cash

1

securitles
tificaten

31

Dec.

1946

18.381

17.587

268

23.350
15 April 1948

21.893

21.259

343

20.593
22

1948

21.893

21.259

.325

20.394
29

1948

21.909

21.279

324

20.440

f F.R.-bil-

circulatle

TotaalEDeposito’s

Govt

banks
Member-
1

en
Dat

jett

In.

31

Dec.

1946

24.945

.

17.353393

16.139
15 April 1948

23.724

.19.156

1.177

17.050
22,,

1948

23.666

19:039

1.283

16.845
,,
29

1948

.23.624

19.085

1.185

17.043

NATIONALE BANK VAN ZWITSERLAND.
(Voornaamste posten In millioenen francs)

3
,,
,
00,

0
0)

0

410

Data
Oo

23 April 1948

1
5.662,1
1

75,7

313,3

47
420,3

31 Dec. 1946 ‘ 4.949,9

458,0

238,7

52=
90,
,
113,7

30 April 1948
1
5.662,1
1

85,9

324,9

47
329,1
7 Mei

1948

5.665,2

307,3

47
34,6

p

Data

u

4

0

Metaal

Staatsfondsen

44
n

0)
0
11
0)
5e

)
ç.

0

0.
‘0

31 Dec.

1946

839

532

1.544

504

284

04
1
182′.
23 April 1948

213

135

2.714

31297

1

182
30 April 1948

213

135

2.795

301

•101

1

182
7 Mei

1948

211

134

2.817

301

107

_j182

Deposito’s
0

—–…–
0)

Direct opvraagbaar

0
Data


)

5
+

1)
cd
5)

0


-00

31 Dec.

1946

2.877

875

70694

230

174

7
23 April 1948

2614

853

646

125

68

206

5
30 April 1948

2.791

806

634

79

68

198

. 5
7Mei

1948

2.717

891

678

119

68

207

.5

ENIGE INDEXCIJFERS VAN DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE
IN NEDERLAND
1)

1938 = 100

t”

t’
,


00

00

z_

‘5e’


94-

Algem.

productlo.Index
van de Industrie …….56

104

103

73

92

102

98

103
Waisproducten

van
ijzer en staal
1)

. . .

57

165

153

73

137

178

196

185
Cement

…………..85

125

118

88

114

123

124

132

Katoen- en linnen- .

Schoenen

……….

.
Metselstenen

.
……….33

89

97

52

69

91

90

93

Deuren ………………86

69

38

57

105

77

81

weverijen …………
2

.

65

66

39

60

70

67

72

Sigaren

………….36

65

59

53

60

63

54
.54

16

121

78

111

130

120

141

Sigaretten ………….65

134

110

73

124

127

118
Boter …………….
.27

35

38

52

52

34

28

40
Kaas

……………1

42

24

52

53

16

17

49

Voorraad aan
Maand

Productie

Afzet

het einde van
de maand

Juli

1947

. . . .

1.860

1.855

302 –
Augustus

. . . .

1.828

1.787

342
September

. . . .

2.006

1.941

407
October.

. . . .

2.144

2.158

393
November

. . . .

1.911

1.886

417
December, .

. . . .

2.067

2
:
036

448

Totaal 1947 -. . . .

24.390

24.253
468
1
)
Totaal 1946

. . . .

22.779

22.767.

311′)
Totaal 1938

. . . .

29.575

28.029

2.222
3
)

Januari 1948

. . . .

‘2.244

2.231

460

1) Bron: ,,Statlstisch Bulletin” van het Nationaal Instituut
voor de Statistiek.
‘) Ultimo December.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BËRICHTEN

19 Mei 1948

STAND VAN”s RIJKS KAS.
Z%VEEDSE RIJKSBANK.
(Voornaamste posten in millioenen kronen).

1) Bron: ,,Statistlsch Bulletin van het C.B.S.”; . betekent: de ge-
gevens ontbreken; gecorrigeerde
cijfers
zijn cursiefgedrukt.
‘) 1940 =

100.

PRODUCTIE EN EXPORT VAN NATUURRUBBER

In 1.000

Productie nat.uurrubber

Export natuurrubber
long
Totaal

Iic

icTa

Totaal

1941

650

, 600

1.600

636

573

1.510 1942

200

155

640

150

125

475
1943

100

75

465

75

75

360
1944

50

25

360

25

25

255
1945

10

8,6

250

4,3

51,6

250
1946

175

403,7

.

837,5

230

366,9

967,5
1947

275

646,4

1.260

285

640,1

1.232,5
1948
Jan.

27,5

62,1

125

27,5

61,5

115
Febr.

22,5

.

50,7

97,5

22,5

55,1

105

1) Bron: ,,Rubber Statistical Bulletin” van April1948. De cijfers
zijn schattingen.

DE KOLENPOSITIE
VAN
BELGIË
1).

(in duizenden tonnen)

‘) Bronnen: ,,Medcdelingen Kamer van Koophandel en Fabrieken
dam; Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam; Economis(

INLEGGJNGJIN EN TEItUGEETALINGEN. OP PAJ.ITICULUI1tE
SPAARJIOEKJES BIJ DE ALGEMEENE SPAA.R- EN
L1JFRENTEKS IN BELGIË
‘).

(in duizenden îrancs)

Tij

1938
1946
1947′:
1948

Jvak
T

•n
eggln•en
Terug-
betalin-
gen

.
Saldo

Tegoed der
inleggers aan
het einde
vad het
tijdvak
‘)

3.331.391
3.496.925
-165.534
12.670.559
5.213.361
3.828.538
1.384.823 19.823.453
1
7.421.316
3
)
4.935.581
2.485.735
23.765.223
Januari
791.069 272.739
518.330
21.164.818
1
)
Februari
752.719
142.329 310.390
21.475.208
Maart
685.649
391.921
293.728
21.768.936
April
628.403 434.794
193.609
21.962.545
Mei
466.031
425.315
40.716
22.003.261
JuriP)

511.311
455.638
55.673
22.058.934
Juli
598.445
480.587
117.858
22.176.792
Augustus
545.504.
386.402
159.102
22.335.894
September
580.403
365.898
214.505
22.550.399
October
647.343
389.953
257.390
.22.807.789
November
556.266 341.954
214.312
23.022.101
December
658.173
548.051
110.122
23.132.223

Januari
821.221
376.106
445.115
24.210.338
Februari
761.778 400.513 361.265
24.571.603
Maart
.
864.711
522.958 341.753
24.913.356

– – ”F

‘1
I

19 Mei 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

399

IIAVENBE%VEGING.

To
Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen aangekomen zeeschepen
t).

Tijdvak

-__
Rotterdam
Amsterdam
Antwerpen

aantal netto register aantal
netoregister

aantal
‘netto register
tonnen

12.026

19.392.f28
3.110
6.024.738
9.524
15.888.710
1.344

2.063.632
470
458.800
3.585
11.129.932
4.464

5.911.539
1.706
1.817.922
5.284
9.312.726
5.974i

9.883.446
2.443
2.769.462
8.013
16.762.921

1939

…………………….

j948
.

1945

…………………….
1946

…………………….
1947

…………………….

513

900.645
208
217.476
676
1.426.923
Januari…………………..
623

915.570
204
242.271
645

1.326.948
Februari

…………………
Maart

……………………
713

1.170.494
1.640.485
4

t/nt

10

April ……………..
169

240.813
57
58.743
11

t/rit

17

April …. . ………..
161

241.664
60
53.147
18

tint

24

April …………..
193

302.766
..
62
41.289
25 April t/nt 1 Mei
191

246.994
72
60.429

voor Zuid-Holland”; Dienst Gemeente Handelsinrichtingen, Amster-
ho dienst van cle haven, Antwerpen.

/

IN- EN UITVOER VAN BELGIË’).

‘)
Bron: ,,Studiên van de Algémeene Spaar- en Lijfrentekas”.
‘) Op .het einde van het jaar inclusief gekapitaliseerde interest
van het dienstjaar. ‘) Van Juni 1947 af voorlopige cijfers.
‘)
Van Januari 1947 af inclusief inkoop van obligatiên van de
Muntsaneringslening ad frs 823.035.000.
1
1 Exclusief inkoop van obligatifn van de Muntsaneringslening.

ENIGE INDEXOIJFEItS VAN DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE
IN BELGIË
‘).

1938

100
Juni
1947
Juli
1947
AugI
1947
Sept.
1947
Oct.
1947
Nov.
1947
Dec.
1947
Jan.
1948

Algemene index
v.
d
‘)
‘)
‘)
)
¶)
)
8)

)
93,5
90,3
91
93
101
103
101
Steenkool, ……..
81,6
75,5
74,1
81,4
86,9.
77,5
83,9
91,0
92,2
99,8
97,8
95,8
106,2
102,9
105,5106,9
79,2
100,7
95,8 88,8 108,2 105,4
105,1
108,6

md.

prod.’) ……..

Ruw ijzer

……..
112,7

116,6
109,1
96,7 134,6
133,8
146,5
151,2
Cokes

…………..

122,2
126,7
119,8
110,1
154,4 136,5
152,4.162,2
Afgewerkt staal

. .
120,1
118,3 123,7 118,3 159,7 143,1
163,lj
165,8

Cement

………….

Afgewerkt ijzer

. .
69,2
56,5 53,6
70,7
72,1
96,5 71,5
84,6

Ruw staal
.
……….

110,3

..

99,6
107,4
115,3
125,3 109,8
132,21103,4
Vlas (weverij)

. . .
107,7
105,3
74,8
80,2
84,2
78,1
76,9
Katoen (spinnerij)
107,6
97,5
95,1
105,8
127,9
108,2
114,5
117,5

Vlas (spinnerij) …..

Katoen (weverij)
.
139,8
133,8 123,9 137,8
153,9
133,8
146,2.
Wol (kamwol, spin-
nerij)

.. ……..
144,9
113,2
105,5
161,7
197,2
.
169,8 171,3 176,5
Wol (weverij)

. . . .
142,3 145,4 129,8 154,9
150,5 120,3 119,0
Vlakglas ……….

.

88,3
89,7 86,2
.92,6
90,6
109,8
112,4 105,6
Hoiglas

………..
..
103,1
110,1
105,6
107,8
114,7 134,3 143,3
k

139,0
Papier

……….
.
136,6
126,4 119,8
138,1
151,1
137,8
t49,3
143,8
76,5
92,2
93,8
111,6
117,3 93,0 105,0 93,6
Margarine-

………..
Geraffineerde suiker
57,7
71,5
59,0
76,7
81,8
99,7
76,7
75,4
Sigaren

…………
35,1
43,7
39,7
49,8
61,4
60,9
58,6
.
59,3
Sigaretten

………
151,0 134,4 148,5
193,1
138,8 97,3 129,8
128,3

1
1 Bron: .,Statistisch Bulletin” van het Nationaal Instituut voor
de Statistiek. . betekent: de gegevens ontbreken. Gecorrigeerde
gegevens zijn Cursief gedrukt.
‘)
1936-’38 = 100 (Instituut voor Economisch en Sociaal
Onderzoek (Leuven)).
‘) Voorlopig cijfer.

Annonces, waarvan’ de tekst ‘s Maandags in ons bezit
is, kunnen, plaatsruimte voorbehoudn, in het nummer
van dezelfde week worden opgenomen.

Invoer
Uitvoer

,
Saldo

aan cl
Gewicht
Waarde
Gewicht
Waarde
Waarde
in dui-
in mil-

I

in dui-
in mii-
in mii-
zenden
lioenen
zenden lioenen
lioenen
tonnen
francs
tonnen
francs francs

Januari

19′.7.
.
1.720 6.040
05
2.673

3.367
Februari

1947..
1.418
5.257
706
4.308

949
Maart

1947..
1.788
6.040
905
4.830

1.210
April

1947..
2.260
6.582
1.100
5.341

1.241
Mei

1947..
2.696
6.247
1.184
5.4301

817
Juni

1947..
2.4

16
6.368
1.173
5.787
– .

581
Juli

1947..
2.425 6.139
1.343
5.775

364
Augustus

1947..
2.606
.7.190
997
3.890

3.300
September 1947..
2.441
6.865 1.275 6.165

720
October

1947..
2.824
8.741 1.307
6.334

2.607
November 1947..
2.664
2
)
9.364
2
)
1.123
2
)
5.529
2
)
-3.835
December

1947.
.
2.804
10695
1.121
5.567

5.128
‘.tial 19477TTT
27.862
85.528
12.839 61.609
-23.919
Maandgent. ’47
‘)
2.322 7.127
1.070
5.134

1.993
Maandgem. ’46
. .
1.644
4.380
620 2.471

1.009
Maandgem.’36/’38
2.868 2.010
1
1.912
1.859

160
Januari

1948

.
2.589
7.402
1.230
6.198

1.206

‘)
Bron: ,,Statistisch Bulletin” vah het Nationaal Instituut voor
dc Statistiek.
‘)
Gecorrigeerde gegevens.


‘)

Voorlopigd gegevens.

WERKLOOSHEID IN BELGIË
.
T
.

Maand
Geheel
Gedeeltelijk
en toevallig

L
werkloos


werkloos

December

1946 …………….
36.986
.
43.756
Januari

1947 …………….
40.364
49.877
Februari

…………….
43.786 87.193
42.991
50.658
April

32.449
18.705.

28.872
.
16.297
Juni
26.465 19.794

Maart

……………….

Juli
28.543
26.361

Mei

………………..

Augustus

…….
………
27.89-1
20.846
September

…………….
29.963
15.513
October

…………….

….

30.913
16.829
November

…………….


..
39.984
..
21.124
December


………………
57.079
40.192

)
Bron:

,,Statistisch

Bulletin”
van

het

Nationaal
Inst!tuut voor de Statistiek.

40ste Publicatie van
.hèt Nederlandsch
Eco-

nomisch Instituut

Dr J. H. van Stuijvenberg

Enkele economische aspecten von de

kersenteelt
in’
Nederland

Prijs f 6.”.

(Prijs voor leden en donateurs van het Ne-

derlandsch Economisch Instituut
f
4.50)

MIN
Verkrijgbaar . in de boekhandel
en
bij de uitgevers

DE ERVEN F. BOHN N.V. – HAARLEM
1

.

ACTIEF

Kassa,

Kassiers
en Daggeldie-
ningen

/
27.359.661,30

Nederlands
schatkistpapier’,,
843.000.000,00

Ander
over
:
heidspapier
15.737.500,00
Wissels
1.836.043,56

Bankiers in bin- nen

en

buiten-
land
39.539.097,19

Effecten en syn-
dicaten
9.259.276,87

Prolongatiën
en voorschotten
tegen Effecten
24.564.003,51

Debiteuren

,,
195.255.290,09

Deelnemingen

.
14.850.940,83

Gebouwen
6290.583,86

f1.177.692.397,21-

PASSIEF

Kapitaal
/

70.010.000,00

Reserve
32.500.000,00

Bouwreserve
4.000.000,00

Deposito’s op
termijn
,,

61 .1 08.31 9.52

Crediteuien 977.106.1 30,58

Door derden geaccepteerd
,.

4.142.674,00

Overlopende
saldi en andere
rekeningen
,,

28.825.273,11

/1.177.692.397,21

Ir. H. Vos

*:

Enige kwantitatieve

onderzoekingen

over dè betrekkingen

tussen

overheidsfinanciën

en volkshuishouding

*

38e publicatie van het

Nederi. Economisch Instituut

Prijs f 9.*

(Prijs voor leden en dona-

teurs van het N.E.I. f 6.75)

*

1

Verkrijgbaar in den boek-
handel en bij de uitdevers

DE ERVEN

F. BOHN N.V., HAARLEM

AMSTERDAIISCHE BANK
N.V.

INCASSO-BANK
N.V.

MAAN DSTAAT
PER 30 APRIL 1948

wJT
z

LZ

Drs Economie

(27 jaar) zokt uitzending naar Canada, U.S.A.,

Curaçao of Zuid-Amerika. Brieven onder no. ESB 1205

bureau van dit blad, Postbus 42, Schiedam.

Naamloze Vennootschap

‘ beschikkend over een

vermogen van circa’ f 200.000.-

zoekt deelname•

in, of overname van een goed
render’ende
fabriek

of handelazaak.

Brieven onder No. ESB 1204 Bureau vi dit blad,

Postbus 42, Schiedam.

T*’

1

ASS 0 HITIE.CASSA

Verliesposten Voorkomend Systeem

bestaande Uit
4 Dienten


V.V.S.

Het V.V.S. is een onmisbaar hulpmiddel bij het
gezondhouden vsn uitstaande credieten. Aan-
vaard als onderdeel der debiteuren-administra-
tie. zal het van groote practische waarde blijken te zijn.

Onze V.V.S.-brochure wordt op aanvrage kosteloos toegczonden

Yan der Graaf & Co’s hureaux voor den handel H.V.

Amstelstraat 14-18, Amsterdam-C, Telefoon 38631 (5 lijnen)

Annonces voor het volgend nummer –

dienen uiterlijk Maandag 24 Mei a.s. in het bezit te

zijn van de administratie, Lange Haven 141, Schiedam

Economisch – Statistische
Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.). Telefoon: Redactie 38040, Administratie 38340. Giro: 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie, 14, Çiniversiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochatraat 5 Rotterdam (W).
Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.

Abonnementsprjs, franco per post, voor Nederland
f
26
0
per jaar,
voor België/Luxemburg f a8 per jaar, te voldoen door storting van de
tegenwaarde in franca bij de Banque de Commerce te Brussel. Overzeese
gebiedsdelen (per zeepost) en overige landen f 28 per jaar. Abonnemen-
ten kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van het kalenderjaar. ‘

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.
Alle coi:respondentij betiw/fende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven z.z, Schieda

m (Telefoon
69300, toestel 6).

Losse nummers 75 èents, resp. 12 B. francs.

Auteur