Ga direct naar de content

Jrg. 31, editie 1498

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 23 1946

INHOUD:

Blz.

<

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, corporatisme en geleide economie door
Prof. Dr. P. Hennipnian ..
51

‘y

De positie van de Nederlandsche havens in verband
met de vernietiging van het achterland door
Joh.
Brautigam

…………………………….
53

Geleide heropleving in Nederlandsch-lndië door TV.
Koster…………………………………
55

Het bedrijfsvergunningenbesluit in vredestijd door
F. TV. Botzen …………………………..
56

De taak van den econoom in het bedrijfsleven door 58
J. H: Lubbers ……………………………

B o e kb es
p
re ki
lig:

Mr. W. C. L. van dr Grinten, 1)e organisatie van
het bedrijfsleven, 1944, bespreking (II) door Mr.
TV.

F.

Lichtenauer

……………………….
59

Ingezonden stukken:

De

luchtvaart
e
en. onze

buitenlandsche

handels-
politiek door
E. Ilenny,
met naschrift van TV.
H.
TVicherlink ……………………………..

61

Mededeelingen vaii de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-holland te Rotterdam

. .
..
.
62

Ontvangen boeken en brochures

…………….62

Geld-

en

kapitaalmarkt……………………..62

St a t
i
s t
i
e k e
fl:

Bankstaten

…………………………….63

..-

—-‘:.

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

EconomischA_fStafistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FII4ANCIËN EN
VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

31E
JAARGANG

WOENSDAG 23 JANUARI 1946

No. 1498

COMMISSIE VAIV REDACTIE:

J. F. ten Doesschate;

N. J. Polak;

J. Tinbergen;. H. M. II. A. van der Valk; F. de Vries;

H. TV. Lambers (Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de TVit.

Abonnementspri,js van het blad, waarin tijdelijk is op ge-

nonzen hei Economisch-Statistisch Maandbericht, franco

p.p. in Nederland f
26 *
per jaar. Buitenland en koloniën

f
2S
per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk

nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het

kalenderjaar. Losse nummers
75
cent.

Donateurs en leden van het iVederlandsch Economisch

Instituut ontvangen het blad gratis en genieten een reductie

op de verdere publicaties.

Adreswijzigingen op te geven aan de administratie.

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten
aan de Firma H. A. Al. Roelants, Lange Haven
141,
Schie-

dam (Tel.
69300, toestel
6).

DEZER DAGEN

ontvingen wij ,,Business Conditions in Argentina”, Oc-
tober/November 1945; eenige mededeelingen daaruit
mogen wij den lezers niet onthouden. lIet herstel van nor-
male handelsbetrekkingen, in het bijzonder met de be-

vrijde landen in Europa, wordt met spanning tegemoet
gezien, doch vordert tot dusver langzaam. De brandstof-
situatie is zelfs slechter dan gedurende dan oorlog en er
is groot gebrek aan nieuwe ma.chinerieën, onderdeelen en
grondstoffen, in het bijzonder rubber. De invoer van pe-
troleum, rubber en onderdeelen voor rail- en wegvervoer,
laat veel te wenschen over. Hierdooi’ wordt het steeds
moeilijker graan naar de havens te vervoeren; reeds zijn
schepen zonder volle lading vertrokken. Verbetert dit niet,
dan zal er niets anders opzitten dan de huidige verspillings-
politiek om graan, waarvoor Europa een betere bestemming
weet, als brandstof te gebruiken …. Teruggei’ekend op
de calorische waarde van steenkool blijkt 1,2.pCt van,de
brandstof der Argentijnsche spoorwegen in 1944 door
,,oliezaadkoeken” en 0,4 pCt door maïs te zijn gleverd
Maar ei
,
is meer noodig. ,,het beetje maïs, dat overblijft,
zal noodig zijn als brandstof om de electrische centrales
gaande te houden”.

Ook kolen garandeeren echter geen bedrijvigheid. 1-Je t
blijkt in de Amerikaansche staalindusti’ie, waar door de
ingetreden staking van 800.000 arbeiders de vuren zullen
worden gedoofd. In zijn budgetboodschap van 21 Janu-
ari j.l. bepleit President Truman loonsverhoogingen, waar-
bij hij den nieuwen grootindustrieel Kaiser aan zijn zijde
vindt. Tegelijk vreest hij inflatie, daarbij ziende naar de
effectenbeurs, waar de Dow-Jones index van industrieele
aandeelen de 200 heeft overschreden, een recoi’cl sinds
de hausse van 1937.

Vui’ige kolen hoopt Generaal de Gaulle op de hoofden
zijner opponenten. De Generaal steekt het niet onder
stoelen of banken, dat hij het gestook der politici moe is.
Een zware slag voor den Franschen burger, die tch
reeds veel moet derven. De Fransche wijnproductie voor
1945 wordt geschat op 60 millioen gallon, tegen 130 noi’-
maal, terwijl uit Algerië slechts weinig is te verwachten.

Is de U.N.O. een steekspel of steekt ei’ meer in? Het zal
spoedig blijken in den Veiligheidsraad, die, mochten de
desbetreffende verlangens worden verwezenlijkt, wellicht
zijn neus zal moeten steken in de wespennesten van
Azerbeidsjan, Iran, Griekenland en Indonesië. Zooals uit

al deze voorbeelden blijkt, bedreigt op menig gebied de
politiek het herstel. Zou men den hoofdartikeischrijver
van ,,The Economist” onlangs ten onrechte zijn pessimisme
hebben verweten? hij heeft hierop zelf geantwoord, in een
Nieuvjaai’sartikel, met een sceptische en realistische
,,count of our blessings”. Welke zijn deze? 1) de dingen
konden veel erger zijn 2) de vrede zal, ondanks alle
fouten, genietbaarder zijn dan de oorlog; 3) ,,we ai’e not
dead yet”. Het houdt niet over, maar het is genoeg.

is

Fleer, tot voor kort directeur van bijkantoor eencr groote bank-
instelling, door omstandigheden vrij, zoekt

positie in bankwezen

handel of bedrijf, of regeeringsfunctie. Leeftijd 52 jaar. P.G. Br.
No. 357 bureau van dit blad, postbus 42, Schiedam.

GEMEENTEWERKEN ARNHEM

Voor het bureau Stadspian van de Gemeente Arnhem
wordt gevraagd:

Drs. Economie en/of

Geografie

met ervaring op het gebied van stedebouwkundige survey, voor het verrichten van de voorbereidende
werkzaamheden voor het herbouw en uitbreidingsplan.
Salarisgrenzen
f
4043—f 5135.
Brieven zoo spoedig mogelijk te zenden, uiterlijk
15 lebruari as. aan den Directeur van Gemeente-
werken te Arnhem.

Groot industrieel bedrijf, in het Westen des lands,
vraagt

Chef van de Administratie’

bij voorkeur lid van de N.I.V.A, of V.A.G.A. Brieven
met bijvoeging foto en uitvoerige inlichtingen o.a. be-
trellende praktijk, reïerenties, verlangd salaris en leeftijd onder no. 352 bur. ‘.’. d. blad, postbus 42.
Schiedam.

Bij het Ministerie van Handel en Nijverheid, afd.
Econ Onderzoek, kunnen direct worden geplaatst pas
afgestudeerde


Doctorandi-economie

voor goede krachten, goede. vooruitzichten. Sollicitan-
ten gelieven zich aan te melden Kamer 113, Ministerie
van Handel en Nijverheid, Bezuidenhoutscheweg 30,
‘s-Gravenhage, dagelijks tusschen 9-5 uur.

Het Economisch-Technologisch Instituut vbor Fries-
land i.o. vraagt:

Sociaal-econoom
Technoloog

(bij voorkeur Ingenieur),

liefst met eenige practische ervaring en belangstelling
voor economisch-technologisch research-werk.
Schriftelijke sollicitaties met uitvoerige inlichtingen
aan Gedeputeerde Staten van Friesland, te Leeuwarden.

R.
MEES
&
ZOONEN

Ao1720

Rotterdam.

s-Gravenhage

Delft,

Schiedam

Vlaardingen. Amsterdam (alleen assurantiën)

BEHANDELING VAN ALLE BANKZAKEN
BEZORGING VAN ALLE ASSURANTIËN

AMS
TERDAMSCHE

BANK N.V.

143 BIIKANTOREN EN ZITDAGEN
KAPITAAL t 55.510,.

RESERVES t 3500.0

EERSrE NEDERLANDSCHE

Verzekering Mij. op het Leven en tegen Invaliditeit N.V
Gevestigd te’s-Gravenhage

ADMINISTRATIEKANTOOR DORDRECHT

BELLEVUESIRAAT 2, TELEFQON 5346

Pers one eis- Pensioenverzekering
verschaft directe ilscale besparing

atschrijvIng van toe-
komstige lasten

blijvende

sociale

voldoening

Vra.gt U eens welgedocumenteerd advies aan ons
BPEAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN


Koninklijke
1

INederlandsche

Boekdrukkerij

H.A.M. Roekrnts

Schiedam

FLO
S S 0

STANDARD

ijÎSPefl
___________
AMERIKAANSCHE

culemborg
PETROLEUM
CIE.

amsterdam
rotterdam
GEBOUW PETRÔLEA

‘s-GRAVENHAGE

VAN
LK[ÊI[E

ROTTERD
AI

Voor hef vervolg van de rubriek ,,Vacatures” zie pag.’63.

23 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

51

PUBLIEKRECHTELIJKE

BEDRIJF SORGANISATIE, CORPORATISME

EN GELEIDE ECONOMIE.

1.

Wanneer men kennis neemt van de recente literatuur
over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, krijgt men
den indruk, dat er over de wenschelijkheid van het invoeren
van een dergelijk stelsel nauwelijks meer verschil van op-
vatting bestaat. Het heeft er allen schijn van, dat de
openbare mdening de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
thans beschouwt als de rijpe vrucht, zoowel van de ont-
wikkeling der feitelijke organisatorische verhoudingen, als
van den groei der denkbeelden over deze materie. De
auteurs, die zich met dit onderwerp bezig houden, stellen
zich ten minste nagenoeg allen op het standpunt, dat de noodzaak der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie een
uitgemaakte zaak is. Inderdaad is tijdens en na de bezet-
ting van eenigen principieelen tegenstand niet of nauwelijks
sprake geweest. Het is daarom begrijpelijk, dat men een
uitToerige verdediging niet meer noodig acht. Men geeft tenhoogste een summiere samenvatting van de bekendste
en voornaamste argumenten, om zich verder uitsluitend
1 te wijden aan de vragen, die bij de uitwerking en toepassing
van het beginsel der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
rijzen.

Ook de Regeering huldigt de zienswijze, dat de discussie
over het beginsel der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
als afgesloten kan worden beschouwd. In de Memorie van
Toelichting, behoorend bij het voorontwerp wet op de
bedrijfschappen, wordt, met betrekking tot de principieele
zijde van het vraagstuk, volstaan met het in enkele regels
weergeven van twee der gangbaarste argumenten ten
gunste van ht voorgestelde systeem en vervolgens opge-
merkt: ,,Overdeze grondmotieven voor publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie is reeds zooveel gezegd en geschreven,
dat zij (i.c. de ondergeteekenden) zich thans van verdere
principieele beschouwingen meenen te mogen onthouden”. De economist zal deze meening, ook al is hij de publiek-
rechtelijke bedrijfsorganisatie nog zoo gunstig gezind,
niet gemakkelijk kunnen onderschrijven. Wanneer hij de
literatuur raadpleegt, zal hij veeleer constateeren, dat een
fundmenteele theoretische behandeling slechts uiterst
zelden wordt gegeven. ,,Het meerendeel van de beschou-
vingen over het ordeningsvraagstuk komt aan een econo-
mische probleemstelling niet toe. Zij verdiepen zich voor-
namelijk in constructies van sociale en juridische tech-
niek”, aldus klaagde enkele jaren geleden terecht prof.
van Berkum ). Sindsdien is er in dit opzicht weinig ver-beterd. Hij, die den moed vindt de vele duizenden blad-
zijden boeken en brochures, prae-adviezen en rapporten,
pa.rlementsstukken en tijdschriftai’tikelen, – wetscommen-
taren en politieke manifesten, waarin het onderhavige
onderwerp wordt besproken, door te worstelen, zal slechts
nu en dan op een brokstuk theoretisch-economische rede-
neering van eenig belang stuiten. Men behoeft er geen geheim van te maken: voor den economist is verreweg
het meeste van wat over deze materie is geschreven mis-
troostig stemmende, vermoeiende lectuur. Hij wordt
bedolven onder meer of minder ingewikkelde en overzich-
telijke organisatorische constructies, schema’s van raden
en opperraden, groepen en organen, discussies over allerlei
vragen, betreffende de techniek van de organisatie en de
inrichting der geprojecteerde lichamen, maar vindt zelden
een aanknoopingspunt voor zijn eigen probleemstellingen.
Slechts sporadisch wordt zijn denkwijze gevolgd, zijn
begrippenapparaat toegepast. Ook waar men pretendeert
een theoretische en principieele analyse te geven, zijn de
arumenten, die men aanvoert, veelal niet van zuivert
economischen, doch veeleer van organisatorischen, admini-

,,De economische functie van de corporaties”, Maandschrift Economie 1940/1, bis. 106.

stratief-technischen, juridischen of sociaal-psychologi-
schen aard.

De economische inhoud pan het ordeningsoraagstuk. –

te economische behandeling van de verschillende
vormen van ordening knoopt noodzakelijk aan bij wat
steeds de kern der economische problematiek is: de ver-
deeling van de schaarsche middelen over de veelheid der
behoeften. In een eenigszins ontwikkelde samenleving
geschiedt de aanwending der goederen in maatschappelijk
verband, waarbij de leden der gemeenschap samenwerken.
Het economische proces wordt dan gedragen door de
handelingen van vele afzonderlijke subjecten. Wil hierin
de orde bestaan, die noodig is om met de beschikbare
middelen de grootst mogelijke bevrediging tot stand te
brengen, dan moeten deze afzonderlijke handelingen wor-
den gecoördineerd tot een sluitend geheel. Om dit te be-
reiken kunnen verschillende vormen van organisatie
worden toegepast, waarbij het onderscheidende kenmerk
is, in wiens handen de economische beslissingen (waarbij
de beslissingen over de aanwending der productiemiddelen
de belangrijkste zijn) liggen. De economische analyse’ van
deze onderscheiden ordeningsstelsels houdt steeds een
onderzoek in naar de vraag, krachtens welke richtsnoeren
daarbij over de economische goederen wordt beschikt, en
hoe de productie wordt aangepast aan de behoeften. Het
criterium van de doelmatigheid der verschillende organi-
satievormen is de mate, waarin men kan verwachten,
dat met de ter beschikking staande middelen een zoo groot
mogelijke behoeftenbevrediging zal worden tot stand
gebracht. Zooals iedere econoom weet, is een behandeling
van dit uiterst moeilijke probleem slechts mogelijk, wan-
neer men over enkele methodologische scrupules heen-
stapt, en is de economie niet in staat tot categorische uit-
spraken over de relatieve vei’diensten van de verschillende
stelsels te komen, te minder ook, omdat de voorkeur voor
het eene of het andere niet alleen, en dikwijls zelfs niet
primair, door economische overwegingen is bepaald. Toch
is een grondige economische analyse, mits men haar uit-
komsten met het noodige voorbehoud weet te gebruiken,
onontbeerlijk om zich een oordeel over de verdiensten en
gebreken der verschillende methoden van economische
Organisatie te vormen.
Het is onder de economen een communis opinio, dat
onder ieder economisch stelsel de oplossing van het eigen-lijke economische probleem slechts mogelijk is met behulp
van een stelsel van waardeeringen of prijzen, waarin de
relatieve dringendheid ‘der behoeften en de economische
beteekenis der onderscheiden goederen worden uitgedrukt.
De economische analyse van een bepaalden organisatie-
vorm van het economisch leven, is derhalve in hoofdzaak
te herleiden tot een behandeling van de vraag, hoe in een
dergelijk stelsel de prijzen tot stand komen en in hoeverre
deze prijzen bruikbaar zijn als richtsnoer voor het econo-
misch handelen, d.w.z. waarborgen, dat met de ter be-
schikking stâande middelen een optimaal resultaat wordt
verkregen.
In den regel onderscheidt men, ten aanzien van de
economische orde, twee extreme mogelijkheden, waarbij
resp. de economische beslissingen liggen in handen van de afzonderlijke economische subjecten (waartoe ook onder-
nemingen, vereenigingen e.d. te rekenen zijn) en in handen
van een centraal orgaan, waarbij men in den regel denkt
aan een orgaan voor de volkshuishouding, hoewel natuur-
lijk een centraal orgaan voor de wereldhuishouding eigen-
lijk consequenter zou zijn. Beide beginselen, welke ook in
tallooze gradaties gecombineerd kunnen worden, zijn door de theorie zeer uitvoerig en diepgaand onderzocht, waarbij
steeds, wanneer men hun prestaties op het stuk der be-
hoeftenbevrediging wil beoordeelen, de functie en de
werking van het prijsmechanisme in het middelpunt der
analyse staat. –
Hot’,is nu juist een dergelijk Onderzoek, dat men mist

52

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Januari 1946

in bijna alle geschriften, gewijd aan de publiekrechtelijke

.bedrijfsorganisatie. Floe verhoudt dit stelsel zich tot de
beide reeds genoemde, hoe komt hier een harmonisch geheel
tot stand, hoe functionneert onder de vigueur van dit
systeem het prijsmechanisme? Het is duidelijk, dat in het
licht van deze, werkelijk economische, probleemstelling
de gebruikelijke argumenten voor de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie, hoe belangrijk uit een ander geziehts-

punt ook, weinig ter zake doe:i.

lIet corporatisme.

De publiekrechtelij ke bedrijfsorganisatie onderscheidt zich van de beide genoemde stelsels, doordat daarbij een
meer of minder uitgebreide groep van economische be-
slissingen wordt gelegd in handen van organen, die een
zelstandig bestaan en een zelfstandige bevoegdheid heb-
ben naast de centrale Overheid en de afzonderlijke subjec-
ten. FIet vertoont een groote mate van verwantschap met
en is in vele gevallen zelfs te beschouwen als een bijzonde-
ren vorm van wat men
corporatisme
pleegt te noemen.
Dit corporatisme is in zuiveren vorm verwezenlijkt, voor-
zoover economische beslissingen (waartoe mede behoort een belangrijk deel van de beslissingen over aangelegen-
heden, die men ah ,,sociale” van ,,economische” pleegt
te onderscheiden) gelegd zijn in handen van
autonome

corporaties, waarin groepen van bedrijven of beroepen
zijn samengevat. Voor een globale, zuiver economische
bespreking maakt het weinig verschil, of in deze corpo-
raties slechts de ondernemers, dan wel ook de werknemers,
zijn vertegenwoordigd. Een bijzondere vorm van het
co”poratisme is het syndicalisme of gildesocialisme, waar-
bij de ondernemers geheel zijn uitgeschakeld ei’de zeggen-
schap uitsluitend berust bij de bedrijfsgewijs georganiseerde
arbeiders.
Hoewel de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waar-
van de invoering op heb oogenblik hier te lande wordt
voorbereid, op belangrijke punten van dit zuivere corpo-
ratisme verschilt, zijn anderzijds de punten van aanraking
voldolnde groot om een beknopte economische bespreking
van het corporatisme loonend te doen zijn voor hem, die
een inzicht wil verkrijgen in de beteekenis der publiekrech-

telijke bedrijfsorganisatie.
Ook bij het corporatisme is het economische kernpro-
bleem derhalve, krachtens welk ordenend beginsel de
productie wordt aangepast bij de behoeften. Hoe komen
hier de prijzen tot stand en in hoeverre zijn zij bruikbaar,
als een richtsnoer voor de doelmatige aanwending der
productiemiddelen? Wanneer men zich verdiept in de
literatuur over het corporalisme, zal men tot zijn verbazing
opmerken, dat de verdedigers ‘van dit stelsel zich slechts
uiterst zelden van dit probleem rekenschap hebben ge-
geven, en dus ook even zelden een poging hebben gedaan ,,die sachlichen Grundstitze herauszuarbeiten, nach denen
sich die pluralistische Marktpolitik der Selbstverwaltungs-
giuppen auf einen bestimmten, vernünftigen Gesamtplan
einscielen soil”
2).

Wanneer men zich tracht voor te stellen, hoe het cor-
poratisme functionneert, is het moeilijk om over de econo-
mische doelmatigheid niet een uiterst ongunstig oordeel
te vellen. Prijstheoretisch bezien is dit stelsel niets anders
dan wat in de literatuur bekend staat als
unierseel mono-

polie
3).
Op iedere markt zullen dus twee monopolisten
tegenover elkaar staan, hetgeen volgens de gangbare op-
vatting beteekent, dat de prijzen niet economisch gede,ter-mineerd zijn, maar in hooge mate bepaald door de machts-
positie der monopolisten. De resulteerende prijzen geven

‘)
F. BChm, Die Ordnung der Wirtschaft”, Stuttgart—Bérlijn
1937, bie. d. Eenzelfde klacht uit, behalve Böhm, ook
G.
Pirou
,,Ess8is sur le corporatisme”, Parijs, ei., blz. 127, die F. Perroux
met zijn boek ,,
Capitatisme
cl
communautéc de lravat”
als eenige uit-
zonclering noemt, liet boek van Perroux heb iK niet in handen
kunnen krijgen.. Een uitvoerige bespreking ervan geeft L. Gounias, ,Zvischen Kapitalismus und Sozialismus”, ,, Jahrbücher fOr Natio-
naÖkmornie”, 1940 1.
‘) Vgl. WI E. Schneider, ,,Reine Theorie monopolistischer Wirt-
schaftsformess”, Tübingen 1932, Ole. 83 e.v.
dus geen uitdi’ukkng aan de verhoudingen tusschen be-
hoef ten en productiemogelijkheden en zij zijn mitsdien
volkomen ongeschikt om te dienen als richtsnoer voor een
productie, gericht op het tot stand brengen van een op Ii-
male welvaart. Het corporatisme mist als economisch

stelsel dus iedere rationaliteit; het kan zelfs nauwelijks als een stelsel worden beschouwd. ,,If capitalism is economie
anai’chy without chaos then this system of genuine
Corporativism is economie anarchy with chaos at its
worst
4
).

Deze conclusie blijft van toepassing voor het geval,
dat de corporaties er van afzien elk vooi’ zich op de markt
het grootst mogelijke voordeel te verwerven. Er bestaat
ook dan geen waarborg, dat prijzen tot stand komen, die
als richtsnoer van het handelen bruikbaar zijn; de prijzen
zullen ook hier het pioduct van allerlei toevallige factoren
zijn. Bovendien zijn aan dit stelsel de sociale nadeelen,
aan monopolies verbonden door het vermogen der mono-
polisten zoowel de consumenten als de bezitters der pro-
ductiefactoren ,,uit te buiten”, in hooge mate eigen. Het
corporatisme heeft dus alle gevaren en bezwaren, welke
men aan het monopolie pleegt toe te schrijven, evenwel
tot in het duizendvoudige vergroot, doordat hier iedere
monopolist niet mcci’ werkt in een overwegend doos’ de
mededinging beheerscht milieu, maar in ,,a world of mo-nopolies” (Joan Robinson).
Zeker is ook in de vrije verkeershuishouding het
prijzenstelsel allerminst een onfeilbaar kompas voor de
op optimale welvaart gerichte productie. In sterke mate
is dit een gevolg van het feit, dat ook daar een monopo-
listische beïnvloeding van de prijsvorming bestaat. Van vele zijden wordt daarom in een bestrijding van de m6-
nopolies en de uitoefening van monopolistische macht,
dus in een versterking en zuivering van de mededinging,
het doelmatigste middel gezien om de werking van het
prijsmechanisme te verbeteren. Deze middelen getuigen
zeker, hoe men overigens over hun uitvoerbaarheid en
doeltreffendheid moge oordeelen, van een dieper inzicht
dan aanwezig is bij hen, diehet corporatisme als middel
tegen de gebrekèn der vrije prijsvorming aanprijzen,
en daarmee een homoeopathische geneeswijze willen
toepassen, die de kwalen, welke men wenscht te ge-
nezen, slechts kan vergrooten.
De normale gevaren der monopolievorming worden
bij het corporatisme iiog versterkt, doordat de mono-
polies wettelijk beschermd zijn. Wanneer men, zooals
bijv. Schumpeter, de bescherming, welke het bezit ,eener
min of meer monopolistische positie verschaft, ziet als
een voorwaarde vooi’ het toepassen van nieuwe vin-
dingen door de ondernemers, en dus als een voorwaarde
voor den economischen ‘ooruitgang
5),
wordt daarbij
de aanwezigheid van reëele en potentieële mededinging
in tal van vormen uitdrukkelijk voorondersteld. De
mogelijkheid van nieuwe vestigingen bijv. houdt den
monopolist steeds onder een zekeren druk. Bij een zuiver
corporatief systeem is ook de vestiging van nieuwe on-
dernemingen slechts mogelijk bij gratie van de bestaande.
Men stelt aldus een premie op de verstarring, de eco-
nomische onderschatting wordt tot beginsel verheven.
De vroegere gilden, bolwerken van monopolisme, behoud-
zucht en nepotisme, kunnen hier nog steeds als afschrik-
wekkend voorbeeld dienen.
Dikwijls gebruikt men den term ,,ordening” ter aan-
duiding zoowel van een corporatief systeem als van een
door de Overheid geleide economie. Dit spraakgebruik
is hoogst verwarrend.
1

Jet behoeft nauwelijks betoog, dat het corporatisme
in zijn zuiveren vorm volkomen onvereenigbaar is met

4)
V. Röpkc, ,,Crises and Cycles”, Londen ene., 1936, bie. 12.
16 denzeifden geest:,Die Gesellschaflskrisis der Gegenwart”, Enen-
bach-Zünich 1942, bie. 153. Vgl. over de prijsvorming bij het corpora-
tisnie voorts Pirou,„Essais sur ie corporatisme”, bie. 126 cv.
‘) J. Schumpeter, ,,Capitalism, Sociaiism and Democracy”, Lon-den 1943, hoofdstuk VIII.

-J

23 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

53

een werkelijk geleide economie; zij is daarvan het vol-
strekte tegendeel
6).
Zelfs wanneer hetgeen nauwelijks
te verwachten is – de corporaties zich volkomen vrij-
maken van groepsbelangen en er oprecht naar streven
het algemeen belang te dienen, dan nog kunnen zij, van
den eigen beperkten gezichtskring uit, niet bevorderen,
wat vereischt wordt in het kader van het algemeene
plan. Ook is het weinig verhelderend, het corporatisme
te kenschetsen als een tusschenvorm van de beide andere
stelsels, en zeker is het geen mengorm of synthese van
beide, daar, voorzoover de corporaties beslissen, zoovel
de afzonderlijke subjecten als dê centrale leiding zijn
uitgeschakeld. Men kan dus niet zeggen, dat het corpo-
ratisme beide andere beginselen in zich vereenigt.

Uit de voorgaande uiteenzettingen blijkt ook, dat
de veel gebruikte vergelijking van het economisch cor-

poratisme met d
territoriale
decentralisatie misleidend
is. Men ziet hierbij het zeer fundamenteele feit over het
hoofd, dat er in economicis, naast een groote mate van
ovreenstemming tusschen de belangen der verschillende
subjecten en groepen in één opzicht noodzakelijk, een
belangentegenstelling tusschen het individu of de groep
eerierzijds en de gemeenschap anderzijds bestaat. Ieder
subject en iedere groep heeft er belang bij, dat de goe-
deren, welke zij irt’ruil hebben aan te bieden, zoo schaarsch
mogelijk zijn (bij een zoo groot mogelij ken overvloed der
overige goederen); wanneer zij daartoe de macht hebben,
zullen zij daarom het aanbod beperken ten detrimente
van de gemeenschap in haar geheel. Dit feit is te bekend
om er langer hij stil te staan
7);
het is evenwel een uiterst belangrijk argument tegen de toekenning van autonomie
aan corporaties van bedrijven of beroepen. Zij, die dit
laatste stelsel voorstaan, plegen vol medelijden neer te
zien op het naieve ha.rmoniegeloof der vroegere liberalen.
Bij het vrije economische handelen der afzonderlijke
subjecten behoeft evenwel geen vrees te bestaan voor
opzettelijke vergrooting van de schaarschte, zoolang er
slechts een toestand van volledige mededinging bestaat.
Alleen indien er een monopolistisch element aanwezig
is, wordt een restrictiepolitiek ititvoerbaar.- Deze mo-
gelijkheid wordt nu door het corporatisme opzettelijk
in het leven geroepen. Om te gelooven in een harmonie
van de belangen der georga.nieerde groepen en het al-
gemeen belang is stellig een heel wat stoutere verbeel-
dingskracht noodig dan de liberale harmonieleer ooit
van haar aanhangers heeft gevrgd.

Het corporatisme. wordt door zijn aanhangers meestal
gekroond met een ethisch aureool. Het zou uit moreel, of zelfs godsdienstig oogpunt torenhoog verheven zijn
boven de andere stelsels, die men dan pleegt te ken-
schetsen als eenerzijds een individualisme, waarbij het
ongebreideld egoïsme door afzonderlijke subjecten vrij
spel heeft, en anderzijds een staatsalmacht met een
onderdrukking van de menschelij ke persoonlijkheid.
Waarom de heerschappij van het groepsegoïsme, dat
dikwijls zooveel sterker en ongeremder is dan het mdi-
vidueele eigenbëlang, en de onderscheiding van het
subject onder de groep, waartoe het behoort, superieur
zijn aan de overige stelsels, wordt meestal niet duidelijk
gemaakt. Bij nader toezien blijkt al spoedig, dat het
corporatisme niet slechts ondoelmatig is, doch tevens
anti-sociaal, dus onzedelijk, ,,weil er Monopolismus,
Gruppen inarchie, Interessentenherrschaf t, Korruption,
Staatsverfail und Privilegienwirtschaft bedeuten würde”
8).

Over de beteekenis van dit alles voor de publiekrechte-
lijke bedrijfsorganisatie in een volgend artikel.
P. HENNIPMAN.

‘) VgI. F. A. Hayek, The Road to Serfdom”, Popular Edition’
Londen 1945, blz. 30.
‘) VgI. hierover o.a Ph. II. Wichsteed, ,,The Common Sense o’,•
Political Lconomy”, ed. Robbins, Londen 1935, olz. 351 e.v,; B. Wootton, ,,Plan or no Plan”, Londen 1934, hlz. 160 cv.; L.
Robbins, ,,Economic Planning and International Order”, Londen 1917, blz. 145 cv.
8)
W. RÖgke, ,,Civitas humana”, Erlenbach-Zürich 1944, blz. 96.

DE POSITIE VAN. DE NEDERLANDSCHE

HAVENS IN VERBAND MET DE

VERNIETIGING VAN HET ACHTERLAND
1).

De vernietiging van Duitschland, gepaard met het
voornemen om de ontplooiing van dat land als indust’ie-
staat tot het vooroorlogsche peil te verhinderen, moet op
het goederenvervoer over zee van en naar Duitschland
een zeer nadeeligen invked uitoefenen.
Het verkeer in dé Nederlandsche havens, waai’over
Duitschland rond een vijfde deel van zijn totalen export voerde, zal daar sterk onder lijden. Het kan daarom van
belang worden geacht na te gaan, hoe de ontwikkeling van
de Nederlandsche havens is geweest en welke rol de
goederenbeweging van en naar Duitschland daarbij heeft
gespeeld, nu moet worden aangenomen, dat in langen tijd
het hoogtepunt van de jaren vlak voor den oorlog niet
meer zal woi’den bereikt.

De ontwikkeling oan het haoenee,’kee, in IVest-Europa.
De groote ontwikkeling der havens van West-Europa

is begonnen na 1880. Daartoe hebben bijgedragen: de stoom
als voortstuwingskracht van het schip; de snelle ontwikke-
ling van Noord- en Zuid-Amerika; het graven van het
Suezkanaal en de opkomst van de industrie in West-
Europa. –
Daarvan hebben de meeste havens in binnen- en buiten-
land geprofiteerd. De groote continentale havens gelegen
aan de Noordzee – tot wie de beschouwingen in dit
artikel zich beperken – deelden vrijwel gelijk in de ont-
wikkeling van het vervoer.
Hoe de ontwikkeling in deze laatste havens in de halve
eeuw, die aan den tweeden wereldoorlog vooraf ging, was,
geeft het volgende staatje over het aantal binnengeloopen
schepen en hun tonnages eenigermate aan:

1886
Aantal

tonnage’)

toa’)

Hamburg
……..
6.913

3.791.992

550
Antwerpen

3.963

3.400.945

860
Rotterdam

3.763

2.202.752

590
1913
Hamburg
……..
15.192

.

13.650.000

900
Antwerpen

7.111

12.480.000

1.760
Rotterdam

10.020

12.870.000

.

1.280
1929

Aan deze cijfers mag geen grootere waarde worden toe-
gekend, dan de indruk, die zij vestigen van den groei
van het scheepvaartverkeer. Een beeld van het goederen-vervoer geven zij niet. Ten aanzien hiervan moet voor de
jaren van de vorige èeuw worden volstaan met. een opgave
van het goederenverkeer langs den Rijn, dat in 1890 en 1900 respectievelijk bedroeg 5,6 en 13 millioen ton. tie
totale aanvoer van goederen te Rotterdam bedroeg in
dezelfde jaren 4,5 en 10,5 millioen ton.
Voor de drie voornaamste havens, waarvan reeds cijfers
over het scheepvaartverkeer werden gegeven, kan als
vergelijking worden gemeld, dat in 1913, dus vlak voor
den eersten wereldoorlog, de goederenbeweging was:

Aanvoer’)

Uitvoer’)

Totaal ‘)

Hamburg
……..
16.548.410

8.909.500

25.457.910

Antwerpen ……..
.10.210.454

8.661.480

18.371.934

Rotterdam ……..22.061.026

7.358.456

29.419.482

48.819.890

24.929.436

73.749.326

Hierbij moet worden opgemerkt, dat 1913 het ,,boom

1)
Voorzoover niet anders aangegeven, is het cijrermateriaal
amengesteld uit publicaties van ,, tn- Uit- en Doorvoer” en ge-
evens, samengesteld door de Gemeente Rotterdam.
‘) Bruto Registertonnen.


‘) In tonnen valS 1.OuU kg.

Hamburg

……..
18.175
21.965.410
1.210
Antwerpen ……..
11.589
20.676.337
1.790
Rotterdam……..
12.739
21.544.793
1.690
1938
Hamburg

……..
18.595
20.833.176
.

1.120
Antwerpen
……..
11.769
19.798.658
1.680
Rotterdam
……..
15.360
24.721 .S42
1.610

54

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Januari 1946

year” in de scheepvaart was. In Juli 1914 kon reeds worden
vastgesteld, dat, ook indien de oorlog niet zou zijn uit-

gebroken, het scheepvaartverkeer belangrijk bij 1913
zou zijn achtergebleven.
De oorlog, met als gevolg de blokkade van Duitschland
en den beperkten invoer naâr de neutrale havens, bracht in
dejaren 1914-1918 een grooten teruggangvan het verkeer.
Maar ook na dien oorlog was het nog lang ontwricht.
Vooral in die havens, die op yerkeer met Duitschland waren aangewezen. In 1920 heeft Hamburg nog geen
derde van de cijfers van 1913; Rotterdam iets meer dan de helft en Antwerpen, wat de schepen betreft het cijfer
van 1913, maar van de tonnage driekwart van dat jaar,
bereikt. Eerst in 1924 worden, ten aanzien van de tonnage,
de cijfers van 19.13 in alle drie de havens overschreden,
hoewel het aantal binnengeloopen schepen in Hamburg
nog met een kwart en in Rotterdam met een tiende bij
1913 ten achter lijft.
Na 1925 tot 1929 is er een merkbare vooruitgang,
waarbij d3 cijfers van de goederenbeweging van 1913
zeei’ belangrijk worden overschreden.
Hoe intens de goederenstroom over de voornaamste
havens in die jaren was, geeft het volgende staatje te aan-
schouwen, waarin nu ook het vervoer over Amsterdam,
Bremen en Emden is opgenomen.

in tonnen
Aanvoer
1927
1928
1929
Rotterdam

……
23.796.421
20.701.568 22.947.928
Hamburg

……..
16.652.485
17.374.099
18.083.792
Antwerpen
10.840.714
10.653.331
12.558.293
Amsterdam

…….
3.987.732 3.832.229
4.229.575
Bremen

……….
3.945.470
3.900.004
4.033.647
Emden

……….
– –
2.536 665

58.622.822
56.461.231
64.389.900

Uitvoer
1927
1928
1929
Rotterdam
15.189.430
13.370.456 13.545.634
Hamburg

…….,
8.125.940
9.077.519
8.892.362
Antwerpen
13.095.529 13.828.604
‘13.653.269
Amsterdam
1.717.427 2.018.069
2.163.646
Bremen

……….
1.535.387 1.886.299
2.261.792
Emden

……….


1
.410.903

39.723.713
40.180.947
41.927.606

Aan- en uitvoer
1927
1928
1929
Rotterdam

……
38.985.851
.
34.072.024
36.493.562
Hamburg

……..
24.778.425 26.451.618
26.976.154
Antwerpen

……
23.936.243 24.481.935
26.211.562
Amsterdam
5.165.159
5.850.298
6.393.221
Bremen

……….
5.480.857 5.786.303 6.295.439
Emden
– –
3 947.568
98.346.535
96.642.178
106.317.506

1929 is het tweedetopjaari
In 1930 begint de crisis zich te doen gelden. In alle
vorengenoemde havens loopt het goederen- en scheepvaart-
verkeer terug. Voor de gcederen is het voor allen tezamen
met 8 pCt. Voor Rtterdh is het ruim 9 pCt.
In 1932 wotdt het dieptepunt bereikt. Het goederen-
verkeer is dan in de zes havens tezamen verminderd met. 38 pCt. in vergelijking tot dat van 1929. Rotterdam mist
42 pCt.
Het is een wereldverschijnsel. Alom woedt de crisis.
De daling van het goederentransport liep van 1929 tot 1932
door het Suezkanaal terug met 35 pCt. en in het Panama-
kanaal met 43 pCt. Op de groote Amerikaansche meren
moet in die jaren de dali sg zelfs 67 pCt zijn geweest.
Na 1932 treedt een langzaam herstel in. Voor M zes
havens, waarvoor hier in het bijzonder aandacht werd
gevraagd, is de totaal som aan in- en uitgevoerde goederen
in de jaren na 1932 als volgt.

1932
71 millioen ton
1933
76
4934
80
1935
91
1936
102
1937
120
1938
117

De opgaande lijn van na 1935 is niet enkel aan het
herstel van het economisch leven te danken. Bij een

selectie der vervoerde goederen – welke wordt nagelaten,
omdat het te ver buiten den opzet van dit artikel treedt –
is duidelijk de voorbreiding tot oorlog en de bewapening
van Duitschland te onderscheiden.
Hiermede is een schets gegeven van de ontwikkeling
van het havenverkeer der havens, die Nederland, België,
Vest- en Midden-Duitschiand, benevens ten deele Zwitser-
land en Tsjecho-Slowakije, als hun achterland kunnen
beschouwen.

De positie der Nederlandsche .hauens sedert
1927.

Thans volgt een overzicht van de positie der Neder-
landsche havens van het jaar 1927 af, het tijdstip, waarop
het herstel na den vorigen weÏeldoorlog was ingetreden.
liet goederenverkeer over de Nederlandsche havens,
geschetst in een splitsing in drieën, nl. Rotterdam, Amster-
dam en overige Nederlandsche havens, is in dien tijd als
volgt:
in tonnen raar

Rotterdam

Amsterdam Overige havens Totaal,
1927

38.985.851

5.165.159

9.221.267

53.372.277
1928

34.072.024

5.850.298

9.350.177

49.272.499
1929

36.493.562

6.393.221

9.602.558

52.489.333
1930

35.098.260

6.378.000

7.217.226

48.693.486
1931

28.890.898,

5.958.938

6.574.097

41.423.933
1932

21.303.249

5.053.386

5.1 38.305

31.494.940
1933

23.115.435

4.989.757

6.455.361

34.560.553
1934

27.324.249

5.331.060

6.846.213

39.501.492
1935

28.195.786

6.935.902

6.871.004

40.003.592
1936

33.223.802

5.000.786

7.293.762

45.518.330
1937

42.352.612

5.859.462

8.025.591

56.237.665
1938

42.370.940

5.654.955

7.888.683

55.914.578
Ware deze enorme goederenstroom, die van en naar zee door de Nederlandsche havens haar weg vindt, uitsluitend of in hoofdzaak in- en uitvoer van het eigen land geweest,
dan zou er thans geen bezorgdheid over de toekomst van deze havens behoeven te bestaan.
Het is niet het geval. Bijna tweederde deel der ver-
scheepte en aangevoerde goederen waren van buitenland-
schen oorsprong of voor het buitenland bestemd. Het is
thans de zwakke plek van de Nederlandsche havens, die
bijna allen, doch de één veel meer dan de ander, op het
verkeer met het buitenland waren aangewezen. liet sterkst
geldt dit voor Rotterdam, dat drie kwart van den totalen
in- en uitvoer over zijn haven als doorvoer kon rekenen.
Het kan niet anders. De ontwikkeling van Rotterdam
tot de eerste continentale haven van Europa was te danken
aan het ontstaan van de geweldige agglomeratie van in-
dustrieën in het Ruhrgebid met een bevolking, bijna even groot als de geheele .Nederlandsche, welke bevolking, en
haar industrieën voor haar verbindingen over zee was
aangewezen op den Rijn en zijn haven aan den mond:
Rotterdam. Zooals de Ruhr op Rotterdam,was Rotterdam
op detT Ruhr aangewezen.
Uit de overzichten van het verkeer blijkt intusschen
duidelijk, dat het Nederlandsche havenapparaat, in het
bijzonder het Rotterdamsche, veel te groot is voor de
behoeften van het eigen land. Waarbij het begrip ,,haven-
apparaat” niet uitsluitend mag worden beperkt tot de
aangelegde havens met hun kunstwerken en outillage van
Overheid en particulieren. Het omvat evenzeer alle be-drijven en inrichtingen, zoomede allen, die direct of in-
direct hun bestaan in of door de haven vinden, waarbij
dan nog te rekenen valt het omvangrijke scheepvaart-
bedrijf op de rivier voor het transport der goederen van en naar Duitschland.
De moeilijkheden, waarin de Nederlandsche havens en
speciaal Rotterdam tengevolge van de vernietiging van het
agglomeraat in de Ruhr zijn komen te verkeeren, zijn
dermate ernstig, dat bezinning op de middelen, die tot
vermindering dezer moeilijkheden kunnen leiden, geboden
is. Het euvel is bovendien van een dusdanigen omvang,
dat kleine uitwegen, als het zoeken van diepere verbindin-
gen in het achterland, nauwelijks aan een oplossing kunnen
medewerken. Ook hierbij is het goed de realiteit in het oog te houden. Zwitserland en Tsj echo -Slowakij e kunnen het
vervoer met Duitschland, speciaal de Ruhr, niet vervangen,

23 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

55

hoe dankbaar Nederland ook moet zijn, dat deze landen
thans het oog op de Nederlandsche havens richten. Waarbij

echter te bedenken valt, dat over alle sympathiën en anti-
pathiën heen, tenslotte de zakelijkheid het wint en ook
Tsjecho-Slowakije toch weer meer en meer zal denken aan
de haven, die ligt aan de monding van de rivier, die uit
het eigen land naar zee stroomt: Hamburg.
Ten aanzien van de Nederlandsche havens is het daarom
van het grootste belang te weten, wat er gebeurt met
West-Duitschland; wat er gebeurt met het Ruhrgebied
en de streek, die daar ten westen van den Rijn aan grenst.
Vergrooting van Nederlandsch gebied, met uitdrijving
van de inheemsche bevolking, komt de Nederlandsche havens nauwelijks ten goede, omdat met de bevolking
van Nederland, Xerspreid over het vergroote gebied, de
consumptieve en productieve krachten van ons land slechts
in bescheiden mate zijn te verhoogen, terwijl, voorzoover
in het vergroote gebied veel landbouwgrond ligt en dus
een vergrooting van Iandbouwvoortbrengselen met zich

brengt, dit eer tot verdere afname dan vermeerdering
van het havenverkeer zal leiden. *
Brengt het toekomstig vredesverdrag met Duitschland de bepaling, dat de industrie in de Ruhr en in het gebied,
dat er aan grenst, gqeddeels moet worden geslecht, dan
kan het Nederland – ons land in zijn geheel – en de
Nederlandsche havens helpen, indien een deel van de
zware industrie naar Nederland wordt verplaatst. Het kan
dan zelfs een belang zijn, hetwelk zich tot over de grenzen
van Nederland doet gevoelen, dat Nederland voor een
belangrijk deel de vroegere verzorgingstaak van het West-
Duitsche gebied overneemt. Toch zal dan herstel van het
Duitsche mijnwezen en een verdere exploitatie van de Duit-
sche mijnen in vooroorlogschen omvang, noodzakelijk zijn,
omdat de kolen voor de industrie alsnog onontbeerlijk zijn.
Wel moge worden opgemerkt, dat Nederland niet in staat is de mijnwerkersbevolking te leveren, terwijl het zeer de
vraag is, of, bij een belangrijke vestiging van zware in-
dustrie hier te lande, Nederland over voldoende arbeids-
kracht voor deze industrie zelve, zoomede over hen, die
voor de extra-verzorging van deze arbeidskracht noodig
zijn, beschikt. –
Tenslotte moge er nog aan worden hoinnerd, hoewel
het eenigszins buiten den opzet van dit artikel valt, dat
Duitschland (Ruhrgebied) niet alleen een zeer omvangrijken
doorvoer van goederen over de Nederlandsche havens
onderhield, maar dat het ook op een grooten uitvoer naar
Nederland kon bogen.
Er werd reeds op gewezen, dat de doorvoer van Duitsch-
land over Nederland rond een vijfde van den totalen
Duitschen export bedroeg. Volgens den heer Erich Schmitz,
aan wiens geschrift ,,Die Bedeutung der Niederlande als Durchfuhrland für die deutsche Ausî.uhr” dit gegeven is
ontleend, bedroeg de doorvoer over en invoer naar Neder-

land in:

1927

1921

1929

1930

44 pCt.

41,3 pCI.

39,2 pcL

41,5 pCt.

van den totalen goederenexport van Duitschland.
Hoe het daarmede zal gaan, als de industrie in de Ruhi’
zich niet herstelt en ook Nederland geen voldoende zware
industrie kan onderhouden, laat zich onderstellen, als al-
leen maar gedacht wordt aan den Nederlandschen scheeps-
bouw, eigenlijk ook een zeer belangrijk deel van het
havenappai’aat, die bijna al het te verwerken materiaal
bij voorkeur uit de Ruhr betrok. Het was kort bij, met vlot
vervoer, goedkoop van transport. Indien het in de toe-
komst van overzee, Engeland en Amerika, moet worden gehaald, dan zal reeds enkel om de verhoogde transport-
kosten zoowel de Nederlandsche scheepsbouw als iedere
industrie hier te lande, die vOor halffabrikaten op het
buitenland is aangewezen, een leelijke pijp te rooken krijgen.

Conclusie.

De conclusie kan geen andere zijo, dan dat de Neder-

landsche havens —eigenlijk geheel Nederland – belang heb-
ben bij het herstel van het mijnwezen en de industrie in
West-Duitschiand, in het gebied van Ruhr en Rijn. .Naar
de mate, dat dit herstel vordert, zullen ook de Nederland-
sche havens weer aan belang winnen. Het troostelooze
in deze beschouwing’der feiten is, dat het zelfs dan lang
duren zal, voordat de arbeid in de havens weer, zal zijn
gekomen tot een omvang als in de topjaren 1913, 1929,
1938. Na den eersten wereldoorlog duurde het zes jaren, voordat de cijfers van den goederenstroom die van 1913
weer evenaarden. Toen leek het lang. Dit keer valt op
zoo’n kort tijdsbestek van herstel niet te rekenen.
Komt het tot herstel van het West-Duitsche mijn- en
industriegebied, dan zal het zaak zijn, dat Nederland
scherp toeziet en zich doet gelden bij de vraag naar den
status, waarin dit Duitsche gebied zal komen te verkeeren.
Want, teneinde te voorkomen, dat dit gebied dan niet
van zijn natuurlijken weg naar zee wordt afgeleid, is het
wenschelijk, dat het niet in bezit komt of onder sterke
contrCJe wordt gebracht van landen, die eveneens van dat
gebied een uitweg naar de Atlantic hebben.

10H. JIRAUTT,&AM.

GELEIDE HEROPLEVING IN

NEDERLANDSCH-INDIË.

rçeiwijl in de overwinnaarslanden thans meei en meer

wordt overgegaan tot vrij making van het economisch
leven van de banden, die daaraan waren aangelegd, om de economische inspanning op één doel – de spoedige neder-
laag van den vijand – gericht te houden; vindt op dit
moment in deze gewesten het tegendeel plaats. De econo-
mische chaos in den Indischen Archipel, verwekt door den
op roof uit zijnden Japanner, vereischt, zooals wij in een
vorig artikel schreven, sa,menbinding van alle krachten om de economische ‘activiteit weer op gang te brengen:
Flier veikeei’t de patiënt in een zoodanigen toestand van
bewusteloosheid, dat kunstmalige ademhaling moet worden
toegepast: Dan volgt de periode van reconvalescentie en
vervolgens zal moeten worden bezien, of het slachtoffer
reeds weer direct over alle ledematn zal kunnen beschik-
ken, of dat één of meer daarvan voorloopig nog zullen
moeten worden geschraagd om mettertijd weer behoorlijk
te kunnen functionneeren.
In het militaire geroezèmoes van het dagelijksche leven,
zooals dat hier kan worden waargenomen, is het niet op-
vallend, wat ei’ in geïmproviseerde kantoi’en met primitievé
middelen wordt georganiseerd en tot stand gebracht.
Toch is hetgeen daar gebeurt van essentieel belang, niet
alleen voor de rehabilitatie van het economisch ,Ieven, maar evenzeer voor da rehabilitatie van het inividii,dat
wee!’ wordt ingeschakeld in het normale functionneeien van
het maatschappelijke leven.
Het probleem, waarvooi’ men zich gesteld ziet, kan aldus
worden samengevat, dat in de door de geallieerden be-
heerschte gebieden, waar betrekkelijke veiligheid en groeien-
de zekerheid bestaan, een ongekende, nood aan eertijd
e,-
importeerde goederen en levensmiddelen, bestaat. Deze
nood moet worden gelenigd, terwijl die gebieden nog slechts
een schamel begin kunnen maken met het beschikbaar
stellen van voor den export geschikte producten. 1

let
gebrek aan transportmiddelen werktuigen en huipstoffen
en -materialen, welke den distribueerenden en den verza-
melenden handel mogelijk zouden moeten maken, wordt
allerwege scherp gevoeld. Distributie van geïmporteei’d
goed kan – na een periode van ,,relief” – slechts plaats
hebben op basis van den ruil, met tusschenschakeling
van een gangbaar en zooveel mogelijk waardevast ruil-
middel, tegen exportproduct. In verder verwijderd verband
kan dat alleen de financiering mogelijk maken, terwijl de
waarde van den totalen export die vn den totalen import
zal moeten overschrijden om betaling van diedsten en

56

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Januari 1C46
andere passieve betalingsbalansposten op den duur moge-
lijk te maken. Van dit punt is men nog ver verwijderd.

Waar geopend gebied wordtgeschapen en waar hetwordt
uitgebreid, kan van ondernemingscultuur nog vrijwel geen sprake zijn. Daarvoor is een intensieve pacificatie conditio
sine qua non. Het exportproduct zal voorshands du be-
volkingsproduct zijn. De bevolking levert echter eerst dan
product, zoodra redelijke zekerheid kan worden verkregen,
dat voorde opbrengst in geld zoodanige goederen in zoo-
danige hoeveelheden kunnen worden verkregen, dat hun
moeite wordt beloond. Deze toestand begint zich in deelen
van de Buitengewesten te ontvikkelén,
Op
Java, waai ook
nog geen waardevast ruilmiddel bestaat, is het begin nog
niet te onderkennen.

Het is duidelijk, dat, om het exportapparaat en heL
importapparaat aan deze bijzondere omstandigheden,
welke hiervoren zeer ruw werden geschetst, aan te passen,
bijzondere maatregelen noodig zijn. Flier worden risico’s
geloopen,hier worden financieringseischen gesteld, waaraan
geen vroegere vennootschap of firma op het gebied van
den handel het hoofd kan bieden. Zij verkeeren zelf in nood. Kantoren, pakhuizen, archieven zijn vernield of
beschadigd; fabrieken en werkplaatsen evenzeer. Alles
behoeft vernieuwing. Voorts zijn velen van de vroegere
werkkrachten niet meer beschikbaar.

De oplossing, welke voor den import en export is ge-
kozen, is die van een alles overkoepelende gouvernements-
organisatie. Voor den export van rubber, den opkoop
van dit product, het weder in gang zetten, waar mogelijk,
van de ondernemingscultuur, het aanbrengen van produc-

tiemiddelen en hulpmaterialen, is een afzonderlijke over-
heidsorganisatie gevormd, het Nederlandsch-Indisch Rub-
berfonds. Dit lichaam verzorgt dus het belangrijkste
exportproduct. Hoewel er gelegenheid zal zijn hierop nader
terug te komen, is het in dit verband interessant te rele-

veeren, dat van de totale exportwaarde van alle goederen
in 1941, rubber rond 55 pCt. vertegenwoordigde. Daarvan was wederom ruim de helft bevolkingsproduct. Reeds met
deze feiten in de gedachten, gepaard met de zeer bijzondere
ontwikkeling ten aanzien van de rubberconsumptie en de
fabricage van substituten van synthetischen oorsprong, is het gerechtvaardigd vooi dit overwegend belangrijke
exportproduct een bijzonderen vorm te kiezen.
Alle overige export en voorts de gelaeele import, vallen
onder de directieven van de Nederlandsch-lndische Gou-
vernements Import
eli
Export Organisatie (Nigieo). lIet
merkwaardige hiervan is, dat zij niet bestaat, althans niet in formeelen zin. Zij moet nog worden geconstitueerd en
zij moet nog rechtspersoonlijkheid verkrijgen. Thans werkt
zij krachtens de autoriteit van de Regeering, in het bij-
zonder krachtens het gezag van den Directeur van Econo-
mische Zaken. Zij verbindt derhalve voorshands de Re-
geering in alle overeenkomsten, welke zij aangaat. Reden
tot deze ongevormdheid was de tweeledige overweging,
dat de Indische Regeering, zetelende in Australië, in wijs
beraad zich wenschte te overtuigen van de werkelijkheid
van den toestand in deze gewesten en de meening over deze
zaken wenschte te leeren kennen van die leiders van het
Indische bedrijfsleven, die na de bevrijding zouden worden
aangetroffen. De tweede overweging was, dat niet bekend was, op welke wijze en in welke mate door de inheemsche
bevolking aan bedoelde Organisatie zou kunnen worden
medegewerkt en welke plaats de verschillende bevolkings-
groepen in het bestuur en het beleid van deze organisatie
zouden moeten innemen. Een meening over de eerste over-
weging kan reeds worden gevormd; het bewijs hiervan ligt
besloten in het feit, dat de voorloopige Raad van Bestuur
van de Nigieo geheel bestaat uit leiders van het voor-
oorlogsche import- en exportbedrijf. Over de tweede over-
weging valt thans nog moeilijk een oordeel te geven; dat zal moeten afhangen van de oplossing, welke op politiek
gebied wordt verkregen. Bij het aanvangen van de werk-
zaamheden kan daarop echter niet worden gewacht.

in een volgende bijdrage zullen de eerste stappen van
de Nigieo nader worden beschouwd, terwijl de consequenties
van deze activiteit voor de toekomstige economische ont-
wikkeling van Nederlandsch-Indië dan wellicht duidelijker
kunnen w’orden gezien.
Batavia, 4 Januari 1946.

W. KOSTER.

HET BEDRIJFSVERGUNNINGENBESLUIF

IN VREDESTIJD.

Reeds eenige malen werd in dit blad
1)
aan vei’schillende
schrijveis gelegenheid gegeven doeleinden, werkings-
sfeer en toekomst van het Bedrijfsvergunningenbesluit
1941 •nader uiteen te zetten, waarbij echter uit den aard
der zaak voornamelijk op doeleinden en werkingssfeer
de nadruk werd gelegd. Dit valt gemakkelijk te begrijpen. Immers, het was ten tijde van het schrijven der geciteerde
artikelen nog niet wel mogelijk zich een oordeel te vormen
over den toekomstign economischen toestand, terwijl,
voorzoover dit wel mogelijk was, de bezettingsautoriteiten
elke uiting ten aanzien van dezen toestand aan banden
legden.

Daarom komt het ons nuttig voor, om ons thans te
bezinnen op dien economischen toestand en op de rol,
die het Bedrijfsvergunningenbesluit 1941 bij den weder-
opbouw en omschakeling van het bedrijfsleven op vredes-
economie zal kunnen spelen.

Voor de motieven, die het Besluit deden geboren worden,
de middelen, die ter bereiking van de na te streven doel-
einden werden aangewend en de interpretatie van de
diverse bepalingen, zij ter bekorting verwezen naar de
hieiboven reeds vermelde artikelen.

Wel is het van belang er nogmaals op te wijzen, dat het
Besluit zijn voorlooper vond in de Bedrijfsvergunningen-
wet 1938. Het cardinale verschilpunt tusschen VlTet en
Besluit was hierin gelegen, dat in de Bedrijfsvergunningen-
wet de Overheid een passieve rol vervulde en slechts tot
sluiting van een
bepaalden
bedrijfstak overging als de betrokken fabrikanten een daartoe dienend verzoek hij
den minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart
ndienden en deze minister sluiting wenschelijk oordeelde.
Vestiging of uitbreiding in dien met name genoemden
bedrijfstak was dan nog slechts met speciale vergunning
van genoemden minister toegestaan.
Het Besluit daarentegen is van toepassing op
alle
ndttstrieele bedrijven en op die handelsbedrijven, die geen kleinhandelsbedi ijven zijn.
De behandeling der aanvragen uit hoofde van het
Besluit ligt tot op heden in handen van die Rijksbureaux,
die belast zijn met de zorg voor het artikel, dat men
wenscht te gaan produceeren, resp. te gaan verhandelen. Tijdens den oorlog was de toepassing van het Besluit,
afgezien van moeilijkheden van principieelen en inter-pretatieven aard, betrekkelijk eenvoudig. Immers, door de voortdurend toenemende schaarschte aan grond- en
huipstoffen, aan machines en aan arbeidskrachten,werden
op het gebied van de industrie slechts die aanvragen toe-
gewezen, waarvan het belang voor het Nederlandsche
economische leven evident was, terwijl tevens vergun-
ningen werden verleend voor vestiging en uitbreiding
van bedrijven, die werkten voor Duitsche behoefte, welke
‘aatste vergunningen in den regel slechts een formeele
bekrachtiging waren van een onvermijdelijken toestand.
Op het gebied van den handel is een en ander nog
duidalijker. Immers, de handel vervult t.o.v. de in-
dustrie een vrij passieve rol. Afgezien van den, tijdens
de voorafgegane periode, uiteraard zeer schaarschen
mport en van de tweede1andsch artikelen, kunnen de

Zie mijn arUkel. Een jaar Bedrijfsvergunningenbesluit”
van 15 Juli 1942 en ,,De toepassing van het Bedrijfs-
vergunningenbesluit 1941′ van C. A. Cannegieter in ,,E.-S.B.”
van t Maart 1944. –

23 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

57

handelaren slechts die artikelen verhandelen, die de
industrie, in ruimen zin genomen, voortbrengt. Het is
duidelijk, dat het handelsapparaat tijdens-de bezettings-jaren een groote overcapaciteit vertoonde.
Het gevolg was dan ook, dat slechts in zeer weinige
gevallen vergunning voor vestiging va’n een handelsbe-

drijf, resp. voor het in een bestaand handelsbedrijf gaan
verhandelen van andere artikelen, werd verleend. Het heeft
ons steeds weer verwonderd, dat, waar bovenstaande fac-
toren tch algemeene bekendheid genoten, nog zooveel
verzoeken, op het gebied van den handel liggende, werden
ingediend. Weliswaar waren een groot antaI van deze
aanvragen op de toekomst gericht, doch, gezien de vol-
slagen onbekendheid met de details van het economisch
leven na den oorlog, kwamen ook deze aanvragen niet
voor inwilliging in aanmerking.
Was de toepassing van het Besluit onder de tijdens de
bezetting vigeerende omstandigheden dus betrekkelijk
eenvoudig, ongetwijfeld is dit thans anders, nu de oorlog
voorbij is en het opbouwwerk een aanvang neemt.
V66r den oorlog was de situatie in verschillende bedrijfs-
takken hier te lande aldus, dat van een aanzienlijke over-

capaciteit kon worden gesproken. Aan dit feit had de
Bedrijfsvergunningenwt haar ontstaan, te danken.
Tijdens den oorlog hebben groote verschuivingen in
ons industrieele apparaat plaatsgevonden. Eenerzijds zijn
verschillende bedrijven op grond van rationalisatie-
maatregelen gesloten, terwijl de overblijvende fabrieken
hun machinepark sterk iagen verouderen en verminderen
door Duitsche requisities, zonder de mogelijkheid te
hebben dit op peil te houden. Ook heeft zich de structuur
van verschillende bedrijven sterk gewijzigd, als gevolg
van de moeilijkheden met de voorziening van arbeids-
krachten, de noodzakelijkheid grcnd ;toffen van andere,
veelal slechtere, kwaliteit te verwerken, de omschakeling
van het productieprogramma op goederen, die voor de
Duitsche oorlagvoering onontbeerlijk waren, enz.
Anderzijds zijn er ondernemingen opgericht, waarvan de
vestiging noodzakelijk bleek, doch die in normale tijden
hier te lande zeer vermoedelijk niet zouden rendeeren.
Te denken valt aan de bedrijven, welke surrogaatgrond-
stoffen en surrogaateindproducten voortbrengen, die
niet in de bestaande fabrieken kunnen worden voort-
gebracht, alsmede de onder Duitsche protectie opgerichte
ondernemingen.

Het is derhalve niet te veel gézegd, dat er op het oogen-
blik hier te lande op industrieel gebied een chaos bestaat.
Het zal één der eerste taken der Regeering moeten zijn
in deren chaos eenige orde te scheppen, wil men niet
op korten termijn voor dezelfde moeilijkheden komen te
staan als waarmede wij den oorlog ingingen.

De vraag doet zich dan ook voor, welke taak thans
voor het Bedrijfsvergunningenbesluit is weggelegd.
Hierbij moet worden onderscheiden de tijd, onmiddellijk
na het staken der vijandelijkheden, en de tijd, waarin de
wederopbouw met kracht ter hand kan worden genomen.
Gezien het ondernemende karakter der- Nederlanders, viel het te voorzien, dat op korten termijn de autoriteiten zouden worden overstroomd met verzoeken om een ver-

gunning, uit hoofde van het een of andere vestigings-
besluit. Dit is dan ook inderdaad bewaarheid geworden.
Het is duidelijk, dat het juist thans zaak is de vestigings-
besluiten, waaronder het Bedrïjfsvergunningenbesluit,
met de grootste behoedzaamheid te hanteeren, wil men niet
een situatie scheppen, waaruit het zeer moeilijk zal zijn
terug te keeren.

Het zal onder de thans vigeerende omstandigheden de
taak van de Regeering moeten zijn, te streven naar een even-
wichtig industrieel apparaat, waarbij men er eventueel
niet voor zal mogen terugschrikken om bedrijven, die
niet in het kadér van zulk een apparaat passen, te sluiten.
Dit zal geen gemakkelijke taak zijn en kan slechts ge-
schieden cip basis van een plan voor industrieelen weder-

opbouw. Dat ons land over het intellectueele en nlaterieele
apparaat beschikt om zulk een plan op te stellen is zeker.
Dit zal een werk van jaren zijn en het plan zal telkens

moeten worden herzien in het licht der zich wijzigende
omstandigheden.

Gezien het bovenstaande, zal de techniek van toe-
passing van het Besluit een ingrijpende wijziging dienen
te ondergaan. Werden tijdens den oorlog bij de toe-
passing enkele algemeene richtlijnen tot grondslag ge-
nomen, het zal thans noodzakelijk blijken het Besluit
als één der instrumenten te zien, waarmede de op-
bouw wordt bewerkstelligd, hetgeen uiteraard met zich
brengt, dat de richtlijnen ook een sterker gediffe-
rentieerd karakter zullen verkrijgen, liet is zelfs de

vraag, of het gewenscht is, gezien het bovenstaande, de
uitvoering van het Besluit in handen te laten van de
rijksbureaux, die toch elk slechts een sector van het eco-
nomisch leven bestrijken, terwijl het karakter van deze
bureaux, als typische oorlogs- en crisisinstellingen, hiertoe
ook minder geschikt lijkt. Te denken valt aan een centraal
orgaan, dat, in nauw contact met de instanties, die de
plannen voor den weden5pbouw uitwerken, de aanvragen
beoordeelt en er eventueel een beslissing over neemt.

Tot slot dient de vraag te worden besproken, of de
juridische opzet van het Besluit wel ongewijzigd gehand-
haafd kan blijven. Naar het ons voorkomt, is dat niet
hdt geval, tenminste voorzoover het betreft de bepalingen
van het Besluit, die betrekking hebben op handelsbedrijven.
Eén van de typische en o.i. minder fraaie aspecten van
het Bedrijfsvergunningenbesluit is, dat het de scheidings-
ijn tusschen bedrijven, welke wel, en bedrijven, welke niet
onder het Besluit ressorteeren, bij industrieele bedrijven

anders trekt dan bij handelsbedrijven. Bij industrieele
bedrijven toch ligt het criterium bij den
omgang
van het
bedrijf. Hierdoor wordt bepaald, of het bedrijf een in-
dustrieel dan wel een ambachtskarakter draagt. Bij
handelsbedrijven daarentegen ligt het criterium bij den
aard der werkzaamheden,
bepaald door de uiteindelijke
afnemers van het desbetreffende handelsbedrijf. De om-
vang van het handelsbedrijf speelt geen enkele rol. lIet
gevolg van een en ander is, dat de aanvragen om ver-
gunning voor indust-ieele vestiging, enz., te allen tijde
bedrijven betreffen, die een zekeren omvang hebben en
dus van importantie zijn. Immers, de aanvragen van
kleine bedrijven zullen onmiddellijk worden afgeschoven
naar de instanties, die met de behandeling van dergelijke
aanvragen zijn belast. Daarentegen behooren aanvragen
van handelsbedrijven, die naar den aard der werkzaam-
heden een groothandeiskarakter bezitten, al zijn zij nog
zoo klein, te worden behandeld door de rijksbureaux.
Het gevolg is, dat velé aanvragen voor vestiging, enz.,
van handelsbedrijven, die door laatstgenoemde instan-
ties in behandeling moeten worden genomen, een typisci
regionaal of zelfs plaatselijk karakter bezitten. Het is
te begrijpen, dat het voor een regeeringsbureau zeer
lastig is om uit te maken, of vestiging van een kleinen
groothandel ergens in een provincieplaatsje economi-
sche nadeelen met zich brengt. Bij de beoordeeling
van de aanvrage zal dan in den regel zeer sterk reke-
ning worden gehouden met de adviezen der instanties,
die met de plaatselijke, resp. regionale toestanden beter op de hoogte zijn, i.c. Kamers van Koophandel en vak-
groepen.

Teneinde de met de beoordeeling en eventueele ver-
leening der vergunning belaste regeeringsintanties over-
belasting, welke is ontstaan door de lawine van aan-
vragen, betrekking hebbende op de hiervoor genoemde
dwergbedrijfjes, te besparen, zou het wellicht• aanbeve-
ling verdienen de op handelsbedrijven van toepassing
zijnde bepalingen van het Besluit een wijziging te doen
ondergaan, resp. in een afzonderlijke regeling onder
te brengen. Ons zweeft een regeling voor den geest, waar-
bij handelsbedrijven, die, gezien den aard hunner werk-

58

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Januari 1946

zaamheden als groothandelsbedrijven zijn aan te mer-
ken, doch die een gering kapitaal hebben (bijv. minder
dan f15.000 f 20.000), voor vestigingsaangelegenheden
zich dienen te wenden tot de Kamer van Koophandel en Fabrieken in het ressort, waarin zij hun werkzaamheden
denken aan, te vangen. Gezien het reeds hiervoor gememo-reerde plaatselijke of regionale karakter van dergelijke be-
drijven, komt een dergelijke regeling ons veel juister voor
dan de tot nu toe bestaande. Immers, de bovengenoemde
Kamers van Koophandel zijn uiteraard veel beter op de
hoogte van de in hun ressort bestaande toestanden, dan
een centraal regeeringsorgaan. Een door een Kamer van
Koophandel, resp. door het Ministerie van Flandel en Nij-
verheid verleende vergunning zou dan ook slechis dienen
te gelden voor het door deze Kamer bestreken ressort,
zoodat wordt voorkomen, dat een handelsbedrijf, dat
bijv. te Groningen, op grond van zeer speciale plaatselijke
omstandigheden, voor een vergunning in aanmerking
komt, na het verkrijgen der vergunning zijn werkzaam-heden verplaatst, bijv. naar Den Haag; wear de omstan-

digheden mogelijkerwijze geheel anders liggen. Een der-
gelijke verplaatsing is onder de huidige regeling zonder

meer moge1ijk
Boven voorgestelde procedure komt dus practisch
geheel overeen met de procedure, welke geldt voor aan-
vragen uit hoofde van het Besluit Algemeen Vestigings-

verbod Kleinbedrijf 1941.
Handelsbedrijven, een groothandelskarakter bezi ttend,
waarvan het kapitaal een bepaalde limiet te boven gaat
(bijv. meer dan f 15.000 â f 20.000),zullen hun typisch regio-
naal karakter wel verloren hebben en hun activiteit meer
op he.t geheele land richten. Voor dergelijke bedrijven zou dan de huidige, procedure kunnen blijven bestaan,
totdat ook voor den hanlelssector van het economisch
leven een centraal ordeningsorga,an in het leven is ge-roepen. Uiteraard blijven er ook dan nog verschillende
moeilijkheden bestaan, bijv. indien het opereerende kapi-
taal van een met vergunning van bijv. een Kamer van
Koophandel opgericht groothandelsbedrijf boven de hier-voor genoemde limiet stijgt; het zal een kwestie van inter-
– pretatie van de bepalingen van het Besluit, alsmede vait
samenwerking tusschen de regeeringsinstanties en de orga-
nen van het georganiseerde bedrijfsleven zijn, ôf en op
welke wijze deze moeilijkheden zullen ‘worden opgelost. Tevens ware het.wellicht gewenscht, evenals zulks het
geval is bij de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937, bij de
beodrdeeling der aanvragen meer rekening te houden mei
objectieve factoren, zooals handelskennis, credietwaar-
digheïd en vakbekwaamheid. liet behoefte-element wordt
o.i. thans nog (tenminste voorzoover het handelsbedrijven

betreft) te sterk gehanteerd.
1-let is duidelijk, dat de in Juni 1941 buiten werking

getreden Bedrijfsvergunningenwet 1938 in herleefden vorm niet zou kunnen dienen om bij den industrieelen wederopbouw van ons land een rol te spelen. Immers,
bij deze wet bleef, zooals hiervoor reeds werd uiteengezet,
de Regeering volkomen passief en wachtte tot’ er van de
zijde der fabrikanten een verzoek om ordenende maat-
regelen .werd ingediend. Het is evident, dat zulk een pro-
cedure niet kan worden gevolgd, indienmoet worden
uitgegaan van een algemeen plan Voor den wederopbouw.
Onze conclusie kan deze zijn, dat het Bedrijfsvergun-
ningenbésluit, mits op de hierboven aangegeven wijze
gewijzigd èn toegepast, ook thans zijn bestaansrecht

zal kunnen bewijzen. Drs. F. W. BOTZEN.

DE TAAK VAN DEN ECONOOM IN HET

BEDRIJFSLEVEN.

Theorie en practijk.

De economische wetenschap heeft, ondanks haar in
vergelijking met andere wetenschappen nog betrekkelijk

korte bestaan, reeds een veelbewogen levensloop achter de’ rug. Of deze levensloop ook een carrière geweest is,
laten wij hier.in
het midden; het is in ieder geval een
feit, dat de economie thans, na de ervaringen van twee
wereldoorlogen en de daaropvolgende perioden van weder-
opbouw, in het• middelpunt, der belangstelling staat.
En terecht, want er is practisch geen enkel maatschappe-
lijk probleem, of het bezit
in
belangrijke mate econo-
mische aspecten.’ Reeds een oppervlakkig overzicht van
de gebeurtenissen van de laatste 30 jaren stelt de grote
betekenis van de economische problematiek duidelijk
in het licht.

De ontwikkeling van de economische wetenschap wet-
tigt o.i. de stelling, dat deze wetenschap hoe langer hoe
meer naar de practijk is toegegroeid. De klassieken bouw-
den een begrippenapparaat op,. gebaseerd op bepaalde
veronderstellingen omtrent de werkelijkheid; zij begin-
gen, zoals von Wieser opmerkt, de fout, dat zij bij hun
abstracties bleven staan. In de tweede helft van de vorige
eeuw werd de economie nieuw leven ingeblazen. De
Historische School verzandde in een teveel aan descriptieve
detailat-beid, welke onvoldoende bleek voor een verklaring
der economische verschijnselen. Betere resultaten bereikte
de Oostent’ijksche School, die met haar methode van
afnemende abstractie de eaonomiche werkelijkheid theo-
retisch trac)itte te benaderen. Het zijn echter vooral twee factoren geweest, ,die de
economische wetenschap in een zeer nauw contact met
de practische problemen van onze samenleving hebben
gebracht: in de eerste plaats de ontwikkeling van de
conjunctuurtheorie, die de dynamiek van het economisch
gebeuren in haar greep trachtte te vatten en daarbij
het inzicht in de samenhang der verschillende factoren

ten zeerste heeft verdiept; in de tweede plaats het be-
schikbaar komen van hoe langer hoe meer en hoe beter
statistisch materiaal. Combineert men het boVenvermelde feit, dat de eco-
nomische problemen in de huidige samenleving van emi-nente betekenis zijn, met de zo juist geschetste ontwikke-
lingsgang van de economie, dan wordt het begrijpelijk,
dat de econoom maatschappelijk de thans voor hem
bestaande belangstelling ten volle verdient.
Waar ligt zijn werkterrein en wat is zijn taak?

Een Amerikaanse visie op dit pi’obleem.
Interessant zijn in dit’ opzicht enkele beschouwingen
in het Amerikaanse tijdschrift ,,Sales Management” van

1 November 1945
1
). Schrijver merkt op, at de econo-
mische w’etenschap zich in de Vereenigde Staten voor 1932
practisch geheel in de academische sfeer bewoog. Roosevelt
haalde echter met zijn grootscheepse economische pro-
gramma den econoom ‘uit deze ,,academische duisternis”
en plaatste hem voor het voetlicht der actualiteit. Tijdens
de tweede wereldoorlog, die de noodzaak meebracht de
krachtsinspanning der Vereiigde Staten tot het uiterste
op te voeren, onderging de taak van den econoom een
veidere geweldige uitbreiding. Thans, zegt schrijver, en wij
denken hierbij onwillekeurig aan Nederland, is de situatie
zoo, dat op de markt voor economisch geschoolde krach-
ten de Overheid als verrewcden grootsten vrager optreedt.
Toorzoover de economen in het bedrijfsleven werkzaam

zijn, houden zij zich voornamelijk bezig met markt-
analytische onderzoekingen.
Waarom wordt den econoom, ook binnen het kader
der afzonderlijke ondernemingen, niet een breder werk-
terrein toegemeten? Gedeeltelijk is hier een zekere onder-
schatting van de zijde der ondernemers in het spel, ‘doch

anderzijds zijn de beoefenaren der economie hiervan zelf
de schuld. In de eefste plaats heeft hun opleiding hen ge-
leerd steeds de samenhang der economische verschijn-
selen in het oog te houden, waardoor zij licht geneigd

‘)
t.a.p. hlz. 177: T. A. Livingston, ,.1’ive ways the econornist can
serve top management
in
business”.

77,

29 Januari 1916

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

59

zijn de handelswijze der afzonderlijke ondernemers, die
zich slechts door de belangen van hun eigen onderneming
laten leiden, critisch te beoordelen. In de tweede plaats
is het vak-jargon van de .conomen nu niet bepaald ge-
schikt om hen bij de ondernemers populair te maken;
zij spreken van ,,sociaal product”, ,,substitutie-elastici-
teit” en ,,monetaire overinvestatie” en verwachten,
dat men direct de bedoeling hiervan begrijpt. In de derde
plaats wordt de econoom gehandicapt door een speciaal
kenmerk van zijn wetenschap: hij kan zijn conclusies
niet proefondervindelijk bewijzen
2).
De ondernemer

ziet de conclusie van den econoom als een subjectief
oordeel en laat zijn eigen opinie praevaleren.
Echter, zegt schrijver, de ingewikkeldheid van het eco-
nomisch leven is bezig den ondernemer te overweldigen.
De crisis van 1929 deed hem kennis maken met krachten,
die hij niet kon beheersen. Ook kan hij in vele gevallen
de draagwijdte van de steeds omvangrijker overheids-
interventie in het economisch leven niet meer overzien.
M. a. w., hij kan cle hulp van den econoom niet meer
ontberen. Schrijver ziet thans de taak van den econoom
in het bedrijfsleven als volgt:
Studie van de kalakteristieke trekken der onder-
neniing (,,basic market research”); analyse van fluc-
tuaties in productie en afzet, enz. Conjunctuuranalyse ten bate van de onderneming;
dit is bijv. van fundamenteel belang in de huidige ,,recon-
versiedepressie”.
Het vaststellen van een inkoop-, productie- en afzet-
programma, gebaseerd op de genoemde conjunctuur-
analyse.


Analyse van de betekenis van de economische
politiek van de Overheid voor de onderneming.
Het samenstellen van rapporten van diverse aard
en voor verschillendé gelegenheden.
Het uitvoeren van bedrijfsvergelijkende studies:
hoe gaat het de onderneming in vergelijking met andere? Hoe contractie te bestrijden en hoe expansie te benutten?
Hier komt, hoewel schrijver het niet uitdrukkelijk noemt,
de grote betekenis van het kostprijsvraagstuk naar voren.
Bij dit alles dient de econoom zich ervan bewust te
zijn, dat hij zijn conclusies met bewijzen moet kunnen
staven en dat hij zich slechts door een bezonnen oordeel
zijn plaats’waardig kan betonen. Hij mag, hoeveel st’rijd
dit wellicht soms ook kost, zijn objectiviteit niet ver-
liezen.
Vele ondernemingen staan nog wantrouwend tegen-over de beoefenaren van de economische wetenschap,
op veel scepticisme moet nog worden overwonnen, doch
schrijver verwacht, dat de grootste vrager op de markt
voor economen, i.c. de Overheid, binnen afzienbare tijd
een geduchte concurrentie van het bedrijfsleven zal on-
dervinden.

Conclusie.

hoewel bovenvermlde uiteenzettingen, die in wezen
een marktanalyse vormen, een analyse nl. van de ,,markt
voos economisch geschoolde krachten”, op de Verenigde
Staten betrekking
hebben,
zijn ze toch ook voor Nederland
niet van belang ontbloot. De oorlog heeft onze volks-
huishouding gevoelige klappçn toegediend; de verwoestin-
gen zijn omvangrijk, ons productie-apparaat heeft ern-
stig geleden en de kapitaalverliezen zijn enorm. Herstel
berust thans in de eerste plaats op arbeid, en ook de
econoom dient hiertoe het zijne bij te. dragen. Veel

zal

van hem worden geëist, en om aan deze eisen te kunnen
voldoen, dient men zich eerst te bpzinnen op de moge-
lijkheden, die zijn scholing hem verschaft, en op de taak,
die hem wacht, in de hoop, dat de gemeenschap, Over-
heid zowel als bedrijfslevèn, hiervan zullen weten te pro-
fiteren.
J. H. LUBBERS.

Zie in dit verband Ir. K. P. Kalis, ..De economie als weten-
schap.”, in ,,E.-S.B.” van 15 November 1945.

BOEKBESPREKING.

Mr. W. C: L. van der Grinten. De organisatie pan het be-
drijfsleoen.
(Alphen aan tien Rijd 1944, N. Samsom
N.V., 231 blz.).

II’).

Positie oan den Secrezaris-Ceneraal
2)
lege noç’er de bedrijfs-
organisaties.

Mr. Van der Grinten stelt op blz. 17, dat de Secretaris-
Generaal in de wettelijke structuur van de bedrijfsorga.ni-

satie niet de bevoegdheid heeft inlichtingen te vragen
of aanwijzingen te geven. Terstond rijst de vraag, of de
Secretaris-Generaal deze bevoegdheden dan niet kan ont- –
leenen aan verordening 23/1940. De schrijver ontkent

zulks op blz. 75 en 121/2: ,,Hiervooi’ is vei’eischt een
verordening van den Rijkscommissaris of een besluit van den Secretaris-Generaal, krachtens verordening 23/1940,
welke verordening hem wetgevende macht op het terrein
van zijn departement geeft. Een niet op verordening of
besluit steunende

opdracht kan de bedrijfsorganisatie
naast zich neerleggen”. Ik vraag, waar zulks in verordening
23/1940 staat te lezen. In Par. 1 daarvan wordt bepaald:
,,De Secreta.rissen-GeneTaal van de Nederlandsche Depar-
tementen van Algeme Bestuur zijn gemachtigd…. om
rechtsvoorschriften uit te vaardigen,
ate»-ede
(ik cursiveer)
om aan de aan hen ondei’geschikte of onder hun toezicht
staande autoriteiten, colleges, ambtenaren, diensten, be-drijven en inrichtingen van openbaren of niet openbaren
aard en de daarbij betrokken personen aanwijzingen te
geven”. Mij dunkt, dat de wetgevende macht van de Secre-
tarissen-Genei’aal hier duidelijk wordt onderscheiden van hun feitelijke bevoegdheid om aanwijzingen te geven aan
hun ondergeschikte of onder hun toezicht staande colleges.
Dat de hedrijfsorganisaties daartoe in feite behooren, acht
ik onmiskenbaar.

Erkend moet worden, dat een argumentum.a contrario
kan worden geput uit artikel 10 Orga.nisa.tiebesluit Voed-
selvoorziening, dat schrijvei’ op blz. 192 citeert en volgens hetwelk een voedselvoorzieningsorganisatie, wanneer door
of vanwege den. Secretaris-Generaal van het fiepartement
van Landbouw en Vissherij genomen maatregelen dan
wel verordeningen vgn een boven haar gestelde organi-
satie het vorderen. Men kan echter even goed redeneeren,
dat deze bepaling naast verordening 23/1940 overbodig is.
Het niet aanvaarden van het aanwijzingsrecht van den
Secretaris-Generaal is mijns inziens in strijd met den ge-
heelen opzet van de regeling in het Basisbesluit en de
daarop berustende uitvoeringsbesluiten.
I-Iiei’in ligt geen waai’deeringsoordeel mijnerzijds.
Uit hoofde van dezelfde overwegingen moet een vraag

teeken worden geplaatst bij het betoog van den schrijver
op blz, 81, dat de Secretaris-Generaal niet de bevoegdheid
zou hebben de Rijksbureaux te machtigen tot het geven
van aanwijzingen aan de bedrijfsorganisaties. Het argu-
ment, dat de R.ijksbureaux geen wetgevende bevoegdheid, hebben, vervalt, wanneer men aanneemt, dat het recht om
aanwijzingen te geven – krachtens verordening 23/1940 –
staat naast de wetgevende bevoegdheid van den Secretaris-
Generaal. Over blijft slechts de vraag, of de Seci-etaris-
Generaal een bevoegdheid van dezen aard aan een andere
instantie kan delegeeren. Beantwoording daarvan ligt
buiten het kader van deze bespreking.
Het spreekt in dit verband vanzelf, dat de schrijver
ook zijn stem verheft tegen het nieuwe instituut van
,,aanwijzingen, gegeven in opdracht van den Secretaris-
Generaal”, hetwelk in artikel 17 van het III U.B. is ge-
bracht bij besluit van 27 September 1943, Nederlandsche
St

tatscourant van dien datum, no. 187 (blz. 121/2).

1)
[Jet
eerste gedeelte van deze boekbespreking is opgenomen
in Economisch-Statistische Berichten” van 16 Januari 1946.
3)
Als niet anders is aangegeven, is steeds bedoeld de Secretaris-
Generaal van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheep-
vaart.

60

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Januari’ 1946

Tenslotte moge nog in het voorbijgaan worden gewezen
op een probleem, dat zich voordoet, wanneer men, anders
dan de schrijver dqet, aanneemt, dat de Secretaris-Gene-raal de bedrijfsorganisatie – krachtens besluit 23/1940
aanwijzingen kan geven. En wel deze: waar ligt de grens
van deze bevoegdheid? Kan hij den organisaties bijv. de
aanwijzing geven een bepaalde verordening te maken?
Ligt de grens misschien daar, waar
wetteijjk
geregelde
bevoegdheden van anderen beginnen, bijv; het recht om

verordeningen te maken naar eigen inzicht, behoudens
toezicht van het hoogere gezag?

Samenwerking van bedrijfsorganisaties.

Opmerkelijk is de conclusie van Mr. Van der Grinten op
bla. 20, dat de bestaande regeling zich er niet tegen ver-
zet, dat bedrijfsorganisaties samenwerkeh, doch dat de
samenwerkende organisaties geen lichaam of organen
kunnen creëeren, aan wie een andere dan adviseereiide
bevoegdheid kan worden gegeven. Naar buiten moet
iedere bedrijfsorganisatie naar zijn inzicht voor zichzelf
optreden. Dit wil niet zeggen, dat de schrijver een andere
regeling in abstracto afwijst. ,,Ongetwijfeld”, aldus Mr.
Van der Grinten, ,,verdient het ernstige overweging aan
de bedrijfsorganisaties onder zekere contrôle de macht te
geven haar bevoegdheden op een bepaald gebied over te
dragn aan een gemeenschappelijke commissie of aan een
door de samenwerkende organisaties gecreëerd lichaam”.
De Organisatie voor de Voedselvoorziening heeft het in dit
opzicht, oogenschijnlijk gemakkelijker door de mogelijk-
heid van instelling van vakoi’ganisaties, gelijk er een op
20 Juli 1944 is ingesteld voor Gedistilleerde Dranken
3).

(Hiermede is de mededeeling van Mr. Van de’ Grinten op
blz. 154, dat nog geen vakorganisaties zijn gevormd, achter-
haald). Intusschen doet, zich toch nog de vraag voor, of

de bedrijfsorganisaties niet reeds thans hetzelfde zouden
kunnen bereiken, indien een door haar gevormde commissie
of een dergelijk lichaam, als E.B.O. erkend, ktachtens
artikel in ‘an het Basisbesluit van den Secretaris-Ge-
neraal verordenende bevoegdheid zou verkrijgen
4
).Slechts

zouden zulke lichamen op het gebied der voedselvoor-
ziening volgens de bekende gezamenlijke richtlijnen, welke
de Directeur-Generaal van de Voedselvoorziening en de
Voorzitter van den Raad voor het Bedrijsleven op 16
December 1942 hebben vasgesteld
5),
zich in feite nimmer
kunnen bewegen op het gebied der marktordening, waar-
door de verticale organisatie inderdaad de facto een voor-
sprong behoudt, welke in de practijk zeer belangrijk is,
doch in beginsel is mijns inziens de aangewezen gedragslijn
door de horizontale ôrganisaties desgewenscht te volgen.
De schrijver kan zulks echter niet aannemen op grond
van zijn meening, dat slechts de groepen en de afdeelingen
en niet de erkende bedrijfsorganisaties openbare lichamen
zijn. Ik zie niet in, waarom deze opvatting, in lijnrechten
strijd met den tekst van artikel la van het Bsisbesluit,
moet worden gehuldigd (vgl. het hierboven onder het
hoofd , rechtspersoonlijkheid” opgemerkte).

Voorwaarden v’oor het lidmaatschap. –

Op blz. 46/7 neemt Mr. Van der Grinten stelling tegen
het door de Organisatie-Commissie aanvaarde denkbeeld
6),

dat de bedrijfsorganisaties bij verordening voorwaarden
zouden kunnen verbinden aan het lidmaatschap, een

,Nederlanclsche Staatscourant” van 20
Juli
1944, no. 140; zie
ook ,,Economische Voorlichting” van 28
Juli
1944,
hlz.
765.
‘) De practijk kent trouwens rgeds ,,besluilcn”, zij het dan nog
niet ,,verordeningen”, van E.B.O.’s, waarin bedrijfsorganisaties
samenwerken.
Zon
bepaalt artikel 6 van de statuten van cenco
bouw (gepubliceerd in Economische Voorlichting” van 26
No•
vember 1943, blz 949), dat deze
E.B.O.,
zij het slechts met alge
nseene stemmen, bésluiten kan nemen. Alen kan dan inlussche
nog stellen, dat de stemmende instanties elk voor zich optredenell

nooit tegen haar zin kunnen worden gebonden. Dit
zou
eerst anders
worden, als een volgend maal besluitvorming bij meerderheid
werd erkend. Vie weet wat komt.
‘) Gepubliceerd in ,,Economische Voorlichting” van 18 Decem-
ber 1942, no. 51, blz. 1515; zie
Rupp
t.a.p. bIe. 215.
0)
Zie
Rupp,
tap. blz. 257.

mogelijkheid, welke in dit blad ook in beginsel is bepleit
d.oi’ Mi. J. F. B. Vermaas
7).
Een dergelijke verordening

zou, volgens dên schrijvet’, niet vei’bindend zijn omdat
zij inbreuk zou maken op de istellingsbeschikking, welke

een regeling van hoogere orde is. Dit is vooi’ de practijk,
welke veelal zeer belust is op ,,saneeren”, een belangrijke

kwestie. Aanvullend kan in dit verband de aandacht erop
worden gevestigd, dat in het eenige geval, waarin tot dus-
vel’ in de practijk voorwaarden voor lidmaatschap zijn
gesteld, de desbetreffende bedi’ijfsorganisatie, te weten de
Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedi’ijfsgroep ‘Effec-
tenhandel), daartoe is gemachtigd bij een in de Neder-

landsche Staatscourant van 14 Mei 1943, no. 93, gepubli-
ceerd besluit van de Seci’etarissen-Generaal voor Bij zon-
dere Economische Zaken en van de Departementen van
Financiën, van 1

landel, Nijverheid en Scheepvaart en van
Justitie. Dat zulk een besluit volgens een mededee1ing in

,,Economische Voorlichting”
8)
,,noodig” was, schijnt te

beteekenen, dat de Ovei’heid de opvatting deelt, dat een
verordening van een organisatie dit effect niet vermag
te bereiken. Het standpunt van den schrijver is hierdoor

versterkt. ‘

Raad van Bijstand op beperkter schaal.

Mr. Van der Grinten merkt op blz; 65 op, dat de positie
van dit in artikel 18 van het III U.B. bedoelde lichaam
niet geheel duidelijk is. 1-Jij kan zijns inziens de wettelijke
bevoegdheden van den Raad van Bijstand niet uitoefenen,
doch staat daarnaast. Blij kbaar denkt hij hier aan de figuul’
van een ,,synodus contrcta” naast de volledige synode.
Als men zich echter afvraagt, wat de ratio is van de
instelling van een Raad van Bijstand op beperkter schaal,
dan Ikan deze slechts zijn, dat in bepaalde gevallen een volledige Raad van Bijstand zôô talrijk zou worden, dat
hij niet handzaam meer zou zijn. Blijft deze volledige

Raad desniettemin naast dien ,,op beperkter schaal” le-
staan, dan zal hij toch op gezette tijden moeten optreden,
met alle daaraan verbonden bezwaren.
Nu de tekst van het III U.B. geen uitsluitsel geeft en

elke toelichting ons ontbreekt
9),
zal een beslissing over

dit vraagpunt willekeurig moeten blijven.

Beteekenis van het hooren van den Raad van Bijstand.

Volgens artikel 9 van het III U.B. vertegenwoordigt de
vooi’zitter zi,in ôrganisatie in en buiten i’echte, overeen-
komsig de bepalingen der statuten. De laatste vijf woorden
interpreteert Mr. Van der Grinten op Me. 68 in deaen zin,
dat de voorzitter de organisatie niet vertegenwoordigt, indien hij den formeelen kring zijner bevoegdheden te
buiten gaat. Hij noemt in dien gedachtengang dit 1,00r schrift vanzelfsprekend, daa ‘bij Rupp bestrijdende, die
op bl. 137/8 van zijn boek de bedoelde beperking blijkbaar synoniem acht aan de mogelijkheid, dat de vertegenwoor-
diging van den voorzitter beperkt kan worden hij de
statuten. Ik betwijfel, of de interpretatie van Mr. Van der
Grinten wel geheel vereenigbaar is met zijn op blz. 50 uitgesproken meening, dat de materie der statuten een
regeling moet zijn van de interne organisatie der bedrijfs-
organisaties. Als dat zoo is, dan is het zekei’ niet vanzelf-
sprekend, dat de vertegeriwoordigingsbevoegdheid van

den voorzitter door de statutn wordt bepaald.
Wat daarvan zij, de schrijver meenf in elk ge-val, dat de
voorzitter de organisatie niet vertegenwoordigt, indien hij den foi’meeien kring zijner bevoegdheden te buiten

gaat. Op bIe. 55 trekt hij daai’uit a priori de conclusie,
dat een besluit van den voorzitter niet, verbindend is,
indien de desbetreffende maatregel belangrijk kan heeten
en darovei’ de Raad van Bijstand niet is gehoord over-eenkomstig artikel 19 van het III U.B. Ik vraag mij af,

‘) ,,Economisch-Stalistiselie Berichten” no. 1433 van S Decem-
ber.1943, bIe. 382.
‘) 1943, bIe. 237.
0)
Behrens (bIe. 66) en
Rupp
(blz.
142),
op wie de schrijver
zich beroept, argun1enteeren evenmin.

23 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

61

of deze opvatting in de practijk niet tot groote moeilijk-

heden zal leiden, omdat het begrip belangrijk” subjectief
is. De schrijver maakt er zich gemakkelijk af door als voor-
beeld te noemen den verkoop van onroerend goed zonder
de instemming van den Raad van Bijstand. Aangezien
artikel 19 van het III U.B. zulk een transactie als voorbeeld
van een belangrijken maatregel noemt, is in dit geval de
qualificatie als zoodanig niët moeilijk. De schrijver bestrijdt
echter reeds terstond de opinie van de hoofdgroep In-
dustrie, welke de verplichting tot het hooren van den Raad
van Bijstand wil uitstrekken tot alle gevallen, waarin de
voorzitter met de andere leden van het dagelijksch bestuur
van opinie verschilt. Terecht merkt de schrijver op, dat
de maatregel daardoor nog niet belangrijk wordt. Dan is
de redactie van artikel 17 van het Besluit op de Kamers van Koophandel en Fabrieken, voorschrijvende, dat het
advies van de Raden van Bijstand dier lichamen moet
worden gehoord over belangrijke ,,aangelegenheden”, ge-
lukkiger. Een conflict vaa eenige beteekenis in het dage-
lijksch bestuur kan een belangrijke aangelegenheid zijn,
zonder dat de desbetreffende maatregel dat ook is. hoe dan ook, hier is reden tot twijfel en moet nu imand, die
een transactie met een bedrijfsorganisa.tie aangaat, zich
steeds afvragen, of de voorzitter met liet sluiten daarvan
al dan niet een belangrijken maatregel neemt, volgens
eenige interpretatie? Als zulk een persoon erg voorzichtig
is, dan zou hij nog moeten uitzoeken, of op dat stuk een
verschil van meening -iii het dagelijksch bestuur heeft
bestaan. Hoe moet hij daar achter komen?
Ik vraag mij af, of niet de eenige uitkomst is, dat degeen,
die te goeder trouw handelt met den voorzitter eener be-
drijfsorganisatie, altijd vrij uitgaat, tenzij het een trans-
actie betreft, waarvoor artikel 19 van het III U.B. expressis
verbis het hooren van den Raad van Bijstand heeft voor-
geschreven en dit achterwege is gebleven. In alle andere
gevallen mag het nalaten van deze formaliteit den bona fide derde zeker niet schaden en is daarmede slechts de
verantwoordelijkheid van den voorzitter tegenover zijn
organisatie en den hoogeren voorzitter gemoeid. Ook de opvatting, dat deze hoorplicht geheel een interne aange-
legenheid is, waaraan derden zich nooit iets gelegen be-
hoeven te laten liggen, acht ik intussehen zeer goed ver-
dedigbaar.

Inschakelin gen in vestigingsregelingen.

Op blz. 79 vermeldt de schrijver, dat de bedrijfsorga-
nisaties als adviseerende instantie zijn ingeschakeld bij
de uitvoering van het bedrijfsvergunningenbesluit en de interpretatie van de bepalingen daarvan. Volledigheids-
halve worde opgemerkt, dat een zoodanige inschakeling
ook heeft plaats gevonden voor de uitvoering van de
verschillende vestigingsregelingen in het kleinbedrijf, de
makelarij, den tusschenhandel in onroerend goed en
het veiiingwezen.
In het vervolg zal nog worden ingegaan op een aantal
andere punten.
Mr. W. F. LICHTENAVER.

INGEZONDEN STUKKEN.

i)E LUCHTVAART EN ONZE BUITESLANDSCHE
HAiOELS1 JLITIEK.

De heer E. Henny schrijft ons:
Onder dit opschrift wordt in uw nummer 1494 door
den heer Wicherlink een lans gebroken voor de weder-
inschakeling van den Nederlandschen vliegtuigbouw. In dit
artikel wordt o.a. betoogd, ,,dat dy sinds 1934 door ons nationaal luchtverkeersbedrijf gevolgde aanschaffings-
politiek niet heeft voldaan uit een oogpunt van nationaal
rendement”. Deze stelling zal menigeen verbazen, die
waardeering koestert- voor het bijzonder energieke
K.L.M.-beleid. Hèt is niet bilhijk dergelijke verwijten te
verkondigen zonder
duidelijke
bewijzen. Een goed beheerde

luchtvaartmaatschappij moet – evenals iedere andere
onderneming – haar behoeften kunnen dekken hij den
fabrikant, die het allerbeste product levert. En wanneer de
bestevliegmachines naarde meeningvan de bekwame leiders
onzer K.L.M. in de Vereenigde Staten te koop zijn, dan
moeten zij ook de vrijheid hebben aldaar het noodige mate-
riaal aan te schaffen. Zoodra de Nederlandsche industrie in
staat is betere vliegtuigen te leveren, zal de K.L.M. daar-
van uiteraard gaarne gebruik maken. Het zou echter van een averechtsehe nationalistische aankooppolitiek getui-gen bij voorbaat te decreteeren of te reglementeeren, dat
ons nationale luchtvaartbedrijf zich van Nederlandsch
fabrikaat, moet voorzien.
Het is niet aan twijfel onderhevig, dat de kapitaalkrach-
tige en moderne Amerikaansche vliegtuigindustrie met haar
geweldige ervaring voorloopig zoo onaantastbaar is, dat
concurrentie met deze nijverheid zelfs voor een rijk land
een uitermate moeilijke taak beteekent. Voor een arm en
klein land als Nederland zou eên dergelijk streven onver-
antwoordelijk zijn.
Afgezien daarvan zijn problematieke industrieele expe-
rimenten ten laste van de Schatkist
altijd
ongewenscht.
Daarom hoop ik – in tegenstelling met den heer Wicher-
link -, dat de door hem genoemde ,,Vliegtuigindustrie-
Commissie” een minder autarkisch of nationalistisch
standpunt zal huldigen.
Het wordt tijd, dat men zich in ruimen kring rekenschap
geeft van het feit, dat
internationale
harmonie nimmer
tot stand kan komen op basis van
nagionalistische
handels-
politiek.

Naschrift.

Naar aanleiding van bovenstaand ingezonden stuk van
den heer E. Henny, zij het mij vergund allereerst op te
merken, dat mijn artikel niet tot strekking heeft het
maken van verwijten, doch het formuleeren van opbouwen-
de critiek, gefundeerd op vaststaande, hoewel weinig alge-
meen bekende, feiten, welke gezamenlijk een belangrijk
deel van Nederlands luchtverkeersgeschiedenis in de jaren
1933-1940 vormen. Zooals ik reedS in den aanhef van mijn
artikel schreef, valt een analyse der in een recent erleden begane fouten – hoe gewenscht ook, zooals uit het betoog
van den geachten inzender blijkt – buiten het bestek
van een tijdschriftartikel en levert een dergelijke studie
voldoende stof voor een, met het oog op het heden en de toekomst onzer burgerluchtvaart wellicht nuttige, afzon-derlijke publicatie. Dit wat het verleden betreft.
Ten aanzieii van het heden en de toekomst wil ik op
deze plaats volstaan met de mededeehing, dat de vel zeer
sombere meening van den heer Hanny omtrent Neder-
lands vliegtuigindustrie niet wordt gedeeld door onze
ervaren en bekwame vhiegtuigconstructeurs en -industriee-
len, wien het noch aan groote deskundigheid, noch aan nuchter, zakelk inzicht ontbreekt. Daar ook de samen-
stelling’ der interdepartementale ,,Vliegtuigindustrie-Com-
missie”, welke deze materie inds September jl. in studie
heeft, een ruime mate van vakkennis, alsmede van sociaal-
economisch inzicht waarborgt, kan met vertrouwen haar
oordeel, zonder vrees voor autarkisch of nationalistisch
extremisme, worden afgewacht.
Gaarne onderschrijf ik den slotzin van het ingezonden
stuk van den heer Henny, zonder daarbij in het minst de
toekomst van Nederlands verkeersvliegtuigbouw en zijn
afzetmogelijkheden, vooral in Europa, uit het oog te ver-
hièzen. Tot besluit zij nog opgemerkt, dat bij de beoordee-
ling van het geheele problemencomplex, dat in ons land
de verhouding luchtverkeer – vliegtuigbouw sinds 1934
beheerscht, de publieke opinie soms al te zeer geneigd was
en is, over te hellen naar het standpunt, dat tot dusver
in het opembaar met den meesten nadruk werd of wordt
bepleit’ Het is thans bij den wederopbouw onzer burger-
luchtvaart te hopen, dat de in vroeger jaren te sterk
geprononceerde eenzijdigheid geleidelijk zal verkeeren in

:-
‘-

62

ECONOMISCH-ST&TISTISCHE BERICHTEN

23 Januari 1946
een veelzijdiger en daardoor intrensiek sterkere herorin-
teering van dezen tak onzer nationale economie, bij welken
in de naaste toekomst groote belangen – ook buiten het
tegenwoordige luchtverkeersbedrijl om zullen zijn ge-
moeid.
W. H. WICHERLINK.

Mededeelingen van de. Kamer van Koophandel

en Fabrieken voor Zuid-Holland te Rotterdam.

Te Rotterdam aangekomen zeevaartuigen gedurende de
le week, van 30 December 1945 t/m 5 Januari 1946,
onderscheiden naar de landen van herkomst.

Aantal

Landen

zeeva- 1 Netto m
3

1 tuigen 12.83 m° = 1 reg.t.

Europa

België

……………….
3
15025

Denemarken

………….
1
5031
6450 8729

Groot-Brittannië en Ierland
37
40677

Nederland (ingeklaard)
1
6162

Nederland (met vrijstelling

Duitsehiand

………………3

4 5404

Frankrijk

………………2

1
3343
van

inklaring)

…………

5
2711
Noorwegen

…………….
Zweden

……………….

Azië

Britsche Gebieden ……….
1
11381

Afrika

Frânsche Gebieden
1

..

6109

Amerika

1
12845
Chili

…………………

Nederlandsche Gebieden

.
1
13519

Vereenigde Staten

………
5
66309

Totaal ……..
1

66

1

198195

INVENTARIS VAN
VIJANDELIJKE OCTItOOIEN.

Bij den Handeisvoorlichtingsdienst der Kamer ligt ter
inzage een inventaris van vijandelijke oetrooien, welke
voorloopig in beheer zijn genomen als vijandelijk vermogen
door de
Stichting Beheer Vija.ndelike Oetrooien,
in af-

wachting van een nadere beslissing van het Beheers-
instituut en onder voorbehoud van territoriale regelingen,
gebaseerd op de in de vredesverdragen opgenomen be-
palingen.
Zij, die meenen, dat in dezen inventaris ten onrëchte
octrooien als vijandelijk vermogen zijn beschouwd, kunnen
een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij boven-
genoemde Stiéhting,
Willem IVitsenplein
6,
‘s-Craenhage.
Zijn van een vijandelijk octrooi licenties verleend, welke
niet vallen onder de bepalingen van het Besluit Vijandelijk Vermogen, dan moeten de licentiehouders hiervan opgave
doen aan bovengenoemde Stichting.

ONTVANGEN BOEKEN EN BROCHURES

BOEKEN.

Portugal, Instituto Nacional de estatistica.
Centro de Estu-

dos Econômicos Revista,. Nimero 1. Lisboa, 1945.
417 pag.

Crondbegrip pen en grondbeginselen der Economie.
Prof. Dr.

H. M. H. A. v. d. Valk, 208 pag. G. W. v. d. Wiel & Co.,
Uitgevers, Arnhem.

Monetaire vraagstukken tijdens en na den oorlog.
Dr. H. W.

J. A. Vredegoor, Elsevier, 1945, 346 pag.
Unificatie der Sociale Verzekering
door M. G. M. van

Schouwenburg. 9 November 1945, 166 pag.

BROCIIURIS.

Oterzicht van het Deoiezenbesluit
1945 Nederlandsche
Handel-Maatschappij N.V. Deviezenbank. 41 pag.

In den strijd om de bedrjfsorganisatie.
Eenige opmerkingen
over liet Voorontwerp van Wet op de Bedrijfschappen.
Mr. P. Borst. Amsterdam, Januari 1946, 18 pag.

Publicatie No. 1 oan de Vakgroep Sigarenindustrie.
On-

derzoek inzake maatregelen, te treffen tot herleving
der sigarenindustrie in Nederland. Rapport aan de
Vakgroep Sigarenindustrie uitgebracht door Prof.
Dr. P. P. v. Berkum en Prof. Mr. F. de Vries,. Rotter-
dam, October 1945, Tilburg, 38 pag.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Bij zeer geringe omzetten bleven de koersen op de
geldmarkt in de week tusschen 14 en 19 Januari jl. prac-
1.isch ongewijzigd, 7oodat de noteeringen, welke in het
vorige overzicht werden genoemd, ook thans nog van

kracht zijn.
• Vermoedelijk zullen in de nabije toekomst de disconto-
tarieven in de open markt een stijging gaan vertoonen.

In de eerste plaats
zal
per 15 Februari a.s. de storting
op de inschrijving der 2+ pCt.-spaarcertificaten moeten
geschieden, waarvoor de banken thans reeds bezig zijn
zich liquide te maken, hetgeen vrijwel automatisch plaats-
vindt, door het feit, dat de Agent vervallend schatkist-
papier niet meer verlengt. Hoewel het hier om omvang-
rijke bedragen gaat – het saldo van het Rijk bij De
Nederlandsche Bank daalde vermoedelijk uit dezen
hoofde met 1 80 millioen -, zal dit waarschijnlijk niet
voldoende zijn voor de banken om de inschrijvingen
van hun cliënten te kunnen bewerkstelligen. Hiervoor
is temeer reden, omdat de bankbiljettencirculatie een
voortdurende stijging vertoont, zooals bijv. in de tweede
week van Januari met f 99 millioen, hetgeen een ont-
trekking van creditgelden beteekent. Liquiditeitsdrang
der banken houdt ongetwijfeld een tendens tot rente-
stijging in. In de tweede plaats kan voor de storting
op de 3 pCt. Grootboekinschrijvingen 1946 per 1 Maart
1946 schatkistpa,pier worden gebruikt, dat dan door
het Rijk tegen de agentstarieven zal worden overgenomen.
Dit heeft vermoedelijk tn ge olge, dat de koersen voor
schatkistpapier een geleidelijke
stijging
zullen gaan ver-

toonerL.
De omzetten op de Amsterdamsche effectenbeurs
vertoonden een geleidelijke toeneming; het aantal ver-
koopvergunningen nam vrij aanzienlijk toe, maar veel
transacties vinden buiten de beurs om plaats, nu het
in elkaar sluiten” van orders weer is toegestaan. Voor

K
betrokken effectenhandelaren vormt dit natuurlijk
een voordeel, maar de koersvorming ter beurze wordt,
wanneer het intern compenseeren een grooten omvang
aanneemt, minder zuiver.
Belangrijke koersverschillen kwahen in de afgeloopen
week niet voor. De dagelijksche . verschillen beperkten
zich over het algemeen tot
1
/
16
pCt. De 8+ pCt staats-

leeningen werden tenslotte tegen 102
1
/
pCtLverhandeld,
terwijl de
3+
pCI. leeningen Amsterdam + pCt. hooger no-
teerden. Opmerkelijk is het hooge peil, waarop pand-
brieven werden verhandeld; 3j pCt. Friesch-Groningschë
Hypotheek Bank noteerde op 18 Januari jl. zelfs 104 pCt.

STATISTIEKEN.
DE NEDERLANDSCJIIE
DANK.
(Voornaamste posten in duizenden guldens)

Binnekt.

eissels
Munt,
open
marklpapier,
Totaal
Data
muntmate-
beleeningen,
voor-
‘Totaal
opeiachb.
riool en
deviezen ‘)
schotten
a/h Rijk
en diverse
act isa
schulden
rekeningen
1)

5.
1
t57.164
4.987.684
14

Jan.

’46f

5.255.404
228:7T
’46
5.253.251
21u.958
5.517.255
5.066.46
31

Dec.
’45
5.252.839 212.949
5.538.844
5.166.066
27

,,
‘4s
5.254.084 202.106
5.529.253 5.046.612
17

,,
‘4
5.253.483 201.806
5.528.408
5.045,789
10

,,
‘4
5.254.335
210.711
5.538.167 5.055.563
3
‘4
5.250.438
206.285
5.529.844
5.047.303
26 Nov.
‘4.
5.248.240
191.483 5.126.155
5.030.316
6 Mei
‘4i
1.173.319
248.256 1.474.306 1.424.016

chatkist-
I13ansassig_1

Spapier
I
ankbil jet-I Saldi

natien en Saldo Rijk

rechtstr.
Data

en in om-

diverse

RIC
(D/C)I

onder-
loop

RIC

rekeningen

i gebracht.

14 Jan. ’46 1.854.651
3
) 3.132.690 937.375

C2.263.868

7 ,, ’46 1.763.990′) 3.202.122 238.870

C2.343.283


31 Dec. ’45 1.712.915 3.343.151

150.464

C2.492.978

27 ,, ’45 1.646.894 3.399.667 150.382

C2.527.1 04


17 ,, ’45 1.555.164 3.490.554

150.385

C2.522.696


10 ,,

’45 1.506.718 3.548.827

150.317

C2.625.906


3

’45 1.4.59.861 3.587.43:

150.245

C2.64 1.290

26Nov. ’45 1.450.557 3.579.734 150.054

C2.595.138


6 Mei ’40 1.158.613

255.174 . 10.230

C

22.962

‘) De posten ,,Correspondenten in het.buit8nlar6″ en ,,Duitefl-
landsche betaalmiddelen (excl. pasmuht)”, voorheen begrepen in de
,,Diverse rekeningen”, zijn van 5 Juli 1943 af opgenomen onder de
buitenlandsche portefeu)lle, in onzen Staat samengevat als ,,deviezen”
‘), waarvan nieuwd’ uitgifte f 1.441.570.
‘.

“Y

f 1.540.910.

NATIONALE BANK •VAN BELCflE
(Voornaamste posten in inlllloenen tranes)

ci.
,sc
na C?,

,
Data
.

ei
ei

OeiO

o°’2
«

.a’

10

Jan.’ 1946
31.943
3.102
1.827
373 350
42.882
3

,,

1946
31.382
3.576
1.731
503 337
43.027
27 Dec

1945
31.383
3 684
1.552
217
335
42.270
20′

,,

1945
31.382
3.448
1.290
293
330
41.666
13

,.

.1945
31.383
3.214
1.017
287
316
41.806
6

,,

1945
31.60e
3863
738-
468
286
42.021
29 Nov.

1945


31.166
4.816
757 338 288
44.686

Rekening-
coural t $aidi

Data.
.

0
,e
zo

‘°
10

Jan.

1916
653
146.091
‘4
3.125
55.339
3

,,

‘1946
653
46.t6 7
711.798
.975
7.798
3
3.369
55.348
27 Dec.

4945
653
41.949
70.376
4
3.440
55.589
ZO

,,

1945′
653
44.018
69.585
5
3.112
,

55.681
13

1945
653
43.629
68.768
2
3.366
55.863
6

,,

1945
653
44.285
68.232
2
4.396
56.027
29 Nov.

1945


653
147.647
66.761
6

,
.3.231
62.099
1)
Waarvan 10.493 rnillioen frcs. onbeschikbaar goudsaldo na
herwaardeering van den go,udvoorraad. (Besluitwet no. 5 van
1-5-1 944).
‘) Waaronder begrepen de post. ,,Emissiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 mlllioen frcs,
‘) J5eze post omvat: oude biljetten en rekeningen-courant op de
Bailk, overgeboekt en over te boeken op tijdelijk onbeschikbare
of geblokkeerde rekeningen en niet aangegeven oude biljetten.

PUBLICATIES VAN HET NEDERLANDSCH

ECONOMISCH INSTITUUT.

Pels, Dr. P.
S., Een economisch-statistisch onderzoek
naaS’ de chemische industrie in Nederland. (f 3,65,
ledenprijs 1 2,75).

Djojohadikoesoemo, R. M. Dr. Soemitro,
Het volkscrediet.
wezen in de depressie. (f 5,50, ledenprijs 1 4,10).

Buning, Dr. J. R. A.,
De beleggingen der bijzondere
spaarbanken in Nedei’land. (1 3,65, ledenprijs 2,75).
+

Vacatures

‘4

Overheidsinstelling vraagt

Bedrij f’seconoom

met ervaring in prijsvaststellingswerkzaamheden. Brie-
ven met uitvoerige inlichtingen onder No. 453 aan
Arc’s Advertentiebedrijf, Kettingstraa 2, Den Haag.

Op groot texiielbedrijl in Amsterda:j

wordt gevraagd

Een jonge Mr. in de reclrtcn

oF

.

Dr. ‘in”cI Economie.

..Brieven met vermelding van antecedenten,

leeftijd, verlangd salaris ena. te zenden

onder No.6439 aan Smit’s Advies Bureau,

Heerengracht 442, Amsterdam.

Verschenen

GROOTHANDEL

Algemeen Weekblad, gewijd aan de belangen van den
binnen- en buitenlandschen handel. Tevens Ofticieel
Orgaan van de Bedrijfsgroep Groothandel.

Onder red clie vt. n W. G. N. de Keizer

Met geregelde medewerking pan:
Prof. Dr. 0. Bakker, Dr. J. Buter, Prof. J. F. ten
Doesschate. J. M. Fentener van Vlissingen, Mr. M. G.
Greup, Mr. G. E. Kruaeman, Jhr. Mr. E. van Lennep,
Mr. W. F. Lichtenauer, Drs. C. A. A. van Luttervelt, E. J. Muller, Mr. G. A. J. M. Mutsaerts, Dr. H. J. W.
van der Poel, Jhr. Mr. H. A. Quarles van Ufford. Mr,
Luc. Schenderling, J. Schilthuis, Mr. Dr. J. A. M. v.
Staay.

1-let blad met de actueelste handelstele,grammen

.Abonnementsprfrs f ij.- pr j ‘ar
De oplage is beperkt. Abonneert U omgaand bij den
uitgever
H. A. M. ROELANTS – SCHIEDAM – TELEF 69300

Srhut, M. J.,
Tinrestrictie en tinprijs. (1 1,55, ledenprijs
11,10).

J’Vinsemius, Dr. A.,
Economische aspecten der inter-
nationale migratie.
(1
2,10, ledenprijs 1 1,50).

Koopmans, Dr. T.,
Tanker freight rates and tankship
building. (f 3,15 geb., 1 2,10 ingen.; ledenprijs 1 2,25
geb., 1 1,50 ingen.).

Wijk,. J. oan der,
Inkomens- en vermogensverdeeling.
(1
2,60, leclenprijs f 1,85).

Soutendijk, Dr. L. R. W., Methoden tot het vaststellen
van den omvang der besparingen. (1 2,60, ledenprijs
f1,85).

Schalk, Dr. Ir. F. J. C. oan der,
Een ‘analyse van de ar-
beidsproductiviteit in Nederland. (1 2,60, ledenprijs
f1,85).

Baars, Dr. Ir. A.,
Openbare werken en conjunctuur-
beweging. (1 2,10, ledenprijs 1 1,50).

Frietema, Dr. H. J.,
Productie en prijsvorming op de
Engelsche markt van Nederlandsche, Deensche en
koloniale boter. ( 3,15, ledenprijs 1 2,25).

1

iAIIe
correspondentie betreffende- advertenties gelieve U te richten aan Koninklijke’ Nederlandsche Boekdruklr’.rij H. A. f1 Roe!ants,

Lange Haven 141. Sci indem (Tel. 69300,
toestel
6)

HAV BANK – SCHIEDAM

Levensverzeke ing en Lzïfrente

NeerIandsch Indische Handelsbank, H.V.

Amsterdam

Rotterdam

‘s-GravenhaUe

Alle Bank- en Effectenzaken

UW TOEKOMST IS VEILIG met een polis van de

ALGEMEENE FRIESCHE

LEVENSVERZEKERING MIJ.

ofde

GROOT-NOORDHOLLANDSCHE

VAN 1845

LEEUWARDEN (Burmaniahuis) AMSTERDAM (v. Brienenhuis)

D
e 1
4cnwuIIende 13rcv’wlpolis

aan

cD
e
,,/’ssu,nij Dan
1896
iV. 0

s-raoent1coge

N.V. KONINKLIJKE

N E D E R L
A N
DS(H E

ZOUTINDUSTRIE

Boekelo Hengdo

ZOUTZIEDERIJ

Fabriek van:

zoutzutér, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

chloorbleekloog

natronioog, caustic soda.

GEVESTIGD:

BIJKANTOOR
AMSTERDAM

KEIZERSGRACHT

806

Petc
h
rion

1
1

HAvENBE:DR’)F

1
ROTTERDAM
1
TELEF.
72872

POSTBUS
893

Ce4uss


‘t

4iteet i?iete.onas”
aak sao,
,1.L.:00L,
doe

PATRUSPOOLITCLAZC’Q

TELECRAAFPLATCrI
MAn03IETERCLA7.EN.rEILGLAZI.7.01,u’W,LAZIN
REFLENGLAZEN

WATEILMETEEGLAZEN LNZ.

Pielerniain.
WESTVEST 17
.
SCHIEDAM
.
tELEFOON 69269

VAN DIJK & Co.

EENDRACHTSWEG 11 – ROTTERDAM

Makelaars en Commissionnairs in Effecten

Effecten – Coupons – Vermogensbeheeri

Telefoon 20845 – 21889 – 40631

Beurs Nis 6

Telefoon 24178

24378

SCHAKEL

Uw

BEDRIJF I

Terwijl voor het bedrijfsleven het contact
* met het buit,nldnd nog zeer gering
Is,
en het betrekken von economische vak.
literatuur nog moeilijkheden geeft: heeft
de
Economische
VoorIichtInsdienst vele
*
verbindingadraden gesponnén. Verbind
Uw bedrijf hiermede. Maak gebruik van de

LEESZAALEN

BIBLIOTHEEK 6

VAN DEN ECQNOMISCHEN

VOORLICHTINGSDIENST

IP4IJt0Iclr0lii I.f
,
GJ*5JW1..11:1

N.V. A.T.O. – VAN GEND & LOOS.

Geregelde vrachtauto-dienst

Nederland – Tsjecho-Slowakije

Vraagt inlichtingen bij onze 80 kantoren of bij van

Udens Transport Bureau

Veerhaven 15

Rotterdam

‘3

Alle correspondentie befreflende advertenties, gelieve U te richten aan Koninklijke .Neder!andsche Boekdrukkerij H. A. M. Roelants,

Lange Haven 141, Schiedam (Tel. 69300, toestel 6)

Druk Roelants.
ScIiirdit.

Auteur