Ga direct naar de content

Jrg. 31, editie 1497

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 16 1946

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Economisch~Statistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, MJVERHEID, FINANCIËN
EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

31E
JAARGANG

WOENSDAG 16 JANUARI 1946

No. 1497

>

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. F. ten Doesschcrte;

N. J. Polak;

J. Tihbergen; II. M. H. A. van der Valk; F. de Vries;

H. TV. La,nbers Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de TVit.

Abonnementsprijs van het blad, waarin tijdelijk is opge-

nomen het Economisch-Statistisch Maandbericht, franco

p.p. in Nederland f 26. per jaar. Buitenland en koloniën
f 28.— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk

nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het

kalenderjaar. Losse nummers 75 cent.

Donateurs en leden van het Nederlandsch Economisch

Instituut ontvangen het blad gratis en genieten een reductie

op de verdere publicaties.

Adreswijzigingen op te geven aan de administratie.

A dniinistratie: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (TV.)

Telefoon: Redactie 38040, Administratie 38340. Giro 8408

Aangeteekende stukken aan het Bijkantoor Westzeedijk,

Rotterdam (TV.).

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten

aan de Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schie-

dam (Tel. 69300, toestel 6).

INHOUD:

Werkgevrs, arbeiders en loonvorming

door
Dr. Ir.
B
.

Iöl,’er

…………………………….
35

Vervoerpolitieke

aspecten

door

Prof.

Ir.

H.

van
Breen………………………………..
37

De

Zuiderzeewerken

en

onze

nationale

welvaart
door

Dr.

TV.

Lulofs

…………………….
38

Prijsbeheersching in de Vereenigde Staten gedurende
en na den oorlog door
Mr. A. TV. L. van Ilaersma
Buma…………………………………..
41

B o e k b e s
p
r e Ir
i
n g:

Mr. W. C. L. van der Grinten, De organisatie van
het bedrijfsleven, 1344, bespreking door Mr.

TV.

F.

Lichtenauer

………………….
43

I n g e z o n d e n

stukken:

1

let

eerste

verzamelgebouw

van

grossiers

te
Rotterdam?

door

Mr.

TV.

F.

Lichtenauer,
met, naschrift van
Prof. Dr. J. F. ten Doesschate
45

Geld-

en

kapitaalmarkt

………………….
46

DEZER DAGEN

vergaderden in Londen de Vereenigde Naties. De ver-
gadering is nog met de praeliminairën bezig. Zij heeft
reeds een voorzitter, den Belgischen minister van Buiten-
landsche Zaken, Spaak, wien op het laatste moment
haast een spaak in het wiel was gestoken. En cle veilig-
heidsraad, een elftal, waarvan liet teamwork zoo hoog mogelijk moet worden opgevoerd, is eveneens samen-
gesteld. Nederland waakt mede, doch met kort man-
daat. Het rad der fortuin moest voor den duur van onze
surveillance draaien; het was Nederland ongunstig.
De afkeer van minister Lieftinck van het kansspel
is gegrond gebleken.

De Vereenigde Staten – wereidwaker nummer één –
hebben reeds hun zorg over een gevarenplek tevoren
te kennen gegeven. Zij hebben de Zuid-Amerikaansche
Staten een gezamenlijke actie voorgesteld tegen nationaal-
socialistische draaikolken in Argentinië. Het is dus niet
zoo gunstig als men zou denken uit den titel van een
artikel, dat wij juist zagen in een nummer van ,,The
American” van
1944 –
en nog wel van de hand van
Edgar J. Hoover, leider der Amerikaansche contra-
spionnage -: ,,How the nazi-spy invasion was smashed”.

Ook in Nederland zal dit jaar nog niet alles op wieltjes
gaan, althans als men afgaat op de cijfers over vervoer-
middelen, die minister van Schaik bekendmaakte.

Niet op wieltjes, dan maar door de lucht, heeft de Eco-
nomische Voorlichtingsdienst gedacht. Zij geeft thans, speciaal voor het buitenland, een echt vliegend blaadje
uit, één vel luchtpostpapier, waarop maandelijks de voor
naamste gegevens over ,,Progress in Holland” worden
vermeld. Het is te hopen, dat deze vliegende 1

lollander,
een internationale primeur, in het buitenland een ruste-
boze belangstelling voor Nederland zal opwekken.

In rustelooze beweging blijft in verschillende landen
de actie tot het stilleggen van werk. In Griekenland
dreigt het economisch raderwerk geheel te worden stil-
gezet. En ,,Wentelende Wielen” worden in de Vereenigde
Staten met den dag minder in aantal. Het is duidelijk,
al was het slechts uit het mogelijk wegblijven van den
achtsten kolenbon, dat ook het herstel in andere landen
hiermee geducht in de wielen wordt gereden.

Naami. Vcnn.

• Ho1Iindsche

Belegging- en

Beheer-Mij..

Anno 1930
Heerengracht 320 – A’dam

BeoordeIing en Behe*’r
van vermogens, pensioen-
en spaarfondsen, belegde
reserves,effectenportefeuil-
les ten behoeve van onder-
nemingen, stichtingen, ver-
eenigingen, particulieren.
Commissarissen:
Prof. ir.’ 1. P. de Vooys;
Drs. J. H. Gisperz;
Mr. J. E. Scholtens,

D:recte:
Gerlof Verwey;
Dr. F. Ph.’ Gro2neveld;
A. C.
Leeuwenburgh.

DE BANK

HOUDT

1-IAAR CLIENTEN

GEREGELD OP

DE HOOGTE

VAN VOOR HEN

BELANGRIJKE

BERICHTEN OP

FINAN CIE EL

GEBIED

ROTTERDÂMSCHE

BANKVEREENIGING

*50 CANTOREN IN NEDERLAND

+

Vacaturei4

4

De Directeur van het C.B.S. roept

sollicitanten op voor de functie

van

LEIDER VAN DE STATISTIEK

DER VERDIENDE LOONEN

in den rang van COMMIES, met

een redelijk uitzicht op bevordering

tot hoofdcommies. Vereischten:

diploma van een inrichting voor

voorbereidend hooger of middel-

baar onderwijs, belangstelling voor

sociale, in het bijzonder loon-

vraagstukken, gedegen kennis van

loonadministratie en ervaring in

het leiding geven aan personeel.

Statistische ervaring strekt tot

aanbeveling. Sa
1
arisgrenzen voor

ongehuwden
f 2589—f 3326, voor

gehuwden
f 2780—f 3694
per jaar.

Aanstelling boven het minimum is

niet uitgesloten. Sollicitaties
bin-

nen 14 dagen
na het verschijnen

van dezen- oproep, in te zenden

aan den Directeur van het Cen-

traal Bureau voor de Statistiek te.

‘s-Gravenhage.

pî’î:


HET HOOFDBESTUUR DER P.T.T.

‘s-GRAVENHAGE

vraagt voor spoedige indiensttreding,
DoctOr(andus) in de economie, als

bedrijf seconoom

Practiache ervaring als zoodanig noodzakelijk.
Leeftijd 30-40 jaar. Sollicita.ies schrlfteijjk aan den
Chef van Afd. GB, Kortenaerkade 12, ‘s-Gravenhage.

internationale handelsonderneming met eigen vestigin.
gen over de geheele wereld, zoekt een

organisator

die met den verderen uitbouw van de organisatie, als-
mede met dc leiding van de personeclzakcn zal worden
belast. Opname in de Directie t.z.t. na gebleken ge.
schiktheid niet uitgesloten. Leefijd boven 30 jaar.
Alleen zij, die op dit gebied hun sporen hebben ver-diend, en over een gedegen theoretische en practische
ervaring beschikken, gelieven te solliciteeren, onder

opgave van opleiding. levensloop en verdere bijzonder.
heden, aan het bureau van dit blad onder no. 346,
postbus 42, Schiedam.

R. MEES & ZOON EN

Ao1720

Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam

Vlaardingen. Amsterdam (a!Ieen assurantien)

BEHANDELING VAN ALLE BANKZAKEN

BEZORGING VAN ALLE ASSURANTIËN

DE NDERLANDSCHE

HANDEL…MAATSCHAPPIJ, N.V.

Vijzeistraat 31

Minervcipleinl8 .- Damrak 60

belast zich gaarne met de verzorging van

Uw INSCHRIJVING op

3
0
/ GROOTBOEK 1946

en

1/2
0/
SPAARCERTIFICATEN

MAAKT GEBRUIK
van de rubriek
,, Vacafure’
voor
het
oproépen van sollicitanten vojr
seidene
functies.

Voor het vervolg van de rubriek ,,Vacatures” zie pag. 47.

16 Januari 1946

ECONOMISCH-STATIS’TISCHE BERICHTEN

S

s

WERKGEVERS, ARBEIDERS EN

LOON VORMING.

Van 1920 tot 1935 was ik verbonden aan het
secre-
tariaat van een centrale werkgeversorgknisatie en in die
functie heb ik de ontwikkeling der organisatorische ver-
houdingen tussen werkgevers en arbeiders in de voor
deze verhoudingen zo belangrijke periode na de vorige
oorlog kunnen medemaken.
Eén van de dingen, die mij daarbij is opgevallen, is
de scheiding, die er, steeds w’èrd gemaakt tussen het
werkgevers- en het arbeidersbela.ng. Dit lag trouwens
voor de hand. Immers, in alle officiële conferenties of bij
alle vertegenwoordigingen, zowel nationaal als inter-
nationaal, waren er, naast eventuele regeringsvertegen-
woordigers, steeds duidelijk gescheiden afgevaa.i’digden van werkgevers en arbeiders. Deze werde’n geacht ieder. hun eigen specifieke belangen te hebben. ‘Dit kwam, om
een voorbeeld te noemen, duidelijk tot uiting bij de inter-

‘nationale arbeidsconferenties. De Nederlandse werk-
gevers vergaderden wel afzonderlijk met de werkgevers-vertegenwoordigers van andere landen, evenals de arbei-
dersafgevaardigden dit deden, maar een voorbespreking
over een belangrijk agendapunt tussen Nederlandse
werkgevers- en Nederlandse arbeidersafgevaardigden kwam, althans voorzover mij bekend, nimmer voor.
Zo was het ook in ons land zelf voor de sociale kwesties.
De werkgevers vormden steeds een afzonderlijke groep
en daarnaast – ik wl niet zeggen daartegenover –
stonden de arbeidersorganisaties. Zij kwamen tezamen
in tal van raden en copimissies, zoals gezegd al dan
niet in gezelschap van de vertegenwoordigers van de
Overheid, maar steeds iverden zij geacht de belangen
te behartigen van de specifieke groep, die zij vertegen-
woordigden. Het onderlinge ‘contact, dat de R.K. ver-teenwoordigers van

werkgevers en arbeiders hadden
in de R.K. Centrale Raad van Bedrijven of andere soort-
gelijke instellingen, maakte hierop geen uitzondering.
Het ‘moge dan gebaseerd zijn gewdest op eeii bepaalde
gelijkgestemde geestesinstelling, in wezen was er hetelfde
verschil: werkgevers-arbeiders.
Ik heb deze scheiding steeds aanvaard, denkende, dat
het ietg natuurlijks was, iets, dat uit het wezen dr maat-
schappelijke verhoudingen voortsproot en dat zijn recht-

vaardiging vond in ‘de tegenstelling van belangen der
productiéfactoren: kapitaal en. arbeid.
Sindi een jaar of vier geniet ik het voorrecht te be-
horen tot wat hierboven onder het begrip werkgever
moet worden verstaan, en ben ik, hoewel het in geen enkel
• opzicht normale jaren zijn gewest, genoodzaakt geweest
meer direct dan vroeger, de functie van den werkgever
en zijn verhouding tot het personeel te beschouwen.
Daarbij ben ik tot de conblusie gekomen, dat dit verschil:
werkgever-arbeider, zoals men dit steeds construeert,
‘lin wezen niet bestaat. Ik wil trachten dit duidelijk te
maken.

Wij moeten daarvoor eerst de vraag onder de ogen
,zien, wie eigenlijk. de werkgever is. In het kleinbedrijf
zijn er uiteraard nog een groot aantal zelfstandige onder-
nemers. De ondernemingen, clie echter door het grote aantal arbeider’s, dat zij in dienst hbben, bij de sociale
vraagstukken toonaangevend zijn, hebben tegenwoordig
vrijwel zonder uitzonderingde vorm ener N.V. en men
kan dus gerust zeggen, dat, wanneer men over de werk-
gevers spreekt, men hiermede de directies der grote onder-
nemingen bedoelt. –
Juridisch zijn deze echter evenzeer werknemers als de
gewone arbeiders of de kantoorbedienden, evenals de
$rsoneelchef of de andere functionnarissen, die in grote ondernemingen in de plaats van de directie optreden en
,dan als de werkgevers beschouwd moeten worden.
Ik wil deze juridische hoedanigheid echter geheel t3’r-
zijde laten. Feitelijk komt het er toch slechts op aan voor

welke belangen zij opkoMen. Uitgaande van de tegen-
stelling: kapitaal-arbeid, zou men dus moeten verwachten, dat de werkgevers de vertegenwoordigers van het kapitaal
zijn, in tegenstelling met’ de arbeidersleiders, die de be-langen van de arbeiders zouden moeten behartigèn.
Wat zijn echter dé belangen van het kapitaal en hoe
groot is de betekenis daarvad? Om dit te beoordelen zal
men moeten bedenken, dat er – in welke maatschappij-
vorm men ook leeft -, wil men niet tot het uitsluitend
handwerk van de oudheid .terugvallen, naast arbeid
steeds kapitaal nodig is om te produceren. Dit kapitaal is aan slijtage onderhvig, terwijl er voor de uitbreiding
der productie, uitbreiding van kapitaal nodig is. Er zal
dus ‘steeds nieuw kapitaal gevormd moeten worden en
men zal dan ook nimmer de totale hoeveelheid geprodu-
ceerde goederen onder de arbeiders vooi’ consumptie
kunnen verdelen. Steeds moet er een gedeelte beschikbaar blijven voor nieuwe kapitaalvorming.
U

De onderneming kan dit zelf doen door besparing en
reservering. Zij kan echter ook nieuw kapitaal aantrekken
door van tijd tot tijd een b’eroep op de kapitaalmarkt te
doen. Zolang wij nog het begrip rente kennen, kan een
dergelijk beroep echter slechts succes hebben, indien den:
kapitaalverstrekkers een billijke vergdeding voor het
kapitaal, dat zij beschikbaar stellen, in uitzicht gesteld
kan worden.

Om misverstand te voorkomen is het nodig zich even
de onderlinge verhoudingen tus.en deze blangen van
kapitaal en arbeid voor ogen te stellen.’

Een onderneming met bijvoorbeeld 1.000 arbeiders zal
per jaar ongeveer 1 2 millioen aan directe en indirecte
lonen betalen. Zij zal gemiddeld werken met een kapitaal van ongeveer 1 5 – Çnillioen, ‘zodat een kapitaaluitkering
van 5 pCt. ongever millioen gulden is, dus ongeveer
1/10 van ht loonbedrag. Nu kan uien ér over discusiëren,
of de productiefactoi arbeid 85, 90 of 95pCt. van de totale
hoeveelheid geproduceerde goederen moet heben. Mit is
echter nimmer principieel. Uit bovehstaande becijferingen
van, de onderlinge, verhoudingen blijkt duidelijk, dat,
ook al zou men de gehele beloning van het kapitaal onder
de arbeiders willen verdëlen, ;het arbeidsloon toch, nog’
betrekkelijk weinig zou kunnen stijgen.

1-let is geenszins mijn bedoeling’ hièr als pleitbezorger
voor, den kapitalist op te treden; doch ik kan er niet
genoeg den nadruk op leggen’dat het juistinhet belang’
van de arbeiderskiasse zelf is, dt een gedeelte van de,
productie voor nieuwe k’apitaalvorming »bverblijft.
Ik ken van zeer nabij een onderneming, die een 20 jaar
geleden heel klein is begonnen. Het is een ty?ische familie-
vennootschap. In de laatste 7 jaar vôâr de oorlog is een
totale winstgemaakt van 1 millioen gulden. Daarvan.
is ruim f 1 millioen in de onderneming gebleven voor
kapitaalvorming, terwijl nog geen kwart millioen aan de
kapitaalhezitters werd uitgekeerd. De onderneming gaf
vlak
v66r
de oorlog werk’aan ongeveer 1.000 arbeiders,
en neemt op haar gebied een vooraanstaande positie in.
Gelooft men nu werkelijk, dat deze ontvikkeling er geweest
zou zijn, indien deze kapitaalvorming niet had plaats ge-
4onden en het bovengenoemde millioen gulden was ge-
bruikt om, de lonen, die 6verigens elke vergelijking met
soortgelijke ondernemingen konden doorstaan, met een
betrekkelijk klein bedrag te verhogen?
S
Ed nu kom ik weer tot de verhouding: werkgever-
arbeider. Deze werkgever heeft in de loop der jaren dik-
wijls tegenover de ai’beidersorganisaties gestaan en heeft
bij die gelegenheden verschillende malen moeten betogen,.
at de verlangens, die zij ten aanzien van de arbeids-voorwaarden hadden, niet ingewilligd konden v5rdn.
Welk belang heeft hij daai’bij verdedigd? Het belang vn
et kapitaal? Of was het niet veel eerder het belang van

le onderneming en dus in laatste instantie h’et belang
van allen, die bij deze onderneming betrokken zijn, dus n de eerste plaats dat der arbeidei-s?

71

36

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Januari 1946

Ditzelfde doet zich ook thans voor hij de loonbepaling.
Na een jaar van gedwongen stilstand, waarbij de lonen
voor 80 fe 100 pCt. zijn doorbetaald, in vele gevallen
zelfs vermeerderd met min of meer clandesfiene toeslagen
of uitkeringen in natura, zijn de ondernemingen na de

bevrijding langzaamaan weer beginnen te draaien. Al
dade]ijk echter moesten de lonen gebracht worden op het
peil van 20 25 pCt. boven dat van 1940. Dit is thans ech-
ter volgens de laats’e nota van de Stichting van den Arbeid
niet meer voldoende, men wordt geadviseerd tot 35 â 40
pCt. hoven 1940 te gaan. Het is zonder meer duidelijk,
d’.t de produc
4
ie nog geenszins op dit peil is gekomen.
Wat is hiervan nu het gevolg?
De ondernemingen, die in de laatste bezettingsjaren
reeds belangrijke verliezen hebben geleden en voor een
belangrijk deel ]eeggeplunderd zijn, teren, voorzover
dit althans nog mogelijk is, nog weer verder in. De nood-
zakelijke kapitaalvorming word t volkomen verwaarloosd
en dat in een tijd, waarin (vergelijk het belangrijke artikel
van Prof. Koopmans in ,,E.-S.B.” van 18 Juli en
1 Augustus 1945) het kapitaal zo schaars is en herstel
itan de welvaart slechts door nieuwe kapitaalvorming
kan plaats vinden.

Nu weet ik best, dat de slijging van het.’ prijspeil een
loonsverhoging van 35 tt 40 pCt. wettigt. Maar, waar hel
mij thans om te doen is, is, dat men het den werkgevers niet euvel kan duiden, wanneer zij zich tegen deze gang
van zaken met hand en tand verzetten. En als zij dit doen,
dan geschiedt dit niet terwille van den kapitalist, doch uitsluitend in het belang van de onderneming en in het
belang van de arbeiders, die daarin wei’ken.
Ik kan mij niet voorstellen, dat er een werkgever is,
die niet graag zijn kantoorpersoneel de hoge salarissen
zou willen betalen, die tegenwoordig vele officiële instan-
ties geven, of die zijn arbeiders nier een rustig en rijk
bestaan zou gunnen.
Maar deze werkgevers weten, dat zij, willen zij de werk-

gelegenheid in de onderneming behouden, een deel van
de arheidsproductiviteit moeten bestemmen voor instand-
houding en vernieuwing van het kâpitaal. Daarvoor,
maar ook daarvoor alleen, voeren zij die voortdurende
strijd tegen de eisen der arbeidersleiders.
Beschouwt men de zaak zo, en ik geloof niet, dat men
het anders kan zien, dan blijkt daaruit, dat de werk-
gevers en de arbeidersleiders in hun besprekingen slechts
schijnbaar een verschillend belang hebben; in wezen komen
zij beiden op voor hetzelfde belang, nI. het belang van
hen, die in de onderneming hun werk vinden.
Maar als dit zo is, dan moet er ook een oplossing zijn.
Dan staan zij niet tegenover elkaar, doch zij spreken
langs elkaar. En dan moet er toch ook een vdrm kunnen
worden gevonden om deze in wezen op hetzelfde belang
gerichte standpunten te coördineren.
Wanneer ik daarover iets ga schrijven, dan wil ik eerst
nog even verklaren, dat ik mij volkomen bewust ben,
dat ik in het bovenstaande niets nieuws heb gezegd. Ik
heb geen andere pretentie, dan dat ik de feitelijke toe-
stand, zoals die op het ogenblik is, en misschien vroeger
ook reeds was, met betrekking tot de verhouding werk-
gever en arbeider en de loonvorming in eenvoudige woor-
den heb uiteengezet.

Waar het voor mij op aankomt, is, dat het verschil,
dat steeds tussen werkgevers en arbeiders wordt gecon-‘
strueerd en gesuggereerd, in wezen niet bestaat. Ik ben
nuchter genoeg en heb in de 25 jaar, dat ik de beweging meemaak, genoeg kijk op een en ander gekregen, dat ik
niij niet voorstel, dat dit betekent, dat nu ook maar
de organisaties voor werkgevers en ârbeiders moeten
worden opgeheven en men voortaan gezamenlijk in één
gro’e organisatie de sociale vraagstukken moet gaan
regelen.
Naar mijn mening zou men al een heel eind in de goede
richting gaan, wanneer de organisaties van werkgevers

en arbeiders zouden willen erkennen, dat het geen prin-
cipiële verschillen zijn, die hen gescheiden houden, doch
dat zij de onderhandelingen voeren op de basis van één
gemeenschappelijk belang.

Men ondei-schatte de betekenis daarvan niet. Ik weet
niet hoe het anderen gaat, maar als ik thans besprekingen
met de leiders der pei’soneelsorganisaties voer over de
arbeidsvoorwaarden, heb ik het gevoel, dat ik tegenover
mensen sta, die iets anders willen dan ik. Dat is fout en
dat moet veranderen. Maai’ hoe moet dit gebeuren?
Een blote bewering, dat men precies hetzelfde wil, is
niet voldoende. Ook al zou men dat in duizenderlei vorm
herhalen, dan nog zou zij niet aanvaard worden. Even-
min verwacht ilc veel heil van beschouwingen hierover in
de pers of in de vakbladen. Wil men in deze iets be-
reiken, dan moet er iets concreets gebeuren. Zeer belangi-ijk daai’voor zou het al zijn, wanneer de
Overheid en allen, die het overleg inzake sociale vraag-
stukken organiseren, zich niet, zoals tot dusverre, angst-
vallig houden aan een paritaire vei’tegenwoordiging der
partijen. Men zou in het vei’volg eenvoudig moeten spreken
van een vertegenwoordiging van het bedrijfsleven. Dat
men daarbij dan vooral in het begin ,,toevallig” st’eeds
evenveel personen aanwijst, die tot de werkgeverski’ingen
worden gerekend, als personen uit de arheidei’skringen is
een bijkomstigheid, die men mi. niet te zwaar moet op-
vatten. hoofdzaak is, dat men, aldus handelende, niet
telkens weer het verschil demonsti’eert en accentueert.
Als men dit gedurende enige jaren in alle verschillende
raden en commissies doet, waarin arbeidsvraagstukken
aan de orde komen, dan moet dit op den duur, afgescheiden
van de indruk naar buiten, aan’ de betrokkenen zelf het
gevoel geven, dat zij niet een verschillend belang ver-
tegenwoordigen, doch een gemeenschappelijk belang, dat
van het bedrijf.
Tegenwoordig is het zo, dat de heer A. het werkgevers-
belang en de heer B. het arbeidersbelang vertegenwoor-
digt, en dat zij zich ook geroepen voelen ienovereen-
komstig te handelen. Dit zou op de bovengenoemde ma-
nier veranderd kunnen worden
1).

Zo zijn er meer gebieden, waarop dit gemeenschappelijk
belang gedemonstreerd kan worden en het is duidelijk, dat dit in laatste instantie en het meest vruchtbaar door
de betrokkenen zelf kan geschieden.
In dit licht hebben wij min of meer als vrucht van de
moeilijkheden in de bezettingsjaren de Stichting van den
Arbeid te zien. Het Congres, dat deze Stichting onlangs te Utrecht heeft gehouden, was een demonstratie, waar-
van de betekenis niet onderschat mag worden. Ik weet
heel goed, dat in bizondere tijden als die, waarin wij thans
leven, de gemoederen steeds ontvankelijk zijn en dat
men dan gauw in zijn enthousiasme tot dingen komt, die
op den duur niet bestendig blijken. En ook weet ik, dat er
slechts weinigen zijn, die een dmonstratie als de ge-
noemde ook werkelijk innerlijk beleven. Voor verreweg
de meesten is het een interessante nieuwigheid, die
zij als ontwikkelingsverschijnsel aanvaarden, doch die

‘)
Neem buy, maar weer eens de afvaardiging naar de Arbeids-
conferenties. Waarom moet daarbij telkens worden vermeld:
,,Voor de werkgevers is afgevaardigd de heer A., voor de arbeiders
de heer B”? Vaarom kan men niet zeggen, dat naast de verLegen-
voorcligers van de Regering voor het bedrijfsleven zijn afgevaardigd
dç heren A. en B.? De nieuwe publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, die door de
Regering in een voorontwerp is ontwikkeld, berust ook weer op
de oude paritaire vertegenwoordiging der partijen”.
Velk een schone gelegenheid Is er hier om nu eens een werkelijke
stap vooruit te doen en te spreken van een gemeenschappelijke
vertegenwoordiging van het bedrijf. Daarbij zou dan bepaald
kunnen worden, dat de vertegenwoordigers zullen worden aan-
gewezen door de in het betreffende bedrijf bestaande representatieve
organisaties op sociaal gebied.
Practisch moge dat op hetzelfde neerkomen als in het voor

ontwerp, feitelijk is ei’ een groot verschil. Men zit in de Staten-
Generaal – ook al moge men politiek nog zover van elkaar staan – ook als volksvertcgenwoordiger en er is maar één belang, dat van liet Nederlandse volk. Zo moet men in de bedrijfsorganisatie ook
zitten als vertegenwoordiger van het bedrijf, en er maar één belang
zijn, dat van het bedrijf, in het raam van het algemeen belang.

16 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

37

hun eigen instelling ten opzichte van de betreffende
problemen niet beroert. Dit doet echter niets af aan he
feit, dat, nog geen half jaar nadat ons land zich uit de
diepste ellende heeft kunnen verheffen, een dergelijke
demonstratie heeft kunnen plaats vinden, terwijl, wal
nog belangrijker is, daardoor een grondslag •is gelegd,
waarop een verdere samenwerking kan worden gebouwd.
V,Tann
ee
r zij, die geroepen zijn in sociaal opzicht aan
ons bedrijfsleven – ik spreek nu niet meer van werk-
gevers en arbeiders – leiding te geven, er in kunnen slagan
om de geest, die dit Congres van den Arbeid bezielde.
levendig te houden; wanneer zij de lagere regionen in
het bedrijfsleven daarvoor ook ontvankelijk kunnen
maken, dan is het ‘zeer wel mogelijk, dat zij daaruit op
den duur een concrete samenwerking opbouwen, die nie
uitgaat van verschil in belangen, maal’ van één uitgespro-
ken gemeenschapsbelang.
Welke organisatorische vorm deze samenwerking zou
moeten aannemen is niet principieel. Wij kunnen, als wij
in de goede richting gaan, dit gerust aan de ontwikkeling
‘zelf overlaten of, zoals Prof. de Vooys het eens uitdrukte:
Door de gehiekkige kris tallisatie van onderlinge samen-
voeging heen, moet het gaan naar een hogere eenheid der
samenleving, welker zelfbewustheid besloten ligt in een gevoel van gelijkgestemde saamhorigheid van velen”.

Dr. Ir. B. BÖLGER•

VERVOERPOLITIEKË ASPECTEN.

Véér den oorlog begon zich een vaste lijn af te tee-
kenen ten aanzien van de vervoerpolitiek hier te lande
met de totstandkoming en uitvoering van de ,,Wet Auto-
vervoer Personen”
(SNA
P.) –
In vervolg hierop zou een ,,Wet Goederenvervoer”
in het leven zijn geroepen, ware niet de oorlog uitgebroken,
waarmede een einde werd gemaakt aan de behandeling
van het bij de Staten-Generaal hiervoor ingediende
ontwerp.
Beide, de
W.A.P.
en het ontwerp voor de ,,Wet Goe-
derenvervoer”, waren uitvloeisels van voorstellen van
de ,,Centi-ale Commissie van Bijstand en Advies vooi
het Verkeersfonds” (Verkeersfondscommissie), welke onder
de bekwame en deskundige leiding van Prof. Mr. F. de Vi-ies
in de eerste plaats geroepen was om de grondslagen te
leggen voor de reeds te lang uitgestelde coördinatie van
het vervoer.

Er bestond véér den oorlog een overcapaciteit
vooral bij het water- en wegvervoer. Aan de wetgeving
ontbraken nog de hiet-boven genoemde en bedoelde re-
gelingen, om van overheidswege te kunnen ingrijpen
in den min of meer chaotischen toestand, welke als gevolg
hiervan op vervoergebied heerschte.
Er moest een einde gemaakt kunnen worden aan de
zich voordoende ongebreidelde concurrentie en er moest aangestuurd kunnen worden op nog ontbrekende samen-
werking en taakverdeeling bij de verschillende onder-
nemingen voor rail-, water- en wegtransport.
1It voor oogen gestelde doel zou benaderd worden door invoering van een vergunningsielsel, dat voor spe-
ciale gevallen uitgebreid (of bedoeld) gedacht was mei
(of als) een stelsel van inschrijvingen. Geen middel van
vervoer zou onder die omstandigheden zonder het aan-
gewezen bewijs op den water- of landweg voor transport-
doeleinden worden toegelaten.

Verwacht werd, dat dan verder de verlangde coördi-
natie met passende concentratie en opheffing van on-
gezonde concurrentie ware te dienen.
Voor het personenvervoer zijn in vorenbedoeld op-
zicht reeds gunstige resultaten bereikt kunnen worden
véér den oorlog en zelfs ook in den oorlog. Dit laatste
vooral is te danken geweest ook aan de persoonlijke
belangstelling voor de onderwerpelijke aangelegenheid
van den Secretaris-Generaal, toen Hoofd van het Depar-

tement van Waterstaat, mr. D. G. W. Spitzen, wiens

Nederlandsch beleid en groote kennis en gave lang nog
een veilige keering vormden tegen onnedemlandsclie in-

vloeden, welke het aangeangen en moeilijk voort te
zetten coördinatiewerk ernstig bedrëigden.

De oorlog en andere ongunstige omstandigheden hebben helaas, nie ttegenstaande het vorenaangeduide
gunstige begin, aan de oplossing van het vervoerprobleem
nieuwe en hooge eischen gesteld en dit probleem zelf
ingewikkelder gemaakt dan het véér den oomlog was.
1

let valt dan ook toe te juichen, dat voor het Verkeer
(en Energie)- een afzonderlijk departement is geslicht.
Dit doet verwachten, dat i.c. een oplossing zal worden
nagesti-eefd, welke Nedeiland de bijzondere plaats ver-
zekert, waarop het, niet ‘t minst ook met het oog op onze
internationale belangen en betrekkingen, aanspraak
kan, mag en moet maken.

Onder sterk gewijzigde en zich nog steeds wijzigende
omstandigheden zal een nieu’ vervoerapparaat opge-
bouwd moeten worden, zich door economische, sociale en
tech nishe bijzonderheden kenmerkend, vaarmede vol-
doende kan worden voorzien in de vervoe:behoefte.
Voorloopig zal de overwinning van het totale tekort
aan transportmiddelen veI met onevenwichtige aanvulling
van het noodige materieel gepaard gaan. Fet gevolg
hier van zal zijn, dat toewijzing van vervoer aan
andere middelen plaats vindt dan daarvoor op den coördi-
natiegrondslag onder normale omstandigheden best emd
geacht behooren te worden. Zulks mag er echter niet toe
leiden, dat de uiteindelijke vormgeving van het nieuwe

vervoe1ssteem, naar het beginsel der coördinatie, uit het
oog verloren wordt, vaardodr opnieuw een toestand zou

worden geboren, welke de vereischte redelijke ‘aanpassing
van vervoercapaciteit aan vervoerbehoefte als een illusie-
te wenschen overliet.

In de eerste plaats is hier gedacht aaii het binnen-landsch vervoer, dat een op zichzelf staand geheel kan
vormen. Hierbij mag echter niet voorbij gezien worden,
‘dat dit – vooi-al het goederenvervoer, waarbij
in-, uit- en doorvoer een belangrijke rol spelen – het
buitenlandsch vervoer raakt, niet zelden daarvan het
begin of einde uitmaakt.
Flet nationale vervoerapparaat zal dus, hoewel ‘zelf

standig, ook bezien moeen worden als een voornaam
deel van

een grooter geheel. Temeer aanleiding bestaat hiertoe, daar zich internationale vei-houdingen kunnen doen gelden, welke zeus regeling van Linnenlandsclme
vervoeraangelegenheden b emoeilijken. In dit verband kan bijv. gewezen worden op de toepasing eertijds van

aan de zgn. Rijnvaartacte te ontleenen maatregelen.
Dezen gedachtengang vervolgend en Nedelland ziend,
grootr dan door geogiaphiscie grenzen geteekend, met
‘z’n internationale lucht’aart- en zeevaartlijnen, met
z’n wereldlucht- en zeehavens en met groote tot ver
buiten zijn grenzen bevaarbare rivieren, wordt de ver-
beelding sterk geprikkeld, om in de toekomst het
feitelijke beeld van ons nieuwe nationale vervoerapparaat
te zien als een vormscheppend fragment van een mo-
gelijke internationale eenheid’ op vervoergebied. Dit laatste moge een utopie genoemd worden, zulks
neemt niet weg, dat er, nuchter beschouwd, zakelijke
aanleiding genoeg bestaat om de oplossing van bestaande
en te verwachten vervoerproblemen in de richting hier-

van te zoeken.
Bedoelde vraagstukken zijn vele, betreffen ook onze
havens, zoowel onderling als met betrekking tot die in
aangrenzende of nabije landen, alsmede oude en nieuwe
overeenkomsten ter zake de vaart op rivieren, kanalen
en andere waterwegen, het grensoveischrijdend land-
verkeer, enz.

Uitstel van de oplossing van al die vaak netelige
kwesties brengt het gevaar mede, dat zich daarbij weer de
welhaast onoverkomelijke moeilijkheden uit het verleden

88

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Januari 1946
1]

zullen voordoen, welke thans, nu wij als ‘t ware aan een
nieuw begin staan, minder bezwaarlijk zullen zijn te voor-
komen of uit den weg te ruimen.
Het is mogelijk, dat veel goeds in vorenbedoelde
richting is te verwachten van de nieuwe internationale Organisatie op verkeersgebied, waarvan Nederland de
eer van het door Prof. Ir. E. R. 1-londelink bekleede voor-
zitterschap geniet. De bijzondere positie van ons land,
zooals die uit het bovenstaande moge spreken, zal echter
beter en meer tot haar recht komen, indien zij door de
betrokken leidende krachten van de Overheid ôn in het
binnenland èn tegenover het buitenland kraphtig worde gesteld en zoo noodig verdedigd. Daarbij zal dan eigen sfeer kunnen heerschen, verruimd, om ook ons aandeel
in de van volkerenorganisaties afhankelijke belangen vol-
ledig te kunnen beoordeelen.
Zoo rijst de vraag, of het wellicht aanbeveling ver-
dient om de hoofden van de diensten voor het binnen-
landsch vervoer, de luchtvaart en de scheepvaart (groote
vaart) in één college samen te brengen, dat den minister
van Verkeer in alle algemeene en bijzondere vervoer-
aangelegenheden van primair belang ter zijde staat.
Voor een bevestigend antwoord op deze vraag zijn
stellig motieven aan te voeren.
Dat ,,Scheepvaart” (nog) niet bij het Departement
vaq Verkeer is ondergebracht, pleit niet tegen verwezen-
lijking van dit denkbeeld. Integendeel is er veel voor te
zeggen deze onderbrenging voor te staan en door te
voeren. Militaire overwegingen, op grond waarvan mis-
schien het afzonderlijke Departement van Scheepvaart feitelijk nog samengaat met dat van Marine, behoeven
geen bezwaar t.egen overgang hiervan naar het Verkeers-
departement te vormen. Immers, ,,Luchtvaart” maakt
reeds deel uit van dit departement, terwijl deze ook: nog
van militaire beteekenis is, welke mogelijk verband
met het Departement van Oorlçg vordert.
Vorengenoemde diensthoofden (behooren te) zijn
de deskundigen bij uitnemendheid, in staat duidelijk
richtlijnen vast te stellen voor het volgen van de te voeren,
op eenheid gerichte vervoerpolitiek.
Vereenigd en zoo bijgestaan door een geschikt secre-
tariaat, zou aan geen autoriteit beter dan aan deze de
behandeling kunnen worden toevertrouwd van beroepen,
ingesteld naar aanleiding van beslissingen der voor het ve1eenen van concessies, ten behoeve van het binnen-
landsch vervoer, in te schakelen instantie. Ook zou an
het gedachte college het besthet noodige contact met het
Departement van Buitenlandsche Zaken in handen kun-
nen worden gelegd, ter voorbereiding van schikkingen
in vervoerkwesties en daarmede samenhangendé geschil-
len, waaraan wij internationaal onderworpen zijn. En
niet in de laatste plaats zou deze interne toporganisatie
aangewezen zijn om Ieidirg te geven aan het werk ter
oplossing van de groote vraagstukken, die zich in ver-
schillende sectoren van het binnenlandsch vervoer voor-
doen en aan bijzondere adviescommissies plegen te worden
voorgelegd.
Onwillekeurig gaat bij het overdenken van één
en ander de gedachte ook uit naar de aanraking van
het Staatsbedrijf der P.T.T. met de groote vervoer-
lichamen als de KLM., de N.S.,enz. Het is tiiet uitgesloten,
dat deze aanraking in bepaalde gevallen de bemiddeling
van de Overheid zoo niet noodig, dan toch gewenscht
maakt.
Met onderbrenging ook van den dienst der P.T.T. bij

het Departement van Verkeer en Energie – afgezien
van het vorenstaande al niet onlogisch – ware met het
oog hierop reeds een stap in de goede richting te doen.
Verder zou er dan voordeel in gelegen kunnen zijn om voor bepaalde gevallen het hooger aangeduide college
van drie met het hoofd van den P.T.T.-dienst uit te
breiden. De aldus samengestelde vervoerraad zou zoo
een afspiegeling nabijkomen van de eertijds voor de Ver-

keersfondscommissie raadzaam geachte en goed gebleken
vertegenwoordiging.

De vervoerpolitiek, waarvan in den aanhef sprake
was, zal, naar het voorkomt, principieel weinig of geen
wijziging behoeven. Vele details van de terzake getroffen
regelingen en uitgevaardigde voorschriften zullen echter
niet onbeteekenend moeten worden herzien.
Alleen reeds het feit, dat wij niet meer staan als véôr
den oorlog met een ,,teveel”, dat op den langen duur
(dus traag) tot de grens van ,,ltet voldoende” eerst zou
zijn teruggebracht, doch moeten uitgaan van een ,,totaal
tekort”, dat met alleen door de overmacht der schaarschte
beperkten spoed ingehaal1 dient te worden, om de ont-
wikkeling van het nieuwe Vervoerwezen in goede banen
te leiden en te houden, vergt ingrijpende verandering van de bij de vervoervergunningverleening te volgen
procedure. Dit en ook niet door den naoorlogstoestand
geboden, doch door de ervaring nuttig en noodig gebleken,
verbeteringen, vorderen voorts wijziging in de samen-

stelling en werkwijzé van het betrokken gezag, de zgn. Commissie Vervoervergunningen (C.V.V.). Hierbij zal

zich thans ook invloed ten goede kunnen doen gevoelen
van de vervoerbedrijfsorganisatie, op nieuwe leest ge-
schoeid, en verder gegaan kunnen worden in de richting
van het verlangen naar soepele en verreikendesamenwerking
met de Rijksverkeersinspectie, die door haar dagelijksch
contact met de practijk voorlichting van onschatbare
waarde en niet minder waardevolle adviezen terzake
weet te geven. Niet onopgemerkt mag hier ook worden

gelaten, dat het alle aanbeveling verdieot;te zoeken naar
een vaste basis voor uitspraken in beroep, opdat hier-
mede niet van het op den voorgrond te stellen coördinatie-
beginsel
zal
kunnen worden afgeweken.
De in bovenstaande punten beknopt geschetste
aspecten vertolken oppervlakkig, doch, naar hier bedoeld
en gehoopt wordt, voldoende belangstelling wekkend,
slechts eenige belangrijke desiderata.
Naar zich laat aanzien zouden voor de vervulling
hiervan voorloopig hoofdzakelijk tijdelijke voorzieningen
in aanmerking komen. Een bezwaar is dit allerminst,
integendeel past het karakter hiervan goed bij dat van
den overgangstoestand, waarin wij verkeeren en waarin
de nieuwe verhoudingen zich nog duidelijk moeten af-
teekenen om met de kennis hiervan definitieve oplossingen
hecht en stabiel te kunnen fundeeren.
Bij de toepassing •van het ,,Reglement Autovervoer
Personen” (R.A.P.), voorganger van de W.A.P., is in
dit opzicht, hoewel onder geheel verschillende en minder
vèrstrekkende verhoudingen, niet onbeteekenende er-
varing opgedaan, waarmede ernstig bij opzet en uitvoering
van nieuwe plannen, als beoogd, rekening zou zijn te
houden.

Deze bescheiden bijdrage moge anderen bewegen
tot betere uitingen van den wil, waarmede wij allen be-
zield zijn, om ons uit den door onze vijanden achter-
gelaten noodtoestand energiek op te werken.

H. VAN BREEN.

DE ZUIDERZEE WERKEN EN ONZE

NATIONALE WELVAART,

Onderstaand artikel, waarvan de publicatie aanmer-
kelijke vertraging moest ondergaan, is geschreven véôr
het oorlogsgeweld en daarmede de Duitsche bezetting
van ons land een einde had genomen. Reden waarom met
het vraagstuk van overdracht van Duitsch geëvacueerd
grondgebied ook aan ons land geen rekening kon worden
gehouden.
Toch staat deze gebiedsoverdracht met het hier be-
handelde onderwerp in nauw verband.
Een dergelijke uitbreiding van ons grondgebied als

:

16 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

39

waardevol staatsbezit zal immers ook een oplossing
geven voor de steeds nijpender wordende vraag, op welke
wijze aan het nog steeds gecontinueerde belangrijke accres
van onze agrarische bevolking gelegenheid ware te geven
het van vader op zoon uitgeoefende bedrijf te kunnen
blijven uitoefenen, de afhankelijkheid van onze brood-
voorziening van ‘het buitenland te verminderen en ons
totale bevolkingsaccres, hetwelk onmiskenbaar met onze
volkswelvaart samenhangt, op peil te houden.
Tevens zal deze wijze van vergoeding van de schade,
ons land tot de grens van ons nationaal vermogen toe-
gebracht, als eenig middel in staat stellen onze arbeid-
en welvaartbrengende nationale outillages wederom op
te bouwen, ons vooroorlogsch ontwikkelings- en uit-
breidingsprogram wederom op te vatten en tot voltooiing
te brengen.
Wij zien ons voor de keuze gesteld een dergelijke ver-
goeding te eischen en doorgevoerd te krijgen, dan wel
het aangaan van buitenlandsche financieele verplich-tingen, waardoor op een groot deel van ons nationaal
arbeidsvermogen zou worden beslag gelegd., teneinde
hieraan te künnen voldoen, terwijl de uiterste beperking en versobering zou moeten worden betracht om hieraan
niet te gronde te gaan.
De meest noodzakelijke en nuttige uitbreidingswerken
zouden onder die omstandigheden gevaar loopen in de
verdrukking te komen, waardoor een afglijden naar een staat van armoede en afhankelijkheid, gebondenheid en
ingeperkte nationale bewegingsvrijheid in hooge mate
verbaast zou worden.
Weigeren wij echter aan te nemen, dat ons volk zich
in commercieel-economisch opzicht in den hoek zal laten
dringen van financieele nationale onmacht en doel-
bewust voorwaarden tot het herstel van onze landelijke
economische levensvatbaarheid zal eischen, dan blijft
onderstaande beschouwing in het gezichtsveld gelegen
van onze toekomstige landelijke ontwikkelingsmogelij k-
heden.

Een zoo omvangrijk en ingiijpend werk als de afsluiting
en drooglegging van de Zuiderzeegebieden, zal zijn stempel
drukken op de geheele economische ontwikkeling van het
bedrijfsleven, hier te lande, zôodat dit onderwerp niet in
beknopten vorm volledig kan worden behandeld.
Van den veelzijdigen invloed, welke de Zuiderzeewerken
op onze -volkswelvaart zullen uitoefenen, vraagt meer
speciaal die op agrarisch gebied de aandacht. Er bestaan drie mogelijkheden tot productieverhoo’ging
in den landbouw, te weten:
vermeerdering van de specifieke opbrengst;
ontginning van woeste gronden en het in cultuur bren-
gen daarvan;
toevoeging van vruchtbare gronden aan de landopper-vlakte door middel van inpoldering.

Aan een streven tot opvoering van onzé agrarische
productie is hier te lande veel aandacht besteed, zoowe]
in kwalitatieven als kwantitati.even zin. Wat het eerste
letreft, door steeds op hooger peil brengen van het land-
bouwonderwijs en door voorlichting, door het instellen van diensten op het gebied van plantenveredeling, vee-
voederbereiding, bestrijding van plantenziekten, onderzoek
naar bodemgesteldheid, etc., en door het’stichten van den
veeartsenijkundigen dienst. Dat deze maatregelen in letter-
lijken en figuurlijken zin goede vruchten hebben afge-
worpen, wordt bewezen door de stijgende reputatie, die
onze agrarische producten in het buitenland genieten en
tevens door een zeer markante toeneming van de specifieke
opbrengst. Zoo werd in de periode van 1911/1939 een ge-stadige verhoogirig in specifieke opbrengst van de meeste
landbouwgewassen van 20 tot 40 pCt. verkregen. Nog
zijn wij in dezen niet aan de grens der mogelijkheden
gekomen.

Door deze maatregelen wordt echter geen uitbreidings-

mogelijkheid gegeven aan de directe tewerkstelling in den
landbouw.
Aangezien het aantal ha, dat per tewerkgestelde kan
worden bewerkt, vrij constant blijft, is werkverruiming
in den landbouw vrijwel geheel op uitbreiding van cultuur-
grond aangewezen. Gebrek aan cultuurrond is dan ook
in Nederland de voornaamste oorzaak van den trek van
de landbouwbevolking naar de steden en industriecentra
en niet, zooals in Frankrijk, de zucht van dei landbouwer
zijn bedrijf vaarwel te zeggen. Teneinde in het gebrek
aan cultuurgrond zooveel mogelijk te voorzien, heeft de
landontginning ernstig de aandacht gehad. In boven-
genoemde periode werd een oppervlakte van rond 150.000
ha. heide- en zandgronden tot bouw- en grasland en
bosch ontgonnen, doch deze bron van landaanwinst
voor den landbouw zal binnen afzienbaren tijd opdrogen.
Nu is immers nog slechts voorhanden rond 220.000 ha
aan heide- en zandgronden en onvergraven en vergraven
hoogveen, waarvan toch zeker niet meer dan 100.000 ha
voor dit doeleinde zal mogen worden prijsgegeven.
Wanneer men bovendien in aaiimerking ‘neemt, dat elk
jaar een niet onbelangrijk areaal aan cultuurgrond verloren
gaat voor uitbreiding van stedeii en dorpen, den aanleg
van spoor- en landwegen, het graven van kanalen etc.,
terwijl de door ontginning van woeste grondengewonnen cultuurgrond dbor geringere vruchtbaarheid aanvankelijk
geen al te groote waarde heeft, dan is het winniea van
nieuw bouwland, door inpoldering van gebieden van ge-
middeld goede vruchtbaarheid, wel de aangewezen op-
lossing voor de toekomst om aan onze agrarische bevolking
expansiemogelijkheid te geven, onze landboüwproductie
verder op te voeren en de ingetreden daling int ons be-
volkingsaccres tegen te gaan.
ln hoeverre de Zuiderzeewerken hieiin vermogen te
voorzien, zal uit de volgende nadere behandeling van de
voordeelen, welke dit omvangrijke werk biedt, blijken.
De zes belangrijkste voordeelen zijn:
omvangrijke uitbreiding van industrieelen nieuwbouw;
bestrijding van conjunctuurschommelingen door uit-
voeren van belangrijke werken door of met mede-
werking van de Overheid, waarvan het tempo van
uitvoering in afhankelijkheid van de conjunctuur
geregeld zal worden; versneld bij conjunctuurdaling,
vertraagd in tijden van hoogconjunctuur, met het
doel’ de conjunctuurschommelingen te voorkomen of
af te vlakken;
mogelijkheid tot verruiming van blijvende werkgele-
genheid op agrarisch gebied;
gunstige invloed op ons jaarlijksch bevolkingsaccres;
gunstige invloed op het lsche productie;
het tegengaan van verstoring van het gewenschte
evenwicht tusschen industrieele en landbouwproduc-
tie.

ad a. De uitbreiding der industrieele bedrijvigheid,
welke de uitvoering van dit omvangrijke werk mede-
brengt, draagt een zeer bijzonder karakter.
De uitvoering van dit machtige werk, dat in opzet en
omvang eenig in zijn soort is, vereischt een omvangrijke
outillage van zeer speciale constructie en hoedanigheid,
zooâls baggermolens, zandzuigers, oriderlossers, slecpboo-
ten, etc., materiaal, waarop juist onze industrie gespeciali-
seerd is, zoodat dit in hoofdzaak hier te lande kan worden
vervaardigd. Veel nieuwe ervaring zal bij de doorvoering
der Zuid erzeewerken verder worden opgedaan, welke tot
constructieverbetering der te gebruiken outillage en
nieuwe ontwerpen daarvan aanleiding zal geven, waar-
door de internationale reputatie, welke onze industrie op
dit gebied reeds heeft verworven, nog zal toenemen. Ook
belangrijke ervaring en ontwikkeling in wetenschappelijken
zin zijn van de uitvoering van de voornaamste onder-
deelen dezer werkzaamheden het gevolg. Dijken en sluizen
van zeer speciale constructie werden na grondige studie

40

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Januari 146

(

ontworpen, pompen met een uitzonderlijk hoog nuttig
effect gefabriceerd en materiaalverbeteringen tot stand
gbracht, kortom, de bij dit werk betrokken vader

landsche industrie doet hiermede een ervaring op, die
haar aanstonds bij het verkrijgen van buitenlandsche op-
drachten zeer ten goede zal komen en haar in staat zal
stellen- ook met succes haar aandeel te nemen in verdere omvangrijke droogleggingen in de toekomst. Het te ver-werkeii materiaalis hoofdzakelijk » van binnenlandschen
oorsprong of in Nederland te betrekken en geeft dus een
hoog percentage aan industrieele werkgelegenheid hier
te lande.

ad b. Dit zoo oiȕvangrijke werk is niet aan tijd gebonden
en kan gevoegelijk worden geregeld iaar de conjunctuur en
de momenteel bestaande werkgelegenheid en wel door
versnellen van het tempo van uitvoering bij conjunctuur-
daling, ve.rtraging bij conjunctuurstijging, waardoor de
conjunctuuischommelingen word en tegengegaan.

ad c. De blijvende werkverruiming op agrarisch gebied
kan als volgt worden omschreven:
het aantal ha bouwland, dat per in den landbouw tewerk-gestelde kan worden bewerkt, is vrij constant en gemiddeld
op 3,6 te stellen. Nu is in de Wieringermeer, groot 20.000 ha,
rond 16.630 ha bouwland gewonnen of rond 83,5 pCt. van de totale oppervlakte. Van de 219.000 ha, welke de volle-
dige Zuiderzeepolders zullen beslaan, mag, indien eenzelfde
verhouding wordt aangenomen, dus 183.000 ha bouwgrond
worden verwacht, waarop 51.000 personen in het landbouw-
bedrijf werk zullen kunnen ‘vinden, een uitbreidingsm’oge-
lijkheid derhalve

van 8 pCt. van dein 1930 in totaal in onzen geheelen landbouw werkzamen. Een zeer noodige expansie-
mogelijkheid, als gevolg van de opdrogende bron van agra-
rische werkverruiming, veroorzaakt door een stijgend
gébrek aan te ontginnen woeste gronden, is hiermee ge-
schapen. Tevens kan deze toeneming aan bouwgrond
tegemoetkomen a3n den landhonger, welke zich bij onz toenemende landbouwbevolking voordoet, waardoor een
steeds nijpender gebrek aan cultuurgrond zich doet ge-
voelen.

ad d.»Vervolgens dient te worden onderzocht, voor welk
aantal personen de Zuiderzeegebieden vestigingsmoge-
lijkheid bieden.
De bevolking van de Zuiderzeepolders zal het karakter
van een plattelandsbevolking dragen. Als plattelandsbe-
volking kunnen worden aangemerkt alle inwoners, geves-
tigd in gemeenten onder een bepaalde grootte.
Voor de volgende beschouwingen zijn twee gevallen
aangenomen:

geval A, waarvoor deze grootte is bepaald op 10.000
inwoners;

geval B, waarvoor deze grens is verlegd naar 20.000
inwoners. –

Nu bedroeg in 1041 de op deze wijze gedefinieerde plat-
telandsbev.olking van ons land voor: –
geval A 32,1 pCt. van onze bevolking, ofwel 2.890.000
zielen en voor geval B 47,6 pCt,, of wel 4.286.000 zielen.
T-let totale opp rvl»k van ons land bedroeg 3.327.000 lia.
Verminderen wij deze oppervlakte met de aanwezige
woeste gronden van rond 220.000 ha, en de totale opper-
vlakte der gezanienlijke gemeenten voor geval A van .rond
102.000 ha, voor geval B 79.000 ha, dan blijft een nuttigT
oppervlakte voor geval A van rond 3.005.000 ha, voor
geval B van rond 3.028.00
.
0 ha over. Voor geval A is dus
de dichtheid van de plattelandbevolking rond
0,96 inwoners per nuttige ha,
voor geval B

1,41 inwoners per nuttige ha.

Voor de geheele oppervlakte van de Zuiderzeegebieden,
groot 219.000 ha, geeft dus:

geval A 210.000 x 0,96 = 210.000 inwoners,
geval B 219.000 x 1,41 = 310.000 inwoners.
Nu zal verwacht mogen worden, dat op den duur de

bevolkingsaanwas ook in deze polders aanleiding zal geven
het het uitgroeien van enkele plaatsen bovcn de 10.000
resp. 20.000 zielen, dan wel, dat de bevolkingscentra van het oude land hun aantrekkingskracht zullen doen gi Iden
op dat deel van de beolking, dat zich in plaatren van
grooter stedelijk verband wenscht te vestigrn.
Berekeningen toonen aan, dat in de periode van 1899
tot 1941 het saldo van de migratie van een plattelands-
bevolking, waaronder wordt verst- .an 6ie van de plalsen met minder dan 10.000 inwoners, naar grootere plaats- n
heeft bedragen 14 pCt. van de platteiandsbevolking. Wordt
de grens verlegd naar plaatsen onder de 20.000 inwoners,
dan valt dit saldo terug op 8 pCt.

In de eerste 40 jaar nadat de Zuiderzeepolders gcheel
in exploitatie zullen zijn gcbracht, zullcn deze dus, naar
deze berekening, aanleiding geven tot een bevolkings-
accres:

voor geval A van 204.000 x 1,14 = 233.000 inwoners,
voor geval B van 303.000 x 1,08 = 327.000 inwoners.

Een contrôl°berekening kan als volgt worden gemaakt.
Indien wordt aangenomen, dat de bevolkingscentra in
de Zuiderzeepolders niet boven de 20.000 inwoners zullen
uitgroeien, geeft een becijfering, uitgaande van de bevol-
kingsdichtheid van overige agrarische gebieden in ons
land, het volgende beeld. »
De drie provincies, welke een uitgesproken agrarisch
karakter vertoonen, zijn Groningen, Friesland en Zeeland.
In onderstaande tabel is nu de bevolkingsdic.htheid van
deze provincies aangegeven, waarbij de bevolking van de
steden boven de 20.000 inwoners is geëlimineeid.

Oppervlakte
»

Gereduceerd
Aantal
Provincie
in ha
»
aantal
inwoners
inwoners
per ha

Groningen
232.571
325.325
1,4
Frisland
327.257
393.738
1,2

Zeeland
178.580
256.069
1,435
Totaal
,

738.408.
975.132
1,32

Het gemiddelde aantal inwoners per ha is dus op 1,32
te stellen.
Dit geeft voor de 219.000 ha van de Zuiderzeepelders
een aantal van 295.000 zielen. Onder toepassing van S pCt.
verhooging voor migratie naar plaatsen boven de 20.000
zielen, geeft dit 320.000 inwoners. –
Voor afzïenbaren tijd mag dus met géen hooger bevol-
kingsaccres, veroozaakt door het ontsluiten van de Zuidcr-
zoegebieden, gerekend worden dan rond 300.000 ii 325.000
zi len. –
Dit aantal komt boven het accres van het oude land
en zal weliswaar»de daarin opgetreden daling in de eerst,-
volgende decennia »in belangrijke mate kunnen tegen-
gaan en het uiteindelijk te bereiken aantal van onze
tötale bevolking daarmede verhoogen, doch een blijvende
daling in ons bevolkingsaccres zal hierdoor niet kunnen
worden vermeden.

ad e. Vervolgens de gunstige invloed op het kwaliteits-
peil van onze agrarische productie.
1-let groote succes, hetwelk het in cultuur brengen van
de Wieringermeer heeft geoogst, is in hooe mate te danken
aan de uitstekende landbouwtechnische en -wc-tensch
u»-
pelijke voorbereiding en leiding, welke hieraan o.a. werd ge-
geven door den Dienst van, den Wieringermeerpolder. Met
haar uitgebreiden staf

van wetenschappelijk personeel,
goed geoutilleerde laboratoria en de daaraan verbonden
onderafd eelingen, werkzaam op microbiologisch ge bied,
ilsmede op dat van landbouw, plan

ten- en bodemkundig onderzoek, benevens die ten behoeve van de voorlichting
der pachters, kon de Directie der Wieringermeer bij het
in cultuur brengen der drooggclegde gronden uitstekende

II

. .
eu

94;

– -. ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

41

vuc ereiding treiien en 1iding geven. Tevens vordt door
d zon de st ren g ri g Id contact onderhouden met de
r v
stig’
p
cliteis, wa,ldoor een innige samenwerking
is tot stand gebracht- tusschen wetenschap, techniek en pi etijk.
11- t is dart oc’k voornam lijk hieraan te danken, dat de
icirielili g en ple itetie van het rthuw verkregen cultuur-
gebied p uitzond dijk boeg
peil
staan. Mede hierdoor he esclel r in landhouwkeji gen een stijgende vraag naar
3 ze gn nien en zijn de verkregen epk itatiecijfers van
dec ni v .ig af uiterst gunstig gweest. Zoo meldden zich
in 1939 voor 51 te verp echten bedrijven meer dan 1.000
g g eeigdeu an en w’ rden reeds in 1933 opbrengstcijfers
voor t n-we van 3.750 leg per ha geboekt, een resultaat,
veer”
‘e’lrgen boven de gemidd Iden op het oude land
b ‘ha Ii. liet w s daarom oeie wijs besluit bovengenoemen
r)ie st over te plaatsen naar den NO-polder, nadat ook
cl z eo. den waren ei: ooggeva]len. De i ijke ervaling, in
(l V i ii geimrer opgedaan, zei het in cultuur b1engen
v
1
,l z’n p hier ten z” rste bevorderen. Voor de hand
Iit, d t voor de Zuidelijke polders op analoge wijze zal
w v’de’i
gehandeld. Het is te w rwechten. dat genoemd

i sl
ituut irt Heen zijn stempel z 1 drukken op de much-
1
oxil it tie v n de Zuiderzeepclders, doch dat dit

0
trum vnu lendb uwkundige kennis en wetenschap, zij 3 n m’er i idit’ ct, ook van overwegenden invloed zal zj ‘ bij h t opvoeren van het peil van ons algeheele agra-
‘i che hedrijfslcven.
ad f. Ten slotte het opvoeren van dé landbouwproductie
naast de steeds voortschrijdende industrialisalie. De best’iande inderling van onze cultuurgronden heeft
door een ov’ rwegend contingent grasland ten opzichte

v en de
opp rvl kte aan akkerboiiw ten gevolge, dat, niet-
t erstaande de specifiek hocge productiecijfers, welke
onzen landbouw kenmerken, deze resulteeren in een lage
sperifi
lee
brnto-cpbrengst aan voedingswaarde.
TTi6 in is de oerz’rak g legen van de veelal door landbouw-
dskundigen geuite meering, dat het vclume van onze
vo”dselpreductie nauwelijks voldoende zou zijn om de
ve’edsvlhrI’u’r fte te d kieen van onze bevolking op de
teee.nwoerdie g’ tejsterkte.
Dit, is naar mijn iTeening nog niet het gevl; immers,
er is ong&wiiteld nog een gunstige marge voorhanden,
doch wel dreigt het gevaar, dat deze, na terugkeer van
nomnle verhoudingen en bestendiging van den ontwikke-
hngsgang van ons bedri.iisleven en onzen hevolkings-
aanwas, voor de toekomst ontoereikend zal worden.
In het vervolg van dit OpStel zal nog worden ingegaan

op een aantal andere punten.
Dr. W. LULOFS.

pR: JSBHEEP.SCff NG IN DE VEREENIGDE

STAlEN GEDURENDE EN NA DEN OORLOG.

Organisute en bee’oegd/eeden.

Met de regeling.van prijzen en tarieven is in de Vereenig-
de Staten het ,,Oriice of Puice Administration” (OPA.)
belast, een van de departementen onalhankelijke instantie,
aan liet hoofd waarvan de ,,P’ice-administrator” staat.
Deze is direct verantw’oordeiijk voor zijn beleid aan den
President van de Vereenigde St eten. Behalve met de prijs-1 eheerschinginden ruimsten zin deswoords, is het,,O.P.A.”
tevens belast met de regeling van de rantsoeneering.
1-let is sterk gedecdntraliseerd. Onder de 9 regionale hureaux
van hel ,,O.P.A.”staan93dislrictsbureaux en 5.500 plaatse-
lijke bureaux, de ,,War Price and Rationing Boards”.
Deze laatste zijn samengesteld uit een gesa.larieerd secre-
tauiaat en volontairs, die bij toerbeurt het publiek helpen.
In November1943 waren er53.500 eriuployé’s, bijgestaan door
200.000 volontitirs. De taak van deze volontairs is het
uitreiken der levensmiddelenkaarten. Voorts wordt het
secretariaat bijgestaan door de zgn. ,,Price Panels”,

waarin vertegenwoordigers van verschillende bevolkings-
groepen en bedi’ijfstakken zitting hebben. De leden hier-
van brengen adviezen uit omtrent te treffen pnjsregelingen
en zijn belast met de prijscontrôle. Door deze wijze van
Organisatie heeft men getracht het apparaat van de prijs-
heheersching in zod nauw mogelijk contact met het publiek te brengen en het publiek zelf een werkzaam aandeel hierin te geven. De consument wordt bovendien in hooge mate bij
de contrôle betrokken, doordat krachtig aangedrongen
wordt alle piijsovertredingen te rapoi’teeren Een
belangrijke hulp hierbij -is de algemeene verplichting
tot prijsaanduiding in de winkels, die in de Tereenigde
Staten evenals hier te lande bestaat. Voor de contrôle op
de huren bestaat een afzonderlijk apparaat, eveneens sterk
gedecentraliseerd, in de ,,Sub Area and Brarich rental
011ices” ‘).
Behalve met gerechtelijke vervolging kan het ,,O.P.A.” tegen overtreders van de prijsvoorschriften optreden door
het onthouden van toewijzingen van gei’antsoeneerde artikelen aan winkelieus. Dooi’ de combinatie van het
prijs- en rantsoeneeringsbeleid kan dit uitei’aard gernakke-
lijk geschieden.
De b3voegdheden, welke aan den , ,Price-administrator”
oorspronkelijk bij de ,,Price Control Act”
van
30
Januari
1942 werden verleend, waren vrij beperkt. In het bijzonder
ten aanzien van cle tarieven van het transportwezen, de
Iandbouw’pi’ijzen en de onroerende goederen. Bij de ,,Anti
Inllation Act” van 2 October 1942 werden zijn bevoegd-heden echter uitgebreid. Tevens werd hierbij de contrôle
op bonen en salarissen in handen gelegd van een ,,Natio-
nal War Labour Board”. Als sluitstuk kwam de ,,I-Iold
the Line Order” van 8 April 1943, waarbij hei mogelijk werd door subsidies verdere prijsstijging tegen te gaan. De drie genoemde wetten kw’amen niet zonder sterken
tegenstand van de zijde van het Congres tot stand. Pi’esi-
dent Roosevelt heeft zich verscheidene malen met speciale
booc’schappen tot het Congres moeten wenden om goed-
kern-ing van de wetsvoorstellen te krijgen, terwijl hij ook
van zijn vetorecht gebruik moest maken om opheffing
der wetten tegen te gaan. Teneinde den tegenstand van de in de politiek in de Vereenigde Staten zoo machtige
,,farmers” te overwinnen, moesten bepaalde concessies
gedaan worden, ten aanzien van de landbouwprijzen.
Bij de organisatie en de werkwijze van het ,,O.P.A.”
valt in liet algemeen op, hoe dit veel meej’ systematisch
is opgezet, dan hetgeen op dit gebied in Engeland is tot
stand gebracht. In Amerika is een volkomen afzonderlijke
organisatie gesticht, die de prijsbeheersching systematisch
ter hand heeft genomen. In Engeland daarentegen is in
overeenstemming met de Engelsche staatsrechtelijke
traditie in het algemeen slechts incidenteel ingegi’epen.
1-let ti’effen van regelingen is daar geheel aan de verschil-
lende ministeiies overgelaten, ‘onder wie de verschillende
artikelen ressorteeren. Door de ,,Treasury” wordt er een
zekei’e coördinatie tot stand gebracht, voornamelijk op
vrijwillige basis. Dooi’ de loyale medewerking en gi’oote
discipline van publiek en bedrijfsleven was in Engeland
een goed georganiseerd contrôle-apparaat niet zoo zeer
noodig.

TVer/c(rnjze tijdens den oorlog

Ook in de Vereenigde Staten is men begonnen met de
prijzeu te blokkeeren. Hier werd het niveau van Maart
1942 genomen. Men bedenke hierbij, dat Amei’ika pas in
December 1941 in den oorlog ging Ook hiei’ stuitte men al
spoedig op de moeilijkheid, dat andere goederen of goederen
van andere samenstelling dan gedurende de basisperiode
werden verkocht. Bovendien deed zich het bezwaar voor,
dat, indien bepaalde groothandeisprijzen daalden, de
detaillisten en niet de consumenten hiervan profiteei’den.

1)
Zie ,,Le contrôle des prix aux Etats-Unis” in ,,Moniteur
officiel du commerce et de l’industrie”, No. 1163 van 1 November
1945.

42

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Januari 1946

Daarom werden al spoedig voor verschillende groepen van
artikelen afzonderlijke ,,maximum pice orders” vast-
gesteld; zoodat de prijsstopbepaling langzamerhand haar
inhoud verloor, evenals dat hier te lande het geval is,ge-
weest. Grootendeels werderf hierbij vaste maximum
prijzen vastgesteld. Voor artikelen, watrbij dit niet moge-
lijk was, werd den fabrikanten toegestaan hun prijzen vol-
gens calculatieschema’s te berekenen. De gecalculeerde
prijzen dienden echter vooraf door het ,,O.P.A.” goed-
gekeurd te worden. Voor den handel in het bijzonder in
den levensmiddelensector werd gebruik gemaakt van het
zgn. , ,Mark-up-System”, waarbij bepaalde percentages
voor handelsmarges werden toegestaan.
In April van dit jaar werd een nieuw systeem voor be-
paalde groepen van artikelen, in het bijzonder textielgoed
en meubelen, ingevoerd. Er was ni. gebleken, dat de prijzen
van deze goederen veel sneller waren gestegen dan die van
de overige, welke voor het levensonderhoud van belang
zijn. (De kosten van levensonderhoud stegen op basis van
het gemiddelde 1935-1939 van Aril 1943 tot Februari
1945 van 124,1 tot 126,8, terwijl die van de kleeding stegen
van 128,7 tot 143,3). Daar dit de voorziening van deze
artikelen in gevaar bracht, heeft het ,,O.P.A.” gezamen-lijk met de ,,War Production Board” de volgende maat-
regelen getroffen. Aan de industrie werd voorgeschreven,
dat 75% van de toegewezen grondstoffen gebruikt moesi
worden voor de productie van goedkoope massaproducten,
de overige 25% werd vrijgelaten. Hier treft men dus een
overeenstemming met het Engelsche ,,utility”. systeem.
Opdat de prijsverlaging tot den consument zou door-
werken, werden schalen (Pricing Charts) vastgesteld,
waaruit de detaillist kan aflezen voor de verschillende
klassen van artikelen, hoeveel zijn verkoopprijs mag be-
dragen bij een bepaalden inkoopsprijs. Op deze wijze heeft
men een probleem pogen op te lossen, dat tot één van de
moeilijkste behoort, waarvoor de prijsbeheersching zich
hier te lande thans ook ziet gesteld.
Bij de vaststelling der prijzen in den landbouwsector
was het ,,O.P.A.” aan bepaalde minima gebonden, als
gevolg vtn concessies, die President Roosevelt aan

de
,,farmers” moest doen om de goedkeuring van het Congres
voor zijn maatregelen te verkrijgen. Deze minima waren,
61 de prijzen van de producten per 1 October of 15 Decem-
ber 1941, 6f de gemiddelde prijzen tusschen 1 Juli 1919 en
30 Juni 1929, 6f pztriteitsprijzen. Deze laatste zijn zoodanig
vastgesteld, dat de boeren een reëel inkomen hebben,
dat gelijk is aan dat van de periode 1909-1914. Bij een
stijging der prijzen in den inclustriesector gaan dus automa-
tisch de landbouwprijzen mee omhoog. Deze royale politiek
heeft ten gevolge gehad, dat van Januari 1941 tot Decem-
ber 1943 de prijzen van levensmiddelen met 40% stegen
tegen die van kleeding met, 33% en die van huishoudelijke
artikelen met 27%.
Van de prijsbeweging der goederen, die voor het levens-
onderhoud niet direct van belang zijn, heeft het ,,O.P.A.”
zich in het algemeen niet veel aangetrokken, hoewel men
zich er van bewust is, dat het onge’enscht is, het eene deel
van het bedrijfsleven wel strenge restricties op te leggen
en het andere niet. Dit heeft echter geen ernsige gevolgen als productieverschuiving e.d. gehad, daar de voorziening
met deze goederen toch altijd op relatief hoog peil bleef.
Eerst sedert April 1943, na het iitvaardigen van de
,,Hold the Line Order”, is men begonnen systematisch
subsidies te verleenen om de prijzen te stabiliseeren.
In October 1943 werd, op jaarbasis berekend, reeds $ 1.140 millioen aan subsidies besteed. Voor 1945 werd een bedrag
van $ 1.500 millioen voof dit doel begroot, waarvan 900
millioen voor den levensmiddelensector. De gevolgen van
deze politiek, gepaard aan een straffere prijspolitiek,
deden zich duidelijk voelen, getuige de volgende cijfers:
(Zie hovenaan tweede kolom) –
Na een sterke stijging tot 1943, zijn de prijzen sindsdien
niet veel meer gestegen. Hierbij moet worden aangeteekend,

Kosten van levensonderhoud 1935-1939 = 100
1940

100,2
1941

105,2 1942

116,5
1943

123,6
1944

125,5
1945 (Mei) .128,1

dat van arbeiderszijde deze cijfers worden betwist en dat
men komt tot een aanzienlijk grootere stijging. In de
Vereenigde Staten doen zich bij het opstellen van dergelijke
statistische cijfers nog bijzondere moeilijkheden voor,
doordat er groote regionale verschillen bestaan.

Na den oorlog.

Wijs geworden door de ervaring van den vrigen oorlog,
toen na een snelle stijging van prijzen en bonen een groote
crisis in 1920 volgde, wil het ,,O.P.A.” na dezen oorlog een politiek volgen, die een dergelijke ontwikkeling zal
tegengaan. Ook hierbij wordt sterke tegenwerking van het
bedrijisleven ondervonden. Verblind door het directe
eigenbelang in de naaste toekomst, vergeet men veelal,
dat het algemeen belang en daarmede ook het eigenbelang
slechts gediend kan zijn met een politiek, die rekening
houdt met de in de toekomst te verwachten ontwikkeling.
Van vele zijden wordt onder het motto ,,Free enterprise” op directe opheffing van het ,,O.P.A.” aangedrongen, te-
zamen met de andere overheidsmaatregelen, die de indu-
strie nog aan banden houden. Anderzijds ondervindt zij van President Truman, die ook in dit opzicht de politiek
van President Roosevelt volledig volgt, grooten steun. Tot
nu toe is liet haar dan ook gelukt haar positie te hand-
haven. Wel zijn sedert het einde van den oorlog een
aantal prijsregelingen opgeheven voor producten, die niet
meer schaarsch zijn, in liet bijzonder grondstoffen, en

voor niet-essentieele producten.

Nieuwe prijs politiek.

Na de beëindiging van den oorlog in Europa werd door
den tegenwoordigen ,,Price Adniinistrator” Mr. Chester
Bowles, een nieuwe prijspolitiek ingezet voor de periode
van omschakeling van oorbogs- naar vredesproductie
2).

Deze politiek is er eenerzijds op gericht de industrie bij
dezen overgang niet te remmen en anderzijds beoogt zij,
dat stijging van kosten en prijzen niet leidt tot inflatie
met alle gevaren van dien. De hier gevolgde politiek is ook voor ons van belang, daar ook ons land zich in een
overgangspeniode bevindt, terwijl uit recente uitlatingen
van Prof. Brouwers blijkt, dat hij zich voorstelt een
eenigszins soortgelijke politiek te voeren.
De twee grondbeginselen van deze politiek zijn:
het toestaan aan de industrie van het incalculeeren
van de verhooging van de voornaamste kostenfactoren
sedert 1941,
een deel van deze verhoogingen ten laste te brengen
van de handelsschakels.
Voor de industrie begint men met uit te gaan van de
productiekosten in de laatste normale periode, in Amerika gewoonlijk 1941. Deze kosten worden verhoogd met twee
actoren, nI. de sedert dat jaar wettig toegelaten stijging
van prijzen van grondstoffen en halffabrikaten en de
stijging der bonen. De stijging van andere kostenfactoren moet de industrie dus voor eigen rekening nemen. Boven
de op deze wijze vernoogde productiekosten wordt het
berekenen toegestaan van een winst, gelijk aan het ge-

middelde van de gedurende de periode 1931-1939 be-
haalde winsten.
01)
deze wijze wordt telkens voor een tak
van industrie gezamenlijk een percentage gevonden, waar-
mede elk bedrijf in dezen sector zijn prijzen mag verhoogen
boven de door hem in 1941 berekende prijzen. Hierdoor is
het mogelijk de prijzen in geheele sectoren van de industrie
snel aan te passen aan de veranderde omstandigheden.

21
Zie ,,Printers’ Ink” d.d.
tZ
October
191,5
,,Why O.P.A. will
stand pat on price cntrôl” door Chester Bowles.

16 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
,

;ii!

Voor bedrijven, die in bijzondere omstandigheden ver-
keeren, is het mogelijk een afwijking van het algemeen
vastgestelde verhoogingspercentage te krijgen.
Voor de kleine bedrijven wordt van de bovenstaande
politiek afgeweken. Zij mogen als alternatief op het toe-
passen van het algemeen verhoogingspercentage in hun
bedrijfstak hun werkelijke •productiekosten calculeeren,
verhoogd met de helft van de winst, die opgenomen is
in het algemeen verhoogingspercentag’e. Eenerzijds wordt

hun dus hierbij toegestaan de omschakelingskosten van
oorlogs- naar vredesindustrie in rekening te brengen,
hetgeen aan de grootindustrie niet wordt toegestaan,
maar anderzijds wordt hun een kleinere winstfactor toe-
gestaan, teneinde hen niet in een @J te voordeelige positie
te brengen. Deze regeling is getroffen om het kleinen indus-
trieelen zonder groote reserves mogelijk te maken het
risico aan te durven om initiatief te nemen. Voor de groot-
industrie is het onder de getroffen regeling niet mogelijk de omschakelingskosten in te calculeeren.. In ieder geval wil men vermijden, dat de prijzen, gedurende de periode
van omschakeling, worden gebaseerd op de hooge kosten
en den lagen omzet. Dit zou via hooge prijzen direct leiden
tot inflatie en vermindering van koopkracht.

Zooals bovenvermeld, is het tweede grondbeginsel van
de prijspolitiek in de periode van omschakeling, dat men
een deel der prijsverhoogingen, die aan de industrie worden
toegestaan, op den handel probeert te verhalen. Dit ge-
schiedt door bijv. aan een tak van handel, met in het al-
gemeen behoorlijke bedrij fsresulta ten, slechts toe te staan prijsverhoogingen van bepaalde artikelen in zooverre door
te berekenen, dat zij op deze artikelen niet met verlies
werkt. Dit gebeurt voornamelijk hij die artikelen, die
verkocht worden in bedrijven met een omzet van gevarieer-
dq artikelen. Voorts wordt in het algemeen aan den handel
geen toestemming tot doorberekening van prijsverhoo-
gingen toegestaan, alvorens de aan den fabrikant toege-
stane prijsverhooging het verschil tusschen de thans
berekende hrndelsmarge en die van véér den oorlog (in
geld uitgedrukt) heeft opgeheven. Door de stijging der
prijzen waren de procentueel vasgestelde marges, in geld
uitgedrukt, ook gestegen, waarvoor geen bijzondere reden
was. Aan den handel wordt thans als minimum de reëele
handelsmarge van véér den oorlog toegekend. Dit sluit

aan bij hetgeen reeds eerder op het gebied van textiel en
meubelen was gedaan, z.00als boven vermeld.
Door deze maatregelen hoopt het ,,O.P.A.” de prijzen
voor de eerste periode na den oorlog binnen de perken te
kunnen houden. De groote vraaghierbij is, watde ont-
wikkeling der bonen zal zijn. Een bijzonder facet, waarop-
ik tot slot wil wijzen, is hierbij, dat President Truman
loonsverhooging wil toestaan, zonder dat afzonderlijke
goedkeuring van de Overheid is vereischt, wanneer deze
loonsverhooging geen terugslag op het peil der prijzen
heeft. Hij is van meening, dat een baperkte loonsverhooging
mogelijk is met handhaving der huidige prijzen. Dit heeft
er toe geleid, dat van arbeidersaijde invloed in de bediijis-
leiding woi’dt gevraagd, met het oog op het prijsbeleid
der ondernemingen. O.a. was dit-het geval bij de recente
staking bij ,,General Motors”. Uiteraard voelen de Onder-
nemers hiervoor niet veel. 1-Jet laatste.woord is hieromtrent
echter nog niet gesproken.

A. W. L.
VAN HAEItSMA BUMA.

BOEKBESPREKING.

Mr. W. C. L. van der Grintên,
De Organisatie van het be-
drij/sleven.
(Alphen aan ‘den Rijn 1944, N. Samsom
N.V., 231 blz.).

De onderstaande boëkbesprehing is nog geschreven onder
de bezetting, toen zij door de tijdelijke staking van de uitga!e
van de ,,Economisch-Statistische Berichten” niet meer kon

worden geplaatst. Uiteraard draagt de inhoud daarvan de
sporen. Menige opmerking zou anders -zijn uitgewerkt, als
toen vrijheid van drukpers zou hebben bestaan. Het heeft
voor den schrijver een punt van overweging uitgemaakt,
of hij den tekst nog aan een herziening zou onderwerpen.
Tenslotte heeft hij daarvan afgezien. Mr:. Van der Grinten
hee/t zijn boek eveneens onder de bezetting moeten schrijven
en zich dus dezelfde beperktngen moeten opleggen. Hij heeft

er recht op nog in dezelfde s/eer te worden beoordeeld. Het
zou onbillijk zijn thans aan – dezen verdiensteljken arbeid
een anderen . maatstaf aan te leggeîi. –

Uit de bijzonder vruchtbare pen van Mr. W.

C. L. van
der Grinten is opnieuw een commentaar gevloeid op één
van de gebieden, waar, in onze dagen een krachtige ont-
wikkeling van nieuw recht heeft plaats gevonden. Ditmaal zijn het de horizontale en de verticale organisaties.van het bedrijfsleven, onderscheidenlijk berustend op de besluiten

206/1940 en 69/1941, waaraan de schrijver zijn vernuft
en zijn begaafdheid

tot registreeren heeft gewijd. Slechts
de regeling van de Kamers van Koophandel en Fabrieken
is buiten beschouwing gebleven, omdat daaromtrent reeds
een studie van gelijke strekking is verschenen. Het boek
heeft dus de vooropgezette bedoeling pionierswerk te zijn.
Weliswaar beschikken wij voor de horizontale bedrijfsorga-
nisaties – voor de verticale ontbrak tot dusver elke samen-
vattende beschouwing van eenigen omvang – over het
commentaar van Mr. J. W. H. Behrens
1),
doch dit heeft,
blijkens het eigen getuigenis van dezen auteur (par. 4),niet
de bedoeling de materie volledig en wetenschappelijk te
behandelen, maar is slechts een poging om de geheele stof zoo beknopt mogelijk overzichtelijk samen te
vatten.
Het
mede bestaande werk van Dr. J. C. C. Rupp
2)
heeft het karakter van een bronnenstudie, welke uitsluitend de
historische interpretatie dient. De. behoefte aan een verder
strekkend commentaar was des te grooter, omdat, gelijk
Mr. Van der Grinten in zijn voorwoord terecht op-
merkt, ,,de wettelijke maatregelen, die tezamen het be-
drijfsorganisaliereéht vormen, niet uitmunten door helder-
heitl van redactie en niet steeds hlijk.geven van een dui-
delijk inzicht van den wetgever in de verschillende proble-
men”. ,,Dit wordt”, naar de schrijver voorts constateert,
,,verergerd door de omstandigheid, dat de maatregelen
gewoonlijk zonder eenige toelichting zijn uitgevaardigd”.
Verschillende detailstudies, welke in dit en in andere
bladen zijn verschenen, konden slechts zeer ten deele tege-
moet komen aan dit tekort, omdat zij uiteraard niet werden
geschreven in het kader van een breede beschouwing van
de moeilijke stof in haar geheel.

In de literatuur, welke tot dusyer over deze materie is
verschenen, vallen twee stroomingen op te merken. De
ééne kiest, gelijk één harer verdienstelijke paladijnen het
zelf omschreef
3),
vooral ,,praejuridische feiten” tot Jiaar
uitgangspunt, zij gaat vooral uit van economische en staat-
kundige motieven, welke de totstandkoming van de Orga-
nisatie van-het bedrijfsleven hebben beïnvloed. Met andere
woorden, haar interpretatiemethode is teleologisch. Mr.
Van der Grinten daarentegen zet koel en nuchter het ont-
leedmes in de stof en beschrijft haar op grond van een
streng juridische analyse van de teksten (historische be-
schouwingen en wa,a,rdeeringsoordeelen sluit hij in zijn voor-
woord uit), daarbij systematisch aansluiting zoekend aan
de algemeene begrippen, welke de rechtswetenschap hier
te lande heeft gevormd. Het heeft weinig zin deze methoden
t.egen elkander af te wegen, eerder moet men zich ver-
heugen, dat een moeilijk en weinig bekend probleem langs
zoo verschillende wegen door bekwame mannen wordt
aangevat. Wie in de gelegenheid is- op te merken, hoe

‘) De organisatie van het bedrijfsleven”, 4e druk, Amsterdam
19
1
.3.
‘) ,,De werkzaamheden der Organisatie-commissie”, diss. Rotter-
dam, Alphen a. d. Rijn, 1943.

3)
Mr. E. Bloembergen, ,,De Raad voor het Bedrijfsleven”, in
Economisch-Statistische Berichten”, no. 1465 van 19
Juli
1944,
bis. 374.

44

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Januari 1946

weinig dit geheele brok recht svor ming zelfs bij onze juristen
nog bekend is, zal slechts kunnen beamen, dat meer licht,
van welke zijde ook ontstoken, hoogst welkom is.
Het staat buiten twijfel, dat Mr. Van der Ginten de
taak zijner keuze op bekwame wijze heeft voibracht. Het wekt bewondering op. te merken, hoe veelomvattend zijn
kennis is van de toch wel zeer bijzondere vraagstukken,
welke hij heeft ontmoet hij deze studie. Zijn beroep op de
clementie van den lezer mag dan ook gerust als een holte-
lijk gebaar worden, opgevat, waartegenover slechts een
even beleefde afwijzing van zulk een nederige betuiging
past.
In de eerste plaats heeft de schrijver zijn boek gebouwd
op een naar omstandigheden zeer uitgebreide documentatie.
In het bijzonder valt op, dat hij acces 1 lijkt te hebben gehad tot een niet algemeen toegankelijke bron als de
interne circuhires van de hoofdgroep Industrie. Dit ver-
kregen voorrecht moet hem intussehen niet verleiden
tot de éénzijdige toeschrijving aan deze organisatie van
algemeenere uitspraken, waaraan zij in haai’ circulaires
slechts mede uiting heeft gegeven. Het voorschrift, dat
geen mannelijk personeel tusschen 18 en 35 jaar op de
bureaux mag worden aangesteld (hlz. 67), heeft bijv. een
veel ruimer veld van toepassing en een diepei’e bron
dan de aanhaling van aanwijzing 43/7 van den voor-
zitter van de hoofdgroep Industrie zou doen vermoeden. Ook de beschouwing op hlz. 80 over het overnemen van
werkzaamheden van de Rijkshureaux door bedrijsorga-
nisaties lijkt niet alzijdig genoeg, allicht evenzeer door hel

praedomineeren van des schrijvers industrieele oriëntatie.
In dit verband mag worden gewezen op het artikel ,,Een
yoorbeeld van overneming van werkzaamheden van Rijks-
burèaux door Bedrijsorganisaties” (,,Economische Voor-
licht ing”. van 8 O(
,
.tober 1943, blz. 752 e.v.), hetwelk,
voorzoovei’ ik kan zien, niet is geciteeid.

In de tweede plaats toont de schrijver ook in dit boek,
dat hij een knap en goed onde”legd ju’ist is. Hij beschikt
blijkbaar over een intuï ief gevoel voor de aanwezigheid
van kwesties en weet deze niet slechts helder le belichten,
doch mede niet zelden met de verbluffende eenvoudigheid,
welke den meester kenmerkt, le ontralelen. Of hij daar-
mede altijd komt tot de oplossing, welke voor de praclijk
de beste zou zijn, is een tweede kwestie, doch tenslotte pretendeert hij dat ook niet. In elk geval is hij prijzens-
waardig objectief in het stellen van de prol lemen en hel
vermelden van de verschillende gezichtspunten. Den
zuiveren jurist valt dan ook bij lezing niet veel tegen te
werpen. Gewezen moge slechts worden op blz. 35, waar hij
een onderneming omschrijft als ,,een natuurlijke of rechts-
persoon, die een bedrijf uitoefent met het oogmerk om
winst te behalen”. In de eerste plaats lijkt dit eer de dei-
nilie van een ondernemer dan van een onderneming en in de tweede plaats bevat zij een pleonasme, omdat volgens
geldend Nederlandsch recht het oogmerk van winst te
behalen inhaerent is aan het begrip ,,bedrijl”
4).

Ook vraag ik mij af, of de schrijver niet mitast, als hij
Op
blz. 125 hij de bespreking van liet VI U.B. opmerkt,
dat daarin de begrippen voorzitter en groep voortdurend
dooreen worden ,,gehaspeld”. Zoodra het aankomt op
rechtsgeldige wilsvoi’ming (en het gaat hier om de execuii
van beschikkingen), zijn beide begrippen ideniek, omdat
zulk een wilsvorming volgens de huidige voorschrillen geschiedt door den voorzitter, die ten aanzien van zoo-
danige manifestaties van de groep met haai’ kan worden
vereenzelvigd. 1

let gaat hier dus slechts om een termi-
nologische kwestie. De desbetreffende beschikking wisselt
eenvoudig synoniemen af. Daartegen kan men uit een oog-
punt van stijl bezwaren hebben, doch. criliek â fond daarop
lijkt mij misplaatst.
Deze opmerkingen of verschillen in appreciatie, welke

Vgl. laatstelijk H.R. 28 Juni 1943, no. 677 en het daaraan ge-
wijde artikel ,,Bedrijî en handelsregi4ter”, in ,,Economische Voor-
lic ling” van10 December 1943, blz. 1001.

ik hieronder bij de bespreking van verschillende onderdeè-
ten door enkele ,andere laat volgen, doen natuurlijk niet
f aan de groote vaardeering, welke het werk verdient.
Wellicht zijn de voortreffelijke qualiteiten daarvan mede

0e te schrijven aan het pleizier, dat, de schrijver blijkbaar
zelf in zijn stof heeft gehad. Hij geeft immers te kennen
.iet werk der Organisatie-Commissie in menig opzicht te
• ewonderen. Zij is er, naar hij constateert, in een zeer kort
ijdsbestek in geslaagd tallooze moeilijkheden en puzzies
op te lossen (blz. 3).’ Het kan niet uitblijven, dat de om-

gang met de resultaten van zulk een arbeid, ondanks zijn
gebreken, medewerlct aan den opbouw van een dergelijke
criische beschouwing. Manus manum lavat.
lIet loont dan ook zelcei’ de moeite kortelijk enkele be-
langrijke onderdeelen van het boelc aan te stippen en, waar
zulks gewenscht schijnt, nader te beschouwen.

Rechts/caralcte,’ der organisaties.

Op verschillende plaatsen brengt de schrijver naar voren,
dat de nieuwe organisaties niet passen in het Icader van
de bestaande publiekrechtelijke organen. Met name de
‘iorizontale organisaties ,,zijn niet uitsluitend in het alge-
meen belang werkzaam, integendeel, het groepsbelang
‘reedt in de Organisatie op den voorgrond”. ,,Dit brengt”,
naar hij opmerkt, ,,med, dat de organisaties sterk ver-
schillen van de vanouds bekende openbare lichamen in
ons i’echt” (hlz. 7).,,Wij hebben hier te doen met pu-
liekrechtelijke lichamen, waarvan de inrichting deels aan
liet pi’ivaati’echt ontleend is” (blz. 8). Op gi’ond ,,van den
hijzonderen aard van het publiekrechtelijk karakter van
de organisaties” ontkent de schrijvèr het ambtelijk karak-
‘er van de functies in de bedrijfsorganisaties (blz. 11). Hij acht dit bijzondere karakter intussehen blijkbaar toch niet
z66 uitgesproken, dat hij artikel 1637
z
B.W., volgens
relwelk de wettelijke bepalingen over het arbeidscontract
niet van toepassing zijn, ten aanzien van personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, niet relevant zou achten
en aanzien van de op arbeidsovereenlcomst werkende secretarissen van de horizontale organisaties (blz. 64).
Samenvattend meent hij, dat met de creatie van de orga-nisaties een nieuwe gedachte in ons recht vorm heeft ge-
kregen: ,,Voor de behartiging van groepsbelangen zijn
aparte lichamen gevormd, die een eigen plaats in ons
staatsbestel innemen” (blz. 7). Voor de voedselvoorzie-
ningsorganen, de verticale organisatie, geldt – behoudens
voor de daarbij ingeschakelde groepen van de horizontale
organisaties (hlz. 191) – naar des schrijvers oordeel in
veel mii’sdei’e mate, dat zij buiten de ambtelijke sfeei’ staan.
Immers, meent hij, dat zij niet in de eerste plaats strekken
ot behartiging van groepsbelangen, w’aarvoor de wetgever
naar zijn opvatting de ambtelijlce sfeer niet heeft gewild
(hiz. 158). Slechts daarnaast en op het tweede plan kunnen
zij de belangen van de bedrijisgenooten behartigen. In-
usschen laat hij de mogelijlcheid open, dat ook deze orga-
nisatie in de toekomst een ander karakter zal verkrijgen
(hlz. 158). Dit geluid is voor het bedrijfsleven zeker aan-
nemelijlcer dan het oordeel van Mej. Mr. E. W. Hoetink
in no. 1422 van dit blad (Juni’ 1943, hlz. 213).

Ik vraag mij echter af, of de schrijver in deze geheele, op
.dchzelf juiste, i’edeneem’ing niet ten onrechte halverwege is
lijven staan. Waarom moeten wij menschen toch altijd
de slaven zijn van onze eigen constructies? Daar hebben
wij nu twee aanduidingen publiek” en ,,privaat” recht,
over het lcaraktei’ waarvan de grootste meeningsverschillen )est aan en waarvan niemand de juiste begrenzing kan aan-
geven op een wijze, welke ook maar eenigszins algemeen
voldoet, omdat zij slechts namen zijn ,,voor bloot gedachte
polen, vaartusschen in zich de . ,,concrete” rechtsverhou-
lingen, op ongelijke alstanden van beide gi’oepeeren, onder
nimmer slilstaand verschuiven”
5).
Nu komen er nieuwe
‘iirtmen, ,,die een eigen plaats in ons staatsbestel in-

‘,

W. van der Vlugt, ,,Algemeene Inleiding tot de Rechts-
a’leei’dbeid”, blz. 209.

16 Januari 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

45

hemen” en waarmede ,,een nieuwe gedachte in ons recht
vorm gekregen” heeft. Waarom moeten deze nu weer in
de oude hokjes worden gewrongn, waar zij luce clarius

niet in passen? Waarom niet eenvoudig aanvaard, dat in
onze samenlevingeen ,,groepenrecht”
6)
groeit, dat noch
publiek noch privaat is? Waarom niet de aanwezigheid van zulk een tertium erkend, wanneer de Staat aan een
collectiviteit van individuen, die zeker niet in de ,,open-
bare sfeer” thuis behooren, het karakter verleent van

openbaar lichaam, hetwelk taken uitvoert, welke vroeger
alleen aan publiekrechtelijke lichamen werden opgedragen?
Van een artikel als 1637
z B.W.
heeft men dan ook in hel
geheel geen last, omdat een groepenrechtelijk lichaam geen
publiakrechtelijk lichaam is, zoodat het personeel van de
eerstgenoemde soort rusiig kan vallen onder de regeling
voor de arbeidsovereenkomst, gelijk ïedei zal wenschen,
die de ambtelijke sfeer voor deze organisaties uit den
booze acht.

• Onder dit ,,groepenrecht” zullen naar mijn gevoelen op
den duur verschillende lichamen vallen, welke misschien
eerst ten deele bestaan. Reeds thans valt te denken aan
Kamers van Koophandel en Fabrieken
7),
bedrijisorgani-
saties van beide dimensies en althans bepaalde kartels
en vennootschappen, bijv. die, welke het nieuwe Italiaan-
sche B.W. aanduidt als ,,societ4 d’interesse nazionale”
(art. 2461). In deze middengroep zal ook weder divergenie

ontstaan, al naarmate de samens tellende onderdeelen
dichter staan hij de flankeerende groepen van publiek- o
privaatrechtelijken aard. Een verticale. Organisatie, welke
naar haar wezen is gericht op een doel, dat buiten de enge
bela.ngensfeer van elk der componenten ligt, zal meer naar het publiekrechtelijke zweemen, een horizontale Organisa-
tie, welke is gebouwd op gelijkheid van de economische

functies der deelhebbers, zal naar haar aard meer afliniteit
vertoonen met de privaatrechtelijke sfeer. Geen van beide
zijn zij echter in de eene of de andere onder te brengen en
deze negatie is essentieel voor haar plaatsing in het kader
van het groepenrecht.

Rechtspersoonlijkheid.

,,De groepen bezitten rechtspersoonlijkheid”, aldus Mr.
Van der Grinten, op blz. 14. Op blz. 21 laat hij daarop mei
betrekking tot de zgn. ,,erkende bedrijfsorganisaties”,
thans aangeduid als E.B.O.’s, volgen: ,,Deze bijzondere
bedrijfsorganisaties hebben een geheel ander karakter dan
de groepen. Door haar erkenning wordt in haar aard geen
wijziging gebracht. Zij worden hierdoor geen publiekrechte-
lijke lichamen”. De schrijver bedoelt hier blijkbaar, dat de
E.B.O.’s zelfs niet zijn ,,niet zuiver publiekrechtelijke
lichamen”, gelijk hij op blz. 7 ten aanzien van de groepen
vaststelt. Immers gaat hij op blz. 21 voort: ,,Zij blijven
haar vroeger karakter van privaatrechtelijke vereeniging
of stichting behouden. Zelfs behoeft de bedrijfsorganisalie
geen rechtspersoonlijkheid te bezitten. Ook commissies
worden als bedrijfsorganisaties erkend”. Tegen dit laatste
onderdeel van de conclusie – welke overigens ook in haar
geheel aanvechtbaar is, gelijk de schrijver, met een verwij-

zing naar artikel 1 a van het BRsisbesluit, toegeeft – past
een woord van twijfel. Artikel 3 van het III U.B. luidt: ,,De
door de Organisatie-Commissie ingestelde bedrijisorgani-
saties bezitten rechtspersoonlijkheid van het tijdsip al,
waarop haar instellingsbeschikking in werking treedt.”
De bedoelde commissies e.d. bezitten daarom naar mijn
gevoelen door de desbetreffende beschikking rechtspersoon. lijkheid, op denzelfden voet als de naamlooze vennootschap
dit heeft door artikel 37 K. en de Raad voor het Bedrijfs-
leven door artikel 6 van het V U.B. Nu kan men hier tegenwerpén, dat artikel 3 van hel
III U.B. spreekt van ,,ingestelde” en niet van ,,erkende”

•)
VgL Mr. J. J. M. van der Ven in zijn prae-advies 1944 voor
de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefcning der wetenschap
onder de Katholieken in Nederland, blz. 40. ‘) Welke ik vroeger naar mijn huidig
inzicht
wel te veel op én
lijn heb gesteld met zuiver pubtiekrcchtelijkc organen.

organisaties. Zulk een grammaticale interpretatie zou
echter te veel eer bewijzen aan de weinig. nauwgezette

edac1ie van de desbetrelfende besluiten. Het is de vraag, of
aan deze woorden een zoo scherp onderscheidend vermogen
mag worden toegekend. Veeleer is het mijn indruk, dat ,,in-
stellen” of ,,erkennen” hier eenvoudig slaat onderscheiden-
lijk op het nieuw creëeren van een bedrijfsorganisatie in den
in van het Basisbesluit of het als zoodanig aanvaarden
van een reeds bestaand lichaam. Een zoodanige ,,erkenning”
kan dan even goed het aanzijn geven aan een bedrijlsgroep
of vakgroep als aan E.B.O.’s, welke dus niet de eenige
,,erkende” bedrijsorganisatïes zijn, zoodat haar naam
verwarrend werkt. Dat het eerste (ontstaan van een groep
door ,,erkenning”) mogelijk is, bewijst het voorbeeld van
een bedrijsorganisatie, welke in haar naam zoowel den
naam van de oude vereeniging vermeldt als van de groep,
welke daaruit is geworden
8).
In zulk een geval is niets
,,opgericht”, doch wel iets ,,erkend”. Is dat iets niet een
groep doch een E.B.O., dan kan artikel 3 van het III U.B.
nooit beduiden, dat de laatste daardoor niet rechtspersoon-
lijkheid zou verkrijgen gelijk met de eerste wel het geval
aou zijn.

In het vervolg zal ‘nog worden ingegaan op een aantal
andere punten.
Mr. W. F. LICI-ITENAUEFt.

e weten: Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep
Lfecten Ii andel).

INGEZONDEN STUKKEN.

NET EERSrE VEhZ 3lELUEJ0,U %AN GROSSIERS
‘I’d ROI’TEIIDÂM?

Mr. W. F. Lichtenauer schrijft ons:
In ,,Economisch-Statïs(ische Berichten’ van 15 Novem-
ber jI. heeft Prof. Dr. J. F. ten Doesschate een korte boek-
oespreking gewijd aan de onder dezen naam door de Kamer
van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Holland in Juli
1945 uitgegeven brochure. Uit den aard der zaak is met
erkentelijkheid kennis genomen van de meening van den recensent, dat hier kan worden gesproken van een initia-
ief, waarvan de verdere ontwikkeling met belangstelling
moet worden al’gewcht. Hij trapt echter het Rotter-
damsche bedrijsleven op het hart, als hij in de tweede
•tlinea van zijn bespreking constateert, dat
kort na
de
evrijding door de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Holland in overleg met het ASRO enkele ver-
gaderingen van belanghebbenden zijn gehouden, waar dit
onderwerp is voorbereid. Onze tijd moet toch wel weinig
gevoel voor historie hebben, als wij nu reeds zijn vergeten,
dat de 2e en de 4e Mei 1945 nog vielen in den tijd van de
Duitsche bezetting. Het mag aan het Rotterdamsche
oedrijisleven met eere worden aangerekend, dat het in die
dagen van den hoogsten nood nog beschikte over zooveel oewijding en energie, dat toen reeds kon worden beraad-
slaagd over toekomstplannen van dezen omvang. Aan
het slot van de vergadering van 4 Mei is te dien aanzien
de verwachting uitgesproken, dat deie dag later als de

dag, waarop de victorie was begonnen, zal worden aan-
gezien. Dien namiddag kon men nog niet weten, hoe waar
dit woord in anderen zin zou blijken te zijn. Voor allen,
die in deze bewogen dagen de bedoelde zakelijke bespre-
kingen hebben medegemaakt, zullen zij, wat daaruit ook
moge ‘voortvloeien, in elk geval steeds onvergetelijk blijven.
Des te meer zal de betreffende groep van wakkere zaken-
lieden dan ook ontnuchterd zijn, zoo vaak als zij de be-
wuste dagen zal zien geclassificeerd als gevallen ,,kort na”
de bevrijding.

Ten aanzien van de critiek, yelke Prof. ten Doesschate
op het onderhavige plan geeft, zij allereerst opgemerkt,
dat.de
voorgestelde grootte van het gebouw slechts diende
om de gedachte te bepalen. Een nadere uitwerking van de
ietrokken plannen zal leeren, welke afmetingen stede-
bouwkundig en econorriisch als de meest juiste beschouwd moeten worden.

46

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Januari 1946

Prof. ten Doesscha,te merkt voorts op, dat de samen-
werking tusschen de grossiers, welke de Heer van der
Veen bepleitte, pas zinvol zou zijn als er gelijkgerichte

belangen zijn.
Wij meenen, dat deze er zeker zijn, ni. tusschen de hande-
laren onderling, zoowel als tusschen de grossiers en de
Overheid, die Rotterdam haar plaats als handelscentrum

willen ‘iergeven.
De getroffen grossiers, zoowel als degenen, wier oude
bedrijfspand te klein is geworden, zien zich gesteld voor
de vraag, hoe een nieuwe ruimte te verkrijgen; de oplos-
sing van dit vraagstuk zal zeer groote financieele offers
vragen, indien zij zelf tot herbouw resp. nieuwen bouw

overgaan.
1-
let huren van eer deel van een collectieve bedrijfs-
ruimte ontheft den grossier van den last van groote

kapitaalsinvesteering, hetgeen met de overige voordeelen
der collectieve huisvesting een aanzienlijke besparing

beteekent.
Met betrekking tot de vergrooting van het marktcon-
tact en omzetvermeerdering, welke een gevolg zijn van een vestiging in het grossiersgebouw, zijn wij minder sceptisch
gestemd dan de hooggeleerde recensent.
De .handel toch zoekt die vestigingsplaats, waar het
marktcontact het grootste is (Bakker: Bedrijfshuishoud-

kunde 1).
De stad Rotterdam kan uiteraard gezien worden als

een marktplaats. In deze stad groeide een gebied, waar
het marktcontact zeer intensief was, nl. Oppert en Binnen-

rotte eo.
Men vond daar talrijke grossiers van verschillende
branches bijeen, hetgeen uiteraard het marktcontact

vèreenvoudigde.
De stichting van het grossiersgebouw beoogt dit markt-
contact in de marktplaats Rotterdam te herscheppen door
de verschillende branches en/of grossiers uit een zelfde

branche bijeen te brengen.
Wij zullen niet beweren, dat de specialisten-koopers
zich plotseling als universeele koopers zullen ontpoppen,
doch men mag aannemen, dat, indien zij paralleliseeren,
zij in het grossiersgebouw hun inkc5open zullen doen,

waar hun andere leveranciers ook gévestigd zijn.
De dorpsbazarhouder, op het platteland een veel voor-
komende figuur, zal dit zeker ook doen, zoodat wel dege-
lijk klantenaantrekking en omzetvermeerdering te ver-

wachten is.
Uiteraard komen niet alle branches voor vestiging in

een dergelijk gebouw in aanmerking. –
Wij stellen ons niet voor, dat bijvoorbeeld handelaren
in bouwmaterialen en groenten, in het grossiersgebouw
op hun plaats zijn.
De door recensent genoemde categorie grossiers in duur-

zame verbruiksartikelen zal echter wel meer profijt hebben
van een vestigingsplaats in het verzamelgebouw.
Het voorbeeld, door den Heer van der Veen gegeven, slaat
weliswaar op industrievestiging, doch dan ook speciaal
in c-‘erhuu.rbare bedrjfsgebouen
en is als zoodanig geschilçt

om de gunstige exploitatie van zoodanige gebouwen te
illustreeren.
Overigens zij opgemerkt, dat, zoowel voor handel als
industrie, het vraagstuk der vestigingsplaats in laatste
instantie terug te voeren is op kostenfactoren, zoodat het
door den recensent gemaakte onderscheid ten aanzien
van het onderhavige ‘probleem slechts relatief is.
Als voorbeelden van plaatsen met verzamelgebouwen
zijn in de betrokken besprekingen en de over, het onder-

werp gevoerde correspondentie genoemd: New York,
Manchester, Glasgow, Leeds; Hamburg, Leipzig, Berlijn
en Keulen.
Naschrift:

De brochure is gedagteekend Juli 1945, dus nh de be-

vrijding. Inderdaad blijkt uit d
j
en kop van de met. kleine

letters afgedrukte notulen, dat de bewuste vergaderingen hebben plaatsgevonden op 2 en 4 Mei 1945, dus vÔôr de
bevrijding. De vraag ,,v66r of nf de bevrijding” speelt
echter nôch in de brochure, nèch in mijn recensie ook maar
de minste rol. Men kan wellicht minder gevoel voor historie,
doch daarentegen moer gevoel voor juiste verhoudingen
hebben, wanneer men in een zoo onschuldige vergissig
geen ,,trap op het hart van het Rotterdamsche bedrijfs-
leven” of ,,ontnuchtering van wakkere zakenlieden”
ziet. De lezer wordt uitgenoodigd zelf te beoordeelen, of mijn recensie dergelijke uitdrukkingen rechtvaardigt.
Voor het overige ben ik den Heer Lichtenauer dankbaar
voor zijn inlichtingen, in het bijzonder voorzoover die mijn
vermoeden bevestigen, dat de buitenlandsehe gevalen van
verza.m3lgebouwen op industrievestiging slaan. 01 ook
de grossierderij in verzamelgebouwen doelmatig onderge-
bracht kan worden, is daarmede zonder meer niet bewezen.
Wait and see.
t. D.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De koersen op de geldmarkt zijn na de scherpe daling in de voorafgaande week in de periode tusschen 7 en 12
Januari jl. slechts weinig lager geworden. Alleen de lange
termijnen geven nog een geringe daling te zien, zoodat
November papier bijvoorbeeld tegen 1f pCt. werd verhan-
deld. Driemaandsch papier werd gezocht tegen j pCt., vier-
maandsch tegen 1 pCt. en Juli papier tegen 1f pCt, De
oiizetten waren zeer gering.
De daling der markttariever werd veroorzaakt door
de staking van de afgifte van schatkistpapier .door den
Agent, zoodat vervallend papier niet kon worden her-
belegd, hetgeen niet werd gecompenseerd door dè op-
vraging van gelden door het publiek bij de banken, nu
de girale rekeningen vrij zijn geworden en de tegoeden
op de geldkaarten eveneens terug worden betaald. Het
ligt niet voor de hand, dat in deken toestand spoedig
verandering zal komen, daar tekorten van de staathuis-
houding zullen worden gedekt met aan het publiek ont-
trokken middelen. De uitgifte der spaarcertificaten zal
hieraan vermoedelijk ook in de . toekomst dienstbaar
worden gemaakt. De ervaringen met de thans in gang
zijnde uitgifte zullen van bijzonder belang zijn, vooral
met het oog op de inschrijvingen met vrij geld.
1

Zooals reeds was aangekondigd, is de effectenbeurs
op 7 Januari 1946 heropend, voorloopig alleen voor den
handel in ‘binnenlandsché obligaties en pandbrieven,
waarbij een effectenverkoopvergunning is vereischt en
betaling uitsluitend met geblokkeerd geld mag geschieden.
Zooals te verwachten was, waren bij de opening van de
beurs de koersen hoog en de omzetten gering. Dit lag
voor de hand, omdat men alleen tot verkoop zal overgaan,
indien de verkooper op deblokkeering .van de te ontvangen.
gelden kan rekenen, dan wel een betere belegging kan
vinden. Het is niet onmogelijk, dat de 3 pCt. Grootboek-
inschrijvin
g
en hiervoor kunnen dienen, temeer,. omdat
de huidige staatsleeningen met een’ ren’tetype van meer
dan 3 pCt. waarschijnlijk spoedig in lager rentende obli-

gatiën zullen worden geconverteerd. De 3f pCt. oorlogsieeningen openden op 7 Januari met
104 pCt., en de 3 pCt. ,1937 met 103 pCt. Aangelokt door
deze hooge koersen kwam eenig aanbod los, waardoor
de 31 pCt. oorlogsleeningen gedurende de week daalden
tot 1021 pCt., en de 3 pCt. 1937′ tot 100f, een koerspeil,
dat ongeveer de uitdrukking vormt van den door de
Overheid ngestreefden rentestand. De 3 pCt. Neder-
landsch-Indië 1937 kon den paristand nog niet bereiken,
maar bleef hier me’t 99f toch niet ver vandaan.

Auteur