Ga direct naar de content

Jrg. 26, editie 1354

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 31 1941

31 DECEMBER1941

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Economisch,
­
wStatistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJ VERHEID, FINANCiËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

26E JAARGANG

WOENSDAG 31 DECEMBER 1941

No. 1354

HOOFDREDACTEUR:

M. F. J. Gooi (Rotterdam).

PLAATSVERVANGEND HOOFDREDACTEUR:

H. W. Lambe,’s (Z(vartewaal).

Redactie en Adnzinistratie: Pieter de Hoochweg 122,R’dam-W
Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.
Telefoon Nr. 85000. Postrekening 8408.

Abonnements prijs aoor het weekblad, waarin tijdelijk
is opgenomen het Econom isch- Statist isch Maandbericht,
franco p. p. in Nederland f 20.85′ per jaar. Buitenland en
koloniën / 23.— per jaar. Abonnementen kunnen met elk
nummer ingaan en slechts worden bekindigd per ultinio aan
elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs en
leden aan het Nederlandsch Economisch Instituut ontaan gen
het weekblad gratis en genieten een reductie op de oerdere
publicaties. Adreswij.zigingen op te geaen aan de Administratie.

BERICHT.

Door de vergadering van Curatoren van liet Neder-
landsch Economisch Instituut van
28
November j.l. werd

de heer H. W. Lambers. Ec. Drs., reeds sinds jaren
werkzaam hij ons Instituut en eerder medewerker aan het
Economisch Statistisch Maandbericht, benoemd tot plaats-
vervangend hoofdredacteur.

Met voldoening kunnen wij mededeelen, dat de auto-
riteiten, gelet op het speciale karakter van ons blad,
aanleiding hebben gevonden het verschijningsverbod van
ons blad, waarvan wij in ons nummer van
17
December
jl. gewag maakten, onvoorwaardelijk te doen intrekken.
Wij nemen aan, dat onze lezers, evenals wij, dit besluit
met vreugde zullen begroeten. M. C.
Rotterdam,
24
December
1941.

INHOUD.

Blz.

Noodbeurzen en streekbeurzen in Nederland door
Dr.

J.

C.

aan

Leeuwen

……………………
746

Het vraagstuk der oneigenlijke spaargelden bij de
bijzondere spaarbanken door
Prof. Dr. II. M. II. A.
aan

der

Valk

…………………………..
747

Practisch economisch onderzoek door
M. F. J. Gooi
748

Economische oor]ogsvoorbereiding in de Vereenigde Staten

door

Dr.

T.

Huitema

………………
750

Hypotheekhouders en brandverzekering door
P. D. A.
aan

Lith

………………………………
752

Een en ander over de gemeente en haar bedrijven
door G.

F. de Groot ………………………..
754

Overheidsmaatregelen

01)

econo-
misch

gebied

……………………..
755

S t a t i s t i e k e n

Bankdisconto’s

Wisselkoersen

Bankstaten
755-756
GELD- EN KAPITAALMARKT.

Van de
geidmarkt
valt wederom weinig nieuws te ver-
melden. De recente krachtige stijging van de biljetten-
omloop heeft een verkrapping van de markt teweeg ge-
bracht, die de schatkist heeft genoopt weer – zij het voor
een beperkt bedrag – een beroep te doen op de centrale
bank.

De
obligatiemarkt
was in de weinige dagen, die vooraf-
gingen aan de feestdagen eerder aan den vasten kant.
De gestaffelde staatsleening monteerde van
92
1
/
8
tot
92/
16
.
De nieuwe
3
2
L
pCt. leening steeg van
9515/
op 96
3
/, ter-
wijl ook de
4
pCt. leening
1940
van een betere stemming
blijk gaf door een stijging van 100 op 100
9
/. De rest van
de markt was naar rato, behalve de Indische leeningen,
die verder in koers daalden; de 8 pCt. leening Indië
1937
moest
2
3
/
pCt. prijsgeven, de
3
pCt. Indië
1937A
daalde
met 1/
4
pCt. Voor beide leeningen was de koers op
Woensdag
24
December een laagterecord voor de laatste
weken. Sedert het uitbreken van het conflict in den Pacific
hebben deze obligatiën nu rond 10 pCt. moeten prijsgeven.
In de nieuwe week waren de koersen dei’ staatsleeningen eerder iets luier, behalve voor de
4
pCt. leening
1941,
die
tot 100
3
/4
pCt. steeg. Dit gold merkwaardig genoeg zelfs
voor de ,,oude schuld”, zoowel de
21
als de
3
pCt., terwijl
toch de bekendmaking, dat de couponbelasting
niet wordt
c’erlengd
voor deze leeningen een stimulans moest zijn.
Vooral hij deze onaflosbare schuld telt deze factor;-theo-
retscli moet de koers met 2pCt. (van het effectief) stijgen:
Het vervallen van de couponbelasting was wel merkbaar
in de noteeringen, die op Maandag voor verschillende
gemeenteleeningen tot stand kwamen. Leeningen Amster-
dam bijv. waren een vol punt hooger. Voor andere ge-
meenten was de stijging minder uitgesproken, maar vrijwel
over de heele linie was toch de invloed merkbaar. Naar het
motief voor het niet-verlengen der couponbelasting (die,
zooals bekend, een tijdelijke crisismaatregel was, op het
vervallen waarvan echter niemand had gerekend) kan
men slechts raden. Het lijkt niet onmogelijk, dat het
streven om de kapitaalrente zoo laag mogelijk te krijgen
er mee in .verband staat.

De
aandeelenmarkt,
die de, vorige week Maandag vrij gunstig had ingezet, heeft daarna voor Indische fondsen
weer een reactie gebracht, terwijl de Nederlandsche indu-
strieële aandeelen onregelmatig gestemd waren met hier
koersdalingen en daar koersstijgingen. Op den eersten dag
der nieuwe week ondergingen Indische aandeelen weer een
uiterst hef tige réactie toen de Japansche aanval op Noord-
Sumatra bekend werd, en daarmee Indië nog meer direct
in den strijd werd betrokken. Aandeelen H.V.A. kwamen
40
punten beneden de opening van de vorige week, aan-
deelen Amsterdam Rubber ook ongeveer
40
punten.
Nederlandsche aandeelen wai’en in het begin der nieuwe
week over het algemeen eveneens iets in reactie, vooral voor
de zgn. ,,zware aandeelen”. Verschillende Indische waar-
den hebben nu sedert
6
December
40
pCt. of zelfs meer
van hun effectieve koerswaarde ingeboet. Het koersver-
loop is geenszins voor alle fondsensoorten gelijkmatig
geweest, integendeel: het percentage van de daling loopt
nog al uiteen.

740

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31 December1941

NOODBEURZEN EN STREEKBEURZEN

IN NEDERLAND.

De noodbeurzen en streekbeurzen in ons land zijn
ontstaan tengevolge van de in Mei 1940 ingetreden oorlogs-
omstandigheden en de daarmede gepaard gaande des-Organisatie van het reizigersvervoer. Voor een beoor-
deeling van het nut en de waarde van dergelijke beurzen
is het derhajve van belang na te gaan waarom in Nederland
dergelijke instellingen vrijwel niet voorkwamen tot het
tijdstip, waarop ons land in den oorlog werd betrokken.
Hierbij dienen wij in het oog te houden, dat het bij de
nood- en streekbeurzen gaat om het contact tusschen
producenten, resp. grossiers van velerlei en onderling
geheel verschillende artikelen met hun afnemers. Beurzen

voor een bepaald artikel, zooals bijv. radio-apparaten,
automobielen, meubelen, werden ook in vooroorlogsche
jaren hier te lande georganiseerd, waarbij kan worden
vastgesteld, dat met uitzondering van de regelmatig
terugkeerende R.A.J.-expositie in Amsterdam, die in
den loop der jaren is uitgegroeid tot een uiterst belangrijk
centrum voor den automobielhandel, geen van deze spe-
ciale beurzen een langdurig bestaan hebben gehad. Noch
de radio-exposities in Scheveningen, noch de onder den
naam W.I.M.B.A. te Amsterdam gehouden speciale
meubelbeurzen zijn tot blijvende manifestaties voor het
Nederlandsche zakenleven uitgegroeid, terwijl enkele
andere beurzen voor speciale bedrijfstakken het niet
verder gebracht hebben dan het eerste levensjaar en zoo-
doende er toe hebben medegewerkt op dit gebied de
statistiek der economische babysterfte nog ongunstiger
te maken.

De oorzaken, die tot dit vroegtijdig verscheiden van
deze organisaties hebben geleid, moeten hoofdzakelijk
gezocht worden in de te sterk doorgevoerde specialisatie,
die voor de bezoekers van deze beurzen en exposities de
aantrekkelijkheid op den jduur blangrijk deed vermin-
deren. Daarnaast zullen ongetwijfeld andere oorzaken,
zooals ongeschikte huisvesting, minder goede technische
verzorging, onoordeelkundig gevoerde propaganda, het

0
1) den voorgrond stellen van persoonlijke belangen door
de organisatoren, kortom, tal van factoren, die bij een
goede beursorganisatie niet zullen voorkomen, er toe
hebben medegewerkt, deze speciale beurzen te gronde
te richten. Niettemin blijft het een feit, dat deze branche-
beurzen juist door de specialisatie gedoemd waren te
verdwijnen. Dit is een gevolg van de organisatie van den
détailhandel en de daarbij in ons land optredende branche-
vervaging bij den verkoop. Ook hier te lande bestaan op
dit punt uitzonderingen. De automobielhandel is van dit
laatste een sprekend voorbeeld, daar zij zich zeer nauw-
gezet bepaalt tot haar eigen terrein. Het publiek is hier-
aan gewend geraakt en zou het zelfs vreemd vinden, indien
andere artikelen in een automobielzaak werden verkocht.
Daarentegen vindt men het volstrekt niet vreemd, indien radio-apparaten in een en dezelfde stad verkocht worden
door handelaren in stofzuigers, in fotografiezaken, in
winkels waar hoofdzakelijk haarden en kachels verkrijg-
baar zijn en zelfs in meubelzaken. De handelaren in kunst-
nijverheidsartikelen leggen zich met ijver toe op den
handel in meubelen, daarbij ondersteund door de hande-
laren in naaimachines en den détailhandel in kantoor-
machines. In laatstgenoemde zaken behoeft men zich
in den regel niet te bepalen tot schrijfmachines en carbon-
papier, doch kan men zich tevens voorzien van schrijf

bureaux, rooktafels, lederen clubfauteuils en andere nuttige
zaken, die evengoed een plaats in de huiskamer als op
een kantoor kunnen vinden. liet is niet de bedoeling, in
dit artikel de wenschelijkheid van deze gedecentraliseerde
handeismethode aan een oordeel te onderwerpen. Het is
voldoende vast te stellen, dat zij in de meeste branches
bestaat en dat hierin op korten termijn geen verandering
kan worden gebracht, zonder de bestaanszekerheid van

een groote groep van détaillisten, die zich sinds jaren
op dezen gecombineerden verkoop van ongelijksoortige
artikelen toeleggen, ernstig in gevaar te brengen.

Door de hierboven beschreven handelsgèwoonte hebben
de meeste détaillisten geen belangstelling voor een be-
paald – geïsoleerd aangeboden – artikel, doch voor een be-paalde, evenwel hij iederen détaillist telkens anders samen-
gestelde, combinatie van artikelen. Bij het bezoeken van
een speciale beurs voor radio-apparaten, zullen een aantal
winkeliers het betreuren, dat niet tevens de nieuwste
modellen stofzuigers worden geëxposeerd, andere daaren-
tegen zouden het op prijs stellen, indien een overzicht
kon worden verkregen van fotografische en optische in-
strumenten, terwijl sommige winkeliers eerder tot een
bezoek aan een dergelijke beurs zouden besluiten, indien
zij daar haarden, kachels of andere huishoudelijke arti-
kelen zouden kunnen bezichtigen. Dat radio-apparaten
voor het weergeven van muziek dienen en derhalve naar
hun geluidskwaliteit wellicht het best beoordeeld kunnen
worden door handelaren in muziekinstrumenten, die
uit hoofde van hun vak gewend zijn piano’s, violen e. d.
op soortgelijke kwaliteiten te toetsen, is vermoedelijk
een verouderd standpunt, weshalve het bezoek van han-
delaren in muziekinstrumenten op een radiobeurs wel
niet overmatig groot zal zijn.

Het geringe resultaat van speciale branche-beurzen
moet derhalve zijn verklaring vinden in het feit, dat he.t assortiment op een dergelijke beurs niet groot genoeg is
om op den duur de verlangens van de wederverkoopers
voldoende te hevredigen. Ongetwijfeld zullen zij, die zich
zeer nauwgezet bepalen tot den verkoop van een of meer
artikelen van een bepaalde categorie, voldoende belang-
stelling toonen voor een beurs, waar zij uitsluitend gelijk-
soortige goederen aantreffen, doch het aantal van derge-
lijke wederverkoopers is te gering om op den duur een
branche-beurs te doen slagen.

Een eerste vereischte voor het slagen van een goederen-
beurs is derhalve een veelheid van artikelen op verschillend
gebied, waaruit bij een bezoek, de winkelier zelf het voor
zijn handelszaak gewenschte assortiment kan samen-
stellen. Jndien een goederenbeurs aan dit vereischte vol-doet zal zij aantrekkelijk zijn, niet alleen voor de specia-
listen uit een bepaalde branche, die zich bij een bezoek
tot hun afdeeling zullen beperken, doch tevens voor een groote, in ons land misschien wel de grootste, groep van
détaillisten, die zich toeleggen op den verkoop van on-
gelijksoortige of althans naar hun aard zeer ver uiteen-
loopende artikelen. Bij een ruim aantal exposanten in
iedere groep van een algemeene goederenbeurs zal deze zelfs belangrijk zijn voor de inkoopers van warenhuizen
en groot-winkelbedrijven, in welke handelszaken geen aanwijsbaar technisch verband tusschen de aldaar ver-
kochte goederen meer bestaat. Zoodoende kan een goe-
derenbeurs tot een centrum van den handel tusschen pro-
ducent en winkelier worden, waarbij het echter niet vol-
doende is, dat persoonlijk contact tusschen fabrikant,
grossier en afnemer ontstaat, doch waarbij tevens vol-doende aandacht moet worden besteed aan algemeene
voorlichting, opdat de détaillist, die een dergelijke goe-
derenbeurs bezoekt, zich niet alleen kan oriënteeren ten
opzichte van de door hem verkochte artikelen met behulp
van de gegevens, die hem door zijn leveranciers worden verstrekt, doch zich tevens op de hoogte kan stellen van
voor zijn bedrijf gewenschte inlichtingen van algemeenen
aard, die hem ter beurze door overheidsinstanties, mid-
denstandsorganisaties en andere instellingen worden ver-
strekt. Juist in den tegenwoordigen tijd is een dergelijke
voorlichting voor den wederverkooper van groot belang.
Dat zulks door de overheid ter dege wordt ingezien, blijkt
uit de groote zorg, die van regeeringszijde wordt besteed
aan een dergelijke voorlichting van den handel op de
Nederlandsche Jaarbeurs te Utrecht. Hoewel voor
iedere goederenbeurs het contact tusschen producent en

31 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

747

détaillist primair blijft, zoodat het zakelijke contact,
dat ter beurze ontstaat voot’ den bezoeker als zakenman
het hoofdelement van een beursbezoek blijft uitmaken,

heeft de algemeene voorlichting een weliswaar secundaire,
maar daarom nog zeker geen onbelangrijke beteekenis.
Uit bovenstaande beschouwing blijkt, dat een goederen-
beurs aan een drietal vereischten moet voldoen, wil zij
voor alle handeldrijvenden van voldoende nut zijn om
een bezoek te rechtvaardigen:

le. de beurs moet een groot aantal ongelijksoortige

artikelen omvatten;
2e. in iedere of althans de meeste afdeelingen moeten
gelijksoortige of onderling verwante artikelen door een
groot aantal producenten worden geëxposeerd;

Be. naast zakelijke voorlichting door de producenten,
moet algemeene handelsvoorlichting worden gegeven
door de daarvoor bestemde organisaties.
liet eerste is noodig om aan iederen bezoeker datgene
te kunnen bieden, wat hij met het oog op den aard van

zijn détailbedrijf noodig heeft.
lIet tweede moet het mogelijk maken gelijksoortige artikelen, afkomstig van verschillende producenten te
vergelijken in verband met prijs en kwaliteit.
De algemeene voorlichting tenslotte moet er toe dienen
de kennis van den zakenman te verruimen, teneinde hem
in staat te stellen zijn bedrijf zoo goed mogelijk te voeren
met inachtnemiug van de bestaande voorschriften.
Terugkeerende tot de vraag, die wij in het begin stelden,
waarom in ons land vôér Mei 1940 vrijwel geen regionale
goederenbeurzen werden georganiseerd, kan aan de hand
van de drie genoemde eischen worden vastgesteld, dat
een plaatselijke beurs hoogstens aan he eerste vereischte
zou kunnen voldoen. Indien de organisatoren van een
streekbeurs zich daarop met ijver toeleggen, zal het
onder gunstige omstandigheden – veel verschillende
industrieën in de onmiddellijke omgeving mogelijk
zijn eeii veelsoortige expositie tot stand te brengen. Een
veelsoortige expositie met een ruim aantal exposanten
in iedere afdeeling. zal echtei- tot de onmogelijkheden be-
hooren, daar zulks met zich zou brengen, dat in ons land
de overgroote meerderheid van de Nederlandsche in-
dustrieelen aan vele streekbeurzen zouden moeten deel-
nemen, hetgeen tot groote onkosten en moeilijkheden
bij het transport zou leiden, welke door het plaatselijke
handelsbezoek niet zouden worden gerechtvaardigd.
Een algemeene handelsvoorlichting door overheid en
andere instanties zou om dezelfde reden geheel achter-

wege moeten blijven.
Sti’eekbeurzen kunnen derhalve niet voldoen aan de
vereischten, die aan een algemeene goederenbeurs
in het belang van handel en industrie moeten worden
gesteld. Het ontstaan. van deze instellingen na Mei 1940
moet derhalve geheel worden toegeschreven aan den
door de oorlogsomstandigheden ingetreden toestand,
waarbij door -het wegvallen van conimunicaties het con-
tact tussclien producent en wederverkooper dreigde
verloren te gaan. Beoordeeling van prijs en kwaliteit
geraakte in die dagen geheel op den achtergrond. Het
voornaamste en allesbeheerschende punt was voor den
détaillist de voorziening met goederen, waardoor hij in
staat was zijn bedrijf in stand te houden. De instelling
van noodbeurzen was voor den winkelier het eenige
middel om in contact te komen met leveranciers. Met
den terugkeer van normalere toestanden en het herstel
van den treinenloop ging dit bijzondere belang, dat aan
het houden van noodbeurzen was verbonden, echt-er vrij
spoedig verloren. Dat zich desondanks uit de instelling
der noodbeurzen in enkele plaatsen een streekbeurs ont-
wikkelde, is een verschijnsel, dat op economische gronden
wel kan worden verklaard. Ten deele gingen deze beurzen,
na een kwijnend bestaan te hebben geleden, te gronde,
doch in sommige plaatsen worden deze beurzen ook thans
nog gehouden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen

hieraan voordeelen verbonden zijn, doch in vele gevallen
kunnen hieruit ook bezwaren, zoowel voor producent als
wederverkooper, voortvloeien. De overheid heeft zulks
spoedig ingezien en het houden van streekbeurzen aan een
wettelijke regeling onderworpen. Op deze regeling en de
redenen, die tot de invoering hiervan hebben geleid,
hopen wij in een volgend artikel nader terug te komen.

Dr. J. C. VAN
LEEUWEN.

HET VRAAGSTUK DER ONEIGENLIJKE

SPAARGELDEN BIJ DE BIJZONDERE

SPAARBANKEN.

lIet begrip oneigenlijke spaargelden is in zwang ge-
komen na de muntcorrectie in September 1936, toen
door een overvloed van middelen op cle geldmarkt de
rente op korten termijn sterk daalde. De bijzondere
spaarbanken volgden deze rentedaling over het algemeen slechts ten deele en in langzamer tempo; dit veroorzaakte
bij de spaarbanken een aanbod van gelden, die naar hun
aard moeilijk als spaargelden konden worden beschouwd.
De spaarbanken hebben getracht om deze oneigenlijke
spaargelden zooveel mogelijk te weren, maar zijn daarin
niet geheel geslaagd. 1-let is echter interessant om na te
gaan, welke maatregelen tot wering van deze oneigenlijke
spaargelden zijn genomen, daar dit vraagstuk zich in den
laatsten tijd tengevolge van de geidruimte opnieuwvoordoet.
De maatregelen, die door de bijzondere spaarbanken
zijn genomen tot het weren van de zgn. oneigenlijke spaar-
gelden zijn onder drie groepen samen te vatten: le. weigering tot het aanvaarden van gelden, waarvan
men den indruk heeft, dat zij bij de spaarbank niet thuis

hooren;
2e. het vaststellen van een gediferentieerde rente.
Tot een bepaald maximum, varieerende van f 2000 tot
f 10.000, wordt de gewone rente vergoed, terwijl over een
hooger tegoed een veel lagere of in het geheel geen rente

wordt uitgekeerd;
Be. het limiteeren van de bedragen, die in een bepaalde
periode mogen worden ingelegd. Er zijn enkele spaar-
banken, waar per maand en/of per jaar niet meer mag
worden ingelegd dan een bepaald bedrag.
Aan al deze middelen zijn vanzelfsprekend bezwaren
verbonden. Zon wijst Dr. J. R. A. Buning er op
1),
dat

door de beide laatste middelen de trouwe spaarders vaak
het meest worden getroffen en dat deze maatregelen
ontgaan kunnen worden door het nemen van meer spaar-

bankboekjes.
De schrijver van de zoo juist genoemde gedegen studie
over de bijzondere spaarbanken geeft om deze -redenen
de voorkeur ,,aan een verlenging der opzeggingstermijnen
voor groote bedragen met behoud van de bevoegdheid
om uitzonderingen toe te staan” (blz. 46). Dr. Buning
staat met deze meening niet alleen; zij wordt door meer-
deren in spaarbankkringen gedeeld. Vandaar dat er
reden is haar nader te bezien.

**

De drang van gelden naar de bijzondere spaarbanken kan
o. i. uit de volgende vier motieven worden verklaard:
le. de hoogere rente, welke de spaarbanken vergoeden
dan elders op gelden voor korten termijn is te maken;
2e. het feit, dat het nominale bedrag onder alle om-
standigheden gelijk blijft;
Be. het vrijkomen van gelden, die niet geherinvesteerd

kunnen worden;
4e. het feit, dat het spaartegoed geheel of voor een
groot deel direct opvraagbaar is.

‘) In zijn boek ,,De beleggingen der bijzondere spaarbanken in
Nederland”,
blz.
46
(publicatie no.
32
van het Nederlandsch
Eco-
nomisch Instituut).

748

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31 December 1941

De eerstgenoemde drie motieven zullen zonder twijfel
het meest voorkomen. 1-let eerste motief spreekt voor zich
zelf. Het tweede notief kan gebruikt worden door iemand,
die zijn bezit aan obligaties wenscht om te zetten in een
spaarsaldo, om bij eventueele rentestijging een verlies
op de hoofdsom te vermijden. Men kan hier moeilijk
van oneigenlijke spaargelden spreken; alleen de vorm,
waarin de besparingen worden gehouden, ondergaat een
verandering. Dit motief had waarschijnlijk in 1937 en
begin 1938 meer beteek.enis dan nu.
Daarentegen staat in de huidige omstandigheden het
derde motief meer op den voorgrond. De bezitter van
deze gelden zal vaak zelf niet weten of en wanneer hij
deze bedragen weer zal kunnen herinvesteeren. Als deze
gelden naar de spaarbank worden gebracht, zal men
ook moeilijk van oneigenlijke spaargelden kunnen spreken;
of dit het geval is zal de toekomst-moeten leeren. Waar blijft
nu een betrouwbaar criterium, of deze gelden al of niet
bij de spaarbanken thuis hooren? Voor een zelfde moei-
lijkheid stond men enkele jaren geleden, toen men het
begrip ,,hot” of ,,bad money” wilde definieeren
2).

indien de eerste drie bovengenoemde motieven al of
niet gecombineerd, overwegen en het laatste motief op den
achtergrond staat, zal in het algemeen een verlenging der
opzeggingstermijnen voor spaargelden weinig baten.
Immers, het is vooral de hooge rente, welke de oneigenlijke
spaargelden aanlokt. De rente, welke de bijzondere spaar-
banken vergoeden, ligt tusschen de rente op de geld- en
kapitaalmarkt in, vaak echter dichter bij de rente op
langen dan bij die op korten termijn. De bedragen, welke
door de onmogelijkheid van herinvesteering bij het klein-
en i1iddenbedrijf vrijkomen, zullen voor een deel naar de
spaarbanken vloeien, omdat zij daar de gunstige combinatie
vinden van een hooge rente en -een Vrij hooge liquiditeit.
En nu openbaart zich op de geld- en kapitaalmarkt precies
hetzelfde verschijnsel als op de goederenmarkt. Indien
de prijs van een goed ligt boven den prijs van een vervan-
gingsgoed, dat bijna dezelfde kwaliteiten bezit, dan zal
het aanbod van een dergelijk goed toenemen.
De toevloeiing van zgn. oneigenlijke spaargelden naar
de spaarbanken behoeft dan ook niet te verwonderen,
indien de spaarbanken een voor de omstandigheden te hooge rente handhaven. Een handhaving van de rente,
gepaard gaande met een verlenging van de opzeggings-
termijnen, zal deze soort gelden niet afschrikken. Immers,
zelfs in -het geval, dat deze gelden plotseling noo-
dig mochten zijn, kan het spaarbankboekje toch nog als
waardepapier voor onderpand van een tijdelijk crediet
gebruikt worden. Daarom zouden wij aan een verlaging
van den inleggersrente de voorkeur geven. Ook een dergelijke maatregel zal den stroom van deze
gelden waarschijnlijk niet geheel kunnen keeren, maar
toch wel kunnen beperken. Of de ienteverlaging algemeen moet zijn, of alleen moet gelden voor de zgn. oneigenlijke
spaargelden, moet individueel beoordeeld worden. De
inleggersrente bij de bijzondere spaarbanken vertoont
vaak een zekere vrstarring; een aanpassing aan dege-wijzigde marktverhoudingen zou reeds een eind in de
goede richting werken.
Hoe men dit vraagstuk ook wendt of keert, het is voor-
al in de huidige omstandigheden niet mogelijk om een –
juist criterium voor oneigenlijke spaargelden te vinden
en het blijft lastig om deze gelden te weren, zelfs indien
men een bepaalden maatstaf denkt te hebben gevonden.

v. d. V.

‘) De zgn. oneigenlijke spaargelden worden ook wel zwevende
spaargelden genoemd, zulks naar analogie van do internationaal
zwevende gelden (hot money). Terloops moge er op worden gewezen,
dat er tussehen de nationaal en internationaal zwevende gelden een
groot verschil bestaat. De laatstgenotmde gelden zochten voor
alles zekerheid, en vloeiden van plaatsen met een hoogen naar plaatsen
met een zeer lagen rentestand. De zgn. oneigenlijke spaargelden
werden en worden vooral door renteverschillen in het leven ge-
roepen.

PRACTISCH ECONOMISCH ONDERZOEK.

Evenals vrijwel alle andere takken van wetenschap,
welke zich bezighouden met bestudeering van verschijn-
selen, die de mensch waarneemt of die hem zelf betreffen,
toont ook de economie een ontwikkeling, die, van het
civalitatïeve uitgaande, zich steeds meer neigt naar quan-
titatief onderzoek. De natuurwetenschappen hebben op
dit terrein een voorsprong boven de economie. Hun be-
oefenaren kunnen het te onderzoeken object isoleeren
en de uitwerking van bepaalde prikkels daarop nagaan
ondei omstandigheden, die zij in de hand kunnen houden.
De beoefenaren dei sociale wetenschappen en daarmede
dus ook de èconomen hebben de zuurkast van den chemicus
niet ter beschikking, en evenmin de ruimten, waar tem-
peratuur en luchtdruk regelbaar zijn, die den physicus
ten dienste staan. Proeven kan de econoom slechts bij
hooge uitzondering nemen en geïsoleerde verschijnselen
kan hij bijna nooit waarnemen.
Daarom is het alleszins begrijpelijk, dat de econoom
om met overzichtelijke gedachtenconstructies te kunnen
werken – het isoleeren in den geest uitvoert. Hij tracht
zich daarbij een beeld te vormen van bepaalde reacties,
die in het dagelijksch leven voorkomen, door in gedachten
aan te nemen, dat de gebeurtenissen zich afspelen in
omstandigheden, waarbij verschillende invloeden, die
in werkelijkheid veelal wel wijziging ondergaan, constant
worden gedacht. hij past het ,,ceteris paribus” zoo vaak
toe als hem noodig voorkomt om het verschijnsel, dat zijn
aandacht op zeker oogenhlik heeft, in een voor hem
overzichtelijk denkmilieu te bezien. Uiteraard is het zoo
verkregen resultaat niet geschikt om zoo in de practijk
van het leven te dienen tot richtsnoer van het handelen.
Daartoe zal men eerst het causale verband in zijn absolute
grootte moeten kennen en zich bovendien moeten in-
denken çwelke invloed op het resultaat zal worden uit-
geoefend door het feit, dat in werkelijkheid de verschil-
lende constant gedachte factoren wel variaties toonen.
Ik laat nu terzijde, dat vaak de fout gemaakt wordt
dezen weg van de teruggaande abstractie niet te begaan
en de verkregen redeneeruitkomsten dan zoo aan de
practijk worden aangeboden ,,gereed voor gebruik”.
Men kan evenwel constateeren, dat de kennis der causale
relaties, welke tenslotte het doel van het economisch
onderzoek is, slechts goed verkregen kan worden, indien
naast het weten van den qualitatieven samenhang ook
inzicht is verkregen in de hoeveelheden, welke erbij be-
trokken zijn.
Overheid en bedrijfsleven hebben voor rationeel han-
delen niet slechts behoefte aan het kennen van het be-staan van bepaalde relaties, zij moeten mede weten de
mate, waarin oorzaak en gevolg samenhangen. Meten en
wegen van coëfficiënten van causale relaties kan dus
niet worden gemist, evenmin als het kennen van den
omvang der verschijnselen, die oorzaak en gevolg zelve zijn.

Statistische meting van bas isgegeeens.

Dit wordt reeds vele jaren ingezien en de statistiek,
,,de wetenchap der empirisch-kwantitatieve verhou-
dingen”, wordt dan ook reeds lang door de beoefenaren
der economie te hulp geroepen. Deze ontwikkeling lag
voor de hand. Waar, zooals hierboven betoogd, het expe-
riment niet ter beschikking staat, daar moet de statistiek
wel het waarnemingsapparaat worden. Dit heeft men zoo
eveneens zich zien ontwikkelen bij andere takken van
wetenschap, waar het experiment niet of slechts in zeer
beperkte mate ter beschikking stond, zooals bij de astro-
nomie en de biologie.
Uitteraard leidde dit tot het verzamelen van groote
hoeveelheden gegevens en cijfers omtrent het economisch
gebeuren en de ontwikkeling van diverse verschijnselen
in den tijd. Naast regelmatige publicaties van prijs-,
productie- en consumptiegegevens, van cijfers over den

31 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

749

in- en uitvoer, de belastingen en andere overheidsinkom-
sten, alsmede over de uitgaven van de overhei& en Open-
bare diensten, verschijnen geleidelijk aan steeds meer
verzamelwerken, die uitvoerige econ omisch-statistische
documentatie beoogen te brengen. Dit bracht met zich
een in steeds hreeder lagen gevoelde behoefte aan de
kennis van de techniek van het statistisch onderzoek.
Verschillende handhoeken hebben in deze behoefte van
beoefenaren van deze systematiek van tellen, meten en
vergelijken vaak op uitnemende wijze voorzien.
Toch bracht deze ontwikkeling nog niet het daarvan
door sommigen verwachte resultaat. Wliswaar leerde
men hierdoor de quantiteiten van verschillende bij het
economisch gebeuren betrokken data kennen, en de
veranderingen, die in den tijd gemeten hierin optraden.
In enkele gevallen stelde deze kennis zelfs reeds in
staat om bepaalde, door redeneeriag aannemelijk
geachte, economisch causale relaties te toetsen, maar het
verlangde diepere inzicht, in den samenhang (Ier dingen
en in den weikelij ken inhoud der caitsale betrekkingen werd
op basis van deze meer elementaire statistische kennis
niet verkregen.

Practisch economisch onderzoek.

Zoo werden dan geleidelijk aan de eischen verzwaard,
waaraan voldaan moest kunnen worden, wilde men
voldoende diep tot het wezen der economische verschijn-
selen kunnen doordringen. Niet het weten alleen van
causalen samenhang, ook het kennen van de mate, waarin
die onderlinge afhankelijkheid optreedt en het beheer-
schén van een statistische en mathematische techniek
werd dec onderzoeker voorwaarde naast kennis van de economische theorie en van de practijk van het econo-misch leven, zoowel in algemeen-economischen als in
bedrijfseconomischen zin
1).
Erkenning vkn het belang
van deze ontwikkeling bij de opleiding van economen
is te zien in de instelling van algemeen- en bedrijfseco-nomische oefen-instituten, als het ,,seminarium” aan de Economische Faculteit aan de Universiteit van Amster-
dam en de respectevelijke studentenpractica in Tilburg en
Rotterdam; bovendien in den hijzonderen teerstoel voor dit
vak aan de Nederlandsche Economische Iloogeschool.
De jongere ontwikkeling op dit gebied gaat in twee
richtingen. Allereerst en voorafgaande de verdergaande
uitwerking van de statistische methoden en de verfijning
daarvan door gebruikmaking van -. veelal nog lagere – wiskunde. Dat dit zoo is gegaan ligt voor de hand; sta-
tistiek is wetenschap van tellen en meten en waar het
getal een zoo belangrijke taak te vervullen krijgt moet de wiskunde wel nabij zijn. De techniek van het voor-
stellen van quantitatieve gegevens werd verscherpt,
methoden van cnquê teeren en interpreteeren verbeterd.
Men leerde verschillende problemen, die vroeger onoplos-
baar schenen, aanvatten en tot oplossing brengen, en ont-
wikkelde rekenmethoden om bepaalde . verschijnselen te
ontdoen van storende invloeden (bijv. van seizoen, van
conjunctuur, e. d.). Ook kwam men ertoe zich een beeld
te vormen van den invloed, die de waarnemingsfouten
op het gevonden resultaat vermoedelijk zouden, en maxi-
maal konden, hebben.
De literatuur op dit gebied is zeer onlangs uitgebreid
met een voor alle beoefenaren an deze wetenschappelijke
techniek zeer nuttige aanwinst
2).

I)it boekwerk, blijkens het voorwoord geschreven
zoowel om te dienen als hulp hij de statistische practijk,
alsook als gtudieboek, zal mi. aan beide doelstellingen
ten volle beantwoorden. De opzet is eenvoudig gehouden,

‘)
Zie hierover mede: Prof. Dr. II. M. H. A. v. d. Valk, ,,Opleiding
tot practisch economisch onderzoeker”, E.-S.B. d.d. 27 Maart 1940,
blz. 240/41.
‘) ,,Hanclboek der bedrijfseconomische statistiek” door Dr. S. G.
Stridiron, met medewerking van B. G. F. Buys, Prof. Dr. J. Tin-
bergen en P. de Wolff, phil. drs.; (W. de Haan NV., Utrecht,
1941), 380 blz.; prijs t 11.50 (geb.).

overbodig geleerddoen is vermeden en de inhoud, die
overigens slechts goed begrijpelijk is voor hen, die begrip
hebben van eenvoudig statistisch werk en tevens op het
gebied van de bedrijfseconomie geen vreemden zijn, is
logisch van opzet en indeeling en zal ook den op dit terrein
geschoolde prijs doen stellen op het bezit van dit boek,
waarin hij telkens weer wat zal vinden, dat hem bij ge-
entameerde onderzoekingen van nut zal zijn. De methode
van verwerken, waarbij telkens in nauwe aansluiting
op de theorie eenige uit de practijk gegrepen voorbeelden
zijn gegeven, waarna — voor hen, die dieper wenschen te
graven – de mathematisch-statistische ondergrond en
een verwijzing naar de litei’atuur op dit gebied worden
gegeven, zal zoowel voor practici als voor studeerenden zonder twijfel een zeer gelukkige vondst blijken te zijn.
Zoowel de beoefenaren van het vak als ook schrijvers
en uitgevers kunnen met het verschijnen v&n dit boek wor-
den gelukgewenscht. Dat de tijdsomstandigheden het tot-
standkomen van dezen arbeid niet hebben verhinderd,
pleit voor het doorzettingsvermogen van alle betrokkenen.

Econometric.

De jongste loot aan den bovengeschetsten tak van
wetenschap is ongetwijfeld de econometrie. Econometrie is,
aldus Prof. Dr. J. Tinbergen in zijn jongste publicatie
3),

,,statistische waarneming van theoretisch gefundeerde
begrippen”, of andem’s ,,wiskundige economie, werkend
met gemeten getallen”. Zij is ontstaan op het grensgebied
van theoretische economie en wiskundige statistiek.
Doordat zij voor haar doel veelal gebruik maakt van de
zgn. ,,hoogere” wiskunde, worden vele economen van
kennisneming afgeschrikt en vindt men onder haar be-
oefenaren verschillende mathematici en physici, die van huis uit geen econoom zijn. Toch is het te wenschen, dat
steeds meer economen de hindernis der wiskunde ,,nemen”
en op dit terrein doordringen; zoo goed als de boven-
bedoelde wiskundigen zich steeds weer moeite geven
om door te dringen in de gedachtensfeer der zuivere
economische vraagstukken. Wil op den duur de econoom
met grooter stelligheid dan tot dusver tot de leiders van
overheid en bedrijfsleven kunnen zeggen:,, als gij
1
deze
maatregelen neemt, dan zal
dat uw
resultaat zijn”, dan
zal hij het econometrisch-onderzoekende daar bereikte
resultaten binnen den sfeei’ van zijn belangstelling
moeten
trekken.
De toegang tot de econometm’ie wordt den economen
door het publiceeren van dit boek van Tinbergen wel zeer
vergemakkelijkt. Het is geschreven met het doel ,,den
lezer in kennis te brengen met de denkwijze, de methoden
en (le(feite] ijk juister, ,eenige”) resultaten van econometrisch
onderzoek”. Sclu’ijver is er mi. volkomen in geslaagd
deze moeilijke stof in een simpel aandoend, vlot leesbaar
betoog te behandelen. Dat hij daarbij vermeden heeft
gebruik te maken van hoogere wiskunde zal den kring van lezers zeker belangrijk uitbreiden, al heeft deze werkwijze
en het streven naar beknopte weergave tevens tot gevolg,
dat ,,slechts de contouren van de econometrie konden
worden aangeduid”.
Met de econometrische behandelingswijze komen wij
zeker weer een stap vooruit. Vooral sinds de methode der
meervoudige correlatierekening verder uitgewerkt is, zal
men in staat zijn in meer gevallen tot concrete resultaten
te komen dan met ahstraheerende deductieve redenee-
ring. Wel zal men zich in de eerste jaren nog steeds
voor oogen moeten stellen, dat nog een lange weg is af te
leggen. Zoolang men èn als gevolg van tekortkomingen
in de statistische meting van het basismateriaal èn ook
dooi’ tekortkomingen in de rekentechniek zelve, bepaalde
relaties slechts kan vaststellen nadat men een aantal
— door deductief redeneeren wel als aanwezig gesigna-

) ,,Econometrie”, door Prof. Dr..T. Tinbergen (Gorinchem
1941, J. Noorduyn & Zoon), No. 1 van ,,Noorduyn’s wetenschappe-
lijke reeks”; 155 blz., prijs f265.

750

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31 December 1941

leerde – factoren heeft verwaarloosd ter vereenvoudiging
van het te verwerken cijferbeeld, doet men in wezen
hetzelfde als de theoretisch-econoom – door enkele eco-
nometristen wel eens geringschattend , ,praateconoom”
genoemd – die een ruim gebruik maakt van het ,,ceteris
paribus” om tot een resultaat te kunnen komen. En beide wetenschapsbeoefenaren maken in wezen dezelfde fout,
als zij daarna met het, bereikte resultaat als adviseur
naar den practijkman stappen zonder vooraf hun uitkomst
te zalveren van de gevolgen, die hun respectievelijke
,,verwaarloozen” en ,,constant-verklaren” daarop hebben
gehad.
Al met al een nuttig en veelbelovend terrein van we-
tenschappelijk w’erk, waarop ten vo]Ie van toepassing
blijft het woord van M. C. Rorty, dat Stridiron tot motto
van zijn boek heeft genomen: ,,Statistics are an excellent
servant, hut the worst of masters”.
1′,[.C.

ECONOMISCHE OORLOGSVOORBEREIDING

IN DE VEREENIGDE STATEN
1).

De economische oorlogsvoorbereiding, uiterst gewichtig
onderdeel der moderne oorlogsvoering, schrijdt in de
Vereenigde Staten van Amerika dagelijks verdej’. Waar-bij zich echter steeds meer en meer de behoefte doet ge-
voelen aan een tevoren opgesteld en nauwkeurig omlijnd
plan en aan een straffe organisatie ter uitvoering van dat
plan. De opbouw eener organisatie ontmoet echter vele hinder-
palen en schrijdt slechts moeizaam voort, daar de vorm
eener volledige oorlogseconomie onder straffe leiding van
den Staat, waarheen toch de ontwikkeling, gesteund door
de , ,New Deal”-aanhangers, onweerstaanbaar ten rleert,
heftige besti’ijding ontmoet. Het zijn vooral de groote
industrieelen en hun kring, die zich tegen deze alomvat-
tende staatsleiding verzetten. Zij willen, ook ten aanzien
van de bewapeningsopdrachten en de daarmee samen-
hangendd problemen, als capaciteitsvergrooting ed., blij-
ven vasthouden aan de gebruikelijke zuiver commercieele
overwegingen, en wenschen daarvoor geen andere ,,poli-
tieke” normen aan te leggen.

De oQcrheidsol’gan isate der oorlogseconomie.

Dat hierdoor de organisatie een sterk wisselend karakter
vertoont en herhaaldelijk hei’vormingen plaats vinden,
zal duidelijk zijn. 1-let is dientengevolge ook moeilijk, zich
een juist beeld van de organisatie en den omvang en af-
bakening der competenties van de verschillende organen
te vormen. Aan de hand van een aantal dagbladartikelen.
moge hier toch gepoogd worden een beeld van deze Orga-
nisatie te schetsen, zooals zij zich thans voordoet. Op
volledigheid wil deze schets echter, wegens gebrek aan
gegevens, geen aanspraak maken.
Aan de spits der organisatie vinden we dan de Presi-
dent zelf, bijgestaan in deze taak door een speciale afdeeling
van zijn kanselarij, het
,,Office for Emergency Manage-
,nent

.
Bij de uitvoering der van den President afkomstige
richtlijnen wordt de organisatie in verschillende groepen
gesplitst, t.w. productie, prijsregeling, ai’beidsbemiddeling,
huisvesting dei’ arbeiders, buitenlandsche betrekkingen,
financiering en voorraadvorming.
Ten aanzien van de productie berust de leiding sinds
Augustus 1941 bij de ,,Supply
Fi’iorities and Allocation
Board” (,,SPAB”).
De instelling van dit orgaan bij de jongste reorgani-
satie was het uitvloeisel van de volgende omstandigheden.
V66r deze reorganisatie berustte de leiding der oorlogs-
productie bij het
,,Office for Production and Management
of Defense”
(,,OPMD”). Hierbij deed zich echter het feit

‘)
Dit artikel werd geschreven in November 1941.

voor, dat de belangrijke kwestie der ,,priorities”, de voor-
rangsregeling bij de toewijzing van grondstoffen, ten aan-
zien van de bewapeniiigsindustrie berustte bij dit ,,OPMD”,
terwijl de regeling voor de burgerlijke behoeftén in handen was van het, onder leiding van Henderson staande, prijzen-
bureau, het
,,Office of Price Admïnist,’ation and Cioiiian
Su.pply” (,,OPACS”).
Tengevolge van deze weinig doelmatige verkverdeeling,
waardoor herhaaldelijk wrijvingen ontstonden, vond in
Augustus 1941 een reorganisatie plaats en werd de ,,Supply
Priorities and Allocation Board” als topoi’gaan ingesteld,
die de beslissing heeft inzake de toewijzing van grond-
stoffen, zoowel aan de oorlogsindustrie als aan de parti-
culiere en consumptiegoede.renindustrie.
Leider van het ,,SPAB” is de Vice-president des’ Ver-
eenigde Staten, Wallace, terwijl in de leiding tevens zitting
hebben het viermanschap van liet ,,OPMD”, de leides’
der pi’ijscôntrôle Hendei’son, alsmede Ilopkins, de leider
van de huipverleening aan Engeland.
1

let ,,Office for Production and Management of Defense”
is blijven bestaan, maar staat dus voortaan onder de
,,Supply Priorities and Allocation Board”. –
Dit ,,OPMD”, opgericht op 12 April 1941, was oor-
spronkelijk het bolwerk der groote industrieelen (Knudsen,
Stettinius e.a.
2),
die zich, zooals gezegd, kanten tegen te vergaande staatsbemoeiing en in het algemeen tegen een
manier van zaken doen, die niet op zuiver commercieele
overwegingen is gebaseei’d. Door de vorming van ver-
schillende onderafdeelingen, waarvan de leiders juist wel
deze denkbeelden waren toegedaan, is hun standpunt
echter geducht ondermijnd.

Het ,,Office fo,’ P,’oduction and Management of Defense”.

De leiding van het ,,OPMD” berust bij Knudsen, hill-
mann en de ministers Stimson en Knox. Binnen het ,,OPMD” hebben zich de volgende afdeelingen ge-
vormd:
1. de afdeeling
,,Prio,’ities”,
onder leiding van Nelson,
vroeger onder leiding van Stettinius. Nelson zelf was
oorspronkelijk ,,priority administrator”, d.w.z. degen,
die de rangorde van buitenlandsche opdrachten moest
vaststellen in verband met de bewapeningsbehoefte,
alsmede concrete regelingen voorstellen voor de verschil-
lende industrieën, en voor een juiste uitvoering daarvan
moest waken.
Het prioriteitensysteem zelf is weinig overzichtelijk
door de bijna dagelijksche wijzigingen. Drie groote groepen
zijn evenwel te onderscheiden
9:
die grondstoffen en producten, welke alleen geleverd mogen worden, wanneer de bestelling waarvoor ze noodig
zijn zelf een prioriteit geniet (hieronder vallen o.a. werk-
tuigmacliines, nikkel en wolfram);
die grondstoffen, die in de eerste plaats voor de be-
wapeningsindustrie zijn gereserveerd en waarvan slechts
geringe resteerende hoeveelheden voor burgerlijke be-hoeften mogen worden gebruikt. Hieronder vallen o.a.
aluminium, koper en zink;


die grondstoffen en pi’oducten, die nog geheel vrij
zijn, maai’ waarop leger en vloot een recht van voorkeur
hebben. Hieronder vallen o.a. photoartikelen, tin, electro-motoren en generatoren.
2. de afdeeling
,,Production”,
onder leiding van Biggers.
Deze afdeeling is weer in drieën gesplitst, een groep voor
industrieele grondstoffen onder leiding van Harriman,
een tweede groep voor vliegtuigen, artillerie, transport-

‘)
Knudsen, Stettinïus e.a. zijn de zgn. ,,dollars-a-year-men”,
grootindustrieelen, (Knudsen is van ,,General Motors”, Stettinius
van,U.S. Steel”), die a.b.w.,, ehrenamtlich” een staatsfunctie
uitoefenen, en daarvoor 1 dollar per jaar toucheeren, ten einde
hun aldus toch de kwaliteit van ambtenaar te verleenen.
31
Zie: Wirtschaftsdienst No. 25/26 van Juni 1941. Tengerolge
van de onbevredigende werking van het prioriteitensysteem heeft
liet ,,SPA” echter onlangs aan het ,,OPMD” opdracht gegeven een nieuw toewijzingsstelsel te ontwerpen in de plaats van het
oude systeem.

31 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

751

middelen en werktuigmachines onder leiding van Johnson
en een derde groep voor scheepsbouw en motorbrandstoffen
onder leiding van admiraal Land.
Als adviseerend college is naast Biggers een
,,Proclnction
Planning Board”
ingesteld, die vooral bemoeienis heeft
met de uitvoering der hulpverleeriing aan Engeland
(normaliseering en standaardiseering der wapenen en
machinerieën, die zoowel voor het Engelsche als het
Amerikaansche leger benoodigd zijn). Hopkins, de ,,defen-
se-expeditor”, is één der leden van deze Board.
Zeer onlangs heeft het productiebureau een
,,Board
of Industrial Conseroation”
gevormd, waarvan de voor-
naaniste taak is de grootst mogelijke besparing van
grondstoffen te verkrijgen, alsmede het coördineeren van alle maatregelen met betrekking tot de ooriogseconomie,
die door de verschillende bewapeningsinstanties zijn ge-
troffen.
de afdeeling
Inkoop
onder leiding van Nelson.
de afdeeling
,,Citilian Supply” onder leiding van
ilenderson, welke functie dus vroeger onder liet prijzen-
bureau viel.
de afdeeling
,,Contract Distribution”
onder leiding
van Odlum, welker taak liet is, zorg te dragen voor een
grootere spreiding der opdrachten, waarbij vooral ook
kleinere fabrieken moeten worden ingeschakeld, daar
tot nu toe bijna uitsluitend de groote concerns bij de
bew’apeningsorders waren betrokken.
liet ,,Officc of Price Ad,ninistration and Civilian Supply”

Tegelijk met het ,,OPMD” is in April 1941 tevens liet
reeds genoemde ,,Office of Price Administration and Cmi-
lian .Supply” (,,OPACS”) gevormd, onder leiding van
lienderson. De taak van deze instelling omvatte oor-
spronkelijk de zorg voor prijsstabilisatie, het verhinderen,
dat goederen door speculatie aan hun oorlogsbestemming
worden onttrokken en het verzorgen van de vedeeling
der grondstoffen voor civiele behoeften. Zooals gezegd,
is bij de reorganisatie in Augustus 1941 de zorg voor de
verdeeling der grondstoffen voor burgerlijke behoeften
toevertrouwd aan een aparte afdeeling van het ,,OPMD”,
onder leiding van llenderson. Het prijzenbureau is daarna
als zelfstandige instantie naast het ,,OPMD” blijven
voortbestaan.

Andere organisaties ter behandeling nan be(napenings-
problemen.

De industrieele expansie en de productie-verhooging,
waartoe de steeds groeiende bewapeningsorders aanleiding
geven, deden een huisvestingsprobleem ontstaan voor de
in grooten getale naar de industrieele centra toestroo-
mende arbeiders. Tot regeling van deze kwestie werd een
aparte functie in het leven geroepen, die van
,,Defense
Ilousing Coördinator”,
waarmee Palmer werd belast.
In Maart 1941 is verder een
Bweau noor arbitrage
inzake arbeidsconflicten in de bernapeningsindustrie
inge-
steld, onder leiding van C. Dijkstra, president van de
universiteit van Wisconsin. Dit bureau moet ingrijpen
zoodra een conflict de productie of het transport van
wapentuig in gevaar dreigt te brengen, indien zulk een
conflict door de gebruikelijke arbitragecommissies van het
Ministerie van Arbeid niet kan worden bijgelegd. Tevens
werd bepaald, dat in deze industrieën pas vier weken na
het besluit om te gaan staken inderdaad gestaakt mag
worden, in welke periode van vier weken dan bemiddeling
mogelijk is.
Tenslotte is in het begin van Augustus 1941 nog een
ander belangrijk orgaan in het leven geroepen, de
,,Eco-
nomic De! ense Board”.
De taak san dit orgaan bestaat in
liet coördineeren, in het belang der nationale verdediging,
van alle maatre(relen, die ter bescherming en ter verster-
king van de internationale betrekkingen op economisch
gebied door de verschillende instanties zijn of worden
getroffen.

Het bureau oefent dus toezicht uit op den in- en uitvoer,
deviezentransacties, kapitaalverkeer, scheepvaartverkeer
e.d. Practisch heeft de ,,Economic Defense Board” zoo
de contrôle over alle buitenlandsche betrekkingen der
Vereenigde Staten op economisch gebied en is derhalve
een belangrijk symptoom van de steeds verder gaande
staatsinmenging.

Het bureau wordt geleid door Vice-president Wallace.
Tot de leden behooren de meeste ministers, terwijl andere leden naar behoefte kunnen worden aangewezen.

De ,,Reconst#uction Finance Corporation”.

De financiering tenslotte van de bewapening geschiedt voor een belangrijk deel door de
,,Reconstruction Finance
Coiporation”
onder leiding van Jesse Jones. Dit instituut,
opgericht in 1932 ter verleening van die credieten aan bank-
wezen, industrie en landbouw, die voor de particuliere ban-
ken te riskant varen, heef t zich allengs ontwikkeld tbt de
leidende financieele instelling in de Vereenigde Staten
en is door Roosevelt gemaakt tot het centrale financierings-
apparaat der ,,New Deal”. Ook de bewapening wordt voor-
namelijk met haar credieten gefinancierd, daar de ,,New-
Deal”-aanhangers in principe afwijzend staan tegenover
een financiering uit belastingen, althans in den aanlooptijd.
Eenerzijds verleent de ,,Refico”, wier kapitaal momen-
teel $ 1,5 milliard bedraagt, bedrijfs- en bouwc.redieten
met een looptijd van 5-10 jaar tegen een rente van 4pCt., terwijl zij anderzijds belast is met de financiering van de
voorziening van hèt land met strategisch belangrijke grond-
stoffen. Ter verwezenlijking van haar taak heeft de
,,Refico” een vijftal dochtermaatschappijen opgdricht,
ieder met een kapitaal van $ 5 millioen. Dit zijn de:
,,Rubber Reseroc Cwnpany”,
die tot taak heeft een voor-
raad van 430.000 ton rubber te vormen
4).
Rubberaan-
koopen mogen voortaan nog slechts door deze maat-
schappij worden verricht. Voor haar aankoopen heeft de
maatschappij een crediet van $ 140 millioen van de
,,Refico” gekregen.
,,I.ietal Reserne Company”,
welke belast is met de aan-
koop van tin, mangaan, wolfram, antimoori en andere
belangrijke metalen. Daartoe heeft zij een crediet van
$ 100 millioen van de ,,Refico” gekregen.
,,Defense Supply Company”,
die belast is met de voor-
raadvorming van andere belangrijke producten, vooral
vliegtuigbenzine. Zij heeft een crediet van $ 25 millioen
van de ,,Refico” ontvangen.
,,Defense Plant Company”,
die den bouw van wapen-
fabrieken door de regeering financiert en, ter aanvulling
van (le bankfinancieming, credieten aan de particuliere
wapenfabrieken verleent. Het betreft hier vooral vliegtuig-
fabrieken.
,,Defense Home Company”,
die den woningbouw finan-
ciert voor de arbeiders in de wapenindustrie.

Samenvattend kan men dus zeggen, dat:
de leiding van de oorlogsproductie berust bij de ,,Supply
and Allocation Board” en bij het onder haar geplaatste
,,Office for Production and Management of Defense”
met haar verschillende onderafdeelingen;
de prijsregeling berust hij het ,,Office of Price Admini-
stration”;

de arbeidsbemiddeling berust bij de gewone arbitrage-
commissies en, indien die falen, hij het Bureau voor arbi-
trage inzake arbeidsconflicten in de bewapeningsindustrie,
dat echter geen bevoegdheid heeft een regeling dwingend
voom te schrijven;

het huisvestingsprobleem berust bij den ,,Defense
Housing Coördinator;
de financiering en voorraadvorming van strategische
grondstoffen berust bij de ,,Refico” en haar dochter-
maatschappijen.
Dr. T. HUITEMA.

‘) De wereldproductie van rubber bedroeg in 1930: 1.003.000 ton.

752

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31 December 1941

HYPOTHEEKHOUDERS EN BRAND-

VERZEKERING.

Vele geldgevers, die gelden op onderpand van gebouwd
onroerend goed hebben verstrekt, zullen zich, in verband met de stijging van de bouwkosten van huizen en andere
gebouwde eigendommen, de vraag stellen, welk standpunt
zij moeten innemen ten opzichte van de brandverzekering
van het onderpand. Indien namelijk vaststaat, dat de
verzekerde som niet meer voldoende is, om bij geheele of
gedeeltelijke schade de herstelkosten te dekken, zullen
zij zich voor de vraag gesteld zien of zij hij hun hypo-
thecaire debiteuren moeten. aandringen
01)
verhooging

van de verzekerde waarde, dan wel of de verhoudingen z66
liggen, dat zij zonder veel risico te loopen de kwestie der
verzekering aan de beoordeeling van den eigenaar van het onroerend goed kunnen overlaten.
Bij de behandeling van voorgaande vraag zullen ver-

schillende factoren een rol spelen.

Socaal-ccononiLscIte oPer(vegl.ngen

In het algemeen zal voor den hypotheekhouder, die zich
op een ruim standpunt plaatst, een overweging kunnen
zijn, dat het een gewenscht streven is, om prijsstijging
zooveel mogelijk te bestrijden, zoodat men niet moet aan-
dringen op verhooging der verzekerde sommen, omdat

daarmede de reeds bestaande prijsstijging wordt ge-
accentueerd.
Voorts brengt prijsstijging van goeeren en diensten
verhoudingsgewijze daling van de waarde van vaste rente-
– dragehde vorderingen met zich, een waardeverschuiving,
welke dus rechtstreeks ingaat tegen de belangen van diegenen, die in dezen vorm beleggen. liet ligt daar-
om niet voor de hand, dat een aandrang naar verhoo-
ging van de brandverzekering van geldgevers uitgaat,
daar dit de massa in haar vrees voor prijsstijging zou kun-
nen sterken, hetgeen licht de prijsstijging weer zou be-
vorderen.
Te meer spreekt dit, omdat bij dit soort verzekeringen
slechts sprake is van brandschade, niet van molestschade,
terwijl het iisico voor brandschade zeer beperkt is, hetgeen

o.a. tot uiting komt in de lage brandverzekeringsprernie.
Sociaal-economisch bezien is er dus aanleiding van het
uitoefenen van aandrang tot verhoogen van de verzekerde
waarde zoo mogelijk af te zien.

Prioaat-econonische ooerwegingen.

Neemt men echter aan, dat de geldgever zich uitsluitend
laat leiden door wat hij ziet als zijn beperkt eigenbelang,
zich om bovenhedoelde verdergaande overwegingen niet
bekommert en zich uitsluitend vastklampt aan het nuch-
tere feit, dat inderdaad de prijzen zijn gestegen, dan is de
vraag beperkt: ,,Wat kan men voor schade lijden als,
tengvolge van brand, het onderpand geheel of gedeeltelijk
wordt verwoest en de verzekering niet aangepast is aan
de huidige prijzen?”
Men zal zich dan eerst moeten realiseeren hoe men de
tegenwoordige prijsstijging wil zien.
Gelet op de getroffen prijsbeheerschende maatregelen
mogen wij ervan uitgaan, dat zij op het moment uit-
sluitend veroorzaakt wordt door de schaarschte aan
bouwmaterialen. ‘Waarschijnlijk zullen binnen afzien-
baren tijd na afloop van den oorlog de oude prijzen weer
gangbaar worden, eenerzijds omdat op de grondstoffen
niet langer voor oorlogsdoeleinden beslag zal worden
gelegd en anderzijds omdat elke regeering zal trachten
een ontwrichtende prijs-loon-stijging te voorkomen.
Wij gaan dan ook uit van de veronderstelling
Q
dat de
waarde der onderpanden eenigen tijd na afloop van den
oorlog weer zal terugkomen op hare oude hoogte, zeg die
van 1939. Wij stellen hier het jaar, vôôrdat wij in den
oorlog betrokken werden, tot basis, aangezien men voor veronderstellingen, verband houdende met de toekomst,

nu eenmaal een uitgangspunt dient aan te nemen en het
een aannemelijke veronderstelling lijkt, dat na den oorlog
alles er op gericht zal worden, weer te bereiken het wel-
vaartspeil dat vôér de groote ontwrichting bekend was,
met het daarbij behoorende prijspeil Op deze wijze blijft een onderpand dus gedurende de periode van verhoogde
prijzen van nieuwbouw op een eenigszins gereduceerde
waarde aangenomen, vergeleken met de momenteele
kosten van herbouw
1).

Uit den aard van de zaak heeft dit beteekenis voor al

die gevallen, waarin een geldverstrekker ei toe zou over-
gaan zijn hypothëek te verhoogen. Hier zal aanleiding toe kunnen bestaan bij een gedeeltelijke schade, waardoor de
opbrengst van het pand geheel of ten deele wegvalt, ter-
wijl de geldnemer financieel niet in staat is om het herstel te bekostigen. Totherstel van deschade zullen in de eerste
plaats gebruikt worden de ontvangen assurantie-pennin-
gen; de herstelkosten kunnen echter zoodanig zijn, dat de
schadevergoeding ontoereikend is; er zal dan voor den geld-
verstrekker reden kunnen zijn verdere financieele hulp te
verleenen en dus het hypotheekbedrag te verhoogen. Hij
zal dat doen, indien alleen op diè w’ijze het pand opnieuw
rendabel is te maken, om aldus weer rente en aflossing

te verkrijgen.
Bij onze veronderstelling past, dat een verhooging van
het hypotheekbedrag boven 100 pCt. van de oude waarde
als ongedekt wordt beschouwd, ook af zou het hypotheek-
bedrag minder dan 100 pCt. zijn van de nieuwe waarde.
Bij onze verdere beschouwingen wordt er nu van uit-
gegaan, dat de overwaarde van de hypotheek verbruikt
kan worden, zonder dat dit nog schade oplevert voor den
geldgever, ook al zal men minder gaarne zijn veiligheids-
marge gebruiken; wanneer de hypotheek echter boven
de oude
onderpandswaarde zou komen, wordt het gedeelte
boven die oude waarde als geheel ongedekt beschouwd.

Awd en samenstelling can het onder pand.

Bij de beoordeeling van de afzonderlijke gevallen is in
de eerste plaats de samenstelling van het onderpand

vah groot belang.
Indien dit voornamelijk uit grond bestaat met een op-
stal van verhoudingsgewijze geringe waarde, loopt de hy-potheekhouder, omdat de waarde van den grond uiteraard
geen invloed ondergaat van een eventueelen brand, een
veel geringere kans op schade, dan in het geval dat de
waarde van den grond verhoudingsgewijze gering is ver-
geleken met de waarde van den opstal. Is bijv. de waarde
van den opstal Weiner dan de marge yan de hypotheek,
dan loopt de geldgever geen risico.
In dit opzicht is het ongunstigste geval dat, waarbij
hypotheek verstrekt is
01)
een opstal op erfpacht, waarbij

de grond dus geenonderpand voor de leening is. –
Bij de verdere beschouwing van dit ondérwerp wordt
van dit ongunstigste geval uitgegaan.
Buiten het hypothecaire onderpand kan de geldverstrek-
ker nog andere zekerheden hebben, speciaal geregeld voor
de betreffende leening bijv. in den vorm van ôén of meer borgen; doch ook zonder speciale andere zekerheden kan
in het algemeen de gegoedheid van den hypotheekgever
zoodanig zijn, dat daarin verder in zekere mate een garantie
zit voor den geldverstrekker.
Ook in dit opzicht wordt hieronder nu van het ongun-
stigste geval uitgegaan, namelijk dat het hypothecaire
onderpand het eenige is, waarop de geldverstrekker in
geval van nood kan terugvallen.
Uitgegaan wordt verder van het normale geval, dat in de hypotheekacte is opgenomen een regeling, dat even-
tueele brandschadepenningen aan den hypotheeknemer
worden uitbetaald, waartoe dan door den verzekeraar een

‘) In
Oe
samenvattende opstellingen, waartoe hierna gekomen
wordt,
is
uiteraard verwerkt, dat slechts gedeeltelijke schadever-
goeding plaats vindt, indien het onderpand niet voor de volle waarde
is verzekerd. (Art.
253, WvK)

lOO

w
90
0
Cr
4
4

80
C
E

0
70
cc
w
0 z
60
z
w
CJA
cc
50
CWL
z

1-•
40

0
Id

30
1-

CS
z

20
ca

cc
10

/

31 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

753

verklaring ex art. 297
W.
v. K. aan den geldverstrekker is afggeven.

Mogelijke gec’allen t’an regeling na een brand.
Wanneer de schadevergoeding gelijk is aan of grooter dan
de hypothecaire leening, kan de geidgever de schadever-
goeding, die hij van den verzekeraar heeft ontvangen,
gebruiken ter aflossing van de leening. Daardoor bestaat
in deze gevallen dus geen risico voor den geldgever. De betrekkingen tusschen geldgever en geld nemer worden
dan verbroken.

Van geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin het
onderpand met hulp van. den geldgever wordt herbouwd.
Dan blijven geldgever en geldnemer in hun oorspronkelijke
financieele verhoudingen, zij het met andere bedragen.
Eenvoudshalve wordt gesteld, dat men te doen heeft
met een opstal gebouwd vôôr de prijsstijging, zeg in 1939,
en dat in datzelfde jaar op het pand een hypotheek is ge-
sloten.

De bouwkosten, de taxatiewaarde en het verzekerde
bedrag in 1939 worden aangenomen gelijk te zijn.
Als men spreekt van eefi tegenwoordige prijsverhooging,
bedoelt men daarmede de stijging ten opzichte van prijzen
vflôr den oorlog; de kosten van herbouw in 1941 worden
dus gezien ten opzichte van de kosten van bouw van
eenigen tijd geleden, zeg in 1939; in ons geval – na het-
geen hiervoor is aangenomen – dus ook ten opzichte
van de getaxeerde onderpandswaarde.
lIet percentage der marge van een hypotheek -wordt
steeds

genomen ten opzichte van de getaxeerde onder-
pandswaarde.
De percentages van prijsstijging en marge hebben dus
dezelfde basis en zijn direct vergelijkbaar.
Wat hiervôér aangenomen werd, is niet ver, van het
normale en vergemakkelijkt belangrijk het verkrijgen van
een algemeene conclusie en de mogelijkheid van eenvoudige
voorstelling. –
In onze beschouwing wordt de brandschade uitgedrukt
in percenten van de vroegere waarde (1939). Er vân’uit-
gaande, dat het verzekeringsbedrag niet wordt verhoogd,
zal uit den aard van de zaak de uitkeering ook geschieden
op basis van de vroegere waarde. Variabel zijn nu de volgende factoren:
de marge tusschen hypotheekbedrag en onderpands-
waarde (in guldens)

………………….in
de vergoeding voor brandschade (in guldens) ….

b
de prijsstijging der bouwmaterialen

……….p pCt.
Deze kunnen alle gezien worden ten opzichte van de
waarde van het onderpand in 1939.

Berekening der m a,n ale prijsstijging, n’aarbij de geidge 9cr
nog geen schade lijdt.

Het maximuii bedrag, dat de geldgever suppleeren
kan, uitgedrukt in guldens, is m, zoodat hij een schadever-
goeding van b gulden voor den herbouw van het on-
derpand een bedrag m + b beschikbaar is. Is de prijs

m
van herbouw dus niet meer dan

+ b

b

maal zoo groot

geworden als de schade bij onveranderde prijzen zou heb-
ben bedragen, dan kan herbouwd worden zonder dat de
hypotheek ongedekt wordt, aangezien het verschil tusschen
de herstelkosten en de schadevergoeding zonder risico
in den hierbedoelden zin, door den gel dgever-hyp otheek-
nemer gesuppleerd kan worden in den vorm van een ver-
‘hooging van de leening tot 100 pCt: van de oude waarde.
Van dit laatste uitgaande is, de maximum prijsstijging
(p) in procenten uitgedrukt dus:

rnh
p = oo + —
100= 100 m

Bij een schadepercentage van 100 – m of meer is de

hypotheek gedekt door de schadevergoeding omdat, zooals

in het voorafgaande is uiteengezet, de geldgever dan de
schadepenningen aanwendt tot aflossing van de leeriing;
100 – m is dus het maximum van de schade, waarbij
risico wordt geloopen. De maximum prijsstijging in pro-

centen bij deze schade is p’ = 100

m

100—m.
Met behulp van deze formule kan dus bij diverse marges
(m) berekend worden, hoeveel procenten de prijsstijging
kan zijn, zonder dat risico bestaat, dat bij een grootere
of kleinere schade de hypotheek ongedkt wordt. Onder-
staande opstelling geeft eenige voorbee]den.

Leeningsbedrag in pro-
centen v. d. onderpands-


waarde (100 – m) …. 75 70 65

60 55 50

Marge
(m) …………
25

30

35

40

45

50′
Max. prijsstijging (p’) . . 33,3 42,8 53,8 66,6 81,6 100

Deze formule p’ = 100 100 in in beeld gebracht geeft

onderstaande hyperbool (grafiek 1), waarvan dus bij elke
marge afgelezen kan worden de maximumprijsstijging,
waarbij de hypotheek bij elke schade steeds gedekt blijft.

II

=
100 I00-m

MARGE, UITGEDRUKT IN PER-
CENTEN DER OORSPR. WAARDE

—m

10

20

30

40

40

Hiervoor werd gesteld, dat er drie variabelen zijn, t.w.
de marge, de schadevergoeding en de prijsstijging. Men kan
een dezer variabelen op een vast cijfer aannemen en dan
de variaties van de beide anderen nagaan. De volgende
grafiek geeft hiervan een voorbeeld. 1

lierin is de variabele,
de marge, vast aangenomen, terwijl de beide overige, de
prijsstijging en de schadevergoeding in de grafiek de x- en
de ii- as, vormen. M.a.w. heeft men een bepaalde hypo-theek, waarvan de marge op een gegeven moment inder-
daad vastligt, dan kan men nagaan of, bij een bepaalde
stijging en schade, risico wordt geloopen.

In dit voorbeeld is aangenomen een marge van 30 pCt.;
het verband tusschen de vergoeding der schade en de
maximale prijsstijging is dan:

p = 100

enb = 100
30

1)

p

754

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31 December 1941

Deze vergelijking in beeld gebracht geeft onderstaande
hyperbool (grafiek II).

100
La

Bijeen
CD
90

MARGE van 30%

80
(m = 30)
0
e
70

LJKT IN PERCENTEN DER OORSPR. WAARDE
n
401

50

60

78

80

90

lOO

4,8

De horizontale lijn bij een schade van 70 pCt. geeft de
grens aan, w’aarboven geen risico geloopen wordt, omdat
in dat geval de leening geheel afgelost kan worden, terwijl
de kromme lijn de grens is, waaronder geen risico geloopen
wordt, omdat dan het onderpand der leening met behulp
van den geldgever in zijn oorspronkelijken staat hersteld
kan worden, zoodat het gearceerde gedeelte het terrein
aangeeft, waarop het risico ligt. hiervan kan men dus

voor hypotheken met een marge van 30 pCt. aflezen, hoe
groot het risico is bij iedere prijsstijging.
FIet critieke punt, d.i. dus het punt waarbij een risico
vooi’ den geldgever ontstaat bij voortgaande prijsstijging
ligt bij een prijsstijging van 42,8 pCt.; (zie ook grafiek 1).
Bij een kleinere prijsstijging loopt de geldgever onder geen enkele omstandigheid risico.

Bij een prijsstijging van 50 pCt. is de hypotheek niet ge-
dekt bij een schade tusschen 60 tot 70 pCt., enz.
Nu kan nog een ander verband bezien worden, ni. tus-
schen de schade en de marge
bij een gegeven prijsstijging
(bijv. van 50 pCt.). Dan is het verband tusschen schade,
in
welke maximaal gedekt is, en marge: 50 = 100 , of b =
lOOm

b
50 = 2 m. Dit in beeld gebracht geeft nevenstaande

rechte lijn (grafiek III).
De lijn gemerkt met *) is gevormd door de punten der
rechte b = (100 – in) waarboven geen schade geleden
wordt. Het gearceerde gedeelte van de grafiek geeft het ri-sico aan bij de verschillende marges. Bij een marge, welke
grooter is dan 33,33 pCt. is er geen risico meer, voor den
geldgever. Immers de hypotheek is gedekt tot een schade
van 66,7 (b = 2m.), terwijl de hypotheek ook daarboven ge-
dekt is (100 – m = 66,7). Bij een marge van 30 pCt. is de
hypotheek niet gedekt bij een schade van GO tot 70 pCt
(zie ook grafiek II).
Conclusie.

In het voorafgaande zijn bezien liet ongunstigste geval,
wat betreft de samenstelling van het onderpand, nl. erf-pacht, en evenzoo het ongunstigste geval wat betreft de
draagkracht van den debiteur, nI. dat deze voor een her-
bouw niets kan bijdragen.
De conclusie van één en ander is, dat bij hypotheken met een normale marge en bij de tegenwoordige prijs-
stijgingen v’or bouwmaterialen het risico voor den geld-
verstrekker, als het al aanwezig is, dan toch zeer gering
blijft.

loo
Bij een

lJSSTIJGING van 50 %
90
(p=5O)

80
CD

4 4
70

cc
0

o 60
o

La
1

*)
CD
50
La
1—
z
1

40
La
0

30

50=
100
o
Ib

g20

tJ
o
0
1
C.)
MARGE, UITGEDRUKT IN PER-
CENTEN DER
O0RSPR
WAARDE
0

0

10

20

30

!40

m

33,33
r1
ens
l
o
tt
e
moge nog vermeld worden, dat een jaarverslag
van een hypotheekbank over 1940 de volgende mededee-
ling inhoudt:

,,De Vereeniging van Directeuren van llypotheekban-
ken heeft een collectieve verzekering gesloten, waardoor
het mogelijk is de hypotheekbanken te vrijwaren voor
schae voortvloeiende uit het feit, dat de schulden aar niet
of niet voldoende was verzekerd, of wel, dat tusschen
dezen en zijne verzekeraars moeilijkheden zijn gerezen ter
zake van de uitbetaling der schadevergoeding, of ook, dat
om eenige reden de uitbetaling dooi’ den verzekeraar niet
geschiedt.”
Deze regeling slaat blijkbaar niet alleen op de moeilijk-
heden, welke voort zouden kunnen vloeien uit niet verhoo-
ging van brandverzekeo’ing, hoewel de bouwkosten mo-
menteel zijn gestegen. Het deel van de premie, voor dat
gedeelte van deverzelcering, en vooi’ de hypotheken met
een normale marge bij de tegenwoordige prijsstijging van
bouwmaterialen, zal wel zeer gering kunnen zijn.
Wij komen dus tot de conclusie, dat de hypotheek-
nemer/geldgever bij de tegenwoordige prijsverhooging
geen risico van eenig belang loopt.

P. D. A. VAN LITII.

EEN EN ANDER OVER DE GEMEENTE EN

HAAR BEDRIJVEN.

Ingevolge artikel 252 der gemeentewet werden dooi’
den Raad der gemeente, onder goedkeuring van de Ge-
deputeerde Staten, de takken van dienst aangewezen.
Voor deze takken van dienst (gemeentebedrijven) werden
door den Raad beheersverordeningen vastgesteld, w’elke
eveneens de goedkeuring van de Gedeputeerde Staten behoefden. Vôér den aanvang van het dienstjaar en na
afloop hiervan, moesten resp. een begrooting worden op-
gemaakt en een rekening voorloopig worden vastgesteld
– de definitieve vaststelling geschiedde door de Gede-
puteerde Staten -, op dezelfde wijze als is voor-
geschreven ten aanzien van de gemeentebegrooting en

0
60 z
La
1-
z
La
58

30
40

b=IO0—

30
La
CD
1-
20
La
CD

0

PRIJSSTIJGING, UITGE

10

20

30

31 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

755

-rekening. In verband met de plaats gehad hebbende
wijzigingen in het bestuur der provinciën en gemeenten,
zijn deze bevoegdheden van de Gedeputeerde Staten en
den gemeenteraad thans overgegaan op respectievelijk den
Commissaris in de provincie en den Burgemeester.
In hoofdstuk XIII van de gerneentebegrooting, welke
zooveel paragrafen heeft als er takken van dienst in de
gemeente zijn, wordt de finantieele verhouding geregeld
tusschen de gemeente en haar bedrijven. De belangrijkste
posten, welke in dit hoofdstuk voorkomen, zijn: rente,
aflossing, batige of nadeelige saldi. In de Statistiek der• gemeentefinanciën 1940, bewerkt
door het Centraal Bureau voor de Statistiek te ‘s-Gra-
venhage, wordt een opsomming gegeven van het aantal
en de soort der gemeentebedrijven naar den toestand
op 1 Januari 1940. Op dezen datum waren er 1278 ge-meentebedrijven; het grootste deel hiervan vormen de
electriciteitsbedrijven, waarvan het aantal in verband
met overneming door de provincies steeds afneemt. Dan
volgen, in verhouding tot het aantal, gas-, water-, woning-
en grondbedrijven, slachthuizen, openbare werken, keu-
ringsdiensten van vee en vleesch en reinigingsdiensten.
Opgemerkt dient nog te wrden, dat een bepaalde ge-
meentelijke dienst in de eene gemeente wèl, in de andere
gemeente daarentegen nièt als tak van dienst, zooals
bedoeld in artikel 252 der gemeentewet, is aangewezen.

De fin,antieele beteekenis der gerneentebedrijQen.

Zooals reeds is medegedeeld komt in hoofdstuk XIII
van de gemeentebegrooting in alle paragrafen o.a. de
post: batige of nadeelige saldi voor. Dat deze saldi,
althans de batige, der gemeentebedrijven voor de ge-
meentefinanciën van groot belang zijn (de door de bedrijven
soms betaalde retributies voor het hebben van buizen
in gemeentegrond kunnen, mits tot redelijke bedragen
gevorderd, niet als verkapte winstuitkeeringen worden
aangemerkt) moge hieruit blijken, dat volgens genoemde
statistiek de opbrengst van het totaal der gemeente-
belastingen voor alle gemeenten in de jaren 1936, 1937
en 1938 heeft bedragen respectievelijk f155.551.000.—,
1161.178.000.— en f 168.312.000.— (deze bedragen zijn
in ronde sommen van duizend gulden genomen) of per
hoofd der bevolking resp. 1 18.35, f 18.83 en 1 19.48. FIet
totaal der batige saldi van deze bedrijven in genoemde
jaren bedroeg resp. f 66.682.000, 1 68.130.000.— en
f 67.401.000.— (eveneens ronde sommen van duizend
gulden) of per hoofd der bevolking resp. f 7.87, f796
en 1 7.80.
Ook een vergelijking tusschen het totaal bedrag van
de geconsolideerde gemeenteschuld (waaronder zijn be-
grepen de Rijksvoorschotten voor woningbouw, inge-
volge de Landarbeiderswet, uit het Werkfonds, enz.)
en het gedeelte hiervan, aangegaan ten behoeve der ge-
meentebedrijven, is interessant. Over de jaren 1936,
1937 en 1938 was het totale bedrag der geconsolideerde
gemeenteschuld, volgens meergenoemde statistiek, resp.
f 2.534.298.000.—,f2.600.380.000.— en 12.613.648.000.—of
per hoofd der bevolking resp. f 299.05, f 303.89 en 1 302.52.
Ten behoeve der gemeentebedrijven was over genoemde
jaren geleend resp. 1 981.248.000.—, 1 998.349.000.-
en f 979.537.000.—. Van laatstgenoemde drie bedragen
werd geldelijk rendabel geacht (d.w.z. dat de rente en
aflossing van de ten behoeve der gemeentebedrijven
gesloten leeningen uit de inkomsten dier bedrijven wor-
den betaald) resp. f 806.255.000.—, 1 812.639.000.— en
f 802.402.000.— of per hoofd der bevolking resp. 1 95.14,
f 94.97 en 1 92.87.
Opgemerkt zij, dat enkele grootei-e gemeenten de door
haar bedrijven geproduceerde electriciteit en gas aan
omliggende kleinere gemeenten leveren, waardoor deze
in soms niet geringe mate meehelpen de batige saldi
van de gemeente van levering te vormen.
Enkele takken van dienst bedruipen in doorsnee zich-
zelf; zoo bijvoorbeeld het bedrijf der openbare werken,
dat meestal een klein batig of nadeelig saldo oplevert,
Dit is een gevolg van het feit, dat deze tak van dienst
leveranties en diensten verricht aan de gemeente en
gemeentelijke diensten en de daarbij gemaakte kosten
volgens een bepaald percentage onislaat.
Nadeelige saldi van takken van dienst moeten door
de gemeente uit haar algemeene middelen (belastingen)
worden gedekt. Een bijzondere positie wordt ingenomen door de grondbedrijven, waarbij de nadeelige saldi soms
door de gemeente niet uit de gewone middelen worden
gedekt. Het bedrag van de nadeelige saldi dezer bedrijven
woidt dan geheel of gedeeltelijk bijgeschreven op de
boekwaarde der gronden. Meestal vindt elke vijf jaren een
schatting. van de waarde der gronden plaats. Blijkt dan,
dat de geschatte waarde lager is dan de boekwaarde,
dan wordt het verschil door de gemeente alsnog uit haar
gewone middelen aangevuld.
G. F. DE GROOT

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.
VERKEER.

Motorrijtuigen.
Besluiten inzake verzekering van het
beschikbaar zijn van motorrijtuigen, waarbij schriftelijke
vergunning van den betreffenden Rijks(hoofd)-Inspecteur
van het Verkeer is vereischt om motorrijtuigen: a. •te
verkoopen of te vervreemden; b. langer dan 5 dagen
buiten de plaats van normale werkzaamheid te brengen
of te doen verblijven; c. uit Nederland uit te voeren;
d. te verhuren of op andere wijze ter beschikking van
derden te stellen, indien daarmede redelijkerwijze ver
plaatsing buiten Nederland verbonden kan worden ge-
acht. Onder motorrijtuigen worden hierbij verstaan:
vrachtauto’s met een laadvermogen van 1 ton of meer,
autobussen en andere tractoren dan landbouwtractoren.
(E.V. 12/12/’41, pag. 1862; V.B. No. 49).

STATISTIEKEN.
BA14KDISCONTO’S.

.r

(DisC. Wiss.21 28 Juni ’41
.ed.
i

Bi.Eff.31 28Aug. ’39

1
Lissabon

. . . .

4

31 Mrt.

’41
Londen

……
2

26 Oct.

1
39
Bk. (Vrsch.inRC3l 28Aug. ’39

1
Madrid

……
4

28 Nov. ’38
Athene

……
5

21 Juli

1
41

1
N.-York F.R.B. 1

27Aug. ’37
Batavia

……
3

14 Jan.

’37

1
Oslo

……..
41

21 Sept. ’39
Belgrado

. . .

5

1 Febr. ’35

1
Parijs

……..

11

17 Mrt.

’41
Berlijn

……
31

9 Apr.

’40

1
Praag

……..
3

1 Jan.

’36
Boekarest

. . . .

3

12Sept.’40

1
Pretoria

……
31 15Mei

’33
Brussel

……
2′) 25 Jan.

1
40

1
Rome

……..
41 18 Mei

’36
Boedapest

..
. .

3

22 Oct.

1
40

1
Stockholm

..

3j 17 Mei

’40
Calcutta

. . . .

3

28 Nov. ’35

1
Tokio

……..
3.521 Juli

’41
Helsingfors

. .

4

3 Dec. ’34
Warschau

.. 41 18 Dec. ’37
Kopenhagen

. .

4

15 Oct. ’40

1

Zwits. Nat. Bk. 11 25 Nov. ’36
2)
3 pCI. voor wissels, promessen en leeningen met een looptijd
van meer dan 10 dagen.

ZILVERPRIJS.
OOUDPRIJS.
Londen
1)

t

N. York’)
A’dam’)
1 Londen ‘)
23

Dec. 1941..

23
1
1,
1

23
Dec. 1941..

2125
1

168/-
24

,,

1941..

23’/,
1

24 ,,

1941..

2125
168/-
25

,,

1941..


1

25
,,

1941..


1


26

,,

1941..


– 26
,,

1941..


1


27

,,

1941..

23’/,
1

27
,,

1941..

2125
1

168/-
29

,,

1941..

23
1
/,
– 29
,,

1941..

2125
1

168/-
30 Dec. 1940.. –
34’/

30
Dec.

1940..

2125
1

168/-
23 Aug. 1939..

18
1
/,,
1

37’/

23
Aug. 1939..

2110
1

148/6′!,

‘) in pence p. oz. stand.

2) Foreign silver id $c. p. oz. line.
2) In guldens per kg 100011000.
4) In sh. p. oz. line.

KOERSEN VASTOESTELD DOOR HET
NEDERLÂNDSCH

CLEARII’OINST1TUUT.
(met data van
vaststelling)
Belga’s

. . . .30.14

7Aug.

’40

1
Lewa(Bulgarije)2.3025 Nov. ’40 Zw. Francs. .4 3.56 11 Oct.

’40
Pengoe (Flongarije)
Fr.Francs

..

3.77

6 Mrt.

’41
(oude schuld)36.52 20 Dec.

’40
Lires

……9.91

3 Juli

’41

j
Pengoe
Deensche Kr.36.37 17 Febr. ’41 (nwe. schuld)45.89 20 Dec.

’40
Noorsche Kr.42.82 21 Dec.

’40
Zioty (Polen)
ZwecdscheKr.44.85 13 Aug.

40
(oude schuld)35.00 28 Jan.

1
41
FlnscheMark

3.82

2 Juli

’41
(nwe. schulcl)37.68 11 Febr. ’41 Dinar (Joego-Slavie)
’40

1
Lei

1.28 24 April ’41
……..
(oude schuld)

3.43 16 Aug.
Dinar
SIOW. Kr.

..

6.48 10 Juni

’39
(nwe. schuld)

3.77

1 Juli

’41
Draclimen
Turksche
(Griekenland) 1.26

8 Oct. ’41
Ponden

. . .1.451 29 Dec.

’39

t
Kuna

3.77 29 Oct. ’41

11

756

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31 Deceniber 1941

OFFICIEELE WISSELKOERSEN NEDERLA.NDSCHE BANK.
Valuta’s (schriftelijk en It.)
N.-York
I
Brussel
I

Zürich

1
Stoekh.
I
Helsinki
23 Dec.
1941

30.14
4 3.6 7
44.85*

24

1941

30.14
43.67
44.85*

25

,,

4941



– –
26

,.

1941



– –
27

,,

1941

30.14 43.67
44.85*

29

,,

1941

30.14
43.67
44.85*

Laagste d.w.

30.11
43.63
44.81

Hoogste d.w.

30.47
43.71
44.90

Muntpariteit
1.469
24.906 48.003
66.671
6.266

KOERSEN TE LONDEN.
Plaatsen en
landen
&t
eenli.
22-27
Dec.
‘4127
Dec. Laagste
IHoogsse

4941
15-20
Dec. ’41
Laagste Hooste
20Dec.
1946

Officieel:
New York
. . .
$
p.
£
4.02*
4.03*
4.03
4.02* 4.031
4.03


– –


Stockholm

.
Kr.p.9
16.85
16.95
16.90 16.85
16.95
46.90
Parijs

…….Fr.p.I

Montreal

….
$
p.
£
4.43
4.47
4.45
4.43
4.47
4.45
Buenos Aires
Pes.p2
46.95*
17.43
17.041
16.95*
17.13
17.041
Niet-Officieel:
AlexandriO

. .
P.p.
£
97.50
97.50
97.50 97.50 97.50 97.50
– –




Bangkok

..
5h. p.tictl






Bombay

.
..
d. p. r.
17.96
17.96
17.96
17.96
17.96
17.96
Budapest

. . .
d. p.
£
Hopgkong

.
P. p.
15.-
15.-
15.- 15.- 15.-
15.-
Istanbul





– –

Athene

…….Dr.p.

d. p. yen

– –



Lissabon

….
(ecu.
P
.
£
99.80
100.20
00.-
99.80
100.20
100.-
Madrid

……
Pt.p.f
40.50
40.50 40.50 40.50
40.50
40.50

Kobe

………

Montevideo

.
d.p. p.
– –
– – –

Rio de Janeiro
1. p.

mii.






Sjanghal

….
cl. p. 8
3.03
3.03
3.03 3.03
3.03
3,03
Singapore
. . . .
d. p.
$
28.16
28.16 28.16 28.46 28.16 28.16

KOERSEN TE NEW.YORK. (Cablo).

DE NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte balans op 29 December 1941.
Activa.
Binnenl.

Wissels,
FIfdbank.

f
3.000.000
Promessen, enz. bank
mentsch. ,,
110.099
-6

3.110.099
Papier op het Buitenland
.

.

1′
929.854.296
Af: Verkocht maar
voor

de
bank

nog

niet
afgeloopen

Beleeningen
mcl. (,llfdbank.

f
929.854.296 140.196.364
1)

voorschotten in
rekening-courant
4.018.089
op onderpand
(Agentsch.
20.922.829

f

165.137.282
Op Effecten

enz.

……….

t

164.780.909
1)
Øp
goederen en Ceelen ……..356.373
165.137.282
1)
Voorschotten

aan het

Rijk

………………..
15.000.000
Munt en muntmateriaal:
Gouden

munt

en

gouden
muntmateriaal …………(1.025.755.152
Zilveren munt,

enz.

……..
..7.842.507
1.033.597.659
Belegging van kapitaal, reserves en pensioenfonds ,,
53.612.979
Gebouwen en meubelen der Bank

…………
4.000.000
DIverse

rekeningen

…………………….152.827.498

2.3 57. 13 9.813
Passlva..
Kapitaal

……………………………..
f

20.000.000
Rcset’vefonds

…………………………..
5.368.354
Bijzondere

reserves

…………………….
46.583.835
Pensioenfonds

…………………………..
11.769.898
Bankbiljetten

in

omloop

………………..
2.115.973.915
Bankassignation in

omloop

………………
66.873
..
Rek.-Courant

Van het Rijk t

saldo’s

Van anderen ,,
182.154.547 182.144.547
Diverse

rekeningen

……………………..
5.222.391

Data

Londen

Parijs

Berlij

f2.357.139.813
n

Amsterdam

1

(8 per £)

(8 per 100 fr.)

(8 p. 100 Mb.) (8 p. f100)

Beschikbaar metaalsalo

………………t

117,559.568
23 Dec. 1941

4.04

Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
24

1941

4.04

waartoe de bank gerechtigd is

…………..293.898.921
25

,,

1941

Schatktstpapier, rechtstreeks bij de bank onder-
26

1941

4.03’/

gebracht

……………………………..3.000.000
2.7

,.

1941

4.033/4

‘) Waarvan aan Nederlandsch-Indi9 (Wet van
30 Dec. 1940

4.03/,

2.23

40.05


29

,,

1941

4.03/

15 Maart 1933, Staatsblad No. 99)

……….55.341.825
Muntpariteit

4.86

3.901/,

23.811/

4031,

Voornaamsto posten In dulzenddn guldens.

DE NEI)ERLANDSCHE BANK.
Verkorte balans op 22 December 1941
Aetiva.

Binnenl.

Vissels,

Tlfclbank.

f


Promessen,
cflZ.

Bijbank

,


Agcntsch.

,,

110.099
,

Papier op

het

Buitenland

. .

f

896.567.784
Af:

Verkocht maar voor de
bank

nog

niet, afgeloopen


Beleeningen mcl.

.
Ilfdbank

f

136.569.273 ‘)
11

voorschotten in

Bijhank.

3.343.435
rekening-courant

Agentsct.

21.483.801
01)
onderpand

t

161.396.209
01)

Effecten

Cï17
.

……….

f

161.045.505
‘)
Op goederen en Ceelen

350.704

Voorschotten

aan

het

Rijk

………………
Munt en muntmateriaal:
Gouden

munt

en

gouden
muntmateriaal …………f1.025.754.800
Zilveren

munt,

en?
.
.

……….

7.845.579
1.033.600.379
Belegging van kapitaal, reserves en pensioenfonds ,,

53.634.228
Gebouwen en meubelen der Bank

…………
..4.000.000
Diverse rekeningen

……………………157.807.061

(‘2.313.128.298

Passiva.
Kapitaal

…………………………….t

20.000.000
Iteservefonils

…………………………..5.368.354
Bijzondere

reserves

……………………..

‘16.583.835
Pensioenfonds

……………………………
.

11.765.250
Bankbiljetten

in

omloop

……………….2.085.576.970
Bankassigreatiën

in

omloop

………………..15.356
Rek-Courant
f
Van het lUik

f


saldo’s

. Van anderen

,,

163.611.877
168.611.877
Diverse

rekeningen

……………………..5.206.658

t’ 2.313.128.298

Beschikbaar metaalsaldo

………………f

135.158.743
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop clan
waartoe de bank gerechtigd is …………..337.896.850
Schatkistpapier, rechtstreeks bij cle bank onder-

gebracht……………………………..


‘)
Waarvan aan Nederlandsch-Indiè (Wet van
15 Maart 1933, Staatsblacl No. 99) ……….55.361.825

Deh-
Data

munt en’)

ope
Gouden

.

I

Andere

1 Beschikb.

I
ischb.

.
1

Metaal-

hings- muntmater.

schulden

1

saldo

perc.
29 Dec. ’41

1.025.755

2.115.976
1

182.221

117.560

44.6
22

,,

’41

1.025.755

2.085.577 1

168.627

135.159

46±
15

,,

’41

1.025.732

2.050.319 1

179.288

144.984

48+
6

Mei ’40

1.160.282

1.158.613 1

255.183

607.042

83
Totaal

Schatkist-

Papier

t Divn.
Data

bedrag

prom.

Betee-

het

1
reke.
disconto’s

rechtstr.

ncngen

buit enl.

I
(act.)
29 Dec.1

3.110

3.000

t

165.137

929.854

17
22

,,

’41

110

161.396

896.568

157.807
15

,,

’41

110

1

163.009

873.884

160.312
6 Mei ’40

9.853

1 217.756

750

1

20.648
1) Per 1 April 1940 herwaardeering van den goudvoorraad op basis
van een depreciatie-percentage van 18 pCt.

DUITSCHE RIJKSIIANK.

Goud

Rent en-

Andere
ViSSOl8,

Betee-

Data

en

. ,

bank-

chèques
en

I

t
deviezen

scheine

schatbi stpa pier

1
ningen

20

Dec.

1941

77,4

304,2

19.699,0

1

28,2
15

,,

1941

i

77,2

287,1

19.236,9

1

39,1
6

,,

1941

1

77,0

265,1

18.952,9

t

14.4
23 Aug.

1939

1•

77,0

27,2

8.140.0

1

22.2

Data

Effec-‘T.5iverse 1

Circu-

Rekg.-

1

Diverse
ten

Activa

1

latie

t

Ort.

1

Passiva
20

Dec. ’41

r

82,0

T,82o,3

t

18.198,5

1

2.731,2

1

646,4
15

,,

’41

1

74,9

1

1.700,8

1

17.935,7

1

2:413,9

I

637,7
6

,,

’41

1

6
1,5

1

1.846,5

1

17.813,4

1

2.321,1

1

621,5
23

Aug. ’39 1

982,6

1

1.380,5

1

8.709,8

1

1.195,4

1

454,8

OEZAMENLIJI(E STATEN VAN
DE NATIONALE BANK VAN
BELGIE EN VAN DE EMISSIEBANK TE BRUSSEL.
(in mtll. franes)

0
a,

.c
ee

cd
cd

…..’.



5′

,.

e5

O

0

°

p4
0

0

11

’41

tTo iT TTT
4
D
e
c
,,

’41

33.513

705

17.648

2.415

47.531

3.718

2.358
27Nov.’41 1 33.664

720

17.083

2.371

47.183

3.683

2.342
20,,

’41

33.204

711

17.206

2.322

46.935

3.665

2.166
13

,,

’41

33.097

757

16.937

2.261

46.753

3.602

2.026
8
Mei
’40
1
23.606

5.394

695

1.480

29.806

909

11,0.099

896.567.784
161.396.209
‘)
6.012.538

Auteur