Ga direct naar de content

Jrg. 26, editie 1353

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 24 1941

24 DECEMBER 1941

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

EconomischA_WStatistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL;NIJ VERFIEID,FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

26E JAARGANG

WOENSDAG 24 DECEMBER 1941

No. 1353

HOOFDREDACTEUR:

M. F. J. Gooi (Rotterdam).

Plaats’ervzngend Hoofdredacteur: H. W. Lambers,
(Zrvariewaal).

Redactie en Administratie: Pieter de Hoochveg 122,R’dani-W
A angeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

Abonneinentsprijs voor het weekblad, waarin tijdelijk

is opgenomen het Economisch-Statistisch Maandbericht,

franco p. p. in Nederland f 20.85* per jaar. Buitenland en
koloniën / 23.— per jaar. Abonnementen kunnen met elk

nummer ingaan en slechts worden beëindigd per uit imo van

elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs en

leden van het iVederlandsch Economisch Instituut ontvangen

het weekblad gratis en genieten een reductie op de verdere

publicaties. A dreswijzigin gen op te geven aan de Administratie.

Advertenties voorpagina / 0.50 per regel. Andere pagina’s

/ 0.40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens tarief.

INHOIJD

Blz.

Prijspolitiek in de visscherij door
H. A. H. Boel,nans

Kranenburg

…………………………….726

Verdere ordening in de binnenscheepvaart door
C. H. de Groot ……………………..728

De huurheheersching door
Dr. 1′. Ii. C. van /3eusekom 730

Het Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Neder-
landsche Volk door G.
H. L. Zeegers ……….733

De uitgaven voor woninghuur door
G. Post’na ….734

A. a n t e e k e n i n g e n.

De beleggingen der bijzondere spaarbanken in Ne-
derland…………………………….
739

B o e k b e s p r e k i n g e n.

Dr. Georg Berg und Dr. Ferdinand Friedensburg:
Kupfer, bespr. door
.1. Willems …………… 741

Ontvangen boeken en statistieken
742

Overheidsmaatregelen

op

econo-

misch

gebied. ……………………..
742

M a a n d c ij f e r s.

Maandcijfers en weekcijfers betreffende den eco-
nomischen toestand van Nederland ‘ ……….
743

S t a t i s t i e k e n.

Bankdisconto’s – Visselkoersen – Bankstaten ….
744

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De
geidmaikt
onderging in de verslagperiode geen wij-
ziging van bteekenis. De naderende jaarswisseling is een
lactor, die bij de heerschende verhoudingen op de geld-
markt vrijwel geen invloed uitoefent. De licuiditeit der
banken is zoo ruim, dat van speciale windowdressing
operaties geen sprake behoeft te zijn. Nog steeds voert
trouwens de stijging der buitenlandche wïsselportefeuille nieuwe middelen aan de markt toe. De plotselinge krach-
tige daling der Indische waarden zou ongetwijfeld een stroom van liquidaties, van prolongatie- en voorschot-
posten tengevolgp hebben gehad, indien op eenigermate
omvangrijke schaal posities met geleend geld waren aan-
gehouden. De omvang dier posities was echter uitermate
gering, zoodat uit dezen hoofde van een wijziging op de prolongatiemarkt, die al heel weinig meer te beteekenen
heeft, feitelijk geen sprake is.

De
obligatiemarki
heeft in de verslagweek niet veel
verandering ondergaan, hoewel over het algemeen de
tendens eerder omlaag was gericht. De 3-31 pCt.-leening,
die de w’eek op ongeveer
92/
8
opende, sloot op
92
1
/. De
nieuwe 31 pCt.-leening
1941
bleef per saldo onveranderd
op
95
13
/
te
,
met slechts geringe fluctuaties. De 4 pCt..-
leening
1941
moest een fractie prijsgeven en kwam van 100/
16
op 100
1
/
16
. Ook de Indische leeningen hebben
na de krachtige daling in de voorgaande week niet veel
verandering meer getoond; de stemming was eerder
een kleinigheid beter.

De
aancieelenmarhi
heeft voor Indische waarden een week van zware koersdaling achter den rug. Nadat de
laatste dagen der vorige week een herstel zich had baan
gebroken, dat het algemeene koerspeil aanzienlijk boven
het laagste punt van de week had gebracht, en deze be-
weging zich den eersten dag van de verslagweek had voort-
gezet, is sindsdien een reactie ingetreden, die het koerspeil
noemenswaard lager heeft gebracht dan het dieptepunt in de eerste week van den oorlogstoestand in het Verre
Oosten. De daling strekte zich uit over de gheele linie
der Indische fondsen, hoewel natuurlijk het tempo
der daling voor verschillende fondsen en groepen uiteen-
loopend was. Sedert den Gen December – de laatste
beursdag voor het uitbreken van het Pacific-conflict –
zijn de Indische aandeelen gedaald met
25-40
pCt.

‘rervijl in de eerste helft der week de binnenlandsche
aandeelen zich over het algemeen nog handhaafden, hier
en daar zelfs nog koersstijgingen van beteekenis werden geregistreerd, is in de laatste dagen de houding ook voor
deze afdeeling lusteloos geweest. Teischillende industrieele
waarden waren aangeboden en het koerspeil was vrij
algemeen lager. De oorzaak van die daling is moeilijk aan
te geven. Wellicht moesten sommige houders van Indische
waarden, die debet-posities aanhielden – zooals boven
vermeld waren die van zeer geringen omvang – teneinde
de dekking weer op peil te brengen wat fondsen aankoopen
en gaven zij de voorkëur aan liquidatie der relatief nog
hoog genoteerde Nederlandsche aandeelen. Wellicht ook
zijn sommige houders van Nederlandsche aandeelen over-
gegaan tot verkoop om op het zoo sterk verlaagde koers-
peil Indische aandeelen aan te koopen..

726

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

PRIJSPOLITIEK IN DE VISSCHERIJ,

In Let Prijsbeheerschingsnummer van dit blad
1)
werd
de prijspolitiek van de Overheid op verschillende ge-
bieden van het economisch leven min of meer uitvoerig
behandeld, waarbij echter opviel, dat aan de maatregelen
ten aanzien van de visscherij geen aandacht werd ge-
schonken. –
Ongetwijfeld is de visscherij in vergelijking met land-
bouw en industrie slechts een kline tak van productie, zeer zeker wanneer als maatstaf van beoordeeling het
aantal in het bedrijf werkzame personen wordt aan-
genomen. Wij mogen echter niet vergeten, dat de visscherij
in de voedselvoorziening van ons land een behoorlijke rol
speelt, en bovendien een aantal trekken vertoont, welke
haar op het gebied van de prijsvaststelling in een uit-
zonderingspositie brengen. 1-let ligt in onze bedoeling
de desbetreffende factoren in dit artikel zeei in het kort naar voren te brengen.
Vooraf dient als algémeene opmerking te worden ge-steld, dat het reeds in normale tijden zeer moeilijk is bij
de visscherij met. gemiddelde vangsten te re’kenen; aan-
genomen kan worden, dat bij geen enkele tak van pro-
ductie de opbrengsten per bedrijf als gevolg van de natuur-
factoren zoo sterk iiteenloopen als juist hier, hetgeen
door de huidige omstandigheden nog wordt geaccen-
tueerd. Daarenboven kan naar voren worden gebracht,
dat het uiteenloopen van de grootte en kwaliteit van de
aangevoerde vischsoorten nog een extra moeilijkheid
vormt.
Aangezien defactoren op het gebied van de zeevisscherij,
de zoetwatervisscherij en de andere takken van visscherij
verschillend uitwerken, zullen deze afzonderlijk worden
besproken.

Zeenisscherij.

Dezeevisscherij kan in twee belangrijke gebieden wor-
den verdeeld, bij welke indeeling wordt uitgegaan van
den aard van het vischtuig en den vorm der schepen,
waarmede wordt gevischt; wij bedoelen hier de tegen-
stelling tusschen de drijfnetvisscherij, die door loggers
wordt uitgeoefend en voornamelijk zorgt voor den aan-
voer van pekel- en steurharing, en de trawlvisscherij,
die met sleepretten werkt en waarbij hoofdzakelijk ge-
bruik wordt gemaakt van trawlers, voorzien van een
stoomvermogen uitgaande boven de capaciteit van de log-
gers, en van een aantal moderne loggers met groote motor-
capaciteit, benevens in den winter van een deel der haring-loggers, welke den aanvoer van versche zeevisch, inclusief
versche haring, voor hun rekning nemen. Op geen van
deze beide visscherijgebieden waren voor het uitbreken
van den oorlog maatregelen ter vaststelling van de visch-
prijzen, in welken vorm dan ook, genomen, zoodat van
het begin af moest worden opgebouwd. Immers de voor-dien bestaande lndbouw-crisismaatregelen op het gebied
van de visscherij hadden zich voor de haringdrijfnet-
visscherij bepaald tot het regelen van de uitvaardata en
het beperken van de lehgte van de door de haringloggers
mede te nemen vleten, waardoor werd voorkomen, dat
de moeilijkheden in den afzet van pekel- en steurharing
nog werden vergroot door den aanvoer van ongelimi-
teerde vangsten. Voor de trawlvisscherij was overgegaan
tot uitkeering van een bedrijfssteun, nadat door maat-
regelen in het buitenland de export van versche visch
gedeeltelijk onmôgelijk was geworden.
Uit het oogpunt van prijsvorming kan de drijfnet-
visscherij voorloopig buiten beschouwing worden gelaten,
omdat de haring slechts enkele weken in het jaar langs
onze kusten kan worden verwacht en de omstandigheden,
waaronder dan wordt gewerkt, zich zoo weinig voor be-
paling leenen, dat daarvoor geen speciale methode van
prijsvaststelling kan worden gevolgd.

‘) E.-S.B. van 26 November 1941.

In liet algemeen geldt, dat de visscherij Per reis bezien
weinig met de vaste kosten rekening behoeft te houden
en weinig bedrijfskapitaal noodig heeft, terwijl dit op-
gaat onafhankelijk van hpt aantal vaartuigen per on-
derneming, dus onafhankelijk van het feit, of ive te
maken hebben met een schipper-eigenaar, waaronder
wordt verstaan een ondernemer, die zelf met zijn vaar-
tuig ter vangst uitvaart, een één-schipsreederij, of een
rederij met meer schepen, Na elke reis wordt uit de
besomming de bemanning betaald, evenals daaruit de
kosten van brandstof,

ijs, afslagkosten, vischtuig, enz..
worden voldaan.

– Bij een eventueele bepaling van maximum-. of vaste
prijzen voor zeevisch zullen de besorçimingen tenminste
zoo hoog moeten ‘zijn, dat de variabele lasten worden
gedekt, daar anders uit den aard der zaak niet zal worden
uitgevaren, terwijl voorts
01)
den duur ook alle vaste
kosten moeten worden opgebracht, zoodat een voortduren-
de vernieuwing van de vloot kan plaats vinden.
Aangezien geen maximumprijzen voor zeevisch waren
vastgestel’cl, zou de prijs van 10 Mei 1940 voor het bedrijf
als stopprijs hebben moeten gelden, doch hieraan is nooit
de hand gehouden. Eenerzijds, omdat verschillende visch-
sOorten omstreeles dien tijd niet werden aangevoerd en
de dagprijzen bovendien sterk schommelden, zoodat geen
bepaalde prijs op een zekeren datum kon worden- aan-
gewezen, anderzijds, omdat vele factoren, welke met het
uitoefenen van de

visscherij onmiddellijk verband hiel-
den, de handhaving van een prijsniveau voor visch,
zooals de doelstelling der prijspolitiek dan ongeveer zou
kunnen -luiden, volkomen illusoir maakten-. —

De bedoelde factoren werken zoowel aan de zijde van
de vangsten, waar zij zich direct weerspiegelen in de
besommingen, als aan de zijde van de kosten.
Allereerst moet onder oogen worden gezien, dat de
oude vischgronden door de oorlogsomstandigheden niet meer kunnen worden bereikt. De groote trawlers gingen
vroeger vooral naar het noordelijk gedeelte van de Noord-
zee; thans is de geheele visscherij geconcentreerd in het
gebied in de onmiddellijke nabijheid van de Nederland-
sche kust. Daardoor ontstaat een verschuiving in den
– vischaanvoer naar de kleinere soorten, welke, afhan-
kelijk van het seizoen, in hoofdzaak bestaan uit kleine
schol, kleine schar en wijting, terwijl vischsoorten als
kabeljauw en schelvisch bijna niet op de afslagen komen.
Daarnaast kan door schaarschte van motorbrandstoffen
het met motoren uitgeruste gedeelte van de visschersvloot
slechts in beperkte mate uitvaren, wat natuurlijk de
vangstmogelijkheid sterk vermindert.
Aan de andere zijde werken een groot aantal kostprjs-
verhoogende factoren. Allereerst bleek de trawlvisschers-
vloot na de Meidagen zeer gehavend te zijn; de meeste
rendabele schepen waren voor de visscherij verloren
gegaan, waardoor voor de verdere uitoefening van het
bedrijf slechts gebruik kan worden gemaakt van die
schepen, die vroeger als grensproducenten werden -be-
schouwd en dus met aanmerkelijk grootere kosten werken,
evenals de loggers, die vroeger ter haringvisscherij uit-
voeren en thans ook aan de trawlvisscherij deelnemen.
De visscherij vindt thans plaats in het oorlogsgebied en
brengt voor schip en bemanning vele gevaren mee.
Daar het sinds onheuglijke tijden in de zeevisscherij
gewoonte is, dat de bemanning als belooning 6f uit-
sluitend een deel van de besomming krijgt uitbetaald, ‘f
een klein vast loon ontvangt en daarboven een percentage
in de besomming, heeft de equipage groot belang bij de
hoogte daarvan. Waren de prijzen van 9 Mei gehandhaafd,
dan zou de besomming gering zijn en de bemanning niet
geneigd om te monsteren. Ook de reeders zullen hun
schepen, die onder de huidige omstandigheden onvervang-
baar zijn, zonder behoorlijke risicopremie niet riskeeren.
Voorts doet ook de schaarschte aan materialen haar
invloed gelden; de manillanetten moeten door vlasnetten

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

727

worden vervangen, welke grooter slijtage hebben en
viermaal zoo hoog in prijs zijn, terwijl ook de
kosten van brandstof aanmerkelijk zijn gestegen.
Tenslotte werkt nog prijsverhoogend, dat door afwis-
selende vorderingen de schepen telkens weer voor de
uitvaart gereed moeten worden gemaakt en dat door het
beperkte aantal zeedagen de stilligkosten per vaartuig

zwaarder komen te drukken
Een groot deel van de bovenstaande factoren is niet in
representatieve cijfers uit te drukken en bovendien kan
het vangstrisico, dat grootendeels op den reeder drukt,
niet worden vastgesteld op basis van een gemiddelde
van voorgaande jaren. –
Is het eenerzijds moeilijk tot nauwkeurig bepaalde
maximumprijzen voor zeevisch in het algemeen te komen,
anderzijds zal het toch noodzakelijk zijn te streven naar
een bevredigende oplossing; immers in een tijd als de
huidige, waarin een groot deel van de koopkracht zich in

de eerste plaats concentreert op die levensmiddelen, die
buiten de distributie vallen, moeten op den duur de-
zeevischprijzen wel oploopen tot bedragen, welke, zelfs
in de verte, niet in verhouding staan tot de gestegen kosten voor het bedrijf. Het verband met de kosten,
waarin een ruime marge als gevarenpremie moet worden
berekend, dient te worden gehandhaafd, zoodat de kring
van consumenten, die voor het gebruik van zeevisch
is geïnteresseerd, zoo groot mogelijk kan blijven. De
thans geldende prijzen voor sprot en zeqbliek, welke met
die van haring de eerste maximumprijzen zijn op het

gebied van de zeevisseherij, en aanmerkelijk boven de
prijzen van véôr Mei 1940 liggen, wijzen er op, dat ook
de prijzeninstanties deze richtlijnen als de juiste be-

schouwen.
Tevens is het noodzakelijk de prijzen van de zeevisch-
soorten in een goede verhouding tot elkaar vast te stellen,
waardoor voorkomen wordt, dat de eene tak van visscherij
zich, louter uit prijsoverwegingen, ten koste van een andere
uitbreidt. Zoo is het een gewoon verschijnsel, dat een deel
van de garnalenvisschers in tijden, dat sprot in groote
mate voor onze kust en in de zeegaten voorkomt, zich
gaat bezighouden met de sprotvisscherij. Dit behoeft
niet te worden tegengegaan, doch het zou onjuist zijn de
sprotprijzen zoo hoog te stellen, dat de garnalenaanvoer

bijna geheel zou ophouden.
Ook dient er nog met nadruk op te worden gewezen,
dat in de aanvoeren van versche zeevisch de fijnere soor-
ten slecht vertegenwoordigd zijn, doch dat zij door hun
hooge prijzen een aanmerkelijk deel van de totale be-
somming uitmaken. Daardoor zal het aanbeveling ver-
slienen bij de vaststelling van eventueele maximumprijzen,
de prijzen voor de goedkoopere vischsoorten op een
relatief laag en die voor de fijnere .vischsoorten op een
betrekkelijk hoog niveau vast te stellen, zoodat de visch,
die in normale tijden als volksvisch werd beschouwd,
binnen het bereik van zoo groot mogelijke groepen van
consumenten komt te liggen.
Geheel anders liggen de verhoudingen bij de

ZoetwaterQisscherj.

De productiegebieden zijn hier dezelfde gebleven en
de totale vangst van het bedrijf kan gedeeltelijk geraamd
worden op grond van den gemiddelden aanvoer in voor-
gaande jaren, althans voorzoover cijfermateriaal aan-
wezig is. Wij. moeten hier den nadruk leggen op
qedeel-

telijk,
omdat het bekend is, dat tengevolge van twee
achtereenvolgende strenge winters de vischstand in
de binnenwateren aanmerkelijk is achteruitgegaan. Hierbij
komen wij tevens aan een tegenstelling, welkevoor de
prijsvaststelling van zoetwatervisch van uitermate groot
belang is, met name die tusschen IJsselmeervisscherij
en de overige zoetwatervisscherij, waaronder in dit ver-band – die- op de rivieren en op de binnenwateren wordt
verstaan. Voor alle zoetwatervischsoorten is door het

geheele land een even hooge maximumprijs noodzake-
lijk, daar de visch, hoewel afkomstig uit verschillende
productiegebieden, door dezelfde consumenten in het
zelfde consumptiegebied wordt verbruikt; voorts eisèht een doelmatige contrôle eveneens een gelijken ei’dprijs
voor eenzelfde product. Wij mogen bovendien niet
vergeten, dat één vischsoort op verschillende wijzen
wordt gevangen en de prijs dan lniet kan vareeren
met de soort visscherij, vooral niet, indien de gevangen
visch van dezelfde grootte en kwaliteit is.
In de geheele zoetwatervisscherij zijn de visschers
vrijwel allemaal kleine, zelfstandige ondernemers, die
dagelijks de door hen gevangen visch – al dan niet over
een afslag – verkoopen. Zelden hebben zij meer dan 1
of 2 knechts in dienst; in vele gevallen visschen zij alleen,
of met familieleden. De kapitaal-investatie is betrekkelijk
gering en nog het grootst rond het IJsselmeer, waar zij
zich bepaalt tot een schip met motör en de uitrusting
daarvan, waarvan de netten het hoofdbestanddeel vor-
men. Uit diverse onderzoekingen, reeds van véôr 9 Mei
1940, is gebleken, dat ht inkomen van deze kleine onder-
nemers in het algemeen gering was en in vele gevallen,
speciaal in de binnenwateren, de f 1000.— per jaar lang
niet bereikte, waardoor voor vernieuwing van schip en
materiaal niet kon worden gezorgd. Het is duidelijk,
dat er onder deze omstandigheden ook geen voorraad
van netten, fuiken, enz., aanwezig was, zoodat kosten-
verhoogingen onmiddellijk doorwerkten. De thans gel-
dende maximumprijzen liggen dan ook boven die van
9 Mei 1940, wat, gezien het voorgaande, ook begrijpelijk is.
De bestaande maximumprijzen, die voor de visscherij
practisch vaste prijzen geworden zijn, eischen van den
visscher een andere mentaliteit dan vrijgelaten prijzen.
Was vroeger in bepaalde tijden van het jaar de vangst
slecht, dan zorgden hoogere prijzen aan den afslag er
voor, dat het totaal der besomming de kleine vangst
eenigermate goed maakte. De visscher is gewend het
financieele resultaat van zijn werk van dag tot dag te
bezien en is meer onder den indruk van een hooge be-
somming op een bepaald moment dan van een gemiddelde
over een heel jaar. –
Hieraan zou tegemoetgekomen kunnen worden door
den. prijs eenigermate te doen varieeren met de grootte
van den aanvoer in bepaalde seizoenen, doch het is hier-
mede zoo, dat kleine vangsten heel dikwijls niet zijn te
voorzien en met bepaalde gebieden samenvallen, terwijl
bovendien opslag in koelhuizen de prijsverandering meer
aan den handelaar dan aan den visscher ten goede zou
doen komen. Niettemin is in de prijzenbeschikking voor
spiering een splitsing in zomer- en winterprijzen toegepast;
het resultaat daarvan zal dienen te worden afgewacht.
In verband met de groote vangsten van aal en paling
in het jaar 1941, speciaal in het IJsselmeergebied, zijn de
ujtkomsten voor zoetwatervisschers over het algemeen
dit jaar niet ongunstig door de maximumprijzen be-

invloed. Komen wij tenslotte aan de overige takken van visscherij,
die voornamelijk bestaati uit het vangen van

Oesters, inosselen en garnalen.

Een prijsbepaling voor de eerste twee producten was
betrekkelijk eenvoudig in verhouding tot die van zee-en zoetwatervisscherij. Ongetwijfeld hebben ook hier
vele factoren, welke met de huidige omstandigheden
verband houden, invloed, doch daar staat tegenover,
dat beide visscherijen voor het grootste deel op de Zeeuw-
sche stroomen, dus buiten de gevarenzône worden uit-
geoefend, terwijl voor het begin van het seizoen – en dit
geldt in hooge mate voor de oesters -, de productie
ongeveer kan worden geschat, omdat men hier te doen
heeft met visscherijproducten, die minder product van
het visschen, dan wel van het kweeken zijn. Er kan hier
nog aan worden toegevoegd, dat de natuur op het gebied

728

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

van oesters en mosselen zich dit seizoen van haar on-
gunstigste zijde heeft doen zien, getuige de aanvoer van
mosselen, welke niet meer dan 2/3 van dien in het vorige
seiioen bedraagt, terwijl de oesterproductio, als gevolg
van twee winters met veel vorst en het uitblijven van
Fransche zaai-oesters, nauwelijks een derde van dien in
het seizoen 1940/’41 zal beloopen.
Bij garnalen viel een gedeelte van het productiegebied
uit, en vond de visscherij bovendien in de gevarenzône
plaats, waardoor de kosten per kilogram aanvoer aanmer-
kelijk boven het peil van vôôr 10 Mei 1940 kwamen te
liggen. 1-loudt men er bovendien rekening mede, dat uit
100 K.G. ongepelde garnalen slechts pim. .30 K.G. ge-
pelde garnalen overblijft, dan kan men zich voorstellen,
waarom de stijging van den prijs van garnalen voor den
consument zoo sterk geweest is.

iIIaxunun prijzen en vischhandel.

Besluiten wij dit overzicht met een korte aanduiding
van twee vraagstukken, die onmiddellijk met de iast-
stelling van de maximumprijzen voor den visscher ver-
band houden, namelijk de verdeeling van visch over
de consumenten en de vaststelling van maximumprijzen
voor handelaren en verwerkers. Maximumprijzen betee-
kenen uitschakeling van de koopkrachtige vraag op het
oogenblik, dat deze prijzen in de markt bereikt worden;
het overhieden van den eenen handelaar door den andere
houdt op en de eenige mogelijkheid is over te gaan tot
een systeem

van toewijzingen aan de groothandelaren en tevens het dooileveren van de producten door deze
handelaren aan de kleinhandelaren op een voorgeschre-
ven wijze verjlicht te stellen.
Waar visch niet op een bepaalde wijze gerantsoeneerd is,
komt hier dus een verdeeling tot stand, welke tot en met
den kleinhandelaar doorwerkt, terwijl het aankoopen
door den consument geheel wordt vrijgelaten.
Ten aanzien van den vischhandel komen de problemen
in groote mate overeen met die van bederflijke landbouw-producten, met name die van versche groenten. De groote
risico’s van den visscher spelen hier geen rol en door
den vlotten verkoop van de producten is het risico van
bederf minder dan in normale tijden, waartegenover even-
wel de aandacht moet worden gevestigd op de groote mate
van onderbezetting in den vischhandel. Een aantal fac-
toren, die samenhangen met den hoogeren inkoopprijs
van den handelaar, zooals bv. het gewichtsverlies, het
bederf, enz., zijn oorzaak, dat ook de marges voor den
handelaar een tendenz tot verhooging in zich dragen.
Resumeerend willen wij opmerken, dat in het alge-
meen de prijzen van visscherijproducten in verhouding
tot de prijzen van andere voedingsmiddelen, vergeleken
met het moment van den prijsstop, sterker zijn gestegen;
dit kan, gezien de structuur van de visscherij, niet worden
voorkomen, doch het heeft tengevolge, dat groote groepen
van de bevolking van de consumptie van visch worden
uitgesloten; mede daarom zal het aanbeveling verdienen
de prijzen van die vischsoorten, die voorheen als volks-
visch werden beschouwd, relatief laag vast te stellen ten
opzichte van de fijne vischsoorten.

11. A. IT. BOELMANS KRANENBURG

VERDERE ORDENING IN DE BINNEN-

SCHEEPVAART.

Het Bnnenscheepvaartbesluit
1941.

Met ingang van 17 November is de veelomstreden ,,Wet
van den 5en Mei 1933, houdende tijdelijke maatregelen
ter bevordering van een zooveel mogelijk evenredige
vrachtverdeeling in de binnenscheepvaart” of, zooals deze
populair werd genoemd, de Wet E.V., buiten werking ge-
steld. Op geheel andere gronden dan indertijd kon worden
vermoed, is deze Wet, die zooveel pennen in beweging
heeft gebracht, opgeheven. De opheffing is niet geschied
om de concurrentie in de binnenvaart wederom vrij spel
te geven. Integendeel: in de plaats van de Wet
E.V.
is
een Besluit gekomen, dat een duurzame en veel verder-
gaande regeling beoogt: het ,,Binnenscheepvaarthesluit
1941″. (Verordeningenblad van 10 Nov. 1941).
De tijdelijke en beperkte doelstelling van de Wet E.V. —de wet zou immers slechts tot 1938 gelden en haar be-
moeiïngen strekten zich hoofdzakelijk uit tot de ,,even-
redige vrachtverdeeling” – is vervangen door het beginsel
van ordening van het geheele goederenvervoer te water.
Weliswaar omvatte de regeling van de Wet E.V. formeel
kook reeds de geheele binnenscheepvaart, maar dit was een
kwestie van administratieve techniek, waardoor ontdui-
king van de evenredige vrachtverdeeling moest worden
verhinderd. Het innenscheepvaartbesluit grijpt ordenend
in de binnenscheepvaart in, en omvat principieel alle tak-
ken van het goederenvervoer te water. De woordenkeus
duidt reeds op het verschil in strekking van beide regelin-
gen: het Besluit vereischt een ,,vergunning” voor elk vervoer, terwijl de Wet E.V. sprak van ,,ontheffing”,
,,goedkeuring” en ,,verklaring”.

Beteekenis Qan de FJ’et E. V.

Het zou slechts historische beteekenis hebben de dis-
cussie over het nut en de wenschelijkheid van de Wet E.V.
te heropenen. Het beginsel van de onbeperkte concurrentie-
vrijheid vindt heden ten dage in de binnenscheepvaart
weinig aanhang – meer en naar den vroegeren toestand
wordt door de meeste bedrijfsgenooten niet terugveriangd
en zal vermoedelijk niet terugverlangd worden. Ook door
de andere vervoerstakken wordt deze tendenz tot inper-king der concurrentievrijheid niet ongaarne gezien, daar
alleen op deze wijze coördinatie van de verschillende ver-
voermiddelen te verwezenlijken zal zijn.
De Wet E.V. had een halfslachtig karakter: de concur-
rentievrijheid werd beperkt, maar in de plaats hiervan
werd niet een behoorlijke ordening gesteld. Door uitslui-
tend een bepaalde volgorde voor de bevrachting in te
voeren en de bevrachtingsvoorwaarden te regelen, ontbra-
ken de voordeelen van de Vrije concurrentie, maar eveneens
die van een goede ordening, welke slechts door een verder-
gaand ingrijpen van overheidswege is te verwezenlijken.
Er werd weliswaar een zekere regeling gebracht, maar
ieder was het er over eens, dat van saneering geen sprake
was; de wachttijden tusschen twee bevrachtingen bleven
abnormaal lang (voor schepen tot 400 ton 15-20 dagen in 1936, en 8-16 dagen in 1938). Redelijke exploitatie-
uitkomsten konden dan ook niet worden verkregen. Vele
schippers werden een groot gedeelte van het jaar onder-
steund. De scheepshypotheekbanken ondervonden den
terugslag in den vorm van achterstallige betalingen. Inder-
daad beperkte de Wet E.V zich tot ,,het verdeelen
van de armoede”. Met deze critiek is geenszins een veroordeeling van de
Wet E.V. als zoodanig bedoeld. Men had na invoering
hiervan, evenwel verder moeten gaan. Saneering van de
wilde binnenscheepvaart was niet te verwezenlijken zonder
gelijktijdige saneering te brengen in de beurtvaart, het
vervoer langs den weg, het vervoer per rail en – na de
bekende beslissing van den Hoogen Raad van 17.Decem-

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

729

her 1934, waarbij het bestaan van het zgn. Rijnvaartlek
werd erkend – in de vaart op de groote rivieren.
Evenwel, saneering heeft, om welke redenen dan ook,
niet plaats gevonden. Er behoeft hier niet te worden ge-
sproken over de talrijke pogingen, die de laatste jaren
zijn gedaan om het goederenvervoer in Nederland te coör-
dineeren. Het probleem, waarop men tenslotte telkenmale stuitte en dat alle pogingen tot coördinatie zoo aanzienlijk
bemoeilijkte, was het teveel aan vervoerscapaciteit.
Daarop strandden vele onderlinge overeenkomsten en
prijsafspraken. Van de zijde der overheid werd geen be-
slissing genomen om dit teveel op te heffen.

De oorlog dingt tot ingrijpen.

Het is tenslotte niet het gevolg van overheidsmaatrege-len geweest, dat gedurende het laatste jaar het te veel aan
vervqerscapaciteit is verdwenen. De oorlog heeft hier met
ruwe hand ingegrepen. Hoewel de in Mei 1940 gezonken
of tot zinken gebrachte schepen practisch alle weer zijn hersteld, is door- vorderingen het aantal vaartuigen van
250 tot 650 ton aanzienlijk verminderd. Het vrachtauto-
park is door vorderingén in nog sterker mate afgenomen.
De vervoerscapaciteit is hierdoor in tbsoluten zin vermin-
derd, terwijl de gebruiksmogelijkheid daarvan voor het
moment nog verder is ingekrompen door het huidige ge-
brek aan vloeibaren brandstof. De vermindering van ver-
voerscapaciteit doet zich steeds sterker gevoelen. 1-let
vroegere teveel dreigt in een tekort om te slaan. Het ver-
voersprobieem van weleer, dat er een van overvloed was, is plotseling een probleem van schaarschte geworden. Dit
is de achtergrond van de organisatorische maatregelen,
die de overheid het laatste jaar heeft getroffen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat de Wet E.V. een tegenoverge-
steld doel had. Deze- had tot doel het ladingsaanbod
over de overvloedige scheepsruimte te verdeelen. De over-
heidsmaatregelen van na Mei 1940 daarentegen, streven er
naar het dreigende tekort aan vervoerscapaciteit door
regelend en organisatorisch ingrijpen zooveel mogelijk op
te heffen en iii ieder geval het tekort te verminderen in die
sectoren van het vervoerwezen, die essentieele diensten
voor de instandhouding van het economisch leven verrich-

ten.
Het Besluit van den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht van 19 Mei 1940 was een eerste stap in deze
richting. De gedecentraliseerde uitvoering van de Wet E.V.,
die indertijd aan de Kamers van Koophandel was opge-
dragen, werd vervangen door een centrale uitvoering
onder directe leiding en contrôle van het Departement van
Waterstaat. Van de bevrachtingscommissies van weleer werden slechts de secretariaten gehandhaafd, terwijl het personeel daarvan in den vervolge de instructies van het
Departement ontving. Tegelijkertijtl werd door het ,,stop-
pen van het Rijnvaartlek” de geheele scheepvaart binnen
de grenzen van het land aan regeling onderworpen.
Ook de beurtvaart kwam onder toezicht te staan. Op
grond van het Besluit van genoemden Opperbevelhebber
van 23 Mei 1940 werd voor elk traject der beurtvaart
‘een zgn. ,,vaarplan” uitgewerkt, op grond waarvan tevens
de brandstofdistributie plaats vond. In dit Besluit ziet
men voor het leerst de later vrijwel algemeen geldende organisatieplicht: beurtvaarders moeten bij het Neder-
landsche Binnenvaart-Bureau zijn aangesloten.
Zooals de naam reeds aanduidt, past in het kader van
de maatregelen tot vermindering van het dreigende tekort aan vervoerscapaciteit, ook het Besluit van 30 September
1940 tot verhooging van de vervoerscapaciteit van de
binnenvloot.
Een regeling voor de sleepvaart kon, waar ongeveer
80 pCt. van de binnenvloot uit schepen zonder eigen
voortstuwingsvermogen bestaat, evenmin uitblijven. De
vervoerscapaciteit van de binnenvloot is immers grooten-
deels afhankelijk van de sleepvaart. Bij Besluit van 25
Februari 1941, aangevuld door een Reglement van 10 Maart

1941, werd aan sleepvaart-commissarissen, wederom onder
directe contrôle van het Departement van Waterstaat,
de regeling van de sleepvaart opgedragen. De gebrekkige
spreiding der sleepbooten is door een betere verdeeling
over het land vervangen, zoodat de aanwezige sleepkracht
intensiever kan worden gebruikt.

Het , , B’inncnscheep9aartbesluit
1941″.

Aan eerdergenoemde reeks besluiten is nu het zoo be-
langrijke ,,Binnenscheepvaartbesluit 1941″ toegevoegd,
waarbij behalve de- Wet E.V., ook beide bovengenoemde
Besluiten van den Opperbevelhebber buiten werking
worden gesteld.
In groote trekken sluit het Binnenscheepvaartbesluit
aan bij de het laatste jaar gevolgde practijk. De voor-
naamste kenmerken zijn:
verdere centralisatie van de leiding der binnenscheep-
vaart in handen van het Departement van Waterstaat,
invoering van een vergunningsstelsel, en
organisatie van dezn tak van het bedrijfsleven. Het is de vraag in hoeverre de centralisatie, welke in
een tijd als deze wel onvermijdelijk mag worden genoemd,
ook in een latere periode zal worden gehandhaafd. Het is
niet onmogelijk dat, hoewel een oppertoezicht van de ovei
heid wel zal blijven bestaan, deze centralisatie van bevoegd-
heden ‘in handen van het ambtelijk apparaat het minst
bestendige deel van het Besluit zal blijken te zijn. Nader-
hand zal vermoedelijk,meer aan de bediijfsorganisaties zelf
worden overgelaten.
De invoering van een vergunningsstelsel zal, naar men
mag aannemen, een maatregel van blijvende aard zijn.
Overeenkomstig de uit de Wet BV. gegroeide practijk,
opent het Besluit de mogelijkheid tot vier soorten ver-
gunningen, t.w. voor:
wilde vaart, al dan niet verbonden met opslag, of
voor opslag alleen;
beurtvaart;
eigen vervoer;
bijzonder vervoer (vaste relatie- en campagnevaart).
Men mag aannemen, dat deze indeeling, welke gebaseerd
is op den aard van de bedrijven, en getoetst is aan jaren-
lange ervaring, de definitieve zal zijn.
Bij de organisatieplicht der bedrijfsgenooten is met deze
indeeling dan ook rekening gehouden. De beurtvaarders
moeten binnen het ,,Nederlandsche Binnenvaart-Bureau” georganiseerd zijn, of liever blijven. De bedrijfsgenooten
van de overige groepen kunnen worden verplicht lid te
worden van een bij de Stichting ,,Nederlandsche Binnen-
vaart Centrale” aangesloten vereeniging of van de Ver-
eeniging ,,Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart”.
Laatstgenoemd Bureau fungeert reeds als ,,dwang”-orga-
nisatie voor de reederijen op den Rijn, terwijl eerstgenoem-de stiöhting wel voor den particulieren schipper zal dienen.
Zoodoende
zal,
evenals in de Rijnvaart, waar de particu-
liere schipper lid van de ,,Nederlandsche Particuliere Rij n-
vaart Centrale” moet zijn, het groot- -en kleinbedrijf af-
zonderlijk zijn georganiseerd.
Het eigen vervoer kan blijkbaar oök bij de ,,Nederland-
sche Binnenvaart Centrale” worden ondergebracht; dit in
tegenstelling tot den organisatievorm in het goederenver-voer langs den weg, waar voor het eigen- en het beroeps-
vervoer geheel afzonderlijke veleenigingen bestaan. Het
is een eigenaardige constructie om een eigen vervoerder,
derhalve een industrieele- of handelsonderneming, die met
eigen schepen vervoert, lid te laten worden van een
be-
drjfsorganisatie van vervoerders, daar immers de werk-
zaamheid op
verpoersgebied
niet den aard van een dergelijk
bedrijf uitmaakt.
Waar echter het Besluit zelve bepaalt, dat statuten en
reglement van de ,,Nederlandsche Binnenvaart Cen-
trale” in overleg ,met de ,,Organisatiecommissie voor het
Bedrijfsleven” zullen worden vastgesteld, en de organisatie
van het bedrijfsleven in het algemeen nog slechts in een

730

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

beginstadium verkeert, zullen do definitieve vormen
dienen te worden afgewacht.

Het Beurt oaartadres.

Een.enkele andere bepaling van het Besluit moge nog
worden genoemd. –
Het Binnenscheepvaartbesluit continueert de civiel-
rechtelijk zoo belangrijke verplichting goederen te vervoe-
i’en op het zgn. ,,beurtvaartadres”. Dat wil zeggen, dat bij
het ontbreken van afwijkende bepalingen, de condities
van het beurtvaartadres bindend zijn voor de vervoerover-
eenkomst. Deze condities regelen of liever beperken de
aansprakelijkheid van den vervoerder. Bepalingen, die
oorspronkelijk door een vereeniging voor haar leden waren
opgesteld, zijn hiermede tot wet verheven. Zelfs worden
hierdoor in feite verschillende bepalingen van den Vden
titel van het eerste en den XIIIden titel van het tweede
boek van het Wetboek van Koophand’el buiten werking
gesteld. Een administratiefrechtelijk besluit, als het
o’nderhavige, beweegt zich daarmede, zonder het met zoo-
veel woorden te vermelden, op het gebied van het burger-
lijk recht.

De regeling der vervoerprijzen.

• In de ordening, welke het Besluit beoogt te brengen,
mocht een bepaling omtrent de regeling van de prijzen niet
ontbreken; artikel 8 bepaalt, dat de Secretaris-Generaal
van het Departement van Waterstaat in overleg met den
Gemachtigde voor de Prijzen de vervoerprijzen en voor-
waarden vaststelt. Prijsstelling is immers het noodzakelijk
complement van organisatorische maatregelen. Ordenende
maatregelen van de overheid zullen eerst dan volledig effect
sorteeren, wanneer naast de regeling van de capaciteit
van het aanbod, ook de prijs daarvoor is vastgelegd. Duur-
zame coördinatie van het vervoerwezen is slechts denkbaar,
wanneer tariefstelling binnen de afzonderlijke en tusschen
de verschillende vervoerstakken, rail, weg an watej-, is ver-
wezenlijkt.

Gebonden economisch systeem, ook in de binnenscheepoaart.

Het Binnenscheepvaartbesluit is de wettelijke basis,
waarop de ordening in de binnenscheepvaart zich verder
zal kunnen voltrekken. 1-let beoogt, b]ijkens opzet en uit-
werking, een duurzame regeling van het goederenvervoer
te water. Daarmede vei-schilt dit Besluit principieel van het ingrijpen van overheidswegé gedurende den vorigen
wereldoorlog. Toentertijd werden noodmaatregelen ge-
nomen om schippersstakingen en prijsopdrijvingen tegen
te gaan; een acute crisis moest worden overwonnen. Weliswaar hebben de huidige omstandigheden ook aan
de totstandkoming van dit Besluit deri stoot gegeven, maar
rèeds lang waren van de zijde van de overheid en van de
‘zijde van de bedrijfsgenooten soortgelijke maatregelen
voorgesteld en overwogen. –
De toekomst zal moeten leeren, in hoeverre de hier ge-
troffen regeling een permanent karakter draagt. Niet on-
waarschijnlijk is het ondertusschen, dat in normale tijden
de behoefte aan centrale ambtelijke bevoegdheden minder
sterk zal worden gevoeld. Daarentegen mag men veronder-
stellen, dat het voornaamste deel van het Besluit, waarvan,
zooals werd opgemerkt, de gedachten niet van dezen tijd alleen zijn, onder gewijzigde omstandigheden zal blijven voortbestaan,’ zoodat een gebonden economisch systeem
ook in de binnenscheepvaart wederom zijn intrede heeft
gédaan.

-.

DE GROOT.

DE HUURBEHEERSCHING.

Het Huurprjsbesluit-1940.

Reeds aanstonds na de Meidagen van 1940 heeft de
Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht een algemeen
verbod van prijsverhooging uitgevaardigd, dat ook op
de huren van woningen betrekking had. Deie materie
is nader geregeld in het. Huurprijshesluit-1940, waarbij
verboden is voor een onroerende zaak, een huurprijs te
bedingen, te beloven, aan te nemen of te betalen, welke
hooger is dan die, waarvoor het huurobject op 9 Mei
1940 was verhuurd.
Op dit voorschrift zijn slechts twee uitzonderingen toe-
gelaten. De eerste betreft woningen, waaraan na 9 Mei
1940 verbeteringen zijn aangebracht. De huur mag dan
met 10 .pCt. van de kosten van verbetering – waaronder
natmirlijk niet gewoon onderhoudswerk mag zijn be-
grepen – worden verhoogd. De tweede betreft woningen,
welke door het bestaan van een persoonlijke verhouding
tusschen verhuurder en huurder op 9 Mei .1940 waren
verhuurd voor een prijs, die lager was dan die van andere
soortgelijke woningen. –

Hoewel het fixeeren van de woninghuren een onmis-
baar element vormt in een stelsel, dat een opwaartsche spiraalbeweging van bonen en prijzen wil voorkomen,
leidt het zonder twijfel tot moeilijkheden voor de eige-
naren van huizen. De voornaamste hiervan is wel, dat
sommige exploitatie-uitgaven wel worden verhoogd,
zoodat de huiseigenaar de netto-opbrengst van zijn, bezit
ziet verminderen.
S

Ten aanzien van enkele posten zijn van overheidswege maatregelen getroffen. Zoo bepaalt het ,,Besluit ter voor-
koming van opdrijving van hypotheekrenten” van 14
December 1940, dat de rentevoet van hypothecaire lee-
ringen niet hooger mag worden gesteld dan die, welke
op 9 Mei 1940 gold. Vooi’ts wordt door dit besluit het
opzeggen van hypothecaire leeningen zonder geldig
motief belet. De Crisis-hypotheek-aflossingswet is door dit besluit ook na den 3len December 1940gehandhaafd
en mede van toepassing verklaard op tusschen -8 Fe-
bruari 1936 en 10 Mei 1940 gesloten overeenkomsten.
Wat de onderhoudskosten van woningen betréft, de
hiervoor benoodigde materialen vallen onder het Prijzen-
besluit. De ervaring is evenwel, dat met name door de
invoermoeilijkheden, het_ kolengebrek bij de industrie
en de belemmering van het vervoer soms belangrijke
prijsstijgingen zijn ingetreden.
Ten slotte heeft de overheid zelf rechtstreeks tot ver-h’ooging van de exploitatielasten medegewerkt door het
besluit van 28 October 1940, waarbij 100 extra-opcenten
op de Grondbelasting zijn gelegd, tengevolge waarvan
deze heffing met ongeveer 45 pCt. is verhoogd.
Is dus eenerzijds het vastleggen van de huren op het
peil van 9 Mei 1940 als onderdeel van de prijsbeheersching
onvermijdelijk te achten, anderzijds kan niet worden
ontkend, dat fïxatie van de huuropbrengst bij stijgende
exploitatielasten bezwaren voor den huiseigendom met
zich brengt.

I’Iet I-Iuurprijsuiwoeringsbesluit-1941.

De strekking van het Huurprijsbesluit van 27 Decem-
ber 1940 is feitelijk een absolute prijsstop voor de huren van
den op dezer datum aanwezigen woningvoorraad op de be-
dragen, welke op 9 Mei 1940 geldende waren. Behoudens de
twee genoemde uitzonderingen, vervat in de artikelen
3
en 4 van het besluit, is afwijking niet toegelaten, ook
geen incidenteelê afwijkingen in die gevallen, waarin de
redelijkheid en de billijkheid daarvoor zouden pleiten.
-Er zijn intusschen bijzondere omstandigheden, welke
niet mogen worden voorbijgezien. Het peil der bouw-.
kosten, dat zich gedurende de jaren 1924 tot l93G.op..
ongeveer 150 pCt. van dat in 1914 had b
ew
o
gen
,1be
gon
..

na 193) snel te dalen. In 1933 bedroegen de bouwkosten –

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

731

nog 120 pCt. van 1914, terwijl in 1936 weer het nivèau
van 1914 was bereikt. Ook het algemeene kostenpeil vertoonde een aanmer-
kelijke daling, zij het in mindere mate dan de bouw-
kosten. Deze daling ging gepaard met een verlaging van
de bonen in tal van bedrijven, welke verlaging weer
een sterken druk uit op de huren uitoefende. Naarmate de bouwkosten daalden, werd het gemak-
kelijker om door nieuwen aanbouw te voorzien in de
vraag naar woningen van lage huur. Nieuwe woningen
konden aanmerkelijk goedkooper worden gebouwd dan
de bestaande, zoodat minder kapitaal noodig was, dat
bovendien tegen lagere rente kon worden verkregen.
Ondanks het feit, dat de zoogenaamde vaste lasten –
grondbelasting, straatbelasting, erfpachtscanon, kosten
van waterverbruik, enz. – zich op de oude hoogte hand-
haafden, konden nieuwe woningen worden verhuurd
voor prijzen, die aanmerkelijk lager waren dan de huren
van de bestaande woningen. Bovendien waren nieuwe’ woningen tengevolge van meer moderne inrichting en
betere outillage meer in trek dan oudere woningen. Dit
lage huurpeil van nieuwe woningen heeft niet nagelaten
zijn invloed uit te oefenen op dat van de oudere wo-
ningen. De lage bouwkosten, en in het algemeen het lage
kostenpeil, waarop nieuwe woningen konden worden
verhuurd, leidden in de grootere gemeenten tot een zeer
groote woningproductie, tengevolge waarvan een zeer
groot aantal, voornamelijk oudere, woningen kwam leeg
te staan.
Zulks werkte een steeds verder gaande huurverlaging
in de hand. Een en ander heeft tengevolge gehad,
dat zich in de jaren 1987 tot 1939 geleidelijk een huurpeil
heeft gevormd, dat bepaald wordt door de zeer lage bouw-
kosten en het zeer lage rentetype van omstreeks 1986.
Voor het bestaande huizenbezit vloeiden hieruit groote
moeilijkheden voort. Ook wanneer men geen rekening houdt met perceelen, die in de periode van exhorbitant
hooge prijzen van omstreeks 1920 zijn gebouwd of gekocht,
moet worden erkend, dat het huurpeil van 9 Mei 1940
in vele gevallen voor een redelijk rendement niet vol-
doende was. De koopprijzen van het onroerend goed hebben zich na 9
Mei 1940 goeddeels hersteld van de catastrophale daling
in de voorgaande periode, zoodat het verschijnsel, dat tal van perceelen belast waren met een hypotheek, die
de geschatte waarde van het onderpand overtrof, thans
wel tot het verleden behoort.. Door den prijsstop hebben
de huren zich niet kunnen herstellen, zoodat voor vele
onroerende goederen de kosten van exploitatie niet ten
volle door de huuropbrengst worden gedekt, in ieder
geval voor het eigen kapitaal geen behoorlijk rendement wordt verkregen.
• Dit vraagstuk, hoe belangrijk voor de betrokkenen
ook, wordt thans nog niet aan de orde gesteld. Het dezer
dagen uitgevaardigde Huurprijsuitvoeringsbesluit-1941 be-
oogt slechts de instelling van Prijzenbureau’s voor on-
roerende zaken, die tot taak hebben, te beslissen op ver-
zoeken om de huur van onroerende zaken vast te stellen,
in afwijking van den krachtens het Huurprijsbe.sluit-1940
hoogst toelaatbaren huurprijs, en die voorts ambtshalve
bevoegd zijn, voor individueele gevallen den juisten
huurprijs vast te stellen.
Uit den opzet van dit besluit blijkt, dat het slechts
bedoelt in op zichzelf staande gevallen wijzigingen toe te staan of voor te schrijven, teneinde onredelijke. ver-
schillen weg te nemen. Het is geenszins de bedoeling,
voet te geven aan een algemeen aan elkaar optrekken
van de huren, omdat dan de weg tot een algemeene huur-
verhooging geopend zou zijn.

De huurprijs.

Artikel 1 lid 2 van het Huurprijsbesluit-1940 verstaat
onder huurprijs ,,het geheel van de door dén huurder

bij of terzake van een huurovereenkomst op zich genomen verplichtingen”.

Het woord verplichtingen moet hier blijkbaar zoo
ruim mogelijk worden opgevat, namelijk in dien zin, dat
de regeling, beoogt te voorkomen, dat de verhuurder
zich, met handhaving van het nominale huurbedrag
van 9 Mei 1940, op andere wijze voordeelen verschaft,
die hij op genoemden datum niet genoot. Zoo ligt het bijv.
voor de hand, dat kosten van waterverbruik, die vôôr
9 Mei 1940 voor rekening van den verhuurder waren,
thans niet op den huurder mogen worden afgewenteld. Een ander voorkomend euvel is het afschuiven’ op den
huurder van kosten van onderhoud, die v66r 9 Mei 1940
volgens plaatselijk gebruik of krachtens de huurovereen-
komst ten laste van den eigenaar kwamen. Uit het Huur-
prijsbesluit vloeit voort, dat dit niet toegelaten is.
Een huurprijs kan door bijzondere omstandigheden be-
invloed zijn, met name wanneer de’ overeenkomst in een
tijd van groot woningoverschot is afgesloten. De laatste
jaren hebben tal van voorbeelden doen zien van meer
dan normale service, vergoeding van verhuiskosten,
eenige maanden gratis wonen bij het betrekken van
de woning, periodieke kwijtschelding van een huurtermijn,
e. d. In perioden van woningtekort kwam het omgekeerde
voor, nl. het opleggen aan den huurder van bijzondere
verplichtingen, zooaLs bijv. verbouwing of verbetering en
onderhoud van het gehuurde door den huurder voor zijn
eigen rekening.

Bij wisseling van huurder of bij hernieuwing van de overeenkomst kunnen partijen de voorkeur geven aan
wijziging van de voorwaarden. Dit kan tengevolge hebben,
dat de nominale huursom verhooging of verlaging moet
ondergaan. Daarvoor opent het Huurprijsuitvoerings-
besluit thans de gelegenheid.
Op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 1 van het
Huurprijsbesluit is de hoogst toelaatbare huurprijs die,
waarvoor het object op 9 Mei 1940 verhuurd was. Hieruit
kan worden afgeleid, dat niet steeds het op dien datuM
werkelijk betaalde bedrag beslissend is, doch dat rekening
moet worden gehouden met wat overeengekomen was.
Het geval kan zich bijv. voordoen, dat vôôr 9 Mei 1940 overeenstemming was bereikt over een huurverhooging
of een huurverlaging, die echter op een lateren datum zou ingaan. In dat geval was op 9 Mei een hoogere of
lagere waarde door beide partijen aanvaard. Deze moet dus met ingang van den overeengekomen datum als de
hoogst toelaatbare worden beschoüwd.
Een nog al eens voorkomend beding is, dat bepaalde,
te voren niet bekende, expboitatielasten, die naar hun
aard door den verhuurder moeten worden voldaan, ten
laste van den huurder worden gebracht. Een zoodanige
clausule, die wel aldus pleegt te luiden, dat eventueele
verhooging van bepaalde belastingen door den huurder
moet worden gedragen, schijnt naar de strekking van’het
Huurprijsbesluit niet toegelaten. Hier heeft men immers
niet te doen met het gemeenschappelijk constateeren van
een gestegen waarde van het huurobject, maar slechts
met het in zekerheid brengen van een bepaald rendement. Dat een dergelijke afwenteling van lasten niet toelaatbaar
moet worden geacht, blijkt uit het feit, dat bij de jongste
verhooging van de grondbelasting uitdrukkelijk is vast-
gesteld, dat deze niet op den huurder mag worden af-
gewenteld.

De bepalingen van het Huurprijsbesluit moeten o.i.
aldus worden opgevat, dat niet het huurbedrag van
9 Mei 1940 onveranderlijk is, maar dat in de op dezen
datum bestaande’ wederzijdsche praestaties van ver-
huurder en huurder geen verandering mag worden gebracht.
Verhooging van het huurbedrag is dus slechts ge-
wettigd, wanneer de wederzijdsche verplichtingen in dier
voege zijfl gewijzigd, dat de verhuurder aan den huurder
meer levert dan tot dusver, of het door den huurder
betaalde bedrag duidelijk beneden het op 9 Mei 1940

732

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

algemeen geldende huurpeil lag. Voor deze huurcorrectie
wordt thans door het Huurprijsuitvoeringsbesluit-1941
de mogelijkheid geopend.

Bijzondere ger’allen.

In geval van verbetering van woningen mag ingevolge
het bepaalde in het Huurprijsbesluit de jaarhuur met 10 pCt
van de kosten van verbetering worden verhoogd. Tot
nu toe is deze bepaling aldus toegepast, dat in gevallen,
waarin aan den Secretaris-Generaal van Binnenlandsche
Zaken toestemming tot huurverhooging werd gevraagd,
kosten, welkè als normaal onderhoud konden worden be-

schouwd, werden afgetrokken. Dit zal ook in de toekomst
moeten geschieden.
Wanneer men echter te doen heeft met krotten, die
thans nôodgedwongen worden bewoond en daarom eenigs-
zins worden verbeterd, is de verbetering grootendeels als uitgesteld onderhoud te beschouwen. Het schijnt dan on-
billijk, de huur met 10 pCt. van deze kosten te verhoogen.
Voorts zal gelet moeten worden op de premieregeling
voor de verbetering van woningen, welke de mogelijkheid
opent, dat van de kosten van verbetering van een woning
één derde deel tot een maximum van f 320 uit de Open-
bare kassen wordt betaald. De billijkheid eischt, dat alleen
het deel van de kosten van verbetering, dat door den
eigenaar uit eigen middelen wordt gedragen, in een huur-
verhooging tot uitdrukking wordt gebracht.
Een ander bijzonder geval, dat zich bij de uitvoering
van het Huurprijsbesluit kan voordoen, betreft de vraag,
welke de toelaatbare huur
is
in geval van samenwoning
of onderhuur. Uit een oogpunt van volkshuisvesting
moeten samenwoningen worden betreurd, doch onder de
huidige omstandigheden kan daaraan niet steeds worden
ontkomen.
Voor zoover samenwoningen reeds vôôr het in werking
treden van het Huurprijsbesluit voorkwamen, wordt
huuiverhooging door dit besluit verboden. Zijn zij daarna
tot stand gekomen, dan zal, evenals in geval van onder-
huur, moeten worden overwogen, dat een eigenaar er
niet toe zal overgaan een woning aan twee gezinnen te
verhuren of onderhuur toe te staan, indien hem niet
in den vorm van huurverhooging een redelijke tegemoet-
koming wordt toegekend voor de hoogere kosten, welke
uit de meer intensieve bewoning voortvloeien, en dat
anderzijds de te bedingen Foogere huur niet in een on-
redelijke verhouding mag staan tot de bedoelde hoogere
kosten.
Ook bij splitsing van woningen worden de exploitatie-
kosten hooger, zoowel omdat voor de kosten van ver-
bouwing rente en aflossing moeten worden betaald, als
wegens de hoogere onderhoudskosten. 1-let derde lid van
artikel 2 van het besluit, dat als hoogst toelaatbare huuj-
prijs noemt de huur, die voor soortgelijke huurohjecten
op 9 Mei 1940 gebruikelijk en redelijk was, zal hier naar
analogie moeten worden toegepast. Wanneer de splitsing
het gevolg is van een verbouwing, die na 9 Mei 1940 heeft
plaats gehad, dan eischt o.i. de billijkheid, dat de huur
hooger wordt gesteld dan die van soortgelijke objecten,
die reeds op 9 Mei 1940 waren verhuurd, omdat de kosten
van verbouwing na dezen datum aanmerkelijk zijn ge-
stegen.
Een derde veelvuldig voorkomend geval betreft de wij-
ziging van bestemming, bïjv. verbouwing van een woning tot een winkelhuis of eenvoudig gewijzigd gebruik.
Ook hier ontstaat o.i. een nieuw huurobject, waarvan
de billijke huur door vergelijking met andere objecten
moet worden bepaald.
Tenslotte moet worden gewezen op de gevallen, dat de
werkelijke huur afwijkt van de nominale. 1

let komt
herhaaldelijk voor, dat verhuurders op een individueel
verzoek om huurverlaging aan den huurder tijdelijk een
zekere reductie verleenen, echter onder voorbehoud van
rechten en onder afgifte van een kwitantie voor het ge-

contracteerde hoogere bedrag. In een dergelijk geval
vormt o.i. dit hoogere bedrag de officieele huur en schijnt
de eigenaar gerechti
g
d, dit bedrag te blijven vorderen.
Het gevaar voor misbruiken ligt hier echter voor de hand.

Het toezicht op de huren.

De contrôle op de huren is opgedragen aan Prijzen-
bureau’s, ressorteerende onder het Departement van
Binnenlandsche Zaken. Van hun beslissingen staat geen
beroep open.

Het Rijk is voor de huurbeheersching verdeeld in 60
gebieden, overeenkomende met de rechtsgebieden van
de Kantongerechten. In elk dezer gebieden is een Prijzen-
bureau voor onroerende zaken gevestigd onder leiding
van het hoofd van den Dienst, belast met het Bouw- en Woningtoezicht in de gemeente, waar het bureau is ge-
vestigd. Deze oefent de contrôle uit in alle gemeenten
van het kanton. Hierdoor wordt op het Bouw- en Woning-
toezicht een geheel nieuwe en ongewone taak gelegd. Het
is intusschen van het hoogste belang, dat de contrôle
op de huren aldus gelegd is in de handen van een toch-
nischen dienst.
Het Huurprijsbesluit is inter-pretatief, d.w.z. dat belang-
hebbenden de bepalingen zelf moeten interpreteeren,
behoudens hun verantwoordelijkheid voor de wet. Zij
kunnen dus zelf in verschillende gevallen de huur ver-
hoogen, met name bij opheffing van een persoonlijke
verhouding tusschen verhuurder en huurder (art. 3),
bij verbetering van een woning (art. 4), hij woningsplitsing
(art. 2 lid 3 eerste zin) en bij wijziging van bestemming
(art. 2 lid 3 eerste zin).
Wanneer belanghebbenden zich niet geheel zeker
gevoelen, zullen zij verstandig doen, het oordeel van het
Prijzenbureau te vragen. Dit oordeel draagt niet het
karakter van een beslissing, maar van een advies. In andere gevallen moeten belanghebbenden aan het
Prijzenbureau verzoeken, de huur vast te ste
1
len. Het
bureau geeft dan een beslissing.
Aan de Prijzenbureau’s is verder de opsporing van
overtredingen opgedragen. Zij sprcken echter geen straffen
uit, doch brengen de resultaten van hun bevindingen ter
kennis van den betrokken Inspecteur voor de Prijs-
beheersching.
De Secretaris-Generaal van het Departement van
Binnenlandsche Zaken kan te allen tijde de beslissingen van de Prijzenbureau’s wijzigen.

De huren Qan nieuwe woninken.

Het Huurprijsbesluit-1940 heeft slechts betrekking op
de woningen, welke op 27 December 1940 aanwezig waren.
Op de na dien datum voltooide woningen is het niet van
toepassing.
Dit vil intusschen niet zeggen, dat deze woningen- onder
geen enkele regeling zouden vallen, zoodat, behoudens
voor zoover zij gebouwd zijn met voorschot volgens de
1-lypotheekregeling 1940 of 1941 en de huur dus aan een
limiet gebonden is, de huren vrij zouden zijn. De huren
van alle nieuwe woningen vallen onder het Prijsvormings-
besluit. De Prijzenbureau’s zullen er voortaan op toezien,
dat ook bij dezen bouw een redelijke huurbepaling ge-
schiedt, in dier voege, dat van het eigen in den bouw ge-
stoken kapitaal een redelijk rendement’ wordt verkregen.
Hieruit volgt, dat de huur van nieuw te bouwen wo-
ningen niet wordt bepaald door de huur van soortgelijke
woningen op 9 Mei 1940. Dit zou trouwens alleen mo-
gelijk zijn, wanneer uit de openbare kassen een zoodanige
toeslag zou worden verkregen, dat met deze huur eeb re-
delijk rendement gewaarborgd zou zijn. Dit ligt niet in de
bedoeling. Alleen voor woningen tot 275 M
3
inhoud
kan een Rijkshypotheek worden verleend met een rente-
loos deel, dat tot f 2000 per woning ie gelimiteerd. Juist
in deze begrenzing ligt een krachtige rem tegen onrede]ijke
opdrijving der bouwkosten.

24 Decémber 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

p
733

He meer het intussehen zal gelükken, de bouwkosten binnen redelijke perken te houden, des te dichter zal de
huur van nieuwe woningen bij het huurpeil van 9 Mei
1940 kunnen blijven. Het zal daar evenwel iets bovenuit
moeten gaan, omdat, zooals reeds werd opgemérkt, het
huurpeil van 9 Mei 1940 in tal van gevallen voor een
redelijk rendement ontoereikend is.
Hieraan is voorloopig niets te doei. Wel moet de mo-
gelijkheid in het oog worden gehouden, om, zoodra de
loonvèrhoudingen zulks zullen toelaten, een bescheiden
verhooging, ook van de huren der oude woningen, toe te staan. Deze gedachte is te meer aantrekkelijk, omdat een
dergelijke algeméene huurverhooging van den bestaanden
woningvoorraad de gelegenheid zou bieden om een deel
van de opbrengst van deze verhooging in een fonds te
doen vloeien, dat gebruikt zou kunnen worden om den
‘nieuwen aanbouw te subsidieeren, teneinde de huren
van nieuw te bouwen woningen geheel op één lijn met die
van den bestaanden woningvoorraad te brengen. Tot een
dergèlijke huurnivelleering zal het eerlang wel moeten
komen.
Momenteel laten het Huurprijs besluiten het Huurorijs-
uitvoeringsbesluit deze nivelleering niet toe. In ieder geval
doet echter worden toegejuicht, dat de al te star werkende
huurstop door een meer op de practijk van het leven ge-
richte regeling is vervangen, al zal deze regeling nog wel
niet de laatste zijn. –
Di’. Ir. 11. & VAN I3EUSEKOM.

HET INSTITUUT VOOR SOCIAAL ONDER-

ZOEK VAN HÉT NEDERLANDSCHE VOLK.

lIet doel van dit artikel is een nieuw instituut te in-
troduceeren, dat zich onder meer wil bezighouden met
verschillende vraagstukken, die ook in dit tijdschrift
behandeld plegen te worden.
1-let nieuwe instituut is het Instituut voor Sociaal
Onderzoek van het Nederlandsche Volk. Op initiatief
‘van Prof. Dr. H. N. ter Veen te Amsterdam heeft een
aantal sociaal-geografen, sociograf en, economen, statistici
of hoe deze onderzoekers zich verder ook noemen, uit
den kring der verschillende hoogescholen, waar men
,

zich -met sociaal onderzoek bezighoudt, samen met ver-tegenwoordigers van de op dit gebied werkzame ambte-
lijke en particuliere organisaties, besloten tot de stichting
van een instituut, waarvan het doel in artikel 2 van de
statuten wordt omschreven als ,,het bevorderen der
studie van concrete verschijnselen in het maatschap-
pelijk leven van het Nederlandsche volk”. Deze for-
muleering is dus in staat gebleken om de tegenstellingen,
die op het gebied van het sociale onderzoek langen tijd
hebben bestaan, naar te hopen is voor goed, op den
achtergrond te dringen. Een basis is geschapen om in
eendrachtige samenwerking de taak aan te vatten, die
reeds lang wacht. In deze oprichting kan men den sluit-
steen zien van een lange ontwikkeling.
het, maatschappelijk leven namelijk is buitengewoon
ingewikkeld ‘geworden sinds het in dustrialisme, gepaard
gaande met een geweldige . bevolkingstoeneming, zijn
“intrede deed. De sinds, de ,,laissez faireV periode door-
gemaakte maatschappelijke ontwikkeling heeft geleid
tot een, voortdurend verder gaande gebondenheid op
bijna ,alle gebieden der samenleving. Sociale en eco-nomische planmatigheid gaan steeds meer haar beeld
beheerschen. De organisatievoi’men zijn daarbij vele, de overheidstaak is zeer omvangrijk geworden. Slechts een
inzicht in de werkzame krachten, ‘een duidelijk beeld
van hetgeen men in de toekomst wil en kan bereiken,
en de middelen, die daartoe dienstig zijn, hebben deze
ontwikkeling mogelijk gemaakt.
,
Met andere woorden,
de ontwikkeling der sociale en economische wetenschap-
pen is daarmede gepaard gegaan. Zij, hebben een’ gefun-

deerde sociale en economische politiek mogelijk gemaakt.
Geen groote onderneming, die zichzelf respecteert, geen
vakbond of groote vereèniging op eenig maatschappelijk
terrein werkzaam en geen overheidsinstantie, of het nu
een departement, een groote gemeente of een streekplan-
dienst betreft, kan tegenwoordig wetenschappelijk onder-
zoekingswerk ontberen. Zonder uitvoerige studie en do-
cumentatie is het terrein van werkzaamheid in vele
gevallen practisch niet meer te kennen en ‘te beheerschen.
Hoe tevreden men in velerlei opzichten kan zijn over
het peil en den stand van het sociaal en economisch onder-
zoek in Nederland, ‘t,och blijft er in de huidige situatie
een leemte en schuilt er een’ gevaar. Een leemte, omdat
er nog uitgestrekte gebieden van onderzoek zijn, die
hetzij nog volkomen braak liggen, hetzij slechts inciden-
teel werden verkend, omdat zij de macht van den mdi-
vidueelen onderzoeker -te boven gaan. Ik denk aan het
bevolkingsvraagstuk, de problemen van migratie, hetwerk-
loosheidsvraagstuk, enz., met al hun sociale en eco-
nomische aspecten. Vraagstukken, die het geheele land
betreffen, maar waarvoor slechts gedetailleerd regionaal
onderzoek inzicht en eventueel oplossing kan brengen.
Vooral economen mag dit wel eens op. het hart worden
gedrukt! Daarnaast staat de integraler egionale ,,survey”,
welke kennis van de geheele sociale en economische
structuur van bepaalde gebieden beoogt, om op grond –
daarvan de bestaansbronnen te ontwikkelen, tot een
ordening van het bodemgebruik te komen, enz. Tot nu
toe ontbraken daartoe veelal de voor deze doeleinden
dienstige instanties.

Anderzijds is het gevaar niet denkbeeldig gebleken,
dat men van verschillende zijden onafhankelijk van
elkaar sociaal-economische ônderzoekingen verricht, die
geheel of ten deele parallel loopen, waardoor dubbel
werk wordt verricht.
1-let komt mij voor, dat het instituut voor Sociaal
Onderzoek van het Nederlandsche Volk een zeer belang-
rijke aanvullende en coördineerende taak kan krijgen.
Dat dit van meet af aan in de bedoeling van de stichters
heeft gelegen, kan blijken uit de wijze, waarop, blijkens
de statuten, de stichting haar doel tracht te bereiken,
namelijk door op het gebied van haar studie:

zelf onderzoekingen ter hand te nemen, hetzij uit
eigen initiatief, hetzij in opdracht van anderen;


onderzoekingen van andere l)ersonen en instellingen
te bevorderen en te coördineeren;
gegevens te verzamelen en te verwerken;
d; het persoonlijk contact tusschen onderzoekers, op-
drachtgevers en belangstellenden te bevorderen; e..inlichtingen omtrent verrichte onderzoekingen en omtrent de verzamelde gegevens te verschaffen; geschriften samen te stellen en uit te geven, of de
samenstelling en de uitgifte daarvan te bevorderen
boekwerken – en andere geschriften te ,verzamel.en;
.h. andere wettige middelen, die aan het doel bevor-
derlijk kunnen zijn.

Het dagelijksch bestuur heeft reeds een commissie
ingesteld, die voorstellen zal doen inzake de uit eigen
initiatief door het Instituut aan te vatten onderzoekingen.
Blijkens het werkprogramma stelt het instituut – zich verder voor, ten dienste van openbare lichamen ,en van
andere belangstellenden, onderzoekingen te; verrichten,
waarvan de uitkomsten, naast die van andere studies,
tot grondslag kunnen dienen: –
bij wijzigingen van gementegrenzen;
bij de voorbereiding van uitbreidings- en streekplannen;
bij het in cultuur brengen van nieuw ontgonnen of
drooggelegde gebieden;
bij de bevordering van de ontwikkeling van l)laatse-
lijke of regionale bestaanshronnen en bij vele’ andere
practische vraagstukken.
– Deze opsomming is slechts een voorloopige. Er mogé
nogmaals uit blijken, dat het instituut niet -in de eerste

r

.,’r

734

1
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

plaats het karakter wenscht te dragen van een studie-
centrum voor sociologie, maar dat men de bestudeering
en oplossing van practische sociale vraagstukken in den
ruimsten zin beoogt.

Ter uitvôering van het coördineerende deel van haar
taak heeft het dagelijksch bestuur onlangs een commissie
voor de coördinatie van sociale onderzoekingen ingesteld.
Hierop zij tot slot nog eens in het bijzonder de aandacht
gevèstigd. Deze coördinatie-commissie heeft tot taak
zich op de hoogte te houden en het bestuur op de hoogte
te stellen van de onderzoekingen, die op sociaal gebied in
Nederland worden verricht. Voor alles toch is noodig,

dat een
centrale registratie
van de sociale onderzoekingen
tot stand komt. Het dagelijksch bestuur heeft daarom
onlangs in een oproep in de bladen een verzoek ge-
richt tot een ieder, die zelf een onderzoek op sociaal
gebied instelt, of hiervan ambtshalve de leiding heeft
(en hierbij denkt het bestuur naast de sociaal-eco-
nomische onderzoekingen
ook
aan die op het gebied
der sociale psychologie, der demografie, der sociale mor-
phologie, der socipgrafie in. engeren zin, enz.), daarvan
véér 1 Februari 1942 mededeeling te doen aan het
Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandsche,
Volk, Kamer 34, Universiteit, Oude Manhuispoort 4,
Amsterdam-Centrum. Het zal op prijs worden gesteld,
indien deberichtgevers hierbij duidelijk willen aangeven,
wie het onderzoek instelt en met welk doel het wordt
ondernomen. Voorloopig’ kan dan worden volstaan met in het kort op te geven, wat het onderzoek omvat. Later
zal het instituut zich nader. met de onderzoekers in ver-
binding kunnen stellen. Ook tot hen, die voornemens zijn
dergelijke onderzoekingen in te stellen en tot hen, die
een dergelijk onderzoek na 1 Januari 1935 hebben inge-
steld en het sedertdien hebben beëindigd, wordt een
overeenkomstig verzoek gericht.

Om ook een ander deel van zijn taak; het verkrijgen
van een volledige documentatie en het geven van voor-
lichting aan allep, die behoefte gevoelen aan gegevens
omtrent het sociale leven der Nederlandsche bevolking
(niet in het minst dus aan alle onderzoekers zelf’) te
kunnen volbrengen, zal het bestuur het zeer waardeeren,
indien iedere pecsoon en- elle instantie, welke een sociaal
onderzoek voltooien of voltooid hebben, een exemplaar van
liet rapport of de studie, aan het. Instituut zouden willén
toezénden. Ook zal het gaarne rapporten en studies
ontvangen, welke niet voor publicatie bestemd zijn en
waarvan het vertrouwelijk karakter dan vanzelfsprekend
ten volle zal worden geëerbiedigd.
Bedriegen de voorteekénen niet, dan zal dit nieuwe
Instituut een zeer belangrijke plaats gaan innemen. Vele
instellingen eii personen van naam op het gebied van
het sociaal onderzoek verleenèn reeds hun medewerking.
Het Curatorium wordt gevormd door de heeren: Prof. Mr. P. J. M. Aalberse, Mr. K. P. van der Mandele, Prof.
Mr. H. W. Methorst, Prof. Dr. G. Minderhoud, Prof. Mr.
Dr. N. W. Posthumus, vertegenwoordigende de Neder-
landsche Academie van Wetenschappen, Dr. Ir. J. A.
Ringers, Jhr. Mr. Dr. A. B. G. M. van Rijckevorsel.

Het Dagelijksch Bestuur der stichting )iestaat uit:
Prof. Dr. H. N. ter Veen, le voorzitter, Prof. L. van
Vuuren, 2e Voorzitter, Prof. W. E. Boerman, Penning-meester, Dr. G. Th. J. Delfgaauw, le Secretaris, Drs. J.
Godefroy, 2e Secretaris, Mr. Dr. Ph. J. Idenburg, als
directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek,
Mr. J. Vink, vertegenwoordigende het Nederlandsch
Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw.
Het Instituut beschikt voorts over een bureau en een
archief, geplaatst onder de wetenschappelijke leiding van
Dr. F. van Heek, privaat-docent aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, die bereid is alle verdere
gewenschte inlichtingen te verstrekken.

G. H. L. ZEE&ERS.

DE UITGAVEN VOOR WONINGHUUR IN

NEDERLAND VAN 1921 TOT 1938.

1-Jet bedrag, dat wordt uitgegeven voor woninghuur, vormt een relatief groot gedeelte van alle consumptieve
uitgaven. Om deze reden is het voor het onderzoek naar
het totale, nationale, verbruik van groot belang, het
totale huurbedrag zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen.
In het volgende zal, als vervolg op vroeger gepubliceerde
artikelen over het verbruik, een berekening worden
gegeven van de
totale
huursom waaronder niet alleen
wordt begrepen het voor woninghuur uitgegeven bedrag,
doch ook de huurwaarde van door den eigenaar bewoonde
huizen. Deze twee bedragen zijn, door gebrek aan gegevens,
niet van elkander .te scheiden.
Exacte gegevens omtrent de totale huursom zijn niet
aanwezig, tengevolge van welk feit door middel van schat-
tingen slechts bij benadering een bedrag zal kunnen
worden vastgesteld. Als belangrijke gegevens, die hiertoe
gebruikt kunnen worden, zijn te noemen:
Het aantal woningen. Dit aantal kan voor ieder jaar
worden berekend uit de woningtelling van 1930 en de,
regelmatig in het maandschrift van het C.B.S. gepubli-
ceerde, jaarlijksche vermeerdering van den woningvoor-
raad. Aan deze methode van bepaling van het aantal
woningen zijn bezwaren verbonden, welke echter met de
beschikbare gegevens niet omzeild kunnen worden
1).

Bij het gebruik, dat wij hieronder van deze gegevens
maken, kan dit niet tot storende verschillen aanleiding
geven.

De totale belastbare huurwaarde, welke in de statis-
tiek derRijks- en Gemeentefinanciën wordt opgegeven. Op
dit bedrag moeten een aantal correcties worden aange-
bracht, wegens perceelen, die geheel of gedeeltelijk van
personeele belasting zijn vrijgesteld. Enkele gegevens voor
de schatting van deze correcties kunnen worden gevon-
den in de regelmatig bijgehouden woningstatistiek der
gemeenten Amsterdam en ‘s-Gravenhage en in de op
ongeregelde tijden gehouden woningtellingen in verschil-
lende plaatsen
2
), voorzoover daarbij de woningen ge-
splitst naar huurklassen zijn opgegeven.

De
totale bel astbare
huurwaarde en de correcties daarop.

Bij de berekeningen is uitgegaan van de totale belast-
bare huurwaarde, zooals deze wordt gegeven in de sta-
tistieken der Rijks- en Gemeentefinanciën
3).
Op deze
bedragen moeten de volgende correcties worden aan-
gebracht: –
voor de niet belaste woningen;
voor winkels e.d. die slechts voor een derde der
huurwaarde in – de belasting worden aangeslagen;
voor logementen en ontspanningsgelegenheden op
badpiaatsen e.d., voor welke hetzelfde het geval is,
terwijl gemeubileerd verhuurde woningen, of gedeelten
daarvan, voor twee-derde worden belast; voor kantoren, die volledig- belastbaar zijn;
voor café’s en restaurants, die in een aantal ge-
meenten sinds 1931 belastingvermindering genieten.
De eerste correctie wordt gevormd door de totale
huursom van de woningen, van welke de huurwaarde
beneden de grens der personeele belasting blijft. Uit de
verschillende tellingen blijkt, dat de percentages, die de

1)
Vgl.:
Dr. Ir. H.
G.
v.
Beusekom: Woningvoorraad en
Wo-
ningbehoefte, in
E.-S.B.
van
24
Sept.
1941. –
‘) De volgende woningtellingen zijn, voorzoover bruikbaar,
geraadpleegd: Maastricht
1922, 1926;
Dordrecht
1923-’27;
Am-
sterdam
1925;
Leiden
1926;
Hilversum
1926, 1936;
Zwolle
1927,
1931-’36;
Eindhoven
1936;
Schiedam
1937.
‘) Zie: tot 1931
Statistiek der Rijkstinanci6n, daarna de Statistiek
der Gemeentefinanciën.

– –

24
December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

735

woningen beneden deze grens van het totale aantal uit-
maken, sterk uiteenloopen. Dit wordt veroorzaakt, eener-zijds dooi de relatieve grootte van de huurklassen, ander-
zijds door de absolute hoogte van de onderste grens der
belastbare huurwaarden, die niet voor alle gemeenten
dezelfde. is. Volgens het tegenwoordig geldende stelsel hebben de gemeenten de vrijheid zelf de grenzen te be-
palen, door zich in één der klassen voor de personeele belasting in te deelen, terwijl zij véôr 1931 volgens de
wet waren ingedeeld. De grenzen der verschillende klassen
zijn met ingang van 1928 verhoogd
4),
zooals in de hierbij
afgedrukte tabel 1 tot uiting is gebracht.
TABEL 1.

Klasse
Laagste belastbare huurwaarde

VöÔr 1928
Sedert 1928

1
f 150.—
f 250.-
II
,137.50
,, 225.-
III
,, 125.—
,, 200.-
IV
11
112.50
175.-
V
,, 100.—
150.-
VI
,;

87.50
125.-
VII
75.—
100.’-
VIII
62.50
75.-
Ix
50.—
50.-

Door deze verhooging der grenzen steeg plotseling
het ‘aantal woningen, waarvan de huurwaarde beneden
de belastinggrens viel en daalde het aantal belaste per-
ceelen. Aangezien er in 1928 vrijwel overal een herschat-

GRAFIEK
I.

Het aantal belaste perceelen,
1921-1938
(in duizendtallen)


-‘.-


7


t

,/

Aantal belaste perceelen
in dulzendta
ten

/

/


7

119211221 ‘231 ’24

’25
26

‘27128129130
7
31 132133

’34

’35
‘361371 ’38

ting der huurwaarden heeft plaats gehad, komt de ver-
hooging der grenzen echter niet duidelijk tot uiting in
het totale bedrag der belaste huurwaarde
5).

De niet-belaste woningen.

De statistiek der Rijksfinanc.iën geeft wel het aantal
aangeslagen percéelen, maar vermeldt niet het aantal
perceelen, dat niet belastbaar is, evenmin als de huur-
waarde van laatstgenoemd aantal. Teneinde tot een
schatting hieromtrent te komen, werd uitgegaan van de
gegevens van de Amsterdamsche woningstatistiek.. Hierin
zijn gedetailleerde opgaven te vinden van den woning-voorraad, verdeeld naar huurklassen. Indien deze aan-
tallen worden gesplitst in woningen, die
niet
onder de
personeele belasting vallen, en woningen, die
wel
belast-
baar zijn, dan is er een sprong van 1927 op 1928 ten-
gevolge van de in laatstgenoemd jaar in werking ti-edende
wetswijziging. In de reeks cijfers van woningen te Am-

) Wet van 28 Dec. 1926.
) Vgl.: Statistiek der Rijksfinanciën,

GRAFIEK II.

De totale belastbare huurwaarde can
1921-1938
(in mii-
lioenen guldens).

008.

Totale belastbare
huurwaarde
in
millloenen guldens
400.
200. 119211 ‘221 ‘2312
4
1
’25
’26! ‘271 ’28! ’29! ’30
‘311 ‘321 ’33I’3

1
’35
’36! ’37j ’38

sterdm treedt nog een sprong op, die het gevolg is van
de telling in 1925. Voor den woningvoorraad op 31 De-
cember 1925 zijn twee opgaven aanwezig
61,
één volgens
de oude en een andere ‘volgens de nieuwe telling. Het
verschil is de grootte van de ingeslopen fout, en indien
wij veronderstellen, dat deze sedert de vorige telling,
in 1919, ieder’ jaar met een gelijk aantal woningen is
toegenomen, kunnen de voorafgaande cijfers hiervoor
worden gecorrigeerd. Andere veronderstellingen, bijv. dat
de fout evenredig zou toenemen met den bouw van nieuwe
woningen of met de verandering van het aantal woningen
gaven vrijwel dezelfde resultaten. Hetzelfde verschijnsel
doet zich voor bij de telling in 1936, waarbij het verschil,
en dus ook de correctie, geringer blijkt te zijn. –
Voor de gemeente Amsterdam is het dus mogelijk
jaar voor jaar te berekenen, hoe groot liet percentage is,
dat het aantal woningen met een huurwaarde beneden
de belastinggrens uitmaakt van de helastbare woningen.
Daar de klasse-indeeling vrij fijn is (de laagste huur-
klassen klimmen op met f 0.25 per week) bestaat de
mogelijkheid de verhouding tusschen de huurwaarde
van de niet-belaste woningen en de totale huurwaarde
der belastbare woningen te berekenen volgens de tellingen,
dus onafhankelijk van de belastingge.gevens. Daar voor

GRAFIEK ‘III.

Verhouding Qan het aantal niet-belaste tot de wel-belaste
woningen, volgens de woningteliingen in Amsterdanz en
andere gemeenten
1)

X

3(
,
X
X

X
XX

X

X

/
_1

XXX

XX
X

X
X
x
119211’221’231’24 125
‘261’271’281’291’30
31132133134135

‘36137138

‘) De getrokken lijn geett dO Amsterdamsche uitkomsten
1
eder
kruisje het resultaat van dén telling in een andere gemeente aan.

‘) Zie Verslagen van den woningdienst 1925 en 1926.

1600

403

(209-

000.

2a_

10-

736

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 De6ember1941

geheel Nederland slechts het belaste huurhedrag bekend
is, zal de laatstgenoemde verhouding voor een schatting
de eenig bruikbare zijn. Om te beoordeelen in hoeverre
de Amsterdamsche cijfers representatief zijn voor geheel
Nederland, zijn deze vergeleken met de uitkomsten der,
op verschillende tijden gehouden, tellingen in andere
gemeenten. Na de berekening van de overeenkomstige
percentages volgens deze laatste tellingen, bleken deze
gemiddeld niet onbevredigend overeen te stemmen met de
voor Amsterdam gevonden cijfers, zooals grafiek III
laat zien.

De geringe overeenstemming in de jaren véôr 1927

spruit voort uit het feit, dat de door kruisjes aangegeven
uitkomsten in die jaren alle betrekking, hebben op de-
zelfde gemeente (Dordrecht), waar veel lage huurwaarden
voorkomen. Overigens achten wij de enorme sprong in

TABEL H.

lunchrooms, e.d., zoodat hiervoor geen aparte correctie
meer noodig is. Wel is nog een correctie noodig voor de
kantoren. 1-let aantal kantoren te Amsterdam is naar
schatting 8.650.). Indien wij aannemen, dat, evenals bij
winkels, 90 pCt: hiervan met een woning een perceél
vormt en tevens, dat de gemiddelde huurwaarde van het
kantoorgedeelte gelijk is aan die van een winkel, dan is
de totale huurwaarde van deze kantoren 3.3 millioen
gulden. De huurwaarde van alle .kantoren tezamën be-
draagt, onder dezelfde veronderstellingen, 3,7 millioen
gulden. Door vergelijking van de resultaten, welke wordèn
verkregen door .uit te gaan eenerzijds van de woning-
telling en anderzijds van de gegevens der personeele
belasting voor Amsterdam, is een schatting van de. huur-
waarde van logementen, pensions ed., welke voor een
derde belast zijn
10),
te verkrijgen.

irt

Ij

.

I

in
Telling 1925

millioenen

Personeele belasting

nililioenen

guldens ii

guldens

Totale huurwaarde van woningen (gemiddelde

per klasse x aantal woningen in die klasse)

72.3
Huurwaarde winkels, voorzoover met een woning

een perceel vormend (16.242
x
f 425.-) . . af

6.9

65.4
Geschatte huurwaarde van kantoren in wonin-

gen
………..
………………..
°
.

af

3.3

62.1

Huurwaarde niet-belaste woningen
……
af

1.6

60.5

1927/23 onv,’aarschijnlijk, tengevolge waarvan wij de
cijfers)n de eerste periode als on»etrouwhaar beschouwen.

Çorrectje t’oor het aantal (vinkels en kantoren.

De cijfers van de verschillende tellingen hebben echter
betrekking op woningen, terwijl die van de personeele
belasting gelden voor perceelen, die afzonderlijk in ge-bruik zijn. Deze aantallen perceelen omvatten, behalve
woningen, ook kantoren, café’s, restaurants, logementen
en pensions, zoodat vôÔr er een correctie wegens niet-
belaste woningen wordt toegepast, de totale huurwaarde,
welke de statistiek van de personeele belasting opgeeft,
hiervoor gecorrigeerd moet worden.
Omtrent het aantal winkels geeft alleen de woning-
telling te Amsterdam in 1925 juiste gegevens
7),
die uiter-aard slechts voor deze gemeente gelden.. 1-lieruit bleek,
dat er naast 156.588 woningen 18.054 winkels waren,
waaronder 16.242, of 90 procent, met woning. De gemid-
delde huurwaarde van een woning zonder nering bedroeg
f 362.13, voor een woning met nering was dit bedrag
f 788.98
8).
Indien wij aannemen, dat de huurwaarde
van het woongedeelte van een winkel-woningperceel
dezelfde is als die van een gemiddelde woning, zal dus de gemiddelde huurwaarde van een winkel 1 426.85 of
afgerond 1 425.- zijn. Daar het ons doel is de uitgaven
voor de woninghuur afzonderlijk te bepalen, moet de
totale huurwaarde van deze winkels van het gevonden
bedrag der totale huursom worden afgetrokken. De huur-
waarde van een winkel, zoo,als wij deze hier schatten, is
waarschijnlijk aan den lagen kant; in het bijzonder voor
perceelen welke geen woning bevatten en die dus geheel
als winkel zijn gebouwd, zal dit bedrag hooger moeten
zijn. Hierop komen wij laer terug. Omdat winkels slechts
voor een derde van de huur belastbaar zijn, is in de belast-
bare huurwaarde volgens de personeele belasting slechts eeii derde van de huurvaarde van alle winkels begrepen.
Onder winkels zijn bij deze telling ook verstaan café’s,

‘) Gemeentelijke woningdienst Amsterdam: de Woning- en ge
±instelling, gehouden in October
19e5.
8)
Vgl.: de in noot ‘) genoemde publicatie i)ag.
41.

Totale hela’tbare huurwaarde
……………..
62.6

Belastbare huurwaarde van alle winkels (een

derde van de totale huurwaarde)
…..
. af

2.6

60.0

Geschatte huurwaarde van alle kantoren
….
af

– 3.7

56.3..

Verschil
…………………………….
4.2

• FIet verschil van 4.2 millioen gulden titssc-hên béide
uitkomsten -ontstaat, doordat logementen en pensions
slechti voor een derde belast worden. Dit bedraagt dus
-tweederde van de totale huurwaarde van deze gebouwen,
welke op grond van deze berekening 6.3 millioen gulden is.
Dit bedrag is abnormaal hoog, indien wij het vergelijken
met de totale huurwaarde van winkels of kantoren. Om
deze reden zijn nog enkele andere berekeningen gemaakt.
Daartoe werd de gemiddelde huurwaarde van een winkel
annex woning gesteld op f 600.- (daar de gemiddelde huur van woning en winkel tezamen pIm. 1 790.- be-
droeg kan de huur van den winkel alleen niet veel hooger
dan f 600.- zijn), die van een winkel zonder woning op
f1200.-. Dit laatste getal is vrij willekeurig gekozen, maar heeft op het eind resultaat zeer weinig invloed. De gemid-
delde huurwaarde van kantoren is wederom gelijkgesteld aan
die van een winkel verbonden aan een woning. Op deze
wijze schattende vinden wij als resultaat:

Huurwaarde van
millioen
guldén

winkels in
.
woningen
9.7
alle

winkels

……………
11.9
kantoren in woningen
…….
4.6
alle

kantoren

…………
5.2


logementen

…………….
4.5


Nadrukkelijk worde er op gewezen, dat deie laatst
post door de wijze van berekening alle schattingsfouten
van de voorafgaande be,at. Een poging tot contrôle van deze uitkomst is gedaan door het gevonden bedrag van
4.5 millioen gulden te deelen door het aantal logementen in
1930. De gevonden uitkomst bleek, bij vergelijking met
sporadische gegevens, van enkele groote hotels én van
de grootte van een aantal andere, ongeveer van de jviste

9)
Dit getal
Is
geschat uit de bedrijîstelling 1930.
‘°) Teneinde het aantal schattingen niet met nog één te ver-
hoogen, zijn de pensions bij de logementen geteld en ook als voor
11
belast beschouwd. Dit betreft eer, ten opzichte van de huur-
waarde der logementen, gering bedrag.

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

737

orde van grootte. Gebrek aan gegevens verhinderde ech-
ter tot zekerder uitkomsten te komen.
Indien wij uit het door de belastingstatistiek verschafte
bedrag der belastbarehuurwaarde de totale woninghuur
willen benaderen, moeten dus de volgende correcties
worden aangebracht.

TABEL III.

Bedrag in In%v.d.
belastbare
millioenen

11uur-
guldens

waarde

Belastbare huurwaarde volgens de

personeele belasting ……….
.62.6

100.0
1/
huurwaarde van winkels., af

4.0

6.4

kantoren ….,,

5.2

8.3
1/

,,

,, logementen e.d. ,,

1.5

2.4
niet-bel.woningen

bij

1.6

2.6

Totale huurwaarde van alle ‘woningen

53.5

Omtrent de huurwaarde van niet-belaste woningen
te Amsterdam zijn ook in de andere jaren gegevens be-
kend. Het aantal winkels is in de overige jaren niet ge-
publiceerd, evenmin als de. aantallen kantoren, loge-menten e.d. Indien wij aannemen, dat na de wijziging
der belastinggrenzen in 1928, het percentage, waarmede
de belastbare huurwaarde verminderd moet worden
voor de daarin opgenomen huurwaarden van winkels,
kantoren, logementen en pensions, niet verandert,
kan de uiteindelijke vermindering op eenvoudige wijze
worden bepaald. Deze onveranderlijkheid is eeniger- –
mate aannemelijk, doordat de gemiddelde huurwaarde
hier ver boven de hoogste belastingvrije waarde is aan-
genomen, zoodat er door de wijziging geen enkel perceel
belastingvrij wordt. Het totale bedrag der belastbare
huurwaarde van deze inrichtingen verandert daardoor
niet; terwijl anderzijds ook de totale belastbare huur-
waarde geen groote verandering ondergaat. De pro-
centueele correctie voor winkels ed. wordt tengevolge
hiervan weinig gewijzigd. Teneinde de huurwaarde van woningen te benaderen, moet de belastbare huurwaarde
allereerst worden verminderd met een constant aan te nemen percentage voor winkels, enz. Daarna moet de
rest worden vermeerderd met het varieerende percentage
voor niet-belaste woningen.

Uitbreiding Qan de percentages poor Amsterdam over iVeder-
land.

De berekende numerieke waarden van de correcties
gelden slechts voor de gemeente Amsterdam. Indien wij
cijfers voor geheel Nederland willen verkrijgen, mogen
de Amsterdamsche gegevens niet zonder verdere be-
werking worden gebruikt. Er werd reeds aangetoond,
dat de correcties voor huurwaarden beneden de belasting-
grens gedurende verschillende jaren in een aantal ge-
meenten in de buurt van de Amsterdamsche cijfers lig-
gen, zoodat wij als benadering voorloopig de percentages
van Amsterdam kunnen aannemen. Anders is dit echter
bij winkels, kantoren, hotels en logementen. Uit de be-
drijfstelling in 1930 volgen namelijk bij telling van de voornaamste bedrijfstakken de volgende cijfers:

TABEL IV.

Amsterdam
Nederland

-,

Aantal

pCt
Aantal

pCt
Belastbare

perdeelen

145.252

100.0 1.447.562

100.0 105.936

7.2
Winkels

………..15.409

10.6
Kantoren

8.650

6.0
49.280

3.3
Logementen

2.479

1.7
12.2361

0.8

Het relatieve aantal kantoren, winkels en logementen
voor Amsterdam is grooter dan voor geheel

Nederland.

De procentueele correcties voor winkels in Nederland
werden gevonden door de Amsterdamsche cijfers te ver-
minderen in de verhouding van bovenstaande percen-
tages. De aldus berekende correcties zijn: voor winkels
4.3 pCt., voor kantoren 4.6 pCt. en voor logementen
1.1 pCt., dus gezamenlijk 10.0 pCt. Hoewel dit percen-
tage slechts voor het enkele jaar 1925 te bepalen is, werd
voor alle jaren de totale belastbare huurwaarde met
10 pCt. verminderd (zie tabel V, kolom 3). Daarna is
de correctie voor niet-belastbare woningen aangebracht.
Deze percentages werden, zooals eerder wérd vermeld,
berekend met behulp van de gegevens van de Amster-
damsche woningstatistiek, waarbij werd aangenomen, dat
zij representatief zijn voor geheel Nederland. De daling,
welke deze reeks van 1921 tot 1928 vertoont, kan, afgezien
van schattingsfouten, worden verklaard uit een stijging
der huren. Hierdoor immers vallen steeds minder woningen
onder de vrijdom van belasting. De plotselinge verande-
ring in 1928 werd veroorzaakt’door de verhooging der
belastinggrenzen. Uit de gevonden bedragen van tabel V,
kolom 6, is nu met gebruikmaking van het aantal der
woningen, zooals dat is opgegeven bij de woningtelling
1930 (kolom 7), de gemiddelde woninghuur per w’oning
per jaar berekend. De totale belaste’
J
iuurwaarde van de

woning is bekend per 1 Januari. De gegevens betreffende het aantal woningen hebben betrekking op 31 December.
Teneinde deze twee reeksen onderling te doen overeen-stemmen werd het gevonden huurbedrag door het aantal
woningen op het einde van het voorafgaande jaar gedeeld.
FIet resultaat van deze berekeningen is in onderstaande
tabel Y weergegeven.
Uit deze, door de vele schattingen zeer grove, benade-
ring van de totale huursom blijkt, dat deze een geleidelijke stijging ondergaat van 1921 af tot 1934, waarna een daling
optreedt tot 1937. Deze verandering wordt veroorzaakt,
eensdeels door de toeneming van het aantal woningen,
anderdeels door de variatie der huur per woning. Het
aantal woningen stijgt voortdurend in de door ons be-
schouwde periode; de woninghuren daarentegen stijgen
van 1921 tot 1932 en dalen daarna geleidelijk. Er komt
bij deze wijze van berekening een zeer sterke stijging

TABEL V.

)

10

one)
Q.

,.
1..-


IZ

_L_,:
1

o

.

.aa
.0
0

cd
I!

!__n

tM

1
2 3
4
5 6 7 8

1921
263.1
26.3 .
236.8
9.1
258.31
1442

179

1922 298.6 29.9 268.7
6.4
285.9 1480
193

1923
320.9
32.1
288.8
5.0
308.2
1524
199

1924
346.2
34.6
311.6
3.5
32.5
1564,
206
1925
368.8
36.9
331.9
2.3
339.5
1607
211

1926
389.2
3.9
350.3
.3
358,4
1650 217
1927
409.0
40.9
368.1
2.4
376.9
1695
222

1928
415.0
41.5 373.5
14.7
428.4
1739
246
1929
440.5
44.1
396.4
13.9
451.5
1780
254
1930
465.7
46.6
419.1
12.5
471.5
1821
259
1931
483.3 48.3
435.0
11.5
485.0
1866 260
1932 503.3
50.3
453.0
11.0
502.8
1909
263 1933
511.5 51.2 460.3
10.6
509.1
1946
262
1934 516.1 51.6
464.5
9.9
510.5
1988
257
1935
504.0
50.4
454.6
10.0
500.1
2038 245
1936
486.8
48.7
438.1
10.4
483.7
2080
233
1937
477.9
47.8
430.1
9.9
472.7
2108
224
1938
482.5
48.3
434.2
9.6
475.9
2133 223

‘)
Afgeleid uit dc Woningtelling 1930 en veranderingen der
woningvoorraad (Maandschrift cBs.).

738

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

te voorschijn van 1927 op 1928. Weliswaar is in Juli 1927 de Huurcommissiewet opgeheven, maar omdat
veel huurcontracten en wel speciaal die van duurdere
woningen, over lange termijnen loopen, is deze sprong
onwaarschijnlijk. Om deze reden is allereerst getracht
en indruk te krijgen van de nauwkeurigheid der uit-
komsten. Hiertoe is nagegaan, welk effect fouten van
50 procent in de schattingen op de uiteindelijke cijfers
zouden hebben. Bij deze veronderstelling is in het on-
gunstigste geval de hierdoor veroorzaakte verandering
gemiddeld 9.5 procent.
Een meer doeltreffende contrôle is als volgt uitgevoerd:
Uit de berekende gemiddelde huur per woning is een
indexcijfer voor woninghuur bepaald, waarbij de waarde
in 1934 op 100 werd gesteld. De loop van dit indexcijfer werd vergeleken met die van het gemiddelde van eenige
beschikbare huur-indexcijfers
11).
Dit gemiddelde blijkt
sedert 1928 goed aan te sluiten bij onze cijfers; tusschen

GRAFIEK IV.
IIuurndexcij/ers
1921-1938.

Gemiddelde huurindexr


‘•.

Index wom’nghuur

/.1ekeninQ

119211’221’23124 125
261
‘271
‘281
’29
130
31
1321 ‘33134 135
‘361371 ’38

GRAFIEK V.

T
otale woninghuur
millioenen guldens

t———-

Gemiddelde huur
in guldens per woning

119211 ‘221 ‘231 ‘241
,
05
1
‘201271 ‘281 ‘291 ’30
i
1
311 ‘32133.1 ‘
34
1
’35
‘361
‘311
’38

“) Voor arbeiders en meer gegoeden te Amsterdam, arbeiders en
ambtenaren te ‘s-Gravenhage (beide vermeld In: ,,Prijzen en kosten van levensonderhoud”) en het indexcijfer berekend uit de gegevens
voor de hoogste huurklassen in het artikel ,,De Woningbouw in
Amsterdam” door Prof. Dr. J. Tinbergen en B. van der Meer in de
,,Nederlandsche Conjunctuur” Aug. 1938, pag. 100.

1921 en 1928 wijken zij echter sterk af. Hieruit volgt, dat
onze uitkomsten in deze periode aan den lagen kant zijn,
hetgeen te wijten is aan de lage correctie voor niet-belaste
woningen, waardoor wij voorloopig de Amsterdamsche
cijfers aannamen. In deze jaren zullen de Amsterdamsche
cijfers waarschijnlijk niet representatief voor het geheele land zijn. Indien wij dit percentage gedurende de geheele periode v66r 1928 verhoogen tot 10 pCt. en dezelfde be-
rekening herhalen, vinden wij een indexcijfer, dat veel
nauwer aansluit bij bovengenoemd gemiddelde index-
cijfer. Hoewel dit constante percentage niet geheel be-
trouwbaar is, blijkt deze uitkomst aanmerkelijk beter,
zooals ook grafiek IV doet zien.

De aldus gevonden cifers hebben wij als meest-
betrouwbare uitkomsten neergelegd in bovenstaande gra-
fiek V en tevens in de onderstaande afsluitende tabel VI.

TABEL VI.

Jaar

k
4,

4)

.,s.o

50

*

c

00

4′

4)

1
.i

55
ot

4)
•3
4)

..

.n
4)

WS
•O
•,

E.

58

00
cb

1
2
3
4
5
6

1921
70 70
70 260.5
181
1922
77 75
77
295.6
200
1923
81
77
81
317.7
208
1924
88 80 85
342.8
219 1925
90
82 88
365.1
227
1926
93 84
91
385.3
234
1927 94
86
93
404.9
239
1928
98 96 96
428.4
246
1929
98 99
99
451.5
254 1930
100
101
101
471.5
259
1931
101
101
101
485.0
.

260
1932 102
103
103
502.8
263
1933
101
102 102
509.1 262 1934
100
100 100
510.5
257
1935
98 96 96
500.1
245
1936
95
92 92
483.7
233
1937 92
89 89
472.7
224 1938
92 88
88
475.9
223
C. POSTMA.

AANTEEKENINGEN.

DE HAVEN VAN
ROTTERDAM IN DE TWINTIGSTE EEUW.

R e c t i f i c a t i e. Het onder bovenstaanden titel
verschenen artikel in E.-S.B. van 19 November jl. eindigt
met de bewering, ,,dat bijv. in 1937 van alle schepen,
die in de haven
kwamen
lossen, ongeveer70pCt. afkomstig
was uit havens buiten het vasteland van Europa gelegen”.
Hieraan lag een berekening ten grondslag, gebaseerd op
de Statistiek van de Scheepvaart op het Buitenland die
echter een te hoog cijfer opleverde. Het Centraal Bureau voor
de. Statistiek vestigt er nl. de aandacht op, dat in deze sta-
Listiek voor een schip, dat meer havens op één reis aan-
doet, zoowel de beginhavens als de overige aangelopen
havens als havens van herkomst zijn opgenomen. De
dubbeltellingen, die hierdoor ontstaan, oefenen invloed
uit op de verhouding der tonnage, die niet en wel uit
havens van het Europese continent afkomstig is; er
komen meer dubbeltellingen voor hij de tonnage uit niet-
continentale havens.
Hoe groot is het percentage dan wel?
Er is een statistische publicatie, die ons een heel eind
op weg helpt: de Maandstatistiek van Verkeer en Vervoer in Nederland, jaargang 3, aflevering 7 (verschenen 31 Juli

100

90.

80
70

500

400_

DIM

200-

100.

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

739

1939). Daarbij is een indeling gemaakt in havengebieden,
zoals Noordzeehavens, La Platahavens, havens van
Indonesië. Voor de gebieden van herkomst is elk schip
slechts eenmaal geteld en wel voor het gebied, waarin
de beginhaven gelegen is. Een moeilijkheid vormen
de havengebieden, die ten dele binnen, ten dele buiten
het vasteland van Europa liggen: de Noordzeehavens,
de Kanaalhavens, de Middellandse-zeehavens. Bijna
7 millioen B.R.T. is uit deze gebieden afkomstig, nage-
noeg 23 pCi. van het totaal van 30.4 millioen B.R.T.
Wanneer wij hiervan een goede 2,8 millioen B.R.T. (9
bL

10 pCt. van het totaal) toeschrijven aan de havens van
de Zuid- en Oostkust van Groot-Brittannië en van de
niet-Europese kustgebieden der Middellandse Zee, slaan
wij de plank vermoedelijk niet ver mis. –
De tonnage uit havengebieden, die in hun geheel buiten
het continent liggen (hiertoe behoren ook de Atlantische
havens ten Noorden van het Kanaal) bedraagt 15,6
millioen B.R.T. of ruim 51 pCt. van het totaal.
De tonnage der schepen, die in 1938 te Rotterdam
kwamen lossen en afkomstig waren uit havens buiten
het vasteland van Europa gelegen, kan derhalve bij be-
nadering op 18.5 millioen B.R.T. worden gesteld, dat is
60 pCt. van het totaal. Het percentage is lager dan het
in de E.-S.B. van 19 November jl. genoemde. Het karakter
der slotopmerking wordt hierdoor m.i. niet aangetast,

maar het is toch gewenscht het onjuiste cijfer reeds
dadelijk te signaleeren.
H. C. B. BIJLEVELD.

DE BELEGOINOEN DER BIJZONDERE SPAARBANKEN IN
NEDERLAND.

Binnenkort zal verschijnen ,als32e publicatie van het
Nederlandsch Economisch Instituut, ,,De beleggingen
der bijzondere spaarbanken in Nederland”, van de hand
van Dr. J. R. A. Buning. –
Deze studie beoogt een onderzoek in te stellen naar
de beleggingen der bijzondere spaarbanken in Nederland.
(De Rijkspostspaarbank blijft hierbij dus vrijwel geheel buiten beschouwing). Nagegaan wordt in het bijzonder,
aan welke eischen een spaarbankbelegging heeft te be-
antwoorden, en in hoeverre de verschillende soorten van
beleggingen aan deze eischen voldoen.
In de inleiding tot het werk wordt de nadruk gelegd op
het sociale karakter der spaarbanken, en wordt het begrip
.,spaarbank”, aan de hand van enkele bestaande defini-
ties, omschreven. Ook het begrip ,,belegging” wordt ge-
definieerd. De studie beperkt zich hoofdzakelijk tot de
spaarbanken, aangesloten bij den Nederlandschen Spaar-
hankbond (,,Bondsspaarbanken”), welke circa 87 pCt.
van de spaargelden van alle bijzondere spaarbanken
in Nederland beheeren. Voorts wordt het terrein afge-
bakend tegenover de andere instellingen, welke spaar-
gelden aantrekken, waarbij iets meer aandacht wordt
besteed aan de boerenleenbanken.
In het eèrste hoofdstuk wordt stilgestaan bij de be-
teekenis, welke enkele vroegere economen, met name
Quesnay, Adarn Srnith
en
Maithus, aan het sparen hebben
toegekend, en vervolgens hij het ontstaan der eerste
spaarbanken in Frankrijk, D uitschland en Groot-Brittannië.
Daarbij blijkt, dat de idee van een spaarbank het eerst
in Frankrijk naar voren is gebracht, dnt daaraan in Duitsch-
land voor de eerste maal in de practijk gestalte is gegeven,
en dat Engeland is voorgegaan ten aanzien van de wette-
lijke regeling van het spaarbankwezen.
Nadat vervolgens de slechte economische toestand hier
te lande in het begin der 19de eeuw is geschetst, wordt
aangetoond, hoe de destijds réeds bestaande spaarbanken
in Schotland tot voorbeeld hebben gediend voor de eerste
Nederlandsche instellingen vai’dezen aard. Het ontstaan
en de ontwikkeling van de bijzondere spaarbanken in
Nederland worden beschreven, en de nadruk wordt ge-
legd op het initiatief, dat met betrekking tot de oprichting

der spaarbanken is uitgegaan van de Departementen
dei Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen. In het kort
wordt melding gemaakt van de oprichting van de Rijks-
postspaarbank in 1881, en van de groei van deze instel-
ling, waarnaast echter de bijzondere spaarbanken zich op
alleszins bevredigende wijze hebben weten te hândhaven.
(In verschillende jaren was het inleggerstegoed der bij-
zondere spaarbanken zelfs hooger dan dat der Rijks-
postspaarbank.) Ook wordt een en ander medegedeeld
omtrent het ontstaan en de ontwikkeling van den Neder-
landschen Spaarbankbond. Bij deze instelling – opge-richt in 1907 – welke geheel uit particulier initiatief is
voortgekomen, is het meerendeel der bijzondere spaar-
banken in Nederland aangesloten. Nadat nog melding is gemaakt van de moeilijkheden, waarvoor de spaar-banken zich geplaatst zagen bij het uitbreken van den
oorlog in 1914, in het monetaire en financieele crisisjaar
1931, en bij het betrokken raken van Nederland in den
oorlog in 1940, wordt tot slot van dit hoofdstuk nog
eenige aandacht geschonken aan enkele nieuwere middelen
ter bevordering van het sparen, welke door de spaar-
banken worden toegepast, en aan de deelneming der
spaarbanken aan het girale geldverkeer, welke laatste
echter in Nederland van vrij bescheiden omvang is gebleven.

In het volgende hoofdstuk worden de eischen, waaraan
de beleggingen eener spaarbank hebben te beantwoordén,
in den breede besproken. In een inleiding tot dit hoofdstuk
wordt, uitgaande van het door
I(eynes
gemaakte onder-
scheid tussehen ,,savings-deposits” en ,,cash-deposits”,
nagegaan welke soorten gelden aan de spaarbanken wer-
den toevertrouwd, en welke beteekenis daarbij moet
worden toegekend aan het feit, dat de inleggers gebruik
kunnen maken van de girorekening der spaarbank voor
de ontvangst van vorderingen en het verrichten van be-
talingen. Hierbij dient in aanmerking te worden ge-
nomen, dat de bemiddeling der spaarbanken op dit punt
aan verschillende beperkingen onderworpen is. Vervolgens
worden de problemen besproken, waarvoor de spaar-
banken zich in de afgeloopen jaren geplaatst hebben ge-zien, in verband met het toevloeien van zgn. ,,zwevende
gelden”. – -.

Na deze inleidende opmerkingen wordt overgegaan tot de behandeling van de trits van eisch’en, waaraan de be-
legging van een spaarbank behoort te voldoen, al. de
eisch der soliditeit, die der liquiditeit en die der rentabiliteit.
Van deze drie eischen behoort die van de soliditeit
voor een spaarbankbelegging wel voorop te staan, maar aan elke belegging zijn risico’s verbonden – waarvan de
voornaamste worden genoemd – zoodat het er in de
practijk dus slechts om kan gaan, deze onvermijdelijke risico’s zooveel mogelijk te beperken (o.m. door risico-verspreiding), terwijl men zich verder door de vorming
eener reserve tegen verliezen dient te wapenen.
Niet minder gewichtig dan het vereischte der soliditeit
is dat der liquiditeit, waarbij onderscheid moet worden
gèmaakt tusschen de liquiditeit der beleggingen ieder voor
zich en de liquiditeit van de beleggende instelling als zoo-
danig. De liquiditeit eener spaarbank wordt bepaald
door den. looptijd harer verplichtingen en de liquiditeit
harer beleggingen. Formeel zijn de inleggelden der spaar-
banken vrijwel steeds met inachtneming van betrekkelijk
korte opzeggingstermijnen opvorderbaar. De practijk leert evenwel, dat een groot gedeelte van de aan deze
instellingen toevertrouwde kapitalen in wezen constant
is. De spaarbank kan er dus mede volstaan, een zoodanige
liquiditeit in acht te nemen, dat zij aan de in feite te
verwachten opvragingen kan voldoen. Op den omvang
hiervan zijn verschillende factoren van invloed, welke
deels van endogenen en voor een ander deel van exogenen
aard zijn. Tot .de endogene factoren behooren de’ uren
van openstelling der spaarbank, ‘de opzeggingstermijnen,
welke in acht dienen te worden genomen bij het opvragen
van gelden, de door de spaarbanken aan’ haar inleggers

740

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

vergoede interest, en de sociale geleding van het inleggers-
publiek.
Onder de exogene factoren worden genoemd conjunc-
tuurwisselingen, seizoenswisselingen en catastrophale ge-
beurtenissen, zich manifesteerend in ,,runs”, terwijl ook
belangrijke gebeurtenissen op politiek en economisch
gebied de spaarbanken voor onverwacht groote opvra-
gingen kunnen plaatsen.
Melding wordt gemaakt van onderzoekingen, welke
in het buitenland zijn ingesteld naar den invloed van den
conjunctuur op het inleggerstegoed der spaarbanken.
Daarbij wordt aandacht geschonken aan de. onderzoe-
kingen van
Mitchell
(Ver. Staten),
Ashton (Engeland),

Soininer
(Duitschland) en
Miry
(België), welke auteurs
op dit punt ten deele tot tegenstrijdige resultaten komen.
Van de Nederlandsche onderzoekingen over dit onder-
werp wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan dat
van Tinbergen
en
.’an der Meer.
Bij de bespreking van de seizoenswisselingen wordt
het desbetreffende onderzoek van
Baars
en
Van der Valk

gememoreerd
1).

Ter beantwoording van de vraag, in welke mate een
spaarbank vatbaar is voor den invloed van versterkte
opvragingen, zijn er eenige, zij het zwakke, aanwijzingen,
nI. het gemiddelde saldo-tegoed per inlegger, de omzet,
de schommelingen in de totale saldi aan het einde van
opeenvolgende hoekjaren, en tenslotte de uitkomsten der
zgn. ,,jaarklassestatistiek”.
Daarna wordt de liquiditeit der afzonderlijke beleggin-
gen behandeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tus-
schen een enge en een ruime opvatting. Volgens het
eerste, strenge, criterium zijn slechts die beleggingen als
liqi.iide te beschouwen, welke zgn. ,,self liquidating” zijn;
volgens de ruime opvatting daarentegen, zijn alle beleg-
gingen liquide, die op welke wijze ook – dus bijv. ook
door beleening bij de Centrale Bank – op korten-termijn
in contanten kunnen worden omgezet. Voor de spaar-
banken is de ruime opvatting practisch de eenig moge
lijke. ‘In aansluiting op de beschouwingen over dit punt
worden eenige richtlijnen gegeven voor de gewenschte
graad van liquiditeit eener spaarbank.
Het derde vereischte, dat der rentabiliteit, dient onder-
geschikt te zijn aan de beide hiervoor genoemde eischen van zekerheid en liquiditeit. In aanshuiting hierbij wordt
de vraag besproken, in hoeverre het vergoeden door de
spaarbanken van eer, vooraf bepaalde rente, zooals dit in
de meeste gevallen gebruikelijk is, wenschelijk moet
worden geacht. Tevens wordt in dit verband een overzicht
gegeven van het rendement der beleggingen van de bij-
zondere spaarbanken en van de Rijkspostspaarbank
over de laatste jaren. Enkele auteurs staan op het standpunt, dat de beleg-
gingen, behalve aan de hiervoren besproken vereischten, ook moeten beantwoorden aan dat der algemeene nuttig-
heid. In deze studie wordt hiertegenover het standpunt
ingenomen, dat de drie eerstgenoemde eischen beslissend
zijn. Voorzoover beleggingen met een sociaal karakter
in voldoende mate aan deze eischen beantwoorden,
kan daaraan echter de voorkeur worden gegeven.
In het, derde hoofdstuk worden de geleidelijke ontwikke-
ling der meeningen omti’ent de meest wenschelijke be-leggingen, alsmede het feitelijke verloop van de beleg-
gingen van de Nederlandsche bijzondere spaarbanken
in den loop der tijden, nagegaan. Hieruit blijkt, dat, van
de vroegste tijden af, de belegging in effecten, hypotheken,
en beleeningen en prolongatiën op den voorgrond heeft
gestaan, zij het ook, dat het vertrouwen in effecten als
beleggingsobject in het begin der 19de eeuw enkele malen
ernstige schokken heeft ondervonden, waarvan het zich
slechts langzaam heeft hersteld, terwijl anderzijds de
belegging in beleeningen en prolongatiën in den loop

‘) ,,Scizoensbewegingen in het Economisch leven van Nederland”,
Publicatie No. 10 van het Nederlandsch Economisch InStiuut,
1934.

der jaren in belangrijke mate aan terrein heeft verloren.
Aan dit hoofdstuk is voorts een statististisch overzicht
toegevoegd, waarvoor gegevens zijn ontleend aan de
desbetreffende publicaties van het Centraal Bureau voor
de Statistiek, en waaruit de samenstelling van de be-
leggingen der bijzondere spaarbanken over de jaren 1900
t.o.m. 1921 en 1926 t.e.m. 1939 blijkt. (In de jaren 1922
t.e.m. 1925 is de statistiek, waaraan deze gegevens zijn
ontleend, niet verschenen).

In het daarna volgende hoofdstuk wordt uitvoerig na-gegaan, in hoeverre de verschillende soorten van beleg-
gingen voldoen aan de hiervoren genoemde eischen. Als
zoodanig worden achtereenvolgens een tiental categorieën
in beschouwing genomen, nI. de effecten, het schatkist-
papier, de prolongatiën en beleeningen, de geldleeningen
op onderhandsche schuldbekentenis, de kasgeldieeningen,
dc hypotheken, de onroerende goederen, de voorchotten,
cle wissels, en de gelden in handen van derden.
Onder het hoofd ,,Effecten” wordt allereerst besproken
de tegenstelling tusschen aandeelen en obligatiën; de in
cle practijk heerschende opvatting, dat de eerstgenoemde
categorie als beleggingsobject voor een spaarbank niet
in aanmerking komt, moet als gegrond worden beschouwd.
Van de obligatiën worden verschillende groepen, zooals
overheidsieeningeri en pandbrieven, afzonderlijk besproken,
terwijl mët enkele woorden ook het probleem van het
valuta-evenwicht tusschen vorderingen en schulden wordt
gememoreerd. Bij de b&spreking van de gldleeningen op
onderhandsche schuldbekentenis woedt in het kort melding
gemaakt van de totstandkoming van het zgn. ,,beleggers-
kartel” in 1936. In de paragraaf betreffende de hypotheken
wordt uitvoerig ingegaan op de relatieve voor- en nadeelen
van hypotheken op stedelijke objecten (met name woon-
huizen), en die op landelijke eigendommen.
Aan het eind van dit hoofdstuk is een tabel toegevoegd,
waaruit blijkt, in welke mate de afzonderlijke Bonds-
spaarbanken bij de verschillende categorieën van beleg-
gingen belang hebben.

In het vijfde hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de
bijzondere spaarbanken in Frankrijk, Duitschland en
Engeland
gescJetst,
waarbij meer in het bijzonder wordt
stilgestaan bij de beleggingen dezer instellingen. Een bij-
zondere trek van het Duitsche spaarbankwezen bestaat
in de uitgebreide werkzaamheden der spaarbanken op het
gebied van het girale geldverkeer; mede als gevolg hiervan
hebben deze instellingen in vele opzichten het karakter
van middenstandsbanken aangenomen. De toelaatbare
beleggingen zijn in Duitschland bij verordening nauwkeurig
omschreven, terwijl ook voorschriften zijn uitgevaardigd
ter handhaving van een voldoende mate van liquiditeit.
Tenslotte wordt in deze paragraaf het Oen en ander mede-
gedeeld omtrent de ontwikkeling der spaarbank- en giro-
bonden in Duitschland, welke in 1924 haar afsluiting heeft
gevonden in de totstandkoming van het ,,Deutscher
Sparkassen- und Giroverband”, welker bankinstelling den
naam voert van ,,Deutsche Girozentrale – Deutsche
Kommunalbank”. De beleggingen der Fransche spaarbanken zijn, met uit-
zondering van het ,,forturie personelle” dier instellingen
volledig gecentraliseerd bij de ,,Caisse des Dépots et Con-
signations”, hetgeen in de practijk beteekent, dat zij vrij-
wel geheel in kort- en langloopende vorderingen op den
Franschen Staat zijn vastgelegd.
Een soortgelijke situatie wordt aangetroffen in Enge-
land, waar de belegging van de gelden del’ zgn. ,,ordinary
departments” geschiedt door de ,,Commissioner for the
Reduction of the National Deht”. (,,N.D.C.”). Alleen de
gelden der ,,Special investment departments” worden door de spaarbanken, binnen de door de wet gestelde
grenzen, zelf belegd. De vereischte toestemming tot de
oprichting van dergelijke ,,special investment depart-
ments” is echter aan verschillende beperkende bepalingen
onderhevig. De belegging van ongeveer 60 pCt. van de

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

741

totale inleggelden in Engeland wordt derhalve gecontro-
leerd door de ,,N.D.C.”, hetgeen, evenals in Frankrijk, beteekent, dat deze gelden voor het overgroote deel in
overheids- en semi-overheidsieeningen zijn belegd, terwijl
bovendien de beschikking over de betreffende kapitalen
in vele gevallen wordt gebruikt als een middel ter beïn-
vloeding van de geidmarkt in het belang van de schatkist.
De bezwaren, welke zoowel voor Frankrijk als voor
Engeland voortvloeien uit dezen overwegenden invloed
van de overheid op de belegging der spaargelden, worden
uitvoerig in het licht gesteld.
Aan het slot van het onderhavige hoofdstuk wordt ge-
constateerd, hoezeer de toestanden met betrekking tot
de spaarbankbeleggingen in elk der drie besproken landen
verschillen van die in Nederland, waar de spaarbanken
p dit gebied steeds een vrijwel onbeperkte vrijheid
hebben genoten, en waar niettemin in bijna een eeuw
geen misstanden zi,in voorgekomen.
In het slothoofdstuk keert de schr. tot Nederland terug,
en worden hat vraagstuk van de concentratie der spaar-
banken en de mogelijkheden voor samenwerking op be-
leggingsgebied besproken. Concentratie van spaarbanken
heeft zich in Nederland nog betrekkelijk weinig voorge-
daan, doch verdient om verschillende redenen te worden
bevorderd. Wel is sedert het jaar 1932 aan den Neder-
landschen Spaarbankbond een afdeeling , Belegging”
verbonden, welke tot taak heeft het geven van adviezen
en het verleenen van bemiddeling inzake beleggingen aan
de aangesloten spaarbanken, maar tot eec. verder gaande
samenwerking is het tot dusverre nog niet gekomen.
Behalve aan de mogelijkheid van centralisatie aller spaar-
bankbeleggingen bij één instelling, welke voorloopig nog
niet voor practische verwezenlijking vatbaar is, wordt
aandacht geschonken aan twee andere vormen van
concentratie, ni. ten eerste de oprichting van een ,,spaar-
bankcentrale”, welke zich zou kunnen bezighouden met
de belegging van de overtollige middelen der spaarbanken
– waarbij een vergelijking wordt getrokken met de cen-
trales der boerenleenhanken – en in de tweede plaats
de vorming van districts-spaarhanken.

BOEKBESPREKINGEN.

Kupfer; Die illetallischen Rohsto//e, ihre Lagerungscer-
höitnisse und ihre nirtscha/tliche Bedeutung, 4. 11e/t,
door Prof. Dr. Georg Berg und Dr. Ferdinand Frie-
– densburg, met een bijdrage van Prof. Dr. Heinrich
Quiring (Stuttgart 1941; Ferdinand Enke Verlag. 203 blz., Prijs R.M. 16.—.

Deze gedegen publicatie over de voor de moderne in-
dustrie – en speciaal de oorlogsindustrie – zoo belang-
rijke grondstof koper, beziet de positie van dit metaal
hoofdzakelijk van twee zijden. Zooals de titel reeds aan-
geeft, worden de verschillende wijzen van vôôrkomen
van koper, alsmede de hierdoor bepaalde winningsfiie-
t1uden, behandeld. Daarnaast wordt een uiteenzetting
gegeven, welke vooral op de marktpositie van het product
betrekking heeft. Voeg hierbij nog het rijk gedocumen-
teerde overzicht inzake de geschiedenis van het koper,
als een afzonderlijke bijdrage van Prof. Dr. Heinrich Quiring, dan zal het duidelijk zijn, dat ieder, die zich
informatie over dit metaal wil verschaffen, in dit werk een
groote hoeveelheid materiaal bijeengebracht kan vindep.
Een bezwaar hierbij voor den niet deskundige is, dat
vooral in het geologisch-technische gedeelte, maar ook in
het overzicht van de geschiedenis, een zoo ruim gebruik
wordt gemaakt van de vaktaal dezer wetenschappen, dat
voor den mede-ingewijde zeker een bewijs van bekwaam-
heid op dit terrein wordt gegeven, maar waardoor deze
behandeling voor hierin minder geverseerde lezers in som-
mige gevallen een vrij grooten handicap vormt. Het moge
aan de bekende vergelijking van balk en splinter doen
denken, dit als econoom niet van de ecdnomische termi-
nologie te beweren, maar hiervoor zijn o.i. zeker argu-

menten aan te voeren. Immers aan de practische beoefe
ning van de economie heeft het de menschen in hun strijd
om het bestaan nooit ontbroken en zoodoende sluit de
meer algemeene terminologie der economie – welke ook
in dit boek wordt gebezigd – doorgaans dichter aan
bij de algemeene omgangstaal en begrippen, dan zulks
bij wetenschappen als bijvoorbeeld geologie en mijn-
bouw-techniek het geval is. Zegt niet von Wieser in zijn
Theorie der gesellschaftlichen Virtschaf t: ,,die Wirt-
schaftstheoiie dagegen heschüftigt sich sö wie andere Geisteswissenschaften mit dem in seinen Grurdzügen
liingst bekannten und benannten Inhalt (ier gemeinen Er-fahrung, sie braucht daher in der ilauptsache keinen neuen
Namen, sie soli vielmehr die alten Namen festhalten”. Uit bovenstaande opmerkingen zal het wel duidelijk
zijn, dat wij ons enkel tot een beoordeeling van het econo-
mische deel van dit werk zullen beperken.
Van dit economische deel moet allereerst genoemd worden
de verhandeling over de koperpositie vanaf het begin
der 19e eeuw tot heden, in het reeds genoemde overzicht der geschiedenis van dit metaal. Dit is een heldere, over-
zichtelijke beschouwing over de positie van de kopermarkt,
waarin o.i. een duidelijker beeld wordt gegeven van de
bijzondere plaats, die deze grondstof in handel en industrie
inneemt, dan in de meeste overige gedeelten in het boek
aan dit onderwerp gewijd, waar de compositie van betoog
en feitenmateriaml soms wel wat onevenwichtig is. Het
is o.i. ook een redactiefout, dat de behandeling van de
verschillende kartelpogingen en de werking van de jongste
koperrestrictie in dit geschiedenisoverzicht wordt aan-
getroffen en dan begrijpelijkerwijze in beknopten omvang.
Een uitvoerige afzonderlijke beschouwing hierover had – mede gezien de in het algemeen toenemende beteeke-
nis der internationale grondstoffenkartels in de periode tusschen twee wereldoorlogen – naar wij meenen in het
algemeen economische overzicht niet mogen ontbreken. Buitengewoon belangwekkend is de paragraaf over de
toekomstige voorraden, een beschouwing, die weliswaar,
zooals ook door den schrijver wordt toegegeven, een sterk
speculatief karakter moet dragen (de begrippen specu-latie en koper zijn echter, zooals bij lezing van dit werk
wel duidelijk wordt, allerminst vreemd aan elkander),
doch waarin niettemin een origineele bijdrage wordt ge-
leverd voor de kennis van de mogelijkheden van winning
voor dit metaal.
Bij de behandeling van de beteekenis van het koper
voor de oorlogsindustrie wordt sterk de nadruk gelegd
op de reserves, die hierbij steeds aanwezig kunnen zijn
door de verwerking van oud koper, een waarheid, waarvan
ook wij de practische toepassing bij den inleveringsplicht
voor non-ferrometalep – in het spraakgebruik: ,,inleve-
ring van het koper” – zelf hebben kunnen waarnemen.
Deze bijzondere positie van het koper tegenover andere
metalen berust hierop, dat het metaal bijna onvergan-
kelijk is en vrijwel steeds opnieuw in het verbruik kan
worden teruggebracht.
In het heknopte gedeelte, dat speciaal. statistische
gegevens bevat, worden eenige interessante tabellen af-
gedrukt inzake productie en verbruik in 1938, het laatste
jaar véôr den oorlog, en daarmede meestal het eenige be-
schikbare uitgangsmateriaal voor een beoordeeling van
de huidige mogelijkheden tot kopervoortbrenging en
-verbruik der verschillende oorlogsindustrieën.
Na de bovengenoemde gedeelten, welke in een algemeen
overzicht voorkomen, bestaat het tweede deel van dit
boek uit een bespreking der afzonderlijke productie-
landen, wederom gesplitst in een mij nbouwtechnisch en
een voornamelijk economisch overzicht.
Samenvattend willen wij van deze studie zeggen, dat, afgezien van (le reeds gesignleerde tekorten bij redactie
en samenstelling, hier een waardevolle informatiebron is
gepubliceerd voor ieder, die zich op het belangwekkende

terrein der grondstoffen wil oriënteeren.
J. VILLEMS.

742

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

ONTVANGEN BOEKEN EN STATISTIEKEN,

BOEKEN.

De werkloosheidserzekering, haar grondslagen en haat
ontwikkeling in Nederland
door Dr. H. J. Morren
(Alphen aan den Rijn 1941; N. Samson N.V. Prijs
f 5.90, 372 blz.).

Deze derde druk van het bekende boek van Dr. H. J.
Morren ,,De practijk der werkloosheidsverzekering”
verschijnt thans, niet slechts bijgewerkt met de laatste
gegevens op dit terrein, maar tevens uitgebreid met een tweetal theoretische hoofdstukken, nI. over de ,,Grond-slagen der werkloosheidsverzekering” en een historisch
overzicht van de ,,Ontwikkeling der werkloosheidsver-
zekering in Nederland”.
In het tijdsbestel, waarin wij thans leven, is deze uit-
breiding toe te juichen. Als eerlang de vrijwillige werk-
loosheidsverzekering in een verplichte verzekering zal
worden omgezet, zijn beschouwingen omtrent den grond-
slag van dezen, steeds meer noodzakelijken, verzekerings-
vorm en omtrent de geschiedenis er van in ons land van
bijzondere waarde voor hen, die dan de taak van opbouw
van het instituut der verplichte verzekering toegewezen
krijgen.

Commentaar op de Omzetbelasting
(Den Haag, Augustus
1941; Uitgave van het Verbond van Nederlandsche
Werkgevers, 2e druk, 156 blz.).

Bevat het besluit op de omzetbelasting van 17 Decem-
ber 1940; de overgangsregeling in verband met de wijzi-
gingen van 1 Juli 1941; de Uitvoeringsresolutie Omzet-
belasting 1941 van 27 Juni 1941; de bij deze resolutie
behoorende tabellen A, B en C; alsmede een drietal voor
bepaalde groepen ondernemers speciaal getroffen rege-
lingen en de beschikkingen betreffende het doorberekenen
van omzet- en invoerbelasting, van April en Juli ji. De
verschillende artikelen van het besluit zijn uitvoerig en
duidelijk gecommentarieerd. Aan het boekje zijn ter
vergemakkelijking van terugzoeken een tweetal alfabe-
tische zaakregisters toegevoegd; één op het besluit zelve
en één, op de uitvoeringsresolutie.

De omzetbelasting
1941
in de praktijk,
derde, geheel bijge-
werkte druk, door J. W. Bettinck en Mr. E. R. Zweep.
(Amsterdam 1941; N.V. Uitgevers-Mij. ,,Kosmos”.
Prijs
f
1.60, 134 blz.).

Inkomsten, uitga pen, verbruik en physiologische waarde
an de voeding.
Nr. 116 van de Statistische mede-
deelingen van het Bureau van Statistiek der Ge-
meente Amsterdam. (Amsterdam 1941; J. M. Meulen-
hoff, 195 blz.).
Gemeentelijk Jaarboek 000r
1941, waarin opgenomen het
verslag der werkzaamheden van de Vereeniging
van Nederlandsche Gemeenten over het jaar 1940.
(‘s-Gravenhage 1941, 272 blz.).

Verslag van den stand der Ziekteerzekering over het jaar
1939 door het bestuur der Rijksverzekeringsbank ingevolge het bepalde in artikel 142 der Zietewet
samengesteld. (Den Haag 1941; Algemeene Lands-drukkerij, 74 blz.).
Gouperneurs-Generaal van Nederlandsch-Indië
door Dr.
F. W. Stapel (Den Haag 1941; W. P. van Stockum &
Zn. Prijs f 2.75, 127 blz.)

Das deutsche Jugendrecht
door Rudolf Kempe. (Berlijn
1940; Deutscher Verlag, 26 blz.).

Geeft inzicht in de wettelijke maatregelèn ter bescher-
ming van de jeugdige arbeiders in de laatste jaren in
Duitschiand genomen. Achtereenvolgens worden be-
handeld: de beroepskeûze, de leerlingentijd, de arbeids-
tijd en de regelingen omtrent verlof en kinderarbeid.

Europe’s Trade; a Studg of the Trade of Euro pean Countries
witheach other and vith the rest of the- world.
(Genève
1941; Uitgave van den Volkenbond, 116 blz.).

STATISTIEKEN.

Statistiek poot den detailhandel in Textielwaren VI
(1939/
1940), (‘s-Gravenhage 1941, Stichting Economisch
Instituut voor den Middenstand, 62 blz.).

Dit nieuwe deeltje in de nuttige reeks van statistische
gegevens betreffende den detailhandel, uitgegeven doo1
de Stichting Economisch Instituut voor den Middenstand,
biedt gegevens over omzetten, exploitatiekosten e.d. in
een aantal textielzaken voor het bedrijfsjaar 1939/1940.
Uit een vergelijking met het vorige boekjaar blijkt, dat
de bruto-winstpercentages in doorsnee weinig zijn ver-
anderd. De omzetten der deelnemers aan de statistiek
blijken van 1938-1939 tot 1939-1940 gemiddeld met
ongeveer 16 pCt. te zijn gestegen.

Statistiek poot het slagersbedrijf VII
(1939/1940) (‘s-Gra-
venhage 1941, Stichting Economisch Instituut voor
den Middenstand, 47 blz.). –

Sluit aan op vorige geschriften van dezelfde soort in
de bekende serie van het Economisch Instituut voor den
Middenstand; bevat cijfers over de jaren 1933 t/m 1939.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.

RANDEL EN NIJVERHEI]).

Bedrijfsvergunningen. Beschikking inzake de behande-
lingen van aanvragen om vergunning in verband met het
Bedrijfsvergunningenbesluit. (E.V. 19/12/’41, pag. 1891;
Stct. No. 244). –
Dakbedekkingspapier. Beschikkingen inzake het doel-
matig gebruik van teerpapier en asphaltbitumenpapier
als dakbedekkingsmiddelen. (E.V. 19/12/’41, pag. 1894;
Stct. No. 240).
Diamant. Mededeeling met betrekking tot het Besluit
van de Organisatie-commissie inzake de organisatie van
de Bedrijfsgroep Diamant-Industrie. (E.V. 19/12/’41,
pag. 1894). –
Geneesmiddelen.
Wijzigingen met betrekking tot de
classificatie van geneesmiddelen in de Geneesmiddelen-
beschikking 1939, No. 1. (E.V. 19/12/’41, pag. 1891;
Stct. No. 243).
Generatoren. Mededeeling inzake het verleenen van
vergunning voor de vervaardiging van generatorinstalla-
ties. (E.V. 19/12/’41, pag. 1891).
Invoerheffingen.
Verhooging van het specifiek invoer-
recht voor Duitsche goederen in verband met de ver-
hooging van den binnenlandschen accijns op gedestilleerd
en houtgeest. (E.V. 12/12/’41, pag. 1860;- Stct. No. 240).
Metalen. Aanzienlijke uitbreiding van het aantal arti-
kelen van ijzer en staal, waarvan de vervaardiging is ver-
boden. Vooral op het gebied der electro-technische in-
dustrie zijn ingrijpende voorschriften gegeven. (Beschik-
king IJzer- en Staalbesparing No. 2). (E.V. 19/12/’41,
pag. 1894; Stct. No. 244).
Nadere• mededeelingen inzake den handel in ijzer en
staal. Hergroepeering van den haidel in oude non-ferro-
metalen. (E.V. 12/12!’41, pag. 1863; Stct. No. 236).
Prijsregelingcn. Nadere prijsvoorschriften met betrek-
king tot huurprijzen, goedkeuring van prijzen en prijs-
verhoogingen, prijzen van zuidvruchten, maximum-
prijzen voor honing, maximum-prijzen voor zeep, en prijzen
van persfoto’s en -teekeningen. (E.V. 12/12/’41, pag.
1860/62/63/64; Stct. Nös. 236 en 240).
Nadere prijsvoorschriften – met betrekking tot maxi-
mum-prijzen voor dakriet, bladriet en ruigt, prijzen
boomkweekerijproducten, maximum-prijzen voor rozij-
nen, prijzen voor ruwvoeder, maximum-prijzen eieren,

4883

1978 1435

4615

3,00

3,00 2,75

2,67
1,25

1,25
4,32

4,13
6,19

4,18
5,43

5,16

126,5

121,6
141,8

137,2
134,3 130,3
151,7 146,2

7,99 10,86

.17,62 1304
11,15

1544

45,65

14,61

32,63 38,72 25,05 29,46
5,00

8,57
2,58

0,69

108,9
1
106,8

56,1
1
58,7

1835 4960 1675 2067

2053
1437 1597

1470 1550

4677

2,93 2,50

2.50

2,50

2,50
2,25 2,25

2,25

2,25

2,25 1,25

1,25

1,25

1,25

1,25
4,13 3,81

3,77

3,63

3,60
4,20

4,20

4,17

4,16

§4,14
5,31

5,45

5,05

5,05

§5,23

117,1 125,6

133,6 143,0

141,1
133,1 442,8 152,7 .161,3

157,4
127,1 136.0 147,0 154,1

150,2
141,1 450,2 160,3 170,7

166,8

9,25 10,76

11,03 10,66

10,31

9,50 11,03 15,16 13,93

13,57
14,18 13,42 13,05 13,87

13,72

10,15 12,10 12,58 12,92

13,24

23,91 28,89 25,37 2390 §31,88
20,10 24,92 22,18 20,53 §28,05
3,36 3,56 2,74 2,97 § 3,44
0,45

0,41

0,45

0,46
13
0,38

(13.0) (3,6
1
)

103,3 101,7 106,4 103,0

100,1
59,5

50,8

58.1

50,2

50,9

2,50
2,25
1.25
3,63
149,9
167,9
161,4
176,6

24 December 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BER ICHTEN

743

turfprijzen, broodprijzen voor grootgebruikers, prijzen
van Italiaansche sucade en vruchtenpulp, en prijzen voor
non-ferrometalen. (E.V. 19/12/’41, pag. 1891/92/93/94;
Stct. Nos. 241, 242, 243, 244 en 245).
Radiotoestellen. Intrekking van de dispensatie op de
bepaling der Beschikking Verwerkende Industrieën 1940,
No. 2, betreffende het verbod van verkoop en aflevering
van radio-ontvangstartikelen door fabrikanten. (E.V.
19/12/’41, pag. 1891; Stct. No. 241).
Stilgelegde bedrijven. Regeling van eventueele steun-
verleening aan stilgelegde bedrijven. De middeleti hiertoe
moeten in de eerste plaats worden gevonden uit takken
van bedrijf waartoe de stilgelegde ondernemingen behoc-
ren. Indien een heffiiig, daartoe vastgesteld door de
betrokken bedrijfsgroeoen, niet toereikend is, kan ook de
N.V. Maatschappij voor Industriefinanciering met de
uitvoering worden belast. (E.V. 12/12/’41, pag. 1860;
VB
No. 49).
Smeerolie. Regeling inzake het vervoer van gebruikte
smeerolie van verbrandingsmotoren. (E.V. 12/12/’41,
pag. 1863; Stct. No. 235).
Toxtielindustrie. De tot dusver bestaande dispensaties

van koop- en verwerkingsverboden voor weefsels, vallende
onder de verschillende beschikkingen van het Rijks-
textielbureau en van het. Rijksbureau voor Wol worden ingetrokken. (E.V. 19/12/’41, pag. 1894; Stct. No. 240).
Vaste brandstoffen. Nadere bepalingen inzake het ver-voer van vaste brandstoffen, voorzoover deze na vooraf-
gaande vrijmaking uit het douaneverband in het vrije
verkeer worden gebracht. (E.V. 19/12/’41, pag. 1893;
Stct. No. 240).
Vervoos’verboden. Intrekking van de dispensatie op de
verschillende vervoerverboden voorzoover het betreft
kryoliet en korund, indien deze goederen vervoerd worçlen
om uit het Vrije verkeer hier te lande te worden uitgevoerd.
(E.V. 19/12/’41, pag. 1891; Stct. No. 244).
Verzekeringswezen. Besluit betreffende het Verzekerings-
wezen, waarbij de regelingen voor dit bedrijf rechtstreks
worder gebracht onder de bemoeienis van den Secretaris-
Generaal voor Bijzondere Economische Zaken. (E.V.
12/12/’41, pag. 1861; V.B. No. 49).
Vorderingen Polen. Regeling inzake vorderingen op
firma’s in de bij Duitschiand ingelijfde gebieden von het
voormalige Polen. (E.V. 19/12/’41, pag. 1891).

MAANDCIJFERS.

Maandcijfers en wcekcijfers betreffende den economischen toestand van Nederland.
(Centraal. Bureau voor de Statistiek)

1

1-310

1

1041
Omschrijving maandcijfers
1
Eenheid

Nov.
1
Dec.
I
Jan.
j
Febr.
I
Mrt.
I
Apr.
I
Mei
I
Juni
I
Juli
I
Aug.
1
Sept.
1
Oct.
1
Nov.

UtroVeraeer.

1
Nederlandsche Bank
……
.f1.000.000

1653

1549

1691

2672

1951
Postchêque- en Girodienst f1.000.000 1517

1394

1380 1345

1445
flenlestanden.
Visseldisconto Nederl. Bank

%

3,00

3,00

3,00

3,00

3,00
Prolongaties-ente, A’dam .

%

2,75

2,75

2,75

2,75

2,75
Callgeldnoteeringen,,,

%

1,25

4,25

1,25

1,64

1,25
Rendement oblig. ‘) ,,

.

%

4,24

4,25

4,23

4,56

4,63
Hypotheekrente onroerende
goederen

…………….
%

4,33

4,24

4,23 . 4,29

4,24
hypotheekrente schepen .

%

5,26

5,47

5,33

5,44

5,37
Koersen van Aandeelen.
Ab.emeen indexcijfer
……
.1930 = 100

112,7 116,1

1 20,0 113,4

115,1
Nijverheid ……………1930=100

120,7

125,1

431
1
8 126,2

128,5
w.o. prod.middelen industr. 1930 = 100

113,1 118,0 126,2 120,8 123,0

cons. goederen industr.1930=100

130,6 134,5 139,2 133,4 135,8
Spaarbanhen.
Rijkspostspaarbank, inlagen f1.000.000

9,68

7,52

8,04

8.64

8,74
Rij kspostspaarbank, terug-

betalingen
…………
.fl.000.000

34,68 27,13

20,86

18,75

13,91
Bijzondere spaarb., inlagen f1.000.000

13,25

9,16 13,24 11,16 11,37
Bijzondere spaarbanken, te-

rugbetalingen
……….
.fl.000.000

20,96 18,36 48,62 20,35

42.89
flypotheken.(nweinschrijv.)’)
Totaal
………………
f1.000.000

34,67

38,26

22,29 22,06

23,34
w.v. op gebouwen
…….
f4.000.000

27,95 31,59 18,53 18,96

49,10

op landerijen
…… .
ii
:000.000

6,41

5,96

3,49

2,88

3,85

op schepen
………
f4.000.000

0,31

0,71

0,27

0,22

0,38
Werkloosheid.
Werkloosheidsd.(excl, landb.)

%


Aantal werki. eindemaand in-
gerchr. hij Arbeidsbeurzen t

1.000

143,2 253,1 265,9 183,0

119,5
lVerkverruimingan werhloozenz.
Aantal tewerkgestelden bij
werkverruimingen..
….
.t

1.000

50,9

0,7

2,6

33,1

52,8

.

Omschrijving

weekcijfers.
.

1041

00
C.
5
-.

00

0.1
04
Cq
0’4

dagen (excl. landbouw) .

%

– §12,9
1
)j – §
12,4′)

– §12,8’3 – §12,8
1
)

§
12,9′)
Totaal aantal werkzoeken

den’) (einde van de week)

1.000

175

179

179

181

480

180

178

174

1713

176

177

475

179

180
w. o. geheel werkloos (ezel.
werkverruiming)

1.000

106

108

107

107

107

106

105

102 103

102

103

100

103

104
Aantal personen geplaatst
bij werkverruiming’)

1.000

57

57

58

58

58

57

57

57

56

57

55

58

58

58
Aantal personen geplaatst
in Duitschiand’)
……..
1.000

129

130

132

123

134

136

137

138

140

141

143

145

146

144
Idem in Frankrijk’)

1.000 1 23

23

24

25

27
1
28
1
28
1

29

29

29

29
1

29

29
1

29
§ = voorloopig cijfer.

onbekend. ‘) Volgens opgave van De Ned. Bank. Berekend van 2 Staatsleeningen, 4 gemeentcleen3ng,
t provinciale leening, 2 industrieele leeningen, 1 tramwegobligatie, 1 pandbrief. ‘) Hieronder niet begrepen enkele hypotheken,
waarvan de geldschieter niet bekend is. ‘) Volgens opgave van het Rij ksarbeidsbureau.
4)
Volgens opgave van het Bureau Loon-onderzoek van het Departement van Sociale Zaken. 5)
Onder aftrek van cle teruggekeerden, voor zoover bekend bij de organen der arbeidsbemiddeling. Gegevens van het Rijksarbeidsbureau. ‘) Met het oog op de reorganisatie der vakbewegingen zijn de percentages
van Aug. 1241 af niet vergelijkbaar met die van voorafgaande perioden.

.0_

744

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 December 1941

LANDBOUW EN VOIIDSEIXOORZIENINO.

Bloeinbollenkwoekerij. Regeling van de bestrijding
van bloembolienziekten. (DV. 12/12/’41, pag. 1862;
Stct. No. 239).
Kiinstineststoffc.i. Kunstmeststoffen in eiken vorm
zijn aangewezen als crisisproduct in den zin van art. 1,
sub 5, der Landbouwcrisiswet. (E.V. 12/12/’41, pag. 1862;
Stct. No. 236).
Zaden. Beperking van den handel in mangel- en voe-
derhietenzaad. (E.V. 12/12/’41, pag. 1862).

STATISTIEKEN.
IIA1KDISCONTO ‘S.
Ned

Disc. Wiss.24 28 Juni ’41
Lissabon

. . . .

4

31 Mrt. ’41
Bel. BI.EÎÎ.34 28Aug. ’39
Londen

……2

26Oct.

’39
Vrsch.inRC3fr 28 Aug. ’39
Madrid

…….4

28Nov.’38
Athene

……5

21 Juli

1
41
N.-York F.R.B. 1

27Aug. ’37 Batavia

……3

14 Jan.

’37
Oslo

………*4 21 Sept. ’39
Belgrado

. . . .

5

1 Febr.’35
Parijs

……..14

17 Mrt.

’41
Berlijn

……34

9 Apr.

’40
Praag

……..3

t Jan.

’36
Boekarest

. . . .

3

12Sept.’40
Pretoria

……31 15 Mei

’33
Brussel

……2
1
)
25 Jan.

’40
Rome

……..44 18 Mei

’36
Boedapest

. . . .

3

22 Oct.

’40
Stockholm

. .

34 17 Mei

’40
Calcutta

. . . .

3

28 Nov. ’35
Tokio

……..

3.521 Juli

’41
Helsingfors

. .

4

3 Dec. ’34
Warschau

. .
44 18 Dec. ’37
Kopenhagen

. .

4

15 Oct. ’40

1
Zwits. Nat. Bk. 14 25 Nov. ’36

‘) 3 pCt. voor wissels, promessen en leeningen met een looptijd van meer dan 420 dagen.

ZILVERPRIJS.
GOUDPRIJS.
Londen ‘)
N. York ‘)

A’dam 8)
Londen ‘)
16

Dec. 1941..

23
1
/,
1

16
Dec. 1941..

2125
1

1681-
17

1941..

23
1
/,

17 ,,

1941..

21251
168/-
18

,,

1941..

23’/,
1

18
1941..

2125!
1681-
19

1941..

23’/
1

1

19
,,

1941..

21251
168/-
20

,,

4941..

23
1
/,

20
,,

1941..

21251
168/-
22

,,

1941..

231/,

1

22
1941..

21251
168/-
23 Dec. 1940..

1

348/4

23
Dec. 1940..

2125
1

1681-
23 Aug. 1939..

18
1
/,
1

37
1
/

23
Aug. 1939..

2110
1 68/6′!.

‘)

In pence

. oz. stand.

1)
Foreign silver id $c. p. oz. fine.
‘)
In guldens per kg 4000/1000.
‘)

En sh. p. oz. line.

KOERSEN VASTGESTELD DOOR HET
NEDERLANDSCH CLEARLNGSLNSTITUUT.
(met data van
vaststelling)
Belga’s

. . . .
30.14

7Aug.

’40
Lewa(Bulgarije)2.3025 Nov. ’40
Zw.
Francs. .63.56 11 Oct.

’40
Pengoe (Hongarije)
Fr.Francs

. .

3.77

6 Mrt.

’41
(oude schuld)36.52 20 Dec. .’40
Lires

……

tL9l

3 Juli

’41
Pengoe
Deensche Kr.36.37 17 Febr. ’41
(nwe. schuld)45.89 20 Dec.

’40
Noorsche Kr.42.82 21 Dec.

’40
Zloty (Polen)
ZweedscheKr.44.85 13Aug. ’40 (oude schuld)35.00 28 Jan.

’41
Finsche5lark

3.82

2 Juli

’41
(nve

schuld)37.68 11 Febr. ’41 Dinar (Joego-Slavië)
(oudc schuld)

3.43 16Aug. ’40
Lej

……..1.28

24 April ’41
Dinar
Slow. Kr.

..

6.48 10 Juni

’39
(nwe. schuld)

3.77

1 Juli

’41
Drachmen Turksche
(Griekenland)

1.26

8 Oct. ’41
Ponden

.
. .
.1.659 29Dec.

’39
Kuna

3.77 29 Oct. ’41

OFFICIEELE WISSELKOERSEN NEDERLANDSCHE BANJI.
Valuta’s (schriftelijk
en t.t.)
N.-York
I
Brussel
I

Zürich

1 Stockh. I Helsinki
16 Dec. 1961
1
.81’/,
30.14
4 3.6 7
44.854
3.844
17

1941
1.888/,
30.16
43.67
44.851 3.811
18

,,

1941
1.88
1
/,
30.14
43.67
44.851
3.814
19

,.

1941
1.88’/,
30.16
43.67
64.854
3.814
20

1941
1.88
8
/,
30.14
43.67
44.854
3.814
22

1941
1.88
8
/,
30.14
43.67
64.854 3.814
Laagste d.w.
4.888/,.
30.11
43.63
44.81
3.81
Hoogste d.w.
i.88
1
/,i
30.17
43.71
46.90
3.82
Muntpariteit
1.469
24.906 48.003
66.671
6.266

KOERSEN TE LONDEN.
Plaatsen en
landen
I
Not.
eenh.
15-20

20
Dec.8-13
Dec.
’41
Laagste

Hoo
g
stel
1141

Laagste Hoogste
13Dec.
1941

Officieel:
New York
. . .
$

p. Y.
4.024

4.034
4.03
4.024 4.034
4.03
Parijs

…….
Fr.p.r


– –


Stockholm

.
Kr.p.t
16.85

16.95
16.90
16.85
16.95
16.90
Montreal

. . .
$
p.
£
4.43

4.47
4.45
4.43
4.47 4.45
Buenos Aires.
Pes.pt
(6.951(7.13
17.044
16.051
17.13
17.044

J’ief

Of/icieet:
Alexandrië

. .
P.p.
£
97.50

97.50
97.50
97.50
97.50
97.50
Dr.p.



– – –
Bangkok

. .
Sh. p.tical






Bombay
d. p. r.
17.96

117.96
17.96 17.96 17.96

117.96

Athene

…….

Budapest

. .
d. p.
flongkong

.
P. p.
15.-

(5.-
IS.-
15.-
IS.-
IS.-
Istanbul
TZp.Z






d. p.
yen

– –



Lissabon

. . .
Escu.p. £
99.80

100.20
100.-
99.80
100.20
100..-
Madrid

……
Pt.p.2
40.50

.40.50
40.50
40.50
40.50
40.50

Kolie

………

Montevideo

.
d.p.p.

Rio de Janeiro
d. P.

nijl.

..



– – –
Sjanghai

. . .
d. p.
$
3.03

3.03 3.03 3.03 3.03
3,03
Singapore
d. p.
$
28.16

28.16
28.16 28,16
28.16
28.16

KOERSEN TE NEW-YORK.
(Cuble).
Data
Londen
Parijs
Berlijn

Amsterdam
(6
pert)
(4 per
100
Ir.)
(8
p.
lOO
Mk.) (1 p./
100)
16 Dec. 1941
4.04 2.29

17

,,

1941
4.04
2.29


18

,,

1941
4.04 2.29


19

,,

1941
4.04
2.29


20

,.

1941
4.04
2.29


22

,,

1941
4.04
2.29


23 Dec. 1940
4.03
3
!
4

2.23
40.05


kîuntparitelt
4.86
3•9Q1/,
23.81
‘/.

40
1
/,,

STAND
VAN
I
s RIJKS KAS.
V o r d e r i n g e n
1

6Dec.

1941
15 Dec. 1941
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij de Nederlandsche Bank
t

9.206.297,40
t

3.492.574,30
Saldo b. d. Bank voor Ned.
Gemeenten

…………..
261.043,44
,,

3.110.637,51
Voorschotten
01)
uIt. Oct. resp.
Nov. ’41 aan de gemeenten
verstrekt

op

aan

haar
uit te keeren hoofdsorn der
peis. bel., aand. in de hoofd-
som der grondbel. en der
gem.fondsbel., alsmede opc.
op die belastingen en op de

……..

verenogensbelasting

,,

2.532.024,76
Voorschotten aan Ned.-Indilt’)
(66.847.274,94
,,

166.913.612,21
,,

7.383.872,74
Idem

aan

Curaçao ‘)
355.937,28
355.937,28
Kasvord.

wegens credietver-

Idem

voor

Suriname
1
)…….
7.383.872,74

strekking a.

h.

buitenland
,,

57.350.738,96
,,

57.015.956,09
Daggeldleeningen tegen onder-
pand…………………

Saldo dci’ postrek. van Rijks-
86.768.341,42
,,

878 16.096,99
Vordering
op
liet Alg. Burg.
comptabelen

……………


357.029,99
Pensioenfonds
‘) ……………..
Vordering
op
andere Staats-
hedr. en instellingen
‘)
69.105.447,46
,,

70.383.584,64
Verplichtingen

Voorschot door de Net]. Bank
ingevolge art. 16 van haar
1


1

— –
Vooi’schot door de Ned. Bank
in reken.-cour. verstrekt
..,,

,,


Schuld

aan

de

Bank

voor
Ned.

Gemeenten

……..

Schatkistbiljetten

in

omloop
,,

110.1
46.000,-
1l0.l11.000,-
Schatkistproruessen in omloop
,,1526.000.000,-
,,1526.100.000,-

octrooi

verstrekt

……….


,,


,

110.245.935,-
,,

110.180.962,50
Schuld
op
tilt. Oct. resp.
Nov.
1941 aan degemeenten weg.

Daggeldleeningen

………………..
Zilverbons in omloop

………

a. h. uit te kceren hoofds. d. pers.bel., aand.
i.
d. hoofds. grondb. e. d. gem. fondsb.
t].

………..

alsm.
opc. op
die bel, en
op
de verniogenisbelasting

l.167.260,08

Schuld aan het Alg. Burg.
Pensioenfonds’)

……..
…….429.149,65

Id. aan het Staatsbedr. der

P. T. en T. ‘) …………
….l90.071.928,82

202.849.885,74
Id. aan andere Staatsbedrij-
ven 1)

…..18.138.359,44

(8.138.359,44.

Id. aan div. instellingen ‘) ..,, 327.041.253,26

323.424.518,71

‘) In rekg. crt. met ‘s Rijks Schatkist.

DUITSCHE RJJKSBANI{.

Goud
1

Rent
en-
1

Andere
wisse18,
1
Belee-
Data
en
I
1

bank-
chèques
en
1
deviezen
1

scheine

1
schatkislpa pier
ningen

45

Dec.

1941
1

77,2

‘1

287,1

1
19.236,9
39,1
6

,,

1941
1

77,0
1

265,1
1
(8.952.9
t

14.6
29 Nov. 1961
1

77,2
1

476,4
1
18.898,8
1

24,0
23 Aug.

1939
1

77.0

1

27.2
1
8.140.0
1

22.2

Data
Effec-
Direrse
Circu-

1
Rekg.-

1
Diverse
ten
Activa
tatie

1
Cr1.

1
Passiva
15 Dec. ’41
7’9′
1.700,8
17.935,7
1

2.413,1

1
637.7
6

,,

’41
01,5
1.846,5
1

17.843,4
1

2.321.1

1
621,5
29 Nov. ’41
58,3
2.011,4
1

17.792,9
1

2.493,2

1
630,6
23 Aug. ’39
982,6
1.380,5
1

.8.709 8
1

1.195,4

1
454,8

GEZAMENLIJKE STATEN VAN DE NATIONALE BANK VAN
BELGIË EN VAN DE EMISSIEBLNK TE BRUSSEL.
(in mill. francs)

a

Q.

,.a
ed
c”l
‘a
!a
.2
a
.9
D’

n

.
cd

D
-iuf
o
e

11
Dec. ’41
33.583
743
17.950
2.431
47.511
3.701
2.413
1,

,,

’41
33.513
705
17.648
2.415
47.531
3.718
2.358
27Nov.’41
33.664
720
17.083
2.371
47.483
3.683
20

,,

’41
33.204
711
(7.206
2.322 46.935
3.665 2.166
13

,,

’41
33.097
757
16.937
2.261
46.753
1
3.602

12.342

2.026
8 Mei ’40
23.606
5.394
695
1.480
29.806

909

Auteur