Ga direct naar de content

Jrg. 24, editie 1250

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 13 1939

1-5 DECEMBER 1939

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

E

Berl”chten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

24E JAARGANG

WOENSDAG 13 DECEMBER 1939

No. 1250

COMMISSIE VAN REDACTIE:

P. Lieftinck; N. J. Polak; J. Tinbergen,

H. M. H. A. van der Valk; F. de Vries.

if. F. J. Cool – Secretaris van de Redactie.

Redactie-adres: Pieter de Hoochweq 122, Rotterdam.

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Poslrekening 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi-

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:

Nijgh & van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-

sterdain, ‘s-Gravenhage. Postchèque- en• giro-rekening

No. 145192.

Abonnementsprijs voor het weekblad franco p. p. in

Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-Statis-

tisch Maandbericht / 5,— per jaar. Beide organen samen

f
20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,—,

f 6,—
en
f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-

teurs en leden van het Nederlandsch Economisch Instituut

ontvangen het weekblad en het Maandbericht gratis en

genieten een -reductie op de verdere publicaties.

INHOUD:

Blz.

Dekking der gevolgen van niet-militaire oorlogssterfte
als sociale verzekering door
M. J. Harts ……….
912

Het vraagstuk van de zelfvoorziening van Nederland
door J. H. Spiegelenberg ……………………..
913

De productie en liet i’erbruik van vetten in oorlogs-
tijd door Dr. W. K. H. Feuilletau de Bruyn ……..
916

Bestrijding van prijsbederf in den detailhandel door
Dr. E.J. Tobi

…………………………….
919

De ontwikkeling van het aïbetalingsstelsel in Neder-
land door
Dr. 0. Ronart ……………………
921

De katoenexport der Vereenigde Staten door
G. A. Paris
923

AANTEEK1SNINGEN:
Prijseontrôle in Groot-Brittannië …………….
924

Eenige opmerkingen over de recente ontwikkeling
van de filminciustrie ……………………..
925

BOEKBESPREKINGEN:

F. A. G. Keesing: Het evenwichtsbegrip in de econo-
mische literatuur, bespr. door
Mr. Dr. A. Spanjer
926

MAANDOIJFERS:

Emissies in October
1939……………………927

Hypotheekrente in Nederland ………………..
92

ONTVANGEN BOEKEN EN BROCHURES …………….927

Statistieken:

Verkorte opgave der Groothandeisprijzen ……………….
928 Geldkoersen-Wlsselkoersen-Bankstaten ……………..
929, 930

GELD-, KAPITAAL- EN WISSELMARKT.

Voor de wisselmarkt was de verslagweek betrekke-
lijk rustig met kleine omzetten en eveneens geringe
fluctuaties. Het Pond Sterling heeft zich over het al-
gemeen goed gehouden. Nadat de week al dadelijk met
een vrij vaste stemming was ingezet, is – afgezien
van eenige kleine schommelingen – de tendens over
het algemeen gunstig gebleven. –
De officieele noteeringen te Londen zijn alle onver-
anderd gehandhaafd, zoodat het éca.rt tusschen bin-
neu- en huitenkoers een, fractie inkromp. Intusschen
blijft het nog altijd een kleine 3 pOt.

Ook in de andere valuta’s was wein

ig beweging.
Zelfs de Belga, waarvoor men in verband met de
déconfiture van de Orédit Anversois eerder eeuig aan-
bod verwacht zou hebben, heeft zich vrijwel op het-
zelfde niveau kunnen handhaven. De Gulden bleef ten
aanzien van den Dollar op het traditioneele peil van
1.88%, waarbij op te merken valt, dat de omvang van
cle interventie van het Egalisatiefouds tamelijk ge-
ring was.
De vrije valuta-omzetten krimpen steeds meer in en
wat betreft de gecontroleerde valuta’s worden de
mazen in het net steeds nauwer aangehaald, zoodat
ook daar de handel steeds meer wordt geconcentreerd
bij de officieele instanties. Dit is wellicht ook één
van de redenen, waardoor de houding van het Pond
iets beter was. Aanbod was er van Ponden- en vooral
van Francs-bankpapiet, waarvan vooal het laatste een
gevoelige koersdaling leed. Vrees voor beperkende be-
palingen ten aanzien van de aanwendingsmogelijkhe-den van saldi, ontstaan uit opzeuding van bankpapier,
was daarvan de oorzaak. Vooral Fransch bankpapier
is den laatsten tijd nogal op de markt verschenen en
het zou zeker in cle lijn van de bovenaangehaalde ver-
scherping der bepalingen liggen om daarvoor een bar-
rière te leggen. In navolging van Londen heeft Parijs
al weer nieuwe deviezenbepalingen afgekondigd, en
uien kan wel verscherping, maar natuurlijk geen ver-
slapping dier maatregelen verwachten. Op de termijn-
markt was het Pond moeilijk te plaatsen met het ge-
volg, dat het écart niet onbelangrijk omhoog ging.
De geldmarkt gaf een lichtelijk betere tendens te
zien, papier was iets makkelijker te plaatsen, maar op
de noteeringen had dit weinig invloed. Dit laatste is
begrijpelijk in het licht van de groote geldbehoefte
van cle schatkist, die in de jongste weken een zwaar
beroep op De Nederlandsche Bank moest doen, zoodat
men kon aannemen, dat, wanneer de markt wat meer
absorptievei-m ogen toonde, dadeljk de Regeering met
aanbod van nieuw papier zou klaar staan. Of deze
situatie zal aanhouden, hangt natuurlijk af van den
omvang en het succes van de nieuwe staatsleening,
die nu elk oogenblik wordt ver’wacht. Indien men
aldus een omvangrijk bedrag consolideert, dan wordt
de geldrnarkt weer wat ruimer. Daarbij moet men na-
tuurlijk wel bedenken, dat de situatie van onze beta-
lingsbalans ongunstig blijft, hetgeen bij voortduring
tot krapper worden van de geidmarkt moet leiden, af-
gezien nog van de vraag naar geld op korten termijn.
Op de obligatiemarkt is niet veel, verandering van
koerspeil te zien, de markt verkeert in afwachting van
de condities der nieuwe leening.

912

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

DEKKING DER GEVOLGEN VAN NIET-

MILITAIRE OORLOGSSTERFTE ALS

SOCIALE VERZEKERING.

De artikelen over levensverzekering en oorlogs-
risico van den heer M. F. J. Cool in uw periodiek
van 15 en 22 November ji. brachten mij op het idee
de wijzigingen, die bij de wetten van 19 October 1939
Stbl. No. 803 en 804 zijn aangebracht in de Ongeval-lenwet 1921 en de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922, aan een korte beschouwing te onderwerpen.
De schrijver van meergeuoemd artikel stelt, dat
door het karakter van de huidige oorlogvoering de
gevolgen van oorlogssterfte niet meer beperkt blijven
tot de militairen en merkt terecht op, dat het risico zonder onderscheid tusschen burgers en militairen
voor alle verzekerden behoort te worden gedekt en
door allen te wordeu gedragen. Hij beperkt zich hier
tot de groep ,,verzekerden”
bij
de levensverzekerings-
maatschappijen. Gelukkig lanceert hij verder de over-
weging, dat de uiterste consequentie kan zijn stelling
te nemen voor een sociale verzekering tegen oorlogs-
sterfte, ongeacht de vraag, of iemand zijn leven ver-
zekerd heeft of niet.
Het wil mij voorkomen, dat de hierboven genoemde
wetswijzigingen andere facetten aan dit vraagstuk
voegen bij die, welke de schrijver ons reeds voorhield.

De recente wijzigingen in. de On.gevallenwet 1921
en. de Land- en. Tuinbouwon.gevallen.wet 1922.
Tot nog toe bepaalde artikel 1 der Ongevalleiiwet
1921 en artikel 2 der Land- en Tuinbouwongevallen-wet 1922, dat de werklieden in de verzekeringsplich-
tige bedrijven volgens de bepalingen dezer wetten ver-
zekerd zijn tegen geldelijke gevolgen van ongevallen,
hun in verband met hun dienstbetrekkin.g overkomen.
Indien derhalve arbeiders in een fabriek werken en
tijdens dien arbeid zou buy, een bom geworpen wor-
den op de fabriek, dan zouden eventueel getroffen
arbeiders of hun, nagelaten betrekkingen aan deze
redactie zonder twijfel aanspraken kunnen ontieenen.
Dat wil zeggen, dat de daaraan verbonden kosten op
de bedrijven zouden drukken. In de tegenwoordige
omstandigheden zal het nu wel algemeen als redelijk worden aangevoeld, dat dit risico toch zeker niet kan
worden aangemerkt als inhaerent aan de bedrijfsvoe-
ring van de betrokken onderneming. De wetgever heeft daarom bij de hiervoren aange-
haalde wetten te dezer zake enkele wijzigingen aan-
gebracht, waardoor deze lasten niet meer op de be-
drijven zuilen drukken. Als ongevallen,
hun in ver-
band met hun dienstbetrekkin.g overkomen.,
worden
ni. niet meer beschouwd ongevallen, aan werklieden
in de verzekeringsplichtige bedrijven overkomen ‘in
verband met gewelddadigheden, gepleegd in een ge-
wapend conflict, waarin Nederland is betrokken.
De arbeider dus, die werkt in een fabriek, of zich
met de passieve luchtbescherming van de onderne-
mirig, waarbij hij werkt, onledig houdt, of in dienst
der onderneming arbeid verricht voor de strategische
veiligheid van het land, zal niet verzekerd zijn in het
geval, dat een bom ongevallen veroorzaakt of een in-
slaande granaat slachtoffers maakt. Het bedrijf zal dan
niet de daaruit voortvloeiende kosten moeten dragen.
Indien de staat van oorlog of van beleg is afgekon-digd, wordt ook nog een uitzonderingsfiguur gesteld.
De wijzigingswet onttrekt dan ook aan de werking
van de ongevallenwetten elk ongeval, den arbeider in
verband met zijn dienstbetrekking overkomen
in ver-
band met verrichte werkzaamheden
ten behoeve van
de passieve luchtbescherming van de onderneming,
in wier dienst hij werkzaam is. Volkomen congruent
hiermede, indien de staat van, oorlog of beleg is
afgekondigd,
wordt de werking van de ongevallen-
wetten uitgeschakeld ten aanzien van de voorberei-
dende maatregelen ter verzekering van de strategi-
sche veiligheid van het land. Bij deze werkzaamheden
kunnen zoowel militairen, arbeiders uit de vrije be-
drijven als arbeiders in dienst van publiekrechteljke

instellingen tewerk worden gesteld. En deze welrk-zaainheden kunnen zoowel door overheidsinstanties
als door particuliere ondernemingen worden verricht.
Een ieder weet, dat sinds 1 September jl. voor ge-
heel Nederland de staat van oorlog van kracht is en
voor bepaalde deelen van het Rijk in de afgeloopen
maanden de staat van beleg werd afgekondigd.

Deze thans on.gedekte risico’s behoeven. regeling.
Hier is dus een groote leemte ontstaan voor de
arbeiders. Bij de behandeling van de wijzigingswetten
in de Kamer is op deze zeer ongewenschte positie
de aandacht gevestigd. Ook den Minister was dit
vacuum niet ontgaan. Enkele aanhalingen van het
bij de behandeling in de Tweede Kamer gesprokene
mogen hier een plaats vinden.
In het Voorloopig Verslag verklaarden verschillende
leden ,,bezwaar te hebben tegen het denkbeeld, dat de arbeiders in de verzekeringsplichtige bedrijven voort-
aan hoegenaamd niet meer tegen oorlogsrisico zouden
gedekt
zijn.”
Deze leden zeggen verder: ,,Hier zou
het oorlogsrisico geheel of ten deele ten laste van het
Rijk moeten komen.” Andere leden verklaarden weer:
,,dat het hen evenwel verwonderd had, dat de Minis-
ter niet tevens een voorstel heeft gedaan ter voor-
ziening in de schadeloosstelling van ongevallen ten-
gevolge van gewelddadigheden, gepleegd in een gewa-
penci conflict”.
De Minister antwoordt in zijn ,,Memorie” o.a.:
,,De verplichte ongevallenverzekering wil den loon-arbeider zien verzekerd tegen geldelijke gevolgen van
aan het bedrijf verbonden gevaar van ongevallen. Tot
dat ,,risque professionnel”, dat uit hoofde van, zijn
aard ten laste van het bedrijf is gebracht, kan, zooals
ondergeteekende in de Memorie van Toelichting te
kennen heeft gegeven, niet worden gerekend het oor-
logsrisico, dat niet bepaald wordt door den beroeps-
arbeid in een verzekeringsplichtige onderneming,
maar waaraan, ongeacht hun maatschappelijken werk-
kring, de leden der bevolking in vrijwel gelijke mate
blootstaan..”
En een weinig verder zegt de Minister dan:
,,In dezen gedachtengang ligt opgesloten, dat, indien
het wenschelijk en mogelijk mag worden geoordeeld,
om. op eenige wijze voorziening te treffen ten bate
van eventueele slachtoffers van oorlogsdaden, die
voorziening een algemeen karakter zal hebben te dra-
gen en haar lasten door de gemeenschap
in haar ge-
heel
zullen zijn te dragen. De ondergeteekende ver-klaart zich gaarne bereid om met zijn ambtgenooten
omtrent zulk een voorziening in overleg te treden.”
Bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer
heeft de Minister het hierboven weergegeven stand-
punt nader ‘bevestigd.

Conclusie.
Het artikel, waarin ik mijn uitgangspunt vond, is van eminent belang; het terrein van ongedekte risi-
co’s is door de bovengeschetste wetswijzigingen be-
treurenswaardig vergroot. Indien te eeniger tijd de
aangegeven gevaren droeve werkelijkheid zouden wor-
den, dan zullen de schadeposten door de geheele ge-
meenschap moeten worden gedragen. De taak van
den actuaris is, ons voor te lichten omtrent de moge-
lijkheid premies te calculeeren. Voorshands ben ik
met den schrijver van meergenoemd artikel van oor-deel, dat het risico van oorlogssterfte onberekenbaar
is en dat zeer speculatieve elementen een rol zullen
moeten gaan spelen. Dat het dekken van dit risico
hoogst gewenscht is, zal wel geen bestrijding vinden. Zonder overheidsbeinoeiing zal naar mijn overtui-
ging geen afdoende veilige regeling zijn te treffen.
Dat bij de organisatie daarvan concurreiatiefactoren
moeten worden uitgeschakeld, zal eveneens wel alge-
meen worden onderschreven. De regeling van een der-
gelijk algemeen en onberekeubaar risico mag niet als
een wiustobj eet worden beschouwd. Hier heeft de
Overheid tezamen met de verzekeringsmaatschappijen

een taak te vervullen.
M.
J.
llkRTs.

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

913

HET VRAAGSTUK VAN DE ZELFVOOR-

ZIENING
VAN
NEDERLAND.

Het vraagstuk, door de Vereniging voor de Staat-
huishoudkunde en de Statistiek in haar jongste jaar-
vergadering te Rotterdam aan de orde gesteld, luidde,
voor wat het retrospectieve gedeelte betreft en terug-gebracht tot zijn eenvoudigste vorm, aldus: hoe heeft
zich in de laatste 25 jaren de zeifvoorziening van
Nederland ontwikkeld? In een aan de praeadviezen
toegevoegde Statistische Nota werd het vraagstuk
cijfermatig beschouwd.

Deze Nota werd afgesloten lang voor de huidige
oorlog in West-Europa uitbrak. De daardoor ingetre-
den grondig gewijzigde situatie voor productie en
handel geeft aanleiding tot de vraag, in hoeveire die becijferingen thans nog waarde hebben, zo ze die al
überhaupt hebben. Immers, het mag op zichzelf inte-
ressant zijn, voor een voorbij tijdvak, dus retrospec-
tief, na te gaan, hoe de feitelijke zeifvoorzierting zich
ontwikkelde, in hoeverre dus in een bepaald jaar in
het binnenlands verbruik werd voorzien door de in-
heemse productie, in hoeverre door invoer. Maar nu wij door de omstandigheden in meerdere mate wor-
den gestuwd in de richting van de autarkie, nu is er
deze brandende kw’estie: in hoeverre is het productie-
apparaat binnen onze landsgrenzen in staat, in de
eigen behoeften van het Néderlandse volk te voor-
zien? Nu interesseert ons dus alleen de productie-
mogelijkheid,
want de zelfvoorzienin.gsniogelijkheid.

Uiteraard kunnen de in hogerbedoelde Nota gepro-duceerde cijfers ten deze geen richtsnoer geven, aan-
gezien deze waren afgestemd op een ander doel. Daar
toch werd gevraagd naar de ontwikkeling van de fci-
telijke zeifvoorziening en werden dus tegenover elkan-
der gesteld enerzijds productie minus uitvoer, ander-
zijds de consumptie, bepaald langs de indirecte weg
van productie plus invoer minus uitvoer. Wanneer
echter gevraagd wordt naar de zelfvoorzieningsmogn-
lijkheid op grond van de capaciteit van het binnen-
landse productieapparaat, is het niet langer geoor-
loofd, de uitvoer, althans dat deel, dat uit de inheemse
productie voortkomt (te onderscheiden van de heruit-
voer van buitenlands product), in mindering te
brengen.

Ter toelichting moge dienen, dat in de hiervoren
bedoelde Nota de zeifvoorziening werd berekend aan

de hand van de formule

x
100, waarin P

voorstelt de binnenlandse productie,
1
de invoer en
U de uitvoer. De vorm (P+I—U) in de noemer geeft
dus het inheemse verbruik weer, waar directe gege-
vens inzake het verbruik ontbreken. Volgens de thans
aan de orde zijnde gewijzigde opvatting van het be-
grip ,,zelfvoorziening” mag in de teller de uitvoer
niet meer worden afgetrokken, zodat nu de formule

wordt

X
100.

Een vraag op zichzelf is, in hoeverre het dan no
wel geoorloofd is, de 1 in deze formule constant te
onderstellen. Met betrekking tot de thans ingetreden
situatie kan worden gezegd, dat, ondanks de ongetwij-
feld op sommige punten beataande verhoogde export-
drang van belligerenten, in de meerderheid der ge-
vallen een daling ook van de invoer in de lijn der
verwachting ligt. Wanneer deze zich inderdaad voor-
doet, dan is het gevolg, dat de binnenlandse con-
sumptie steeds meer ‘de binnenlandse productie gaat
benaderen. Of juister gezegd, gezien wat in deze
keten oorzaak en wat gevolg is: dat in toenemende
mate de inheemse productie gaat bepalen, hoeveel zal
kunnen worden geconsumeerd.

Teneinde niet in zeer speculatieve beschouwingen
te vervallen – waardoor trouwens ook hct inzicht in
het probleern, dat hier feitelijk aan de orde is ge-
steld, slechts zou kunnen worden vertroeheld -,

moeten wij ook abstraheren van verdere compliceren-
de factoren, als daar is b.v. de omstandigheid, dat in
vele gevallen de aanvoer van essentiële grond- of
hulpstoffen voor een groter of kleiner deel zal stag-
neren, waardoor dan de productiemogelijkheid zou
worden beperkt (een zeer belangrijk gezichtspunt voor
een grondstoffenarm land als Nederland
t).

Het leek ons belangwekkend, de ontwikkeling van
de zeifvoorziening van Nederland volgens de hier-boven uiteengezette gewijzigde interpretatie sedert
omstreeks 1929 aan een beschouwing te onderwerpen.
De vraagstelling is thans dus: in welke mate zou
de binnenlandse productie in eeu bepaald jaar in het
bioneulands verbruik
hebben kunnen
voorzien, en
niet
meer: in hoeverre heeft ze er
de facto
in voorzien.
Wat hier wro
r
dt bezien, is dus:
de ontwikkeling
van
de nationale productie tegen de achtergrond van het
inheemse verbruik.
Hierbij moet uiteraard worden
geabstraheerd van eventuele kwaliteitsnuanceringen
en de soorthehoefte als iichtsnoer genomen.
Wat leert nu een beschouwing der cijfers? Helaas
staan slechts voor een betrekkelijk beperkt aantal
producten resp. bedrijfstakken betrouwbare productie-
cijfers ter beschikking. Maar toch is dit aantal weer
niet zo klein, of men kan. er
enkele interessante in-
clicaties aan ontlenen.
2)
Een gelukkige omstandig-
heid – uiteraard niet toevallig – is, dat wij juist
t.a.v. verschillende van de meest vitale takken van
productie statistisch het best georiënteerd zijn.

A. Voedingsmiddelen en grondstoffen.
Van de voedingsmiddelen – andere dan fabrikaten
(waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor suiker)
– vragen allereerst de voedergranen de aandacht. De
hieronder afgedrukte tabel
3)
geeft o.a. weer het ver-
loop van de zelfvoorzieningscoëfficiënten (binnen-
landse productie in pOt. van het verbruik) voor de
belangrijkste granen, waarbij echter maïs buiten be-
schouwing is gelaten, omdat de inheemse productic
hiervan onbetekenend is en ook voor de naaste toe-
komst een uitbreiding van enige betekenis om redenen
van klimatologische aard uiteraard niet is te ver-
wachten.

t)

,

t)
S
,
x

5.
o
U
M
N

0
o
N
.E.

tO

1913
24
57
26
73
124
7 4

1929
19
80
26
75 124
8
4
122
1930
19
64
14
66
134
43
3
105 1931
20
58
11
.

71
127
37
1
91
1932
32 62
12 71
120
25
0
95
1933
36
66
9
77
111
29
1
117
1934
53
75
23
88
111
51
1
114 1935
48
86
29 89
111
38
2
106
1936
47
91
35
108
123
46
3
108 1937
38
107
39 97
130
1

76
4
110
1929 wil
zeggen verkj.aar 1 Sept.
1929-31 Aug.
1939,
enz. Als produotiecijf.er werd hier genomen: de totale
afzet van de Nederlandse suikerjndustrje.

t)
Ten overvloede zij voorts opgemerkt, dat wij eveneens,
voor wat het heden betreft, ‘afzien van de mogelijkheid
resp. noodzaak van wat men in Duitsland noemt ,,Ver-
brauohslen’kuisg”, dus dat de overheid vorm- en leiding

gevend tav. de consumptie gaat optreden. Dit is een
lrobleeni op zichzelf, en brengt ons dn aanraking met de
kwestie van het voedseiplan utitelndeljk een medisch
vraagstuk -, waarover in dit blad bij herhaling beschou-wingen van Dr. W. K. H. Feuilletau de Bi-uyn zijn op-
genomen.
Vgl. ook het artikel ,,De behoeftevoörziening van Ne-
derland in oorlogstijd”, van F. Weinreb, In E.-S.B. van
27
Sept.
1939,
bij.
713.
De naam ,,zelfvoorzien’ingscoëfficiënt” wordt hier ge-
reserveerd voor het geval van de theoretische zelfvoorzie-
niing, om in het geval van de feitelijke zelfvoorziening te
spreken van ,,zelfvoorzieningsquote”. Dit in afwijking van
de terminologie, toegepast in de hogerbedoelcie Nota.

914

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

Over cle gehele linie is dus een toeneming van de
zelfvoorziening waar te nemen, vergeleken zowel met
1029 als met het laatste jaar v66r de vorige oorlog.
1.913. Vooral voor tarwe is cle stijging zer markant,
met name in cle dertiger jaren. 01) (ie vraag, welke
factoren hiervoor aansprakelijk waren, kan in het be-
stek van cli
t
artikel niet wo den ingegaan; wij be-
perken ons hier tot een beschouw ig van cle cijfers,
dus van cle feiten. Torwiji in het voorafgaande dcccii-
ii ium cle jaarlijkse productie nauwelijks boven die van
1.913 uitkwam, nam zè na 1931 sprongsgewijze toe,
om in 1934
. het recordcijf.er van 495.000 ton te be-
reiken (tegen 1.37.000 ton in 191.3) en sindsdien weer
iets terug te ioopen. Hoewel dus de binnenlandse
prod uctie in toenemende mate in cle bi n neniandse be-
hoefte aan tarwe voorziet, moet, deze toch nog altijd
voor meer dan de helft uit invoer worden gedekt.
Anders is dit voor wat betreft roggc en haver. Na
aanvankelijk een kleine inzinking in cle eerste jaren
van het huidige decennium, ontwikkelde zich sedert-dien de productie zodanig, dat deze thans vrijwel ge-
heel in liet hinnenlands verbruik kan voorzien. De
productie van gerst daalde in 1932 en 1933 niet resp.
52.000 en 51.000 ton tot beneden die van 1918, terwijl
het verbruik was verdubbeld; gevolg een scherpe da-
ling van de zelfvoorzieningscoëfficiënt; sindsdien
echter weer gevolgd door een regelmatige stijging.
Uit vorenstaande tabel blijkt voorts, dat in deze
gehele periode cle productie van consurnptieaarclappe-
len ruimschoots in het verbruik kon voorzien, liet-
zelfde geldt voor het andere belangrijke onderdeel van
de warme maaltijd: de groenten, en ook voor fruit
(uiteraard voorzover product van de gematigde zône),
waarvan men de grote betekenis als aanvullend ‘oe
dingsmiddel steeds meer is gaan inzien.
4)

De markante stijging van de coëfficiënt voor Icool-
zaad moet meer worden gesteld op rekening van een
sterke daling van het binuenlands verbruik (30.700
ton in 1913; 1.6.900 ton in 1.929; 6.500 ton in 1.937)
dan van productie-expansie. De inheemse productie
van de belangrijke grondstof lijnzaad zinkt bij het ver-
bruik in liet niet. Daarentegen was de suikerindustrie
hij voortduring, uitgezonderd alleen de jnren 1931132
en 1932/33, in staat, cle wel licht co.njun.ctuurgevoe-lige, maar over liet geheel toch vrij stabiele behoe.f te
ten voile te bevredigen (v.00r 1.938/39 bedraagt de
zelfvoorzieningscoëfficiënt 1.05 pOt.). Een geheel ander beeld geven cle voedingsmiddelen
van dierlijke herkomst te zien. 1-her betreden wij een
gebied, dat vanouds een van de belangrijkste voe-
dingsbronnen van de Nederlandse export is geweest,
en treffen dus verschillende typische exportproducten
aan, waarbij de productie vaak een veelvoud is van
de inheemse consumptie.
Ofschoon het uiteraard cle fluctuaties in de per-
centages, welke de 100 blijven, zijn, die uit autarkiscli oogpunt het meest interessant zijn, vermelden wij toch
curiositeitshalve de zelfvoorzieningscoöfficiënten van
een aantal clierlijke producten, ook weer sedert 1929.
Van de melkproducten. laten w’ij geeo.ndenseerde melk
en melkpoeder buiten beschouwing, aangezien men
hier zou komen tot coëfficiënten van w’elhaast astro-
nomische grootte.

Eieren Boter Kaas

181 189
294
184
170 274
1929

………..

184 144 253
1930

………..
1931

………..
165
121
250
1932

………..
1933

………..
145
140
196
147
157
195 150
177 194
1934

…………
1935

…………
163
215
177
1936

………..
1937

………..
172
215
200

Van de
grondstoffen
in eigenlijke zin, voorzover
niet van agrarische oorsprong, bezit Nederland er fei-
telijk slechts één in enigszins aanzienlijke mate, ni. steenkolen. Gezien zijn vitale belang voor ons eco-
nomisch leven, loont het de moeite, cle ontwikkeling
tav. dit product, afzonderlijk in beschouwing te ne-
men. De hierna volgende tabel geeft aan het verloop
van productie en verbruik van steenkolen (inclusief
cokes en steenkolenbriketten) in indexcijfers op basis
1.920 = 1.00, en van de zelfvoorzieningscoëfficiënt (productie in pOt. van het verbruik)

Productie

1

Verbruik

1

Zelv. coëff.

1920 = 100

0
/0

1920

.
.
100
100
61
1921

.
.
103
111
57
1922

..
118
139
52
1923

..
136
132
63
1924

..
150
147
63
1925

..
173 154
69
1926

..
215
154
85
1927

..
230
169
84
1928

..
265
177
92
1929

..
281 196
88
1930

..
297
193 94
1931

..
313 192
100
1932

.
.
310
190
100
1933

..
305
190
99
1934

..
300
192
96 1935

..
289
179
99
1936

.
.
310
182
105
1937

..
348 199
107
1938

..
328
191
105

Zoals men ziet, heeft de divergente ontwikkeling
van productie en verbruik, niet dien verstande, dat de
productie meer dan verdrievoudigd is tegenover 1.920, terwijl liet verbruik zich nog niet verdubbelde, ten ge-
volge gehad, ‘dat de zelfvoorzieni’ng regelmatig en
sterk is toegenomen. Kon de productie in liet begin
van de twintiger jaren nog slechts voor de helft in
het hinnenlands verbruik voorzien., thans overtreft zij
dit..
Het lijkt verantwoord, in aansluiting hierop nog
een aantal producten te behandelen, clie, hoewel geen
grondstoffen in. de strikte zin, toch niet steenkolen in
ieder geval deze overeenkomst hebben, dat ze van
niinerale oorsprong zijn. Allereerst ee.n drietal pro-
ducten, die op de grens van grondstof en halffahri•
kaat staan en waarschijnlijk inderdaad het best als
halffabrikaten worden betiteld, ni. ruw ijzer, ruw zink
en tin. Voorts de fabrikaten zout (ruw en geraffi-
neerd), cement, superfosfaat en zwavelzure ammoniak.
Het verloop van de zelfvoorzieningscoëfficiënten se-
dert 1929 was nv. (evenals de reeds eerder vei-melcle
percentages alle gebaseerd op hoeveelheidscijfer):

P4

0
a
(1
‘4

P4


0

5
C)

1929..
233 306
63
218
39
29
24
1930..
301
216
136
244
177
31
23
1931..
498
130
256 360
128
37 22
1932..
629
184
238
346 267
41
37
1933..
1145
133
340 233
179
43
44
1934..
533
181
425 254 368
47 47
1985..
352
146

289

47
50
1936..
502
123
2120
354
377
47
55
1937..
401 241 1421
440
533
71
54
1938..

119
893 302
410
95
47

De eerste vijf zijn in meerdere of mindere mate
typische exportproclucten, waarvan dan ook de in-
heemse productie een veelvoud is van het verbruik.
Andrzijd is men echter voor de betrekking van de
4)
Voor
deze beide groepen van producten kunnen i

ruwe ertsen aangewezen op net nuitenianci. ïnd1e,rs

tussen geen c’oëfîiciënten worden berekend, aangezien pro’

zout en cement. Hier wordt gewerkt niet iriliemse
duotiecijfers ontbreken,

grondstof, maar voorziet de productie nog niet ten

110 116
99 100
64 80
100 103
101100
99 101
99 104
101 106
72

80
751)

76
138
1
)1
143

167 150 114 130
1
) 161
58

55

64

77

85
37

38

46

55

65
[05 109 105 105 1052
116 111

81

87 952

94 64

76

91

94
90 84

89

94

96
100 108

90

81 84
2

156

142 128 117
lISi)
100

85

87

88 942)

80

82

93

94

90
84

84

81

88

92
75

82

76

84

93

90

90

95

60

86
114

75

61 761)

85

75 861 93

185
101
62
137
91
102 102 106
67
62
457

171 101
57
120
81
101
97
104 56
71
261
118 99 63
104
88
100
99
96 64 75 128

13 December
1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

915

volle in het binne.nlands verbruik. Bij beide ech-
ter vertoont de zeifvoorzieningscoöfficiënt een zeer
markante stijging. De productie van zout is in 1.938
tegenover 1.923 meer clan verzesvoudigd (resp. 166.000
en 27.000 ton), het verbruik nog niet verdubbeld,
1La1.door de Nederlandse industrie de binnenlandse
consumptie bijna volledig kan dekken.

B Fabri kat en.

1

let is bekend, dat de sedert de vorige oorlog, en
in versterkte mate sedert de in 1929 ingetreden de-
pressie zich deed gelden, gevoerde politiek van bevor-
dering der industriële ontwikkeling van ons land niet
zonder tastbare resultaten, is gebleven. Tot

deze al-gemene indruk leidt ook een globale beschouwing van
het ter beschikicing zijnde statistische materiaal van-
uit het gezichtspunt van de ontwriklceling der binnen-
lancise productie, geprojecteerd tegen de achtergrond
van het binnenlands verbruik. hetgeen niet weg-
neemt, dat de ontwikkeling voor verschillende pro-
clucten nogal uiteenloopt, zoals kan blijken uit de
hierna volgende tabel, waarin de resultaten voor een
geselecteerde groep van fabrikaten zijn samengevat.

0
Product

w
w
1929 1931 1933 1935 1938

CO
II

ii
Margarine ……………
Zachte

zeep

…………..
,,
Toilet- en medicinale zeep
Huishoud- en fextielzeep.
Zeep- en waspoeder……
Rijwielen

…………..
Rijwielframes

……….
W
Woli. weefsels (beb. dekens)
Garens
v.
katoen en linnen
II

Wollen.dekens

………..

W
Katoenen weefsels (beh.
dekens)

…………..

Katoenen dekens ………

Gebreide- en tricotgoederen
Kousen en sokken ……..
.
Zoolleder……………
Over- en voeringleder
. . . .
Schoenen, laarzen, pant.off.
Idem……………….
IV
II
Pakpapier ……………
lloutvrij

druk- en schrijf-

.,,

papier …………….
Courantenpapier

……..
Tarwebloem en -meel

. . . .

Rijwielbuitenbanden
Rijwielbinnenbanden
Bouten, moeren, klinkna-
gelsetc…………….
Draadnagels en spijkers
Confectiekleeding……..

‘1

1936.

II

1937.

liet zou te ver voeren, deze cijfers hier van uitvoe
rig commentaar te voorzien. Voor het grootste deel
spreken zij trouwens reeds voor zichzelf. Volstaan
word t met cle volgende opmerkingen.

De daling van de zelfvoorzieningscoëfficiënt voor
inargarine – die in 1921 zelfs 248 bedroeg – komt
vrijwel geheel voor rekening van ecn sterke inkrim-
ping van de inheemse voortbrenging van dit product,
met name sedert omstreeks 1929. Van 133.000 ton in
1920 (in het topjaar 1927 zelfs 141.000 ton) liep cle
productie terug tot 59.000 ton in 1.036 om sindsdien
weer iets toe te nemen. in. 1938 stond tegenover ei»n
verbruik van 61.500 ton (1929 72.000 ton) een pro-
ductie van 71.400 ton. Men kent cle oorzaak: inter-
nationale decentralisatie der productie, in reactie op
invoebelemmering in vroegere afzetgebieden, hetgeen
zich ook weerspiegelt in de sterk gedaalde export-
betekenis van margarine (in 1020, 1.920 en 1938 naar

het gewicht resp. 2.21, 0.44 en 0.07 pCt., naar de
waarde resp. 5.04, 2.02 en 0.24 pOt. van de totale Nederlandse uitvoer). Ging in 1927 nog 61.2 pUt.
van de totale afzet der margarine-industrie naar het
buitenland, in 1938 was dit percentage gedaald
tot 12.7.
De situatie in de zeepgroep kan voor een land als
Nederland, dat zozeer prat gaat op zindelijkheid, stel-
lig bevredigend genoemd worden. Zelfs in een tegen-
over 1929 bijna verdubbeld verbruik van huishoud-•
en textielzeep kon in 1938 geheel door de binnen-
lanclse productie worden voorzien.
De rijwiehndustrie ontwikkelde zich in de be-
schouwde periode zeer voorspoedig. Bedroeg in 1922
1

bij een ,,verhruik” van 268.000 stuks, de zelfvoorzie-
ningscoëfficiënt nog slechts 41 pOt., thans kan een
ve.rclrie- â ververvoudigde productie geheel i.n de
behoefte voorzien.
De divergente ontwikkeling voor wol- en katoen-
producten is hieruit te verklaren, dat de katoennij-
verheid in veel sterkere mate op export was georiën-
teerci dan de woinijverheid en de t’erugslag van de ex-
portmoeilijkheden na 1929 dus in de katoenindustrie
dienovereenkonisti’g groter moest zijn. De positie van de enige zwakke plek in deze groep – wollen weefsels
– is aanmerkelijk verbeterd. Van 59 püt. in 1921
steeg de zeifvoorzieningscoëfficiënt regelmatig tot 80
püt. in 1938. De productie van garens is tegenover
1921 verdubbeld.
Behoudens een korte inzinking in het begin van de
dertiger jaren, toen de toeneming van de productie
geen gelijke tred hield met clie van liet verbruik, ont-
wikkelde zich ook liet beeld voor de inheemse schoen-
nijverheid gunstig. Vergeleken met 1921, is de pro-
ductie thans verdrievoudigd (5.25 resp. 15.3 millioen
paar) en, daar liet verbruik minder dan verdubbeld
is (9 resp. 16.2 millioen paar), vertoonde de zelfvoor–
zieningscoëfficiënt een markante stijgi.ng, nl. van 58
tot 94 pOt. (naar de waarde van 79 tot 96 pOt.).
Het verbruilc van papier is, ook in de korte periode
1929-1937, over de gehele linie nog aanzienlijk toe-
genomen. Zo bedroeg het verbruik (x 1000 ton) van:

1929 1937

‘lioutvrj druk- en schrijfpapier

32.2

46.5
pnkpapier

……………………
64.8

107.8
ecu ra.ntesspapier ………………..
70.4

101.8

WT
e
li
swaar
vertoonde ook de binnenlandse produc-
tie een zekere stijging, maar niet in overeenkomstige
mate, waardoor hier cle zelfvoorzien ingsmogelijkheid
iets terugliep.

Conclusie.

1J.oewel dus aan de hand van liet beschikbare cijfer-
materiaal, waarvan in het bovenstaande een summier
overzicht we:rd gegeven, ongetwijfeld kan worden
vastgesteld, dat het Nederlandse productie-apparaat
zich zodanig heeft ontwikkeld, dat liet in toenemende
mate in de binnenlandse behoefte aan tal van vitale
producten kan voorzien, moet toch worden gewaar-schuwd voor al te optimistische conclusies, die men
hieraan voor het heden misschien zou willen verbin-
den. Immers, wat gebleven is, is de afhankelijkheid van het buitenland terzake de voorziening enerzijds
met grondstoffen voor de industrie en anderzijds met
meststoffen en veevoer voor de landbouw. Zelfs het
meest perfecte productie-apparaat – hetzij indus-
triëel, hetzij agrarisch – is nu eenmaal waardeloos
uit een oogpunt van hehoeftevoorziening, wanneer de
nodige grondstoffen ontbreken. De ernst van dit oia-
weerleghare feit is in omstandigheden als de huidige
meer evident dan ooit. J.
B. SPIEGELENBERO.

916

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

DE PRODUCTIE EN HET VERBRUIK VAN

VETTEN IN OORLOGSTIJD.

De productie van dierlijke vetten..

Het botervet is een van onze voornaamste bronnen van dierlijk vet. Neemt men aan, dat de boterproduc-
tie in oorlogstijd terugloopt tot op % der normale
productie, dan beschikken wij over 67.000 ton boter
of over 7.6 kg vet per hoofd en per jaar, dus over
28 gram per hoofd en per dag. Ook de kaasvetten zijn
van belang. De 7 kg kaas, die in oorlogstijd beschik-
baar zijn per hoofd en per jaar, leveren 2.1 kg vet op,
als men een gemiddeld vetpercentage van 30 pOt.
aanneemt. Per hoofd en per dag is dan ongeveer
5.8 gram vet uit de kaas beschikbaar.

Voorts bevat een eventueel rantsoen van

liter melk ongeveer 6.5
lL
7 gram melkvetten, als men rekening houdt met het sterk terugloopen van het
vetgehalte van de melk in oorlogstijd.

Onze varkensstapel kan 27.500 ton vet per jaar of
bijna 8.5 gram per hoofd en per dag opleveren, als
men uitsluitend varkens met 100 kg levend gewicht
fokt. Daarnaast bevat echter het magere varkens-
vleesch zelf ook nog ongeveer 7.5 pOt. vet. In de 14.5
kg varkensvieesch, die per hoofd beschikbaar zijn, zit
dus 1.08 kg vet of 3 gram per hoofd en per dag, zoo-
dat het varken voor ongeveer 11.5 gram aan vet per
hoofd en per dag oplevert.

Een normale koe van 290 kg slachtgewicht levert
ongeveer 25
t
30 kg niervet eia slachtvet op, terwijl
men het vetgehalte van het vleesch op ongeveer 6 h 7 pOt. kan schatten. Neemt men aan, dat het slacht-
en niervet van een koe van 200 kg ongeveer 10 â 15
kg bedraagt, dan levert onze veestapel bij een omslag-
coëfficiënt van 16 pOt. en een sterkte van 2.7 mii-
lioen dieren, ongeveer 43.200
i
L
65.300 ton of gemid-
deld ongeveer 54.250 ton vet op. Er is dus per hoofd
en per dag 16.4 gram vet uit rundvieesch beschik-
baar. Neemt men voorts aan, dat het vleesch van het
magere oorlogsrund van 200 kg, slechts 3 pOt. vet
bevat, dan zit in de 16.4 kg rund- en kalfsvleesch,
die per jaar en per hoofd beschikbaar komen, maar
0.5 kg vet, zoodat het vetverbruik uit hoofde van dit
rundvieesch slechts 1.4 gram bedraagt.

De rundveestapel alleen levert dus al per hoofd en
per dag bijna 70 gram vet op en dus al 30 gram
meer dan de minimum behoefte van 40 gram vet per
dag, die in oorlogstijd noodig wordt geacht. De melic-
vetten in de kaas, boter en consumptiemellc leveren
dat minimum vetrantsoen reeds op, daar hieruit on-geveer 40.5 gram per hoofd en per dag beschikbaar
komt.

Daarnaast leveren echter ook het schaap en het
paard niet onbelangrijke hoeveelheden vet op. Neemt
men aan, dat het nier- en slachtvet van een schaap
van gemiddeld 34 kg ongeveer 3.5 kg bedraagt, dan
is bij een omslagcoëfficiënt van 45 pOt. en een stapel
van 654.000 dieren ruim 1200 ton vet beschikbaar.
Het schapenvieesch is zeer vet en bevat ongeveer
17 pOt. vet, zoodat uit de 10.000 ton schapenvieesch
1.700 ton vet beschikbaar komen.

De vetopbrengst van 22.000 slachtpaarden met 25
kg slacht- en niervet en 4 pOt. vleesehvet bedraagt
in totaal 550 ton plus 260 ton of rond 800 ton.
De schapen- en de paardenstapel leveren samen on-
geveer 3.700 ton vet op of ruim één gram vet per
hoofd en per dag.

Ook de vetvoorziening uit 14.000 ton pluimvee.
vleesch in oorlogstijd van ongeveer 1000 ton is van
weinig beteekenis.

Veel belangrijker zijn echter de hoeveelheden vet, die in kippen- en eendeneieren en in visch aanwezig
zijn. Daar het kippenei ongeveer 15 pOt. vet bevat
(vooral de clooier is zeer vetrijk), leveren de 8.2 kg,
die per hoofd en per jaar beschikbaar zijn, 1.23 kg

vet op.
Het vetgehalte der vischsoorten loopt zeer sterk

uiteen. Van schelvisch bedraagt dat 0.31 pOt., van haring 7.63 pOt., van makreel 9 pOt. en van paling
27.4 pOt.
Neemt men een gemiddeld gehalte van 8 pOt. aan,
dan leveren de 9.4 kg visch, die in oorlogstijd per
hoofd en per jaar beschikbaar zijn, 0.75 kg vet op.
Uit visch en eieren samen konit dus per hoofd en
per jaar 2 kg vet beschikbaar, of ongeveer 5.5 gram
per hoofd en per dag.
in totaal is dus in oorlogstijd beschikbaar 70 gram
+ 1. + 5.5 gram = 76.7 gram per hoofd en per da.q
aan dierlijke vetten..

Plantaardige vetten.

lIet witte brood bevat ongeveer 0.54 pOt. vet, zoo-
dat een -half brood van 400 gram maar ruim 2 gram
vet bevat! liet vetgehalte in het bruine brood is iets
grooter en bedraagt 0.72 pOt., dat van roggebrood
is 1.14 pOt.

Ook bladgroenten bevatten geringe hoeveelheden
vet. Alleen spinazie heeft eenbetrekkelijk hoog gehalte
van 0.5 pOt. Daarentegen hebben peulen 2 pOt., erw-
ten 1.39 pOt. en hoonen 1.68 pOt. vet. Slechts enkele
grammen vet worden op deze wijze aan het rantsoen
toegevoegd, zoodat de totale hoeveelheid vet, die in
oorlogstijd beschikbaar is, indien men hij deze vetten
het vet van konijnen en wild rekent, ongeveer 80
gram per dag en per hoofd zal bedragen, of 1.211 X
80 gram = 97 gram per volwassene.
Voor de voorziening van plantaardige vetten uit
den eigen bodem zijn vooral het koolzaad en vlas van
beteekenis. Per jaar is ongeveer 2000 â 2500 ha met
kooizaad heplant, die bij een oogst van ongeveer 2 ton
per ha dus 4.000 h 5.000 ton koolzaad opleveren,
waaruit gemiddeld ongeveer 40 pOt. olie wordt ge-
perst, zoodat onze koolzaad-productie ongeveer 1.600
h 2.000 ton olie oplevert. Belangrijke hoeveelheden
koolzaad worden per jaar ingevoerd en verbruikt. Het
gein id delde jaarverbruik bedroeg van 1936-’38 7.500
ton, zoodat wij dus ongeveer twee derden van onze
koolzaadbehoefte zelf produceeren.

Van beteekenis voor onze vetvoorziening is vooral
het vlas. Thans bedraagt het met vlas beplante opper-
vlak ongeveer 19.000 h 20.000 ha. Per ha wordt onge-
veej 710 kg zaad gewonnen, in totaal dus 13.000 â
14.000 ton zaad, die 40 pOt. olie, dus 5.200 h 5.600
ton olie opleveren. –
De oogst van 90.000 â 100.000 ton gerepeld vlas is
voor onze voorziening van textielstoffen in oorlogs-
tijd van groot belang. Het spreekt vanzelf, dat uit-
breiding van de vlasteelt in oorlogstijd onvermijdelijk
wordt als er gebrek aan textielgrondstoffen ontstaat. De beteelde oppervlakte van blauw maanzaad van
2400 ha produceert ongeveer 2.500 ton zaad en is
voor onze voorziening aan plantenvetten van weinig
beteekenis.
Overigens voeren wij groote hoeveelheden oliehou-
dende zaden in en het gemiddelde gebruik aan vet-
houdencie zaden bedroeg in de jaren 1937/’38 gemid-
deld 706.000 ton.
Een deel van deze oliehoudende zaden is bestemd
voor de bereiding van bakolie en spijsvetten, een an-
der deel voor industrieel verbruik. Bovendien werd
een hoeveelheid van gemiddeld 72.000 ton walvisch-
traan in de jaren 1937/’38 ingevoerd.
En tenslotte is er in ons land een invoersaldo van
ongeveer 7.500 ton reuzel en technische vetten per
jaar. in totaal bedraagt dus het veiverbruik van, vel-
houdende zaden en traan, reuzel en technische vetten
bijna 780.000 ton. Al kunnen wij in, onze eigen mini-
mum behoefte aan voedselvet in oorlogstijd ruim-
schoots voorzien., zoo zal er toch bij een scherpe blok.
kade een groot tekort aan industrieele vetten en oliën
ont staan.
Overigens zullen wij een belangrijk deel van onze
boter, kaas en andere veeteeltproducten moeten -expor-
teeren om in onze behoefte aan geïmporteerde gra-
nen, ander voedsel en grondstoffen te voorzien.

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

917

De hoeveelheid veekoeken, en olie, die uit de plan-

teitzaden wordt gewonnen.

Uit de gemiddeld in 1037 en 1038 verwerkte hoe-
veelhede.n lijnzaad (344000 to.n) wordt ongeveer 40
püt. dus 138.000 ton olie gewonnen, zoodat er 206.000
ton lijnkoeken overblijven. De 11.000 ton koolzaad
met 42 pOt. olie leveren 4.600 ton olie en 6.400 ton
koeken op; de 17.000 ton sesamzaad b. 50 pOt. olie,
geven 8.500 ton olie en 8.500 ton koeken; 105.000 ton
sojaboonen â 13 pOt. olie leveren 13.700 ton olie en
01.300 ton koeken; 49.500 ton copra h 63 pOt. olie
geven 31.200 ton olie en 18.300 ton koeken; 133.000 ton grondnoten â 49 pOt. olie leveren 65.200 ton olie
en 67.800 ton koeken
01);
88.000 ton paimpitten
48 pOt. olie leveren 42.200 ton olie en 45.800 ton
koeken op. In totaal leveren de in Nederland ver-
bruikte oliehoudende zaden dus 303.400 ton olie en
443.100 ton veekoeken op.

Het invoersaldo van veekoeken bedroeg in de jaren
1037 en 1938 gemiddeld 160.400 ton, zoodat het totale
verbruik aan veekoeken in de laatste 2 jaren 603.500
ton heeft bedragen.

Het uitvoersaldo van piantaardige oliën en vetten
bedroeg in de beide laatste jaren ongeveer 126.000
ton. Dat van stearine, oleïne en andere vetzuren be-
droeg ongeveer 16.800 ton, vervaardigd uit ongeveer
25.000 ton vetten en oliën, dat van margarine onge-
veer 10.500 ton h 88 püt. vetten en oliën, dus 9.000 ton. In totaal bedroeg dus het uitvoersaldo aan deze
oliën en vetten 160.000 ton. Neemt men aan, dat voor de vervaardiging van margarine 40 pOt. dierlijke vet-
ten, dus 4.300 ton dierlijk vet is gebruikt en dat voor
de vervaardiging van stearine, oleïne en andere vet-
zuren ongeveer %, dus 8.300 ton uit dierlijk vet af-
komstig is, zoodat in die producten 21.000 ton plan-
tenvet zit, dan is dus in totaal in de laatste jaren
ongeveer 126.000 + 21.000 = 147.000 ton aan plan-
tenvetten uitgevoerd of ruim 48 pOt. Men zal in oor-
logstijd dus 42 pOt. of rond 296.000 ton aan oliehou-
dende plantenzaden moeten invoeren om het eigen
gebruik te dekken, daar dit thans 706.000 ton be-
draagt. Bovendien zal men aan dierhijke vetten, wal-
vischtraan, reuzel en technische vetten 72.000 +
7.500 ton = 79.500 ton noodig hebben, die echter
verminderd moeten worden met 11.500 ton, het nor-
male uitvoersaldo van dierhijk vet verbruikt in de uit-
gevoerde margarine en in vetzuren.
In totaal bedraagt
dus het normale eigen gebruik van geïmporteerde
dierl’ijlce vetten en oliehoudende zaden 68.000 ton +
296.000 ton = 864.000 ton, die wij ondanks de blok-
kademaatregelen moeten zien in te voeren.
De productie aan cacaoboter.

Het invoersaldo aan cacaoboonen en -schillen be-
droeg in 1937f’38 gemiddeld 54.000 ton. De zaadkern
levert 45 h 55 pOt. cacaoboter, de schillen 4 b 5 pOt.
Neemt men aan, dat ongeveer 50 pOt. vet in de ge-
iniporteerde boonen en schillen aanwezig is, dan
zou de geïmporteerde hoeveelheid cacao ongeveer
27.000 ton cacaoboter bevatten. Een deel van het vet,
afkomstig uit het tot 22 pOt. ontvette ehocoladepoe-
der, wordt voor de fabricage van chocolade enz. ge-
bruikt. Wij voeren echter groote hoeveelheden cacao-
boter uit en wel in de beide laatste jaren gemiddeld
ongeveer 21.000 ton per jaar, terwijl daarnaast 8.800 ton chocolade in poedervorm enz. wordt uitgevoerd.
Een deel van de cacaohoter wordt voor pharmaceuti-
sche doeleinden en de parfumerie gebruikt. Choco-
lade in plakken heeft een zeer hooge calorieënwaarde,
door zijn groote vetgehalte. Zij wordt als luxe-artikel
beschouwd. Maar men onderschatte de psychologische
beteekenis van wat luxe bij de voeding niet. Ook
daarom is het gewenscht, om de productie van cacao-
poeder en chocolade
tijdig
in evenwicht te brengen, om vn de cacaoboter als voedsel zooveel mogelijk
profijt te trekken.

Het toenemende verbruik aan industrieele vetten
in oorlogstijd.

Ongeveer Y
3
van de totale hoeveelheid vetten en
oliën, die in ons land in een jaar worden verwerkt, wordt industrieel verbruikt in de zeep-, lak-, verf-,
linoleum-, lederindustrie enz. In oorlogstijd worden
ook belangrijke hoeveelheden vet verbruikt voor gly-
cerinebereiding, die noodig is voor het maken van
nitrôglycerine (0.5 ton glycerine per ton nitroglyce-
rine) en voor het vervaardigen van nitroglycerine
kruit, een mengsel van nitroglycerine en schietkatoen

(0.2 ton glycerine per ton nitroglycerine kruit).
Dit was een der redenen van het zeer ernstige vet-
tekort in 1914-’18 in Duitschiand. In verband met
den groeten vetnood maakte men toen voor de Dnit-
sche artillerie het ammonaal kruit (dat uit ammo-
niumnitraat, koolstof en aluminiumpoeder wordt
vervaardigd) in stede van het nitroglycerine kruit.
Later wist men ook door middel van het zoogenaamde
,,Protolverfahren” langs biochemischen weg uit sui-
ker glycerine te maken.
Industrieel vet werd ook gespaard door het maken
van kleizeep.
Ook een gebrek aan verven als een gevolg van on-
voldoende olie in oorlogstijd zal ernstig worden ge-
voeld, terwijl de triglyceriden, van planten en dieren afkomstig, hij de moderne smeerolietechniek een rol
van beteekenis beginnen te spelen, zij het dan ook.
dat hiervoor slechts kleine hoeveelheden noodig zijn.
Voorts zijn in oorlogstijd tal van middelen aange-
wend om meer vet te produceeren. Zoo kan bijv. het
vet uit de kiem Yan de graankorrels, die opzettelijk
bij het malen wordt verwijderd, omdat het vet een
slechte kleur aan het meel geeft en dit daardoor raa-
sig kan worden, terug worden gewonnen
1).

Ongeveer Y
3
van het vet verdwijnt met de kiem.
Reeds lang werd in Japan olie uit de rijstzemelen
gewonnen. Men hoopt deze productie thans te ver-
tienvoudigen en uit 1.084 millioen ton rijstzemelen
ongeveer 150.000 ton olie terug te winnen.
Het vetgehalte der tarwesoorten varieert van 1.29
tot 1.59 pOt., zoodat bij een tarweverbruik in Neder-
land van 900.000 ton voor broodmeel en het terugwin-nen van Y
3
van het oliegehalte ongeveer 4 k 5.000 ton
olie geproduceerd kan worden, die zoowel voor de
margarine- als zeepfabricage kan dienen. Dit is onge-
veer 1 pOt. van ons industrieel vetverbruik. Veel te
beteekenen heeft die hoeveelheid dus niet. Ditzelfde
geldt voor de olie, gewonnen uit beukennootjes, drui-
venpitten, pompoenzaad, wilde kastanjes, enz. Na den oorlog heeft de Duitsche chemie zich inten-
sief bezig gehouden met de vervaardiging van tech-
nische vetten. Men is er in geslaagd uit de bruin-
koolteer, die bij de bruinkolen ,,Verschwelung” (dit is
eenvoudig verhitten in een draaiende buis van bruin-
kolen) wordt gewonnen en bij de gassynthese naar de methode Fischer-Tropsch, paraffine als nevenproduct
te verkrijgen. Door oxydatie van deze paraffine wint
de ,,Deutsche Fettsaüre Geselischaft m.b.H.” volgens
het Imhausen-Troschke procédé thans in het groot
vetzuren.
In vredestijd is dit procédé te duur en kan men
veel goedkooper vetzuren uit cocosolie winnen. Thans
is het procédé Imhausen-Troschke voor de Duitsehe
zeepvoorziening van groote beteekenis geworden.
Uit de afvalloog van de celstofindustrie, die men
vroeger liet wegloopen, wordt thans de ,,tallöl”, een
verbinding uit harsen en sulfietzuren gewonnen. Deze
stof heeft een wassehend vermogen van beteekenis,
zoodat men ,,tallöl” als zeep gebruiken kan. Men

t)
P. A.
Arnos
Processes of Flour manufactures
p. 287.
) In Duitschiand heeft men tijdens den wereldoorlog
eveneens kiemen van rogge en andere granen ontvet. Alle
molens hadden speciale inr.iohtiingen om deze in te zamelen.
Pogingen om vet te winnen uit diatomeeën slik, rioolwa-ter, ratifen, muizen, meikevers, zaad van disteis, selderij,
olmen en andere boomsoorten, ja zelfs uit mensohelijk haar
hebben geen succes gehad.

918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

inengt dit ,,tallöl” tot 30 pCt. in zeep, waardoor
Duitschland een besparing verkrijgt van 60 h 85.000
ton
01)
zijn zeepvetten per jaar.
Ongetwjfe1cl verminderen beide procédé’s belang-
rijk de Duitsche behoefte aan technische vetten.

De sojaboon.
De sojaboon bevat 12-14 pOt. olie. en
35-49
pUt.
eiwit ). In Duitschiand lieef t men al jaren geleden
de groote beteekenis van de sojaboon voor de voedsel-
voorziening van mensch en cliei begrepen. Na 15 jaar
selecteeren is men er in DuitchIand in geslaagd een oogstzekere variëteit te vinden. Den aanplant hecf t
men echter niet voldoende kunnen uitbreiden; deze
zal in 1940 ten hoogste 35.000
lt
40.000 ton kunnen be-
dragen. Ook het loof van deze plant is zeer eiwit-
rijk en wordt in de verhouding 1 op 4 met maïsg.roen
geënsilleerd. In Nederland is door Koch een goede
9ogstzekere variëteit geselecteerd. Helaas zal men
daar nog niet onmiddellijk van kunnen profiteeren.
De sojakoek is de meest eiwitrijke veekoek. Zij be-
vat bovendien 3 pOt. lecithine. Uit het sojaschroot
kan het witte sojameel, het zoogenaamde Ohineesche
}Ioen-Kwee meel worden gewon neri, dat de hak tech-
nische eigenschappen van de zachte tarwe aanzienlijk
verbetert. Het zwakgele meel, dat gewoonlijk in den
handel wordt gebracht, heeft die eigenschappen niet.
Het met wit sojameel mengen van broodmeel ver-
hoogt niet alleen het eiwitgehaite, maar houdt het
brood ook langer versch. Bovendien gebruikt men de
sojaboonen voor het winnen, van eiwit en caseïne, als industrieele grondstof voor kleef- en kunststoffen. 1-let soja-eiwit is veel goedkooper dan tarwe-eiwit,
terwijl het bovendien beter verteerhaar is.
Berichten hebben de ronde gedaan omtrent den
invoer van sojaboonen in Duitschiand uit Manchukwo
over den Siherischen spoorweg en men heeft de eco-
nomische mogelijkheid hiervan betwijfeld. Bekend is
ook, dat Duitschland op alle mogelijke manieren soja-
boonen uit den Balkan en vooral uit Roemenië tracht
te verkrijgen. Het kan zijn nut hebben ook voor Ne-
derland deze aanvoer via Siberië te bezien.
In ‘1937 kwam het soja-eiwit, dat langs den langen
zeeweg werd aangevoerd, franco Hamburg op Mk.0.83
per kg te staan. Maar het rogge-eiwit kostte toen
Mk. 4.44 per kg. Het soja-eiwit was voor de dieren-
maag voor 89 pOt. verteerhaar, het rogge-eiwit maar
voor 75 pOt. Per kg eiwit kwam dus het rogge-eiwit
bijna zesmaal zoo duur uit, indien men de verteer-
haarheid in aanmerking nam. Het soja-eiwit kan dus
nog heel wat extra-vracht verdragen.
De eiwitwaarde van 100 kg sojaschroot was dan
ook genoeg om 814 liter melk (50 gram per liter) ‘te
produceeren, terwijl de eiwitwaarde van cocoskoek
maar gelijk staat met 316 liter melk. –
Nu zal men in Duitschland op groote schaal het
vee moeten voederen met voeclerhieten, knollen enz. en, voorts met gestoomde en ingekuilde aardappelen,
die wel een groot zetmeelgehalte hebben, maar slechts
2 pOt., zij het dan ook hoogwaardig, eiwit bevatten.
Honderd kilogram aardappelen leveren dus maar ei-
wit voor 40 liter
melk.
Wil men dus het vee voor een groot deel mei lcnollen, voederbieten en aardappelen
voederen om graan ie sparen, dan is een eiwitrijke
voedingstoeslag
‘i.00dig.
Een kg sojaschroot van. 40
pCi. eiwitgehalte levert voldoende eiwit voor de pro-
ductie van. 8 liter melk: Bovendien levert de sojahoon nog olie voor de mar-
garine. en andere industrieën op, terwijl men bij de
olie-extractie uit de sojaboorien ook het lecithine wint.
Dit is een lipoïde, die zelfs in kleine hoeveelheden
invloed uitoefent op de physische eigenschappen van
verschillende stoffen. J:Tet wordt dan ook veel ge-bruikt voor het maken van emulsies in de fabricage
van margarine, chocolade, deegw aren (zooals maca-roni, vermicelli, euz.), in de leder-, pharmaceutische,
textielindustrie enz.- en in de bakkerijen.
3)
De Java-zo ja heeft 15-17 pOt. vet en 26-45 pOt.
iiwit.

De sojaboon is dus voor de oorlogseconomie van

zeer groote beteekenis en het is dus begrijpelijk, waar-
om Duitschiand alles op haren en snaren zet om soja-
boonen langs den continentalen weg in te voeren, nu
het nog niet in staat is zelf voldoende soja te pro-
duceeren. Ook w’ij zullen ons vee ten dccle met aard-
appelen, knollen, voederbieten enz. moeten gaan voe-
ren in stede van met graan, zooals later zal blijken
en een toeslag van eiwitrijke voederkoeken is dan
dringend noodig. import en opslag van sojaboon.en is ook voor ons thans zeer gewenscht.
De sojahoon speelt ook hij de economische verdedi’
ging van Indië een groote rol. In de jaren 1919/20
ontstond onder de bevolking een ware rijsthonger,

omdat bleek, dat men op de knoigewassen alleen niet kon leven, toen de rijstinvoer stagneerde.
Men was toen gedwongen tot rijstdistributie over te gaan, die vele niillioenen O-ulclens heeft gekost. Later is gebleken, dat die rijsthonger moest worden
toegeschreven aan het tekort aan eiwitten, daar de
rijst hoogwaardige eiwitten bevat. Aan den import
van sojahoonen, die door de bevolking in groote hoe-
veelheden worden geconsumeerd, had men geen aan-dacht geschonken. Thans is Java autark op het gebied
van sojaboonen. Terwijl :in 1929 de productie van
sojahoonen op Java en Madoera 106.000 ton bedroeg
en de import 98.200 ton, is de import tot 895 ton ge-
daald in 1937. Sedert 1936 is er een kleine export
van sojahoonen uit Java en Madoera en steeg de be-
schikbare hoeveelheid sojaboonen per hoofd en per
jaar van 4.14 kg
Op
5.08 kg.
Tijdens de economische crisis viel de bevolking
noodgedwongen wederom voor een niet nhelangrijk
deel op de knolgewassen terug, inaar de geweldige
rijsthonger van de jaren 1919/20 bleef uit, daar er
voldoende sojahoonen waren. En in de Goenoeng Ki-
doel, waar door slechte éénzijdige voeding, mede als
een gevolg van oogstmislukking hongeroedeem ont-
stond, werd de ziekte bestreden door de soja-aanplant
uit te breiden. Ook voor de voedselvoorziening van
Indië in vredestijd is de sojboon belangrijk.

Nederlandsch-Indië als exporteur van oliehouden-
de zaden.

Nederland voerde in de jaren 1937/’38 gemiddeld
105.000 ton sojaboonen, 50.000 ton copra, 36.000 ton
palmpitten, 177.500 ton arachides en 52.500 ton palm-
olie in. In 1937 bedroeg de export van Nederlandseh-
Indië van copra 62.626 ton, van cocosolie 3.390 ton,
van palmolie 196.895 ton, van palmpitten 41.471 ton
en van arachides 25.375 ton. Indië kan dus, zooals de
zaken thans staan, gemakkelijk in onze behoeften aan
palmolie, palmpitten en copra voorzien, echter niet
in de behoefte aan arachides en sojahoonen. De aan-
voer is echter thans een probleem van scheepsruimte.
Wij bevinden ons thans nog pas in het eerste sta-
dium van de economische oorlogvoering. Neder-
landsch-Indië is een belangrijk producent van plant-
aardlige vetten, die weliswaar geeh strategische grond-
stoffen van de eerste orde zijn, met uitzondering van
de ricinuszaden, maar toch van groote heteekenis.
In den vorigen oorlog ontstond op den langen
duur vraag naar de plantenvetten van den tropengor-
did, voornamelijk door liet terugloopen van de boter-,
spek-, rundvet- en traanproductie, liet sterkere ver-
bruik van glycerine voor nitroglycerine enz.
Maar sedert 1918 hebben groote veranderingen
plaats gevonden in de behoefte aan vetten en oliën
in oorlogstijd. Zoo wordt thans een aan nitroglycerine
gelijk’.vaardige s])ringstof vervaardigd uit glycol, dat
uit petroleumgassen gewonnen wordt door de ,,Union Oarbide” fabriek in Oharleston (West-Virginia). Daar
staat weer tegenover, dat Dupont in Amerika voor
de vervaardiging van autolak uit alkydhars veel gly-
cerine noodig heeft ‘en het is nog niet mogelijk om den
invloed van tal van factoren op het verbruik in oorlogs-
tijd der oorlogvoerenden van de speciale harde enzach-
te vetten, snel en langzaam drogende oliën euz. nauw-

13
December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

U]

keurig te schatten. Maar stellig is het niet uitgeslo-
ten, dat enkele van cle in Indië geproduceerde olie-
zaden van belang zullen zïjr voor ons economisch ver-
weer.
flet is echter om begrijpelijke redenen niet ge-
wenscht, hierop
0.1)
deze plaats dieper in te gaan.
Want men vergisse zich niet. Naarmate cle economi-
sche oorlogvoeriv,g en cle blokkade- en contrabande-politiek der oorlogv oer enden. scherper vormen gaan
aannemen, zullen neutralen daartegen slechts iets
kunnen bereiken., door tegenover dien economischen
druk, zelf econ.ornischen tegendruk uit te
oefenen.
En

weerloos is het Nederlandsche Imperium in, dat op-
zicht zeker niet!
Dr.
W. K. H. FEUILLETAU
DE hRUYN.

BESTRIJDING VAN PRIJSBEDERF IN DEN

DETAILHANDEL.

In ons vorig artikel over het pr.ijshederf in den
detailhandel ‘) kwamen wij tot de conclusie, dat de
middenstand niet uit eigen kracht alléén dit euvel
voldoende, kon bestrijden., en de vraag rees dan ook, hoe dit dan wel zou kunnen geschieden.
ilet ligt clan voor cle hand na te gaan, of wellicht
de wetgever de behulpzame hand zou kunnen bieden
of misschien reeds geboden heeft. In onze wetgeving
echter is geen enkel artikel te vinden, dat zich recht-
streeks met het verschijnsel van prijsbederf bezighoudt
en, voor zoover ons bekend, in buitenlandsche wetge-
vingen ook niet, evenwel met één uitzondering, ni.
die in het Duitsche Rijk ). Daar te lande heeft zich,
naast het toelaatbaar geachte ,,Preisunterbieten”,
een ander begrip gevormd, nl .,, Preisschleudern”, di.
verkoop volgens volkomen oneconomische principes.
Dit laatste wordt dan gezien als een misbruik van het
recht om te onderbieden.

De Duitsche regeling.
Ook in het Duitsche Rijk staat men op het stand-
punt, dat in principe iedere handeldrijvende geheel
vrij is om zelf den prijs van zijn goederen en diensten
vast te stellen. Of een verkooper wint of verliest is
iets, dat hem alleen aangaat. Wanneer een nieuw-
komer in eenig bedrijf met verlies wil verkoopen, om
op deze wijze klanten tot zich te trekken, dan staat
hem dat vrij. Wil iemand bepaalde artikelen vrijwel
zonder winst of zelfs met verlies van de hand doen
– het voorbeeld van de suiker uit ons vorig artikel
is internationaal – om voor andere artikelen een
betere verkoopskans te scheppen, dan is dat eveneens geoorloofd. Ook het verkoopen onder den zelfkosten-
den prijs is nog geen criterium van ,,Preisschleu-
dern”, immers dat ken in de hier aangehaalde geval-
len gemakkelijk voorkomen.. Wie echter onder den
zeifkostenden prijs verkoopt en tegelijkertijd aanzien-
lijk onder de verkoopsprijzen van op dezelfde trap
staande concurrentie-ondernemingen, wanneer prijzen
als gevolg van overmatige prijsonderhieding geen en-
kel verband meer houden met de prestatie en van-neer het er om te doen is om, onder algeheele ver-
waarloozing van eigen verliezen, den concurrent te
wurgen, die handelaar maakt volgens de Duitsche
opvatting misbruik van, zijn. recht, maakt zich schul-dig aan ,,Preisschileudern” en zijn concurrenten kun-
nen hem voor den rechter dagen en verlangen, dat hij
de toegebrachte schade vergoedt en in de toekomst met
de gewraakte handelingen zal ophouden. Een en ander
is in hoofdzaak gebaseerd
0])
paragraaf 1 van het
,,Gesetz gegen den unlauteren Wetthewerh”, luidende
als volgt: ,,Wer im geschiiftlichen Verkehre zu Zwe-
cken des Wettbewerhes E[andlungen vornimm’t, die
gegen die guten Sitten verstoszen, kann auf Unter-

‘) Ziie: ,,Prijsbdcrf in den detailhandel”; E.-S.B. van
6 :Deceniber 1939, blz. 894.
2)
De Annenikaan’sche wetten inzake prijshnnclhauing van
imierkartikeletn laten wij, als zijnde van gainsoh anderen
aard, hier buiten besohouw’i’ng.

hcssung und Schadensersatz in Anspruch genommen
werdlen”.
Eenige jaren geloden is men ecliter nog verder ge-
gaan. De ,,’Wetthewerbsverordnung” van den 21e.n
December 1934 heeft het ,,Preisschieudern” onder be-‘paalde voorwaarden zelfs strafbaar gesteld. De eerste
paragraaf van deze verordening luidt: ,,’Wer unter
unlauterer Ausnutzung seines Kredits oder höswii-
liger NichterfïÈllung seiner Verpflichtungen gegen-
üher dein Staate, der Gefolgschaft seines Betriehes
oder seinen Glaübigern in gemeinschiidlicher Weise Güter oder Leistungen zu Preisen anbietet, die seiiie
Selhstkosten nicht decken kön non und den Anfor-
derungen einer ordnungsmiissigen W.irtschaft wider-
sprechen, wird mit Gefii.ngnis und mit Geidstrafe in
nnbeschriinkter Höhe oder mit einer dieser Strafen bestraft; die Strafverfolgung tritt uur em, wenn der
Schuldner seine Zahlungen eingestellt hat, oder wenu
über sein Vermögen das Konkursverfahren eröffnet
worden ist. Die gesetzlichen Vorschriften üher un-
lauteren Wettbewerb und die Strafbestimmungen der
Konkursordnung bleiben unberiihrt.”
In de toelichting op deze verordening w’ordt ge-
zegd, dat in tijden, waarin de capaciteit van handel
en industrie niet volledig benut kan worden, de on-
derlinge concurrentie er vaak toe leidt, dat prijzen
worden gevraagd, die niet toereikend zijn om straks
belastingen en bonen te kunnen betalen en de cre-
diteuren te hevredigen, weshalve aan dergelijke prijs-
onderhieding een halt moet worden toegeroepeu. De
verordening, zoo zegt het commentaar, wil niet het
prijsonderbiederi ,,an sich” verbieden, zij wil slechts
,,Preisschleuderei”, waartegen reeds civielrechterlijk
kan worden opgetreden krachtens de hierboven ook
aangehaalde wet op de deloyale concurrentie, nog
eens extra hestraffen.
Belangrijk is hier de eisch, dat dergelijke prijzen
de kosten niet moeten kunnen dekken. Hier wordt
dus een subjectieve’ maatstaf aangelegd: vraagt
iemand buitengewoon lage prijzen, doch blijkt het,
dat hij daarmede uitkomt, dan blijft hij buiten schot.
Met de uitdrukking ,,gemeinschiidlich” wordt niet be-
doeld de algemeenheid der concurreerende bedrijven,
het is voldoende, w’anneer de concurrenten uit de om-
geving benadeeld worden.
‘Too,r
de strafhaarheid is dus noodig, dat de be-
trokkene zijn betalingen staakte of dat hij failleerde.

De beteeken.’is van dit voorbeeld.
De groote waarde van de Duitsche maatregelen op
dit stuk schijnt ons gelegen in de economisch juiste onderscheiding tusschen prij sonderbieden en prijs-
knoeien, met welke laatste uitdrukking wij dan het
Duitsche ,,Preisschleudern” zouden, willen vertale:n.
Het zal uit het bovenstaande wel voldoende duide-
lijk zijn geworden, dat de Duitsche wetgeving niet
elk prijsonderhieden wil treffen, doch dat zij vol-
doende speelruimte laat aan die vormen van prijscon-
currentie, welke niet dat hatelijke karakter hebben
van het
prijsbederf,
waarover wij in ons vorig op-
stel schreven. Hetgene, dat de Duitsche wetgeving
wil treffen, is juist het volkomen on-economische
prijsgeknoei, waaronder ook de middenstand hier te
lande veelal zoo zwaar lijdt. Het is het aanbieden
tegen prijzen, waarvoor een bonafide, behoorlijk cal-
culeerend detaillist of ambachtsman niet leveren kan,
en, waardoor in tal van steden en dorpen de vertegen-
woordigers van verscheidene branches financieel vol-
komen worden uitgemergeld. Het is het maar voort-
durend aanbieden en verkoopen tegen prijzen, die
geen enkel verband meer houden met de aangeboden
prestaties, waardoor niet alleen de bedrijvers zelve,,
doch al hun collega’s in den omtrek zwaar worden getroffen. lIet is een notoir feit, dat de gemiddelde
bebooning van de slagersgezellen hier te lande laag
is, en dat er een sterke strooming in dat bedrijf is
om de ouder wordende knechts te ontslaan en te ‘ver-vangen door steeds weer goedkoopere krachten: alles
mede een gevolg van het in de slagerij heerschende

920

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

prijsbederf. En zoolang niet, op welke wijze dan ook,
aan dit laatste euvel paal en perk kan worden ge-
steld, zoolang zal ook de slagersgezel hieronder te
lijden hebben. In het schoenherstellersbedrijf is het al
net zoo. En tenslotte is bij dit alles de consument de
lachende derde: als gevolg van het welig tieren van
het prijshederf krijgt hij vele goederen en diensten
ver onder cle waarde, hoewel daarvoor geen enkele
redelijke grond is aan te voeren.
Het wil ons nu voorkomen, dat in de regeling bij
onze oostelijke nabure.0 vele bouwsteenen zijn ver-
werkt, die ook hier te lande zouden kunnen dienen.
Een aanvulling van artikel 328bis van ons Wetboek
van Strafrecht zoodanig, dat ook hier het prijsgeknoei
effectief zou kunnen worden bestreden, zou zeker
geen overbodige weelde zijn.
Het valt niet te ontkennen, dat de heteekenis van
de boven vermelde Duitsche verordening wordt ver-
zwakt door den eisch, dat de prijsknoeier, om straf-
baar te zijn, moet hebben opgehouden te betalen of
in staat van faillissement moet zijn verklaard. Na-
tuurlijk heeft deze bepaling een preventief karakter, maar de collega’s van den overtreder zijn den groot-
sten overlast reeds kwijt, wanneer het met den zon-daar al zoover is. Bovendien wordt door deze straf-
bepaling niet diè ondernemer achterhaald, die slechts
met de prijzen van enkele artikelen knoeit, doch ge-
middeld over zijn geheelen omzet nog winst maakt
en dus niet failliet gaat. Maar de middenstand hier
te lande zou zeker gebaat zijn met een regeling, waar-
in de andere cri.teria van de Duitsche wetgeving op
dit punt zouden zijn verwerkt.

Bestaan er hier te lande andere rnogel?Jkheden?
Waar een regeling als die, waarvoor wij hierboven het pleit hebben gevoerd, er nog niet is en de molens van den wetgever langzaam plegen te malen, ligt het
voor de hand uit te zien naar andere mogelijkheden.
Alen heeft gehoopt, dergelijke mogelijkheden te
kunnen vinden in de Wet van den 24sten Mei 1935
tot het algemeen verhindend en onverbindend ver-
klaren van oudernemersovereenkomsten. Bij deze wet
is immers de mogelijkheid geschapen om aan afspra-
ken tusschen ondernemers bindende kracht te verlee-
nen, en het is bij herhaling uitgesproken, dat ook de
middenstand van deze wet zou kunnen profiteeren.
Als eischen voor een zoodanige verbindendverklaring
stelt de wet, dat de betrokken overeen komst overwe-
gende beteekenis moet hebben voor den bedrijfstak,
welke de bindendverklaring aanvraagt, terwijl ook het
algemeen belang bindendverklaring moet vereischen.
Uitgaande van deren gedachtengang heeft men nu
in het bakkers- en in het slagersbedrijf beproefd een
overeenkomst tusschen patroons uit de betrokken
branche in een bepaalde stad bindend verklaard te
krijgen. In beide gevallen ging het om het bindend
verklaren van een minimumprijs.
De bakkers, het is van algemeene bekendheid, zijn
in deze poging gelukkiger geweest dan de slagers. De
Amsterdamsche ondernemersovereenkomst in het bak-
kersbedrijf is verbindend verklaard, de door de slagers
aangeboden overeenkomst heeft het niet eens kunnen brengen tot de Commissie van Advies uit den Econo-
mischen Raad, ex art. 8 van de bovengenoemde wet.
Nu is het waar, dat tusschen beide branches met
betrekking tot de prijzen een aanzienlijk verschil be-staat. Brood is een product, met beter te omschrijven
kwaliteitsverschillen, waarbij prijzen derhalve ook
niet zoo sterk kunnen uiteenloopen als in het slagers-
bedrijf, waar niet alleen kwalitatief zeer groote ver-schillen bestaan, maar waarbij het bovendien uiterst moeilijk is verband te leggen tusschen den prijs van
de grondstof en dien van de veelheid der daaruit voort-
komende producten. De bakkers konden dan ook voor
den dag komen met een regeling, waarin een zeker
verband was gelegd tusschen den
prijs
van de voor-
naamste grondstof en dien van het eindproduct brood;
voor de slagers was dit uitgesloten.
Dit punt was evenwel van zeer groot belang. De

Overheid stond en staat nog – en wie zal het haar
euvel duiden? – uiterst gereserveerd tegenover po-
gingen tot verbindendverklaring van minimumprijzen
voor eerste levensbehoeften. De redenen hiervoor lig-
gen, vooral in tijden van groote werkloosheid en da-
lende conjunctuur, voor het grijpen. En nu kon de
bakkerij door het leggen van het bovenaangeduide
verband tevens aantoonen, dat er een rem was tegen
benadeeling der consumenten door al te groote prijs-
opdrijving – dit woord dan gebruikt in den zin,
welke daaraan kon worden gehecht v56r de huidige
tijdsomstandigheden. Nochtans heeft liet heel wat
moeite gekost de Amsterdamsche bakkerij-overeen-komst verbindeud verklaard te krijgen.

In het slagersbedrijf voelde men zeer wel, dat ook
in de voor deze branche ontworpen regeling een rem
aanwezig moest zijn tegen onredeljke benadeeling
van den verbruiker. Men meende een goede oplossing te hebben gevonden door een deskundige, doch buiten
het bedrijf staande, een volstrekt veto-recht toe te
kennen. Als zoodanig had men zich den directeur van
het plaatselijke abattoir gedacht.
Het heeft niet mogen baten. Wel erkende de Mi-
nister met zooveel woorden, dat het slagersbedrijf met
groote moeilijkheden te kampen had, doch hij be-
schouwde verbindendverklaring van een prijsovereen-
Icomst niet als het meest geëigende middel om die
moeilijicheden op te lossen.

De moeilijkheden voor den middenstand bij de toe-
passing van de bovenbedoelde wet voor het tegen-
gaan van het prijsbederf zijn van tweeërlei aard: de
tegenzin van de Overheid in het verbindend verkla-
ren van prijsregelingen in het kleinbedrijf, vooral bij
eerste levensbehoeften, en het overwinnen van den
weerstand in eigen kring. De tweede moeilijkheid is
echter in de laatste jaren voortdurend kleiner gewor-
den: meer en meer heeft zich de overtuiging baan
gebroken, dat het zoo niet langer gaat. Zoolang er in ons land geen regeling bestaat in den
geest van die van onze Oosterburen, zullen de betrok-
kenen moeten blijven streven naar een oplossing via
de hierboven genoemde wet van 1935, omdat de mid-
delen uit eigen kracht en de goede uitwerking van
de vestigingswet ter bestrijding van dit euvel nu een-maal niet toereikend zijn.
Ook van andere zijde wordt dit pleit gevoerd. Voor
het als gevolg van de tijdsomstandigheden afgelaste 13e Congres van den Ned. R.K. Middenstandsbo.nd had de bekende middenstandskenner Dr. Van Beur-
den een prae-advies geschreven
3),
waaraan mede ten-
gevolge van het niet-doorgaan van het congres niet
die aandacht is besteed, welke dit geschrift oiigetwij-
feld verdient. Dr. Van Beurden wijst er op, dat ,,in geval van fellen prjzenstrjd” de verbindendverkla-
ring van een minimumprijsregeling behoort te wor-
den verleend, wanneer op redelijke wijze rekening is
gehouden met het cousumentenbelang. Deze schrijver
wijst er verder op, dat de Overheid er zelve toe heeft
medegewerkt om aan een andere groep bedrijfsgenoo-
ten, nl. de landbouwers, een minimumprijs – richt-
prijs – voor bepaalde producten te verzekeren, om-
dat het sociaal niet gerechtvaardigd kon worden ge-
acht, dat de overige Nederlanders zich extra-goedkoop
zouden voeden ten koste van een redelijke belooning
van den boer – een argument, dat na de jongste
uitlatingen van den Minister van Economische Zaken
zeker niet aan heteekenis heeft ingeboet! En even
onrechtvaardig lijkt het genoemden auteur nu toe om
een toestand te bestendigen, waarbij het Nederland-
sche volk sommige artikelen en diensten extra-goed-
koop krijgt ten koste van een redelijke belooning van
heele groepen middenstanders. Onnoodig te zeggen,
dat wij het met dit betoog volkomen eens zijn! Dr. E. J.
TOBI

3)
Dr. J. van Beurden: De Onderneers-overeenkornsten-
wat en haar bruikbnarhsid voor het middenstandsbedrijf;
Prae-advies voor
het
13e Congres van dan Ned. R.K. Mid-
denatandabond te
Arnhem
1939.

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

991

DE ONTWIKKELING VAN HET
AFBETALINGSSTELSEL IN NEDERLAND.

Uit het feit, dat er kort geleden te Rotterdam twee
nieuwe banken werden opgericht, die tot doel hebben
de financiering van afhetalingszaken, blijkt, dat dit stelsel zich in ons land verder gestadig ontwikkelt.
Zonder twijfel is dit onder meer te danken aan de
nieuwe wet over koop en verkoop op afbetaling, die
eenige jaren geleden in werking is getreden.
Koopcontracten, waarbij de koopsom in termijnen
wordt afbetaald, kende men al lang, maar eerst toen
in de jaren der hoogconjunctuur in navolging van
het Amerikaansche ,,instalment selling” ook hier te
lande groote met millioenen Guldens werkende onder-
nemingen zich uitsluitend met de financiering an
dergelijke afbetalingszaken bezig hielden, hebben
deze een groote uitbreiding ondergaan. Toen was
er hoegenaamd geen artikel, dat niet op afbetaling
kon worden gekocht, geen stadswijk, waarop niet een
afbetalingsbank haar agenten afstuurde. Termijnac-
cepten van kleine lieden, die vier, vijf en nog meer
endossementen droegen, kwamen tot zelfs in de wis-
selportefeuilles van de groote banken, totdat de crisis
aan deze zaken een plotseling einde maakte. De fi-
riancieringsinstituten stortten in elkaar en de gele-
den verliezen waren niet gering.
Maar de gedachte, die aan het afbetalingsstelsel ten grondslag ligt, is goed, en het was te verwach-
ten, dat dit stelsel, doch dan op meer gezonde grond-slagen, de crisis weer te boven zou komen. De geva-
ren van het afbetalingsstelsel of ,,huurkoop” zooals
thans de hiervoor g(-,bruikelijke naam is, schuilen
niet zoo zeer in de groote proporties, die het kan in-
nemen, dan wel in de verleiding voor minder koop-
krachtigen zich op al te gemakkelijke manier goede-
ren aan te schaffen, hetgeen hun zonder het afbeta-
lingsstelsel niet mogelijk zou zijn. Zoolang slechts productiemiddelen, zooals machines, op afbetaling
verkocht worden, is het risico zeer beperkt, aangezien
de termijnen uit de opbrengst der hierdoor geprodu-
ceerde goederen betaald kunnen worden. De bijzon-
dere aan het systeem verbonden gevaren beginnen
eerst, zoodra ook de verkoop van consumptie-artike-
len wordt gefinanceerd. Uit het verslag der Regee-
ringscomniissie, die het ontwerp der nieuwe wet uit-
gewerkt heeft, zij in verband hiermede de volgende
zinsnede aangehaald:

,,Vanaf het oogenblik, waarop het stelsel ook ten aan-
zien van verbruiks- en weeldegoederen in toepassing is
gebracht, heeft ht een vruchtbaren bodem gevonden in de
zucht van steeds breeder lagen der bevolking naar genot,
dat men, ten m’inrte voor het oogenbMk, niet betalen kan.
De mogelijkheid om ,,boven den stand te leven” is door het
stelsel ontegenzeggelijk uitgebreid. Afgealen van het mo-
reele nadeel daaraan verbonden, schept het een schijn van
gegoedheid, waarvan ook derden het slachtoffer kunnen
weiden. Dat alles is echter geen grond om het afbcita-
lingsstelsel in beginsel tegen te gaan. Het heeft een nieuwe
mogelijkheid van crediot geschapen, welke op zichzelf niet
anders dan toegejuicht kan worden.. Naeihines en andere
hulpmiddelen bij de productie kunnen op deze wijze ge-bracht worden onder het bereik van niet-kapitaaikrachti-
gen, wie daardoor een kans geboden wordt, welke hun
anders zou zijn ontgaan. Ook het koopen op afbetaling met
uitsluitend consumptieve strekking is uit dan aard niet
verwerpelijk. Deze koop kan inimers zijn een wijze van
belegging van gespaarde en op te sparen gelden, welke
voor velen veiliger is dan het bewaren in natura. De
vreugde, die daaruit voortvloeat, kan in vele gevallen groo-
ter zijn dan die van het kweeken van den interest te ver-
wachten is. Weegt man het voor- en nadeel tegen elkander
op, dan leidt dit tot de conclusie, dat de afbetalingsover-
eenkomst niet behoeft te worden verworpen om het mis-
bruik dat daarvan te maken valt.”
1)
1)
In een artikel van Dr. Emsiel Mallien over het ,,Bank-
krediet aan dan Verbruiker in de Vereenigde Staten”, ge-
publiceerd door het ,,Vlaarnsoh Economisch Verbond” komt
de schrijver tot het volgende besluit
:
,,Het krediet aan den
verbrhiker verstrekt aan een orvergroote massa van men-
sehen met geringe middelen de diensten van de banken
voor leeningen, hetgeen tot dan toe voorbehouden was aan

De regeling onder de wet van 1986.
Terecht heeft de nieuwe wet de mogelijkheid om
op afbetaling te koopen niet tot productiegoederen
beperkt. Het zou trouwens ook moeilijk
zijn,
om de
grens tu sschen productie- en consumptiegoederen scherp vast te stellen. Bekend is het voorbeeld van
den landdokter, die een auto koopt. Bij hem is het
onderwerp van het betreffende financieringscon-
tract te zelfder tijd productie- en consumptiegoed. Dat ook de huurkoop van weelde-artikelen geens-
zins te verwerpen valt, blijkt uit den stijgen-
den omzet van radio-artikelen, die op deze basis
verkocht worden. In een der laatste jaarverslagen
van Philips wordt de toeneming van den post ,,De-
biteuren” in de concern-balans ten deele toegeschre-
ven aan een verdere uitbreiding van het huurkoop-
systeem. Dat de. ervaring, die deze onderneming hier-
mede opgedaan heeft, gunstig is, kan worden afge-
leid uit het feit, dat de risico-premie, bij overneming
van het geheele huurkoop-contract van den radio-
handelaar in rekening gebracht, verleden jaar van
pOt. tot ijs pOt. per maand werd verlaagd, het-
geen beteekent, dat een handelaar zijn geheele risico,
voortvloeiende uit een huur-verkoop op 18 maanden
voor 3 püt. aan Philips kan overdragen.
Terwijl de financieele details van het huurkoop-
contract tusschen de twee, resp. indien de financiering
door bemiddeling van een bank geschiedt, drie par-
tijen onderling kunnen worden geregeld, zijn de be-
palingen, die den credietnemer-kooper willen be-
schermen tegen al te drukkende voorwaarden van
verkooper of bank en deze tegen de schade, die zij door een kwaadwilligen kooper zou kunnen lijden,
dwingend recht. Het op huurkoop-voorwaarden ver-
kochte artikel gaat pas in eigendom van den kooper
over na betaling van den laatsten termijn. Vroeger,
véér de wet van 1936, kon de verkooper reeds na
non-betaling van één termijn zijn eigendom terug laten halen, waar hij het ook vond, thans moet hij
zich tot den kantonrechter wenden met het verzoek
om beslag te leggen, terwijl van termijnverlies eerst
na gemiddeld twee maanden gesproken kan worden.
Ook kan de rechter thans de door den verkooper ge-
vraagde schadevergoeding, boeten ens. verlagen. In
de wet is echter geen waardegrens betreffende de op
huurkoopvoorwaarden te verkoopen artikelen vastge-
steld, zooals dit in Scandinavië wel het geval is. Ook
wilde men hier niet tot de invoering van het in
Duitschland gebruikelijke ,,Abzahlungsregister” over-
gaan, omdat hierdoor de gang van zaken te zeer be-
moeilijkt zou worden. In het algemeen is men met
de nieuwe wet, die thans drie jaar in werking is, te-
vreden, zij heeft de omzetten bevorderd en de zeker-
heid voor beide partijen verhoogd zonder door al te
gestrenge bepalingen aan verkooper en financieririgs-
instituut last te bezorgen. Overheidstoezicht door
een bijzonder orgaan, zooals dit door sommigen ver-
langd werd, wordt niet uitgeoefend. Het is niet ge-
bleken, dat hieraan behoefte zou bestaan. Voor de afwikkeling der afbetalingszaken heeft zich
in den loop der laatste jaren een procédé ontwikkeld,
dat, afgezien van enkele uitzonderingen, in ons land
algemeen gebruikelijk is. Komt bijv. bij een autohan-
delaar een klant, die een bepaald merk op afbeta-
ling wil koopan, dan deelt de handelaar zulks mede
aan zijn bank, dat is het financieringsinstituut,
waarmede hij geregeld dergelijke zaken doet. Er

handelaars, nijveraars en personen met een betrekkelijk
groet vermogen
;
voor de kredietinstellingen zelf is deze
vorm van krediet zeer belangrijk als nieuwe uitweg voor
hun overvloedige geldmiddelen met een interessant rende-
ment, daar waar de kredietverstrekking met voorzichtig-
heid wordt geleid en de behandeling wetenschappelijk is
georganiseerd; tenslotte voor de economische organisatie in het algemeen ban het krediet aan dan verbruiker, niet-
tegenstaande de gevaren waartoe een overdreven krediet-
verstrekking zou kunnen aanleiding geven, grootendeels
bijdragen tot een ordelijke organisatie van dan verbruiks-
factor.”

922

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

word t een aanvraagforniulier i ngevulcl, waarin alle
nood i’e gegevens omtrent clan k-ooper en den w’ageî
worden verstrekt. Gaat de bank met het voorstel ac-
cöorcl, dad schrijft zij voor, hoeveel (meestal een vier-
de gedeelte van cle koopsom) de kooper contant moet
betalen, terwijl hij vbor het restant maandelijks ver-
vallende accepten moet teekenen. De looptijd is
meestal twaalf of achttien maanden, maar kan ook
hoogstens vierentwintig maanden bedragen. De accep-
ten worden meestal n jet meer, zooals dit vroeger het
geval was, door den handelaar (soms zelf door dei im-
porteur) voor aval geteekend. Wol moet de handelaar
der huurkoopovereenkomt mede-onderteken en, waar-
mede hij verklaart ,,dat de wagen zijn uitsluitend en
geheel onbezwaard eigendom is en dat hij tegenover
den kooper op zich neemt al die verplichtingen, welke
op hem zouden rusten, indien deze den wagen van
hem contant zou hebben gekocht; tegenover de bank
verklaart hij ervoor in te staan, dat de handteeke.
uingen op de accepte.n, die zijn van den kooper en dat hij den wagen aan de bank heeft verkocht door
aflevering ingevolge haar opdracht aan den kooper.”
Men ziet hieruit, dat dé handelaar, ook al heeft hij
geen wisseiverplichting
01)
zich genomen, een zekere
aansprakelijkheid tegenover de bank heeft….ij fun-
geert als een soort vertrouwenspersoon voor deze, en
zij accepteert slechts cle voorstellen, clie zij van bona
fide handelaren ontvangt. Het is vroeger weleen.s
voorgekomen, dat aan dé bank als koopsom de cate-
logusprijs van een wagen werd opgegeven met de me.
decleeling, dat de kooper een voorschot van 75 pOt.
weuscht te ontvan..en. Inmiddels was deze met zijn
handelaar overeengekomen, dat hij de gebruikelijke
korting op den catalogusprijs verkrijgt, zoodat hij in
werkelijkheid niets contant behoefde te betalen en het
geheele risico van de transactie op de bank drukte.
Het verlangen van een voorschot-geschiedt n1. niet
slechts ter veigeinakkeljking van de financiering,
maar ook om op den kooper een pressie uit te oefe-
nen zijn verplichtingen stipt
na
te komen.

Wericing der financeringsinstitu1en.
De fina.ncieringsinstitu.ten, die met betrekkelijk
klein kapitaal werken, hebben cle medewerking der
groote banken noodig. 1-let is kenteekenend voor het
vertrouwen, dat zij genieten, dat deze alsmede cle eer-
ste bankiershuizen bereid waren hun vaste credieten toe te zeggen. Ter meerdere zekerheid van deze ere-
dieten ontvangen de banken de afhetalingswissels als
onderpand, waarop zij een voorschot van 60 75 pOt.
geven. De verhouding tusschen eigen en vreemd geld
moet vanzelfsprekend bij instellingen., die afhetalings-
zaken financieren, anders zijn dan hij gewone banken.
Trots alle voorzichtigheid en verlangde zekerheden
heeft een afbetalingstransactie meer risico voor den
credietgever dan een gewoon zake.ncrediet. Derhalve
zal de derde geldgever erop letten, dat zijn crediet
niet veel hooger is dan het kapitaal van het finan-
cieringsinstitu.ut.
Gezien het hooger risico en de hoogere kosten, die de financieringsinstituten voor de hun verleende ere-
clieten moeten betalen, is het begrijpelijic, dat zij een
soort risicopremie aan hun klanten berekenen, die
1oms als zoodanig wordt berekend, soms in de debet-
rente ingesloten is. In het laatste geval zal deze bij
een huurkoop van twaalf maanden circa 7 pOt. over de
koopsom bedragen, wat uitkomt op 134 pOt. p. jaar.
Hiervan afgezien trelcken de financi eringsinstitu ten
profijt uit het afsluiten der contractueel voorgeschre-
ven verzekering van de verkochte goederen, welke
verzekering zij bemiddelen en waarvoor zij de afsluit-
provisie incasseeren.
Er bevindt zich thans in Nederland rond een dozijn
instellingen, clie zich uitsluitend met de financiering
van afhetalingszaken bezig houden, waarvan de groot-
ste met enii eigen kapitaal van een millioen Gulden
werkt. Behalve in Amsterdam, Rotterdam en Den
1-Jaag, vinden wij zulke instellingen ook in de pro-vincie, zoo in Utrecht, Groningen en Heerlen. In de

hoofdstad bestaat een Tereeniging
‘Lii
Directeuren
der 1? inn ncierings Maatschappijen, waarbij ecliter niet alle instellingen aangesloten zijn. 1-let doel der
genoemde vereeniging is het opstellen van gelijklui-

dende voorwaarden en het bijhouden van de z.g.
,,zwarte lijst”, waarop dle namen van nalatige debi-
teuren worden genoteerd. Hierdoor moet worden ver-meclen, dat aspirant-koopers, die door cle eene maat-
schappij werden afgewezen, hij een andere pogen
het gewenschte crediet.te verkrijgen. Waar zulk een
crediet vooral op de bon iteit van den kooper geba-
seerd is – het onderpand verliest immers daidelijk
na in gebruik te zijn genomen een groot gedeelte van
zijn oorspronkelijke waarde – moet deze onderlinge
samenwerking der fi nancienin gsmaatsc]iappijen als
een belangrijke voorwaarde voor een goeden gang van
zaken worden beschouwd.

De omzet in financieringszaken kan voor een nor-
maal jaar op zes millioen Gulden worden geschat.
Hierin
zijn
niet begrepen de transacties, die door
groote in diustrieele ondern cm
in
gen rechtstreeks of
door bemiddeling van haar eigen verkooporganisaties
worden, afgesloten. In cle laatste jaren werd het
steeds meer gebruikelijk, dat groote fabrieken of im-porteurs van radio-artikelen, stofzuigers, koelkasten,
wasehmachines enz. hun huurkoopcontracten met
eigen middelen finaucierén. Zij volgen hierbij het
voorbeeld van hot General Motors Concern, dat voor
dit dloeleindle een eigen maatschappij cle General
Motor Acceptance Company heeft opgericht, w n
aarva
het Europeesche hoofdkantoor te Antwerpen is.
Wij zijn hier nog wel ver van de Amerikaansche
omzetten. Volgens een. statistiek van het Amerikaan-
sche departement van handel, maken de afhetalings-
contracten in de Tereenigde Staten ongeveer 14 pOt.
uit van de totale handelsomzetten in dat land. In-
dien in Nederland het, afbetalingsstelsel op een derge-
lijke wijze toepassing vond, dan zou zulks heteekenen,
dat het totaal der efbetahngscontracten hier te lande
per jaar niet ver van het miljiard zou afhlijven! Het
besluit van den Amerikaanschen Federal Reserve
Board om ook afhetalingspapier toe te laten tot het
herdisconto van de Fecleral Reserve Banken heeft aan
het stelsel een nieuwen impuls gegeven. Wij kunnen dit
uit de laatste jaarcijfers van twee der grootste Ame-
rikaansche ondernemingen op dit gebied zien: bij de
Coiumercial lnvestrnent Trust Corporation (de Ford-
organisatie) steeg cle omzet in het afgeloopen jaar
van 359 tot 478 millioen Dollar, en hij de Commer-cial Credit Oompany (de financieringsmaatschappij
van Chrysler) van 269 tot 342 millioen Dollar. In cle
Vereenigde Staten, waar behalve de ,,Finance Compa-
nies” en de ,,Mornis Plan Banken” ook de groote De-
posito Banken (alleen hij de National City Bank be-
droeg het totaal der ,,personal loans” op instalment basis 70 millioen Dollar in 1938) haar bemiddeling
verleenen hij liet afsluiten van afhetalingstransac-
ties heeft dit stelsel niettegenstaande den terugslag, dien het
tijdens
de crisis geledien heeft, een
omvang
:

bereikt, die met een totaal bedrag van 434 milliard in
1936 niet veel kleiner is dan vSSr de crisis.

in Nederland zijn de perspectieven voor de verdere
ontwikkeling van het afhetalingsstelsel vrij gunstig.
Waar meer dan de helft van alle afhetalingszaken
den verkoop van automobielen betreft, is het zeer be-
langrijk, dat het autoverkeer door de verbetering der
rijkswegen, door de nieuwe bruggen, door de afschaf-
fing der tollen enz. zeer bevorderd wordt. Natuurlijk
zal deze opwaartsgaande beweging door den oorlog
tijdelijk geremd worden – uit Amerika komen min-
der wagens, Duitschland echter, waarvan de meeste
vrachtwagens wordien geïmporteerd, levert tot nu toe op de vastgestelde tijden. – maar men kan niet zeker-
heid verwachten, dat het automohielverkeer na het
einde van den oorlog geweldig toe zal nemen, waaruit
de finaucieringsniaatschappijen zonder twijfel haar
voordeelen zullen trekken. –

Dr.
0. RON ART.

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

923

DE KATOENEXPORT DER VEREENIGDE

STATEN.

Nog steeds zijn de Termrtigde Staten de belang-
rijkste producenten ter wereld van ruwe katoen. De
overheerscliende positie, clie zij Van ouds
bezaten,
is
echter wel zeer sterk verminderd. Toornarnelijlc na
den oorlog 1914-18 nam de productie der overige
landen toe, terwijl nieuwe concurrenten opdaagden.
De luerna volgende getallen geven een duidelijk in-
zicht in de productieverschuivingen. Dat deze cijfers
met een tusschenpoos van 4 jaren genomen zijn, doet
aan de tendens niets af.

Productie vani ruwe katoen
t)
(iii
duizenden bal&n)

Seiaoenjaren

Ver. Staten Overige landen Totaal

1015-16 …………11.192

7.218

18.410
1920-21 …………13.440

6.225

19.665
1925-26 …………16.104

10.555

26.659
1930-31. …………

13.932

11.548

25.480
1935-36 …………10.638

16L370

27.008
1938-39 …………11.944

16.400

28.344
1939-40
ranling

11.792

Produceerden de Vereenigde Staten in 1915 nog
omstreeks 60 pOt. der wereldp.rocluctie, in 1938 is
dat percentage reeds geslonken tot omstreeks
42
pCt.
Nog duidelijker spreekt deze achteruitgang in posi-
tie bij een vergelijking der verbru ikcijfers van alle
spinnerijen ter wereld, met uitzondering van die der
Veree.nigde Staten.

(in cl u iznc1en balen)
Seizoen jaren
1)

Arne r. katoen Overige katoen To.taal

1915-16 ………….(lOSS

8.622

15.580
1920-21. ………….

5.591

6.421

12.012
1925-26 ………….7.834

9.640

17.474
1930-31 . ………….

5.972

11.167

17.139
1935-36 ………….6.282

1.4.994

21.276
1937-38 ………….5.254

16.503

21.757

Uit het bovenstaande blijkt wel heel duidelijk, dat het buitenlandsche verbruik van Noord-Amerikaan-sche katoen geen gelijken tred houdt met het toene-
mende verbruik aan andere katoen. Dekte de were1d behalve de Vereenigde Staten, in 1915 zich nog voor
45 pCt. harer behoefte in laatstgenoemd land, in
1937 is dit percentage reeds geslonken tot omstreeks
25 pOt. De binnenlandsche consumptie breidde zich
bij lange na niet in hetzelfde tempo uit als die der
andere landen. De volgende getallen toonen de ver-
bruikscijfers aan der Tercenigde Staten zelf, die der
overige landen van Noord-Arnerikaansche katoen en
den heschikharen voorraad. Tot v66r 1925 was de
grootte van den voorraad aan het einde van het sei-
zoe.njaar steeds omstreeks de drie millioen balen..

Noord-Ainerkaanscihe katoen ‘).
Ve
…bruik, export en
voorraad (i
Ik
ddjizclldefl balen).

Seizoen jaren

Verbruik Export Voorraad
op 31 Juli
1925-26 ……….6.176

7.834

5.501
1926-27 ……….6.880

8.868

7.845
1927-28 ……….6.535

9.041

5.206
1928–29 ……….6.778

8.448

4.517
1929-30 ……….

5.803

7.218

6.187
1930-31 . ……….

5.084

5.972

8.976
1931-32 ……….4.744

7.784

13.263
1932-33 ……….6.004

8.381

11.809
1933-34 ……….5.553

8.227

10.701
1934-35 ……….5.241

5.965

9.041
1935-36 ……….6.220

6.282

6.998
1936-37 ……….7.768

5.325

6.235
1937-38 ……….5.616

5.254

13.71.2
1938-39 ……….-

14.030

Toenemende binnen lan dsche voorraden, afn.emencle
exporten en weghlijvende vermeerdering van den bin-
n enlandsclien afzet ondanks alle maatregelen.

Oorzaken van clan acht erwit gancf.

De achteruitgang der positie van producent was
tot het uitbreken der crisis in 1929 nog niet zoo zorg-
wekkend. In bovenstaande statistiek zien wij welis-

1)
U.S. Dept. of Agr.iculture. N.Y. Cotton Exehange 5cr-
vee. Basis data.

waar bedluidende schommelingen in het voorraadcijfer
aan liet eind van ieder seizoen, doch in 1929 is dit
tot 434 millioen gedaald, een getal, dat vrij normaal
genoemd kan worden. Zooals reeds uit vorenstaande
cijfers bleek, is de katoenproductie der overige landen
in cle afgeloopen 25 jaar meer dan verdubbeld. Naast
de voornaamste concurrenten, Egypte e.n Britsch-
Indië, ontstond een. groote ontwikkeling der katoen-
cultuur in Rusland, Brazilië, China en Peru. De pro-
ductie van Rusland wordt voor het overgroote deel
in het land zelf verbruikt en coucurreert derhalve
niet met de Noord-Amerikaansche katoen. Geheel
anders is dit echter met de katoen van Brazilië en, in mindere mate, ook met Peru liet geval. Deze soorten
bezitten bovendien de eigenschappen in hooge mate
de Noord-Anierikaansche katoen te kunnen vervangen.
Maurica Cooper (Cotton Trade Journal Intern.
Edition 1938) schat het aantal balen ,,commercial
cotton” der andere landen in de drie jaren, eindigen-
de in het seizoen 1936-37, op gemiddeld 4 millioen
halen per jaar of wel 44 pOt. meer dan de gemiddelde
jaarproductie over de periode 1928 tot 1933. De prij-
zen, welke in de overige landen voor de katoen betaald
moeten worden, zijn geheel en al afhankelijk van die,
welke in de Vereenigde Staten gelden. En het lijdt
dan ook Ceen twijfel, dat de roductiebeperkings-
schema’s der Vereenigde Staten niet alleen tot gevolg
hadden, dat de prijzen in Amerika zelf, doch ook die
van de overige katoen produceerende landen stegen.
Welke laatsten, als gevolg hiervan, overgingen tot een
zeer sterke productie-uitbreiding (Brazilië).
De toenemende overheidsbemoeienis met de katoen-
cultuur treft men niet alleen in de Veree.nigde Sta-
ten aan, doch ook in alle andere productielanden. Vele
regeeringen zien groote mogelijkheden in den katoen-
verbouw en moedigen dezen dan ook aan. Ook aan een
toeneming der opbrengsten per oppervlakte-eenheid,
wordt in deze landen aandacht geschonken. Egypte
verovert afzetgebieden in Europa en in het Verre
Oosten, terwijl Britsch-Indië zijn exporten naar liet
Vereenigd Kon
. .inkrijk ziet toenemen. Brazilië, met
een steeds toenemend eigen verbruik, zoekt afzetge-
bieden voor de overschotten en slaagt hierin d.rn.v.
ruilovereenkomsten zeer goed (Duitschiand). In
welke mate de kunstzijdeproductie remmend op liet
katoenverbruik werkt, valt nog moeilijk te bepalen.
Cooper geeft een aantal factoren aan, welke de hoef d-
oorzaken zijn van de achterui tgaande exportpositi e
van de Vereenigde Staten. Deze zijn:
lo. Een vermindering van den aanplant van katoen
in de Vereenigde Staten en een mindere geneigdheid
katoen aa.n den handel te verkoopen, wat weer te wij-
te.n is aan cle overheidsbemoeienis tav. liet te be-planten areaal resp. de mogelijkheid katoen hij de
Regeering tegen hoogere dan de geldende rnarktpr.i.j-
zen, te heleenen.
2o. De vermeerderde katoenverbouw in de andere landen, welk voor deze landen zeer voordeelig w’as.
De oorzaak hiervan is te vinden in de maatregelen
getroffen door de Vereenigde Staten, de zeer groote
devaluatie der munteenheden der betrokken landen
en de overheidsbemoeienis t.a.v. productie en afzet.
3o. Een vermin çlerde bui tenlandsche vraag tenge-
volge van een verschuiving der ,,spindle” capaciteit
van eenige landen ten gunste van het Verre Oosten
en de heffing van beschermende en preferentieele
tarieven in vele landen.
Maatregelen, getroffen door de Vereenigcle Staten.

De maatregelen, tot voor kort hier getroffen, had-
den tot doel de katoenboeren te steunen. Eerst kort
geleden is men, zich
01)
de bemoeienis met den export
zelf gaan, toeleggen. De lage prijzen, immers, hadden,
naast de vrij geringe buiteniandsche concurrentie, in
de eerste crisisjaren geleid tot een zelfs toenemenden export! De toenemende buitenlandsche concurrentie,
voornamelijk nh 1935 en de groote overschotten uit
liet oogstjaar 1937 dwongen toen pas tot maatrege-

924

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

len, die de groote overschotten moesten doen ver-
minderen.

In het seizoen 1929-30 werd (tOor de Amerikaan-
sche .Llegeering voor liet eerst ingegrepen. De be-
kende Feclertl ifarm .Boarcl wilde door middel van
heleeningen op katoen den prijs van dit artikel steu-
nen. Tot 1932-33 werd deze politiek gevolgd, liet
resultaat was een netto-verlies van ‘$ 140.000.000, ter-
wijl cie katoeriprijs aldoor was gedaald. De gemiddelde

prijs van Middling ,,spot cotton” te New-York be-
droeg in 1929 19.73 ets. per ib. tegen 7.37$ ets. in
1933. De Farm Board gaf als reden van het misluk-
ken van zijn politiek op, dat het onmogelijk was den
prijs te steunen, zoolang hij ook niet de productie kon
heheerschen. Sedert past de Amer. Regeering naast de
beleeni.ngspolitiek ook de productieregeling toe. Door
de devaluatie van den Dollar, de inkrimping van het
katoenareaai en de betere conjunctuur stegen de
prijzen en bleven tot liet seizoen 1937—’38 tussehen
cle 11 en 12 $ ets. liggen, om daarna weer scherp te
dalen.

Afnernende export, toenemende concurrentie op de
buiten lan dsche katoenafzetgebieden, lage katoenpr ij-
zeii en steeds toenemende voorraden! Daarbij kwam
nog, dat het grootste deel dezer voorraden door mid-del van haar heleenirigspolitiek door de Reeering uit

de markt was genomen. De onzekerheid, wat er met
deze voorraden uiteindelijk geschieden moest, hing
als een schaduw boven de markt!
Toen werd op 27 Juli 1939 een maatregel getrof-fen, welke beoogde, een ,,fair share” van den inter-
n.ationalen katoenharidel te heroveren. De katoensub-
sidie. Een bedrag van $ 36.000.000 werd hiervoor be-
schikbaar gesteld, waarvan, naar men kan aannemen, $ 30.000.000 voor den export van ruwe katoen alleen
besteed zal worden
2).
De subsidie werd aanvankelijk
op 1 $ ets. per lb. gesteld.
Sinds 1 Augustus van, dit jaar beweegt de uitvoer zich tot dusver op een ongeveer 50 pOt. hooger peil
dan gedurende den overeenkomstigen tijd verleden
jaar. Door de ruilovereenkomsten, welke de Amen-kaansche Regeering met andere landen sloot (Enge-
land) en andere directe buitenlandsche Regeerings-
aankoopen, hoopt de Amerikaansche Regeening voor
ongeveer 1 millioen balen, uit haar voorraad van bij-
kans 11 millioen, afzet gevonden te hebben. Sedert is
ook cle afzet in het eigen land veel grooter dan ver-
leden jaar.

Op 5 December jl. werd de subsidie tot de helft
verlaagd, om vervolgens op 7 December en 11 Deceni-
her verder verlaagd te worden tot resp. 0.40 en 0.20
$ ets. per lb. De prijzen in het buitenland reageerden
met een flinke verhooging. Doch ook de prijzen in

de Vereenigde Staten konden zich voortdurend ver-
beteren. Gedeeltelijk sproot dit voort uit den grooten
lust van het buitenland nog ,,koopjes te halen”, doch grootendeels werd dit veroorzaakt door de sterk ver-
beterde vooruitzichten voor de Noord-Amerikaansche
katoen zeIl.

Minister Wallace raamt, dat sedert 27 Juli ji.
5.700.000 halen katoen voor export met subsidie ver-
kocht zijn. hiernaast blijkt het hinne.nlanclsche ver-
bruik zich zeer gunstig te ontwikkelen. Thans wordt
reeds geschat, dat uit de beleeniog 1938 omstreeks
2 mi.11ioen balen afgelost moeten worden om aan de
vraag te kunnen voldoen. Dat de katoenexport-subsi-die binuenkort wel zal worden afgeschaf t, ligt, nu de
vraag naar Noord-Amerikaansche katoen dermate is
toegenomen, wel voor de hand. Hoe ook, de voorra-
den aan het eind van dit seizoen zullen een scherpen
teruggang toonen, tengevolge van den toenemenden
export, het toegenomen binnenlandsche verbruik, de
getroffen ruilovereenkomsten en den te verwachten
lageren oogst (t.o.v. dien van het seizoen 1938—’39).

G. A. PARIS.

2)
Het overige deel zal besiteed moeten woi’den aan den
export van katoenen fabri katen en admi nistrajtiekosten.

AANTEEKENINGEN.

Prijscontrôle in Groot-Brittannië

Een van cle verschijnselen uit den vonige.n oorlog,
die krachtig in de herinnering zijn blijven voort-
leven, is de sterke verhooging van de kosten van het
levensonderhoud. Een dergelijke
stijging
te voorko-
men, was dan ook een van de eerste beloften, die de
Britsche Regeering hij liet uitbreken van den huidi-
gen oorlog heeft gedaan; de Prices of Goods Bill is
de vervulling van die belofte. (Op het oogeoblik, dat
The Economist van 21 October, waaraan deze be-
schouwing ontleend werd, ter perse ging, duurden de
debatten over deze Bill in het Lagerhuis nog voort.
Op 10 November was het resultaat ervan nog niet
bekend). liet doel van het wetsontwerp is, te voor-
komen., dat de prijzen meer stijgen, dan overeenkomt
met de stijging der kosten, rechtstreeks tengevolge
van den oorlog.
De toegestane prijs wordt gedefinieerd als te be-
staan uit twee elementen. Ten eerste de prijs gedu-
rende den gewonen gang van zaken op 1 Augustus
1939; eventueel kan een andere datum als basis ge-
nomen worden, wanneer 1 Augustus ongeschikt of on-
billijk is. Ten tweede een verhooging van dien prijs
voor stijgingen van productie- en verkoopkosten van-
af dien datum. Den Board of Trade, waaraan de uit-
voering van de wet zal worden opgedragen, zal ver-
gaande bevoegdheden dieuaa.ngaande verleend wo r-
den. Worden de prijzen teveel omhoog gedreven en
ontvangt de Central Regulation Committee daarvan
een mededeeling, dan kan deze aan den Board of
Trade verzoeken om een vervolging in te stellen. Op
cle prijzen van exportartikelen heeft een en ander
geen betrekking.

Over prijsregelingen is veel ervaringsmateriaal te
vinden in de Vereenigde Staten en wel in de be-
schouwingen over de Fair Trade Legislation. Er is daarbij echter een groot verschil op te merken met
den liuidigen toestand in Engeland, nI. dat in de
Tereenigde Staten liet doel der wetgeving was, in
vredestijd een sterke prijsdaling te voorkomen. In
Engeland is het doel der wetgeving evenwel een
pnijsverhooging te voorkomen in den tegenwoordigen
oorlogstoestand.

Grether, in zijn boek: Price Control under Fair
Trade Legislation, geeft een uitgebreid overzicht van
de maatregelen ter heheersching van de kleinhandels-
prijzen in de Vereenigde Staten. Vier gezichtspunten
daaruit zijn van groot belang voor de Britsche ‘toe-
standen, namelijk:

lo. Alleen goederen niet bepaalde, karakteristieke eigenschappen kunnen gemakkelijk onder een prijs-
regeling worden gebracht, bijv. merkartikelen, of die,
welke gedistnibueerd worden door een georganiseerd
verkooplichaam en waarvoor een constante vraag be-
staat, zooais pharrnaceutische artildelen. Een groot
gedeelte van de goederen, wolken prijzen vermoedelijk
gecontroleerd zullen worden, als de Board of Trade orders gaat uitgeven onder de Prices of Goods Bill,
zal echter buiten de klasse vallen, die het meest vat-
baar is voor zoo’n contrôle, in het bijzonder de voe-
dingsmiddelen.
2o. Prijsvaststellingen zijn uiterst moeilijk door te
voeren in tijden van snelle economische veranderin-
gen. Pogingen hiertoe worden thans dan ook wel on-
der de slechtst mogelijke omstandigheden gedaan, na-
melijk in een economische opleving tengevolge van
den oorlog.
3o. Hoe goed de wetgeving ook is, het is vrijwel
ondoenlijk om rekening te houden niet alle liste.n, die
de handel en liet publiek toepassen om de regelingen

te ontduiken. liet is nu minder dan ooit een tijd,
dat men zich de luxe van lang en kostbaar expenimen-
teeren en ,,lapwerk” kan permitteeren.
4o. Geen pnijscontrôlemaatregelen kunnen effôcf,ief
zijn in een economie, waarin fuudameuteele factoren
als de geidhoeveelheid, het interestpeil, de helastin-

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

925

gen en de vercieeling van cle beschikbare goederen-
hoeveelheid zijn geregeld volgens uiteenloopende be-
ginselen, of zelfs geheel aan zichzelf zijn overgelaten.
Door alleen de kleinhandeisprijzen te controleeren
kan de aandacht afgeleid worden van de meer funda-
menteele en belangrijke factoren, die tot een econo-mische ontwrichting leiden. Bovendien is het aantal
kleinhandelaren zoo groot, dat zij door een onderlinge stilzwijgende overeenkomst een aanzienlijken drtik in
de richting van een veronachtzaming van de prijs-
vaststellingswet kunnen uitoefenen.
i:[et bovenstaande werd door The Economist niet
bedoeld als een aanval op den maatregel van de Re-
geering, want die is zoo goed als een beperkte maat-
regel maar zijn kan, maar er is geen reden om aan
te nemen, dat cle Bill alléén het gestelde doel zal
kunnen verwezenlijken. Deze zal pas effect hebben als
integreerend onderdeel van een geheele oorlogseco-
nomie. De wortels van het kwaad, dat zij tracht te
bestrijden, liggen dieper, ni. in de financiering van
de toegenomen Overheidsvraag met geldmiddelen vol-
gens inflatorische methoden verkregen en in een phy-
siek goederentekort. Het belastingstelsel moet dan
ook zoo zijn, dat de bevolking geheel ef gedeeltelijk verhinderd wordt, de kleinhandelsprijzen op te cirij-
ven. Dat kan dan gepaard gaan met de overreding valt
de bevolking om meningen aan den Staat te verstrek-
ken. Tenslotte zal een rantsoeneeringssysteem inge-
voerd moeten worden, op voldoende groote schaal, om
de normale handelstransacties buiten werking te stel-
len, teneinde het maken van oorlogswinst tegen te
gaan.
De Prices of Goods Bill zal dus alleen slagen en
economisch gezond zijn, wanneer zij een onderdeel
van de geheele economische politiek uitmaakt. Indien
echter, door welke oorzaak dan ook, de oorlog met in-
flatorische middelen gefinancierd zou worden, dan
zullen noch de Bill, noch andere, scherpere maat-
regelen erin kunnen slagen, een prijsstijging te voor-
komen. Onder zulke omstandigheden zal het zelfs on-
gewenscht zijn, de prijzen laag te houden, want als cle
Regeering zich de door haar noodig geachte voor-
raden niet verschaft met middelen, verkregen uit de
belastingen of uit het leenen van vrijïwiilige besparin-
gen, dan is een prijsstijging de eenige manier, waal-
door cle consuniptie verminderd kan worden in de
mate als noodig is, om arbeid, grondstoffen en kapi-
taaluitrus ting vrij te maken voor oorlogsdoele laden.
De huidige Prices of G-oods Bill zal alleen succes
hebben, wanneer zij niet noodig is, concludeert The
Economis t.

Eenige opmerkingen over de recente ontwikke-
ling van de filmindustrie.

Op grond van gegevens, die wij aantreffen in
eenige economische periodieken
1),
kunnen wij ons
een beeld vormen van den toestand in de Engelsche,
Duitsche en Amerikaansche filmindustrie. Reeds voor
den oorlog blijkt de situatie nergens zeer gunstig te
zijn geweest; de aard der moeilijkheden brengt mede,
dat wij onder de huidige omstandigheden geen ver-
betering kunnen verwachten.

Engeland.

Hier heeft de filmiaclustrie, ondanks beschermende
maatregelen van de regeering, nog geen grooten bloei

gekend. De Quota-Act van 1927 vormde het eerste
overheidsingrijpen ;zij had ten doel de Engelsche pro-
ductie te stimuleeren: de filmverhuurders en bios-
coopeigenaren moesten op het totaal aantal verhuur-
de, resp. gedraaide, films een zeker percentage Engel-
sche werken brengen, dat van oorspronkelijk 7 tot 20
pOt. over 1937/38 opliep. Hierbij werd een systeem
van invoerlicenties toegepast: wie bijv. 8 films wilde

‘) ‘,Der Wiri€schaftsring” van
21 April 1939, ,,The
A.ntUst” van 14 Sept.
1939, de
,,Frkf.
Z’tg.”
van
26
Octo-
ber
1939
en ,J)he Economist”
van 28
October
1939.

importeeren, moest het bewijs overleggen, dat hij
daarnaast 2 Engelsche werken zou exploiteeren.
Op deze wijze heeft men wel een stijging van het
aantal per jaar geproduceerde Engelsche films be-
reikt (van 91 in 1927 tot 228 in 1937), maar daar-
onder namen de z.g. ,,Quota-Quickies”, korte onbe-
langrijke films, die men slechts vervaardigde om in-
voerlieenties voor lange speelfilms te verkrijgen, een groote plaats in.

De Quota-Act liep 31 Maart 1938 af, en werd ge-
volgd door een nieuwe filmwet, die de hinnenlandsehe
productie zoowel als den intern ationalen ruil moest be-
vorderen. Met het doel de ,,Quota-Quickies” te weren,
en de kwaliteit te verbeteren, werden twee maatrege-
len genomen.

In de eerste plaats werd het percentage Engelsche
films in het verhuuraanboci iets hooger gesteld dan
in het aantal gedraaide films; deze differentiatie
moest den hioscoopeigenaar in staat stellen een zekere
selectie op het Engeische aanbod toe te passen.
In de tweede plaats werd een minimum arbeidskos-
tengrens van £ 7500 per film vastgesteld; bij het
geven van de invoerlicenties zou één Engelsche film,
die drie-, resp. vijfmaal dit bedrag gekost had, als
twee, resp. drie films gerekend worden.
Inderdaad heeft men zoo eefi aanmerkelijke kosten-stijging per film (van £ 25.000 in 1937138 tot £ 55.000
in 1938/39) bereikt. Het aantal fiFms liep echter zeer
ernstig terug, hetgeen mede te wijten was aan een
financieel schandaal, tengevolge waarvan het binnen-
landsche kapitaal zich sterk terugtrok.

Op het oogenblik vreest men in Engeland een vol-
ledige opheffing der filmcontingenteering, die moge-
lijk het einde der Engelsche filmindustrie zou kunnen
beteekenen.

De Vereenigde Staten.

Onmiddellijk na het uitbreken van den oorlog zak-
ten de aandeele.n van de Amerikaansche filmindustrie
sterk in koers.

Dit hield in de eerste plaats verband met de slui-
ting van de Engelsche bioscopen – die intusschen
weer ‘bijna geheel is opgeheven -, wat begrijpelijk
wordt, indien men weet, dat van het totale inkomen
der Amerikaansche producenten 40 pOt. van buiten
Amerika en 18 pOt. alleen uit Groot-Brittanniö werd
ontvangen.

Als tweede factor moet worden genoemd, dat veel Amerikaansch filmk-apitaal in.Europa is vastgelegd.
Het aantal Europeesche bioscopen in Amerikaansclie
handen is nI. niet gering; bovendien had men onder

invloed van de Quota-Act verscheidene ateliers in
Engeland gebouwd. Deze bezittingen staan nu aan
vernietiging bloot; het feit, dat alleen in Polen reeds
400 bioscopen verwoest zijn, is daarvoor een afdoend
bewijs.

Tenslotte is ook de hinnenlandsche ontwikkeling
vrij ongunstig. Het verminderen van de kwaliteit der
films, cle toenemende concurrentie op het gebied der
openbare vermakelijkhedeij, en het feit, dat de berich-
ten over den Europeeschen oorlog veel Amerikanen
bij de radio hielden, hadden een daling der ontvang-
sten tengevolge.
Een aanzienlijk verlies over het loopende jaar is
door al deze omstandigheden reeds nu onvermijdelijic
geworden.

Duitsch land.

De Duitsche filmindustrie verkeerde in 1933 in
groote moeilijkheden. Sedertdien is in financieel op-
zicht een aanmerkelijke verbetering ingetreden, ver-
liezen worden niet meer geleden. Het doel der zelf-
voorziening is echter nog lang niet bereikt. Dat het
een met het ander verband houdt is wel duidelijk.
De financieele positie werd weliswaar benadeeld
door dalende ontvangsten uit het buitenland (door
,,Der Wirtschaftsring” op rekening van de intern a-
tionale boycotactie gesteld), maar de buitengewone

920

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

stijging van het hinnenlandsche hioscoophezoek betee-
kende hiertegenover een meet dan voldoende compen-
satie. Bovendien zijn cle inkomsten uit cle fiimver-
huur door eenige overheidsmaatregeien belangrijk
toegenomen.
Bij het streven naar autarkie op filmgehied had
men voornamelijk met twee moeilijkheclnn te kampen: de hooge kosten;
het gebrek aan atelierruimte.
De kostenverlaging werd verhinderd, omdat men
zich ook in Duitschlancl steeds meerop lange speel-
films ging concentreeren, daar het publiek zeer hooge
eischen stelde, en tenslotte omdat men in staat moest blijven met het buitenland te concurreeren.
In het gebrek aan atelierruimte trachtte men te
voorzien; voor den oorlog stond de aanbouw van
groote filmstudio-complexen op het programma.
Zoo is er nog steeds een belangrijke invoer van
films, waarbij de Italiaansche industrie de eerste
plaats inneemt. De Fransche fil.mindustrie, die sedert
haar succes op de Biennale 1937 sterk in heteekerLs
is toegenomen, had zich voor den oorlog tot tweeden
leverancier van Du.itschlaud weten op te werken.

Sansertvatti’rsg.

Telken
invloed de oorlog op de filmindustrie van
de bovengenoemde landen zal hebben, is natuu dijk
ii iet nauwkeurig te voorspellen.
In Duitschland zal een belangrijk gedeelte van. den
invoer worden afgesneden. Het is echter de vraag, of
cle eigen industrie in de ontstane behoefte zal kun-nen voorzien, immers ook voor den oorlog werd de
uitbreiding van de productie niet door gebrek aan
afzetgebied verhin derd.
De Amerikaansche ondernemingen zullen sterk wor-
den beïnvloed door den internationalen toestand. In-
dien de Engelsche filmcontingen teeri ng mocht worden
opgeheven, zou daar weliswaar een grootere afzet-
mogelijkheid ontstaan, doch dit voordeel zal vermoe-
delijk niet opwegen tegen de eventueele verliezen in
Europa.
De toekomst der Engeische fiimindu.strie, die zon-
der bescherming nog niet levensvatbaar is gebleken, hangt bijna geheel af van de houding der Overheid.

Het prijsverloop op de goudmarkt.

R e c t i f i c a t
i e. Tot onzen spijt bemerkten wij na
het afdrukken van het vorig nummer van ons blad,
dat in de prijsschaien ter weerszijd.e’ van den grafiek,
hehoorende hij het bovengenoemde artikel (hlz. 900/1),
een onjuistheid is geslopen. De prijzen van gouden
haren zijn namelijk daar en hij de getrokken lijn
abusievelijk opgenomen in Guldens per decagram, ter-
wijl in het artikel zelve steeds sprake is van den prijs
in Guldens per kilogram. De bedoelde prijzen variee-
ren dus niet tusschen
f 18.50
en
f
22, maar tusschen
f 1850
en
f 2200.

BOEKBESPREKINGEN.

F. A. G. Keesing: Liet evenwichts-
begrip in cle econo?nischc ii teratvur.
(Purmereud 1939; J. Muusses. Disserta-
tie Amsterdam 1939 met 7 stellingen,
199 hlz.).

De onderscheiding tusschen statica en clynamica is
niet enkel voor de mechanica, maar tevens voor cle
theoretische econmn ie van pri ucipeele, moeilijk te
overschatten heteekenis.
De stat.ica veronderstelt een in haren eveiiwichts-
toestan cl fu rictionneerende ruilmaatschappij. Dus geen
toestand van rust, maar
,
van beweging, van volledige
futictionueering, die echter, gedurende den waarne-
mingstijd, door geenerlei storing, tengevolge van ver-
anderiugen der als konstant aangenomen grootheden
wordt getroffen. Ter verduidelijking diene het spoor-
wegsysteem van een land. Statica is de treinenloop

precies overee ukomstig h et hoekje ; elke afwijking
daarvan hehoort, als storing, onder de dynainica. Ver-
gelijkt men twee spoorweghoekjes van hetzelfde 1 a ii 1
van verschillende tijden, dan heoefent men de verge-
lijkende statica, waarhij eveneens van alle dynamische
storingen wordt afgerzien.

e
lk
e
zijn nu cle voor de statica als konstant aan
te nemen grootheden. Antwoord: getal en maatschap-
pelijke toestand der bevolking, dus ook de totaaivraag,
de graad dee maatschappelijke arbeidsverdeeling en
samenwerking, cle konstante voorthronging en verdee-
ling van goederen van lagere orde. Samenstelling der
bevolking naar leeftijd en geslacht moet, tijdens het
statisch onderioek, precies clezclfcle blijven. En in cle
static:a e:ner kapitalistische ruilmaatschappij moet
voorts elke kapitalist, grondeigenaar, arbeider, die
door ouclei’dom, ziekte ete. van het schouwtooneel ver’-
dw’ijnt, door een ander uit zijn klasse worden vervan-
gen, daar alleen onder clie voorwaarde voortbrenging
en vercicelin ..als onveranclerlijk kunnen worden aan-
genomen. Geen ii ieuw land word t in kultuur genomen,
ge’n kapitaal (in i nclividueelen zin als rente-opleve-
rend roerend bezit) geakkumuleerd, maar verwisselt
enkel van hezitter; nieuw maatschappelijk kapitaal
(geproduceed productiemiddel) wordt slechts voortge-
bracht voorzoover het vroegere inderdaad verslijt,
nieuwe uitvinclingen vinden niet plaats of als ze
plaats vinden, worden niet toegepast.

Alleen onder deze – van cle werkelijkheid sterk
afwijkende – veronderstellingen is een statische
theorie op te bouwen. De vraag rijst, welke practische

waarde aan een dergelijke theorie voor de verklaring,
het juist begrip dier w’erkelijkheicl kan worden toe-
gekend.

In lfdst. 1 ,,Ahstracte en realistische theorie” gaat
K. op dit probleem in.,,De empirici verwaarloozen
het theoretisch karakter der wetenschap …. De aan-
hangers der abstracte economie….leveren een fraai
theoretisch resultaat zonder practische waarde.”
In het mi. zeer verdietastelijke tweede hoofdstuk
behandelt K. cle onderscheidene variëteiten van het
evenwichtsbegrip aan de hand van cle theorieën van
de klassieke school, de richtingen van de Oostenrij-
kers, Lausanne, Oarnhridge, Olark, Schumpeter, Pa-
reto, waarbij tal van principieele verschillen aan het
licht treden.(Integraal of partieel evenwicht; eau-
sale en functioneele beschouwing; uitgangspunt of re-
sultaat.) Elk der onderscheidene varianten blijkt ech-
ter vooi’ cle verklaring der werkelijkheid tekort te
schieten.

in het derde hfdst. ,,De ontwikkeling van het even-
wichtsvraagstuk tot zelfstandig theoretisch probleem”
deelt R. de onderscheidene richtingen, al naar gelang
van hun Itandpunt t.a.v. de verhouding tussehen
evenwicht en werkelijkheid in vier rubrieken in: ,,IDe
eerste groep stelt zich op het standpunt, dat de even-
wichtstoestand in feite meer of minder veelvuldig
wordt ‘bereikt. De tweede groep tracht aan het even-wichtshegrip een grootere draagwijdte te geven, ten-
einde het langs dien weg beter met de ervaring in
overeenstemming te brengen. De derde groep zoekt
naar bepaalde elementen, die door de evenwichts-
theorie vorden verwaarloosd, naar stilzwijgend inge-
voerde ahstracties, welke ervoor verantwoordelijk zijn,
dat tusscheu theorie en ervaring een klove blijft be-
staan. De vierde groep ten slotte handhaaft de ziens-
wijre, dat cle evenwichtstheorie de tendens beschrijft,
welke steeds aanwezig is.
Aan elk dezer opvattingen wijdt K. een hoofdstuk
(nI. de hfdstukken IV t/m. VII). Vooral het 2de
hfdst., waarin cle derde opvatting ter sprake komt, is
van groot belang; als onwezenlijke ahstracties, welke
de kloof tussehen evenwichtstheorie en werkelijkheid zouden veroorzaken, bespreekt IK. achtereenvolgens:
de vrije concurrentie, het geld, cle anticipatie en den
tijdsfactor.
Aan liet slot van het zevende hfdst. komt K. tot de
volgende dramatische conclusie. ,,Het evenwicht-zelf

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

927

komt in werkelijkheid niet voor. i)e evenwichtstenclenz
wrorcit op critische wijze doorkruist door de uiteen-
loopende reacti esnelh ed en der economische factoren.
De evenwichtstheorie bosch ri,jft, dus noch de werke-
lijkheici, noch een aspect van het economisch proces,
dat voor de kennis der ervaring essentieel is. Het
gebruik der evenwichtstheorie voor de verklaring der
economische real itei t is hiermede veroordeel cl.”
In het achtste hoofdstuk contrasteert K. statische
en dynamische theorie. ,,.Een bijzondere complicatie
spruit voort uit cle omstandigheid, dat het economisch
proces zelf in sommige gevallen voor wijziging der data aansprakelijk moet worden gesteld Het econo-
misch gebeuren ondergaat niet slechts den invloed der
gegevens, maar beïnvloedt deze gegevens op zijn
beurt..” Reactie van den kooplust op liet marktverloop.
Voor de Overheid, clie reguleere.ncl wil ingrijpen, is
dit van groot belang. De statische theorie tracht door
het ,,ceteris paribus” deze moeilijkheid uit te schake-
len. De dynamische theorie mag noch kan dit pro-
bleem ontwijken Een onderdeel van het dynamisch
proces voltrekt zich op een buiten cle economie lig-
genci terrein. In belei dsvraagstukken heeft men –
aldus K. niet enkel met de economie te maken.
Het negende hoofd stuk behandelt de evenw i cits-
hypothesen in de literatuur, in een besluit vat IK. de
hoofdresul taten van zijn onderzoek samen. 11 oewel een
goede, sluitende, dynamische theorie nog niot in zicht
is, w’anhoopt hij niet aan het uiteindelijk succes. –
Een lijst van geraacipleegde literatuur met een perso-
nenregister vormt het slot van het boek.
Naar vorm en inhoud voldoet dit goed geschreven,
streng weten sch al) peli Ic weric aan hooge e ischeu.
Slechts éôn vraag. Waarom vermeldt schrijver, (lie,
dank zij cle door hem genoemde werken van A. Löwe,
met de liberaal-socialistische richting bekend kon
zijn, niet, dat de door hem vercled igde verhouding
van statica en dynamica reeds jaren geleden door Op-
penheimer naar voren is gebracht? Deze loochent nl voor de huidige ordening met haar sterk ongelijkma-
tige rijkdomsve•rdeeling het bestaan eener statica,
wijl de in d ustri ede ondernemers, in onderlinge moor-
dencle concurrentie (in scherp contrast met de vreed-
zame mededinging tusschen boeren) ook dan hun
voorthrenging opvoeren, als prijzen en winsten dalen.
Een waarheid voor cle theorie van concurrentie en
conjunctuur, voor statica en d.vnamica etc. etc. van
centrale beteekeni. Mr. Dr. A.
SPAN.TER.

MAANDCIJFERS.

EMISSIES IN OCTOBER 1939.

Inclustrieele ondernemingen ………
f 4.000.000.-
zijnde:

Nederland
Aan deden:
NV.
Nederlaudsohe Kabel fabriek
f 2.000.000
aancl.
‘)
a
200% f 4.000.000

Totaal . . . .
f 4.000.000.-

‘)
U.i tsl uiten cl voor an nd’eeth oude rs.

Emissies in 1939.
(In Guldens)
Nieuw kapitaal:
Conversie: Obligatiën
.,
Aandeelen
Totaal
Jan……
101.981.175,-
3.100.000,-
105.081.175,-
70.650.000,-
Febr
153.800,-
8.750.000,-
8.903.800,-
1.174.200,-
Maart
8.220.350,-

8.220.350,-
1.131.400,-
April
-.



Mei
1.075.000,-
1.732.605,-
2.807.605,-

Juni …..
24.725.000,-

24.725.000,-

Juli
5.850.000,-
2.062.500,-
7.912.500,-

Aug
– – –

Sept

– – –
Oct

4.000.000,-
4.000.000,-

142.005.325,-
19.645.105,-
161.650.430,-
72.955.600,-

HYPOTHEEKRENTE IN NEDERLAND.

st;m
A
Dn

dom

aag

.

Middel-
Rotter-
Zwolle

4.67
4.98 4.93
5.01
4.98 4.70
4.89
1933 ………
1934 ……..
…..
4.49 4.65 4.69 4.95 4.89 4.52 4.65
1935………
4.54
4.54
4.58 4.80
4.50 4.40
4.44 4.58 4.69 4.63 4.50
4.47
1

4.51
1936 ………
4.-
4.-
1
4.04
14.87,1

4.34
4.-.
1
4.12
.
1

4.03
1937 ………
1938 ……..
3.74
3.77
3.72
3.91
3.81
3.79 3.59

Jan.
1938

4.-

4

3.90 – 4_34
1)
4.14 34_44
Febr..

3.75

4-4

4.– 4 4-34
1)
3.75 34_4
Maart …….
3 50

34_4 3.90 4.10 4_34
1)
4.15

34_4
April ……
.
3.60

34_4

4 4-34
1)
3.72

34-4
Mei ………
3.50

34_4 3.75 3.75 4-34
2)
3.52

34_4
Juni …….
3.50

34..4 3.75 – 4..34
1)
3.81

34_4
Juli ………
4.-

34_4 3.50 4.- 4

3.75

34-44
Aug

34_4 3.75 –

4

3.69 34_4
Sept. ……
..-

34_4 3.50 – 4_34
1)
3.50 34_4
Oct……… .

..75

34

3.75 4.- 4-34
1) –

34
Nov. ……
.
4.-

34

3.50 3.50 4

3.76

34
Dec ………
.
3.75

34_4 3.65 – 4-34
1)
3.92

34

Jan.
1939

..
3.50
34
3.75
4._….
434
2)

3.35
34
Febr.

. .
3.50
34_4
3.75

4_34
1)

3.57
34-4
Mrt.

..
3.50
34
3.75
4.-
4-34
1)

4.
34
April

..
3.50
34
3.75

4_34 ‘)
3′.70
34
Mei

..
3.50
34
3.75
4.-
4_34
2)

3.74
34_4 Juni

..
3.50
34_4
3.75
4.25
4_34
‘)
4.-
34
Juli

.

..
3.50
34_4
3.75
4.-
4_34
1)

3.82
344
Aug.

..
4.-
4
3.50

4_34
1)

34
Sept.

..
4.25
.34
4.-
-.
4-34
3)
– .
4
Oct.

..
4.06

4.-.
4.25
4
4.35
34_4
Nov.

..
3.75
4-4


4
4.321

Voor hypotheken op gebouwen
,
o;
voor
hypotheken
op landerijen
34
0/
o
.
Voor hypotheken op gebouwen deels
4
O/
deels
34
O/;
voor hypotheken op landerijen
34
O/.
Voor hypotheken op gebouwen
4
Oj;
voor hypotheken
op landerijen deels
34
O/,
deels
4
o/.
Nadruk verboden

ONTVANGEN BOEKEN EN BROCHURES.

Boeken.

Die e’rrglische Wiihrungso..bwerturrcj und clie wiit-
schaftlichen Wechsella gen..
Untersuchung des ge-
genwiirtigen Aufschwungs der englischen Wirt-
schaft door Dr. J ..Mühlenhoff. (Jena 1939; Ver-
lag von Gustav Fischer. Prijs R.M. 5).

AANVOER VAN GRANEN.
(In tons van 1000 kg.)

Rotterdam
Amsterdam
Totaal
Artikelen
3-10
Dec.
Sedert
Overeenk. 3-10
Dec.
Sedert
Overeenk.
1939
1Jan.
1939
tijdvak
1938 1939
1Jan.
1939
tijdvak
1938
1939
1938

12.475
745.937
1.424.059

73.059
16.323
818 996
1.440.382 2.000
148.018
216.429

3.740

151.758
216.429
884
15495
16.887



15.495
16.887

Tarwe

……………….
Rogge

………………

50.579
661.351
1.144.724

91.270 84.138 752.621
1.228.862

Boekweit ………………
Maïs ……………….
4.709
241.362
468.851


14.115
23.782
255.477
492.633
Gerst

……………..
Haver

………………..
100
181.688
210.325

3.260 9.752
184.948
220.077
Lijnzaad

……………
3.0 66
136.756 158.153

230.317
211.606
367.073
369.759
Lijnkoek

……………
6.500
87.168
52.828

150
225
87.318
53.053
Tarwemeel ………….
2.710 56.175
55.003

5.446
10.117
61.621
65.120
Andere meelsoorten

19.444
35.053

4.912 5.240
24.356 40.293

928

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13
December
1939

The Contingent Liabilities of the English Commer-
cial Ba’ri.ks with an Introductory Essay on their Published Accounts
door H.
0. F.
Holgate.
(Londen
1939;
Gee
& Co.
Ltd. Prijs
5/6).

Vraagstukken der theoretische economie
door Dr.
E. Frank. Deel
II.
(Groningen-Batavia
1939;
J. B. Wolters’ Uitg. Mij. N.V. Prijs
f 2.25).

Brochures.
Het wetsontwerp tot regeling van het accountants-
wezen
door J. Meijer Azn. (Arnhem
1939;
G.
W.
van der Wiel
& Co.
Prijs
f 0.60).

De huidige verhouding tusschen oorlog en vrede,
rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het
ambt van bijzonder hoogleeraar vanwege de stich-
ting Sociologisch Instituut te Groningen aan de
Rijksuniversiteit te Groningen op Zaterdag
28
October
1939
door Dr. H. Plessner. (Groningen
-Batavia
1939;
T. B. Wolters’ Uitgevers-Mij.
N.V. Prijs
f 0.75).

Prijsregelin.g en de theorie der vervangingswaarde
door Dr. 0.
Bakker. (Purmerend
1939;
J.
Muus-
ses. Prijs
f 0.60).

Over instandhouding van kapitaal en werkgelegen-
heid. Zal zulks nu nog te bereiken zijn?
door
Ir.
H.
T.
Keus. (Rotterdam
1939;
Nijgh & Van Dit-
mar N.V. Prijs
f 0.60).
Verslag der werkzaamheden van den octrooiraad over
het jaar 1938. No. 3,
jrg.
1939,
van de Verslagen
en Mededeelingen van de directie van handel en
nijverheid van het Departement van Economische Zaken. (‘s-Gravenhage
1939;
Algemeene Lands-
drukkerij. Prijs
f 0.50).
Verslag van de handelingen der borgstellingsfondsen
vooy kleine middenstanders over 1938.
No. 4, jrg.
1939,
van de Verslagen en Mededeelingen van
de directie van handel en nijverheid van het
Departement van Economische Zaken. (‘s-Graven-
hage’
1939;
Algemeene Lan dsdrukkerij. Prijs
f 0.50).
Zsir Frage der Ordn.vn.q der
weltwirtschaftliche’n.
Be-
ziehun gen
door Albert Pietzsch, No.
61
der Kie-
ier Vortrilge, gehalten im Institut für Weitwirt-
schaft an der Universitiit Kiel. (Jena
1939;
Ver-
lag von Gustav Fischer).
De land bouw-crisismaatregelen, hunne werking en
uitvoering XXII (met bijla gen).
Driemaande-
ljksch verslag aan de Staten-Generaal (Januari,
Februari, Maart
1939).
(‘s-Gravenhage
1939;
Al-
gemeene Landsdrukkerij).
Overzicht van den, omvang van het coöperatiewezen
in Nederland op 1 Jan. 1938.
Uitgave van den
Nationalen Coöperatieven Raad. Samengesteld
door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
(Rotterdam
1939;
Nationale Coöperatieve Raad.
Prijs f1.-).
Prevention of international double taxation and
fiscal evasion. Two decades of progress under
the League of Nations,
door Mitcheil B. Carrol.
(Genève
1939;
League of Nations).
Poland to-day. Some of the prin.cipal matters in
the everyday life of Poland.
(Warschau
1939;
,,Drukarnia Poiska”).
Poland, its location, people, history significance
door Paul Super. (Warschau
1939;
M. Arct &
Co.).
Nadere toelichting op de ,,Indenture” van de Bataaf-
sche Petroleum Maatscha.pp.ij met de American
Exchange Irving Trust Con’i.pany tls ,,Trustee”
dato 1 Januari 1927
door A. M.
W.
ter Laag.
(Deventer
1930; N.V.
Uitg. Mij.
2E. E.
Kluwer.
Prijs
f 1.-).
Conjunctuurtheorie en con.iunctuurtheorieën.
Rede,
uitgesproken bij de aanvaarding van het hoog-
leeraarsambt in de facultëit der rechtsgeleerdheid
aan de Rijksuniversiteit te Groningen op Zater-
dag 14 October
1939
door Dr.
P.
B. Kreukniet.

(Groningen-Batavia
1939;
J. B. Wolters’ Uitge-
vers Mij. N.V. Prijs
f 0.75).
Maastricht als vestigingsplaats voor industrie.
Uitga-
ve van de Gemeente Maastricht.
(1939).
International monetary organisation
door A. Heil-
perin. Uitgave van het International Institute
of Intellectual Co-operation. (Parijs
1939;
Prijs
2/6; $ 0.75).
Rapport
betreffende
de trust- en kartelvorming en
den Nederlandschen landbouw,
samengesteld door
den Nationalen Coöperatieven Raad te Rotter-
dam. Uitgave van de drie Centrale Landbouwor-
ganisaties. (Den Haag
1939).
De betrekkingen tusschen ov erheidshuishouding en
volkshuishouding,
toegeiicht aan de hand van het
vraagstuk der verdeeling van baten en lasten tus-
schen heden en toekomst. Rede, uitgesproken bij
de aanvaarding van het ambt van Hoogleeraar
aan de Nederl. Econ. Hoogeschool te Rotterdam
op
17
October
1939
door Mr. J. G. Koopmans.
(Rotterdam
1939;
N.V. Nijgh & Van Ditmar.
Prijs
f 0.60).

STATISTIEKEN.

Groothandeisprijzen van belangrijkevoedings- en genotmiddelen en grondstoffen.

(Indexcijfers gebaseerd op 1927 t/m 1929 = 100).

Laatste noteeringen (5-12 Dec. 1939).

A r t i k e
I
Vreemde
I

Prijs in
Index-
munt
I

Guldens
Cijfer

Gerst

…………………………
_*)


.2

Maïs,

La

Piata ………………….

Rogge………………………….

Tarwe,

termijn

………………..

……..

– –

C

Maïs,

termijn

…………………….

Tarwe,

Roemeensche

………

..



Rijst

…..

.

……..

……………
sh.
61-
1)

..

2,21
33,8
t 0,802)

..
..

0,80
38,8
Boter

…………………………….

Kaas ……………………………
i

I9leren

…………..

…………..

..

19,75
4,0
43.3
58,6
..-
..-

68,70 72,5

73,-
85,6
si,.

51-
1,84
62,2
sh. 1151-
42,25
63,4

C

Geel,

runderen

…………………..
GesI.

varkens

……………………

Cacao

………………………….
IS,-
43,5

Beer.

Arg.

rundvieesch

………….

Koffie,

Itobusta
0,175 35,7

Bacon

…………………………..

o

Koffie,

Sup.

Santos

……………
0,185
31,3
>

Suiker

…………………………
_S)

Thee

……….. ….. …………….
.-
0,6325 83,5

£ 41.-!- 9
301,56
70,5
o

Katoen,

Mid.

Upland

…………..
SctS 10,85
0,204 43,3
penc.7,32
0,224
62,3

Jute

…………………………….

i

Austr.

Wol,

Crossbr.

Col.

Carded

0

Kaioen,

Sup.

Fine

Oomra

……….

Atistr.

Wol,

Merino

…………….
Zijde

…….

………………

..

$
Jep.
Rubber

.

………………………
> Grenenlioet
……………………

3,30
4
)
penC. 11,50
£25.216

6,22
0,35
184,61

48,6 52,8
80
1
3
Vurenhout

……………………..

..

_*)

Koehulden

…………………….

..

20,-
5
)
49,9
copra

…………………………
o

Groodnoten

……………………
…-
£ 14.126

….

12,50
107,75
40,8
43,1
Lijn’.aad

……………………….

.-
.
_*)

Goud

…………………………..

.
sh. 168/-
61,90
120,3

-*)


Lood

……… …………………..
£ 271.-!-
1996,60
68,7
sh.
1
081-
39,80
94,5
sh. 139,6
51,40
130,1
_*)


Zilver

…………………………
penc. 23
5
116
0,72 55,4

0

Koper

……. …………………….

Ijzer,

Cleveland

…………………
ci

Gieterij-Ijzer

……………………..

.

..

12,50
114,5

0

Tin

……………………………..

Zink

…………………………….

Petroleum

……………………..
1,02 1,92
62,2
>

Benzine

……………………….
0,1155 39,9
.

Kalksalpeter

………………….
.-

.

5,557)
49,6

Steenkolen

………………………-

$
.cts6,13
6
)

.

.5.05
7
)
45,3
c

Cemen’.

……………………….

.

13,35
73,4
.

Zwavelz.

ammoniak

……………..

O
u

Steeneo,

binnenmuur

…………..
.
9,50 72,6
Steenen,

buitenmuur

…………..
.
12,-
64,3
Noteering van 4 December.
Heffing Crisis Zuivel-Centrale.
)
Noteering van 23 November. Noteering van 22 November.
Noteering van September.
Noteering van 28 November. Noteering van November.

) In verband met den internationaleis toestand geen noteering
ten gevolge waarvan het berekenen van indexcijfers achterwege moet
blijven.

(Wegens plaatsgebrek vervangen bovenstaande statistie-
ken deze
week
het gebruikljk overzicht der groothandels.
prijzen.)

13 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

929

BANKDISCONTO’S.

Disc.Wissels.
Ned
3

28Aug.’39
Lissabon

….
4 i1Av.’37

Bk

Bel.Binn.Eff.
iVrsch.inR.C.
3

28Aug.’39
Londen ……2
26 Oct.’39
Jj 28Aug.’39
Madrid
……5 15 Juli’35
Athene ……….
6

4Jan.’37
N.-YorkF.R.B. 1
26Aug.’37
Batavia

……..
3 14Jan.’37
Oslo ……..* 21 $ept.’39
Belgrado ……..
5

1 Febr.’Sö
Parijs

……
.3

Jan.’39
Berlijn ……….
4 228.ept.’32
Praag

……3

1Jan.’36
Boekarest

……
*
5Mei’38
Pretoria

….
3j 15Mei’33
Brussel

……..
2*’)GJuli’39
Rome ……..
4j 18Mei’36
Boedapest

……
4 28Aug.’35 Stockholm

..
2j

1Dec.’33
Calcutta ……..
3 28Nov.’35
Tokio….

3.46

11 Mrt.’38
Dantzig

……..
4

2Jan.’37
Warschau….
4.18Dec.’37
Helsingfors ……
4

3Dec.’34
Zwits. Nat. Bk. 1

25 Nov.’36
Kopenhagen

….
5j

9 Oct.’39
Il/,% bankwissels
i.z. verk. Belgische prod. in liet buitenland.

OPEN MARKT.

1939 1938
1937 1939

9
Dec.
419
127Nov./
20125
5110
6111
14119
Dec.
2 Dec..
Nov. Dec. Dec. Aug.

4mjterdm
Partic.dlsc.
211
4
3/
5

21/8314
2
1
!v-
3
1s
2
1
18-
3
!8
‘Is
’14
‘Ii
F’rolong.
2
314
22)
21/
1
_3/
4

21/
3
3/
4

21
2
1
31
4

r.onden
DageId.
‘h-l’/

2)
31.111
4
4)
31
4
111
4

141I4
‘hI
1
/1
11_311
3
artic.disc.
131,62)
I
5
132-
7
/32
1
5
132-
7
Iv
1116
7
/32
718-1
1116/8
131_371
9erlijn
4)
)aggeld..
.

2

5)

2
1
j8-
3
!4
2-
5
!,
213-3
1
/
2
1
12-3
3
i4
2
1
1-5/s
Vaandeld
2114-1!5
5)
2
1
141!2
5)

21/4i!,
2
1
1-
1
/
2
3
14-3
21s-
7
J
2
3
18-
5
18
part. disc.
2
5
!)
2518

5)
2
5
J
2
5
18
27f,
271
8

2
314
Warenw. ..
41/,5)
4_1j

5)
4_1/
4-
1
/2
4-1!2
4.
1
/2
4-
1
12
Ve,,, York
)aggeld’)
1
1
1
1
1
1 1
‘artic.disc.
113
/1
1
12
1
12

11
112
11 11
t)
Koers van 8 Dec. en daaraan voorafgaande weken tjm. Vrijdag.
2 Dec.
3)
8 Dec.
4)
27 Nov./2 Dec.
5)
418 Dec.

WISSELKOERSEN.

KOERSEN IN NEDERLAI4D.

Da a
New
Londen

Berlijn
Parijs
Brussel
Batavla
York
)
0)
0)
0) S)
1)

5
Dec.

1939 1.88%
7.34s

75.60
4.17
31.12
100%
6

1939
1.883/,
7.35

75.60
4.16%
31.07
100%
7

1939 1.88%
7.37%

75.60 4.18
31.08*

100%
8

1939 1.88%
7.37k

75.55
4.18
31.06
100%
9

1939
1.88,%,
7.36

75.55
4.1734
31.06
100%
11

1939
1.88%
7.36%

75.60
4.17%
31.05
100%
Laagste d.w’)
1.S8
7.33%

75.25
4.15
31.-
100
Hoogste d.wl)
1.88%
7.39

7
5
.87*
4.20

31.17*

101
1untpariteit
1.469
12.1071

59.26i
9.747
24.9Oti
100

Data
se,1and
Praae
Boeka-
Mlla.a.)n
Madr.r

5
Dec.
1939
4224%
– –

6

,,

1939
42.24




7

1939
42.24%




8

1939
42.24
– – – –
9

1939
42.24


– –
11

1939
42.24

– –

Laagste d.wi)
4220

– –
hoogste d.wl)
4230
6.45
1.40
9.60

Muntpariteit
48.003
7.371
1.488

13.094
48.52

Data
St ock-
Kopen-
o
lo•
Hel-
)
Buenos-
Mon-
holm) hagen0)
Aires’)
(real’)

5
Dec.

1939
44.90

36.42*

4280
4334
163
6

,,

1939
44.90

36.42*

42.80

43%
163%
7

1939
44.90

3642*

42.80

43
164%
8

1939
44.87*
36.40

42.82*

43%
164%
9

,,

1939
44.99

36.42*

42.80

43%
164
11

,,

1939
44.87*
36.40

42.82*

43
164
Laagste d.wl)
44,80

36.32*

42.75 3.50
43
162%
Hoogste d.wl)
44.95

36.50
1
42.90
3.65
43%
16534
Muntpariteit
66.671 66.671
66.671
6.266
95%
2.1878
0)
Noteering te Amsterdam.
*0),
Not, te Rotterdam.
1)
Part, opgave.
I. ‘t iste of Zde No.
van
iedere maand komt een overzicht voor van een aantal niet wekelijks opgenomen wisselkoersen.

KOERSEN TE NEW YORK. (Cable).

Da a
Londen
($ per £)
Parijs
(8
p. 100 fr.)
Berlijn
($ p. 100 Mk.)
Amsterdam
($ p. 100 gid.)

5
Dec.

19391
3,90
2,21k
40,20
1

53,09
6

1939
3,91%
2,22 40,20 53,09
7

1939
3,91%
2,22
40,20
53,09
8

,,

1939
3,90% 2,21% 40,20
53,09
9

,,

1939
3,91%
2,21%
40,20
53,10
11

1939 3,93
2,23
40,20
53,10

12
Dec.

1938
4,66%,
3,62% 40,10
54,37%
)/luntpariteit..
4,86
3,90%
23,81%
40%,

KOERSEN TE LONDEN.

Plaatsen en
Landen
INoteerings-I
I

eenheden

1
18Nov.
1939 1939
25Nov.j27Nov.j2Dec.
‘391
Laagste
l
Hoogstel
2Dec.
1939

Alexandrië..
Plast. p..E
97%
97%
97%
97% 97%
Athene

….
Dr. p.
£
535
535
535
535 535
Bangkok….
Sh.p.tieai


22.18 22.18 22.18
Budapest

..
Pen. p.
£
21.75 21.75
21.75
22.-.
21.75
BuenosAires’
p.pesop.g
17.25 17.25
17.00
17.50
17.25
Calcutta….
Sh. p. rup.

– –
‘-

Hongkong ..
Sh. p. $
1/3
1/3
1/23J
1/3%
1/3
Istanbul….
Piast.p. Z
505 505
505
510 510
Sh. p. yen
1/2%
1
/
2%
112%
1/2%
1/2%
Lissabon….
Escu. p.
£
107%
108
107%
108%
108
Montevideo
.
d.per
22%
23
21%
24
22%

Kobe

…….

Montreal

..
$
per
£
4.45
4.45
4.43
4.47 4.45
Rio d. Janeiro
d. per Mii,
3%, 3%, 3%,
37/,, 37/,,
Shanghai

..
d. p.
$
5%,
4%
4%
5%
4%
Singapore
. .
Sh. p.
$
214%
6

2/4%
2/4%
6

2/5%
6

24%,
Valparaiso°).
$per Y,
110 110
110 110
110
Warschau ..
Zl. p.
£
– – – – –
‘)Otlic. not. IS laten, gem. not., welke imp. hebben te betalen 15Nov.1938
17.13.
2
)90 dg. Vanaf 13 Dec. 1937 laatste ,,export” noteering.
ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
Londen’)
N.Yorks)

A’dam
3
)
Londen
4
)
5 Dec.

1939.. 23%
34%

5
Dec.
1939.. 2060
168/_
6

1939.. 23%
34%

6

1939.. 2060
168/_
7

1939.. 23%
6

34%

7

1939.. 2060
168/_
8

1939.. 23%
34%

8

,,

1939.. 2060
168/-
9

1939..


9

1939.. 2060
168/_
11

1939.. 23%,
34%

11

1939.. 2060
1681_

12
Dec.

1938.. 20%
42%

12
Dec.

1938.. 2075
14
8/
1
0*
23
Aug.
1939.. 18%
6

37%

23
Aug.
1939.. 2110
14
8,6*
1)
In pence p. oz. stand.

2)
Foreign silver in $c. p. oz. fine.

3)
In
guldens
per Kg. 100011000.
4)
In sh. p. oz. line.
STAND VAN ‘s RIJKS KAS.
Vorderingen
1

30 Nov.1939
1

7Dec.1939
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij de Ne-


Saldo b. d. Bank voor Ned. Gemeenten
.
f

719.198,55
/

162.933,97
Voorscl,otten op ultimo October 1939
s(d. gemeent. verstr. op a. haar uit te
keeren hoofds. der pers. bel., aand. in
de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede opc. op die belas-

derlandsche Bank
………………..

tingen en op de vermogensbelasting
– –
Voorschotten aan Ned.-lndië ………
76.613.659,64
,,

77.157.444,94
Idem aan Suriname ……………….
,,

11.477.692,64
,,

11.477.692,64
Kasvord.weg. credietverst. aih. buitenl

90.616.947,35

88.869.929,89
Daggeldleeningen tegen onderpand
Saldo der

Rijkscomptabelen
postrek. v.

51.167311,77

..
.


64.056.095,31
Vord. op het Alg. Burg. Pensioenf.’)




Vord. op andere Staatsbedrijven’)
,,

20.277.561,61

18.990.180,35
Verplichtingen

Voorschot door de Ned. Bank ingev.
art. 16 van haar octrooi verstrekt..
f
15.000.090,-
/

7.237.272,-
Voorschot

door

de

Ned.

Bank

in
,,

3.123,821,08

,.

99.914.000,-

99.214.000,-
,342.800.000,-
2)

361.800.000,-
3)
,

1.067.009,50 1.066.845,50
,,

10.000.000,-
10.000.000,-
Schuld op ultimo October 1939 ajd.
gem.weg. a. h.uit te keeren hoofds. d.

rekening-courant verstrekt……….

pers. bel., aand. id
. hoofds. d. grondb.

Schatkistbiljetten in omloop
………..
Schatkistpromessen in Omloop …….

e. d. gem. fondsb. alsm. opc. op die

Zilverbons in omloop ……………..
Daggeldleeningen

…………………

bel, en op de vermogensbelasting..

13.528.247,74

13.528.247,74
,,

1.764.702,40
1.764.702,40
Schuld aan het Alg. Burg. Pensioenf.’)
,

564.699,73
,,

1.943.535,94
Schuld aan Curaçao’) …………….

Id. a. h. Staadsbedr. der P. T. en T.
1)
,.
172.603.955,17

200.290.642,78
Id. aan andere Staatsbedrijven
1)
…..
,,

20.017.397,99
Id. aan diverse instellingen’)
………
..20.017.397,99

325.570.685,56
,,
317.822.082,08
1)
In rekg.-crt. met’s Rijks Schatkist

2

Rechtstreeks bj
de Nederland-
sche Bank geplaatst
/
68.000.000,-.
3)

Idem
t
38.000.000,-.
NEDERLANDSCH-INDISCHE
VLOTTENDE
SCHULD.
1

2 Dec. 1939
1

‘9 Dec. 1939
Vorderingen:
1)


Saldo b. d. Postchèque- en Girodienst
/

371.000,-
/

213.000,-
Saldo Javasche Bank
….. ……………

,,

3.823.000,-

3.823.000,-
Verplichtingen Voorschot
‘5
Rijks kas e.a. Rijksinstell
76.480.000,-
,,

76.297.000,-
Schatkistpromessen in omloop …….
,,

30.000.000,-
30.000.000,-

Saldo Indisch Muntfonds
………….

Schuld a. d. Indische Pensioenfondsen
,,
20.000.000,-

20.000.000,-
Schuld aan het Ned.-Ind. Muntfonds


Idem aan de Ned.-Ind. Postspaarbank.
13.000,-

.

.,

120.000,-
Belegde kasmiddelen Zelfbesturen…
,.

1.030.000,-
,,

1.030.000,-
Voorschot van de Javasche Bank….
,,

742.000,-
,,

3.359.000,-
1)
Betaalmiddelen in de Landskassen
/
33.433.000,-
CURAÇAOSCHE BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Clrcu-
Voor-
schotten
Dis-
ve
Dirse
Diverse
Data
Metaal
latie
aan de
contosgen1
ke-
n
r
ek e-
kolonie
ningen’

1
October

1939
9.828 7.952
327
113
1.817
127
1 Septemb.
1939
9.826
7.777
280
116
1.739
127
1Augustus
1939
9.829
7.815
176
118
1.789
141
1 Juli

1939
9.825
7.970
63
121
1.001′
134

1
October

1938
8.772
8.292
324
84
1.425
117
1) Sluitp. der activa.
2
) Slultp. der passiva.

930

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 December 1939

NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte Balans op 11 December 1939.

Activa.
Binnenl.Wis.(Hfdbk.
f

44.923.775,19
sels, Prom.,j Bijbnk.
,,

824.914,86
enz.indisc.Ag.sch.
,,

2.472.997,89
f

48.221.687,94
Papier o. h. Buiteni.

f

1.575.000,-
Af: Verkocht maar voor
debk.nognietafgel.

BeleeningenUfdbk.
f
172.158.557,171)
nc1.
vrsch.
in rek.-crt.
Bijbnk.
,,

5.688.751,21

op onderp.
Ag.sch.
,,

39.836.647,33

f
217.683.955,71

Op Effecten enz.
..

f
213.527.602,821)
OpGoederenenCeel.
,,

4.156.352,89
217.683.955,711)
Voorschotten a. h. Rijk

……………
,

11.948.443,99
Munt, Goud ……
f

105.497.605,_
Muntmat., Goud..
,,

913.097.299,31

fl.0l8.594.904,31
Munt, Zilver, enz.

,,

11.480.794,28
Muntmat., Zilver..


,,
1.030.075.698,59
Belegging van kapitaal, reserves en pen-
sioenfonds ……………………
,,

43.855.886,40
Gebouwen en Meub. der Bank

……..
,,

4.580.000,-
Diverse rekeningen ………………
,,

28.832.907,96
Staatd. Nederi. (Wetv.27/5/’32, S. No. 221)
,,

7.629.955,16

Paeeiva.
f
1.394.403.535,75

Kapitaal ……………….
………

f

20.000.000,-
Reservefonds ……………
………

,,

4.277.243,54
Bijzondere

reserve

……… ………

,,

7.756.940,37
Pensioenfonds

…………. ………
,,

11.977.297,98
Bankbiljetten in omloop …………..

,,

1.141.915.100,-
Bankassignatiën in omloop

……….
,,

76.114,18
Rek.-Cour.
f
Het Rijk
f
saldo’s:

Anderen
,,
203.288.037,70

203.288.037,
(
0
Diverse rekeningen
………………
,,
5.112.801,98

f

1.394.403.535,75

Beschikbaar metaalsaldo

…………
f

491.936.342,77
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
ioop dan waartoe de Bank gerechtigd is
,,

1.229.840.850,_
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank ondergebracht

………………..
,,

38.000.000,-
1)
Waarvan aan Nederiandsch-lndi
(Wet van 15Maart 1933, Staatsbiad No. 99)………..
f

60.612.475,-

Voornaamste posten in duizenden guldens.

Goud

ilne

escfl,kO.
Dek-
Data

Circulatie opeisc
aer
hb. Metaal- kings

Munt
1
Muntmat.

schulden saldo

perc.

11 Dec. ’39 105498 913.097 1.141.915 203.364 491.936 77
4
,,.
’39 105498 918087 1.157.738 195.267 492.628 73

21Aug.’39_105958_1.0
2
3.4
6
71
1
.011.582_401.626 _590.049 79.9
Totaal Schatkist-

,

Papier Diverse
Data

bedrag promessen nien ee

op het

reke-
disconto’s_rechtstreeks ______g___bulten!. ningen
1
)

11 Dec. 19391 48.222

38.000

217.684

1.575 28.833
4
,,

1939 1 48.206

38.000

219.587

1.575

29.721

21 Aug.1939 21.297

214
.8
12
1 1.575

11.581 1)
Onder de activa.

JAVASCHE BANK.

Data
Goud
Zilver Circulatie
I

opeischb.
metaal-
schulden
saldo

9 Dec.’39
2
)I
16350
200.080
89.640
30.462
2

1392)1
146.270
194.880
89.880
32.366

21 Oct.

39
128.676
1

16.876
198.184
82.464
33.293
14

,,

’39
128.676

17.103
203.092
77.214
33.657

19Aug.’39
_128.676

19.235

1

198.914
72.384
39.392
Wissels,
Diverse
Dek-
Data
buiten
Dis-
I

Belee-
reke-
kings-
N.-Ind.
conto’s
ningen
ningenl)
percen-
betaalb. tage

9 Dec.
‘392)
15.900
86.120 55.050
51
2

,,

1392)
15.730
82.730 53.610
51

21 Oct. 1939
11.417

14.363

53.29
58.764
51
14

1939 11.171
14.542

53.318
56.838
52

19Aug. 1939
9.300
13.890

48.920
519.42
55
1)
Sluitpost activa.
2)
Cijfers
telegrafisch ontvangen.

BANK VAN ENGELAND.

Bankbilj.
1
Bankbilf.
1

I

OtherSecurities
Securities
Data

Metaal

in

un
BankinglDisc.and
circulatie
1
Departm.
1
Advances
29 Nov. 1939 1

1.349 1528.660 1 51.559 t 4.530 1 22.310
22
,,

1939

1.348 527.004
1
53.2155.286
t 22.930
23Aug.1939
1
247
.
263
1508.064
1
3
8.353 _5.711 _24.334

OtherDeposits
1

1
kings-
Dek-
Data

1
Gov.

I

Public
1

1
Other
1
Reserve!
1
Sec.

Depos.
1
Bankers
IAccountsl

1
perc.
1)
29
Nov ’39
1109.816 1 27.8221103.503 1 40.186 52.6891 30,7
22
,,
’39 103.946 36.392
1
92.945 39.349
1
54.343! 32,2

23 Aug.’39 99.666 22.371
1
92.132
1
36.229
j
39.l99j 26,0
1)
Verhouding tusschen Reserve en Deposits.

BANK VAN FRANKRIJK.

ITe’goed Wis-
1
Waarv.I
Belee- Renteloos
Data

Goud Zilverl in het
op het
1
.

1
voorschot
buitenl. sets
buiteni.!
ningen
ad. Staat

23 Nov.’39197.266 1.3871

65 ~12.3681

64
1
3.763
1
30.473
16

,
‘39197.2661.356!

34 12.0641

60
1
4.019 30.473 17 Aug.’3997.266 663

14

9
.
6
171 705 3.825 30.577

Bons v. d.I

1

I

Rekg.Courant
Data

zelfst.

Diver-
Circulatie
arnort. k. sen
1)

Staat Zelfst.
1
Parti-
__________

amort.k.)culieren
23 Nov.’391 5.466
1
4.163 146.7431

199

1.855 114.213
16
,,
’39

5.466

4.491 146.654
1

124

1.866 14.343
17Aug.’39

5.466
1
3.051 123.135
1
3.013
1
2.104
j
20.538
1)
Sluitpost activa.

DUITSCHE RIJKSBANK.

Goud
Andere wis-
Data
en
Rentebank-Isels,chèques
Belee-
devlezen
scheinen
1

en schat-
ningen
kistpapier

7 Dec.

1939..
77,1
138,6
1

9.920,7
38,8
30 Nov. 1939..
77,0
142,2
10.147,8 36,2

3Aug.1939..
77,0
27
,
2
!
8.140,0

22,2

Data
Effec-
1

Diverse
Circa-
I

Rekg.-
1

Diverse
ten
1
Activa
latie
Crt.
1
Passiva

7 Dec.

1939
941,9
2.032,5 10.922,0
1
1.606,5
1


30 Nov. 1939
1
997,2 11.740,7
1

10.974,1
1
1.574,3
1

3 Aug. 1939
1
982,6
1
1.380,5
8.709,8
1
1.195,4

1

454,8

NATIONALE BANK VAN BELGIË (in BeIga’.

Data

Goud
o
.

n.,o
65

Rekg.Crt.

s-‘
42
1

1939


1

30/11.
41
16771
8211196
1142
1
1

147
3/11. 13.5861
43
j

7001
771

1172
l42
315

5.4831

1
153

FEDERAL RESERVE BANKS.
Goudvoorraad
Wissels

Data
,Other
ash”
2)
Totaal
1

Goud-
j

certij’i-
In her-

1
disc. v. d.
1
In de
open
bedrag
caten’
member
1
markt
banks
1
gekocht

8Nov.’39
14.867,3
14.858,2 323,9

1
6,5

1
1
,,
’39
14.848,1
_14.839,2
1
6
1
2

_

Data
Belegd
in
u.
S.
I
F. R.
Notes
in circa-


Totaal
D.

G
estort
1
Goud-
1

Dek-
1
Algem.
1

Dek-
Gov.Sec.
Kapitaal!
kings-
1

kings-
latie
perc.)
1
perc.4,J
__________
8Nov.’39
2.686,8 1
2.720,
8

4.817,1
112.875,41
135,6
85,9
1


1

,,

‘391
4.781,4
,1
135,6

1
85,6


ueze certiricaten weruen uoor ae ncnatist aan ae Keserve uanken
gegeven voor de overname van het goud, toen de $ op 31Jan.
1
34 van
100
op 59.06 cents werd gedevalueerd.
3)
,Other Cash” does not Include Federal Reserve Notes or a Bank’s
own Federal Reserve
bank
notes.
2)
Verhouding totalen goudvoorraad tegenover opeischbare schul-
den: F. R. Notes en netto deposito.
4)
Verhouding tot voorraad
muntmateriaal en wettig betaalmiddel tegenover idem.

PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ HET
FED. RES. STELSEL.

Dis-
1
Totaal
Waarvan
Data
Aantal
conto’s
en
Belg-
gingen
I

erve
I
lRes
bil de
F’

.
depo-
time

I

leening.1
beleen.
banks
sito’s
deposits

1Nov.’391

1

8.521
114.207

1
33.023

t

5.249 Oct.
‘3
1

1
8.479
1
14
.
1
7
8

1
1
9.885

10
.
09
4

33.182
5.251
ve posien van ve lied. Bflk. de Javasciie Bank en ee Bank Ot
England zijn
in
duizenden, alle overige posten in millioenen van
do betreffende valuta.

Auteur