Ga direct naar de content

Jrg. 24, editie 1223

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 7 1939

7 J?JNÎ 139

AUTEUESÏ?ECIfl’ VOORBEHOUDeN.

Economi*sch,,Statistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERE-lEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

24E JAARGANG

WOENSDAG
7 JUNI 1939

No.
1223

COMMISSIE VAN REDACTIE:

P. Lief tinek; N. J. Polak; J. Tinbergen; F. de
Vries en

H.
M. H.
A. van der Valk (Redacteur-Secretaris).

M. F. J. Cool – Adjunct -secretaris

Redactie-adres: Pieter de Hoochweg 122, Rotterdam-West

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel.
Andere pagi-

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing
bij abonnement volgens

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:

Nijgh d van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam,
Am-

sterdam, ‘s-Gravenhage. Postchéqae- en giro-rekening

No. 145192.

Abonnementsprijs voor het weekblad franco p. p. in

Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-Statis-

tisch Maandbericht f 5,— per jaar. Beide organen samen

f 20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,—.

f 6,— en f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-

teurs en leden van het Nederlandsch Economisch Instit’2ut

ontvangen het weekblad en het Maandbertcht gratis en

genieten een reductie op de verdere publicaties.

INHOUD:

Blz.
Het begin en het einde door
J. F. Haccoû ……….
456

Wettelijke regelen inzake de verzekering tegen gelde-

lijke gevolgen van werkloosheid door
Prof. Mr. 0.

W
. de Vries ………………………………
457

Japan’s industrieele kracht en autarkisch vermogen

door
M. van Poelje …………………………..
458

De economische beteekenis van neutrale staten in

een Europeesch conflict door
F. Wcinreb ……….
459

AANTEEKENINGEN:

Het jaarverslag 1938/39 van De Nederlandsche Bank 462

De regeling der werkloosheid in Engeland ……464

Een Engelsche stem over Nederlandsch-indië . … 465
De 26ste publicatie van het Nederlandsch Econo-

misch Instituut …………………………466

Inkomeis- en vermogensverdeeling …………..466

MAANDCÏJFERS:

Indexcijfers van Nederlandsche aandeelen ……..467

Hypotheekrente in Nederland ………………..468

ONTVANGEN BROCHURES . – ………………… 469

Statistieken:

-. Verkorte opgave der Ôroothandelsprijzen ——————–
4(8

Qeldkoersen-Wisselkoersen-I3ankstaien ——–

—-


469, 470

GELD-, KAPITAAL. EN WISSELMARKT.

Nadat in Jet begiai van de verslagweok de positie van
den Gulden vrij’ei onveranderd vas gebleven, en de ten-
dens aan den vaaten kant bleel, is daarin sedert Woensdag
1)lotSe1ing %vijz
,
iging gekomen. Sedertdien lag onze va1uta
voortdui-end aangeboden en aangezien wederoni liet Ega-
lisatiefonds zich afzijdig heeft geiouden, hebbeii de notee-
ringen duidedijk het o’vei’vegeude tanbod weergegeven. 1-let aanbod van Guldens kwam voornamelijk uit Parijs.
Aan te nemen is, dat vele Fransehe houders van de afge-
loste schatkistwisseis niet zijn overgegaan tot inschrijving
op het nieuwe zesjat-ige papier, •zoodat uit deze hoek om-
vangrijk aanbod van Guldens te registreeren viel. Aldus
geiien, was tot op zekere hoogte deze beweging een correc-
bie op de .groote vraag naar Guldens in de voorgaande
verslagweek. Toen immers konden wij melden, dat van
Fransuhe zijde omvangrijke hedragen londen hier op de
markt varea aangeboden, teneinde cle nood ige middelen
voor de aflossing van het oude papier te verschaffen.
De l)Sse op onze munt door het na den aflossingsda-
tum loskomende aanbod van Guldens was echter grooter
dan de opwaat-tsohe druk, die daaraan was voorafgegaan.
Dollars kwamen van 1.86 01 1.873′, en Ponden van 8.71
op 8.78. De relatief gi-ootere stijging van Ponden stond
in verband met de flauwere kouding van Dollars ten
aanzien van Sterling. De Dollar lag – behalve dan tegen-
over den Gulden – ten aanzien van alle valuta’s lager,
hetgeen een logische reactie is op de voortdurende vraag
naar Dollars in de afgeloopen maanden in verband met
de internationale politieke situabie. In het bijzonder ver-
dient nog vermelding de zeer vaste houding van Zwit-
sersohe Franos.
Zooals gezegd; lag de voornaamste oorzaak van de hou-
ding van den Gulden in de Fi-ansehe lee ni ngstransacti e.
Daarnaast is wellicht melding
te
maken van een – echter
veeleer psychologisch – moment, samenhangende met de
gebleiken geschillen in het kabinet terzake van de
te
volgen financieele politiek. De aandeelenbeurs maakte zelfs
een slappe inflatiehausse niode. Een op zichzelf staande
factor is dit ongetwijfeLd niet, maar wel kunnen toch
reeds bestaande tendeuzen aldus versterkt worden. De
aandeelenniariet was toch i-eeds wat beter gestemd, en nu
lcwnmen de inflatiiegevaren die tendens vet-sterken. Zoo
was ook in een toch reeds gedrukte markt voor den Gulden
deze situatie eerder een versterking van deze tendens.
Overigens spreekt lint vanzelf, dat er slechts een zeer
verwijderd verband bestaat tusschen de 1 inancieele poli-
tiek van de Regeering en den Guldenkoers, althans zee-
lang het nog gaat om projecten van een omvang en strek-
king, zooals die bij ons het onderwerp van de verdeelde
opinies uitmaken. Zonder den uitdrukkelijken opzet om de
Guldenwaar.de te beknotten, kan er heel wat gebeuren,
alvorens er gevaar voor depreciatie dreigt.
De geldmarkt vertoonde weinig wijziging voor het Hol-
landsche papier. Voor het nieuwe Fransohe papier is,
naar wij reeds schreven, de belangstelling acer gering,
zoo gering, dat men aanleiding vond om de condities,
waartegen het werd aangchoden, radicaal te wijzigen, nl.
in dier voege, dat de nemer zich slechts voor den loop-
tijd van den w’issei, dus drie maanden, bindt. Aangezien
‘het voornaamste bezwaar, naar wij reeds schreven, juist
was, dat men er weinig voor voelde zich voor zes jaar te
bindn, ‘tegenover dn de’ts,teur slechts voor
dilti
jaar, is de
houding van geidgevet-s in vet-band met dit novum wel
gewijzigd. –
De beleggiingsiiiiarkt bleef nog den w’eerslag van de ka-
binetsmoeilijkheden vertoonen, hoewel deze week de koers-
daling tot een minimum beperkt bleef.

456

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 Juni 1939

HET BEGIN EN HET EINDE.

Kapok en koffie.

Terwijl in Ned.-Indië thans stemmen pleiten voor
dieper ingrijpen bij de kapok, hoewel de ordening nog
geen jaar oud is, blijkt ook onder de planters in Bra-
zilië verdeeldheid te heerschen over de te volgen poli-
tiek; wij hebben hier feitelijk te maken met twe
schakels van een keteii van teleurstelling.

De kaoksituatie.

Tot goed begrip van de situatie, zooals deze zich
voor de kapok heeft ontwikkeld, moge het volgende

worden gereleveerd
1)•

In Ned.-Indië ]igt op het oogenblik een voorraad,
die kan worden getaxeerd op 24.000 A 25.000 ton en
waarvan zich naar schatting ongeveer 16.000 ton in
handen van het Kapokfonds bevindt. Deze voorraad van het Kapokfonds vertegenwoordigt, op basis van
den aankoopprijs, een waarde van ruim 5 millioen
Gulden, omdat het grootste gedeelte nog ,,oude oogst”

is, die tegen den prijs van
f
40 per quintaal werd

overgenomen. In den uitvoer van kapok uit Ned.-
Indië valt t.ot nu toe weinig verbetering waar te ne-
men; in het eerste kwartaal van dit jaar werd aan
ontpitte en nietontpitte kapok bijna 3.888 ton uit-
gevoerd tegen in dezelfde periode van het vorig
jaar bijna 3.771 ton. De uitvoer naar Nederland is
verder gedaald van bijna 1.040 tot bijna 497 ton, die
naar Australië van 1.007 tot 915 ton; daarentegen is
de export naar de Vereenigde Staten gestegen van
785 tot 1.634 en die naar Nieuw-Zeeland van 189 tot

357 ton.
Men ziet, dat wat aan den eenen kant wordt
gewonnen, aan den anderen kant eer verloren gaat
en nu moge daarvan een verklaring zijn, dat de Ver-
eenigde Staten doorgaan mondjesmaat te koopen, zoo-
dat daar geen voorraadvorming plaats heeft, feit is
dan tevens, dat deze aankoopen een weerspiegeling

van de behoeften daar zijn.

Voor het oogstjaar 1939/1940 wordt een oogst van
ten minste 14.000 ton verwacht en op basis van de

tegenwoordige uitvoercijfers ontstaat dan de volgen-

de positie:

Voorraad
………………………
24.000
ton

Nieuwe oogst
…………………..
14.000

38.000 ton
Te verwachten uitvoer tot
1
Sept.
1940 22.000

Voorraad op
1
September
1940
……….
16.000
toii

Voorstellen tot verder ingrijpen.

Wij herhalen, deze calculatie houdt slechts rekening
met de tegenwoordige exportcijfers. Vergelijkt men
met deze 16.000 ton den voorraad van medio 1938, dan

blijkt hij vrijwel constant te zijn gebleven, mits men
ook rekening houdt met de bescheiden raming van

den oogst 1939/1940..
Doch in Indië wekt deze hoeveel.heid onrust
en in kapokkringen bespreekt men de mogelijkheden
om tot een verbetering te geraken. Daar is in de eer-
ste plaats de beroemde lucifer, die wel op een afdoen-de wijze het momenteele teveel zou kunpen doen ver-
dwijnen, doch vernietiging is gulzig, getuige het feit,
dat in Brazilië thans reeds 66 millioen balen koffie
daaraan ten offer zijn gevallen. Door vernietiging
lost men weliswaar de vraag van het momenteel te-
veel op, doch kan men niet verhinderen, dat er een
nieuw teveel ontstaat, vooral ook, omdat in de behoef-
ten, welke de kapok moet bevredigen, in toenemende
mate door andere gebieden dan Ned.-Indië wordt voor-
zien. En bovendien, wie moet dat betalen? Het Ka-

‘) De feiitedijke kapokgegeveins zijn ontleend aan de
Economish-Stwtistische mededeelingen der Federatie van
Vereenigingen van Nederlandseli-Indische Bergcultuuron-
derneimingen
van 24
Mei
1939.

pokfonds heeft de geldmiddelen, om de beschikking
over de kapok te verkrijgen, geleend en moet, alvo-
rens het zijn eigendom kan vernietigen, indien 10.000
ton zouden worden opgeofferd – dit cijfer wordt –
genoemd —beschikken over 2. millioen Gulden, wat
dus eerst mogelijk is, indien 15.000 ton aan uitvoer-.
recht onderworpen oogst zijn uitgevoerd, dus m.a.w.
15.000 ton nieuwen oogst plus 9.000 ouden of tezamen
24000 ton.
Een tweede mogelijkheid, die besproken wordt, is
die van een prijsverlaging en nu zijn wij tevens
ook
bij
de controverse in de koffie. in Brazilië
aangeland.

De Braziliaansche koffiemaatregelen.

Eind 1937 heeft Brazilië de valorisatie-politiek ver-
vangen door een agressie evenwel onder voortzetti
fl
g
van de bescherming van de geheele koffiepositie door
het blijven eischen van een opofferingsquotum van
de eigen planters (voor 1939/1940 weder van de ge-
wone koffies 30 pOt.).
Op de onlangs te Sao Paulo gehouden conferentie
van koffieplanters nu liepen de meeningen terzake
van de nieuwe politiek uiteen. En dit is ook verklaar-
baar, want weliswaar is het gevolg van de nieuwe po-
litiek geweest, dat het aandeel van Brazilië in den
wereld-koffie-export is gestegen, doch de prijs is ge-
daald, zij het, dat dit gedeeltelijk ging ten laste van
de verlaging van het uitvoerrecht. En dan blijft na-
tuurlijk steeds de vraag, wat voordeeliger is: een
kleinere hoeveelheid tegen een beteren of een grootere
hoeveelheid tegen een lageren prijs. Brazilië heeft,
ondanks de controverse onder de planters, den laat-
sten weg gekozen.

Prij.shandhaving bij kapok.

Bij de kapok heeft men vooralsnog den eersten weg
ingeslagen en Aneta heeft bericht, dat v66r Sept. a.s.
met betrekking tot de prijspolitiek geen verandering
kan worden verwacht. Het kan ook bezwaarlijk anders.
Door de prijspolitiek heeft men zich hoofdzakelijk
op een paar bepaalde afzetgebieden gespecialiseerd en
de andere grootendeels o5gegeven. Weliswaar is thans
het consigneeren naar Nederland weer onbeperkt toe-
gestaan, doch aan de prijslimite heeft men vastge-
houden. Bij het vraagstuk der prijsverlaging moet
worden bedacht, dat van den prijs van
f
40 per quin-
taal
f
15 aan het Kapokfonds komen – tenminste
van kapok van den nieuwen oogst – en dat deze
f
15
de hoofdhron vormen, waaruit het Fonds zijn midde-
len put om de bankschulden af te lossen en dus kapok
in vrijen eigendom te verkrijgen, wat voor de vernie-
tiging noodzakelijk is. Een prijsverlaging zou 6f
kunnen worden vèrkregen door het uitvoerrecht te
verlagen 6f door den prijs, welken de exporteurs ont-
vangen, te verminderen door, onder handhaving van
het uitvoerrecht, den minimum-exportprijs te verla-
gen. Het eerste beteekent, dat het zooveel langer
duurt, voordat de voorraad in eigendom wordt beze-
ten of vel dat het Gouvernement een verlies mpet
nemen, het tweede komt erop neer, dat de exporteurs
en fabrikanten een verlies op hun voorraden moeten nemen en dit van het Gouvernement zullen trachten
terug te krijgen en voorts dat de opkoopprjzen voor
den nieuwen oogst zullen worden verlaagd. In dezen
vorm kan het dus tot productie-beperking leiden, de
tav. de inlandsche kapok, naar onze meening, eenige
rationeele, zij het zeer ingrijpende wijze vin produc-
tie-beperking. Wat het voordeeligste is, laat zich van
hieruit niet beoordeelen; alleen moet worden bedacht,
dat de opkoopprijzen voor den oogst-1938 reeds laag
zijn geweest, zoodat door het volgen van den laatsten
weg de bevolking el eer zou worden getroffen.

De problemen voor beide producten dezelfde.

De controverse van Brazilië zal ook naar Ned.-
Indië worden verplaatst en men staat daar, zij het

7 Juni 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

457

op bescheidener schaal, voor hetzelfde probleem,
echter met dozen, wansmaak voor de overheid, dat de
prijzen, die bij den opkoop van kapok waren betaald,
gebaseerd zijn geweest op een politiek, voor welke de

overheid verantwoordelijk te stellen is, zoodat de f a-
brikanten en exporteurs zich op moreole factoren
zullen beroepen, teneinde te trachten de verliezen,
die zij bij een prijsverlaging zouden lijden, op de ge-
meenschap af te wentelen.
Reeds zoo kort nadat ingegrepen is geworden, ont-
wikkelt de toestand bij de kapok zich dermate ongun-
stig, dat men thans voor den tweesprong zal komen
te staan: handhaven van een valorisatie of overgaan
tot agressie onder bescherming van de algemeene po-
sitie, teneinde de débâcle te voorkomen: En daarbij
is de toestand daarom niet gunstig, omdat de buiten-
staanders ook beneden kostprijs zullen blijven ver-
koopen en bovendien, stopzetting der productie niet
beteekent vernietiging van productiecapaciteit. Wel-
ke oplossing men ook kiest, voor zoover wij thans
kunnen zien, zal zij dadelijk geld kosten. En dan kan
men voor de gevolgen in zekere mate bij Brazilië in
de leer gaan. Wij zeggen in zekere mate, omdat het

uiteraard mogelijk zal zijn een deel van het verloren
afzetgebied te herwinnen en er nog voortdurend o.p
wordt gehoopt, dat in Nederland een bevoorrechte positie wordt verkregen. Het koffieprobleem heeft
alle stadia doorgemaakt en daar is men tenslotte tot
de agressie gekomen; aangezien een vrijgeven van de
positie thans desastreus zou
zijn,
blijft voor de kapok
– gelukkig reeds nu – de keuze tusschen een van
beide wegen en dan is het te hopen, dat een weg
wordt gekozen, die zoo spoedig mogelijk tot een op-
heffing dezer geheele ordening zal leiden.

Minister Welter achtte
indertijd
de mogelijkheid
aanwezig, dat de overheid zonder veel kleeisçheuren
uit dit ,,kapokavontuur” zal kunnen retireeren, wat

hij zoowel in het belang van de bevolking als van het
Gouvernement beschouwde en wij hopen’ van harte,
dat de terugtocht reeds nu
geleidelijk
wordt be-
gonnen. J. F. H.

WETTELIJKE REGELEN INZAKE-DE

VERZEKERING TEGEN GELDELIJKE

GEVOLGEN VAN WERKLOOSHEID.

Het belang van den arbeider bij een werkloosheids-
verzekering boven een steunuitkeering is evident,
zelfs indien het bedrag van de uitkeering krachtens
cle verzekering ongeveer gelijk zou zijn aan het bedrag
der steunuitkeering. Nu is het natuurlijk waar, dat
in de eerste jaren der vrijwillige werkloosheidsverze-
kering cle werkiooshei’dsverzekering-uitkeering den
arbeider o.nttrok aan de armenzör en ‘thans slechts
aan de verkloosheidsondersteuning, maar het groote
voordeel voor het arbeidersgezin
bij
uitkeering krach-
tens verzekering
blijft,
dat in één gez’ixi enkels ver-
zekeringen naast elkaar kunnen loopen, zoodat door
twee. of drie uitkeeringen de grens van het noodza-
kelijke levensonderhoud niet dadelijk behoeft te wor-
den bereikt. Eerst wanneer de verzekeringen afloo-
pen, zal de ééné werkloosheidsondersteuniog ongeluk-
kigerwijze haar intrede moeten doen. –
De werkloosheidsverzekering is dus speciaal• van
belang als middel van gezinszorg, maar de omvang van deze gezinszorg door cumulatie van werkloos-
hei’dsuitkeeringen krachtens verzekering is niet be-
kend.
Het totale aantal farnilies, gerechtigd tot méér
dan één uitkeering krachtens verzekering, zoude wel
tot een statistisch belangrijk getal voeren, wanneer
ook het totale aantal gezinnen, waarin recht op
werkloosheidsuitkeering bestond, bekend, was. Eén-
arbeiderge’zin,neu zullen de gevolgen der werkloos-
heid sterker gevoelen. Voor deze families en voor
den op zichzelf staanden arbeider zonder gezin, is dus

de vorm: ondersteuning of uitkeering, van minder
belang.
De werkloosheidsverzekering heeft wel invloed op
de werkloosheidsondersteuning, veel minder op de
eigenlijke armenzorg. Wanneer de winnende hand
beter wordt gevuld, zal de werkloosheidsondersteu-
ning dalen. De totale uitgaven van armenzorg behoe-
ven dan volstrekt nog niet te dalen.
Het belang der werkloosheidsverzekering staat dus
in het algemeen los van de armenzorg. Het zal om
zich zelfs wil moeten worden gediend.
Het belang der multi-arbeiders-families. levert één
der beste argumenten voor den vorm der werkloos-
heidsverzekering boven de werkloosheidsondersteu-
ning.

De werkloosheidsverzekering is verder het meest
uitgezochte middel om het normale loonpeil te hand-
haven,. Een werkloosheidsondersteuning kan telkens
en op elk oogenblik door een regeeringsbesluit wor-
den verlaagd; de loopende en steeds doorloopende
werkloosheidsuit.keering krachtens vroegere verzeke-
ring vormt het minimum, waar beneden het loon niet
kan dalen. De beide hier genoemde voordeelen der
werkloosheidsverzekering moesten worden genoemd,
omdat de Memorie van Toelichting der Regeering,
walke het wetsontwerp begeleidde (zij werd bij het
véér-outwerp gepubliceerd) de voordeelen der werk-loosheidsverzekering boven de werkloosheidsonder-steuning niet vermeldt. De Regeering spreekt slechts
over de voordeelen van een verplichte verzekering,
geregeld bij’ de wet boven de vrijwillige verzekering,
gesteund door een rijksbijdrage aan de kassen, steu-
nende op een begrootingspost.
Het stelsel der vrjwil1ige verzekering heeft (1917 —1939) tot resultaat gehad, dat het aantal verzeker-
den, dat in 1917 nog slechts 63.000 bedroeg (ver-
deeld over enkele nationale kassen), in 1932 het maxi-
mum va.n 600.000 verzekerden bereikte, welk aantal
daarna is gedaald tot ongeveer 540.000 (Mem. v.
Toel.).

Aan bijdragen van de verzekerden werd in de jaren
1917 t/m. 1937 ontvangen pl.m.
f
96.000.000, op welk
bedrag door Rijk en gemeenten pLm.
f
147.000.000
subsidie werd verleend (Mem. v. Toel.).
Het doel der nieuwe wettelijke verplichting is de
daling tegen te gaan; van de arbeidersloonen in totaal
per jaar een veel grooter deel op te vragen; de werk-gevers te doen mede betalen en de staatsbijdragen te
doen vervallen. ‘De Regeering spaart haar krachten
om het rij’ksgeld alleen te geven voor ondersteuning
in gevallen van abnormale werkloosheid. En hier-
voor komen dan op het Rijksbudget het eerst beschik-
baar de gelden, welke nu aan de gemeentebesturen
worden uitgekeerd, langs den weg van het Werk-
loosheidssubsidiefonds, bestemd om de gemeentehe-‘
sturen te helpen in hun kosten van ondersteuning
der niet-verzekerde arbeiders en van de arbeiders, wier
uitkeering uit de werkloosheidkas is geëindigd.
Daar de Nederlandsche literatuur een overzicht
der verplichte verzekering tegen werkloosheid niet
kent, wordt daaromtrent in een volgend ‘artikel het
een en ander medegedeeld. De studie wordt verge-
makkelijkt door den véérarbeid van het Internationaal
Bureau van den Arbeid, welk Bureau een vergelijkend
overzicht gaf van alle verplichte vrijwillige werk-‘
loosheidsverzekeringen in de wereld.
Den tekst van het Engelsche schema, ‘zooals dat door dit Bureau is samengesteld, vindt men elders

in dit blad afgedrukt.

. C. W.
DE VRIES.

458

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERÎCHTEN

7 Juni
1939

JAPAN’S INDUSTRIEELE KRACHT EN

AUTARKISCH VERMOGEN.

In een periode, die sommigen onzer nog geheel
hebben meegemaakt, heeft Japan zich van een klein
feodaal rijk, dat zich vrijwillig van de overige wereld
had afgesloten, ontwikkeld tot een groote mogend-
heid, wier invloed zich overal doet gelden. Toen, in
1854, Amerika door een indrukwekkende vlootdemon-
stratie de openstehng van Japan bewerkte, zag het
er naar uit, dat Japan zoowel als China op dezelfde
wijze onder de groote mogendheden zouden worden
verdeeld als met Afrika het geval was; dit is echter
geheel anders geloopen. Het groote aanpassingsver-
mogen der Japanners stelde hen heel spoedig in staat
zich tot een kapitalistische mogendheid van de eerste
orde te ontwikkelen. De door den wereldoorlog ver-
worven 1ositie heeft Japan zooveel mogelijk uitge-
buit en al hebben vele deskundigen de meening uit-
gesproken, dat Japan zijn positie niet zou kunnen
handhaven, thans is wel heel duidelijk gebleken, dat
het een der meest funeste dwalingen is geweest te
denken, dat het technisch vermogen van het Westen
eeuwig superieur is aan dat van den Oosterling.
Zelfs nu de Japansche expansiezucht een ieder
de oogen voor de werkelijkheid zou moeten openen,
trachten de belangen, welke de wereld beheerschen,
de werkelijke economische kracht van Japan voor de
massa te verbergen. Wel woedt er steeds op gewezen,
dat Japan militair zeer sterk is, doch men tracht
de voorstelling dezer kracht te verkleinen door er op
te wijzen, dat Japan een grooten oorlog door gebrek
aan industrieele kracht zal moeten verliezen. Men
moet wel met blindheid geslagen
zijn
oni Japan’s
technisch vermogen zoo te onderschatten. Door de be-
zetting van China staat Japan sterker dan ooit, doch,
zelfs zonder deze aanwinst, kan Japan wijzen op een
enormen vooruitgang zoowel op economisch als op in-
dustrieel gebied.
Enkele jaren terug waren serieuze buitenlandsche
deskundigen ervan overtuigd, dat Japan, wegens het
vrjwl geheel ontbreken van inheemsch ijzererts en
van voor cokesverwerking geschikte kolen, onmogelijk
in staat zou zijn een omvangrijke ,,zware” industrie
te scheppen. Dit oordeel is een groote blunder geble-
ken, want thans is Japan reeds ver gevorderd op den
weg naar de stichting van een ontzaglijke ijzer- en
staalindustrie, die, alhoewel nog gedeeltelijk afhan-
kelijk van den invoer van erts, oud ijzer en kolen,
nu al in staat is in de geheele Japa.nsche behoefte aan
ruwijzer en staal te voorzien.
1-let staalverbru-ik heeft zich zoowel voor indus-
trieele als voor militaire doeleinden in sterke mate
uitgebreid. Indien men het jaarlijksche verbruik aan
staal voor 1914 op 100 stelt, dan verkrijgt men voor
het jaar 1919 een cijfer van 225. In 1931 bedroeg
het indexcijfer slechts 250, hetgeen te
wijten
is aan
de economische depressie in de voorafgaande jaren cii
aaii het vlootverdrag van Washington. In 1935 werd
een cijfer van 550 bereikt! In 1920 bedroeg het totale
staalveibruik ca. 1.500.000 tons, waarvan ca. 1.000.000
tons uit het buitenland kwamen. In 1931 was het
verbruik 1.900.000 tons en werden slechts ca 270.000
tons geïmporteerd. In 1936, toen het verbruik sterk
toegenomen was, nl. in totaal 4.000.000 tons, had
Japan de buitengewone prestatie geleverd, dat zelfs
hij zulk een groot verbruik (100 pCt. meer dan in
1931) vrijwel niets behoefde te worden ingevoerd.
Ook ruwijzer, de voornaamste grondstof der staal-
industrie, wordt in toenemenden omvang in Japan
geproduceerd. in 1920 bedroeg het totale verbruik
van ruwijzer ca. 900.000 tons, in 1936 reeds ca.
4.000.000 tons. In tegenstelling met staal, kan Japan
voor ruwijzer nog niet in eigen behoefte voorzien.
Het vijfjarenplan voor Mantsjoekwo en voor Korea
zal er echter toe leiden, dat Japan
01)
den duur 70/80
pOt. van de behoefte zelf kan leveren, maar zelfs
als de invoer uit het buitenland wordt beperkt tot
de productie van de Zuidzee-eilanden, waar zich
groote, in Japansche handen zijnde, ijzermijnen be-
vinden, dan nog is Japan van leverantie verzekerd,
zoolang het de heerschappij ter zee in deze wateren
kan behouden.

Ondanks deze enorme uitbreidingen, blijft de pro-
ductie der Japansche ijzer- en staalindustrie gesta-
cligen voortgang maken. Ook verwante productietak-
ken, zooals machinebouw en de chemische industrie,
breiden zich snel uit, zoodat inmiddels het geheele complex der zware industrie vasten voet in Japan’s
economisch leven verkregen heeft. Zij is thans in de
Japansche huitenlandsche politiek een zoo belang-
rijke factor, dat het land zich voor zijn verdere ont-
wikkeling ieder offer zal getroosten.

Van groot belang is ook de aluminiumindustrie, al-
hoewel het hauxiet, de grondstof voor aluminium,
vrijwel geheel ontbreekt. Met het oog op de groote defensiebelangen bij deze industrie, is de overheid
ertoe overgegaan, om haar meer het karakter van een
openbaar nutsbedrijf te geven. In 1937 bedroeg de
aluminiumproductie 10.500 tons, in 1938 reeds 20.000
tons, terwijl in 1937 het verbruik 22.000 tons bedroeg
en iii 1938 35.000 fons. Op grond van cel onlangs
ingediend wetsontwerp zal de totale productie ver-
vijfvoudigd worden, zoodat een. groote hoeveelheid
dan voor export beschikbaar komt. De zeer omvang-rijke aluminiummaatschappij Japan Light Metal Co.,
zal niet minder dan 50.000 tons aluminiun per jaar
gaan fabriceeren, ofwel ca. 10 pCt. van de totale
wereldproductie.

Eveneens belangrijk is de nikkelindustrie. De Ja-pan Nickel Refining Co. zal dit jaar over een capa-
citeit van 10.000 tons nikkel chromiumstaal, 5.000
tons roestvrijstaal en 1.000 tons zuiver nikkel beschik-
ken. Alen streeft er verder ernstig naar om de jaar

lijksche nikkelprodiictie tot 10.000 tons op te voeren.
Wat minerale oliën betreft, bedraagt de productie
in Japan minder dan 10 pCt. van het verbruik. De
olievelden van Japan en Sachalin kunnen echter hun
productie verviervoudigen, terwijl verder de Zuidzee-
eilanden nog ter beschikking staan. Uit de rijke bruin-
kolenlagen en leisteengroeven kan langs synthetischen
weg benzine gemaakt worden. De olieleisteen in
Mantsjoek-wo is boven de kolenlagen gelegen en daar-
door kan deze gemakkelijk in de open lucht ontgon-
nen worden. Op het oogenblik worden jaarlijks
150.000 tons olie gewonnen, doch men heeft inmid-
dels maatregelen getroffen om de productie tot
350.000 tons op te voeren. Naar schatting beschikt
Mantsjoekwo over ca. 5 milliard tons olieleisteen,
waaruit 1 5. 2 milliard barrels olie zouden gewonnen
kunnen worden.

Belangrijk voor de Japansche chemische industrie
is het feit, dat Japan in voldoenden omvang zwavel
bezit. Hetzelfde geldt voor het zeer belangrijke pyriet.
Voor de keramische industrie is er een overvloedige
productie van kalksteen, klei en kiezelaarde. Wat
nitraten betreft, heeft de stikstofbindingindustrie
zulke groote vorderingen gemaakt, dat Japan, hoe-
wel nog tot voor korten tijd volkomen afhankelijk
van het buitenland, thans in staat is zelf de ge-
heele stikstofbehoefte te dekken. Zout, de basisgrond-
stof voor de alkalische industrie, komt voor 50 pCt
uit eigen land; 20 pCt. van het benoodigde zout
komt echter uit het pachtgebied Kwantoeng. De
productie aldaar breidt zich geweldig snel uit, zoodat
binnenkort Japan ook voer dit belangrijke product
geheel onafhankelijk van het buitenland zal zijn.

Belangrijk voor de vetvoorziening van het land is
de positie, welke Japan bij de walvischvangst in-
neemt. Japan neemt bij de wereldproductie de vierde
plaats in, nI. met ca. 400.000 vaten; traan is dan ook
ruimschoots voorhanden.

– Het plantaardige materiaal, waaaan Japan het
meest behoefte heeft, is ruwe katoen (en ook wol)
voor de zeer belangrijke textielindustrie. Jaarlijks

7 Juni 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

459

worden ca. 1.000.000 tons ruwe katoen ingevoerd, bij
een hinnenlandsche productie van ca. 100.000 tons.
Er zijn thans piannen voor een groote katoeuproduc-
tie in Korea, Mantsjoekwo en Noord-China, en Japan
hoopt reeds in 1940 een vierde gedeelte van de ka-
toen, die het in het buitenland duur moet betalen, uit Noord-China te betrekken. Verder kan de im-
port van wol gedeeltelijk vervangen worden door den
aanvoer uit Mongolië en Mantsjoerije. Om op den
invoer van ruwe katoen zooveel mogelijk te besparen,
heeft men zich in Japan met groote energie op de
productie van het synthetische product geworpen.
Duitschiand, Italië en Japan nemen thans 90 pCt.
van de wereldproductie aan kunstk-atoen voor hun
rekening. In April 1938 was de stapelvezeiproductie
in Japan al grooter dan die van kunstzijde; in No-
vember 1938 bedroeg zij 26.67 millioen pond, ter-
wijl de kunstzijdeproductie slechts 13.33 miii. pond
bedroeg. Japan neemt in de kunstzijde-industrie de
tweede plaats in. De kunstzijde-industrie heeft in de
jaren 1933/36 haar grootste expansie beleefd; het
aantal spoelen steeg van 82.000 in 1933 tot 435.000
in 1936. In 1938 kreeg men een groote daling in de
productie te zien en wel van 147.000 tons in 1937
tot 91.000 tons in 1938.
De grondstof voor de kunstzi.jde-industrie is hout.-pulp, waarvoor Japan, wa..t zijn totaalgebruik betreft,
voor 80 pCt. op den invoer is aangewezen. De invoer
van houtpuip bedroeg in 1937 ca. 50 millioen Yen.
Uit autarkische overwegingen tracht men de binnen-
landsche houtindustrie op te voeren; deze bedraagt
thans 209.000 tons. Alen hoopt deze productie in 1942
tot 290.000 tons te hebben vergroot. Men schat, dat

in 1942 de behoefte aan houtpulp ca. 480.000 tons
zal zijn, zoodat dan de binnenlandsche productie ca.
60 pCt. van de behoefte zou dekken.
Zooals men uit deze schets ziet, heeft Japan zich
de hulpbronnen, waarover het ondanks een tekort be-
schikt, in sterke mate ten nutte gemaakt. Het houdt
thans het oog gevestigd op Mantsjoekwo en het on-
langs op China veroverde gebied, welke groote, nog
onontgonnen, natuurlijke rijkdommen bezitten.
Van groot belang bleken ook de in de laatste jaren
erworven gebieden, waarover hier nog enkele bijzon-
derheden volgen. Op Formosa, dat in 1.895 verwor-ven werd, worden thee, rijst, hout en suiker in over-
vloedi ge hoeveelheden geproduceerd. Voorts brengt
het vrijwel alle
natuurlijke
kamfer ter wereld voort.
Korea (Chosen) is in hoofdzaak een landbouwlarid;
de voornaamste voort.brengselen zijn tarwe, gerst, soja-
boonen en rijst. Dit gebied werd in 1905 verworven.

Eveneens in 1905 k-wani het eiland Sachalin aan Japan. Vischvangst, bosschen en mijnen vormen er
de basis van het economisch leven. De rijke steen-
koollagen worden op energieke wijze ontgonnen. Ook
vindt men er petroleum.

Van de mandaateilanden, welke Japan bij het ver-
drag van Versailles toegdwezen kreeg; zijn het he-
langrijk-st de Mariannen, de Marshall en cle Caroli-
nen. De Mariannen zijn zeer geschikt voor het ver-
bouwen van suilcerriet. Op de Carolinen bevinden
zich de waardevolle fosfaatmijnen. De Marshail-
eilanden zijn rijk aan cocospalmen en copra.

Tot slot, Mantsjoekwo, inclusief het pachtgebied
Kwantoeng en de Zuid-Mantsjoerijsche spoorwegzone.
Dit gebied (41 iiaal de oppervlaicte van Nederland)
is het belangrijkste van alle zich in Jpansch bezit
hevinciende gewesten. liet levert Japan katoen en soja-

boonen. Er zijn zeer veel kolen en ijzer, waaraan
Japan groote behoefte heeft.

Zevent:ig jaar geleden had Japan 33 millioenin-
wuners; thans telt het Japansche keizerrijk, Mant-
sjoekwo niet medegerekend, 92 millioen zielen, zoo-
dat het in bevolkingsgetal nog slechts wordt over-
trof f en door de Vereenigde Staten, het Britsche Rijk,
Rusland en China.

Al.
VAN POELJE.

DE ECONOMISCHE BETEEKENIS VAN

NEUTRALE STATEN IN EEN

EUROPEESCH CONFLICT.

liet vraagstuk van de voorziening der bevolking
van de allernoodzake]ijkste voedingsmiddelen en der
industrie van de noodzakelijkste grondstoffen is in
geval van oorlog voor ieder land of iedere combinatie
van landen van de grootste beteekenis. Beschikt een
land over de middelen de verbinciingswegen, langs
welke de aanvoer van de henoodigdo producten ge-
schiedt, te heheerschen, dan verliest het probleem
een groot deel van zijn scherpte. Anders is het even-
wel gesteld, als een mogendheid deze verbindingswe-
gen niet of slechts zeer ten deele kan beheerschen.
Zij beschikt dan slechts over de aanwezige voorraden,
de hinnenlandsche productie van het land zelf en
van zijn bondgenooten en tenslotte over de voorzie-
ning met producten uit de aangrenzende of zonder
veel gevaar te bereiken neutrale staten.
De momenteele politieke constellatie van Europa,
welke wordt gevormd door de z.g. Westersche demo-
cratieën en haar eventueele bondgenooten eenerzijds
en de z.g. spilmogendheden aan den anderen kant,
waartusschen weer een aantal neutrale staten ligt,
heeft dit vraagstuk eveneens aan de orde gebracht.
De blokvorming is reeds in zooverre geconsolideerd,
dat de landen, behoorende tot de verschillende groe-
pen, voldoende bekend zijn.
liet hier aangesneden vraagstuk van de voorziening
met levensmiddelen en grondstoffen is in geval van
oorlog voornamelijk voor de mogendheden van de as
een belang van de allereerste orde. Aangezien kan
worden aangenomen, dat de Engelsche en Fransche
vloten in de Noordzee .en de Middellandsche Zee ean
overheerschende positie zullen innemen en zoodoende
dus den aanvoer van producten over deze zeeën naar
de as-mogendheden voor het grootste deel zullen we-
ten te verhinderen, zal .de behoefte aan invoer van
voedingsmiddelen en grondstoffen slechts door een aantal Europeesche neutrale landen kunnen worden
bevredigd. Wij nemen hierbij aan, dat de neutrale
landen tot op zekere hoogte de vrijheid zullen heb-
ben producten van eigen bodem of van de inheem-
sche industrie te blijven exporteeren. Het zal met de
neutraliteit moeilijk vereenigbaar zijn, druk op deze
landen uit te oefenen in dien zin, dat zij verhinderd
zullen worden producten van eigen bodem naar aan-
grenzende landen te zenden. Dat het vervoer van
koloniale producten der neutrale staten op eenigs-
zins noemenswaarde schaal mogelijk zal zijn, is, ge-
zien cie ervaringen uit den oorlog van 1914-1918,
niet aan te nemen.
De kwestie van den invoer van voedingsmiddelen
en grondstoffen is voor de spil-mogendheden vooral
ook daarom van beteekenis, daar de economische

1937
1)
(in millioenen R.M.)
Invoer

Gr.-Duitschlancl
2)
Italië

Totaal
Voedingsmiddelen

1883

401

2284
Grondstoffen ……..
4034

1049

5083
Fabrikatea ……….

865

362

1227
Uitvoer
Voedingsmiddelen

171

412

583
Grondstoffen ……..
1335

181

1516
Fabrikaten……….
5944

774

6718

) Als uitgangspunt voor de statistische beschouwing
van dit vraagstuk is het jaar
1937
genomen. Vroegere
jaren varen voor dat doel nunder goed bruikbaar, daar juist op het gebied van den bu’iten1andshèn handel, en
mot name bij de as-mogendhed.e’n, belangrijke verschuivin-
gen hebben plaats gevonden. .&an den anderen kant was
het niet mogelijk het jaar
1938
te ‘gebruiken, daar voor
een groot aantal landen nog geen vergelijkbare gegevens
zijn te verkrijgen.
2)
De gegevens voor Groot-Duitscmhland zijn door ons
berekend door hij deti bui’tenlandschen handel van het
Oude Rijk dien van Oostenrijk op te tellen. Verder is de
buitenlandshe handel van de Sudeten en I3ohenmen en Mo-
ravië, voor zoover deze uit de gegevens, voor Tsjeeho-Slo-
wakije was te berekenen, hierbij opgeteld.

460

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 Juni 1939

structuur zoowel van Duitschiand als van Italië deze landen op dat gebied zeer afhankelijk heeft gemaakt
van invoer uit het buitenland. Het vorenstaande
overzicht van de samenstelling van den buitenland-schen handel dezer landen laat dit duidelijk zien.
Terwijl de invoer voor bijna 60 pOt. uit grondstof-
fen, voor 26 pOt. uit voedingsmiddelen en voor
slechts ca. 14 pOt. uit fabrikaten bestaat, is deze
verhouding bij den uitvoer 17 pOt., 7 püt. en 76 pOt.
Men kai zich nu in de eerste plaats afvragen, hoe
de structuur van den buitenlandschen handel der
neutrale staten is, om zoodoende een algemeen beeld
te verkrijgen van de mogelijkheden van een even-
tueele voorziening van Duitschland en Italië door
de neutrale landen.

De vraag doet zich daarbij voor, welke landen bij
een eventueel conflict als neutraal kunnen worden
beschouwd. Met zekerheid is in dit geval natuurlijk
niets te zeggen. Waarschijnlijk is evenwel, dat naast
de neutraliteit der drie Scandinavische landen, die
van Nederland, België en Zwitserland zal worden
gehandhaafd. De Baltische Staten (Finland, Estiand,
Letland en Lithauen) zullen zeer waarschijnlijk even-
eens hun neutraliteit behouden; een zekere Duitsche
druk op deze laatstgenoemde landen, om hun eco-
nomisch leven in dienst van de totalitaire staten te
stellen, is nu reeds waar te nemen. De groep Zuid-
Oost Europeesche landen, nl. Hongarije, Zuid-Slavië, Roemenië, Bulgarije en Griekenland, is voor e3n deel
reeds politiek of economisch aan de spil gebonden,
cle overige landen zullen hoogstwaarschijnlijk als neu-
trale staten de functie van leverancier van de spil
vervullen en fabrikaten in ruil hiervoor aannemen.
De minste zekerheid vormt hierbij de neutraliteit van
Roemenië. Duitschland en Italië zullen evenwel aan de neutraliteit van dit land zeer groote waarde moe-
ten hechten. Van Turkije kan, gezien de ontwikke-
ling in de laatste weken, met vrij groote waarschijn-
lijkheid worden aangenomen, dat het aan de zijde
van de democratie.ën zal staan.
Eventueele andere neutrale staten zullen in dit ver-
band geen of een zeer geringe rol kunnen spelen, daar
de verbindingswegen hiervan met de landen van de spil waarschijnlijk door Engeland en Frankrijk zul-
]en worden gecontroleerd.
De verbindirigswegen tusscheu Duitschiand en Ita-
lië en de hier genoemde neutrale staten gaan echter
voor het grootste deel over land en liggen dan meest-
al buiten het directe gevarengebied. Het deel, dat
over zee gaat, ni. het verkeer over de Oostzee, zal
waarschijnlijk door de Duitsche vloot kunnen worden
beschermd. Duitschiand zal echter in ieder geval met
een dreiging van de zijde der Russische vloot reke-
ning moeten houden, zoodat de aanvoer van produc-
ten over de Oostzee wel met eenige moeilijkheden ge-
paard zal gaan.

De samenstelling van den huitenlandschen handel
der neutrale landen is onderling zeer verschillend.
Van de groep Nederland, België, Zwitserland, is Ne-
derland als exporteur van voedihgsmiddelen van zeer
groote beteekenis; België daarentegen heeft belang als grondstoffenexporteur, terwijl Zwitserland, wat
de structuur van den uitvoer betreft, sterk met
Duitschiand overeenkomt en dus als leverancier in
oorlogstijd van minder beteekenis is. Hieronder geven
wij een samenvatting van den huitenlandschen han-
del van deze landen, omgerekend op R.M., teneinde
vergeljkbaarheid met de behoeften van de as-mogend-
heden te vergemakkelijken.

1937
(in millioenen R.M,)

Invoer

Nederland België Zwitserland Totaal
Voedingsmiddelen
380 452 273
1105
Grondstoffen
883
1318
325
2526
Fabrikaten ……
862
521
428
1811
Uitvoer
Voedingsmiddelen
577
121
47
745
Grondstoffen


489
961
65
1515
Fabrikaten ……
508
1054
620
2182

De invoerhehoefte dezer landen, voorzoover
zij
niet
op fabrikaten betrekking heeft, kan voor een deel
feitelijk buiten de belangstelling der spil-mogendhe-
den blijven,
daar do neutralen hun eigen behoeften
aan voedingsmiddelen en grondstoffen wel elders kun-
neji dekken. Niettemin is in dit verband een indirecte
druk op de neutrale mogendheden zeer waarschijnlijk
te achten. Door nI. den invoer van voor de neutrale
staten noodzakelijke producten te beperken, hetgeen
zeer wel binnen het bereik der tegenstanders van de
spil ligt, kunnen zij de binnenlandsche productie
dezer neutralen zoodanig in autarkische richting wij-
zigen, dat de uitvoeroverschotten naar de spilmogend-
heden geringer worden of zelfs geheel verdwijnen.
De ervaringen uit den wereldoorlog maken een der-

gelijke veronderstelling niet geheel onwaarschijnlijk.
Hoe grooter dus de afhankelijkheid der neutrale sta-
ten van producten, die de spilmogendheden eveneens
missen, is, dos te grooter is de kans, dat de
mi
be-
staande uitvoeroverschotten aan voedingsmiddelén en
grondstoffen in geval van oorlog noodgedwongen zul-len verminderen.

Bij den invoer van .fahrikatcn is de situatie echter
anders. Gezien de structuur van den buitenlandscheu
handel is het zeer waarschijnlijk, dat de totalitaire
staten in dit geval van diverse fabrikaten als ruil-
object gebruik zullen maken tegenover de door de
neutrale mogendheden geleverde grondstoffen en voe-
dingsmiddelen. Uit vorenstaande tabel blijkt, dat
de drie hiergenoemde staten als leveranciers van voe-
dingsmiddelen en grondstoffen eenS niet te onder-
schatten rol kunnen spelen. Aan den anderen kant
blijkt evenwel, dat de afhankeljkhejd dezer staten
van invoer van grondstoffen en voedingsmiddelen
eveneens zeer groot is, hetgeen weer een zwakke zijde
voor de economisch-strategische positie der spil be-
teekent.

Een belangrijke rol kunnen de Scandinavische lan-
den spelen. Onderling wijken deze landen hierin af,
dat Denemarken voornamelijk voedingsmiddelen-ex-
porteur is en Zweden en Noorwegen meer als
uitvoerlanden van grondstoffen op den voorgrond tre-
den. Aan de invoerbehoefte aan fabrikaten van deze
landen kan Duitschland in groote mate tegemoet
komen. De invoerbehoefte aan grondstoffen en voe-
dingsmiddelen is in deze landen minder dringend dan
in de hierboven besproken West-Europeesche staten.

1937
(in inillioenen R.M.)

Invoer

Denemarken
Zweden
Noorwegen
Totaal

Voedingsmiddelen
131
159
121
411
Grondstoffen
410
524
230
1164
Fabrikaten ……
363
665
441
1469

Uitvoer
Voedingsmiddelen
651
74
102
827
Grondstoffen
74
661
285
1020
Fabrikaten ……
122
535
115
772

De Baltiche staten zijn, met uitzondering van
Finland, dat als houtexporteur in aanmerking komt,
van minder heteekenis dan de heide hierboven behan-
delde groepen.

1937
(in inillioenen R.M.)

Invoer

Finl.

EstI. Letland Litbacien ‘rot.

Voedingsmiddelen
120

10

12

4

146
Grondstoffen

170

21

44

34

269
Fabrikaten ……
200

44

56

51

351

Uitvoer
Voedingsmiddelen

42

28

31

46

147
Grondstoffen ..

396

29

73

39

537
Fabrikaten ……
67

16

23

3

109

Niettemin zullen zij in geval van oorlog aan het
met gebrek aan voedingsmiddelen kampende Duitsch-
land belangrijke diensten kunnen bewijzen. De betee-
kenis (lezer landen ligt voor een deel ook in de om-
standigheid, dat zij niet te sterk op leveringen zijn
aangewezen, die niet door de spil kunnen worden
bevredigd.

7 Juni 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

461

Een groote rol, zoowel wat betreft de leverig van
voedingsmiddelen als de voorziening met grondstof-
fen, spelen de landen van Zuid-Oost Europa. Van
beteekenis is hierbij tevens, dat de invoerbehoefte
dezer landen in haar samenstelling volkomen voldoet
aan de structuur van den Duitschen uitvoer, dus voor
het grootste deel bestaat uit fabrikaten en in de min-derheid uit grondstoffen en voedingsmiddelen. Daar
komt nog bij, dat Italië, en vooral Duitschiand,
reeds nu g-rooten invloed uitoefenen op de productie
en de richting van den huitenlandschen handel dezer
landen, hetgeen in geval van oorlog de verdere aan-
passing aan het economische leven van de spil zal
vergemakkelijken.
Hieronder volgt een overzicht van de samenstel-
ling van. den buitenlandschen handel der vijf Zuid-
Oost Europeesche staten.

1937
(in millioenen R.M.)

Honga- Roeme- Zuid-
Bul-

Grieken-
Inuoer
rije
nië
SlaviS
garije land
Tolaal
Voedingsmiddelen
20
16
15
5
117 173
Grondstoffen

..
201
65 76 36 96
474
Fabrikaten ……
128
288
202
99 145
862

Uitvoer
Voedingsmiddelen
247 232
165 76
66
786
Grondstoffen

.
..
56
334
177
72
143
782
Fabrikaten ……
130
8
15
6
16
175

De structuur van den buiten.landschen handel dezer
landen vertoont ook onderling weinig, afwijking.

Slechts
Hongarije
is eenigsains sterker fabrikaten-

exporteerend en Griekenland heeft een relatief nog
belangrijken invoer van voedingmiddelèn. Overigens
echter hebben deze landen stuk voor stuk een groote
beteekenis als exporteur van voedingsmiddelen en
grondstoffen.
In hoeverre komt nu de totale buitenlandsche han-
del der verschillende hier behandelde groepen tege-
moet aan de behoeften der spil-mogendheden. Onder-
staand overzicht kan deze vraag reeds voor een deel

beantwoorden. –

1937 (in millioenen R.M.)

1 n v
0
e r

. –

1 Uitvoer

•0

.

.
CL

a,.t

cta

.-.(t

•.I.

o
N.

1-

Voedingsmidd.

1105

411

146

173 1835 .583
1
(ronclstoffen
:. 2526 1164

269

474 4433 1516
Fabrikaten ….
1811

1469

351

862 4493 6718

Ijitvoer

‘Invoer

Voedingsmidd:

745

827

147

786 2505 2284
Grondstoffen
. . 1515 1020

537

782 3854 5083
Fabrikaten …
. 2182

772

109

175 3238 1227

De bovenste helft van deze tabel, die dus de invoer-
behoefte der neutrale staten met de uitvoermogeljk-
heden van de spil vergelijkt, laat zien, dat de benoo-
digde voedingsmiddelen en gi-ondstoffen door de neu-
tralen voor het allergrootste deel in andere landen
dan die van de as zullen moeten worden gekocht. Daar-
entegen zal de spil de behoefte der neutralen aan
fabrikaten, vermoedelijk zelfs ondanks de in geval
van oorlog nog meer uit te breiden bewapeningsin-dustrie, voor het grootste deel kunnen- bevredigen.
Een verschuiving in de richting van een grooteren
invoer van fabrikaten uit de landen van de spil zal
bovendien noodzakelijk zijn, wil men betaling van
de dan stijgende leveringen van grondstoffen en voe-
dingsmiddelen verkrijgen. Dit laatste zal echter, zoo-
als hierboven reeds werd vermeld, door de tegen-

standers der spil, door beperking van de aanvoeren
voor de neutralen, grootendeels kunnen worden ver-
hinderd.

Het tweede gedeelte der tabel laat o.a. zien, dat de
neutrale staten, gegeven de samenstelling van hun

uitvoer, een belangrijke’ rol kunnen spelen als lev-
rauciers •van grondstoffen – en voedingsmiddelen voor
de spil. De waarde van den uitvoer van voedingsmid-
delen uit de neutrale staten overtreft zelfs de waarde
van den invoer van deze producten in de as-mogend-
heden. De waarde van den uitvoer van grondstoffen
blijft echter nog ruim 20 pOt. onder de in’voerbehoefte
van Duitschland en Italië. In bovenstaande beschouwingen, die als een aan-
loop voor een ‘liepergaand onderzoek moeten worden
beschouwd, is met verschillende omstandigheden geen
rekening. gehouden.

De groepen grondstoffen en voedingsmiddelen be-
vatten een groote verscheidenheid van producten. Het is daarbij heel goed mogelijk, dat bepaalde voedings-
middelen of grondstoffen in overvloed aanwezig zijn,
terwijl andere, zeer noodzakelijke, ontbreken of in te geringe hoeveelheden voorkomen. Om deze vraag te
kunnen beantwoorden, moet ‘de buitenlandsche han-
del der verschillende hier behandelde landen nader
worden geanalyseerd.
Voordat hiertoe echter wordt overgegaan, is het
goed eenige punten, die vooral in geval van oorlog
van heteekenis kunnen worden, nader onder de oogen
te zien.
Het is n.l. mogelijk, en het gebeurt reeds nu in
Duitschland in een bepaalde mate, de samenstelling
der voeding zoodanig te veranderen – waarbij dan
de voedingswaarde niet belangrijk wordt verminderd
– dat een grooter deel hiervan bestaat uit binnen.-
landsche of gemakkelijk te verkrijgen artikelen, welke
dan de plaats innemen der vroeger geïmporteerde
producten; Dit vraagstuk is in Duitschland reeds
voldoende onderzocht en het lijkt niet uitgesloten, dat
Duitschland met de onder zijn bereik zijnde voedings-
middelen beter in staat zal zijn een oorlog van lan geren duur vol te houden dan men veelal in andere
landen meent.
Verder bestaat er in Duitschl’and, en dit geldt ook
voor Italië, reeds een vrij groote ervaring in de ver-vaardiging van de z.g. Ersatz-producten. Het aantal
grondstoffen, dat door synthetische producten kan
worden vervangen, neemt steeds – toe en de procédé’s
worden steeds beter. Daarbij moet men ook bedenken,
dat in geval van oorlog het verschil in kostprijs tus-
schen het ingevoerde product en het ,,Ersatz”-artikel
een nog geringere rol speelt dan nu reeds het geval
is. Bovendien maken verschillende gegevens het zeer
waarschijnlijk, dat de spil-mogendheden van die grond-
stoffen, waarvan- kunstmatige productie op groote
schaal nog niet mogelijk is, reeds aanzienlijke voor-
raden hebben gevormd, zoodat ook op dit gebied –
zij het dan ook in geringere mate dan bij de voedings-
middelen – een vrij groot uithoudingsvermogen niet
is uitgesloten.
Gezien deze ‘feiten, is het van belang te – constatee-
ren, dat de uitvoer der groepen voedingsmiddelen -en
grondstoffen der neutrale staten, voor een zeer groot
deel,
kan
voldoen aan de invoerbehoefte der spil-mo-
gendheden aan de producten uit deze ‘rubrieken.
Het is natuurlijk de vraag, in hoeverie zulks voor
de neutralen mogelijk zal blijken. Voor een juiste be-
oordeeling van het hierna’ volgende detail-onderzoek kunnen deze feiten van groote beteekenis zijn.
Het zou de aandacht verdienen, de kwetsbaar-
heid der neutrale staten op dit gebied nader onder
de oogen te zien. -Want het is, niet aan te ne
men, dat een der strijdende partijen lijdelijk zal toe-
zien, dat zijn tegenpartij van grondstoffen en voe-
dingsmiddelen wordt voorzien, indien zij dit kan be-
letten, zonder dat de neutraliteit der betreffende sta-
ten daardoor wordt geschonden.
Een punt, dat in het bovenstaande &veneens buiten
beschouwing bleef, is de handel tusschen Duitschland
en Italië. Het leek ons ‘doelmatiger, de beteekenis
hiervan, die overigens vrij gering is, in een op deze
meer algemeene beschouwingen volgend detail-onder-
zoek naar voren te brengen.
F.
WEINREB.

462

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1

7
Juni 1939

:
AANTEEKENINGEN.

Het jaarverslag 1938/39 van De Nederlandsche

Bank.

De President van De Nederlancische Bank vangt

zijn
verslag 1938-1939 aan met een bespiegeling over de groote mate van oizekerheicl, die cle politieke out-
wikkeling in de wereld met
zich
heeft gebracht.

Politieke achtergrond van het wercldqebeurei.
internationale politieke ontwikkeling.

liet tijidpérk van het
01)
31 Maart 1939 geëindigde boek-
jaar werd- beheerschft door de internationale politieke ver-
hou-dingen. i)ezc sdhiepen voortdurende onrust en nzekcr-
heid, die zich hij herhaling vr-sherpten tt paniek en
oorlogsvrees. Zulks leidde tot de opvoëning van de in
gang zijnde bewapening ‘tot een peil, dat niet gehai.zdihaafd
zal kunnen worden. :EEet is begrijpelijk en verklaarbaar,
.dat in een wereld, waa,r’i,n de ‘dreiging van het ivapenge-
weld een zoo voorname plaats innemit als thans het ge-
val is, geen andere mogelijloheid gezien wordt dan het
contentreeren van alle krachten op het versterken van
de w’ermaeht. Dit geldt ‘ook voor die landen, welke in
geen geval en door niemand van agressieve bedoelingen
kun nen verdach,t worden, liet is echter onbegrijpelijk en
onverklaarb’aar, dat dc wereld dc kracht en den ii”il mist om den weg naar den afgrond -te verlaten en ‘den onzin-
uigeri wedloo.p te-staken. Voor een ieder, -die zien wil, moet het toch duidelijk zijn, dat geen land .01) dcii duur
ht ‘huidige tempo en den tegenwoordigen – omvang van
zijn be’wapeni ug en van zijn uitgaven zal kun nen volhou-
den. Volgens een desbetreffende .rarn’i.rig moeten de ‘ver-
schillende Regeeringen ‘tezamen maandelijks bijkans
f
2
m-illiard uit leeningen verkrigen om in haar begr’ooti ngs-
tekorten te voorzien.
• Onder -de zooeven niet enkele woorden aangegeven om-standigheden dringt zich -de vraag op, of, zool-aug omtrent
de politieke on’tw’ikkeliriig’ siet meer .anker,hei,d bestaat, ‘het
wel zin heeft zich in -economische en f,inanciee-le beschou-
wingen -te begeven. Zooal-s de ervaring telkens opnieuw
leent, ligt in die ontwikkeling ht beslissende moment voor
d.e toekomst. Economische opleving, financieel herstel en
monetaire stabiliteit zijn ondenkbaar, zoolang de politieke
ivereldver-houdiugen niet een aanmerkelijke verbetering
ventoonen, de oorlogs-vrees niet ge’bannen wordt en de be-
wapen ingdn. niet tot cen redelijk peil w’orden teruggebracht.

Overheidsingrijpen in hel economisch ‘leven.

Niettemin zijn er in cle huidige situatie weinig
Jioopgevende elementen voor de ontwikkeling in de
naaste toekomst ‘aan te wijzen. ‘Verschillende abnor-
male en kunstrnatige invloeden, die bovendien zo-
danig afhankelijk zijn van het inzichten e macht
van bepaalde personen, dat hun, mate van uitwer-
king bezwaarlijk juist te schatten
is,
spelen een rol. De heer Trip noemt drie der belangrijkste.

De onbegrensde bewapening twerd hierboven reed’s ge-
ii
oenid. Daarnaast di n’t de -steeds verder voortschrijdende
afsluiting ‘der i nd-ivi’dueele landen vermeld te «’or’de-n. Dii-
clanks de erkenning, da,t een ruimer handelsverkeer een
levensbelang van de ‘eerste orde ‘ormt brengt iedere dag
nieuwe bel’eniniei’-ingen ian den invoer en daarmede’ tevens
van den uitvoer.
III
de pra-etijk blij-ven alle landen streven
naar -liet bevorderen van hun e-xporton, veelal onder aan-wending van ‘de meest ongezonde en on’v-ruchtbare nt-id-
delen, en tegelijkertijd iaar hot beperken van hup impor-
tea. Dat een dergelijk -sti-even geen kans van slagen biedt,
behoeft geen betoog. liet ‘i-s nu eenmaal niet mogelijk de
binnenl’andsehe mai’kt voor de eigen Productie te ieser-
veeren erf teelijker’tijd den ‘afzet 01) -de buitenlandsohe
markten te verruimen,’ in het wezen der zaak vormt deze
tweede faetor
CCII
onderdeel van dcci det-den, ‘d’ie bestaat
in het samenstel van .ku ii-stnia’tige, -in vele -gevallen onder-
ling tagen’strijdi’ge, vporz.ien’ingen,, welke in de onderschei-
dene landen in toe-neniende mate getroffen , en me-t den
naam van economi-sohe politiek ‘bestempeld worden.

Voor
die economische politiek toont de President
weinig waardeering. Het OP financieel terrein expo-
rimenteeren door-de Overheden kan, zijns inziens niet
tot het verlangde doel leiden, terwijl de overheidsbe-
moeie:nis .op.het gebied der hinnenlancische .organisa-
torische en de ha.ndelspolitieke verhoudingen, naar
het hem’ voorkomt, evenmin de ivelvaartsvermeerde-‘ring kan brengen, die ermede nagestreefd wordt.

Ouder deze vooi’zieni ilgeil nenien -die, welke
01)
het, iiio-
nc’taii re cli f i’nja,iicieele terrein gelegen zijn een i’oorna,iiie
plaats In. liter valt een progt’cssieve oiitiv’ilckeli’n.g
te-
con-
sta,tee
i
c
ii
. Aanvankelijk za-t -de verwachting voor, dat een
vei’laigi.ng i’a,ii de gou-dwaa-i–dc der gel’deeiiheden zou leiden
to

t een -m’enredige stijging -cl&r goederenprij-zen, waarbij dien een ‘1)-0l’itiek vali goedkoop geld en ruime credietge-
ving s’ti-muleeriiig va’ii liet particuliere bedrijfsleven zou
moeten brengen. Toen die verwachting niet in vei’vulling
ging en’deze l)01itie,k ajiet de gen’eiiselite resultaten bleek
af- te werpen, wei’d ‘de toevlucht -genomen tot een sterke
opvoerilig van de ovenhcidsuitgaven en ‘daarmede i’-aii de
tekorten up de
–sta a’ts-begi’ootin,gen, in de -veronderstelling,
dat, na betrekkelijk korten -tijd, het l)-ar-biculiere bcdrijfs-
leven op gang zou zijn ge-komen en de oveiiieid haar tus-
scihenkonist zou ku,niicri be’pe-rkeui en -binnen ‘de
-grenzeti
hare-i ‘inkomsten zon kunti-en tercegb-rengeii. Ook ‘deze ver-
onderstelling werd niet ‘verwezenlijkt, zoodait ‘het peil dci’
o’vei’heidsu.i-tgaven cii tekorten werd gehandhaafd en zelfs
venh’oogd, niet de motiive’eri.ng, dat langs dezen weg liet
nationale inkomen en ‘de volks’welvaart zou-den toenemen.
Niet ‘in alle landen , zijil de overwegingen, zooals zij hier-
boven werden

weergegeven, met zoovele iioor’den aan de
o’vei’heidspol’itiek ‘ten gi’oii-dsla.g gelegd. Ook zijn die over-
inegitligen in inie-erdei’c-‘gei’ allen uitdrukkelijik ve-

r’orl)en. Een en ander neemt ,in’tusschen niet weg, dat de werke-
lijike -gang van za-ken mi oh i
ci
h
et
algemeen langs de hier-voi-en ‘aangegeven lijnen ‘heeft bewogen. Depreeiabie van
de nationale geldeenheden, ‘politiek van goedkoop geld,
sterke ‘toeneming -der o

vi-nheid-su’itgavon, stijgende budget-
tekorten, die meer en meer een permanent ‘kai-.akter ver-
krijgen, ‘zijn ‘de voornaamste kenmerken der ontwikkeling.
Dat deze ontwikkeling tot duurzame ve-rbetei-ing heeft
-geleid, kan, cl n nIet ‘mij, bes’s”aa,rl ijik wo rcle’n volgehouden –
Evenmin ‘i-s het aannemelijk te achten, ‘dat ‘in dezelfde
imirfhting nog ger’unnen tijd kan wei-den voortgegaan. Zulks
geldt in de eerste plaats liet auticipeereix op. inkomens
en besparingen der toekomst, ‘zooals reeds ‘th-aas in ver-schillende landen plaats vindt, terwijl ook voor de rijkste
landen een einde komt aan de reserves, d’ie hen tot ‘het
volgen van de huidige ‘gedragslijn ‘in staat stellen. Wat het ‘economisch terrein betreft, hierboven wees ik
reeds 0-1) de -nog steeds voortgaan-de beperkin et
g van h
‘w’ereldverke’er met een zoover mogelijk doorgevoerde reser-
vee–ing van de binnenl’an-d’sche markt voor de e’i.gen pro-
ductie. Al’s -noodzakelijk gevolg doet zi.oh een sterk -toe-
neme]lde o’venhei’d’sbeanoeii-nig
0.1)
het geheele gebied van het
economisch leven gevoelen. Een proces van -k-ar.telleeriiig van ‘hot nationale ‘bedrijfsleven, onder leiding en aains’po-
ring van de ‘zijde der overheid, is onmiskenbaar in gang.
Hiervan moet verstarrin’g, gevolgd ‘door verhooging ‘vals
prijsniveau ‘en productie

kosten, het resultaat zijn. De er-
varing heeft geleerd, dat kartellen en trusts de tendentie
in het leven roepen tot het hoog houden of o’pdrjven
van ‘het prijspeil. Zool-eng de overheid zich van medewer-
king en ‘stimuleering onthield, was een zekere correctie
gelegen in ‘de vrijheid van deelneming en ‘in het initiatief
en de mededinging van buitenstaanders. Snijdt dé overheid,
gelijk thans meer en meer het ge-val w’ord.t, .dze correctie
af, da-is zullen de na.dcelige gevolgen zich sterkei- doen -ge-
voelen. De l-astn, welke -dientengevolge zoo-mede dooi- de
monetaire en fiscale maatregelen, op de consumenten -ge-
legd worden, zullen niet nalaten tot verarming, minder
verbruik en meer werkloosheid te leiden. De macht der
overheid -reikt ver, doch –
tednmingen tot, een ‘grooter ver-
bi’uik, bij ontstentenis van de mi’ddelei cci het verti-ou-
ven der verbruikers, ligt buiten haar grenzen. Wel. kim
de overheid -door ge-Iddistributie gedurende een zektren
tijd den schijn wekkOn als zouden dc verbruikers over
een gi-ootere koopkracht beschikken, doeh liet betreft hier,
zooais cle ervarin,g geleerd ‘heeft en, naar met zekerheid
te verwachten is, de toekomst
01)
pijnlijke wijze opnieuw
zal aanitoon-en, een vei-plaa.tsin-g van koopkra-eht, die geeti
duuraaam en gezond karakter kan -dragen. Slechts door
goe’dkooper en ruimer-te produceer-en, door, een geleidelijk
toenemend wci-eldverkeei- en door het ‘hedrijfsle-veii te,,be-
vrij’d-en van ‘de tallooze ‘belemmeringen, die’ de onmisbare
elasti-ci.teit -in liet peil ‘dci: kosten en prijzen steeds meer
‘aan-tasten, alsmede van: de overdreven lasten, die het pai:-
ticulier -in,i-tia;t-iöf en de gnt’ensohte ‘ investeei:iug verhin-
deren, kunnen goederen
0
-1
)
.ru’imei:e schaal–en tegen lage-
ren prijs
.
binnen liet bereik van-de consumenten gebaoht
‘w’orden. l).aii zal een gezonde en duurzame koopkracht
en een blijvende vermeerdering van ‘de w’erkgelegenhei’d
geschapen worden. –
Ik erken dat het door niij ‘ingenomen standpuiit niet i.n
overeenstemming i’s niet de weaschen der machten, die die
‘gedragslijn in de meeste landen bepalen. Dit mag mij er

7 Juni 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

463

iiitusschen niet van weenhouden dat standpunt telkens
opnieuw naar voren te brengen en te verdedigen. Zulks is
te eer liet geval, waar het voor mij vaststaat, dat, la kor-
toren of laitgeren tijd, de thans gevolgde weg niet verder
bogaainbaar zal blijken en dc lijn rioodgedwoiigen onige-‘bogen zal moeten worden. 1-tot zal clan te betreuren zijn,
clait zooveel meer verloren .ging en de te brengen offers
zoove:el zwaarder zullen drukken, dan, bij een sipoediger
verlaten valt de lijn van -den tuinsten weerstand, itoodig
zou geweest zijn.

Morteiçcire aspecten.

De President van De Nederlandsche Bank blijkt zich
overigens nog niet
los
te hebben gemaakt van cle gë-
dachte, dat handhaving van het goudgehalte i’an een
munt op het ,,oude” peil een wenschelijkheid
is. 1

let
onderstaand afgedrukte staatje met de hijbehoorende
toelichting geeft daarvan duidelijk blijk.

Ook monetair va.lt een tetuggang op te merken. Bijt
blijkt uit het onderstaande overzicht, ‘hetwelk voor een
aantal landen de goudwaarde weergeef’t hunner nationale
geldeenheden, uitgedrukt in g rainnie ii fijn goud, nd
t
.

soheidenlijk op 31 Maart 1938 en 31 Maart 1939.

Ontwikkeling van de goudwaarde valt verschillende
mu ntccn’heden.

Goudwaarde
31 Maart
1938
Goudwaarde
31 Maart
1939
Daling
in procenten

0,8863 0;8863

Belga …………….
0,1498
0,1492
0,40
0.4907 0,4705 4,12

V.S.

dollar

………..

4,4030

.

4,1495
5,76
Gulden

……………
Pond sterling ………
0,1965
0,1852
5,75
Deensche kroon …….
Noorsebe kroon …….
0,2212
0,2085
5,74
Zweedsche kroon
0,2269
0,2138
5,77
0,0272
0,0235.
13,60
Fransche franc

……..
Zwitsersche franc
0,2032
0,1989 2,12
Japansche yen ……..
.0,2568
0,2415
5,96

De veranderingen, welke intraden, bewogen zich allen
in ne’dengaande richting. 1-tot belangrijkste was deze be-
wcgiilg voor dcii Fraiishen Franc, die een verdere daling
zijner goudwaarde met 13.60 pOt. vertoonde. Hierop volgt
de Japanscihe Yen met 5.96 pCt. en daarna het Pond
Sterling en de munteenheden der overige leden van het
Sterlingbloe niet omstreeks 5.75 pOt. Wat Nederland be-treft, bedroeg de daling 4.12 pCt., terwijl deze voor Zwit-serland beperkt bleef tot 2.12 )?Ot.

Toestand in Nederland.

De ontwikkeling van den toestad in ons land
toont blijkens het onderzoek, dat Mr. Trip daar
naar op hlz. 11 en 12 van het verslag instelt, geen
belangrijke afwijkingen van die in andere landen.
De toekomst voor ons land ziet Mr.
Trip,
zooals
te verwachten waS vrij somber in.

Ook voor Nederland geldt hetgeen ik hierboven in het
algemeen deed opnierketi omtrent de talrijke kunstmatige,
veeln.l togenstrijdige maatregelen, die een juiste kenschet-
sing van den werkelijken toestand zeer sterk benioellij-
ken en de onevcnwichtigheden in de economiscihe struc-
tuur veeleer doen toenemen dan opheffen. Ook Nederland
gaat voort aan den -bcvoer ‘belenmieringen in •dn weg te
leggen, ondatiks liet zeer uitzonderlijk belang, dat ons
land wegens ligging, historie en ‘aanleg zijner bevolking,
bij liet ‘wereidverkeer en den uitvoer heeft. Ook in Ne-
derland ‘is het ca-menstel te onderkennen van toeneming
der staatsuitgaviin, een lange rij van groeiende budget-
tekorten, depreeiatie van liet ruilntiddel en druk op de
consumenten en het particuliei-e bedrijfsleven. Het doet
merkwaardig aan, dat vat.i sommige zijden een sneller
voortgaan op den weg der zooeveu bedoelde finaneicele
en monetaire maaitregelen bepleit wordt; niottegenstaande
de slechte resultaten in die landen, waar zij liet meest
consequent en in dcii grootsten omvang werden toe-
gepast.
Het is geenszins mijn bedoeling niet het vorenstaande
te betoogen, dat Nederland oudet- de omstandigheden, zoo-
als -diie zich -in de wereld thebben ontwikkeld, de oude
vrijheid had kunnen handhaven nu zich van overhdidsbe-
moniinig niet liet bedrijfsle”en lied kunnen onthouden.
Afweer van buitenlaiidsche agressie en handhaving van
de bi-onnen van het Nederlandsohe volksbestaan moeten
als onafwijabare eisohen worden aangemerkt. Dooh e’ven

otiafwijsbaar is het de iiooclzakelijkiheid in het oog te hou-
den, niet slechts elke vei’hooging van dc in Nederland
gelcicitde jiroductielcoste-it cii -kosteti vati hot leveitsondet–
houd te verniijclen, doch in stede daarvan con verlaging
van thet
J)Oil
dier kosten te bevorderen. En dit opzicht kan,
naar mijn overtuiging, de toekomst niet met gerushheid
worden tegemoet gezieiri. Het ook in Nederla]id in gang
zijnde proces van kartelleei-ing, onder leiding cii aan-
drang i’aii de overheid, zal ongunstig werken. Hetzelfde
geldt van de ‘bereids in werking gestelde, belangrijke ver-
hooging van het tarief van invoerrechten met beseber-
niend karakter. Waan-eer de overheid in sterke mate in-
grijpt in de verhoudingen en de ontwikkeling van het
bedrijîfsleven, kan zij zich mi. niet onttrekken aan de zorg
en de veran.twaordelijkheid voor het peil der productie-
kosten en ‘der kosten van het levensonderhoud en voor de
handhaving -va,ii het evenwicht tussehen het naibiona.le peil
en dat van de voornaaiiiste landen, waarsnedë Nederland de internationale mededli]igiug heeft te voeren. Niet met
expor’tsutbsidies, doeh door de handhaving en geleidelijke
veibetei-ing van deze verhouding kan de mededinging
met goeden uitslag worden volgehouden. Er schijnt mij alle
aanleiidin,g
-te
bestaan om aati dit punt groote aandacht
te besteden. lIet kan bezwaarlijk betwijfeld worden, dat
zich een groeiende oneveiiwic’htigheid doet gevoelen tus-
suheti kosten na prijzen valt liet beschutte deel van het
Nederlatidscihe bedrijfsleven eenerzijds en die van het op
de -internationale niededinging aangewezen deel van dat
bedrijfsleven ‘anderzijds. Deze onevenwichtigheid zal, naar
te verwachten is, als gevolg van de in gang zijnde be-
schci-iiiing en organisaitie van de voor de binnenlandsehe
markt werkende bedrijven, vergroot worden.
In deze ontwikkeling is, dunkt mij, een gevaar gelegen
vöor de ‘internationale positie van ons land en in het al-
gemeen voor een gezonde en ‘blijvende -verruiming van de
werkgelegenheid. In dit ‘verband dient mede gewezen te
worden op de nieuwe sociale en fiscale lasten, die, worden
dc aauh angige en aangekondigde maatregelen aanvaard,
op de Nedei-Jandsche bedrijven zullen gaan drukken.
‘oor zoover ik in staat ben mij daai-over een oordeel te
vormen, zullen de zooeveu bedoelde nieuwe lasten een
jaarlij,kscih bedrag van
f
60 miillioen
te
boven gaan. Dat
hierdoor de oudernesniugsiust, de investeeringsmogelijkhe-
den en de- opleving van het bedrijfsleven, die door cle be-
staande onzekei-heden als gevolg van de interna.tionale
omstandigheden en van ‘liet overheidsingrijpen reeds zoo-
zeer bemoeilijkt worden, nog verder zullen worden terug-
gedrongen, ligt i’oor de hand. De ervaring in andere lan-
den heeft bij herhaling bevestigd, ‘dat een werkelijk her-
stel slechts bereikbaar is, wanneer liet zakenleven kan iver-
ken en doen wei-ken op den grondslag. van redelijke voor-
uitzichten en mogelijkheden. Het valt moeilijk in
te
zien,
dat de lastenverzwaring
te
rijmen zou zijn met de zoo
juiste uitspraak der Regeei-ing, volgens welke verminde-
ring van de werkloosheid het best kan bereikt worden
door voor het bedrijfsleven de voorwaarden te scheppen
om zooveel mogelijk arbeiders te werk
te
stellen. De vragen
of het onder de huidige omstandigheden vei’an,tweord is
te achten kostbare sociale voot-zieniugen
te
treffen en of,
naast de kosten dier voorziening-en, liet Nederlan’dsclie
bedrijfsleven mag bezwaard worde ii niet nieuwe belasti ii-
gen, die fiscaal en economisch tot’ bedenkelijke gevolgen
zullen leiden, verd iennn, naar mijn overtuiging, nader
overwogen
te
worden. Ik aarzel niet die vragen ontken-
nend te beantwoorden Dit sluit geenszins in, dat de toe-
stand, waarin de

overheidsfinanciën, in het bijzonder als
gevolg van ‘de uitgaven voor – de bewapening en de werk-
loosheidszorg, zijn komen te ‘verkeeren, geen ingrijpende
maatregelen zou vereischen. Integendeel, de budgetaire
vooniii’tzidh’tcn van Rijk cii gemeenten maken mi. derge-
lijke maatregelen dringend noodzakelijk. 1 Eet Nederlandsche
volk zal zioh, iii het bijsonder voor het behoud van zijn
‘hoogste ‘goederen, zijn vrijheid en onafliainkelijkheid, aan-
merkelijk zwa’ai

dere offers moeten getroosten dan waartoe
liet tot dusver bereid bleek. Dat onder de -huidige om-
standigheden een zekere mate van interen 01) kapitaal en
i-eserves ook in Nederland niet kan voorkomell worden, moge
juist zijn, zulks neemt niet weg, dat het juiste inzicht in
den wcirkelijken toestand onvoldoende is doorgedrongen,
zoodat ‘de zooeven bedoelde in-tering grooteren omvang aanneemt dan de zorg voor de toekomst van land en volk
gedoogt. Zooals die toekomst zich laat aanzien, zal ook liet
Nederlancisohe volk zijn huidige n leve nssta ndaard ii iet kun-
nen ‘handhaven. Tenzij liet bereid is reeds thans de onvet–
mijdelijke offers te bi-en-gein ei) ziCh riiiest vast te klampen
aan ‘het behoud van zijn nominale inkomsten, doIi samen
te werken tot een vet-laging van publieke uitgaven, pi

odu.e-
tiekosten en kosten van levensonderhoud, zullen de offers

464

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7
Juni 1939

in grootercu oulvang door – de feiten worden opgelegd. Voor
eenigen tijd heb ik medegewerkt aan een in het openbaar
gedaan beroep en gegeven waarschuwing van de hierboven
weergegeven strekking. Het ‘is mijn vaste overtuiging, dat
hetgeen ‘in het betrokken stuk met nadruk naar voren
werd gebracht, juist zal blijken en
in
de verdere ontwi’k-
keling
zijn
bevestiging zal vinden. Intu-sscheni is geble-
ken, dat zij, die de verantwoordelijkheid dragen, van een
ander gevoelen zijn, althans tot dusver geen vrijheid kun-
nen vindn aan het aooeven bedoelde beroep gevolg te
geven. Onder deze omstandigheden zou het géen zin heb-
ben in een uitvoerige nadere argumentatie te treden.
De toekomst zal uitspraak moeten doen en de feiten zul-
len leeren, hoe lang cii met welke resultaten de thans
gevolgde weg verder kan worden doorgetrokken.
De regeling der werkloosheid in Engeland.

In aansluiting op het ‘elders in dit blad afgedrukte
artikel van de hand van Prof.
Mr. C. ‘W.
de Vries
volgt hier de tekst van het schema der in Engeland
bestaande regelingen op dit gebied, zooals -dat werd
samengesteld door het Internationaal Bureau van den
Arbeid, te Genève:

(a.) Compulsory Insurance (General Scheme). i)
1. La.w or $tatutorl, Regulations.
Act of 26 Fb.ruary 1935 consolidatii.ig Une-mployment
Tns-ui’ance Acts 1920-1934, last a.nicnded by Additional
ilenefits Order 1938.

2.
Scope.
Trade or Oocupation.
Covers, genera.11y apealcing, all persons employed u’nde.r
a contract of sewice er ‘apprenticeship, incl-uding seamen.
Ex-cludes: Employment in agriculture, -inoluditzg horticu-tu ie and forestry ); certain classes of domestiic 5e rvantss;
civil servan.ts; female nurses; memher-s of the army, naaiy
and air force;. policemen; teachers subject to a super-
annuation scheme; persans in the service of railway
eonipaisies and public ut-il-ity oompanies .if they have
completed three yea.rs’ sei-v’ice and the employment is
permanent; commissiori agent-s eznpioyed by more than
one employer; persons casually employed otiherwise than
for the purposes of the eanployer’s .tra.de er business and
ot.hensvise than for the purpose of a game or reerestion where the employee is enga-ged or paid through a club;
persons empl’oyed in certain parttime sabsidiary eniploy-
irients; sftre fizhermen.
Earin.ings.
Excludes non-mam.ual workrs whose earnings are at a
rate exeeeding £ 250 per year.
(e)
Age.
Ma.ximum: 65.
Minimum: School-leatving age (not less than 14)
3).

3.
Rate of Bene fit (in sltiUings and pence).

per week:
Males:

21 and nader
65
……………17

s.
18

,,

,,
21
……………14

s.
1.7
18
……………9

s.
16
17
……………6

s.
F-emales:

21,,

,,
65
……………15

G.
18

,,

,,
21
……………12

s.
17

,,

,,
18
……………7

s.

6

d.
16

,.

,,
17
……………5

s.
For an adult depeudant
……………….
10 s.
Ohildren’s

allowance

………………….
3 s. each

Youn-g men and young woineu agod 18 and ‘ander 21
who receive addit’iona.l benefit fGr a depen’dzunt are enti4led
to receive rat-es of bene-fit of men and woinen aged 21-65 as well as the dependaist’s allowanee.
Insuied persen-s u-nder 16 not enititled to benefit, but
dependants’ allow-anees may be pa.id
in respect of t-hem.

4.
Duration of Bene fit.
156 days per yêar, plus additional days in certai.n cases

i) Northeri

i Ireland has i

ts own sciheme of compulsory
unemploymenit insurance, whieh cerrespond-s geneally w.ith that of Great Britain hut is by no meanis the saane
in every detail.
) See bedew the special scheme for insura.nce of -workers
-in this kind of employmenit. 3)
By the Educa.tion Act, 1936, the age for oempulsory
school attendance is ratised to 15
.
years as from September
1939. This provision does not appiy to ehildren to who-m
all employment certifieaite -bas been granted by a local
educaition author-ity.

calculated on -a basis of 3 days for every 5 contribu-tions
paid, loss 1 fr every 10 days of benefit drawn, -in the –
precediing 5 years of insui-cd ernployme.nt. Irisurod persons
who have exhausted t-hei r rights are not enti-tied to further ord-in-ary -benefits i-ntil they -have paid at least ten further 000trlbubions.

5. Bene fit Conclitions and Disqualifications.
(e) Qualifying Period. –
Muisthave paid not loss than 30 co-ntributions during
the 2 yoars iinmediately precediiug applioation for benefi-t.
Waiting Period.
3 days of costinuous unomployment, wh-ic.h is defined
as follows: (1) any 3 or more days of unemployment,
vihether oonsecutive or not, w-ith-i-n a period of six conse-
cutive days are treated as a oontinuou.s period of anem-
ployment; and (2) any two -such continuous periods of
th-ree er more days are t-rent-ed as one continuous period
of uinemployment if they are separated by not more than
ten weeks. –

Other Ooridi-bions.
Must be caipable of and available for vork and ii
required to attend a.t an aufihorised oourse of training o-r
instruation must provo -that he has duly atitended or had goed cause for -not aittendin-g. Must not be in receipt of
any siokness or d’i-sablemont benefit un-der the Najtional
Hea.lt-h Insurance Acts 1936. 1f u-nemployed thro-ugh mis-
conduet or voluntarily leaives omployment wit-hout just
oauso,
will
be disqu-a.l

ified for benefit for six weeks or
udh -s.horter period as may be deterinined by the Court
of Roferees or the Umpire.

Diisqual-ifications.
(i)
Refusal of Suitable Work.
Refusa.l of su-itablc employment of fered

by – an ennploy-
mont exchange er -any other recognised

agency or by or on
-behalf of
en
amployer -disqua.lifies an-

uneu

uployed persen
for benefit for 6 weeks er for sucih s-horter period as may
be determined -by the Court of Referees er the Ump-ire.
Dmployment not deemed to be suitable if in a si-tuation
vacan-t 0w-ing
to
-a stoppage of work-due to a trade dis-
puts;
er if, bning in the applicant’s -usual -eccupat-ion and
district, -the oonditions are less favourable than those
‘anhjich -he might reasonably ‘have expected to obtain; or
if, heing -in his usual occupation
.ini
a-nother district, bhey
are loss favourable than those gonerally observed by
aigreement .between -assoeiations of omployers and om-
ployees, or failing this, than ‘these generally recognised
-in the district by ,,good ernrployers”. After a reasonable
period employrnon-t is inGt deemed unsuitable merely because
it is of a -kind other than the olaiman-t’s u-sual occu-pation,
if the oonditions are not loss favourable -than ‘those gen-
erally obser-ved.

ii)
Labour Dispute.
Persons uncmployed because of a stoppage of wo-rk diie
-to a -trede dispute forfoit benef-it night for d-uration of
the stoppaige, unless the person cnn provo (a) that he is
neither tak-ing part in for directly interested in the dis-
puts
whioh caused the stoppage er (b) -that he doos not
belong ‘to the grado or class of werkers of wh-ioh tibere
were menibers employcid at the pia-ee at wh’ieh the clispute
is -in progross any of w’hom are -direotly cozicerned with
the stoppage.

6. Contributions (in pence per week).


Persen
Ciass of I-ns-urod

Exchequer Employei

s Woi

kei-s

Men aged 21 and under 65 .

9

9

9
Young men aged 18 to 21 -.

8

8

8
Boys between 16 and 18 -.

5

5

5
Woman aged 21 and un-der 65

8

8

S
Youxig wosnen aged 18 to 21

7

7

.

7
Girls between 16 -and 18 ..

44

4
Y
2

434.
Boys and girls who have
-riot -attained -the ae of 16 .

2

2

2

Juveniles who continue -to roceive whole-fiijne education
for a minimum period of 12 -menths after attaining the
sohool-leav’ing age are credited w’it,h a specified number
of contr-ïbu’tions. -No excihequer contuibu,tions are payable
in respect of eredirted contributions.

(b.)
Compulsory Insurance (Agriculture).

1.
Law os Statutory Regulations.
Uneinspioyment Ins-uranoe (Agriculturo) Aot, 1.936; last
amended by Additional Benefits and Roduetion in Con-
tributions (Agriculture) Order 1938.

– 2.
Scope.
(a)
Tr-ade or Oocupaitien.
Covers those employed in agrieulture, -includ-ing horti-

7
Juni
1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

465

culture and forestry, w’ith the exception of sons aud
‘claag’hters or other naar relations of the eniployer; also
nertain classes of outdoor domestic servauts (boatmen,
coachwen, .game-keepers, gatekeeers, grooms, stablemen,
(Ac.)
;
Kinister of Labour given discretien to brin.g vithin
the schema other classes of outdoor servauts.

(b)
Age.
Maximum: 65 years.
Minimum: School-leaving age (not less than 14)

3.
Bate of Bene fit (in shillings and pence).
per week
Males aged 21 and over ……………….14 s.
between 18 and 21 …………….12 s.
betwean 17 and 18 ……………..6 s.
under 17 …………………….4 s.
Females aged 21 and over ……………..12 s. 6 d.
bet’.veen 18 and 21 …………..9 s. 6 d.
between 17 and 18 …………..5
S.
under 17 ……………………3 s. 6 d.

7 s. additiona.l for eaoh aduit dependaat and 3 s. for each
depndent child; total benefit not to exceed 30
5.
per week.

4.
Duration of Bene fit.
Proportionate to conti’ibut.io.n; 12 days’ benefit for first
ten coutributions, and .threc addit.ional days for every ad-clitional oontribution, up to a maximum ef 300 days in one
year. Each of the first 12 days of benefit exh.austs five-
sixths of •a weekly oonittiibution and eaoh subsequent day
of benefit exhausts one-third of a veakly contribution. In-
sured persous who have reecived the maximum a.mount
of 300 days’ benefit in a year are not entitled to further
benefit uutii they have paid at least ton further con.ti’i-
butions.

5.
Bene fit Conditions and Disqaalifications.

Quaiifying Period.
Must have paid not less than 20 t’outributions during
the 2 years immediately preceding uiteiuployment.
Waiting Period.
Three days of continuous uneenployment, as defined
under General Soheme.
Other Conditions and Disquaiifieations.
Similar to those stipulated under the General Schema.

6.
Contributions (in penca per week).
Exohequer Employers Workers

Men aged 21 and under 65 .

4

4

4
Young men aged 18 to 21 .

aY21

3/2

3Y2′
Boys between 16 and 18

2

2

2
Boys under 16 ………..16

1′

1
Wemenaged2la.ndunder65

34j

3 Y2

33
Young women aged 18 to 21

3

3

3
Girls between 16 and 18

i3o

134

13’Ç
Girls under 16 …………1

1

1

A raake is pald to omployers and workers of 25 per
cent. of centributions in ‘the oase of yearly hirings and
of
1234
per cent. in the case of half-yearly.hiriings.

(c.)
Unemployment Assistance.
1.
Laso or Statutory Regulations.
l.Jnemployment Assistanoe Act 1934 and lJneinployrnenit
Assistance (Determination of Need and Assessinent of
Needs) Regulations 1936.

2.
Scope.
Trade or Occupation.
The normal oocupation of aplilioanit.s for assistauce must
be eniployinent in respect of whioh contributions are pay-able under the Widows’, Orphans’ and Old-Age Contribu-
tory Pensions Act, 1936, or, in the oase of persons who
have not norma.11y engaged in remunerative occupation
since attalniug the age of 16, if their normal occupatiou
would have brought tohein into this class but for the in-dustrial circumstances of thc district in wkich
t:hey
live.
Age.
Maximum: 65 years. Minimum: 16 years.
3. Rate of A.flowance.
Saaie raites of paymeuit differentiatecl by age, sex and
givil status and adjusted to state of need of applicant and
his household. Adjustments also made for rent and to meet
speoiai eireumstanees. Unemployed persen who is head of
household with dependants and no avaiilable resources will
not receive less than insurance benefit rate. Common basie
rate for applicahts living in lodgings er as boarders irres-
peetive of age or sex.

4. Duration of A,lloioance.
Dependent on need.

5.
Allowance Conclitions and Disqualifications.

Means Test.
Applicant must prove need of assistatice.
Other Couditioiis.
Must be eapable of and a.vailable for vork; must have
rogistered wirbh au employment exohange and made appli-
cation for employment in the presoribod nianner; must
have no work or only such part-time er intermittent woFk
as not to enable him to earn sufficienit for his necds.
Disqu slif’ications.
Disqualified for assistatice if unemployed because of a
trede dispute during whjich he would have been disqnalifiecl
under the insuranoe sohemea.
6.
Finane’ial Resources.
‘ilhe oost of the scheme is defrayed out ef money v&ted
by Parliament.

Een Engelsche stem over Nederlandsch-Indië.

In het voorlaatste nummer van ,,The Economist”
1)

wordt een artikel gewijd aan Nederlandsch-Indië. De aanleiding daartoe is blijkbaar het verschijnen
van een Engeisch werk over dit gebied
2).

Niet alleen wordt met behulp van de bekende aan-
trekkelijke diagrammen van dit blad (die wij hier-
onder reproduceeren) een aardig beeld gegeven van
de verschillende aspecten van het Indische economi-
sche leven, maar ook worden onder den titel ,,The
Other India” eenige opmerkingen gemaakt, die ook
voor ons, Nederlanders, wel van belang zijn en waar-
van wij hier eenige laten volgen.

AMOU
POPULAT,ON 1930

POPuLAT,ON

Jovo
6

o’.’o

TREND
560530

D’5TRINUTONT,L.00
2606S R00.

Ch.

7a

NATONULTV
0′
S9pNC

SOORT. 01WCRLD
Ppoouc,
066,,

TRArF,C

660 iD 60
’90
090
io

oo o

1957
JtQOCST

,

T.
01T4Q

oh
/

EXPORTS
0 b.,000rS

E,OnO,
1937

AX

60
Cm,h,o (1,.,,Qoo4
616,. ITIond,

I

66
1,06006,
064,
M06,6,
lvd,o,

IMPORTS

Exoors
.., I1.TPORTS

SOORT. OF

ID)?

WORLD EXPORTS

1937

160

COIfrT

Iop
00

Pepp,r

Roblor

do,00,oÇ
0
EXPORTS

I,.,POR,5

6,,,0

Na in verband met het hangende ,,koloniën-vraag-
stuk” te hebben opgemerkt, dat het eigenlijke kolo-
niale vraagstuk er veeleer een is van beheer en econo-
mische ontsluiting dan een van souvereiniteit, wijst
het artikel op een groote overeenkomst tussehen cle
moeilijkheden in Nederlandsch-Indië en in de Engel-
sche koloniale gebieden.

Ook hier vraagstukken van regeeren over een ge-
mengde bevolking van Europeanen en Inheemschen;
ook hier een moeizaam zoeken van het evenwicht
tusschen de belangen van de inlandsche agrariërs en
die van de Westersche producenten, handelaars en
kapitalisten.

Zooals de hierbij afgedrukte diagrammen toonen,
is Indië in verschillende opzichten van doorslagge-
vende beteekenis als factor in het economische machts-
evenwicht der wereld. De beveiliging van dit gebied
is dan ook van even groot belang voor de Engelschen
in Singapore en Australië, als voor de Nederlanders
in Batavia en Den Haag.
Vervolgens wordt een kort overzicht gegeven van
de historische ontwikkeling van het Nederlancische

No. 4996 van 27 Mei: ,,The other India”.
,,Netheriands India” door G. S. Furnivall.

466

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 Juni 1939

bestuur in Indië, alsmede, van de ontwikkeliiig
0
1
)

eco n ornisch gebi ccl. Het huid ige Necleri audsch-Indië
heeft zijn tegenwoorcligen vorm gekregen na 1900,
sinds welk jaar zeer veel is tot stand gebracht, met
gebruikmaking van de ervaringen uit de 196 eeuw.
Vooral de ontwikkeling in de laatste decennia en
meer in het bijzonder die sedert de crisis van 1929
met haar restricties, industrialisatieplannen en an-
dere pogingen om de moeilijkheden te boren te komen,
worden naar voren gebracht.
Politiek en economisch staat Nederlandsch-Indië

OP
den tweesprong. Indië moet thans leern op eigen
beenen te staan, al kwam de nieuwe Grondwet van
1927 niet geheel aan de liberale en nationalistische
wenschen tegemoet.
De. moeilijkheden zijn thans groot: er is een soort
sociale en industrieele revolutie aan den gang, ter-
wijl bovendien, zoowel op Java als in Nederland zelf
de. verdediging van het Imperium plotseling, een
vraagstuk van onmiddellijk belang geworden is.
De reputatie van Nederland op het gebied van
koloniaal beheer en ontwikkeling is in geen geval
minder, ja in vele opzichten beter dan die van andere

landen.

De 26ste publicatie van het Nederlandsch Eco-

nomisch Instituut.

Binnenkort zal verschijnen de 26ste publicatie van
het Nederlandsch Economisch Instituut, t.w.:
Inkomens- en vermogensverdeeling, door J. van der
Wijk. Deze studie wordt in den handel gebracht voor

f 2.50. Voor donateurs en leden van het Neder-
iandsch Economisch Instituut geldt de verminderde
prijS van
j
1.85.
Donateurs en leden kunnen zoowel bij liet Secreta-
riaat van het N.E.I., Pieter de Hoochweg 122, Rot-
terdam-West (Giro No. 158477) als hij den boekhan-
del en de uitgevers (De Erven. F. Bohn, Haarlem)
hestelln. Anderen
uitsluitend
bij den boekhandel en
de uitgevers.

Inkomens- en vermogensverdeeling.

Van de hand van den heer J. van der Wijk zal hin-
nenk-ort als 26ste publicatie van het Nederlandsch
Economisch Instituut een studie verschijnen onder
hovenstaanden titel.
Dit werk is een uitbreiding van de artikelen van
den schrijver over ,,De Gemiddeldenwet” en ,,Psy-
chisch Inkomen en Psychisch Vermogen” in ,,De Eco nomist”, jaargang 1928 resp. 1931.
I-Ioofdzaak er uit vormt de toepassing van een ook
door enkele andere schrijvers (o.a. Gibrat en Wi’s-
niew’ski) toegepaste wiskun.dige formule voor de ver-
deeling der inkomens en vermogens, de formule na-
melijk der z.g. logarithmische frequentiecurve. Zoowel
in wijze van fundeering als ook in toepassing dezer formule onderschéidt de hier besproken studie zich

echter aanzienlijk van het werk van Gibrat c.s.
Basis-gedachte.n van deze studie vormen een paar
onderstellingen omtrent de door den schrijver inge-
voerde, doch niet het van ouds bekende totaalnut nauw
verwante, begrippen psychisch inkomen
en
psychisch
vermogen..
Hieronder is te verstaan de gemiddelde
waardeering van een inkomen, resp. vermogen door
de bezitters ervan. Vah deze grootheden is ondersteld,
datzij .
lo. op een bepaalde, in principe reeds door Daniel
Bernoulli aangegeven, wijze samenhan gen met de
geldiukomens (vermogens) en
2e. volgens de ,,normale” of Gaussische curve ge-
distrihueerd zijn.
Deze beide, in het boek nader gefundeerde hypo-
thesen, voeren dan voor de verdeeling der, geldinko-
mens en -vermogens tot de bovengenoemde logarith-
mische frequentiekromme.
Getoetst kunnen die hypothesen natuurlijk’ alleen

worden door vergelijking der theoretisch berekende
aantallen personen met geld-inkomens (-vermogens)
tusschen bepaalde grenzen en de aantallen, die er
‘binnen die intervallen werkelijk zijn of althans vol-
gens de fiscale gegevens heeten te zijn. Deze toetsing
is dan ook aan een groot aantal belastingstatistieken
uitgevoerd en leverde, vergeleken met andere distri-
butieformules’ (bijvoorbeeld de bekende formule van
Pareto), bevredigende uitkomsten.
Tevens bleek daarbij echter, dat een in de formule
als constant aangenomen grootheid
in,
die geïnterpre-
teerd wordt als bestaansminimum, in werkelijkheid over het algemeen toeneemt tegelijk met het hijhe-
hooren’d inkomen ‘(vermogen). Dit is in overeenstem-
ming met de volgende door den schrijver .afgeleide
stelling.
• ,,Binnej zecr’ ruime inkomensgrenzen voelt iedere
maatschappelijke groep zich even arm.”

Deze stelling berust eenerzijds op het aannemen
van een Bernoulliaansch verband tusschen psychisch
inkomen en geldinkomen, anderzijds op een, uit de
wet van Pareto gemakkelijk af te leiden, distributie-
formule der geldinkomens, door den schrijver ,,ge-
middeldenwet” genoemd. Deze laatste wet luidt aldus:

;,De verhouding tusschen het gemiddeld inkomen
van de personen met een inkomen minstens gelijk x
en dat grnsinkomen x zelf is constant.”

Een der uitvoerigste hoofdstukken is dat over de
concentratie van inkomens en vermogens. Deze uit-
voerigheid vindt haar rechtvaardiging niet alleen in
de groote heteekenis der inkomensconcentratie voor
het maatschappelijk leven en in de dienovereenkom-
stig groote belangstelling van economen en politici
voor den ontwikkelingsgang ervan, maar ook in de
verwarring, die er heerscht t.a.v. het concentratie-
begrip zelve en vooral van de vraag, hoe de concen-
tratie of mate van ongelijkheid der inkomens uit de
fiscale gegevens valt te bepalen. De heer Van der
Wijk heeft daarom de eerste helft van dit hoofdstuk
gewijd aan een systematische behandeling der metho-
dick van het concentratievraagstuk en is eerst daar-
na overgegaan tot een kritische bespreking van de
uitkomsten van verschillende onderzoekers.

Conciudeerend uit de antwoorden van anderen op
devraag, of de concentratie toe- dan wel afneemt
en,, uit schrijvers eigen onderzoekingen wordt ge-cohetateerd, dat industrialisatie over het algemeen
samengaat niet toenemende conTcentratie. Daaraan
wordt echter toegevoegd, dat dit minder di.tidelijk
blijkt uit de ontwikkeling in den loop des tijds
(waarschijnlijk door den storenden invloed van onvol-
kornenheden in de gebruikte methoden en formuhe)
dan wel uit vergelijking van landen of landsgedeel-
ten met sterk uiteenloopende mate van industriali-
satie. Verder wordt in dit hoofdstuk o.a. een onder-
zoek ingesteld naar den invloed, dien de conjunc-
tuur heeft op de concentratie. Hierbij wordt een
])0-
sit,ieve correlatie geconstateerd tusschen inkomens-
concentratie en indexcijfer der groothandelsprijzen.

Twee andere hoofdstukken vertoonen eveneens een
naar de practijk gerichten kant, al hebben zij ook
een sterk theoretischen inslag. Bedoeld zijn de hoofd-
stukken over ,,Best’eding van het inkomen” en ,,To-taalin.komen en totaalvermogen”. In het eerste wor-den in ‘hoofdzaak twee ‘onderwerpen behandeld, nl. belasting naar draagkracht en budgetformules.

Zich stel’lende op het standpunt, dat belasting
naar draagkracht niet, gelijk Cohen Stuart, Van Gijn,
Frisch e.. hetoogen, heteekent het brengen van éen
evenredig, maar van een gelijk offer, dus het afstaan
van een even groote ,,portie” psychisch inkomen,
komt Van der Wijk tot de conclusie, dat dit laatste
geschiedt, wanneer van liet ,,vrije” geldinkoinen
(d.i. inkomen minus bestaansminimum), een even-
redig deel aan belasting wordt geheven. Dit sluit dus
progressie t.a.v. de vrije inkomens uit. Het spreekt
vanzelf, dat men voor de heoordeeling, of een vigee-

7
Juni 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

467

rend belastingstelsel aan hovenstaandenT niaatstaf vol-
doet, naast de directe ook de indirecte

belastingen

in cle rekening moet betrekken. Wat de besteding van het inkomen in het algemeen
betreft, wordt getoond, dat een formule, die een
eenvoudig,. lineair, verband aangeeft tusschen het
voor voeding, kleeding enz. besteed bedrag eenerzijds
en het totale inkomen anderzijds, dit laatste echter
gesplitst in ,,bestaansmini mum

en ,,vrij inkomen”,
tamelijk goed de werkelijkheid benadert. Theoretisch
heeft deze formule bovendien de goede eigenschap,
dat zij het mogelijk maakt in preciesen kwantitatie-
ven vorn aan te geven, in hoeverreen beiaal-de uit-gavengroep (bij’. die voor kleeding) een luxe- en in
hoever een nooclzakelijkheidskarakter draagt. Voor
giften en andere zuivere ,,luxe”-uitgaven wordt sta-
tistisch, in overeenstemming met bovenhécloeJde for-
mule, gevonden, dat ,,iedereen” hieraan een gelijk
deel van zijn vrije inkomen besteedt.
Totaalinkomens en -vermogens worden berekend
door uit de verdeelingsformule vobr de aantallen
,,censieten” een formule af te leiden voor de distribu-
tie der totaalinkomens (vermogens) en deze formule
te extrapoleeren over de beneden de helastinggrens
liggende inkomens (resp. vermogens). –
In een kort hoofdstuk bespreekt schrijver het grens-
nut van geld – door hem in navolging van R. Frisch

,,geldnut’
genoemd – en de daarbij behoorende
,,geld-
elasticitei’.
Rechtstreeks hebben deze onderwerpen
natuurlijk niets te maken met de verdeeling der geld-
inkomens, resp. -vermogens; men zal een dergelijk
hoofdstuk dan ook vergeefs zoeken in de studies van

hen, die uitsluitnd deze geldbèdragen in hun onder-
zoek betrekken. Voor den schrijver echter, die de
psychische inkomens en vermogens in het centrum
der belangstelling wenchte te plaatsen, was er alle
reden de hiermee nauw samenhangende begrippen
geldnut en geld-edasticiteit in hun verband met de
bijbehoorende geldbedragen te onderzoeken. Dit voor-
al daarom, omdat berekening van een paar constan-
ten uit de verdeelingsformule (nI. het bestaansmini-
mum m en de ,,absolute waardemaat’.’
x0)
uit de ge-

gevens vn een bepaalde belastingstatistiek ons te-
vens de numerieke waarde van geldnut en geld-elas-
ticiIeit’ voor’het betreffende gebied doet kennen.
Terwijl al het vdorgaande betrekking heeft op
groepsverschijnseien en dus niacro-beschouwing mag
héeten, tracht -de schrijvèr in het slothoofdstuk een antwoord te geven op de vraag, van welken aard de factoren zijn, die de individueele inkomensvorming
heheerschen. Deze ,,microbeschouwing” is natuurlijk
alleen in ahstracto door te voeren. Voor de contrôle is hij dan ook weer aangewezen op statistische, dus groepsgewijze gegevens. Toch draagt dit hoofdstuk
een veel minder statistisch karakter dan vele andere, terwijl dc schrijver er daarentegen iets dieper dan in
de rest van de studie moest ingaan op theoretisch
economische vraagstukken.
Dit leidde er ook toe aan twee kwesties van alge-
meen econornischen aaid, nl. de ,,ijzeren loonwet” van
Lassalle en de marxistische waardeleer, te demon-streeren, dat hestudeering der inkomensverdeeling
noodig is voor het geven van een gefundeerd ant-
woord op vragen van economischen of socialen aard,

MAANDCIJFERS.
Indexcijfers van Nederlandsche aandeelen.
1)

Indexcijfers van
12
aandeelengroepen der Anisterdamsche effectenbeurs. Basis
2
Januari
1929 = 100.

De Bank voor Handel en Scheepvaart te Rotterdam zendt ons onderstaand overzicht:

Kunst-
Industrie
Electri- Handels-

Banken

zijde

citeit

ondern. Mijnbouw

Olie

Rubber Scheep-

1
Suiker

Tabak

Thee
1

1

l

J
beurs vaart

waarde

Gem.
’29

10 1.9

73.1

119.-

114.4

95.8

88.6

99.1

100.2

95.-

99.9

87.3

92.7

103.2

’30

94.2

34.1

90.1

100.4

71.6

63.9

93.1

52.1

71.-

76.2

65.5

74.5

84.3

’31

73.6

22.7

60.7

83.-

52.2

45.9

52.3

48.2

47.1

46.3

45.5

46.3

55.1

’32

48.3

13.6

45.6

70.7

38.4

33.4

34.1

17.6

29.3

27._

25.8

30.8

37.-

’33

51.5

10.7

48.7

80.7

41.-

40.-

41.-

26.7

28.2

27.4

25.4

39.5

40.5

’34

47.1

16.7

48.1

77.-

37.7

47.3

39.-

40.6

22.2

23.2

26.2

50.2

39.4

’35

50.-

14.1

52.1

69.9

39.7

49.4

43.8

43.2

23.7

24.4

29.3

47.1

42._

’36

56.8

13.9

57.6

78.2

50.2

58.2

73.1

58.7

34.8

37.1

44.8

51.5

55.2

’37

73.3

26.2

77.8

108.5

78…

77.-

99.-

101.1

73.6

60.4

59.-

76.4

77.7

’38

67.-

17.7

75.3

123.7

70.7

72.-

82.7

71.5

65.4

53.9

51.8

67.4

69.-

Jan.
’38

71.1

19.2

77.1

118.7

72.5

70.1

90.8

76.-

70.7

54.5

55.1

69.8

73.-
Feb.

71.-

18.1

78.6

119.1

71.8

71.9

88._

72.1

68.1

52.-

56.1

68.2

72.2
Mrt.

69.8

18._

76.7

118.7

69.7

72.5

82.8

68.2

65.6

50.5

54.6

66.8

69.7
April

68.1

16.5

75.4

120.6

68.2

68.9

80.7

63.9

.63.6

48.8

51.7

64.4

67.7
Mei

67.4

16.4

75.8

122.2

69.3

69.5

79.3

64.3

64.1

49.1

50.9

63.7

67.4
Juni

64.-

16.2

75.1

124.2

68.9

71.8

79.9

64.1

62.5

51.7

49.6

64.1

66.8
Juli

67.8

19.4

762

130.7

72.2

75.4

85,4

77.5

66.4

56.3

52.8

68.3

70.6
Aug.

67.5

19.1

75.7

126.9

72.4

74.9

84.7

76.8

64.5

57.-

52.2

69.2

70.2 Sept.

64.1

17.5

70.5

121.4

68.3

70.-

80.5

71.9

61.6

54.4

49.-

66.2

66.3
Oct.

65.7

18.-

74.5

127.4

72.3

73.4

82.8

7 7..-

67.-

56.5

52.4

70.5

69.2
Nov.

64.8

17.8

75.1

128.-

72.4

73.1

81.5

75.6

66.7

57.7

50.7

69.8

68.8
Dec.

63.5

16.8

73.6

127.7

71.1

72.8

78.1

72.6

65.1

58.1

47.3

68.3

67.-

Jan.
’39
61.3
16.1
70.3
124.8
68.-
71.6
77.3
67.9
63.4 53.9
44.8 66.4 64.8
Feb.
59.6
15.3 69.2
122.8
65.8
67.2 76.6
64.9 60.9 51.4
43._
63.9 63.3 Mrt. 59.5
16.4 70.3
121.2
66.1 66.1
77.-
65.4 60.9
52.2 40.9
64.5
63.7
Apr.
55._
14.7
65.1
108.7
61.9
60.1 71.2
57.6 57.2 49.7
34.6
61.3 58.8
Mei
57.6
15.8
67.9
116.7
65.4
65.-
74.5 59.7 60.6
53.9 34.4 61.4 61.6
fndexcijfer
der totale beurswaarde
2
Januari
1939
f
3.794.681.000
=
100.

4
Jan. 100.1
1
1 Feb.
93.7

1
1 Mrt.
96.4

1
5
Apr. 89.9
3
Mei
88.7
11

,,

97.6
1

8

93.7

8

97.7
1

12

,,

85.5
1

10

91.5

18 ,,

95.5

15

93.3

15

95.9

19

84.-

17

,,

90.3
25

90.2

22

. 93.4

– 22

90.1

26 –

87.7

24

90.7

29

,,

90.2

1

31

,,

93.6
1)
Men zie voor de toelichting op dit overzicht het nummer van E.-S.B van .12 Febr. 1936, blz.
120.

Nad rek verboden.

468

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 Juni 1939

die vaak ‘buiten een dergelijke studie om worden a.f-
gehandeld.
De wiskundige afleidingen en berekeningen van
deze ,,rnathematisch-statistische” studieS zijn voor het
overgroote deel bijeengevoegd in een ,,Mathematisch
Aanhangsel”. Wij nonmen hiervan alleen het bewijs,
dat de empirisch gevonden verdeelingswet van Pareto
een benadering voorstelt van de door Gibrat en Van
der Wijk logisch gefundeerde ,,wet der logarithmi-
sche verdeeling”. Hieraan ontleent schrijver het recht
om in het slothoofdstuk een stelling, die
hij
voor de
laatste wet, op grond van zijn fuudeering ervan, a].s
zeker aanneemt, voor de wet van Pareto

en daar-
mee nauw samenhangende verdeelingswetten als die
van Gini en de gemiddeldenwet

als hoogst waar-
schijnlijk te beschouwen, de stelling namelijk, dat
deze wetten alle slechts eveuwichtswetten
zijn
voor
de verdeeling der inkomens en vermogéns in een
maatschappij met
vrije
inkoménsvorming.

MAANDCIJFERS.

HYPOTHEEKRENTE IN NEDERLAND.

st;m
Arnhem
erd

Den Haag
Volle
Middel-
Rotter-
Zwolle

1933 ……..
4.67 4.98

4.93
5.01
4.98 4.70 4.89 4.49
4.65 4.69 4.95 4.89 4.52
4.65
1935 ……..

4
.
54
4.54
4.58 4.80 4.50
4.40
4.44
1936…….
4.58
4.69 4.83
4.87
5

4.50
4.47
4.51

1934………

4.-
4.-
4.04 4.34
4.-
4.12
4.03
1938 ……..
3.74

3.77
3.72
3.91
3.81
3.79
3.59
1937 ………

Jan. 1938
4.-
4
3.90

4_34
4)

4.14 34_4
Febr.

……
44
4.–
4
4-4
4
)
3.75 34_4
.4
1
3.50
3.50
3-4
3-4
3.90
3.90
4.10
4.10
4-3j
1
)
4_34
4)

4.15
4.15
34..4
April

……

..3.75

3.60
3_4

4
4_34
4)

3.72
34_4
l{ei

……..
3.50

344
3.75 3.75
4-34
6)

3.52 34-4

aart ……..

3.50

..

34_4
3.75

4_34
4)

3.81
34_4
Juli ……..
344
3.50
4.-
4
3.75
34-44
Aug.

……

34-4
3.75

4
3.69
34-4
iept.

……

.34_4
3.50

4_34
4)

3.50
34-4
)ct………
34
3.75
4.-
4_34
4)

34
4.-
34
3.50 3.50
4
.
3.76
34

Juni

…….

ov……..
Dec ……… …

.4
..-

.3
..75

3.75
34-4
3.65

4-34
4)

3.92
34

lan. 1939

..

..

3.50
34
3.75
4.-
4-34
6)

3.35
34
i’ebr.

.
.

.

3.50
34_4
3.75

4_34
4)

3.57
344
1rt.

..
3.50
34
3.75
4.-
434
4)

4.-
3
ti.pril

..
3.50
34
3.75

4_34
4)

3.70
34
tlei

..
3.50
34
3.75
4..-
4_34
5)

3.74
34_4

1)
Bijzonder geval, geen maatstaf.
0)
Door bijzondere omstandigheden.
S)
Enkele hypotheken k 4 oj. 4) Voor hypotheken op gebouwen 4
0/
5
;
voor hypotheken
op landerijen
34
0/.

6) Voor hypotheken op gebouwen deels 4 oj,,, deels
34
o/;
voor hypotheken op landerijen
34
°/0′

Nad,ruk
verboden.

Groothandelsprijzen van belangrijke voedings- en
genotmiddelen en grondstoffen.

(Index6ijfers gebaseerd op
1927

t/m
1929 = lOO).
Laatste iioteeringen (31 ?Fei-6
Juni
1939).

A r t i k e 1
Vreemde
I

Prijs
in
Ilndex. munt Guldens
cijfer


8950
41,6

89,50
46,6
.!

Maïo

Amer.

Mixed

……………..
-.
97,50
45,7

Gerst

…………………………….


3,95 32,5

C

Maïs,

termijn

……………………..

….

3,75
29,9
I
Tarwe,

Roemeensche

………
-.
3,95
29,3
sh. 5111
1
1
4

2,61
40,0

.

Rogge

……………………………..

Tarwe,

termijn

……………………

Boter

…………………………..
Kaas

…………………………..

..

0,74
35,9

Rijst

……………………………

Cl

Eieren

…………………………

.f0,60′)


16,50
3,35
36,2 41,8
c

Gesi.

runderen

…………………

..


..
68,-
71,8
Gesl.

varkens

…………………..

55,50
65,1
sh.
4/3115
1,87
63,2
99/-
39,21
58,9
oh. 2013

..

8,93
25,9

J,

Bevr.

Arg.

rundvieesch

…………
..

0,13
26,5

Bacon

…………………………..sh.
Cacao

…………………………..

Koffie,

Robusta

…………………

>
0,15
25,4
o

Koffie,

Sup.

Santos

…………….


8,125
50,8
Suiker

………………………….
Thee

……………………………


0,5175
68,3

Jute

……………………………

£23.7/6
206,31
48,2
0
Katoen, Mid.

Upland

…………..
$cts 9,92
0,186
39,5′
4,33
0,158
44,0

Auotr.

Wol,

Crossbr,

Col.

Carded
pen ce 17,25

..

0,629 45,5
O
Katoen,

Sup. Fine Oomra

………pence

pence 24,25

..

0,893
38,2
Austr.

Wol,

Merino

……………..
Jap. Zijde
……………………..
Rubber

………………………..
2,49
5

..
$
.
pen ce 8,37
5

4,64
0,31
78,2
46,7
Grenenhout

….. ………

.

….
£
21.-/-
182,99
79,6
120,-
78,6
14,50
36,2
.

Vurenhout

……………………….

10,125
33,1
Koehulden

………………………

Copra

………………………….

2

Grondnoten

……………………
£12.613
108,43
43,3
0,Lljnzaad

………………………..
.


100,75
51,8

Goud

……………………………
sh. 148/31
65,35
127,0

£
42.716
373,15
47,5
£
14.11/11
128,55
46.3
£
226.51-
1992,40
68,6

‘!

Koper

………………………….
o

Lood

……………………………

,

IJzer,

Cleveland

……………….
oh.
99/

43,60
103,5
0

Tin

…………………………….
..
oh.

7316
32,35
81,9
Cl

Gieterij-ijzer

……………………..
?

Zink

……………………………
£
14.216
124,40
39,2
Zilver

..
……………………….
pence2o
0,73 56,2

10,25
93,9
1,02 1,92
62,2
>

Benzine

……………………….
0,0872
30,2

Steenkolen

………………………..

.

Kalkealpeter

…………………..

.

.
6,10
54,5

Petroleum

………………………
$

.

Zwavelz.

ammoniak

…………….

5,30 47,5
c

Cemen’.

……………………….

$
.cts 4,69


12,35
67,9
2

Steenen,

binnenmuur

…………..

.

Ø

Steenen,

buitenmuur

…………….

9,50
72,6

1
12,-
64,3
‘)
Fiefflng CrIsis Zuivel-Centrale.
(Wegens plaats gebrek vervangen bovenstaande statistie-ken dëze week het gebruikelijk overzicht der groothandels-
prijzen.)

Indexeijfers van belangrijke voedings- en genot-
middelen en grondstoffen.

V,
,

05a0
,’oE
.E2
‘2
0
~
5
5Q
“t
“,,,o

o o’
bOo,
.?.0n
Sea
.?i’
‘0
n’

<.E
CL

Oct.

1938
44,6
41,3 56,9 49,8 47,8
47,2
Nov.

,,
43,2
40,6
56,1
49,0
46,8
45,4
Dec.


43,6
40,2
55,5
48,6
46,6
45,1
Jan.

1939
43,4
40,7
55,1
48,5
46,5 45,4
Febr.

,,
41,7
42,1
55,5
49,4
46,4
45,7
Mrt.
42,8
43,5
56,5 50,6
47,6 47,8
Apr.

43,0
44,1
56,3
50,7
•’
47,7
48,8
Mei

43,2
45,9
56,9
51,9.
48,5
49,9
?3-31

,,

.
,,
42,6
46,4
57,4
52.4
48,6
50,5 II
Mei.6 Juni
42,7
L

46,6
58,0
52,8
48,9
50,8

AANVOER VAN GRANEN. (In
tons van 1000 kg.)

Rotterdam

.

Amsterdam
Totaal
Art! kelen
28
Mei-3 Juni’
Sedert
Overeenk.
28
Mei-3
Juni1
Sedert
Overeenk.
1939
1938

1939
1Jan.
1939
tijdvak
1938 1939

.
1
Jan.
1939
tijdvak
1938

28.740
362.434 491.060

41.289

.
4.250 403.723
495.310
3.619 103:142 62.001
.

,
1.500
.


104.642 62.001
.175
8.435
.
7.457
– –

8.435
7.457

Tarwe

,
………………..
Rogge

………………….

MaIs
………………
18.835
291.520
555.187


”47.828′
52.801
339.348 607.988
(kerst

………….
..

2.585 108.794
158.315:

9.994 8.626
118.788
166.941

Boekweit …………………

Haver

……..

5.400

90.977
98.006
– .
1.860 7.812
92.837
105.818
Lijnzaad

………….

6.175

,

‘72.085
57.295′

165.876
120.801
237.961
178.096

100
39.690
30.574′”

150 100
39.840 30.674
Lijnkoek ……..
……..
2.958
28.327 27.156
140
2.955 6.880
31.282 34.036
Tarwemeel ………….
Andere’ meelsoorten
175
10.777
16.158
20
2.520
2.510
13.297 18.668

6.22
8

43.51
1.48
8

1.797

48.

27.90°
24.88
48.-

7.95
42.074
6.374
36.50
1.324
2.324
4.31
1.51
1.61
9.821

0.201 0.795 39.05 43.95 45.05
32.40
35.024
31.75
35.-
48.50
3.86 35.25

14

4
34
6
44
4 6
44
5 4
34 34

44
5
.
5
44
4 4

27.90
9

35.05
4

1.46
9

1.864
1

1.86
24

0.40
3

0.434
34

6.20
6

0.10
0.15
0.061
3_44
1.09

0.124
4

0.35
6
0.66

0.574
1.004


1.864

1.004


0.744

Rupee
– .
1

0.634
3
Gulden I.G.

1.004
3
Yen

0.514
3.29
Dollar

0.544
Dollar

0.31
Straits Doli.
1.41
1.014
Phil. Peso
Pahlavi


0.934
10.85
Baht

0.81

£
Egypt. £

£
£

8.724

34

8.97

6.994
-.

7.05

2

100 Frc
100
100 Kronen
100 Pengö
100 Lei 100 Leva
100 Dinar
Turksch £
100 Drachme
100 Lira
100 Peseta
Escudo
100 Kronen
100
100
100 IJsl. Kr.
100 Zloty
100 Lita 100 Lat
100 Estl. Kr.
100 Finnmrk.
Tjerwonets
(100 Roebel)
100 Gulden

$
Canad. $
Mex. Dollar
Peso (papier)
Boliviano Milreis (pap.)
Peso (papier)
Péso
Sucre
Sol
Peso
Bolivar
Gulden
Colon
Quetzal
Gulden
Cordoba
Colon

J
7
Juni 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

469

ONTVANGEN BROCHURES.
De ontwikkeling der industrie.fina.nciering
door. Mar.
B. 0. Al. 0oopnans, met een voorwoord van Prof. Dr. Ir. H. Gelissen. (Arnheni 1939; G.
W. van der Wiel & Co. Prijs
f
0.70).
Internationale invloed in koloni aal bewind.
Rede
uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt
van bijzonder hoogleeraar aan de Rijksuniversi-
teit te Leiden, op Vrijdag 26 Mei 1939, door Mr.
F. M. Baron van Asbeck. (Groningen-Bathvia 1939; J. B. Wolters’ Uitgevers-Mij. N.V. Prijs
f 0.75).

STATISTIEKEN.
Laatstbekende noteeringen te Amsterdam en Rotterdam op
1 Juni 1939 voor
telegrafischo
uitbetaling op:

Gulden per

Pari

Koers
Bank-
disconto

Europa.

°Io
Londen )

£

-8.74,71F

2
Berlijn ) ………
..100 Mark

59.26e

74.90

4
Parijs *)
.100 Franc

4.95

2
Brussel ) ………100 Belea 24.908 31.80 3
Luxemburg ……..

Zürich )……….
Praag …………
Boedapest ……..
Boekarest ……..
Sofia ………….
Belgrado……….
Istanbul ……….
Athene ……….
Milaan ……….
Madrid
5)
Lissabon ……….
Kopenhagen )
Oslo )…………
Stockholm •) ……
Reickjavick ……
Warschau ……..
Kovno (Litauen)
Riga (Letland)
Tallinn (Estiand)
Helsingfors ……
Moskou ……….

Danzig ………
Amerika.
New-York *) …..
Montreal ……..
Mexico ………
Buenos Aires…..
La Paz (Bolivia)
8)

Rio de Janeiro,..
Valparaiso …….
Bogota (Columbia)
8

Quito (Ecuador)
Lima (Peru) …..
Montevideo (Urug.)
Caracas (Venezuela)
Paramaribo …..
San José (C. Rica)
Guatemala …….
Willemstad (Curaç.
Managua (Nicar.)
S)

San Salvador
2)

Azië.
Calcutta ………
Batavia ……….
Kobe …………
Hongkong …….
Shanghai …….
Singapore ……..
Manilla ………
Teheran’) (Perzië).
Bangkok………
Afrika.
Kaapstad …….
Alexandrië…….
Australië.
Melbourne, Sidney
en Brisbane
Nieuw Zeeland.

1)
0ff. 036 vrije markt
0.09.2)
Milreis Goud. 3) Goudpeso.
4)
Munteenheid =
Rail (= een Kran.)

•) Not, te A’dam. 0v. not, part. opg.

BANKDISCONTO’S.
Disc.Wissels. 2

3Dec.’86
Ned.
Bel.Binn.Efi.
Lissabon

4
11 Av

’37
24

3Dec.’36
Bk.
lVi-sch.inlI.C.2i
Londen ……2
30Juni’37
3Dec.’36
Madrid ……5

15Juli’35
Athene ……….6

4Jan.’37
N.-YorkF.R.B. 1
26Aug.’37
Batavia

……..3

14 Jan.’37
Oslo

……..34

5Jan.’38
Belgrado ……..5

1 Febr.’35
Parijs

……2
3

Jan.’39
Berlijn ……….4
22 8ept.’32
Praag

……3

1Jan.’36
Boekarest

……34
5Mei’38
Pretoria

…. 34
15Mei’33
Brussel

……..3

10Mei ’39
Rome ……..44
18Mei’36
Boedapest

……4
28Aug.’35
Stockholm

.. 24

1Dec.’33
Calcutta ……..3

28Nov.’35
Tokio….

3.46

11 Mrt.’38
Dantzig

………4

2Jan.’37
Warschau….
44 18Dec.’37
Helsinglors
……4

3Dec.’34
Zwits. Nat. Bk.
1425 Nov.’36
Kopenhagen

…. 3422
Feb.’39

OPEN MARKT.

1939 1938
1

1937 1914

3

29Mei!

22/27

15/20
3OMei/ 31 Mei/
20/24
Juni

3 Juni

Mei

Mei
4 Juni 5 Juni
Juli

Partic, disc.

i/,

’12
-7
116

1
12.
5
18
14/8
11
4
2)
3/
35
.1/
4

33/
4
.431
4

Prolong.

. –

31

3/
4

31
4

1
12
2
)
1
3.411
4

Londen
Daggeid. . .

1
12.1

1
12_1

1
12.1
1
11
1
121
1

1
12.1
1
12-1
Partic. disc.

5
18.
21
132

5
/8.
11
116

s-“iis
5
10
1
118
17
132.
5
18
116/4
11614
Berlijn
Daggeld…

211
3
3/
4

2
1
1_3
1
1

211-7/
21/-5/
2314.31/41)
251531/425
1011
8

MaandeId

2
3
/-5/

2
3
18-
5
/8

2
3
1-5/
23/8-11s

2
3
43
2
)
21/
3
_3/
4.
2
1
/,_7j
Part, dIsc.

2
7
/8

2
7
/s

2
3
/4
2
3
/4
27/p
1)
2
7
/g
2
7
/8
Warenw,..

4_1/2

4..11

4..1/
4..1/
4.11
4
2)
4.1/4
4.114
New York
Daggeld
1)

1

1

1
1
.

1

1)
1
31
Partic,disc,

11
3

11
3

1
15
11
2

1/
9
I16
1
Koers van 2 Juni en daaraan voorafgaande weken t1m. Vrijdag.
30 Mei-3 Juni.

3)
31 Mei-4 Juni.

WISSELKOERSEN.

KOERSEN IN NEDERLAND.

Data
New
Londen
Berl(in
Parijs
Brussel
Batavle
York *)
*)
)
)
S)
1)

30 Mei

1939
1.86
8.71%
8

74.65
4.93k
31.684
10094
31

,,

1939
1.86%
8.71%
74.70
4.93k
31.69 100%
1 Juni 1939
1.86%
8.74y,
6

74.90
4.95
31.80
100%
2

1939 1.87%
8.76%
75.05
4.96% 31.874
100%
3

1939 1.87%
8.774
75.20
4.96%
31.90
10094
e

5

,,

1939
1.88
8.80%
75.40
4.98%
32.01
100
Laagste d.w’)
1.85%
8.70%
74.50
4.92k
31.64
100
Hoogste
d.wi)
1.88
8.80%
75.45 4.98
32.-
100%
Muntpariteit
1.469 12.1071

159.263
1
9.747 124.906
1
100

Data
zwit-
serland
Praat
Boeka-
Milaan Madrid

31

1939
41.95




1 Juni 1939
42.07%

2

1939 42.2734


– –
3

1939
42.35


– –
5

1939
42.42




Laagste d.w’)
41.89


9.8731

Hoogste d.w’)
42.42

1.45 9.9234

Muntpariteit
48.003
7.371

1.488

1

13.094
1

48.52

Dat a
St ock-
Kopen-
Oslo)
Hel
Buenos-
Mon-
holm)
hagen
5)
for!’)
Aires’)
treal’)

30 Mei

1939
44.874
38.90
4380
3.84
43%
1.85%
31

,,

1939
44.874
38.90
43.824
3.85 43%
1.85%
1 Juni 1939
45.05
39.05
.

43.95
3.854
43%
1.86%
2

1939
45.124
39.124 44.024
3.864
43%
1.86%
3

;,

1939
45.174
39.174
44.10 3.854
43% 1.87%
5

1939
45.374
39.324
44.274
3,92

1.87%
Laagste d.wl)
44.774
38.80 43 674
3.82
42% 1.84%
Hoogste d.wl)
45.40
39.374
44.30
3.92
43%
1.87%
Muntpariteit
66.671 66.671 66.671
6.266
95%
2.1878
8) Noteering te Amsterdam.

) Not, te Rotterdam.
1)
Part, opgave.
In ‘t iste of 2de No. van iedere maand komt
een
overzicht
voor van een aantal niet wekelijks opgenomen
wisselkoersen.

KOERSE14 TE NEW YORK. (Cable).

D ata

1
L.UflUCII
($ per £)
rurijs
(5
P.
100
fr.)I($
eriun
p. 100 Mk.) J-Imsreraam (S p. 100 gid.)

30Mei

1939

– –

31

,,

1939
4,68%
2,65
40,13
53,70
1 Juhi

1939
4,68%
2,65
40,13%
53,56%
2

1939
4.68%
2,65 40,13
53,45
3

1939
4,687/
1
,
2
1
65%
40,13 53,39
5

,,

1939
4,68%
2
1
65%
40,13 53,25
6 Juni

1938
4,94%
2,77% 40,17%
55,20%
Muntpariteit..
4,86
3,90%
23,81%

470

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 Juni 1939

IiOERSEN TE LOND1iN.

Plaatsen
en
Landen
Noteerings-1
eenheden
20Mei
1 1

1939

1

27
Mei
1939

i
LaagstelHoogstel
29Meii3junil9391
3Juni
1939

Alexandriö..
Piast.p.0
97,4
9734
97%
97%
9734
Athene

….
Dr. p. X,
547% 547%
540 555
5473j
Bangkok….
Sh.p.tical
1/10,
1/10T8
if
1/10,
8
,
1/10,8,
1/10,8,
Budapest

..
Pen. p.
£
24
23%
23%
24%
24
BuenosAires’
p. peso p.Y,
20.221
20.181
20.15 20.29
20.24
Calcutta
. .
..
Sh. p. rup.
1/5%
1/5
57
/
44

1/527/
33

1/
5
29/
33

115%
Eongkong ..
Sh. p.
$
1/2%
1/2%
1/2%
1/3%
1/2%
[stanbul

..
Piast. p.
£
580 580 580 580
580
Sh. p. yen
1/2
1/2
1/1%
1/2%
1/2
Lissabon….
Escu.p. X
110% 110%
110
110%
110%
obe

…….

fontevideo
.
d.perX
18
18
17%
18%
18
?.fontreal

..
$
per
£
4.69%
46914
4.69
4.69%
4.69%
Rio d. Janeiro
d. per Mii.
2%
225/
33

226/
2
25
/
32

2
26
/
32

Shanghai

..
d. p.
$
8%
8%
8
8%
8%
Singapore ..
5h. p.
$
2/3% 2/3%
2
1
1
3%
214
2/331
Valparaiso
2
).
$per
z
e
117
117
117 117
117
Warschau ..
Zi. p.
£

1

24%
1
24%
1
24%
1
25%
1

25
1)
Offic. not.
IS
laten, gem. not., welke Imp. hebben te betalen 15Nov.1938
17.13.
2)
90dg. Vanaf 13 Dec.1937 laatste .export”noteering.
ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
Londen’)
N.York2)

A’dam3
Londen
4

30 Mei

1939.. 20

30 Mei

1939.. 2100
148/5k
31

,,

1939..

19%
42%

31

,,

1939.. 2020
148/51
1 Juni 1939..

19
1
Y
16

4 2 %

1 Juni 1939.. 2100
148/5
2

1939.. 20
42%

2

1939.. 2105
148/5
3

1939..

19′

3

1939.. 2110
148/5
5

1939.. 20
42%

5

,,

1939.. 2115
148/4k

6 Juni 1938.. –
42%

6 Juni 1938..


27 Juli

1914.. 24%
59

27 Juli

1914.. 1648
84/101
i) in pence p. oz. stand.

2)
Foreign silver In $c. p. oz. fine.

3)
In guldens
per Kg. 100011000.
4)
in sh. p. oz. fine.
STAND VAN
‘.
RIJKS
KAS.
Vorderingen.
1

23Mei1939
31Mei1939
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij De Ne-
f
48.447.201,75
/
33.762.050,10
Saldo b. d. Bank voor Ned. Gemeenten

183.662,18
,,

329.829,67
Voorschotten

op

ultimo April

1939

derlandsche Bank ……………….

ajd. gemeent. verstr. op a. haar uit te
keeren hoofds. der pers. bel., aand. In
de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede opc. op dle belas-
tingen en op de vermogensbelasting


,,

40.580.378,33

36.920.186,96
Idem aan Suriname ………………

10.330.951,05
}C asvord.weg.credletverst.ajh.bultenl.
,, 98.375.964,21
98.519.753,94

Voorschotten aan Ned.-lndlt ……….

Daggeldleeningen tegen onderpand..
Saldo der

..10.201.065,22



postrek.v.Rijkscomptabelen
Vord. op het Alg. Burg. Pensioenf.
1).,.
48.730.906,62
,,

14.268.829,49
,,

33.176.012,52
,,

14.189.555,95
Vord. op andere Staatsbedrijven’)….
14.635.246,95
,,

15.278.615,26
Verplichtingen

Voorschot door De Ned. Bank lngev.
art.

16 van haar octrooi verstrekt

Schatkistbiljetten In omloop ………
fl91.733.000,-
fl91.733.000,-
Schatklstpromessen In omloop ……
25.000.000,-
,,

25.000.000,-
Zilverbons In omloop …………….
1.072.905,50
,,

1.072.587,-
Schuld

op

ultimo

April

1939

gem.
weg. a. h. uit te keeren

hoofds. d.

.

pers. bel., aand. 1. d. hoofds. d. grondb.


e. d. gem. fondab. alsm. opc. op dle bel, en op de vermogensbelasting
8.200.318,56

8.200.318,56

aan
,,

1.936.011,84
,,

1.936.611,84
Schuld

het Alg. Burg. Pensloenf.’)
Id.

h. Staatsbedr. der P.T.

T.’)
a.

en


Schuld aan Curaçao’) ….
………….

,, 190.025.501,22
,,

11.500.000,-
,, 177.640.198,12
,,

12.000.000,-
Id. aan andere Staatsbedrijven’) ……
Id. aan diverse Instellingen
1)
………
..
326.944.542,12
326.347.181,51
‘s
‘) In rekg.-crt. met

Rijks
Schatkist.
NEDERLANDSCH-INDISCHE
VLOTTENDE
SCHULD.
3 Juni 1939
1

29Mei 1939
Vorderingen:
1)

Saldo Javasche Bank


Saldo b. d. Postchèque- en Glrodiens
f

995.000,-
t

153.000,-
Verplichtingen:
Voorschot’s Rijks kase.a. Rijkalnsteli.

………………..

Schatklstpromessen In omloop …….
37.148.000,-
,,
40.000.000,-
,,

39.766.000,-
40.000.000,-
Schatkistbiljetten in omloop


Schuld a.d.lndische Pensioenfondsen
,,

20.000.000,-
,,

20.000.000,-
Schuld aan het Ned.-lnd. Muntfonds. …
,,

3.114.000,-

3.114.000,-
Idem aan de Ned-lnd. Postspaarbank.
.

771.000,-
748.000,-
Belegde kasmiddelen Zelfbesturen…
,,

795.000,-
695.000,-
Voorschot van de Javasche Bank
.
,

3.383.000,-
,,

5.227.000,-
1)
Betaalmiddelen in ‘s Lands Kas
f
40.763.000,-.
SURINAAMSCHE
BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
I

f/’
I
Ind,re
opeischb.
schulden
Discont.

29 April

1939,.
829
1.261
603 527 1.246
22

1939.,
858
1.141
670
525 1.249
15

1939..
839
1.132
661
523 1.241
8

1939,,
822 1.162
650 524
1.226
1

,,

1939,.
826 1.252 720
532
1.266
1 Juli

1914,.
645 1.100 560
735 396
j wunp. oer activa.

NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte Balans op 5 Juni 1939.

Activa.
Binheni.Wis-(Hfdbk.
f

9.967.820,20
sels, Prom.,. Bijbnk.

503.728,90
enz.in
disc. (Ag.sch. ,,

1.102.456,02

ç
11.574.005,12
Papier o. h. Buitenl.

f

2.700.000,-
Af: Verkochtmaar voor
de bk.nog niet afgel.


,,
2.700.000,
Beleeningen

f
Hfdbk.
f
173.535.207,961)
mcl. vrsch., Bijbnk. ,,

4.586.390,82
in rek.-crt.1
Ag.sch.

31.451.130,85
op onderp. 1.

f
209.572729,63

Op Effecten enz. ..
f
208901.188,641)
Op Goederen en Ceel.

671.540,99
209.572.729,631)
Voorschotten a. h. Rijk ……. ………

Munt, Goud
……f

10&637.555,-
Muntmat, Goud
,.
,,1.102.855.637,40

[1.209.493.192,40
Munt, Zilver, enz.

17.951.035,66
Muntmat., Zilver..
1.227.444.228,06
Belegging van kapitaal, reserves en pen-
sioenfonds

……………………
44.024.048,58
Gebouwen en Meub. der Bank ……..’,,
4580.000,-
Diverse rekeningen
………………,,
13.276.011,36
Staat d. Nederl. (Wetv. 27/51’32,
SNo.
221)
,,
7.629.955,16

Paseiva.

f
1.520.800.977,91

K
apitaal
……………………….f
20.000.000,-
Reservefonds
……………………,,
4860787,51 Bijzondere reserve

………………,,
7.102.179,67
P
ensioenfonds

………………….
12.141.503,95
Bankbiljetten in omloop …………..
1.033.895.360,-
Bankassignatiën in omloop
……….,,
4.555,50
Rek.-Cour.
J
Het Rijk
f

36.143.540,14
saldo’s:

k Anderen ,,400.329.489,13

,,
436.473.029,27
Diverse rekeningen ………………

,,
6323562,01

f
1.520.800.977,91

Beschikbaar metaalaaldo
………….f
639.482.954,91
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
loop dan waartoe de Bank gerechtigd is ,, 1.598.707.380,-Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank
ondergebracht ………………..,,


1) Waarvan aan Nederlandsch-Indlt
(Wet van 15 Maart 1933, StatGblad No. 99) ……..
f
63.247.800,-

Voornaamste posten en duizenden guldens.

1
Goud
1
Andere
Beschikb.
Dek-
Data

1
I Circulat fe opelschb.

I
I
Metaal-
I

kings
Munt

Muntmat.
1
schulden
saldo perc.

5 Juni
‘3911066381L102.85611033.895I436.478

1

6394831
83
30
Mei

’39}lO6638ILio2.855I1046.367J427.274
1

637.6591
83
25 Juli

‘141

65.7O3J
96.410
310.4371

6.198 43.521
54
Totaal
1
Schatkist-
1

Belee-
Papier
Diverse
Data
bedrag
Lisconto’s
1
promessenningen
het
b
°
u
°
ltenl.
reke-
lrechtstreeksl
ningen
1)

5 Juni 1939!
11.574
1


207.573
2.700
13276
30 Mei

19391
11,589
1


1
212.026
1

2.700
6.251

25 Juli

1914J
67.947

61.686

20.188
509
1) Onder de activa.

JAVASCHE BANK.

Data
Goud
Zilver
I

Circulatte
opetschb.
metaal-
I

I

schulden
I

saldo

3Juni’39
11
)
1.720
197.840
84,580
26.752
27 Mei
1
392)
135.760
192.420
78.230
27.500

6Mei 1939
116.886
18032
197.695
86.556
21.083
29Apr. 1939
116.886 20.656
192.565
84.487
25.810

25Juli1914
22.057
31.907
110.172
12.634
4.842

Data

1
1
________________ 1

b’,”
N.-Ind.
betaalb.

Dis’.
conto’s
1

Belee-
1
ntngen
1

1

1

Diverse
reke-
1

ningen’)
kings- percen-
tage

3Juni’39
2
)
13.810
79’130
57.510
50
27Mei 1392)
11.390
76.320
60.950
50

6Mei1939
12.215
71.667
48
Ï4.3791
5ö’
29Apr.1939
10.173
14.301

1
50.023
70.362
49
25
Juli
1914
6.395.
7.259 75.541
2.228
44
‘)
Sluitpost activa.
2)
Cijfers
telegrafisch
ontvangen.

Auteur