Ga direct naar de content

Het optimisme van deel 3

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 13 1980

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
Het optimisme van deel 3
,,Op grond van al deze beschouwingen is de regering
van oordeel dat het beginselbesluit van 1974, tot het
bouwen van drie nieuwe kerncentrales in relatie tot de
noodzaak van vervanging van verouderd produktievermogen in de openbare sector, in relatietotdevoordetotale
elektriciteitsvoorziening na te streven brandstofinzet en
ook in relatie tot een mogelijke ontwikkeling van en behoefte aan elektriciteit nu tengrondslag kan wordengelegd
aan de Maatschappelijke Discussie”. Zie hier de (voorlopige) standpuntbepaling van de regering met betrekking
tot de uitbreiding van het aantal kerncentrales, in het
derde deel van de Nota energiebeleid (over brandstofinzet
in centrales) dat onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden.
De conclusie van het kabinet mag geen verrassingheten.
Zoals bekend is het energiebeleid van de regering gericht
op twee doelstellingen: energiebesparing en diversificatie
(het spreiden van het energieverbruik over meer bronnen).
In de Kolennota is de diversificatiedoelstelling al nader
uitgewerkt: rond de eeuwwisseling moet ten minste 40%
van de elektriciteit worden opgewekt door middel van
steenkool. Omdat het kabinet het aardgas wil aanwenden
voor met name het particuliere kleinverbruik en de olieafhankelijkheid wil terugdringen mag slechts voor het
reservevermogen (20%) gebruik worden gemaakt van olie
en aardgas. De resterende 40% zou moeten worden opgevuld door kolen en kernenergie. Uit de Kolennota bleek
evenwel dat een nog verder opvoeren van het kolenaandeel
in elektriciteitscentrales, o.a. vanwege milieu-effecten,
volstrekt onhaalbaar zou zijn, zodat de keuze voor kernenergie vaststond.
Niettemin is de beslissing van de regering niet zo logisch
als o p grond van bovenstaande zou mogen worden aangenomen. De maatschappelijke weerstand tegen uitbreiding van kernenergie is groot. Met name het ongeval bij
Harrisburg lijkt de weerstand te hebben versterkt. Uit een
onlangs gehouden enquête bleek dat slechts 12% van de
ondervraagden voorstander was van het uitbreidenvan het
aantal kerncentrales en dus in feite het regeringsstandpunt
onderschreven. De vraag is dan ook waarom het kabinet
toch vasthoudt aan de uitbreiding van kernenergie?
Het blijkt dat het kabinet de risico’s van kernenergie
rooskleuriger inschat dan het merendeel van de bevolking.
In feite zouden voor alle problemen acceptabele oplossingen gevonden zijn. Het is zelfs zo dat men o p basis van
de beschouwingen van het kabinet over de kernenergie geneigd is zich af te vragen waarom we onze elektriciteit
in de toekomst voor een belangrijk deel zouden opwekken
met behulp van kolen – waarvan de gevaren evident
zijn – terwijl we kunnen beschikken over zo’n veilige,
milieuvriendelijke (en bovendien iets goedkopere) energiebron als kernenergie. Volgens minister Van Aardenne
moet de maatschappelijke weerstand tegen kernenergie
dan ook worden verklaard uit het feit dat de mensen geen
verstand hebben van kernenergie; de nota spreekt van
,,irrationele gevoelsmatige aspecten”, die overigens ,,op
zichzelf niet doorslaggevend mogen zijn”.
Vanwege het feit dat de kennis over kernenergie blijkbaar nog te wensen over laat, zal de z.g. Maatschappelijke
Discussie – althans naar de mening van de regering dus voor een belangrijk gedeelte moeten worden beheerst
door de informatievoorziening, vóórdat de werkelijke

discussie kan beginnen. Volgens de regering zou in de
discussie d e beschikbare informatie systematisch moeten
worden getoetst ,,zodat opheldering ontstaat over welke
gevolgen zijn verbonden aan welke keuzen; welke inzichten omstreden of aanvaard zijn; welke irrationele angsten
en reële risico’s zijn”. Het is interessant om na te gaan
in hoeverre de nota zelf aandezedoelstelling beantwoordt.
Het is, zeker m.b.t. een omstreden zaak als kernenergie, niet moeilijk om een vooringenomen voorkeur
door wetenschappelijk onderzoek te onderbouwen.
Bevindingen die niet in het straatje passen kunnen, of zonder noemenswaardige argumentatie van tafel worden geveegd, òf liever in het geheel maar niet worden vermeld.
Zo wordt in het derde deel van de Nota energiebeleid wel
met instemming gerefereerd aan het beroemde Rasmussenrapport dat
basis van een o p zijn minst discutabele
..risicoanalvse” tot de conclusie komt dat kernenergie
veiliger is dan welke andere energiebron ook, maar het
Kemeny-rapport over het ongeval met de kerncentrale in
Harrisburg, waarin heel wat minder positief wordt geoordeeld over kernenergie, zoekt men vergeefs in de nota.
Een ander voorbeeld betreft de opslag van het radio-actief
afval. O p basis van een studie van de Interdepartementale
Commissie voor de Kernenergie en onderzoeken in het
kader van de International Fuel Cycle Evaluation, wordt
geconcludeerd dat opberging van hoog radio-actief afval
in steenzoutformaties een verantwoorde oplossing is. Het
is bekend dat met name door geologen deze conclusie
wordt aangevochten; de zoutkoepels zouden niet stabiel
genoeg zijn om het kernafval daarin zonder gevaar op te
slaan. Geen woord hierover in de nota, hoewel de twijfels
over de stabiliteit van de zoutkoepels zeker niet ongegrond lijken. Boringen bij Gorleben (West-Duitsland)
hebben b.v. uitgewezen dat daar in ieder gevalsprake isvan
breukvlakken en dat water wordt toegelaten. Toch is
alleen een oplossing waarbij het afval niet in aanraking
kan komen met de biosfeer aanvaardbaar en daarom
essentieel in de kernenergiediscussie.
Alleen al op basis van deze omissies (er zijn nog wel
meer punten te noemen) kan niet worden gezegd dat
deel 3 alle beschikbare informatie heeft getoetst en dat de
burgers o p basis hiervan tot een afgewogen oordeel kunnen komen. Integendeel, de regering lijkt een selectief gebruik te hebben gemaakt van inzichten, die het wetenschappelijk onderzoek naar de risico’s van kernenergie
heeft opgeleverd en de kernenergieproblematiek betrekkelijk eenzijdig te hebben belicht. Kernenergie blijft een
omstreden zaak waarvan de onzekerheid ten aanzien van
de risico’s groot is. De regering heeft alles afgewogen en is
tot de conclusie gekomen dat de risico’saanvaardbaar ziin,
waarbij heeft meegespeeld ,,dat wij soortgelijke risico’s-in
onze maatschappij hebben aanvaard en dat wij geleerd
hebben ons te wapenen tegen ernstige ongevallen”. Het
punt is evenwel dat risico’s van kernenergie onvergelijkbaar zijn met andere genomen risico’s en dat ook de
consequenties van ongelukken met kernenergie van een
heel andere orde zijn. De regering is bevreesd dat het afzien
van de kernenergieoptie ten kostegaat vande welvaart. Het
ware in overweging te nemen het begrip welvaart wat
ruimer te interpreteren.

op

T. de Bruin

Auteur