Ga direct naar de content

Goede voornemens en echte banen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 2 2017

Waarom gaan goede voornemens vaak de mist in? Geen eenvoudige vraag, maar ik denk dat het vooral lastig is om doelstellingen te formuleren die ambitieus én haalbaar zijn. Vooraf is lastig in te schatten waar de dunne grens ligt waarin beide voorwaarden opgaan. Te ambitieuze doelstellingen zullen frustratie opwekken. Eenvoudig haalbare doelstellingen hebben weinig betekenis – je bent ook niet echt blij als je die haalt.

Ik moest hieraan denken toen ik recent de eerste tussenrapportage las van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de beloofde extra banen voor mensen met arbeidsbeperkingen. Tussen 2013 en 2026 moeten er 125 duizend extra banen komen voor mensen met een arbeidsbeperking; 100 duizend daarvan in de marktsector en 25 duizend bij de overheid. Kabinet, werkgevers en vakbonden hebben hiervoor getekend tijdens het Voorjaarsakkoord in 2013. Wordt dit streefcijfer niet gehaald of is er geen uitzicht op, dan zal een arbeidsquotum worden ingevoerd.

Het lijkt me dat het bepalen van het streefcijfer van 125 duizend personen een flinke hersenkraker is geweest voor alle partijen. Dertien jaar vooruitdenken is al lastig, maar dat dan ook nog eens over banen die voorheen als ‘beschut’ te boek stonden en nu tot banen bij werkgevers moet leiden. Daar bovenop moest – overigens ná het afsluiten van de banenafspraak  – ook nog eens de doelgroep worden afgebakend die potentieel onder de 125 duizend banen zou kunnen vallen: het ‘doelgroepregister’. Onder dit register vallen personen in de bijstand met een loonwaarde onder het wettelijk minimumloon; personen met een Wajong uitkering die inging voor 2015; en personen die gesubsidieerde arbeid verrichten voor een gemeente of in Sociale Werkvoorziening (SW). Als iemand uit het doelgroepregister werkt bij een reguliere werkgever voor meer dan 25,5 uur per week, dan telt hij/zij mee voor de banenafspraak.

Volgens de tussenrapportage ligt de banenafspraak momenteel goed op koers: tussen 2013 en 2015 kwamen er 21 duizend banen bij. Dat is 12 duizend meer dan het tussentijdse streefcijfer van 9 duizend. Om hierbij een gevoel te geven van de relatieve omvang van deze effecten: 96 duizend van de circa 278 duizend personen in het doelgroepenregister werkte in 2015. Een stevige toename dus in het aantal werkenden, van circa 7% in twee jaar. Je zou dus bijna zeggen dat de lat wel erg laag is gelegd.

Lezen we echter verder, dan wordt al snel duidelijk dat een definitie van banen is gehanteerd die ruimer is dan oorspronkelijk. Bij het afsluiten van de banenafspraak is namelijk bepaald dat een baan alleen telt in geval van een dienstbetrekking bij een reguliere werkgever. Het kabinet laat nu echter ook inleenverbanden en detacheringen toe, met name vanuit SW-bedrijven. Zouden we deze banen niet meetellen en dus terugvallen op de oude banenafspraak, dan zou de toename zo’n 9 duizend personen bedragen. Dit is zo goed als gelijk aan het streefcijfer voor 2015. De ‘oude’ banenafspraak is dus ambitieus én haalbaar.

Maar er is nog meer. Als we de bijlage van de tussenrapportage tot ons nemen, dan ontstaat weer een ander beeld. In de banenafspraak tellen (extra) banen bij de Sociale Werkvoorziening niet mee – dit zijn immers geen banen bij reguliere werkgevers. Tegelijkertijd is het wel nog de grootste werkgevers voor mensen uit het doelgroepregister – en bovendien een werkgever waar het aantal banen terugloopt – van 80 duizend banen in 2013 tot 67 banen in 2015.  Mocht iemand zich dus geroepen voelen ‘echte’ banen te definiëren als betaalde arbeid in dienstverband bij een werkgever – regulier dan wel bij de overheid – dan zou het aantal banen voor arbeidsbeperkten inmiddels gedaald zijn met 4 duizend personen. In dat geval is de banenafspraak dus wel erg ambitieus geweest en wordt het tijd het arbeidsquotum in te stellen.

Deze korte exercitie leert dus dat de ene banenafspraak de andere banenafspraak niet is. Ik kan me zo voorstellen dat de smaken daarbij nogal kunnen verschillen tussen politieke partijen. Maar de les die bovenal blijft hangen, is dat extra banen bitter noodzakelijk zijn om de transitie van de Sociale Werkvoorziening naar reguliere banen mogelijk te maken.

Auteur

  • Pierre Koning

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden (UL)

Categorieën