Ga direct naar de content

Amsterdam mist troeven

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 19 2002

Amsterdam mist troeven
Aute ur(s ):
Vet, J.M., de (auteur)
Lambooy, J.G. (auteur)
Witte, E. (auteur)
* Jan Lamb ooy is hoogleraar ruimtelijke economie aan de Universiteit Utrecht. Jan Maarten de Vet en Ellen Witte zijn respectievelijk als partner en
consultant verb onden aan Ecorys/NEI.
Ve rs che ne n in:
ESB, 87e jaargang, nr. 4356, pagina 311, 19 april 2002 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
steden

Amsterdam, de meest kosmopolitische regio binnen de Randstad, kan qua regionaal investeringsklimaat niet meekomen in de
Europese eredivisie.
Recentelijk is veel geschreven over het investeringsklimaat van Nederland in zijn algemeenheid en dat van de Randstad in het
bijzonder. Zo riep de Economist Intelligence Unit Nederland uit tot het land met het beste vestigingsklimaat 1. Tegelijkertijd zijn
belangrijke knelpunten gesigna-leerd op terreinen als de arbeidsmarkt, bereikbaarheid en de huizenprijzen.
In dit artikel wordt het inves-teringsklimaat van de Randstad onder de loep genomen. Op basis van een grootschalig onderzoek naar het
regionaal investerings-klimaat in 42 Noordwest-Europese regio’s wordt een vergelijking gemaakt tussen het investeringsklimaat van
Amsterdam, Londen en Frankfurt. Vervolgens wordt een koppeling gemaakt met de strategische investeringsbehoeften van de Randstad.
Investeringsklimaat
De locatiekeuze en het presteren van bedrijven hangen af van diverse factoren. Naast internationale, sectorale en macrotrends speelt de
regionale omgeving daarbij een belangrijke rol. Het regionaal investeringsklimaat wordt door ons ontleed in zes thema’s, te weten:
marktaspecten, arbeidsmarkt, vestigingssituatie, infra-structuur, leefomgeving en regionale overheid. De marktaspecten komen
goeddeels overeen met de sectorale samenstelling, ofwel de productiestructuur. De overige thema’s stroken met het productiemilieu,
waarmee typisch regionale kenmerken kunnen worden aangeduid. Deze thema’s kunnen vervolgens worden onderscheiden in 32
aspecten, zoals de bereikbaarheid over de weg, de beschikbaarheid van voldoende personeel, de prijs van kantoorruimte, het woningaanbod, enzovoort.
Om de waardering en het belang van de diverse aspecten van het investeringsklimaat systematisch in kaart te brengen, heeft in het
voorjaar van 2001 een uitvoerige ondervraging van bijna 1465 Nederlandse en 650 buitenlandse ondernemers plaatsgevonden 2. Een
dergelijke ondervraging leidt altijd tot een subjectieve weergave van de werkelijkheid. Echter, deze subjectiviteit is wel degelijk relevant:
investeringsbeslissingen worden genomen op basis van dezelfde subjectieve beoordelingen door ondernemers. De resultaten van de
ondervraging zijn geverifieerd via een zogeheten provinciale toetsingsronde.
De Randstad getypeerd
Volgens de agglomeratieliteratuur kan het regionaal investeringsklimaat worden onderverdeeld in twee groepen, te weten
urbanisatievoordelen en lokalisatievoordelen. Simpel gezegd gaat het hierbij respectievelijk om ruimtelijke voordelen (vooral
afstandskosten), stedelijke voordelen (vooral nabijheidvoordelen en voordelen van diversiteit), en om marktvoordelen (de aanwezigheid
van toeleveranciers en afnemers die met acceptabele prijzen werken, alsook de bereikbaarheid van externe markten). Wij voegen daaraan
een derde groep toe, de urbanisatienadelen 3. Hierbij gaat het om congestie, relatief hoge grondprijzen en concurrentie om schaarse
arbeid.
Op basis van deze drie dimensies zijn de 42 onderzochte Noordwest-Europese regio’s door middel van een statistische clusteranalyse
getypeerd tot zes groepen van regio’s met enigszins gelijkluidende profielen (zie figuur 1 op de volgende bladzijde). Deze indeling dient
niet te worden gezien als een blauwdruk of een statische indeling met vaststaande grenzen. De indeling is louter bedoeld om de meest
kenmerkende eigenschappen van regio’s in kaart te brengen.

Figuur 1. De randstedelijke regio’s getypeerd op basis van hun ruimtelijke, stedelijke en marktvoordelen
Typen regio’s
Niet verwonderlijk is het dat de Randstad nauwelijks ruimteregio’s kent. Deze dunbevolkte gebieden met een zwakke productiestructuur
bevinden zich vooral in het noorden en zuidwesten van Nederland. Het productiemilieu ziet er daarentegen zeer aantrekkelijk uit. Er is
ruimschoots ruimte voor groei, mobiliteit, bedrijvigheid en wonen. De provincie Flevoland behoorde tot deze categorie, maar schuift
langzaam op naar die van evenwichtsregio’s. Zij onderscheiden zich door een vaak kwetsbare balans tussen ruimte, stedelijkheid en
economische dynamiek, zonder dat daarbij sprake is van uitgesproken voor- of nadelen. Deze regio’s kunnen vrij makkelijk van kleur
verschieten. Wanneer de economische dynamiek doorzet, worden zij vitale regio’s met veel ondernemingszin, waar nog wordt
geprofiteerd van de aanwezige ruimte. Deze gebieden kennen vaak een sterkere mate van economische specialisatie, die aanleiding kan
vormen tot clustervorming. Vanuit de Randstad kan alleen de regio Delft en Westland tot deze categorie worden gerekend.
Een categorie die wel veel in de Randstad voorkomt zijn de zogeheten terugtredende regio’s. Het gaat om gebieden in de Noordvleugel
van de Randstad die bekneld zijn geraakt. De productiestructuur kan zijn verouderd (Zaanstad, IJmond), of het gebied is ingeklemd door
de schaarste aan ruimte (Haarlem, ‘t Gooi). Kenmerk is hier de relatief slechte onderlinge verhouding tussen ondernemers, werknemers en
overheden. Mede hierdoor gaan nieuwe impulsen voor economische activiteit aan deze regio’s dikwijls voorbij.
Minder somber, maar zeker niet zonder risico’s, zijn de urbaan verstedelijkte regio’s. Grote delen van de Zuidvleugel van de Randstad
herkennen zich in dit profiel, waaronder Den Haag en Leiden en omstreken. Utrecht vertoont vergelijkbare kenmerken, namelijk een hoge
specialisatiegraad op het vlak van bestuur, handel, ict of zakelijke diensten. De urbaan gespecialiseerde regio’s hebben te kampen met
urbanisatienadelen die op termijn een potentiële bedreiging vormen voor de regionale dynamiek. Ze zetten vaak hun eerste schreden op
het internationale toneel en richten zich daarbij op hun eigen speerpunten, zoals Den Haag met internationaal recht en Leiden met
biotechnologie.
De eredivisie wordt gevormd door de hoogdynamische en sterk verstedelijkte kosmopolitische regio’s, die een voorname rol binnen de
internationale stedelijke hiërarchie vervullen. Naast Londen en Parijs behoren van de onderzochte regio’s ook Frankfurt, Brussel tot deze
eredivisie. Ook Amsterdam heeft zich in deze internationale arena geplaatst. De productiestructuur en de bijbehorende marktvoordelen
zijn sterk. De urbanisatievoordelen overtreffen de nadelen. Tegenover de hoge prijzen staat de hoog ingeschatte kwaliteit van
bedrijfsruimte, omgeving en personeel.
Amsterdam in eredivisie?
Kosmopolitische regio’s kenmerken zich door een verzameling kwaliteiten waaraan voor het aantrekken van talentvol personeel steeds
meer belang wordt gehecht: ‘quality of place’. Hieronder wordt verstaan de aanwezigheid van optimale loopbaanmogelijkheden in
combinatie met een kosmopolitische levensstijl, met de nabijheid van internationale vliegvelden en een breed scala aan culturele en
sportieve voorzieningen in een aantrekkelijke omgeving. Uit onderzoek is gebleken dat dit type ‘cool city regions’ garant staat voor zeer
goede economische prestaties 4. Kosmopolitische regio’s hebben door hun omvang en aantrekkelijkheid per definitie een stevig aantal
agglomeratienadelen of knelpunten. Zo blijkt een hoog prijsniveau geen probleem; er is veel koopkracht, waardoor de portemonnee
gemakkelijker dan elders wijd wordt opengetrokken.
We beperken ons hier tot een vergelijking van het regionaal investeringsklimaat in Amsterdam met twee topspelers, te weten Londen en
Frankfurt.
Vergelijking
Ten eerste de knelpunten. Londen heeft een aantal forse nadelen, die vrijwel allemaal voortkomen uit het exorbitant hoge prijsniveau. Dat
uit zich onder meer in de schaarste aan bedrijfs-, kantoor-, en woonruimte. Frankfurt kent daarentegen slechts een beperkt aantal
knelpunten, hetgeen wellicht samenhangt met de kleinere omvang van de stad en de minder overspannen vastgoedmarkten. Qua
knelpunten doet Amsterdam niet voor Londen onder. Ernstige problemen doen er zich voor op de arbeidsmarkt, waar een nijpend tekort
aan personeel heerst en de houding van veel werknemers volgens de ondernemers ondermaats is. Daarnaast vormen de bereikbaarheid
over de weg en het tekort aan woonruimte aanzienlijke beperkingen. Opvallend is echter dat ook de kwaliteit van de woonvoorzieningen
wordt gezien als een knelpunt: de aanwezigheid en kwaliteit van winkels, horeca en de mogelijkheden voor cultuur, sport en recreatie
voldoen niet aan de verwachtingen van onder-nemers. Dit is voor een kosmopolitische regio hoogst ongebruikelijk.
Belangrijker dan de knelpunten zijn echter de sterke punten, die de regionale aantrekkingskracht bepalen en waarop zij kunnen scoren
(zie tabel 1). In vergelijking met Londen en Frankfurt heeft Amsterdam volgens de eigen ondernemers maar weinig troeven (‘points of
excellence’). Waar Londen uitblinkt in de aanwezigheid van hoog opgeleid personeel, een grote en goed functionerende kapitaalmarkt en
een indrukwekkende afzetmarkt, weet Amsterdam daar weinig tegenover te zetten. Het is waar, Amsterdam kent een omvangrijke
afzetmarkt en een goed functionerende kapitaalmarkt. Maar de stad is nergens uniek de beste in. Zelfs de nabijheid van de nationale
luchthaven legt het af tegen Londen en Frankfurt, die elk over een aanzienlijk uitgebreider netwerk beschikken. Frankfurt excelleert in
meerdere opzichten. Goede kantoor- en bedrijfsruimte is in voldoende mate aanwezig, tegen een billijke prijs. Ook op het vlak van
bereikbaarheid en transport heeft Frankfurt een benijdenswaardige positie. Mede door de recente ontsluiting van de luchthaven op de
ice-spoorlijn scoren openbaar vervoer, de luchthaven en het spoorwegennet uitmuntend, evenals de infra-structuur voor
telecommunicatie. Andere toppunten zijn de onderwijsfaciliteiten, kenniscentra, voorzieningen en de houding van regionale overheden.
Frankfurt weet deze troeven aan te bieden zonder er omvangrijke urbanisatienadelen tegenover te zetten.

Tabel 1. Troeven (‘points of excellence’) van Londen, Amsterdam en Frankfurt. Vermelding in de tabel wil zeggen dat de stad
volgens ondernemers uniek de beste is
Londen

Amsterdam

afzetmarkt
kapitaalmarkt
opleidingsniveau
kenniscentra
beschikbaar personeel

afzetmarkt

Frankfurt
afzetmarkt
zakelijke diensten
regionale overheid
vervoer door de lucht
openbaar vervoer
vervoer per spoor
telecominfrastructuur
kapitaalmarkt
kantoor- en bedrijfsruimte
onderwijsfaciliteiten
woonvoorzieningen
loonniveaua
ondernemerschap en
innovativiteit

a. In verhouding tot kwaliteit van de arbeid
Bron: NEI, 2001.

Amsterdam komt als meest kosmopolitische stad van Nederland niet mee in Europees opzicht. Afgelopen zomer werd in een
toonaangevende Europese publicatie de groeiprognose voor Amsterdam aanzienlijk neerwaarts bijgesteld, tot een percentage onder dat
van Rotterdam en Den Haag 5.
De Amsterdamse aantrekkingskracht voor internationale investeringen lijkt vooral een afgeleide te zijn van het gunstige nationale
investeringsklimaat, zoals onder meer door The Economist werd gesignaleerd. Als gevolg van de globalisering en de Europese
eenwording wordt het belang van nationale factoren echter minder belangrijk, terwijl regionaal bepaalde factoren juist aan belang
winnen. Zonder een duidelijke strategie zal de aantrekkelijkheid van het Amsterdamse en daarmee ook het Randstedelijke
investeringsklimaat daarom onder toenemende druk komen, met lange-termijneffecten op locatie- en investeringsbeslissingen.
Onderbouwd investeren
Het is geen geheim dat de bestuurlijke samenwerking in de Randstad sterk te wensen over laat, terwijl ook een duidelijke regiefunctie van
het Rijk hier ontbreekt. Alleen op het niveau van de Zuidvleugel wordt op een strategischer wijze met investeringswensen
omgesprongen.
Als onderdeel van een randstedelijke investeringsstrategie zou allereerst de vraag moeten worden gesteld welke internationale ambities
er concreet bestaan. Is het streven naar een excellent vestigingsklimaat of is het maaiveldniveau voldoende? Als volledige bereidheid
bestaat om Amsterdam en daarmee de Randstad in de ere-divisie te ondersteunen, dient te worden geïnvesteerd in excellentie.
Bijvoorbeeld in de Zuidas, de kwaliteit en samenhang van het hoofdstedelijk openbaar vervoer en het bevorderen van ondernemerschap
en innovativiteit.
Indien het wenselijk wordt geacht om in te zetten op de Randstad als geheel, zijn naast een sterkere afstemming van de deelgebieden op
elkaar, betere interne verbindingen nodig, waarbij een hoogwaardig randstedelijk openbaarvervoersysteem prioriteit verdient. Daarbij
horen ook forse investeringen in hoogwaardige woon- en werklocaties, waar onder de stationsgebieden van Rotterdam, Den Haag en
Utrecht. Op dit type investeringen is reeds jarenlang gestudeerd – totnogtoe zonder concrete resultaten.
Kiezen of delen
Gezien de specifiek Nederlandse bestuurlijke situatie en poldercultuur is een duidelijke strategie – en daarmee de voorwaarden voor een
op zichzelf staand internationaal toonaangevend vestigings-milieu – niet te verwachten. Een keuze voor een Deltametropool kan echter
niet samengaan met een investeringsbeleid van de Rijksoverheid dat gekenmerkt wordt door evenredige verdeling. Er moet dan een
nadruk liggen op de Randstad en er moet ruimtelijk onevenwichtig worden geïnvesteerd.
Men kan echter ook een andere visie hebben, die is gebaseerd op enerzijds de dreigende urbanisatienadelen van de randstedelijke regio’s
en anderzijds op de efficiëntie van infrastructurele investeringen. Vermoedelijk zijn de marginale baten in de vitale regio’s groter. Immers,
ruimte vormt daar geen beperking voor groei.
In dat geval zou er evenwel een duidelijke politieke uitspraak moeten komen die zich richt op de optimale ruimtelijk-economische
structuur van Nederland. Wellicht komen dan ook de nieuwe groei-gebieden van Brabant en Gelderland meer in de aandacht. Die
groeiden de afgelopen jaren immers reeds hard, zonder speciale aandacht van rijksgelden. Kennelijk hebben investeringen daar
inderdaad een hoger groei-effect. Een ambitieus investeringslijstje voor de Randstad kan derhalve niet tegenover de rest van Nederland
gerechtvaardigd worden zonder een sterk fundament en een bijbehorende strategie.

1 Zie onder meer NRC Handelsblad van 18 oktober 2001, en Het Financieele Dagblad en de Süddeutsche Zeitung van 20 oktober 2001.

2 NEI, Internationale benchmark regionaal investeringsklimaat , NEI, Rotterdam/Den Haag, 2001.
3 Zie J.G. Lambooy, Agglomeratievoordelen en ruimtelijke ontwikkeling , Universiteit Utrecht, 1998.
4 Zie R. Florida, The economic geography of talent, werkdocument, Carnegie Mellon University, Pittsburgh, 2000.
5 Zie ERECO, European regional prospects 2001-2006, Cambridge Econometrics, 2001.

Copyright © 2002 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteurs