Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3166

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 9 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

e!;b

UITGAVE VAN
DE
9 AUGUSTUS 1978

STICHTING HET NEDERLANDS 63eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 3166

Zekerheden ondergraven

Prof. Dr. N. H. Douben heeft zich de toorn van bijna heel

sociaal-verzekeringsiand op de hals gehaald met het lanceren

van een voorstel in
Hei Parool 1)
om de sociale-verzekerings-

uitkeringen terug te brengen tot een voor ieder gelijke basis-

uitkering op het niveau van het netto minimumloon. Daar-

naast zou er per bedrijf of bedrijfstak een verplichte tijdelijke

,,overloop”-verzekering moeten komen om de overgang

van verdiend inkomen naar basisuitkering geleidelijk te doen
verlopen. Ten slotte zou elk individu zich via een vrijwillige

prerniebetaling aanvullend kunnen verzekeren om boven de

basisvoorziening te kunnen genieten van een extra uitkering

in geval van inkornensderving. Prof. Douben acht een derge-
lijke rigoureuze aanpak noodzakelijk om het stelsel van

sociale zekerheid zodanig te vereenvoudigen en hervormen

dat de explosieve uitgavengroeï wordt afgeremd zonder de

positie van de laagste-uitkeringstrekkenden in gevaar te

brengen.
Dat drastische ingrepen in het sociale-zekerheidsstelsel

noodzakelijk zijn, betwijfelen weinigen. De uitgaven van

de sociale verzekeringen zijn sedert 1963 gemiddeld

iedere vier jaar verdubbeld en beliepen in 1977 ca. f.
53
mrd.

ofwel 23% van het netto nationaal inkomen (NNI). Daar
komen nog bij de uitgaven voor collectieve voorzieningen

(vooral de bijstands-, WWV- en WSW-uïtkeringen) die uit
de algemene middelen worden gefinancierd. Te zamen telt

dat op tot zo’n 30% van het NNI. En vooralsnog zijn er weinig

aanwijzingen dat aan de snelle stijging van deze uitgaven

spoedig een einde komt.
De vraag is of het voorstel van Douben ertoe kan bijdragen

aan deze ontwikkeling een eind te maken. Alvorens deze

vraag te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk wat nader
in te gaan op het karakter van sociale-verzekeringsuitkerin-

gen. Het is al dikwijls betoogd dat de oorspronkelijke

zuivere verzekeringsopzet van de werknemersverzekeringen

allengs is vervaagd en is vervangen door een stelsel van

sociale zekerheid dat is gebaseerd op onderlinge solidari-
teit. De band tussen premiebetaling en uitkering is in hoge

mate verbroken, het rijk is in toenemende mate gaan bij-
dragen in de sociale fondsen en het zal thans in de ogen van

de verzekerden weinig verschil uitmaken of een deel van het

bruto loon in de vorm van premies dan wel in de vorm van
belastingen wordt afgedragen. In feite heeft de sociale

zekerheid zich ontwikkeld tot een collectieve doelstelling die
in de prioriteitenafweging naast andere doelstellingen dient

te worden geplaatst.

Bij die afweging zal het garanderen van een maatschap-
pelijk aanvaard inkomens- en voorzieningenniveau voor

iedereen die er om een of andere reden niet toe in staat is
dit voor zich zelf te verwerven, in elke welvaartsstaat een

prioriteit van de hoogste orde zijn, waarvoor de nodige soli-

dariteit kan worden opgebracht. Het is evenwel in mijn ogen
niet waarschijnlijk dat ditzelfde ook geldt voor uitkeringen

boven de basisvoorziening die zijn gerelateerd aan het vroe-
ger verdiende inkomen. Het verlangen.z.ich van een derge-

lijke uitkering te verzekeren heeft daardoor meer het
karaktervaneen individueel dan van een collectief goed, het-

geen de mogelijkheid insluit dat langs een andere weg dan

via collectieve heffing in de financiering van de behoefte

wordt voorzien.

Vanuit bovenstaande gedachtengang is er alle reden om

de uitkeringsstructuur, die een voortvloeisel is van de vroe-
gere verzekeringsopzet, als een niet onaantastbaar gegeven

te beschouwen. In beginsel is het heel goed denkbaar dat ieder

persoonlijk zich hetzij in bedrijf of bedrijfstak, hetzij indivi-
dueel verzekert voor een voorziening met een individueel

karakter tot het niveau waarop de risico’s hem als onaan-

vaardbaar groot voorkomen. Tot zover zijn de plannen van
Prof. Douben niet van een zekere logica ontbloot.
Nu de vraag of het allemaal veel zalhelpen om de explo-

sieve stijging van de kosten van sociale zekerheid in te tornen.

Het lijdt immers geen twijfel dat de omvang van de sociale-

zekerheidssector negatieve implicaties heeft voor doelstellin-
gen op het gebied van inflatie, werkgelegenheid, groei en

collectieve en particulierebestedingsmogelijkheden. Dat zou
op twee manieren hetgeval kunnen zijn: 1. de band tussen be-
slissen, genieten en betalen wordt in het individuele deel van

de sociale verzekering strakker aangehaald, hetgeen tot een

betere afweging en een meer verantwoord gebruik van het

pakket verzekeringen zou kunnen leiden; 2. er komt een
betere integratie van het collectieve deel van de sociale zeker

heid in de publieke sector tot stand, waardoor de afweging

tegen andere doelstellingen meer verantwoord kan plaats-

vinden. De huidige zeer gedecentraliseerde opzet (in bedrijfs-

verenigingen) maakt deze afweging praktisch onmogelijk en

roept bovendien het gevaar van rechtsongelijkheid bij de

uitvoering van de sociale-verzekeringswetten op.
Aan de andere kant moet ook gewezen worden op enkele
beperkingen: 1. het probleem van de sociale verzekeringen

ligt voor een belangrijk deel in de stijging van het aantal

mensen dat er een beroep op doet. Deze volumecomponent

is voor een deel exogeen (b.v. een toenemend percentage
AOW-gerechtigden in de bevolking); 2. bestaande systemen

kunnen niet gemakkelijk worden verlaten. De weerstanden
zullen uitermate groot zijn. Men zal de veranderingen be-
schouwen als een aantasting van ,,verworven rechten”.
Daarnaast is een essentiele vraag of de kosten van een par

ticuliere verzekering vooral voor de meest kwetsbare groe-
pen die zich genoodzaakt achten een hoge individuele ver

zekering aan te gaan, niet te hoog worden. In dat geval
zou een nieuwe rechtsongelijkheid kunnen ontstaan.

Douben heeft een gedurfd p!an.gelanceerd, waaraan nogal

wat haken en ogen zitten, maar dat zeker overweging ver-
dient. Het legt de fundamenten van heilige huisjes bloot.
Daarover filosoferen is een eerste voorwaarde om te be-
reiken dat het stelsel van sociale zekerheid in de richting
van een optimale werking evolueert.

L. van der Geest

1) De drie artikelen waarin Prof. Douben zijn ideeen uiteenzet zijn
samen met de reacties van enkele olg van aanhoudend grote
aankopen van onroerend goed in het bui-
tenland”, aldus De Nederlandsche Bank.

789

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

ES

Weekblad van de Stichting Het Nederlands Economisch Instituut

Inhoud

Drs. L. van der Geest:

Zekerheden ondergraven …………………………………789

Column

LNG + LPG,
door Drs. P. A. de Ruiter …………………….
791

W. J. Anema en Mr. Drs. C. J. Jépma:

De effectieve wisselkoers als maatstaf voor de opwaardering van de

gulden……………………………………………….792

H. Gremmen en Dr. J. L. M. Peikmans.’

Naar een beter begrip van protectie ………………………..797

Dr. C. P. A. Bartels en J. Ier We/je:

Een analyse van de migratie van beroepsbeoefenaren uit en naar het

Noorden per opleidingsniveau …………………………….804

Toets op taak

Stadsvernieuwingbeleid aan vernieuwing toe,
door Drs. A. G. M. van der

Meijs
………………………………………………..
809

Vacatures

………………………………………………812

Mededeling

…………………………………………….812

ESB:
opklaringen bij een economische depressie.
Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten

NAAM
.
……………………………………………………

STRAAT
.

……………………. ………………………….
..

PLAATS’

…………………………………………………..

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum’

……………………………………………….

Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB,
Antwoordnummer 2524

3000 VB ROTTERDAM

Handtekening:

*Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie San redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck, A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. van der Geest.
Redactie-medewerker.’ T de Brûin.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam: kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006 A E Rotterdam.
Tel. (010)1455 11, administratie: toestel3701,

redactie: toestel 3791.
Bij adreswijziging
S.V.p.
steeds adresbandje

meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
137.28 per kalenderjaar
(mcl: 4% BTW): studenten j 96.72
(mcl. 4% BTW), franco per post voor
Nederland, ijelgië, Luxemburg, overzeese
rjksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93, 3012 AE Rotterdam, t.n.v. Economisch
Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.30
(mci.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers uitsluitend door o vermaking van de hierboven
vermelde prijs op girbrekening no. 122945
t.n. v. Economisch Statistische Berichten
ie Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het getvenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden
ajkesloten
en uitgevoerd overeenkomstig. de
Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (010) 14 55 11.

Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrijfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
‘Regionaal Onderzoek
Statistisch- Mathematisch Onderzoek Transport- Economisch Ondèrzoek

790

P. A. de Ruiler

LNG + LPG
De regering doet er onverstandig aan

de omstreden keuze van de plaats van

aanlanding van vloeibaar aardgas

(LNG) geheel onafhankelijk te doen

plaatsvinden van het zoeken naar een

oplossing voor het zeker niet geringere

probleem van de lokatiekeuze van een

terminal voor vloeibaar petroleumgas

(LPG).

Eerst enkele feiten over LPG, waarbij

ik ervan uitga dat de LNG-problematïek
aan de lezer voldoende bekend zal zijn,

al was het maar omdat zo vele over

heden zo weinig gemeenschappelij ks
hebben in hun visie op dit probleem.

Vermoedelijk zal de komende jaren

steeds meer LPG in ons land worden
aan- en doorgevoerd. Niet alleen wordt

in een aantal Arabische landen aange-

stuurd op een koppelverkoop van olie en

LPG, dit gas zal ook steeds meer bij de

winning van olie op de Noordzee worden

geproduceerd en bij de raffinage van

lichte Noordzee-,,crude” vrijkomen.

Uiteraard is de omvang van de LPG-
invoer sterk afhankelijk van markt-

prijzen en marktverhoudingen. Betrouw-
bare bronnen houden niettemin reke-

ning met een sterke stijging ten be-

hoeve’van de transportsector (autogas),

als vervanger voor aardgas bij de onder-

vuring in de industrie en als grondstof

in de petrochemische industrie, geheel
of gedeeltelijk in de plaats van nafta.

In 1985 wordt één miljoen ton LPG-

invoer verwacht, in 1995 ruim vijf
miljoen ton.

Deze plaats is niet de meest geschikte

om uitvoerig op de risico’s bij aanvoer
van LPG in te gaan. Volstaan moge

worden met de mededeling dat deze

niet onaanzienlijk groter zijn dan die

van LNG. Dat laatste heeft nog het

voordeel dat het op één plaats gecon-
centreerd zal worden aangevoerd (Eems-haven of de zogenaamde B-lokatïe op de

Maasviakte). Voor de LPG-aanvoer

bestaan echter verschillende plannen.

Zo ligt er op dit moment al een hinder-
wetvergunning van Paktank ter open-

bare inzage, waarin toestemming wordt

gevraagd voor het overslaan van LPG
uit zeeschepen naar binnenschepen in

de Tweede Petroleumhaven (Pernis,
tegenover Vlaardingen); bij een aantal

raffinaderijen in het Rijnmondgebied
bestaan vergevorderde plannen voor de
LPG-invoer en -opslag op een termijn

korter dan die van de plannen voor
LNG-invoer!

Eén miljoen ton LPG betekent onge-

veer 20 binnenkomsten van tankers van
100.000 m
3
. Geschiedt de aanlanding
niet op één centraal punt, dan mag

worden verondersteld dat het transport
voor een belangrijk deel met kleinere

schepen plaatsvindt. Dientengevolge

meer scheepsbewegingen met een uiterst

gevaarlijk gas op ‘s werelds meest druk-

bevaren rivier. Hoe gevaarlijk dit gas is, bleek onlangs op een camping in Spanje
bij het tot explosie komen van een hoe-

veelheid LPG, die slechts een fractie
was van de hoeveelheid die zelfs in het

kleinste tankschip kan worden vervoerd.
De conclusie zou een eenvoudige kun-

nen zijn: dan maar geen LPG naar het
Rijnmondgebied, doch bijvoorbeeld,
eventueel te zamen met LNG, via de
Eemshaven invoeren. LPG is echter

als grondstof van levensbelang voor de

petrochemische industrie in het Rijn-

mondgebied. Valt deze weg dan zal die

industrie het in de toch al moeilijke
internationale concurrentieslag niet
kunnen bolwerken. Dat zou een aantas-
ting van de tweede van de drie pijlers
van de Rijnmond-economie betekenen
(de eerste is de scheepsbouw, de derde

het vervoer), met ernstige gevolgen voo(
de gehele nationale economie.

Het dilemma voor het Rijnmond
gebied is levensgroot: LPG-invoer is

broodnodig om economische redenen,

maar zeer gevaarlijk om veiligheids-

redenen. Er is niettemin een visie denk-

baar waarin economische politiek en
veiligheidsbeleid hand in hand gaan. De

invoer van LNG en die van f.PG moe-

ten dan in hun samenhang worden be-
zien. Indien de dure infrastructuur van

een LNG-terminal ook voor LPG wordt

gebruikt, ontstaat een kostendrukkend
effect per m
3
gas. Daarbij zou dat laatste
gas op één punt geconcentreerd kunnen
worden aangevoerd en daarvandaan per

pijpleiding kunnen worden doorgezon-

den naar de respectieve raffinaderijen.

Dat laatste betekent een veiligheids-
winst, die des te groter is naarmate het

punt van aanlanding van LPG verder

verwijderd is van de bewoonde wereld.

Duurdere oplossingen dan nu door de

regering financieel haalbaar worden

geacht, kunnen serieus aan de orde

komen, indien een terminal voor beide

soorten vloeibaar gas kan worden ge-
bruikt. Dat laatste is afhankelijk van de

bereidheid van de regering in de finan-

ciele afweging ook de kosten te betrek-

ken die in ieder geval toch later aan

de orde komen in verband met het
komende veiligheidsregime met betrek-

king tot LPG. Men kan immers niet

nû hoog opgeven van de noodzaak van

een stringent veiligheids- en scheep-vaartbegeleidingssysteem van LNG-

schepen en strâks de invoer van het

gevaarlijker LPG gespreid over ver-

schillende aanlandingspunten laten
plaatsvinden.

Hoe begrijpelijk het ook uit een oog-

punt van korte-termijnpolitiek moge

zijn om eerst het netelige vraagstuk

van de LNG-invoer te regelen, het daar-
na afzonderlijk afhandelen van het snel
naderende LPG-vraagstuk wordt alleen maar des te lastiger.
lmmers,financieel
lijkt een op veilige afstand gelegen,

uitsluitend voor LPG te gebruiken,

terminal voor gemeenschappelijke reke-

ning van alle gebruikers een te kost-

bare opgave; gespreide LPG-aanlanding
bij de afzonderlijke gebruikers echter
trekt uit
veiligheidsoogpuni
een te
ruime wissel op het verantwoordelijk-

heidsgevoel van de lagere overheid.
– Ten slotte lijkt het ook uit een oog-

punt van een speerpuntenbeleid, dat
meer is dan alleen een begrotings-
artikel ter passieve honorering van vele

kleine uit het bedrijfsleven zelf opgeko-

men initiatieven, zinvol om serieuzer

dan tot dusverre is gebeurd, aandacht te
schenken aan pleidooien voor een onge-
twijfeld dure, maar geïntegreerde oplos-
sing voor de aanlanding van beide
categorieen vloeibaar gas.

ESB 9-8-1978

791

De effectieve wisselkoers als maatstaf

voor de opwaardering van de gulden

W. J. ANEMA*

MR. DRS. C. J. JEPMA*

Om te weten hoe de koers van de eigen

valuta zich ontwikkelt ten opzichte van die van

de handelspartners, gebruikt men de maatstaf

effectieve wisselkoers van de gulden. In deprak

tijk wordt de effectieve koers echter door ver-

schillende instanties op verschillende wijzen
berekend, afhankelijk van het doel waarvoor

de berekening is uitgevoerd. Door de aanzien-

lijke verschillen die daarbij kunnen optreden,

wordt de effectieve koers een onzekere maatstaf.

Bovendien kan men op het niveau van de be-

drijfstak aan het geaggregeerde cijfer nauwelijks

enige conclusie verbinden.

Problemen

De laatste jaren is het begrip effectieve wisselkoers van

de gulden voortdurend in het nieuws. Dit begrip wordt

veelal in verband gebracht met de verslechtering van de

concurrentiepositie van het bedrijfsleven en de daling van

het invoerprijspeil. Dat men de laatste jaren zoveel aan-

dacht besteedt aan de effectieve wisselkoers van de gulden

is logisch, omdat sinds het zweven van de gulden t.o.v. de
Amerikaanse dollar, (mei 1971) onze valuta niet alleen

t.o.v. de dollar, maar ook t.o.v. een groot aantal valuta’s

van onze andere handelspartners, voortdurend in waarde

is gestegen; slechts t.o.v. de valuta’s van enkele landen is de

gulden de afgelopen jaren in waarde gedaald. Om die reden

ontstond er behoefte aan een maatstaf waarmee men zou
kunnen aangeven, hoe de waarde van onze munt zich ont-
wikkelt t.o.v. die van de gezamenlijke handelspartners.

Deze maatstaf noemt men de effectieve wisselkoers.
De effectieve wisselkoers wordt in beginsel berekend als

het gewogen gemiddelde van de koersfluctuaties van de

gulden t.o.v. de valuta’s van de handelspartners uitgedrukt

in indexvorm of procentuele mutaties. Als gewichten ge-
bruikt men meestal de handelsaandelen van de verschillende

hanJelspartners in onze in- en/of uitvoer.

Een voorbeeld moge een en ander verduidelijken: stel het

theoretische geval dat 50% van de Nederlandse export gaat

naar Duitsland, 30% naar België en 20% naar de VS, en stel

vervolgens dat vanaf de basisperiode (t = 0, index is lOO)

de waardestijging van de gulden t.o.v. de Duitse Mark,

Belgische franc en VS-dollar resp. 0,4%, 6% en 20% be-

draagt, dan is de (met behulp van het exportaandeel ge-

wogen gemiddelde) effectieve wisselkoers van de gulden

op tijdstip t:
lOO + (0,5 X 0,4 + 0,3 X 6 + 0,2 X 20) = 106 1).

Anders gezegd de effectieve appreciatie van de gulden be-
draagt 6% t.o.v. de basisperiode. Deze berekening kan men

voor andere jaren herhalen.
1-let moge duidelijk zijn, dat deze maatstaf een andere

waarde aanneemt, indien men bij de vaststelling van de

gewichten geen gebruik maakt van de aandelen van de ver

schillende handelspartners in de Nederlandse
uitvoer,

maar in de
invoer
of als men als gewichten het
gemiddelde

van in- en uit voeraandelen
hanteert of uitgaat van op

andere wijze afgeleide gewichten. Ook ligt het voor de hand

dat de waarde van de index anders uitvalt indien men een

andere basisperiode kiest, meer landen in de berekening be-

trekt, uitgaat van het meetkundige gemiddelde i.p.v. het

rekenkundige gemiddelde, schuivende dan wel, vaste gewich-

ten hanteert of andere bronnen gebruikt enz. Kortom,

weliswaar is de berekeningsmethode van de effectieve
wisselkoers in alle gevallen dezelfde (men maakt nI. een

index van een gewogen gemiddelde), daar staat tegen-

over dat men de eigenschappen van de index (de bereke-

ningsmethode van de gewichten, basisperiode, aantal landen,

soort gemiddelde, het al dan niet schuiven van de gewichten,

bronnen van cijfermateriaal) op allerlei manieren kan in-

vullen. Dit leidt ertoe, dat de resulterende effectieve

appreciatie van de gulden varieert afhankelijk van de invul-
ling van de eigenschappen van de index.

1-let eerste probleem, dat we hier aan de orde willen stellen

is van feitelijke aard: hoe worden door een aantal instanties

de effectieve koersontwikkelingen van de gulden berekend

en lopen deze berekeningen ook uiteen? Hierbij zullen we
aandacht besteden aan de berekening van de effectieve
appreciatie door het CPB, DNB en het IMF. Vooruitlopend

op de conclusie kan alvast worden gezegd, dat de berekende
effectieve wisselkoersen weliswaar nogal wat uit elkaar

kunnen lopen, maar dat dit resultaat mede bepaald wordt

door het doel waarvoor de index is berekend. Het maakt
immers voor de berekening nogal verschil of men de effec-

tieve wisselkoers berekent met het oog op de betalings-

balanssituatie, de concurrentiepositie op buitenlandse mark-

ten of de prijsontwikkeling voor afnemers dan wel

leveranciers. Het lijkt er dan ook op, dat het begrip effec-

tieve wisselkoers niet eenduidig is en derhalve ook niet als

eenduidig mag worden geïnterpreteerd.
Het tweede probleem dat we aan de orde willen stellen
heeft betrekking op de interpretatie van het begrip effec-

tieve wisselkoers voor de praktijk: wat zegt het begrip

effectieve appreciatie over de concurrentiepositie van het

bedrijfsleven in het buitenland? Vooruitlopend op de con-

clusie kan nu al worden gezegd, dat voor de doorsnee

Nederlandse exporteur of importeur de door de verschil-

lende instanties berekende effectieve appreciaties slechts
een zeer ruwe indicatie geven voor de verslechtering van

* De auteurs zijn resp. als doctoraal-student en als wetenschappe-lijk medewerker verbonden aan de vakgroep Algemene economie
van de Rijksuniversiteit te Groningen. Zij ontvingen waardevolle
inlichtingen en suggesties van de Afdeling Internationale Zaken
van De Nederlandsche Bank.
1) Koersmutaties worden in de praktijk meestal gerelateerd aan
de dollar, waardoor de berekeningswijze enigszins afwijkt van
die in het gegeven voorbeeld.
792

de concurrentiepositie. Dit komt in de eerste plaats, omdat

voor de concurrentiepositie van de verschillende bedrijfs-

takken naast de opwaardering van de gulden allerlei

andere factoren een rol spelen, zoals afwentelingsmogelijk-

heden, vraag- en aanbodelasticiteiten enz. In de tweede

plaats wordt de effectieve appreciatie van de gulden nor-

maliter berekend voor de totale Nederlandse handel.

Indien men zich echter concentreert op het niveau van een

bedrijfstak kan het heel goed zijn dat een bepaalde bedrijfs-

tak met handelspartners uit een geheel andere landen-

combinatie ..handelt dan het totaal van de Nederlandse

handelaren. Voor de berekening van de effectieve wissel-

koers betekent dit dat de handelsgewichten per bedrijfstak

kunnen afwijken van de handeisgewichten voor de totale

handel. Dit leidt ertoe dat de resulterende effectieve appre-

ciatie van de gulden verschilt van bedrijfstak tot bedrijfs-

tak. De bedrijfstak die b.v. voornamelijk exporteert naar

Duitsland zal geconfronteerd worden met een veel ge-

ringere appreciatie van de gulden, of zelfs een depreciatie,

dan een bedrijfstak, die zich b.v. vooral richt op de VS of

Italië. Wil men dus een ruwe maatstaf ontwikkelen waar-

aan men in de praktijk enig nut kan ontlenen, dan moet

men gaan desagregeren bij de berekening van de effectieve

wisselkoers op het niveau van een bedrijfstak, groep van

bedrijven of zelfs van een afzonderlijk
bedrijf.
Het is
immers aannemelijk dat de gedesagregeerde effectieve
wisselkoers afwijkt van de geaggregeerde effectieve wissel-

koers. In het onderstaaande zal worden aangegeven dat er

inderdaad aanwijzingen zijn dat de per bedrijfstak be-

rekende effectieve appreciatie sterk kan verschillen van het

normaliter berekende aggregaat.

Ten slotte dient opgemerkt, dat het onderstaande een

tentatief karakter draagt, omdat slechts wordt beoogd

voorbeelden
te geven van hoe in de praktijk de effectieve

koersontwikkeling van de gulden wordt berekend en omdat

slechts
aanwijzingen
worden gegeven over de mate waarin

het resultaat van de berekeningen kan variëren, indien men
gaat desagregeren. Het is dus niet de bedoeling hier een

definitief oordeel te vellen over de effectieve koers als

maatstaf voor de opwaardering van de gulden, wel wordt

beoogd aan te geven dat de effectieve wisselkoers geen een-

duidig begrip is en slechts een zeer ruwe maatstaf. Men

dient daarom het begrip effectieve wisselkoers, indien het

wordt verwerkt in beleidsbeslissingen, met enige behoed-

zaamheid te benaderen.

De berekening van de effectieve wisselkoers

De effectieve koers is een index, die aangeeft hoe de

waarde van de eigen valuta zich ontwikkelt t.o.v. die van de

handelspartners. Zoals bij de berekening van elke index
kunnen de resultaten van de berekening verschillen, afhan-

kelijk van de invulling van de eigenschappen van de index.
Zo kan men van de index, die de effectieve koers aangeeft,
de volgende eigenschappen aangeven: de eigenschappen

van de gewichten, bronnen van cijfermateriaal, het basis-jaar, het aantal landen en het soort gemiddelde. Het moge

duidelijk zijn, dat indien de verschillende instanties die de

effectieve koers berekenen, een verschillende inhoud geven
aan bovengenoemde eigenschappen, de resulterende hoog-

ten van de effectieve koers onderling nogal kunnen verschil-

len. Voordat deze verschillen in uitkomsten in een figuur

worden weergegeven, zal eerst worden aangegeven in hoe-
verre de berekening van de effectieve koers verschilt tussen
een aantal instanties, te weten het CPB, De Nederlandsche

Bank en het IMF (de MERM-index).
• Het
CPB
maakt bij de berekening van de effectieve

koers onderscheid tussen de effectieve koers t.o.v. leveran-

ciers, afnemers en concurrenten.

De
effectieve koers to. v. leveranciers
is een index, waarbij
de gewichten bestaan uit de aandelen van de verschillende

handelspartners in onze invoer. Dit is logisch omdat het bij
de berekening van deze effectieve koersontwikkeling erom

gaat na te gaan in hoeverre de buitenlandse leveranciers

de gevolgen ondervinden van de bewegingen in de wissel-

koersen. Verder heeft de leveranciersindex van het CPB de

volgende eigenschappen: de handelsgewichten worden

ontleend aan OESO-statistieken en worden jaarlijks ge-
wijzigd, zodat ze een grote mate van actualiteit hebben;

als basisperiode geldt 18 december 1971 (Smithonian

Agreement); tegenwoordig werkt het CPB alleen nog met

de gegevens van 14 landen, nI. de Groep van Tien; aange-

vuld met Oostenrijk, Zwitserland, Denemarken en Noor-

wegen; ten slotte hanteert men het gewogen reken-

kundig gemiddelde.

De berekening van de
effectieve koers
1.0v.
afnemers

geschiedt in beginsel op dezelfde wijze, met dien verstande,

dat hier de aandelen van de verschillende landen in de totale

export naar die landen als wegingscoëfficiënt dienen. Ook

dit is logisch, omdat het er nu om gaat een indek te ontwik-

kelen, die aangeeft in hoeverre de gezamenlijke afnemers

van onze produkten iets merken van de koersontwikkeling

van de gulden. Deze effectieve wisselkoers wordt overi-

gens de laatste jaren door het CPB niet meer gepubliceerd.

De berekening van de
effectieve koers van de gulden t.o.v.
concurrenten
is iets ingewikkelder, in die zin, dat de be-

rekening niet meer zuiver volgens de bilaterale methode

geschiedt. Deze bilaterale methode houdt in, dat bij de

afleiding van de gewichten alleen wordt gekeken naar de

handelsstromen van en/of naar het land waarvan de effec-

tieve koers van de valuta wordt bepaald. De bilaterale

methode is dus de normaliter toegepaste methode bij de
bepaling van de gewichten, zoals dat b.v. gebeurt bij de
index t.o.v. leveranciers en t.o.v. afnemers. Maar het kan

ook anders. Denkbaar is nI. dat bij de bepaling van de

effectieve wisselkoers op de een of andere manier rekening
wordt gehouden met de invloed van handelsstromen tussen
derde landen onderling. Dit is wat gebeurt in de door het

CPB berekende index van de effectieve koers t.o.v. concur-
renten. Hierbij worden de ,,concurrentengewichten” ge-
definieerd als het produkt van het aandeel dat een con-

current heeft op een bepaalde afzetmarkt en het aandeel van

die afzetmarkt in de export van het land waarvoor de be-

rekening plaatsvindt.

De filosofie van deze berekeningen moge met het volgende

voorbeeld worden verduidelijkt: De Nederlandse exporteurs
zitten op verschillende markten. Op elke markt is sprake

van een zekere koersontwikkeling van de gulden t.o.v. de

valuta van die markt. Stel dat men zich concentreert

op de Amerikaanse exportmarkt en stel dat over een bepaald
jaar de appreciatie van de gulden t.o.v. de dollar 12% be-

draagt. Geeft dit percentage nu een indicatie over de koers

van de gulden t.o.v. de concurrenten op die markt? Neen,

daarvoor moeten we weten hoe de koersontwikkeling van
de concurrentie op de Amerikaanse markt is t.o.v. de dollar.

Stel dat het (met import op die markt) gewogen gemid-

delde van de koersfluctuaties van de valuta’s van de con-

currenten op die markt t.o.v. de dollar uitkomt op een

appreciatie van deze valuta’s van
9%,
dan zijn dus de
valuta’s van de concurrenten op de Amerikaanse markt 9%

gestegen t.o.v. de dollar en is dus de gulden t.o.v. de valuta’s
van de concurrenten op de Amerikaanse markt met

12% – 9% = 3% geapprecieerd. Een dergelijk percen-
tage kan men voor alle afnemerslanden berekenen. Weegt

men deze percentages vervolgens met het aandeel van de

afnemerslanden in onze uitvoer, dan verkrijgt men de
effectieve koers t.o.v. concurrenten.

Men kan deze berekeningsmethode beschouwen als een

tussenvorm tussen de bilaterale methode en de nog te
noemen multilaterale methode, omdat de concurrentie op

de afzetmarkt met de producenten van dat land zelf en de
concurrentie op de eigen binnenlandse markt hier nog
buiten beschouwing blijven. Voor het overige komen de

ESB 9-8-1978

793

keuze van het basisjaar, het aantal landen en de gekozen

gemiddelden, die bij de berekening gehanteerd worden over

een met die als is aangegeven bij de effectieve koers t.o.v.

leveranciers.
S
De Nederlandsche Bank
berekent op verschillendë wij-

zen de effectieve appreciatie van de gulden. Afhankelijk van

het voorwerp van onderzoek worden uiteenlopende combi-
naties van uitgangspunten gehanteerd. Tot voor kort publi-

ceerde DNB voor de effectieve appreciatie van de gulden een

berekening op grond van een rekenkundig gewogen gemid-

delde koersverhouding t.o.v. diverse valutagroepen (i.c.

wereld, OESO en EG), waarbij de aandelen van de ver

schillende landen in de Nederlandse in- en uitvoer als

wegingsfactoren worden gebruikt. Hierdoor geldt deze
effectieve guldenkoers niet specifiek t.o.v. afnemers of

leveranciers, maar is meer algemeen sprake van
een.bilate-

rale
versie (
combinatie afnemers- en leveranciersgewichten).

Als basisperiode dienen de officiele wisselkoerspariteiten

van mei 1971 (voor Canada i.v.m. het vroegtijdiger zweven

die van mei 1970), terwijl voor de weging jaarlijks opschui-

vende gewichten worden gehanteerd.

In haar recente jaarverslag komt DNB met een drietal

uiteenlopende berekeningsmethoden naar buiten. Voor de

vergelijking van de concurrentiepositie van een aantal

landen wordt een aangepaste versie toegepast van de be-

rekening volgens het bilaterale gewichtenpatroon, waarbij

het aantal landen op 20 (OESO exclusief Nieuw-Zeeland,

IJsland, Turkije en Joegoslavie) en de basisperiode op

mei 1970 is gesteld, het (schuivende) wegingspatroon

een d riejaars gemiddelde omvat (OESO-handelspatroon

industriele produkten 1973-75), en gebruik wordt gemaakt

van het meetkundig gemiddelde. Daarnaast wordt, ge-

relateerd aan II landen, op basis van dezelfde uitgangs-

punten de gewogen appreciatie van de gulden berekend

t.o.v.
‘leveranciers
en concurrenten,
waarbij de weging

plaatsvindt met het aandeel van deze landen in de Neder-

landse invoer, c.q. met het relatieve belang van elk dezer

landen als concurrent bij de afzet van industriële produkten

op de markten van de elf andere landen.

Als voordeel van het meetkundig gemiddelde kan worden

genoemd dat het niet op overdreven wijze wordt be-
invloed door grote op- of neerwaartse schommelingen vn

de elementen (bij geringere koersmutaties is de keuze van het
soort gemiddelde voor de uitkomst nauwelijks relevant) en
dat een met een constant percentage muterend element

een procentueel constante invloed op de uitkomst heeft.

Bovendien is het meetkundig gemiddelde omkeerbaar en

transitief 2), hetgeen inhoudt, dat het voor de berekening
niet van belang is of de gehanteerde noteringen in de

binnenlandse dan wel de buitenlandse munteenheid zijn

uitgedrukt.
Wat betreft het aantal meewegende landen kan nog

worden verwezen naar een recente publikatie van de

Deutsche Bundesbank 3), waaruit blijkt dat indiende belang-
rijkste handelspartners in de beschouwing zijn betrokken
een kleine variatie van het landental niet wezenlijk van

invloed is. In de Bundesbankberekening werd nI. het aantal
meewegende landen van 16 (waarbij de resterende handel

over een VS-dollar-, Franse-franc- en pond-sterlingbiok

werd opgedeeld) tot 22 uitgebreid, waardoor voor de Duitse
mark een verschil van maximaal 2 procentpunten optrad

en de effectieve appreciatie van de gulden zelfs geen enkele

wijziging onderging.

S
Als laatste berekende index willen we hier noemen

deindex waarbij de gewichten worden afgeleid uit het

Multirateral Exchange Rate Model (MERM)
van het
IMF.

Voor het weergeven van deze index bestaat een aantal

redenen. In de eerste plaats worden de gewichten van
deze index niet afgeleid uit handelscijfers maar rn.b.v. een

wereldhandelsmodel. In dit wereldhandelsmodel wordt ook

rekening gehouden met handelsstromen tussen derde landen

onderling, zodat men spreekt van de multilaterale methode

ter bepaling van de gewichten. Derhalve verschilt de be-

rekeningsmethode principieel van de voorgaande methodes.

In de tweede plaats is deze index voor een ander doel ge-

schikt dan de vorige indices, nl. om na te gaan welke de

invloed van de koersfluctuaties van de verschillende valu-
ta’s is op de betalingsbalans van het betrokken land.

In de derde plaats wordt deze methode al hier en daar

toegepast om de effectieve koersontwikkeling te bepalen.

Naast het IMF, dat met behulp van de MERM-index o.a.

de effectieve appreciatie van de gulden berekende, ge-

bruiken ook de Centrale Bank van het Verenigd Koninkrijk

(UK Treasury index) en de Bank voor Internationale Beta-

lingen (BIB) dit model ter berekening van de gewichten

voor hun index.

De MERM-index gaat, zoals gezegd, uit van de multi-

laterale methode. Deze methode houdt in zijn algemeenheid

in dat de berekening van de gewichten gebaseerd is op han-

delsmodellen waarin niet alleen bilaterale handelsstromen,

maar ook handelsstromen tussen derde landen worden be-

schreven en waarin b.v. de mate van doorwerking van wis-

selkoersfluctuaties in het binnenlandse prijspeil en de hoe-

veelheidsreacties op de prjsveranderingen worden beschre-

ven enz. Dit is ook het geval bij het MERM van het IMF.

Men onderscheidt hierin
5
goederengroepen per land en 23

landen (groepen). Hierdoor ontstaan 115 vraag- en even zo-
vele aanbodvergelij kingen. Gecombineerd met evenwichts-

voorwaarden en randvoorwaarden resulteert een model van
ongeveer 600 vergelijkingen, zodat hier op de beschrijving
van het model niet verder zal worden ingegaan.

Met behulp van dit model kan voor enig land worden
afgeleid wat het effect op de handelsbalansen van al de

afzonderlijke andere landen is, indien dat land met b.v.

1% devalueert en andersom. Zo kan men dus ook berekenen

in welke mate de fluctuaties in de verschillende valuta’s

doorwerken in de Nederlandse handelsbalans. Normaliseert

men vervolgens deze gegevens zodanig, dat ze optellen tot

één, dan kan men deze gegevens gebruiken als gewichten

ter berekening van de effectieve koers van een land. Een en

ander is dus slechts zinvol, indien men in de gewichten

niet tot uiting wil laten komen welk belang de verschillende

handelspartners hebben in de in- en/of uitvoer van het land,

maar de mate waarin de handelsbalans van het land gevoelig

is voor wisselkoersfluctuaties van de verschillende valuta’s.

Het voordeel van deze aanpak is, dat rekening wordt ge-

houden met concurrentie op derde markten en prijsver-

anderingen t.g.v. wisselkoersveranderingen. Ter illustratie
volgen in tabel 1 de volgens MERM bepaalde gewichten

(kolom 1). Ter vergelijking is in kolom 2, 3 en 4 aangegeven

hoe de gewichten eruit zouden zien als over datzelfde jaar
was uitgegaan van achtereenvolgens: de aandelen van de

resp. landen in onze uitvoer, in onze invoer, en in de uit- en

invoer gezamenlijk.

Ten einde na te gaan of de op verschillende manieren

berekende gewichten significant van elkaar verschillen is
lineaire regressie-analyse volgens de methode van de klein-

ste kwadraten uitgevoerd op de gegevens van kolom 1 en
die van resp. kolom 2, 3 en 4. Uit het resultaat kan worden

afgeleid, dat geen sprake is van significante verschillen

tussen MERM-gewichten en de overige gewichten 4).

Zie
Tijdschrift van de Nationale Bank van België.
mei
1977,
blz.
7
en
8.
Monatsberichie der Deutschen Bundesbank.
oktober

1977,
blz.
23
tjm
25.
4)G.
MERM
=

0,86

G.
Uitvoer
+
0,67
R
2
=
0,86
(t-waarde)

(10,54)
(0,85)
G.
MERM
=

0,84

G.
Invoer

+
0,81
R2
=
0,81 (t-waarde)

(9,90)
(0,89)
G.
MERM
=

(8,90) G. Totaal .+
0,66
R
2
=
0,85
(t-waarde)

.

(10,2)
(0,82)

G.
MERM:zie tabel 1, kolom 1;
G. Uitvoer: zie tabel 1, kolom
2;
G. Invoer:

zie tabel
1,
kolom 3;
G. Totaal:

zie tabel 1, kolom
4.

794

Tabel 1. Een vergelijking van de op verschillende wijze

berekende gewichien die gebruikt worden Ier bepaling

van de effectieve apprecïatie van de gulden

Gewichten:
afgeleid
uit het
MERM

(1)

Gewichten:
hei uit-
voeraandeel
van de ver-
schillende
landen

(2)

Gewichten:
het invoer-
aandeel van
de verschil-
lende landen

(3)

Gewichten:
het aandeel
van de
ver-
schillende
landen in de
som van in-
en uitvoer
(4)

0,95
1.10 0.91 1,00
10,31
16,54
21,86
19,11.
Oostenrijk

…………….

0.20 0.83
1,04
0.93
BLEU

………………..
Canada

……………….
1,65
1.84
0.80
1,29
Frankrijk

……………..
18.30
13.70
9.58
11.48
30.59
35.21
32,95
33,75
8,70 5.86
5,59 5.67

Denemarken

…………..

4,90 0,78
1,13
0.96
.44
1,29
0.82
1.04
Noorwegen
…………….
0.52
3.00
2.88
2,91
2,47
2.39
1.56
1.95
4,13
9.04
7.02
7.93

Zweden

……………….

12,48
5,34
11.98
8.68

West-Duitsland

…………
Italië

…………………

Zwitserland

……………
Ver. Koninkrijk

…………


0.53 a)
0.68 0,42 0.55

Japan

………………..

Ver. Staten

…………….

0,15
0.08
0.11
0.09 0.56 0.28 0.32 0.30

0,04a)
0,36
0,14 0.24

Ausiralië

………………
Taiwan

……………….

1,40 1,25
0,64
0,93
0.46 0,43
0,23
0.32

Hong Kong

……………
Ierland

……………….
Spanje

………………..
Joegoslavië
…………….
1.36
0.69
.04
0.87
Finland

……………….

00,00
100,00
100,00
100.00

a) Een negatief teken betekent, dat een appreciatie van de betreffende valuta onze handels-
balans verslechtert i.p.v. verbetert.
Bronnen: 1 M F.
Su,ff
Papers.
Indices of effective exchange rates. maart 1976: CBS.
Maand-statistiek van de buitenlandse handel per land,
1969.

Naast de hierboven beschreven methode ter bepaling

van de gewichten heeft de MERMindex de volgende

eigenschappen: de wegingscoëfficiënten zijn constant en

gebaseerd op een elasticiteitenmatrix en op OESO-statistie-

ken van 1969, de wisselkoersen worden maandelijks vast-

gesteld, de basisperiode is mei 1970 en er wordt gewerkt met het meetkundige gemiddelde. Dat de wegingscoëffi-

ciënten constant zijn en liggen op het niveau van 1969 kan

men als een nadeel beschouwen. Sindsdien hebben zich

immers nogal wat structurele monetaire veranderingen

voorgedaan. Onderzoek van M. Bance voor de U.K.

Treasury index, die qua methode vrijwel overeenkomt
met de MERM-index, toont echter aan, dat onder meer

het effect van de opgetreden veranderingen in het handels-

patroon op de effectieve wisselkoers nogal meevalt
5).

Verschillen tussen indices

De verschillen in aanpak bij de berekening van de effec-
tieve koers overziende, levert het geheel een nogal rom-

melige aanblik. Daarmee komen we toe aan het eerste

in de aanhef gestelde probleem, nI. is het nu zo dat het

verschil in berekeningswijze een sterke invloed heeft op het

eindresultaat of valt dat wel mee? Figuur 1 geeft hiervan
een indruk. Hier staan de beschreven indices afgebeeld.
Af te lezen valt, dat inderdaad de omvang van de effec-
tieve appreciatie van de gulden in belangrijke mate afhangt

van de berekeningsmethode.

Zo loopt de index voor het jaar 1977(1970= 100) uiteen

van 113,5 (DNB t.o.v. EG) tot 128,5 (CPB t.o.v. concur-
renten). Dit betekent, dat volgens berekening m.b.v. de ver

schillende methodes, de opwaardering van de gulden over
de betrokken zeven jaren varieert van
13,5%
tot 28,5%.
Dit
verschil
tussen beide uitersten in de figuur is
zeer aan-
zienlijk
te noemen. Toegegeven dient te worden dat de ene

index voor een ander doel is ontwikkeld dan de andere,
maar daar staat tegenover, dat het doel waarvoor de index
berekend wordt- in de praktijk niet altijd bij de presentatie

van de index wordt vermeld.

Figuur 1. Effectieve wisselkoersen van de gulden (1970 =

100)

130
CPB-concurrenten
DNB-concurrenten

125

Ii

IMF-MERM

120

110

1971

1972

1973

1974

1976

1977

Enkele andere opvallende aspecten uit de figuur zijn:

• dat de door het CPB en door DNB berekende indices

t.o.v. leveranciers en concurrenten vrijwel, zij het niet
geheel, overeenkomen;

• dat de IMF-MERM-index, die op een fundamenteel

andere wijze wordt berekend, globaal tussen de index

t.o.v. leveranciers en die t.o.v. concurrenten ïnligt;

• dat de index t.o.v. concurrenten voortdurend hoger uit-

komt dan de overige indices. Dit zou kunnen betekenen
dat het nadeel dat de exporteurs ondervinden van de

appreciatie van de gulden, groter is dan het voordeel dat de

importeurs aan deze koersbewegingen ontlenen;

• dat de index van DNB t.o.v. de EG lager ligt, dan de

andere indices. Een mogelijke verklaring hiervoor kan
worden gezocht in het grotere aandeel van de Duitse
mark en de Belgische franc in de weging.

Ten slotte kan men concluderen, dat weliswaar de
rich-
ting
waarin de verschillende indices zich ontwikkelen over

het algemeen aardig parallel loopt, maar dat er in de loop
der jaren
zeer aanzienlijke niveau verschillen
kunnen
optreden tussen de indices. Het zou derhalve tot aanbeveling

strekken om bij de presentatie van de effectieve koers aan
te geven hoe
de index is berekend en voor welk
doel
de be-
rekening is uitgevoerd.

De effectieve wisselkoers per bedrijfstak

Maar er is meer. Bij de berekening van de effectieve

koers maakt men wel onderscheid tussen de verschillende
landen waarmee men handelt, men desagregeert echter niet

naar produktgroepen (uitgezonderd de MERM-index). Dit

leidt ertoe, dat men m.b.v. de effectieve koers wel kan aan-

geven welke de koersontwikkeling is vanuit de export als
geheel, maar daarbij niets kan zeggen over de effectieve
koers vanuit een bepaalde bedrijfstak of goederencategorie.

Dit leidt tot het volgende probleem. Stel bv. dat zich de

volgende situatie voordoet: bedrijfstak A richt zich voor
50% op Duitsland. en voor 50% op Engeland en bedrijfstak B

richt zich voor 50% op Engeland en voor 50% op Frankrijk.
Indien de appreciatie van de gulden t.o.v. de mark, het pond

en de franc resp. 0%, 4% en 8% bedraagt, is de effectieve

appreciatie in bedrijfstak A 2% en in bedrijfstak B 6%.

M.a.w., indien de samenstelling van de bestemmingslanden

5) Bance verving de gegevens van 1969 door die van 1974; zie
Euromoney,
Quarterly currency review, november 1975.

ESB 9-8-1978

795

van de export tussen de verschillende bedrijfstakken ver-

schilt, leidt dit tot een uiteenlopende effectieve appreciatie

per bedrijfstak.
Dat de bestemmingslanden van de verschillende bedrijfs-

takken uiteenlopen spreekt voor zich zelf. Zo is de export

van de sector Voeding en levende dieren (SITCO), om een

voorbeeld te noemen, over het algemeen sterk gericht op de

EG-landen en in het bijzonder Italie, terwijl van de sector

Machines en vervoermateriaal de VS onze belangrijkste

afnemer is. Hoe dit ook zij, voor ons doel is van belang

om na te gaan wat de invloed van deze verschillen in be-
stemmingsiand is op de per bedrijfstak berekende effectieve

appreciatie van de gulden. Daartoe is uitgegaan van de

10 goederencategorieën, die in de standaardgoederen-

classificatie, SITC, worden onderscheiden. Hiervan is een

met het exportaandeei gewogen index bepaald op basis van

de gegevens van de vier belangrijkste handelspartners

(Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk) 6);

de basisperiode is 18 december 1971, de handelsgewichten

zijn schuivend en gebaseerd op jaargemiddelden van de

koersen, genoteerd te Amsterdam en er is gebruik gemaakt

van het rekenkundige gemiddelde.
Figuur 2 geeft aan in welke mate de voor 1976 berekende

indices tusen de verschillende goederencategorieen (be-

drijfstakken) verschillen. Men ziet dat het niveau van deze

appreciatie over de verschillende categorieën nogal uiteen-

loopt, van 123 (groep 1, Dranken en tabak) tot 102 en 104

Figuur 2. Effectieve wisselkoersen voor S!TC-groepen;

totale uitvoer naar 4 landen (18 december 1971 = 100)

(groep 9 en 3, Overige resp. Minerale brandstoffen enz.) voor

het jaar 1976 (1971 = 100). De effectieve appreciatie van

de gulden in deze berekening kan dus over de betrokken

periode tussen de verschillende goederencategorieën uiteen-

lopen van 23% tot
2%.
De variantie in deze eindniveaus

is dus nog groter dan de variantie die resulteerde door de

verschillen in berekeningsmethode. Tevens valt af te lezen,
dat de categorieën 1,
5
en 7 voortdurend boven het gemid-

delde en de categorieën 2, 3, 9 en 8 voortdurend onder

het gemiddelde liggen; de categorieën 0, 4 en 6 schommelen

rond het gemiddelde. De mate waarin de export van de

verschillende categorieën op Duitsland is gericht lijkt het

resultaat in sterke mate te beïnvloeden. De gulden is immers

t.o.v. de Duitse mark per saldo niet geapprecieerd, maar

gedeprecieerd. Indien de export in sterke mate gericht is
op Duitsland, drukt dit de effectieve appreciatie, te meer

daar in deze berekening slechts rekening is gehouden met

vier landen. De aangegeven ontwikkeling van de effectieve appreciatie

zegt op zich zelf natuurlijk nog niets over de concurrentie-

positie van deze sectoren, omdat daarvoor kennis vereist

is van de effectieve appreciatie t.o.v. concurrenten, de

afwentelingsmogeljkheden enz. De conclusie, die we op

basis van het voorgaande wel mogen trekken, is dat de

gewoonlijk berekende effectieve appreciatie een ruwe en

onzekere maatstaf is, waar men op het niveau van de be-

drijfstak geen enkele conclusie aan mag verbinden. Verder

onderzoek naar de omvang van en fluctuaties in de effec-

tieve wisselkoers op gedesagregeerd niveau is dan ook

zeker gewenst.

Tot slot

Het begrip effectieve wisselkoers wordt in de praktijk

in Nederland op allerlei verschillende manieren berekend.
Soms is dit verschil in berekening verklaarbaar vanuit het

doel waarvoor men de index berekent, soms ook lijkt het

verschil in berekening meer het gevolg van toevallige

historische ontwikkelingen. Dit leidt tot het uiteenlopen

van de berekende waarden. Vijf voor de gulden berekende

indices in 1976 (1970 = 100) varieerden van ongeveer

112 tot 121. De effectieve koers wordt daarmee een onzekere
maatstaf, zeker wanneer men niet aangeeft op welke wijze
en
voor welk doel de index is berekend.

0

Berekening van de effectieve koers voor de verschillende

goederencategorieën leidde tot de conclusie, dat deze
o,aoI

desagregatie nog tot grotere variantie leidt in de resultaten.

8

De 10 voor de gulden in 1976 (1971 = 100) berekende

indices van de goederencategorieën liepen zelfs uiteen van

2
102 tot 123. De normaliter berekende geaggregeerde effec-

tieve koers van de gulden is hierdoor niet alleen een onzekere,

maar ook een ruwe maatstaf, waar men in de praktijk van

het bedrijfsleven nauwelijks interpretatiewaarde aan kan

toekennen.

W. J. Anema
9

C.
J. Jepma

6) Gegevens per goederencategorie zijn van de BLEU niet steeds
beschikbaar, vanwege de douane-unie.

PiQ

20

8

hO

114

112

110

108

06

104
102

100

Met ESB een beter economisch-politiek inzicht

796

Naar een beter begrip van protectie

H. GREMMEN*

DR. J. L. M. PELKMANS*

Al bijna twee eeuwen bestaat er een spanning tussen

de theorie en de praktijk van de handelspolitiek. De

theoretische nadruk op vrjhandel contrasteert sterk

,net de steeds weer opduikende praktische geneigdheid
tot handelsbeperking. Het in de jaren zeventig van deze

eewi’ onmiskenbaar toenemend pro tectionisme vormt

een geschikte aanleiding de spanning tussen theorie en

praktijk opnieuw te bezien. In dit artikel zal blijken dat

een belangrijke toenadering heefi plaatsgevonden.

Enerzijds heefi de handelspolitieke praktijk meer oog

gekregen voor de kosten van protectie, anderzijds zijn

er stromingen in de recente literatuur die de maatschap-

pelijke recht’aardiqing van protectie theoretisch qf

empirisch pQgen te onderbouwen.

Inleiding en probleemstelling

De theoretische veroordeling van protectie is in wezen sinds

David Rica rdo’s leer der comparatieve kosten niet gewijzigd.

Weliswaar is er een serie theorieen gepubliceerd die pogen te
verklaren
itaarom
bepaalde comparatieve kostenverschillen

optreden, tussen landen per tijdstip of over een langere tijd,

maar het vrijhandelstheorema is daardoor nauwelijks aange-

tast. Dit theorema zegt dat wereldvrijhandel leidt tot maxima-
le wereldproduktie; vrijhandet dwingt nI. tot specialisatie op

die goederen wier relatieve prijs in vergelijking met de relatie-

ve prijs in andere landen (vandaar comparatieve kosten) lager
ligt omdat met een zelfde inspanning als bij beperkte handel

een hoger produktietotaal zal worden bereikt. Uit dit theo-

rema valt onmiddellijk af te leiden dat handelsbescherming
ineff
7
ciëni is
aangezien het de wereldproduktie, en ook de na-
tionale consumptiemogelijkheden (behoudens een uitzonde-
ring) vermindert.

De uitspraak dat protectie inefficiënt is geldt, strikt geno-

men, slechts binnen het model. De maatschappelijke beteke-

nis van die uitspraak hangt af van de actualiteitswaarde van

dat model en van de vraag of de maximalisatie van de

consumptieve bevrediging de enige norm is die mag worden
gehanteerd. Wordt de consumptienorm geaccepteerd en de
mate van abstractie van het model niet onredelijk bevonden,

dan lijkt er(behoudens enkele in de theorie bekende uitzonde-
ringen) geen maatschappelijke rechtvaardiging voor protectie
aanwezig; handelsbescherming is dan irrationeel.

Deze positie zou men de ,,standaardconclusie” van de theo-
rie van de internationale handel kunnen noemen en contras-

teert scherp met een lange traditie van protectionisme in vele

landen. Dit artikel houdt zich, in kort bestek, bezig met twee
vragen die deze tegenstelling tussen theoretische en praktische
traditie oproept.

De eerste vraag is of de niet-aflatende academische kritiek
op het protectionisme van handelspolitieke bewindvoerders
enig effect heeft gesorteerd. Daarbij dient in ogenschouw te
worden genomen dat, uitgaande van de vermelde standaard-

conclusie in de academische literatuur, economen nog slechts

de kosten van eventuele protectie behoefden aan te geven.
Deze kosten kunnen analytisch worden uitgesplitst in voor-

en nadelen voor bepaalde groeperingen en in efficiency-
verlies voor de economie als geheel.

De tweede vraag luidt of geen herwaardering van het tradi-

tionele handeismodel noodzakelijk is als blijkt dat talloze

regeringen van verschillende politieke kleur tot protectionis-
me neigen. Aanpassing van veronderstellingen en introductie
van additionele doelstellingen zijn wijzigingen waaraan in

eerste instantie zal worden gedacht.

Het artikel wordt besloten met een korte bespiegeling over

de nog resterende kloof tussen de theorieen de praktijk van de
handelspolitiek.

Van ,,harde” naar ,,zachte” protectie

Een terugblik op drie naoorlogse decennia leert dat zowel

de intensiteit als de vormen van handelsbescherming beter

sporen met de academische aanbevelingen omtrent handels-

politiek dan bv. in de tussenoorlogse periode. De intensiteit

van protectie is sterk afgenomen en het scala van instrumen-

ten heeft zich gewijzigd. In hoeverre deze ontwikkelingen zijn

toe te schrijven aan theoretische inzichten, is moeilijk te

zeggen. Vermoedelijk zijn de harde lessen van de jaren dertig
en de dominantie van de Verenigde Staten bij de voortduren-
de handelsliberalisatie doorslaggevend geweest. Het valt dan

ook te vrezen dat de gerichtheid op vrijhandel slechts een

tijdelijke is geweest, gestimuleerd door bijzondère omstandig-
heden.

Dit geldt vermoedelijk niet voor de
vormen
van handelsbe-
scherming. De wijzigingen in het instrumentarium lijken
minder aan de tijd gebonden en verdienen vanuit een

analytisch perspectief nadere aandacht.

De hieronder beschreven verschuivingen zou men kunnen

samenvatten als een trend van ,,harde” protectie naar ,,zach-
te” protectie.
Harde” proteclie
omvat die vormen van
bescherming, waarbij de kosten zowel naar andere groepen in

de betreffende economie als naar derden buiten de economie
worden afgewenteld zonder inspraak van of rekening te
houden met die betrokkenen.
Zachte” proteclie
omvat die
vormen van bescherming waarbij wordt gepoogd de totale
kosten voor alle betrokkenen door middel van onderhande-

lingen of politieke processen te minimaliseren. (Dit onder

scheid sluit aan bij de stand van zaken in de handels-

theorie. Immers, los van enkele uitzonderngen levert de
handelstheorie geen verklaring van protectie, maar geeft wel

een analyse van de effecten van bescherming op andere

groeperingen binnen de economie (zoals consumenten) en

op andere economieën of groeperingen daarbinnen.

* De schrijvers tljn resp. studeni-assisteni en wetenschappelijk
hoofd medewerker bij de vakgroep Internationale Economische Be-
trekkingen aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg.

ESB 9-8-1978

797

De ombuiging van ,,harde” naar ,,zachte” protectie vindt

haar belangrijkste manifestatie in de wereldhandelsorde, de

regels en jurisprudentie van de General Agreement on Tariffs

and Trade (GATT). Hoewel de GATT handelsliberalisatie

niet verplicht, verbiedt de overeenkomst in beginsel het

unilateraal verhogen van tarieven c.q. het inkrimpen van

quota’s. Handelspolitiek is, althans voor de verdragspartijen,

niet langer een binnenlandse aangelegenheid, maar juist een
zaak van wederzijdse zorg. De kosten dieeen unilaterale
tariefverhoging voor buitenlandse producenten met zich

zouden brengen, worden zo vermeden. In de uitzonderlijke

gevallen dat de handelsliberalisatie mag worden terugge-

schroefd, is toch sprake van ,,zachte” protectie omdat dan is

voorzien in multilateraal toezicht, dat de afwentelingskosten

voor het buitenland dient te minimaliseren.

Dit ,,standstill”-beginsel van de GATT is een onmisbaar

instrument ter voorkoming van handelsoorlogen. Handels-

oorlogen ontstaan immers niet zozeer uit irritatie over het

niveau van protectie, maar als reactie op de opvoering van

protectie. Voor zover de wereldhandelsorde en de invulling

daarvan in een zevental GATT-rondes heeft geleid tot een

waarachtige internationale handelspolitieke samenwerking,

kan men zeggen dat aan het vigerende protectionisme veel van

de ,,hardheid” is ontnomen. Het zijn vooral de door harde

protectie opgewekte irritaties die tot handelsoorlogen leiden.

De andere ontwikkeling is de verschuiving naar ,,zachtere”

instrumenten van handelspolitiek. Terwijl in de

geindustrialiseerde markteconomieën tarieven sterk in

betekenis zijn afgen6men en quota’s (m.b.t. niet-agrarische

produkten) vrijwel zijn verdwenen, heeft het toenemende

protectionisme zich gemanifesteerd in ,,zachtere” non-

tarifaire distorsies. Men kan hierdenken aan loon- ofwerkge-

legenheidssubsidies, kapitaal-, rente- of grondsubsidies bij

investeringen vooral in zwakke regio’s, herstructurerings-

subsidies, importdepositoregelingen, minimumprijsregelin-

gen, een nationaal georienteerd overheidsaankoopbeleid
of zelfs een nationaal georiënteerd overheidsbestedings-

beleid en sluwe differentiaties in consumptieve belastingen.

Aan de exportkant is het verbod op exportsubsidies onder-

mïjnd door exportkredietfaciliteiten, belastingfaciliteiten

voor exportfirma’s – de z.g. DISC’s in de VS—, ruime inter-

pretaties van formeel geaccepteerde restitutieregelingen,

gebonden ontwikkelingshulp en door de overheid gefinan-
cierde internationale reclamecampagnes.

Deze sluipende protectie, hoe moeilijk in te dammen (en

daardoor gevaarlijk) ook, heeft een aanzienlijk milder karak-

ter dan het alternatief van de hernieuwde tariefprotectie,

zowel nationaal als internationaal. Markttoegang blijft veelal

mogelijk, soms blijft afzetgroei zelfs mogelijk, de consumen-

ten worden minder vaak en in mindere mate getroffen, de

kosten van vele van deze instrumenten zijn openbaar en
bekend omdat ze prijken op overheidsbegrotingen (waardoor
de politieke druk tot spoedige sanering veel effectiever is) en
een aantal van deze maatregelen is zelfs expliciet tijdelijk

van aard. Slechts bij uitzondering is gegrepen naar het
tariefwapen, maar dan alleen tijdelijk en ter vermijding van

ongeorganiseerde devaluaties van sleutelvaluta.

In 1964 weigerde Engeland het pond te devalueren, maar

stelde het wel een heffing in op alle import; in 1971 dwongen

de Verenigde Staten de andere OECD-landen tot onderhan-
delingen over een dollardevaluatie door een tijdelijke heffing
op alle import. Deze uitzondering (gebaseerd op art. 12 vande

GATT) belicht weer een ander aspect van de ,,harde” protec-
tie waarbij de handelstheorie en de wereldhandelsorde gelijk
zijn gericht. De handelstheorie is micro-economisch van aard:

de aandacht is gericht op sectorale en intersectorale
variabelen, niet op macro-economische grootheden als de na-

tionale werkgelegenheid of de nationale economische groei.

Protectie in de handelstheorie heeft dan ook primair
repercussies voor de produktiestructuur en de intersectorale

aanpassingen. Dit beeld past ook bij de GATT. Met uitzonde-

ring van art. 12, is protectie voor macro-economische

doelstellingen verboden; het gaat primair om de tarief-

structuur en de gevolgen daarvan op de produktiestruc-

tuur, veel minder om het tariefniveau. Additionele bescher

ming in de breedte ten einde korte-termijnwerkloosheid te

exporteren, is uit den boze, niet in het minst gezien de

ervaringen uit de jaren dertig. Vanuit dit micro-economisch

gezichtspunt moet ook de verhouding tussen handelspolitiek

en wisselkoerspolitiek worden gezien. Onder vaste koersen

behoort het niveau van de werkgelegenheid en de grootte van

de handelsbalanstekorten (overschotten) te worden bepaald

door de geschikte combinatie van monetair, budgettair en

belastingbeleid en niet door het niveau van de tarieven; onder

flexibele wisselkoersen wordt handelspolitiek als macro-

economisch instrument vrijwel overbodig, omdat door koers-

schommelingen in de tijd (mits geleidelijk), aanpassingen in

de in- en uitvoersectoren zelden lang kunnen uitblijven. De

introductie van flexibele koersen in de jaren zeventig heeft

ongetwijfeld de verleiding verminderd toch tot ,,macro-

economische protectie” over te gaan.

Niet alleen tarieven maar ook quota’s zijn vrijwel verdwe-

nen. In vele gevallen zijn quota’s verboden door de GATT en

is afbraak geboden; bij tarieven geldt slechts een verbod tot

verhoging. De verschuiving is hier naar z.g. vrijwillige export-
beperkingen. De vrijwillige exportbeperkingen (VEB’s) hou-

den verband met art. 19 van de GATT dat een herroeping van

eerder gedane tariefconcessies mogelijk maakt in geval van

ernstige schade aan gevestigde producenten, veroorzaakt

door snelle importgrciei na de bedoelde concessie. Hoewel de

toepassing van art. 19 niet onder toezicht van de

verdragspartijen staat, is consultatie met de betrokken landen

wel verplicht.

De inroeping van art. 19 lijkt dus een forse maas in de wet,

die betrekkelijk eenvoudige genoegdoening oplevert voor de

betrokken producenten. Dit is echter schijn. Zelfs de Verenig-
de Staten, op wiens instigatie dit artikel is opgenomen en wier

eigen wettekst is gebruikt, hebben het slechts zelden

ingeroepen. De reden is dat de hernieuwde verhoging van het

tarief non-discriminatoir moet worden toegepast; bij onvol-

doende verhoging lost dat het probleem van aggressieve

export niet op, terwijl het wel schadeclaims van gevestigde

exporteurs oproept. VEB’s daarentegen lossen snelle import-
groei aan de bron op, maar vallen buiten het strikte GATT-

kader.

Wat zijn nou die beruchte VEB’s? VEB’s zijn kwantitatieve

restricties op de uitvoer van A naar B, opgelegd door A’s

overheid of door A’s industrie zelf, ten einde ,,harde” protec-

tie van B te voorkomen. VEB’s zijn om een groot aantal

redenen ,,zacht” vergeleken bij normale quota’s (op de in-

voer). De belangrijkste reden is dat er rekening wordt gehou-

den met de exportbelangen van A; meestal zal een VEB

voorzien in langzame, voorgeschreven exportgroei, maar niet
in exportdaling; bij een importquote is doorgaans van grove

eenzijdigheid sprake. Bovendien kunnende getroffen produk-ten van A in B worden afgezet tegen een hogere prijs (net als

bij een quota of tarief), die geheel aan de exporteur ten goede

komt (hetgeen bij tarieven nooit en bij quota’s zelden het geval

is). Verder is een VEB per definitie discriminatoir, maar dit

sluit tenminste schade bij gevestigde exporteurs naar B uit,
die bij toepassing van art. 19 (GATT) zou ontstaan. Ten slotte

zijn de meeste VEB’s tijdelijk en zijn de bijbehorende contro-

leregimés (soms met voorbedachte rade) onvoldoende strin-

ge nt.
Het instrument van de VEB kan zich verheugen in een grote

populariteit bij de overheden van rijke landen. (Semi-)geindu-

strialiseerde landen, of hun exporteurs, stemmen er met

tegenzin mee in, wetend dat het alternatief schadelijker is. De

GATT stemt er officiëel niet mee in, maar helpt wel mee het

grootste netwerk van VEB’s (in de z.g. Multi-vezel overeen-

komst van 1973 en van eind 1977) tot stand te brengen.
Behalve in de textiel, zijn VEB’s toegepast in bepaalde delen

van de staalsector, in de lichte elektronica, en in de sectoren

798

auto’s en schoenen. Ze zijn in aantal en striktheid toegeno-

men en zijn al lang niet meer beperkt gebleven tot de import

uit minder ontwikkelde landen.

De verschuiving van ,,harde” naar ,,zachte” protectie heeft

tot nu toe Vrij verregaande vormen van bescherming mogelijk

gemaakt
zonder
omvangrijke handelsoorlogen op te roepen.

De aard van het instrumentarium en het in alle rijke GATT-

landen nog geaccepteerde beginsel dat nationale bescherming

onderwerp moet zijn van voortdurende internationale

onderhandelingen hebben klaarblijkelijk de afwentelings-

kosten en de daardoor opgeroepen irritatie geminimaliseerd.

Waren tarieven en quota’s gehanteerd, en was het prïmaat van
handelspolitieke samenwerking niet erkend, dan was de hui-

dige, min of meer vrije, handel reeds lang afgebroken.

Het moet echter worden gevreesd dat de grens van ,,zachte”

protectie bijna is bereikt. De budgettaire kosten, veroorzaakt

door de keuze voor subsidies boven tarieven, en de kosten van
zich nog steeds intensiverend handelspolitiek overleg, veroor-

zaakt door VEB’s, anti-dumping procedures e.d., blijken

politiek steeds minder gemakkelijk verteerbaar. De jongste
VEB’s hebben reeds een ,,harder” karakter: sommige waar-

over de Europese Oemeenschâp heeft onderhandeld, werden

soms als een ,,dictaat” gekenschetst en VEB’s leiden niet

steeds meer tot importgroei. Hier en daar is harde protectie al

toegepast (Canada met een invoerquotum op schoenen b.v.). Het veelvuldig gebruik van zachte protectie heeft geleidelijk

een erosie van de handelsorde veroorzaakt en ook daar moet
de vraag worden gesteld wanneer deze ondermijning tôt

ineenstorting leidt. ,,Zachte” protectie verkleint de kans op

handelsoorlogen, maar uiteindelijk kan zij ze niet voor

komen.

Rationalisatie van protectie

Hoewel de vervanging van ,harde” door ,,zachte” protectie

op zich zelf kan worden gerechtvaardigd door handelstheo-

retische inzichten, blijft het feit dat protectie wordt toegepast,
zonder theQretische fundering. In deze paragraaf worden

schetsma)ig enigerecente ontwikkelingen in de literatuur

behandeld die toteen rationalisatie van protectie leiden t).
Vier groepen worden
naar de mate
van
afwijking
van het
traditionele model’onderscheiden.

Eerste groep

De eerste groep opteert duidelijk voor de handhaving van

het traditionele model, maar erkent dat de aanpassingskosten

bij vrijhandel (in de loop der tijd) of bij het overgaan naar
vrijhandel (in een korte periode) expliciet in de beschouwing
behoren te worden betrokken.
Aanpassingskosten ontstaan bij inkrimping van sectoren,

waardoor ontslagen vallen en kapitaalvernietiging plaats-
vindt. Indien deze aanpassingskosten kunnen worden toe-
geschreven aan de verlaging van protectie (of aan wijzigingen

in het comparatieve voordeel, als er al vrij handel was bereikt),
verminderen deze de voordelen van een liberale handelspoli-

tiek. Deze aanpassingkosten worden in de traditionele

handelstheorie genegeerd omdat een lange-termijnmodel met

volledige mededinging op alle markten en met homogene
arbeid en kapitaal wordt gehanteerd. Strikt volgens het model

zou de aanpassing tijdloos, pij nloos en frictieloos geschieden.
In de praktijk is dit natuurlijk niet zo; daar fungeren de

aanpassingskosten als aftrekpost van het efficiencyvoordeel
van vrijhandel.

In de jaren zeventig zijn diverse pogingen gedaan een
inzicht te krijgen in de feitelijke omvang van de aanpas-

singskosten van arbeid. Deze aanpassingskosten worden hier
strikt financieel opgevat; de sociale, politieke of psycholo-

gische pijn wordt buiten beschouwing gelaten. De kosten
worden gedefinieerd als de totale afvloeiing van arbeid (in

aantallen werknemers), vermenigvuldigd met de gemiddelde
werkloosheidstijd, vermenigvuldigd met de gemiddeld

ondergane inkoniensdaling. Geziende optiek van deze groep

is de hoogte van het aldus gevonden bedrag alleen belangrijk

als aftrekpost van het te genieten handelsvoordeel.

In Magee’s baanbrekende studie 2) worden voor de Ver-

enigde Staten de kosten berekend van een overgang naar

vrijhandel. Indien de aanpasssingsperiode op vijf jaar wordt

gesteld, bedraagt de uitstoot van arbeid in de invoervervan-

gende sector in totaal 1.212.200 werknemers, terwijl in de

exportsector (er van uitgaande dat de handeisliberalisatie ook

bij de handelspartners plaatsvindt) 397.000 extra werknemers
kunnen worden opgenomen. Als geen rekening wordt gehou-
den met werkloosheidsuitkeringen, is de contante waarde

(rente 49ó) van het aldus gederfde inkomen van de ontslage-

nen $ 2.047 mln., hetgeen ruwweg 2 promille is van het
toenmalige nationale inkomen van de VS.

Technische vooronderstellingen van dubieuze aard en

statistische problemen geven alle aanleidingdit zeer lage getal

sceptisch te beoordelen. Zo zijn b.v. de lage gemiddelde

werkloosheidstijden duidelijk ontleend aan een situatie van
hoogconjunctuur. De berekende aanpassngskosten zijn on-

geveer eenderde van het door Magee gevonden handetsvoor-
deel voor de VS.

In een nog uitgebreidere studie onderzoekt Baldwin 3) de

kosten van een lineaire tariefreductie van de VS van
50%.
Uit diverse empirische studies heeft hij een vijftal alternatieve
groepen van elasticiteiten gebruikt, varierend van ongunstig

tot gunstig (voor de VS in- en uitvoer). Hij presenteert de

geschatte verliezen voor de Amerikaanse werkgelegenheid

echter in netto-cijfers, d.w.z. de toename van de werkgelegen-

heid in de exportsectoren wordt afgetrokken van de afname

van de werkgelegenheid in de invoervervangende sectoren, zodat een netto-werkgelegenheidsverlies resteert. Dit is o.i.

onjuist. Veelal zullen de afgevloeide werknemers niet terecht
kunnen in de exportsector. Voor de VS is immers bekend dat

het gemiddelde opleidingsniveau van de werknemers in de

exportsector veel hoger ligt dan dat in de invoervervangende

bedrijfstakken, met uitzondering van de agrarische export.

Baldwin lijkt meer geïnteresseerd in het netto-werkgelegen-

heidseffect dan in de loutere kosten van aanpassingvanarbeid;
voor de laatste is de
totale
afvloeiing in de i nvoervervangende
sector relevant. Voor een relatief gunstige groep van elas-

ticiteiten geeft Baldwin wel uitgesplitste cijfers: een verlies

van 151.200 manjaren (werknemers x gemiddelde werkloos-

heidstijd) voor de invoersector en 136.000 extra manjaren

voor de exportsector. Maar de ongunstigste groep van elasti-

citeiten levert een groter neuo-werkgelegenheidsverlies van
266.400 manjaren op (overigens moet worden opgemerkt dat

1% van de Amerikaanse beroepsbevolking toch altijd zo’n
900.000 werknemers (en zelfstandigen) betekent). De conclu-

sie is dezelfde als bij Magee: de aanpassingskosten van arbeid
bij forse tariefconcessies zijn doorgaans gering 4).

In twee beperktere studies worden deze resultaten verfijnd.
Zo heeft Bate
5)
Magee’s benaderende berekening van de
gederfde inkomsten gepreciseerd. Zijn berekeningen zijn

gebaseerd op gegevens over werknemers die in 1969- 1970 in

t) Het betreft hier niet de traditionele uitzonderingen
op
de vrijhan-
delsrcgel, die binnen de standaardthcorie kunnen worden afgeleid,
7oals het ruilvoetvoordeel (eventueel Optimaal tarief of exportbelas-
ting), marktimperfecties, ,,infant industry”-argument en het sub-
stitutietheorema van Mundeil (protectie ten einde kapitaalimport
uit te lokken). Men raadplege hiervoor een handboek over interna-
tionale economische betrekkingen.
S. P. Magee, The welfare effects of restrictions on US trade,
Brookings papers on economie activity,
1972, deel 3.
R.E. Baldwin, Trade and employment effects in the United States
of multilateral tariff red uetions,
,l merican Econo,nic Revieu, 1976,
mei, vol.
66,
nr. 2.
Overigens geeft Baldwin geen ealculaties van het door de werkne-
mers gederfde inkomen. Baldwin beperkt zich in zijn onderzoek ook tot produkten met tarifaire bescherming, terwijl Magee veronderstelt
dat alle non-tarifaire belemmeringen eveneens wegvallen.
M.
Bak, Estimates of trade-displacement costs for US workers,
Journal of International Econo,nics, 1976,
augustus,
vol.
6,
nr. 3.

ESB 9-8-1978

799

invoervervangende sectoren werden ontslagen wegens tarief-

concessies in de Kennedy Ronde. De Amerikaanse Trade

Expansion Act van 1962 voorzag in ,,aanpassingssteun” voor

deze werknemers. Bale onderscheidt private en maatschap-

pelijke aanpassingskosten. De private aanpassingskosten

bestaan uit twee delen: de netto-inkomensderving als eerder

gedefinieerd (per werknemer: laatst genoten weekinkomen

minus werkloosheids- of aanpassingsuitkering, en dit verme-

nigvuldigd met de gemiddelde werkloosheidstijd) plus de

contante waarde van het inkomensverschil in de vorige en de

nieuwe baan. Past men strikt het traditionele model toe, dan

behoort men ervan uit te gaan dat deze werknemers een

blijvende loondaling moeten accepteren om elders aan de slag

te kunnen. In de door Bale onderzochte groep was de

loondaling 11%; de gemiddelde werkloosheidstijd was 31

weken (hoger dan bij Magee). Zelfs onder aftrek van genoten

overheidssteun (iets dat Magee niet meeneemt) kunnen de

private kosten aanmerkelijk hoger uitvallen per werknemer

dan bij Magee, terwijl toch dezelfde,periode wordt onder-

zocht.

De maatschappelijke aanpassingskosten bestaan uit verlo-

ren potentiele produktie per werknemer, het inkomen in de

nieuwe baan (gelijk aan het ,,marginale produkt”) vermenig-

vuldigd met 31 produktieloze weken. Daarnaast merkt Bale

op dat de bureaucratische rompslomp rond de aanpassings-
steun leidde tot een gemiddelde
(!)
wachttijd van 55 weken

voor de steun werd overgemaakt: dit is langer dan de gemid-
delde werkloosheid 6). Bij vele lage-inkomenstrekkers moet

dit tot problemen leiden, maar ook deze (niet te schatten)

kosten zijn niet opgenomen.
In een interessante’studie van Mutti 7), ten slotte, worden

aanpassingen aan tariefconcessies met een gewijzigde versie
van het traditionele handelsmodel berekend. Hij

veronderstelt dat produktiefactoren sectorgebonden zijn en

dat de arbeidsbeloning.benedenwaarts rigide is; verder onder-

scheidt hij een geval waarbij ook de toeleverende sectoren met

beloningsrigiditeiten worden geconfronteerd, zodat ook daar

de werkgelegenheid iets zal dalen. Bovendien onderzoekt hij

een nog ingewikkelder geval, nI. indien de inkrimpende

industrie een geringe kapitaal-arbeid substitutie kent (indien

kapitaal sectorspecifiek is en de substitueerbaarheid van

kapitaal voor ontslagen arbeid naar nul nadert, dan treedt

kapitaalvernietiging op). Hij baseert de gemiddelde werkloos-

heidstijd op Bale’s werk (op.cit.), maar wel voor vijf sectoren
die in 1969- 1970 in Bale’s onderzoek een lager dan gemiddel-

de werkloosheidstijd hadden. De resultaten worden verder
gedrukt door een hoge
(10%)
sociale discontovoet voor de

berekening van de contante waarde. Gaan we uit van de opties

met hoge aanpassingskostes (door b.v. afwezigheid van kapi-

taal-arbeidsubstitutie te veronderstellen) dan geldt dat de

aanpassingskosten in 1970 voor de VS van een
unilateralè

tariefafbraak.

• in de chemie, in de sector der machinegereedschappen en de auto-industrie ongeveer gelijk zijn aan het efficiency-

voordeel;
• in de sector elektrische machines veel kleiner zijn dan het

efficiëntievoordeel;
• in de staalsector veel groter zijn dan het efficiencyvoordeel.

Bij deze resultaten moet wel wordoi bedacht dat corn-

penserende exporttoenames bij
multilaterale
tariefaf

braak (Magee) niet zijn meegenomen. Verder toont Mutti aan

dat de aanpassingskosten aanzienlijk worden verminderd

door een fasering in de tariefafbraak.

Deze geleidelijk verbeterde schattingen van de aanpas-

singskosten, vooral voor arbeid, vormen een aanzienlijke
aftrekpost voor het bekende efficiencyvoordeel van vrijhan-

del. Dit rechtvaardigt minstens ten dele de vaak gehoorde

mening van bewindvoerders in de handelspolitiek, dat de

aanpassing als een forse barrière voor handelsliberalisatie
kan

fungeren, zeker indien recessies tot langere werkloosheids-
tijden dwingen. Men verlieze bovendien niet uit het oog dat

hier louter pecuniair is geredeneerd.

Tweede groep

Een tweede groep opteert voor de handhaving van de

essentie van het traditionele handelsmodel, maar niet zonder

een tweetal wijzigingen. In de eerste plaats wordt in dit

model gemakshalve de veronderstelde homogeniteit van

arbeid vervangen door arbeid welke gedifferentieerd is naar

opleidingsniveau. Een direct gevolg van deze wijziging is dat
arbeid meer sectorgebonden is naarmate het opleidingsniveau

hoger en/of gespecialiseerder is. Verder wordt er van uitge-

gaan dat er een direct verband bestaat tussen sociaal-politieke

actie ter beinvloeding van het overheidsgedrag en de schaar-

steverhoudingen in de markt.

De theorie die hierachter zou moeten liggen wordt
niet

expliciet
gemaakt. Men komt eigenlijk niet verder dan het

volgende: in de Verenigde Staten, West-Europa en Japan is

ongeschoolde arbeid relatief schaars’ en zou, zonder interna-
tionale handel, relatief hoog beloond worden; concurrerende

import uit semi-geïndustrialiseerde landen, waar onge-

schoolde arbeid relatief overvloedig is en relatief laag beloond

wordt, ,zal een ongewenste loondaling in de invoervervan-

gende sectoren afdwingen 6f een sterk teruglopend marktaan-

deel met grote werkloosheid; omdat beide alternatieven

ongewenst zijn, slagen plaatselijke. politici, vakbonden en

sectorale ondernemersorganisaties erin een restrictieve han-

delspolitiek te bewerkstelligen. Hoe dat gaat en waarom zij

daarin slagen, blijft onduidelijk. Deze groep toetst slechts de

boven beschreven hypothese op de tariefstructuur.

Zo heeft Bali 8) onderzocht in hoeverre protectie van

bepaalde fasen van een produktieproces samenhangt met het
aandeel van hoog- of laagbetaalde arbeid in die produktie.

Voor de Verenigde Staten blijkt dat de protectie van bepaalde

produktiefasen hoger is naarmate het aandeel van laagbetaal-

de arbeid belangrijker wordt.

Pas zeer recent echter worden empirische studies verricht

over sectorale piotectie. De belangrijkste bijdrage is vermoe-

delijk die van Cheh 9). Zijn uitgangspunt is dat tatieven een

gevolg kunnen zijn van acties ter
voorkoming
van de aanpas-

sing van arbeid. Dit gaat verder dan de positie yan de vorige

groep, die in de aanpassingskosten slechts geïnteresseerd is
als aftrekpost voor het handelsvoordeel. lmpliciet veronder-
stelt Cheh dat aanpassing van sommige soorten arbeid eerder

tot politiek effectieve druk kan leiden dan andere; met name

onderscheidt hij ongeschoolde arbeid en oudere arbeiders.

Ook de toetsingsmethode van Cheh is interessant, aangezien
hij let op tariefwijzigingen en niet op tariefniveaus, die

immers om allerlei historische redenen kunnen verschil-

len 10). In het bijzonder onderzoekt hij de uitzonderingen op

de lineaire tariefreductie van 50% waartoe de Verenigde

In cle recente handelswetgeving(U.S. Trade Act van januari
1975)
moet de toewijzingsbeslissing vallen uiterlijk
60
dagen na aarvraag.
De voorwaarden voor die toewijzing zijn verzacht. Bovendien wor-
den vergoedingen gegeven voor transportkosten bij herscholing en
sollicitaties alsmede voor verhuiskosten.
J.
Mutti, Aspects of unilateral trade policy and factor adjustment
costs.
Rei’ieii of E(-ono,ni(-sanc/Siatistics.
februari,
1978, Vol. 60,
nr.

D. Bali, United States effective tariff and labor’s share,
Journal of
Poliiical Econo,ni’, 1967, Vol. 75.
J.H.
Cheh, United States concessions in the Kennedy Round and
short run labor adjustment costs,
Journal of Internajional Econ-
mies,
augustus, 1974; Vo1.4, nr. 3.
Fieleke onderzoekijûist de tariefniveaus van-de \Sen komt dan
ook tot teleurstellende resultaten. Zie N. S. Fieleke, The tariffstructu-
re lor manul’acturing industries in the United’States: A testofsome
trad itiona
1
explanations,
Co/u,nbia Journal ojWorIdBusiness, 1976,
Vol. II.
nr
.
4.

800

Staten in het kadervande Kennedy Rondehaddenbesloten 11).
In de hypothese van Cheh weerspiegelen deze uitzonderingen

een
overheidsbeleid tot minimalisering van de aanpassings-

kosten van arbeid.
Hij vindt significante relaties: vooral

inkrimpende industrieën en industrieën met een relatief hoog
percentage ongeschoolde of oudere werknemers produceren

de goederen waarvoor uitzonderingen op de tariefverlaging
bedongen zijn.

Cheh’s test is bevestigd door Bale 12) met behulp van veel

nauwkeuriger gegevens. Riedel 13) heeft Cheh’s analyse toege-

past op de Westduitse concessies in de Kennedy Ronde. De

tarifaire concessies zijn hier te sterk beinvloed door de

noodzaak voor de EG communautair op te treden in de

GATT. Wel komt tot uiting dat de Westduitse tarifaire

bescherming vervangen is door non-tarifaire protectie
– vooral belastingfaciliteiten en subsidies -, en precies in

sectoren met veel minder geschoolde of oudere arbeiders. De
hypothese van Cheh blijft dus overeind, alleen is voor ,,zach-
tere” protectie gekozen om de aanpassingskosten te verlich-

ten. Cônstantopoulos 14), ten slotte, let weer wel op tarief-

niveaus en komt tot de conclusie dat de EG-tariefmuur niet

het totale arbeidsinkomen beschermt, maar vooral de belo-

ning van ongeschoolde arbeid.

De benadering van de tweede groep kan worden aange-

merkt als een duidelijke verbetering. Sinds Leontief in 1953
had gevonden dat de theorie van Ohlin voor de Verenigde

Staten niet leek op te gaan, met andere woorden dat het

kapitaal-rijke Amerika arbeidsintensieve produkten uitvoer-

de, is een van de belangrijkste wijzigingen van de handels-

theorie de nadere d ifferentiatïenaar diverse soorten arbeid en
kapitaal geweest. Constantopoulos gaat in haar bijdrage zelfs
zover de diensten van elke werknemer te bezien als uitvloeisel

van twee onderdelen: een gelijk ,,deel” ongeschoolde arbeid

en een ongelijk ,,deel” kenniskapitaal, belichaamd in het

opleidingsniveau.
De verschillen in de ,,kapitaalcomponent” bij werknemers

over de diverse sectoren zijn inderdaad een belangrijke factor
ter verklaring van loonverschillen. Deze verschillen spelen een

hoofd rol bij de bepaling en handhaving van het comparatieve

voordeel van een land in de wereidhandel. Het is daarom

aannemelijk dat de verklaring van de verschillen in protectie
tussen sectoren in een land, of van de verschillen in protectie

tussen landen, samenhangt met de mate van differentiatie van
arbeid. Uit de onderzoekingen van groep twee blijkt nog eens,

dat het grote knelpunt
bij
het bereiken van een betere wereld-

arbeidsverdeling niet de protectie tegenover goederen uit

andere rijke landen is, maar de protectie tegenover goederen

uit semi-geïndustrialiseerde gebieden.

Er zijn evenwel ernstige tekortkomingen bij de tweede

groep. Welke pressiegroepen de protectie weten te bewerkstel-

lingen en waarom zij daarin slagen, blijft volstrekt onduide-lijk. Men volstaat met vage verwijzingen zoals ,,Labour has
the votes” en ,,the political motive… isapparent”! Zoals ook

in de traditionele theorie, is ook de rol van de overheid geheel
impliciet. Bovendien heeft alléén Cheh IS) de consequentie

voor de theorie van de handelspolitiek expliciet verwoord in

termen van algemeen belang: ,,lf short run labor adjustment
costs are important to tariffmaking … a more complex ob-

jective function, incorporating such costs, has to be defined
and the analysis reworked if theory is to be insightful rather

than an end in itself”.

Derde groep

.De.derde groep refereert aan het traditionele model maar
tracht’essntiële wijzigingen aan te brengen welke de theorie

weliswaar haar mathematische elegantie ontnemen, maar
tegelijk intuitief toepasbaar maken voor handelspolitieke

problemen. Vele handelstheoretici aarzelen deze stap te doen
omdat de consistentie van redeneringen.en het overzicht van

alle. consequenties van het inbrengen van nieuwe elëmenten geenszins kunnen worden gewaarborgd.
Wij beperken ons tot twee belangrijke bijdragen van Hel-

leiner. Uitgangspunt voor Helleiner 16) is de notie dat de

overheid noch passief noch neutraal is, maar zich laat leiden

door de belangen van de machtige pressiegroepen. Bij zijn

onderzoek naar de recente verschuivingen in de handelspoli-

tiek van de Verenigde Staten is hij tot de slotsom gekomen dat

de verklaring ervan moet worden gezocht in de sterke op-

komst van de multinationale ondernemingen en de reactie van

de Amerikaanse vakbonden daarop. De expliciete introduc-

tie van de multinationale onderneming (MNO) betekent dat

het traditionele handelsmodel nauwelijks nog in de strikte zin

hanteerbaar is.

Volgens Helleiner is de handelspolitiek van de VS momen-

teel ,,schizofreen”: in sommige sectoren prevaleert een vrij-

handelsbenadering, in andere protectie. Indien werknemers
en werkgevers geallieerd zijn in een pleidooi voor protectie,

heeft protectie een goede kans, de buitenlandse repercussies

ervan daar gelaten. Indien vakbonden bescherming bepleiten

tegenover multinationale ondernemingen mag volgens Hel-

leiner gevoegljk worden verwacht dat géén protectie volgt.

Aangezienin de VS in traditionele, arbeidsintensieve indu-
strieën, zeker in die met een geringe seculaire groei en winst-

voet, weinig of geen MNO’s voorkomen, is daar samenzwe-

ring van vakbonden en werkgevers te verwachten. In

dynamische md ustrieën met slechts enkele gestandaardiseer-

de produktiefasen blijkt dat assemblagefasen worden verlegd
naar het buitenland en hun produkten over lagere tarieven
kunnen worden heringevoerd en dat talloze halffabrikaten

(van dochterondernemingen in het buitenland) tegen betrek-

kelijk lage tarieven kunnen worden ingevoerd.

lnternaïionale handel is dus van groot gewicht voor MNO’s

(wellicht een conditio sine qua non). Bovendien wordt op

diverse onderdelen van het economisch beleid in de VS de
nexus tussen handel en directe investeringen versterkt, zoals

in de belastingpolitiek en in de Canadees-Amerikaanse
,,Automotive Agreement”. Enkele marginale tegemoetko-

mingen niet meegerekend, hebben de vaak als machtig afge-

schilderde vakbonden dit internationalisme niet kunnen

ombuigen, aldus Helleiner. In een tweede studie bevestigt

Helleiner 17) deze resultaten voor Canada. Vele MNO’s zijn

daar vërbonden met de extractieve sectoren. Hij vindt dat de

Canadese tariefstructuur in hoge mate wordt verklaard door

de in produkten belichaamde ongeschoolde arbeid. De gerin-

gere concessies in de Kennedy Ronde kwamen voor in
sectoren met een lage concentratiegraad en een gering grond-

stoffenaandeel. In deze sectoren zijn weinig of geen MNO’s.

Voor een praktische beoordelingvan de these van Helleiner

is het waarschijnlijk nog te vroeg. Zo is de op ruime schaal
toegepaste diplomatieke techniek van de ,,vrijwillige export-

beperkingen” voor Canada niet meegenomen en voor de VS-

studie niet in detail. De vraag is of deze beperkingen nog

uitsluitend voor zeer arbeidsintensieve,.traag groeiende secto-

ren worden toegepast.

II) Amerikaanse tariefconcessics in de Dillon Ronde (1960- 1961)
zijn onderzocht door Finger maar zonder de redenen van protectie te
willen opsporen. Dc conclusies wijzen wel in dezelfde richting als die
van Cheh. Zie J. M. Finger, GATT tariff concessions and the exports
of developing countries: United States concessions at the Dillon
Round,
Economie Journal,
september 1974, Vol. 84, nr. 3.
12) M.D. Bale, United States concessions in the Kennedy Round and
short run labor adjustment costs; further evidence.
Journal of Inter-
nat ional Economi(-s,
mei 1977, Vol. 7, nr. 2.
J. Riedel, Tariff concessions in the Kennedy Round and the
structurc of protection in West Germany,
Journal of International
Econo,nics,
mei 1977. Vol. 7, nr. 2.
M. Constantopoulos, Labour protection in Western Europe. European Economie Revieim’.
1974, vol. 5.
J.H. Cheh, op.cit.. blz. 335.
Zie G.K.Helleiner, Transnational enterprises and the new politi-
cal economy of U.S. (rade policy,
0v/brd Economie Paprs.
maart 1977, vol. 29, nr. 1.
G. K. Helleiner, The political economy of Canada’s tariffstructu-
re:
an altcrnative model.
Canadian Journal of Eeonon,ies,
mei 1977.
vol. 10, nr. 2.

ESB 9-8-1978

801

Volledige gegevens hierover zijn echter moeilijk te verkrij

gen. Bovendien zijn ook de Verenigde Staten begonnen met

het subsidieren van stagnerende sectoren (staal). Deze en

eerder genoemde punten van kritiek zijn overigens niet meer

dan kanttekeningen bij een uitermate interessante stelling,

welke slechts in beperkte mate door de traditionele theorie is

geinspireerd.

Op een meer theoretisch niveau blijven er nog wel vragen

over de impliciet gehouden theorie van het overheidsgedrag.

De huidige posities van de Democratische en Republikeinse

partij aangaande vrijhandel (resp. gereserveerd en véér)

worden louter vermeld als een historische ommekeer zonder

verdere analyse. Ook hoe de vakbonden en MNO’s als

pressiegroepen in de vrijhandelskwestie optreden en waarom

in de bedoelde sectoren de laatste het overheidsbeleid in hoge

mate benvloeden en de eerste nauwelijks, wordt niet duide-

lijk. Verder behoort dé nexus tussen handel en directe buiten-
landse investeringen: g’rbndiger te worden belicht.

Zo tracht Behrman 18) aan te tonen dat de exportvervan-

gende buitenlandse investeringen van de VS voor de Ameri-

kaanse werkgelegenheid onbetekenend zijn, zeker indien men

rekening houdt met de toenemende stroom Japanse en West-

europese investeringen in de VS. Maar de vraag is of alleen

werkgelegenheid de achtergrond is van de vakbondshouding.

Volgens Musgrave 19) heeft de Amerikaanse kapitaalexport

zowel een negatief effect op het arbeidsinkonen als op het

aandeel van het arbeidsinkomen op het nationale inkomen.

De Amerikaanse vakbonden verdedigen protectionisme ook

met een beroep op protectionisme. in andere landen, zoals in

de fraaie taal van de secretaris-penningmeester van de AFL-

CIO 20):

Distinguished and honorable men today cry free trade” and there is no free trade. Every vind that biows from Geneva, or from Moseow,
or Tokyo. or the eapitals of the OPEC nations, or the bloc of 77, or
from the Common Market. bears the tiding of rampant mercanti-
lism When labor resists these trends and practices, are we not
more truc to the precepts of free trade then are perhaps their apolo-
gis ts?’

Dit wordt onmiddellijk verbonden met de multinationale

onderneming.

,,These multinational enterprises which pursue license under the
banner of free trade are in fact the spawn of mercantilism, the
children of the protectionism of our ,,trading partners”. By leaping the barriers – not with goods but with industrial systems, technolo-gy, capital and all – they have gained shares in the vested interests
those barriers defend, plus a subsidy from the injured American
worker and taxpayer. They have the best of both worids” 21).

Ten slotte rijst de vraag of Helleiners these in West-Europa

opgeld doet, een vraag die niet eenvoudig beantwoord zal

kunnen worden gezien de verschillen tussen Europese en

Amerikaanse MNO’s.

Vierde groep

De vierde groep tracht te komen tot een volledige verkla-

ring van protectie. In dit korte bestek is een en ander uiterst
moeilijk weer te geven door de veelomvattendheid van de
theorie. Er moet worden gelet op een theorie voor het

overheidsgedrag, voor de consumenten, arbeiders en werkge-

vers en, eventueel, op een theorie voor internationale handels-

onderhandelingen.
De weinige voorbeelden in deze groep zijn dan ook ontmoe-

digend complex. Vooral Caves 22) verstrekt veeleer een lange

serie kort beargumenteerde stellingen dan een samenhangen-

de, inzichtelijke theorie. Hij is gëinteresseerd in drie globale

benaderingen, toegespitst op Canada: de benadering uit de
leer van de openbare financiën waarin de zittende regering het

stemmenaantal tracht te maximaliseren ten einde herkozen te
worden, een theorie over de prikkels tot, en kosten en baten

van, het vormen van belangengroepen en een benadering

waarin de tariefstructuur een instrument
is
voor een ,,natio-

naal” industriebeleid (in het federale Canada een politiek

gevoelig probleem voor alle provincies). In zijn test komen

alle drie de specificaties Vrij zwak naar voren, waarbij het

belangengroepenmodel het nog het beste doet. Dit laatste

model van Caves steunt op twee inzichten. Het eerste betreft

de potentiële kosten en baten van de Organisatie van de groep

belanghebbenden. Tariefbescherming kan worden gezien als

een collectief actiVum dat baten afwerpt voor de betreffende

industrie. De kosten zijn enerzijds gelegen in het lobbyen voor

het tarief en anderzijds in het voorkomen van ,,free riders”,

individuele bedrijven die wel de baten achteraf, maar niet de

lobbykosten vooraf wensen te dragen.

Het tweede inzicht is beslist onconventioneel in de handels-

theorie. Volgens Caves is een belangrijke, algemeen aanvaar-

de maatstaf voor politieke beslissingen de handhaving van

redelijk geachte inkmenspositïes.

,,A case for tariff protection hence trades for higher value in the
political marketplace when an industry has suffered (or is prone to
suffering) adverse economie fates compared to the economy at large.
Fdrthermore, the incentive for a group to organize in pursuit of
public favour is often likely to spring from some negative wind-
fall 23).’

Een bedreigde sector kent zelden ,,free riders”, zal zich

fanatiek tegen inkomensverlaging en inkrimping verzetten en

zal bovendien een gewilliger oor vinden in de publieke opinie

en (dus?) bij politici. Het beroep op inkomenshandhaving zal

politiek nog gemakkelijker worden gaccepteerd wanneer het

aandeel van ongeschoolde arbeiders (mët ônder druk staande

lonen) aanzienlijk is. Deze benadeririá leidt tot een ander
beeld dan de conventionele tarieftheorie – Cavs wijst daar

ook op – terwijl de beweegredenen toch moeilijk ,,irratio-

neel” kunnen worden genoemd 24).

Caves’ bijdrage vormt een stimulerend begin voor een ra-
tionalisatie van protectie. Hij poogt te voorzien in tekortko-

mingen van eerder behandelde theorieën. Zijn benadering

lijkt echter niet meer te zijn dan een serie ideeën, nog weinig

bezonken met onduidelijke samenhang.

Pincus 25) komt met een meer volwassen theorie. Twee

opvallende nadelen van zijn benadering zijn overigens dat zij n”

analyse is toegespitst op de Amerikaanse Tariefwet van 1824
(sic) en op een districtenstelsel voor parlementsverkiezingen.
Pincus tracht de theorie van de collectieve goederen toe te

passen op de acties van pressiegroepen voor protectie. Deze

gedachte wordt verder uitgewerkt dan bij Caves. Een collec-

tief goed onderscheidt zich van een privaat goed door een
eigenschap dat de ,,consumptie” ervan door sommigen de

J.N. Behrman, Labor’s international role,
Foreign Policy,
1977,
No. 26, blz. 225-229.
P. B. Musgrave, Direct invesiment abroad and the multinatio-
nals: effecis on the United States economy,
augustus 1975, Washing-
ton D. C. (submitted to the Subcommittee on Multinational Corpora-
tions. Committee on Foreign Relations, Senaat, 94e congn:s, le
zitting); Government Printing Office.
L. Kirkland. Labor’s international rok,
Fo,eign Policy,
1977,
No. 26, zie blz. 208/209.
Ibid., blz. 211.
R.E. Caves, Economie models of political choice: Canada’s tariff
structure,
Canadian Journal of E(-onomics,
mei 1976, Vol. IX, nr. 2.
Ibid., blz. 288.
De ,,conventies” lijken echter te veranderen. Volgens Corden is
imonieproleclion
zelfs de belangrij kste doelstelling achter de handels-
politiek
.
.. … the purpose is redistribution of incomes toward those
sections of the population that would otherwise suffer absolute falis
in real income as a result of market forces such as fails in import
prices. A particular type of social welfare function – one that places much more weight on decreases in incomes than on increases – can
rationalize such policies”. W. M. Corden, The costs and consequences
of protection: a survey of empirical work, in P. Kenen, ed.,
Interna-
,ional irade and finance, frontiers for research,
1975, Londen, (Cambridge UP).
J. Pincus, Pressure groups and the theory of tariffs,
Journal of
Polical Econoini’,
augustus, 1975, Vol. 83, nr. 4.

802

consumptie door anderen niet of in elk geval niet in dezelfde

mate vermindert. Deze eigenschap valt aan te duiden met

,,non-exclusiviteit” in de consumptie. Dit heeft gewichtige

consequenties voor de aanbodkant. Immers, private produk-

tie van collectievegoederen zal niet eenvoudigtot stand komen

omdat de gemaakte kosten niet exclusief bij de consumptie kunnen worden doorberekend. Vandaar de rol van de over

heid door middel van algemene of profijtbelastingen de

kosten van de produktie van collectieve goederen wel kan
goedmaken.

Tarieven hebben, tot op zekere hoogte, de eigenschap van

non-exclusief genot voor alle produktiefactoren in de be-
schermde industrie. Beogen pressiegroepen tarieven, dan
moet een zo exclusief mogelijk genot door de pressiegroep

worden bereikt en een zo volledig mogelijke doorberekening

van de actiekosten naar alle producenten. De exclusiviteit van

het ,,genot” is vollediger naarmate de produktiefactoren in

een sector specifiek en sectorgebonden zijn (zodat de toegang

tot de industrie wordt bemoeilijkt). De toerekening van de

actiekosten voor de pressiegroep zal vollediger zijn naarmate

de geografische gespreid heid geringer en de concentratie-

graad hoger is; een poging tot ,,free riding” zal dan gemakke-

lijker kunnen wôrden onderdrukt.

Er zijn ook transactiekosten voor Congresleden. Congres-

leden worden gekozen op basis van een systeem van geo-

grafische vertegenwoordiging. Indien dit doorslaggevend zou
zijn, zou een geringe geografische spreiding van de te bescher-

men industrie juist extra transactiekosten met zich mee

brengen omdat Congresleden uit andere staten of districten

tot stemwijziging moeten worden gebracht, vermoedelijk met

een beroep op algemenere belangen of door koppeling van

stemmingen over diverse wetsontwerpen tegelijk.
Ten slotte zijn er de consumenten van de te beschermen
produkten, die tot tegenactie zouden moeten komen (zeker

indien louter de traditionele tarieftheorie als referentie wordt
gebruikt). Maar zulke acties brengen bepaalde kosten met
zich die door individuele consumenten nooit kunnen wor-
den goedgemaakt. Voor een op te zetten consumenten-

pressiegroep bestaat het collectieve goed in het handhaven (of

bereiken) van vrijhandel, waarbij de ,,drempelkosten” moeten

worden gecompenseerd. Maar juist bij consumenten is het
aantal groot, zijn hun voorkeuren heterogeen en is hun lokatie

sterk gespreid, hetgeen de transactiekosten hoger doet uitval-
len. Daarenboven zijn de nadelen per beschermd goed zeer

gering voor de individuele consument. Behoudens uitzonder-

lijke gevallen, is derhalve geen pressie van consumenten te

verwachten, zeker niet indien een groot aantal heffingen

tegelijk ter sprake is. Andere kwesties daargelaten, zal de

consument volstaan met het steunen van vrijhandeiskandida-

ten in de volgende Congresverkiezingen. Deze redenering
dient te worden aangepast voor de bescherming van haiffabri-

katen; deze worden gebruikt door (weinig) producenten met

een evident belang 6f in vrijhandel 6f in gelijktijdige protectie
van hun eindprodukt.

Hoewel de theorie van Pincus is gebaseerd op
rationeel
gedrag van produktiefactoren, Congresleden en consumen-

ten, levert dit toch nog een benadering van protectie op welke
volstrekt verschillend is van de traditionele theorie over

protectie. De dieperliggende oorzaak hiervan is dat de tradi-

tionele gedragstheorieën van economische subjecten (gericht
op maximalisatie van inkomen, winst of consumptieve bevre-

diging) geplaatst zijn in een maatschappelijk vacuüm: dit
gedrag is uitsluitend en alleen marktgedrag. Zo’n verenging

verhult de maatschappelijke betekenis van economische pro-
cessen en maakt het onmogelijk politieke beslissingen over

economische aangelegenheden te begrij pen. Maatschappelij-

ke subjecten hebben nI. twee maximalisatiemethoden, één via
de
markt
en de ander via
politieke actie.
Beide wegen kunnen
in functionele termen worden geanalyseerd; beide worden

ook gepraktizeerd. Het is niet in te zien waarom een van deze methoden, als ,,irrationeel” of als louter ,,politiek”van de eco-nomische theorie zou moeten worden uitgesloten. Het loutere

feit dat een aanzienlijke mate van substitutie tussen de twee

methoden mogelijk is, impliceert dat de traditionele tarief-

theorie partieel is.

Pincus’ theorie lijkt een geschikt uitgangspunt om tot een

beter begri van protectie te komen. Aan de bezwaren tegen

de traditionele theorie is grotendeels tegemoet gekomen. De

beperkingen van zijn benadering (toepassing op Tariefwet

van 1824; districtenstelsel) zijn wellicht te ondervangen.

Overigens is Pincus ervan overtuigd dat de pressiegroep-theo-

rie nooit op handelstarieven alléén behoort te worden toege-
past, maar op
alle
overheidsinterventies welke een redelijke

exclusiviteit van het,,genot” waarborgen, zoals quota’s (de

Amerikaanse olieindustrie?), subsidies, verbetering van speci-

fieke onderdelen van de infrastructuur, belastingfaciliteiten

en een nationaal gericht overheidsaankoopbeleid (naast tarie-
ven) 26).

Door vanuit meer volledige gedragstheorieën protectie, of

zelfs een veelheid van overheidsinterventies, te rationali-
seren, introduceren we overigens wel een gigantisch pro-

bleem. Zoals Prof. Paul de Grauwe onlangs heeft gesteld in
een discussie over industriepolitiek dient voor een beoorde-

ling op lange termijn het feilen van de markt te worden

vergeleken met het feilen van de politiek en de bureaucratie.

Rationele politiek en bureaucratisch gedrag leidt tot ineffi-

cinte allocatie, tot een defensief subsidiebeleid, tot nieuwe
marktfeilen en tot internationale protectiè door compense-

rende heffingen 27). Dit roept de vraag op of het (bij Pincus

als gegeven veronderstelde) democratische systeem op den duur de markt niet onderdrukt omdat de aanpassingen door

maatschappelijke subjecten worden geweigerd. Immers, het

enige probleem voor psessiegroepen is, de overheid te overtui-
gen van de noodzaak protectie toe te staan als
een maatschap-
pelijke goedkeuring van hun private weigering zich aan te
passen.

De belangrijkste tekortkoming in Pincus’ studie (maar

begrijpelijk gezien het tijdsbeeld en de toenmalige mercantilis-

tische instelling van de Verenigde Staten) betreft het ontbre-

ken van de handelspolitieke repercussies bij de handelspart-
ners. Vooral na de invoering van de Reciprocal Trade Act van
1934 en de oprichting en erkenning (althans door de Ameri-

kaanse executieve) van de GATT is de betekenis van deze

tekortkoming nauwelijks te onderschatten voor de VS. Voor
Europese landen kan de internationale dimensie zelfs voor

een toepassing op negentiende-eeuwse situaties niet ont-
breken.

Een internationale onderhandelingstheorie zou gebaseerd
kunnen worden op de premisse dat overheden handelsoorlo-

gen wensen te voorkomen terwijl toch enigszins aan sommige

vormen van druk moet worden tegemoet gekomen. De

vervanging van ,,harde” door ,,zachte” protectie, zowel bin-
nenlands als internationaal zou hierop weleens een antwoord
kunnen zijn.

Resterende problemen

Uit het voorafgaande is gebleken dat van een toenadering

tussen handelspolitiek en handelstheorie kan worden gespro-

ken. De slotvraag luidt of de actuele handelspolitiek reeds
geheel kan varen op het kompas van de theorie. Dit is slechts
ten dele het geval: de toenadering lijkt nog onvoltooid.
Twee cruciale problemen uit de handelspolitieke praktijk

Een soortgelijke theorie is inderdaad toegepast op bepaalde
belastingfaciliteiten, en met succes. Zie L.M. Salamon en J.J. Sieg-
fried. Economic power and political influence: The impact ofindustry
structure on public policy,
A,nerican Political Science Revieii.
september.
1977, Vol. 71,
nr. 3.
P.
de Grauwe, Bedenkingen over het industrieel beleid in Belgit.
Ti/dschrifi i’oor Economie en Management, 1977, Vol. 22,
nr. 4.
Indien de politieke fcilen groter zijn dan de marktfeilen, dient de
markt te worden geprefereerd, aldus de Grauwe. Het kernprobleem
is
dan natuurlijk dat een eventueel hernieuwde nadruk
op
de vrije markt
op zich zelf een politieke beslissing is; deze beslissing is in de theorie
van rationeel politiek-democratisch gedrag niet te verwachten.

ESB 9-8-1978

803

Een analyse van de migratie van

beroepsbeoefenaren uit en naar het

Noorden per opleidingsniveau

DR. C.P.A. BARTELS*

J. TER WELLE*

In het kader van dé constructie van een Noor-
delijk Arbeidsmarkt Model is onderzoek gedaan

naar migratiestromen van de beroepsbevolking

uit en naar het Noorden. De auteurs presenteren

in clii artikel de resultaten van dat onderzoek,

it’aarhij zij rekening hebben gehouden met flicto-

ren in de economische sfer, de huisvestingssitu-

atie, de natuurlijke omgeving en de interregio-

nale afstand. De schattingen zijn verricht voor

beroepsbeoefenaren van verschillende op/ei-

c/ingsn iveaus.

Inleiding
De analyse van de aanbodkant van een regionale

arbeidsmarkt valt op te splitsen in twee componenten. De

eerste betreft het deel van het regionale arbeidsaanbod dat

voortkomt uit de natuurlijke aanwas van de regionale

bevolking. De tweede component heeft betrekking op een

positief of negatief saldo van migranten met een beroep, dat

met de natuurlijke aanwas der beroepsbevolking

gecombineerd de totale aanwas der regionale

beroepsbevolking oplevert.
In dit artikel zullen we ons verder concentreren op deze

migratiecomponent. We bestuderen deze om tot een beter

inzicht te komen in de situatie op de arbeidsmarkt in het

Noorden (de provincies Friesland, Groningen en Drenthe).

We zijn met name ginteresseerd in het verkrijgen van een

relatie die bruikbaar is voor het voorspellen van de migratie

van personen met een beroep uit en naar het Noorden, en wel

per opleidingsniveau. We lichten dit brede kader hieronder

nôg beknopt toe. Daarna geven we aan hoe onze studie zich
verhoudt tot andere studies op het terrein van interregionale

migratie, met name enkele in Nederland uitgevoerde

onderzoekingen. Vervolgens wordt de methodiek van ons

onderzoek behandeld, waarna de resultaten van de

statistische toetsing van de vooronderstelde verbanden

worden gepresenteerd.

Het Noordelijk Arbeidsmarkt Model als kader

De Federatie van Noordelijke Economische Instituten

(FNEI) werkt momenteel aan de specificatie van een

arbeidsmarktmodel voor het totaal der drie noordelijke

provincies. Dit model bevat expliciet een groot aantal relaties

voor de vraag- en aanbodkant van deze regionale

arbeidsmarkt. Als onderdeel van de aanbodkant van de

arbeidsmarkt wordt expliciet aandacht besteed aan het

patroon van interregionale migratie.

Aangezien het model bedoeld is als instrument voor

voorspellings- en simulatiedoeleinden, moet ook het

migratiegedeelte van het model hiervoor bruikbaar zijn. Aan

deze eis is voldaan door het opnemen van relaties welke in

zekere mate geaggregeerde migratiestromen koppelen aan een
aantal

onafhankelijke

variabelen,

die in

principe

voorspelbaar zijn. Een. goede koppeling met het

arbeidsmarktmodel wordt verkregen door bij de
onafhankelijke variabelen in elk geval indicatoren mee te

nemen die betrekking hebben op de arbeidsmarkt. Indien de

totale discrepantie op de regionale arbeidsmarkt als indicator

van de arbeidsmarktsituatie wordt geselecteerd, ontstaat zelfs

* De auteurs maken deel Uit van de Werkgroep van de Federatie van
Noordelijke Economische Instituten, waarmee aan de onderhavige
studie werd gewerkt. De heer Bartels is verbonden aan de
Rijksuniversiteit van Groningen; de heer Ter Welle aan het
Economisch-Technologisch Instituut Friesland.

zijn in de theorie namelijk nog niet of nauwelijks aangepakt.
Voor beide problemen geldt dat de laissez-faire orde, welke

ten grondslag ligt aan de traditonele handelstheorie, niet

strookt met de gemengde economische orde, welke het

uitgangspunt is voor het economisch beleid in de huidige

westerse economien. In de eerste plaats is onopgelost gebleven de verhouding

tussen de traditionele norm van maximalisatie van de con-

sumptieve bevrediging en andere economische doelstellingen

in een gemengde economische orde. Hier kunnen conflicten
tussen doelstellingen, of de daarbij behorende instrumenten,

optreden, die tot beleidsdilemma’s leiden en tot prioriteiten-

stellingen. Wel is naar voren gekomen dat macro-economi-

sche protectie internationaal zinloos (en bovendien verbo-
den) is, gezien de handelsoorlogen die daaruit zouden voort-
komen, alsook overbodig sinds de invoering van flexibele wis-

selkoersen. Maar in de economische politiek zijn afwijkingen

van de bekende vier doelstellingen (werkgelegenheid, groei,
inkomensverdeling en prijsstabiliteit) zo gevoelig geworden
dat een onmiskenbare verschuiving heeft plaatsgevonden in

de richting van meer gerichte maatregelen. Voldoen aan de

norm van werkgelegenheid is niet voldoende; ook b.v. de

sectorale en regionale werkloosheidscijfers moeten worden

geminimaliseerd. In hoeverre protectie kan worden geratio-
naliseerd door andere doelstellingen dan maximalisatie van

de consumptieve bevrediging, is zelden echt onderzocht. Men
beperkt zich hier tot intiiitieve redeneringen.

In de tweede plaats is de kwestie van de internationale

repercussies onvoldoende belicht. Behalve de theorie van

tariefoorlogen, heeft de handelstheorie weinig te bieden voor een inzicht in deze materie. In de huidige GATT-orde komen

taricfoorlogen niet meer voor, hoewel verkapte vormen

804

een terugkoppelingsmechanisme in het model. Immers, de

discrepantie bepaalt mede het verloop van de

beroepsmigratie. Deze laatste resulteert echter weer in een
nieuwe discrepantie.

De confrontatie van de aanbodzijde van het

arbeidsmarktmodel met de vraagkant geschiedt voor vier
opleidingsniveaus (l.o., u.l.o., m.o., s.h.o.). Dit met de

bedoeling om opleidingsspecifieke discrepanties op de

arbeidsmarkt te achterhalen. Gezien dit uitgangspunt wordt
getracht ook de stromen beroepsmigranten zoveel mogelijk
op deze wijze in te delen.

Met het beknopt aangegeven ruimere kader van het

arbeidsmarktmodel kunnen we nu komen tot een nadere

specificering van het doel van de onderhavige migratiestudie.

Deze beoogt op basis van historische gegevens betreffende

interprovinciale migratiestromen in Nederland, te komen tot

een aantal voorspellingsrelaties. Namelijk relaties voor het

aantal migranten, behorend tot de beroepsbevolking, dat uit

en naar de drie noordelijke provincies migreert. Hierbij zal

onderscheid worden gemaakt naar het opleidingsniveau van
de migranten.

Factoren waarmee migratie samenhangt

De studies welke door anderen zijn verricht om te komen

tot een verklaring van interregionale migratiestromen kunnen

in twee groepen worden opgesplitst. De eerste groep omvat

studies waarbij men vooral gëinteresseerd is in de individuele

motieven welke tot de migratie aanleiding geven. Die
motieven zijn het best te achterhalen door middel van

enquêtes. De tweede groep betreft studies van waargenomen,
geaggregeerde migratiestromen of migratiesaldi.
Sommige studies uit deze tweede groep analyseren slechts

regelmatigheden in de migratiestromen zelf, en hanteren deze
voor voorspellingsdoeleinden (men bepaalt bijvoorbeeld

migratiekansen en veronderstelt die constant in de tijd). De

meeste studies hebben echter tevens aandacht voor het vinden
van relaties met andere variabelen op macroniveau. Deze

zouden dan kunnen worden gehanteerd om tot

migratievoorspellingen te komen. Het door ons gestelde doel
leidt tot een keuze van deze laatste aanpak. We merken hierbij

op dat voor deze aanpak de dataproblemen ook minder zijn

dan voor een onderzoek naar individuele motieven. Dit zal

veelal een additioneel doorslaggevend motief voor een
geaggregeerde aanpak zijn.

Het

specificeren

van

voorspellingsrelaties

voor
geaggregeerde migratie vereist allereerst een keuze van een
aantal onafhankelijke variabelen, die in het verleden blijken

samen te hangen met de waargenomen migratiepatronen.

Ook deze onafhankelijke variabelen worden in geaggregeerde

vorm gemeten. Toch zal men voor de keuze van deze varia-
belen vaak terugvallen op de factoren welke het individuele

migratiegedrag lijken te beinvloeden. Omdat deze factoren

veelsoortig zijn, zal er op geaggregeerd niveau een selectie

moeten plaatsvinden uit de potentiele verklarende varia-

belen. Hiermee komen we tot een beperkt aantal indicatoren

die op macroniveau het geaggregeerde migratiegedrag in
redelijke mate beschrijven.

Een veelheid van factoren beinvioedt de beslissing van de
individuele potentiële migrant.
Als algemeen uitgangspunt
kunnen we stellen dat een individu zal migreren, als hij/zij

hiermee denkt uiteindelijk zijn/haar levensomstandigheden

te verbeteren (vgl. bijvoorbeeld Ter Heide 1) en Somer

meijer 2)). De migratiebeslissing vereist dus een evaluatie van

de potentiële levensomstandigheden in de regio van vertrek en
in de regio van bestemming. Tot de voor deze evaluatie

relevante levensomstandigheden zal een aantal
economische
ficioren
behoren, zoals de werkgelegenheid en het inko-

mensniveau. Daarnaast spelen andersoortige variabelen een

belangrijke rol, zoals de huisvestingssïtuatie, de aantrekke-
lijkheid van de natuurlijke omgeving, de aanwezigheid van

verzorgende diensten, en de contactmogelijkheden met ken-
nissen en familie. Een dergelijke evaluatie vereist echter dat de

potentiële migrant in bepaalde mate geinformeerd is over de

levensomstandigheden in diverse gebieden. De hoeveelheid

beschikbare informatie en de perceptie van die informatie zijn

natuurlijk niet voor iedereen gelijk. Wellicht kan men aan de

hand van een aantal criteria bevolk:ngsgroepen onderschei-den, die wat dit laatste betreft in voldoende mate homogeen

zijn. Als criteria valt te denken aan opleidingsniveau, beroeps-
groep en burgerlijke staat.

Bovenstaande opmerkingen met betrekking tot het indivi-
duele migratiegedrag zijn bruikbaar om te komen tot een

verzameling potentiële verklarende factoren voor geaggre-

geerde migratiestromen. In de onderhavige studie is deze
verzameling als volgt afgebakend 3):

a.
de economisches/èer.
Hier kiezen we voor indicatoren van
de arbeidsmarktsituatie (gezien het brede kader van de

studie). Verschillen in regionale inkomens laten we buiten

beschouwing. In een klein land als Nederland is immers

niet te verwachten dat de beloning een belangrijke speci-

fiek regionale component bevat. (Hiermee bedoelen we’
het deel van het arbeidsinkomen dat niet toe te schrijven is

aan allerlei sociaal-economische kenmerken van de inko-

menstrekker, zoals opleiding, leeftijd enz.). Bovendien zou
zo’n regionale looricomponent sterk samenhangen met de

situatie op de regionale arbeidsmarkt. Opnemen van beide

H. ter Heide,
Binnenlandse migratie in Nederland,
‘s-Gravenhage,
1965.
W. H. Somermeijer, Multi-polar human how models,
Papers
of
the Regional Science Associazion. vol.
26, 1971, blz.
131-144.
Een soortgelijke indeling is te vinden bij D. Janknegt, Een
kwantitatief migratie-onderzoek,
ESB,
7januari 1976.

daarvan soms de kop opsteken. Toch vindt in diverse verban-
den een zich nog steeds uitbreidende consultatie plaats tussen

de grote westerse handelspartners, tussen Westeuropese en

Oosteuropese landen (zelfs EG en Comecon) en tussen rijke

en arme landen: Deze intensieve samenspraak vormt een

bevestiging van de stelling dat binnenlands gesanctioneerde

protectie internationaal moet worden aanvaard (binnen de
GATT of er buiten). Daarbij treedt steeds sterker het conflict

naar voren tussen actief overheidsingrijpen in de binnenland-

se economie en de passieve houding met betrekking tot de

onderlinge handelsstromen. De traditionele theorie heeft
hierover niets te zeggen, of het moet zijn dat het afschffen

van overheidsbemoeienis (in de gestyleerde versie van laissez-
faire) het meest efficient zou zijn. Sinds kort wordt juist

gediscussieerd over de tegenovergestelde consequentie: als na-

tionale overheidsbemoeienis met de.çonomie.zo wenselijk is,.

dan kan internationaal toezicht op de onderlinge handel niet
langer uitblijven. De praktijk is hier verder dan de handels-
theorie.

Toch is nog een groot deel van de handel in de OECD-eco-

nomie vrijwel onbelemmerd. De ,,organisatie-drang” is het
sterkst voelbaar in de handel met zich industrialiserende
landen, waarbij
nationale
normen worden geformuleerd
aangaande de snelheid van aanpassing aan scherp concurre-
rende import. Zulke interventies zijn een normaal verleng-

stuk van de economische politiek in een gemengde economie.

Het centrale probleem vormt de formulering van
int ernatio-
nale
criteria voor de aanpassingssnelheid, die onafhankelijk zijn van de internationale economische machtsposities.

H. Gremmen
– ………………….
J. L.M. Peikmans

ESB 9-8-1 978

805

indicatoren is in dit geval statistisch overbodig;

b.
de huisvestingssituatie,
waarvoor we een indicator van de

kwaliteit der woningen opnemen;

de natuurlijke omgeving.
welke in enkele andere studies

(Janknegt 3), Nijkamp 4jals een factor met een toenemen-
de invloed wordt beschouwd;

d.
de interregionale afstand,
als indicator voor de financiële

kosten van migratie, de mogelijkheid tot sociale contacten
met mensen in de regio van vertrek en de beschikbaarheid

van informatie over de regio van bestemming.

Voor deze factoren is in principe een groot aantal
indicato-

ren
te selecteren. We definiëren deze indicatoren steeds zo, dat

ze de waarde van een bepaalde variabele in de regio van

bestemming relateren aan die in de regio van herkomst van de

migranten. Het zijn dus
verhoudingsgetallen.
Door middel

van een aantal exercities met de totale interprovinciale stro-

men van migranten met een beroep in 1971 en 1975 werd voor

elk van de vier factoren een aantal indicatoren getoetst. Voor

de selectie van de uiteindelijk op te nemen variabelen hebben

we voornamelijk statistische criteria gehanteerd. De volgende

regels zijn in acht genomen:

• de indicatoren moeten voor een aantal toekomstige jaren

te voorspellen zijn;

• als twee verklarende indicatoren een hoge onderlinge

correlatie vertonen wordt er één weggelaten;

• het teken van de geschatte coëfficiënt moet overeejistem-

men met onze verwachting;

• de t-waarde moet duiden op een significant van nul

verschillende coëfficiënt;

• het aantal onafhankelijke variabelen moet beperkt zijn;

• de mate van aanpassing (gemeten met R
2
) moet hoog zijn en er mogen geen uitzonderlijk grote residuen voorkomen.

Verderop in dit hoofdstuk bespreken we de uiteindelijk

geselecteerde verzameling van indicatoren. Eerst geven we
nader aan hoe de te schatten relatie verder wordt gespecifi-

ceerd.

De afhankelijke variabele en de vorm van de migratievergelij-
king

Voor een aantal jaren zijn er gegevens beschikbaar over

totaalstromen van migranten tussen de provincies. Deze

gegevens laten verder een opsplitsing toe naar geslacht,

burgerlijke staat, leeftijd en beroepsgroep. Voor ons doel is de

indeling van de migranten naar kwalificaties die voor de
positie op de arbeidsmarkt van belang zijn, het meest relevant.

Vandaar dat we de opdeling naar beroepsgroepen gebruiken.

Ten einde een directe aansluiting met de rest van het model te

verkrijgen, wordt deze indeling via een bepaald schakelsche-

ma omgezet in een indeling naar opleidingsniveaus 5). Dit

schema is in tabel 1 gegeven. Vanwege de kleine aantallen
voegen we voor schattingsdoeleindenmigranten met m.o. en

s.h.o. tot één groep samen. Verder wordt bij de schatting

steeds de voorkeur gegeven aan het gebruik van een
)nigratie-

kans
als afhankelijke variabele. Deze is gedefinieerd als het
aantal migranten met het betreffende opleidingsniveau, ge-

deeld door de beroepsbevolking met dit opleidingsniveau in
de provincie van vertrek. Op deze wijze houden we rekening
met schaalverschillen tussen provincies.

Hierbij kan worden opgemerkt dat onze analyse van

opleidingsspecifieke migrati.e zich onderscheidt van wat veelal

gebruikelijk is in Nederlandse migratiestudies. Studies van

geaggregeerde interregionale migratie binnen Nederland heb-

ben zich namelijk beperkt tot de totale stromen (Nijkamp 4),

Klaassen en Drewe 6), Somermeijer 2)), een analyse per sexe

(Drewe en Rodgers 7)), een St udie.per sexe en burgerlijke staat
(Janknegt 3)) en een veklaring van de ontwikkeling in inter-
provinciale saldi beroepsmigratie (in het Regionale Arbeids-

markt Model van het Centraal Planbureau 1973).

Tabel 1. Schema voor de schakeling tussen beroepsgroep en

opleidingsniveau

Beroepsgroep
Geslacht

Opleidingsniveau in
%

l.o.

u.l.o.
m.o.
s.h.o.

m+v
50

39
10
1
Bedrijfshoofdenlandbouw
…………..
m+v
10

50
25
15
Overige bedrijfshoofden
…………….
Vrije beroepen

……………………
m+v
10

50 25
IS
m
25

43 29
3
v
20

61
17
2
m
17

45 26
12
v
21

56
19
4
m
0

3 5
92

Ambtenaren
………………………

v
0

0 37
63
Onderwijzend personeel
…………….

m
27

33
21
19
Overigeemployé’s
…………………
v
20

32 26 22

Administratief personeel
………………

m+v
44

54
2
0
m
+ v
58

35
7
0
m
+
v
42

40
17
1
Arbeiders in fabrieken en
rn
54

43
3
0

Bouwvakarbeiders
…………………
Landarbeiders

……………………

s
59

39
2
0

H uishoudelijk personeel
…………….

m
54

43
3
0
werkplaatsen

…………………..
Mijnwerkers
……………………..
m
54

43
3
0
Overigearheiders
………………….
v
1
59

39
1

2
1

0

Bron: CBS,
Arbeidskrachtrne/di,zg.
1973

Een ander verschil met de bovengenoemde studies betreft

de gebruikte gegevens voor het schatten van het gepostuleerde

verband. Meestal wordt gewerkt met doorsneegegevens en

wordt één relatie geschat met behulp van alle beschikbare in-

terregionale stromen. Deze aanpak sluit de mogelijkheid uit, dat er verschillen bestaan in de met migratie samenhangende

factoren als de richting van de migratie verschilt. Wij laten dit

soort verschillenwèl toe. Dit gebeurt door het schatten van

een tweetal verbanden. Het eerste betreft een relatie voor de
migratie
uit
elk der drie noordelijke provincies naar een

andere provincie. Hét tveede koppelt de migratie
naar
elk

van deze drie provincies uit een andere provincie aan een

aantal factoren. De tweedeling maakt het mogelijk dat we

voor de migratie naar noordelijke provincies andere samen-

hangen ontdekken dan voor de migratie uit deze provincies.

De functionele vorm van de te schatten relaties sluit aan bij
wat in de migratieliteratuur gebruikelijk is. Uitgaande van een

graviteitsmodel komen we na logaritmische transformatie tot

een loglineaire vergelijking van de vorm

logm’=loga
o
+

jlogxir+€rr

(1)

waarin:

m
er

•:
migratiekans voor migratie van r naar r’;

Xj,rr’

: waarneming van de onafhankelijke variabele i;

storingsterm;

a1,

I:
te schatten parameters.

In sommige studies treft men ook wel een lineaire migratie-

vergelijking aan. Theoretisch zijn er moeilijk doorslaggeven-
de argumenten voor een van deze twee specificaties te vinden.

Onze keus berust op een pragmatisch-empirische aanpak.

Met de gegevens van 1971 en een bepaalde verzameling

onafhankelijke variabelen onderzochten we namelijk een

klasse van transformaties, met de. lineaire en loglineaire

vergelijkingals speciaal geval, op hun mate van aanpassing 8).

P. Nijkamp, Milieu.cn migratie,
ESB, II
december 1974.
Bij de bepaling van de migratiestromen naar
het Noorden ts het
beroep in de provincie van vestiging als indicatief gehanteerd. Bij
migratie
uit
het Noorden daarentegen het beroep in de provincie van
vertrek.
L. Klaassen en P. Drewe,
Migration policy in Europe. .4
comperative study,
Lexington Books, Saxon House, 1973.
P. Drewe en H. Rodgers. Steps towards action-oriented migration
research: a progress report,
Regional and Urban Economics, vol. 3,
1973, blz..3.l5325
C.P.A. Bartels en J. ter Welle, The functional form of migration
relations, te verschijnen in de congresbundcl van de Engelse afdeling
van de Regional Science Assiciation, 1978.
806

De loglineaire vorm voldeed beter dan de lineaire, zodat we

deze vorm, mede vanwege zijn eenvoud, verder gehanteerd

hebben. We zullen nu aangeven welke resultaten we hebben

verkregen bij ons empirisch onderzoek. Eerst bespreken we de

uiteindelijke selectie van onafhankelijke variabelen. Daarna

komende coëfficiëntschattingen ter sprake.

Empirische resultaten: selectie van onafhankelijke variabelen,

Uit de exercities met de totaalstromen voor
1971
(voor dit
jaar waren in het eerste stadium van het onderzoek namelijk

de vereiste gegevens het gemakkelijkst beschikbaar) komende
volgende
indicatoren
als bruikbaar naar voren:

• in de
economische
sfeer:

de werkzame beroepsbevolkingsverhouding(WBB)als

md icator van digemene werkgelegenheidsmogelij k-
heden;

de werkloosheidsverhouding (WL) als indicator van de

specifieke arbeidsrnarktsituatie;
• ten aanzien van de
huisvestingssituatie:
de verhouding vandë percentages eengezinswoningen
in de totale woningvoorriad (WON), als indicator van

de gemiddelde aantrekkelijkheid van •ht woningbe-

stand;

voor de
natuurlijke omgeving:

de verhouding van de aantrekkelijkheid yan het fysieke

milieu (NAT). Als indicator voor deze aantrekkelijk-

heid gebruiken we een gewogen gemiddelde van de

oppervlaktes ingenomen door verschillende typen na-

tuurlijk bodemgebruik. Als gewichten nemen we de

reciproke van het aandeel van het bètreffende type bo-

demgebruik in de totale landelijke oppervlakte aan

grond met een natuurlijk karakter (dit veronderstelt
een schaarsteprincipe in de waardering); voor de interregionale
afstand:

als maat van de ,,psychologische” afstand tot de
bestemmingsprovincie r’: het aantal mensen geborent
in provincie r, woonachtig in r’ als percentage van de
bevolking van r (A);

de wegafstand tussen de bevolkingszwaartepunten
(D).

Gebruik makend van de hierboven aangegeven regels werd
vervolgens voor de totaalstromen in
1975
een keuze van

onafhankelijke variabelen gemaakt. De voorkeur voor het

jaar 1975 houdt .’erhand met de wens de resultaten voor een
recent jaar beschikbaar te hebben, om hiermee korte-termijn-

voorspellingen te kunnen doen.

Nu bleek dat de indicatoren A en D voor 1975 sterk

gecorreleerd waren, De afstand D is als variabele in een

voorspellingsrelatie beter hanteerbaar en kan bovendien

beschouwd worden als een indicator voor meer achterliggen-

de factoren dan variabele A. Deze overwegingen leiden tot
keuze van D voor de verdere toetsingen.

Ten aanzien van de afstandsvariabele is er in de litratuur

nogal wat discussie over de wijze waarop deze in de relatie

moet voorkomen. Verschillende afstandsfuncties worden

daarvoor gedefinieerd. Wij vergelijken slechts twee eenvoudi-
ge functies: een machtsfunctie (D ) en ‘een exponentiële

functie (exp -tsD). In alle gevallen blijkt de eerste in termen
van de bijdrage tot R
2
het beste te voldoen, zodat deze
specificatie verder wordt gehanteerd.

De uiteindelijke keuze van de onafhankelijke variabelen
voor 1975 was als volgt:
• \’oor migratie naar noordelijke provincies (totaal 30 waar-

nemingen) beschrijven variabelen D, WBB, en WON de

waargenomen stromen goed;

• voor migratie uit noordelijke provincies (ook 30 waarne-

mingen) zijn dit de variabelen D, WBB, NAT en WL.

De selectie bevat dus in beide gevallen arbeidsmarktvari-

abelen (WBB en WL), terwijl ook de fysieke afstand bij beide

voorkomt. Met betrekking tot de resterende variabelen zijn er
verschillen. Voor migranten naar het Noorden speelt de

huisvestingssituatie een rol; voor migranten uit het Noorden

eerder de natuurlijke omgeving. Met dit kleine aantal onaf-

hankelijke variabelen wordt een aanpassing van ongeveer
90% verkregen hetgeen bevredigend is.
Voor de schatting van de opleidingsspecifieke migratiere-
laties worden vervolgens dezelfde onafhankelijke variabelen
gebruikt. De aanname is dus dat opleidingsverschillen slechts

verschillen in de coëfficientswaarden en niet een andere

verzameling van onafhankelijke variabelen veroorzaken.

Empirische resultaten: schatting van de coëfficienten

De uiteindelijke resultaten van de statistische toetsing

(kleinste-kwadratenmethode toegepast op een loglineaire

relatie van het type (!)) staan vermeld in tabel 2 voor de

migratie naar het Noorden en in tabel 3 voor de migratie uit

het Noorden. We vermelden de schattingsresultaten per

opleidingsniveau, en voor de jaren 1971 en 1975. Zo kunnen

de waarden der coëfficiënten in de tijd worden beoordeeld

hetgeen van belang is voor het specificeren van de uiteindelij-
ke voorspellingsrelaties.

De werkloosheidsvariabele is niet opleidingsspecifiek ge-
meten aangezien dit met de beschikbare gegevens niet moge-

lijk was. We moeten deze daarom zien als indicator van de

algemene situatie op de arbeidsmarkt. De beroepsbevolking

en de werkzame beroepsbevolking zijn wel per opleidingsni-

veau gemeten. Voor 1971 kon dit eenvoudig met behulp van

de volkstellingsgegevens. Voor 1975 hebben we zelf een aantal
gegevens moeten construeren 9).

Bezien we eerst de resultaten voor de migratiestromen
naar
de noordelijke provincies (tabel 2).

Tabel 2. Relaties voor heroepsmigratie naar noordelijke
1971
en
1975
(loglineaire relaties)

Onderwijsoiseau
Lo.
0.0
m.o.
+
ho,
1

totaal

1971

.-

0,39
3.119
0.73
7,55
1.51
15.76
11.111
8.411
hVerkame beroeps
0.20
1.67
0.23
2.27
0.24
2.30
((.22
2.06
Woningiodcator
0.59
1.90
0.35
1.21
0.14 0.45
((.38
1.28
.78
5.69
1.82
16.72
1.90
17.92
1.83
(710]
0.92 0.93 0.94
((.03

Constante
…………….

Afstand(l))

…………..

1975

hes’olking(‘.VBI3)
……….

0.4
3,82
0.61
6,05 .22
12.34
((.77
8(19

(WON)

………………

Werkzame beroeps-
0.26
1.93
0.27
2.49
0.37
3.51
(1.33
3.13

Constante
…………….

Woningindicator
bevolking (WBB)
……….

0.81
2.29
0.64
(.93
0.51
1.47
(1.67
2.06
(\VON(
…………….
(.85
15.10
1.93
16.81
1.84
16.75
(.85
I7.3
AL’tand(D(

…………..
0.91
0.93
0.93
((.93

a) De kritische grens voor de t-waarde bij tweceijdig toetsen is 2.06 hij 5% onbetrouw.
baarheid en 1.71 bij I0%onbetronwbaarheid.

9)
Voor
1975
werd de totale provinciale beroepsbevolking bepaald
uit gegevens omtreni de hevolkingsopbouw
(Maan(I.,otis,iek ton de Bevolking en Volksgezondheid,
april
1976)
en deelnemingsper-
centages
(Arbeidskrachtenielling, 1975).
De totale provinciale werk-
gelegenheid is gelij kgesteld aan de beroepsbevolking minus het aantal
geregistreerde werklozen (per 31 maart
1975.
bron: Sociale Maand-statistiek). Voor de verdeling over opleidingsniveaus werd uitgegaan
van de verdeling in
1971
per provincie, welke werd aangepast door
de landelijke ontwikkeling van de verdeelcoëfficiënten op de provin-
ciale basisgegevens toe te passen. De resulterende verdeelcoëf-
ficiënten zijn zowel op de beroepsbevolking als op de werkgelegen-
heid toegepast.

ESB 9-8-1978

807

Voor de totaalstromen vinden we voor beidejaren dezelfde

mate van aanpassing. Gemeten aan de t-waarden zijn de

resultaten voor 1975 evenwel beter. De coëfficiënten van de

werkgelegenheidsvariabele en van de woningindicator nemen

toe in de tijd en verschillen duidelijk significant van nul. De

afstandsfrictie is ongeveer gelijk gebleven. Hierbij merken wij

op dat afstand de belangrijkste onafhankelijke variabele is,

tenminste gemeten naar de t-waarde. Ook voor de onder-

scheiden opleidingsniveaus wordt steeds een goedé aanpas-

sing verkregen: R
2
is steeds groter dan 0,91. De beschrijving

verbetert iets met eeri toename van het opleidingsniveau. Ten

aanzien van de onafhankelijke variabelen nemen we een met

opleidingsniveau toenemende samenhang waar vooEde werk-

gelegenheidsvariabele, en een afnemende samenhang met de

woningindicator (dit uit zich in coefficientswaarden en t-

waarden, voor beide jaren). Voor de hoger opgeleiden vinden

we dus een grotere samenhang met de werkgelegenheids-

attractie dan voor lager opgeleiden. Dit valt wellicht te verkla-
ren uit de relatieve schaarste van banen voor hoger opgeleiden

in de noordelijke provincies ten opzichte van andere provin-

cies. De woningindicator vertoont daarentegen meer samen-

hang met het aantal lager opgeleide migranten. Dit zou

kunnen duiden op een soort complementariteit in het beslis-

singsproces: als aan de woonwensen gemakkelijk te voldoen is

(dit geldt voor de hoger opgeleiden met hun hoge inkomens),

is .de werkgelegenheid een belangrijkere factor. In andere

situaties vormt de huisvestirigssituatie de belangrij kste factor.

Ten aanzien van de afstandsgevoeligheid is er in 1971 een

toename met het opleidingsniveau waarneembaar. Voor 1975

is deze tendens niet aanwezig, zodat we geen duidelijke

verschillen tussen de groepen kunnen aantonen. Bij de con-

stante term is wel een duidelijk patroon aanwezig: deze neemt
in waarde en in significantie zeer sterk toe met het opleidings-

niveau. Dit geeft aan dat de interregionale stromen een vaste

component vertonen, die belangrijker is taarmate de oplei-

ding hoger is. We zouden kunnen stellen dat dit duidt op’een

grotere algemene mobiliteit van hoger opgeleiden (d.w.z. niet

afhankelijk van de opgenomen indicatoren).

Bij vergelijking van de jaren 1971 en 1975 is de waargeno-

men tendens voor de totaalstroom ook per groep herkenbaar.

Opvallend is de sterke mutatie in de cofficinten van WBB en

WON voor de groep hoger opgeleiden. Voor deze groep is er

in het laatste jaar sprake van veel sterkere associatie met de
variabelen WBB.en WON. Bij de andere groepen verandert de

belangrijkheid van de werkgelegenheidsvariabele weinig en

neemt die van de huisvestingsvariabele toe. De stromen hoger

opgeleide migranten blijken dus meer conjuncturel gevoelig

(immers in 1975 was de algemene arbeidsmarktsituatie slech-

ter dan in 1971).
De relaties voor de migratie uit noordelijke provincies

(tabel 3) bevatten gedeeltelijk andere onafhankelijke variabe-

Ien.De mate van aanpassing is van gelijke orde als voor de
stromen naar de noordelijke provincies. In de tijd nemen we,

zowel hij de beschrijving der totaaistromen als per groep
afzonderlijk, een verbetering waar. Voor de totaalstromen

valt een wat afnemende samenhang met de werkgelegenheids-
variabele en de natuurvariabele op, terwijl er een zeer duidelij-

ke toenemende negatieve associatie met de werkloosheidsin-

dicator te constateren is. Ook bij de ondërscheiden groepen

valt de grotere samenhang met de werkloosheidsvariabele in

1975 op. Deze variabele was in 1971 niet of nauwelijks

significant en is dit in 1975 wel zeer duidelijk. Verder verdub-

belt de absolute waarde van de bijbehorende coëfficiënt,

hetgeen duidt op een grotere gevoeligheid voor de arbeids-

marktsituatie in een jaar waarin sprake was van een relatief

hoge werkloosheid. De samenhang van het aantal migranten

met de werkgelegenheidsvariabele vertoont weinig variatie,
terwijl die met de natuurindicator iets toeneemt in de tijd.

Voor de migratie uit noordelijke provincies vinden we

alleen voor 1971 een toename van R
2
met een toename van het
opleidingsniveau. De samenhang met de’werkgelegenheidsva-

riabele neemt voor deze migratiestromen enigszins af met

toenemende scholing, echter minder duidelijk dan het omge-

keerde verband bij de migranten naar het Noorden. De

samenhang met de werkloosheidsvariabele varieert nauwe-
lijks met de opleiding. Dit is niet zo vreemd, aangezien we

geen opleidingsspecifieke werkloosheidsindicator konden

gebruiken. De natuurindicator blijkt, met name in 1975, voor
hoger opgeleiden sterker met het aantal migranten in verband

te staan dan voor de lager opgeleiden. De associatie met de

interregionale afstand lijkt, vooral in 1971, toe te nemen met
de genoten opleiding. Voor de constante term vinden we een

soortgelijk patroon als bij de migratie naar het Noorden.

Tabel 3. Relaties voor beroepsmigratie uit noordelijke pro-

vincies, 1971 en 1975 (loglineaire relaties)

Onderwijsniveau
I.o.
u.i.o
m.o.
+
ho.
totaal

cokff.

t a)

cokff.

t

cohff.
t
cokff.
t

1971
0,30
2,41
0,68
5,41 1,39
12,08
0,71
5,97
Werkzame beroeps-
bevolking (WBB)
0,61 4.71
0,56 4,44 0,55
4,77 0,58
4,69
Werkloosheid (WL)
-0.28

1,37
-0,24

1,07
-0,23

1,03
-0,26

1,28
Natuur (NAT)
0,38 2,45
0,39 2,46 0,44
2,86
0,40
4,69
Afstand (D)
..

1,79

13,32

1,81

13,25

1,92

15,20

1,84

14,21
0,90
0,91
0,93
0,92

Constante

……..

R
2

……………

1975
0,21
2,42 0,42
4,45
0,95 9,55 0,55
6,31
Werkzame beroeps-
bevolking (WBB)
0,60
7,19 0,57
6,91
0,50
6,02 0.52
6,9.1

Constante

……..

Werkloosheid (WL)

0,55

3,67

0,55

3,28 –
0.56

3,04

0.54

3.57
Natuur (NAT)

.
0.37
2.81
0,43
2,86 0,48
3,08
0,38
2.83
Afstand (D)

…..

1.86

9,23

.95

18,50

1.95

17.61

1,89

19.71
3V

……………
0,94
0.94
0,93
0,94

a) De kritische grens voor de t-waarde bij twee-cijdig toetsen is 2.06 bij 5%onbetrouwbaar-
heid en 1,71 bij 10% onbetrouwbaarheid.

Besluit

We stelden ons tot doel voorsellingsrelaties vooraantallen
opleidingsspecifieke migranten te specificeren. Uit de boven
besproken resultaten blijkt dat we in staat zijn met drie resp.

vier variabelen steeds meer dan 90% van de variantie in de

waarnemingen te beschrijven. Ten aanzien van de afstands-

frictie vonden we geen duidelijke verschillen tussen de onder-
scheiden groepen migranten. De constante term in de relatie

(een algemene mobiliteitsindicator) neemt voor de stromen in

beide richtingen toe met het opleidingsniveau. De stromen
naar het Noorden vertonen een sterkere samenhang met de

woningi ndicator dan met de werkgelegenheidsindicator. Bo-

vendien neemt de.invloed van de eerste af met het opleidings-

niveau en die van de tweede toe. De stromen uit het Noorden

hebben een vrij grote samenhang met de werkgelegenheids-

variabele (voor alle groepen ongeveer gelijk). De associatie
met de natuurindicator is geringer, iets toegenomen in de tijd,

en positief gecorreleerd met het opleidingsniveau. De werk-

1oosheidsvariabele is alleen in het laatste jaar (1975) van be-
lang voor de beschrijving van de onderscheiden stromen uit

het Noorden. Per opleidingsniveau vinden we hiervoor geen

duidelijke verschillen.
Een voor de hand liggende volgende stap is het gebruik van

de geschatte relaties voor daadwerkelijke voorspellingsdoel-

einden. We doen dit voor het jaar 1980. Een beschrijving van
de methodiek en de verkregen resultaten
presenteren
we in
een onlangs verschenen FNEI-publikatie over de noordelijke

arbeidsmarkt 10).
C.P.A.
Bartels

J. ter Wèfle

0) FNEI,
De kwalitatieve structuur van de noordelijke arbeids-
.markt. Een eerste kwantitatieve anal)’se,
Assen, augustus 1978.

808

Toets op taak

Stadsvernieuwingsbeleid aan

vernieuwing toe

DRS. A. G. M. VAN DER MEIJS

Dit artikel beoogt een beoordeling te geven van het tot nu toe door de

rijksoverheid gevoerde stadsvernieuwingsbeleid, ten einde aan de hand hier

van enkele suggesties le doen voor toekomstig beleid. Daar ik me bij de be-
oordeling beperk tot het aan het licht brengen van de grote lijnen, zullen ook
de suggesties een schetsmatig karakter hebben. Om tot deze suggesties ze

komen wil ik me achtereenvolgens de volgende vragen stellen: 1. welke

factoren verklaren overheidsoptreden op het gebied van stadsvernieuwing

(waarom)?; 2. wat staat de overheid bij dit optreden voor ogen (doelstellin-

gen)?; 3. hoe ziet het bestaande instrumentarium eruit, welke nadelen zitten

eraan vast?; 4. hoe ziel de voorgestelde verbetering van het bestaande in-

strumentarium eruit, wat zijn de nadelen hieraan verbonden? Ik wil dit

artikel besluiten met: 5. suggesties om de genoemde nadelen (althans ge-

deeltelijk) weg te nemen.

1. Waarom stadsvernieuwingsbeleid

door de overheid?

Men kan stadsvernieuwing zien als

een onderdeel van het normale, continue
proces van uitbreiding, vervanging en

aanpassing van de gebouwde omgeving,
gericht op het scheppen en in stand

houden van de mogelijkheden voor het
functioneren van de stad en haar delen
1). Het zijn in de eerste plaats de gebrui-

kers die gebaat zijn bij dit goed functio-

neren. Men kan zich dan ook afvragen
waarom de gebruikers kennelijk niet be-

reid dan wel in staat zijn om, ten einde
van de baten te profiteren, niet ook de
lasten van stadsvernieuwing te dragen.

Dit laat zich vertalen in de hier relevante
vraag: welke factoren rechtvaardigen

overheidsingrijpen op het ‘gebied van
stadsvernieuwing?

Dit optreden wordt wel gerechtvaar-

digd door te wijzen op de urgentie van
de stadsvernieuwingsproblematiek of op
het feit dat grote groepen van de bevol-

king met stadsvernieuwing te maken
hebben. Deze methode rechtvaardigt in
feite niets, daar zij uiteindelijk niet met

argumenten komt voor optreden van de
overheid:
,,stadsvernieuwingsbeleid van
de overheid is zo belangrijk omdat het
zo belangrijk is”.

Volgens een tweede methode wijst men

op de positieve macro-economische ef-
fecten van een bepaald beleid, of op de
omstandigheid dat het ene beleid (stads-
vernieuwing) meer positieve effecten op-
levert dan het andere (verdere suburba-

nïsatie) 2). Het is, gesteld dat de gesig-
naleerde effecten juist gewaardeerd zijn,

plezierig te weten dat een bepaald beleid
iets positiefs aan onze welvaart toevoegt.

Dit rechtvaardigt echter geenszins dat
het de overheid moet zijn die deze taken op zich neemt.

Deze rechtvaardiging kan men wel op

het ‘spoor komen d.m.v. een motieven-
analyse 3). Een belangrijk motief om

binnen het volkshuisvestingsbeleid een

aparte plaats en extra aandacht te recht-

vaardigen voor stadsvernieuwing wordt

gevormd door het ontwikkelingsmotief.

Concreet wijst men daarbij meestal op
de omstandigheid dat, naast de normale
veroudering en het daarmee samenhan-
gende functieverlies, er in bepaalde

(oude) delen van de stad een steeds gro-
tere achterstand is ontstaan en nog ont-

staat in de normale vernieuwing van de.

stad. Door deze achterstand komt het
oude proces van herstel ,,van binnenuit”,
d.w.z. door het eigen initiatief van de
direct betrokkenen, slechts zeer margi-

naal op gang. Dit zou rechtvaardigen

dat de overheid door beïnvloeding ,,van
buitenaf’ de stadsvernieuwing van de

grond tilt 4). Het tot ontwikkeling bren-gen en het scheppen van mogelijkheden

voor dit herstel ,,van binnenuit” vormt
een belangrijk motief voor een aparte

plaats van stadsvernieuwing binnen het
volkshuisvestingsbeleid 4).

Het externe-effectenmotief, dat wel

wordt gehanteerd om een volkshuisves-
tingsbeleid te onderbouwen
5),
levert
mi. niet of nauwelijks een motief op

voor extra aandacht voor stadsver-

nieuwing binnen het volkshuisvestings-

beleid; daarvoor blijven te veel vragen

onbeantwoord, b.v. de vraag welke der-

den baat hebben bij deze extra aandacht.

Stadsvernieuwingsbeleid wordt ook

wel gerechtvaardigd met het inkomens-

verdelingsmotief. Voorzichtigheid is hier

echter geboden, omdat het lang niet uit-

sluitend minder draagkrachtigen zijn

die in vernieuwde woningen terechtko-

men. Hoewel men zich in dit verband
dan ook kan afvragen of stadsvernieu-

wing wel het, meest geëigende instrument
oplevert om de inkomensverdeling te
beïnvloeden, is een positief effect op de

inkomensverhoudingen weliswaar geen

voldoende, maar wel een extra motief

voor het stimuleren van stadsver-

nieuwing door de overheid.’

Over het algemeen moet de verklaring

van de omvang van het overheidsoptre-
den voor een groot deel 6) worden ge-

zocht ‘in ,,niet-economische” factoren, zoals het nastreven van eigen doelstel-

lingen door politici, parlementariërs, de
vierde macht en pressiegroepen. Het is, evenals bij de vorige methode, moeilijk

om aan te geven
in
hoeverre
het over

heidsoptreden wordt verklaard. Dit

geldt zowel voor het overheidsoptreden

in het algemeen als voor stadsver

nieuwingsbeleid in het bijzonder.
Samenvattend kan gezegd worden dat
omtrent een verklaring van overheids-

Vgl. A. Hendriks,
Economische aspecten
van stadsvernieuwing,
Deventer, 1973, blz.
9-12.
Vgl. de door H. J. Viersen (Volkshuisves-
ting) verdedigde stelling, dat stadsvernieuwing
minder kost dan verdere suburbanisatie,
Het Financieele Dagblad,
2 november 1977.
C. Goedhart, A. G. M. van der Meijs en
H. D. van der Staak,
Inleiding tot de leer der
openbare financiën,
Amsterdam,, 1977, blz.
8-12.
VgI. Memorie van Toelichting bij het ont-
werp van Wet op de Stadsvernieuwing, stuk-
ken Tweede Kamer, 1975-1976, 13924, nr. 3,
blz. 32.
Vgl.’ J. van den Doel, Het volkshuisves-
tingsbeleid,
in:
A. Hoogerwerf (red.),
Beleid
belicht,
deel 2, blz. 21, 22.
Voor zo’n 30 â
50%,
volgens Th. E. Bor-
cherding, The sources of growth of public
expenditures, in: Th. Borcherding,
Bud-gets and bureaucrats,
Durham, 1977, blz. 56.

ESB 9-8-1978

809

optreden inzake stadsvernieuwing der-

mate weinig bekend is, dat hier geen

houvast te vinden is voor een beoorde-

ling van het beleid. In plaats van deze

lacune op te vullen (dat zou in dit ver-

band te ver voeren) wil ik het stadsver-

nieuwingsbeleid van de overheid (hier

beperkt tot rijksoverheid) beoordelen

tegen het licht van de doelstellingen, die

eraan ten grondslag liggen. Toetsing van

de doelstellingen aan beleidsbepalende

factoren laat ik verder, hoe belangrijk

ook, voor wat zij is.

2.
Doelstellingen van stadsvernieuwings-

beleid

Een

doelstelling voor stadsver

nieuwingsbeleid, of een consistente
structuur van concrete en expliciete

doelstellingen, kan men bij stadsver

nieuwing niet ontdekken, hoewel aan

zo’n doelstellingenstructuur al enkele

jaren wordt gewerkt 7). Dit bemoeilijkt

in hoge mate een beoordeling van doel-

treffendheid (in hoeverre heeft het be-

leid tot effect dat de doelstellingen wor-

den verwezenlijkt) en doelmatigheid

(worden de doelstellingen bereikt met

zo weinig mogelijk middelen). Voor-

lopig zal men bij het beoordelen van
stadsvern.ieuwingsbeleid dan ook ge-

noegen moeten nemen met globale doel-

stellingen, wat uiteraard slechts een glo-

bale beoordeling mogelijk maakt. Uit

enkele recente begrotingen van Volks-

huisvesting en Ruimtelijke Ordening

(V.R.O.) en uit kamerstukkenter voor-

bereiding van een wet op de stadsver-

nieuwing kan men de volgende globale

doelstellingen destilleren:
• omkeren van een, doorjarenlange ver-

• waarlozing opgang gebracht, zich zelf

versterkend verpauperingsproces in

bepaalde stadsdelen door het doen

herleven van de belangstelling van de

bewoners in hun omgeving en het her-
geven van geloof in de mogelijkheden

van herstel en vernieuwing;
• (gedeeltelijk van de eerste doelstelling

afgeleid) voorkomen datjuistde minst
draagkrachtigen gedwongen zouden

zijn in een versleten omgeving te leven.

Voorts wil ik nog een tweetal rand-

voorwaarden noemen, op te vatten als

eisen aan het (te creëren) instrumenta-

rium, dat de overheid bij het voeren van
een stadsvernieuwingsbeleid ten dienste

staat 8):

• voorkomen dat de financiële tekorten
bij uitvoering van de vernieuwing voor

rekening van de gemeente blijven;

• duidelijkheid t.a.v. de subsidie: zoveel
mogelijk zullen financiële regelingen

de basis moeten vormen voor de ob-

jectieve vaststelling van de te vergoe-

den bedragen op zodanige wijze, dat

gemeenten vooraf bij benadering kun-
nen vaststellen op welke bijdrage zij
kunnen rekenen.

Een ,,test-case” voor de mate waarin

de doelstellingen tot uiting (gaan) komen

in het beleid, wordt gevormd door de

vraag: vinden we de hierboven geformu-

leerde doelstellingen en randvoorwaar-

den terug in het door het rijk gehanteer-

de begrip stadsvernieuwing? Waarom
het antwoord hierop ontkennend luidt
zal duidelijk worden wanneer men de

definitie uit het voorstel van Wet op de
stadsvernieuwing beziet. Daar 9) wordt

onder stadsvernieuwing verstaan ,,de

stelselmatige inspanning zowel op stede-

bouwkundig als op sociaal, economisch

en cultureel gebied, gericht op behoud,

herstel en verbetering – zomede, indien
nodig, op herindeling en sanering – van

stadskernen en daarbij aansluitende

stedelijke gebieden alsmede van andere

door dichte bebouwing gekenmerkte

centra van maatschappelijk leven”. Door

de veelomvattendheid (en daardoor

vaagheid) geeft deze definitie nauwelijks

een handvat voor het beoordelen van

beleid; de definitie geeft eerder een vrij-
brief voor handelen van de overheid dan

een. richtlijn.

Onderstaand wil ik in het licht van de

hier geschetste globale doelstellingen

achtereenvolgens het bestaande instru-

mentarium, alsmede de voorgestelde

verbetering hiervan bezien op hun doel-

treffendheid en doelmatigheid.

3.
Bestaand instrumentarium

Het instrumentarium wordt geken-

merkt door vele, over verschillende de-

partementen verspreide regelingen. Bus-

sink komt in zijn inventarisatie tO) tot
27 juridisch/organisâtorische en 25 fi-

nanciële instrumenten, waarvan hier een

kort overzicht. Dejuridisch/organisato-
rische instrumenten groepeert hij naar:

• planologisch beleid (o.a. structuur-

plan, bestemmingsplan, bouwveror-

dening);

• grondbeleid (o.a. koop, verkoop, ont-

eigening);
• bouwbeleid (o.a. aanschrijven tot het

treffen van voorzieningen, sloopver-

bod);
• beheersbeleid (o.a. hinderwet, ver-
keerswet).

Bij de financiële regelingen onder-

scheidt hij naar:

• objectsubsidies (o.a. beschikking gel-
delijke steun rehabilitatie, besluit bij-

dragen reconstructie- en sanerings-

plannen, lokatiesubsidie voor grond-

kosten);
• subjectsubsidies (o.a. beschikking
geldelijke steun bewoners bij woning-

verbetering en krotopruiming, indivi-

duele huursubsidies);

• garantieleningen (o.a. beschikking

deelneming rijk in garanties van ge-

meenten
bij
woningverbetering);

• andere subsidieregelingen (o.a. t.a.v.

wegverkeer en openbaar vervoer, par-

keervoorzieningen, samenlevingsop-
bouw).

Wanneer men de als interim-saldo-

regeling gepresenteerde ,,Beschikking

geldelijke steun stadsvernieuwing 1977″

(14 juni 1977) buiten beschouwing laat,

kunnen de bezwaren tegen het instru-

mentarium als volgt worden beschreven

11):

De hoogte van de financiële bijdragen

voor stadsvernieuwing is te gering –

er wordt te weinig geld voor uitgetrok-

ken. Het lijkt echter niet realistisch
een hogere prioriteit voor stadsver-

nieuwing te verlangen dan er nu al aan

gegeven wordt, gezien het tëit dat

de V.R.O.-meerjarenramingen voor

stadsvernieuwing 12) (het leeuwedeel

van de totale rijksuitgaven op dit ge-

bied) ongeschonden
Bestek ’81 heb-

ben overleefd, zelfs nog wat zijn ver-

hoogd (blz. 33).

De samenstelling van de financiële

bijdragen is onevenwichtig – er blij-

ven te veel kostenelementen buiten

beschouwing, terwijl de opbrengsten

geen rol spelen; een en ander wordt

nog eens versterkt door gebrekkige

coördinatie tussen gemeenten en rijk,

en tussen departementen onderling.

Deze onevenwichtige subsidiëring be-

vordert een onevenwichtige uitvoering

van stadsvernieuwing, b.v. te weinig

aandacht voor de omgeving of voor
preventieve stadsvernieuwing. Boven-

dien leidde de onevenwichtige subsi-

diëring ertoe dat gemeenten als gevolg

van hun stadsvernieuwingsactiviteiten

met aanzienlijke tekorten te kampen

kregen.

Juridisch! organisatorische bezwaren,

zoals het ontbreken van mogelijkhe-

den van gemeenten bij voorkeur of bij

Volgens COBA verkeert de uitwerking van
hoofddoelstellingen in subdoelstellingen bij
het ministerie van V.R.O. in het eindstadium.
Dit zal er zeker toe hebben bijgedragen dat
een interdepartementale doelstellingenstruc-
tuur voor het stadsvernieuwingsbeleid ,,nu
sneller opgesteld kan worden dan enige tijd
geleden mogelijk bleek te zijn”. Vgl.
Beleids-
analyse, 1978-2,
blz.
9, 10.
Vgl.
Tweede rapport van de Commissie ter
bestudering van de financiële consequenties van sanering en siadsreconszructie,
‘s-Gra-
venhage,
1974,
blz.
17.
Stukken Tweede Kamer,
1975-1976, 13924,
nrs.
1-3,
blz. 1.
P. L. Bussink, De lange weg naar een
Wet
op
de stadsvernieuwing,
!ntermediair,
4
maart
1977,
blz.
5.
II) Hierbij baseer ik me
op
F. L. Bussink,
t.a.p., blz.
5,
alsmede
op
het
Tweede rapport
van de Commissie Ier bestudering van defi-
nanciële consequenties van sanering en stads-
reconstructie,
‘s-Gravenhage,
1974,
blz.
11-12.
De door deze commissie in 1971 geformuleer-
de bezwaren zijn in grote lijnen nog steeds
van toepassing, ondanks sindsdien gecreëerde
of gewijzigde instrumenten (de interim-saldo-
regeling buiten beschouwing gelaten).
12)
Vgl. N. C. M. van Niekerk, Stadsver-
nieuwing: rijksbeleid en financiering,
Open-
bare Uitgaven, 1977,
no.
6,
blz.
256.

810

voorrang panden te verwerven zonder

een speculatieprijs te betalen, of om

eigenaren tot verbetering van wonin-

gen te bewegen; voorts ook langdurige

procedures bij bestemmingsplannen

en gebrekkige coördinâtie.

Met het oog op deze financiële enju-

ridisch/ organisatorische bezwaren tegen

het vigerende instrumentarium zijn de

laatste jaren verschillende wetsvoorstel-

len gedaan om hieraan tegemoet te ko-

men. Van deze voorstellen wil ik er vier
noemen; de eerste drie zijn vooral van

juridische aard en hebben een algemene

werking, bij het vierde, slechts voor aan-

gewezen gemeenten en gebieden gelden-

de voorstel, ligt de nadruk meer op or-
ganisatorische en financiële aspecten.

4. Voorgestelde verbetering

Een wijziging mde Woningwet beoogt
gemeentebesturen ruimere bevoegdheid
te geven eigenaren van onroerend goed
aan te schrijven bepaalde verbeteringen

aan hun panden aan te brengen, b.v.
splitsing of samenvoeging van woningen,

onder voorwaarde dat een passende sub-

sidieregeling aanwezig is. In samenhang

hiermee wil het ontwerp van Wet huur-

prijzen verbeterde woningen de minister

van V.R.O. de bevoegdheid geven de
huurprijzen vast te stellen van woningen

die met rijkssubsidie dan wel ingevolge
een aanschrijving tot verbetering zijn

verbeterd. Het ontwerp van Wet voor-

keursrecht gemeenten beoogt dat ge-
meenten al in een vroeg stadium gronden

en onroerend goed kunnen verwerven,
die voor de uitvoering van stadsver-

nieuwingsplannen van belang zijn. Voor

de meest urgente gebieden zullen deze
instrumenten onvoldoende zijn om de

knelpunten rond stadsvernieuwing weg
te nemen. Op deze urgente gebieden zijn

dan ook zowel het ontwerp van Wet op

de stadsvernieuwing (WSV) als de in-

terim-saldoregeling gericht. Hoewel bei-
de regelingen in principe een algemene
geldigheid hebben, zijn zij in feite beide
te beschouwen als een (aanvullende)

,,(nood)regeling stadsvernieuwing grote

steden” 13). Wat gaat de WSV voor deze
gemeenten nu eigenlijk betekenen?

In de aangewezen gemeenten moet de
raad op zijn minst besluiten wat de uit-
gangspunten van stadsvernieuwing zijn.
Op grond hiervan kan de gemeenteraad
besluiten een gebied of gebieden aan te wijzen als vernieuwingsgebied. Dit z.g.
aanwijzingsbesluit moet al vrij gedetail-
leerd zijn en onder meer aangeven of

men voor het gebied een herindelings-
plan of een verbeteringsplan wil vast-
stellen 14). Vervolgens kan de minister

van V.R.O. het aanwijzingsbesluit (al
dan niet) goedkeuren. Goedkeuring
houdt in dat de gemeente er in principe

op kan rekenen dat het rijk 100% van
het saldo van nader omschreven kosten

en opbrengsten voor zijn rekening
neemt.
Ontegenzeglijk bieden de hier ge-

schetste wetsvoorstellen de gemeenten

extra instrumenten om stadsvernieuwing

aan te pakken. Ik ben echter van mening

dat de doelmatigheid (en ook de doel-

treffendheid) nogal te wensen overlaat.

Ten einde dit toe te lichten wil ik een

tweetal bezwaren tegen de voorgestelde

verbetering van het instrumentarium

naar voren brengen.
In de eerste plaats is het de bedoeling

in de WSV zoveel tegelijk te regelen, dat

hierdoor de wet (gezien de budgetre-

strictie, zie noot 12) slechts voor een

klein aantal gemeenten zal kunnen gel-

den, waarmee zij voor een groot deel
haar doel voorbijschiet: voor het groot-

ste deel van Nederland blijven veel van

de in de WSV gegeven instrumenten on-

bereikbaar. Hierdoor blijven de finan-

ciële bezwaren (samenstelling subsidie-
pakket) en dejuridisch/ organisatorische

bezwaren voor een groot deel bestaan

(zie par. 3).
Een tweede bezwaar betreft de om-

slachtigheid van de in de WSV voorge-

schreven besluitvormingsprocedures,

waardoor de organisatorische bezwaren

Deze rubriek wordt verzorgd door het

Instituut voor Onderzoek

van Overheidsuitgaven

tegen het bestaande instrumentarium (zie par. 3) eerder worden versterkt dan weg-

genomen. Hiermee wordt de voortgang
van de stadsvernieuwing naar mijn idee

onnodig tekort gedaan, dreigt stadsver-

nieuwing onnodig te worden gefrustreerd

door een procedurele lijdensweg. Deze
bezwaren worden in het geheel niet weg-

genomen (wellicht het tegendeel is het

geval) door het recente voorstel 15) van
de bewindslieden om, zonder de proce-

dures op zich te veranderen, de lengte

van enkele daarin genoemde, wel wat

lang uitgevallen termijnen te bekorten.

5.
Suggesties

Mijn eerste bezwaar komt erop neer
dat er een vrij
principieel
verschil bestaat
wat betreft het ter beschikking staande instrumentarium tussen enkele aange-

wezen gemeenten (gebieden) en de rest

van de gemeenten, terwijl, wat betreft de mate van urgentie van stadsvernieuwing,
gemeenten slechts
gradueel
van elkaar
verschillen. Een meer getrapte regeling,

die nauwer aansluit bij de urgentiever-

schillen tussen gemeenten, verdient dan
ook de voorkeur.
Een van de manieren om dit te berei-ken is door de juridische en organisato-rische instrumenten te ontkoppelen van

het financiële regime. Het extra juridi-

sche en organisatorische instrumenta-

rium (b.v. betreffende onteigeningsrecht

en voorkeursrecht) kan dan ter beschik-

king worden gesteld van gemeenten die

dit extra instrumentarium goed kunnen

gebruiken. Hierdoor krijgen gemeenten

extra instrumenten in handen zonder dat

dit de rijksuitgaven hoeft te vergroten.

Een dergelijk voorstel is ook te beluiste-

ren vanuit de bijzondere kamercommis-

sie voor stadsvernieuwing 16).
Een andere suggestie is om tussen het

,,saldo-instrument” en het ,,niet saldo-

instrumentarium” een midden-echelon

te creëren, ten einde gemeenten een beter

gevulde gereedschapskist te bieden zon-
der dat dit tot extra financiële lasten

voor het rijk hoeft te leiden (dit laatste

is immers de reden om de interim-saldo-

regeling en de WSV tot enkele, hier te

noemen A-gemeenten, te beperken). Het

is denkbaar gemeenten, die hiervoor in

aanmerking wensen te komen, aan te

wijzen als hier te noemen B-gemeenten,

welke evenals A-gemeenten onder het

saldo-regime vallen, met dien verstande

dat slechts een x-percentage(x<100) van

het saldo wordt vergoed, zodat dit niet

of nauwelijks tot extra financiële conse-

quenties voor het rijk hoeft te leiden 17).

Voordelen van deze getrapte regeling zijn een rechtvaardiger behandeling van

gemeenten, een meer evenwichtig pakket

van kosten en opbrengsten (stadsver-
nieuwing kan in een meer wenselijke
richting gestuurd worden), betere co-
ordinatie tussen rijk en gemeenten, maar

Vgl. W. Kuizinga, Ontwerp van Wet op de stadsvernieuwing – een verkeerd gevulde
gereedschapskist,
Tijdschrjft voor Openbaar
Bestuur,
2
februari
1978,
blz.
56.
Zie ook stukken Tweede Kamer, zitting
1977-1978,
3924,
nr.
12,
blz.
5.
De interim-saldorege-
ling geldt thans voor acht grote gemeenten,
t.w. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag,
Utrecht, Groningen, Leiden en (sinds april
1978)
Alkmaar en Haarlem, terwijl de
M.v.T.
van het ontwerp
WSV
aangeeft dat de WSV
om budgettaire redenen tot een betrekkelijk
klein aantal grote gemeenten beperkt zal
moeten blijven.
Een verbeteringsplan is in hoofdzaak ge-
richt.op behoud en herstel van woningen en
omgeving, terwijl een herindelingsplan tevens
reconstructie en sanering kan omvatten. Van-wege het zwaardere karakter van het herinde-
lingsplan
is
voor dit plan een zwaardere pro-
cedure voorgeschreven. Ik vraag me echter
af of dit argument voldoende is om twee af-
zonderlijke planfiguren in het leven te roepen,
mede gezien de problemen van afbakening
tussen behoud/herstel en reconstructie/sa-
nering.
IS) Stukken Tweede Kamer, zitting
1977,
3924,
nr. II, blz.
1-2.
Stukken Tweede Kamer, zitting
1976-
1977, 13924,
nr.
7,
blz.
4;
zitting
1977, 13924,
nr.
9,
blz.
4;
zitting
1977-1978, 13924,
nr.
12,
blz.
2, 4, 6, 16.
Zie voor een vergelijkbaar voorstel het
Rapport van de Werkgroep Aanvullende Re-geling Stadsvernieuwing (WARS),
Naar een
Wei op de stadsvernieut’ing,
‘s-Gravenhage,
1974,
blz.
54155.

ESB9-8-1978

811

vooral binnen het rijk (centrale indiening.

en beha’ndeling; var, aanvragen voor

saldo-bijdragen). Een nadeel van het

bestaande
instrumentarium,
ni. dat fi-

nanciële tekorten bij gemeenten blijven

besfaan, wordt door een getrapterege-

ling niet of nauwelijks weggenomen. Zo-

lang de bomen niet tot in de hemel

groéien is dit nadeel ook moeilijk weg
te nemen. Samenvattend komt het mij

voor dat een getrapte regeling een eind-

weegs tegemoet komt aiin de juridisch!

organisatorische en fiflanciële, (samen,-
stelling subsidies) bezwaren, vermeld in
par. 3:

Mijn tweede bezwaâr. betreft de goed-

keurings-en beroepsprocedures voor ge-

meenteljke aanvragen yan saldo-bijdra-

gen van het rijk. Volgens de Memorie

van Toelichtitig bij het ontwerp van

WSV (tap., blz:49), moet bij het schep-

pen van procedures ,,een zorguldige

afweging ( ….. ) plaatsvinden van hetbe-

lang van een voortvarende uitvoering

tegen dat van een. voldoende mate van

rechtszekerheid”. Het komt mij voor

dat, met behoud van voldoende rechts-

zekerheid, een meer voortvarende uit-

voering mogelijk is dan met de huidige
c.q. voorgestelde procedures het. geval

is. Vertraging van de benodigde stads-

vernieuwingsprojecten is immers niet zo-
zeer een gevolg van te weinig instrumen-

ten, maar meer van de ingëwikkeldheid
van bevoegdheden en regels op het, ge-

bied van stadsvernieuwing 18). Het past

dan iok helemaal in deze visie dat eer-

dergenoemde kamercommissie'(die zich

daarbij gesteund weet door de belang-

rijkste adviesorganen op dit gebied)

m.b.t. dè uitbreiding van, de gereed-

schapskist aandringt .op slagvaardiger

procedures en een betere aansluiting bij

bestaande instruménten 19); perfectio-

nisme maakt dat stadsvernieuwingsbe-

leid zijn doeÏ voorbijschiet:
‘Suggesties voor slagvaardiger en meer
bij het bestaande aansluitende plânpro-

cedures.zijn o.m. te vinden mde aanbie-

dingsnota van het voorontwerp van

WSV 20), bij Kuizinga 21) en bij de Na-

tionale Woningraad 22). in grote lijnen
behelzen deze voorstellen integratie van

aanwijzingsbesluit,

verbeteringsplân,

herindelingsplan en eventueel leefmilieu-

verordening en onteigeningsplan 23) tot
één planfiguur, nI.het stadsvernieu-

wingsplan, met daarin twee versies. Een
globalé versie zou de gerneenteal in een

vroeg stadium de principe-toezegging
van ‘rijksbijdrage conform de saldo-

regeling kunnen opleveren, om vervol-
gens via (gecoördineerd) overleg tussen

gemeente en rijk te komen tot een op

uitvoering gerichte, gedetailleerde versie
24).

A.,G.
M. van der Meijs

18) Vgl. stukkën Tweede Kamer, 1976-19.77
13924, nr. 7,’ blz. 16-17.
.19) Vgl.stukken’Tweede Kamer, 1977-1978,
l3924, nr. 12, m.n. blz..2, 3,
5
1
6.
,

20) Stukken Tweede Kamer, zitting 173-
1974, 12790, nr. 2, m.n.blz. XVI-XXII. Later
hebben deze, op ideeën van dé WARS geënte, regeringsplannen zich ontwikkeld tot een pro-
cedure die weliswaar meer perfectionistisch, maâr m.i.ninder slagvaardig is en minder bij
het bestaandë aansluit. ,
2,1) W. Kuizinga, t.a.p.
22) Commentaar NWR,’ hoofdstuk 4, blz:
33-39, ter inzage neergelegd op’de griffie van de Tweede Kamer.
’23) Vgl. Raad van Advies voor de Ruimte-
lijke Ordening, stukken Tweede Kamer, 1976-
1977, 13924, nr. 6, blz. 27.
.11

24) Over de rol van de provincies bestaan uit-
eenlopende visies. Vgl. W. Kuizinga, tap.,
blz. 58/59; zie ook stukken Tweede Kamer, zitting 1977-1978, ‘13924, nr. 12, blz. 3; zie
ook Rijksplanologische Dienst,
Jaarvers/ag
1977
‘s-Gravenhage, 1978, blz. 95
;
195/196.

Esb
. . Mededeling

‘Onderneming en omgeving.’

Op, maandag 2 en dinsdag 3 oktober
a;s. organiseert de Stichting Bedrijfskun-
de te, Delft samén met het Nederlands
Genootschap voor Public Relations een
seminar over ,,Onderneming en omge
ving”. . ,

Plaats:

Stichting
,
.Bedrijfskunde,

Poortweg 6-8, Delft. Kosten,: f. 750;—.

Inlichtingen: Ir. T. J. W. van der Meulen

en Mej.. M. Berkelaar, Stichting Bedrijfs

kunde, Poortweg 6-8, Delft, tel.: (015)

56 92 54:

812

Vacatures

/ \//

f0
IY HIJ

1

etrist isiskundig econoom soor
dc
‘tichtiiig
t ii
rgie-oiide’rioek (. e’ntruin ‘,edtrI,iiid te I’elten
Region.ial-noniich niecleiserker soor de Slichting
F
uiiornisch’
T
ei hnoliigisch Instituut snor
Juid’l lol-
land

F,M iii

JHII

.lgeriieen econoom
(tii./
. )
niet afstudeerrichting open-
hare finani ien en/of belangstelling

oor sectorale
econoniischc ontisikkehingen en anlstisehe inslag
‘oor de atioriale /ickenhoisraud te t trecht
l)rs. Bedrijfse ononie’trie
s
mr de staf’afdeling Bedrijf. kundig Restare h hij Vroom en l)rei’smann \ederlind
B
te
iterdain

8h.:

1 unctie:

liii

Regionaiil-cconoorn
s
oor het (,cisest s-(,ra’ enhage

7(4
T
conoom len behoes
e i
an de marketing hij de
I’l 1

II
\djunct-directeur hinane iën en administratie

II

hij de Veekhladpers te \msterdini

III
T rs .iren pionier
s
oor de functie
E
Ui’opeaii manager
financial planning
&.
analisis niet
ccii
bcdrijfsecono-
inischu dan
iiul
f’in4flckul’adniinistratirs
u
opleiding
op
unis t rsltair no eau voor de
1
ilropese organisatie

in een onderneming in de computer-branche

1

HO
– JJii’fI (ii

Registeraccountarits (iii.
s.)
500F
de Interne Aeconn-

753

san de \mro
8ah
te ‘tinsterdani

l
Cci
orderde assistent-accountants (m./s .) snor de In-
terne accountantsdieiist sail de kinro Bank te
ister-

761

dam

IV

Auteur