ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
UITGAVE VAN DE
I5OKTOBER 1975
E.5IuuIP
STICHTING HET NEDERLANDS
60eJAARGANG
ECONOMISCH INSTITUUT
No. 3023
Parlement en bedrijfsleven
Neil Chamberlain heeft eens gezegd, dat ,,organized
business”, het georganiseerde bedrijfsleven, opgebouwd uit
organisaties van ondernemers, werknemers, middenstanders,
boeren enz., te zamen een soort alternatief parlement vormen
,,more truly representative for the American people than
congress itself’ 1). Er is een andere analogie die ik bij meer
dan één schrijver vond, waarbij men de mogelijkheid van het
bedrijfsleven om winst te maken ziet als een manier om be-
lasting te heffen van het publiek om nieuwe research en
nieuwe investeringen te financieren (bijv. Peter F. Drucker in
The new society).
Men zou ook een analogie kunnen zien
tussen de vakverenigingen, die vragen om het werknemers-
deel van de produktie-opbrengst, in de vorm van lonen en de
manier waarop de overheid uit dezelfde opbrengst haar deel
tracht binnen te krijgen.
Wanneer men de Algemene politieke beschouwingen, zoals
die vorige week in de Tweede Kamer werden gehouden,
volgt dan blijken zulke analogieën toch wel werkelijkheid te
bevatten. Het georganiseerde bedrijfsleven heeft vlak voor de
parlementaire discussie zijn wensen met grote duidelijkheid
en ook met ongekende kracht (men denke aan de pagina-
grote advertentie van de gezamenlijke ondernemers-
organisaties) naar voren gebracht. Bovendien, men spreekt
in de Kamer niet slechts over de eigen belastingheffing van de
overheid, maar ook over de mogelijkheid om door lasten-
verlichting voor het bedrijfsleven de winsten weer wat te
herstellen, waartoe zowel de fiscus als de vakvereniging
worden gevraagd een offer te brengen.
De analogieën blijken het dan eigenlijk bijzonder goed
te doen. Fiscus en vakverenigingen blijken te concurreren
om hun deel in de produktie-opbrengst. Maar de fiscus en de
onderneming blijken ook te concurreren, wanneer het gaat
om de heffing van belasting, resp. het maken van winst ten
koste van het publiek. Het georganiseerde bedrijfsleven functioneert zo niet als
een alternatief parlement, maar als een aanvullend parle-
ment, dat ten aanzien van belangrijke punten wezenlijke
macht heeft. Wanneer parlementariërs vakverenigingen
vragen zich meer te matigen dan waartoe zij zich bereid tonen,
dan zullen zij zich die macht terdege moeten realiseren.
Natuurlijk kan de overheid in laatste instantie haar gezag.,
doen gelden om de loonvorming bij te sturen, maar zij zal het
niet zo gemakkelijk tot een krachtmeting laten komen.
Net zo min als zij in het parlement regelmatig het onaanvaard-
baar zal willen laten horen, zal zij de ,,sociale partners”
anders dan in uiterste nood de (loon-)wet willen voorschrij-
ven. Andrew Shonfield wees er in een artikel in
Encounter
2)
op, dat men kan vaststellen hoe in verschillende West-
europese landen (hij noemt Duitsland, hij zou ook Neder-
land kunnen noemen) de vakverenigingen bereid waren tot
matiging te komen, zonder dat de overheid de staatsmacht
in stelling behoefde te brengen: ,,it sufficed as a reserve power
to induce the main interest group to settle for a rational,
though unpopular, bargain”. Hij ziet hierin het bewijs voor
de fundamentele redelijkheid van de grote massa-organi-
saties en van hun vermogen om hun leden in toom te houden.
Dit is een optimistische visie op het functioneren van
parlement, overheid en georganiseerd bedrijfsleven. Men
zou ook op andere voorbeelden kunnen wijzen, zoals de
mijnwerkersstaking in het Verenigd Koninkrijk in 1974, met
als follow-up de nieuwe Labour-regering. Maar Shonfield
ziet dit als ,,quite untypical of Western industrial societies as a whole”. Om de analogieën nog even voort te zetten: nu het
bedrijfsleven door de internationale recessie inboet aan
mogelijkheden om inkomen (vooral extra inkomen) te
genereren, kan er gemakkelijk onenigheid ontstaan tussen
de gegadigden: de fiscus en de werknemers, die hun bron
van inkomen bedreigd zien.
Het is onwerkelijk te denken, dat binnen het parlement
deze problematiek geheel zou kunnen worden aangevat en
opgelost. Het parlement moet niet slechts rekening houden
met de mogelijkheden van het bedrijfsleven, maar ook met de
machtsposities binnen dat bedrijfsleven. De overheid is
partner in een overlegeconomie of wij dat nu aangenaam
vinden of niet. De mate waarin de massa-organisaties de door
Shonfield genoemde redelijkheid en zelfbeheersing weten
op te brengen, is net zo bepalend voor de mogelijkheid dat er
een goed beleid komt, als de aanwezigheid van voldoende
inzicht en besluitvaardigheid bij de overheid.
W. Albeda
t) N. Chamberlain, The organized business in America,
Journal
of
Politica! Economy, vol. LII,
nr. 2, juni 1944, blz. 97-111.
2) Oktober 1975.
993
Inhoud
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
1
Prof. Dr. W. Albeda:
Parlement en bedrijfsleven
……………………………….
993
Column
Industriebeleid,
door Dr. J. Bartels
…………….
………….
995
Dr. F. W. C. Blom:
Moet vermogensaanwasdeling overwinstafroming worden
9
………
996
A. H. J. van Heteren:
De verbroken verticale prjsbinding, het merkartikel en de horizontâle
prjsdwang…………………………………………..
999
Beroemde economisten. Adam Smith (1723-1790),
door Drs. H. M. Becker
1003
Prof Dr. A. Heertje:
De Cambridge-controverse en de werkloosheid
……………….
1004
Mededelingen
……………..
. ………………………
1005/1013
Dr. P. M. van Nieuwenhuyzen:
De positie van de zelfstandige ondernemers in de detailhandel ……
1006
Ingezonden
Hinderlijke
discriminatie
voor
ontwikkelingshulp
in
rapport-
Spierenburg, door Drs. H. H. J. Labohm,
met naschrift van
Prof Dr.
J
.
Pen
………………………………………………
1008
Hoe concurrerend is elektriciteit uit kerncentrales? (1),
door Ir. J. Pelser,
met naschrift van Drs. B. de
Vries
………………………….
1009
Hoe
concurrerend
is elektriciteit uit kerncentrales?(II),
door Drs.
H
.
G.
Wienke
………………………………………..
1011
Boekennieuws
…………………………………………..1012
Er zijn economen en economen. De goede lezen ESB.
Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.
NAAM’ ……………………………………………………
STRAAT’ ………………………………………………….
PLAATS’ …………………………………………………..
Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)’ ………………………
Ingangsdatum’ ………………………………………………
Ongefrankeerd opzenden aan: ESB,
Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM
Handtekening:
Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut
Redactie
Commissie c’an redactie: H. C. Bos.
R. lwe,na, L. H. Klaassen, H. W. Lamhers,
P. J. Montagne. J. H. P. Paelinck,
A. de Wij.
Redacteur-secretaris: L. Hoffinan.
Redactie-medewerkster: Mej. J. Koenen.
Adres: Burgemeester Oud/aan 50,
Rot terc/a,n-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (‘010) 1455 II, toestel 3701.
Bij adresicijziging s.c’.p. steeds ac/reshandie
meesturen.
Kopij voor de redactie:
in tcc’eevoud,
getipt, dubbele
regelafvtand,
brede marge.
Abonnementsprijs:f.
109,20 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studentenf 67,60
(md.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst von stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945
t. n. c’. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs van dit nummer / 3.-
(mcl. 4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 8408
t.n.
t’.
Stichting het-Nederlands Economisch
Instituut te Rotterdam Met-vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.
Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam Lange Haven 141, Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.
Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut
Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterdam-3016: tel. (010) 1455 II.
Onderzoekafdelingen:
A rbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrijfs-Economisch Onderfroek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch- Mat hemat isch Onderzoek
Transport- Economisch Onderzoek
994
Dr. J. Bands
Industriebeleid
Niemand zal de dagbladen verwijten,
dat hun sociaal-economische pagina’s
al gedurende lange tijd een steeds
somberder berichtgeving bevatten. Te-
recht stelde het Centraal Planbureau
in de Macro Economische Verkenning
1976, dat op dit ogenblik recessieve
tendenties nog de overhand hebben.
Terecht wijst diezelfde
Macro Econo-
mische Verkenning
erop, dat dit sombe-
re beeld op korte termijn sterk wordt
bepaald door het verloop van de buiten-
landse conjunctuur, maar het kan –
ik volg nog steeds de MEV—
niet
los worden gezien van een aantal struc-
turele trends in onze economie. ,,Het
betreft hier” – zo schrijft het Planbu-
reau – ,,de problematiek van arbeids-
plaatsen, reële arbeidskosten, kritisch
niveau van de arbeidsinkomstenquote
en relatieve hoogte der investeringen”.
Het is goed, dat het Planbureau, aan-
sluitend bij hetgeen eerder uitvoeriger
door dit instituut in zijn
Centraal Econo-
misch Plan
1975 werd uiteengezet, erop
wijst, dat de conjunctuurfase, waaraan
ons land zich niet kan onttrekken, niet
de enige verklaring is voor het zorg-
wekkende beeld van onze economie,
maar dat structurele aspecten uitermate
belangrijk zijn. Ik kan mij niet aan de
indruk onttrekken, dat de Nederlandse
overheid, die in de gemengde econo-
mische orde ook op economisch gebied
een belangrijke rol heeft te spelen, aan
de structurele aspecten van onze huidige
economische problemen te weinig aan-
dacht besteedt.
De
MEV 1976
gaat uit van ,,enig her-
stel van de binnenlandse conjunctuur”,
maar ook op basis hiervan wordt nog een
verdere toeneming van het aantal werk-
lozen berekend. Herstel van de conjunc-
tuur alleen kan de gesel der werkloos-
heid niet voldoende uitbannen. Een toe-
komstgericht economisch structuur-
beleid zal niet kunnen worden gemist,
wil de werkgelegenheid niet blijvend
in gevaar komen. Een beleid op dit ge-
bied is ook nodig, opdat ervoor wordt
gezorgd dat ons land van een komende
opleving van de internationale conjunc-
tuur maximaal kan profiteren. Onze
internationale concurrentiepositie, mede
aangetast door de appreciatie van de
gulden, zal hierbij een belangrijke rol
spelen.
Mij beperkende tot het industriële
bedrijfsleven, kan een gericht structuur-
beleid worden vertaald in de noodzaak
van een duidelijk industriebeleid. Het is hoog tijd, dat de overheid een industrie-
beleid tracht te formuleren in nauwe
samenwerking met het bedrijfsleven.
Op dit ogenblik beperkt de overheid
zich te zeer tot het leggen van noodver-
banden, als het ongeluk zich al heeft
voltrokken. Bedacht dient te worden,
dat voorkomen beter is dan genezen en
dat gouverner prévoir is. Ten aanzien
van de basis, waarop zulk een te ontwer-
pen industriebeleid zal dienen te stoelen,
lijkt de keuze niet moeilijk. Centraal
zullen moeten staan het werkgelegen-
heidsaspect en de noodzaak van een se-
lectieve economische groei. Dat bij het
nastreven van deze doelstellingen op dit
ogenblik een groot knelpunt vormt,
dat de rentabiliteit van het Nederlandse
bedrijfsleven zeer onvoldoende is, zeg
ik minister Lubbers met overtuiging na.
Het Centraal Planbureau stelt met reden
in de
MEVl976vast,datin
1975eenver-
dere achteruitgang van de rendements-
positie van het bedrijfsleven een on-
ontkoombare zaak is. ,,Uiterst somber”
– zo concludeert het Planbureau –
,,moeten dan ook uit dien hoofde de
investeringsperspectieven voor de ko-
mende jaren worden beoordeeld. Som-
ber ook zijn daarom de vooruitzichten ten aanzien van de werkgelegenheids-
ontwikkeling in de nabije toekomst”.
Het formuleren door de overheid
van een industriebeleid veronderstelt
het kwantificeren van de gewenste ren-
dementsontwikkeling, van de nood-
zakelijke en gewenste economische
groei, van de verhouding tussen de over-
heids- en de particuliere bestedingen en
van de verhouding tussen consumptie
en investeringen. Ik beperk mij tot de
belangrijkste sociaal-economische fac-
toren. In onze gemengde economische
orde past daarbij een duidelijk aangeven
door de overheid van de door haar ge-
wenste voorwaarden, die gesteld zouden
moeten worden aan de industriële ont-
wikkeling, zoals een kwantificering
van het te verwachten arbeidsaanbod,
de gewenste regionale spreiding, milieu-
normen enz. Als aldus door de overheid
is aangegeven welke de industriële ont-
wikkeling is, die zij nastreeft, past het
alweer in onze gemengde economisch
orde, dat het bedrijfsleven aangeeft op
welke wijze en in hoeverre het meent
een bijdrage te kunnen geven aan de door
de overheid geschetste economische.ont-
wikkeling.
Binnen het kader van een column
is het niet mogelijk in detail weer te
geven, op welke wijze een geïnstitutio-
naliseerd overleg tussen overheid en be-
drijfsleven als hierboven globaal aan-
geduid zal dienen te worden geformali-
seerd om een efficiënt industriebeleid
te formuleren. Wel moet nog worden
gewezen op de dringende noodzaak,
dat zulk een beleid niet alleen zal hebben
te functioneren binnen ons economisch
systeem, maar ook zal moeten worden
afgestemd op de bestaande internationa-
le economische verhoudingen. Zeker
onze zo open economie en onze zo van
het buitenland afhankelijke positie zal
zich aan de internationale realiteit niet
kunnen onttrekken. Het ware ook in dit
verband wenselijk, dat bijv. binnen de
EG een industriebeleid zou zijn gefor-
muleerd. Dan zou dat zeker van niet
geringe betekenis blijken te zijn voor het
door ons land te ontwerpen industrie-
beleid.
Veel aandacht zal in de voor ons lig-
gende periode moeten worden besteed
aan de problemen, die – hopen wij –
van tijdelijke aard zullen zijn. Maar,
zoals al gezegd, dit mag ons niet doen
onderschatten de veelal structurele
vraagstukken die in belangrijke mate
onze economische toekomst zullen
beïnvloeden. Bij het overleg over het te
formuleren industriebeleid zal nauw
overleg tussen de overheid en het ge-
organiseerde bedrijfsleven noodzakelijk
zijn. Een belangrijke rol zal daarbij
op nationaal niveau dienen te worden
gespeeld door de centrale organisaties
van werkgevers en werknemers. Grote
aandacht voor de structurele problemen
van onze Nederlandse economie is zeker
geen luxe. Getuige de aanvang van de
samenvatting in het hoofdstuk ,,De
verwachtingen voor 1976″ uit de
Macro
Economische Verkenning 1976:
,,Blij-
kens de in de voorgaande paragrafen
besproken projecties ontstaat een beeld
voor de Nederlandse economie dat
enerzijds wordt gekenmerkt door een
conjunctureel herstel van bescheiden
omvang en anderzijds wordt bepaald
door meer structurele bewegingen, welke
voor de nabijgelegen toekomst een niet
onverdeeld gunstige ontwikkeling be-
loven”.
vr
ESB 15-10-1975
995
Moet vermogensaanwasdeling
overwinstafroming worden?
DR. F. W. C. BLOM
Het regeringsplan voor cle verinogensaanwasdefing is niet het meest voor de hand liggende, een’ot,digste of
minst ingrijpende middel ter verwezenlijking van de plannen la. v. heziisspreiding. Het Nederlandse plan is zo lilge-
wikkelcl en aan nevenhedoelin gen gekoppeld,
(1(11
slechts een kleine kring van kenners het kan overzien en cloorien.
Tot deze conclusie komt Dr. F. W. C. Blom, directeur van een bureau voorfïnancieeI management. Hij vergelijkt
hiertoe het A’ederlandse plan met plannen, zoals deze in Engeland, Duitsland en Denemarken zijn ont it’ikkeld en
die ciiie ccii horizontale” heziisspreiding over de gehele werkende bevolking beogen. Er bestaan
O.U.
verschillen
i.a. v. cie heffingsgroncislagen, uiulelingsgerechiigden en uitkeringsvormen. Zo is in Nederland, in tegenstellingtot
Engeland en Denemarken, het aantal gerechtigdemi beperkt tot ongeveer de he/fi van cle iverkencie bevolking en is in
A’eclerland cle collectiveringsgeclachte het einddoel (het horizontale” nationale i’ad-deel wordt levenslang geblok-
keerc/,l, terit’ijl er daarentegen in Engeland, Denemarken en Duitsland sprake is van de emnancipatiegedachte (vom’-
men van individueel bezit voor cle werknemers).
De regering is van plan snel een wettelijke afroming van
overwinsten van ondernemingen in te voeren, om de op-
brengst daarvan beschikbaar te stellen voor bezitsspreiding. Nederland zou dan het enige westerse land worden, waar op
overwinsten van ondernemingen extra-lasten worden ge-
legd. Dit is een heel curieus geval.
Vermogensaanwasdeling (vad)
De algemene grondgedachte van dit magische begrip is, dat van de
aanwas van hei nationale vermogen
een deel zou
worden aangewend om de bezitsspreiding krachtig te bevor
–
deren. In de meeste democratische hoogontwikkelde landen
bestaan al lang strevingen in die richting. Bij toegenomen
welvaart en ontwikkelingsniveau van de brede massa is het
wenselijk dat de emancipatie wordt aangevuld met een fi-
nanciële ontproletarisering, dus met het verbreiden van een
volkskapitalisme en enige democratisering in bezitsverde-
ling. Althans, dat bedoelen vele voorstanders, die het kapi-
talistische stelsel met de vrijheden en verantwoordelijkhe-
den van alle individuen in betere banen willen sturen. Daar-tegenover staan ook andere meer collectivistisch ingestelde
voorstanders, die het aan de brede massa toe te delen bezit
tegelijk weer zouden willen bundelen tot collectieve beleg-
gings- en/of pensioenfôndsen voor werknemers onder de
macht van werknemersvertegenwoordigers.
Men wil daarbij met zo’n ,,deling van de aanwas van het
nationale vermogen” niet het bestaande bezit van vermo-
gensbezitters aantasten (dat doet de overheid wel geleidelijk
aan met belastingen en successierechten); maar daarvoor
een stuk van de aanwas van de nationale rijkdom bestem-
men.
De algemene vad-gedachte berust dus op de veronderstel-
ling van groei van het reëel nationaal vermogen. Hoe har-
der dat groeit, des te meer ruimte voor vad zonder dat het
bestaande bezit in rechten en toenemingskansen wordt aan-
getast. Bij nul-groei zou vad per definitie ook nul worden.
Financiering van de vad voor bezitsspreiding
Hoewel het principieel zeker niet uitgesloten zou zijn een
en ander uit de belastingopbrengsten te financieren, is de
overheersende mening, dat het bedrijfsleven de middelen
daarvoor zou moeten opbrengen.
Om voor 3 â 4 mln, werknemers (het regerings-vad-plan
wil de ambtenaren erbuiten laten wegens hun buitengewoon
gunstige-pensioenaanspraken) een vad van enig belang –
zeg f. 200 per jaar per werknemer – te verkrijgen, is een
vad-afdracht door het bedrijfsleven nodig in de orde van
f. 800 mln.
Hoe men die last dan over de verschillende ondernemin-gen zou moeten verdelen, is meer een kwestie van doelma-
tigheid voor de functionering van het bedrijfsleven, dan
dat dit verband houdt met het doel van de bezitsspreiding.
Allerlei verdeelsleutels (heffingsgrondslagen) kunnen in
aanmerking komen. Men zou de vad-heffing onder meer
naar rato van volgende maatstaven kunnen doen:
• kapitaal en reserves;
• loonsom;
• toegevoegde waarde;
• winst;
• betaalde winstbelasting;
• overwinst.
Oude en jonge vad-plannen
In omringende landen is er ook al een langdurig en aan-
zwellend streven naar bezitsspreiding door aan de niet-ver
–
mogenden stelselmatig brokjes bezit toe te spelen. Bij al die
plannen wil men die toedelingen dan
tijdelijk aan spaar-
dwang
onderwerpen, opdat de nieuwe vermogensbezitters
aanleren dat zulk vermogensbezit bedoeld is om bewaard te
blijven. Nadat die spaardwang een beleggersmentaliteit
heeft aangekweekt, kan zij vervallen.
De geest des tijds verandert snel. Er zijn twee golveh van
vad-plannen te onderkennen met andere karakteristieken.
Rond 1968 dacht men aan vad-bezitsspreiding per onderne-
ming voor het daaraan verbonden personeel (dat noem ik
996
„verticale” bezitsspreiding). Rond 1974 gaan de gedachten
naar vad-bezitsspreiding naar alle werknemers gelijkelijk
(hetgeen ik met ,,horizontale” bezitsspreiding betitel).
Hieronder zal ik proberen enig overzicht over allerlei vad-
plannen te geven. Ter wille van de beknoptheid moet ik mij
wel beperken tot enige hoofdzaken, met weglating van be-
langrijke sub-details.
1968-goffl Nederland overweegt een personeels-vad-plan
Het SER-beraad liep uit (en dood) in een SER-vad-rap-
port van 1968. Werknemers dachten toen aan een winstde-
lingsregeling voor werknemers uit de onderneming, waarin
zij werkten. Zij zouden dan een aanspraak krijgen op een
deel van de overwinst. De onderneming zou dat beschik-baar stellen in geld, obligaties of aandelen. Dat potje zou
over het personeel worden verdeeld, en na een blokkerings-
tijd van bijv. 5 jaar ter vrije individuele beschikking van de
deelgerechtigden worden gesteld. De invoering zou geschie-
den bij vrijwillige overeenkomst tussen werkgevers en werk-
nemers, de cao-partners per bedrijfstak of per individuele
onderneming. In gevallen waarin zulk een vad geen deugde-
lijke of billijke oplossing zou zijn, zou als alternatief inves-
teringsloon moeten worden ingevoerd.
Werkgevers waren vierkant tegen dit plan en wel op tal
van overwegingen. Zij zagen wel wat constructiefs in winst-
delingsregelingen, om het personeel meer belang te geven
bij goede gang van zaken in het bedrijf, maar wilden dat
niet verplicht gaan opleggen.
1968: Frankrijk voert een verplicht personeels-vad-stelsel in
De Gaulle in
Frankrijk
nam wel een concrete stap. Hij
voerde in 1968 een verplichte winstdeling in, per onderne-ming, en nam de kosten daarvan initieel geheel voor reke-
ning van de staat.
Het personeel van een bedrijf kreeg aanspraak op een
portie in de
exploitatiewinst
(dat is niet de totale onderne-
mingswinst, maar de winst uit omzet na aftrek van de daar-
tegenover staande kosten; winsten en verliezen uit andere posten, zoals bijv. verkoop van vaste activa, vallen er bui-
ten). De werknemersportie in die exploitatiewinst wordt
met een bepaalde formule vastgesteld. Eerst wordt de ex-
ploitatiewinst verminderd met daarop drukkende 50% ven-nootschapsbelasting; vervolgens met
5%
vergoeding over
het eigen vermogen; het resterende is overwinst. De aan-
spraken van de werknemers daarin zijn naar rato van de
quote van de loonsom in de totale toegevoegde waarde in
de omzet. Van die loonquote-portie gaat de helft naar
werknemers. De onderneming kan dat bedrag in geld be-
schikbaar stellen, of met onderling goedvinden in aandelen
(hetgeen niet veel voorkomt). De aanspraken worden dan
over de personeelsleden verdeeld in hoofdzaak in evenredig-
heid met ieders loon; het personeel kiest dan een of andere
vorm van collectieve belegging; na 5 jaren mag ieder vrij
over zijn eigen bezit beschikken.
Dat werknemerswinstdeel wordt voor de onderneming
fiscaal aftrekbaar; bovendien mocht de onderneming
dan tegelijk nog eens hetzelfde bedrag fiscaal vrij reserveren
voor investeringen. Bij het belastingpercentage van 50 kreeg
de onderneming dus de gehele winstuitdeling aan personeel
weer terug uit besparing op belastinguitgaven. Dat gold al-thans ten volle in de eerste vijf jaren 1968-1972. De fiscale
subsidie is daarna verminderd. Momenteel mag de onderne-
ming nog slechts de helft van het uitgedeelde bedrag reke-
nen voor het fiscaal Vrij vormen van investeringsreserve; de
staat draagt dus nog slechts 75% van de kosten.
In de 1968-gedachtengang berust vad op een saamhorig-
heidsgedachte per onderneming van kapitaalverschaffers en
personeel. Men dacht aan een ,,verticale” bezitsspreiding,
ondernemingsgewijs onder de bij die onderneming betrok-
kenen.
Het Franse stelsel heeft, zoals ook de bedoeling was, de
ondernemingsraad sterk gestimuleerd. Binnen de door de
wet toegelaten grenzen heeft men voor elke onderneming
keuzemogelijkheden in details van een vad-regeling, en
daarom moet per onderneming een vad-contract worden af
–
gesloten. De ondernemingsraad speelt niet alleen vaak een
actieve rol in het beheer van de vad-gelden. Zeker even be-
langrijk is, dat directie en ondernemingsraad met elkaar
gaan spreken over onderwerpen en gebeurtenissen, die in-vloed op de vad-bedragen hebben.
1
974-vad-plannen-golf nationale bezitsspreiding
Rond 1974 is internationaal een nieuwe golf Van vad-
plannen met andere strekking opgekomen. Die alle beogen
rechtstreeks een nationale ,,horizontale” bezitsspreiding
over de gehele werkende bevolking (of althans alle werkne-
mers, of althans alle werknemers die geen overheidspensi-
oenregeling hebben).
De middelen, welke de bedrijven dan voor vad zouden
opbrengen, zouden dan eerst in een nationale verdeelpot
gaan, waaruit ,,iedereen” per hoofd een gelijk stukje bezit
zou worden verstrekt.
Engeland:
eind 1973 publiceerde de Labour-partij een
plan, dat alle ondernemingen daarvoor jaarlijks 1% van
hun
kapitaal
zouden moeten afstaan.
Denemarken:
eind 1973 diende de regering een wetsont-werp in, waarbij alle werkgevers daarvoor jaarlijks een per-
centage (beginnend met ¼, oplopend tot 5 na 10 jaar) van hun loonsom zouden moeten afdragen.
Duitsland:
begin 1974 kondigde de regering een plan aan,
waarbij alle wat grotere ondernemingen 10% van hun
winst
vck5r belastingen
(globaal overeenkomend met 25% van hun
winst ná belastingen) daarvoor zouden moeten afstaan.
Nederland:
voorjaar 1975 kondigde de regering een plan
aan, waarbij alle wat grotere ondernemingen een portie
(men denkt aan 15% tot
20%)
van hun eventuele
overwinst
na belastingen zouden moeten afstaan (het Nederlandse vad-
plan is hybride, voor ca.
/4
ondernemingsgewijze ,,verticale”
bezitsspreiding en voor ca.
3/4
nationale ,,horizontale” be-
zitsspreiding).
Alle eerste drie plannen zijn om velerlei redenen op een
zacht pitje geplaatst; in de eerste plaats al wegens de slechte
economische toestand van het bedrijfsleven. Maar het Ne-
derlandse plan is juist aangekondigd bij slechte economi-
sche situatie en te midden van allerlei sombere regeringsuit-
spraken over de vooruitzichten voor de werkgelegenheid.
De exceptionele technische ingewikkeldheden van het Ne-
derlandse plan kunnen echter ook uitstel meebrengen, tot-
dat een verlangde nieuwe bloei in het bedrijfsleven intreedt.
Verschillende heffingsgrondslagen geven een andere lasten-
verdeling
Het uitgangspunt is, dat men minimaal een bepaald be-
drag aan vad bij elkaar moet brengen, om alle deelgerech-
tigden iets noemenswaard te geven. Als men f. 200 per
hoofd als minimum stelt, zou dat voor ons land misschien
f. 700 mln, zijn + zeg f. 100 mln. beheers- en administratie-
kosten = f. 800 mln, per jaar. De Duitse regering noemde
DM
5
mrd. als streefbedrag. De gekozen heffingsgrondslag
is dan bepalend voor de lastenverdeling over het bedrijfsle-
ven.
De Engelse, Deense en Duitse plannen willen de lasten zo breed mogelijk over alle ondernemingen verdelen. Engeland
(,,kapitaal”) legt daarbij de zwaarste last op de kapitaalin-tensieve ondernemingen, en Denemarken (,,loonsom”) op
de arbeidsintensieve, Duitsland (,,winst”) stelt de verliesla-
tende ondernemingen vrij en concentreert de last op de
winstgevende. Nederland (,,overwinst”) gaat nog een stapje
verder en stelt ook de subrendabele ondernemingen vrij, en
concentreert de totale last op de minderheid van hoogren-
dabele ondernemingen.
ESB 15-10-1975
997
Elke genoemde heffingsgrondslag heeft dus andere reper-
cussies op de ondernemingspopulatie. De keus van de hef-
fingsgrondslag is de meest ingrijpende beslissing van elk plan, want het gaat om zware heffingspercentages. In dit
opzicht lopen al die plannen haast onbegrijpelijk sterk uit-
een.
Welke ondernemingen zouden vad in Nederland moeten
opbrengen?
Alleen ondernemingen, die meer dan een ,,redelijk rende-
ment op eigen vermogen” in binnenlands bedrijf verdienen.
Al die begrippen zijn nog ongedefinieerd, maar er schijnt
gedacht te worden aan 10% als ,,redelijk rendement”. Of
dat nu over fiscaal of economisch vermogen zou zijn, is ge-
heel duister.
Bij grote ter beurze genoteerde ondernemingen liggen de
behaalde çendementen op het binnenlands werkzaam ver-
mogen over het algemeen nog onder die norm, of slechts
weinig daarboven. Die grote categorie zal geen grote over-
winstbedragen hebben.
Hogere rendabiliteïten komen vooral voor bij meer per-
soonlijke en meestal besloten ondernemingen. Eensdeels
komt dit, doordat meer persoonlijke ondernemingen vaak
efficiënter en gemotiveerder werken dan de onpersoonlijker
grote instituten. Anderdeels door het feit, dat een hoogren-
dabele onderneming minder aanleiding heeft om naar de
beurs te gaan; met ingehouden winst en zonder zware divi-
dendlasten kan zij wel lang zich zelf blijven financieren.
Dus: vad-heffing op overwinsten zal voor het grootste
deel door besloten ondernemingen moeten worden opge-
bracht.
Uitdelingsgerechtigden
Het hybride Nederlandse plan bestaat uit twee compo-
nenten:
,,verticale” vad voor werknemers uit hun eigen werkkring
(ondernemingsgewijs);
,,horizontale” vad voor alle werknemers.
Wat betreft die ,,horizontale” vad hebben alle plannen
gemeen, dat de uitdelingen gelijke bedragen per hoofd zou-.
den worden. Maar de kring van de gerechtigden zou ver-
schillen:
Enge/and:
alle werknemers;
Denemarken.’
alle werknemers; Duitsland: alle werkenden, zelfstandigen inbegrepen (uitge-
zonderd zelfstandigen met hogere inkomens dan DM
54.000 gehuwd + DM 9.000 per kind);
Nederland:
alle werknemers, maar niet als zij onder een
ambtenarenpensioenregeling vallen.
De kring der gerechtigden voor de ,,horizontale” bezits-
spreiding is in Nederland dus beperkt tot ongeveer de helft
van de werkende bevolking.
Uitkeringsvormen
In
Engeland, Denemarken en Duitsland is
er sprake van
participatiebewijzen in beleggingsfondsen, die na 7-12 jaar
worden vrijgegeven voor verzilvering. In
Nederland
(wat
betreft de ,,horizontale” vad) is er sprake van ouderdoms-
pensioenaanspraken op één nationaal werknemerspensioen-
fonds. En wat betreft de ,,verticale” ondernemingsge-
wijze vad is deze in dezelfde geest als Engeland, Denemar
–
ken en Duitsland.
Hier ligt een enorm verschil. In de eerste drie landen is
het einddoel: vormen van individueel bezit voor de werkne-
mers (emancipatiegedachte). In Nederland zou ,,horizon-
tale” nationale vad integendeel als het ware levenslang wor-
den geblokkeerd (collectiveringsgedachte).
De vorm waarin ondernemingen vad moeten afdragen
Engeland:
in aandelen;
Denemarken:
voor ten minste tweederde in aandelen;
Duitsland:’ in
aandelen, of naar keus in geld mef I0%-15%
opslag;
Nederland:
in aandelen.
In verband met de in de verscheidene landen totaal an-
dere heffingsgrondslagen impliceert een en ander, dat de
werknemersfondsen dan een totaal anders geaard aandelen-
pakket zullen verkrijgen, namelijk:
Enge/and:
(,,kapitaal”) doorsnee van het gehele bedrijfsle-
ven;
Demarken:
(,,loonsom”) vooral aandelen van arbeidsinten-sieve bedrijven; dus vooral ook van subrendabele en ook
van verlieslatende ondernemingen;
Duitsland:
(,,winst”) alleen van rendabele ondernemingen;
Nederland:
(,,overwinst”) alleen van hoogrendabele onder-
nemingen;
Meest ingrijpende eigenaardigheden van het Nederlandse
vad-plan
Verschillende ingewikkeldheden werden al aangestipt.
Overigens moeten in het bijzonder de volgende diep ingrij-
pende eigenaardigheden worden opgesomd.
Overwinsten en overwinst kansen worden aangetast.
Dit grijpt economisch zeer zwaar in. Overwinsten en kansen
daarop zijn essentieel voor ondernemings- en expansie-
drang. Als de overwinstkansen thans voldoende waren, zou het bedrijfsleven wel expansief zijn!
Overwinstbepaling.
Niet goed oplosbaar. Winstkansen
moeten verlieskansen overtreffen, dus met risico’s meer dan
evenredig zijn. Als iemand een olieboring waagt met verlies-
kans van 5 op 1 is 500% winst in het geval van sucs nog geen
overwinst op zo’n waagstuk. Winstbepaling is al moeilijk,
de jaarlijkse bepaling van het daarbij gebruikte vermogen is
nog moeilijker. En nog veel moeilijker is het om uit het to-
taal van een internationaal werkzame onderneming te isole-
ren welke winsten in Nederland zijn gemaakt, en welk be-
drag van haar eigen vermogen in Nederland werkzaam is.
Een en ander kan vervolgens aanleiding gaan geven tot ver-
mogens- en winstverschuiving naar andere landen; tot fusies
om subrendabele en hoogrendabele ondernemingen te
poolen enz. Duitsland heeft ook met de gedacht van ,,over
–
winst” -heffingsbasis gespeeld, maar heeft die laten varen.
Heffing in aandeelvorm van besloten ondernemingen.
Dit betekent het doorbreken van het karakter van de per-
soonlijke ondernemingen. In het Duitse plan kunnen die al-tijd de uitweg kiezen vad in geld af te dragen, met 10% op-
slag.
De ,,levens/ange” blokkering van de ,,horizontale” na-
tionale vad in een werknemerspensioenfonds:
dus geen opbouw van individueel Vrij bezit,
geen echte
bezitsspreiding;
het werknemersfonds wordt een
steeds verder opho-
pende vermogensconcentratie
bij een door werknemers-
vertegenwoordigers bestuurd fonds; een steeds toene-
mende machtsconcentratie in de dode hand.
Bij alle andere plannen vervullen een of talrijke beleg-
gingsfondsen een rol van tijdelijk doorgangshuis. Zij moe-
ten
•
de binnenkomende vad-middelen meestal omstreeks
7 jaar voor de gerechtigden beheren, en daarna mogen de
gerechtigden hun aanspraken verzilveren. Dat heeft tot
gevolg dat zij moeten zorgen zich als normale beleggings-
fondsen te gedragen met uitmuntend beleggingsbeheer en
met minimale kosten. Want als de uitkeringen na 7 jaar
,,stalling” van de vad-middelen de deelgerechtigden
tegenvallen, breekt de hel los en wordt het fondsbestuur
gelyncht. Om te kunnen uitbetalen, zal het fonds telkens
998
De verbroken verticale
prijsbinding, het merkartikel
en de horizontale prijsdwang
A. H. J. VAN HETEREN
Redenen voor onderzoek
Nu de verticale prijsbinding vervangen is
door de horizontale prjsdwang is de prijs-
concurrentie op het gebied van consumptie-
goederen verscherpt; de consumenten zullen
daardoor in de regel prijsbewusier handelen
dan vroeger. In dit artikel geeft A. H. J. van
Heteren, adjunct-directeur van A tiwood (Ne-
derland) BV, enige resultaten weer van een on-
derzoek, dat gehouden is mei als doel groepe-
ringen te vinden, die qua przjsgedrag zouden
kunnen worden beschreven. Het onderzoek
heeft betrekking op waspoeder voor de witte
gezins was, .dat ondanks de vele merken een vrij
homogeen karakter heeft. De auteur onder-
scheidt twee soorten huisvrouwen: huisvrouwen
met een vast prijsgedrag en met een labiel prijs-
gedrag en gaat voor beide na wat hun merk- en
winkelgedrag zijn. Een resultaat van het onder-
zoek is dat het prijsgedrag van huisvrouwen
voor een belangrijk deel wordt bepaald door de
prjspoliiiek van de organisatie, bij wie zè ko-
pen.
De scherpe prjsconcurrentie op het gebied van
consumptiegoederen, na het verbreken van de verticale
prijsbinding, heeft hoogstwaarschijnlijk als uitgangspunt
dat consumenten in hun aankoopbeslissingen voornamelijk
worden geleid door prijsoverwegingen. Die veronderstelling
lijkt redelijk te kloppen, omdat de tijden nu eenmaal zo zijn
dat prijsbewust handelen de enige manier is om de tering
naar de nering te zetten. Bovendien is het niet moeilijk, vast
te geloven dat de consument prijsbewuster dan vroeger han-
delt.
Nu is het zo, dat tussen de overwegende
wens
van de
consument, zo goedkoop mogelijk in te kopen en de
werke-
lijkheid
een kloof ligt. Deze kloof is gemeten met het doel
te zien, hoever de zaken in de levensmiddelenhandel uit de hand gelopen zijn, nu de verticale prjsbinding vervangen is
door de horizontale prijsdwang. Hieronder moet worden
verstaan de benedenwaartse druk op de prijzen als gevolg
van een concurrentie waarin de ondernemers intensief en
vaak uitsluitend elkaars prijsljsten in de gaten houden.
Het onderzoek is gericht geweest op waspoeder voor de
witte gezinswas; een produkt dat door vrijwel alle huisvrou-
wen gebruikt wordt en dat ondanks de vele merken een vrij
homogeen karakter heeft. De aankopen van een voor alle
huishoudingen representatieve steekproef van 2.000 huis-
houdingen (het Attwood-Panel) gedurende een half jaar
weer aandelen uit zijn portefeuille moeten verkopen. Dit
dwingt het fondsbestuur alles te doen wat het kan om de
ondernemingen gezond en winstgevend te houden, en mee
te werken aan het gezond houden of maken van de aandelen-
markt. Al die natuurlijke remmen op verkeerd beheer van
het fonds ontbreken in het Nederlandse plan.
5. Enorme rompslomp:
overwinstbepaling, tweeërlei soorten aanspraken voor 3 tot 4 mln, werknemers, waarvan
gelegenheidswerkers, krachten voor halve dagen enz.;
pensioenadministratie met leeftijden, gezinsomstandigheden
enz. (want dan moet er natuurlijk weduwenpensioen bij, aan-
gezien het bezitsspreidingsbedrag voor de werknemer voor
zijn héle gezin is, dus bij zijn vooroverlijden voor zijn
echtgenote bestemd is). De totale kosten in tijd en werk voor
ondernemingen, belastingdienst, andere instanties en het
fonds zelf kunnen al gemakkelijk tot f. 250 mln, per jaar
oplopen.
Conclusie
De gedachte aan een spoedige ,,horizontale” bezitssprei-
ding, door een deel van het nationale inkomen te gebruiken
om iedereen een begin van enig vermogen te geven, leeft in
vele landen. Dat zou zelfs wel van levensbelang kunnen zijn
om de emancipatie der bevolking te consolideren en het
historische kapitalisme te moderniseren tot een volkskapi-
talisme.
Maar het regerings-vad-plan is niet de oplossing daarvoor.
Het is ook allerminst de enige, of meest voor de hand liggen-
de, of eenvoudigste, of minst ingrijpende manier om bezits-
spreiding in te zetten. Dat plan is zo ingewikkeld en aan
nevenbedoelingen gekoppeld, dat slechts een kleine kring
van kenners het kan overzien en doorzien.
Dit brengt het grote gevaar mee, dat de leden van de
Staten-Generaal het met verblinde ogen zouden aanvaarden.
Want, voor bezitsspreiding is in beginsel en ook gevoelsmatig
veel te zeggen, en ook uit electorale overwegingen. Maar dan
is nodig, dat ook alle belangrijke alternatieve oplossingen
worden overwogen, voordat men tot een besluit komt.
F.
W. C. Blom
ESB
15-10-1975
999
eindigende voorjaar 1973, zijn geanalyseerd. Het doel was
groeperingen te vinden die qua prijsgedrag beschreven zou-
den kunnen worden.
Prijsprofiel van het volume
Zonder de lezer te belasten met de technische details (die
uiteraard wel beschikbaar zijn), wordt de aandacht ge-
vraagd voor de volgende gegevens.
Het
verschil
tussen de hoogst en laagst betaalde prijzen
per kilogram bedroeg ongeveer f. 2,60. Dit is niet gering,
als men weet dat de hoogste prijzen rond f.3,90 en de
laagste rond f. 1,30 per kilogram lagen.
Voor bijna elke prijs per kilogram tussen f. 3,90 en f. 1,30
werden vrijwel gelijke hoeveelheden gekocht in het totaal
van de branches in de detailhandel mcl. de straatmarkt.
Dit betekent dat in dat half jaar tussen f. 3,90 en f. 3,70
per kilogram ongeveer 3.500 ton gekocht is, tussen de
f. 3,70 en f.
3,50
eenzelfde hoeveelheid enz. tot ca. 3.500
ton tussen f. 2,10 en f. 1,90 per kilogram.
Naar aanleiding van deze bevindingen dringen zich een
aantal gedachten op. Allereerst is door de grote variatie in de betaalde prijs de kloof tussen theorie en praktijk vanuit
consumentenstandpunt bezien, duidelijk aangetoond. Im-
mers, indien
alle
consumenten de prijs voor waspoeder als
voornaamste factor hadden laten gelden, zouden de be-
taalde prijzen niet zover uiteenlopen.
Prijsgedrag van consumenten
Op dit punt gekomen, richtte de aandacht zich op de
structuur van de markt uitgedrukt in consumenten-
groeperingen naar prjsgedrag. Men kan zich voorstellen
dat de hierboven beschreven glijdende schaal van hoeveel-
heden, langs een lijn van prijzen wordt veroorzaakt door
groepen consumenten die zich qua prijzen in kleine gebie-
den bewegen, hetzij in de hoge prijsklassen, hetzij in de lage
prijsklassen of in de middenklassen.
Indien de markt qua consumenten zou kunnen worden
opgedeeld in een groep die tussen f. 3,90 en f. 3,60 per kg.
koopt en een volgende die tussen f. 3,70 en f. 3,40 per kg.
koopt enz. tot een groep die tussen f. 2,30 en f. 2,90 of min-
der per kg. koopt, dan zouden per groep collectieve
aankooppatronen bestudeerd kunnen worden. De meest toe-
passelijke analyse zou de in marktonderzoek bekende Par-
fitt-Collins-analyse zijn, die op basis van de ontwikkéling van
het aantal kopers in de tijd en de herhalingsaankopen de ge-legenheid geeft tot het maken van betrouwbare voorspellin-
gen.
Met deze verwachting werden de kopende huishoudingen
ingedeeld naar de maximum- en minimumprijs per kg. die in
het betreffende halfjaar per kopende huishouding werd be-
taald. In de bespreking van de uitkomsten van deze analyse, waar enkele verrassende gegevens uit voortkwamen, zal het
verschil tussen hoogst en laagst betaalde prijs
door dezelfde
huishouding worden aangeduid met een
prijsamplitude.
In
tabel 1 worden enkele beknopte gegevens vermeld.
Kopende huisvrouwen met een vast prijsgedrag
Prijsniveau en gebruiksintensizeit
Zoals uit tabel 1 kan worden afgelezen voldoet 62% van
de kopende huishoudingen aan het veronderstelde patroon;
zij nemen slechts 50% van de hoeveelheden op. Deze cate-
gorie van kopende huishoudingen met een vast prijsgedrag
heeft kennelijk een laag verbruiksgemiddelde. Toepassing
van de Parfitt-Collins-voorspellingsanalyse op deze catego-
Tabel 1. Indeling naar prijsamplitude (verschil tussen
hoogst en laagst betaalde prijs)
Prijsamplitude
Percentage
Percentage
Typering
Samenvatting
per kg. in guldens van de kopers
van de
van
kopers
hoeveelheden
prijsgedrag
0,00- 0.19
33
21
62% van kopers
0,20-0,49
17
17
vast
509
1
0
van
hoeveelheden
0,50-0,79
12
12
0,80- 1,09
II
14
20% van kopers
1
1
10- 1,39
9
II
labiel
25% van hoeveelheden
1,40. 1,69
7
8
18% van kopers
1,70- 1,99
4
5
zeer
.
25% van hoeveelheden
2,00
–
2,29
4
5
labiel
2,30.2,59
3
4
2,60+
…………
1
3
rie zou van beperkte waarde zijn, gezien het betrekkelijk
kleine volume dat door deze categorie wordt verwerkt.
Bovendien wordt het lage verbruiksgemiddelde niet door alle
kopende huisvrouwen gedeeld. Verschillen in prijsklassen
zijn verbonden met verschillen in verbruiksintensiteit zoals uit tabel 2 blijkt.
Tabel 2. Kopende huishoudin gen met vast prijsgedrag in
waspoeders (prjsamplitude 0-79 ct. per kg. per 24 weken)
Gemiddeld betaald per kg.
Percentage Percentage Gemiddeld
van alle
van totale gekocht per
huishoudingen
hoeveelheid
kopende
huishouding
(in kg.)
)J.2,99perkg
………………
26
17
7,21
3l
24
8,14
f. 1,61.- f.2,99 per kg
………….
6
.
9
14,30
f.
1,60
…………………….
2
50
8.47
Voor alle huishoudingen (ook met een ander dan een vast
prijsgedrag) is het gemiddelde per kopende huishouding
10,40 kg., zodat het koopgedrag van de omlijnde 6% van de
huishoudingen die
f
1,60
of minder betaalden ook binnen
het kader van de totale markt opvallend is.
Deze kleine groep
trekt zo de aandacht (vast prjsgedrag, lage prijzen,
grote hoeveelheden) dat
hun prijsgedrag door de detailhan-
del schijnbaar
aan alle huisvrouwen
wordt toegeschreven.
In deze
vertekening
van de feitelijke situatie, waarvan een
deel hierboven wordt weergegeven, ligt een kiem voor onbe-
zonnen overgave aan de horizontale prjsdwang.
Merkgedrag
Ongeacht het prijsniveau en de gebruiksintensiteit verto-
nen de huisvrouwen met een vast prijsgedrag een hoge
merkentrouw zoals blijkt uit tabel 3.
Tabel 3. Merkgedrag/vast prjsgedrag
Merkentrouw in procenten
Percentage
Percentage van
kopende
hoeveelheden
huishoudingen
0-
50
…………………………………..
.
t
41-60…………………………………..
9
10
61-80
………………………………….
.6
8
81-100
………………………………….
.84
81
Gemiddeld 84,5%
…………………………. .
lOO
1
100
Hieruit wordt een duidelijke aanduiding verkregen dat over
het algemeen het prjsgedrag bij deze categorie bepaald
wordt door het merkgedrag.
1000
Winkelgedrag
Vôôrdat het verband winkelgedrag/ vast prijsgedrag
wordt gelegd, volgt hier een indeling van winkeltypes naar
mate van agressiviteit, die gebaseerd is op het prijsprofiel.
In tabel 4 wordt deze indeling geïllustreerd.
Tabel 4. Prijsanalyse totaal volume waspoeder per afzetka-
naal 12 wie 24 maart 1973 (alle huishoudingen)
Nati
prjspolitiek
.fzetanalen
Karakterisering van afzetkanalencategorieën volgens
1
naal
Pnjsktassen in
totaal
Zeer agressief
Agressiefi
Minder agressief
Niet
guldens
1-1
in
%
1
agressief
C & C en Waren- Markt
VrijwilligWinkel-
Discoun- huizenGWB Il=ge.1 filiaal- wagen en
ters
en Co-op zaken bedrijven drogist
< 1,71
………..
20
36
42
9
II
7
9
1,71 – 2,20
……….
19
21
28
31
13
13
13
2,21 – 2,70
……….
19
17
7
21
20
20
14
2,71 – 3,30
………
20
18
10
20
26
25
24
> 3,31
………….
22
8
13
19
31
35
40
De kwalificatie ,,zeer agressief” werd aan Cash & Carry,
Discounters en Warenhuizen toegekend, omdat meer dan
50% van het totale volume gekocht werd voor prijzen bene-
den f. 2,21 per kg., terwijl op nationaal niveau het aandeel
van goedkope poeders (dit is minder dan f. 2,21 per kg.)
39% was. ,,Agressief’ werden de straatmarkt en de groot-
winkelbedrijven genoemd omdat 40% van het gekochte vo-
lume voor minder dan f. 2,21 per kg. de deur uitging. De
vrijwillig filiaalbedrijven en overige levensmiddelenhandel
waren ,,minder agressief” met hoge aandelen (tussen 55%
en 65%))
in prijsklassen boven f. 2,71 per kg. De huisvrou-wen met een vast prjsgedrag gaven in deze categorieën een
winkelpatroon te zien dat als volgt weergegeven kan wor-den (zie tabel 5).
Tabel 5. Winkelpa troon van huisvrouwen met vast przjsge-
drag uitgedrukt in aandeelpercentages van kopers en vo-
lume per categorie
Alle kopende
Huisvrouwen met vast prijsgedrag die
huis-
gemiddeld per kg. betaalden:
houdingen Categorie
>2.99
1.61 – 2.99
> 1.61
Percentage
Percentage
Percentage
Percentage
van
van
van
van
van
van
van
van
h/h volume h/h volum h/h lvalume h/h volun
Zeer agressief
(Diacoanters, Warenhuizen)
Agressief
(grootwinkelbedrijven en
straatmarkt)
…………
Minder agressief
(vrijwillig
filiaathedrjven en overige levensmiddelen-
bedrijven)
…………..
Niet agressief
(winkelwagen, venter, dro-
gist enz.)
…………….
31
22
24
16
25 24
41
30
Over dit winkelpatroon moeten een aantal opmerkingen
worden gemaakt.
• Het patroon van
alle
huishoudingen geeft een hoge
mate van mobiliteit te zien. Deze wordt gedemonstreerd
door het gegeven dat 60% bij winkels in de minder agres-
sieve categorie voor wasmiddelen op bezoek is geweest, ter-
wijl bij de andere categorieën 35% (bij agressieven), 31%
(bij niet-agressieven) en 28% (bij zeer agressieven) geweest
is. Dit betekent, dat huisvrouwen voor hun witte waspoeder
bij meer dan één categorie geweest zijn gedurende dit half
jaar. Met 60% van de kopende huisvrouwen hebben de
minder agressieve kanalen 38% van het volume. Hierdoor
wordt de volume! koopsters-verhouding 38/60 = 0,63. Bij
de zeer agressieve kanalen waar 28% van de kopende huis-
vrouwen kwamen en 21% van het totale volume kochten is
de volume/koopsters-verhouding gunstiger, nI. 21/28 =
0,75. De slechtste verhouding werd gevonden in het groot-
winkelbedrijf en op de straatmarkt met 19/35 0,54. (Deze en de andere consequenties van de toegenomen mobiliteit
zijn reeds besproken in een artikel in de
ZB-Revue van sep-
tember 1970). Deze beweeglijkheid tussen de diverse catego-
rieën kan gemakshalve worden uitgedrukt in een duplicatie-
factor. Deze is voor alle kopende huisvrouwen 1,54, d.w.z.
gemiddeld bezochten de kopende huisvrouwen 1,54 catego-
rieën voor hun waspoeder voor de witte was.
• De huisvrouwen met een
vast
prijsgedrag vertonen min-
der mobiliteit vergeleken met alle kopende huisvrouwen
(hun duplicatiefactor was 1,33 t.o.v. 1,54 nationaal). Dege-
nen die gemiddeld hoge prijzen betaalden, (meer dan f. 2,99
per kg.) haalden 73% (57+16) van hun volume bij de niet-
agressieve kanalen. Daar staat tegenover, dat degenen die
goedkoop inkochten (minder dan f. 1,61 per kg.), de helft
van hun totale volume bij de zeer agressieve winkel-
categorieën haalden. Degenen die tussenprijzen (f. 1,61-
f. 2,99 per kg.) betaalden, .kochten relatief veel in de agres-sieve kanalen (grootwinkelbedrijf en Co-op, straatmarkten).
Met 38% van de kopende huisvrouwen, haalde deze catego-
rie 28% van het volume. Uit de gegevens blijkt dat het
grootwinkelbedrijf nôch van de duurkopende, nöch van de
goedkoopkopende huisvrouwen redelijke steun kreeg.
• De totaliteit van tabel 5 wekt het vermoeden dat op dat
ogenblik (en willicht nu nog) de onderscheiden categorieën
winkels in hogere mate het prijsniveau van de consument in
wasmiddelen bepaalden met als tegenpolen de Discounters
en de Cash & Carry-zaken enerzijds en de vrijwillig filiaal-
bedrijven en andere levensmiddelenzaken anderzijds. De
grootwinkelbedrijven vertoonden geen duidelijk profiel, be-
halve een te lage steun van huisvrouwen met een vast en
laaggeprijsd patroon.
Kopende huisvrouwen met een
labiel prijsgedrag
Terzijde zij opgemerkt dat het verschil tussen de laagst en
hoogst betaalde prijs per kg. meer is dan 80 ct. De huis-
vrouwen met een labiel prijsgedrag
(38%)
kochten 50% van
het totale volume. In tegenstelling tot de huisvrouwen met
een vast prjsgedrag hebben deze koopsters niet alleen uit-
eenlopende prijzen per kilo betaald, maar ook een hoog
verbruiksgemiddelde van 13,86 kg. tegenover 10,40 kg. voor
alle huishoudingen.
Merkgedrag
Percentage merkentrouw
Percentage van
Percentage van volume
huishoudingen
0
1
7o- 40%
……………………
13
II
4
1%- 609
7
o …………………..
31
29
61%- 809ó …………………..
26
24
81%-100% …………………..
30
36
Alhoewel de merkentrouw bij huisvrouwen met een labiel
prjsgedrag gespreider lag dan bij huisvrouwen met een vast
prjsgedrag, is het opvallend dat bij een prijsgedrag toch
nog 30% van de categorie een merkentrouw van meer dan
80% demonstreert, waarbij 36% van het volume werd opge-
nomen. Dat betekent, over het nationaal totaal genomen
dat
14% van alle kopende
huishoudingen, die
18% van het
28
21
IS
14
25
20
48
35
19
26
13
38
28
19
60
38
70
57
44
28
25
50
Evenals bij de huisvrouwen met een vast prijsgedrag is
het merkgedrag van koopsters met een labiel prjsgedrag ge-
8
analyseerd; de uitkomsten zijn vervat in tabel 6.
Tabel 6. Merkgedrag van huisvrouwen met een labiel prijs-
12
gedrag uitgedrukt in percentages merkentrouw
ESB 15-10-1975
1001
totale volume
opnemen,
hun merk blijven volgen
ondanks
prijsverschillen van f. 0,80 en meer per kg. In aantal en ge-
kochte hoeveelheid is deze categorie van meer belang dan
diegenen, die consistent goedkoop kopen. Dit inconsequent
prijsgedrag met een hoog merkentrouw kan alleen worden
verklaard vanuit een onduidelijk beeld van de meest voor-
delige prijs. Terwijl van de zijde van de fabrikanten en de-
taillisten wordt gedacht dat merken met prjsreducties de
consumenten volgen, liggen bij deze groep koopsters de za-
ken geheel anders; zij volgen het merk als enig houvast in
verwarrende situaties. Vanuit dit gezichtspunt is het interessant de structuur van
de merken te bezien. In tabel 7 is als voorbeeld een door-
snede gegeven van de bijdrage van onderscheiden prijs-
gedragscategorieën/ trouwcategorieën aan, twee nationale
merken gedurende de 24 weken eindigende 24 maart 1973
(de merknamen zijn veranderd in X resp. Y).
Tabel 7. Bijdrage prijsgedragscategorieën/ trouwcategorieën
aan het volume van twee merken (in procenten)
Prijsgedragscalegoriekn/trouwcalegorieën
Merk X
Merk Y
Vast prjsgedrag
34
25
6
meer dan 80% trouw
………………………….
Labiel prjsgedrag
minder dan 80% trouw
………………………..8
24
31
meer dan 80% trouw
………………………….
minder dan 80% trouw
………………………..
34
38
Uit deze opstelling mag worden afgeleid dat bijna een kwart
van merk X en bijna eenderde van merk
Y
komt van kopers
die hun merk door hoge en lage prijzen volgën. Dit geeft te
denken in tijden dat afbraak van opbrengsten per eenheid
een grote bron van zorg is voor distribuant en fabrikant.
Voor zover een labiel prijsgedrag samengaat met een la-
biel merkgedrag (minder dan 80% trouw), kan het winkel-
gedrag een gedeeltelijk verklarende factor zijn. Derhalve
wordt het winkelgédrag ook voor deze categorie weer-
gegeven.
Win kelgedrag
Van alle huisvrouwen met een labiel prjsgedrag is het
winkelpatroon in tabel 8 samengevat. Uit deze tabel kan het
volgende worden gelezen.
• Ondanks het feit dat huisvrouwen met een labiel prijsge-
drag voor elke categorie winkels een hoog bezoek-
percentage laten zien, vertoont het door hen gekochte
volume in zijn verdeling kleine afwijkingen met de natio-
nale verdeling.
• Uit deze gegevens kan geconcludeerd worden dat de mo-
biliteit van huisvrouwen met een labiel prijsgedrag met betrekking tot winkel beduidend boven het gemiddelde ligt (zie ook de duplicatiefactor bij deze categorie: 1,84
tegenover 1,54 gemiddeld voor alle huisvrouwen).
• De samenhang tussen mobiliteit in winkelen en labiliteit in prjsgedrag geeft een versterking aan de reeds eerder
gevonden aanwijzing, dat prijsgedrag van de huisvrouw
voor een belangrijk deel wordt bepaald door de prijspoli-
tiek van de Organisatie bij wie zij koopt.
sinds 1917
sinds 1917
STENOG RAF EN BUREAU
W. STEMMER
&
Zn. B.V.
Schiebroekseweg 22-24, telefoon (010) 22 38 66
postbus 35007, Rotterdam
vervaardigt o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Best, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, ‘s-Hertogen-
bosch, Hilversum, Maastricht, Rheden, Rotterdam,
Tilburg en Veidhoven.
Wij leveren ook
notulen van directie- en
aandeelhoudersvergaderingen
De jarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toepassing
van moderne geluidsopnametechniek en vooral onze eerste.klas
medewerkers garanderen snel en accuraat werk, uitgevoerd op uiterst betrouwbare en discrete wijze.
OM.
Tabel 8. Winkelpatroon kopende huisvrouwen met labiel
prijsgedrag uitgedrukt in percentages van aantal en gekocht
volume
Winkelcategorieën
Alle huishoudingen
Huisvrouwen Verschil tussen met labiel
labiel prijsgedrag/
prijsgedrag
winkelpatroon
en
nationaal
winkelpatroon
percentage van percentage van
percentage van
h/h
hoeveel-
h/h
hoeveel-
h/h
hoeveel-
heid heid
heid
Zeer agressief
………….
28
21
35
23
+
7
+
2
Agressief
……………..
35
19
41
18
+
6
–
Minder agressief ……….60
.
38
75
39 +
15
+
t
Niet agressief ………….31
22
33
20 +
2
–
2
Duplicaliefaclor
………..
1.54 1.84
• De
tjdelijkheid
van aanbiedingen in een of meer merken
bij verschillende winkelorganisaties, werkt zulk een prijs-
gedrag over een langere periode in de hand.
Tenslotte moet worden opgemerkt dat het betalen van
hoge en lage prijzen voor waspoeders door individuele huis-
vrouwen niet de indruk geeft, dat zij een goed inzicht in de
prijsstructuur hebben. Als dit labiele gedrag gepaard gaat
met een grote mobiliteit t.a.v. winkeltypes qua agressiviteit
en bij een gedeelte nog met een grote merkentrouw, dan
ontstaat het beeld van een groep huisvrouwen die van hot
naar her gaat, zonder wezenlijk voordeel te behalen. De win-
keliers die dit gedrag in de hand werken, reageren op hun
beurt op informatie uit de onmiddellijke omgeving van
concurrenten, waardoor zij slachtoffer worden van de hori-
zontale prijsdwang. Een dergelijke situatie, die slechts aan
betrekkelijk weinigen voordeel biedt, vraagt om verder on-
derzoek naar de lange-termijneffecten bij consumenten en
detaillisten van scherpe prijsconcurrentie door meestal
tijdelijke reductie-aanbiedingen.
A. H. J.
van Heteren
S
,chakel bij vacatures voor leidende functies steeds ESB in: in vrijwel
elk groot bedrijf wordt dit blad veelvuldig gelezen.
Advertentie-opdrachten te richten aan:
ADVERTENTIE-AFDELING ESB, POSTBUS 42, SCHIEDAM, TELEFOON (010) 260260
1002
Beroemde economisten (1)
Adam Smith (1723-1790)
Ruim een eeuw na de dood van Smith schreef Rae bij
nevenstaand portret ,,its a profile bust showing rat her hand-
some features, full forehead, prominent eyeballs, well
curved eyebrows, slightly aquiline nose, and firm mouth and
chin …… Hieruit blijkt al een beetje de enorme waardering
die men voor de in Kirkaldy (toen ca. 1.500 inwoners) ge-
boren Schot, grondlegger van de klassieke school, had.
Adam Smith, postume zoon van een douane-ambtenaar,
ging na een weinig opvallende jeugd op zijn veertiende te
Glasgow studeren. Hier maakte Prof Nut cheson, een erken-de grootheid op het gebied van de,,moralphilosophy”een die-
pe indruk op hem. Hutcheson was een intelligente, verlichte
en vrijheidslievende man die o.a. als eerste in het Engels
doceerde. Van hem is afkomstig de uitdrukking ,,the greatest
happiness
of
the great est number”. Waarschijnlijk heeft
Hutcheson op Adam Smith meer invloed gehad dan later
Hume, Quesnay en Turgot. Van hem ontving hij de eerste
fragmentarische lessen over wat men later economie zou
gaan noemen. Smith blonk in deze tijd uit in filosofie,
Grieks en wiskunde.
Vervolgens studeerde Smith als beursstudent in Oxford,
in eerste instantie om geestelijke te worden. Hier beleefde
hij geen prettige tijd, met name door de discriminatie van
Schotten, de slechte staat van het onderwijs en zijn voort-
durende slechte gezondheid. A Is hij na zes jaar Oxford ver-
laat, zal hij er ook nooit meer terugkeren. Toch heeft
Smith kans gezien zich, voornamelijk door zelfstudie,
goed te ontwikkelen. Na enige tijd bij zijn moeder door-
gebracht te hebben, vestigde Smith zich nu te Edinburg
waar hij lezingen gaf in bellettrie en retorica. In 1751
werd hij in Glasgow benoemd tot professor in de logica
en een jaar later tot professor in de ,, moral philosophy”.
Naast ,, natural theology”, ,, ethics” en , ,justice” behandelde
hij daar ook economische onderwerpen. Dit deel van zijn
werk vormt de basis van de latere Wealth of nations.
Smith’
manier van doceren was helder en aantrekkelijk, met een
groot talent om abstracte onderwerpen te illustreren.
Hij trok dan ook grote aantallen studenten. In 1759 liet de
toen al zeer bekende Smith zijn
The theory of
the moral
sentiments
verschijnen, een boek dat van hei begin af een
groot succes was. Dit werk vormt het kader waarin men de
latere
Wealth of nations
moet lezen. Hier ontwikkelde Smith
het begrip ,,sympathy”
of
,,fellowfeeling”, het vermogen
In
ESB
wordt
veel geschreven door en over economis-
ten. Vele prominente economisten zullen bij de lezers echter alleen bekend zijn door hun geschriften. Het is
evenwel ook interessant te weten hoe deze mensen er uit-
zien of -zagen, hoe zij leven of leefden en onder welke
omstandigheden zij tot hun theorieën zijn gekomen.
Vandaar dat
ESB
start met een serie, in tamelijk wille-
keurige volgorde gekozen, ,,Portretten van beroemde
economisten”, waarbij de teksten geleverd worden door
Drs. H. M. Becker, wetenschappelijk hoofdmedewerker
aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die ook voor de
foto’s zorgdraagt.
zich in te leven in de gevoelens van anderen, waardoor een
moreel kader voor concurrentie aanwezig is. Hier ook kwam hij reeds met het begrip ,, invisible hand”:
they (the rich) divide with the poor the produce of all
their improvements. They are led by an invisible hand to make
nearly the same distribution of the necessities of life which would
have been made had the earth been divided into equal portions
among all its inhabitants; and thus, without intending it, without
knowing it, advance the interest of society ……..
In hetzelfde boekwerk werd ook zijn dissertatie afgedrukt:
On the origin of languages and on the different genius of
those which are original and compound.
De ,,political economy” begon nu in Smith’ colleges steeds meer naar voren te treden, waarbij liberale gedachten over de
handelspolitiek op de voorgrond stonden.
Toen Smith eind 1763 het aanbod kreeg om de jonge
hertog van Buccleugh op zijn reizen te begeleiden, greep hij
de gelegenheid om wat van de wereld te zien aan. Als gevolg
van introducties van zijn vriend Hume, een vriendschap
die reeds van vddr 1752 dateerde, kreeg Smith de gelegen-
heid om met mensen als Quesnay, Turgot, d’Alembert
diepgaand contact te hebben. Na twee jaar reizen trok hij
zich terug in zijn geboortedorp om deze ervaringen te ver-
werken. In 1776 verscheen met een enorm succes
An
inquiry
into the nature and the causes of the wealth of nations.
In dit boek gaf Smith de contouren aan van een maat-
schappelijke orde die krachtiger groei beloofde en de
theoretische grondslagen waarop deze berustte. Hij stelde
deze tegenover die van de mercantilisten. Minder ingrijpen
van de overheid zou, door harmonie tussen het belang van
het individu ,, led by an invisible hand to promote an end
which was no part
of
his intention” en het belang van de ge-
meenschap, deze groei bevorderen. In deze door arbeids-
de/ing verkregen groei zouden alle klassen, met name de
labouring poor” delen: ,,the progressive state is in reality
the cheerful and hearty state to all the dfferent orders
of
society”. Het marktmechanisme zou een en ander automa-
tisch regelen.
Na enige tijd werd Smith door toedoen van zijn oude pupil
ESB 15-10-1975
1003
De Cambridge-controverse
en de werkloosheid
PROF. DR. A. HEERTJE
In de economische theorie woedt al geruime tijd een hevige strijd tussen de vertegenwoordigers van Cambridge-
Engeland en Cambridge-Amerika. Deze z.g. Cambridge-controverse in de kapitaaltheorie heeft betrekking op tal
van fijnzinnige gezichtspunten van met hodologische aard. Zo op het eerste gezicht gaat het dan ook om een discus-
sie tussen fijnproevers, die genieten van onverwachte hoeken en gaten van zich overigens goed gedragende produk-
tiefuncties en van elkaar op hun staart trappende loon-interest-curven. Bij nader inzien blijkt dat voor sommigen
de grondslagen van de economische wetenschap echt in het geding zijn, terwijl anderen zich minder geschokt tonen
door de consequenties van de economische heterogeniteit van het kapitaal. De Cambridge-controverse kan uit ver-
scheidene gezichtshoeken worden belicht, die alle min of meer gemeen hebben een zekere mate van theoretische
sub tiliteit, die nog nader blijkt uit twistpunten van wiskundig-economische aard. In deze bijdrage wordt gepoogd
de maatschappelijke betekenis van deze kapitaaitheoretische controverse in het licht te stellen. Met het oog hierop
wordt eerst een uiterst beknopte samenvatting van het debat gegeven. Deze samenvatting is uiteraard toegespitst op
die aspecten, die in het kader van het ontvouwde oogmerk relevant zijn.
In de voorstelling die Cambridge-Amerika van het eco-nomische proces geeft, wordt de stand van de techniek als
uitgangspunt gekozen. Deze stand van de techniek komt tot
uitdrukking in combinaties van kapitaal en arbeid, waarbij
deze produktiefactoren als symmetrisch en in beginsel ge-
lijkwaardig worden behandeld. Met elke combinatie is een
bepaalde omvang en kwaliteit van de produktie geasso-
cieerd. Volgens een of ander criterium – bijv. het streven
naar winst – kiezen de ondernemers een techniek die zij de
beste achten. De zodoende feitelijk toegepaste technieken
vormen een deelverzameling van alle technische mogelijkhe-
den.
De hoogte van de inkomens en de inkomensverdeling
worden in deze neo-klassieke visie in beginsel bepaald door
de produktieve bijdragen. Gegeven de toegepaste technie-
ken zijn de hoogte van het loon en de loonstructuur beide
tenslotte gedetermineerd door het als onafhankelijk uit-
gangspunt gekozen verband tussen produktie en produktie-
factoren. Een belangrijke uitwerking van deze visie wordt
door de grensproduktiviteitstheorie gevormd, maar ook
voor andere uitwerkingen blijft gelden dat er een eenrich-
tingverkeer bestaat van produktie naar inkomen. De opvatting van Cambridge-Engeland kan nu zo wor-
den getypeerd dat het bestaan van die straat met eenrich-
tingverkeer wordt ontkend. De inkomensverdeling komt op
de een of andere wijze in de samenleving tot stand als een
volstrekt zelfstandige categorie onder invloed van allerlei
maatschappelijke overwegingen. Daar komt bij dat kapitaal
en arbeid niet als symmetrische produktiefactoren worden
behandeld. De grondgedachte is dat kapitaal moet worden
geproduceerd en dat arbeid zonder meer beschikbaar is.
Voor de beschouwing van het economisch proces kan
daarom de stand van de techniek, zoals deze tot uitdruk-
king komt in uiteenlopende technische mogelijkheden, die
bestaan uit combinaties van kapitaal en arbeid niet als uit-
gangspunt worden gekozen. Hoeveelheid en aard van de kapi-
taalgoederen zijn niet uitsluitend door de techniek bepaald,
maar afhankelijk van keuzehandelingen van de economi-
sche subjecten. De hoeveelheid en de aard van de op een
bepaald moment beschikbare kapitaalgoederen hangen
mede af van de interest, daar voor hun voortbrenging be-
slag wordt gelegd op de schaarse factor tijd. Zo beschouwd,
bepaalt de inkomensverdeling de stand van de techniek. De
keuze van de beste techniek hangt eveneens van de inko-
mensverdeling af. De omvang en de samenstelling van de
produktie zijn dan evenzeer van de inkomensverdeling af-
hankelijk.
Beide visies sluiten elkaar als theoretische concepties vol-
benoemd tot commissaris van hei douanewezen in Schot/and
en gaat hij in Edinburg wonen. In redelijke welvaart, waar-
van hij een deel besteedde aan geheime liefdadigheid,
bracht hij deze laatste jaren door te midden van jeugd-
vrienden. Door zijn kantoorwerkzaamheden gingen deze
jaren voor de wetenschap grotendeels verloren, slechts een
toevoeging aan de
Moral sentiments
kwam gereed. In zijn
laatste levensjaren viel hem nog de eer te beurt, benoemd
te worden tot rector van de universiteit van Glasgow.
Smith is, hoewel hij wel een paar keer bij dames avances
heeft gemaakt, nooit getrouwd geweest. De eenvoudige,
vriendelijke, soms wat teruggetrokken, wat afwezige man,
in het dagelijks leven niel altijd even praktisch, woonde
met zijn moeder en nicht, die het huishouden voor hem be-
heerden. Toen in 1784 zijn moeder overleed en vier jaar later
zijn nicht, tweemensen waar zestig jaar lang zijn genegen-
heid naar was uitgegaan, ging zijn gezondheid snel achteruit.
Een paar dagen voor zijn dood gaf hij orders alle manuscrip-
ten die hij nog had liggen (Smith schreef moeizaam), en waar-
van men niet veel wist, op een enkele uitzondering als
A history of astronomie
na, te vernietigen. Deze geschriften
zijn dan ook ongelezen aan de vlammen toevertrouwd.
H. M. Becker
1004
strekt uit. Moet binnen het raam van de zuivere theorie een
keuze worden gedaan, dan gaat onze persoonlijke voorkeur
uit naar de opvatting die door Cambridge-Engeland wordt
verdedigd. Getracht zal echter worden aan te tonen dat
beide visies beurtelings actueel zijn of kunnen zijn.
Cambridge en Nederland
Hoewel uit een economische theorie als zodanig nimmer normen voor het praktisch handelen voortvloeien, kan men
toch de stelling verdedigen dat in Nederland tot het najaar
van 1963 de neo-klassieke visie van Cambridge-Amerika
richtsnoer voor het gedrag van de sociale partners is ge-weest. Het gevolgde gedragspatroon komt er immers op
neer dat de loonontwikkeling werd afgestemd op de stijging
van de produktiviteit. Zelfs is gewerkt met systemen waar-
bij loonverschillen werden gerelateerd aan bedrijfstakge-
wijze produktiviteitsverschillen. Blijkbaar werd de gang van
zaken in de produktie als uitgangspunt gekozen en werd de
stijging en verdeling van het inkomen als daarvan afhanke-
lijk gezien. Interessant is dat de situatie op de arbeidsmarkt
dit gedragspatroon dat onder meer werd gekenmerkt door
een convergentie in de opvattingen van werknemers, werk-
gevers en overheid, heeft verstoord. Mede als gevolg van de
sterke buitenlandse vraag was de werkgelegenheid meer dan
volledig, zodat aan de voorwaarde voor een afstemming
van de loonvorming en structuur op het patroon van de
produktiviteitsontwikkeling niet langer was voldaan. Met
het opgeven van een min of meer objectief criterium werd
de loonstijging de uitkomst van een maatschappelijk ge-
vecht.
Wat er daarna gebeurt, past erg goed in de visie van
Cambridge-Engeland. Men kan immers verdedigen dat na
1963 in Nederland de inkomensverdeling als uitgangspunt wordt gekozen en het effect daarvan op de produktiestruc-
tuur wordt afgewacht. Eerst is de stijging van de arbeids-
kosten in hoge mate bepaald door de produktiviteitsstij-
ging, later is de stijging van de arbeidskosten primair en
moet blijken welke gevolgen deze heeft voor de gang van
zaken in de produktie. De ondernemers hebben op die situa-
tie onder meer – doch niet uitsluitend – gereageerd door
andere produktietechnieken in te voeren. Beseft men dat
aan de invoering van nieuwe technieken de ontwikkeling er-
van voorafgaat, dan stuit men op een van de hoofdpunten
van de visie van Cambridge-Engeland, namelijk dat de ver-
deling van het totale inkomen over looninkomen en de rest zowel de ontwikkeling als de toepassing van nieuwe tech-
nieken bepaalt en niet omgekeerd.
Tot zover kan de conclusie worden getrokken dat de fei-
telijke ontwikkeling in Nederland illusteert dat zowel vol-
gens het gesloten systeem van Cambridge-Amerika als vol-
gens het meer open systeem van Cambridge-Engeland kan
worden geleefd. Men kan de feitelijke ontwikkeling van de
produktiviteit, zoals deze is bepaald door de toegepaste
combinaties van kapitaal en arbeid als uitgangspunt kiezen
en de loonvorming daarop afstemmen. Men kan ook zeg-
gen dat men met dergelijke ,,structuren” niets te maken
heeft en dat de inkomens nu maar eens op basis van recht-
vaardigheid moeten worden vastgesteld. Het effect op de
aanbodzijde van het economisch proces speelt bij de uitstip-
TALENPRAKTIKUM AMERSFOORT
•
English in management
*
Français dans le domaine du
•
English in marketing
management
•
English in computing
*
Francais économique et
•
English in banking
commercial
*
Wirtschaftsdeutsch
mi.
(033) 2 90 97
J.M,
peling van het beleid dan geen rol en is ook een enigszins
open kwestie. Niettemin kan op een factor de aandacht
worden gevestigd die roet in het eten uit Cambridge-Ame-
rika en Cambridge-Engeland gooit, namelijk de werkgele-
genheid.
Werkgelegenheid
Vooral onder invloed van infiatoire ontwikkelingen in
het buitenland zagen wij dat eerst over-volledige werkgele-genheid ontstond. Het praktiseren van de Cambridge-Enge-
land-visie, waarvan het ontstaan ook wel iets met de En-
gelse economische ontwikkeling te maken zal hebben, is
sinds 1964 gepaard gegaan met een toenemende uitstoting
van de factor arbeid. Thans is sprake van grote werkloos-
heid, die uiteraard mede onder invloed staat van internatio-
nale ontwikkelingen, die overigens op eenzelfde complex
van oorzaken terug kunnen gaan. Het lijkt erop dat hoogte
en verdeling van de inkomens best losgemaakt kunnen wor-
den van de produktie en wat zij oplevert, maar dat dan af-
gezien van de inflatie ook een flinke werkloosheid op de
koop toe moet worden genomen. Volledige werkgelegen-
heid en een onafhankelijke – zo men wil sociologisch –
gedetermineerde inkomensverdeling lijken onverenigbaar.
Wat er nu verder gaat gebeuren, hangt vooral af van de
ernst waarmee wordt gestreefd naar het herstel van de
werkgelegenheid. Naarmate men de situatie van volledige
werkgelegenheid dichter wil benaderen, naar die mate moet de schets die Cambridge-Engeland van de gebeurtenissen in
het economisch leven geeft, worden opgegeven. Wordt het
verwezenlijken van volledige werkgelegenheid minder belang-
rijk gevonden, dan is de visie van Cambndge-Engeland erg
actueel. De techniek volgt dan de inkomensverdeling en de
werkgelegenheid vermindert snel.
Besluit
Geconcludeerd kan worden dat de zo op het eerste ge-zicht nogal theoretische controverse in de kapitaaltheorie
tussen Cambridge-Amerika en Engeland voor het begrijpen
van de alledaagse werkelijkheid niet zonder betekenis is.
Zelfs kan worden vastgesteld dat in het licht van de histori-
sche afwisseling de beide visies elkaar veeleer aanvullen dan
uitsluiten. Ze zijn beurtelings actueel, in een afwisseling die
vooral wordt bepaald door de mate waarin aan het streven
naar volledige werkgelegenheid prioriteit wordt verleend.
A.
Heertje
Mededeling
Vrouw, gezin en economie
Op vrijdag 28 november a.s. organi-
niseert de Commissie Gastcolleges
van de Faculteit der Economische
Wetenschappen van de Universiteit van
Amsterdam, onder voorzitterschap van
Prof. Dr. W. Driehuis, een studiedag
over: ,,Vrouw, gezin, economie”.
Sprekers zijn: Prof. Dr. B. M. S. van
Praag, Drs. M. Epema-Brugman, Prof.
Dr. P. de Wolff en Drs. M. Bruyn-Hundt
Aanmelding door overmaking van
f. 2,50 op girorekening 3444775 t.n.v.
mevr. L. de Schipper te Amstelveen,
onder vermelding van•.,,Studiedag
vrouw, gezin, economie”. Na betaling
krijgt men een studiemap, waarin de
stellingen van de sprekers en enige lite-
ratuur zijn opgenomen.
Inlichtingen: Faculteit der Econo-
mische Wetenschappen, Jodenbree-
straat 23, Amsterdam, tel.: (020)
5 25 41 99.
ESB 15-10-1975
1005
De positie van de zelfstandige , .
ondernemers in’de detailhandel
Dr. P. M. VAN NIEUWENHUYZEN
Door middel van twee artikelen zal Dr. P. M.
van Nieuwenhuyzen, directeur van het Eco-
nomisch Instituut voor het Midden- en Klein-
bedrijf; de huidige slechte economische situatie
bij de zelfstandige ondernemers in de detail-
handel uiteenzetten. Hij doet dat aan de hand van
de onlangs verschenen
Economische verkenning
midden- en kleinbedrijf 1975 en 1976.
Dit eerste
deel gaat voornamelijk over de macro-econo-
mische kerngegevens van de detailhandel. In het
tweede artikel zal worden ingegaan op de voor-
uitzichten voor de individuele zelfstandige
winkeliers.
Enkele macro-economische gegevens
Het schetsen van een beeld omtrent de huidige econo-
mische situatie
bij
de zelfstandige winkeliers en van de voor-
uitzichten voor het komende jaar is – op basis van de be-
schikbare macro-economische gegevens van de nationale
economie – moeilijker dan in voorafgaande jaren het geval
was. Als gevolg van de zeer onzekere omstandigheden in de
nationale en in de internationale economie doen zich immers
in de ramingen van het Centraal Planbureau veelvuldiger
en ten dele ook grotere veranderingen voor dan doorgaans
in vroegere jaren.
Het Economisch Instituut voor het Midden- en Klein-
bedrijf (EIM) maakt periodiek macro-economische be-
rekeningen – op basis van gegevens van het CPB en het
CBS – voor het midden- en kleinbedrijf in een viertal
sectoren. De uitkomsten van de nieuwste ramingen – geba-
seerd op de gegevens uit de recente
Macro Economische
Verkenning
van het CPB – zijn onlangs door het EIM gepu-
bliceerd in de nota Economische verkenning midden- en
kleinbedrijf
1975
en
1976. Deze uitkomsten hebben betrek-
king op gegevens omtrent de realisatie in 1974, op een ra-
ming voor 1975 en op een voorlopige raming voor 1976.
Voor de totaliteit van het midden- en kleinbedrijf in de
detailhandel
kan aan laatstgenoemde publikatie het volgende
worden ontleend.
In een soortgelijke beschouwing als deze werd in vorige
jaren in dit blad 1) erop gewezen dat de jaarlijkse procentuele
stijging van het ,,overig inkomen per zelfstandige onder
–
nemer” (hetgeen in grote lijn overeenkomt met de netto-
winst) reeds een aantal jaren geringer was dan de procen-
tuele stijging van het inkomen van de werknemer (ï.c. de
stijging van het prijselement van de loonkosten). Deze ver
–
houding, welke in 1973 reeds opvallend onevenwichtig was,
kwam in 1974 in zeer sterke mate scheef te liggen; dit laatste
vooral als gevolg van de verhoging van het m
i.
en
– per 1 januari 1974 – van de invoering van de wettelijke
minimum-jeugdlonen. Dit heeft, zoals uit tabel 1 blijkt, in
1974 een bijzonder grote discrepantie te zien gegeven tussen
genoemde grootheden.
Deze abnormaal sterke prijsstijging van de loonkosten heeft uiteraard invloed gehad op de hoogte van de perso-
neelssterkte in de detailhandelsbedrijven. Wanneer er maar
enigszins besparing op personeel mogelijk was, zal getracht
zijn dit te realiseren. Waar de gemiddelde stijging van het
volume van arbeid van werknemers voor de periode 1960
t/m 1971 voor het midden- en kleinbedrijf in de detailhandel
is berekend op 3,5%, voor 1972 op
2,5%
en voor 1973 op 1%,
wordt deze thans voor 1974 en 1975 geraamd op nihil en
voor 1976 op
0,5%.
En dat bij een volumestijging van de
omzet van resp.
2,5,
2,5 en 2%, en bij een daling van het
arbeidsvolume van de zelfstandigen met 2,5% per.
jaar.
Tabel 1. Kerngegevens midden- en kleinbedrijf in de detail-
handel 1974-1976
1974 1975
1976
mulaties t.o.v. voorafgaand jaar in
%
a)
Omzet
II
II
10
8,5
8
prijs
……………….8.5
2.5
2
waar6e
………………..
Bruto marge
.
1,5
waarde
…………….
II
10,5
Arbeidsvolume
volume
……………..2,5
zelfstandigen
………..
-2,5
-2,5
-2,5
werknemers
…………
0
..
0
0,5
totaal
……………..
.
1,5
.
..
-1,5
-1
Loonkosten
.
waarde
……………..
24,5
14
II
prijs
……………….
24,5
14
10,5
volume
…………….
0
0
0,5
Overige bedrijfskosten
II
II
12
9,5 9,5
10,5
1,5
1,5 1,5
waarde
……………..
prijs b)
……………..
Overig inkomen c)
volume
……………..
waarde: totaal
-0,5
8
6,5
idem per zelfstandige
…
2,5
10,5
9.5
Bron: EIM,
Economische verkenning ntidden- en kleinbedrijf 1975 en 1976.
Afgerond op 0,5%.
De verhoging van de indirecte belasting, met name de BTW, is als prijsmutatie be-
schouwd.
In grote lijnen vergelijkbaar met de fiscale nettowinst.
De raming voor 1975 geeft een gunstiger verhouding tus-
sen beide inkomens te zien. Bij een prijsstijging van de loon-
kosten met 14% resulteert uit de desbetreffende relevante
gegevens een berekening die uitkomt op een stijging van het overig inkomen per zelfstandige van
10,5%.
De tendens naar
1) ESB, 25 juli
1973, resp.
21
augustus 1974.
1006
vraagt ten behoeve van de
sociaal-economische afdeling een
ECONOMISCH
MEDEWERKER
Er is behoefte om in de beleidsvoorberei-
dende- en beleidsadviserende werkings-
sfeer van deze stafafdeling het econo-
misch blok uit te breiden.
Wij denken hierbij aan een universitair
geschoolde ‘algemeen’ econoom, die zich
zowel op het terrein van de macro- als de
micro-analyse kan bewegen. Een keuze-
vak statistische analyse strekt tot aan-
beveling.
Wij vragen een actieve belangstelling
voor het werk van de vakbeweging.
Wij willen geïnteresseerden in een oriën-
terend gesprek gaarne voorlichten over
alle zaken die voor een sollicitatie rele-
vant zijn.
Indien u hierop prijs stelt, dan verzoeken
wij u te schrijven aan de
Industriebond N.V.V., Plein ’40-’45, nr. 1 te Amsterdam,
t.a.v. de afdeling Personeelszaken.
een meer gelijke nominale inkomensstijging zal zich volgens
de verwachtingen voortzetten en zou in 1976 tot een bijna
gelijke procentuele stijging leiden (tabel 1).
Hierbij drie opmerkingen. De verwachte geringere prijs-
stijging van de loonkosten in 1976 (10,5%) is mede het ge-
volg van een te verwachten
incidentele
maatregel, nI. om een
deel van de door de werkgevers te betalen kosten van de
sociale voorzieningen te financieren uit belastingen. De ten-
dens naar gelijke grootte van de inkomensstijging – zo deze
al gerealiseerd zal worden – zal door deze incidentele factor
wellicht in het daaropvolgende jaar niet worden voortgezet.
Anderzijds zij hieraan toegevoegd dat, als gevolg van fiscale
maatregelen, de verbetering in het besteedbaar inkomen in
1975 en 1976 iets gunstiger zal uitvallen dan de geraamde
procentuele stijging van de nettowinst. Voorts zij opgemerkt
dat de procentuele stijging van de nettowinst per zelfstandige
voor de sector voedings- en genotmiddelen in beide jaren
aanzienlijk lager ligt dan de vermelde percentages voor de gehele detailhandel, terwijl daarentegen die voor de sector
duurzame en overige consumptiegoederen beduidend hoger
liggen. Dit laatste wordt in de genoemde Verkenning van het
EIM toegeschreven aan de verwachte inhaaivraag van duur-
zame consumptiegoederen, vooral voor 1976.
Eenzelfde beeld bij het grootwinkelbedrijf
Naast de zelfstandige detaillisten onderscheidt men de
grootwinkelbedrijven en de consumentencoöoperaties. Wat
de laatste betreft, een groot deel van de winkels dezer coöpe-
raties is in 1973, wegens onvoldoende toekomstperspectief,
overgenomen door een tweetal grote ondernemingen in de
detailhandel in levensmiddelen. De Steenkolen Handeisvereniging, die vijf jaar geleden de
winkels van De Gruyter heeft overgenomen, heeft de bittere
ervaring opgedaan dat de detailhandel in levensmiddelen
al sinds jaar en dag onder zodanige scherpe prijsconcurrentie
moet werken, dat men zelfs met de know-how van dit concern
niet in staat is geweest om het geheel van winkels weer ren-
dabel te maken. Zoals uit publikaties viel op te maken, zijn
grote verliezen geleden en is het distributie-apparaat bij ge-
deelten overgenomen door enkele grote distributie-onder
–
nemingen.
Ook zijn in de laatste jaren tal van bekende grote en mid-
delgrote filiaalondernemingen – voornamelijk in de detail-
handel in textiel – wegens onvoldoende perspectief door
grotere ondernemingen overgenomen of hebben zij een fusie
aangegaan.
Dat zich bij de grote ondernemingen eveneens moeilijk-
heden voordoen, wekt geen verwondering. De sterke prijs-
stijging van de loonkosten in de jaren 1974 en 1975 zou in
mindere mate een ongunstige invloed op de winstgevendheid
hebben gehad, wanneer niet de procentuele stijging van het
omzetvolume in vergelijking tot voorafgaande jaren was afgezwakt. Dit gold in het bijzonder voor de invloed van
de abnormaal sterke loonstijging in 1974.
Uit gegevens van enkele grote concerns kan het volgende
worden afgeleid. Bij
KBB
was de winst na belasting in 1974
even hoog als in 1973 en nauwelijks hoger dan in 1972. In het
jaarverslag over 1974 wordt voor 1975 nog geen einde ver-
wacht van de moeilijkheden waarvoor de detailhandel zich
de laatste jaren geplaatst zag.
De nettowinst van
V & D
lag in het boekjaar 1973/1974
aanzienlijk lager dan in 1972/1973. Voor 1974/1975 wordt een nettowinst verwacht die niet hoger zal zijn dan die van
het voorafgaande jaar, terwijl voor het lopende boekjaar op
een bedrjfswinst wordt gerekend die niet veel hoger zal
komen te liggen.
De winst na belasting lag bij het Ahold-concern in 1974 beduidend lager dan in 1973 en bedroeg, na aftrek van be-
lasting, slechts ruim de helft van die in 1972. Voor 1975 zijn de vooruitzichten gunstiger, zodat een winst verwacht wordt
die minstens op het niveau van 1973 zal komen.
ESB 15-10-1975
1007
ESb
Ingezonden
Hinderlijke discriminatie
van ontwikkelingshulp
in rapport-Spierenburg
ven gaat, gemakkelijk zijn te verwezen-
lijken. Bij de tweede zou een en ander
via invoerverboden of contingentering
kunnen worden bereikt. Waarom zou
dat dan bij ontwikkelingshulp wél het
geval dienen te zijn; eens te meer, daar
ontwikkelingshulp door het door de
ontwikkelde landen opgelegde of door
de ontwikkelingslanden in de praktijk
vaak vrijwillig aanvaarde gebonden ka-
rakter daarvan, grotendeels zijn eigen
overschot op de betalingsbalans schept?
H. H. J. Labohm
In zijn artikel ,,De Eurodaalder: een
realistisch perspectief?” (zie
ESB van 21
mei 1975) geeft J. Pen de aanbevelingen van de Adviescommissie Europese Unie
(ook wel kortweg naar zijn voorzitter
de Commissie-Spierenburg genoemd)
met betrekking tot de beperkingen van
het nationale budgetrecht in het kader
van een Europese Muntunie als volgt
weer:
de Adviescommissie (heeft) aanbevo-
len dat de Europese Commissie jaarlijks en
per land een drietal strategische plafonds
bindend voorschrijft… De strategische maxi-
ma betreffen de toegelaten stijging van de
overheidsuitgaven, de omvang van het tekort
en de kort-geldfinanciering daarvan. De
Europese Commissie toetst de nationale Ont-
werp-begrotingen aan deze voorschriften…
binnen het raam van deze drie kerngroothe-
den, blijft het (de nationale wetgever) vrij
om de overheidsuitgaven naar eigen goed-
dunken in te richten. Nationale prioriteiten
voor het kleuteronderwijs en de wegenbouw
blijven onaangetast (maar dit geldt niet voor
de ontwikkelingshulp, zie hierna)”.
Dat ,,hierna” slaat op de volgende pas-
sage:
,,lntussen zal de Muntunie niet slechts een
vergemeenschappelijking nodig maken van
het monetaire beleid en het beleid nopens de
budgettaire kerngrootheden. Ook op enkele
andere terreinen vergt het Europese karakter
van degoud- en deviezenvoorraad een Euro-
pese politiek. Te denken valt aan de buiten-
landse kredietverlening en aan de ontwikke-
lingshulp. Het is niet zo dat alle lidstaten
eenzelfde fractie van hun nationale inkomen
aan ontwikkelingshulp moeten of mogen uit-
geven, noch ook behoeft te worden uitgeslo-
ten dat regeringen bepaalde ontwikkelings-
landen waar zij erg van gecharmeerd zijn, begunstigen, maar aan deze verschillen in
beleid worden grenzen gesteld door de ex-
terne monetaire positie”.
Een en ander is kennelijk mede geba-
seerd op de volgende passage uit para-
graaf 10.1.2. van het rapport van de
Commissie-Spierenburg:
,,Ook het bestaan van de Muntunie doet
hier zijn invloed gelden: binnen de grenzen
van de budgettaire kerngrootheden zullen de
lidstaten weliswaar vrij zijn een groter of
kleiner deel van hun middelen aan ontwik-
kelingsdoeleinden te besteden, maar de be-
nodigde kapitaalsoverdrachten naar de ont-
wikkelingslanden zullen stellig uit hoofde
van het externe monetaire evenwicht aan
communautaire regels onderworpen zijn”.
Impliciet in dit alles lijkt de gedachte
dat het overschot op de lopende reke-
ning van de betalingsbalans voldoende
dient te zijn om het tekort op de kapi-
taalbalans uit hoofde van de ontwikke-
lingshulp te compenseren en dat deze
tot het stellen van een bovengrens aan
de ontwikkelingshulp zou kunnen no-
pen.
Hoe merkwaardig deze redenering
wel is, blijkt wanneer men bijv. voor
ontwikkelingshulp, de aankoop van mi-
litair materieel (van buiten Europa; we
praten immers over een Europese Munt-
unie) of van bepaalde genotmiddelen
(zoals sherry en rookwaren) invult. Zo-
wel de aankopen van het militaire ma-
terieel als die van genotmiddelen zullen
grofweg een vergelijkbare orde van
grootte hebben als ontwikkelingshulp
en een even groot beroep op de goud-
en deviezenvoorraad doen.
Nochtans wordt de grootte van de
aankopen van beide categorieën goede-
ren .- voor zover mij bekend – niet af-
hankelijk gesteld van het externe mone-
taire evenwicht. Bij de eerste zou zulks,
aangezien het hier om overheidsuitga-
Naschrift
De heer Labohm zou groot gelijk
hebben als de Commissie-Spierenburg werkelijk alleen de ontwikkelingshulp
aan een communautaire beslissing had
gebonden, en de aanschaffing van mili-
tair materieel uit derde landen had over-
gelaten aan ongebreideld nationaal be-leid. (Allebei kosten ze deviezen). Dat
zou, ook naar mijn mening, ,,hinderlijke
discriminatie” zijn. Maar ook over de mi-
litaire aankopen bevat het rapport aller-
lei aanbevelingen, die de discriminatie
m.i. wegnemen. Ik heb dat in mijn arti-
kel over de Eurodaalder niet vermeld
omdat de militaire paragraaf ver van
mijn belangstelling ligt. Men leze
hoofdstuk II van het rapport:
Het de-
fensiebeleid,
en speciaal blz. 77.
Sherry en rookwaren leggen eveneens
beslag op deviezen. De Commissie-
Spierenburg heeft hier geen specifieke
aanbevelingen gedaan. Wél voor de to-
tale bestedingen (monetaire politiek, de
strategische budgettaire grootheden
enz.), en dat wijst er misschien op dat
de Commissie heeft gedacht dat de in-
voerquote van genotmiddelen niet dui-
delijk afwijkt van die van andere beste-
dingen. Hier moeten de nationale rege-
ringen zelf maar weten hoe gedetail-
leerd ze willen ingrijpen. Wie dat vanuit
Brussel wil regelen maakt de EG erg
onpopulair.
J. Pen
Bijzonder interessant zijn de gegevens over het levens-
middelenbedrjfEdah, dat in 1973 de omzet ruim verdubbeld
zag, mede doordat het een groot aantal winkels (o.a. van
Co-op-Nederland) heeft overgenomen. Deze onderneming
vertoont een duidelijke dïscount-signatuur. Het is daarbij
opvallend dat de nettowinst na belasting in 1973 nauwelijks
hoger lag dan in 1972. En voor 1974 wordt de verwachting
uitgesproken dat, door de sterke loonstijging en de felle
concurrentie, het moeite zal kosten om de resultaten
van 1973 te evenaren.
De discount-formule die door sommige ondernemingen
als noodzakelijk middel wordt gezien om jaarlijks tot een
flinke volume-omzetstijging te komen moest hier blijkbaar
gepaard gaan met behulp van dermate lage prijzen dat van
stijging van de nettowinst niet of nauwelijks sprake is geweest.
Tegen de achtergrond van vorenstaande gegevens zal in een volgend artikel nader worden ingegaan op de vooruit-
zichten voor de individuele zelfstandige winkeliers.
P. M. van Nieuwenhuyzen
1008
Esb
In gezonden
Hoe concurrerend
is elektriciteit
uit kerncentrales? (1)
Naar aanleiding van het artikel van
Drs. B. de Vries t) zijn enige opmerkin-
gen te maken, die ieder voor zich
slechts een geringe invloed op de eind-
uitkomst hebben. Te zamen echter kun-
nen ze toch het totaalbeeld wat anders
doen zien dan schrijver aangeeft.
Het aangegeven getal van 44,4.10
J of 12.343 kWth voor de verbrandings-
warmte van 1 ton stookolie, is de zoge-
naamde bovenwaarde die bereikt wordt
als het water in de verbrandingsgassen
condenseert. Bij een centrale vindt deze
condensatie niet plaats en moeten we
rekenen met de onderwaarde: 41,86.10
J of 11.628 kWth per ton.
Het rendement voor moderne olie-
gestookte centrales van 42% is bereik-
baar, maar wel hoog. De benodigde
stoomtemperaturen leiden tot het ge-
bruik van speciale, dure ketelmateri-
alen en mogelijk ook tot een grotere
kans op storingen. Bedrijfservaring met
vroegere eenheden en economische be-
schouwingen zullen voor een elektrici-
teitsbedrijf de keuze moeten bepalen
tussen een rendement van 42% of lager
(39 â 40%).
De aanschafkosten voor de eerste
kern van een kerncentrale worden niet
gecompenseerd door verkoop van de
laatste kern en moeten derhalve wel in
rekening worden gebracht. Bij de ver-
eenvoudigde rekenmethode die schrij-
ver toepast, is het bij de hierna onder
punt 8 gebruikte kosten van uranium,
verrijkingsarbeid en fabricage het een-
voudigste om aan te nemen dat in de
investeringskosten voor de lichtwaterre-
actoren (LWR)-centrale een bedrag van
f. 75 per kWe is begrepen voor de eerste
kern.
Het is bij benadering juist om te
stellen dat de kosten van opwerking
van gebruikte splijtstof gecompenseerd
worden door de opbrengsten van het
vrijkomende uranium en plutonium. Bij
de berekening van de. splijtstofcyclus-
kosten moeten de opwerkingskosten
daarvan worden veggelaten, of te zamen
met de opbrensten worden opgevoerd.
Met de hogere kosten van de ver-
vaardiging van plutoniumrecycle-ele-
menten behoeft geen rekening te wor-
den gehouden. Deze kosten worden
verrekend bij de prijsvaststelling van
het plutonium. Hierbij wordt ervan uit-
gegaan dat een gereed plutoniumele-
ment nooit meer zal mogen kosten dan
een element met verrijkt uranium dat
dezelfde hoeveelheid energie levert.
Door schrijver wordt bij de kos-
tenvergelijkïng voor een oliegestookte
centrale een andere bedrijfstijd inge-
voerd dan voor de kernenergiecentrale.
Dit is niet toelaatbaar; de individuele
centrale kan dan niet meer los van het
gehele systeem worden beschouwd, om-
dat andere centrales dit verschil in be-
drijfstijd zullen moeten opvangen. Voor
een juiste vergelijking moet voor beide
centrales een gelijke bedrijfstijd worden
aangenomen.
Het rekenen met een voor inflatie
gecorrigeerde rente is een gevaarlijke
manoeuvre. Dit geeft als resultaat dat de
inkomsten in eerste instantie te weinig
zijn om de rente van het geïnvesteerde
kapitaal te betalen. Eerst later als op de verkoopprijs infiatiecorrecties zijn toe-
gepast, worden de tekorten ingehaald.
Maar de inflatie is daarmee wel dwin-
gende noodzaak geworden.
Met de hierboven gegeven correc-
ties berekende ik opnieuw tabel 5. Voor
rente en afschrijvingstijd nam ik resp.
10% en 20 jaar. Voor de brandstof-,
splijtstof-, verrjkings- en fabricageprij-
zen gebruikte ik de waarden van de
middelste kolom, als zijnde reële schat-
tingen voor dit ogenblik. Het verschil
van f. 790 per kWe tussen de investe-
ringskosten van f. 1.750 en f. 960 voor
de resp. centrales lijkt mij erg hoog,
mede in verband met het hierboven on-
der 2. gestelde, maar ik heb dit in eerste
instantie niet aangetast. Het resultaat
wordt weergegeven in tabel 1.
Tabel 1 (in ct/kWhe)
Kapitaalkosten KLWR
3,64
3,92 4,25
1
,
90
2,05 2,22
Splijtstofkosten SLWR
0,89
0,89 0,89
KCC
……..
Brandstofkosten
cc
3,89
3,89 3,89
KCCKLWR+BCC
.
SLWR
1,26
1,13
0,97
Indien de investeringskosten voor de
LWR toch minder zijn dan f. 1.750, zul-
len voor elke f. 100 minder de hierbo-
ven berekende verschilbedragen met re-
spectievelijk 0,21, 0,22 en 0,24 ct/kWhe
toenemen.
Nu kan voorts een gevoeligheids-
analyse worden uitgevoerd. Schrijver
doet dit door tegelijkertijd de olieprijs
en de splijtstofcycluskosten in tegenge-
stelde richting te variëren. Dit lijkt mij
niet redelijk. De splijtstofcycluskosten
zullen niet wezenlijk lager worden dan
de door schrijver in de middelste kolom
gegeven waarden en de olieprijs ver-
moedelijk ook niet. De beste veronder-
stelling lijkt mij dat zowel de olieprijzën
als de splijtstofcyclusprijzen met een-
zelfde percentage stijgen. Dit geeft de
volgende uitkomsten (zie tabel 2).
Tabel 2. Verschil in k Wh-prijs tussen
conventionele centrale en kerncentrale (in ct/kWhe)
Belaatingfactor
Prijzen
70% 65% 60%
Basis
……………….
1,26
1,13
0,97
Basis
+
20%
…………
1,86
1,73
1,57
2,46
..
..
2,33
2,17
Basis
+
40%
………….
Basis
+
10Wó
………….
4,26
4,13
3,97
Dit leidt tot de conclusie dat op basis
van het prijsniveau 1975 de energie ge-
produceerd met een oliegestookte cen-
trale 20-25% duurder is dan bij een kern-
energiecentrale. Indien zich prijsstijgin-
gen voordoen kan dit oplopen tot 70-
75%.
Overigens is de aanschaf van een
kernenergiecentrale voor een elektrici-
teitsbedrijf niet zo’n grote sprong in het
duister. De hogere investeringen zijn
reeds bekend voordat de opdracht aan
de leverancier wordt gegeven en kunnen
dus mede de beleidsbeslissing beïnvloe-
den. De variaties op de splijtstofcyclus-
kosten spelen zich af rond een basisbe-
drag van 0,89 ct/kWhe. Bij een oliege-
stookte centrale spelen de variaties zich
af rond een basisbedrag van 3,89
ct/kWhe en worden ze minder door
technische factoren dan door markt- en politieke factoren bepaald.
J. Pelser
Naschrift
ad. 1. Hier is sprake van een onzorg-
vuldigheid mijnerzijds. Het voor de drie
gevallen berekende verschil in kWhe-
prijs tussen LWR en conventionele cen-
trales (CC) (tabel 5) verandert hierdoor
van + 2,2, + 0,6 en— 1,6 ct per kWhe in
+ 2,5, + 0,8 en— 1,4 ct per kWhe. In
* Technisch directeur van de Stichting Reac-
tor Centrum Nederland.
1) Hoe concurrerend is elektriciteit Uit kern-
Betastingfactor
centrales?,
ESB. 20
augustus 1975.
70%
1
65%
60%
ESB 15-10-1975
1009
hoeverre en tegen welke kosten is het
mogelijk de condensatiewarmte van het
water in de afgassen terug te winnen?
Voor centrale verwarmingssystemen in
woningen bestaan beproefde installaties
waarbij de condensatiewarmte vrijwel
volledig wordt teruggewonnen.
ad. 2. Van, Lier schrijft 1): ,,In the
1950s relatively high fuel prices helped
to stimulate the building of power sta-
tions which made use of increasingly
higher pressures and temperatures .
and these advanced installations turned
Out to be more expensive than expec-
ted. When fuel prices became relatively
lower a more cautious approach was
adopted, and today pressures of 180-
260 bars and temperatures of 540-
560°C are customary, giving an effi-
ciency in the regiOn of
42%”.
Overigens
zou het hoger eigenverbruik van LWR
ten opzichte van CC ook via het rende-
ment in rekening kunnen worden ge-
bracht. De gecombineerde stoom-gas-
cyclus is redelijk beproefde technologie;
een systeem van meerdere gasturbines
en een stoomturbine kan over een groot belastingbereik méér dan 42% efficiën-
tie bereiken 1). Ik heb geen gegevens
over de investeringskosten; het lijkt mij
echter een tot heden toe te zeer ver-
waarloosd alternatief in het elektrici-
teitsbeleid.
ad. 3. Zelden staat in de literatuur
vermeld, of de kosten van de eerste
kern (volgens Pelser ad f. 75 per kWe
ofwel ad 0,1 -0,2 ct per kWhe) in de in-
vesteringskosten zijn inbegrepen.
ad. 4.-5. De opwerkingskosten, on-
gecompenseerd met de opbrengsten van
uranium en plutonium, zijn in de orde
van 0,1 ct per kWhe ofwel in de orde
van de ad. 3. vermelde onzekerheid. Ik
heb de opwerkingskosten in de be-
schouwing betrokken, mede omdat de
ontwikkeling ervan illustreert hoeveel
onzekerheden er zijn aan ,,het eind van
de splijtstofcyclus” in technisch en
economisch opzicht; over het rende-
ment van de plutoniumhuishouding zijn
nog meer onzekerheden. Hoe lang en
hoe veilig moet plutonium worden op-
geslagen? Wanneer – if at all – wor
–
den snelle kweekreactoren ingevoerd?
ad. 6. Ik heb bedrijfstijd b (CC) op
75% gehouden en bedrijfstijd b (LWR)
tussen 55% en 70% gevarieerd. Dit is
equivalent met het vergelijken van een
1.000 MWe LWR met een CC van resp.
735, 835 en 935 MWe voor b (LWR)
resp. 55%, 62,5% en 70%. Het impli-
ceert de bouw van aanvullend piekver-mogen van resp. 265, 165 en 65 MWe.
Zelfs als men hiervoor weinig kapitaal-
intensieve gasturbines gebruikt, brengt
dit kapitaalkosten met zich mee. Ik heb
deze kosten verwaarloosd, omdat zij
ten dele worden gecompenseerd door
de kosten van extra reservevermogen
ten gevolge van de geringere betrouw-
baarheid van LWR; deze laatste kan ik
echter niet verantwoord ramen, zoals
ook in mijn artikel is gesteld. Overigens
ben ik het geheel met Pelser eens dat
voor een juiste vergelijking het gehele
systeem moet worden beschouwd. Van-
daar mijn vraag: hoeveel meerkosten in de vorm van netverliezen en investerin-
gen in koppelnetten brengen de grotere
eenheden en de geringere betrouwbaar-
heid van LWR ten opzichte van CC
met zich mee? Ongetwijfeld zijn er in
Nederland mensen, die hierover ver-
standiger dingen kunnen zeggen dan ik.
ad. 7. Ramingen van vaste en varia-
bele kosten moeten op consistente wijze
gebeuren. Ik heb gekozen voor reële
brandstofprijzen – derhalve voor reële
investeringskosten en een voor inflatie
gecorrigeerde rentevoet. Men kan ook
vaste kosten berekenen op basis van in-
vesteringskosten in guldens van het jaar
van inbedrijfstelling, geïnfieerde olie-
prijzen en marktrente. Met liquiditeits-
problemen in een bedrijf heb ik in deze
nationaal-economische kostenvergelij-
king geen rekening gehouden.
ad. 8. Ik mis bij de tabel de Opmer
–
king, dat voor elke 5% dat de bedrijfs-
tijd lager dan 60% blijkt te zijn, de ver-schilbedragen met meer dan 0,18 ct per kWhe (niet-lineair) afnemen. Overeen-
komstig hetgeen door mij ad. 6 is ge-
steld, zou de verhoging per bedrijfstijd-
verlaging van
5%
rond meer dan 0,38 ct
per kWhe (niet-lineair) liggen. Zoals ik
in mijn artikel heb aangegeven, is on-
duidelijk hoe realistisch een economi-
sche levensduur van 20 jaar voor LWR
is. Daarentegen is een economische le-
vensduur van 25-35 jaar – hetgeen ge-
zien de afnemende groei in het elektrici-
teitsverbruik in de toekomst waar-
schijnljker is dan 20 jaar – voor CC
geen technische onzekerheid.
ad. 9. De gevoeligheidsanalyse in
mijn artikel bestaat uit fig. 1 en 2. Om
een schatting te maken van de onzeker-heid in de einduitkomst, heb ik naast de standaardberekening ook de voor LWR
slechtste en beste mogelijkheden aange-geven (tabel 5). Ik heb te weinig inzicht
in en gegevens over de relevante para-
meters om hierbij iets anders te gebrui-
ken dan de aanname
van
onderlinge
onafhankelijkheid en de in de literatuur
gevonden grenswaarden. Ongekleurde
informatie van deskundigen zou mijn
raming verantwoorder kunnen maken.
ad. 10. Meermalen hebben zich ge-
durende de bouw van kerncentrales
grote onvoorziene kostenstijgingen
voorgedaan (zoals bijv. AEG met zijn
turnkey-opdrachten heeft ervaren). Een
elektriciteitsbedrijf kan over de bedrijfs-
tijd gedurende de 20 jaar na de bouw
nog weinig zekerheid hebben.’ De rol
van politieke factoren in de splijtstofcy-
cluskosten is onzeker.
Tot slot het volgende en belang-
rijkste. De prijs van elektriciteit wordt
bepaald door een samenstel van onder-
ling afhankelijke factoren. De prijsvor-
ming is in vergaande mate een politiek
proces. De meest redelijke veronderstel-
ling lijkt mij, dat de belanghebbenden
(sheiks, milieugroepen, olieconcerns,
uraniumleveranciers enz.) zodanige
,,prijzen” bedingen in de politieke
arena, dat er de komende decennia géén
significant verschil in prijs is tussen
elektrische energie uit kerncentrales
resp. fossiel gestookte centrales. In de
discussie worden economische voorde-
len als oneigenlijk argument gebruikt.
Het gaat zowel bij het bouwen van
kerncentrales als bij exploitatie van olie
en gas uit de Noordzee om het politieke
effect van een substitutiemogelijkheid;
het argument is geringere afhankelijk-
heid van politiek onbetrouwbare lan-
den. Van deze gang van zaken kan een
verlammende werking op ontwikkeling
en invoering van meer efficiënte energie-
conversie- en energieverbruikstechnie-
ken uitgaan.
Op grond van het voorgaande twijfel
ik aan de zin van economische kosten-
vergelijkingen. Zowel in mijn reactie op de
Energienota
als in dit naschrift
heb ik mij echter gehouden aan de spel-
regels; de goede spelregels bij het ver-
keerde spel? Ik ga daar nog een alinea
mee door. Laat ik als redelijke schattin-
gen nemen:
• voor de niet voor inflatie gecorri-
geerde rentevoet
10-15%,
voor de
voor inflatie gecorrigeerde rentevoet
4-8% 2);
• voor de economische levensduur van
LWR 15-20 jaar, van CC 20-25 jaar;
• voor de niet voor inflatie gecorri-
geerde specifieke investeringskosten
van LWR f. 2.000 – f. 2.500/kWe 3),
Tabel 3. Verschil in k Whe-pr(js tussen conventionele centrale en kerncentrale,
1: met inflatie 3); II: zonder inflatie
(in ct/ k Whe)
Prijzen
1
Verschil in kosten per kWhe
Basis
……
…….
van -3,0 lot +0,8 van -0,5 tot +1,9
Basis + 10%
van -0,2 lot +2,2
Basis + 20% a) .. .
van +0,1 tot +2,5
Basis + 100% b) . . van 0,0 tol +3,8
Basis + 200%
….
van +3,0 tot +6,8
Bij hogee reële prijsstijgingen komen ongetwijfeld meer alternatieven, bijv. steenkool, in beeld.
Do is tot 1990 een stijging van 5% (inflatie voorgoederen,
ziet voetnoot 3) per jaar.
Energy conservation, ways and means.
STT-publikatie 19, juni 1974.
Deze waarden zijn gebaseerd op de
,,maatschappelijke tijdsvoorkeur”. Wordt de
reële rentevoet gebaseerd op intern rende-
ment van investeringen in het bedrijfsleven,
dan worden waarden van 10% gebruikt (vgl.
het rapport Normen en Maatstaven voor
kostenbatenanalyses van de interdeparte-
mentale commissie voor de beleidsanalyse,
Beleidsanalyse,
1974-1). Wellicht verklaart
dit enerzijds de hoge rentevoet, anderzijds de
reële olieprijzen in de
NEJ-Energienoza.
Ge-
bruikt Pelser in tabel 2 ook reële kostenstij-
gingen?
Atomic Energycommission, WASH-1345,
1974. Hierin wordt inflatie voor goederen op
voor arbeid op 10% per jaar gesteld.
1010
In
ESB
van 20 augustus 1975 vraagt
Drs. B. de Vries zich af: ,,Hoe concur-
rerend is elektriciteit uit kerncentrales?”
In hetgeen op deze vraag volgt wordt
getracht – mede aan de hand van een
indrukwekkende literatuurlijst – aan te
tonen dat ,,bij de huidige kennis en
vooruitzichten de te verwachten eco-
nomische voordelen van lichtwaterreac-
toren boven fossiel gestookte elektrici-
teitscentrales onzeker en gering zijn”.
Nadat de belangrijkste prjsbepalende
kostencomponenten zijn besproken
wordt een aantal scenario’s opgesteld
waarin aan deze kostencomponenten
zekere waarden (lees: onzekere waar-
den) worden toegekend. Op grond van
twee scenario’s wordt de voornoemde
conclusie getrokken: het eerste scenario
vermeldt de waarden van de kosten-
componenten die alle zeer gunstig zou-
den zijn voor met kernenergie opge-
wekte elekriciteit. In dat geval zouden
de kosten 2,2 ct. per kWh lager zijn dan
de elektrische energie uit conventionele
centrales. In het tweede scenario wor-
den alle waarden van de kostencompo-
nenten zodanig vastgesteld dat deze gunstig zijn voor met olie gestookte
centrales; in dat geval wordt becijferd
dat elektriciteit uit nucleaire centrales
1,6 ct per kWh duurder is.
Op grond van deze berekeningen
wordt de conclusie getrokken dat ,,op
eng economische gronden nucleaire
voor de voor inflatie gecorrigeerde
specifieke investeringskosten van
LWR f. 1.500 – f. 2.000/kWe;
• voor de verhouding I(LWR)/I(CC)
ongeveer 1,8;
terwijl ik Pelser volg ad. 3-4.-5. en in de
(m.i. aanvechtbare) veronderstelling,
dat olieprijzen en splijtstofcyclusprijzen
met eenzelfde percentage stijgen, dan
volgt daar tabel 3 uit.
Tot slot
1. Op basis van de uitgangspunten
van de
NEJ-Energienota is
elektriciteit
uit kerncentrales 2,3 tot 2,8 ct/kWhe
goedkoper dan elektriciteit uit oliege-
elektriciteit 0,3 ± 1,9 ct per kWh goed-
koper is dan elektriciteit uit oliege-
stookte centrales”. Er wordt niet ver
–
meld hoe groot de kans is dat nucleaire
elektriciteit goedkoper of duurder is, zo-
dat een ieder deze uitspraak naar eigen
inzichten mag interpreteren. Welke
kans moet er bijv. aan worden toege-
kend dat huidige olieprijzen ca. 20%
zullen gaan
da/en
onder gelijktijdige
stijging
van de splijtstofkosten met
50%, gepaard gaande met een zeer
slechte bezetting van de nucleaire cen-
trales waarvan het laatste scenario uit-
gaat? En dit terwijl in scenario 1 (gunstig
voor nucleaire centrales) niet met een
stijgende olieprijs wordt gerekend?
Doordat de centrales in Nederland
thans vrijwel geheel de elektriciteit pro-
duceren door aardgas te verstoken,
wordt vrijwel geen stookolie gekocht.
Indien echter binnen afzienbare tijd be-
langrijke aardgascontracten aflopen en
niet meer zullen worden gecontinueerd,
zullen de centrales genoodzaakt zijn en-kele miljoenen tonnen olie per jaar weer
te moeten afnemen. Afgezien nog van
de mogelijkheid dat de prijs hierdoor
zal gaan stijgen zijn er duidelijke aan-
wijzingen dat de olieproducerende lan-
den voortdurend de mogelijkheid aftas-
ten de olieprijzen te verhogen om op
deze wijze in ieder geval de inflatie bij
te houden. In geen enkel scenario wordt
stookte centrales. Bij het huidige reële olieprijsniveau zijn de werkelijke eco-
nomische voordelen in enge zin niet in de
mate en met de vanzelfsprekendheid als
in de
Energienota
wordt gesteld, aan-
wezig. Minder voordelen, meer onze-
kerheden.
2. Het kostenvoordeel van elektrici-
teit uit kerncentrales versus oliege-
stookte centrales is sterk afhankelijk
van de mate waarin de olieleveranciers
erin zullen slagen in de periode na de
inbedrijfstelling van de centrale de in-
flatie in het geïndustrialiseerde Westen
door te berekenen in de olieprijzen.
B. de Vries
echter uitgegaan van stijgende olieprij-
zen!
Ook met betrekking tot de belasting-
factor – een praktisch onbekend be-
grip in de Nederlandse literatuur – kan
ik het niet met de auteur eens zijn. In het buitenland wordt onder ,,loadfac-
tor” verstaan de gemiddelde belasting,
uitgedrukt in procenten van de maxi-
male jaarbelasting. Bedraagt deze bijv.
75%
dan wordt in Nederland gesproken
van een bedrijfstijd van 6.570 uur: dit is
75% van de 8.760 uren die een jaar telt.
De bedrijfstijd in formule wordt aldus
gedefinieerd: (opgewekte kWh in een
jaar) : (de maximale belasting in kW in
datzelfde jaar). De grootst mogelijke
bedrijfstijd is dus 8.760 uur. In dat ge-
val is de gemiddelde belasting gelijk aan
de maximale belasting. De loadfactor is
dan gelijk aan 1.
De auteur schrijft nu: ,,Voor con-
ventionele centrales bedroeg in Neder-
land de gemiddelde beschikbaarheid
in 1973
81%.
Een belasting van
75%
is
realistisch wat betreft de centrale”.
Kennelijk wil de auteur aan de voor-
zichtige kant blijven en stelt hij on-
danks de beschikbaarheid van 81% de
belastingfactor op
75%.
Dit zijn echter
twee volkomen verschillende begrippen.
Een centrale die beschikbaar is, behoeft
zeker niet altijd in bedrijf te zijn en nog
minder op volle capaciteit te produce-
ren. De gemiddelde belasting van de
centrales in Nederland was in 1973 veel
lager: de opgewekte energie bedroeg: 43
x 10 kWh; de totale maximale belas-
ting bedroeg 7.730 x
10
kW. De be-
drijfstijd die hieruit volgt bedraagt
5.951 uur (loadfactor 5.951/8.760 =
0,68). Dit is echter nog niet de bedrijfs-
tijd (gemiddelde belasting) van het op-gestelde vermogen. Het opgestelde ver-
mogen bedroeg per ultimo van dat jaar
11.310 x
10
kW. Hieruit kan worden
berekend, dat de gemiddelde belasting, betrekking hebbende op het opgestelde
vermogen, welke de auteur de belas-
tingfactor noemt, slechts 0,46 heeft be-
dragen of wel 46% van het opgestelde
vermogen.
Er dient echter te worden bedacht,
dat onder het opgestelde vermogen ook
een deel voorkomt, dat jaarlijks nog
slechts een zeer klein aantal bedrijfs-
uren maakt en als reservevermogen
wordt aangehouden. Het is echter niet
juist om te stellen dat de conventionele centrales (CC) gedurende de economi-
sche levensduur (15 tot 20 jaar) een ge-
middelde belasting zouden kunnen heb-
ben van 75% (6.570 bedrijfsuren);
een percentage van maximaal 65
(5.700 bedrijfsuren) zal dichter bij de
waarheid liggen. Dit percentage kan
nog worden geadstrueerd aan de hand
van het normaal geachte totale aantal be-
drijfsuren van centrales gedurende hun
gehele levensduur, welke op circa
100.000 wordt gesteld, waarbij uiteraard
nog rekening moet worden gehouden
met de lager dan 100% gemiddelde be-
Esb
In gezonden
Hoe concurrerend
is elektriciteit
uit kerncentrales? (11)
ESB 15-10-1975
.
1011
Tabel 1
Annuiteiten
8%- 20 jr.
9%
–
18 jr.
10%
–
16 jr.
Annuiteitspercentage
……………………
10,19
11,42
12,78
Verzekeringsprcmie LWP
……………….
1,00 1,00 1,00
11,19
12,42 13,78
Contante waarde van
f.
180
……………….
f.
1.600
f.
1.400
f.
1.300
lasting gedurende deze 100.000 bedrijfs-
uren 1).
In de berekeningen van de auteur
wordt in tegenstelling met de zeer hoge
vaststelling van de gemiddelde belas-
tingfactor voor CC voor nucleaire cen-
trales (LWR) van een op een lager ni-
veau wisselende belastingfactor uitge-
gaan. Ofschoon het niet onjuist is dat de
auteur uitgaat van een aanmerkelijk la-
ger beschikbaarheidspercentage voor
LWR kôn ervan worden uitgegaan dat deze zoveel mogelijk op vollast zullen
produceren in de uren dat deze wel be-
schikbaar zijn. Immers, omdat de varia-
bele kosten van LWR aanmerkelijk la-
ger zijn dan van CC zullen LWR funge-
ren als basislastcentrales. Hierbij doet zich wel een extra probleem voor met
betrekking tot de vergelijking van de
kosten. Indien LWR volledig worden in-
gezet ook in de uren van lage belasting
(bijv. in de weekenden en ‘s nachts) zal
de bedrijfstijd van CC kunnen afnemen.
Indien de beschikbaarheid van LWR
wordt geschat op 70% (circa 10% lager
dan CC) en de gemiddelde belasting
van deze centrales gedurende de tijd dat
deze in bedrijf zijn op 90% dan volgt
hieruit een gemiddelde belasting van
63% welke vrijwel overeenkomt met de
belastingfactor van CC (zie hiervoor).
Dit percentage (hierna afgerond op
60%) voor de belastingfactor voor
LWR zal waarschijnlijk de werkelijk-
heid dichter benaderen dan de percen-
tages, genoemd door de auteur (70% en
55%)
in de berekening van de twee ex-
treme situaties.
Een zeer eenvoudige berekening kan
nu aantonen waar het indifferentiepunt
van de kosten voor de CC en de LWR
ligt. Hierbij kan naar mijn mening wor-
den uitgegaan van de huidige situatie
daar de onzekerheid met betrekking tot
de kostenontwikkeling van de investe-
ringen, brandstoffen en overige be-
standdelen in beide gevallen gelijk moet
worden geacht 2). De brandstofkosten
zijn dan per opgewekte kWh:
voor CC (olie)
……
minimaal 4,4 ct
voor LWR
……..
maximaal 1,0 ct
verschil 3,4 ct
De besparing op brandstofkosten be-
draagt dan bij een belastingfactor van
0,6 ca. f. 180 per kW per jaar (5.300 uur
x 3,4 ct per kWh). De jaarlijkse beta-
lingsbalansverbetering bedraagt in ge-
val van 3 LWR van 1.000 MW f. 540
mln. (De auteur becijfert een bedrag
van f. 490 mln., zodat op dit punt er
geen groot verschil bestaat).
Op grond van vorenvermelde bereke-
ning mogen de kapitaallasten van een
LWR f. 180 per kW per jaar hoger zijn. Hoe groot mogen in dat geval de inves-
teringskosten per kW hoger zijn? Hier-
voor kunnen enige alternatieve rente-
en afschrijvingspercentages worden ge-
introduceerd (zie tabel 1).
Afhankelijk van het rentepercentage
en de afschrijvingsduur mogen de inves-
teringskosten van een LWR dus op ba-
sis van de huidige brandstofkosten
f. 1.300 tot f. 1.600 per kW hoger zijn.
Hierbij kan nog worden bedacht dat in-
dien de brandstofkosten procentueel ge-
lijk stijgen het absolute verschil groter
wordt. Indien de splijtstofkosten bijv.
met 100% zouden stijgen behoeft de
stookolie in prijs slechts 23% te stijgen
ten einde het absolute verschil in brand-
stofkosten te handhaven.
De vraag kan nu worden gesteld of
de investeringskosten van LWR inder-
daad minstens f. 1.300 meer per kW be-
dragen. De auteur gaat uit van een maxi-
maal verschil van f. 900 per kW. Op
grond van deze cijfers resteert er dus
een positief voordeel van minimaal
f. 400 per geïnvesteerd vermogen in
kW, hetgeen ten minste 1 ct per kWh
betekent (13,78% van f.400 gedeeld
door 5.300 uur).
Er valt nog wel meer commentaar op
het artikel van de heer De Vries te leve-
ren. Op één punt wil ik graag nog even
ingaan. Er wordt gesteld, dat met de
reële rentevoet moet worden gerekend
waarin de inflatie niet mag worden be-
trokken. ,,Uit de prijsindexcijfers en
rentevoet (CBS, 1974) kan als een rea-
listische waarde van de rentevoet 4%
tot 6% worden afgeleid”. Welke waarde
ook aan de reële rentevoet mag worden
toegekend, de werkelijk te betalen ren-
tevoet – welke aanmerkelijk hoger is
dan 6% – kan alleen bepalend zijn
voor de kosten. Of dit hoge percentage
nu door inflatie, risico, vraag- en aan-
bodfactoren of welke andere oorzaak
dan ook tot stand is gekomen, voor de
Boekc
ieuws
A. C.
Zijderveld: De relativiteit van
kennis en werkelijkheid; inleiding tot de
kennissociologie.
Boom, Meppel, 1974,
245 blz., f. 24,50.
Kennissociologie relateert alle vor-
men van menselijke kennis – zowel
wetenschap als gezond verstand, zowel
analytische theorieën als politieke ideo-
financiering van de investeringen zijn
de werkelijk te betalen renten voor de
elektriciteitsbedrijven kosten die op de
produktie drukken. De kostprijsbereke-ning kan dan ook niet anders plaatsvin-
den dan door toepassing van dit veel
hogere percentage, tenzij de heer De
Vries van mening zou zijn dat de enorme
investeringen uit eigen vermogen zou-
den kunnen worden gefinancierd. Ove-
rigens zou het voordeel van LWR nog
aanmerkelijk hoger zijn dan hiervoor is
becijferd, indien van dit veel lagere per-
centage (4% of 6
1
7o) zou zijn uitgegaan.
Wellicht zou het van meer realiteits-
zin getuigen indien de heer De Vries
naast het voeren van de door hem in
een voetnoot vermelde ,,kritische dis-
cussie” met leden van de ,,Bezinnings-
groep Kernenergie”, ook zijn oor eens
te luisteren had gelegd bij deskundigen
op het gebied van kostprijsberekeningen
van elektrische energie.
H. G. Wienke
De gemiddelde belasting tijdens de uren
dat de centrale in bedrijf is kan empirisch
worden gesteld op maximaal
90%.
Uit-
gaande van een minimale economische le-
vensduur van 15 jaar en een aantal draaiuren
van 10.000 in de jaren na het 15e jaar (10%)
resulteert een bedrijfstijd van (100.000 –
10.000) x 0,9 : IS = 5.400.
In werkelijkheid is de onzekerheid met be-
trekking tot CC veel groter. Immers, zijn de
investeringskosten op het moment van de
beslissing tot investering Vrij nauwkeurig te
benaderen. De ontwikkeling van de brand-
stofkosten gedurende de levensduur is echter nauwelijks te ramen en juist deze kosten ma-
ken voor CC een veel groter aandeel van de
totale kosten uit.
logieën – aan de maatschappelijke
omstandigheden waarbinnen zij geldig-
heid bezit. Daarbij is de kennissociolo-
gie niet zozeer geïnteresseerd in de or-
ganisatie van de kennisuitoefening, dan
wel in de diverse wijzen waarop mensen
hun werkelijkheid construeren en door
middel van allerlei acties en theorieën
verdedigen en in stand houden. Terwijl
de moderne sociologie in hoofdzaak or-ganisatiesociologie is (waarbinnen ken-
nissociologie tot sociologie van onder
–
wijs en wetenschap werd), was de klas-
sieke sociologie primair kennissociolo-
gie op de boven omschreven wijze. De
auteur stelt voor om opnieuw contact
op te nemen met klassieke auteurs als
Weber, Durkheim, Scheler, Pareto en
1012
Amsterdam een congres over: ,,Mondi-
ale welzijnsverdeling”. Sprekers zijn:
Prof. Dr. J. Tinbergen, Drs. A. L. M.
Terburg en mevr. P. J. C. Tegelaar. Een
brochure, die onder meer de voorstellen,
vermeld in het interim-rapport
Re-
vie wing the international order –
opge-
steld door een groep deskundigen o.l.v.
Prof. Tinbergen -, bevat is gratis ver-
krijgbaar bij de VSAE, Burgemeester
Tellegenhuis, Jodenbreestraat 23, Am-
sterdam, tel.: (020) 5 25 42 30.
Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,
1
medicijnen en techniek:
/
WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL
;
.. ROTTERDAM B.V.
Waarin opgenomen: De Wester Boekhandel Stamboekhandel Rotterdam
Rochussenstraat 223, Rotterdam 3003
Tel. (010)
Vestiging in de Erasmus
Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010)145511,
1
toestel 3115.
(l.M.)
Mannheim. Een centraal probleem in
deze kennissociologie is de vraag of het
relateren van kennis aan maatschappe-
lijke omstandigheden niet moet uit-
monden in een relativisme dat aan geen enkele vorm en inhoud van kennis gel-
digheid kan toekennen.
Centraal Bureau voor de
Statistiek: Fa-
brieken van stalen meubelen en aanver-
wante bedrijven
1972. Produktiestatis-
tieken, Staatsuitgeverij, Den Haag,
1975, 19 blz., f.4.
K. Haeck: Afnemende objectgrootte.
Economisch Instituut voor de Bouwnij-
verheid, Amsterdam, 1975, 22 blz.
(excl. bijlagen).
Rapport over verandering in de ge-
middelde grootte van nieuwe werken in
de gebouwensector.
Esb
Medeilelin gen
Belastingpolitiek en inkomensverdeling
Op donderdag 18december 1975 orga-
niseert de vakgroep Belastingrechtelijke
vakken van de Faculteit der Rechts-
geleerdheid aan de Rijksuniversiteit te
Leiden, ter ere van Prof. Mr. H. J. Hof-
stra, een congres met als thema: ,,Belas-
tingpolitiek en inkomensverdeling”.
Sprekers zijn: Prof. Mr. J. Verburg, Dr.
W. F. Duisenberg, Prof. Drs. V. Halber-
stadt en Dr. F. H. M. Grapperhaus.
‘s Middags zal een panel, bestaande uit Prof. Drs. V. Halberstadt, Dr. F. H. M.
Grapperhaus, Mr. C. A. de Kam. H. Ba-
ron van Lawick. Prof. Dr. A. Pais, Prof.
Dr. J. Pen en J. G. M. Rood onder lei-
ding van Prof. Mr. J. Verburg over dein-
leiding en voordrachten discussiëren.
Mondiale welzijnsverdeling
Annual bulletin of general energy
sta-
Op donderdag 6 november a.s. organi-
tistics for
Europe 1973.
United Nations,
seert het Instituut voor Actuariaat en
New York, 1975, 155 blz., $ 7.
Econometrie van de Universiteit van
, ROVINCIE
s
tkt
DRENTHE
Bij de afdeling financiële- en economische zaken ter griffie kan geplaatst worden een
waarnemend chef(fin)
Tot de taak van de afdeling behoort de voorbereiding, advisering en uitvoering van
het beleid ten aanzien van de provinciale financiën en het toezicht op de
gemeentefinanciën. Hiertoe is de afdeling verdeeld in twee buro’s met een totale
bezetting van ca. 20 personeelsleden.
De aan te trekken functionaris zal naast de waarneming van de chef worden belast
met de behandeling van economische aangelegenheden, de ontwikkeling van
financiële meerjarenplannen en met bijzondere opdrachten vanuit het takenpakket
van de afdeling.
Functie-eisen:
– academische- of daarmede gelijkwaardige opleiding;
– zeer ruime ervaring op financieel en administratief-rechtelijk gebied;
– goede organisatorische en contactuele eigenschappen en redactionele vaardig-
heid.
Salariëring:
De aanstelling geschiedt in de rang van administrateur (salarisgrenzen van
/
4.046,— tot
/
4.992,— per maand, exclusief vakantieuitkering).
In de provincie bestaat voor het personeel een inspraakprocedure bij de benoe-
ming van hoofden van dienst en andere leidinggevende ambtenaren, welke op
deze vacature van toepassing is.
Sollicitaties worden ingewacht binnen 14 dagen na de verschijning van dit blad, te richten aan de griffier
der staten van Drenthe, provinciehuis, Westerbrink 1, Assen, onder vermelding van vacaturenummer 42 in
de linkerbovenhoek van de sollicitatiebrief en envelop.
1013
0
de rijksoverheid vraagt
hoofd sectie planning
(mnl./vrl.)
voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat
t.b.v. het Directoraat-Generaal van het Verkeer, Stafbureau Planning
Taak: inventariseren van de behoefte aan wetenschappelijke kennis op het gebied van
het vervoer en stimuleren van onderzoek teneinde in deze behoefte te voorzien.
In overleg met de beleidsdirecties opstellen van plannen op lange en middellange
termijn. Ontwikkelen van methoden voor de analyses van de effecten van, beleids-
maatregelen en uitvoeren van analyses van overwogen maatregelen.
Vereist: doctoraal examen Economie. Diepgaande kennis van de vervoereconomie
en van verwante vakken. Ruime ervaring op het gebied van economisch onderzoek.
Standplaats: ‘s-Gravenhage.
Salaris, afhankelijk van leeftijd en ervaring, max. f 5983,- per maand.
Schriftelijke sollicitaties onder vermelding van vacaturenummer 5-106910936 (in linker-
bovenhoek van brief en enveloppe) zenden aan de Rijks Psychologische Dieflst,
Prins Mauritslaan 1, ‘s-Gravenhage.
Het salaris is exclusief 7,8% vakantie-uitkering.
IsT
ir
.
..
Informatie:
Het provinciaal bestuur wordt in toenemende mate aangesproken over en betrok-
ken bij economische vraagstukken, werkgelegenheidsaspecten enz.
Van de provinciale griffie heeft het 2e bureau onder meer tot taak te bevorderen,
dat deze aspecten tot hun recht komen.
In verband met de steeds toenemende werkzaamheden, welke van beleids-bestuur-
lijke aard zijn, behoeft het bureau uitbreiding. De gedachten gaan uit naar een
econoom, die vanuit zijn vakgebied een bijdrage in de werkzaamheden kan geven.
Vereisten:
.
– academische opleiding, bij voorkeur algemene economie met als hoofdvak
o.m regionale economie;
–
– zo mogelijk ervaring, bij voorkeur ook op bestuurlijk terrein;
– capaciteiten om in teamverband samen te werken met collega’s van, andere
disciplines;
– goede uitdrukkingsvaardigheid in woord en geschrift.
Honorering:
afhankelijk van opleiding en ervaring maximaal / 3.263,— per maand.
De gebruikelijke rechtspositieregelingen zijn van toepassing, terwijl zo nodig medewerking wordt verleend
bij het verkrijgen van huisvesting.
Sollicitaties binnen 14 dagen na het verschijnen van dit blad te richten aan de Griffier der Staten van
Noord-Holland, Postbus 123, Haarlem, onder vermelding in de linkerbovenhoek van de brief en de en-
veloppe van vakaturenummer 78.
1014