Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3163

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 19 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
DE

19JULI 1978

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

63eJAARGANG

INSTITUUT

No. 3163

Economische deskundigen door de bocht

Wanneer acht hoogleraren in de economie (de Commissie

Economische Deskundigen (CED) van de SER plus twee

adviseurs) zich in een gezamenlijk rapport uitspreken over

de macro-economische ontwikkeling en het te voeren beleid,

is dat op zich zelf natuurlijk een zaak die aandacht verdient,

ook al hebben hun bevindingen niet direct praktische be-

tekenis als advies aan de regering of anderszins. Maar

het jongste Rapport van de Commissie Economische

Deskundigen,
dat onlangs is uitgebracht, verdient meer

dan gewone aandacht, omdat het een ontwikkeling mar-

keert in het macro-economische denken in Nederland, die

vroeger of later haar invloed op het beleid niet kan en mag

missen. De CED is door de bocht.

Niet meer – zoals in haar vorige rapport – staat bij de

CED in overwegende mate het globale macro-beleid ge-

richt op lastenverlichting en winstherstel centraal, thans

komt de Commissie tot de erkenning dat een dergelijk be-

leid waarschijnlijk niet zonder meer leidt tot een toereikende

verhoging van de investeringsquote en dat het streven naar

behoud van arbeidsplaatsen door middel van kostenmati-

ging in beginsel slechts in een deel van het bedrijfsleven

effect zou kunnen sorteren.
De deskundigen trekken hieruit de conclusie dat het beleid

gericht op rendementsverbetering dient te worden aange-

vuld met een zo goed mogelijk aan de produktiecapaciteit

aangepaste afzetstimulering, terwijl tevens het monetaire en

het wisselkoersbeleid zullen moeten bijspringen om de

apprecïatie van de gulden, welke een niet weg te cijferen

handicap vormt voor onze exportprestatie, te beperken.

Daarnaast moet meer dan tevoren het accent worden ge-

legd op het wegnemen van knelpunten op de goederen-

en arbeidsmarkten.

De CED maakt in haar analyse onderscheid naar soor-

ten bedrijfstakken met verschillende structuurkenmerken.
Bedrijfstakken die vooral op de export zijn gericht (zoals

olieraffinaderjen, chemie, scheepsbouw enz.) en thans te

kampen hebben met een lage bezettingsgraad waardoor de
afzetprjzen en de winstniveaus sterk onder druk staan,

kunnen niet over één kam worden geschoren met b.v.
traditionele industrietakken als textiel-, kleding-, Ieder- en

schoenindustrie, die een arbeidsintensieve produktiewijze

en een relatief eenvoudige technologie kennen en die grote
concurrentie ondervinden van nieuw opkomende industrie-
landen die op deze gebieden comparatieve voordelen

trachten te behalen. Het spreekt voor zich dat ten aanzien

van zulke uiteenlopende sectoren een andersoortig beleid

noodzakelijk is en het is een verdienste van de CED dat zij

daarop wijst. Daarbij moet echter worden bedacht dat een

verfijnd, op sectorniveau toegespitst, economisch instrumen-

tarium ontbreekt en dat b.v. in Vintaf-lI (het model waarop

het Nederlandse macro-economische beleid wordt geba-

seerd) een dergelijk onderscheid in sectoren in het geheel
niet wordt gemaakt.
Een op afzetstimulering gericht beleid kan in termen van

werkgelegenheidscreatie het meest effectief zijn in de bouw-

nijverheid of in de arbeidsintensieve dienstensector. Er is

daarbij geen reden om a priori aan uitbreiding van de werk-

gelegenheid in de marktsector voorrang te geven boven
uitbreiding van de collectieve sector. De CED verwerpt

expliciet de draagvlakgedachte 1) die veronderstelt dat de

collectieve sector zou ,,teren” op de marktsector en dat

derhalve de laatste het eerst versterking zou behoeven.

Wanneer in de collectieve sector prestaties worden geleverd

in de zin van het voorzien in onbevredigde maatschappelijke
behoeften, waarvoor de bereidheid bestaat de prijs in de

vorm van belastingen en premies te betalen, is er geen reden

prioriteit te geven aan versterking van de marktsector.
Uiteraard kan de financiering van een op afzetstimulering

gericht beleid knelpunten opleveren, maar in dit verband

is het van belang op te merken dat de CED in beginsel geen

beletselen aanwezig acht om het financieringstekort verder
op te rekken dan de huidige
5%.
Een belangrijke plaats in de beschouwingen van de Com-

missie neemt ook het arbeidsmarktbeleid in. De CED consta-

teert dat sedert het einde van de jaren zestig de werking van
de arbeidsmarkt een zelfstandige oorzaak vormt van de

werkloosheidsproblematiek. Er is meer werkloosheid ont-

staan dan op grond van het aantal vacatures zou mogen
worden verwacht. De deskundigen wijten dit voor een deel

aan de geringe arbeidsmobiliteit (zowel naar functie als naar

regio). Deze zou kunnen worden bevorderd door middel

van financiele prikkels. De huidige institutionele structuur

van loonvorming (cao-onderhandelingen) maakt hantering

van dit instrument echter bijna onmogelijk. Nog afgezien

van de vraag of financiële prikkels effectief zouden zijn,

gaat de CED er niet op in, hoede gewenste loondifferentiatie

die loonniveau en loonstructuur meer in overeenstemming

zou moeten brengen met heersende schaarsteverhoudingen,
te realiseren zou zijn.
Wanneer alle bovengenoemde mogelijkheden op middel-

lange termijn nog niet tot voldoende werkgelegenheid

leiden – en de CED acht dat waarschijnlijk – moet het heil

worden gezocht in een andere verdeling van de hoeveelheid

arbeid. Helaas komt de CED nauwelijks toe aan een uit-
werking van ideeën op dit gebied en aan een schatting van
kosten- en arbeidsplaatseneffecten. De noodzaak om dit

alternatief onder ogen te zien, komt toch steeds dichter
binnen het gezichtsveld.

Dit brengt mij op een meer algemene kritiek op het

CED-rapport, nl. dat het nauwelijks ingaat op de vraag
hoe het instrumentarium voor het voorgestane beleid kan

worden ontworpen of aangescherpt. Het is te hopen dat in

een volgend verslag hieraan meer aandacht wordt besteed.

Dan kan de stijgende lijn die zich in het rapport van 1978

manifesteerde, in de toekomst worden voortgezet.

L. van der Geest

1) Zie hierover ook mijn artikel ,,Economisch bijgeloof”,
ESB.
26 oktober 1977.

717

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. van der Geest:

Economische deskundigen door de bocht …………………….717

Column

De rommelige orde,
door Prof Dr. H. W. de Jong ……………..
719

Drs. K. A. Koekkoek, Drs.
J. Kol
en Prof Dr. L.
B.
M. Mennes:

De Nederlandse industrie: concurrentievermogen, comparatieve voor-

delen en goederensamenstelling van de internationale handel (1)

720

Vacatures
……………………………………………….723

Drs. A. J. Droppert:

De chemische industrie in West-Europa. De mythe van de sterke groei

nader geanalyseerd ……………………………………..724

Drs. A. H. E. B. Koot-du
Buy
en Drs. R. M. Vijn:

Commissarissenbeloning ………………………………….728

Bedrijfseconomie

Het onzekerheidsaspect in de beleggings-, de vermogensmarkt- en de

financieringstheorie,
door Drs. H. J.
J.
Bronsema ……………..
734

Boekennieuws

W. Driehuis (ed): Primary commodity prices: analysis and forecasting,

door Prof Drs. M. J. ‘t Hooft- Welvaars en Drs. P. Jonker ………
738

Een goed economisch recept: één keer per week
ESB.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM
.
……………………………………………………

STRAAT
.
………………………………………………….

PLAATS
.
………………………………………………….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum
.
……………………………………………….

Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB,

Antwoordnummer 2524

3000 VB ROTTERDAM

Handtekening:

Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck, A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L van der Geest. Redactie-medewerker: T. de Bruin.

Adres:
Burgemeester OudIaan 50,
3062 PA Rotterdam; kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006 A E Rotterdam.
Tel. (010)145511. administratie: toeste13701, redactie: toestel 3790. Bij adreswijziging s. v.p. steeds adresbandje

meesturen.

Kopij voor de redactie:
in twee voud.
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
137,28 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studentenf 96,72
(mcl.
4% BTW), franco per Post voor
Nederland, ijelgië, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of
op bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93, 3012 AE Rotterdam, t.n.v. Economisch
Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.30
(mcl. 4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers uitsluitend door o vermaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t.n.
t.
Economitch Statistische Berichten
te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (010) 14 55 11.

Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrijfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek Vestigingspatronen
Macro-Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslânden
Regionaal Onderzoek
Statistisch-Mathematjsch Onderzoek Transport-Economisch Onderzoek

718

Prof.
De Jong

De rommelige

orde

t-let opschrift is meer dan een contra-

dictio in terminis. Rommelig heeft de

dubbele betekenis van 1. niet ordelijk en

2. ondeugdelijke waar. In beide opzich-

ten verdient deze karakterisering van

onze sociaal-economische orde de voor-

keur boven de termen die al enige tijd de

ronde doen: georienteerde marktecono-

mie, overlegeconomie, neo-corporatisme

enz. Deze laatste termen verhullen im-

mers meer dan dat zij aangeven wat er in
werkelijkheid geschiedt.

De markteconomie wordt geacht een

stelsel te zijn waarbij individuele onder-

nemers verantwoordelijk zijn voor de

beslissingen ter zake van produceren,

investeren, exporteren enz., en waarbij

de uit die beslissingen voortvloeiende

gevolgen, waaronder winsten en verlie-

zen, voor hun rekening zijn. Nu zich in de

particuliere sector verliezen voordoen,

wordt dit stelsel ondermijnd door om-

vangrijke en ad hoc verstrekte subsidies

uit de nationale middelen. De volksverte-

genwoordiging aanvaardde voorts de

Wet investerings Rekening, waarbij een

poging om onder de prvalerende situ-

atie van overcapaciteiten te benaderen

welke effecten er uit deter beschikking te

stellen miljarden zullen voortvloeien,
achterwege is gebleven. Werkgevers-

voorzitter Van Veen ontkende als eerste

belanghebbende positieve gevolgen voor
de investeringen en volstond met de

gratuite bewering dat het anders veel

slechter zou worden. Uiteraard produ-

ceerde de particuliere sector snel (voors-
hands nog ongesubsidieerde) losbladige

handboeken, die voor enkele tientallen

guldens vertellen hoe men in de gesubsi-

dieerde markteconomie het beste aan

zijn trekken kan komen.

De overlegeconomie schittert door

gekrakeel. Partijen willen alleen op eigen

voorwaarden het gesprek aangaan; het

fiasco van de structuurcommissies en

laatstelijk van de NEHEM is het resul-

taat van muurvast zittende situaties. De
vakbonden willen verplichte deelname
van alle ondernemingen bij herstructu-

reringen, adequate informatie van indivi-
duele ondernemingen en opschorting

van maatregelen die de werkgelegenheid

raken. De werkgevers begrijpen zeer

goed dat inwilliging van deze voorstel-

len de economische orde zal veranderen.
Ten slotte is informatie een economisch
goed: waarom zou een onderneming dat
voor niets uit handen geven? En waarôm
zou een onderneming die de schatkist

niet nodig heeft, zich laten binden? Zo-

lang de herstructurering van zwakke

bedrijven wordt betaald door de over-
heid en de personele sanering mede door
de werknemersorganisaties wordt gefiat-

-1

teerd, is de herstructurering-in-overleg

aantrekkelijk.

Het lijkt me dat velen deze uitkomst

van het ,,overleg” hebben voorzien, te

meer daar de overheid de verantwoorde-
lijkheid voor het bedenken van oplossin-
gen afschoof op de partners, maar weide

beurs bleef beheren 1). En dit zijn niet de

enige terreinen waar de overlegecono-

mie in moeilijkheden is komen te verke-

ren. Evenmin vergaat het de ter linkerzij-

de met veel polemisch vuurwerk

aangeprezen ,,democratische dwang” be-
ter. Met woorden valt blijkbaar net zo

min orde tussen de rivaliserende groepe-
ringen te stichten als met reclameteksten

produkten in een verzadigde markt te

verkopen. De onmacht van het verbalis-

me in de economie is thans even groot als

die van het onlangs gedesavoueerde
kwantitatieve denken.

Het schijnt mij toe dat Nederland nu al

sinds 70 â 80 jaar niet tot klaarheid kan
komen omtrent de gewenste economi-

sche orde. De liberale orde van de 19e

eeuw heeft geen herkenbare opvolger

gekregen. De lage landen zijn niet alleen

in geografisch en politiek opzicht een
driestromenland. Ten aanzien van de

Organisatie van het economisch leven

gaan de drie stromingen uit van drie

verschillende coördinatieprincipes: con-

çurrentie, coöperatie (of solidariteit) en
beheersing. Al worden die niet dagelijks

uitgesproken, ze blijven de stellingnames

kleuren, maar geen der richtingen slaagt
erin haar denkbeelden als stempel op de

orde te drukken. Dit is een wezenlijk
verschil met landen als de Verenigde

Staten, Duitsland, Frankrijk, Zweden en

Zwitserland, waar een bepaalde econo-
misch-organisatorische conceptie lange

tijd een duidelijke steun weet te verkrij-

gen. Wel vinden de drie stromingen el-kaar —ondanks veel verwijten— in de

sociale garanties voor het bestaansrecht:

een bewijs van de humanitaire grondsla-

gen waarop ons samenleven berust.

Het debat over de gewenste orde komt
steeds op gang wanneer de economische

groei stokt; dat is de geschiedenis der

laatste honderd jaar. Wanneer het proces

resultaten oplevert doet de orde blijk-

baar minder ter zake, dan wel men vindt

minder aanknopingspunten om de zaak

op te rakelen. De literatuur over de or

ganisatie van het bedrijfsleven uit vroe-

ger jaren doorlezend treft men dezelfde

thema’s, dezelfde positiebepalingen, de-

zelfde verwachtingen en scepsis aan als
die welke thans wederom te beluisteren
vallen. Een aardig detail uit deze debat-

ten, illustratief voor de wijze waarop de

meest bedachtzame of meest sceptische

beoordelaars de zaak naar de Griekse

kalender verwezen: bij de debatten in de Tweede Kamer (zitting 1910/ 1911) had

Mgr. Nolens de bedrijfsorganisatie die

was voorgesteld door Abr. Kuyper ,,een
zaak voor de verre toekomst” genoemd.
,,Ja, dat denk ik ook wel”, zei Troelstra,

,,ik denk dat het een zaak is, waarover

misschien mijn kleinkinderen —ik kan

niet zeggen de kleinkinderen van de heer

Nolens – met enige kans van succes
zullen spreken”.

Nolens en Troelstra waren er niet ver

naast: de kleinkinderen vangen het ge-

sprek opnieuw aan. In de brieven van de

ministers van Sociale en Economische

Zaken en van Landbouw en Visserij,

gericht aan de Sociaal-Economische

Raad (16december 1976 en 18januari

1978) wordt gesproken van de noodzaak

tot herbezinning op de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie, zodanig dat mogelij-

kerwijs de lichamen van de PBO de basis

gaan vormen voor de opbouw van een
meso-structuur, waarin werkgevers en

werknemers kunnen meewerken aan een
door de overheid wenselijk geachte soci-

ale en economische sectorale ordening.

Hoewel beginnend bij de bestaande situ-
atie in de landbouw- en voedselvoorzie-

ningssector, wordt een herbezinning ge-
vraagd over de gehele opzet van de PBO.

Aantal en aard van de bedrijfstakorga-
nen zowel als toe te kennen taken zouden
aan de orde moeten worden gesteld en bij

de laatste zou een breed pakket van

onderwerpen in het geding komen: her

structurering, werkgelegenheid, humani-

sering van arbeid, verhouding tot consu-
menten, verordenende bevoegdheden

enz. Doel is de totstandkoming van ,,een

doelmatig te achten Organisatie van het
bedrijfsleven”.

Een oud thema komt dus terug en drie-

stromenland kan de variaties erop weer
in vele toonaarden fluiten. Want een con-

sensus —waarvan de oudere auteurs wisten dat die noodzakelijk is – Ont-

breekt nog steeds. Vermoedelijk ontstaat
die pas wanneer de nadelen, voortvloei-
end uit de rommel van de orde als groter

worden ervaren dan de nadelen van de

ordening van de rommel. Zover is het

intussen nog niet. Daarvoor gaat het de

meesten van ons nog te goed.

H. W. de Jong

1
1) Met welk succes, zal nu de bijzondere
kamercommissie voor de Rijksuitgaven gaan
bekijken.

ESB 19-7-1978

719

De Nederlandse,industrie:

concurrentievermogen, comparatieve

voordelen en goederensamenstelling,
van de internationale handel (1)

DRS. K.A. KOEKKOEK*

DRS. J. KOL*
PROF. DR. L.B.M. MENNES**

Onderstaand artikel 1) is het eerste van een

drietal artikelen over de internationale concur-

rentiepositie van de Nederlandse industrie.

In dit artikel zal allereerst worden onderzocht

welke wijzigingen in het concurrentievermogen

van het Nederlandse bedrijfsleven zich hebben

voorgedaan en welke effecten deze veranderin-

gen hebben gehad op produktie en werkge-

legenheid.

Inleiding

De ontwikkeling van het nationaal inkomen en de werkge-

legenheid in Nederland zijn sterk afhankelijk van de mate

waarin het Nederlandse bedrijfsleven weet te concurreren met

buitenlandse aanbieders op de Nederlandse markt en in het

buitenland. Het is daarom van belang na te gaan in welke

sectoren het Nederlandse bedrijfsleven zijn concurrentiever-

mogen t.o.v. buitenlandse aanbieders behouden, verloren of

verbeterd heeft en welke gevolgen dit heeft gehad voor inko-

men en werkgelegenheid.

Wijzigingen in concurrentievermogen hangen samen met

wijzigingen in comparatieve voordelen. Een volgende rele-

vante vraag is daarom in welke sectoren het Nederlandse

bedrijfsleven comparatieve voordelen heeft en hoe deze voor-

delen kunnen worden verklaard. Concurrentievermogen ge-

baseerd op comparatieve voordelen vindt zijn weerslag in de
goederensamenstelling van de in- en uitvoer. Welke effecten

heeft deze goederensamenstelling en de verschuivingen daarin
op het inkomen en de werkgelegenheid in Nederland?

Deze drie onderwerpen zullen achtereenvolgens in een

drietal artikelen worden behandeld, waarbij de nadruk zal
worden gelegd op een empirische analyse. De analyse beperkt
zich tot de verwerkende industrie, en wel tot de 17 industriële

sectoren die in de Nederlandse input-outputtabellen worden

onderscheiden. Waar mogelijk en relevant zal de handel met

ontwikkelingslanden worden onderscheiden van die met

ontwikkelde landen.

De artikelen zijn gebaseerd op twee onderzoekingen uitge-

voerd door het Nederlands Economisch Instituut in samen-

werking met het Centrum voor Ontwikkelingsprogramme-

ring van de Erasmus Universiteit Rotterdam. De eerste studie

gaat over de handel in industride produkten tussen Neder-

land en de andere ontwikkelde landen en is uitgevoerd in
opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Rege-

ringsbeleid. Het andere onderzoek, dat nog niet voltooid is,
betreft de herstructurering van de Nederlandse economie in

het kader van de ontwikkelingssamenwerking. Dit onderzoek

wordt uitgevoerd in opdracht van de minister van Ontwik-

kelingssamenwerking en diens ambtgenoot van Econo-

mische Zaken.

In dit artikel zal allereerst een schatting worden gemaakt

van de mate waarin de relatieve aandelen van buitenlandse en

binnenlandse aanbieders op de Nederlandse markt voor

industriële produkten zijn gewijzigd. Vervolgens zal worden
nagegaan in hoeverre het aandeel van de. Nederlandse produ-

centen van industriIe produkten op buitenlandse markten is

veranderd. Gezamenlijk geven deze twee schattingen een

kwantificering van de mate waarin het concurrentievermogen

van de Nederlandse industrie t.o.v. buitenlandse producenten

is gewijzigd. Met name zullen de effecten van deze veranderin-

gen in het concurrentievermogen op de produktie en de

werkgelegenheid worden geschat. Dit zal worden gedaan voor

de periode 1970- 1974.

Marktpenetratie

Marktpenetratie wordt vaak gedefinieerd als het aandeel

van de invoer in het binnenlands verbruik. Ditkan op simpele
wijze als volgt worden geformuleerd:

X = binnenlandse produktie (bruto, in mln. guldens)

M = invoer (in mln. guldens)

E

= uitvoer (in mln, guldens)

zodat X + M – E = binnenlands verbruik (,,apparent

domestic consumption”)

en

M

= aandeel van de invoer in het binnenlands
X+M—E

verbruik (P).

Voor elk van de 17 industriële sectoren zijn deze aandelen

voor 1974 berekend, samen met de gemiddelde jaarlijkse

groeipercentages van deze aandelen tussen 1970 en 1974. Deze

gegevens staan vermeld in tabel 1, waarbij een onderscheid is

gemaakt tussen invoer vanuit ontwikkelingslanden (LDC) en

invoer vanuit ontwikkelde landen (DC).

* Verbonden aan het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering
van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
** Hoogleraar ontwikkelingsprogrammering aan de Erasmus Uni-versiteit Rotterdam en verbonden aan het Nederlands Economisch
Instituut.
1)
De verantwoordelijkheid voor deze artikelenreeks berust bij de
drie auteurs gezamenlijk. De uiteindelijke opschriftstelling van dit eerste artikel is geschied door Prof. Dr. L.B.M. Mennes.

720

Tabel 1. Aandeel van de invoer in het binnenlands verbruik

1974 en gemiddelde jaarlijkse groei van deze aandelen

1970-1974, in procenten

Tabel 2. Verdeling van de industriële sectoren naar omvang

(1974) en groei (1970-1974) van de markipenetratie vanuit

ontwikkelingslanden

andeel
LDC

1974

Aandeel
DC

1974

Aandeel
totale
invoer

1974

Jaarlijkse
groei
aandeel LDC

1970

1974

Jaarlijkse
groei
aandeel
DC

1970

1974

Jaarlijkse
groei
aandeel
totale
invoer
1970

1974

Voedingsmiddelen
veehouderj-
produkten)
1,9
18,9
20,8
-7,4
14,9
11,5
Voedingsmiddelen
overige produkten)
6,9
13,9
20,8
2,5
4,2
3,6
Dranken, tabak
0.2
16.6 16,8
-12,7
-3,3 -3,4
Textiel ………
6,9
59,8 66,7
19,1
2,7 3,9
Kleding
7,2
44,8
52,0
35,7 5,8 8,2
Leder,schocisel
.
9,9
60,6
70,5 56,8 6,9
10,1
Hout, meubelen.
4,3
48,8
53,1
8,1
2,6
3,0
0,1
53,0
53,1
0,0
2,3 2,3
Grafische indnstrie,
uitgeverijen
0.1
7,0
7,1
18,9
-0,4
-0,3
Aardolieprodnkten
51,7
9,7
61,4
-2,6
-1,3
-2,4
Chemischeindustrie
2,1
63.8
65,9
-1,7
0,7
0,6
Bouwmaterialen, 8las, aardewerk

0.3 30,5
30,8 38,0
-0,2
0,0
Basismetaal industrie
1,8
47,1
48,9
-4,1
3,1
2,8
Metaalprodukten,

.

machines
0,3 51,2 51,5
8,0
0,7 0,8

Papier ……….

Elektrotechnische
industrie
1.6
54,7 56,3
41,7
0,9
1,5
Transportmiddelen
0.3
57,7
58,0
27,4
-0,6
-0,5
Optische en overige
industrie
4,7
202,5
207,2
7,8 2,9 3,2

Totaal industrie.
10,3 38,1
48,4
13,4
0,2
2,4

Totaal industrie

..
2,6
43,4
46,0
6,0 2,0 2.2
cxci. aardolie-
produkten

Bron: Nederlands Economisch Instituut.

De resultaten in tabel 1 bevestigen dat de mate waarin

buitenlandse producenten zijn gepenetreerd op de Nederland-
se markt voor industriële produkten aanzienlijk is. In 1974

was het aandeel van de invoer in het binnenlands verbruik van

industriële produkten 46,0 of 48,4%, afhankelijk of men

aardolieprodukten niet of wel meerekent. Gegeven de gemid-
delde jaarlijkse groei van dit aandeel kan veilig worden

aangenomen dat op dit tijdstip- 1978

in de binnenlandse

vraag naar industriële produkten voor meer dan 50% wordt

voorzien door buitenlandse aanbieders.
Opvallend is het geringe aandeel van de LDC invoer in het

binnenlands verbruik: voor de gehele verwerkende industrie

slechts 2,6% in 1974 (exclusief olieprodukten). Anderzijds is

het aandeel van de LDC invoer in het binnenlands verbruik

tussen 1970 en 1974 veel sneller gestegen dan het overeenkom-

stig aandeel van de DC invoer: 6,0% tegenover 2,0% perjaar.
Om de analyse van de gegevens van tabel 1 te vergemakke-
lijken zijn deze in een soort van frequentieverdeling gerang-

schikt: de tabellen 2 (LDC) en 3 (DC). De verschillende

industriële sectoren, met uitzondering van de sector aardolie-

produkten, zijn in deze tabellen gerangschikt naar gelang het

invoeraandeel van de betreffende sector groter of kleiner is dan het invoeraandeel van de totale industrie, alsmede naar

gelang de jaarlijkse groei van het invoeraandeel van deze

sector groter of kleiner is dan de jaarlijkse groei van het

invoeraandeel van de totale industrie.
Aan de hand van de tabellen 2 en 3 kunnen de volgende

opmerkingen worden gemaakt. In II van de 16 industriële

sectoren (aardolieprodukten uitgezonderd) bedroeg de om-
vang van de marktpenetratie vanuit ontwikkelde landen in

1974 meer dan 43,4%. In 7 van deze II sectoren is tussen 1970

en 1974 de marktpenetratie vanuit de ontwikkelde landen met

meer dan het gemiddelde voor de totale industrie van 2,0% per
jaar gegroeid. Van deze 7 industriële sectoren met relatief

grote DC invoeraandelen die bovendien relatief snel groeien,

zijn er
5
-textiel, kleding, Ieder en schoeisel, hout en

meubelen, optische en overige industrie

die hetzelfde beeld


een groot invoeraandeel dat relatief snel groeit -vertonen

met betrekking tot marktpenetratie vanuit de ontwikkelings-

\
ma~
rktpenetratie

<2,6
>2,6

Voedingsmiddelen Voedingsmiddelen
(veehouderjprodukten)
(overige produkten) Dranken, tabak
<6.0
Papier
Chemische industrie
Basismetaal industrie

Grafische industrie,
Textiel
uitgeverijen
Kleding
Bouwmaterialen, glas.
Leder. schoeisel
>6.0
aardewerk
Hout, meubelen Metaalprodukten, machines
Optische. overige
Elektrotechnischeindustrie
industrie
Tra
nsport middelen

Bron: tabel 1.

Tabel 3. Verdeling van de industriële sectoren naar omvang
(1974) en groei (1970- 1974) van de markipenetratie vanuit

ontwikkelde landen.

Omvang
marktpeneiratie
Nin %)
<43,4
>43,4

Groei

:
Penettmte

Dranken, tabak
Chemische industrie
Grafischeindustrie,
Metaalprodukten, machines
<2,0
uitgeverijen
Elektrotechnische industrie
Bouwmaterialen, glas,
Transporimiddelen
aardewerk

voedingsmiddelen
Textiel
(veehouderijprodukten)
Kleding
voedingsmiddelen
Leder, schoeisel
> 2.0
(overige produkten)
Hout, meubelen
Papier
Basismetaal industrie
Optische, overige
industrie

Bron: tabel 1.

landen. Gegeven de relatief geringe aandelen (zie tabel 1) die

Nederlandse producenten nog op de binnenlandse markten
van deze produkten hebben, is het te verwachten dat voort-

gaande penetratie zowel vanuit de LDC als de DC steeds

moeilijker zal worden. Daarbij is tevens te verwachten dat

verdergaande penetratie vanuit de ontwikkelingslanden

de
jaarlijkse groei van hun invoeraandelen is veel groter dan de
groei van de DC invoeraandelen

ten koste moet gaan van

de producenten in de overige ontwikkelde landen.

Verder zou het wat betreft de afzetmogeljkheden een

verstandige politiek van buitenlandse aanbieders zijn indien

zij hun exportpakket wat meer zouden diversifiëren. Voor de
ontwikkelingslanden zou dit een diver.sificatie van hun uit-

voer inhouden in de richting van sectoren als grafische

industrie, bouwmaterialen, glas en aardewerk, waar het DC

invoeraandeel en de jaarlijkse groei van dit aandeel beneden
de corresponderende percentages van de totale industrie

liggen, terwijl voor de ontwikkelingslanden de betreffende

invoeraandelen gering zijn, maar relatief snel groeien.

Concurrentievermogen

Het is duidelijk dat een omvangrijke marktpenetratie van

de kant van buitenlandse aanbieders, zelfs als deze toeneemt,

ESB
19-7-1978

721

niet noodzakelijkerwijs een economisch ongewenste toestand

voor een land hoeft te impliceren. Het kan immers zeer goed

mogelijk zijn dat de betreffende industrie haar export veel

meer heeft kûnnen uitbreiden dan haar binnenlandse markt-

aandeel is afgenomen. Indien de uitvoer van deze sector

bestaat uit moderne produkten met een hoog toegevoegde-

waarde-aandeel in de produktiewaarde, terwijl de concurre-

rende invoer voornamelijk wordt gevormd door traditionele

produkten, kan een dergelijke ontwikkeling zelfs wenselijk
zijn.

Om een dergelijke ontwikkeling op dejuiste wijze te kunnen

beoordelen wordt het begrip
concurrentievermogen
gëintro-
duceerd. Een constant aandeel van de invoer in het binnen-

lands verbruik kan worden beschouwd als een indicatie dat

het concurrentievermogen van binnenlandse producenten

t.o.v. buitenlandse aanbieders niet is veranderd. Anderzijds

houdt een stijging(daling) van de waarde van P – het aandeel

van de invoer in het binnenlands verbruik – in, dat buiten-

landse aanbieders aan concurrentiekracht t. o. v. binnenlandse

producenten hebben gewonnen (verloren). In formule kan

men een stijgend aandeel van de invoer in het binnenlands

verbruik in twee opeenvolgende jaren 1 en 2 als volgt uitdruk-
ken:

P
l

enP
M
1

M2

X
1
+M
1
-E
1

2=
X+ME

waarbij P
2
> P
1

Indien het aandeel van de invoer in het binnenlands ver-

bruik constant was gebleven dan zou de invoer injaar2gelijk

zijn geweest aan:

M* = P
1
(X
2
+ M
2
– E
2
)
zodat het
binnenlandse ajzet verlies
ten gevolge van vermin-

derd concurrentievermogen van binnenlandse producenten

gelijk is aan:

M
2
M*

Dit binnenlandse afzetverlies moet nu worden vergeleken

met de mogelijke afzetwinsten of -verliezen op de buitenland-

se markten ten gevolge van een verandering in de uitvoer

tussen de jaren 2 en 1: E
2
– E
1
. Veronderstellend dat E
2
> E
1
,

moet men eigenlijk slechts met dat gedeelte van de uitvoerstij-

ging rekening houden dat het gevolg is van toegenomen

concurrentiekracht. Een schatting hiervan verkrijgt men door

bijvoorbeeld slechts dat gedeelte van E
2
– E
1
te nemen dat

uitgaat boven de gemiddelde stijging van de wereldhandel in

het betreffende produkt 2). In formule:

E*=E
1

waarbij W de waarde is van de wereldhandel in het betreffen-
de produkt en W
2
>W
1
. De uitvoertoename ten gevolge van

toegenomen concurrentiekracht is dan gelijk aan:

E2 – E*

Door het verschil te bepalen van het binnenlandse afzetver-

lies en de uitvoertoename ten gevolge van het toegenomen

concurrentievermogen kan men het
netto afzetverlies
bereke-
nen. Om de verschillende industriele sectoren met elkaar te

kunnen vergelijken zijn zowel de binnenlandse afzetverliezen

als de netto afzetverliezen gerelateerd aan de produktiewaar-

de van de betreffende sectoren in 1974. Deze verhoudingscij-

fers worden binnenlands afzetverliescijfer en netto afzetver-
liescijfer genoemd.

In tabel 4 staan voor de verschillende industriële sectoren
de binnenlandse en netto afzetverliescijfers vermeld waarbij

weer een onderscheid is gemaakt tussen ontwikkelingslanden

en ontwikkelde landen. Bovendien staan in tabel 4 de directe

effecten van de netto afzetverliezen of -winsten op de werkge-

legenheid per sector vermeld. Voor de volledigheid zij ver-
meld dat een positief getal een binnenlandse of netto afzet-

winst inhoudt. Bovendien zij er hier nog op gewezen dat de

berekende netto afzetverliescijfers en werkgelegenheidseffec-

ten, bijvoorbeeld in het geval van een verlies, niet de werkelijk

gerealiseerde achteruitgang van afzet en werkgelegenheid

tussen 1970 en 1974 weergeven. Zij representeren alleen de

afzet- en directe werkgelegenheidseffecten van een achteruit-

gang in concurrentiekracht zoals die blijkt uit de dalende
marktaandelen.
Uit tabel 4 blijkt dat de Nederlandse verwerkende industrié

tussen 1970 en 1974 een duidelijk verlies aan concurrentiever-

mogen t.o.v. buitenlandse aanbieders heeft geleden. Dit heeft

geresulteerd in een vermindering van de werkgelegenheid in

die periode met ongeveer 15.500 manjaren hetgeen gelijk is

aan 1,4% van de werkgelegenheid in de industrie in 1974.

M.a.w., tussen 1970 en 1974 is de werkgelegenheid in de

Nederlandse industrie jaarlijks met 0,35% gedaald ten

gevolge van verlies aan concurrentievermogen.

De daling met 15.500 manjaren is samengesteld uit twee

componenten: een verlies ten gevolge van verminderd concur-

rentievermogen in de handel met ontwikkelingslanden

2) Hierbij wordt dus de concurrntiepositie van de Nederlandse
industrie, bijvoorbeeld in landengroep A, bepaald t.o.v. de andere
buitenlandse aanbieders in A.

Tabel 4. Binnenlandse en netto afzet verliescijfers, werkgelegenheidseffecten (1970- 1974)

Binnenlands afzetverliescijfer (%)
Netto afzetverliescijfer (%)
Werkgetegenheidseffect (manjaren)

LDC
DC
Totaal
LDC
DC Totaal
LDC
DC
Totaal

Voedingsmiddeten(vechouderijprodukten)
0,4
-4,9
-4.5
-2,5
-8,0
-10,5
-1.238 -3.974
-5.212
-0,6 -2,0 -2,6 -0,6
1,6
1,0
-756
2.091
1.335
0,1
2,3
2,4
0.1
8,1
8.2
30
3.790
3.820
Textiel
…………………………………
-4.0 -7,0
-11,0
-3.7
-6,7
-10,4
-2.683
-4.800
-7.483
-7.0
-12,3
-19,3
-6.9
-18,2
-25,1
-3.749 -9.853

3.602
Leder,schoeisel

………………………….

13.7
-23,8 -37,5
14.4
-35,4 -49,8
-1.617
-3.976 -5.593
-1,8
.
-7,5 -9,3

1.8
-4,4 -6,2
-1.203
-2.938
-4.141
Hout,meubelen
………………………….
.
Papier
…………………………….

…..
.0,0
-5,3 -5,3
-0.1
-0,7
-0,8
-31
-288
-319
Graf3sche industrie, uitgeverijen
…………
……
0,0
0,1
0,1
0,1
0,8
0,9
125
667
792

Voedingsmiddelen(overigeproduken)
………..
.
Dranken, tabak

………………………….
.

6,0 0,6 6,6
-3,8
-23,0
-26,8 -897
-5.487
-6.384

Kleding
………………………………..
.

0,1

.

.

-1,2
-1,1
2,1
10,7 12,8
3.810
19.185
22.995
Bouwmaterialen, glas, aardewerk

.. …………..
-0,2
0.3
0,1
-0,1
3,6
3,5
-70
1.876
1.806
0,3
-5,3
-5,0
0,7 6,9 7,6
364
3.661
4.025

Aardolieprodukten
……………………….
.
Chemischeindustrie

………………………
.

Metaalprodukten. machines
.. ………………
-0,1
-1,7

1.8
-0,3
0,0
-0,3
-757
86
-671
Basismetaal industrie

……………………..
.

-1,2

.

-2,0
-3,2
-0,7 -8,4
-9,1
-1.096
-12.436 -13.532
Elektrotechnische industrie

………………..
.
-0,2

.

1,7
1,5
0,4 6,4 6,8
374
6.178 6.552
Transportmiddelen

………………………
.
Optischeen overige industrie

………………..
.-1,7
-28,3
-30,0
-3,5
4,0
0,5
-627
707
80

722


10.000 manjaren) en in de handel met de ontwikkelde

landen (± 5.500 manjaren). Toch mag hieruit niet worden

geconcludeerd dat de Nederlandse industrie in doorsnee de

meeste arbeidsplaatsen heeft verloren aan de ontwikkelings-

landen. Men ziet namelijk dat een zeer aanzienlijke netto
afzetwinst is geboekt in de chemische industrie

23.000

manjaren). Deze netto afzetwinst is voornamelijk een gevolg

van een verbetering van de relatieve exportpositie in de

ontwikkelde landen. Uit tabel 4 kan men aflezen dat in deze

sector het netto afzetverliescijfer van 12,8% is opgebouwd uit

de volgende componenten: – 1,1% binnenlands marktverlies

(+
0,1%t.o.v.
LDCen
–1,2%t.o.v.
DC)en
13,9%uitvoertoe-name ten gevolge van toegenomen concurrentiekracht op de

buitenlandse markten (+ 2,0% LDC en + 1 1,9% in DC). Laat

men de chemische industrie buiten beschouwing, dan blijkt

dat het dan resulterende verlies van 38.500 manjaren bestaat

uit een verlies van 24.700 manjaren in de handel met de

ontwikkelde landen en een verlies van 13.800 manjaren in de

handel met de ontwikkelingslanden. Hoewel het op deze wijze
geschatte werkgelegenheidsverlies in de handel met ontwikke-

lingslanden niet meer is dan 35% van het totale werkgelegen-

heidsverlies ten gevolge van verminderd concurrentievermo-

gen, moet daarbij wel worden bedacht, dat de Nederlandse
handel in industriële goederen met de ontwikkelingslanden

slechts een fractie vormt van de totale Nederlande handel in
deze produkten: 7 â 8%.

Verder blijkt uit tabel 4 dat de sectoren voedingsmiddelen

(veehouderjprodukten), textiel, kleding, leder en schoeisel,
aardolieprodukten, en elektrotechnische industrie aanzien-

lijke verliezen in netto afzet en werkgelegenheid hebben

ondervonden. Het totale berekende verlies aan werkgelegen-

heid in deze sectoren van bijna 52.000 manjaren was voorna-

melijk —40.000 manjaren – een gevolg van verminderd
concurrentievermogen in de handel met de ontwikkelde

landen. Van deze zes industrieën hebben de sectoren textiel,

kleding en ieder en schoeisel vooral afzetverliezen op de
binnenlandse markt geleden ten gevolge van verminderd

concurrentievermogen, voornamelijk t.o. v. de ontwikkelde

landen. Daarentegen vonden de afzetverliezen van de secto-

ren voedingsmiddelen (veehouderij produkten), aardoliepro-

dukten en elektrotechnische industrie vooral op de buiten-
landse markten plaats, echter ook weer ten gevolge van

verminderde concurrentiekracht in de ontwikkelde landen.

In het volgende artikel zal deze empirische analyse van de

ontwikkeling van het concurrentievermogen van de Neder-
landse industrie worden aangevuld met een analyse van de

comparatieve voordelen van de verschillende industriële sec-
toren.
K.A. Koekkoek

J. Kol
L.B.M. Mennes

Vacatures
Functie:

Blz.:
Functie:

1Hz.:

ESB van 28juni

Regionaal econoom (mnl./vrl.) voor het Bureau Eco-
nomische Zaken van de Provincie Gelderland te
Arnhem
656
Wetenschappelijk assistent voor de vakgroep Bedrljfs-
economie van de Afdeling der Bedrljfskunde van de
TH te Eindhoven
667
Staffunctie voor een econoom en een econometrist
(m./v.) bij de AMRO Bank
II
Adjunct-directeur voor de gemeente Venlo
In
Chef hoofdafdeling financieel-economische zaken van de Dienst Gemeente Werken bij de Gemeente Venlo III

Jonge bedrijfseconoom voor activiteiten op internatlo-
nul gebied bij de Centrale Directie PTT
IV

ESB van 5juli

Beleidsmedewerkers (mnL/vrl.) hij voorkeur economen
of bedrijfskundigen voor het Ministerie van Eco-
nomische Zaken 692

Statistisch medewerker (m./v.) voor het Gemeentelijk
Energiebedrijf te Den Haag

II
Hoofd van het bureau voor economisch onderzoek
t.b.v. de seeretaue-afdeling Economische Zaken bij
de Gemeente Rotterdam

III
Controlier t.b.v. de voorbereiding van bedrijfsecono-
mische aspecten van het beleid op directie-niveau
bij de Nederlandse Omroep Stichting te Hilversum

IV

ESB van 12 juli

Buitengewoon hoogleraar bedrijfseconomie voor de
faculteit der rechtsgeleerdheid, directoraat a-facul-
teiten van de Katholieke Universiteit Nijmegen 703
Beleidsmedewerker voor het bureau financiële planning
van de Gemeente Arnhem

708
Wetenschappelijke onderzoekers (m./v.) (economen,
bedrijfskundlgen, sociologen, sociul-geografen) voor
het Economisch Instituut voor het Midden- en Klein-bedrijf te Den Haag

11
Econoom afgestudeerd (doctoraal economie) in de
algemeen econqmische richting voor Hoogovens
IJmuiden lii
Gewoon hogleraar
(m.Iv.)
in de staathuishoudkunde
bij de faculteit der economische wetenschappen van
de Universiteit van Amsterdam IV

ESB
19-7-1978

723

De chemische industrie in

West-Europa

De mythe van de sterke groei nader geanalyseerd

DRS. A. J. DROPPERT*

In de
Bedrjfstakverkenningen
van het Ministerie van Economische Zaken wordt nog steeds uitgegaan van goede

groeimogelijkheden voor de chemische industrie. In onderstaand artikel wordt een heel wat somberder beeld

geschetst. De groei van de chemische industrie in de EG blijkt in hei verleden grotendeels veroorzaakt door subsiitui’ie

van traditionele materialen door svnthetische. Deze ,,penetraiiegroei” blijkt sterk qf te nemen, zodat de groei van de
chemie in de toekomst niet veel hoger za/liggen dan die van de totale industriële produktie. Dit wordt nog versterkt

door een verslechtering van de chemische handelsbalans. De gevolgen voor de chemie zi/n langdurige structurele

overcapaciteit, sterkere conjunctuurgevoeligheid en dalende werkgelegenheid.

Inleiding

In de
Bedrijfstakverkenningen
van het Ministerie van Eco-

nomische Zaken wordt nog steeds uitgegaan van ,,groeimoge-

lijkheden bij uitstek voor de chemische industrie” 1). Deze

uitspraken berusten bewust of onbewust op modellen waarin

de groei van de chemische industrie aan de macro-economi-

sche groei is gekoppeld via een multiplier 2).
In het verleden werd vaak de vuistregel gehanteerd dat de

chemische industrie tweemaal zo sterk zou groeien als het

BN P. Voor de toekomst zou dit betekenen dat de chemie nog

met ca. 7% zou groeien bij een verwachte BNP-groei van

3′ %. In enkele gevallen wordt een differentiatie naar beste-

dingscategorieen aangebracht 3). Een analyse echter van het

fenomeen dat de chemische groei veroorzaakt, vindt niet

plaats.
In dit artikel zullen we ingaan op de mechanismen die de

groei van de chemie veroorzaakt hebben en nog veroorzaken.

We zullen laten zien dat de chemische industrie een eigen life-

cycle heeft en dat zij op dit moment de top van deze life-cycle

nadert, waardoor zij alle verschijnselen van een ,,volwassen”

bedrijfstak gaat vertonen 4). In de volgende paragrafen zullen we allereerst de opbouw

van de chemische industrie wat verder uitwerken. Vervolgens

zullen we het life-cycle fenomeen aantonen aan de hand van
de sector kunststoffen. Daarna wordt de life-cycle voor de

totale chemische industrie getoond en tot slot zullen we een

aantal gevolgen voor de chemie laten zien, zoals toenemende
conjunctuurgevoeligheid, een verslechterende handelsbalans
en structurele overcapaciteit.

De ontwikkeling in het verleden

De chemische industrie in de EG bestaat wat toegevoegde

waarde betreft voor ca. 35% uit finale produkten (verf, was-

middelen, kunstmest, farmacie, e.d.), voor ca 25% uit synthe-

tische materialen (kunststoffen, chemische vezels en syntheti-

sche rubbers) en voor ca. 40% uit de anorganische en
organische basischemie. Beschouwen we in tabel 1 de groei

van deze Sectoren in de periode 1960- 1970, dan valt op dat de

groei van de synthetische materialen en de organische che-
mie het hoogst was.

De organische basischemie bestaat voor ca. tweederde uit

Tabel 1. Groei van de chemische industrie per sector

(1960-1970)

Gewicht 1976
Gem.jaarlijkse groei
1960„ 1970(in%)

Finale produkten
…………..35
6
s
nthetische materialen
25
13
waarvan: kunststoffen
14 15
chem. vezels
9
10
synth. rubbers
2

.

17
10
waarvan: organisch
30
13
Basischemie

………………40

anorganisch
tO
S
Totaalchemie …………….
.00
9

grondstoffen voor synthetische materialen. Dit verklaart de

hoge groei van deze sector. De groei van synthetische materi-

alen is voornamelijk te danken aan substitutie van traditione-
le materialen. Dit houdt in dat de groei niet voortdurend door

kan gaan, maar uiteindelijk zal afnemen tot zij gelijk is aan de

groei van de marktsectoren, waarin de synthetische materia-

len kunnen worden afgezet. Wanneer deze afbuiging zal
plaatsvinden hangt af van de nog aanwezige substitutie/ inno-

vatiemogelijkheden. In de volgende paragraaf zal dit voor

kunststoffen nader worden geanalyseerd.

* Als medewerker algemeen economisch onderzoek werkzaam bij
Akzo Nederland BV te Arnhem.

Ministerie van Economische Zaken,
Bedrijfsiakverkenningen.
Brief aan Tweede Kamer der Staten Generaal, zitting 1977- 1978,
14085 nr. 1, blz. 223.
Ook Drs. S. Miedema (directeur-generaal prijzen, ordentng en
regionaal beleid van het Ministerie van Economische Zaken) stelt in
het publiciteitsorgaan van het Rotterdams Gemeentelijk Havenbe-
drijf: ..Bij alle verwachtingen voor beperkte groei wordt er voor de
chemische Sector nog steeds op een groei van 5 â 10% gerekend”.
De groei van de chemie is k maal de groei van het BNP of de totale
industrie. Een voorbeeld hiervan is de analyse van de UN-Economie Commission for Europe,
Siructure and change in European induslrl’,
New York, 1977.
De groei van de chemie wordt dan gerelateerd aan een gewogen gemiddelde van particuliere consumptie, overheidsconsumptie, in-
vesteringen en export.
Een enigszins vergelijkbare gedachte als in dit artikel wordt ook
gebruikt door Anthony Lowe in
A
new look atforecasling demandin
iiie petrocheinicat industrr,
paper presented at the EPCA l lth.
Annual Meeting, 3-5 oktober 1977 te Venetië. Overigens is de
analyse daar veel minder uitgewerkt dan hier.

724

20%

5(7
e

5C/
(

ui

/0

i

De life-cycle van kunststoffen

Kunststoffen (plastics) vormen de belangrijkste groep van

synthetische materialen. De groei van kunststoffen werd

vooral veroorzaakt door substitutie van traditionele materi-

alen (zoals papier bij verpakkingen, lood in de bouw, metaal

bij auto’s, enz.). Vergelijken we de groei van het kunststofver-

bruik met de totale industriële produktie (fig. 1) dan blijkt de

groei in de jaren zestig zelfs ongeveer driemaal zo hoogte zijn.

Figuur 1. groei van het kunsist ofverbruik vergeleken mei de

groei van de industrie (EG; verefJènde jaarlijkse groeicijfers)

Een duidelijker beeld van deze penetratie van kunststofpro-

dukten binnen de industriële produktie krijgen we door het

verbruik van kunststoffen te delen door de produktie-index
van de verwerkende industrie (fig. 2).

Figuur 2. Peneiratie van het kunstsiofverbruik in de indus-

triële produktie-index (EG) van hei kunsisiofverbruik ge-

deeld door de index van de produktie van de industrie
(1970
=
100)

1 51]

50

Uit

tij

!iJ

Ii

ÖU

Deze figuur geeft de toename van het plasticverbruik per

eenheid industrieel produkt. Aan deze lijn is per definitie een
plafond verbonden dat bepaald wordt door het moment waar

op alle traditionele materialen zijn vervangen. De top zal ech-

ter als gevolg van technische beperkingen van kunststoffen

t.o.v. traditionele materialen veel lager liggen dan dit theore-

tisch maximum. We kunnen de top van de penetratie van

kunststoffen en daarmee het groeipotentieel van kunststoffen
op twee manieren schatten:

• door analyse per toepassingsgebied van de mogelijkheden

van kunststoffen in vergelijking met overige materialen;
• door statistische analyse van de penetratiecurve uit fi-
guur 2.

Bij de eerste methode moet een inventarisatie worden

gemaakt van de toepassingsgebieden en de voor- en nadelen
van kunststoffen hierin. Het nadeel van deze methode is, dat het moeilijk is te overzien welke technische en economische

problemen in de toekomst kunnen worden overwonnen.

Verder bestaat de neiging nieuwe toepassingsgebieden te

onderschatten.
Vooral aan het einde van de life-cycle is het met deze
methode echter mogelijk de verzadigingstendenties zichtbaar
te maken. Op deze plaats zullen we niet verder ingaan op deze
methode, maar volstaan met de opmerking dat deze analyse-
methode de uitkomsten van de hierna volgende penetratie-
analyse bevestigt
5).
Bij de statistische analyse van de pene-
tratiecurve wordt de penetratie van kunststoffen berekend
als in fig. 2. Men veronderstelt nu dat de toename van de
penetratie op ieder moment afhankelijk is van:

• het al bereikte niveau van penetratie in de markt;
• het potentieel nog haalbare deel van de markt.

Het verband tussen deze grootheden kan door het volgende

model beschreven worden.

Pt = ‘ Pt (S – Pt)

waarin:

Pt

= het bereikte penetratieniveau op tijdstip t;

‘t = de toename van dit penetratieniveau per tijdseen-

heid;

S

= het maximale penetratieniveau (verzadigingsni-
veau);
y

= een constante die de penetratiesnelheid bepaalt.

Dit model genereert een zogenaamde logistische curve 6).

Figuur 3. Logistische curve

De parameters y en S hangen af van het specifieke geval (zoals hier kunststoffen). y wordt bepaald door de snelheid
waarmee economische, sociale en technische veranderingen
kunnen plaatsvinden in de markt voor kunststoffen, terwijl S

door de economische en technische mogelijkheden wordt
bepaald.

Theoretisch is het te verwachten dat zowel y als S kunnen

veranderen in de tijd als gevolg van sociaal-economische
veranderingen. Het blijkt echter dat dergelijke modelverfij-

ningen nauwelijks invloed hebben op de conclusies die uit een

dergelijke analyse kunnen worden getrokken.

Beschouwen we in dit geval de penetratie van kunststoffen,

dan dienen we ons twee dingen te realiseren:

• De penetratie van de verschillende kunststoffen vond niet tegelijkertijd plaats. Bij voorbeeld bakeliet had zijn maximale
niveau al bereikt voor de opkomst van de moderne kunststof-

fen. We moeten daarom het model laten starten vanaf het
niveau dat de kunststofpenetratie voor de oorlog had bereikt.
De penetratie van kunststoffen na de oorlog kan echter als
één proces worden beschreven.
• We kunnen de penetratie van de verschillende kunststof

fen ook als even zo vele afzonderlijke processen zien die
volgens bovenstaand model verlopen. De resultaten van

een dergelijke beschouwing behoeven mathematisch niet

hetzelfde te zijn.

Bij deze analyse blijkt dat de oorzaak van de sterke groeivertraging
is gelegen in het feit dat de eenvoudigste toepassingsmogelijkheden
van kunststoffen al grotendeels zijn verzadigd (zoals foliën, afvoerpij-
pen, elektrische isolatie)
zodat hier alleen de marktgroei bepalend is
voor de groei van het kunststofverbruik, terwijl er slechts een beperkt
aantal sterke groeimarkten is (auto-exterieurs, flessen, ed.).
Soms wordt een Gompertz-curve gebruikt. Deze voldoet aan het
model
A
Pt = y (
log P – tog (S-Pt)).

ESB 19-7-1978

725

We hebben de analyse zowel op het totaal van de kunststof-

fen als op een aantal afzonderlijke kunststoffen toegepast. In

figuur 4 zien we de extrapolatie van de groeicurve van de

totale kunststoffen. In figuur 5 is voor de kunststof PVC

eenzelfde analyse uitgevoerd.

Figuur 4. Penetratie van het kunsistofverbruik in de indus-

triële produktie-index (EG) van het kunsistofverbruik ge-

deeld door index van de produktie van de industrie

(1970 = 100), geëxtrapoleerd
Figuur 5. Penetratie van PYC in zijn markten (EG);produk-

tie van PVC gedeeld door gewogen index van de produktie in

zijn markisectoren (1970 = 100)

Het blijkt nu dat uit zowel de analyse voor de totale plastics
als uit die voor de afzonderlijke produkten de conclusie moet

worden getrokken, dat in de toekomst de penetratie op zich

slechts een groei van 2 â 3% per jaar kan veroorzaken in te-

genstelling tot de ca. 10% in de jaren zestig. Gaan we uit van
een gemiddelde jaarlijkse groei van het industrieel produkt
van ca. 3
1
/2%,
dan betekent dit een groei van het plasticver-
bruik van deze 3y
2
%
plus de penetratiegroei van 2 â 3%, dus
van ca. 6% in totaal.

Uit de analyse blijkt dat het huidige penetratieniveau pas op

ca. 60% van het maximaal haalbare ligt. Dit houdt echter al
een zeer sterke groeivertraging in, zoals blijkt uit de aanzien-

lijk lagere penetratiegroei.

Life-cycle van de totale chemische industrie

Ook bij de chemische vezels en de synthetische rubbers

blijkt uit de analyse dat de penetratiecurve duidelijk aan het
afbuigen is. Dit betekent dat in de toekomst de groei van de

chemische industrie als totaal ook aanzienlijk lager zal liggen

dan in het verleden. De totale chemie heeft, gedragen door

nieuwe synthetische materialen in de periode na de oorlog,

ook een life-cycle doorlopen. In figuur 6 is deze zichtbaar

gemaakt.

Figuur 6.
Lfe-cycle
van de chemische industrie (EG); pro-

duktie-index van de chemische industrie gedeeld door pro-

duktie-index van de totale verwerkende industrie (1970=100)

Penetratiegroei
1
1,
â 1%

0J
Penetrategroei 4%

50

.
55

60

.
65

1
70

.
7s

1
Ro

xs

Deze penetratiecurve volgt, evenals de life-cycle van

kunststoffen, een S-vorm. Hieruit blijkt dat de chemie

haar periode van hoge groei is gepasseerd en nu snel haar

periode van ,,volwassenheid” nadert.

Extrapolatie van bovenstaande curve leidt tot een penetra-
tiegroei in de komende tien jaar van
‘/2%
tot
1%.
Bij een
verwachte groei van de industriële produktie van 3
1
/2%
zou
daarmee de groei van de chemie op 4 â 4
1
/
2
% komen. Bij een
overeenkomstige analyse per sector krijgen we een nader
beeld, als in tabel 2 is weergegeven.
Tabel 2. Groei in de periode 1977-1990 van hei verbruik van
chemische produkten in de EG (gemiddelde jaarlijkse groei

in %)

Gewicht
Gem.jaarlijksegroei
(in St)

3
1
1
2

Synthetische materialen
25
4
waarvan: kunststoffen
14
6
chem.vezels
9
l
u
it

Finateprodukten …………..35

synth. rubbers
2

.

2
4
Basischemie

………………40
waarvan: organisch
30
411
anorganisch
0
2
Totalechemie
…………….
.00
4

Bron: intern onderzoek bij Akzo

21

2

50
726

De ontwikkeling naar ,,volwassenheid” heeft een aantal

belangrijke consequenties voor de chemische industrie, zoals

in de volgende paragraaf wordt aangetoond.

doen uitkomen dan de groei van het verbruik van chemische

produkten in de EG-,,home market”.

Gevolgen voor de chemische industrie

Toenemende conjunctuurgevoeligheid

De chemie is voor het grootste gedeelte grondstoffenleve-

rancier voor andere bedrijfstakken. Zij bevindt zich dan ook in

de bedrijfskolom vrij ver verwijderd van de consument. In het
algemeen zijn zulke bedrijfstakken sterk conj unctuurgevoelig

als gevolg van voorraad-acceleratie-effecten in de bedrijfsko-
lom.

In de jaren zestig bleek de chemische industrie echter

minder conjunctuurgevoelig te zijn dan de gemiddelde indu-

strie (zie figuur 7).

Figuur 7. Conjunctuurgevoeligheid van de chemische indus-
trie in vergelijking tot de totale industrie; gemiddeldejaarljk-

se groeiverschillen to. v. de trendmatige groei

Chemie t.o.v.

Industrie totaal

I1-I.

Ïju
Ï

57/58

61)63

66)67

70)71

74)75
59/60

64165

68169

72173

76177

In de jaren zeventig blijkt deze conjunctuurgevoeligheid toe

te nemen. Onze conclusie moet zij n,dat in dejaren zestig door
de sterke toename van de toepassingsmogelijkheden de markt
voor chemische produkten het karakter van een ;setlers
market” had, waarbij de producent in sterke mate het voir-raadgedrag in

de bedrijfskolom kan bepalen. In de jaren
zeventig is door verminderde groei van toepassingsmogelijk-

heden het accent verschoven naar een ,,buyers market”. Hier-

door is de chemie nu sterk conjunctuurgevoelig geworden
en zal dit ook in de toekomst blijven. Stagnaties en recessies

als in 1975 en 1977 zullen in de toekomst dan ook vaker voor-
komen dan in het verleden.

Verslechterende handelsbalans

Een jonge bedrijfstak weet in het algemeen een positieve

handelsbalans op te bouwen, terwijl een gevestigde bedrijfs-

tak hier vaak problemen mee krijgt. Ook de chemische

industrie in de EG heeft in de periode na 1950 een overschot
op de handelsbalans opgebouwd. Het exportsaldo is ongeveer

10% van de produktie 7). Door de opkomst van de moderne

chemische industrie in de Comecon, de OPEC-landen en ZO-

Azie is te verwachten dat dit overschot zal verminderen. Dit
zal de groei van de produktie van de chemische industrie lager

Structurele overcapaciteit

Zoals boven aangegeven is de groei in de chemische indus-

trie in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit structurele
proces werd echter versluierd door de hoogconjunctuur in

1973 en de recessie na de oliecrisis. Hierdoor konden bedrij-

ven veelal niet adequaat reageren hetgeen een overcapaciteit

tot gevolg had. Vooral in de basischemie was dit het geval.

Als gevolg van technische verbeteringen mag in de chemie

een autonome groei van de capaciteit worden verwacht van

misschien wel 3% per jaar. Bovendien kunnen politieke
investeringen (zoals in Italië, maar misschien ook in het

Verenigd Koninkrijk 8) nog tot uitbreiding van de capaciteit

leiden. Dit betekent dat de overcapaciteit in de chemie

structureel is. Dit houdt tevens enorme gevaren in voor de

rendementen van de chemische industrie.

Dalende werkgelegenheid

In de afgelopen vijftien jaar is de arbeidsproduktiviteitsstij-

ging per man in de chemische industrie ca. 7% per jaar
geweest. Dit betekende dat bij een groei van de produktie van
9% toch nog een sterke stijging van de werkgelegenheid te

constateren viel. De twee belangrijkste factoren voor produk-
tiviteitsstijging in de chemie waren schaalvergroting en tech-

nische verbetering. De eerste factor zal in de toekomst bij de
lage groei van ca. 4% en bij de huidige enorme omvang van

chemische fabrieken nauwelijks meer van invloed zijn. De
factor van technische verbetering op zich biedt echter nog zo-

veel mogelijkheden dat de arbeidsproduktiviteitsstijging ook

in de toekomst boven de produktiegroei zal uitkomen. Dit

betekent dat de daling van de werkgelegenheid die al in
1974— 1975 werd ingezet, verder zal gaan.

Conclusies

Bij nadere analyse van de groei in de chemische sector blijkt

de stelling4at de chemische industrie ook in de toekomst een
van
.
dF sterkst groeisectoren zal zijn, niet houdbaar. De
chemie gaat integendeel een periode van relatief lage groei

tegemoet door een yerminderde penetratiegroei in de lokale

(EG) markt, met sterke bedreiging vanuit landen buiten

Europa en structurele overcapaciteit, vooral in de bulkpro-

dukten. Bovendien zal zij veel gevoeliger zijn voor conjunctu-

rele fluctuaties dan vroeger. Al met al zal dit de rendementen
en de werkgelegenheid in deze bedrijfstak niet ten goede
komen.

Dit betekent echter niet dat de chemische industrie in
Europa geen toekomst meer heeft. Zij zal zich echter moeten richten op die onderdelen waarin de Europese positie sterk is

en sterk blijft. Hierbij zullen vooral de chemische specialitei-
ten een belangrijke positie moeten innemen.

A.J.
Droppert

Dit saldo bestaat uit ca. 209ó uitvoer Uit deEG minus ca. 10%
invoer in de EG. Op dit ogenblik wordt er in het Verenigd Koninkrijk gediscussi-
eerd over een uitbreiding van de chemische industrie op basis van
Noordzee-olie.

+10
+5

-5

-10

adverteer in ESB

ESB 19-7-1978

727

Commissarissenbeloning

DRS. A.H.E.B. KOOTDUBUY*

DRS. R.M. VIJN*

In dit artikel worden de resultaten gepubliceerd

van een onderzoek naar de naleving van ar:.313 Boek

2
BW
– indertijd nog artikel 7 van de WJO – in-

zake de verplichting lot het verstrekken van bepaalde

gegevens over de commissarissenbeloning en over het

aantal commissarissen. Vervolgens worden deze

resultaten vergeleken met die van het onderzoek over

het boekjaar 1974 1). Daarna worden mede aan de hand

van citaten uit de betrokken jaarverslagen enige

interpretatieproblemen m. b. t. art. 313 belicht. Het arti-
kel wordt afgesloten met enige conclusies en suggesties

t. a. v. de tekst van genoemd weisartikel en de interpreta-

tie ervan. Het blijkt o. m., dat er wel sprake is van een

verbetering t. o..v. het vorige onderzoek, maar dat de wet

nog steeds niet volledig wordt nageleefd.

Toetsing van art.
313

De tekst van art. 313 valt in twee gedeelten uiteen. Het

eerste gedeelte, dat betrekking heeft op de beloning, verplicht
de onderneming ,,in de winst- en verliesrekening of detoelich-

ting daarop” te vermelden ,,het bedrag der bezoldigingen van

commissarissen gezamenlijk, verdeeld naar de bedragen aan
vaste beloningen, tantièmes en andere vormen van bezoldi-

ging”. De tweede zin van het artikel luidt als volgt: ,,De

jaarrekening vermeldt het aantal commissarissen en het

aantal van degenen onder hen die geen bezoldiging ontvan-

gen”. . .
Voor 47 vooraanstaande Nederlandse ondernemingen hebt,

ben wij voor het boekjaar 1976 de naleving van dit artikel

onderzocht 2). De resultaten van de toetsing zijn weergegeven
in tabel 1.

M.b.t. de indeling van deze tabel moet nog het volgende

worden opgemerkt. Onder het hoofd ,,aantal commissaris-

sen” komt de kolom ,,aantal betaalde” voor. Een aantal
ondernemingen volstaat nI. met de vermelding van het aantal

commissarissen dat een bezoldiging geniet. Deze onderne-

mingen veronderstellen blij kbaar dat het de wetgever er om te

doen is inzicht te (laten) geven in het aantal commissarissen

dat bezoldiging ontvangt, een aantal dat in principe 3) wordt
verkregen door saldering van de krachtens de laatste zin van
art. 313 te vermelden twee gegevens. Wgt de bedoeling van de

wetgever ook zijn moge, bovengenoemde handelwijze is
onjuist: het aantal commissarissen en het aantal onbezoldig-

de onder hen wordt niet vermeld. Daarbij dient nog te

worden gememoreerd dat de wetgever indertijd m.b.t. laatst-

genoemd aantal heeft opgemerkt ,,dat de betrokken commis-
sarissen een enigszins bijzondere plaats innemen” 4).

In tegenstelling tot 1974 (en 1973) komt in 1976 ook de

combinatie ,,aantal betaalde” en ,,aantal onbezoldigde” voor.

Duidelijk is dat vermelding van deze combinatie meer in
overeenstemming is met de voorschriften van art. 313 dan

uitsluitend vermelding van het ,,aantal betaalde”. Immers, het

.,,aantal onbezoldigde” is gegeven en door sommeringvan dit

aantal en het vermelde ,,aantal betaalde” kan in principe 3)

het door art. 313 gevraagde ,,aantal commissarissen” worden

vastgesteld. Derhalve is materieel gezien op deze handelwijze
niets aan te merken. Niettemin behoort ook deze categorie tot

de relatief grote groep van ondernemingen, die formeel niet

volledig voldoen aan de voorschriften krachtens de tweede zin

van art. 313. Bij de bespreking van de interpretatieproblemen

komen we nog op deze kwestie terug.

Voor de hierna vermelde onderzoeksresultaten geldt één

restrictie: bij de keuze, tot welke categorie een onderneming

behoort, is geen rekening gehouden met de in het slot van dit

artikel geformuleerde conclusies t. a.v. enige interpreta-

tieproblemen.

Bezoldiging

In tabel 2 zijn de resultaten van de toetsingbetreffende de

bezoldigingen, zoals weergegeven in tabel 1, kort samengevat.

Categorie 1

In de eerste categorie zijn die ondernemingen uit tabel 1

opgenomen, die naast het totaal aan bezoldiging tevens een

sluitende specificatie geven van dit totaal; m.a.w., het totaal

van de vermelde vaste beloningen en/of tantièmes en/of

andere vormen van bezoldiging stemt overeen met het als

,,totaal” aangeduide bedrag aan commissarissenbeloningen.

Deze ondernemingen – 34 in totaal – zijn: ACF, Ahold,

Akzo, Bl1ast Nedam, Van Berkel, Bols, Bos Kalis, Bredero,
Buhrmann, Desso, Garnma, Gist Brocades, HBG, Holec,

Hoogovens/Estel, Internatio, KBB, Kluwer, KNSM, Kon.

Olie, Meneba, Naarden, NSU, Nutricia, Nijverdal, Océ,

Ogem, Philips, Pont, Stevin, VMF, VNU, VRG, en

Wessanen.

Categorie 2

Deze categorie heeft betrekking op die ondernemingen, die

* De auteurs zijn als wetenschappelijk medewerker verbonden aan
het Economisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Zij
danken Prof. Dr. R. Slot voor zijn commentaar
op
de concept-tekst.
Zie: A. H. E.
B.
Koot-du
Buy
en Drs. R. M. Vijn, Informatie
over commissarissenbeloning: een legpuzzel,
ESB,
8september
1976, blz.
856
t/m
863.
Deze komen overeen met de vijftig ondernemingen uit het rapport
V(ijig jaarverslagen; gewogen en te licht bevonden?,
met dien
verstande dat
– Hunter Douglas en Unilever geen Raad van Commissarissen
hebben en daarom niet in het onderzoek zijn betrokken; – Nederhorst wegens ontbinding van deze vennootschap niet meer
in de lijst is opgenomen;
– Lindeteves-Jacoberg thans onderdeel uitmaakt van THV Inter

national.
Zie het onderdeel over de interpretatiepr.oblemen.
Zitting
1967-. 1968,
no.
9595,
Memorie van Toelichting, blz. 14.

728

wel de totale bezoldiging vermelden, maar geen sluitende

Categorie 4
specificatie geven, m.a.w. er ontbreken één of meer gegevens

aan die specificatie. De ondernemingen die in deze categorie

In deze categorie worden die ondernemingen opgenomen,

thuishoren zijn: KLM, Van Nelle, De Telegraaf en THV

die uitsluitend vermelden dat er geen commissarissen zonder
International.

bezoldiging zijn of woorden van gelijke strekking. Hiertoe

behoren: Bredero, Gamma, Gist Brocades, Van Nelle, Nutri-Categorie 3

cia en Wessanen.

Deze categorie omvat die ondernemingen, die het totaal

Categorie 5

bedrag aan commissarissenbeloningen achterwege laten,

maar wel vaste beloningen
en
tantièmes vermelden. De

Twee ondernemingen doen geen enkele mededeling over

betreffende ondernemingen zijn: Deli, Heineken, KSH, Pak-

het aantal commissarissen of het aantal zonder bezoldiging of

hoed en RSV.

het aantal bezoldigde, te weten: Hagemeyer en Meneba.

Categorie 4

Eindconclusies t.a. v. naleving art. 313

Van deze categorie is eveneens geen totaal bedrag bekend,

maar bovendien geen vaste beloningen
en
tantièmes. Dit
betekent dat in de jaarrekening van deze ondernemingen

hieromtrent hetzij niets, hetzij uitsluitend vaste beloningen of

tantièmes, of andere vormen van bezoldiging zijn vermeld,

dan wel de laatste gecombineerd met vaste beloningen
of
tantièmes. Deze combinatie geeft dan geen uitsluitsel over de
vraag of de som van de in de combinatie genoemde bedragen
gelijk is aan de daadwerkelijk toegekende
totale
commissaris-
senbeloningen. De ondernemingen die tot deze categorie

behoren zijn: Elsevier, Hagemeyer, KNP en Van Ommeren.

Aantal commissarissen

De samenvatting van tabel 1 wat betreft het aantal commis-
sarissen wordt weergegeven in tabel 3.

Categorie la

In deze categorie zijn die ondernemingen opgenomen, die

de voorschriften conform de tweede zin van art. 313 exact

opvolgen, nI. vermelding van ,,het aantal commissarissen en

het aantal van degenen onder hen die geen bezoldiging

ontvangen”. Deze ondernemingen zijn: Akzo, Bols, Bühr-
mann, Desso, Elsevier, Heineken, Holec, KBB, Kluwer,

Naarden, Nijverdal, Océ, Ogem, Philips, Pont en THV
International. Van laatstgenoemde onderneming bedraagt

het aantal onbezoldigde commissarissen één, van de overige is

dat aantal nul.

Categorie Ib

Deze categorie omvat die ondernemingen, die weliswaar
niet exact voldoen aan de desbetreffende voorschriften, maar
waarvan als gevolg van de hoedanigheid van de verstrekte
combinatie aan gegevens – nI. het ,,aantal betaalde” en het
,,aantal onbezoldigde” commissarissen – door een simpele

optelling in principe 3) ook het totale aantal commissarissen

kan worden vastgesteld. De ondernemingen, die in deze
categorie vallen, zijn: Ahold, Ballast Nedam, VMF en VNU.
Categorie 2

Deze categorie heeft betrekking op die ondernemingen, die

volstaan met vermelding van het totaal aantal commissaris-

sen. Het zijn: KLM, Van Ommeren, Stevin en VRG.

Categorie 3

Deze categorie omvat die ondernemingen, die uitsluitend

mededelen hoeveel commissarissen een beloning ontvangen.
Deze ondernemingen zijn: ACF, Vaa Berkel, Bos Kalis, Deli,

HBG, Hoogovens/Estel, lnternatio, KNP, KNSM, Kon.
Olie, KSH, NSU, Pakhoed, RSV en De Telegraaf.

• Van de 47 onderzochte ondernemingen voldoen er 13

– met inachtneming van eerdergenoemde restrictie inzake

enige interpretatieproblemen – m.b.t. het boekjaar 1976 (of
1976/1977) aan alle verplichtingen krachtens artikel 313.

Deze ondernemingen zijn: Akzo, Bols, Bührmann, Desso,

Holec, KBB, Kluwer, Naarden, Nijverdal, Océ, Ogem, Philips
en Pont.
• Het verschil tussen bovengenoemde 13 ondernemingen
en Ahold, Ballast Nedam, VMF en VNU is slechts gelegen in
het feit dat laatstgenoemde vier ondernemingen t.a.v. de

tweede zin van art. 313 het aantal ,,betaalde” en het aantal

commissarissen ,,zonder bezoldiging” vermelden.

• Hagemeyer vermeldt t.a.v. het aantal commissarissen

niets en t.a.v. de beloning volstaat deze onderneming met de

vermelding van het bedrag aan tantièmes.

• De resterende 29 ondernemingen liggen wat de opvolging

van de voorschriften van art. 313 betreft tussen de eerstge-

noemde 17 (13 + 4) ondernemingen enerzijds en Hagemeyer
anderzijds.

Vergelijking 1976 met 1974

In 1974 kwamen acht ondernemingen en in 1976 dertien
van de 46 in de vergelijking te betrekken ondernemingen
5)
alle verplichtingen krachtens art. 313 na. Akzo, Desso, Holec,
Kluwer, Philips en Pont maken deel uit van zowel de groep

van acht uit 1974 als van de dertien uit 1976. Zeven onderne-

mingen hebben zich t.o.v. 1974 verbeterd, te weten: Bols,

Buhrmann, KBB, Naarden, Nijverdal, Océ en Ogem. Daaren-
tegen zijn ACF en VNU achteruit gegaan: in 1974 voldeden ze
geheel aan art. 313, in 1976 ten dele.

Een eervolle plaats wordt ingenomen door B(ihrmann; in
1974 voldeed deze onderneming in geen enkel opzicht aan de

bepalingen van art. 313, in 1976 daarentegen worden deze
voorschriften stipt nagekomen, en zelfs meer dan dat. Waar-

schijnlijk mede als gevolg van de interpretatieproblemen
vermeldt Bührmann in 1976 meer gegevens dan de strikt
noodzakelijke

informatie,

die

uit

dit

wetsartikel voortvloeit 6).

De in 1974 door Bührmann ingenomen plaats is in 1976
overgenomen door Hagemeyer: van alle onderzochte

ondernemingen, die in 1976 gedeeltelijk voldoen aan de
bepalingen van art. 313, blijft Hagemeyer het meest in gebre-
ke.

Lindeteves resp. THV International blijven in deze vergelijking
buiten beschouwing. Het jaarverslag van Buhrmann is verschenen na de publikatie van
het verslag van ons onderzoek over 1974, zie
ESB
van 8 september
1976.

ESB 19-7-1978

729

Interpretatieproblemen

Getuige de praktijk van de jaarverslaggeving blijkt de

interpretatie van art. 313 enige problemen met zich te bren-
gen. Mede aan de hand van citaten uit de jaarverslagen over
1976 worden onderstaand deze moeilijkheden nader belicht
(cursiveringen aangebracht door de auteurs).

Beloningen

– Ahold (blz. 32): ,,Tevens
ont vingen
de commissarissen in
1976
het tantième zoals voortvloeiende uit de winstdeling over
1975″.

– Ahold (blz. 35): In hetzelfde jaarverslag van Ahold staat in
de winstdeling
1976
vermeld: ,,tantièmes commissarissen
f. 500.000″.

– Meneba (blz. 35): De beloning door de commissarissen is

als volgt
samengesteld:

tantièmes conform de winstdeling 1975

115.000

vaste vergoeding

116.000

overige vergoedingen

.

14.000

245.000″
– HBG
(blz. 34) (in duizenden guldens):
,,In 1976 in totaal
een bedrag van 163 uitgekeerd
dat geheel bestaat uit vaste
beloningen”.

– Holec (blz. 27):
,,Over
1976 alleen een vaste beloning
uitgekeerd”.

– Van Nelle (blz. 33): ,,Aan de leden van de Raad van

Commissarissen
werd
in 1976 aan bezoldigingen in totaal

toegekend. .

– KBB (blz. 65): ,,Het totale bedrag ad f. 220.000 dat aan de

zeven in het boekjaar 1976-77 in functie zijnde commissaris-
sen
wordt
uitgekeerd. .

– KLM (blz. 25): ,,Aan de commissarissen
is
een totale
bezoldiging
uitgekeerd.

Naar aanleiding van deze citaten rijzen enige vragen, die

alle te herleiden zijn tot het probleem van de keuze van het

boekjaar waarop de te vermelden gegevens betrekking heb-

ben.

• Moeten gegevens worden verstrekt over bezoldiging die

in het desbetreffende boekjaar is
uitgekeerd
(HBG, KLM)

– anders gezegd: door commissarissen is
ontvangen

(Ahold) .—of die als kostenpost ten laste van de resultatenre-

kening van het desbetreffende boekjaar komt resp. onderdeel

uitmaken van de winstverdeling van dat boekjaar?

• Moet in dit verband aan
is
uitgekeerd (KLM) een andere
betekenis worden gehecht dan aan
wordt
uitgekeerd (KBB)?

Dezelfde vraag kan gesteld worden t.a.v.
in
1976 uitkeren

(HBG) en
over
1976 uitkeren (Holec).

• Is in dit verband
toekennen
(Van Nelle) hetzelfde als

uitkeren?

• Moet wellicht een onderscheid worden gemaakt tussen

vaste beloningen (en andere vormen van bezoldiging)

enerzijds en tantièmes anderzijds, in die zin dat m.b.t. de

eerstgenoemde categorie de ten laste van het
desbetreffende

boekjaar te brengen
vaste
beloningen (en andere vormen van
bezoldiging) moeten worden vermeld en dat m.b.t. tantièmes

gegevens over de in het desbetreffende boekjaar uit-
gekeerde/ ontvangen
tanhièmes
over het
daaraan vooraf-

gaande
boekjaar moeten worden verstrekt (Ahold, Meneba)?

• Voorts kan men zich afvragen of de verplichting tot

informatie over tantièmes – indien deze vorm van bezoldi-

ging voor de desbetreffende onderneming bestaat – in geval

van een verlies automatisch vervalt, ervan uitgaande dat geen

tantièmes worden verstrekt als het saldo van de

resultatenrekening negatief is. Dit probleem doet zich t.a.v.

1976 o.m. voor bij KLM, KSH en RSV. Bij de twee laatstge-

noemde ondernemingen krijgt deze vraag nog een extra

accent, aangezien-:zij geen informatie verschaffen over het

totale bedrag aan commissarissenbeloningen. Bij de beant-
woording van deze vraag dient men te bedenken dat

Lindeteves in 1974 verlies leed en toch over dat boekjaar

tantièmes vermeldde, die op 1974 betrekking hadden.

Ten slotte kan m.b.t. het vermelden van gegevens omtrent

de beloningen een kanttekening gezet worden bij onderstaan-
de citaten:

– Pakhoed (blz. 51):
,,…
bedraagt de uitkering aan com-
missarissen
in totaal
f. 82.000 vaste vergoeding, alsmede
tantièmes tot een totaal van f. 102.000″.


Bos
Kalis (blz. 29): ,,Over 1976 is een
totaal
bedrag van

f. 147.500 uitgekeerd
als
vaste beloning voor. .

– Nijverdal (blz. 41): ,,Over het boekjaar 1976 is aan de Raad

van Commissarissen
in totaal
f. 45.000
als
vaste beloning
uitgekeerd”.

Wordt uit deze citaten duidelijk hoe groot de
totale com-

missarissenbeloning bedraagt? Voor Bos Kalis en Nijverdal

luidt het antwoord naar onze mening bevestigend: ,,als”

betekent in de gehanteerde context ,,in de vorm van”. Bij

Pakhoed wordt in feite over het totale bedrag, mede als gevolg

van het ontbreken van informatie over ,,andere vormen van

bezoldiging”, geen mededeling gedaan.

Aantal commissarissen

In de aanvang van dit artikel is reeds de kwestie aan de orde

gekomen, of de vermelding van het aantal betaalde

commissarissen —eventueel in combinatie met het aantal

onbezoldigde – overeenstemt met de bedoeling van de wetge-

ver, welke tot uitdrukking komt in de tweede zin van art. 313.

Daarnaast speelt nog een ander probleem, dat aan de hand
van de volgende citaten kan worden geillustreerd:

– Kluwer (blz. 18): ,,Het aantal commissarissen was op
31
december
1976: 7″.

– Nijverdal (blz. 41):
,,Ultimo
1976 bestaat de Raad van
Commissarissen uit 7 personen..

– Océ (blz. 44): ,,De zes commissarissen, die
in het boekjaar
1976
in functie zijn geweest,..”.

– Pont (blz. 23): ,,Het college van commissarissen bestond

gedurende 1976
uit zes personen. .

— Philips (blz. 48): ,,De bezoldiging van de 11 leden van de

Raad van Commissarissen bedraagt. .

– Bols (blz. 36): ,,Drie commissarissen waren het gehelejaar

en twee een gedeelte van het boekjaar aan de vennootschap

verbonden. Per eind 1976 was het aantal vastgesteld op vier”.

– Deli (blz. 27/35): ,,De vastebeloning aan commissarissen

bedroeg f. 80.125 en heeft, rekening houdend met een uitbrei-

ding van het aantal commissarissen gedurende het boekjaar,

betrekking op vijf commissarissen”.

De vraag die zich hierbij voordoet is: moet het aantal

commissarissen worden vermeld dat a. per balansdatum

aanwezig was (Kluwer, Nijverdal), of b. gedurende het ver-

slagjaar in functie is geweest (Océ), of c. gedurende het

verslagjaar de omvang van het college van commissarissen

bepaalde (Pont), of moeten d. de twee eerstgenoemde

gegevens te zamen worden vermeld (Bols). of kan e. een

moment- of periode-aanduiding achterwege blijven (Philips)?
Het is denkbaar expliciet de relatie te leggen tussen de
commissarissenbeloning en het aantal commissarissen (Deli)
en/of inzicht te verschaffen in het verloop binnen het college

van commissarissen (Bols, en in mindere mate Deli). Ten
slotte zou de vermelding van de namen van de commissarissen

onderaan de jaarrekening door de desbetreffende onderne-

ming kunnen worden aangemerkt als een voldoende naleving

van het tweede deel van art. 313. Vooruitlopend op onze
slotparagraaf merken we nu reeds op dat laatstgenoemde

handelwijze ons als strijdig met de wet voorkomt.. Onze

motivering voor deze conclusie is eerder uiteengezet 7).

7) Zie
ESB, 8
september 1976.

730

Holding of concern

Zowel tav. de gegevens inzake de commissarissenbelo-

ningen, als de opgave inzake het aantal commissarissen doet

zich de vraag voor, of ze betrekking moeten hebben op de

moedermaatschappij of op het gehele concern, dus holding

plus meerderheidsdeelnemingen. Enige voorbeelden:


Bos
Kalis vermeldt dat de commissarissenbeloning uit-

gekeerd is aan de commissarissen ,,van de vennoot-

schap” (blz. 29);

– De Telegraaf voert op de geconsolideerde resultaten-
rekening als kosten een commissarissenbeloning op

ad f. 176.500 (blz. 16), terwijl op de enkelvoudige
resultatenrekening een beloning wordt vermeld van

f. 137.500 (blz. 23);

– Nutricia geeft bij de verdeling van de netto-winst inzake de

commissarissenbeloning de volgende specificatie (blz. 29):

ten laste van Verenigde Bedrijven Nutricia

f. 176.006

ten laste van dochteronderneming

f. 10.162;

– Ogem doet opgave van het aantal commissarissen uitslui-
tend van Ogem Holding NV (blz. 34);

– H oogovens/ Estel vermeldt de commissarissenbeloni ng en

het aantal commissarissen van beide moedermaatschap-

pijen en van alle werkmaatschappijen gezamenlijk.

Naar aanleiding van deze voorbeelden kan de vraag als

volgt worden gepreciseerd: kan ter voldoening aan de voor-
schriften van art. 313 worden volstaan met verstrekking van

gegevens uitsluitend van de moeder(Bos Kalis, Ogem), van de

moeder en de meerderheïdsdeelnemingen te zamen (Hoogo-
vens! Estel) of met een opgave van de moeder enerzijds en van

de meerderheidsdeelnemingen of van het gehele concern

anderzijds (Nutricia, De Telegraaf; t.a.v. bezoldiging).

Nivra en kamervragen

Uit bovenstaande opsomming van interpretatieproblemen
zal het de lezer duidelijk zijn geworden, dat wij de tekst van

art. 313 in interpretatief opzicht niet in alle opzichten even

bevredigend achten. Het verwondert ons dan ook dat het

Nivra meent dat de tekst van art. 313 duidelijk is. Deze

uitspraak – gedaan in haar rapport
Onderzoek jaarverslagen

1975
(blz. 12)— is des te opmerkelijker aangezien de toetsing

van dit artikel in genoemd rapport wat betreft de opgave van

het aantal commissarissen afwijkt van eenzelfde toetsing over

het verslagjaar 1973: voor 1973 wordt volstaan met de toet-

sing van het aantal commissarissen, voor 1975 wordt

nagegaan of de twee gegevens uit de tweede zin van art. 313

worden verstrekt 8).

Naar aanleiding van een artikel van J.Ch. Francken 9)

stelde het Tweede Kamerlid A. de Graaf (PvdA) aan de

toenmalige minister van Justitie Van Agt om. de volgende
vraag: ,,ls het waar, zoals Drs. J.Ch. Francken constateert,

dat ondernemingen, veelal in afwijking van artikel 313 Boek 2

van het Burgerlijk Wetboek, het aantal commissarissen,
waarop de beloning betrekking heeft, niet vermelden in de

jaarrekening?” 10). In zijn antwoord merkte de minister o.m.

het volgende op: ,,Indien een onderneming nalaat in haar

jaarrekening het aantal commissarissen te vermelden waarop
het bedrag van de beloning betrekking heeft, handelt zij in

strijd met artikel 313 Boek 2van het Burgerlijk Wetboek” 10).

Uit dit antwoord blijkt o.i. niet of hier het aantal in functie

geweest zijnde commissarissen of het aantal betaalde commis-

sarissen wordt bedoeld. Wordt het aantal betaalde bedoeld,
dan is dit o.i. niet in overeenstemming met de tekst van het

tweede gedeelte van art. 313 en de eerder geciteerde
toelichting daarop II). Meer duidelijkheid inzake deze mate-

rie lijkt ons – mede in het licht van de praktijk van de jaar-
verslaggeving – gewenst.

Enige conclusies en suggesties
Bezoldigingen

Met betrekking tot de eerste zin van art. 313 komt het ons

voor dat de wetgever niet anders kan hebben bedoeld dan

vermelding van

• de vaste beloning en/of andere vormen van bezoldiging,
die ten laste komen van de resultatenrekening van het boek-

jaar waarover verslag wordt uitgebracht.

• het tantième dat ten laste komt van de resultatenrekening

van het verslagjaar, of deel uitmaakt van de winstverdeling

van het verslagjaar.

• het totale bedrag van de verschillende, hiervoor omschre-
ven onderdelen – voor zover aanwezig – van de commissa-

rissenbeloning.
Of de desbetreffende bedragen wel of niet in het onderhavi-

ge verslagjaar zijn uitgekeerd doet o.i. niet ter zake. De

formulering van de tekst in het jaarverslag moet zodanig zijn,

dat uit de verstrekte gegevens een ondubbelzinnig inzicht

wordt verkregen in de aard en de omvang van de commissaris-

senbeloningen zoals hiervoor uiteengezet.
Aantal commissarissen

Uit het
Voorontwerp van een wel op de jaarrekening van

ondernemingen van de toenmalige Commissie-Verdam blijkt

dat oorspronkelijk de bedoeling was, de onderneming te

verplichten tot het vermelden van de individuele commissa-

rissenbeloning 12). De wetgever heeft echter de inhoud van

deze bepaling – zoals zij zelf zegt – ,,ingrijpend gewij-

zigd” 13). Gekozen is voor vermelding van de totale bezoldi-
ging met een specificatie daarvan per type beloning. Daaraan

is de huidige tweede zin toegevoegd, wellicht bedoeld als een

compromis voor diegenen, die op enigerlei wijze inzicht willen

krijgen in de omvang van de individuele beloningen. Met deze
toevoeging wordt echter bereikt dat – zoals Francken het

uitdrukt – het wetsartikel hinkt op twee gedachten door:

• enerzijds te benadrukken dat het gaat om ,,verantwoor-

ding omtrent cle totale kosten die het commissariaat voor
de onderneming met zich brengt” 14);

• anderzijds de onderneming te verplichten tot het doen van

een opgave van het totale aantal commissarissen.en het

aantal onbezoldigden onder hen, een bepaling die alleen

maar kan voortspruiten uit de wens, mogelijkheden te

verschaffen ter bepaling van de individuele beloningen.

Dit laatste nu is illusoir. Zonder een duidelijke uiteen-

zetting omtrent het aantal gedurende het boekjaar in

functie geweest zijnde commissarissen met de vermel-
ding van de periode van het boèkjaar, waarin zij deze
functie hebben vervuld, en zonder toelichting over extra
bezoldiging uit hoofde van een voorzitterschap of van

een functie als gedelegeerd commissaris vast te stellen.
Hoogstens kan een statistisch gemiddelde worden be-

rekend, waaraan weinig of geen conclusies m.b.t. de in-

dividuele beloning kunnen worden verbonden. Evenals
Francken komen wij dan ook tot de conclusie dat – vooral

Voor 1973:
Onderzoek jaarverslagen 1973,
Nivra geschrift no. 14,
blz. 45 Voor 1975:
Onderzoek jaarverslagen 1975,
Nivra geschrift
no. 17, blz. 68 en 69.
J.Ch, Francken, Beloning van commissarissen,
TVVS,
1977, no. 4.
Nederlandse Saa:scourant,
18 augustus 1977.
II) Zitting 1967-1968, no. 9595, Memorie van Toelichting, blz. 14.
,,De jaarrekening vermeldt de bezoldiging van ieder der commis-
sarissen van de onderneming”.
Zitting 1967-1968, no. 9595, Memorie van Toelichting, blz. 14.
Idem.

ESB 19-7-1978

731

op grond van de door de wetgever zelf gegeven uiteenzetting

over het doel van het onderhavige artikel – het aanbeveling

verdient, de tweede zin van art. 313 te schrappen.

Stelt men toch prijs op de handhaving van dit onderdeel

dan lijkt het ons gewenst dat de onderneming vermeldt het

aantal commissarissen dat gedurende het boekjaar in func-

tie is geweest, eventueel met vermelding van de functieperiode

voor zover deze periode niet het gehele boekjaar bestrijkt, en

het aantal van degenen onder hen die geen bezoldiging ge-

nieten. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat eerstgenoemd

aantal niet overeenstemt met het aantal commissarissen dat

per de ultimo van het boekjaar of per de datum van opmaken
van de jaarrekening aanwezig is, maar uit de combinatie van

het aantal commissarissen dat gedurende het verslagjaar in

functie was en het aantal onbezoldigden onder hen kan in

ieder geval het aantal worden afgeleid, dat een bezoldiging

heeft ontvangen.

Holding
of concern

De rechtspersoon ten aanzien waarvan de verplichting tot

opvolging van de voorschriften van titel 6 van Boek 2 BW
geldt is de moedermaatschappij of holding. De jaarrekening

van de moeder is derhalve het centrale object van titel 6.

Krachtens art. 319 is de moeder o.m. verplicht, de gegevens

over de commissarissenbeloningen van haar meerderheids-

deelnemingen te vermelden 15). Deze gegevens kunnen even-

tueel in een geconsolideerdejaarrekening danwel in afzonder-

lijke of samengevoegde jaarrekeningen worden opgenomen.

Laatstgenoemde drie typen van jaarrekening zijn dan te

beschouwen als een onderdeel van de toelichting op de

moeder. Indien in het jaarverslag een geconsolideerde jaarre-
kening wordt opgenomen, behoeft de moeder krachtens art.

336 niet haar winst- en verliesrekening plus toelichting –

zoals beschreven in de artikelen 334 en 335 – te specificeren.

Naar onze mening ontslaat art. 336 haar echter niet van de

verplichting te voldoen aan de voorschriften van art. 313 16).

Samenvattend komt het erop neer dat krachtens art. 313o.i.

moeten worden vermeld de gegevens over de commissaris-

senbeloningen van de moedermaatschappij en van de meer-

derheidsdeelnemingen, waarbij uit de verstrekte informatie

de gegevens van de moeder separaat moeten blijken.
Indien bovengenoemde redenering juist is, moet naar ons
oordeel de vermelding van gegevens over commissa-

rissenbeloningen in uitsluitend de
geconsolideerde
j aarreke-

ning
zonder nadere toelichting
als onvolledig worden be-

schouwd. De cijfers van uitsluitend de moeder zijn namelijk

niet bekend, omdat niet is aangegeven dat de totale

bezoldiging inclusief specificatie en het aantal commissarissen

en het aantal onbezoldigden onder hen zowel voor alleen de

moeder als voor het gehele concern gelden. Laatstgenoemde
situatie doet zich voor als de commissarissen van de moeder
tevens de commissarissen van de werkmaatschappijen zijn.

Anderzijds is de vermelding van gegevens over commissa-

rissenbeloningen in uitsluitend de enke/voudigejaarrekening
zonder nadere toelichting tegen de achtergrond van boven-

staande gedachtengang naar onze mening eveneens als onvol-

ledig aan te merken. Uit de plaats waarde gegevens m.b.t. de

beloningen zijn vermeld – ni. de enkelvoudige jaar

rekening – kan zonder nadere toelichting weliswaar wor

den afgeleid dat het cijfermateriaal betrekking heeft op de

moeder, maar daaruit kan niet zonder meer worden

geconcludeerd dat ze ook het gehele concern betreffen. Een

aanvullende mededeling, die deze informatie bevat, is hier

dan ook op haar plaats.

Voorts geven omschrijvingen als ,,de bezoldiging van de

Raad van Commissarissen. . .” of ,,de commissarissenbe-

loning bedraagt overeenkomstig artikel… van de statu-

ten…..

of ze nu in de enkelvoudige of in de geconsolideer-

de jaarrekening voorkomen – o.i. eveneens geen

bevredigende informatie. Uit de koppeling aan een bepaalde

Raad van Commissarissen of aan een bepaald artikel uit

bepaalde statuten zou men kunnen concluderen dat de ver-

strekte gegevens betrekking hebben op één vennootschap, i.c.

de holding. Ook hier zou een aanvullende toelichting op

haar plaats zijn.

Wij komen dan ook vooralsnog tot de slotsom dat in het
kader van het in deze paragraaf behandelde onderwerp het

opvolgen van de voorschriften van art. 313 als volgt zou
moeten geschieden: vermelding van gegevens m.b.t. de belo-

ningen in zowel de enkelvoudige als de geconsolideerde

jaarrekening, waarbij in de enkelvoudige jaarrekening de

gegevens van de moeder en in de geconsolideerde (dan wel

afzonderlijke en/ of samengevoegde) jaarrekening(en) de cij-

fers van de meerderheidsdeelnemingen of van het gehele

concern zijn opgenomen.
Twee varianten hierop zijn:

Ivermelding in uitsluitend de geconsolideerde jaarrekening

met de toelichting dat de cijfers tevens gelden voor de moeder;

•vermelding in uitsluitend de enkelvoudige jaarrekening met

de toelichting dat de verstrekte informatie ook op het gehele

concern betrekking heeft.

Naar ons oordeel is alleen bij bovenvermelde formulering

en de twee varianten de te verstrekken informatie in een

zodanige vorm gegoten, dat daaruit expliciet de gegevens

conform art. 313 van zowel de moeder afzonderlijk als van het

concern of van de meerderheidsdeelnemingen blijkt.

Slot

In dit artikel zijn een aantal interpretatieproblemen m.b.t.
art. 313 van Boek 2. BW aan de orde gesteld. Naar aanlei-

ding hiervan zijn enige conclusies getrokken en enige sugges-

ties gedaan. Het lijkt ons gewenst dat ook de wetgever zich

over de materie buigt en uitspraken doet die leiden tot

opheffing van deze problemen.

,,Omtrent de ondernemingen waarin de rechtspersoon recht
streeks of middellijk voor meer dan de helft van het geplaatste kapi-
taal deelneemt, worden zo getrouw mogelijk alle inlichtingen ver-
strekt, die krachtens deze titel in de jaarrekening moeten voorkomen.
Aan deze verplichting kan worden voldaan door in de toelichting
op de jaarrekening van de rechtspersoon een geconsolideerde
jaarrekening dan wel afzonderlijke ofsamengevoegdejaarrekeningen
van deze ondernemingen op te nemen” (art. 319, lid 1). Vgl. P. Sanders en R. Burgert (red.), Jaarrekening van onderne-
mingen,
Samsom Uitgeverij, Alphen a/d Rijn, de laatste zin van het commentaar bij art. 336.

Indien u niet âlles op economisch gebied kunt lezen,

dan kunt u ESB onmogelijk missen.

732

Tabel 1. Overzicht van gegevens inzake commissarissenbe-

loning en hei aantal commissarissen van de 47 onderzochte
ondernemingen over het boekjaar 1976

Artikel 313
Boek 2 8W
inzake

Beloningcn(in guldens)
Aantal commissarisser

anderneming
totaal
east
tantièmes
andere
totaal
aantal
zonder
vormen
betaal-
bezol- de
diging

ACt-‘
………..
93.000

II
40.000
153.000
net.

5

2)

3)
545.000

4)
45.000
500.000
net.

0

21
0
Ahold
……….
Akzo
………..
239.792
239.792
nut net.
12

5)
net.
0
Ballast Nedam
.
65.625 99.375
66.250
n.v.t.
6

6)
0
\’in Berkel
165.000
15.000
150.000
n.v.t.
5
132.000
132.000
n.v.t
net.
45)7
net.
0
147.500
147.500
net,
net.-
6

427.22223
55.000 23
372.12223
net.
– –
0
Biihrmann
215.000
55.000
60.000
net.
8
net.
0
Dcli
00.125
63.483

5210)
l3esso 9)
……..
116.244
14.00010
02.244 ..v.t.
4
net.
0
Elsevier
……….

-.
16.000

9
net.
0
Gamma
………
95.000
net
60.000
5.000 II)

0
Gist Brocades
201.333
75.333
26.000
n.v.t.
0

12)

31.000

163.000
63.000
net.
net.–
6
-.
Hagemeyer
……
HBG
………..
1-leineken 9)
80.000
160.000

8
net.
0
Holec

……….
80.000
80.000
net net
7

5)
n.v.t.
0
Hoogovens, Estel
1.172.090 1.172.090
net net

50 13)
ititernatio
190.000
15.000 14
75.000
net. 14)

7
220.000
112.000 108.000
net
7)5)
net.
0
KLM 9)
………
105.000
net.

16)

10
155.833
155.833
n.v.t
net
75)
net.
0
KNI’

130.000
9
147.0001) 64.000
83.000
net
7
Kon. Olie 665.00011
285.000
380.00017)
net.

10

Bols
…………
Bos Kalis
……..

KSH 18)
……..

110.000
net.

16)


5

Bredero
………

Meneba
………
245.000
116.000
115.
00
0 19) 4.000

Naarden
……..
165.000
65.000
net net
5
net.
0
Van Nelle
136.500
20)
20) 20)
0
341.000
113.000
228.000
net,
10
Nutricia
186.168
90.000 96.168
net.

Ø
45.000 45.000 n.v.t
net.
7

5)
n.v.t.
0

KBB9)
………

178.456 178.456
net,
net.
6
net.
0

Kluwer
………

295.000
155.000 140.000
net.
7

5)
net.
0

KNSM
………

Vin Ommeren
.

85.000 —

7

21)
Pakhoed

82.800 02.000

6
640.000 200.000
40.000
n.e.t.
II
net.
0

NSU
………..

97.000
70.000 27.000
n.e.t.
6
n.s’.t.
0

Nijverdal
……..

‘om

………..
RSV

180.000
net.

161
– –
13

OcO
…………
Ogern

……….

344.704
135.000
209.704
net.
9
telegraaf
176.500



6 22)

Philips
……….

11-1V International
171.000 100.000

8
net.
1

.Stcvin
……….

180.000
180.000
net
net.
10
0
248.000 248.000
net,
n.e.t.
0
0
VMF
………..
VNU
………..
99.500 99.500
net. net.
7


VRC
………..
Wessanen
185.000
185.000
n.v.t.
n.e.t.

.
0

Tabel 2. Samenvatting tabel 1, onderdeel beloningen

1976

1974

t.

Totaal+sluitendespeeifieatic
………………..

.34

24
Totaal, geen sltntcndespecificatie
…………….
.
4

4
Geen totaal. ss’el east
e,t
in
ntièine
……………..
..
5 a)

12
(ieen totaal, geen east entantième ………………4

7

47

47

a) Hieronder tevens verslaan: die ondernemingen die door een negatief saldo ean de winst-en verliesrekening geen tantièmes hebben.

Tabel3. Samenvatting tabel 1, onderdeel aantal commissaris-
sen

1974

16
14
Ib.,, Betaalde’+,,zonder bezoldiging
..

…………..

. S
3

In.

Totaal+aantal zonder bezoldiging
……………..

3.

Uitsluitend

betaalde’

…………………….
20
6

.4

4

2.

Uitsluitend totaal

…………………………4

Uitsluitend

zonder bezoldiging’

………………
Niets
……………………………………
2

..

6

47 47

Toelichting bij tabel /

Indeling

Onder het hoofd ,,Beloningen” zij’n opgenomen de bedra-

gen van de totale commissarissenbeloning en de specificatie
hiervan, zoals die in de jaarrekening 1976 van de betrokken

ondernemingen zijn vermeld. Onder het hoofd ,,Aantal com-

missarissen” is opgenomen het in de jaarrekening 1976 van de

betrokken ondernemingen vermelde totaal aantal commissa-
rissen en het aantal zonder bezoldiging. Tevens is hier opge-

nomen het aantal bezoldigde commissarissen, voor zover een

onderneming tav. het totaal aantal commissarissen in gebre-
ke blijft, maar wel het aantal commissarissen vermeldt dat
bezoldiging ontvangt.

Notaties

De notatie ,,-” betekent: een gegeven ontbreekt dat in het

kader van dein dit artikel beschreven toetsing aanwezig moet
iijn. De notatie ,,n.v.t.” betekent: niet van toepassing. Hierbij

merken wij nog op, dat indien de som van de in dejaarreke-

ning vermelde onderdelen van de bezoldiging gelijk is aan het

in de jaarrekening als totale bezoldiging vermelde bedrag bij

het onderdeel, dat niet in de specificatie voorkomt, ook wordt
ingevuld: n.v.t.

Voetnoten bij tabel 1

1 ) Niet explIciet vermeld dat dit, in dejaarrekening genoemde bedrag
de
totale
bezoldiging betreft.
Dit aantal uitsluitend vermeld bij de vaste beloning
Uitsluitend uit de in het jaarverslag opgenomen tekst van de
stattttaire bepaling inzake de wtnstbestemming tan worden afgeleid dat alle commissarissen een vorm van commissafissenbeloning ont-
vangen. Deze wijze van informeren komt o.i. niet overeen met de
strekking van artikel 313 van Boek 2 BW,
Ntet explictet het
bedrag
van de totale bezoldiging medegedeeld;
wel aangegeven dat de totale bezoldiging uit een vaste beloning en een
tantième bestaat.
Vermeld is dat dit aantal per ultimo 1976 aanwezig is.
Medegedeeld wordt dat van dit aantal één commissaris een
gedeelte van het jaar in functie is geweest.
Bovendien wordt vermeld: ,, Drie commissarissen waren het gehele
jaar en twee commissarissen een gedeelte van het boekjaar aan de
vennootschap verbonden” (blz. 36).
Vermeld is dat in dit aantal een uitbreidinggedurende het boekjaar
begrepen is.
Boekjaar 1976/ 1977,
Het in het jaarverslag 1976/ 1977 verstrekte vergelijkende cijfer
inzake vaste beloningen 197511976 ad f. 14.000 wijkt af van dein het
jaarverslag 1975/ 1976 vermelde vaste beloning ad f. 12.250 over het
betreffende boekjaar.
II) In het jaarverslag omschreven als: ,,andere beloningen” (blz. 21).
Gebaseerd op de mededeling: ,,Deze bedragen zijn over dein het verslagjaar in functie zijnde commissarissen verdeeld” (blz. 35).
In het jaarverslag aangegeven dat dit aantal betrekking heeft op
dc holdtng, de werk- en houdstermaatschappijen.
Niet aangegeven of dit bedrag een vaste beloning of een andere vorm van bezoldiging betreft.
IS) Bovendien wordt medegedeeld dat dit aantal in functie was in het
boekjaar 197611977.
Niet expliciet vermeld dat als gevolg van het negatieve saldo van
de winst- en verliesrekening geen tantième-uitkering heeft plaatsge-
vonden.
Dit bedrag in het verslagjaar niet expliciet als tantième aange-
d itid.
Boekjaar 197511976. Het jaarverslag 1976/ 1977 was per ultimo
januari 1978 niet beschikbaar.
Heeft betrekking op de winstverdeling 1975 (blz. 35). In het jaarverslag op geen enkele wijze gespecificeerd.
Bovendien wordt vermeld dat dit aantal ,,in het verslagjaar”
aanwezig was.
Dit aantal wordt gegeven bij de in de enkelvoudige winst- en
verliesrekening opgenomen commissarissenbeloning ad f. 137.500.
Bij het in de geconsolideerde WVR vermelde bedrag aan commissa-
rissenbeloning ad f. 176.500 wordt geen aantal verstrekt.
In deze in het jaarverslag gegeven opstelling zit een verschil van
f. 100.

A.H.E.B. Koot-du Buy
R.M. Vijn

ESB 19-7-1978

733

Bedrijfseconom ie

Het onzekerheidsaspéct in de

beleggings-, de vermogensmarkt-

en de financieringstheorie

DRS. H. J. J. BRONSEMA

In de serie artikelen in deze rubriek over ,, ondernemingsfinanciering en

vermogensmarkt” staat in deze bijdrage voor de tweede maal de vraag
centraal hoe in de theorieën en modellen op dit gebied rekening wordt

gehouden met het onzekerheidsaspect bij de besluitvorming 1). Het financie-

ringsprobleem werd eerder omschreven als een verzameling onderling sa-
menhangende beslissingsvraagstukken inzake de vermogensallocatie. Het

financiële allocatiesysteem binnen de onderneming (met als deelproblemen

o.a. investeren, financieren en winstbestemming) werd daarbij onderschei-

den van het vermogensmarkt-allocatiesysteem.

Inleiding

in het vorige artikel 2) onderkenden

we (summier) de rol van het onzeker-

heidsaspect in al deze beslissings- en

afstemmingsvraagstukken die met het

financieringsprobleem samenhangen.

Tevens stelden we dat daarmee nog geen

uitspraak is gedaan over de vraag hoe in
de afbeeldingen (theorieën en modellen)

die hierop betrekking hebben, met dit

onzekerheidsaspect rekening wordt (of
zou dienen te worden) gehouden. Daar-

naast is van belang wat nu precies als

onzekerheid of risico wordt ervaren, of

het (en zoja, hoe) wordt gekwantificeerd,

wiens visie relevant wordt geacht (die van
een of meer interne beslissers en/of die

van ,,de” externe vermogensverschaf-

fer(s)) en of in de besluitvorming het on-
zekerheidsaspect impliciet wordt meege-

nomen of expliciet wordt afgewogen
tegen andere aspecten (en weer, hoe?).

In eerdere artikelen bespraken we de
micro-economische en de gedragstheore-

tische benadering van het financierings-

probleem en lieten we enige consequen-

ties zien voor het beeld dat wordt

gehanteerd ten aanzien van de doelstel-

lingen van het financiële beleid 3). We

poogden tevens de mogelijkheden te

laten zien van een onderlinge aanvulling

van beide benaderingen. De genoemde

benaderingen blijken ook consequenties
te hebben voor de wijze waarop het on-

zekerheidsaspect bij de besluitvorming

wordt afgebeeld.

In het vorige artikel 2) beschreven we

het beeld dat in de gedragstheoretische
benadering wordt gehanteerd ten aan-
zien van de besluitvorming in onzeker-

heid door mensen en organisaties: Naast
de begrippen begrensde rationaliteit, een

niet-holistische visie op de onderneming,

,,uncertainty avoidance” en ,,arranginga

negotiated environment”, besteedden we

aandacht aan de rol van o.a. planning,

budgettering en bepaalde gedrags- en

bes lissingsregels.

In dit artikel bezien we een benadering

van beslissingsproblemen in onzekerheid

die meer axiomatisch en micro-econo-

misch van aard is. In de volgende para-

graaf laten we aan de hand van een aantal

vaak gehanteerde vooronderstellingen

het karakter zien van het beeld dat aldus

tot stand komt (of ,,relevant wordt ge-

acht”) en welke consequenties dat heeft.

Vervolgens laten we aan de hand van een

aantal voorbeelden zien hoe deze bena-

dering wordt toegepast in de zeer om-

vangrijke literatuur omtrent de besluit-

vorming door beleggers (de z.g.

,,portfolio theory”), de vermogens-

markttheorie en de theorie van de

ondernemingsfinanciering 4).

Het gehanteerde beeld van de besluitvor-

ming in onzekerheid

De micro-economische benadering

werd gekarakteriseerd als een marktge-
richte benadering, met name gericht op

het doen van voorspellingen omtrent de

uitkomsten yan marktprocessen in even-

wichtssituaties. Naast vooronderstellin-
gen omtrent het functioneren van de

markt (b.v. de marktperfectie) worden in

deze benadering ook vooronderstellin-
gen gehanteerd ten aanzien van de. ach-

terliggende beslissingsprocessen door in-
dividuen (b.v. beleggers, managers) en
organisaties (b.v. ondernemingen, be-

leggingsinstellingen). Beslissers worden

geacht onbegrensd rationeel te zijn; het
beslissingsmechanisme wordt gedefini-

eerd in de vorm van een verzameling

axioma’s, leidend tot zodanige beslissin-

gen dat het ,,nut” (of bij onzekerheid: het

,,verwachte nut”) wordt gemaximali-

seerd.

In combinatie met de statistische deci-

sieleer is een benadering van de besluit-

vorming in onzekerheid tot stand geko-

men die, als gezegd, in de recente

financierings-, beleggings- en vermo-

gensmarktliteratuur een belangrijke

plaats heeft ingenomen. Deze benade-

ring wordt gekenmerkt doordat, op basis

van de axioma’s en ,,plausibel geachte”

vooronderstellingen, op een bepaalde

wijze inhoud wordt gegeven aan wat

,,rationeel” beslissen in onzekerheid is

(of zelfs: zou moeten zijn) en uitspraken

worden gedaan over wat ,,relevant” is ter

karakterisering van dit beslissingspro-

bleem 5).

t) De eerdere artikelen verschenen in
ESB,
23
november 1977, t maart 1978, 26 april 1978,
24 mei 1978 en 28 juni 1978.
Zie het artikel van H.J.J. Bronsema in
ESB, 28juni 1978.
Zie de artikelen van H.J.J. Bronsema en
F.M. Tempelaar in
ESB. 1
maart 1978 en 26
april 1978.
In het kader van dit artikel kan uiteraard
geen volledig overzicht worden gegeven. De
geïnteresseerde lezer zij daarvoor verwezen
naar de ruimschoots voorhanden literatuur.
Voor de portfolio- en de vermogensmarkt-
theorie zie b.v.: J.C. Francis en S.H. Archer,
Porifolio analysis,
Englew.00d -Cliffs, 1971;
W.F. Sharpe,
Porifolio theory and capital
markets,
New York, 1970; J.M. Overmeer,
Ontwikkelingen in de theorie van de
vermogensmarkt: portfolio theorie, MBA,
juli
1977; J. M. Overmeer, Ontwikkelingen in
de theorie van de vermogensmarkt: het ,,Capi-
tal Asset Pricing Model”,
MBA,
december
1977. Voor toepassingen
op
het gebied van de
ondernemingsfinanciering zie b.v.: J.L. Bou-
ma,
Leerboek der bedrijfseconomie,
Deel II,
Wassenaar, 1971; J.C. van Home,
Financial
management and policy,
Englewood Cliffs,
1977; J.C.T. Mao,
Quantitat ive analysis of
financial decisions,
Londen; 1969; J.F. Wes-
ton en E.F. Brigham,
Manageria! finance,
Londen, 1975.
Voor een uitgebreider behandeling en eva-
luatie van de vooronderstellingen, conse-
quenties en ook inconsistenties zie H.J.J.
Bronsema, De zin en onzin van kwadratische
nutsfuncties bij de besluitvorming in onzeker-
heid,
MBA,
juni 1978.

734

De vooronderstellingen behelzen, kort
samengevat, het volgende:

beslissers zien onzekerheid (risico) in
termen van waarschijnlijkheidsverde-

lingen van mogelijke uitkomsten of

resultaten;

beslissingen worden gebaseerd op

twee karakteristieken (parameters)

van die waarschijnlijkheidsverdelin-

gen, namelijk de verwachte waarde

(E) en de standaarddeviatie (a); de

z.g. ,,E, a-benadering”;

beslissers worden geacht afkerig te

zijn van risico;

beslissers zijn in staat alternatieve

waarschijnlijkheidsverdelingen volle-

dig en consistent naar voorkeur te

ordenen;
rationele beslissers ordenen en kiezen

zodanig dat ,,de verwachte waarde

van het nut” (E (IJ)) toegekend aan al

die alternatieve waarschij nlijkheids-

verdelingen wordt gemaximaliseerd

(het E(U)-maximalisatie- of ratio-

naliteitsprincipe.

Het beslissingsprobleem onder onze-
kerheid wordt in deze benadering dus

opgevat als het keuzeprobleem ten aan-

zien van alternatieven, die elk worden
gerepresenteerd door een waarschij n-

lij kheidsverdeling van mogelijke uitkom-

sten of resultaten; de voor de (risicoafke-

rige) beslisser relevante karakteristieken

(parameters) hiervan zijn de verwachte

waarde (E) en de standaarddeviatie (d)

(of de variantie
(02));
de rationele beslis-

ser ordent deze alternatieven naar voor-

keur volgens de verwachte waarde van

het nut (E (U)) en kiest dat alternatief

waarvoor E (U) maximaal is.

Het

verwacht e-nutsmaxima/isatie-

principe
is niet zo jong als de stroom van

recente literatuur waarin het wordt toe-

gepast doet vermoeden. Het principe

werd in het jaar 1738 reeds door Ber-

nouilli 6) geformuleerd (vandaar dat het

ook wel bekend staat onder de naam
,,Bernouilli-rationaliteitsprincipe”.l 1) en

het heeft in de tijd gezien een ietwat

merkwaardige historie doorgemaakt.

Borch 7) constateert dat dit principe

gedurende een eeuw bekend en populair
wasbij wiskundigen geïnteresseerd in de

waarschijnlijkheidstheorie. Daarna
schijnt het vrijwel in het vergeetboek te

zijn geraakt, tot in 1944 Von Neumann

en Morgenstern 8) het in de economi-
sche theorie nieuw leven inbliezen op

basis van een uitgewerkt axiomastelsel,

uitgaande van ,,the picture of anindivi-
dual whose system of preferences is all-

embracing and complete
…..
. Het E (U)-

principe is dus afhankelijk van de
onderliggende axioma’s of postulaten

voor rationeel handelen. Overigens zijn

verscheidene van deze axiomastelsels

voor rationeel handelen uitgewerkt, wat
nogmaals moge dienen als illustratie van

het feit dat rationaliteit geen ondubbel-
zinnige, objectieve grootheid is, maar

afhankelijk is van hoe het is gedefinieerd.

Zonder nu gedetailleerd op die axio-
ma’s in te gaan, kan het E (U)-principe

als volgt worden omschreven: voor de

beslisser, die in staat is alternatieve waar-

schijnlijkheidsverdelingen volledig en

consistent naar voorkeur te ordenen

(vooronderstelling 4), is een zodanige
,,waarderings”-, ,,preferentie”- of ,,nut”

functie U (R) te construeren, dat de

verwachte waarde van het nut (expected

utility: E (U (R)) van de mogelijke resul-

taten per alternatief die ordening af-

beeldt.

Hetzelfde kan worden bereikt door te.

ordenen op basis van de z.g.
zekerheids-

equivalenten
van de waarschijnlijkheids-

verdelingen, een zéker resultaat (d.w.z.

met een kans = 1) dat ,,even hoog wordt

gewaardeerd” als een waarschijnlijk-

heidsverdeling (de beslisser is ,,indiffe-

rent”). Het nut van het zekerheidsequiva-

lent U (ZE) is (per definitie) gelijk aan

het verwachte nut E (U (R)).

De ordeningsrelatie wordt aldus afge-
beeld door middel van getallen; een nu-

merieke index wordt aan de waarschijn-
lijkheidsverdelingen toegekend: het

verwachte nut E (U). Het kan worden

berekend door het nut toegekend aan

elke mogelijke uitkomst te vermenigvul-

digen met de waarschijnlijkheid van die

uitkomst en vervolgens te sommeren (of

Deze rubriek wordt
verzorgd door de
afdeling Bedrijfseconomie van de Rijks-

universiteit Groningen

te integreren) over alle mogelijke uit-

komsten van het betreffende alterna-

tief 9).

De aldus besproken wijze van definië-

ring van het E (U)-principe legt enkele

eisen op aan de nutsfuncties, maar ze legt

op zich geen beperkingen op aan de

waarschijnlij kheidsverdelïngen, de risi-

comaatstaven en de risicohouding. Dit

verandert evenwel door het E (U)-princi-

pe te combineren met de eerder genoem-

de vooronderstellingen 2 en 3, ni. dat
• beslissers risico-afkerig zijn;

• beslissers denken in termen van Een a

van waarschijnlijkheidsverdelingen

(E,o-benadering).

Ten behoeve van de eerste veronder-

stelling wordt dan een degressief stijgen

de nutsfunctie aangenomen, ten behoeve

van de tweede wordt hetzij een kwadrati-
sche nutsfunctie verondersteld, hetzij een

z.g. twee-parameter-waarschijnlijkheids-

verdeling (die volledig kan worden be-

schreven met behulp van twee parame-

ters; b.v. de normale verdeling).

Volgens deze redenering legt de risico-

houding dus vormvereisten op aan de

nutsfunctie. Het veronderstellen van risi-coafkeer ,,impliceert” een degressief stij-
gende nutsfunctie oftewel een functie

U (R) waarvoor geldt dat

dU(R) = U'(R) >0
dR

d
2
U


(R)
én dR2
—U
(R)<0.

Dit wil zeggen dat het
grensnut
(hoe-

wel
positief) afneemt.
,,Afwijkingen naar

beneden” worden (bv. gezien t.o.v. het

gemiddelde) als ernstiger beoordeeld dan

afwijkingen naar boven, d.w.z. spreiding

als zodanig wordt als negatief gewaar

deerd.

Door vervolgens a (de standaarddevi-

atie) tot relevante risicomaatstaf te ver-

klaren worden de te stellen eisen nog

scherper, hetzij aan de vorm van de nuts-

functie (en daarmee aan de vorm van de

E (U)-indifferentiecurven), hetzij aan de

toegestane klasse der waarschijnlijk-

heidsverdelingen van de resultaten. Bij

beperking tot z.g. E,a-klassen van waar-

schijnlijkheidsverdelingen (o.a. de nor-

male verdeling) zijn vele nutsfuncties

toegestaan bij het formuleren van E (U)-

rationele E,c-regels; indien een dergelijke

beperking niet wordt opgelegd, is slechts

de kwadratische nutsfunctie (met bijbe-

horende concentrische i ndifferentiecur

ven) toegestaan. Indien zelfs de veron-

derstelling van de E,a-benadering wordt
losgelaten, zijn ook andere beslissingsre-

gels E (U)-rationeel (bijvoorbeeld geba-

seerd op verlieskans, gemiddeld verlies).

Al of niet om didactische redenen

wordt in de leerboeken betreffende de

ondernemingsfinanciering en de portfo-

ho-analyse vaak de nadruk gelegd op de

degressief stijgende kwadratische nuts-

functie 10). Een kwadratische nutsfunc-
tie kan worden geformuleerd als:

U(R)=a.R
2
+ b.R+ c

Deze is degressief stijgend als a < 0,

b > 0, en het maximum ligt dan op
R* b/2a. Het ,,relevante” gebied van
de nutsfunctie moet dan wel beperkt

worden tot het gedeelte links van de top
(R < R*), het stijgende gedeelte, waar

het grensnut positief is. Ter illustratie, zie

figuur 1.

Figuur 1. Een kwadratische nuisjunctie

U(R)4′

nuisfuncipe

D. Bernouilli, Specimen theoriae novae de
mensura
sortis,
Commentarii Academiae
Scientiarum

Imperialis

Pe:ropoli:anae,
(1738); Engelse vertaling in
Econometrica,
vol. 22.
K. Borch, Expected utility expressed in
terms of moments,
Omega,
nr. 3, 1973.
J. von NeumannenO. Morgenstern,
Theo-
ry
of
games and economic behavior,
Prince-
ton, 1953 (3e cd.).
Voor discrete waarschijnhijkheidsverdelin-
gen geldt:

E (U (R)

1
i,

(R). U (R)

voor continue:

5
p (
R). U (R) dR
– w

waarin p (
R)
is de bij de waarschijnlij kheids-
verdeling
w
(R)
behorende kans van optreden
van de waarde
R
(de z.g.
waarschijnhijkheidsdichtheidsfunctie).
Zie
b.v.
de onder voetnoot 4 genoemde
literatuur.

ESB 19-7-1978

735

Als nu uitgaande van een kwadrati-

sche nutsfunctie het verwachte nut wordt

bepaald, dan blijkt dit te kunnen worden

geschreven als
E (U (R)) = a.E (R)2 + b.E (R) +

+ c + a.c (R)
2

= U (E (R)) + a. 0(R)
2

Het verwachte nut luidt dus in de ka-

rakteristieken E en a (en dit geldt onge-
acht de klasse der waarschijnlijkheids-

verdelingen). Daar a < 0, is voor elke

waarde van c(R) > 0 (dus onzekerheid)

E (U (R)) = U (ZE)< U (E (R)), dus ook

ZE
Met behulp van E (U (R)) kan dus een

correctie worden aângebracht voor zo-

wel de onzekerheid (via cr(R)) alsook voor de mate van risicoafkeer (coeffi-

cient a uit de kwadratische nutsfunctie):

bij risicoafkeer is in geval van onzeker-

heid het zekerheidsequivalent ZE lager

dan het verwachte resultaat E (R). Beide
zijn echter aan elkaar gelijk zowel wan-

neer er- geen onzekerheid aanwezig is

(o(R) = 0) als wanneer er sprake is van

r,rsico-indifferentie (a = 0). In dit laatste

geval is de nutsfunctie lineair.

Alle combinaties van E (R) en o(R)

die dezelfde E (U (R))-waarde hebben,

worden even hoog gewaardeerd, hebben

hetzelfde zekerheidsequivalent, en vor-

men te zamen een E (U)-indifferentie-
kromme. Voor verschillende E
(U)

waarden kan de bijbehorende set

indifferentiecurven

dan

in

het

E (R) – o(R)-vlak worden afgebeeld. De

snijpunten met de horizontale as (waar
0(R) = 0) geven de zekerheidsequivalen-

ten weer; hogere indices geven hogere
E (U)-niveaus weer. Ter illustratie, zie

onderstaande figuur.

Figuur 2. Set E (U)-ïndUjèrent-iecur ven
gebaseerd op een kwadratische nuts-

functie

Aangetoond kan worden dat de bij een

kwadratische nutsfunctie behorende set

indifferentiecurven concentrisch is. Het

middelpunt van deze set concentrische

indifferentiecurven ligt op de E-as, en het

valt samen met de bij de top van de
kwadratische nutsfunctie behorende

waarde
R*.
De indifferentiecurven ont-

springen dus loodrecht op de E-as (het

zekerheidsequivalent). En dit blijkt al
met al nogal vergaande consequenties te hebben die het oordeel over de zin en de

onzin van de kwadratische nutsfunctie

niet onverdeeld positief laten uitvallen,
zelfs binnen de eerder genoemde vooron-

derstellingen 1 t/rn
5
II)..

Het blijkt namelijk dat de kwadrati-

sche nutsfunctie en de daarmee consis-

tente set concentrische E (U)-indifferen-

tiecurven in het E,a-vlak

• niet in staat zijn een ,,sterke” mate

van risico-afkeer af te beelden;

• strijdig zijn met een afnemende mate

van risico-afkeer, d.w.z. dat een be-

slisser meer risico zou willen aanvaar-

den naarmate hij het ,,beter” heeft.

Deze strjdigheid wordt in de litera-

tuur als nadeel van de kwadratische

nutsfunctie gezien.

Enkele voorbeelden van toepassingen in

de beleggings-, de vermogensmarkt- en

de
financieringstheorie 12)

In de
porifoliotheorie
wordt aan de

genoemde vooronderstellingen l t/m 5

nog een zesde toegevoegd, nI.

6. beleggers zien de resultaten van

beleggingsalternatieven in termen

van rentabiliteiten over één periode

13).

De toepassing van deze benadering in

de portfoliotheorie kan als volgt worden

gellustreerd. Elke beleggin,gs-

mogelijkheid (bv. aandelen) wordt geka-

rakteriseerd m.b.v. E en
o
van de

waarschijnljkheidsverdeling van de ren-

tabiliteit. Door verdeling van de besteed-

bare middelen over beleggingsobjecten

(waarvan de risico’s elkaar geheel of

gedeeltelijk kunnen compenseren:
risico-

spreiding
14) is in principe een oneindig

aantal verschillende portefeuilles samen
te stellen, elk ook weer gekarakteriseerd

door een Een ovan de portefeuillerenta-
biliteit (in onderstaande figuur voorge-

steld door het gearceerde gebied).

Uitgaande van risico-afkeer kan, ook

zonder kennis van de exacte mate, en dus zonder kennis van het exacte verloop van

de indifferentiekrommen, een scheiding,

worden gemaakt tussen gedomineerde en

dominante E,a-combinaties (op basis

van het E,o-beslissingsprincipe). De do-

minante combinaties vormen samen de

E,o (of Markowitz) efficiënte set, die
bestaat uit al die alternatieven die ge-

geven E (R ) de kleinste
o
(R,) hebben of

gegeven a(R) de grootste E (R
u
). In

figuur 3 is de efficiënte set aangegeven

met het lijnstuk AB.

Wenst de beslisser uit de efficiënte set

echter het optimale, E (U)-maximalise-

rende alternatief te kiezen dan vraagt dit

een confrontatie van de E,o-efficiënte set

met de ,,relevante” set E (U)-indifferen-
tiecurven in het E, o-vlak, waartoe kennis

van de exacte mate van risicoafkeer

nodig is: het E, 0-principe is dan E,o-

beslissingsregel geworden. Alternatief C

blijkt het optimum te representeren;

E (U) is maximaal door deze combinatie

van beleggingsobjecten met de daarbij

behorende combinatie van E (R
u
) en

a(R).
In de
vermogensmarkitheorie
(capital

market theory) wordt voortgebouwd op

Figuur 3

51

P
l

de vooronderstellingen en de conclusies
van de portfoliotheorie. Uitgangspunt is

dat de beleggers ,,Markowitz-efficiënte

beslissérs” zijn. Het doel van de theorie is

echter niet een valide afbeelding te geven
van de feitelijke beslissingsprocessen der
beleggers; de rationele beslisser wordt op

basis van een ,,as if”-constructie gepos-

tuleerd. De vermogensmarkttheorie -is

een typisch micro-economische benade-

ring


van

liet

vermogens-

allocatieprobleem, waarbij de analyse

zich met name richt op het vermogens-

marktsysteem en op de
uitkomsten (in

termen van geaggregeerde grootheden)

van
markiprocessen.
Het is een toepas-
sing van de neoklassieke prijstheorie op

vraagstukken van consumptie en investe-

ren (beleggen) over de toekomstige tijd-

ruimte onder onzekere omstandigheden.

Doel van de analyse is te komen tot

uitspraken over
evenwichtsrelaties
op de

vermogensmarkt tussen de prijsvorming

op de vermogensmarkt, rendement en

risico van beleggingsobjecten.

Aan de serie veronderstellingen 1 t/m

6 uit de portfolio-theorie wordt in de

vermogensmarkttheorie nog een aantal

toegevoegd:
alle beleggers hebben dezelfde tijds-

horizon en homogene verwachtingen

ten aanzien van toekomstige rende-

menten (identieke waarschijnlijk-

heidsverdelingen);

er is een risicovrije marktinterestvoet

R waartegen elke belegger onbe-

perkt kan in- en uitlenen;

de vermogensmarkt is perfect (d.w.z.
geen belastingen, geen transactiekos-

ten, geen ondeelbaarheid van beleg-

gingsobjecten, individuele beleggers

hebben geen invloed op de prijzen der

II) Zie voetnoot 5.
Zie voetnoot 4.
In de literatuur en in het spraakgebruik
worden de termen Tentabiliteit en rendement
van beleggingsobjecten wel eens als equivalent
gebruikt. In het navolgende doen wij dat ook, maar dan in de betekenis van rentabiliteit. De
rentabiliteit over een periode van bv. een aandeel bestaat in feite uit een dividend-
component (het rendement) en een waarde-
mutatiecomponent.
D.w.z., van risicospreidingis sprake als de
onderlinge correlatiecoefficiënt kleiner is dan
+1; oftewel als er geen perfecte positieve
correlatie aanwezig is.

736

beleggingsobjecten) en de vermogens-

markt is in evenwicht (hetgeen in-

houdt dat alle beleggingsobjecten in
een portfolio zijn ondergebracht bij
de geldende prijzen).

Op basis van de veronderstellingen 1

t/m 9 leidt de vermogensmarkttheorie

tot de conclusie dat er een lineaire even-

wichtsrelatie •bestaat tussen risico en

rendement van individuele beleggingsob-

jecten en van portfolio’s. Deze even-

wichtsrelatie wordt de Security Market

Line (SML)
genoemd:

SML: E(Rp)Rv+(E(Rm)—
Rv). f3p

Daarin is:

E (R
u
) de verwachte waarde van de

rentabiliteit van een aandeel of

portefeuille;

R
,,,

de risicovrije marktinterestvoet

(tijdvoorkeurvoet);

E
(Rm)
de verwachte waarde van de

rentabiliteit van de z.g.

marktportfolio, bestaande uit
alle aandelen;

Pp

een maatstaf voor het z.g. syste-
matische risico, de covariantie

tussen het aandeel of de portfo-

ho en de markt (portfolio) als

geheel.

Op een markt in evenwicht is, op de

marge, de geeiste rentabiliteit over een
beleggingsalternatief gelijk aan de ver-

wachte waarde. De geëiste rentabiliteit

over een aandeel of portefeuille bestaat
derhalve uit een risicovrij gedeelte en een

risicopremie die lineair afhangt van de

covariantie van het portfohiorendement

met het rendement van de markt (port-

folio). Geconcludeerd kan worden dat

kan dienen als risicomaatstaf voor de
portfolio (c.q. individueel aandeel). Gra-

fisch wordt de SML weergegeven in fi-
guur 4.

Figuur 4. De relatie tussen geëiste rent a-
hiliteit en risicograad: SML

E(R)
1L

E(Rm) _

R

Pp

Als de onzekerheid van de rentabiliteit

van een aandeel of portefeuille nu wordt

gemeten door de variantie
02,
dan bestaat

deze uit een systematisch-risico-

component en een niet-systematisch risi-
co (indien en voor zover de correlatie met

de markt (portfolio) niet perfect is).

Vanuit een marktgerichte benadering als
die van de vermogensmarkttheorie is dat

niet-systematische risico evenwel niet

interessant; het kan worden weg-

gediversifieerd, de geëiste rentabiliteit is slechts een functie van het systematische
risico (gemeten met behulp van

Vanuit een andere optiek (b.v. die van

een manager van een beleggingsinstel-

ling of onderneming) zou evenwel de

totale onzekerheid (dus inclusief het niet-

systematische risico) wel degelijk van

belang kunnen zijn. Daarover straks

meer.

Eerder constateerden we reeds 15) dat

de micro-economische benadering ook

,,doorwerkt” in de theorie van de onder-

nemingsfinanciering.
Ondernemingen

worden vanuit een holistische visie in
staat geacht alle interne beslissingen op-

timaalte kunnen afstemmen en te richten
op het veronderstelde doel: het verkrij-
gen van een optimaal (nutsmaximalise-

rend) tijdruimtelijk consumptiepatroon

door de consument/vermogensverschaf-

fer. Daartoe dienen ondernemingen de

marktwaarde voor de zittende verschaf-
fers van eigen vermogen te maximalise-

rert. We zagen dat de veronderstelling

van de perfecte markt leidt tot een twee-

tal separatietheorema’s. Deze komen er
op neer dat voor deze marktwaardema-

ximahisatie slechts de produktie- en in-
vesteringsbeslissingen van belang zijn,

doch dat de’beslissingen ten aanzien van

de vermogensstructuur en de winstin-

houdings- c.q. -uitkeringspolitiek daar-
voor volmaakt irrelevant zijn.

Aldus vervalt een groot gedeelte van
de eerder genoemde afstemmingsproble-
men. De investeringsbeslissingen dienen
zodanig te worden genomen dat de netto

contante waarde van de netto ontvang-

stenstromen wordt gemaximaliseerd. De
daarvoor relevante vermogens-

kostenvoet (disconteringsvoet, kritische
rentabiliteit, afkapgrens) wordt ontleend

aan ,,de markt”. In geval van onzeker-

heid volgt de bij de betreffende risico-

graad relevante geëiste rentabiliteit uit de
evenwichtsrelatie op de markt: de Securi-

ty Market Line (S ML).

In de theorie van de ondernemingsfi-

nanciering worden echter ook benade-
ringen aangetroffen die, wat vooronder-

stellingen, conclusies en consequenties
betreft, minder ver gaan dan die van de
vermogensmarkttheorie. Ten behoeve

van de investeringsbeslissingen b.v.

wordt, op basis van de analogie tussen

beleggings- en investeringsbelissingspro-
blemen in onzekerheid, wel een zelfde

benadering toegepast als in de portfolio-

theorie. Investeringsalternatieven kun-

nen dan worden gekarakteriseerd aan de

hand van waarschijnlijkheidsverdelingen
van de toekomstige netto ontvangsten-

stromen, of van de netto contante waar-

den; als relevante karakteristieken van

die waarschijnhijkheidsverdelingen wor-
den weer E en agenomen.

Door combinatie van investeringspro-

jecten waarvan de onzekerheden elkaar
geheel of gedeeltelijk compenseren (geen

perfecte positieve correlatie) kan risico-

spreiding worden bereikt, waarbij ook de
relatie met de reeds bestaande onderne-

ming kan worden meegenomen. Aldus
kan het z.g. bedrijfsrisico (,,business
risk”) door keuze van de investeringen

worden beinvloed. Er kunnen E,a-effi-

ciënte projectcombinaties worden be-

paald, en dat alternatief is optimaal,

waarvoor het yerwachte nut (toegekend

aan de waarschijnlijkheidsverdehingen
der netto contante waarden) maximaal
is.

Dat optimum kan ook worden bereikt

door de investeringsalternatieven te or-

denen op basis van de zekerheidsequiva-

lenten van die onzekere kapitaalwaar-

den 16). Om dubbeltelhingen te

voorkomen wordt in de z.g. ,,zekerheids-
equivalenten-benadering” ervan uitge-

gaan dat in de disconteringsvoet alleen

de tijdvoorkeur tot uitdrukking wordt

gebracht: de risicovrije markti nterest-

voet Rv. De risicoafkeer komt tot uiting

in de vertaling van de waarschijnlijk-

heidsverdehingen der netto ontvangsten
of der kapitaalwaarden tot zekerheids-

equivalenten. In de ,,cost of capital-be-
nadering” wordt ervan uitgegaan dat in

de disconteringsvoet zowel tijdvoorkeur

als risicoafkeer dienen te worden opge-

nomen. Van de onzekere toekomstige
netto ontvangstenstromen worden dan

slechts de verwachte waarden in de be-

schouwing betrokken. Door disconte-

ring en na aftrek van het investeringsbe-

drag wordt dan ,,rechtstreeks” het
zekerheidsequivalent van de netto con-

tante waarde gevonden. De vraag is dan

echter wel wiens verwachte nut en wiens risicoafkeer relevant is (of wordt geacht)

voor de besluitvorming. Vanuit een on-

dernemings- en beslissingsgerichte bena-
dering lijkt het dan zeer wel mogelijk dat

hierop een ander antwoord zal worden
verkregen dan vanuit een micro-econo-

mische marktgerichte benadering.

In de vermogensmarkttheorie blijkt,
uitgaande van de veronderstelde ratio-
nele vermogensverschaffer, slechts het
systematische risico van belang te zijn.

Vanuit de onderneming gezien wordt
daarmee echter van een groot aantal

zaken geabstraheerd (tot niet relevant

verklaard); b.v. de scheiding van leiding
en ,,eigendom”, het betrokken zijn van

diverse groeperingen in de onderneming

met eventueel verschillende
preferentiestructuren, een verschillende

visie op wat risico is, verschillende risico-

maatstaven en een verschillende mate
van risicoafkeer.
Intern
zouden aldus best andere risico-
oordelen relevant kunnen zijn dan (of
naast) die welke
extern
(voor de ver-
mogensverschaffer) relevant zijn (of wor-

den geacht). B.v. de kans op faillisse-

ment, op ontslag, op ilhiquiditeit, naast het systematisch risiço zal dan ook het

niet-systematisch risico van belang kun-
nen Zijn.

Tot slot nog een laatste voorbeeld uit
de financieringstheorie. Als getornd

15)
Zie het artikel van H.J.J. Bronsema en
F.M. Tempelaar in
ESB, 26 april 1978.
6)
De termen netto contante waardeen kapi-
taalwaarde kunnen als equi’valent worden be-schouwd.

ESB 19-7-1978

737

Bôéke

1
111X

ieuws

W. Driehuis (ed.): Primary commodity prices: analysis and forecasting.
Rotterdam,

University Press, 1976, 346 blz., f. 74,90.

In
dit boek wordt een aantal studies

gebundeld van medewerkers van enkele

Westeuropese onderzoekinstellingen, zo-

als het CPB, het Engelse NIESR en de

Duitse instituten te Kiel en Hamburg.

Ook enkele buitenstaanders hebben een

bijdrage geleverd. De betreffende instel-

lingen zijn in dit onderwerp geïnteres-

seerd omdat de prjsbewegingen van

grondstoffen als invoergegevens wor

den gebruikt bij de modellen waarmee

zij voorspellingen voor hun nationale
economieën maken. In een werkgroep

wisselden zij hun ideeën en ervaringen

uit. Het grote aantal auteurs en het

verschil in zowel het terrein van elk

onderzoek als de methode maken het

geheel wat onevenwichtig, ondanks een

poging van Driehuis om in zijn inleiding

de bijdragen aan elkaar te breien.

wordt aan de veronderstelling van de

perfecte vermogensmarkt, door b.v. niet

meer af te zien van belastingheffing, dan

blijkt de keuze van de vermogensstruc-

tuur wel invloed te kunnen hebben op de

waardering van de onderneming. De in
de investeringsselectie te hanteren (ge-

middelde) vermogenskostenvoet is dan

afhankelijk van de te kiezen optimale

vermogensstructuur, die op haar beurt
weer afhankelijk blijkt te zijn van de
rentabiliteit en de risicograad van de

eerdere en te entameren investeringen.

Dan is naast het afstemmingsvraagstuk

van de onderneming op de markt dus.

ook de afstemming van investerings- en

financieringsbeslissingen van belang.
Verschillende alternatieven ten aan-

zien van investeringen en de vermogens-

structuur leiden aldus tot verschillende

waarschijnljkheidsverdelingen van b.v.
de rentabiliteit van (het aandeel in) het

eigen vermogen 17). Naast het bedrijfs-
risico komt daarin ook het financiële

risico (financial risk”, ten gevolge van

het financieren met vreemd vermogen)

tot uiting. De verschillende alternatieven

kunnen weer in het E,o-vlak worden

afgebeeld, de E,o-efficiënte combinaties

kunnen worden aangegeven en het opti-

male alternatief kan weer worden be-

paald op basis van de maximalisatie van

het verwachte nut. Met echter ook weer

dezelfde vragen als hierboven. Wiens

verwachte nut, wiens risicoafkeer, wiens

doeistructuur, enz. is relevant? De oplos-
sing van deze problemen is daarmee weer
afhankelijk van de afbeelding die wordt

gemaakt en de wijze waarop dat gebeurt,

In een beschrjvend artikel geeft

Naini (HWWA, Hamburg) de gebruike-

lijke verklaring voor het achterblijven

van het aandeel van ontwikkelings-

landen in de wereldhandel in de tijd: de

relatief geringe inkomenselasticiteit van

de vraag naar grondstoffen. Voor voed-

selgewassen wordt deze tendens nog

verergerd door de landbouwbescher-

ming in industrielanden; grondstoffen

voor industrieel gebruik lijden vaak

onder de concurrentie van synthetische

substituten. Verwerking van de eigen

grondstof stuit op anti-verwerkings-
tarieven in de ontwikkelde landen.

Naast de relatief geringe groei van de

vraag kenmerken de meeste grondstof-
fen zich door scherpe prijsfluctuaties

op korte termijn; gedeeltelijk als gevolg

van oogstschommelingen, gedeeltelijk

en dus mede een methodologisch pro-

bleem.

Over de correspondentie van het beeld
van de verwachte-nutsmaximalisatie met

de werkelijkheid merken b.v. Fama en

Miller 18) op:

Note that we say that the individual behaves
as
fhe were an expected utilïty maximizer. As
always, we do not presume that he formally
goes through the optimization process presc-
ribed by the theory. Rather his observed
behaviour is assumed to be
as
jf
his decision
process conformed to the model. As usual,
however, we use words a littie loosely and
talk about an individual maximizing his utili-
ty.
Butsuch statements are always meant to be
interpreted in an ,,as
f’
sense.

Nutsfuncties zeggen in dit verband dus

op zich niets over het menselijk gedrag

maar kunnen onder de gehanteerde

vooronderstellingen gebruikt worden als
,,as-if”-afbeeldingen.

We lieten zien dat in de meer axioma-
tisch en micro-economisch getinte bena-

dering een ander beeld wordt gehanteerd
dan in de gedragstheoretischebenadering

van het financieringsprobleem, zowel ten

aanzien van de doelstellingen van het

financiële beleid, als ten aanzien van het

onzekerheidsaspect bij de besluitvor-

ming 19). Ook nu echter 20) willen we

afsluiten met te stellen dat een combina-
tie van beide benaderingen o.i. aandacht

verdient. Uitgaan van een gedragstheo-
retische benadering bij de analyse van het

allocatiesysteem binnen de onderneming

kan inzicht in het financiële beslissings-

proces leveren, wat nodig is om het
systeem te plannen en te beheersen. De

noodzakelijke of gewenste afstemming

door conjuncturele invloeden op de

vraag naar industriegrondstoffen.

Goiidstoffenpolitiek zu uitkomst

moeten brengen in de impasse waarin

grondstoffenlanden zich om al deze

redenen bevinden. Het hoofdstuk geeft

een opsomming – nauwelijks een ana-

lyse – van alle wensen op dit gebied

die ooit in UNCTAD-fora zijn geven-

tileerd, zoals grondstoffenovereenkom-

sten, markttoegankelijkheid, belasting

op synthetica enz. Een student die niet

alle UNCTAD-documenten door wil

ploegen, vindt hier een – weinig kri-

tische – samenvatting.

Hoffmeyer (Kiel) poogt een analyse

te geven van de doeleinden waarnaar
grondstoffenovereenkomsten zouden

kunnen streven, de eisen waaraan ze

zouden moeten voldoen en de moeilijk-
heden die hierbij worden ondervonden.

Zijn bespreking van de grondstoffen-

overeenkomsten die op agrarisch gebied

hebben bestaan, geeft nauwelijks een

onderbouwing van de gegeneraliseerde

eisen die hij ten slotte formuleert. Een

appendix geeft een handig overzicht

van de participatie in, en instrumenten
van, de overeenkomsten op het gebied

van tarwe, suiker en koffie in het ver

leden.

Het hoofdstuk geschreven door

van de ondernemingsbeslissingen op het

marktproces kan dan gebeuren door

relaties en parameters in het onderne-

mingsmodel op te nemen, die zijn verkre-

gen met behulp van de micro-econo-

mische benadering van het marktproces.

B.v. de lineaire relatie tussen risicograad

en geëiste rentabiliteit volgens de Securi-

ty Market Line. Het denken in markt-
waarden en in vanuit de markt afgeleide

rentabiliteitseisen van vermogens-

verschaffers kan dan, afhankelijk van de
situatie, wel een plaats in de afbeelding

en de doelstructuur behouden, maar
meer als onderdeel van de veelheid van

factoren die gezamenlijk het al of niet

levensvatbaar zijn van een onderneming

bepalen. En hetzelfde geldt o.i. voor de

aan de hand van de vooronderstellingen
l t/m
5
geschetste benadering van de

besluitvorming in onzekerheid 21).

H.J.J. Bronsema

Zie b.v. J. L. Bouma, tap., hfst. II.
E. F. Fama en M. H. Miller,
The theory
of
finance,
New York, 1972, blz. 191.
Zie het artikel van H.J.J. Bronsema en
F.M. Tempelaar in
ESB,
26april 1978 en van
H.J.J. Bronsema in
ESB,
28juni1978.
Voor een uitgebreider beschouwing zie
het artikel van Bronsema en Tempelaar in
ESB,
26 april 1978.
Voor een verdere uitwerking zie H. J. J.
Bronsema en B. V. H. van de Kieft,
Enkele
afbeeldingen, beslissingscriteria en risico-
maatstaven voor het beleggingsprobleem on-
der risico, een doelprogrammerings-
formulering,
paper gepresenteerd
op
de
Ëinancierings- en Beleggingsdag, mei 1978 te
Rotterdam, verschijnt in de FinBel-bundel
1978, Leiden, 1978.

738

Schwarz (Wereidbank) en Driehuis

(CPB, Universiteit van Amsterdam),

presenteert een meer-landenmodel en

kan wellicht worden gezien als een voor-

loper van het model dat de Wereldbank

op het ogenblik hanteert. De bedoeling

van het model is om de prïjsbewegin-

gen van grondstoffen nu eens niet te

verklaren door een aggregatie van indivi-

duele grondstoffenprijzen, maar als

resultante van de interacties tussen de

nationale economieën van de OECD-

landen en de ontwikkelingslanden (met

een globaal sectortje van socialistische
landen, om geen open eind over te laten).

De handelsvergelijkingen van de afzon-

derlijke economieën vormen de ,,link”;

het exportprijsniveau van ontwikkelings-
landen (of beter de schommelingen daar-

in) een belangrijke te verklaren variabele.

Dit exportprijsniveau wordt beschouwd

als een goede remplacant voor een grond-

stoffenprijsindex, hetgeen tevens in-

houdt dat de ontwikkelingslanden uit-

sluitend worden gezien als grondstoffen-

exporteurs.

ln een voorafgaand hoofdstuk geven

Chin en Perthel (Universiteit van Am-
sterdam) de samenstelling aan van acht

bekende grondstoffenindexcijfers. Hun

bruikbaarheid hangt o.a. afvan de samen-

stellende grondstoffen, die hen meer of

minder representatief maken voor de

grondstoffenexport van bepaalde landen

(groepen). Voor het benaderen van het

exportprijsniveau van ontwikkelings-

landen komen de indices van HWWA
en NIESR het meest in aanmerking.
De hypothese, dat het exportprijs-

niveau van ontwikkelingslanden wordt
bepaald door grondstoffenprijzen, trach-
ten Schwarz en Driehuis te ondersteu-

nen met enkele regressie-exercities van

de exportprijs op de NIESR-en HWWA-

grondstoffenprijsindices (de laatste met

en zonder ruwe olie). Het blijkt echter

dat de exportprijs alleen enigszins repre-

sentatief te noemen is voor die grond-

stoffenindex waarin petroleum is opge-
nomen. Gegeven de omvang van de

olie-export én de zeer speciale kenmer-

ken van de olievraag, die vooral in inko-

menselasticiteit sterk afwijkt van andere

grondstoffen, wekt deze uitkomst enige

twijfel ten aanzien van de bruikbaar-
heid van de exportprijs als maatstaf

voor ,,het” niveau van de grondstoffen-
prijzen. Dit klemt des te meer daar in de
laatste jaren industrieprodukten een

snel groeiend deel van de export van

ontwikkelingslanden uitmaken. Tege-

lijkertijd moet de export van grond-
stoffen (met name van voedselgewassen)

door OECD-landen niet worden onder

schat. Als gevolg hiervan komt de hypo-
these van Schwarz en Driehuis, dat alle

directe concurrentie tussen de export

van de OECD-landen en de landen van

de Derde Wereld is uitgesloten, enigszins

op losse schroeven te staan.
Het is niet de bedoeling van Schwarz
en Driehuis om een model te leveren

met een dusdanig realiteitsgehalte dat
het voor prognoses zou kunnen worden

gebruikt. Dit blijkt ook uit het bewust

terzijde laten van diensten, kapitaal-

bewegingen en monetaire verbanden, en

de veronderstelling dat betalingsbalans-
tekorten volledig kunnen worden ge-

financierd. Bovendien zijnde parameters

en vertragingen van de reactievergelij-
kingen niet geschat, maar a priori inge-

voerd op basis van wat bekend is uit

nationale modellen. De bedoeling is

daarentegen om een analytisch raam-

werk te construeren, waarin de princi-

piële verschillen tussen handelsstromen

die uit grondstoffen dan wel uit indu-

strieprodukten bestaan, tot uitdrukking

komen in de vergelijkingen. Binnen het
model vloeien deze handelsstromen

voort uit de bekende macro-economische
variabelen van de nationale economieën,

en hebben daar zelf ook weer invloed

op. Daarmee wordt in principe de moge-

lijkheid geschapen om de verbanden

tussen variabelen die voor een indivi
dueel grondstoffenmodel exogeen zou-

den zijn, in de analyse te betrekken.

Schwarz en Driehuis simuleren met

hun model het effect van een infiatoire

loonsverhoging en een bestedingsinfiatie

in de OECD-landen, van een 10% deva-

luatie van de dollar (waarbij de ontwik-

kelingslanden al dan niet mee devalué-

ren) en van een autonome prijsverho-

ging van alle grondstoffen met 50%.

De kwantitatieve uitkomsten van deze

simulaties worden te zeer beïnvloed

door de rigoureuze hypotheses, de ge-

kozen parameterwaarden en het hoge

niveau van aggregatie met betrekking

tot de ontwikkelingslanden, om veel be-
lang te hechten aan hun orde van groot-

te. Zo maakt de hypothese dat er vol-

ledige indexering zou bestaan tussen de
exportprjs van ontwikkelingslanden en

hun importprjzen de uitkomsten van de

simulaties niet geloofwaardiger. Wel

wordt duidelijk hoe zinvol het is door te
werken aan een meer-landenmodel (met

een veel grotere desaggregatie dan voor
Schwarz en Driehuis mogelijk was),

enige notie te krijgen van de aanzienlijke
indirecte effecten die worden opgeroepen

door welke beleidsmaatregel dan ook.

Hoe gigantisch ook de moeilijkheden
zijn die het construeren van meer realis-

tische meer-landenmodellen met zich

brengt – men denke slechts aan het kop-

pelen van nationale prijsniveaus bij de
huidige monetaire chaos -, het lijkt een
onvermijdelijke bezigheid, ook om ten

aanzien van grondstoffenpolitiek enige
grond onder de voeten te krijgen.

De rest van het boek houdt zich bezig

met methoden voor het maken van prog-

noses voor individuele grondstoffen-
prijzen. Wij hebben enigszins moeite

met de indeling die Driehuis hier geeft
in causale en niet-causale methodes.

Waarom zouden enquêtes onder experts

niet causaal zijn; de ervaring van die
lieden heeft toch waarschijnlijk een

ondergrond die op feitelijke samenhan-

gen berust? Waarom zou daarentegen

het construeren van voorzieningsbalan-

sën wel causaal zijn? Zij geven immers
de stand van zaken in een bepaald jaar, of reeks van jaren, zonder aan te geven

waarom ze in de tijd veranderen? Ten

slotte blijkt het zelfs de vraag te zijn of
in alle gevallen de bij uitstek ,,causale”

verklaringen – de econometrische

modellen – nu werkelijk oorzaken aan-

geven, dan wel een gesjoemel met vertra-

gingen voorstellen, net zo lang totdat

de berekende waarden een behoorlijke

,,fit” geven met de werkelijke waarden.

Het is jammer dat de betrokken insti-

tuten dit gedeelte over de methodische

benadering van individuele grondstoffen

niet verder hebben uitgevochten. De

vier econometrische modellen hebben

namelijk betrekking op een bevredigende

diversiteit van grondstoffen: twee voe-

dingsmiddelen, suiker en vlees, waarvan

de ene een korte, de andere een lange

produktieperiode kent, en twee grond-
stoffen voor de industrie, nl. staal van
metallische oorsprong en natuurrubber

als landbouwprodukt. Het zou interes-

sant zijn geweest om verschillen in be-
naderingsmethode terug te kunnen voe-

ren op verschillen in de aard van het

produkt. De bijdragen zijn echter te on-

gelijk van kwaliteit om een verschil in

methode te kunnen ontdekken. Wij kun-
nen derhalve niet veel anders doen dan

een opsomming geven van de betreffen-

de hoofdstukken.

Volgens Ray (NIESR) is het moeilijk,
zo niet onmogelijk, om alle factoren

die de prijzen van grondstoffen bepalen
in een kwantitatief model onder te

brengen, en met een dergelijk model
voorspellingen op korte termijn te doen.

Hij kiest daarom voor het enquêteren
van deskundigen die een verwachting

omtrent de toekomstige prijs geven.

Uit het gepresenteerde cijfermateriaal

blijkt echter dat de deskundigen hun

verwachtingen hoofdzakelijk baseren op
de prijs op het moment van enquêteren.

De kwaliteit van de voorspellingen is
dan ook nogal dubieus.

Een verbetering van de resultaten zou

mogelijk kunnen worden verkregen door

gebruik te maken van de Delphi-tech-

niek, waarbij de deskundigen hun ver-

wachtingen moeten beargumenteren en daarna met de verwachtingen en argu-

menten van andere deskundigen worden
geconfronteerd. Na een aantal ronden
mag worden gehoopt op een zekere con-

sensus over de ontwikkeling van de prijs. Labys (West Virginia University en In-

stitut Universitaire de Hautes Etudes

Internationales, Genève) onderzocht de
dagprijs van grondstoffen. Hij gaat de
voorspellingskwaliteiten na van een aan-

tal methoden om de prijs te voorspellen
uit vroegere waarden van de prijs. De

zogenaamde ,,random-walk”-methode
blijkt het best te voldoen. Dit betekent

dat opeenvolgende prijsveranderingen

ESB 19-7-1978

739

een kansverdeling hebben met gemiddel-

de nul. De beste voorspelling van de

prijs van morgen is dus de prijs van

vandaag. Dit resultaat is inmiddels over-
bekend uit studies naar het verloop van

aandelenkoersen. Het betekent niet meer

dan dat
schommelingen
in de prijs

van dag tot dag worden bepaald door

politieke invloeden, stakingsgeruchten

en dergelijke, die onmiddellijk en volle-

dig in de prijs worden verdisconteerd

(de z.g. efficiente markt-hypothese). Het
betekent
niet
dat er geen causale invloe-

den zijn die het
niveau
van de prijs

bepalen. Alleen de schommelingen van
dag tot dag zijn onvoorspelbaar. Let

men op kwartaal- of jaargemiddelden,

dan zijn pogingen om de prijs te ver-

klaren beslist niet zinloos.

Tewes (Kiel) probeert een jaarmodel

te schatten voor de
wereidsuikermarkt.

Na zijn goede beschrijving van de ver-

schillende compartimenten van de markt

– de landbouwbescherming in vele

landen, de preferentiële markten ten

bate van sommige exporteurs, het resi-

duele karakter van de Vrije wereldmarkt

– is het bepaald jammer dat hij deze

onderverdeling totaal negeert in zijn

model. De consumptie- en produktie-

beslissingen in regio’s als de EG en

Oost-Europa, maar ook in de VS, wor-
den niet zozeer genomen op grond
van de situatie op de wereldmarkt,

maar op basis van het landbouwregime

en de bijbehorende afwijkende prijsni-
veaus in de eigen afgescheiden markt.

Daarnaast is het de vraag of het aanbod,

met name van bieten, alleen afhangt

van de suikerprjs, zelfs als men de

,,beschermde prijs” zou invoeren in
plaats van de wereldmarktprijs. Het

model van Tewes impliceert een snellere

trendmatige groei van het bietenareaal
dan die van het suikerrietareaal. Het

zou de moeite waarde zijn geweest om

na te gaan in hoeverre dit voor de
bieten samenhing met de prijsverhou-

ding tussen suikerbieten en andere mo-

gelijke gewassen, gegeven de technische

grenzen bij de vruchtwisseling.

Het uitblijven van de snelle groei

van het bietenareaal in de jaren zeventig

leidde tot een voortdurende afname

van de voorraden, die in Tewes’ simu-

latie niet naar voren komt, maar wellicht
te wijten was aan de hoge graanprijzen

in die jaren. Misschien zou in het geval

van bietsuiker een toevoeging van de prij-

zen van die produkten, die met bieten om

de grond concurreren, tot betere resul-

taten leiden. Uit econometrisch gezichts-
punt kan de grote vertraging waarmee

het prijsniveau zich aanpast aan het

voorraadniveau nog als kritiek worden

genoemd. Dit zou bv. in 1974 tot
een enorme onderschatting en in 1975

tot een overschatting hebben geleid.
Schmidt (Kiel) onderzocht de wereld-

markt voor
vlees.
Op grond van institu-

tionele en veterinaire redenen blijkt deze

uiteen te vallen in deelmarkten voor
Argentijns en Australisch vlees. Het

model voor de prijs van Argentijns

vlees blijkt uiteindelijk een z.g. spinne-

web-model te zijn. Opgelost naar de

prijs ontstaat een differentievergelij-

king van de derde orde met één reële

wortel kleiner dan één en twee complexe.

De door Schmidt verrichte simulaties
laten dan ook alle een snelle demping

zien, gevolgd door een uitdovende oscil-

lerende beweging. Bij dit model kunnen

een aantal bezwaren van technische

aard worden gemaakt.

In nog grotere mate is dat het geval

bij het model voor Australisch vlees.

Zo blijkt volgens het model het
percen-

tage
van de koeien dat jaarlijks wordt

geslacht een exponentiële groei met 4,7%

per jaar te vertonen. Deze groei kan

uiteraard niet lang worden volgehouden.

Schmidt komt in dit geval niet aan

simuleren toe, omdat hij het zich zelf

te moeilijk heeft gemaakt. Het slachtper-

centage wordt verondersteld een loga-

ritmische functie te zijn van een gewo-

gen voortschrjdend gemiddelde van de

vleesprjs, waarin ook de lopende vlees-

prijs voorkomt. De non-recursiviteit

die daardoor ontstaat, gekoppeld aan

de niet-lineariteit van het model blijken
hem dan te machtig.

Van Beeck (CPB) onderzocht de Euro-

pese
staalmarkt.
In enge zin is staal

geen grondstof – ijzererts ligt meer

voor de hand – maar een zekere para-

lelliteit met andere metalen als alumi-

nium en koper mag toch wel worden ver-

wacht. Uit kwalitatief oogpunt is dit

zeker een van de betere bijdragen uit

de bundel.
Er wordt onderscheid gemaakt tus-

sen de interne EG-prijs ende EG-export-

prijs. De laatste kan tot op zekere hoogte
worden beschouwd als de wereld-

marktprjs voor staal. Hoewel de waar-

den van de coëfficiënten in de verge-

ljkingen voor de beide prijzen statis-

tisch niet significant verschillen, zijn

deze verschillen wel theoretisch te

onderbouwen. Verder bevat het model

vergelijkingen voor de aflevering van

staal, de voorraadvorming, de order

portefeuille, nieuwe orders en de prijs

van grondstoffen. In deze laatste verge-lijking treden als verklarende variabelen

op: de staalprijs, de staalproduktie en

een negatieve trend. Bij alle drie varia-
belen kan een vraagteken worden ge-

zet: waarom zou de prijs van ijzererts

(zelfs sneller!) toenemen als, c.p., de

staalprijs stijgt? De negatieve trend-
term is verder nogal groot. Ten slotte

lijken de voorraden ijzererts en cokes

betere verklarende variabelen dan de
consumptie (staalproduktie).

Ook het opnemen van een reactie-

vergelijking voor de voorraadvorming
wekt twijfel. Het lijkt natuurlijker om
een gedragsvergeljking voor de staal-

produktie te formuleren,. waarna de voorraadvorming per definitie gelijk

is aan het verschil tussen produktie

en afleveringen. Van Beeck kiest voor

de omgekeerde weg. De produktie is bij

hem per definitie gelijk aan de som

van de afleveringen en de voorraad-

vorming. Het verschil zit in het stochas-

tische element in de beschrijving van

het gedrag van de staalproducenten.

De vergelijking voor de voorraadvor

ming van de auteur is gebaseerd op het

,,stock-adjustment principle”. De nu-

merieke waarde van de aanpassings-

parameter blijkt echter 1.1 te zijn, zodat

de voorraad overreageert. Dit intro-

duceert oscillatie in het model. Het is

de vraag of dit minder waarschijnlijke

resultaat ook zou zijn verkregen bij

de eerdergenoemde verwisseling van
gedrags- en definitievergelijking. De

weerstanden die moeten worden over-

wonnen bij aanpassing van het produk-

tieniveau lijken immers niet gering.

Ten slotte worden de gevolgen van

veranderingen in de exogene variabelen

onderzocht. De schommelingen blijken

snel te dempen. De uitkomsten zijn

niet opzienbarend: een toename van de

produktiecapaciteit heeft, c.p., een flin-

ke prjsdrukkende werking; een stijging

van de industriële produktie heeft een

lichte stijging van de staalproduktie en

(bij gelijke produktiecapaciteit) een

prijsverhoging tot gevolg, terwijl een

stijging van de arbeidskosten geen in-

vloed heeft op de produktie, maar de

staalprijs niet evenredig zal doen stij-

gen, wat tot verliezen zal leiden.
Kolbe en Timm (Hamburg) onder-

zoeken de
rubbermarkt.
De prijs van

natuurrubber wordt voornamelijk ver-

klaard door een negatieve trendterm

en een schijnvariabele voor 1969. Omdat
de prijs over de geschatte periode (vôdr

de oliecrisis) een regelmatige daling
te zien geeft, met een uitschieter voor

1969, wekt het geen verwondering dat

de aanpassing behoorlijk is. De auteurs

richten hun aandacht echter vooral op

de beide andere verklarende variabelen:

de consumptie van natuurrubber en de

gezamenlijke produktie van natuur-

en synthetische rubber. De produktie
van natuurrubber verklaren zij dan,

evenals de consumptie, voornamelijk

uit de industriële produktie in westerse

landen. Deze onjuiste identificatie van

de aanbodvergelijking maakt het model
onbruikbaar. De auteurs hebben dan

ook geen simulaties gedaan.

Gezien de betrekkelijke schaarste

aan gepubliceerd grondstoffenonder-

zoek moet het worden toegejuicht dat

dit boek een verslag geeft van het empi-

risch werk dat in N.W.-Europa op dit
terrein wordt gedaan. Wij sluiten ons
gaarne aan bij de slotopmerkingen in

Driehuis’ inleiding, waar hij stelt dat

het analyseren en voorspellen van ont-

wikkelingen in grondstoffenmarkten

een zeer moeilijke bezigheid is, en dat
er bijzonder veel werk op dit terrein
te doen blijft.
M. J. ‘t Hooft-Welvaars

P. Jonker

740