Ga direct naar de content

Jrg. 61, editie 3076

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 27 1976

ECONOMISCH
STATISTISCHE BERICHTEN

esb

UITGAVE VAN DE 27 OKTOBER 976

STICHTING HET NEDERLANDS 6IeJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 3076

Rechtvaardiger Internationale Orde

Toen Forrester en Meadows hun rapport
Limits to growth

in 1972 publiceerden, raakten vele mensen in verwarring.
Beiden voorspelden een toekomst voor de mensheid die met
rampen gepaard zou gaan, indien er niet spoedig een halt

zou worden toegeroepen aan de milieuvervuiling, de uitput-

ting van grondstoffen en de bevolkingsgroei. Deze drie fac-

toren zouden, elkaar versterkend, de wereld reeds spoedig
na 2000 van een kosmos in een chaos veranderen. De Club
van Rome die het initiatief tot dit rapport had genomen,
kreeg veel aanhang van vooral maatschappijcritici om de

dreigende apocalyps te voorkomen. Die aanhang bleek voor

een groot deel een welvaartsverschijnsel te zijn. Velen konden
het zich permitteren, een geringe economische groei te be-

pleiten. Nu door geheel andere oorzaken dan de Club van
Rome voorspelde, die groei gering is, zijn velen weer op hun
oude honk van graaien wat er te graaien valt, terug.

Een groot deel van de publieke opinie zweerde dus in feite

de Club van Rome af. Ook bij wetenschappers die zich met de

dreigende ondergang der wereld bezig hielden, voltrok zich een verandering.
Lirnits to growth
was gebaseerd op een

model op wereldschaal, zonder regionale verdelingen. Toen

in 1974 Mesarovic en Pestel hun
Mankind al the lurning
poini
publiceerden werd aan dit bezwaar gedeeltelijk tege-
moet gekomen. Niet alle werelddelen bleken er slecht voor te

staan. De ramp zou zich voornamelijk en in eerste instantie bij de ontwikkelingslanden voltrekken en voltrok zich daar

reeds (vgl. Zuid-Oost Azie en de Sahel-landen). Dit z.g.
tweede rapport van de Club van Rome zou kunnen worden

aangeduid als een eerste poging van de wetenschappers om
aan te tonen dat de apocalyps niet zo dreigend was als
Forrester en Meadows voorspelden en dat er operationele

instrumenten beschikbaar moeten zijn om het hoofd boven

water te houden.
Toevalligerwijze verschenen er de afgelopen weken drie op
zich zelf staande rapporten op initiatief van de Club van
Rome, waarin een iets meer genuanceerd beeld over ons aller

toekomst wordt geschetst. Voor de constatering dat we nu
binnenkort uit de wereldproblemen zijn, is het echter nog

veel te vroeg. Een groep onder leiding van de Amsterdamse
hoogleraar Linnemann gaf mogelijkheden aan om het

wereidvoedseivraagstuk op te lossen en een groep onder lei-

ding van de Amerikaanse hoogleraar Leontief deed hetzelfde
met betrekking tot het milieuvraagstuk. De derde groep, met

als coördinator Prof. Tinbergen, hield zich met de maat-

schappelijke orde bezig en gaf in haar rapport aan hoe die
orde gereorganiseerd moet worden om de wereld problemen

de baas te worden. Ik zal mij hieronder tot dit rapport
beperken.

In 1974 formeerde -Prof. Tinbergen een groep van 21 inter-

nationale deskundigen die het volgende probleem zou moe-

ten onderzoeken: ,,Welke nieuwe internationale orde dient
politici en maatschappelijke groeperingen aanbevolen te

worden ten einde, voor zover dat praktischen realistisch
gesproken mogelijk is, tegemoet te komen aan de dringende

behoeften van de tegenwoordige wereldbevolking en de

vermoedelijke behoeften van toekomstige generaties”.

Daarna werd in Nederland de stichting ,,Reviewing the
International Order” (RIO) met als directeur Ir. J. van

Ettinger opgericht, die werd gefinancierd door de Neder-

landse regering. Haar vorige week, op recycled papier,

uitgebrachte rapport is het resultaat van het werk en de dis-

cussies van de 21 internationale deskundigen 1).
Het rapport getuigt van een groot idealisme, dat sommigen

utopisch zullen noemen vanwege de drastische voorstellen
om de wereldorde te wijzigen. Een journalist merkte bij de
persconferentie ter gelegenheid van de aanbieding van het
rapport daarom op: ,,It’s like a Messianic state without a
Messiah”. Hetgeen Ir. Ettinger beantwoordde met.,, It’s

no daydream in the place of a nightmare, but an escape back
to reality”. Voegen we daarbij de opmerking van Prof.
Tinbergen dat hij niet voor 100% somber is, maar wel voor

90%, dan is duidelijk wat voor sfeer het rapport ademt.

Het rapport lijkt de gang van de geschiedenis te willen ver

snellen. In de afgelopen honderden jaren zagen we dat maat-

schappelijke pr6blemen slechts konden worden opgelost,
indien groepen burgers hun krachten bundelden. Zo ontston-
den er uiteindelijk krachtige staten waarin een overheid de

belangen van de gemeenschap behartigt. De wereld kampt
thans met internationale problemen die de individuele sta-
ten niet afzonderlijk kunnen oplossen. Net
zoals in een land
de overheid voor de belangen van de individuen moet op-

komen, zo moet er een internationale orde komen om de be-

langen van de vele landen af te wegen en te behartigen. Zaken
die slechts op internationaal niveau kunnen worden geregeld,

hebben betrekking op: het internationale geldstelsel; inko-
mensherverdeling en de ontwikkelingsfinanciering t.b.v.

arme landen; voedselproduktie; internationale arbeidsver-

deling; grondstoffen en energie; wetenschappelijk onderzoek

en technologische ontwikkeling; multinationale onder-
nemingen; menselijk leefmilieu; bewapeningsbeperking;
oceaanbeheer. Dat riekt naar een pleidooi voor een wereld-
regering; de rapporteurs bepleiten in hun voorstellen voor
de middellange en lange termijn haar (nog) niet, al zijn er
aanzetten toe: een wereldministerie voor Financiën, een

wereldorganisatie voor Handel en Ontwikkeling, een

wereldbureau voor Minerale Hulpbronnen en een Gedrags-
code voor multinationals. Belangrijker is in eerste instantie

dat de ontwikkelingslanden zelf hun krachten bundelen
om voor hun belangen te strijden, en dat de rijke landen zich

gaan inzetten voor een betere internationale welvaarts-
verdeling ten koste van zich zelf.

Ik hoop hiermee te hebben aangetoond dat het RIO-
rapport belangwekkend is;
ESB
zal er meer aandacht aan
besteden.

L. Hoffman

1)
Naar een Rechtvaardiger Internationale Orde,
Elsevier, Amster-
dam/Brussel, 1976, 356 blz., f. 19,50. Tevens verscheen een populair
boekje van Dick Leurdijk,
E.én wereld, één toekomst; kiezen voor
de/en?,
Elsevier, Amsterdam/Brussel, 104 blz., f. 9,90.

1033

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

ESb

Inhoud

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. HofJman:

Rechtvaardiger internationale orde ……………………….1033

Column

Linkse economen terug in de ring, door Prof Dr. J. A. A. van Doorn
1035

Drs. W. D. Franckena:

De overheid in de klem

…………………………………1036

Prof Dr. Th. A. Stevers:
Is het overheidsbeleid endogeen
9

…………………………
1037

Prof: Dr. J. Pen:

Het herstel van de winsten en de ruimte voor de openbare financiën.
Enkele cijfers

………………………………………..1041

Dr. W. Drees:

De rijksuitgaven, andere dan die voor sociale voorzieningen ……..1045

Prof: Dr. D. J. Wol/son:

Ombuigen in de overdrachtsuitgaven ………………………1050

.Europa-bladwijzer

Commissie stopte infiatierapport in doofpot,
door Drs. E. A. Mangé
1055

Foto’s: Klaas van der Roest

ESB
helpt deze week de overheid uit de klem.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM’

……………………………………………………

STRAAT’

………………………………………………….

PLAATS’

…………………………………………………..

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)’ ………………………

Ingangsdatum
.
………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB,

Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

Dit adres alteen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos, R. lti’e,na. L. H. Klaa.vsen, H. W. Lam hers,
P. J. Montagne, J. H. P. Pae/inck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.
Redactie.-medeit’erker: L. van der Geest.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rot terdam-30 /6: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (‘010) 145511, ,oes,elJ7Ol.
Bil adresti’ijziging s. v.p. steeds adreshandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tii’eet’oud,
getipt, dubbele
regelafaanci.
brede ,narge.

Abonnementsprijs:/:
/ /
9.60 per kalenderjaar
(mcl. 4% BTW): studenten t: 78.-
‘inc/. 4% BTW). franco per post voor
Nederland. België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvang.vt van stor!ings/ giro-
accepikaari) op girorekening no. 122945
t. n. t’. Economisch Statistische Berichten
Ie Rotterdam.

Losse nummers:
Prij.v van dit numnmerf: 3.-
(‘mcl.
4% BTW en poriokosten).
Be.viellitmgen lan losse nummers
uitsluitend door overmaking van cle hierboven
i’er,nelde prij.v op girorekening no. 122945
t. n. t’. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam mc’, vermelding
lan datum en nummer van het gewenste
e.vemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
geit’enste datum, maar slechts ts’orden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 7021
Den Haag
Telefoon (070) 23 41 03
Telex 33101.

Stichting
Hei Nec/erland.v Economisch Instituut

Adres:
Burge,nee.ster Oud/aan 50,
Rot,erdam-3016: tel. (010)1455 II.

Onderzoekafdelingen:

A rbeidsmarktonderzoek

Balanced International Grois’th

Bedrij/’s- Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen

Macro- Economisch Onderzoek

Pro jectstudies Ont ti’ikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch- Mathemat,i,sch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

1034

Linkse

Prof Van Doorn

economen teru

in de ring

Generaliseren is altijd gevaarlijk, zeker

als het gaat over ingewikkelde samen-

hangen. Toch lijkt mij de stelling ver-

dedigbaar dat politiek radicalisme anti-

economisch is in de zin van anti-
economische benaderingen, interpreta-

ties en becijferingen. Radicale politici
denken veeleer sterk ideologisch, gokken

op collectieve sentimenten en solidari-

teit en stellen vertrouwen in ,,het geloof
dat bergen verzet”. Zij zijn volunt.aris-

tisch georiënteerd, niet deterministisch,
zeker niet als het gaat om de erkenning

van economische determinanten.
Voorbeelden van groot formaat bie-
den landen als China en Cuba, waar de

revolutionaire leiders pas na harde en

herhaalde negatieve ervaringen bereid

bleken te erkennen, dat de oplossing van

economische problemen economische

deskundigheid vereist, waarvan de aan-
wending niet laatdunkend kan worden

afgedaan als ,,economisme” en ,,techno-

cratie”.
Dichter bij huis en in bescheidener
proporties lijkt iets dergelijks op te gaan

voor de radicalisering in links politiek

Nederland. Met name Nieuw Links, dat

momenteel het tweede lustrum viert, is
typisch politiek-ideologisch getint ge-

weest en wordt naar origine dan ook niet
toevallig in verband gebracht met stro-
mingen als Provo en studentenradicalis-

me, die immers de eerste aanvallen lan-
ceerden op wat genoemd werd ,,experto-

cratie” en ,,vakidiotisme”. Eigenlijk is

Van den Doel in dit milieu een van de
weinige uitzonderingen, en het zou wel

eens méér dan toevallig kunnen zijn dat
juist deze vakeconoom, ondanks zijn

rol van ,,ideologisch breinbaasje” van de
club, zoals hij zich met Doeliaanse be-

scheidenheid affïcheert
(HP
van 9 okto-

ber), op een zijspoor kwam en naar een

universitaire leerstoel emigreerde:-
Momenteel lijkt het getij te keren. De
eerste frontale aanval kwam nog van

buiten: de econometristen die via voor leken onbegrijpelijke berekeningen de
arbeidskosten als de grote boosdoener

aanwezen van alles wat er met ons eco-

nomisch bestel mis was gegaan. Hun

conclusies werden, zij het na de begrij-

pelijke vijven en zessen, ook in linkse

kring grotendeels aanvaard en behoren

op dit ogenblik tot het economisch in-
zicht van de gemiddelde Nederlander.

De tweede golf, nu binnen de Partij

van de Arbeid, wordt het laatste halfjaar
zichtbaar. Nog in mei van dit jaar be-

klaagde de socialistische econoom

Hoffman zich openlijk – en niet voor
het eerst – in
NRC Handelsblad over
de ,,economische onbenulligheid” van

de partij top van de PvdA, maar het valt

niet te ontkennen dat op dat ogenblik
Duisenberg de aanval hierop al had in-
gezet, en dat kort voordien Tinbergen,
De Galan en Van den Doel op hun wijze

tot een guerilla binnen de partij waren

overgegaan.
De terugkeer van Heertje naar de

Partij van de Arbeid alsook de opzien-
barende uitspraken van Stevers over de

koers van het kabinet vormen de voor-
lopig laatste ontwikkelingen aan het

links economenfront. Als uit de vluch-
tige observaties van een buitenstaander
as ik iets kan worden geconcludeerd,

dan zou het dit moeten zijn: de econo-

men hebben in de linkse politiek de hand-

schoen weer opgenomen.
Anders dan de economische model-
bouwers van de ,,eerste golf” zijn de

experts van de ,,tweede golf’ het aller-
minst eens. Dit wordt begrijpelijk, in-

dien men waarneemt dat zij niet alleen

uiteenlopende politieke voorkeuren heb-

ben, maar ook – en in samenhang daar

mee – uiteenlopende opvattingen hul-
digen zowel over de rol van de overheid
als over de inrichting van het maat-
schappelijk bestel. Hun activiteit is veel

meer dan economie-puur; het is een
sociologisch-economische benadering.
Mijns inziens is dit alleen maar ver

heugend. In de eerste plaats omdat een
deel van het wantrouwen dat tien jaar

geleden in radicale kring tegen econo-

men begon te ontstaan, zeker iets te
maken had met een al te technische be-
nadering van de problemen. Toen de op

die smalle basis opgerichte zekerheden

ten dele schijnzekerheden bleken te zijn,
stortte het vertrouwen in de economie
zelf in, en kreeg anti-intellectualisme een

gemakkelijke kans.
Een tweede reden tot voldoening ligt

in de nu aanwezige kans dat de econo-

mie een verbond aangaat met andere

sociaal-wetenschappelijke interpretaties,
hetgeen alleen hierom al van belang is,
omdat – met een veel-gevarieerd woord
– ons economisch bestel te belangrijk is

om aan economen te worden overge-

laten. Door zich te verbinden met

sociaal- en politiek-wetenschappelijke

noties, kan de economie het verwijt van

,,vakidiotisme” doelmatig bestrijden en
bovendien in directe discussie treden
met politici en politiek-geïnteresseerden

met bredere interesse.

Het duidelijkst komt dit tot uiting in
het veelbesproken en m.i. briljante arti-

kel van Stevers in
de Volkskrant
van

22 september jI. Natuurlijk kan men

twisten over de sombere teneur van het stuk als zodanig; ook ik ben, met ande-

ren, van mening dat Stevers te gemak-

kelijk extrapoleert en te zwaarmoedig
van een ,,klassiek treurspel” spreekt met

de ,,haast onafwendbare” keuze tussen
chaos en dwang. Maar zijn grote ver-

dienste is dat hij de huidige discussie over

de tendenties in ons sociaal-economisch

stelsel onmiddellijk betrekt op de toe-
komst van ons maatschappelijk en poli-

tiek bestel, en wel op een wijze die de
discussie ver uittilt boven de bestaande

politieke controversen.
Zijn waardering voor de marktecono-
mische orde gaat, merkwaardigerwijze,

veel verder dan de conventionele

,,rechtse” waardering voor ondernemers-
initiatief en consumentensoevereiniteit.
Zijn waardering stoot door tot de essen-

tiële vraag of een al te rigoureuze reduc-

tie van economische vrijheid niet een
einde maakt aan het eerste en enige
systeem van maatschappelijke beheer-

sing en sturing dat de dwang van traditie
en autoriteit op beslissende wijze wist

terug te dringen.

Zijn probleemstelling is sociologisch
en uiteindelijk zelfs sociaal-filosofisch:
hoe is maatschâpëlij’keorde mogelijk?

Indien de economen bereid zijn z6 ver

door te denken over de keuze-processen

waarin we zijn betrokken, ligt de weg

open naar een definitieve herintegratie

van de economie in het politiek en maat-
schappelijk denken.

ESB 27-10-1976

1035

De overheid in de klem

Deze aflevering van
ESB
staat in het teken van de dis-

cussiemiddag ,,De overheid in de klem”, die het Insti-
tuut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven 1 oktober

jI. in Den 1-laag organiseerde. In dit nummer is de volle-
dige tekst afgedrukt van de inleidingen tot de discussies
die de bestuursleden van het Instituut, de heren Stevers,
Pen, Wolfson en Drees hebben gehouden.
Een gedachte achter de bijeenkomst was o.a. om de

concrete maatregelen die zijn aangekondigd in de
Mil

joenennota
1977
in het brede kader te plaatsen van eer-
dere beleidsstukken van de regering, zoals de ,,eenpro-

centsnota”, de ,,structuurnota” en de ramingen van het
Centraal Planbureau voor de Nederlandse economie tot
1980. Vandaar dat in de inleidingen van de hoogleraren

Stevers en Pen de nadruk sterk ligt op het macro-eco-
nomische spanningsveld waarbinnen de collectieve sector
de komende jaren zal verkeren.
Prof. Stevers schildert, uitgaande van een forse, een-
malige vergroting van de overheidsuitgaven, hoe via een

endogeen proces, waarin ook de inkomensnivellering
een rol speelt, de budgetsector steeds verder expandeert.
Die expansie gaat gepaard met een toeneming van de

werkloosheid en op den duur een oplopend financierings-

tekort. Dit proces, dat zich in de laatste jaren in ver-

sterkte mate heeft afgespeeld, is volgens deze inleider
politiek gezien nauwelijks meer terug te draaien omdat de

budgettaire lasten naar de toekomst zijn verschoven.

Toenemende centralisering en bureaucratisering zullen het waarschijnlijke eindresultaat van dit proces zijn, zo

vreest Stevers.
Prof. Pen, gesterkt door het feit dat voor het eerst in de naoorlogse periode een kabinet heeft erkend dat de
winsten te laag zijn, heeft gepoogd aan te geven hoeveel
winstherstel nodig is om uit de economische gevaren-

zone te komen. Langs drie verschillende wegen komt hij

tot de conclusie dat het arbeidsaandeel (iets anders dan

de arheidsinkomensquote) met een procent of tien moet
worden teruggeschroefd. In dit verband adviseerde hij

de ondernemers op de discussiemiddag om hun energie

te gaan richten op verlaging van de vennootschapsbelas-

ting in plaats van te fulmineren tegen de vermogensaan-

wasdeling.

De heren Wolfson en Drees leveren resp. een be-
schouwing over de overdrachtsuitgaven van de overheid

en de bestedingen die de overheid zelf doet. Prof. Wolfson

komt o.a. tot de conclusie dat de veronderstelling die de
regering in de ,,eenprocentsnota” heeft gemaakt over de

onafhankelijkheid tussen het aantal mensen dat aan-

spraak maakt op sociale voorzieningen en de hoogte van
de uitkeringen niet juist is. Voorts acht hij het arbitrair dat
arbeidsongeschikten een hogere uitkering ontvangen dan

werklozen. Dr. Drees bespeurt een merkwaardige gang
van zaken bij de overheidsbestedingen: terwijl de uitgaven
voor collectieve (niet in individuele eenheden te splitsen)

goederen als percentage van het nationale inkomen door

de jaren heen stabiel bleven, worden de bezuinigingen
juist daar gezocht. De individuele goederen die de over-

heid, via eigen produktie of door subsidiering, beneden

de kostprijs verschaft, zijn, naast de inkomensoverdrach-
ten, de snelle groeiers bij de overheid. Toch blijven die

uitgaven grotendeels juist buiten schot, aldus Drees.

Bij de discussie die op de inleidingen volgde viel op

dat deze zich in hoofdzaak onder professoren afspeelde.

Prof. Christiaanse wierp de boeiende vraag op hoe se-

rieus Pen is. Diens voorstel voor verlaging van de

winstbelasting roept volgens hem de volgende vragen

op: 1. hoe (via welke andere belastingen) moet het extra

begrotingstekort, dat ontstaat door een lagere winstbe-

lasting, worden gedekt?; 2. wat moet er, om een massale

omzetting in BV’s te voorkomen, gebeuren met de in-

komstenbelasting?; 3. resulteert de hogere nettowinst wel

in nieuwe investeringen? Prof. Weitenberg vroeg wat er
tegen is als de overheid haar uitgaven opvoert, maar

daarbij fungeert als ,,doorgeefluik” door de inkomsten

(o.a. via de nieuwe investeringsrekening) terug te geven
aan het bedrijfsleven. Mr. De Kam stelde dat de manoeu-

vre van het kabinet om de kinderaftrek af te schaffen

en ter compensatie de kinderbijslag selectief op te trek-
ken, betekent dat de
1%-norm
in feite niet is gehaald.

Prof. Bosman stelde vragen naar enkele soorten van

overheidsuitgaven, zoals de ambtenarenpensioenen en

vroeg ook of het zinzol is om het Instituut, onder gelijk-
tijdige verschaffing van de financiele middelen, meer
onderzoek naar deze vraagstukken te laten verrichten.

Prof. Pen, die in hoofdzaak inging op de laatste vraag
van Prof. Christiaanse, meende dat er geen absolute ga-

rantie is te geven dat meer winst tot meer werk leidt.

Het omgekeerde – bij te geringe winst komt er zeker
niet meer werk – geldt wel. Hij is overigens van me-
ning dat de loonstijging wel invloed uitoefent op de ,,op-

timale mix” tussen diepte- en breedte-investeringen.

Prof. Stevers, met in gedachte de frictiewerkloosheid,

zoals die in zijn bijdrage aan de orde komt, toonde zich
pessimistisch op dit punt. De rol van de overheid als
doorgeefluik werd door Pen als ,,pervers” gekenschetst;

in de gedachte om eerst de lasten zo hoog op te schroe-

ven dat veel bedrijven noodlijdend worden om daarna

subsidies te geven, zag hij mede gezien het gevaar voor
willekeur, niet veel.
Uit de discussie rond het al of niet halen van de 1%-

norm i.v.m. de KA/KB-maatregelen werd mij niet dui-
delijk hoe de regering tegelijk de lasten niet verzwaart,

maar er toch ruim f. 200 mln, beter op wordt. De con-
clusie kan zijn dat de kwesties rond de voor de begro-

tingsruimte relevante posten (en de randvoorwaarde voor
de lastendruk die mede die ruimte bepaalt: de 1
0
,
ó
-norm)

nog verder moet uitkristalliseren. De afschaffing van de
investeringsaftrek onder gelijktijdige subsidiëring is een

analoog probleem
De vraag van Prof. Bosman, last but not least, naar

de gewenstheid van meer studies naar concrete catego-

rieën van uitgaven, werd ten slotte
door de voorzitter

van de discussiemiddag, en het instituut, Prof. Goedhart,

instemmend beantwoord.

W. D. Franckena

1036

Is het overheidsbeleid

endogeen?

PROF. DR. TH
. A. STEVERS

Lasten op drie wijzen naar de toekomst geschoven

Het financieringstekort van het rijk is van 1974 op

1976,

dus in twee jaar tijd, gestegen met ruim f. 10 mrd., zowel op

kasbasis als op transactiebasis. Daarmee bereikte het in
19-76 een record-hoogte van f. 11,5 mrd. (kasbasis). In de-
zelfde periode namen de aardgasbaten van het rijk toe met

f. 5 mrd. (inclusief in de vorm van vennootschapsbelasting).
Achter deze financiële gegevens gaat schuil dat het rijk op
drie wijzen budgettaire lasten naar de toekomst heeft gescho-
ven.
Ten eerste met betrekking tot de aardgasbaten. De aard-
gasbaten uit het buitenland gaan in de nabije toekomst dalen.
Daardoor valt een stuk budgettaire ontvangsten weg die
voor normâle uitgavenfinanciering zijn aangewend. Hoe zal de regering dan dat gat opvullen? Door beperking op de uit-

gaven of door belastingverhoging? Verdergaande lening-

financiering zal toch wel worden buitengesloten. Dit gat
dat zal moeten worden opgevuld, beschouw ik als een last

waarmee een toekomstige regering moet zien klaar te komen. De tweede last is gelegen in de sterk gestegen rentebetalin-
gen; dit is de klassieke budgettaire last van de schuld. Door-

dat het financieringstekort met ruim tien miljard is gestegen, nemen de rentebetalingen jaarlijks met ongeveer een miljard
extra toe. Ook dat legt extra beslag op de toekomstige bud-
getruimte waardoor er minder ruimte is voor andere uit-
gavenstijging, tenzij de belastingen verhoogd zouden wor-
den. Beide mogelijkheden vormen een last voor de toe-
komstige regering.
De voorgaande beschouwingen zijn zuiver micro-econo-
misch. Ook macro-economisch is er echter een budgettaire
last naar de toekomst geschoven. Doordat het produktie-
potentieel van de marktsector is aangetast, is het finan-
ciële draagvlak voor de collectieve voorzieningen kleiner
geworden. Anders gezegd, de structurele budgetruimte
zal in de toekomst in neerwaartse richting moeten worden
bijgesteld. Dit eist nog wel enige toelichting, met name ook
de vraag hoe dit samenhangt met de sterke stijging van het
financieringstekort. In par. 2 ga ik hierop nader in.
Alvorens daartoe over te gaan wil ik in het kort nog even aangeven waarom ik de problemen verbonden met de dek-
king van het financieringstekort – gedeeltelijk zal dit wel
infiatoir gebeuren – niet uitdrukkelijk als toekomstige last
beschouw. Een eerste reden is dat ik me hier beperk tot de
budgettaire lasten. Doch bovendien lijkt mij dat de gevaren
van de infiatoire financiering, voor nu en de komende paar
jaar, worden overtrokken. Als de infiatoire financiering
tot prijsstijging zou leiden, dan zou dat toch vooral moeten gaan via een demand pulI. Welnu, ik zie niet in dat de con-
sumptie sterk zou reageren op een verruiming van de liqui-

diteitspositie. Wél heeft het wellicht enige positieve invloed

op de investeringen, doch gezien de vele andere factoren die
ongunstig op de investeringen werken, zouden we daar alleen
maar blij om moeten zijn. In ieder geval lijkt het hoogst on-waarschijnlijk dat daardoor een ,,boom” in de investeringen

zou ontstaan die via een demand pulI een prijsstijging zou
ontketenen.

Behalve via een demand pull zou de verruiming van de
liquiditeitspositie nog tot een prijsstijging kunnen leiden,

doordat ondernemers tot prijsverhoging zouden overgaan, omdat zij veronderstellen dat de consument in die omstan-
digheden ongevoelig is voor prijsstijging. Ook dat lijkt
irreëel; het veronderstelt dat volgens de gedachtengang van
de ondernemers de liquiditeitspositie een belangrijke varia-
bele is in de consumptiefunctie.

Bovenstaande denkbeeldige gevaren van de inliatoire
financiering veronderstellen bovendien dat door de infiatoire
financiering de liquiditeitspositie in de particuliere sector
aanmerkelijk zou verruimen. Dat is nog maar de vraag, voor-
al in verband met de daardoor opgeroepen afvloeiing van
liquiditeiten naar het buitenland. Wel zou een infiatoire
financiering gevaren inhouden als men het vertrouwen

in de Nederlandse gulden zou verliezen en daardoor de
afvloeiing naar het buitenland extreme vormen zou aan-
nemen. Hierover zal ik niet verder speculeren. Ik wil nu
overgaan tot de vraag, hoe de vergroting van het financie-
ringstekort van het rijk is ontstaan en eventueel weer zou
kunnen worden teniet gedaan.

Hoe ontstaat een vergroting van het financieringstekort van
het rijk?

Dit lijkt een simpele vraag, doch in feite betreft het hier
een ingewikkeld mechanisme, met eigensoortige multi-
pliers, dat weinig wordt onderkend. Om dit te illustreren
start ik met een sterke uitbreiding van de overheidsuitgaven, dat wil zeggen met een uitbreiding die procentueel de trend-
matige stijging van het nationaal inkomen sterk overtreft. Historisch gezien is dit uitgangspunt herkenbaar: het doet zich voor sinds de jaren zestig, doch de laatste jaren heeft
zich hierin een versnelling voorgedaan.

Om de veronderstelde sterke stijging van de overheids-

uitgaven te financieren wordt de druk der collectieve lasten
vergroot. Dit leidt via afwenteling, d.w.z. via verhoging van

de arbeidsinkomensquote, tot arbeidskostenwerkloosheid,

dus tot inkrimping van de marktsector. Dat laat de budget-
sector niet onberoerd. Deze reageert daarop door een

geïnduceerde stijging van overheidsuitgaven. Dat zijn uit-
gaven voor het toegenomen aantal werklozen en WAO-ge-
rechtigden, mogelijk ook voor onderwijs (toenemende be-

langstelling, of opvang van werklozen door verlenging van
leerplicht) of ziekte (toenemende onzekerheid).
Om deze geïnduceerde stijging van de budgetsectorte
financieren wordt de druk der collectieve lasten verder ver-
hoogd. Deze verhoogde druk leidt volgens hetzelfde mecha-
nisme weer tot inkrimping van de marktsector en tot uit-

breiding van de budgetsector enz. Blijkbaar heeft de eerste
stoot een spiraalwerking opgeroepen.

Ondertussen hebben we echter nog maar een deel van de

ESB 27-10-1976

1037

spiraalwerking blootgelegd. Langs twee banen, die beide
lopen via de verhoogde arbeidsinkomensquote, wordt de
spiraalwerking versterkt. Allereerst heeft de toeneming
van de arbeidsinkomensquote ook rechtstreeks gevolgen
voor de overheidsuitgaven. Zij impliceert immers dat de lo-
nen in de marktsector extra zijn gestegen, en dt induceert

extra toeneming van de salarissen en salarisgebonden uit-

gaven in de budgetsector. Dit betreft niet alleen de loon-

voet van de ambtenaren (inclusief militairen en onderwijzend

personeel), maar ook van welzijnswerkers en van personen
werkzaam in de gezondheidszorg en in de culturele sector
(toneelgezelschappen, orkesten). Bovendien nemen ook de

uitkeringen aan AOW-ers en bijstandtrekkers e.d. toe. Dit.
is de tweede, kwantitatief zeer belangrijke, geïnduceerde
stijging van de overheidsuitgaven.

Door de stijging van de arbeidsinkomensquote daalt bo-
vendien macro-economisch de belastingdruk omdat

gemiddeld genomen de marginale belastingdruk voor het
looninkomen kleiner is dan voor het overig inkomen. Om
deze macrodruk op peil te houden, nodig voor de finan-
ciering van de overheidsuitgaven, moet micro-economisch

de druk worden vergroot: de tarieven worden wederom ver-
hoogd. Deze drukverhoging roept via afwenteling en daar-
mee gepaard gaande verdere stijging van arbeidsinkomens-
quote en arbeidskostenwerkloosheid opnieuw en nu voor de
derde maal, een geïnduceerde stijging van de overheids-
uitgaven op.

Langs drie wegen induceert dus een initiële sterke stijging
van de overheidsuitgaven een verdere toeneming van die uit-

gaven, welke toeneming daarna als afgeleide impuls het pro-

ces verder voorstuwt.

Een soortgelijke werking gaat uit van de inkomensnivel-
lering. Voor zover deze betrekking heeft op de primaire in-

komens (centen in plaats van procenten, verhoging mini-
mumloon) leidt dit bij gegeven gemiddelde loonvoetstijging,
tot een vermindering van de belastingopbrengst. Om deze
daling van de macro-economische belastingdruk teniet te
doen dient micro-economisch de belastingdruk te wor-

den verhoogd. Via afwenteling leidt dit weer tot stijging van

de arbeidsinkomensquote en daardoor tot arbeidskosten-
werkloosheid. Daaruit resulteert weer een endogene stij-
ging van de overheidsuitgaven enz., alles verder overeen-
komstig de eerder beschreven spiraalwerking.

Door de bovengenoemde inkomensnivellering, aangrij-
pend bij de primaire inkomensverdeling, vermindert bo-
vendien de financiële prikkel. Dit laatste doet zich ook voor
als de inkomensnivellering zijn aangrjpingspunt vindt in
het budget, hetzij via de overheidsinkomsten (belasting-
progressie, en gezinsbijdragen waarvan de hoogte afhanke-

lijk is van het inkomen, zoals schoolgelden en bijdragen voor

gezinszorg 1), hetzij via de overheidsuitgaven (inkomens-
gebonden subsidies, zoals huursubsidies en bijstandsuitke-
ringen). De vermindering van de financiële prikkels leidt tot een grotere frictiewerkloosheid: de kwalitatieve discrepantie
tussen vraag en aanbod van arbeid wordt maatschappelijk

minder overbrugd 2). Deze hogere frictiewerkloosheid roept
hogere werkloosheidsuitkeringen op. Zij leidt dus eveneens
tot een geïnduceerde stijging van de overheidsuitgaven die

zich daarna als afgeleide impuls in de eerder beschreven
spiraalwerking invoegt.

Bovenstaande mechanismen geven uiteraard een gesty

leerd beeld van de gecompliceerde werkelijkheid. Deze style-
ring is nodig om de grondlijnen bloot te leggen. In figuur 1
zijn zij in beeld gebracht. De cruciale betekenis van de stijging van de arbeidsinko-
mensquote springt daaruit naar voren. Zou deze niet op-

treden of zou deze quote spoedig naar zijn oorspronkelijk

niveau terugkeren, bijvoorbeeld via een gevoelige werking

van de Phillipscurve, dan wordt de spiraal doorbroken.
Wél blijven dan nog de hogere uitgaven wegens de frictie-
werkloosheid.

Ook is duidelijk dat een spiraalwerking eveneens ontstaat
als de arbeidsinkomensquote. niet stijgt via verhoging van

de druk der collectieve lasten, maar door andere oorzaken,

bijvoorbeeld door een ,,boom” van de particuliere investe-

ringen, zoals in de jaren vijftig.

Politiek is van groot belang dat de geïnduceerde stijging
van de overheidssector vrijwel uitsluitend bestaat uit ver-

hoogde uitgaven voor salarissen en inkomensoverdrachten,
alles volgens
bestaande
afspraken en regelingen. De geïn-
duceerde stijging van de overheidssector impliceert dus
niet

dat nieuwe taken worden. geëntameerd. De ruimte daarvoor
wordt alleen maar kleiner.

Het beschreven mechanisme vereist nog een belangrijke

complementering, want het is nog niet duidelijk hoe hieruit nu een financieringstekort voor het rijk resulteert.
Door het beschreven mechanisme komen –
op
den duur
(we schrijven dan inmiddels 1974) – de investeringen onder druk te staan. Een gedeelte van de effectieve vraag valt dus

uit. Daardoor ontstaat voor het rijk de mogelijkheid, en in
het licht van de Keynesiaanse theorie zelfs de plicht, om de effectieve vraag te stimuleren. In. deze richting zal ook een

grote politieke aandrang worden uitgeoefend. Het rijk doet

dat, en financiert die extra uitgavenstijging uit leningen.
Monetair gezien is daarvoor ook de ruimte ontstaan, want het bedrijfsleven doet een geringer beroep op de kapitaal-
markt. Aldus ontstaat de stijging van het financieringstekort
als logische consequentie van het gevoerde beleid. Deze

leningsfinanciering kan de vorm aannemen van een extra
conjunctuurprogramma of – later – een meer definitieve

vorm verkrijgen door opwaartse bijstelling van de structurele
begrotingsruimte.

Voor zover de leningfinanciering niet betrekking heeft

op extra overheidsuitgaven, maar direct of indirect de vorm
aanneemt van lastenverlichting, wordt de beschreven spiraal-

werking er door getemperd. Zolang echter uiteindelijk
de druk van de collectieve lasten niet. daalt – waarbij ik hier
de subsidies aan het bedrijfsleven als negatieve belasting
reken – en de financiële prikkels niet hersteld worden, mag
niet verwacht worden dat de ontwikkeling in haar tegendeel

omslaat. Het financieringstekort blijft stijgen en ook de
werkloosheid.

Inkomensnivellering

Hier ben ik gekomen bij de conclusie die ik onlangs in een
artikel in
de Volkskrant
trok (22 september 1976). Een aan-
tal aspecten zijn nu wat meer expliciet naar voren gebracht.
Allereerst betreft dit het verband tussen het ontstaan van

de toeneming van de werkloosheid enerzijds en van de stij-ging van het financieringstekort van het rijk anderzijds.
Ook is scherper naar voren gekomen dat in ons econo-
misch stelsel zijn gesteld aan het uit de pas lopen van

de overheidsuitgaven. Dit niet omdat overheidsuitgaven
improduktief zouden zijn in de zin van onnuttig; geen be-

hoefte bevredigend, maar omdat de budgetsector uiteindelijk
gefinancierd moet worden uit het inkomen dat in de markt-
sector wordt. verdiend.

Op twee punten van genoemd artikel lijkt echter nog een verdere explicitering gewenst. Dat betreft allereerst de in-

komensnivellering en de daarmee gepaard gaande frictie-werkloosheid, en vervolgens de ontwikkeling naar centra-
lisme en bureaucratie.
Over het verband tussen frictiewerkloosheid en inkomens-nivellering wordt nog nauwelijks gesproken. Ik hoop dat ook
hierover een open discussie mogelijk zal zijn. Om de hier be-

doelde nivellering te meten, zijn Gini-coëfficiënten e.d.
nauwelijks relevant. Die zijn veel te globaal en zitten statis-

tisch te zeer vol voetangels en klemmen. Waar het in dit ver-

Eenzelfde effect hebben inkomensgebonden bijdragen aan zuiver particuliere instellingen.
Voor zover de nivellering aangrjpt bij het primaire inkomen ge-
beurt dit alleen via verminderde mobiliteitvan de werkenden.

1038

Figuur 1. Expansieproces van de hudgetseetor ‘spiraaItverking)

Autonome

Endogene
toeneming
van:

toeneming van:

Overheids-
uitgaven
(quote)

NivelleringH

Frictie-

Druk

Arbeids-

1

1

Arbeidskosten
1

1

Overheids-
werkloos-

collectieve lasten

inkomens-

werkloos-

1

ti

uitgaven
via budget

heid

(micro)

quote

heid

I

(quote)

Nivellering_ – – –
via primaire
inkomens

band om gaat zijn de
nargina/e
verschillen, schoon in de hand
en rekening houdend met alle inkomensgebonden prijzen en
subsidies. Het gaat dus om de kleine stapjes die binnen het

bereik van de individuele werknemer liggen.

Als een werkloze er niet of nauwelijks financieel beter
van wordt als hij gaat werken, dan zullen velen van hen niet
gaan werken, en hetzelfde geldt voor werkverandering. Dit
is niet in strijd met de ervaring dat zeer vele werklozen de

werkloosheid als uiterst pijnlijk ervaren. Wel tekent dit het
individueel-psychologisch conflict: zulk een werkloze kan
geen werk vinden, tenzij op voorwaarden die als onredelijk
en onrechtvaardig worden ervaren. Hij zit dus klem tussen
het gevoel niet te werken en daardoor maatschappelijk uit-
gestoten, overbodig te zijn én het gevoel daar alleen te kun-

nen uitkomen door deze frustratie in te ruilen voor een
andere. Naarmate deze spanning toeneemt in intensiteit en
zich uitstrekt over meer mensen, wordt ze ook maatschappe-

lijk gevaarlijker. Het is de voedingsbodem voor extreme

maatschappelijke reacties. De uitbarsting van een maatschappelijk conflict wordt ook

in de hand gewerkt doordat de nog actieven geïrriteerd ra-
ken over zoveel werklozen, terwijl er tegelijkertijd veel plaat-

sen onbezet zijn of door gastarbeiders worden vervuld. Die
frustratie wordt gevoed doordat zij wel werken – en de
premies betalen – doch financieel nauwelijks beter af zijn

dan de werkloze.
Nu kan men dit afdoen met te zeggen dat de mensen zo

niet moeten zijn. Dat ze ,,omgeturnd” moeten worden. Daar-
over wil ik heel kort zijn. Ik ga er van uit dat omturnen niet
mogelijk is, althans niet in een decennium. Bovendien vraag

ik mij af of dat wenselijk is, althans in het komende decen-
nium. Als de financiële prikkel namelijk niet meer zou wer-

ken, blijft als enig alternatief om het economisch proces te
sturen de dwang over. Hoe zou men anders de kwalitatieve

discrepantie tussen vraag en aanbod willen overbruggen?
Het is immers een illusie te denken dat het mogelijk zou zijn,

dat ieder het werk doet dat hij het liefst doet, en d1t op de
plaats en de tijd die hij prefereert. Daarmede ben ik gekomen
bij de fundamentele keuze waarvoor wij staan.
Waar gaan we
heen?

In
de Volkskrant
trok ik als conclusie dat, naarmate het
duidelijker zal worden dat een sterke stijging van overheids-
uitgaven en het nivelleringsbeleid niet te combineren zullen

zijn met volledige werkgelegenheid, men zal overgaan tot
dwang. Dat is een prognose en bepaald niet mijn voorkeur.
Mijn alternatief is verlaging van de druk der collectieve
lasten en vergroting van de economische prikkels. Dit alter-
natief is niet alleen gebaseerd op het te verwachten herstel
van de werkgelegenheid. Het berust ook op het voorkomen

van de genoemde psychologische spanningen en op mijn
afkeer van centralisme en bureaucratie. Tegelijkertijd ben ik

mij er echter van bewust dat mijn alternatief politiek nauwe-

lijks haalbaar is en ook sociale spanningen zou oproepen. Het
zou ook de omkering inhouden van een historische trend
van een halve eeuw. Alvorens nu in te gaan op de vraag in
hoeverre een omslag in de historische trend te verwachten is,
eerst twee opmerkingen die de ernst van de huidige situatie
accentueren.

Binnen deze trend heeft zich in de afgelopen jaren een

stroomversnelling voorgedaan. Men heeft op de gaspedaal
gedrukt, terwijl men had moeten remmen. Ook dt zou poli-

tiek moeilijk geweest zijn, doch naar mijn gevoelen niet be-

slist onhaalbaar. Veel moeilijker is het echter een op hol
geslagen trend weer te beheersen. Het is in de openbare fi-
nanciën, dus in de politiek, moeilijk weerstand te bieden aan
claims, ook als die op langere termijn tot onbedoelde ontwik-
kelingen leiden, doch het is bijna onmogelijk om een ver-
snelling te stuiten, laat staan in tegengestelde richting om te
buigen. Dan stuit men op verworvenheden die als verkregen
rechten worden ervaren. In termen van het beschreven
mechanisme (zie figuur 1) kan men zeggen dat wat ik daar
als
autonome
verandering heb aangeduid, binnen een groter,
politiek systeem maar in betrekkelijke mate autonoom is.
De politieke marges zijn zeer smal. ,,Vergroten” is moeilijk,

maar niet onmogelijk, vooral als het niet met lastenverzwa-
ring gepaard gaat, doordat deze budgettair naar de toekomst
worden verschoven. Ook het voorkômen van een vergroting

door weerstand te bieden aan claims, ligt nog binnen de mo-
gelijkheden, zolang dit althans wegens de groei van objec-
tieve structuren als bevolkingsgroei geen beperking van het
voorzteningsniveau inhoudt. Terugdraaien is echter heel

moeilijk. En vanwege het gevoerde beleid zou er veel terug-

gedraaid moeten worden: inkomensnivelleringen zouden te-
niet gedaan moeten worden en voorzieningen beperkt,
waarbij dit laatste nog extra wordt bemoeilijkt, doordat te-

gelijkertijd de naar de toekomst geschoven lasten (zie par. 1)
voelbaar worden.

De tweede opmerking betreft de oorzaak van de werk-
loosheid. In het voorgaande ligt besloten dat ik van mening
ben dat de huidige werkloosheid voorkomen had kunnen
worden als tijdig was gereageerd. Dat is echter nakaarten en
voor het toekomstige beleid weinig relevant. Wel is relevant
dat men de huidige moeilijkheden niet in de eerste plaats
wijt aan de internationale conjunctuur. Zij spruiten maar
ten dele voort uit een inzinking van de internationale con-
junctuur, die overigens al ruim een jaar over zijn dieptepunt
heen is. Dat er ook in het buitenland werkloosheid heerst en
deze ook daar hardnekkiger is dan bij voorgaande inzinkin-
gen, komt in niet onbelangrijke mate doordat daar dezelfde
structurele factoren werkzaam zijn als hier, zij het meestal
veel minder sterk.
Nederland zal dus grotendeels op eigen kracht uit de moei-
lijkheden moeten komen. Daar ik vermoed dat men de drie
doelstellingen – expansie van overheidsuitgaven, nivellering
en werkgelegenheid – zal willen realiseren – politiek kan

ESB 27-10-1976

1039

men ook moeilijk anders – resulteert onder de gegeven om-
standigheden het hanteren van dwang welhaast als onont-

koombare consequentie.

Dat is geen natuurnoodzakelijkheid, maar een historische
noodzakelijkheid, en daarmee een waarschijnlijkheid. Welis-

waar kent de historie zijn dialectiek, maar ik vermoed dat
de rampzaligheid eerst sterker ervaren moet worden, voordat
de trend in zijn tegendeel omslaat, dat wil zeggen, voordat

zulk een omslag politiek mogelijk is en ook wordt doorge-
voerd. Daartoe is wellicht niet nodig dat eerst de centralis-
tisch-bureaucratische maatschappij volledig wordt gereali-
seerd. De weg er heen zal namelijk gaan door een dal van
economische stagnatie of teruggang. Dat komt vooral door

dat onze economie zozeer is ingebed in de westerse econo-
miën, met de mogelijkheid ook om activiteiten en kapitaal
naar het buitenland te verplaatsen of althans niet hierheen te

richten.

Misschien ook komt er na verloop van tijd een omslag
doordat de eerder genoemde sociaal-psychologische span-
ningen tot ontlading komen.

Mogelijk ook komt er te zijner tijd een omslag, doordat
de weerstand tegen centralisme en bureaucratie tot ontlading
komt in een volk dat daartegen van ouds een sterke afkeer
heeft getoond.
Mogelijk
…..
ik weet het niet. Het voorspellen van de
omslag, zo die al komt, althans binnen enkele decennia, blijft in hoge mate speculatief. Het is zelfs mogelijk dat

het economische dal en de sociaal-psychologische spanningen
niet tot een omslag leiden, maar juist tot een verdere versnel-

ling van de trend.
Een sprankje hoop dat er toch op korte termijn terugge-

draaid kan worden en het overheidsbeleid in dat opzicht toch

nog enigszins autonoom is, en daarmee een sprankje. hoop

dat de chaos en de dwang voorkomen worden, c.q. terug ge-

drongen, put ik uit het geloof in een open discussie. Dat wil
zeggen een discussie waarin de conclusie uit een betoog niet

als oppervlakkig of onjuist wordt afgedaan, omdat ze on-
aangenaam is. Dat is heel moeilijk. De verleiding is dan zelfs

groot niet op de bal, maar op de man te gaan spelen.
Bij die discussie gaat het om fundamentele zaken. Niet alleen om werkgelegenheid en welvaart, maar ook en uit-

eindelijk om enerzijds gelijkheid en daarmee om solidariteit
en ontplooiingsmogelijkheden voor velen, en anderzijds
om vrijheid en daarmee om individuele verantwoordelijk-

heid en psychisch gezond leven, en dat alles niet in abstracto,
maar in concreto, hier en nu. Aan de spanning tussen gelijk-
heid en vrijheid valt niet te ontkomen, het gaat echter om een

verantwoorde dosering van beide. Hoe die dosering hier en
nu dient uit te vallen, hangt niet alleen af van de concrete
omstandigheden, maar ook van de persoonlijke voorkeur.

Het gaat echter niet aan die spanning te ontkennen.
Ik heb in dit verband gesproken van dwang. Dit niet zo-zeer omdat een individu het altijd oneens kan zijn met een

overheidsbeleid, ook als dat gebaseerd is op de instemming

Twee Joru,nleden in gesprek mei Dr. L. Koopmans (r), plv. directeur-
generaal van de Rijksbegroting.

van een democratisch gekozen parlement. Dat zou ik eerder

als beperking van vrijheid hebben aangeduid. Deze beper-

king is inherent aan elke collectieve beslissing. Ik heb de
meer geladen uitdrukking dwang gebruikt omdat ik spe-
ciaal doelde op overheidsbeslissingen die niet een algemene

regel inhouden, die niet de paden uitzetten, maar op over-
heidsbeslissingen die uitsluitend en rechtstreeks gelden voor
één individu: jij gaat daar werken, jij gaat wel of niet inves-

teren. Dergelijke beslissingen kunnen zeer wel gebaseerd
zijn op een algemene Wet die op formeel democratische wijze
tot stand is gekomen, materieel leiden zij echter tot dwang

en tasten ze naar mijn gevoelen de kern van de democratie
aan.

Zowel de gelijkheid als de vrijheid worden door vrijwel
iedereen in abstracto als ideaal gezien. Niet ontkend kan ech-
ter worden dat
subjectief
achter
beide
idealen ook minder
hooggestemde strevingen schuil kunnen gaan. Zo kan een

streven naar gelijkheid uiteindelijk gebaseerd zijn op vulgair

eigenbelang, op niet minder, willen hebben dan een ander,
op afgunst, gebrek aan initiatief en aan individuele verant-
woordelijkheid. Evenzeer kan het ideaal van de vrijheid de

vlag zijn die de lading moet dekken van eveneens een vulgair
eigenbelang, een meer willen hebben dan een ander, bezits-
drift en egoïsme.

Het lijkt mij dat de discussie uitermate wordt vertroebeld als we ons zelf plaatsen op de hoogte van het ethisch ideaal en wel van één ideaal met miskenning van de spanning tus-
sen beide, en dan.bovendien de tegenstander in het moeras
drukken van het daarmee in dubbele zin contrasterende ne-
gatieve streven, bijvoorbeeld: ik verdedig de gelijkheid en

daarmee de onbaatzuchtige solidariteit en jij wordt gedre-
ven door bezitsd rang en egoïsme, of: ik ben voor vrijheid en
individuele verantwoordelijkheid en jij bent bezeten van af-
gunst en één stuk lamlendigheid.

Ook is de discussie onvruchtbaar als ze impliciet uitgaat
van een heel verschillend mensbeeld en geen rekening houdt

met de concrete economische en maatschappelijke situaties
en processen. Meer concreet en duidelijker geformuleerd
houdt dat o.a. het volgende in. Hoezeer het in de verschillen-

de levensbeschouwingen ook anders geduid wordt – erf-
zonde, licht en duister, gebrokenheid van de mens – er is een
opvallende overeenstemming dat de mens geen duivel is,
maar ook geen engel, zelfs als de omstandigheden ideaal zijn.
Hij die van een andere grondgedachte uitgaat dient dit vooraf

te expliciteren. Ook houdt dit in dat men uitgaat van de
sociaal-economische verhoudingen van nu en de toekomst,
verhoudingen die niet identiek zijn met de armoede en werk-
omstandigheden van de negentiende eeuw. En niet in het

laatst bedoel ik daarmee dat men bij het beoordelen van de
politieke mogelijkheden zich realiseert dat vakbonden en
politieke partijen niet ongevoelig zijn voor gepassioneerde
minderheden. Als tachtig procent van de vakbondsleden
niet tegen een concrete beleidsbeslissing van hun leiding is,
doch zich er verder niet druk over maakt en twintig procent
is er fel tegen gekant, dan dreigt de vakbond vele leden te
verliezen (zeg
10%,
dat zijn er veel) als hij tegen die gepassio-

neerde minderheid in gaat. Daarom zal hij dat niet gauw
doen. Bovendien dient men te bedenken dat zij die effectief
zitting hebben in de beslissingsorganen – de vrijgestelden én
zij die de vergaderingen bezoeken – in hun uitspraken niet
representatief behoeven te zijn voor de gehele achterban.
Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor politieke partijen in
relatie tot haar potentiële kiezers. Ook daar moeten we
,,marginaal” denken.
Ten slotte is de discussie onvruchtbaar zolang ze puur
intellectualistisch is. Tussen kennen en doen ligt een grote kloof. Uiteindelijk willen we allemaal de vierkante cirkel.

Maar politiek is kiezen, zoals ook leven kiezen is.

Een sprankje hoop put ik uit het geloof in een open dis-

cussie
……
maar zij is moeilijk en de tijd schrijdt voort.

,,Terwijl de senaat dëlibereerde, ging de stad ten onder”.

Th.
A.
Stevers

1040

Het herstel

van de winsten
en de ruimte voor

..

de openbare financiën

Enkele cijfers

PROF. DR. J. PEN

Voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis heeft een

kabinet zijn miljoenennota gepresenteerd met de boodschap
dat de winsten te laag
zijn
en dat ze dringend omhoog moe-
ten. Deze opinie werd wel eens eerder vernomen, bijvoor-
beeld in ondernemerskringen; ik herinner me dat al uit de

jaren vijftig. Maar dat een regering er mee komt, is nieuw.
Verleden jaar werd de afremming van de groei van de collec-
tieve sector nog aangeprezen omdat er ruimte moest over-
blijven voor de groei van het reëel besteedbare inkomen –
een strijd tussen consumptie en overheidsbestedingen dus –
en de argumenten in de discussie over deze afruil kwamen er

op neer of de loontrekkers de nullijn al of niet zouden accep-
teren, en of onderwijs beter of slechter is voor de mensen

dan frisdranken. Nu is het argument dat er winst nodig is
voor de investeringen en de werkgelegenheid. Dat een kabi-

net dit duidelijk zegt, getuigt van moed. Er is daardoor een
nieuw element in de politiek geïntroduceerd.

Leemten

Intussen ontbreken er in de diverse regeringsstukken enke-
le dingen. In de eerste plaats hebben we noch in de miljoe-
nennota, noch in de MEV, noch in de nota van het CPB
over
De Nederlandse economie in 1980
een causale verkla-

ring aangetroffen van de gestage winstafbrokkeling. We
vinden wel talrijke aanzetten en aanknopingspunten 1),
maar een poging tot een kwantitatieve analyse ontbreekt.
Het zou interessant zijn te weten hoe de ,,profit squeeze”,

die al sinds 1960 aan de gang is, moet worden toegerekend aan oorzaken zoals oververzadiging met kapitaalgoederen,
verscherpte concurrentie, wegvallen van Europese grenzen,

technologische versnelling en/of vertraging, marktverzadi-
ging, looninflatie, rentestijging, verzwaring van de collectie-

ve lasten, verschuivingen in de internationale arbeidsverde-
ling en.de
internationale recessie. Zo’n kwantitatieve toe-
rekening is niet voorhanden; ook niet, voor zover mij
bekend, in de internationale literatuur, terwijl het hier toch

een internationaal verschijnsel betreft. Eigenlijk is zo’n
analyse nodig om erachter te komen hoe we de winsten weer
op een ,,normaal” niveau terug moeten brengen.

Misschien is dit laatste wel onbegonnen werk, en geldt er,
honderd jaar na Marx, eindelijk een wet van de dalende
winstvoet die onstuitbaar is. Misschien bergt de moderne
democratie wel een machtsverschuiving in zich, die onaf-
wendbaar leidt tot de afbrokkeling en de verarming van de
ondernemingsgewijze produktie – en zulks zonder dat we het
echt willen, dus achter de rug van de mensen om. Als ik het
goed zie is dit enigszins de mening van Stevers, die de gang

van zaken vergelijkt met een Grieks treurspel
(de Volkskrant

van 22 september jI.). Zo fatalistisch ben ik niet, maar het

is hier niet de plaats om die mening enigszins aannemelijk te

maken. Mijn beperkte optimisme komt erop neer, dat men
zal gaan inzien, dat winstherstel een voorwaarde is voor
iedere vorm van economische politiek, een linkse politiek
daaronder begrepen. Ik weiger te geloven dat progressieve

mensen met blindheid zijn geslagen, maar kan dit geloof
hier niet gaan adstrueren. Ook een poging tot kwantitatieve
toerekening van de winstdaling aan haar oorzaken moet hier

achterwege blijven – misschien komt dat later nog wel eens.
Het blijft een fascinerend verschijnsel.

Liever wil ik proberen een andere leemte te vullen. De
diverse regeringsstukken zijn niet geheel expliciet, als het

erop aankomt het macro-economische winstpeil aan te ge-

ven, dat vereist is om de ondernemingsgewijze produktie
behoorlijk te laten draaien. Marshall sprak over ,,normal
profits”, maar we weten niet hoe hoog die precies zijn. Dat
is jammer, want alleen als we een indruk hebben van de
vereiste rendementen, of van de vereiste winstquote in het

nationale inkomen, of van de maximale waarde van de AIQ,
kunnen we beoordelen hoe zwaar de taakstelling is die het
kabinet zich zelf (of liever: de toekomstige kabinetten) heeft
opgelegd. Dan pas kennen we het kader, waarbinnen de
begrotingspolitiek in de komende jaren moet opereren. Dit

kader lijkt mij nauwer dan uit de regeringsstukken blijkt. Als we expliciteren wat er aan winst nodig is, komen we licht tot

de conclusie, dat de één-procentsnorm best eens te optimis-
tisch kan zijn. Het spreekt vanzelf dat onderstaande opmer-
kingen over dit vereiste winstpeil uitermate tentatief zijn, en
weinig anders beogen dan de gedachten te ordenen. Maar er zijn, zoals zal blijken, drie methoden om het vereiste winst-
peil op het spoor te komen, en zij wijzen alle drie in dezelfde
richting.

Vereist winstpeil

De drie methoden zien er als volgt uit. De eerste neemt
een gewenste groeivoet van het reële inkomen als startpunt,
koppelt deze groeivoet via een kapitaalcoëfficiënt aan een
vereiste investeringsquote, om vervolgens te komen tot een
daartoe benodigd peil van de ingehouden winsten, om zo te
eindigen bij de vereiste winsten (als percentage van het

1) Bijvoorbeeld in
De Nederlandse economie in 1980;
daar is zeer
veel materiaal bijeengebracht over rendementen, investeringen,
kapitaalcoëfficiënten e.d. Als het over de metaalindustrie gaat (blz.
291 e.v.) wordt de winsterosie inderdaad uit een aantal oorzaken ver-
klaard. Daaronder is echter de stijgende arbeidsinkomensquote –
en waar zou die dan weer vandaan komen?

ESB 27-10-1976

1041

inkomen van de sector bedrijven). De tweede methode is
micro-economisch van opzet, en gaat uit van de norm dat
het bedrijfsvermogen ten minste een rendement moet op-

brengen dat gelijk is aan de rentevoet plus een risicopremie.

De derde methode knoopt aan bij het feit, dat de winsten in
Nederland sinds 1960 vrij continu zijn gedaald, terwijl er

tegelijkertijd ongewenste gevolgen zijn opgetreden. Daarom kunnen we in de recente geschiedenis teruggaan om een jaar

te vinden, waarin de performance van de Nederlandse eco-

nomie nog redelijk goed was. De coëfficiënten uit dat jaar

(zoals de rendementen, de winstquote, de AIQ, de druk van de collectieve lasten op de winsten) kunnen dan een zekere

aanwijzing geven waar we naar toe moeten. Alle drie metho-
den hebben hun pro’s en hun contra’s, die hier niet uitvoerig kunnen worden besproken.

De eerste methode (een vereenvoudigde variant van
A. Wood’s
A
theory of proflis,
1975) gaat als volgt. Noemde
gewenste groeivoet van het nationale inkomen y en de kapi-

taalcoëfficiënt g. De vereiste investeringsquote in het natio-
nale inkomen i is dan g.y. Stel dat de ondernemingen alleen

willen investeren als er een percentage r van de nieuwe activa
wordt gefinancierd uit winstinhouding. Noem de belasting-

druk op winsten t. Dan geldt, dat het winstaandeel in het

nationale inkomen, dat vereist is om de groei te realiseren,
gelijk is aan

ng

1-t

De parameters van deze uitdrukking zijn slechts bij bena-
dering bekend. De kapitaalcoëfficiënt in de sector bedrijven
mag misschien op 3 worden gesteld. (Dit is laag; in
De
Nederlandse economie in 1980
worden waarden vermeld tus-
sen 3,6 en 4,6 , maar deze slaan op jaren met een hoge groei.
Bij matige groeicijfers kan de coëfficiënt misschien wat lager
uitvallen). De belastingdruk op winsten ligt wellicht in de
orde van grootte van 0,5, al is zij voor kleine bedrijven wel
eens wat lager; daarentegen wordt zij opgestuwd door het

feit dat de fiscus niet met de vervangingswaarde werkt. Het
vereiste reserveringspercentage r (ingehouden winst gedeeld

door investeringen) loopt uiteen voor diverse ondernemin-

gen; om de gedachten te bepalen zouden we het op 0,8 kunnen

stellen. Dan komt de uitdrukking
f!
op 4,8 terecht. Dit wil
1-t

zeggen, dat het winstaandeel in het inkomen van bedrijven
4,8 maal zo groot moet zijn als de gewenste groeivoet. Stel-

len we deze laatste, met de miljoenennota, op 3,5% dan
brengt dat de vereiste winstquote op bijna 17% van het inko-
men van bedrijven. Het lijkt een minimum, want zowel g als
t zijn aan de krappe kant gehouden. Natuurlijk kan de 17%
lager uitvallen als we de gewenste groeivoet lager stellen, als
het gewenste percentage r lager uitvalt, of als de belastingen op winsten worden verlicht.
Bij deze 17% moeten enkele aantekeningen worden ge-

maakt. Ten eerste berust het streefcijfer op de eisen, die
ondernemers stellen ten opzichte van de financiering van

nieuwe investeringen. Deze eisen kunnen veranderen, bij-
voorbeeld, wanneer het ondernemen een veiliger bezigheid
wordt. Daar ziet het weliswaar niet naar uit, maar wie

maatschappijhervorming beoogt, heeft hier een aangrij-
pingspunt. Subsidiëring van verliezen door de overheid kan
helpen. (Maar de VAD werkt, in deze gedachtengang, de ver-
keerde kant op.)

Vervolgens zijn de investeringen gerelateerd aan de groei,

niet aan de werkgelegenheid. We hebben de netelige kwestie

van diepte- versus breedte-investeringen omzeild, terwijl
dit toch een politiek punt van de eerste orde gaat worden.

Maar dit staat enigszins los van de investeringsquote – bin-
nen die quote kan men proberen verschuivingen aan te bren-
gen in groeibevorderende of werkgelegenheidsbevorderende
investeringen.

Ten slotte is te bedenken, dat we geen rekening hebben

gehouden met de wensen van de aandeelhouders en met de
consumptie van zelfstandigen. De aandeelhouders kunnen

we vrij goedkoop tevreden stellen – in de loop van de afge-

lopen decennia is gebleken dat zij bereid zijn, met 1% van het
nationale inkomen genoegen te nemen, zonder dat er iets mis

gaat met de groei. Met de consumptie van zelfstandigen is
het moeilijker gesteld. We zouden kunnen aannemen dat

deze consumptie plaatsvindt uit het arbeidsinkomen, dat het

Centraal Planbureau hun toerekent. Het gaat daarbij, in
1975, om ruim 700.000 werkende mensen (middenstanders,

boeren, vrije beroepen) waarvan het arbeidsinkomen mis-
schien op f. 20 mrd. gesteld mag worden; dat is ca. 13% van

het inkomen van bedrijven. (Hier zit natuurlijk een aan-

knopingspunt voor het beleid; bij de vrije beroepen kan een inkomensbeleid zoden aan de dijk zetten. Bovendien neemt

het aantal zelfstandigen af. In 1980 wordt het op 635.000
gesteld). In totaal vinden we een streefcijfer, inclusief

gereserveerde winsten, van ruim 30% van het inkomen van

bedrijven. Dit is dus wat nodig is om de financiering van de
groei te waarborgen bij gegeven aanspraken van aandeel-
houders en consumerende zelfstandigen.

Een quote van 30% is duidelijk meer dan er thans naar de
zelfstandigen en de vennootschappen toevloeit. In Fiet jaar

1975 was het aandeel van al deze groepen te zamen slechts

20%. Vergeleken bij dit slechte jaar moet dit kengetal met
50% omhoog. Het arbeidsaandeel in de sector bedrijven 2)
vertoont hiervan het spiegelbeeld; het stond op 80% en moet

terug naar 70%. Dat is een verlaging met meer dan 10%.

De bezwaren van deze methode springen overigens duide-
lijk in het oog. De parameters g, ren t zijn uit de losse hand
ingevuld. De schatting van het arbeidsinkomen van zelf-
standigen is zeer grof. Dat het resultaat toch nog klopt met

de Nederlandse werkelijkheid, dat wil zeggen met hetgeen we
hierna vinden, mag wel een wonder heten. Maar de methode

heeft het voordeel, de dingen op een rijtje te zetten, en te
laten zien wat we eigenlijk beogen met het winstherstel.
Namelijk, het scheppen van eigen vermogen voor de onder-
nem i ngen.

Bovendien laat deze benadering zien, dat we ook de
belastingdruk t als instrument kunnen hanteren om het ge-

wenste doel te bereiken. Als we namelijk het aandeel der
zelfstandigen op het te lage peil van 20% houden (waar het in 1975 op stond), als we vervolgens onderstellen dat het te lage

peil van deze quote goeddeels bij de winsten zat, zodat de

pure winstquote geen 17% was maar bijv. 13% en als we nu
toch een voldoende investeringspeil willen bereiken om 3,5%

groei te halen, dan moeten we de coëfficiënt

terugbren-
1-t
gen van 4,8 tot 3,7. Bij een waarde van g = 3 en r= 0,8 komen
we dan op een toelaatbare belastingdruk van
33%.
In ons ge-
val was deze op 50% gesteld, en de druk moet dus naar be-
neden met één derde als we, bij constante inkomensverdeling,
de investeringen weer op gang willen brengen. Het zijn maar
rekenvoorbeelden, maar zij leggen toch samenhangen bloot;
in dit geval het alternatieve karakter van twee beleidsinstru-
menten, te weten de loonpolitiek en de belastingpolitiek. De
redenering wijst erop, dat als we er niet in slagen het loon-

aandeel te verlagen, de belastingen naar beneden zullen
moeten. Het lijkt me de moeite waard, deze conclusie te
onderstrepen. Of zij in vakbondskringen goed zal vallen,
mag worden betwijfeld.
Dit alles betrof de methode, waarbij we uitgaan van de ge-
wenste groeivoet en waarbij we winsten zien als de prijs,
die we voor die groei moeten betalen.

2) Niet: de AIQ. Deze stond in 1975 op ruim
96%.
Een streefcijfer
voor deze coëfficiënt komt hieronder ter sprake. Het arbeidsaandeel
heeft betrekking op inkomens uit arbeidsovereenkomst. De AIQ
is eigenlijk een heel -vreemd kengetal – het kan boven de 100%
stijgen. In Japan was dat, in de jaren zestig, ook het geval.

1042

Bedrijfseconomische methode

De tweede methode is bedrjfseconomisch van aard. Zij gaat uit van het rendement op het totale bedrjfsvermogen en vergelijkt dit met een of andere normatieve grootheid,

bijvoorbeeld de kapitaalrente op risicovrj vermogen plus een
risicopremie van zeg twee procent – bekende getallen uit de

voorgestelde VAD-regeling. t-let is overduidelijk, dat in 1975
en 1976 de meeste ondernemingen in de verte niet aan dit ren-

dement toekwamen. Maar dat was eerder ook al zo. Volgens

het CPB daalde het gemiddelde rendement, v66r belastingen,
van bijna 9% in het begin van de jaren zestig, via ongeveer

6% aan het begin van de jaren zeventig tot een procent of 4
aan de vooravond van de recessie van 1974, om daarna ver-
der in te zakken.
De rendementen na belastingen waren ruim 5% in 1960,
bijna 3,5% in 1970 en daarna nog lager. Het gaat hier om
reële rendementen, die vergeleken moeten worden met de
reële rentevoet: het verschil tussen nominale rente en geld-
ontwaarding. De reële rentevoet was in het begin der jaren
zestig nog twee â drie procent; er bestond toen een positief
verschil tussen het rendement en de rente, waaruit inder

daad een risicopremie van ruim 2% resulteerde. In 1970 was

de nominale rentestand 8,2% en de prijsstijging
4,5%;
de
reële rente bedroeg 3,8%, hetgeen hoger was dan het rende-

ment op bedrjfsvermogen. De risicopremie werd niet meer

verdiend, en begon veeleer negatief te worden. In de daarop-
volgende jaren wordt de redenering bemoeilijkt doordat de

nominale rente sterk oploopt, maar niet genoeg om de geld-
ontwaarding bij te houden. De negatieve reële rentevoet doet

zijn intree, en dat is geen verschijnsel om vergelijkingen

op te baseren. Tegelijk daalde de rentabiliteit na 1972 sterk
door de oplopende invoerprijzen en de recessie. Verliezen
werden meer en meer inheems, en het is duidelijk dat we van
die toestand af moeten. Ook de negatieve reële rente zal
waarschijnlijk geen stand houden.
Wij zien dus, dat de winst, in de zin van een surplus boven
de kosten van de vermogensvoorziening, in de loop van de
jaren zestig tot nul is gereduceerd, en dat de overwinst macro-
economisch reeds na 1970 negatief begon te worden. Het
totale winstpeil, in de zin van een surplus boven de kosten
(inclusief de kosten van de vermogensvoorziening en een

risicovergoeding) was voortdurend laag.

Deze conclusie stemt overeen met die van W. Nordhaus

voor de Verenigde Staten die de hele naoorlogse periode
onderzocht. Hij vindt nauwelijks enig macro-economisch
surplus boven de ,,costs of capital”, en vraagt zich met
verbazing af waar de winsten van de snelle groeiers (compu-

ters, olie e.d.) eigenlijk zijn gebleven zeker gecompenseerd
door verliezen in andere bedrijfstakken? 3) En kan het kapi-
talisme draaien zonder winst? Nordhaus gelooft dat de winst
zich wel weer zal herstellen, maar hij weet het ook niet zeker.
De lage rentabiliteitscijfers die het CPB voor Nederland
uitrekent zijn overigens voor een deel ontstaan door het toe-

kennen, op papier, van arbeidsinkomens aan zelfstandigen,
terwijl deze mensen die CAO-lonen in vele gevallen niet heb-

ben gehaald. Er bestaan vermoedens dat 25% onder het
minimumloon zit. We kunnen dan ook zeggen dat de verlie-
zen, die er na 1970 geleden werden, voor een deel bijgepast

zijn uit de arbeidsinkomens; welke normatieve conclusies
men daaraan wil verbinden, valt echter niet zonder meer te
zeggen. Sommigen zullen geneigd zijn tot de opvatting dat

die arbeid op de verkeerde plaats wordt aangewend en maar
een ander emplooi moet zoeken. Maar deze visie verliest aan
kracht in een periode van stijgende werkloosheid – er is dan
geen alternatief, en het voortduren van de verliezen kan ertoe
leiden dat kleine bedrijven worden gesloten waardoor het
aantal werklozen toeneemt. Dit proces is al jaren aan de
gang. Ook hier geldt dus, dat economisch herstel wel degelijk
een verbetering van de rentabiliteit vergt; dit argument kan
niet worden weerlegd door te wijzen op een eventuele mis-
allocatie van arbeid.

Naast de sombere winstcijfers van het CPB beschikken

wij over wat minder zwartgallige uitkomsten van een on-
derzoek, verricht door J. Snijder. (Winstinhouding en winst-

uitkering,
Maandschr,fi Economie,
juni/juli 1976) Hij ver-
zamelde de winstcijfers, over de periode 1962-1971, van 34

naamloze vennootschappen, waarvan de aandelen ter

beurze zijn genoteerd. Zij vertegenwoordigen slechts 14%

van de beurs-nv’s, maar tevens bijna driekwart van het
vermogen van deze ondernemingen, Snijder vond een ge-

middelde rentabiliteit over het eigen vermogen van 8,7%.

Dit lijkt aanzienlijk hoger dan de uitkomsten van het

CPB, maar te bedenken valt dat het hier niet om een reëel,

maar om een nominaal rendement gaat, dat dus vergeleken
moet worden met de nominale rentevoet. Deze laatste be-
droeg, gemiddeld, ruim 6%. Over de hele periode werd dus
een risicopremie van 2% verdiend, maar aan het begin van

deze periode was deze hoger, en daarna lager. Aan het eind
van de jaren zestig was het surplus waarschijnlijk verdwenen
door de schaarbeweging van dalende winsten en oplopende
rente. Niettemin komt Snijder wel wat gunstiger uit dan het
CPB, omdat hij een selectie van grote ondernemingen heeft
onderzocht. In beide gevallen zijn er echter indicaties van
een negatieve overwinst bij het inzetten der jaren zeventig.

Deze methode, waarbij het rendement wordt vergeleken
met de rentestand, roept voor Nederland dezelfde verbazing
op die Nordhaus voor Amerika ten deel viel – en in sterkere

mate, want het surplus was bij ons na 1970 vrij stellig nega-

tief. Dit doet de bekende vraag rijzen, waarom ondernemers
doorgaan met investeren terwijl de spaarbank meer rente

geeft dan het eigen bedrijf. Er zijn diverse antwoorden
mogelijk – hoop op betere tijden, de macht der gewoonte –

maar het meest overtuigende antwoord ligt bij het jaar-

gangenmodel: het bedrijfsvermogen rendeert gemiddeld
slecht, maar op de nieuwste jaargang wordt nog wel vol-
doende verdiend. Juist omdat oude machines door de loon-

inflatie versneld worden afgestoten, moet de onderneming
wel blijven investeren om te blijven bestaan. Dit is even-
wel een gewrongen situatie. Hoe schadelijk ze is voor de
werkgelegenheid hebben Den Hartog en Tjan laten zien;
door de kloof tussen het rendement op de nieuwste en de

oudste machines wordt relatief veel arbeid afgestoten. Met

andere woorden, het feit dat de investeringen nog op een

hoog peil lagen, aan het eind van de jaren zestig, bewijst
geenszins dat de situatie toen gezond was. De rendements-
cijfers wettigen het tegengestelde vermoeden. De bedrijfs-
economische methode komt dus tot de conclusie, dat er
ergens iets is misgegaan, en dat dit aan het begin van de jaren

zeventig eigenlijk al uit de cijfers bleek.

Terug tot 1970

De derde methode zoekt dan ook naar het laatste jaar,
waarin de zaak nog betrekkelijk goed liep. Op grond van het

bovenstaande komen we, op zijn laatst, terecht in 1970. De
produktie groeide toen nog met 6%, de investeringen waren

12% hoger dan in 1969, de export steeg qua volume met 15%.
De werkloosheid was, als we op de geregistreerde arbeids-

reserve afgaan, bijzonder laag: 50.000. Het was een goed jaar.
Maar toch borg het reeds de kiemen in zich van wat later
openbaar zou worden. De looninflatie draaide al jaren op

volle toeren, met bijna
13%,
en de groei stond op het punt

te verflauwen. Ook de versnelde afstoot van oude jaargangen
was al een paar jaar gaande, en de werkgelegenheid was al

aan het stagneren. Dit laatste werd, zoals nu bekend is, aan
het oog onttrokken door verhoogde onderwijsparticipatie
en hogere ziektecijfers. We mogen dus zeker niet een later
jaar kiezen dan 1970— sommigen zullen zeggen dat het toen

3) W. Nordhaus,
The falling share of proflis,
Brookings papers on
economic activity, 1974.

ESB 27-10-1976

1043

al te laat was 4). Ook hier geldt weer dat we de coëfficiënten

die we aan 1970 ontlenen, kunnen beschouwen als minima.

Welnu, de arbeidsinkomensquote stond in 1970 op ruim

83% (exclusief aardgas, woningexploitatie enz.) Voor 1975

op
96%.
Voor 1977 is deze coëfficiënt geprogrammeerd op

93,6 en voor 1980 op 87. Dat lijkt dus allemaal te hoog.
Vergeleken bij 1977 zal de AIQ met bijna 10% omlaag

moeten. Dat klopt met de vereiste daling van het arbeidsaan-
deel, die we hierboven als resultaat van de eerste methode

hebben gevonden.

Maar daarmee zijn we er niet. In 1970 bedroeg de totale

druk van belastingen en sociale premies nog 45% van het
nationale inkomen; voor 1977 wordt deze quote gesteld op
53,1 en voor 1980 op 53,5.
(De Nederlandse economie in
1980).
Die verflauwende stijging vereist, naar van alle kanten

wordt verzekerd, een geweldige krachtsinspanning. Som-
mige politieke commentatoren verwerpen bij voorbaat een

lagere uitkomst dan de huidige, hetgeen wil zeggen dat er

politieke weerstanden zullen rijzen als we de collectieve

sector werkelijk zouden terugdringen. Nu is het natuurlijk
allerminst zo, dat we ook in dit opzicht naar het percentage

van 1970 terug moeten. Het gaat immers om de druk op de

winsten, en niet om de druk op het totale inkomen. Het is
denkbaar, dat de collectieve druk toeneemt, maar dat daar-
binnen de winstbelasting wordt verlicht. Toch lijkt dit een

onwaarschijnlijke gang van zakerf. Het verleden heeft immers
een reeks van afwentelingsprocessen te zien gegeven, waarbij

telkens het inkomen van een aantal zelfstandigen de uitein-
delijke last te dragen kreeg. In welke mate dit het geval is

weten we niet – zie hierboven, waar werd opgemerkt dat we

niet beschikken over een kwantitatieve analyse van de
,,profit squeeze”. Maar dat een aantal ondernemingen de
lastenstijging van 45% naar
53%
zeer toegespitst heeft ge-voeld, staat wel vast, en een verdere verhoging van deze druk
is dan ook slecht te rijmen met winstherstel. Veeleer lijkt

het waarschijnlijk dat een verdere stijging van de collectieve

lasten gecompenseerd moet worden door een extra daling
van de AIQ en het arbeidsaandeel boven de reductie van 10%.

Het enige alternatief om 4an dit dilemma te ontsnappen

zou zijn: een afzonderlijke, gerichte bevoordeling van de
ondernemingen, hetzij door een verlaging van de ven-

nootschapsbelasting en de inkomensbelasting op winsten
(hetgeen zou kunnen gebeuren door de vervangingswaarde

als fiscale grondslag te aanvaarden), hetzij door investerings-

subsidies. De regering is thans bezig, de laatste weg op te
gaan. Maar als de ,,investeringsrekening”, zoals de nieuwe

naam luidt voor een nieuw begrotingsfonds, inderdaad de
compensatie gaat leveren voor een te geringe daling van de
AIQ of een te sterke stijging van de collectieve lasten,

kunnen we nog merkwaardige dingen beleven: een formi-
dabele opzwelling van de via deze rekening lopende bedra-

gen. Ook de loonsubsidies zullen dan oplopen. Het start-
bedrag van in totaal f. 2,5 mrd, waaraan nu gedacht wordt,
komt dan voor verveelvoudiging in aanmerking, en het is de

vraag of de politieke implicaties van zo’n geldstroom vol-

doende doordacht zijn. Wie tegen winstvergroting is, zal ook
het uitdelen van miljarden aan ondernemingen kritisch be-
zien – subsidies lopen nog meer in de gaten dan positieve
saldi op de verlies -en winstrekening. Maar de critici van

zo’n bevoordeling van de ondernemingen moeten bedenken,
dat deze ,, bevoordeling” nodig wordt door een te hoog ar-

beidsaandeel. Als we met de AIQ te weinig bereiken, zal op
andere fronten des te meer moeten worden uitgericht om de
zaak draaiende te houden.

Verlaging collectieve last op winsten

De drie benaderingswijzen van het gewenste peil van de

winsten leveren min of meer dezelfde conclusie op, die kan
worden samengevat als: terug naar 1970 wat de winstquote,
de rendementen en de AIQ betreft; en liever een verlaging

dan een verhoging van de collectieve last op de w’insten. Dit

ziet er reactionair uit, en om deze indruk enigzins weg te
nemen nog enkele slotopmerkingen.

In de eerste plaats staat hier niet, dat iemands reëel in-

komen tot 1970 moet worden teruggeschroefd. Integendeel,
er staat dat, bij ontstentenis van winstherstel, een aantal

inkomens tot beneden het peil van 1970 zal dalen. Wat terug
moet komen is niet het reële inkomen van toen, maar het

functioneren van de ondernemingsgewijze produktie, zulks
ten bate van de werklozen en van degenen die hun reële in-

komen willen zien stijgen. En op den duur ook: ten bate van
de collectieve bestedingen. Het gaat om het herstel van co-
efficiënten, opdat de niveaus die de welvaart bepalen, kun-
nen blijven stijgen.

In de tweede plaats wijzen de voorgaande beschouwingen

niet speciaal naar het zittende kabinet als de schuldige.

Reeds in 1970, of eerder, zijn we door het evenwicht heen-
geschoten. Sinds 1973 zijn nog een aantal internationale
tegenslagen gevolgd, allemaal genoegzaam bekend, waar het

huidige kabinet ook weinig aan kon verhelpen. In het licht

van de reeds zeven jaar te kort schietende winsten had eigen-

lijk een nog slechtere afloop voor de hand gelegen – reden

om thans de bakens te verzetten, en het kabinet wijst dan
ook op die noodzaak.

Ten slotte heeft U mij niet horen zeggen dat de nivellering
de oorzaak is van de huidige moeilijkheden. Integendeel,

voor zover een gelijkmatiger verdeling optreedt binnen de
loon- en salarisopbouw brengt ze waarschijnlijk een betere
arbeidsmarktaanpassing naderbij, waardoor het niveau van
de werkloosheid daalt. Er valt nog heel wat te nivelleren,

ook bij de inkomens van de vrije beroepen, zonder gevaar voor stagnatie, werkloosheid of wat dan ook. Het vereiste

winstherstel zal voor een deel nivellerend werken, namelijk
voor zover het kleine zelfstandigen en boeren dichter bij het
gemiddelde inkomen brengt, en voor zover het verliezen op-

heft. Maar uiteraard zullen ruimere winsten hier en daar tot

grotere inkomensongelijkheid leiden – wie dat niet wil, blok-
keert niet alleen de weg naar economisch herstel, maar ver-

kleint ook de ruimte voor de openbare financiën. Een zekere
spreiding via de VAD kan het bezwaar verzachten, mits we

daarbij niet het onderste uit de kan willen halen, want dan
gaat de VAD de verkeerde kant op werken
5).
Voor degenen die graag denken in termen van een progres-

sieve politiek kan de conclusie uit het bovenstaande ook zo worden geformuleerd. Herstel van de winsten betekent niet
noodzakeljkerwijs het einde van een progressief beleid.

Maar omgekeerd geldt wel dat aanhoudende winstdeficiëntie

een volstrekte belemmering vormt voor een vergroting van

de collectieve sector, het terugdringen van de onvrjwillige
werkloosheid, en het verhogen van de inkomens der laagst-

betaalden. Als het te lage peil van de winsten blijft aan-

houden valt te vrezen dat de overheidsbestedingen besnoeid
moeten worden op een manier, die veel verder gaat dan de
één-procents-operatie. Linkse wensen raken dan meer en

meer in de knoei. Een progressief beleid heeft een voldoende
winstniveau als voorwaarde 6).

J. Pen

Op blz. 74 van
De Nederlandse economie in 1980
wordt de om-buiging in de investeringen gelokaliseerd in 1967. Maar daarna isde
investeringsquote nog opgelopen; dit kan weliswaar andere oor-
zaken hebben dan de winstontwikkeling (vraagimpulsen, aardgas
enz.)
En natuurlijk behoeven niet
alle
hoge winsten geaccepteerd te
worden. Er bestaan ook nog een Prjzenwet en een Wet Economische
Mededinging om onaanvaardbare ontwikkelingen in speciale be-
drijfstakken mee tegen te gaan. Ik zeg het maar voor de slechte
verstaander.
Wie van mening mocht zijn dat hier niets is gezegd over beleids-
instrumenten heeft niet tussen de regels gelezen. Daar staat dat de
problemen zonder inkomenspolitiek onoplosbaar zijn. De één-
procentsnorm is alleen maar een haalbare kaart als er een straffe
loonpolitiek wordt gevoerd. Met een slappe loonpolitiek is één
procent te veel. Zonder loonpolitiek komt de overheid op minus
x% terecht; hoe hoog x is hangt af van de werkloosheid die we tole-
reren.

1044

De rijksuitgaven,

andere dan die voor

sociale voorzieningen

DR. W. DREES

Drie soorten overheidsuitgaven

Men kan overheidsuitgaven, excl. die van overheidsbedrij-

ven splitsen in drie groepen:

• Collectieve goederen, d.w.z. goederen die, als ze worden

verschaft, voor iedereen in een bepaald gebied werken,
zoals vuurtoren, zeedijk, defensie, algemeen bestuur (mcl.

buitenlands beleid en ontwikkelingshulp);

• De verschaffing beneden kostprijs (of gratis) van indivi-

duele goederen, ,,splitsbare goederen”, d.w.z. goederen
waarvan de verschaffing kan worden beperkt tot degene
die er een prijs voor betaalt (of een rantsoen toegewezen
heeft gekregen). De verschaffing (produktie) kan plaats
vinden door een particulier bedrijf met overheidssubsidie.

Voorbeelden van individuele goederen zijn onderwijs,
woning, curatieve gezondheidszorg, grond, boek en goede-
ren en diensten die door het bedrijfsleven worden gepro-

duceerd zoals transport, voedsel, kleding en energie;

• Inkomensoverdrachten, d.w.z. het geven van geld zonder

rechtstreekse tegenprestatie. Belastingen zijn overdrachten

door de burgers aan de overheid.

1 nkomensoverdracht of consumptiesubsidie

Prof. Wolfson bespreekt de bijstand (sociale voorziening

in enge zin) én de sociale verzekeringen. Dit zijn overdrach-

ten in geld. De verschaffing van medische diensten neemt
een aparte plaats in. Er zijn andere uitgaven die men als
inkomensoverdracht kan beschouwen, bijv. huursubsidies,
studietoelagen, vroeger de consumptiesubsidie op melk.

Deze subsidies worden verstrekt als men een bepaalde be-

steding verricht, echter zonder dat men een prestatie aan de
overheid levert. Dient men huursubsidies te beschouwen als
een inkomensoverdracht of als het subsidiëren van een
consumptie? Leidt de uitgaaf tot consumptie van een artikel
die anders achterwege zou zijn gebleven, dan is het de ver-

schaffing van een individueel goed beneden de kostprijs.
Leidt de uitgaaf tot ruimere bestedingsmogelijkheden voor
andere artikelen zonder dat de ontvanger zijn consumptie
van het gesubsidieerde artikel wijzigt, dan is het een inko-
mensoverdracht. In economen-jargon uitgedrukt: subsidies

voor eerste levensbehoeften of andere goederen met lage
elasticiteit van de vraag zijn inkomensoverdrachten. Zo

werd de consumentensubsidie op melk
niet
verstrekt ter be-

vordering van de consumptie van melk, maar ter verlichting

van de problemen van mensen met lage inkomens. Het feit dat huursubsidies en studietoelagen negatief zijn
gekoppeld aan het inkomen leidt er toe dat ze een werking
hebben die verwant is aan de werking van heffingen zoals
inkomstenbelasting of sociale premies. De bijdragen in de
tekorten van openbare vervoersbedrijven hebben ten dele

(elasticiteit is -0.3) het karakter van inkomensoverdracht, in

hoofdzaak dat van verschaffing van openbaar vervoer.
De statistische definities van ,,inkomensoverdracht” zijn

onbruikbaar. Zie bijv. bijlage 7 (blz. 109) van de
Miljoenen-

nota
1976. Onder inkomensoverdrachten wordt ook de be-

taling door het rijk van bijzonder onderwijs verstaan. Ook
ontwikkelingshulp en de bijdrage in de kosten van de
Europese Gemeenschap worden door het kabinet als ,,in-komensoverdrachten” geboekt op grond van een juridisch
criterium (besteding door een andere rechtspersoon dan het

rijk).

De groei van de uitgaven betreft allereerst de overdrachten

Blz. 42 van de
Miljoenennota
1977 vermeldt.,, De groei

van de collectieve sector is niet zozeer bestemd voor een
groeiend direct beslag van de collectieve sector op produktie-

middelen, doch vooral voor een groei van de inkomensover-drachten, in het bijzonder op het terrein van de sociale voor-

zieningen”.

Bijlage 14 bij de nota bevat een overzicht van de gehele

overheid inclusief gemeenten en sociale verzekering. Van
1960 tot 1975 namen de uitgaven uit hoofde van sociale

verzekering toe van 9% van het nationale inkomen tot
22.5%.

De andere overheidsuitgaven stegen van 27% naar 38%,
waarin een forse stijging van de bijstandsuitgaven is be-

grepen.
Een andere juridische regeling kan het peil van belastingen

en van overdrachten verhogen of verlagen zonder dat er ma-terieel iets verandert. Zo zijn de investeringsaftrek en inves-
teringssubsidie aan elkaar verwant. Bij belastingheffing is de
materie in de wet geregeld en zijn aanslagen vatbaar voor
beroep bij de onafhankelijke rechter. Bij subsidies domineert

een regeling door een bewindsman.

De collectieve goederen zijn stabiel

De harde kern van de overheidstaak bestaat uit de ver-

schaffing van collectieve goederen. Ook in een periode met
weinig overheidsbemoeienis worden deze taken verricht.

Rente kan hiertoe worden gerekend, behalve voor zover het

leningen betreft die zijn gesloten ten behoeve van de finan-

ciering van rendabele individuele goederen (PTT, woning-

bouw).
Ambtelijke salarissen behoren tot de collectieve goederen voor zover de ambtenaren in die sector werkzaam zijn. Ver-
hoging van ambtelijke salarissen heeft op de economie de-
zelfde invloed als verhoging van overdrachtsuitgaven. Aflossingen hebben géén economische betekenis. De ont-

vanger zal het bedrag opnieuw ter beschikking stellen. Er

is een verschuiving denkbaar tussen de ,,relevante” rente en

de zo oninteressante aflossing. De hoge rente is een gevolg
van inflatie. Geïndexeerde leningen (waarbij de aflossing

ESB 27-10-1976

1045

gebaseerd wordt op de stijging van de index 1) sinds het jaar

van uitgifte en waarbij de rente laag is of nihil) zouden leiden

tot minder uitgaven aan rente en meer aan aflossing.
Het peil van uitgaven en van belastingen zou dalen als

men ambtenarensalarissen vrij zou stellen van belasting (en
slechts de oude netto-bedragen zou betalen) of de bijstand
vrij zou stellen, of defensie aankopen (van omzetbelasting,

accijns e.d.). T.a.v. collectieve goederen zijn optische ver-

schuivingen in recente tijden
niet
opgetreden.

De uitgaven voor collectieve goederen zijn in verhouding
tot het nationale inkomen, stabiel met als uitzondering de

ontwikkelingshulp die thans ca. 1,5% van het nationaal in-

komen bedraagt. De overige uitgaven liggen op eenzelfde

peil als in het begin van de eeuw of wellicht zelfs medio 19e

eeuw. De stabiliteit wordt in tabel 1 geïllustreerd. (Taak-
verschuiving tussen rijk en gemeenten heeft zich voorgedaan
bij individuele goederen zoals onderwijs en bij inkomensover-

drachten,
niet
bij collectieve goederen).

Tabel 1. Rijksuitgaven naar functie (% van het nationale

inkomen tegen marktprijzen)

Functie
1960
1965
1970
1975
1980

Algemeen bestnur
1,2 1.0
1,3
1.3
4.4
4.3 3.8
4.0
3.6
Buitenlands beleid
0.8
11.0
.2
1.4 1,5

(excl. koersverliezen)

…………..1,6
Defensie

……………………..

1.0
1,4 1.3
.6
1.5
(mcl.
ontwikkelingshulp)

……….

1.9
2.2
3.0
2.8
2.5
Justitie en politie

……………….
Verkeer en waterstaat

……………
Handel en nijverheid

…………….
0.3
0.6
0.6
0.6
1.2
Landbouw

……………………
..7
1,4 1,5
0,8 0.5
Onderwijs en wetenschappen en cultuur
4.9 6.9
8,3
10.0
9.1
Sociale voorzieningen

…………..2,2
2,5 3.0 7.4
9,5
Volkshuisvesting

………………2.6
2,6 2.2
2.7
2.0
Nationale schuld en?.

…………..
2.9
2.6
2.5
2.4
3,6

24.3

.

26,7
28.4
35,0
36.3
Idem (escl. onderwijs. sociale voorzie-
‘r
olaal rijkstuigaven

…………. …

ningen en volkshuisvesting)

……..
14.6
14.7
14.9
14.9 15,7

Bron 1960-1975: Ministerie van Financiën
1980: Eigen schatting gebaseerd op tabel 111-21 van
De Nederlandse
economie in 1980
van het Centraal Planbureau.

Sommige functies omvatten zowel collectieve als indivuele
goederen (Verkeer en waterstaat omvat bijv. zeewering, maar
ook verschaffing van individuele goederen zoals wegen).

Onderwijs en Volkshuisvesting betreffen vrijwel geheel
inkomensoverdrachten of subsidies in individuele goederen.
De rijksuitgaven excl. deze drie functies zijn zowel in 1960
als nu ca. 15% van het nationale inkomen. Het merendeel

hiervan behoort tot de collectieve goederen.
Dat de overheid in de klem zit wordt
niet
veroorzaakt

door collectiève goederen. Er zijn weinig belangengroepen
die daarvoor ijveren. In politieke programma’s vindt men

vooral ontwikkelingshulp genoemd. De bevolking voelt zich
weinig betrokken bij collectieve goederen. N. H. Douben
schrijft in het artikel ,,Nationale bestedingsruimte en priori-
teitenkeuze” 2): ,,Sommige overheidsuitgaven beïnvloeden

namelijk op zeer grote afstand de behoeftenbevrediging van
de burgers, zodat dezen het effect ervan nauwelijks gewaar

worden”.
Als voorbeeld noemt hij defensie. Uit het publiek wordt,
als de gedachte aan ,,bezuinigen” opkomt, vooral gepleit

voor bezuiniging op collectieve goederen, zoals ontwikke-
lingshulp, rjksgebouwen, aantal ambtenaren. Het nut is

diffuus en treedt soms pas in de toekomst op.

Inherente opwaartse tendensen?

De stijging van de uitgaven is veroorzaakt door de in-

komensoverdrachten en door de verstrekking van individue-

le goederen beneden de kostprijs. Zijn er elementen in de
economische ontwikkeling waardoor een opwaartse druk

ontstaat los van bewuste politieke wil? Een toename van
bevolkingsdichtheid kan enige opwaartse druk op de uitga-

ven veroorzaken. Vermeerdering van relaties leidt tot meer
problemen (politie, verkeerslichten). Voorts wordt een hoger

peil van technische verzorging noodzakelijk, omdat de be-

woners van een stad niet meer beschikken over de natuur
om een aantal functies (recreatie buy.) te verschaffen. Er zijn

géén andere factoren die ,,autonomisch” leiden tot een hoger
peil van overheidsuitgaven.

Soms wordt genoemd de ,,stijging van de produktiviteit”

die in de particuliere sector zou optreden, maar in de over-
heidssector (vrijwel) zou ontbreken. Dit is een misverstand
dat is besproken in mijn preadvies voor de Vereniging voor
Staatshuishoudkunde in 1963.

De drie taken van de overheidsfinanciën

Men kan de taken van de overheidsfinanciën onderscheiden
in:

• bevorderen van betere allocatie (betere verdeling van de

produktieve mogelijkheden over de produktie van con-
crete goederen en diensten);

• bevorderen van betere inkomensverdeling;

• bevorderen van een hoger of meer stabiel peil van werk-
gelegenheid.

Betere allocatie wordt gediend door de verschaffing van

collectieve goederen welke zonder overheid nauwelijks
zouden worden verschaft. Bij individuele goederen speelt
dit motief een rol als de overheid veronderstelt dat zonder
haar bemoeienis te weinig van een bepaald individueel goed

zou worden geconsumeerd. Daarvoor kan de overheid twee
redenen hebben, nI.:

• consumptie van het goed heeft externe voordelen (voor
een ander dan de gebruiker) en zonder subsidie zou er te
weinig van worden geconsumeerd;

• het goed heeft voordelen voor de gebruiker zelf in een
mate die de gebruiker onvoldoende beseft.

Bij analyse blijken deze argumenten veelal nogal zwak.
Externe voordelen zijn zelden aanwezig en kunnen veelal
ook worden bereikt door voorschriften. Zo is iedereen ge-
baat bij goede tuinen of een aardig voorkomen van wonin-
gen. Z.g. ,,welstands”-voorschriften kunnen dit verwezenlij-

ken. Lager onderwijs is een ander voorbeeld waar externe
effecten aanwezig zijn.

Dat externe effect is echter in het algemeen afwezig bij
hogere en meer gespecialiseerde vormen van onderwijs. Een
piloot of een notaris is nuttig voor zijn klanten. De kostbare
opleiding brengt echter geen voordelen aan anderen die met

hem in contact komen. Het ,,bemoei”-argument-een artikel
is voor de gebruiker nuttiger dan hij zelf beseft – is zelden
bruikbaar,. althans voor volwassenen die door de overheid
als zelfstandige kiesgerechtigde mensen worden beschouwd.

Men is vrij om te emigreren, om zijn levenspartner te kiezen,
om te scheiden, om een beroep te kiezen.

Een redelijker inkomensverdeling kan beter worden be-
vorderd door hulp in geld dan door hulp in goederen. We

geven aan bejaarden AOW-uitkering, niet voedsel of brand-
stof. Indien men als overheid meent dat een groep een te laag
inkomen heeft ligt het meer voor de hand de belastingdruk

op hen te verlagen. Hulp in natura zou zin hebben als men de

Men denke aan een prijsindex, maar ook aan een index van al-
gemene salariswijzigingen van ambtenaren (het stelsel van de Alge-
mene Burgelijke Pensioenwet).
Gepubliceerd in de bundel Waarheen gaat onze sociaal-econo-
mische orde?.
(preadviezen voor een vergadering van het Thijm-
genootschap), Ambo, 1976.

1046

zwakke groep zo beter bereiken kan hetgeen bij de moderne administratie zelden het geval is.

sinds 1917

sinds 1917

Analyse, enkele individuele goederen

Voorbeelden van hoge uitgaven voor individuele goederen
waarvan de argumenten de toets der kritiek
niet
kunnen
doorstaan, zijn de subsidies voor hoger onderwijs, de sub-

sidies in de volkshuisvesting en de parkeersubsidies. Bij elk

gaat het om een miljard gulden of meer per jaar. Voorts
overtreft de belangstelling bij het huidige subsidiepeil, het

aanbod zodat stimulering van de vraag ook in dat opzicht
eigenaardig is. Er zijn lotingen om plaatsen aan de universi-

teit, er zijn wachtlijsten voor woningen, het is moeilijk om
een parkeerplaats te vinden.

Motieven voor de subsidiëring van hoger onderwijs zijn

vooral ,,geljke kansen” en ,,externe effecten”. Gelijke
kansen kunnen echter ook verkregen worden door leningen
beschikbaar te stellen. Soms worden subsidies verdedigd

,,mits gericht op lage inkomensgroepen”. Men koppelt dan

de student aan zijn ouders, hetgeen weinig voor de hand ligt
bij de mond igheid van de moderne student. Het is bovendien

onredelijk om wel studenten afkomstig uit lagere inkomens-
groepen te subsidieren en
niet
andere jongeren uit die groe-
pen.

Subsidiëring van nieuwe woningen lag voor de hand, toen

er grote verschillen waren in huurpeil tussen oudbouw en

nieuwbouw. Dit kabinet is overgestapt naar nieuwe motieven
voor subsidiëring, omdat royaler wonen nuttiger zou zijn,
ook voor derden. Deze subsidiëring is veelal zinloos, omdat

de betrokkene al uit zich zelf bereid is voor zijn huisvesting
te betalen. Positieve externe effecten als gevolg van ruimer
gaan wonen, dus minder mensen per gezin (vijftien jaar ge-

leden vier mensen per woning, thans drie, als het zo doorgaat
over vijftien jaar twee per woning) zijn onwaarschijnlijk. Dit

leidt tot ruimtebeslag, tot grote afstanden van woning tot
voorzieningen als winkel en station en recreatiegebied. In
Gelijk of meer gelijk is
van de zijde van de vakbewegingjuist
gepleit voor een heffing op hoog ruimtebeslag.

• Het subsidiëren van parkeerplaatsen stimuleert autoge-
bruik voor iedere verplaatsing, hoewel het officiële doel is
,,selectief autogebruik”.

De laatste jaren is het conjunctuurpolitieke argument van
betekenis geworden. Denk bijv. aan de loterij van staats-
secretaris Schaefer vorig jaar.

Onbehoorlijk; bij belastingen wordt niet geloot.

Opwaartse druk

Een verklaring voor de toeneming van deze uitgaven kan
worden gevonden op het sociologisch vlak. Een gepassioneer-
de minderheid die bijeen bepaalde uitgaaf belang heeft komt
daarvoor fel op, terwijl de diffuus betalende meerderheid er

minder aandacht aan geeft (bijv. studentencollegegeld).
Tegenwicht ontbreekt, omdat het onderzoek van overheids-

uitgaven nog in een vroeg stadium verkeert.

Interessant is dat de opwaartse druk van een belangen-
groep zich zelf versterkt heeft – door subsidiëring neemt de
groep van belanghebbenden toe en daarmee hun politieke
invloed. Voorts, dat de macht van belangengroepen toe-
neemt als meer politieke richtlijnen op congressen worden

vast gelegd. Op congressen domineert de gepassioneerde
belanghebbende minderheid boven nuchtere analyse, waarin
ook belangen van anderen worden betrokken.

De ombuiging door het kabinet

In de eerste helft van de kabinetsperiode overheerste opti-
misme, slechts onderbroken door de oliecrisis. De daarna

STEN 00 RAF EN BUREAU
W. STEMMER
&
Zn. B.V.

Schiebreekseweg 22.24, telefoon (010) 22 38 66
postbus 35007, Rotterdam

vervaardigt o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Best, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, ‘s-Her

togen-
bosch, Hilversum, Maastricht, Rheden, Rotterdam,
Tilburg en Veidhoven.

Wij leveren ook:

notulen van directie- en

aandeelhoudersvergaderingen

De iarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toepassing
van moderne geluidsopnametechniek en vooral onze eerste-klas
medewerkers garanderen snel en accuraat werk, uitgevoerd op
uiterst betrouwbare en discrete wijze.

T.M.

fors verhoogde prijzen van aardgas leverden een enorme mee-
valler op. Deze werd gebruikt voor uitgaven. Verder werd
het ,,toelaatbaar geachte” tekort verhoogd.

In de zomer van 1975 schrok het kabinet van de achter-
uitgang van de economie en van prognoses dat bij verzwa-

ring van belasting- en premiedruk in het voorgenomen tempo
het bedrijfsleven zou bezwijken. De begroting 1976 was naar

inhoud nog even royaal opgezet als de vorige, maar in de
Miljoenennota
van september 1975 werd aangekondigd, dat

het beleid soberder zou moeten worden, dat de belastingen

en premies wel sneller mochten stijgen dan het nationale
inkomen, maar slechts zo, dat de druk van de collectieve
lasten in het nationale inkomen met hoogstens 1% per jaar
zou toenemen.

Een eerste schets van de regeringsplannen werd in juni
1976 gegeven in de
Nota over het te voeren beleid terzake
van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid,
met
een bijlage inzake sociale voorzieningen.

Mi(joenennota
1977 geeft in bijlage 3b een ,,Overzicht
beleidsherzieningen en andere wijzigingen in de meerjaren-

ramingen”. Een gezuiverd ,,overzicht van wijzigingen ten op-
zichte van de meerjarenramingen”, dat zich beperkt tot de

beleidsombuigingen is te vinden op blz. 9 van de
Nota over
het te voeren beleid
van juni 1976 (nr. 13.951).
Excl. de sociale voorzieningen betreft dit de in tabel 2 ge-noemde rijksuitgaven (mln. guldens).

Tabel2

1977 1980

16
86
200
37
IS
202
432
5
40
67
12
52
186
497

Algemeen bestuur

……………………………..
Defensie

…………………………………….

Energiefonds
………………………………….

60
70

Justitie en politie

………………………………
verkeer en waterstaat

…………………………..

Landbouw en Visserij

…………………………..
Onderwijs en wetenschappen

……………………..

40
145

Economische zaken

…………………………….

171
465

08

Academisclte ziekenhuizen

……………………….
Welzijnssector c.a
………………………………

70
50

Volkshuisvesting

………………………………
Spreiding rjksdiensten

………………………….

II
35
Ontwikkelingssamenwerking

……………………..
Wetenschapsbeoefening

…………………………
100
420
Pcrsoneelsuitgaven

…………………………….

990
2985

Enkele departementen

Defensie, verkeer en waterstaat, onderwijs, volksh uis-
vesting leveren elk in 1980 f. 200 mln, of meer. Voorts is er

een algemene reductie inzake de voorgenomen uitbreiding
van personeel (Op zich pikant, gezien de enorme subsidiëring
van het in dienst nemen van bijv. jongere werklozen).

ESB 27-10-1976

1047

Defensie

Wat Defensie betreft gaat het om de zoveelste bezuini-

ging op oorspronkelijke plannen. In september vorig jaar werd aangekondigd dat in 1977 een bezuiniging t.o.v. de

Defensienota
ad f. 230 mln, zou worden nagestreefd. Thans

wil het kabinet die bezuiniging beperken, maar defensie wel
een bijdrage laten leveren aan de 1%-operatie
(Miljoenennota

1977, blz. 53). Dit zijn mistige exercities. De paragraaf
defensie in Hoofdpunten van hei regeringsbeleid 1977
licht

het totaal van het begrotingshoofdstuk 1977 o.m. als volgt

toe:
• doortrekking vermindering voorjaarsnota ’75 f. 50 mln;
• doortrekking vermindering voorjaarsnota ’76 f. 29 mln;
• bijdrage aan de vermindering van de totale rijksbegroting

zoals besloten vôör de vakantieperiode f. 104 mln.;
• daarna voor defensie bijkomende bezuiniging f. 65 mln.

Het laatste bedrag komt in de plaats van de vorig jaar in

de
mijoenennota
aangekondigde bezuiniging voor 1977 ter

grootte van f. 230 mln.
De Troonrede bevat de volgende passage:

,,Ons land levert een alleszins redelijke bijdrage tot de bondgenoot-
schappeljke verdediging. De sterk toenemende kosten van deze ver-
dediging dwingen eçhter tot een versterking van de onderlinge samen-
werking en taakverdeling binnen het bondgenootschap. Binnen dat
kader dienen de beslissingen te worden genomen over nieuwe grote
investeringsprojecten voor de Nederlandse knjgsmacht”.

Het argument dat Nederland ,,een redelijke bijdrage levert

tot het bondgenootschap” heeft maar beperkte betekenis.

Engeland had in de herfst 1940 kunnen zeggen dat het een
,,redeljke bijdrage had geleverd tot de geallieerde inspan-

ning” en er mee kunnen uitscheiden. Als bijv. bondgenoten
minder gaan doen moet men
meer
gaan doen, opdat het

bondgenootschap
als geheel
genoeg kracht behoudt. Het
gevaar van afbrokkeling is aanwezig; er zijn zwakke broe-

ders. Bovendien heeft Nederland geruime tijd een relatief

geringe inspanning opgebracht vergeleken met bijv. de Ver-enigde Staten of Engeland. De laatste jaren heeft Nederland

sterk geboft met de hoge aardgasopbrengst. Belangrijker is

de vraag naar het militaire potentieel van de eventuele tegen-
stander en naar zijn bedoelingen. Ondanks het tekenen van
de verdragen van Helsinki is er weinig ontspanning. Het

IJzeren Gordijn, de Berlijnse Muur of hoe men de afscher-

ming van Oost Europa ook noemt, functioneert. De russische

militaire macht is met name op de oceanen sterk in opmars. Defensie streeft de bezuinigingen ten dele na in de perso-neelskosten, d.w.z. de kosten per man. Gevaarlijk is het uit-
stel van investeringen (van vervanging van de Neptune-

vliegtuigen voor de onderzeebootbestrjding, van bouw van
een commandofregat en van aanschaf van moderne antitank-
wapens).
Minister Vredeling schrijft:

,,De grenzen van het mogelijke zijn dicht genaderd. We komen in
een kritieke fase. Mijn opvolger zal vooral na 1979—als volgens de
Defensienota de belangrijkste materieel-vervangingen zoals van tanks, onderzeeboten, lange afstands-patrouillevliegtuigen en de
Nike raketten moeten plaatsvinden – voor enorme problemen
komen te staan”.

Verkeer en waterstaat

Bij verkeer en waterstaat werd in de nota vanjunijl. een be-
snoeiing t.o.v. de meerjarenramingen voorzien bij de natte waterstaat en ten dele ook bij de droge waterstaat. Blz. 53

van de
Miljoenennota 1977 bevestigt dit. Hiertegenover staat

de uitvoering van de gecompliceerde pijlerdam in de Ooster-
schelde. Op blz. 4 van de Memorie van Toelichting op de be-

groting Verkeer en waterstaat 1977 wijst de minister erop,
dat de investeringen van 1972 tot 1977 zijn gestegen van

f. 2,9 mrd. tot f. 3,3 mrd., hetgeen bij correctie voor prijs-
stijgingen een vermindering is.

Het valt op, dat met de aanleg van nieuwe rail-verbindin-gen slechts aarzelend voortgang wordt gemaakt. Het uitstel

van een rail-verbinding met Almere (en Lelystad) is een voor-

beeld.

Onderwijs en wetenschappen

Onderwijs en wetenschappen is het grootste begrotings-
hoofdstuk, ten dele snel gegroeid omdat uitgaven van ge-

meenten naar het rijk zijn verschoven. Beperkingen worden
vooral gezocht in de personeelssfeer en in de investeringen,
niet bijvoorbeeld in een verlaging van subsidiepercentages.

Op blz. II van nota nr. 13.951 worden ,,de algemene prin-

cipes van het inkomensbeleid” aangehaald ter verdediging
van (relatieve) verlaging van salaris of van andere bestand-

delen van de rechtspositie bij wetenschappelijk onderwijs
en ,,in mindere mate tav. het voortgezet onderwijs”. De

zware subsidiëring van hoger onderwijs wordt niet besproken.

De Memorie van Toelichting op de begroting 1977 deelt
op blz. II mede, dat bij 0 en W tot beperking van de (groei

van de) uitgaven is besloten en wel als volgt (tabel 3):

Tabel 3

Algemene beperking (de
1%-operatie)
…………………………
f. 245 mln.
Doorwerking permanente compensatie nit hoofde van overscitrijdingen
bij uitvoering van begroting 1976 (voorjaarsnota)
……………..
f. 71 mln.
Beperking nitgaven noodzakelijk bij de afronding van de rijksbegroting
1977
…………………………………………………
f.

84 mln.
Verlaging ter compensatie van maatregelen die nog niet in de
meerjarenramingen waren opgenonsen
……………………….
f. 53 mln.

Totaal
…………………………………………………
f. 453 mln.

Deze beperkingen zijn als volgt verkregen (zie tabel 4)
(1977, mln. gulden):

Tabel 4

Investeringen

Exploits

Algemeen Voortgezet en voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs ………………………………….
31
Lager en middelbaar onderwijs

38
Onderwijs en vorming werkende jongeren

19
Bouwzaken onderwijs
………………………….
95
Wetenschappelijk onderwijs
……………………..
59

153
Opleiding en her- en bijscholing docenten

26
Overige

32

Totaal

……………………………………..
154

299

In de besnoeiïng bij wetenschappelijk onderwijs zijn be-

grepen: verhoging tarieven academische ziekenhuizen ad
f. 35 mln, en vermindering van de exploitatiekosten van
deze ziekenhuizen met f. 21 mln.
Het is eigenaardig dat het kabinet vermindering van
salaris e.d. hier’behandelt als een besnoeiïng op ,,gewone”

rijksuitgaven, verwisselbaar met besnoeiïng op investerin-
gen of op overige exploitatie, terwijl de algemene besnoei-

ingen op rechtspositie worden behandeld als vermindering
van sociale voorzieningen.

Volkshuisvesting

In de nota van juni werd medegedeeld over besnoeiïngen:

• beperking van de financiering van woningbouw door het

rijk door uitbreiding van de ongesubsidiëerde sector met

1500 woningen;

• verlaging van huursubsidies (met ca. f. 220 mln, in 1980)

,, met name door aanpassing van objectsubsidie …..moge-
lijk geworden door o.a. een lagere rentestand”;
• enkele beperkingen bij stadsvernieuwing.

1048

De rentestand is sinds juni fors gestegen. De besnoei-
ingen zijn daarom in de
Miljoenennota 1977
veel lager ge-
raamd.

Enkele conclusies

De beperkingen betreffen vooral investeringen en bijzon-

dere elementen van de rechtspositie van personeel. Er is

geen besnoeiïng op materiele exploitatiekosten en geen be-snoeiïng van betekenis op de volumina van overheidstaken

en subsidies. In hoge mate is het beleid een voortzetten van

lijnen uit verkiezingsprogramma’s van de samenwerkende
drie linkse partijen (PvdA, D’66, PPR) in 1971, namelijk
besnoeiïng bij defensie, waterstaat, cultuur-technische wer

ken en (het volume van) wetenschappelijk onderwijs, echter

niet of nauwelijks bij CRM, ontwikkelingssamenwerking,
huursubsidies e.d.

Ten dele gaat het om kwesties van politieke voorkeur.
Er zijn echter opmerkingen te maken die ook van belang
zijn voor degenen die redeneren vanuit uitgangspunten

van de genoemde partijen.

• Een inkrimping op de verschaffing van een collectief goed

als defensie wordt
niet
gecompenseerd door uitbreiding

van particuliere uitgaven ter zake. Indien wordt gesnoeid
op subsidies voor een deel van de particuliere consumptie

(zoals volkshuisvesting) dan zal de allocatie veelal nauwe-

lijks invloed ondervinden, de consument zal ni. gewoon
iets meer zelf betalen;

• Uit een oogpunt van inkomensverdeling zijn sommige van

de bestaande subsidies, zoals die aan a.s. academici on-
verdedigbaar;

• Uit een oogpunt van de door het kabinet gewenste allo-

catie is deze stimulering van wetenschappelijk onderwijs

ook vreemd, aangezien het kabinet het volume van acti-

viteiten daar wil begrenzen en dan tot loting overgaat.

Nog vreemder is het gestelde bij volkshuisvesting. Het
kabinet wil bundeling van wonen, wil het wonen in de
stedelijke dichtheden bevorderen. Het is daarmee in strijd

ruimteconsumptie te bevorderen (door verschaffing van
gratis parkeerruimte, verschaffing van hoge huursubsidies

aan wie ruim gaat wonen, verhoging van de aftrek voor
reiskosten in loon- en inkomstenbelasting);

• Het snoeien op investeringen leidt tot nadelen voor de

werkgelegenheid en soms tot een ,,uitverdieneffect”.
• Verband met bezinning als gevolg van de oliecrisis ont-
breekt. Het uitstel van de bouw van drie kerncentrales

(zonder alternatief) zal leiden tot hoge importbehoefte en grote (politieke?) afhankelijkheid van het buitenland (zie

de ramingen van het Centraal Planbureau in
De Neder-
landse economie in 1980);

• De hoge subsidies voor enkele individuele goederen leiden

ertoe dat daarvoor een lage prijs ontstaat terwijl andere

goederen (door verhoging van BTW e.d.) juist hoog in
prijs moeten zijn ter financiering van die subsidies. De

Vrije bestedingsruimte van de consument wordt kleiner,
zijn afhankelijkheid van toewijzingen in natura wordt gro-
ter. Daarmee verschuift zijn positie van een man (of vrouw)
die kiest wat hij (zij) met zijn (haar) inkomen zal doen,
naar lid van een gesubsidieerde groep (bijv. studenten,

huurders e.d.) die de bevrediging van behoefte slechts kan
bevorderen door pressie op de overheid.

De maatschappij wordt meer ,,Naturalwirtschaft”, de
overheid wordt machtiger, maar ook kwetsbaarder en de
mens wordt meer een groepsdier.

W. Drees

ESB 27-10-1976

1049

Ombuigen

in de overdrachtsuitgaven

PROF. DR. D. J. WOLFSON

1. Inkomensbeleid en overdrachtsuitgaven

Op het hele proces van de inkomensvorming en -verdeling

oefent de overheid een geduchte invloed uit. Soms vloeit

die invloed hoe dan ook voort uit het deelnemen aan het
economisch leven. In andere gevallen tracht de overheid
actieve invloed op de inkomensverdeling uit te oefenen.

De gevolgen van zo’n passief of zelfs actief inkomensbeleid

zijn moeilijk te peilen, voor een deel omdat nogal wat on-
enigheid bestaat over de richting waarin we koersen en voor
een deel omdat we weinig inzicht hebben in de waterver-

plaatsing van de riemen waarmee we roeien, om van de

kwaliteit van roeiers en boot, en van de verradelijkheden van

de inkomensstroom maar te zwijgen. In het februarinummer 1976 van
Openbare Uitgaven,
het

lijfblad van ons aller Instituut, heb ik over de samenhang
van die verschillende overheidsinvloeden al iets proberen te
zeggen. In de sfeer van de primaire inkomensvorming ziet het

er allemaal erg onschuldig uit. De overheid volgt voor de
aanpassing van de ambtenarensalarissen immers de ont-

wikkeling in het bedrijfsleven. Een dergelijke passiviteit
houdt echter, los van de vraag of zij op haar plaats is en
juist uitgevoerd wordt, nog geen neutraliteit in. De modale

ambtenaar verdient meer dan de modale werknemer, omdat
dienstenproduktie beter gehonoreerd wordt dan goede-
renproduktie. Naarmate het politieke proces de expansie

van de dienstenproduktie ten opzichte van de goederenpro-
duktie bevordert en meer en meer aan de overheid trekt,
verandert de overheid de inkomensverdeling, zolang de

relatieve beloningsverhoudingen star blijven. Dat alleen al
is een reden waarom de overheid de primaire inkomensvor

ming niet op zijn beloop kan laten, nog afgezien van macro-
economische overwegingen die de laatste jaren tot herhaald

ingrijpen in de inkomensvorming geleid hebben. Veel meer
in het oog lopend is de herverdelende werking van overdrach-

ten in geld naar en van de overheid. Tabel 2.6 van de
Mil-

joenennota 1977
geeft daarvan een indruk (zie tabel 1).

Meer dan de helft van wat de overheid aan belasting en

premies int, brengt zij niet zelf tot materiële besteding, maar
draagt zij over aan particulieren. Deze inkomensoverdrach-

ten binnen de particuliere sector, waarvoor de overheid
alleen maar als intermediair optreedt, bedragen in 1976 ruim

29% van het netto nationale inkomen tegen rnarktprijzen;
meer dan de helft van dat bedrag komt per saldo ten goede
aan niet actieven, en dat geeft op zich zelf al een treffende

indruk van het beroep op solidariteit dat de overheid doet,
nog afgezien van de eveneens grote overdrachten tussen
actieven onderling. Anderzijds blijkt uit deze zeer instruc-

tieve tabel, die dit jaar voor het eerst in de miljoenennota
verschijnt, dat de overheid weliswaar meer dan de helft van
het nationale inkomen opeist, maar dat de particuliere, ge-

decentraliseerde bested ingsbeslissingen daardoor per saldo
maar voor een kwart opzij gezet worden en dat is toch wel
weer een kalmerend gegeven: Pa Spoor zit nog niet in de

intercity naar Moskou.
In tabel 2.4 laat de miljoenennota zien wat bij benadering

het resultaat is geweest van de overheidsbemoeienis met de
primaire en secundaire verdeling (zie tabel 2). Bij benade-
ring, omdat de afwentelingsreacties die belasting- en premie-
heffing oproepen m.b.t. omvang en samenstelling van het
primaire nationale inkomen – en daarmee weer op de secun-

daire aandeelpercentages – niet zo maar te traceren zijn.

De minister maakt hier (blz. 23) de interessante opmerking
dat de uitkeringen en verstrekkingen door de collectieve
sector nauwelijks enige invloed hebben op het onderhande-

lingsproces waarbij de verdeling van de primaire loonin-

Tabel 1. Verdeling van het beschikbare nationale inkomen in 1976 a)

(in % van hei totale beschikbare nationale inkomen, tegen markiplijven)

CoUeetieve
sector
Loontrekkers
,

Niet
actieven
l’ensioenfondscn
inkomen
pensinfondsen enleveuis
verzekeringen

Pri,,mir inkomen
b(
……
…………………………..
15.!
66.
1
11.3
15.2
3.3
40.0
.-26.7

4.1

9.2

Ingehouden door de collectieve sector
…………………..
Inkomensoverdrachten van de collectieve sector

… . ………
-29.3
8.1
20.7
0.5

Rente overheidssehuld

…..
…………………………
.-
3.5
.


2.5
1.0

/lesrjtikhoor inkomen na iransarlies mei de rollecorre sector
22.3
47.5
16.9 9.0 4.3
Saldo premies en uitkeringen pensioenfondsen en levens.

0.1

6.4
3.7

0.3
3.1

22.2
41.1
20.6
8.7
7.4

ver,.ekeringen

……………………………………..

Totaal beschikbaar i,,&on,e,,

………………………….

Totaal beschikbaar inkomen
23.0
43.1 19.7
6.4
7.6
1975

…………………………………………….
1974

…………………………………………….
24.4
40.7
7.2
11.0
6.5

Mijoenennoia
1977. bIe. 23.
Hel primaire inkomen van de collectieve sector (overheid

sociale fondsen) bestaal
til
enkele niet-belastingmiddelen. de kostprijsverhogende belastingen minus subsidies alsmede hel
saldo van primaire en secundaire inkomens Uit het buitenlan

“ci primaire overige inkomen is het arbeidsinkomen van zelfstandigen begrepen. Het primaire inkomen van niel-aclieven bestaat uit overdrachten uit hel buitenland.
1050

komens tot stand komt 1). Voor zover zij namelijk ten goede

komen aan de werkende beroepsbevolking, komen zij met
uitzondering van de kinderbijslaguitkeringen niet tot uit-
drukking in het – bij het loonoverleg zo centraal staande –

reëel Vrij beschikbare inkomen. Ondank is des ministers
loon: zelfs wat hij ons in klinkende munt ter beschikking
stelt tellen we niet mee als we praten over wat we ,,vrj in het

handje” krijgen. Zo rekenen we ons arm.

Tabel 2. Mutaiie in hei reëel vrij beschikbare inkomen a)

1973 1974
1975
1976
Gecumulcerd
973 1976

7.6
6.0
7.0 2.5
25.1 4,1
5
4,5
2
16.5
Even meer dan minimumloon
3,3 3.5 3.5
0,54 l
11.7

AOW

………………..
Minimumloon

…………

1,5 3
2.5
– 0,1
7,1
Modaal inkomen

……….
2 x modaal inkomen
1.4
l
1,5
– 1,54 —.2
2.1
4 x modaal inkomen
0,9
1

—1.5
l
– 2

4-2,5
– 1.9

a)
Mi/jaenennoiu
1977. bIe. 20.

Niettemin blijkt wel dat de verkleining van de verschil-len aan de voet van de inkomensverdeling fors is geweest.

De minimumloontrekker is er in vier jaar bijna 10% meer
op vooruitgegaan dan de modale werknemer, schrijft de

minister. De genieters van AOW en van andere sociale bo-
demvoorzieningen, waarvan het niveau in deze periode op
dezelfde netto-basis als het minimumloon is gebracht,
zagen hun relatieve positie nog veel sterker verbeteren.

Zoals de miljoenennota verder doet uitkomen, geeft ook

de secundaire inkomensverdeling, nog los van afwentelings-
complicaties, geen volledig beeld, omdat we daarmee nog
geen inzicht hebben in de tertiaire verdeling van de directe
overheidsbestedingen over individuele inkomenstrekkers.

De mate waarin mensen feitelijk voordeel trekken van ma-

teriële overheidsvoorzieningen verschilt nogal van persoon
tot persoon. De minister deelt mee dat het Sociaal en Cul-
tureel Planbureau een onderzoek naar deze gecompliceerde materie heeft aangevat ,,in samenwerking met een universi-
taire instelling”. Ik mag hier wel verklappen dat daarmee
het Fiscaal-Economisch Instituut van de Erasmus Univer-

siteit wordt bedoeld. In het volgende zal ik mij beperken tot
enkele opmerkingen over de plannen om tot beleidsombui-
ging te komen bij de overdrachtsuitgaven in geld, met in-
begrip van de verschaffing van medische diensten en de

ambtenarensalarissen.

2.
Van gedecentraliseerd beslag naar centrale afweging.

Tot vorig jaar behandelde de miljoenennota, conform een
overleefde traditie in de openbare financiën, belastingen,

niet-belastingmiddelen en sociale premies als gescheiden
werelden. Dat was eigenlijk hoogst merkwaardig omdat de
oorspronkelijke grenzen materieel sinds jaar en dag met

voeten werden getreden. Belastingen werden al lang in over-

grote meerderheid gebruikt voor de financiering van quasi-
collectieve goederen, d.w.z. voor zaken die heel best op een
markt verhandelbaar zouden zijn, maar om redenen van
beleid
door de overheid worden voortgebracht en verdeeld.

Anderzijds waren retributies al lang niet meer primair op
kostendekking gericht (denk aan openbaar vervoer, en aan
de distributiefunctie van aardgasprijzen), al bleef hun ka-

rakter als contraprestatie voor een bewezen dienst wel ge-
handhaafd. Het stelsel van sociale verzekeringen ten slotte,
evolueerde in de richting van sociale voorzieningen, zowel
door de toenemende nadruk op het solidariteitsbeginsel in
de nieuwere volksve-rzekeringen als door de recente toe-
neming van de rijksbijdrage in de financiering 2).

Toch is het niet in de eerste plaats deze branchevervaging,
maar de zorg om de inpassing van het beslag van de collec-

tieve sector in het evenwicht tussen middelenen bestedingen
geweest die vorig jaar dan eindelijk deze staten in de Staat

gefedereerd heeft in de normstelling, dat de stijging van

belasting- en premiedruk, alsmede van de aardgasbaten uit
binnenlands verbruik te zamen vooralsnog beperkt zou

moeten worden tot jaarlijks rond 1% van het nationale in-
komen. En dat is maar goed ook, want het is inmiddels

iedereen wel duidelijk geworden dat de intrapersonele nuts-
vergelijking uit hoofde waarvan de regering voorstellen doet

die beogen de maatschappelijke grenswaarde van de be-

stedingen in de private en de collectieve sector gelijk te
maken zich niet in compartimenten laat uitvoeren. Net
als

de bestedingen binnen de rijksbegroting moeten ook de

prioriteiten tussen de begrotingsvoorzieningen en het ver

strekkingenpakket van de sociale verzekering langs demo-
cratische weg onderling kunnen worden afgewogen. De
norm voor de groei van het beslag op het nationale inko-
men van het ,,compartiment” sociale verzekeringen van 3%

voor een vierjaarsperiode, die het vorige kabinet introdu-
ceerde en die het huidige kabinet aanvankelijk -. met de

AAW hors concours – overnam liet een dergelijke con-
frontatie en onderlinge afweging van begrotings- en verze-
keringsvoorstellen niet toe. Als zodanig stijgt de vernieuwing
van het beleid tav. de beheersing van de druk van de col-

lectieve sector in bestuurskundig opzicht uit boven de ver-
laging van de verhoging waarvoor zij is ingezet. Net
zo goed

als de overheid haar financieringstekort en het spaarover-
schot van de overige sectoren onderling moet afstemmen, dient zij de collectieve lastendruk in te wegen met de par-

ticuliere claims op het besteedbaar inkomen als zij een

,,public sector-push” inflatie wil voorkomen. De 1%-norm,
als randvoorwaarde op de groei van de begrotingsruimte
en van het beslag van de sociale verzekeringen, is de insti-

tutionele neerslag van dit inzicht.
Toch zijn de consequenties van deze vernieuwing nog niet
voldoende uitgewerkt in de miljoenennota. We krijgen wel

een uiteenzetting van de macro-economische consequenties van het ombuigingsbeleid, maar véél te weinig inzicht in de
ontwikkeling van de sociale zekerheidsuitgaven en hun fi-nanciering in deze nota, al is de informatie in de begroting
van Sociale Zaken belangrijk verbeterd met de publikatie
– dit jaar voor het eerst – van sociale meerjarenramingen.
Het is te hopen dat de komende kabinetsformatie eventuele
beletselen tegen een geïntegreerde aanpak in de volgende

miljoenennota wegneemt. De Tweede Kamer heeft recht
op één beleidsstuk waar het allemaal in staat als grondslag

voor de financiële beschouwingen.

3.
Opzet en uitvoeringsorganisatie

De huidige uitvoeringsorganisatie van de sociale zeker-
heid is relatief kostbaar, versnipperd over een groot aantal
uitvoeringsorganisaties en veel meer ,,wetsgewijs” dan

,,klantsgewijs” georganiseerd. Een macro-economische
normering van de sociale zekerheid is slechts het halve werk
als deze niet wordt gevolgd door een zodanige herstructure-
ring van de opzet en de uitvoeringsorganisatie dat nationaal-

economische doelstellingen op het vlak van herintreding in

het arbeidsproces en inkomensverdeling tot gelding kunnen
worden gebracht en de vergelijkbaarheid van de behande-
ling van rechthebbenden kan worden bevorderd. Bovendien

is bestuurlijke herstructurering een conditio sine qua non
om de ramingsmethodieken op een zodanig peil te brengen
dat de macro-economische politiek niet iedere keer voor

Zo staat het er niet helemaal, maar zo is het naar mijn indruk
wel bedoeld. Met deze op zich zelfjuiste observatie
is
dan niet ge-zegd dat de hoogte van inkomensdervingsuitkeringen geen invloed
zou hebben op de geneigdheid tot herintreding in het produktie-
proces. Over die plausibele relatie zwijgen de regeringsstukken, zo-
als ik verderop nog zal benadrukken, helaas in alle talen.

Zie voor deze en andere ontwikkelingen in de sociale verzeke-
ringen het zeer instructieve overzichtsartikel van C. Goedhart, De
sociale verzekering in het middenveld, in
75
jaar sociale verzekering,
uitgegeven door de Sociale Verzekerings-bank ter gelegenheid van
haar 75-jarig jubileum, Amsterdam 1976.

ESB 27-10-1976

1051

joker wordt gezet. Als de regering hier doortastend optreedt,

kan zij van de nood een deugd maken. Tot dusver zat de
SER inmiddels al weer jaren met de zwarte piet van een on-
gerichte adviesaanvrage over vereenvoudiging der sociale

verzekering op langere termijn. Gelukkig heeft de minister

van Sociale Zaken nu opdracht gegeven een gerichte advies-
aanvrage over deze zaak voor te bereiden, waarmee het

kabinet zijn verantwoordelijkheid voor de voortgang van
de besluitvorming kan bevestigen.

4. Uit de lengte of uit de breedte?

Het beslag van de sociale voorzieningen op het nationale

inkomen kan langs twee wegen beperkt worden, door: 1. het
volume van de aanspraken terug te dringen; of door 2. de

individuele uitkeringen te verlagen. De regering heeft een

duidelijke voorkeur voor de eerste oplossing. Dat is op het
eerste gezicht wel begrijpelijk, omdat aantasting van niveaus

de suggestie oproept van terugkomen op in het verleden
aangegane verplichtingen. Maar wat niet uit de lengte komt,
zal uit de breedte moeten komen, en daarbij moeten we er

oog voor hebben dat het volume van de aanspraken niet
onafhankelijk is van het niveau van de uitkeringen.
In de
Nota over hei te voeren beleid terzake van de col-
lectieve voorzieningen en de werkgelegenheid
(zitting 1975-
1976, nr.
13951,
dd. 9juni 1976; hierna te noemende
Nota
collectieve voorzieningen)
wordt aan die afhankelijkheid
voorbijgegaan. De regering denkt meer in termen van auto-
nome processen en spreekt (blz. 12, onderaan) slechts van

een matiging van de groei in de gezondheidszorg, het tegen-
gaan van oneigenlijk gebruik en de verbetering van de ef-

ficiency van de uitvoering. Nu kun je met zo’n onbestemd
begrip als oneigenlijk gebruik nog een heleboel kanten op,
en daarom is het verhelderend om te lezen wat Minister
Boersma in de
Memorie van Toelichting op
zijn begroting voor 1977 schrijft (blz. 7) over de opvattingen over beroeps-

arbeid: ,,Naast arbeid in enge zin hebben andere waarden
aan betekenis gewonnen. Met name is de aandacht voor
een aantal immateriële waarden toegenomen. Zo blijkt uit
onderzoek, dat de betekenis van gezondheid en vrije tijd,

van woon- en leefklimaat steeds hoger geschat wordt”. Wat
de minister er niet bij vertelt is dat economische subjecten
dergelijke ,,schattingen” altijd verrichten in het licht van

de alternatieven waarvoor zij staan. De vervreemding van
de werksituatie, waarover hij verderop zijn bezorgdheid
uitspreekt, (blz. 13) wordt in de hand gewerkt nu de effec-
tieve arbeidsongeschiktheidsuitkering door allerlei verschil-

len in inhoudingen inmiddels is opgelopen tot 90% van het
referentie-dagloon
(Nota collectieve voorzieningen,
blz. 14).
In zo’n geval is het volstrekt rationeel van een arbeidson-
geschikte die nog wel in een ander beroep zou kunnen wer-

ken om geen duimbreed te wijken en op de dubbeltjes te
letten.

Maatschappelijke solidariteit berust op wederkerigheid
en vereist dat we een evenwicht vinden tussen de rechten
die de gemeenschap biedt aan sociaal kwetsbaren en de

plichten die rechthebbenden aanvaarden om hun beroep op
sociale zekerheidsfaciliteiten zo gering mogelijk te houden.

Voor dat evenwicht moet de overheid voorwaarden schep-
pen. Die zijn uit het lood als het vrijwel niets meer uitmaakt
of men werkt of niet werkt, als het niveau van de uitkeringen

een aanzuigende werking gaat hebben op het volume 3).
Dan moeten we niet ethisch gaan doen over een verandering
van mentaliteit: we hebben de kat op het spek gebonden

en daar moeten we weer af, dat is alles. Het ten onrechte
zo gekritiseerde voorstel van het kabinet om het uitkerings-

percentage van de WAO aan te passen aan dat van de WWV
is dan 66k zinvol en constructief, al blijkt uit de stukken
geenszins dat overwegingen van arbeidsmarktbeleid hier een
rol gespeeld hebben. Niet alleen op economische, maar ook

op sociale gronden moet alles op alles gezet worden om werk-
willige minder-validen zoveel mogelijk bij het arbeidspro-
ces betrokken te houden 4).

De huidige uitkeringspercentages kopen deze sociale

plicht af. Zij bevorderen uitstoot i.p.v. wegen te openen naar
aanpassing van de arbeidsplaats. Er zijn bovendien – en dat

heeft naar mijn indruk bij het kabinet de doorslag gegeven –

geen andere dan arbitraire redenen waarom arbeidsonge-
schikten een hogere uitkering zouden moeten ontvangen dan

langdurig werklozen. Zinvol is ook dat het kabinet overweegt
om te komen tot een opschonen van de dagloongrondslag
voor inkomensdervingsverzekeringen, door het niet meer

meenemen van elementen die geen plaats hebben in de status

van de niet-actieve, zoals overwerkvergoedingen, onkosten-vergoedingen en vergoedingen voor reisuren in woon-werk-
verkeer
(Nota collectieve voorzieningen,
blz. 50).

Maar het is nu weer minder constructief – om niet gewoon
te zeggen slap – om dat alleen meer te ,,overwegen” en niet
meteen te
doen.
Het mandaat is er immers. In de
Interim-
nota inkomensbeleid
(zitting 1974-1975, nr. 13399, blz.
7),
waarvan de hoofdlijnen in het parlement ruime weerklank
gevonden hebben, noemt de regering die inkomensverschil-
len aanvaardbaar die hun oorzaak vinden in de inspan-

ningen of de offers waarmee de inkomensverwerving

gepaard gaat. De genoemde vergoedingen zijn school-
voorbeelden van dergelijke compenserende verschillen,
waarop een niet-actieve dan ook geen aanspraak zou moe-

ten kunnen maken. Ook behoefte-elementen geven hiervoor
geen doorslaggevend argument, want dank zij het netto-
netto beleid zakt men hoe dan ook niet beneden het niveau

van het netto-minimumloon.

In de
Nota-collectieve voorzieningen
staan zeer veel be-
hartigenswaardige dingen over passend werk, scholing,

arbeidsmarktbeleid, oneigenlijk gebruik en misbruik en
andere aspecten van het volumebeleid tav. de inkomens-

dervingsverzekeringen. Het is een stuk met veel sterke kan-
ten, al zal het kabinet deze lof echt wel mogen delen met
de ambtelijke commissie – en in het bijzonder haar voor-
zitter – die het voorbereid heeft. Er zijn bijzonder rotsige
bergen verzet. Maar het eindresultaat heeft, met name t.a.v.
de bevordering van herintreding in het arbeidsproces, te

weinig oog voor de ondersteunende werking van financiële

prikkels en is daardoor te dirigistisch en – omdat het kabi-

net ook wel weet dat Nederlanders zich slecht laten dirige-
ren – te weinig doortastend. Deze veronachtzaming van

marktconforme instrumenten is jammer, want het markt-
mechanisme kan ook in een linkse ideologie een belangrijke

plaats vervullen. In een democratische maatschappij moet
ieder nut en offer van zijn handelen zoveel mogelijk voor zich

zelf kunnen afwegen. In dit geval is een systeem waarbij het

Dit is overigens geen specifiek Nederlands probleem; zie bijv.
H. G. Grubel en D. R. Maki, The effects of unemployment benefits
on
U.S. unemployment rates,
Weltivirtschaftliehes Archiv,
Band
112,
Heft
2(1976)
blz.
274-299.
Zie voor een toetsing van dit model
voor Nederland W. Siddré, The effect of social security benefits
on unemployment – Dutch experience (bijdrage Conference on
Fiscal lmplications of Manpower Planning, Stirling, Scotland,
3
en
4
sept.
1976),
en voor een korte samenvatting van enkele ver-
schillende visies omtrent de relatie tussen uitkeringsniveau en
werkaanvaarding N. H. Douben,
Vermogende arbeid.
rede Nijme-
gen, Tegelen
1975,
blz.
5-8.
Douben conctudeert dat er, over een
langere
periode beschouwd (en daar gaat het om bij de huidige struc-
turele werkloosheid), wel een toenemende elasticiteit van het
arbeidsaanbod verwacht moet worden. Een dergelijke veralgemeni-
seerde benadering neemt natuurlijk niet weg dat er, juist in de WAO,
individuele gevallen zullen zijn waarin geheel arbeidsongeschikten
met de beste wil ter wereld niet meer aan het arbeidsproces kunnen
deelnemen. Voor hun geldt dan het WWV-niveau als basisvoor-
zieni ng.
In ander verband
(Nota collectieve voorzieningen.
blz.
53)
merkt
de regering op dat de interpretatie van de WAO meer en meer het
karakter gekregen heeft van een regeling voor ,,vervroegde pensio-
nering” en van een ,,werkloosheidsvoorziening”, nI. door het Inge-
burgerde gebruik gedeeltelijk arbeidsongeschikten maar meteen
helemaal arbeidsongeschikt te verklaren waardoor ze niet verder
naar werk behoeven te zoeken. Ze komt hier helaas niet verder dan
te overwegen hier iets aan te doen. Onduidelijk is ook (blz.
52,
onder
2.3.4.)
of zij uitkeringsgenietenden Uit hoofde van de WAO wil
verplichten,
conform WW en WWV rechthebbenden, tot het volgen
van scholingscursussen en het gebruik maken van revalidatiefacili-
teiten. Zie ook de
Meniorie van Toelichting
bij de begroting van
Sociale Zaken, bla.
14.

1052

uitkeringsniveau van een inkomensdervingsverzekering om te

beginnen al een herkenbare prikkel tot herintreding in het ar-

beidsproces inhoudt, en vervolgens daalt bij iedere weigering

van passend werk, te verkiezen boven regelstelling die aan

de mondigheid van de betrokkenen voorbijgaat. In sommige
gevallen is het voor alle partijen beter als de werkloze nog

wat verder doorzoekt; we moeten niet op dat maatschappe-

lijke optimalisatieproces beknibbelen, noch door de uitke-

ring na één weigering stop te zetten, noch door daar geen
enkele sanctie aan te verbinden, zoals nu nog te veel gebeurt.
Dit geldt 66k voor WAO-gerechtigden, al zullen die wel

niet zoveel passende mogelijkheden aangeboden kunnen

krijgen – en hun uitkering bij deze beleidsljn dus langzamer
zien dalen. En dan spreek ik bij mijn pleidooi voor wat meer

prikkels voor zelf beslissen nog niet eens over de perverse
werking van een cumulatie van marginale druk van belas-

tingen, verzekeringen en inkomensprijzen waar Stevers

terecht aandacht voor vroeg in
de Volkskrant
van 22 sep-

tember 1976 5).

5. Nog wat
haken en ogen bij de volumebeheersing

Wel bevredigend lijken mij de plannen van het kabinet

om het z.g.
gat in de bijstand
te dichten, of liever met een

doorlaatbare dam af te sluiten. De Algemene Bijstandswet
is het laatste station in de lange rij van sociale voorzieningen.
Zij schept de mogelijkheid om individualiserende financiële
steun te verlenen in die gevallen waarin andere regelingen
niet voorzien. Nu heeft zich de praktijk ontwikkeld dat in-
stellingen van maatschappelijke of medische dienstverlening

die in hoofdzaak niet gesubsidieerd zijn hun kosten dekken
uit tarieven, die hun clienten in rekening worden gebracht,

doch die de facto ten laste van de bijstand komen, omdat de
clienten veelal dâr hun geld halen. Een dergelijke indirecte
financiering geeft ruim baan aan een ongestructureerde

wildgroei van sociale voorzieningen en werkt in de hand
dat de sluitpostfunctie van de bijstand evolueert tot een
voortrekkersfunctie. Immers, omdat de staat tôch 90% van
de bijstandsuitkeringen vergoedt, willen de gemeenten niet
voor elkaar onderdoen. Zo worden afwegingen scheef ge-
trokken in een u-vraagt-en-wij-draaien, waarmee zo’n
f
2

mrd. is gemoeid, meer dan de helft van de bijstandsuitgaven

in 1976. Inmiddels heeft het kabinet een voorstel tot wijzi-

ging van de Algemene Bijstandswet om advies naar de Raad

van State gezonden. Als we recente uitspraken van de zijde
van CRM aan elkaar plakken, valt te verwachten dat

dat ontwerp uit drie hoofdgedachten bestaat:
de bijstand moet ,,open” blijven voor onvoorzienbare

zaken, omdat geen wetgever weet wanneer en in welke gedaante de volgende sociale nood zich aandient (denk aan drugproblematiek), maar er moet een zodanige structuur in de bijstandsvoorzie-
ningen worden gebracht dat een centrale prioriteiten-

afwegen op hoofdzaken mogelijk wordt, en
er moeten waarborgen komen dat nieuwe voorzieningen
die in hun aanloop door de bijstand worden gefinancierd
zo snel mogelijk onder de financiële verantwoordelijk-

heid van de meest betrokken bewindsman worden ge-

bracht.
Dit lijkt mij, in de modieuze taal van vandaag, een werk-
baar scenario.
Bijzonder moeilijk is ook de volumeproblematiek in de

medische zorg,
waar het kabinet een lange beleidsachter-
stand in te lopen heeft. Het vertrouwde analytische uit-

gangspunt dat het aanbod zich uiteindelijk richt naar de

vraag is hier niet of nauwelijks houdbaar. Wie de dokters-
wachtkamer betreedt laat alle consumentensouvereiniteit

varen, want de dokter spreek je niet tegen. En als de patiënt
daar eenmaal A gezegd heeft moet de verzekering B zeggen.

Zo ongeveer het enige wat de patiënt beslist is
of
hij naar
de dokter gaat, op een verdere verwijzing heeft hij nauwe-
lijks invloed en is hij eenmaal intramuraal dan wordt hem
alleen pro forma nog iets gevraagd. Als we dan bedenken

dat 60% van de medische kosten voor intramurale zorg
worden gemaakt, dan moet men staatssecretaris Hendriks

wel toegeven dat kostenbeheersing via een eigen risico aan
de vraagzijde hier maar beperkte perspectieven biedt (brief

d.d. 13 september 1976 aan de vaste Commissie voor de
Volksgezondheid inzake beleidsvoornemens betreffende
kostenbeheersing in de gezondheidszorg, zitting 1975-1976

nr. 14044, hierna beleidsbrief te noemen). In de gezond-
heidszorg bepaalt het aanbod de vraag, en dan is de vraag

wie het aanbod bepaalt. Dat is de medische stand, voor wie

de patiënt één is, en niets goed genoeg. De staatssecretaris
spreekt in zijn beleidsbrief dan ook van de ,,vrijheid van het
medisch behandelen op basis van de eigen, persoonlijke

medische verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid
die men al spoedig aangetast acht, wanneer het gaat om be-
perkende bepalingen met betrekking tot de uitoefening van

het beroep”. En hiermee is het zere been dan wel gediag-

nostiseerd.
Het is voor economen wat te gemakkelijk om te scham-

peren over verspilde kosten van lege hartcentra, te lang op
hun beloop gelaten monopolistische tendensen in de inko-
mensvorming van tandartsen en medische specialisten en ga
zo maar door. Ook al heeft deze staatssecretaris wel erg lang
op zijn beleidsvoornemens laten wachten, erkend moet
worden dat de problematiek razend moeilijk is en dat de
regering op de goede weg lijkt. Maar gaat ze,ver genoeg? De kernvraag is wat we, in termen van opgeofferde alter-
natieven, voor onze gezondheidszorg over hebben. Hebben
we langs wegen van democratisch overleg een dergelijk

,,budget” vastgesteld, dan moeten de bestuurlijke mechanis-
men ten dienste staan om duidelijk af te bakenen binnen

welke grenzen de medische stand zijn eigen meer specifieke
verantwoordelijkheid moet waarmaken. Op ten minste één

uitermate belangrijk punt heeft de staatssecretaris deze
consequentie getrokken. Hij wil bevoegdheden om het aan-
tal ziekenhuisbedden terug te brengen van 5,6 per duizend

tot
5
per duizend, en later zelfs tot 4 per duizend, alsmede

om paal en perk te stellen aan de wildgroei in de functieuit-
breiding en de aanschaf van apparatuur in algemene zieken-
huizen. Daarmee moet het leeuwendeel van de per 1980 te

realiseren bezuinigingen op de gezondheidszorg op tafel
komen, zoals blijkt uit tabel 3 ontleend aan blz. 37 van de
Nota collectie ve voorzieningen.

Tabel 3. Totale ombuigingen in de sector gezondheids-

zorg

Besparingen
in
min, guldens

1977
1980

Voorgenomen besparing op het uitgavenpakkct ziekenfonds-
verzekering en
AWBZ

…………………………..
150
210
Beperking beddencapaciteit in Algemene Ziekenhuizen
00
500
Afremming functie-uitbreiding in Algemene Ziekenhuizen
. .
65
400
Beperking verstrekkingen en verbeterde controle genccsmd-
delenverbruik

………………………………….
60
220
Besparing op ziektekoslenvergoedingen voor ambtenaren

.
0
1

165

1495
405

Bij de overige nagestreefde besparingen, op het uitgaven-

pakket van de verzekeringen en als gevolg van een betere

greep op het geneesmiddelenverbruik zijn moeilijke en min-der moeilijke zaken over één kam geschoren en is de aanpak
minder overtuigend. Moeilijk ligt het met de tariefstructuur van specialisten en tandartsen. Net
zoals beroepsvoetballers
een veel groter aandeel in de subsidie van de passieve open-
luchtrecreatie hebben verworven dan de wetgever voor ogen
zal hebben gehad, hebben ook deze beroepsbeoefenaren

hun machtspositie tot gelding kunnen brengen in een markt
waarin de sociale verzekering, en de herverdeling van inko-mens in het algemeen, een stevige bodem heeft gelegd. Hun
inkomen staat in géén verhouding tot dat wat anderen met

5) Zie over deze zaken ook G. Nooteboom, Inkornensprijzen,
ESB,
28 april 1976, blz. 408/409, mijn gesprek met A. F. van Zweeden in
NRC Handelsblad
van 28 februari 1976 en Th. A. Stevers in
ESB
van deze week, blz. 1038.

ESB 27-10-1976

1053

een gelijk opleidingsniveau en min of meer vergelijkbare

verantwoordelijkheden verdienen. Maar ze hebben een

machtspositie in een vitale Sector en voor de omzichtigheid
waarmee het kabinet langzaam maar zeker aankoerst op

beheersingsmechanismen valt dan ook wel enig begrip op

te brengen. Wel valt op dat de Staatssecretaris in zijn
beleids-
brief
in alle talen zwijgt over de enorme lasten die de ar-

beidsvoorwaardenverbetering voor het jongere verplegend
personeel met zich heeft gebracht. Wat vroeger alleen liefde-

werk was, verschaft nu bovendien een goed belegde boter-
ham, en dat gelag moeten we weer betalen met bezuinigingen

op sociale zekerheid. Ook hier heeft het minimumjeugdloon
zijn a-sociale bijwerking.

Bepaald onbevredigend is de eenzijdige toevlucht tot
prijsbeheersing bij de kostenbeperking op geneesmiddelen.
De interessante suggestie van de Commissie-Becht om tot
een centraal inkoopbureau voor geneesmiddelen te komen

(naar het model van het Rijksinkoopbureau) om aldus wat
meer greep te krijgen op bijv. de geforceerde innovatie in
het assortiment van de farmaceutische industrie wordt in
een bijlage zonder argumentatie afgewezen.
En waarom horen we helemaal niets over de mogelijkheid
om t.a.v. de geneesmiddelenverstrekking dat beetje ruimte

dat er nog voor consumentensoevereiniteit en medeverant-
woordelijkheid is in te zetten door enigerlei vorm van eigen

risico? De staatssecretaris zegt belerende en – toegegeven –

juiste dingen over onze leefgewoonten als grote kostenver-

oorzakers. En ik had graag eens willen horen of een extra

drempeltje bij het voorschrijven van of grijpen naar valium
en librium niet heilzamer zou zijn voor de volksgezondheid

dan prijsbeheersing alléén. Ik weet wel dat dat voor links

een taboe is, maar dan toch wel een van de meest ondoor-
dachte taboes uit ons in dit opzicht zo rijke politieke leven.
Het is
volstrekt ongeloofwaardig
dat een klein eigen risico
bij het huidige welstandsniveau niet te dragen zou zijn en

volstrekt duidelijk dat het huidige regime juist hier gelegen-
heid biedt voor geïnstitutionaliseerd klaplopen op de ge-
meenschap.

6. De hoogte van de uitkeringen

Bij alle voorkeur voor volumebeheersing heeft het kabinet
– terecht – ook plannen t.a.v. niveau’s van uitkeringen. Al-

lereerst moeten de ambtenaren het ontgelden. Zoals in

tabel 3 al bleek wordt er op hun ziektekostenregeling be-
knibbeld. Verder zal meer in het algemeen worden nagegaan
in hoeverre historisch verklaarbare maar uit een oogpunt
van horizontale gelijkgerechtigdheid niet langer aanvaard-
bare verschillen in aanspraken op werkloosheidsvoorzienin-
gen en pensioenrechten zich voor correctie lenen.
Op het eerste gezicht doet het vreemd aan dat ambtena-
rensalarissen hier ter sprake komen, maar daar is zowel een
analytisch als een politiek antwoord op te geven. Analytisch

gezien kunnen we – bij een gegeven ambtenarenbestand – een
relatieve verbetering of verslechtering van hun financiële
positie zien als een overdracht naar of van die groep. Politiek
gezien is het ondenkbaar aan de sociale rechten van niet
ambtenaren te komen zonder ook de positie van de ambte-

naren te bezien. Vandaar dat het kabinet ook deze proble-
matiek in
de
Nota collectieve voorzieningen
aan de orde
stelt.

In totaal is met de voorgestelde ombuigingen een kleine

f
500 mln, gemoeid in de sfeer van de ziektekostenvoorzie-
ningen, nog afgezien van een heroverweging van pensioen-

rechten. De ambtenarenorganisaties doen hevig veront-
waardigd, maar schieten aan geloofwaardigheid te kort.
De problematiek is z6 ingewikkeld dat men ieder deelargu-
ment gemakkelijk met een tegenargument kan ontzenuwen,
en dat is dan ook het niveau waarop de discussie zich dreigt
te ontwikkelen. Laat ik me dan ook tot de kern beperken.
Die is dat:

1. in de afwegingen rond het tot stand brengen van een

welvaartsvaste pensioenvoorziening destijds niet voor-

zien kon worden welk een trieste vluclt de inflatie zou
nemen, en dat

2. het belang van een vaste aanstelling in het huidige mid-
dellange termijnperspectief van een grote structurele

werkloosheid een t taal ander gewicht heeft gekregen

dan voorheen. Misschien moeten we van die vaste aan-

stellingen af, maar dat is nu niet ter discussie. Zolang

die gehandhaafd blijven en er geen zicht is op ruimte om de pensioenvoorziening van ambtenaren ook aan de hele

overige bevolking te bieden mag van hen ook inderdaad
een bijdrage worden gevraagd.

Een andere ingreep in de uitkeringsniveaus zijn de plan-
nen tot
herstructurering van de fiscale kindera/irek en de
kinderbijslag
in één kinderfaciliteit, waarbij de uitkeringen
kunnen worden gedifferentieerd naar inkomen, gezins-

grootte en, in principe, naar leeftijdscategorieën der kinde-

ren. Als eerste fase overweegt het kabinet de overheveling

van de fiscale kinderaftrek, met uitzondering van die voor
eerste en tweede kinderen van zelfstandigen, naar een nieuwe
– belastingvrije – kinderbijslagregeling. Deze plannen, waar-
van we in het najaar de nadere uitwerking tegemoet kunnen
zien, hëbben begrijpelijkerwijs veel beroering gewekt, ook

omdat ze sterk raken aan maatschappelijke opvattingen
over het gezin in de samenleving 6). Het gaat in wezen om
twee dingen: 1. zijn kinderen een draagkrachtverminderende

factor en 2. is de huidige kinderfaciliëring een tegemoetko-
ming voor de kinderen of voor de ouders.

Over het eerste punt kan men twisten, omdat het draag-
krachtbegrip zelf alleen maar een denkconstructie is. Het
hangt er dan maar van af of men het draagkrachtbegrip
mede afhankelijk wil stellen van omstandigheden waarin

men zich krachtens eigen keuze vrijwillig begeeft of alleen
maar van omstandigheden waarin men buiten eigen toedoen
pleegt te geraken 7). Ook het tweede punt is niet zo een-

voudig te beantwoorden, omdat in ieder antwoord een ge-
dragsveronderstelling besloten ligt. Gaat men ervan uit dat

ouders zich âlles voor hun kinderen ontzeggen, dan dient
de faciliteit om het consumptiepatroon van de ouders te re-
constitueren. Gaat men er van uit dat ouders zich niets aan

hun kinderen gelegen laten liggen, dan voeren we het ouder-
lijk consumptiepatroon op ten gunste van de leveranciers
van kleurentelevisies. Het zal er wel ergens tussenin zitten;
vermoedelijk is een kind zowel een individu als een ding.
Ten slotte is er nog een belangrijk aspect van het niveau-

beleid dat in de kabinetsstukken wordt doodgezwegen: de
doorwerking van de
herverdeling binnen de loonsom op
het
niveau van de sociale uitkeringen via de koppeling op netto-
netto basis van de sociale minima aan het minimumloon.
Nog steeds hinkt met name de PvdA op twee gedachten.

Enerzijds wil men de netto-netto koppeling handhaven, an-

derzijds wil men de inkomenspositie van de laagst betaalden
blijven verbeteren, ook t.o.v. de modale werknemer. Het
eerste is begrijpelijk, het tweede niet. Het lijkt mij begrijpe-
lijk dat men er trots op is dat dit kabinet de sociale minima
langszij gebracht heeft met het minimumloon, al kan men
over de sociale aanvaardbaarheid van die situatie verschil-
lend denken. Persoonlijk vind ik het hardvochtig om er in te

berusten, dat mensen in beroepsgroepen, waarin ze zonder

enig perspectief vaak hun hele leven op of vlak boven het
minimumloon zitten, moeten aanzien dat zij nooit meer
kunnen ,,verdienen” dan anderen die vaak tijdelijk op bijv.

een bijstandsuitkering zijn aangewezen. Een dergelijke ver-

houding strookt ook niet met de al genoemde hoofdgedachte

Zie bijv. de scherpe kritiek op de aan deze plannen ten grondslag
liggende gedachtegang van W. Drees Jr., Kind: ding of individu,
ESB.
16 juni 1976 blz. 57112.
Zie hierover F. C. Wijle,
Individuele hela.viinghe/fïng van gehui
den,
Brochure no. 10 van het Fiscaal-Economisch Instituut van de
EUR, augustus 1976.

1054

.
Europa-bladwijzer

Commissie stopte
infiatierapport in doofpot

DRS. E. A. MANGË

Eind 1974 besloot de Europese Com-

missie een studiegroep op te richten
om de oorzaken van de toenemende in-
flatie grondig te onderzoeken en daar-

uit beleidsmaatregelen af te leiden.

Deze groep van onafhankelijke deskun-

digen stond onder leiding van R. Mal-

dague, commissaris bij het Belgische
Planbureau. Andere leden waren

F. Archibugi (hoogleraar aan de univer-
siteit van Calabrie), J. Delors (hoog-

leraar aan de universiteit van Parijs en

gewezen raadgever van Chaban-Del-

mas), het Nederlandse parlementslid

D. Dolman, S. Holland (lector aan de

universiteit van Sussex en gewezen
raadgever van Wilson) en H. Markmann

(directeur van de economische studie-

dienst van de Deutscher Gewerkschafts-

bund).

Reeds in juli 1975 kwam een interim-
verslag klaar dat de hoofdlijnen bevatte
van wat later in het definitieve rapport

werd uitgeschreven. Op 3 maart 1976
diende de werkgroep Maldague het defi-

nitieve rapport

Infiatieproblemen

getiteld – bij de Commissie in.

Tegen de gewoonte in besloot de Com-
missie het rapport slechts in beperkte

mate te verspreiden. De ,,officiële” ver-
klaring was dat de Commissie wilde ver-

mijden dat het als een van haar eigen
documenten zou worden aangezien. Een

hoogst ongebruikelijke werkwijze! Im-
mers, in het verleden zijn de rapporten

die in opdracht van de Commissie wer

den gemaakt, steeds ruim verspreid.

Daarbij wordt steeds opgemerkt dat de
Commissie niet gebonden is door de be-

sluiten ervan. Ook het rapport Maldague

‘vermeldt duidelijk dat de opstellers de

verantwoordelijkheid bezitten voor de

verkondigde meningen.
Waarom dan ineens een dergelijke
voorzichtigheid van de Commissie?
Waarom moest een belangrijk rapport

over een fenomeen dat onze economie
steeds meer teistert, in de doofpot?

Oorzaken inflatie

Sinds 1966 is de jaarlijkse inflatie-
graad in alle EG-landen voortdurend

toegenomen, om in 1975 een (voor

lopig?) hoogtepunt te bereiken. Zonder
twijfel is deze versnelling vooral de laat-

ste jaren in de hand gewerkt door toe-
vallige en conjuncturele factoren en

politreke vergissingen, zowel op natio-
naal als op internationaal vlak: de aan-

houdende boom in de jaren zestig, inter-

nationale monetaire wanorde, chaotisch
fiscaal beleid, explosieve stijging van

de grondstoffenprijzen enz. Maar de
infiatiespiraal is geen voorbijgaand
fenomeen; zij bezit een
structureel en

dus blijvend karakter.
Hiervoor zijn,
aldus het rapport-Maldague,
grosso
modo
twee belangrijke oorzaken aan te

wijzen, namelijk nieuwe concurrentie-
voorwaarden en gebrek aan sociaal

evenwicht, die op hun beurt het gevolg

zijn van diepgaande economische,
sociale en politieke veranderingen ge-
durende de laatste twee decennia.

van het inkomensbeleid dat compenserende verschillen
aanvaardbaar zijn en kan derhalve naar mijn mening alleen

maar als tijdelijk aanvaard worden. Op den duur moeten
we m.i., als de vaart weer wat in de groei komt, in de over-
drive, waarin wel een relatie blijft bestaan met het minimum-
loon, maar dat laatste wat sneller kan groeien. Onbegrijpe-
lijk vind ik het onwaarachtige aandringen op verkleining van
de toch al zo geringe afstand met het modale inkomen. Zo-

als ik al bij herhaling betoogd heb kan men niet dôörgaan met het ineendrukken van de onderste verdieping van het

loongebouw zonder dat iedere keer via de netto-netto car-
rousel alle sociale minima weer omhoog gaan, met alle pre-
miegevolgen vandien en zonder dat een inkomensbeleid dat

oog heet te hebben voor compenserende verschillen voor
het merendeel van de bevolking zijn geloofwaardigheid ver-
liest. Wie wil herverdelen moet voorbij de modale man be-
ginnen. Bij voortgaande herverdeling in de lagere inkomens-
groepen wordt een, steeds duurdere netto-netto-koppeling
onbetaalbaar.
Per slot moet het allemaal in hoofdzaak opgebracht wor

den door de massa van de actieven die het met een bedrag tussen het minimum- en het modale loon moeten doen 8).

6. Komt er nog iets van het inkomensbeleid terecht?

Bij alle getouwtrek over de VAD is de hoofdinhoud van

de
Interim-nota inkomensbeleid op
de achtergrond geraakt.
En die bracht.een wereldprimeur, omdat voor het eerst waar

dan ook een
kabinet
een samenhangend beeld probeerde te

schetsen van de inhoud van zijn verdelingsdoelçlling, als toetsingsgrond voor het beleid. De bekende bij4ge 15 bij

de
Miljoenennota
1970
was, technisch gezien; ‘misschien

een beter stuk, maar gaf alleen maar wat al lang in de studie-
boeken stond, aangevuld met wat informatie. De nota van
1975 specificeerde een doelstellingsfunctie en dat was niet minder dan een huzarenstuk voor een coalitiekabinet. Jam-
mer genoeg heeft eigenlijk alleen Tinbergen in zijn bespre-

king in
Vrij Nederland,
dat gezien.
Wat komt er nu van terecht? Hiervoor toetste ik al een

paar keer aan de norm van de compenserende verschillen.
Een daarmee samenhangende hoofdgedachte is dat het in-
komensbeleid naar de primaire sfeer verlegd moet worden

en dat de toetsing van de
relatieve
beloningsposities even

belangrijk is als de verkleining van inkomensverschillen als
zodanig. Dat is allemaal nog niet zo makkelijk te realiseren. Het is te hopen dat de wetsontwerpen over de openbaarheid
en de vorming van inkomens de gewenste aanknopings-
punten zullen bieden om met deze wezenlijke uitgangspun-
ten ook echt iets te gaan doen, bijv. – en om te beginnen – het

op blz.
25
van de nota aangekondigde adviescollege aan het
werk te zetten. Want hoe men ook over het verdelingsbeleid
van het kabinet moge denken, het is duidelijk dat het ge-

bruikte instrumentarium nog te veel in de secundaire sfeer
ligt en dan
bl(,j’t
het kurieren am Symptom.

D. J. Wolfson

8) Zie bijv. D. J. Wolfson, De toestand van ‘s rijks financiën, ESB.
7juli 1976, bis. 640-643.

ESB 27-10-1976

1055

Concurrentievoorwaarden

De macro-economische bestedings-
politiek gaat ervan uit dat de concur-

rentie de prijsbepaling op micro-econo-

misch vlak determineert. Dit veronder-

stelt een zekere prijsflexibiliteit zowel

aan de vraag- als aan de aanbodzijde.

Dit blijkt een foutieve veronderstelling

te zijn. De voorbije jaren zijn vooral ge-

kenmerkt door de opkomst van de z.g.
meso-economische sector.
Dit heeft
betrekking op de groei van de multina-

tionale ondernemingen, die tussen het

macro-economische overheidsbeleid en
het micro-economische niveau van de
kleine en middelgrote ondernemingen
hun eigen gang kunnen gaan en kunnen

ontsnappen aan de regulerende wetten

van vraag en aanbod. Niet dat de meso-
economische sectorperse gericht is tegen

het publiek belang: hun ontwikkeling is

het spontane en natuurlijke resultaat
van het streven naar schaalvoordelen

en van de behoefte aan specialisatie.
In vele, veelal cruciale sectoren bezit-

ten enkele grote ondernemingen een

overheersende marktpositie. In Frank-
rijk bijvoorbeeld wordt in de metaal-

sector 82% en in de staalindustrie 77%
van de totale verkopen gerealiseerd

door vier ondernemingen. In Duitsland

verkopen 2,5% van het aantal bedrijven

de helft van de industriële produktie.
In Groot-Brittannië controleren minder
dan 100 bedrijven de helft van de indu-

striële produktie.
Deze marktbeheersing en het ontstaan

van een vacuum tussen micro en macro

geeft de grote ondernemingen de moge-
lijkheid op te dringen, de concurrentie
aan banden te leggen en de overheid om
de tuin te leiden. Aldus is een belangrijk
gedeelte van de inflatie het
directe resul-

taat van een nieuwe prijsinf/exibi/iseit
die de mesd-economische macht heeji
opgelegd.
Als (quasi-)monopolies stellen deze

grote ondernemingen hun prijzen vast

afhankelijk van de kosten van kleine en
marginale bedrijven. Deze ,,price
umbrella”-politiek levert niet alleen ab-

normaal hoge winsten op, maar houdt
ook voldoende kleine bedrijven in leven,

zodat ogenschijnlijk voldaan wordt aan

de doeleinden van het nationale en corn-

munautaire concurrentiebeleid. Aldus
wordt verhinderd dat de overheid zou in-
grijpen om concurrentievervalsing tegen
te gaan. Ook op regionaal vlak is hun
actie merkbaar. Grote ondernemingen
investeren bijna uitsluitend in regio’s

met een hoge produktiviteit, maar laten
zich bij hun prijsbepaling leiden door de

kostenstructuur van minder-ontwikkel-

de regio’s. Gecombineerd met de ten-
dens naar een egaal nationaal loonpeil
leidt dit tot een systeem dat niet langer

meer de lagere reële kosten in de produk-
tievere regio’s weerspiegelt.

Produktiviteitsverschillen tussen in-

dustriële sectoren vormen een andere

infiatiebron. Produktieve sectoren wor-

den doorgaans gedomineerd door grote
ondernemingen die het produktiviteits-

voordeel echter niet tot uiting brengen

in lagere prijzen. Integendeel! Hierdoor
stijgen in deze sectoren de winsten en

lonen sterk. Dezé loonstijgingen ver-

spreiden zich over de gehele economie,

waardoor ook de minder produktieve

sectoren met hoge arbeidskosten gecon-
fronteerd worden en noodzakelijkerwijs

hun prijzen dienen op te drijven.

Een andere bijdrage tot de inflatie le-

vert de ,,transfer pricing technique” van

de multinationale ondernemingen: het

verwezenlijken en camoufleren van

hoge winsten door goederenverschuivin-

gen tussen de filialen van een onder-
nemi ng.

Het rapport wijst ook op de prijsrigidi-
teit in de verdelende handel, waarin de

winsten geïndexeeerd worden aan de

kosten. De structuur van de winstmarges

leidt ertoe dat maatregelen om prijs-
stijgingen tegen te gaan niet naar de

consumptieprijzen doorstromen. Prijs-

concurrentie is er vervangen door een
concurrentievorm die naar kosten- en

prijsstijgingen tendeert.

De overheid verkeert blijkbaar niet in

de mogelijkheid de werkelijke macht

Deze rubriek wordt verzorgd door
het Europa Instituut van de
Rijksuniversiteit te Leiden

van de meso-economische sector tegen

te gaan, dan wel te begrijpen. De rappor

teurs krijgen de indruk dat het over-

heidsbeleid de grote ondernemingen eer-
der beschermt en hen juist de kans geeft

steeds grotere winsten te maken. Zo is

er bijvoorbeeld het feit dat bij kapitaal-

uitbreidingen deze ondernemingen
steeds minder beroep doen op de uitgifte

van aandelen, maar naast interne finan-
ciering voorkeur geven aan obligaties
om. vanwege de rentesubsidies die de
centrale en lokale overheid aanbieden.
In een recessie zal dit infiatoir werken,
omdat grote ondernemingen hun prijzen

zullen verhogen ten einde zowel aan hun
vaste renteverplichtingen te kunnen vol-

doen als het peil van hun winsten te be-
schermen.
Deze tendens van stijgende prijzen on-

afhankelijk van de conjuncturele be-

weging wordt bovendien in de hand ge-
werkt door het gevoerde bestedings-

beleid. Hoe meerde overheid bestedings-
beperkende maatregelen neemt om de inflatie af te zwakken, hoe meer grote
ondernemingen hun prijzen opdrjven

om hun omzetdaling te compenseren.
Sociale onevenwichtigheid

Het rapport hekelt onze verkwistende

en onnatuurlijke levenswijze die erop ge-richt is zoveel en zo snel mogelijk te ver-

biuiken. Onafhankelijk van de prijzen
uit zich dit in een steeds toenemende

vraag naar goederen van twijfelachtige

nuttigheid en innovatie. Niet alleen geeft

dit een sterke infiatoire impuls, maar
bovendien wordt hierdoor beslag gelegd

op middelen die anders zouden kunnen

worden aangewend voor z.g. ,,sociale
investeringen”.

Trouwens, de vraag naar deze inves-

teringen, dat is in essentie naar verbete-

ring van de kwaliteit van het leven en van

de arbeidsvoorwaarden, wordt steeds

dringender. De vakbonden menen steeds
aan deze eis tegemoet te moeten komen

door conventionele loonconcessies, die
echter zowel de inflatie als de sociale
frustraties aanwakkeren. De ontevreden-
heid komt tot uiting in een daling van

de werklust, toename van het absen-
teïsme, produktiestakingen en een toe-

nemend aantal sociale conflicten die

steeds minder door loonstijgingen kun-

nen worden weggewreven.
Zonder twijfel heeft het dynamisme

van de vakbonden belangrijke voordelen
opgeleverd inzake arbeids-en inkomens-
zekerheid. Deze gewettigde, doch veelal
nog ontoereikende hervormingen heb-

ben evenwel ook tot een zekere inflexi-
biliteit op de arbeidsmarkt geleid, waar-

door de inflatie mogelij1i kan worden
aangewakkerd. Bovendien is hierdoor

een marginale arbeidsmarkt (gastarbei-
ders, uitzendkrachten e.d.) ontstaan

waar de arbeidskrachten minder veel-

eisend en minder sociaal beschermd zijn.
Dit heeft de toenemende bewustwording
van sociale onelijkheden nog versterkt.
Een andere infiatoire impuls gaat uit
van bepaalde structurele veranderingen

in de nationale produktie en inkomens-

verwerving. Het betreft niet alleen de
toenemende subsidies aan de meso-

economische sector, maar ook de sociale

subsidies, evenals het toenemend belang

van de ,,toebedelingseconomie”, waarin

de overheid buiten de markten en zonder

prijsvorming steeds meer de totale parti-

culiere consumptie determineert. Bij de
loononderhandelingen wordt de toe-
nemende belastingdruk a.h.w. ingecal-
culeerd om het aandeel van de private
huishoudingen in de primaire inkomens-

verdeling constant te houden. Met de

toenemende inkomensoverdrachten of

sociale transfers wordt evenwel geen

rekening gehouden. Een en ander heeft
dan ook geleid tot een logge en rigide

structuur van de openbare uitgaven.
Geconstateerd wordt, dat bij de sociale
partners de laatste jaren een tendens

merkbaar is zowel naar grotere decen-

tralisatie van de besluitvorming als naar
corporatisme, die ertoe geleid heeft dat
de sociale groepen in een grotere onder-

linge strijd verwikkeld zijn geraakt.
Daartegenover staat een verzwakte poli-
tieke besluitvorming, met als gevolg dat

in vele landen de parlementaire demo-
cratie nog maar moeizaam werkt. Onze
politieke instellingen en procedures, die
tot stand zijn gekomen in totaal andere

politieke en sociaal-economische om-
standigheden, hebben zich niet aange-
past aan de maatschappelijke ontwikke-
lingen. Een grondige herziening van de

methoden inzake politiek bestuur en
sociaal overleg is dan ook zeer nood-

zakelijk.

1056

Beleidsvoorstellen

De deskundigen stellen dat men bij de

strijd tegen de inflatie meer gebruik van
de traditionele instrumenten van het

economisch beleid zou kunnen maken. Dit impliceert echter dat men de resul-

terende recessies en depressies moet aan-

vaarden, evenals de toenemende structu-
rele werkloosheid waartoe deze veralge-

mening van de ,,stop-go-policy” onver-

mijdelijk moet leiden. Bovendien moeten
de maatregelen steeds ingrijpender wor-

den om nog enig effect te hebben. Vol-
gens hen is de huidige crisis hiervan een
duidelijk bewijs: in bepaalde landen isde

inflatie ontegenzeggelijk enigszins terug-
gedrongen, maar alleen ten koste van

zeer hoge economische en sociale offers.
Bovendien twijfelen zij aan het blijvend

karakter van deze infiatievermindering.

Uit de structurele oorzaken zal de infia-

tiegolf opnieuw de kop opsteken, zodra

de prbduktie en tewerkstelling toe-

neemt.

Daarom opteren de auteurs voor een

nieuwe economische en sociale strategie

om de structurele oorzaken van de in-
flatie bij de horens te vatten. Uit hun

reeks voorstellen tot fundamentele
hervormingen en maatregelen die tot een
meer evenwichtige economische, sociale

en politieke structuur moeten leiden, zul-
len we in het navolgende de voornaamste
punten bespreken.
Nieuw groeimodel

Het naoorlogse groeimodel van de
EG-landen, dat lange tijd economische

groei en volledige werkgelegenheid

heeft gewaarborgd, is uit de hand gelo-

pen en heeft geleid tot toenemende

tegenstellingen, o.a. en vooral tussen

werkloosheid en inflatie. Om uit het slop

te geraken is een nieuwgroeimodel nodig
dat steunt op duidelijke en prioritaire
doeleinden: herstel en behoud van de vol-
ledige werkgelegenheid, prijsstabiliteit,
bevorderen van het economische en
sociale evenwicht door een betere maat-

schappelijke ordening (met nadruk op
regionale ontwikkeling, huisvestings-
beleid, tewerkstellingspolitiek, progres-sieve herverdeling van het nationaal in-

komen, milieubescherming), reductie
van de ongelijkheden t.a.v. zowel de ver-

deling van collectieve goederen (onder-

wijs, vrije tijd, cultuur e.d.) als t.a.v. de
fiscale en parafiscale toestand, het be-

vorderen van rechtstreekse participatie

op alle vlakken, evenals van democra-
tische praktijken.

Indien men niet de moed heeft om dit

nieuwe groeimodel gradueel in te voeren,
ulIen de economische, sociale en poli-

tieke crisissen veelvuldiger en diep-

gaander worden.

Concurrentie

Een scherpe controle van de meso-

economische sector is dringend nood-

zakelijk. Vooral het prijsbeleid van de
grote ondernemingen dient streng ge-

controleerd te worden, niet alleen op
nationaal vlak, maar ook – gezien het

internationale karakter van hun activi-

teiten – op gemeenschapsniveau. Zo
dient de informatie gemeenschappelijk

gecentraliseerd te worden, een commu-
nautair prijzencomité opgericht te wor-

den en een EG-boekhouding opgelegd

te worden, die tevens gescheiden moet
zijn, om de in- en uitvoerverrichtingen
tussen filialen herkenbaar en controleer-
baar te maken.
Controle van de meso-economische
sector omvat o.m. ook een grotere open-

bare informatie over investeringsplan-
nen, het versterken van de controle op
concentraties en fusies en het controleren

van programmacontracten (loonkosten,
regionale investeringen enz.) door vak-

bonden en parlementen (inclusief het

Europese Parlement).

Om redenen van sociale aard en econo-
misch dynamisme wordt gepleit voor het
bestaan en bevorderen van kleine en
middelgrote ondernemingen. Ten einde

de rentabiliteit van deze ondernemingen

op te voeren, dient de technische bijstand

en het beroepsonderwijs bevorderd te
worden, de toegang tot kredietmogelijk-

heden uitgebreid en belangrijke over

heidsopdrachten gesplitst te worden

zodat deze ook aan deze sector toe-
vloeien.

Tewerkstellingsbeleid

Bijzondere aandacht wordt aan het
tewerkstellingsbeleid geschonken omdat
de grote en toenemende structurele

werkloosheid en de escalatie van sociale
spanningen op middellange termijn een

groot gevaar inhouden voor alle EG-

landen. De vaak nog ontoereikende
sociale hervormingen dienen aangevuld
en herzien te worden in het kader van een

globaal tewerkstellingsbeleid. Dit omvat
verbetering van de arbeidsvoorwaar-
den, een actief beleid inzake arbeids-
flexibiliteit en -mobiliteit, herwaarde-

ring van het manuele werk, herziening

van de inkomensverdeling, vestiging
van een industriele democratie enz.

Een minimumpercentage van de over-
heidssteun voor investeringsprojecten

moet gereserveerd worden om de verbe-
tering en vermenselijking van de ar-

beidsvoorwaarden te financieren.
Het tewerkstellingsbeleid dient in de

eerste plaats een communautaire zaak

te zijn. Anders is het mogelijk dat de

positie van ondernemingen uit een land

dat reeds een actief beleid voert, aange-
tast wordt, indien één of meer andere
EG-landen dit beleid nog niet hebben
geïntroduceerd.

Consumptiepatroon

Ten einde tot een consumptiepatroon
te komen dat een kleinere verspilling en
kleinere afhankelijkheid van kunst-

matige en onnuttige innovaties inhoudt,

geeft het rapport vier kernmaatregelen

aan:

• Het bevorderen van de vraag naar

verbetering van de levenskwaliteit ten
einde tot een vermindering van de zuiver

kwantitatieve behoeften te komen.
Essentieel hiervoor is een uitbreiding van

de collectieve voorzieningen, een ver-

betering van de levens- en milieuvoor-

waarden, het scheppen van nieuwe toe-

gangsmogelijkheden voor alle bevol-

kingslagen tot onderwijs en cultuur,

het tegengaan van de verstedelijking
enz.
• Een vermindering van de heersende

ongelijkheden. De inflatoire consumptie vergroot het bewustzijn van de ongelijk-
heid en leidt tot sociale spanningen. Een
billijker inkomensverdeling, een verbete-

ring van het belastingstelsel, meer selec-
tieve sociale transfers en grotere partici-

patie van de werknemers in het onder-

nemingsbestuur zouden hiertoe een bij-

drage kunnen leveren.

• De consumenten zouden beter be-
schermd en geïnformeerd moeten wor-

den. De werkgroep hoopt dat een mini-

mumprogramma op gemeenschaps-
niveau zo spoedig mogelijk van de grond

komt.
• Strijd tegen verspilling, evenals het

aanmoedigen van de produktie van duur-

zame goederen, het geven van prioriteit

aan het openbaar vervoer en het be-
vorderen van het weer opnieuw gebrui-

ken van grondstoffen.

Openbare financiën

De deskundigen stellen de effectiviteit

van het beleid t.a.v. sociale transfers
gedurende de laatste 15 jaren ter sprake.

Het aanvaarden van een groeimodel dat

meer kwalitatief en minder inflatoir ge-
richt is en tegelijkertijd de werkgelegen-
heid wenst uit te breiden, dient alleszins

van een grotere en meer efficiënte over-

heidssteun vergezeld te gaan. Het rapport
beklemtoont, dat belastingvrijstelli ng

vervangen moet worden door directe en
meer doorzichtige steun, dat een grotere

selectiviteit met betrekking tot sociale
transfers aan de dag moet worden gelegd,
dat het volksgezondheidsstelsel moet
worden gerationaliseerd enz.
Planning

De werkgroep-Maldague is duidelijk

voorstander van een soepele en selec-
tieve planning, niet als een voorspel-
Ii ngsmiddel, maar als een efficiënt instru-
ment om de economie te sturen naar be-
paalde doelstellingen. Belangrijke voor-
stellen in dit verband zijn:

• Hervorming van de traditionele
economische rekeningen tot een ge-
integreerd sociaal-economisch rekenin-
genstelsel. Hierbij zou in het bijzonder

ook rekening moeten worden gehouden

met milieuvervuiling, regionale oneven-
wichtigheden enz. Hieruit zou een data-

bank op gemeenschapsniveau voort-
vloeien.

• De doelstellingen zouden duidelijk

ESB 27-10-1976

1057

omschreven moeten worden, evenals hun

onderlinge prioriteit en de verschillende

strategieën om de gekozen doeleinden

te verwezenlijken. Meer in het bijzonder

wordt naar voren gebracht dat de plan-

ning zou moeten bestaan uit een op de-

mocratische wijze regelmatig bij te
sturen plan op lange termijn (15 â 20

jaar), waarin bepaalde doeleinden van
het nieuwe groeimodel – zoals de ont-
wikkeling van de consumptie en het

onderwijssysteem, de regionale ontwik-

keling enz. – zouden worden vast-

gelegd. Dit zou moeten worden gecom-
pleteerd door een plan op middellange

termijn (5 jaar) dat in het bijzonder
de prioritaire investeringsprogramma’s

bevat en korte-termijnprognoses. De

planning dient opgesteld te worden in

overleg met alle economische en sociale
belangengroepen.

• In het kader van de planning moet

nadruk worden gelegd op selectieve

groei (bevorderen van de produktie van

collectieve goederen). Dit impliceert het
vastieggen van de openbare bestedingen

overeenkomstig vastgelegde prioriteiten.

Besluit

Zoals gezegd besloot de Commissie
het rapport niet onder de publieke aan-
dacht te brengen. Het werd wel aan

enkele gespecialiseerde commissies van
het Europees Parlement en het Econo-

misch en Sociaal Comité toegestuurd,

maar verder slechts aan journalisten die
er speciale belangstelling voor hadden.

Een van deze journalisten werkt bij de

redactie van
Le Nouvel Observateur,

die er op 23 augustus ji. een artikel aan
wijdde. Het nieuwsagentschap AFP

zorgde voor verdere ruchtbaarheid. Toch
werd er in de pers relatief weinig aan-

dacht aan geschonken.

Het rapport-Maldague legt belang-
rijke oorzaken van de huidige inflatie

bloot, schiet op een aantal – zowel
rechtse als linkse – heilige koeien en

stelt een oplossing voor die niet alleen

moeilijk en hachelijk lijkt, maar velen

ook angst inboezemt. Weinig of geen

onmiddellijk toepasbare of haalbare
oplossingen worden voorgesteld; cen-

traal staan in deze blauwdruk voor een

wenselijke toekomst een aantal funda-mentele hervormingen die moeten be-
letten dat onze maatschappij zich op

rampzalige manier ontwikkelt.

Men zou kunnen stellen dat de werk-

groep buiten zijn opdracht is gegaan,

dat het rapport vanuit een bepaalde visie

is geschreven, dat de toon antikapitalis-
tisch en vaak agressief is, dat sommige

tekstgedeelten als slogans overkomen en

zich de vraag naar bewijzen opdringt.

Maar zonder twijfel wordt de vinger op

de zere plek gelegd: de inflatie is geen

losstaand probleem, maar een complex

fenomeen dat als een molensteen aan de
hals van ons economisch systeem hangt.
Terecht wordt beklemtoont dat de ,,gol-

den sixties” onherroepelijk voorbij zijn

en dat met een maatschappelijke orde-

ning – inclusief de overheid – die
slechts naar deze periode blijft terug-

kijken, de ,,gloomy seventies” slechts•

de ouverture vormen tot grotere econo-

mische en sociale ellende.
Uiteraard viel een en ander niet in

goede aarde bij de Commissie, gezien

de liberaal-getinte sfeer van de Gemeen-
schap en gezien de periode dat het rap-

port werd ingediend. De voorbereidin-

gen voor de Driepartijènconferentie

waren volop aan de gang en waarschijn-
lijk werd gevreesd dat het rapport koren

op de molen van de vakbonden zou zijn.

In antwoord op een vraag uit het Euro-

pees Parlement antwoordde de Com-

missie op 15 september 1976 dat dit rap-

port door haar nog niet bestudeerd was.

Aldus is het zo dat voor het ontwerp van

het vierde programma voor de econo-

mische politiek op middellange termijn,

dat op 8 oktober 1976 gereed kwam,

het rapport-Maldague niet erg inspire-

rend gewerkt heeft.

Toch menen we dat het rapport alsnog
ruim verspreid moet worden en betrok-

ken zou moeten worden bij het sociaal
overleg in het kader van het vierde pro-
gramma voor het economisch beleid op
middellange termijn. Bovendien dient

o.i. zo spoedig mogelijk een discussie op

gang te komen inzake de toekomstige

economische orde van de EG.
Ten slotte nog één opmerking. Men
heeft de Commissie steeds verweten
vooral een club van technocraten te zijn.

Het in de doofpot stoppen van het rap-
port-Maldague is echter een
politieke
daad.
Positieve ontwikkeling of niet?

E. A. Mangé

HET MINISTERIE VAN DEFENSIE

roept sollicitanten op voor de functie van

DIRECTEUR-GENERAAL PERSONEEL (mnl./vrl.)

die zal worden belast met de leiding van het als gevolg van de reorganisatie van de
topstructuur van het ministerie van defensie in oprichting zijnde directoraat-generaal
personeel.
In die positie is deze de voornaamste beleidsfunctionaris voor het totale personeelsbeleid
voor zowel het burger- als het militair personeel. Deze zal in die hoedanigheid met de
personeelsdirecteuren van zee-, land- en luchtmacht en van het burgerpersoneel aan het
personeelsbeleid gestalte moeten geven, waarbij dikwijls uiteenlopende belangen met
elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

Voor de vervulling van deze functie wordt gedacht aan een candidaat die:

– ruime ervaring heeft op het gebied van het personeelsbeleid, waarbij ervaring in het
overleg met werknemersorganisaties tot aanbeveling strekt;

– ervaring heeft in het leidinggeven aan een groot en gecompliceerd apparaat;

– van academisch niveau is, waarbij een academische opleiding tot aanbeveling strekt;

– gevoel heeft voor het werken in teamverband;

– over een zodanige geestelijke en lichamelijke gesteldheid beschikt dat hij/zij ook
onder zich voordoende stress-omstandigheden adequaat kan werken;

– zo mogelijk reeds bekend is met de defensie-organisatie, doch in elk geval een positieve
instelling m.b.t. de krijgsmacht heeft;

– behoort tot de leeftijdscategorie 40-55 jaar.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.

Salaris: 110.258,— per maand.

Belangstellenden die menen aan het bovenstaande te kunnen voldoen wordt verzocht hun (uitgebreide) sollicitatie-
brief binnen twee weken te zenden aan de Secretaris-Generaal van het ministerie, Plein 4 te ‘s-Gravenhage, onder
vermelding op de enveloppe van de woorden strikt persoonlijk”.

1058

Auteur