Ga direct naar de content

Jrg. 59, editie 2940

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 27 1974

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
DE

27 FEBRUARI 1974

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

59eJAARGANG

INSTITUUT

No. 2940

Openbaarheid van inkomens

Openbaarheid van inkomens is een begrip dat steeds vaker
naar voren komt in discussies en publikaties die de inkomens-
verdeling als onderwerp hebben. Er zijn natuurlijk zowel

voor- als nadelen verbonden aan het openbaar maken van aan

de belastingadministratie verstrekte gegevens. Het zou m.i.
gewenst zijn dat deze gegevens de inkomens bevatten en niet

slechts de aan de fiscus afgedragen bedragen, zoals sinds
1972 in Frankrijk het geval is. Om echter een niet te zeer ver

tekend beeld te scheppen van de bestedingsmogelijkheden
zou het aanbeveling verdienen de gegevens over de bruto-

inkomens slechts in samenhang met die over de netto-
inkomens te verstrekken. Van de 13.469 belastingplichtigen

die in 1967 een bruto inkomen 1) van meer dan f. 100.000
genoten, waren er 1.764 die er ook een besteedbaar inkomen
van meer dan een ton aan overhielden.

Het ernstigste bezwaar dat tegen openbaarmaking kan
worden aangevoerd, lijkt mij dat iedere indicatie ten aanzien
van het verband tussen de geleverde inspanning en het ge-

noten inkomen ontbreekt. De veronderstelling dat ,,er slechts
weinigen zullen zijn die zich meer inspanningen getroosten
dan ik” is wellicht zeer menselijk, maar kan niettemin in

menig geval slechts een gering realiteitsgehalte bezitten. We
moeten evenwel aanvaarden dat we vooralsnog niet in staat
zijn inkomens te ontleden in bestanddelen welke voortvloeien
uit inspanning, opleiding, toeval, familierelaties, machts-

posities enz. Een ander bezwaar is het verschil in fiscale be-
handeling tussen zelfstandigen en werknemers. Prof. Hellema

heeft in dit blad al eens gewezen op het feit dat een zelfstan-
dige die een pensioen gelijk aan dat van een minister en in
even korte tijd zou willen opbouwen, daarvoor een extra in-

komen van ca. 4 ton zou moeten genieten 2). Hoewel dit voor

beeld wellicht meer zegt over de pensioenregeling voor mi-

nisters dan over de fiscale positie van zelfstandigen is het dui-
delijk dat aan dit punt de nodige aandacht dient te worden
geschonken.

Het belangrijkste voordeel van het openbaar maken van de inkomens lijkt mij dat de mogelijkheid wordt geopend tot het

lokaliseren van de topinkomens. Met behulp van de tot nu
toe door het CBS gepubliceerde gegevens is dit slechts zeer

ten dele mogelijk. In 1967 hadden de accountants, de advo-
caten, de architecten, de artsen, de dierenartsen, de notaris-
sen en de tandartsen gezamelijk 363 personen in hun midden
met een besteedbaar inkomen van meer dan f. 100.000. De

artsen waren hierin met 230 personen of 63% sterk overver-
tegenwoordigd aangezien zij slechts 43% van de hier be-

schouwde groep van vrije beroepsbeoefenaren uitmaakten.
Van het totale aantal belastingplichtigen met een besteedbaar
inkomen van meer dan een ton was 13% arts. Dit lijkt een aan-
wijzing dat een onderzoek naar de inkomens van medische

specialisten interessante resultaten zou kunnen opleveren,
waarbij overigens niet uit het oog mag worden verloren dat
in een vergelijking met werknemers de werkgeversbijdrage

in de pensioenpremie een belangrijke rol kan spelen. Dit laat-
ste dient eveneens in aanmerking te worden genomen bij de
interpretatie van onderstaande tabel, waaruit blijkt dat ca.
90% van de topinkomens kan worden gelokaliseerd bij de
zelfstandigen en de directeuren van naamloze vennootschap-
pen.
Procentuele verdeling van alle belastingplichtigen met een inkomen van meer dan
f
100.000 over de sociale groepen;
1967

Inkomensbegrip

Zelf-

Direc-

Werk- Gepensio- Zonder
standigen teuren NV nemers

neerden

beroep

totaal inkomen
…………….
64,2

25,3

4,8

5,0

0,8
kerninkomen
……………..
74,8

21,0

2,9

0,3

1,0
besteedbaar inkomen
……….
59,0

31,8

3,3

4,8

1,1

Bron: CBS,
Inkomenseerde/ing 1967 en s’ermogenseerdeling 1968.

Voorts is het een interessante vraag ofen zoja hoeveel voet-

ballers, toneelspelers (die soms hun in het gesubsidieerde

toneel verkregen bekendheid door middel van reclame-acti-
viteiten te gelde kunnen maken), popzangers, ed. topinko-

mens ontvangen. Met behulp van de beschikbare gegevens

kan daarop echter geen antwoord worden gegeven.
Het zal duidelijk zijn dat de huidige beschikbare gegevens
te globaal van karakter zijn, met name wat betreft de top-

inkomens en dat meer detailleringen gewenst zijn, waarmee
lacunes in de beleidsrelevante informatievoorziening zouden

kunnen worden opgevuld. Het is te hopen dat het thans zit-
tend kabinet, dat aan de problematiek rondom de inkomens-verdeling heel duidelijk een hoge prioriteit heeft toegekend, daaruit de consequentie zal trekken dat meer en vooral meer

gedetailleerde informatie onontbeerlijk is in het kader van een

algehele inkomenspolitiek. Openbaarmaking van de inko-
mens kan daarbij wellicht een nuttige rol vervullen, terwijl

het bovendien kan bijdragen tot een sneller beschikbaar
komen van het cijfermateriaal, hetgeen de slagvaardigheid
van het beleid ten goede komt.

M. P. van der Hoek

Hieronder wordt verstaan het belastbare inkomen vermeerderd
met de in aftrek gebrachte buitengewone lasten en/of giften.
H. J. Hellema, Enkele opmerkingen in verband met inkomens-
politiek,
ESB, 14
februari 1973, blz.
140.

161

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

M. P. van der Hoek:

Openbaarheid van inkomens ……………………………..161

Column

Wie moet er nu eigenlijk op de korrel?,
door Drs. P. A. de Ruiter ..

163

Drs. H.
J.
H. Brouwers:

Het minimumloon ……………………………………..164

E. H. Kooy man:

Verwachtingen van consumenten ………………………….167

Notitie

Van Zweeden over Zweden,
door W. D. Franc kena ……………
169

Geld- en kapitaalmarkt

Het netto buitenlands actief van de banken,
door Drs. R. M. Vijn
171

Ingezonden

Povere waarnemers,
door Prof: Dr.
J.
A. A. van Doorn,
met naschrift

van W. D. Franckena …………………………………..
174

Het midden- en kleinbedrijf en de prijs- en kostenstijgingen,
door

Dr. P. M. van Nieuuenhuyzen,
met naschrift van
Drs. L. Hof/man
175

Kondratieff,
door Prof Dr. L.
J.
Zimmerman,
met naschrift
van

Drs. W. Sicidré ………………………………………..
176

Boekennieuws

Dr. Dr. S. Unterguggenberger: Cybernetica en direct costing.
door Drs.

C
. Horden ……………………………………………
176

Prof. Mr. H. J. Hofstra: Inleiding tot het Nederlands belastingrecht,

door Prof Mr. H.
J.
Hel/erna …………………………….
178

Afvloeiingsregelingen in Nederland,
door Drs. W. van Voorden

179

Mededelingen
…………………………………………..183

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Commissie man redactie: H. C. Bos,
R. Immeimia, L. H. Kloassen, H. W. Lamhers.
P. J. Montagne, J. H. P. Pae/inck,
A. de Wil.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman. Redactie-medewerker: W. D. Franckena

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterdani-30 /6, kopij moor de redactie:
tmost bus 4224.
Tel. (010) 1455 II. toestel 3701.
Bij adres mmijziging s. m’.p. steeds ac/resbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getipt, dubbele regelqfstand, brede marge.

Abonnementsprijs:
f
83,20 per kalenderjaar
(md.
4% BTW); studenten
f
52
(mcl.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ont m’angst van stort ings/giro-
a(-ceptkaart) op girorekeningno. 122945
t.n.v. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummer 12.50
(mci.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen von losse nummers
uitsluitend door o m’ernzaking van cle hierboven
vernielde prijs op girorekeningno. 8408
t.n. v. Stichtitig het ,Vederlands Economisch
Instituut ie Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
cxe, uplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, in oor slechts mm’ord/en
beëindigd per ultimo van een kalender.
jaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelanis – Schiedam
Lange Haven 141, Schiedam, tel. (0 /0) 26 02 60, toestel 908.

Sleutelhangers.

1et

0
e0′

e
t
Ve
l

oP
iette 0t

te
s
s
yert
.

0
0
0

SC’

Wat U wel ontvangt is veel interessante
ach tergrondinjormatie. Iedere week weer artikelen,

columns en rubrieken door een keur van auteurs.

Voor abonnementen: tel. (010) 14 55 11, toestel 3701.

Stichting Het Nederlands Economisch Instituut

Adres: Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterdam-3016; tel. (010) 1455 II.

Onderzoekaîdelingen:

Balancecl International Gromvth

Bedrijft- Economisch Onderzoek
Economisch-Sociologisch Onderzoek

Economisch- Technisch Onderzoek

Vesugingspatrunen

Macro-Economisch Onderzoek

Pro jectstudies Ont mmikkelingslanclen

Regionaal Onderzoek

S,atistisch-Mathemati.sch Onclerzoek
Transport- Economisch Onderzoek

162

P. A. cI Rui,er

Wie moet er

nu eigenlijk

op’ de korrel?

De kritiek, welke tijdens het congres

,,Crisis op de korrel” (1 februari jl.)
is geuit op het boekje van diezelfde

naam, heeft een van de auteurs ervan
niet weerhouden het nog eens dunne-

tjes over te doen. In
NRC
Handels-

blad van21 en 22 februari ji. levert

Prof. Dr. J. A. A. van Doorn op-

nieuw zware kritiek op de regering-

Den Uyl, die hij beschuldigt van cen-

tralistisch en eigenmachtig optreden

en ,,het drastisch heenlopen over

de belangen van het parlement”. Dat

illustreert hij niet alleen aan de

hand van de gang vanzaken rond de

Machtigingswet, maar ook met be-

hulp van andere actuele politieke

feiten.

Anderen hebben, o.a. op het be-

wuste congres, al aangetoond hoe-
zeer het merendeel van de vooron-

derstellingen en feiten waarôp

Van Doorn zijn betoog baseert even

zovele halve en hele onwaarheden

zijn. Ik zal daar dan ook niet op-

nieuw op ingaan, al kan ik de verlei-

ding niet weerstaan om een vraagte-

ken te zetten bij een aperte onwaar-

heid als ,,thans wordt het laatste

argument (d.w.z. voor de Machti-

gingswet) van stal gehaald: de drei-

gende werkloosheid vraagt krachtige
maatregelen”. Nota bene reeds bij de

allereerste publieke aankondiging

van de Machtigingswet
(p
13 no-

vember in de Tweede Kamer bij de

behandeling van de begroting Socia-

le Zaken) stond het veilig stellen van

de werkgelegènheid voorop als

ëentrale doelstelling!

Interessanter echter dan deze

slecht gefundeërde kritiek op het

kabinet-Den Uyl is de theorie welke

Van Doorn in de genoemde artike-

len ontvouwt rond zijn stelling

dat ,,vergaande democratisering en

participatie een hinderpaal zijn voor

‘drastische beleidsombuigingen”,

een opvatting die hij nog duidelijker

verwoordt waar hij stelt: ,,Er is geen

bètere manier om de status quo te

handhaven resp. eigen ideeën door te

zettèn dan door iedereen te laten

‘meepraten”. Wie ambitieuze plan-

nen heeft kan deze in devisie van

Van Doorn slechts realiserendoor

centralisatie van macht; inspraaLen

participatie verlammen alleen maar

de besluitvorming.

Volgens Van Doörn zien de pro-

gressieve partijen dat ook wel in,

maar durven ze daarvoor niet uit te

komen. De oplossing hebben ze ge-

vonden in het optrekken van wat

Van Doorn noemt ,,een politiek huis

van twee verdiepingen”. Het onder-

huis herbergt ,,de rommelige markt

met rechtswinkels,’wijkcomités, wo-

ningkrakers, abortusbestrjders,

hasjliefhebbers en vormingswerkers”

(deze omschrijving is op zich al veel-

zeggend voor de wijze waaEop de

auteur tegew deze groepen aankijkt;

zo ongeveer even negatief”als het

beeld dat vele econoniii’yan de

leoefenaars van de socjologische

wetenschap hebben).. De boven-

verdieping is de plaats waar werke-
lijk zaken gedaan worden, eensôort

effectenbeurs met ,,poliiieke aan-

delenpakketten van partijen, werk-

gevers- en werknémersorganisaties,

federaties van allerlei snit, advies-

raden en’ ambtelijke instanties”.

De energiëcrisis zou niet alleen de

tegenstelling tussen beide verdiepin-

gen aan het licht hebben gebracht,

maar ook duidelijk hebben gemaakt
waar deze regering de voorkeur aan

geeft: ,,Teruggetrokken op de bo-

venverdieping, waar zij het beste uit-

zicht heeft op de dreigende stormen,

regelt ze haar zaken en geeft, nadat

de beslissingen gevallen zijn, beriçht

ervan aan de menigte onder aan de

trap”. Een paar kanttekeningen hier-

bij.

Niet ontkend kan worden dat er

een zeker spanningsveld bestaat tus-

sen de behoefte aan efficiënte beslüit-

kracht enerzijds en de noodzaak van

een zo democratisch mogelijke wijze

van besluitvorming anderzijds. Een

spanningsveld, dat tegelijkertijd

een enorme uitdaging inhoudt. Het-

geen ook wordt onderkend in het

door Van Doorn geciteerde ,,Rap-

port van de Zes”, dat dit thema ver-

der uitwerkt dan de door Van Doorn

geciteerde (inderdaad krakkemik-

kige) zinsnede. Overigens is deze uit-

daging er voor iedere democratische

regering, links of rechts, progressief
of conservatief. Of durft Van.Doorn

deze ijzeren consequentie van zijn

filosofie niet te .trekken? Zij zou im-

mers in zijn visie inhouden dat er

voor wezenlijke democratische

besluitvorming in geen enkel con-

stitutioneel stelsel ruimte is.

Het gesignaleerde spanningsveld

houdt nïet alleen een uitdaging in

voor politici. Ook voor sociale we-

tenschappers, ook voor Van Doorn.
Daarvan is echter weinig te bespeu-

ren in dë bewuste artikelen in NRC

Handelsblad. Ook daaruit valt

slechts af te leiden de conclusie’;die

sommigen reeds op het congres

,,Crisis op de korrel” trokken: meer

dan een haastige en wankel gefun-

deerdè analyse hebben de crisis-

sociologen niet weten op te rispen.

Het antwoord op de hun gestelde

vraag, of ze. ook nog wat suggesties

konden aandragen voor meer eigen-

tijdse sociale technieken om de

;crisis”‘ politiek-institutio’neel de.

g
aas te blijven, c.q. te worden, moes-

ten ze schuldig blijven.

Van Doorns conclusie, namelijk’

dat de scheiding tussen het ,,onder-

huis” en het ,,bovenhuis” zou zijn op.

te lossen door voorlichting en vor-

ming ten einde brede lagen van de be-

volking te winnen voor beslissingen

van structureel belang, bevat niets

nieuws. Daar prakkizeren politieke

partijen zich al vele jaren suf over,

maar creatief meedenken, is geoor-

loofd. Als Van Doorn c.s daarvoor

praktische suggesties’ hebben, dan

houden ongetwijfeld besturen

en,

campagnecommissies van vele poli-‘

tieke partijen zich daarvoor aanbe-

volen. De sociologen moeten dan wel

een’beetje haast maken. Op27 maart

zijn er verkiezingen.

—.god

p
ffl,
~~

ESB 27-2-1974

‘ .

163

Het minimumloon

DRS. H. J. H. BROUWERS

Hei minimumloon kan gezien worden als de/man-

ciële bodem in het sociale voorzieningenpakket in

Nederland. Het is onder meer van belang voor:

• degenen die in loondienst het wettelijk minimale
loon verdienen;
• uitkeringen krachtens de
A 8W
en de daarmee ver-
band houdende groepsregelingen;

• uitkeringen krachtens de
AOW
en
A WW;
• de minimumdaglonen op grond van de
WA 0
en
de WW:
• de belastingvrije, voet van de inkomstenbelasting.

In dit artikel zal Drs. H.J.H. Brouwers, weten-

schappelijk mede tt’erker aan de Erasmus Universiteit
Rotterdam, aandacht besteden aan het karakter van

het wettelijke minimumloon. Is clii loon voor ver-
richte arbeid of een vorm van
behoeflenloon?
Verder
komt aan de orde de vraag of het ttetteli/ke mini-

mumloon heeft bijgedragen tot het verkleinen van cle beloningsverschillen. Hierbij sluit aan de vraag welke

invloed het aantrekken van buitenlandse arbeiders

heef op het minimumloon. Uitgaande van een ver-
ondersteld loondrukkend effect van hei aantrekken

van buitenlandse arbeiders wordt een aantal sugges-
ties gedaan om dit effect tegen te gaan en tevens het
sociale lot van de betrokkenen te verbeteren. Tot slot

ti’ordt een aanduiding gegeven van de hedrijfvk lassen
waarin r(
,
latief hoge concentraties minimum-loon-

trekkenden voorkomen, gevolgd door een aantal
slotopmerkingen. In dit artikel kon niet worden inge-

gaan op de discussie die de afgelopen weken over het
minimumloon is gevoerd.

Het minimumloon en een minimum-behoeftenloon

Het karakter van het minimumloon is dubbelzinnig. Aan

de ene kant is er sprake van een prestatie-element en aan de
andere kant van een behoeftenelement. De bedoeling van
de invoering van de wet op het minimumloon en de mini-
mum-vakantietoeslag is volgens de memorie van toelich-
ting:

,,Een minimumloon en een minimum-vakantietoeslag te verzeke-
ren, welke gezien de algemene welvaartssituatie als een aanvaard-
bare tegenprestatie voor de in dienstbetrekking verrichte arbeid
kunnen worden beschouwd” 1).

Het advies van de SER van 1966 inzake regeling van het
minimuminkomen noemt bij de beoordeling van de vraag

of het minimumloon wettelijk geregeld moet worden als al-gemeen sociaal uitgangspunt:

,,Dat het wenselijk is dat een ieder die in een afhankelijke positie

arbeid verricht, de zekerheid heeft Uit hoofde van die arbeid een
zodanig inkomen te verwerven dat hij en zijn gezin gezien de alge-
hele welvaarissituatie, een sociaal aanvaardbaar bestaan hebben”
2).

In de m.v.t. valt op dat er sprake moet zijn van een te-

genprestatie (prestatieloon) en in het SER-advies van een

sociaal aanvaardbaar bestaan (minimum-behoeftenloon).

Opvallend is het verband dat gelegd wordt met de algehele

welvaartssituatie. Alsof een verbeterde algehele welvaartssi-

tuatie een relatief hoger minimumloon met zich mee zou
brengen. De realiteit is anders, het minimumloon is t.o.v.

de verdiende lonen namelijk gedaald bij een groeiend nati-onaal inkomen.

Enerzijds is het minimumloon dus een beschermings-

maatregel die thuis hoort in de sfeer van de sociale zeker

heid, anderzijds is het minimumloon de uitdrukking van het

bedrag dat een werkgever bereid is te betalen voor een gele-verde prestatte.

Dit prestatie-element in het minimumloon is aanleiding
voor de vraag of het minimumloon wel ge7.ien mag worden

als uitdrukking van een sociaal aanvaardbaar minimumin-

komen. De minimumkosten van levensonderhoud zijn geen
objectief gegeven, maar vormen de weerslag van wat ande-

ren dan de minimum-loontrekkenden zelf vinden wat het

minimum is waarvan men rond moet kunnen komen.
Dat het minimumloon in werkgeverskringen als een pres-
tatieloon wordt opgevat, bleek in 1970 uit het verzet tegen

de verlaging van de leeftijdsgrens (van 25 naar 23 jaar)
waarop men recht heeft op wettelijk minimumloon. ,,De
leeftijdsgrens in de collectieve arbeidsovereenkomst houdt

veelal meer verband met de arbeidsprestatie die tegenover
het loon wordt gesteld dan met het behoeftenelement, dat
bij de toekenning va,n het wettelijk minimumloon een rol

moet spelen”. En ,,de extra loonstijgingen waarmee bepaalde
bedrijfstakken zich geconfronteerd zullen zien als gevolg
van de nieuwe wettelijke regeling maken een soepeL.
dispensatiebeleid noodzakelijk” 3). Met bepaalde bedrijfs-takken worden bedoeld de bedrijfstakken met relatief veel
vrouwelijk en jeugdig (23 < leeftijd < 25) personeel. Van
het wettelijk minimumloon gaat vooral in die bedrijfstak-

ken een sanerende werking uit.

Het minimumloon is dus bepaald geen minimum-
behoeftenloon. Een minimum-behoeftenloon kan bepaald
worden door op grond van subjectieve veronderstellingen
een budget op te stellen dat overeenkomt met de minimum-
kosten van levensonderhoud. Dit is bijvoorbeeld gedaan
door A.I.V. Massizzo in zijn
Proeve ton benadering ton (Ie
redelijke gezinsuitgaven van cle tt’erkende ongeschoolde ar-

Memorie van toelichting op de wet op het minimumloon en de
minimumvakantietoeslag, zitting
1967-68,
nr.
9574,
blz.
14.
SER – advies inzake regeling van het minimuminkomen,
1966,
no. 3 blz.
6.
De onderneming,
31juli
1970,
blz.
749.

164

beider in de grote sta(1
4). Omrekening van dit voor 1960

opgestelde budget naar een budget voor 1970 levert als be-
nodigd bruto minimum-behoeftenloon op f. 11.045
5).
In
1970 bedroeg het bruto minimumloon f. 8.190. Het rini-

mum
J
oon zou dus met ca. 35% moeten worden verhoogd, wil
het overeenkomen met Massizzo’s minimum-behoeften-

loon.

De hoogte van
het minimumloon

De eerste richtlijn van na de tweede wereldoorlog voor

de basisuurlonen door de Stichting van de Arbeid was ge-

baseerd op een minimum-behoeftenbudget. In 1945 en 1946
werd op basis van door het Centraal Bureau voor de Statis-

tiek verstrekte gegevens een berekening gemaakt van het

minimumbudget voor ongeschoolde werknemers. Dit bud-
get omvatte de kosten van het distributiepakket, gezinskos-

ten (contributies vakverenigingen, reinigingsartikelen, ra-
diodistributie, water en elektriciteit) en huur 6). Deze richt-

lijn voor basisuurlonen is steeds als loonvloer in alle loonre-
gelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten gehanteerd.

Bij de loononderhandelingen in 1963 werd binnen de
Stichting van de Arbeid een loonakkoord gesloten waarin

door de drie vakcentrales en de centrale werkgevers-
organisaties voor 1964 een minimumloon van f. 100 per

week werd overeengekomen. Dit bedrag van f. lOO was niet
gebaseerd op een budgetstudie, maar was het
resubaat van
onderhan(Ielingen.
In het akkoord werd overeengekomen
dat de invoering van een minimumloon als toetsingsnorm

voor collectieve arbeidsovereenkomsten niet zou mogen lei-
den tot een stijging van het loonniveau. Verhoging van het

minimumloon blijkt in de praktijk echter gepaard te gaan

met minstens even hoge verhogingen van de overige lonen.
Dit blijkt uit tabel 1 waaruit geconcludeerd kan worden dat

van 1964 tot 1973 de hoogte van het minimumloon onge-

veer parallel verloopt met de index van de regelingslonen.

In een advies van 1965 concludeert de SER als volgt: ,,In

het kader van het vigerende loonsysteem zijn, zoals de
praktijk ook heeft uitgewezen, voldoende mogelijkheden
aanwezig om desgewenst een gedragspatroon inzake een

minimuminkomen vast te stellen, dat in feite eenzelfde ef-
fect heeft als een wettelijk vastgesteld minimumloon” 7). Veranderingen in het loonpolitieke systeem leidden ertoe dat in een SER-advies in 1966 een ander standpunt wordt

ingenomen.

,,Naarmate de vrijheid voor het bedrijfsleven bij de concrete
loonvorming groter werd, nam de mogelijkheid van differentiatie
wat de ontwikkeling van het loonniveau betreft toe. Tegelijkertijd
ontstond de behoefte aan een zekere mate van coördinatie bij de
loonvorming, in die zin dat vermeden wordt dat sommige lonen
teveel bij de gemiddelde ontwikkeling zouden achterblijven”
8).

De SER verenigde zich met de opvatting van de regering
die, ,,gelet op haar verantwoordelijkheid voor de positie

van de laagstbezoldigden, van oordeel is dat de totstandko-ming van een wettelijke regeling van het minimumloon be-

vorderd dient te worden”. Over de verhoging van het wette-
lijk minimumloon wordt opgemerkt:

,,Het is redelijk te stellen dat de opvattingen Omtrent een sociaal
aanvaardbaar minimumloon evolueren met de welstands-
ontwikkeling die door grote delen van de maatschappij worden ge-noten. Dit betekent dat een stijging moet worden geëffectueerd die
de reële koopkracht van het minimum doet stijgen. Het is ander-
zijds echter de vraag of bij voorbaat mag worden gesteld dat deze
stijging even hoog dient te zijn als die van de gemiddelde wel-
standsontwikkeling. De raad is derhalve geporteerd voor een aan-
passing van het minimuminkomen via een index die ligt tussen het
prijsindexcijfer van het levensonderhoud, welke waardevastheid ga-
randeert, en de loonindex, die tot welvaartsvastheid zou leiden”
9).

De SER wijst de opvatting van de regering ,,dat voor de
aanpassing van de minimuminkomensnorm het beste de in-

dex van de regelingslonen kan worden gevolgd”, af. De

raad is van mening dat door een dergelijke keuze het mini-
muminkomen te snel zou stijgen, hetgeen, gelet op het feit
dat de in feite verdiende minimuminkomens sterk in be-

paalde bedrijfstakken geconcentreerd zijn, tot ernstige
moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven. De regering

heeft het standpunt van de SER overgenomen en tot 1971 is

een gemengde index van lonen en prijzen gehanteerd voor
de aanpassing van het minimumloon. In 1972 werd het wet-

telijk minimumloon welvaartsvast gemaakt, dat wil zeggen,
dat vanaf dat jaar het minimumloon de algemene loonont-
wikkeling volgt.

Als maatstaf voor globale loonontwikkeling wordt ge-

bruikt de index van de regelingslonen. Deze index geeft het
verloop weer van de basistijdionen volgens collectieve loon-
regelingen. Toeslagen voor overwerk, ploegenarbeid, tarief-

arbeid, e.d. die veelal ook in de collectieve loonregelingen
worden genoemd, blijven buiten beschouwing. De werkelijk

verdiende lonen zullen dan ook o.a. afhankelijk van de con-
junctuur daar veelal boven uitgaan. Globaal genomen heeft
het minimumloon de index van de regelingslonen in de pe-
riode van 1964 tot 1973 gevolgd (zie tabel 1). De opgelopen

achterstand in de jaren 1967 tot en met 1972 werd in 1973
bijna ingehaald doordat enerzijds de aanpassingsnorm ver

anderde en anderzijds een aantal extra verhogingen werd
doorgevoerd.

Een vergelijking met de index van de verdiende lonen in
de nijverheid leert dat deze lonen aanzienlijk sneller zijn ge-
stegen dan het minimumloon (zie tabel 1). Hieruit kan wor-

den geconcludeerd dat het minimumloon de loonverschillen

niet heeft verkleind tenzij men ervan uitgaat dat zonder een

wettelijk minimumloon de verschillen nog groter zouden
zijn geweest.

Tabel 1. Hei minimumloon in t’er’eli/king niet de regelings-
lonen en de verdiende lonen in de ni/verheicl.

Jaar

Minimumloon

Index

Index
(ultimo)

(gld. per week) regelingslonen verdiende lonen

64

………………………..
100 100
100
65

………………………..
110 110
109
66

………………………..
120
121
119
67

………………………..
126 129
127
68

………………………..
135 138
137
69

………………………..
148.80
149
151
70

………………………..
157,50
163
173
71

………………………..
177.90
181
199
72

…………………………
98,60
203
210
73

(april)

…………………..
216,90
218
229

Bron: CBS
Sociale ,na,,ndsiaiisziek.
Sociale kerncijfers Nederland.

Buitenlandse arbeiders en het minimumloon

Bij de veronderstelling dat minimumloontrekkenden in
het algemeen ongeschoolde arbeid verrichten, is het interes-
sant de markt voor ongeschoolde arbeid te analyseren. Het

gevolg van de toelating van buitenlandse arbeiders zou wel
eens kunnen zijn dat het aanbod van ongeschoolde arbeid

elastischer van aard is geworden. De komst van buiten-
landse arbeiders heeft tot moeilijkheden van velerlei aard

aanleiding gegeven, met als meest sensationele voorbeeld de

rellen in de Afrikaanderwijk in Rotterdam in augustus
1972. Deze moeilijkheden zullen waarschijnlijk leiden tot

Sociaal Maandblad Arbeid, 1961,
blz.
85
e.v.
Een normatief budget i.p. t’.
hei wettelijk niininlumloon als
norm voor de basis-uitkering A 8W.
blz. 33, doctoraal scriptie,
Rotterdam, oktober
1971,
de omrekening vond plaats met behulp
van de Nationale Rekeningen.
Sociale voorlichting
1945/1946,
november
1945,
blz. 2.
SER – advies inzake een wettelijke regeling van het minimum-
loon,
1965,
no. 2, blz.
9.
SER – advies inzake de regeling van het minimuminkomen,
1966,
no. 3, blz.
5.
Zie voet noot
7.

ESB 27-2-1974

165

beperkende maatregelen van de regering. Dit leidt tot de
volgende stelling: Het aanbod van ongeschoolde arbeid

wordt door de toelatingsbeperkende maatregelen minder

elastisch. Deze gang van zaken kan grafisch worden weer-

gegeven door een ,,dubbelgeknikte” aanbodcurve van onge-
schoolde arbeid,

Loon voor onge-
schoolde arbeid

De aanbodcurve van ongeschoolde arbeid is opgebouwd

uit 3 aanbodcurven: aanbodcurve A
1
A
1
geeft weer de situ-
atie zonder invloed van buitenlandse arbeiders; in de loop
van de tijd nam het aantal buitenlanders toe en werd het

aanbod elastischer: A
2
A
2
. Bij q, ongeschoolde arbeiders

(voor het merendeel buitenlanders) neemt de regering be-

perkende maatregelen en het aanbod wordt minder elas-

tisch: A
3
A
7
. Afhankelijk van het snijpunt met de dubbel-

geknikte aanbodcurve heeft een verschuiving’ van de vraag

naar ongeschoolde arbeid een ander gevolg voor de loons-

hoogte.
De relatief grote loonsverhoging als gevolg van een

vraagtoename bij een relatief inelastisch aanbod zou tot ge-
volg kunnen hebben dat een aantal Nederlanders bereid is

het werk van de buitenlandse arbeiders over te nemen.
Een direct verband tussen het aantal buitenlandse arbei-

ders en de hoogte van het minimumloon is niet aantoon-
baar. Aan de ene kant valt uit de Sociale maandstatistieken

af te leiden dat minstens tweederde van de buitenlandse ar-
beiders afkomstig uit de Middellandsezee-gebieden méér
verdient dan het minimumloon. Aan de andere kant speelt

een wijziging in het werknemersbestand geen rol bij de be-

rekening van de indexcijfers van de regelingslonen omdat
daarbij met constante aantalsverhoudingen wordt gewerkt.
Voor de vaststelling van de indexcijfers van de regelingslo-
nen wordt uitgegaan van de voorgeschreven basislonen in
de regelingen. Het is niet bekend of en zo ja in hoeverre de

toevloed van buitenlandse arbeiders de herziening van de basislonen heeft beïnvloed. Het lijkt mij echter dat de on-

derhandelingspositie van de vakbonden door deze ontwik-

keling niet is versterkt.

Op grond van zeer uiteenlopende motieven van racisti-
sche tot zeer humane kan gepleit worden voor een beper

king van de toelating van buitenlandse arbeiders. Uitgaande
van de wenselijkheid het aantal buitenlandse arbeiders te
beperken, kan dit ook worden bereikt door andere maatre-
gelen in plaats van de op handen zijnde maatregelen om
de maximale verblijfsduur van buitenlandse arbeiders te be-
perken. Sprake is van een periode van 2 jaar. Deze periode
wordt zowel van werkgeverszijde als van de zijde van de
vakbonden te kort geacht. De werkgevers wijzen op de

tijdsduur gemoeid met de gewenning en de opleiding van de
buitenlandse arbeider, voordat deze zijn bijdrage tot de
produktie kan leveren. Van vakbondszijde wordt gevreesd
dat de opvang en begeleiding in gevaar komt, omdat men
zich voor een dergelijke korte periode waarschijnlijk minder moeite zal willen getroosten. Afgezien van bovengenoemde

bezwaren is het buitengewoon gevaarlijk om mensen uit-

sluitend op grond van hun buitenlanderzijn in een derge-
lijke mate in hun vrijheid te beperken.

Beperking van het aantal arbeiders kan echter ook op een
andere manier worden gerealiseerd. Te denken valt aan de

volgende maatregelen: bouw van buitenlandse arbeiders-

flats, te vergelijken met studentenflats, gedeeltelijk gefinan-
cierd door bedrijven die…buitenlanders in dienst hebben uit-

breiding van de opleidingsmogelijkheden voor buitenlan-

ders (een soort vormingsrecht met behoud van loon); verho-

ging van het minimumloon boven de normale verhoging
aan de hand van de index van de regelingslonen; een hef-

fing op het in dienst hebben van buitenlandse arbeiders.
Deze maatregelen aangevuld met andere sociale maatre-
gelen zullen tot gevolg hebben dat de loonkosten per bui-

tenlandse arbeider aanzienlijk zullen stijgen. Dit houdt te-

vens in dat het loondrukkende effect van de komst van bui-tenlandse arbeiders 10) wordt verminderd of misschien wel

opgeheven. Hierdoor wordt het de vakbeweging en haar
(Nederlandse) leden gemakkelijker gemaakt de buitenlandse

arbeider minder als ongewenste vreemdeling te zien, en meer

als iemand met wie je solidair kunt en wilt zijn.

M inimumloontrekkers per bedrijfstak

Het CBS heeft per 30 november 1971 nagegaan hoeveel minimumloontrekkenden werkzaam zijn in welke bedrijfs-
takken. Bij de verdeling van de aantallen en percentages

minimumloontrekkers over de bedrijfstakken en -klassen
vielen de volgende bedrijfstakken en -klassen op door hun re-

latief hoge percentages minimumloontrekkers.

Tabel 2. Aantal/en en percentages ,tiinw,uni/oonirekkers
0/)

30 november 1971 naar hecfri//siak en -klasse

St
B Bedrijfstak.ktasse
Aantal personen dat het
minimnmtoon verdient
1

kantat personen dat het mini.
mnmtoon verdient in%vande
werknemers van 23 jaar en
ouder
ssannen vrouwen
totaal
mannen
vrouwen
lotaal
13

mergel- zand- en grind-
63
4
77
3,0
26
3.6
23

textietnijverheid
86
2155
2241
0.2
26
4.1
24

schoennijverheid
864
7161
8025
2,9
32
15.0
29

lederfabrieken
136
155
291
2,9
13
4.8
2421
3966
16387
2,9
IS
10.1
8

dienstverlening
8952
29580
38532
2,6
3
6,6

winning
………..

84

overige maatschappe-

65

kteinhandel

……….

lijke diensten
1313
13126 14439
2.5
24
11.3
86

recreutiebedrjven

. . . .
411
542 953
3.5
13
6.1
87

hotels cafes

restaurants
1725
1726
3451
5.9
It
7,3
e.d
………………
89

dienstverlening

n.e:g.

.
3531
6755
10286
15.7
30
22,7
0.8

algemeen

totaal

a)

. .
24190
60243
84403
1.1
13
3.1

a) exclusief huiselijke diensten
N.B. door afrondingen in de afzonderlijke aantallen zijn afwijkingen ontstaan in de totalen.
Bron: CBS, Sociale ,msandxzati.stiek.
oktober 1972.

De bedrijfstak dienstverlening in haar geheel geeft zowel

bij de mannen als bij de vrouwen zeer hoge concentraties

minimumloontrekkenden te zien. In de klasse dienstverle-

ning niet eerder genoemd vallen o.a. de schoonmaakbedrij-
ven. Achter de term overige maatschappelijke diensten gaan
o.a. de bejaardentehuizen schuil.

Buiten de dienstverlening komen de hoogste concentra-ties minimumloontrekkenden voorin de mergel-, zand- en

grindwinning, textielnijverheid (m.u.v. het relatief lage per-

centage mannen) schoennijverheid, leerfabrieken en klein-
handel. Met uitzondering van de kleinhandel komen in alle
genoemde bedrijfstakken tevens relatief hoge concentraties
gastarbeiders voor II).
Wie mocht denken dat in tabel 2 de huiselijke diensten
niet zijn opgenomen bij gebrek aan minimumloontrekken-
den komt bedrogen uit. In een nota van 18 januari 1971 van

het Ministerie van Sociale Zaken getiteld
Beloningssituatie

van hei bij de bedrijfsvereniging ,, Detam” ingeschreven
huishoudelijk personeel in 1967, 1968 en 1969
wordt gecon-

cludeerd: ,,Slechts bij hoge uitzondering ontving een werk-

10) Zie Centraal Planbureau,
Economische effecten voor Neder-
land van de werving van buitenlandse werknemers.
maart 1972,
blz. 7.
II) Zie voetnoot 10, blz. 6.

166

Verwachtingen van consumenten

E. H. KOOYMAN*

Na het stellen van het uitgangspunt worden behandeld:
• de toenemende invloed van consumenten op de onder-

neming;

• wensen en behoeften van consumenten;
• consumentenorganisaties, overheid en onderneming.

Hierna volgen suggesties voor een consumentenbeleid ge-
zien vanuit het standpunt van ondernemers.

Uitgangspunt

Uitgangspunt is dat ondernemers hun verantwoordelijk-

heid hebben ten opzichte van de medewerkers, aandeelhou-
ders, consumenten, leveranciers en de overheid en via deze
groeperingen ten opzichte van de samenleving als geheel.
De genoemde belangengroeperingen doen een beroep op de

ondernemers en omgekeerd. Hun belangen lopen soms pa-
rallel, soms zijn ze met elkaar in tegenspraak. Het is de

verantwoordelijkheid van de ondernemer een evenwicht te
vinden in het behartigen van de belangen van de verschil-

nemer een inkomen dat gelijk of hoger was dan het mini-
mumloon” 12).

Slotopmerkingen

De hoogte van het minimumloon is bepaald via een
,,handje-klap-procedure”: een betere grondslag zijn bud-

getst ud ies.
De verhogingen van het minimumloon hebben geen ge-
lijke tred gehouden met de verdiende weeklonen in de nij-
verheid.

Er is geen
awitoonhare
invloed van het aantal gastarbei-
ders op de hoogte van het minimumloon.
Een relatief inelastischer aanbod van ongeschoolde ar-

beid t.g.v. gastarbeid-beperkende maatregelen zal bij een
vraagtoename naar deze soort arbeid leiden tot relatief

hoge loonsverhogingen.
Een aantal bedrijfstakken vertoont een samengaan van

hoge concentraties gastarbeiders en minimumloontrek-

kenden; dit wijst op de noodzaak van herstructurering
gericht op kapitaalintensievere produktieprocessen; deze

substitutie is kennêlijk (nog) niet lonend.
Deze herstructurering kan bevorderd worden door een

forse verhoging (bijv. 30% in 3 jaar) van het minimum-
loon.
De sociale gevolgen van bovengenoemde herstructurering
moeten uiteraard opgevangen worden met daartoe ge-
schikte maatregelen.

H.
J. H. Brouwers

12) CBS,
Sociale niaands,aiisiiek,
oktober 1972, blz. 540.

lende_groeperingen met als doel een zodanige winst te ma-
ken dat de continuïteit en verdere ontwikkeling van de on-
derneming zijn gewaarborgd.

De beste manier om de doelstellingen van de onderne-

ming, voortvloeiend uit haar verantwoordelijkheden, te
verwezenlijken is aan consumenten – of het nu individuele

consumenten zijn of huishoudens of inrichtingen of indus-

trieën – goederen en diensten aan te bieden van een goede

kwaliteit tegen een redelijke prijs, produkten die voldoen
aan uitgesproken wensen van consumenten of tegemoet ko-
men aan latente behoeften.

De vraag is: Wat is een goede kwaliteit, een redelijke
prijs, wat zijn de wensen of behoeften van consumenten?

Daarover is van mening te verschillen of van opvatting te
veranderen. Hiermede zijn wij beland bij de consumenten-
problemen waarvoqr ondernemers in een veranderende sa-
menleving zich gesteld zien.

De toenemende invloed van de consumenten op de on-
derneming

Gedurende de afgelopen 20 â 25 jaren zijn de opvattingen

en gewoonten van consumenten snel en ingrijpend gewij-

zigd vergeleken met het tempo van dergelijke ontwikkelin-
gen in vroeger jaren. Het heeft eeuwen geduurd voor er

verbetering kwam bijv. in verwarmings-, yerlichtings- en
transportmogelijkheden. Het heeft nog 150 jaren geduurd
voor de aardappels die in de 17e eeuw in Europa werden

geïntroduceerd ook regelmatig op tafel kwamen. Nu wor-
den nieuwe produkten veel sneller bekend en geaccepteerd.
Als voornaamste oorzaken van veranderingen in het ge-
drag van consumenten in de Westerse samenleving zijn te
noemen:

• de technische en wetenschappelijke vooruitgang, die het
mogelijk maakt om een steeds groter aantal produkten

van uiteenlopende kwaliteit en gebruikswaarde te produ-
ceren;

• de naoorlogse verbeterde opleidingsmogelijkheden, die
hebben bijgedragen tot een verruiming van blik en meer

tot oordelen bevoegd maken;
• de toeneming van inkomens, o.a. ten gevolge van betere

opleiding, gunstiger arbeidsvoorwaarden en sociale voor-
zieningen, waarmede de bestedingsmogelijkheden zijn

vergroot;

• verbeterde communicatiemiddelen, waardoor nieuwe ont-

wikkelingen, of elders heersende toestanden veel sneller
• bekend zijn en het denken beïnvloeden.

Dit is eenvoudig gezegd, maar in werkelijkheid is er
sprake van een ingewikkeld samenspel van verschillende op

* De auteur is stafmedewerkster voor consumentenaangelegen-
heden van de Nederlandse Unilever Bedrijven BV.

ESB 2721974

167

elkaar inwerkende factoren. Wellicht zal het tempo waarin
veranderingen zich voltrekken in de toekomst nog versnel-

len.
Een van de effecten van hogere inkomens, beter opgeleid

of geïnformeerd zijn, is dat de consumenten hogere maat-

staven aanleggen bij het beoordelen en scheppen van de le-
vensomstandigheden van het individu zowel als van de sa-
menleving als geheel, minder snel tevreden zijn met aange-

boden goederen en diensten of met gegeven omstandighe-

den. Bovendien zijn deze ontevredenen minder geneigd het
tot stand komen van gewenste veranderingen af te wachten

doch eerder: tot actie over te gaan.
Hierop vooruitlopend winnen de ondernemers voor het

bepalen van hun toekomstbeleid advies in van deskundigen

op het gebied van onderzoek, techniek, wetenschap, organi-

satie e.a. Er wordt gezocht naar nieuwe grondstoffen,
werkmethoden, produkten, economische modellen. Aan

deze activiteiten kunnen echter onverwachte neven-effecten

kleven die dikwijls pas in een veel later stadium worden of kinnen worden onderkend. Hier ligt een element van risico

voor producent en consument.
Marketingfunctionarissen zoeken afzetgebieden en door
marktonderzoek stellen ondernemers zich op de hoogte van

wensen en behoeften van consumenten. Voorwaarde voor
het voortbestaan van een onderneming is immers dat haar

produkten en activiteiten door de consumenten worden ge-

accepteerd.
Wensen en behoeften van consumenten

In het algemeen gesproken zullen de consumenten zich
kritischer opstellen naarmate zij beter opgeleid of geïnfor-

meerd of meer ervaren zijn; kritischer niet alleen ten aanzien
van de relatie kwaliteit/prijs van het aangeboden produkt,

doch ook ten aanzien van mogelijke invloeden op de gezond-

heid, of bijvoorbeeld op het milieu tijdens het produktie-

proces, en tijdens en na het gebruik.
Een gevolg zal ook zijn dat de consumenten van de toe-
komst zich aan de ene kant meer individualistisch, meer on-afhankelijk gaan opstellen en autoriteit minder gemakkelijk

aanvaarden, maar aan de andere kant meer ontvankelijk
zijn voor nieuwe ideeën en eerder bereid zijn nieuwe pro-

dukten te proberen. Ze zullen erop staan te kunnen kiezen
en hun keuze zal sterk worden beïnvloed door de omstandig-
heden waarin zij verkeren. De organisatie van de huishou-
ding hangt onder meer af van de grootte van het gezin, de

leeftijd van de kinderen, het soort baan van beide of van een

van beide partners en eventueel daarmede samenhangende

sociale verplichtingen, de grootte van het inkomen.
Gehuwde vrouwen met een baan zullen minder tijd heb-

ben om boodschappen te doen, wellicht meer geld hebben
om uit te geven en meer geïnteresseerd zijn in tijd en arbeid
besparende voedingsmiddelen en huishoudelijke apparaten.

In de jonge gezinnen worden meer huishoudelijke taken overgenomen door de man en de inkopen vaker gezamen-lijk gedaan dan voorheen. Grotere kinderen hebben ook al
dikwijls een stem in het nemen van koopbeslissingen. Dui-

delijk is dat de rolverdeling in de gezinnen minder uitge-

sproken is dan vroeger.
Voor de ondernemers betekent dit dat zij zich in hun

communicatie met de consumenten niet meer alleen tot de
huisvrouwen moeten richten om effectief te kunnen werken.

De langere periode te zamen met anderen doorgebracht

op scholen en universiteiten zal de behoefte aan sociale con-
tacten doen toenemen en de levenswijze beïnvloeden, bijv.

ten aanzien van het ontvangen van gasten of buitenshuis
eten. De invloed van reizen naar het buitenland zal merk-
baar zijn door de toenemende belangstelling voor het klaar-
maken van buitenlandse gerechten om meer variatie in het

menu te brengen. Wat de voeding betreft is de belangstel-
ling voor gezondheid en slankheid bevorderende produkten

eveneens groeiende. De vraag naar luxe artikelen als boten,
caravans, tweede huizen zal nog wel blijven, de roep om

frisse lucht, schoon water, minder geluidshinder zal luider

klinken naarmate aan meer materiële behoeften is voldaan.

Een probleem is dat niettegenstaande de gesignaleerde
veranderingen in het gedrag van consumenten het toenemen

van hun kennis omtrent goederen en diensten geen gelijke

tred kan houden met de produktontwikkelingen. Daarom

voelen ondernemers zich genoodzaakt zich direct tot de

consumenten te richten.

Reclame

Een van de manieren om dit te doen is het maken van

reclame. Toekomstige kopers worden hierdoor geïnfor-
meerd omtrent het aanbod van produkten. Daarnaast is er

de concurrentiepositie die de ondernemer dwingt te pogen

de consumenten ertoe te brengen zijn produkten te kopen

in plaats van die van een andere onderneming. De reclame
is in dit opzicht het communicatie-instrument voor de me-
dedinging met name ten opzichte van prijs en kwaliteit. Dit

leidt er enerzijds toe dat de consumenten beter op de
hoogte zijn van, doch zich anderzijds onzeker voelen door

het grote aanbod van op het eerste gezicht vrijwel gelijke
produkten, waaruit in de westerse wereld een keus kan wor-

den gemaakt. Het is moeilijk geworden om kwaliteit en

gebruikswaarde te beoordelen. Er is het risico een verkeerde
keus te doen met wellicht onprettige gevolgen. Toch is het

de verantwoordelijkheid van de consumenten hun geld, tijd

en energie overeenkomstig hun keuze te besteden, zodanig

dat er een evenwicht is in het behartigen van de belangen
van de verschillende gezinsleden en van die van het gezin

als geheel zoals zorg voor gezondheid, opvoeding, ontspan-

ning, transport e.a.

Ook is het hun verantwoordelijkheid een correct gebruik
te maken van gekochte goederen en diensten. Door een te-

kort aan warenkennis of door onattentheid maken ver

bruikers wel eens fouten. Om enkele voorbeelden van ,,mis-

management” te noemen: een elektrische straalkachel ge-

bruiken om iets op warm te maken; chemische produkten,

zoals was- en schoonmaakmiddelen of medicijnen opbergen
op een plaats waar kinderen erbij kunnen; vergeten de ge-

bruiksaanwijzing te lezen om dan tot de ontdekking te ko-
men dat de soep klontert of de wasmachine niet schoon heeft gewassen. Soms is dat aanleiding tot kritiek op de
producent en in zo’n geval ten onrechte.

Aan de andere kant hebben consumenten wel het gevoel
dat de reclame hun produkten opdringt en maar zeer ten
dele informatie geeft; daarbij komt dat detaillisten ook dik-
wijls niet alles kunnen weten van de produkten die zij

verkopen en gebruiksaanwijzingen evenmin altijd duidelijk

zijn, en soms zelfs in een vreemde taal zijn gesteld. Met be-trekkiqg tot gezondheidsaspecten van voedingsmiddelen rij-

zen vragen als: Wat koop ik? Welke soort vlees bevat het
produkt, wat is de voedingswaarde, hoe lang kan ik het be-
waren?

De gevoelens van onbehagen en onzekerheid die hierdoor
zijn opgeroepen hebben de behoefte doen ontstaan aan ad-

vies en steun, aan meer informatie. Het oprichten van con-

sumentenorganisaties is hierop het antwoord geweest van
de beter opgeleide minder tevreden consumenten.

Consumentenorganisaties, overheid en onderneming

Verschillende organisaties stellen zich ten doel de consu-
menten van advies te dienen véér het nemen van een koop-beslissing, zij houden de verbruikers voor alleen dân iets te
kopen wanneer zij er een reden voor hebben en zich goed te
realiseren wat zij van een bepaald produkt verlangen om
vervolgens na te gaan wat met een bepaald produkt wel en

168


“,1T111

Z”veecIeri

IHlCtez

ZWedeli
OVe1


Vele inenven iii utu latet
/, /,

it/ei
Hit
1

hit
/1

t?

/

t)

it

c, z,tt’ die op ,l

1′,
t

It,

itt
/

itti,

een

soort paradijs is. Ec ti 1,iii,1

coat

/i,

e
,

1′ ,i,tt

‘t ih’I op

r,

ri / ie B-,se’t

r,

/, Hfl5
ccitt
/

arbe,c/s;’rec/e hafici in hatt,/

tin,

Ec tt 1, ti/

t

,t,/t,

‘Ii
/
/
dat

,1,

ruilt/te
t//t””,

/11/

tint

t,

Hta//r

het

f1,

tal

cci,,

eet!

/ ,ij t’ t/iti

‘t

tec,n

te

zanzen

met

ee/t

1,1

tvtse1t,

wni,

t/t’/’

t

t),’

/1

t,

i,t

t,

t•’i

t

/

t,

,
te,

/
t’

/
t,’

ii

,’t

ie
dek

tot

a’erke/ifk/tejd :s’,t,’r,Je,j,

r, titt,
1,1
1

De gedachte oni:na d,

el/tien ttissen

t
cr1 gever

,

,/t,

,j

t/t/,’te”

ja,,

,1,

/ii”(lok –
li
ttt, ii

li,

‘t,
li>

en werknemers in ons bril ‘,,, ‘tenen, een

t,’ g(ia,

kit

.1

t

itt
cl,

fr! “, tt

1)

ee ‘ii 1,t

/it

,,/

ii t
ken hoe het o,’er/e” loss, ti

f

t’eia/epare”rs in
ZuH

,r’atl

t’

ttit’ i’tt

J

‘,’Ht
t?

,
t

‘t

,i itt

1

Ii,

gedoe/it

ii

in cladeit

li

tr’ itt

lat deze

t

t

,/c

ge/t


‘hikbaru
omgezet do,’, de Stichtit;

tuai’happij
t

t Or,de,’n,

til/t

7H
te,

1, 17
zichzelf!’, Ii ‘ii Ii. Een

1,

/
t’ioet

cor-
mninç,

die ci,’

/t, ‘er

Van

/
t

,’,
‘,i
t,,

/ou,’n,, t

t

bij
N
R

1,
tt

ii»,

a ei

, ‘or /oonz,
,
t/t,

ti ‘t?

itt alt ,tkke

ccc-
H:m’ide!sblad

t,

‘ric»b’tt’, h, t

in
ESB,
1,,,,’

‘st’

itt

studie,’e t

neat

/

,

/,
ti t,

t’,aken,

te/til

II,

Ii
Ii tel

Het

resultaat

s’an

die

iii Ii, reis
1v ,,ei

‘,
1,

,/
iti

.1,’

tt,tr
/11,’

,’,
,/,i

Iii

t,

1

i’t,tl

t/t

1

t

eI

t C,1,ir
publikatie
,,
Zweden, een
t,

t
acer
…….

den konu o,a, tot de conclusie dat het
3i
t,
ii
iie tt tin-
0
‘t
rtcema.viaking

iii

k’i,’ucia

1tj

1 ‘I’,
,
t
j’,Ist clan
hei
Zit’eec/
,

,it
1′,
i,/,it,

hoger personeel vechten 01t 1,;i en
Ii

ti
/

t?!
ii

”1
t

/

t:

,

t

,

‘,’t

,,•

1

-,

r

(1,
hit,
/iflç
Valt de
loo,,som

1/ /

niet kan wordengedaan, opdatzij hun geld, iijd en energie
doelmatig kunnen besteden, ‘en ook milieuproblemen in de

beschouwingen betrekken. Consumentenorganisaties in
strikte zih, dienen niet alleen van advies, maar komen op

voor de belangen van de’ consument als marktpartner, zij

treden op als pressiegroepen ten opzichte van’ de overheid,
en van het bedrijfsleven. .

De cônsumentenorganisaties komen op voor, een. aantal
grondrechten van ‘de’ consumenten (geformuleerd door

wijlen President Kennedy), te
:
wet
•. Het recht op informatie,
o.a. door
,
middel van verge-
lijkende waren-en dienstenonderzoeken, informatieve eti,ket-,
tering, goedkeuringsmerken; dit, zijn’ drie elkaar aanvul-

lende vormen van informatie. ,Het recht op informatie heeft
geleid tot eisen voor meer gegevens bij produkten op het
moment van aankoop. Bij voedingsmiddelen:’ declaratie’van
de samenstelling, ‘de vôedingswaarde, de prijs per stan-

daardhoeveelheid, een datumstempeling, bij t’extielgoederén
samenstelling en behandelingsetikettering, bij duurzame ar-

tikelen labels met de belangrijkste gegevens. Maar, wat rele-
vante gegevens voor de
,
consument zijn is niet zo eenvoudig
te bepalen. • ‘

• Het recht op veiIighéid/bescherming.
Het ligt voor de hand
dat het publiek het recht heeft te verwachten dat produkten’
die op de markt’komen zo veilig zijn als met de huidige stand

van wetenschap, techniek en controle-systernen mogelijk is..
Over de veiligheid van elektrische apparaten wordt veel ge-praat evenals over de veiligheid van voedingsmiddelen, me-

dicijnen en wasmiddelen.

Zeker is dat fabrikanten veel geld uitgeven aan research
ten ‘behoeve van de veiligheid van produkten. Verwacht

mag worden dat. de internationale organisatie van consu-mentenbonden en haar leden .zullen aandringen op wette-.
lijke bescherming van consumenten tegen unfaire handels-
praktijken hetgeen zijn invloed zal hebben op de thuismarkt

zowel als op de export. Op het gebied van voedingsmidde-

len bestaan in èen groot aantal landen wetten ter bescher-
ming van de volksgezondheid en ter bevordering van de

eerlijkheid in de handel. Daarnaast streven de’ World Health
Organization en de Food and Agricultural Organization

ESB 27-2-1974

naar een
:grotere
uniformitei’t in de eisen van de overhedeh
.door ,het. vaststellen van ‘internationale maatstaven die tot

nationale wetten kunnen worden. Hetzelfde speelt zich af in

de Europese Gemeenschap. De assemblee van de Raad van
Europa heeft een ,,handvest van de consument” aanvaard,

‘waarin dë beginselen voor debescherming van de consii

ment zijn vervat, die in de aangesloten landen behoren te
worden toegepst.

Er moet rekening’ mee worden gehouden ‘dat georgani-

‘seerde conumenten zullen ijveren voör het tçt stand komen

van al of niet wettelijke overheidsmaatregeien ten einde
declaraties op produkten verplicht te stellen en de consumen-
ten te beschermen,tegen risico’s, fraude en misleiding.

• Het recht op ieuze.
Dit recht is voor consumentenorgani-
satiès o.a. aanleiding tot kritek,op, enerzijds, te veel keuze-

mogelijkheden, anderzijds, te weinig aanbod, hetgeen kritiek

op .prijsafspraken of’ nachtsconcentraties kan inhouden.
Cadeaus en zegeltjes worden door hen gezien als ,,opgedron-
gen” voordelen die de keuzevrijheid beperkén:•

.. Het’ recht te- worde
‘t,
n gehoord
geeft aan dat consumenten-
organisaties ,hun stem willen laten horen bij de overheid en’ bij het bedrijfsleven ten einde hun aandacht’ te vragen voor
consumentenbelangen op korte ,of lange termijn.

Overheid en consument

Een enkel woord over de’ overheid en consumentenzaken.

De internationale donsumentenorganisatie pleit voor èen –
consumentenraad of een ministerie in alle landen. Canada

heeft al een minister voor ,,Consumer and Corporate Affairs”.

In Amerika is er het’bureau voor consumentenzaken van de

President: Engeland kent een Minister of State for Tradê and
Consumer Affairs.

Overheidsinstanties hebben duidelijk gemaakt dat zij al-

leen ‘dan in staat zijn consumentenbelangen voldoende in
overweging te nemen ,indien bedoelde organisaties blijk ge’

169

ven van deskundigheid ten aanzien van de te behandelen

materie, zo mogelijk zitting nemen in relevante commissies

en zich sterk opstellen.
Consumentenorganisaties leggen ook contacten met par-
lementariërs. Zij proberen een soortgelijke onderhande-

lingspositie te verkrijgen als de vakbonden die regelmatig
worden uitgenodigd om verschillende kwesties met de

overheid te bespreken, met als resultaat soms wettelijke

maatregelen.

Brede taak voor consumentenorganisaties

Duidelijk is dat consumentenorganisaties zich niet langer
uitsluitend bezighouden met het verstrekken van informatie

over ,,value for money” door het publiceren van resultaten

van vergelijkende warenonderzoeken of waarschuwen tegen

agressieve verkoopmethoden, doch geïnteresseerd zijn in
consumentenaangelegenheden in bredere zin, zoals de posi-

tie van de consument als marktpartner, de rechtspositie van

de consument, milieuproblemen en hun effect op het wel-

zijn van consumenten, en in de toekomst zeker nauwer
gaan samenwerken met overheidsinstanties, vooral waar de

politici die tot taak hebben de maatschappij te verbeteren
een beroep doen op hun assistentie. Deze ontwikkeling is al

te zien in de Europese Gemeenschap waar serieus wordt ge-
zocht naar wegen om de belangen van consumenten meer
recht te doen.

De massamedia besteden vrij veel aandacht aan de uitla-

tingen van consumentenorganisaties. Dit heeft tot gevolg

dat de consumenten die geen lid zijn van een consumenten-

•organisatie toch goed op de hoogte kunnen zijn van de
standpunten en activiteiten van deze organisaties.
Refererend aan het recht van de consument op geho bij
het bedrijfsleven is op te merken dat kopers met grotere be-

langstelling voor consumentenzaken in staat zijn hun wen-
sen en eisen duidelijker te onderkennen, hetgeen de on-
dernemers zullen kunnen aflezen uit de resultaten van

marktonderzoeken en uit verkoopcijfers.

De geschetste ontwikkelingen in aanmerking genomen is
het voor ondernemers van belang het oor te luisteren te leg-
gen niet alleen bij individuele consumenten maar ook bij

consumentenorganisaties. Geaccepteerd zal moeten worden dat de consumenten willen meepraten /beslissingen voorbe-

reiden wanneer hun belangen in het geding zijn. Ik denk
daarbij in eerste instantie aan het participeren in commis-

sies of werkgroepen, doch de opmerking dat consumenten-

organisaties inspraak zouden moeten hebben v66r een

produkt op de markt komt is al gevallen.

Enkele suggesties voor een consumentenbeleid

Goed beschouwd zijn de belangen van consumenten en

producenten niet in tegenspraak met elkaar. Het voortbestaan
van een onderneming is immers alleen dan verzekerd indien
in voldoende mate aan de verlangens van de consumenten

is voldaan. Zij beslissen tot kopen of niet kopen, tenminste
in een samenleving gebaseerd op vrije ondernemingsgewijze

produktie. Dit systeem mag dan niet door iedereen als ide-

aal worden beschouwd omdat keuzemogelijkheden een ele-ment van verspilling inhouden en een element van risico en
bovendien een element van strijd, hetzij voor voortbestaan,

hetzij voor rechten, de problemen die deze situatie met zich
brengt zijn te verkleinen door overleg tussen consumenten,
consumentenorganisaties en ondernemingen.
Redenen waarom er toch verschillen in gezichtspunten

bestaan, en er een spanningsveld is tussen consumentenor-
ganisaties en ondernemers kunnen zijn:

1. dat de consumentenbeweging zich bezighoudt met het be-
hartigen van de belangen van consumenten op een breed
terrein en veelal in mindere mate dan het bedrijfsleven is

gebonden aan het vinden van een evenwicht in het be-

hartigen van de belangen van verschillende groeperingen;

dat de indruk bestaat dat consumentenorganisaties niet

altijd de mening van ,,de consument” vertegenwoordigen,

maar die van een groepje geavanceerde consumenten, dit

waarschijnlijk ten gevolge van gebrek aan financiële mid-

delen of mankracht ten behoeve van onderzoek op dit
punt;

dat ondernemers en consumentenorganisaties dezelfde

gegevens soms verschillend interpreteren. Dit komt voor
bij de resultaten van vergelijkende onderzoeken;

dat ondernemers en consumentenorganisaties geen van
beide feilloos zijn.

Er zou een beter wederzijds begrip moeten ontstaan en

een samenwerking gebaseerd op het erkennen van redelijk-
heid en gezond eigenbelang aan beide kanten.

Enkele suggesties voor een consumentenbeleid gezien

vanuit het standpunt van de ondernemers zijn:

• bestudeer voortdurend de wensen van de consumenten in
de veranderende maatschappij;

• biedt consumenten de mogelijkheid te kiezen door pro-
dukt- en prjsdifferentiatie;

• zorg ervoor dat produkten zo veilig zijn als verwacht mag
worden bij de huidige stand van de wetenschap, zo veilig
als mogelijk is kan in bepaalde gevallen onbetaalbaar

zijn;
• gebruik doelmatig verpakkingsmateriaal, d.w.z. vol-

doende bescherming biedend, gemakkelijk te openen en
te hersluiten en te vernietigen en niet te veel verschillende

formaten;
• anticipeer op de behoefte aan informatie, door het

verstrekken van relevante gegevens;

• behandel klachten met zorg;
• besteed aandacht aan de opmerkingen van consumen-

tengroeperingen die zich van hun verantwoordelijkheid be-

wust zijn en
• informeer hen over de zienswijze als ondernemer m.b.t.

actuele onderwerpen;
• neem actief deel in overleg over consumentenproblemen
en hun consequenties, wanneer de gelegenheid geboden

wordt;
• zoek naar wegen voor het bespreken van produktontwik-
kelingen met afgevaardigden van consumentenorganisa-
ties;
• werk samen met consumentenorganisaties ten behoeve

van consumentenvoorlichtingsprogramma’s voor vol-
wassenen en op scholen.

Niet onvermeld mag blijven dat de Kamers van Koop-

handel, nationaal en internationaal, zich meer en meer met consumentenzaken bezighouden. Met name de Kamer van Koophandel in Amerika heeft een Business Consumer Re-

lations Code opgesteld, waarin verschillende punten die zijn

aangeroerd staan genoemd.

Een ander voorbeeld uit Amerika is de oprichting van de

,,National Business Council for Consumer Affairs” ge-

vormd uit afgevaardigden van handel en industrie. De be-
doeling is dat de council nauw zal samenwerken met het

Bureau voor Consumentenzaken van het Witte Huis en met
andere overheids- en particuliere organisaties en door haar

invloed bij handel en industrie zal bevorderen dat vrijwillig

maatregelen ter bescherming van de consument worden ge-

nomen.
Tenslotte zij opgemerkt dat er alleen optimale consumen-
tenbescherming zal zijn wanneer consumentenorganisaties
en ondernemers contact met elkaar onderhouden, d.w.z. eI-

kaars moeilijkheden en inzichten bespreken en dit ernstig
nemen ten gunste van degenen die bij beiden centraal in de

belangstelling staan: de consumenten, en via hen ten gunste

van de samenleving als geheel.

Elisabeth H. Kooyman

170

sk

0
.
Geld- en kapitaalmarkt

Het netto buitenlands actief
van de banken

DRS. R. M. VIJN*

In de financiële berichtgeving wordt sporadisch aandacht besteed aan het
zogenaamde netto buitenlandse actief
(hierna afgekort met nba) van de ban-

ken. Dat deze publiciteit zo gering is,
wordt waarschijnlijk in de hand ge-

werkt door het gemis aan een duidelijk

beeld van de activiteiten, die achter
deze term schuilgaan. Niettemin vormt

het nba een belangrijke schakel in het

economische verkeer met het buitenland.

De analyse, die De Nederlandsche Bank
(DNB) onlangs heeft gepubliceerd van
het Nederlands kapitaalverkeer tijdens
de recente valutacrisis 1) vormt dan ook
een welkome bijdrage ter opvulling van
eerdergenoemde lacune. De opmerkin-
gen, die in deze publikatie m.b.t. de
buitenlandse positie van het bankwezen
worden gemaakt, zijn voor ons aan-
leiding, eens dieper op deze materie in
te gaan.

Betalingsbalans en leads and lags
Tabel 1. Betalingsbalans op kasbasis (in

mln. gid.)

973

2e kw. 3e kw.

Overschot op lopende rekening (goede-
ren-en dienstenverkeer)

……….
1.051
1.046
Tekort in het lang- en kortlopend kapi-
taalverkeer

…………………

.326
1.160

Tekort van de niet-monetaire sectoren
resutterend

in:

………………
275
114
Af- resp. loenome
officihk
reserves DNB
—2.965
47
Toe- resp. afname netto vorderingen
banken op het buitenland (nba) 2)
2.690

161


275

114
Bron:
Kwirzadib 111 L3NB 1973,
nr. 3, statistische bijlage
6.1.

De betalingsbalans is een periodiek
overzicht, waarin het betalingsverkeer
met het buitenland wordt geregistreerd
3). Met verwijzing naar tabel 1 kan glo-

baal een onderscheid in twee gedeelten
worden gemaakt.

– De geregistreerde transacties van

de niet-monetairesectoren. Hieronder
zit begrepen:

• de ontvangsten en uitgaven uit hoofde van het goederen- en dienstenverkeer

mci.
kapitaalopbrengsten met het
buitenland, resulterend in het bekende
saldo op de lopende rekening;

• de transacties in het kapitaalverkeer,
voornamelijk betrekking hebbend op
het langlopende kapitaalverkeer van
de private sector. De voornaamste
posten.,tn deze categorie zijn de effec-tentransacties, de directe investeringen

en de kredietverlening op lange ter-
mijn.
2. De reflex, die bovengenoemde

transacties in de monetaire sector te-
weegbrengen, namelijk een verandering
in de goud- en deviezenvoorraad van de

centrale bank en een mutatie in de fi-
nanciële verhouding van het bankwezen

met het buitenland, ook wel netto bui-
tenlands actief genoemd.

Het bovenstaande is te vergelijken met
een kasboek, waarin over een bepaalde
periode ontvangsten en uitgaven staan

genoteerd met de vermelding van de oor-
zaak van deze in- en uitgaande geld-
stroom. De beheerder van de kas is de
centrale bank; een gedeelte van haar

taak is gedelegeerd aan het bankwezen,
dat er een eigen subkasboek op na houdt.
De uiteindelijke verantwoordelijkheid

voor het kasbeheer berust bij de centrale
bank.
Met de registratie op kasbasis, zoals

weergegeven in tabel 1, wordt echter één
verhouding tot het buitenland ,,onder

tafel geschoven”, namelijk de netto fi-
nanciële positie op korte termijn van het

bedrijfsleven, ten opzichte van het bui-
tenland. Tabel 2 geeft een aanknopings-
punt ter verklaring van dit verschijnsel.

Tabel. 2. De mutatie in de netto finan-
ciële positie op korte termijn Nederlands

bedrijfsleven/buitenland (in mln. gld.)

1973

2e kw. 3e kw.

Overschot resp. tekort lopende rekening
op trunsactiebasis
……………
1.789 – 119

Overschot lopende rekening op kasbasis

1.051

1.046

Niet geregistreerd kort handelskrediet
verleend san
(+)
resp. door (—) het

buitenland
………………….

..ï38′ —I165”

Bron:
Ks,or,aalberichg DNB 1973.
nr. 3, statistische bijlage
6.1.

De interpretatie van deze tabel is als
volgt. Gedurende het tweede kwartaal

1973 had het Nederlandse bedrijfsleven
op grond van het goederen- en diensten-
verkeer per saldo f. 1,8 mrd. van het

buitenland moeten ontvangen. Er is ont-

vangen f. 1,1 mrd. Conclusie: het Ne-
derlandse bedrijfsleven heeft in deze
periode voor ca. f. 0,7 mrd. kort handels-
krediet verstrekt aan het buitenland.

Deze kredietverstrekking is ontstaan
doordat het buitenland aan ons lang-

* De auteur is medewerker bij het Econo-
misch Bureau van de AMRO-bank te Amster-
dam.
Kwartaalbericht DNB 1973,
nr. 3, blz. 48
t/m 55.
In de door DNB gepubliceerde betalings-
balansen (tabel 6.1 in jaarverslagen en kwar-taalberichten) worden deze mutaties vermeld
onder het hoofd ,,Bankenverkeer”. Onder-staand overzicht laat zien, dat de onder dit
hoofd vermelde mutaties Vrij goed aansluiten
met het verschil in opeenvolgende standen van
het nba zoals vermeld in de tabel 2.4 ,,Offi-
ciële goud- en deviezenreserves en netto bui-tenlands actief van de geldscheppende instel-
lingen”.
2e kwartaal 1973
volgens tabel 2.4
juni 1973
stand nba handelsbanken . –

4.741
idem overige geldscheppende
instellingen exci. DNB ..

40 4781
maart 1973
stand n.b.a. handelsbanken

2.155
idem overige geldscheppende
instellingen excl. DNB .. – 165

1.990

stijging nba 2e kwartaal 1973
geldscheppende inst. excl.
DNB

……………..
2.791
volgens tabel
6.1 totaal balansverkeer 2e
kwartaal 2.690

3e kwartaal 1973
volgens tabel 2.4
sept. 1973 stand nba geldsch. inst.
cxci. DNB ………………..4.691
juni 1973 idem ………………4.781

daling nba 3e kw. 1973 geldsch. inst.
cxci. DNB . .. . …………….

—90
volgens tabel
6.1
totaal bankenverkeer 3e kwartaal -. —161
De benaming .. ….. balans” is lichtelijk
verwarrend.
Dë betalingsbalans is geen momentopname
van vorderingen op en schulden aan het
buitenland, maar een overzicht van de muta-ties in die vorderingen en schulden.

ESB 27-2-1974

171

zamer is gaan betalen en/of doordat
WIJ

aan het buitenland sneller hebben be-
taald. Voor het derde kwartaal 1973 zien

we een geheel andere situatie: aan het

buitenland had per saldo f.0,1 mrd. be-

taald moeten worden. We hebben echter
per saldo van het buitenland ontvangen
f. 1 mrd. Derhalve heeft het buitenland

ons in het derde kwartaal voor eenbe-.
dragvanca. f. 1,1 mrd.aankorthandels-

krediet verstrekt. Dit is gebeurd doordat
het buitenland aan ons sneller heeft be-

taald en/of doordat wij onze handels-
schulden aan het buitenland langzamer

hebben voldaan.
Deze verschuivingen in de betalings-termijnen in het goederen- en diensten-
verkeer met het buitenland worden

meestal aangeduid met de term ,,leads

and lags”. Op de achtergronden van deze
,,leads and lags” komen we nog nader

terug. Ze zijn namelijk mede van belang

voor de verklaring van het netto buiten-
lands actief van het bankwezen.

Contante valutamarkt

Na deze algemene inleidende opmer-
kingen richten we nu de schijnwerpers

op het betalingsverkeer met het buiten-
land; met name de techniek die daarbij

wordt gehanteerd alsmede de consequen-
ties van deze techniek hebben onze
bijzondere aandacht. In eerste insT?Tfl
gaan we uit”van de veronderstelling dat

er uitsluite
1
nd sprake is van een contan-

te valutamarkt. Het buitenland zal vraag
uitoefenen naar guldens uit hoofde van

voornamelijk 4):
• door hei, Nederlandse bedrijfsleven

geleverde goederen en diensten;

• aankoop van binnenlandse effecten;
• investeringen in Nederland, bijv. het
vestigen van dochterondernemingen.

De vraag naar guldens betekent aan-

bod van vreemde valuta. Daar staat
tegenover de vraag naar valuta, die door

Nederlandse ingezetenen wordt uitge-
oefend, v&ral 4) als gevolg van:

• door het buitenland geleverde goede-
ren en diensten;
• aankoop door Nederlanders van

buitenlandse effecten;
• investeringen van het Nederlandse be-
drijfsleven in het buitenland.

Het vreemde valutaverkeer, dat als

gevolg van bovengenoemde transacties
plaatsvindt, loopt via de deviezenban-
ken, dat zijn voornamelijk de handels-
banken. Indien nu vraag en aanbod van

vreemde valuta’s over een bepaalde

periode elkaar in evenwicht houden,
d.w.z. indien het saldo van de in tabel 1 genoemde niet-monetaire sectoren nihil

is, bestaat er voor de algemene banken
als collectiviteit geen noodzaak bij DNB
aan te kloppen om vreemde valuta’s te

kopen of te verkopen. Wel is het in een dergelijke situatie mogelijk, dat de aan-

bod/vraag-verhouding van één bepaalde
valuta, zeg de Duitse mark, een vraag-
of aanbodexcedent oplevert. Het saldo

van de hierbovengenoemde transacties

van de binnenlandse niet-monetaire
sectoren met de Bondsrepubliek heeft dan in die periode aanleiding gegeven
tot meer vraag naar dan aanbod van

resp. meer aanbod van dan vraag naar

Duitse marken.

In een situatie van een overall-even-
wicht op de valutamarkt (we gaan nog

steeds uit van uitsluitend een contante

valutamarkt) wordt een vraagexcedent

van Duitse marken dan blijkbaar z6-
danig gecompenseerd door aanbod-

excedenten van andere valuta’s, dat de valutamarkt per saldo in evenwicht is.

Is dit evenwicht niet aanwezig, dan zal
er een verandering plaatsvinden in de na-

tionale deviezenvoorraad. Zo zullen bij

een per saldo vraagexcedent van buiten-

landse valuta’s, de deviezenbanken bij
de centrale bank moeten ,,aankloppen”,
waarbij tegen uitlevering van guldens
vreemde valuta’s door DNB worden ver-

strekt. Dit betekent een afname van de

deviezenvoorraad.

Valutamarkt met contante en

term ijnaffa ires

Doen we nu vervolgens een stapje
dichter naar de werkelijkheid namelijk

het bestaan van een valutamarkt met

contante én termijnaffaïres.
Ter inleiding een voorbeeld. Stel dat

een cliënt van een bank – om wat voor
reden dan ook – over 3 maanden
dollars nodig heeft. Hij verwacht op
dit moment,
dat de contante aankoop-

koers van de dollar, die
over 3 maanden

geldt, hoger is dan de
huidige
termijn-

aankoopkoers van de dollar. Hij stapt
derhalve naar zijn bank met het verzoek,

hem dollars op 3-maands termijn te ver-
kopen, m.a.w. hij koopt dollars, die over
3 maanden worden geleverd. Zijn bank

kan nu, ten einde de dollars na het
verstrijken van deze periode te kunnen

leveren, besluiten, over 3 maanden
deze dollars contant te kopen om vervol-

gens tot leverantie aan de cliënt over te
gaan. Door deze handelwijze loopt de
bank echter een risico, de kans namelijk

dat ze zelf over 3 maanden meer voor de
dollars moet betalen dan ze van de cliënt
vergoed krijgt. Maar, zo zou deze rede-
nering kunnen worden tegengeworpen, deze deviezenbank kan, ten einde ieder

risico uit te sluiten, zelf toch op 3-maands
termijn dollars kopen?
Op zich een juist argument, maar we

moeten bedenken, dat bovenstaand
voorbeeld in de micro-sfeer speelt. Indien
voor de collectiviteit van het bankwezen
over een bepaalde periode per saldo een
vraagexcedent naar termij ndollars op-
treedt, kunnen de banken als collectivi-
teit niet tot termijndekking overgaan.

Aangezien ze toch geen koersrisico

willen lopen, handelen ze als volgt: voor

het bedrag aan vraagexcedent van

termijndollars kopen ze dollars op de

contante markt. Ten einde deze dollars

enig rendement te laten opleveren, wor

den ze in het buitenland bij bijvoorbeeld
collega-bankiers uitgezet voor een ter

mijn die duurt tot het tijdstip waarbij tot

effectuering van de termijnverkoop-
transactie moet worden overgegaan.

Een cijfervoorbeeld: als gevolg van een

termijnvraagexcedent van dollars kopen
de banken bij de centrale bank voor 1

mln, dollar contant tegen de koers f. 3,

een korte-termijninvestering derhalve
van f. 3 mln. Deze dollars worden gedu-

rende 3 maanden in het buitenland uit-

gezet tegen 8% op jaarbasis. Omgere-
kend in guldens levert dit een rente op

van f. 60.000. Bij effectuering van de

termijntransacties tegen een overeen-
gekomen termijnkoers van f. 2,98 ont-

vangen de banken van hun cliënten
f. 2.980.000. Tegenover een rente-op-

brengst van f. 60.000 staat derhalve een
koersverlies van f. 20.000. De netto-
op’brengst is dus f. 40.000, dat
is
een

rendement van
5’A%
op jaarbasis van de

oorspronkelijke investering van f. 3 mln.

In de praktijk zal de termijnkoers op een
zodanig niveau totstandkomen, dat het

uiteindelijke rendement tenminste gelijk
is aan het rendement van een vergelijk-
bare uitzetting in het binnenland.

,,Leads and lags”
en de valutatermijn-

markt

Bovenstaand verhaal is een gestyleerd
voorbeeld. In werkelijkheid vinden er

meerdere termijntransacties plaats door

een verscheidenheid aan deviezenbanken
en bij verschillende termijnen. Dat neemt
niet weg, dat per saldo overeen bepaalde
periode voor de collectiviteit van het
bankwezen bovenstaande gang van

zaken zich kan voordoen. Als we nu na-
melijk kijken naar tabel 2, dan kunnen

we t.a.v. het tweede kwartaal 1973 het
volgende opmerken.
We hadden reeds vastgesteld, dat in
dit kwartaal het buitenland ons langza-

mer heeft betaald en/ of wij aan het bui-
tenland onze schulden sneller hebben
voldaan. Hoewel niet met zekerheid aan
te geven, is het waarschijnlijk dat de oor-

zaak hiervan gezocht moet worden voor-
namelijk in de toenmalige verwachting

(vooral in juni), dat de dollarkoers een
verbetering zou ondergaan. Ten opzichte

van de gulden betekende dit, dat aan het
begin van het tweede kwartaal de ver-

wachting leefde, dat over zeg enige weken

4) In principe kan vraag naar en aanbod van
vreemde valuta ook veroorzaakt worden door
korte beleggingen en leningen van de private
sector excl. banken. Door de huidige restric-
ties in het internationale financiële verkeer is
deze factor echter van gering belang.
172

voor aankoop van guldens in verhouding
tot genoemd tijdstip minder dollars be-

taald behoefden te worden (betaling door
buitenland van Nederlandse export)

c.q. voor aankoop van dollars meer gul-
dens neergelegd zouden moeten worden
(betalingen door Nederland van buiten-
landse import). De koers van de gulden
stond zoals dat heet ,,onder druk”.

De buitenlanders die guldensschulden
hadden aan Nederland stelden hun be-
talingen aan de Nederlandse exporteurs

uit en kochten dollars op termijn. Ze ver-
wachtten namelijk, dat over enige weken
of maanden voor de dan geldende con-

tante verkoopkoers van de dollar min-

der dollars zouden behoeven te worden
verkocht om guldens te verkrijgen ter
voldoening van guldensschulden. Inge-
zetenen, die dollarschulden hadden aan

het buitenland, kochten eveneens bij
hun banken dollars op termijn. Zij rede-

neerden als volgt: ik verwacht over enige
tijd meer guldens te moeten betalen

voor een bepaald bedrag aan contante
dollars dan wanneer ik nu dollars op ter-
mijn koop. Het schijnt, dat in dit kwartaal vooral
de ingezetenen zich duchtig op de valuta-
markt hebben geroerd. Het resultaat van

dit alles was, dat het proces op gang werd
gezet, zoals dat enige alinea’s terug is
beschreven; aankoop van contante dol-
lars door het bankwezen en uitzetting

van deze dollars in het buitenland uit
rendementsoverwegingen. Deze uitzet-

tingen nu vormen het belangrijkste on-

derdeel van het nba van het bankwezen.
Zij zijn vooral verantwoordelijk voor de

schommelingen in deze belangrijke cate-

gorie activa van de handelsbanken
5),
schommelingen die duidelijk gedemon-
streerd worden in tabel 1.
Opvallend is het verschil met het derde
kwartaal, de periode waarin de revalua-
tie van de gulden plaatsvond. Als gevolg
van onder meer optimistischer verwach-
tingen t.a.v. de guldenskoers na de reva-
luatie van de mark trad, over het gehele

kwartaal gezien, een zekere stabilisatie
op. Derhalve nam het nba niet toe, in-
tegendeel een lichte afname kon worden
geconstateerd.

Beroep op DNB en nba

Met het bovenstaande is aangegeven,
dat de ,,leads and lags” een belangrijke
oorzaak kunnen zijn voor schommelin-

gen in het nba. Dat wil niet zeggen, dat
ze altijd de enige oorzaak zijn. Betalings-
balanssaldi, maar ook valutaspeculaties

sec van bankcliënten, zonder reële trans-
acties op de achtergrond, kunnen ook als
bron worden aangemerkt. Voorts is

DNB van mening, dat de banken soms een uitbreiding aan hun nba geven, die
niet geïnitieerd is door termijntrans-

acties van hun cliënten. Met name in 1969 zou dat het geval geweest zijn.

DNB stelt, dat toen als gevolg van de

scherpe rentestijgingen op de Eurodol-

larmarkt de ,,banken middelen ter uit-
zetting in het buitenland kochten bij De

Nederlandsche Bank, waarbij tegelijker-

tijd hun beroep op de Bank steeg” 6).

Met het oog hierop werden door DNB
toen bepaalde bovengrenzen gesteld aan

het nba.
We hebben gezien, dat uitbreiding
van het nba voorafgegaan wordt door

contante aankopen van vreemde valu-
ta’s. Deze aankopen kunnen dus mede

oorzaak zijn van het stijgen van de con-

tante koersen van de valuta’s, die in
de belangstelling staan. Vooral voor
zover deze valuta’s binnen het zgn.

slang-arrangement vallen bestaat de
mogelijkheid, dat als gevolg van deze

koersstijgingen het beroep van het bank-
wezen op DNB wordt vergroot. Wat is

namelijk de gang van zaken? Enige

Europese landen 7) steunen binnen be-
paalde grenzen elkaars valuta. Indien

bijvoorbeeld in Nederland de koers van

de Duitse mark een bepaalde boven-

grens is genaderd, intervenieert DNB op
de valutamarkt door verkoop van Duitse
marken. Het omgekeerde vindt plaats,
wanneer door een groot aanbod van
marken de markenkoers het onderste
interventiepunt bereikt. Indien nu het
bovenste interventiepunt van een slang-
valuta is bereikt, zal DNB volgens af-spraak valuta’s verkopen. Indien in de

andere factoren, die op de geldmarkt
inwerken, geen verandering optreedt,
heeft deze valuta-afgifte een vergroting

van het beroep van het bankwezen op de
centrale bank tot gevolg 8). Of een derge-
lijke vergroting daadwerkelijk optreedt,

is de vraag. Ze kan tijdelijk versluierd
worden door andere, geldmarktverrui-

mende, factoren.
In augustus 1973 nam DNBmaatrege-
Ien ter limitering van het beroep van de

banken, waarbij in geval van overschrij-
den van deze limiet een extra commissie
zal worden berekend. Deze beslissing

is waarschijnlijk genomen met het oog

op de uitbreiding van het nba van de handelsbanken. Het punt is nu: werd

deze vergroting van het nba geïnitieerd
door de cliënten of door de banken zelf?
Zou het laatste het geval zijn, dan is de

maatregel voorstelbaar. Dan zou zich
namelijk de situatie hebben voorgedaan
die gelijk is aan de gang van zaken, die
volgens DNB in 1969 had plaatsgevon-
den. Mede op grond van het in voetnoot
1 genoemde artikel mag echter —nog af-

gezien van de vraag, of de zienswijze van
DNB m.b.t. de situatie in 1969 juist is –
worden geconcludeerd, dat in het tweede
kwartaal 1973 het voornamelijk de ter-

mijntransacties van de bankcliënten zijn
geweest, die tot een forse uitbouw van

het nba hebben geleid. We citeren:

,,De banken hebben de ontstane dollar-
termijnpositie gedekt door omzetting van
binnenlandse middelen, via aankoop van
marken tegen de interveritiekoers, in contante
dollaromzettingen
….
Deze vergroting van
hun uitzettingen bracht hun gezamenlijke

netto buitenlands actief op het historische
hoogtepunt van rond f.
5
mrd.”.

En even later wordt geconcludeerd:

,,Alle in dit artikel beschreven crisismutaties
in de Nederlandse officiële reserves vonden
hun tegenhanger voornamelijk in wijzigingen
van de buitenlandse posities der deviezen-
banken. De beschikbare gegevens lijken het
vermoeden te rechtvaardigen, dat het bank-
wezen zelf hierbij in grote lijnen geen onge-
dekte posities heeft ingenomen”.

Dat is geen verrassende conclusie. Het

is namelijk een publiek geheim, dat een

bankier nimmer een ongedekte valuta-
positie inneemt.

Voorts moet worden opgemerkt, dat
louter en alleen de constatering van een
nba, dat groter wordt, niets zegt. Immers,
de termijntransacties met cliënten wor-

den door de banken wél periodiek aan
DNB opgegeven, maar niet officieel
gepubliceerd. Alleen het nba, dus een

deel van het verhaal, verschijnt in externe

publikaties. M.a.w. uitsluitend DNB

kon beoordelen, in hoeverre de banken
wel of geen ongedekte positie innemen.

Resumé

Uit de constatering sec van een uitbrei-
ding van het nba der handelsbanken kan

niet worden afgeleid, op grond waarvan
deze uitbreiding heeft plaatsgevonden.
Het is vrij algemeen bekend, dat een ban-

kier nimmer een ongedekte valutapositie

inneemt. Anders geformuleerd: een
toename van het nba houdt rechtstreeks
verband met transacties van bankcliën-
ten. Uitbreiding van het nba als gevolg
van termijntransacties in met name

slangvaluta’s kan leiden tot interventies
van DNB hetgeen ceteris paribus leidt tot
vergroting van het beroep van het bank-
wezen op DNB. Dit laatste betekent een
verkrapping van de geldmarkt.

R. M.
Vijn

De andere componenten ,,overige activa”
in het bruto buitenlands actief vertoont veel
meer een structurele opwaartse ontwikkeling.
Het betreft hier voornamelijk lange krediet-
verlening aan het buitenland, gefinancierd
met kortlopende verplichtingen. Zie ook
bijlage 16 van de publikatie
De instrumenten
van de monetaire politiek in Nederland
in
februari 1973, uitgegeven door DNB.
De in voetnoot 4 genoemde publikatie,
blz. 39.
België (mcl. Luxemburg), Duitsland, Ne-
derland, Noorwegen, Zweden, Denemarken
en tot voor kort Frankrijk.
Voor een uiteenzetting van dit ,,mechanis-
me” zie deze rubriek in
ESB,
31 oktober 1973.
Blz. 54.

Blijf
bij,

lees
ESB!’

ESB 27-2-1974

173

deze verwijten kan ik kort zijn. Dat mijn

roEE!Sb

Ingezonden

congresindrukken niet waren gefun-

deerd op het congresboek
Crisis op de
korrel is
Vrij duidelijk. Zoals Van Doorn

ook zelf schrijft, het boek verscheen

pas op de dag van het congres. Nader-
hand heb ik het boek uiteraard wel ge-

IF
overe
w’aarnerriers

raadpleegd. Dat ik binnen de beperkte

ruimte die voor mijn verslag ter beschik-

king stond de nadruk heb gelegd op de
bijdrage van Van Doorn kwam uiteraard

omdat die bijdrage op het congres grote

aandacht kreeg. Over het tweede verwijt

PROF. DR. J. A. A. VAN DOORN
kan ik al heel kort zijn: ik vind dit een

wat unfaire suggestie die slecht wordt

beargumenteerd.

Het derde en belangrijkste bezwaar
van Van Doorn geldt het feit dat er –
In
ESB
van 13 februari geeft Wim
mijn materiaal. Het valt daarbij op dat
ook door mij —zo slecht is waargeno-
Franckena een commentaar op de con-
de

kritische

geluiden

niet

waren

ge-
men. Ik zal daarom mijn waarnemingen
ferentie
Crisis op de korrel,
op 1 febru- baseerd op kennisneming van het volle- nog eens op een rijtje zetten.
ari door de Sociale Faculteit van de
dige betoog; dit was niet eens mogelijk

Erasmus

Universiteit

georganiseerd.
omdat het boekje met de inleidingen

Omdat zijn stuk zo fraai past in de alge-
pas ter conferentie beschikbaar kwam.
Het eerste punt betrof de geheimhou-
mene politiek-afwerende reactie op de
Maar het oordeel stond bij voorbaat
ding van de regering i.v.m. de aanvoer-
conferentie en een verdere analyse van
vast. Ook Franckena heeft, naar het
cijfers van olie. Van Doorn stelde: ,,Na
het overheidsbeleid bij voorbaat weg-
lijkt, alleen maar de conferentie bijge-
een aansturen op zo groot mogelijke
wuift, lijken enkele correcties op deze
woond en geen kennis genomen van de
openheid en openbaarheid

handhaaft
plaats wel nuttig.
stukken.
de regering een uiterste geheimzinnig-
De

conferentie-discussie

was

over-
Dit laatste is vooral daarom jammer heid met betrekking tot gegevens over
wegend van partijpolitieke aard. Men
omdat

andere

bijdragen,

los van de
de energiecrisis” (zie
Crisis op de korrel,
verdedigde

het

beleid

van

de

rege-
mijne

ontstaan,

tot

overeenkomstige
blz. 2).
ring of vocht de ernst van de inleiders
conclusies komen. Ik denk aan de arti-
Ook na herlezing van de notities (o.a.
aan op emotionele gronden.

Daarbij kelen van Bergamin en Van Schendelen
over de inbreng van Schravemade en
werd kennelijk ervan uitgegaan dat een
die op basis van ander onderzoek een
van Van der Hek) die ik op het congres
,,aanval” op de regering bedoeld was.
groot deel van mijn betoog ondersteu-
heb gemaakt en na herraadpleging van
Franckena constateerde

zelfs de

ver-
nen.
de bijdrage van Van Doorn in
Crisis op
wachting ,,de sociaal-wetenschappelijke
Reacties

als

van

Franckena
de korrel
kan ik niet tot de conclusie
terechtstelling van de regering mee te vermeerderen mijn verbazing over de
komen dat de regering
bewust en onno-
maken”.

Vandaar dat mijn inleiding,
volte face van het regeringsbeleid met
dig
gegevens heeft achtergehouden. Het
met

de

provocerende

ondertitel

De
verbazing over het feit dat velen die
in mijn artikel genoemde argument van
dwang der omstandigheden
of
de ambi-
volte face niet eens blijken te kunnen
de

onzekerheden

bij

de

regering
ties der poluici,

zeer overwegend de
waarnemen.

Het is een stimulans te
alsmede het argument van de gerecht-
aandacht kreeg.
meer het onderzoek naar de huidige
vaardigde

,,tactische”

geheimhouding
In mijn stuk en ter conferentie heb ik
crisisbeheersing voort te zetten, zo van
vind ik nog steeds geldig. En om
ach-
gesteld

dat

niet een

politieke aanval,
belang voor de kennis van de werking
terqf
nu de aanvoer van olie is mee-
maar een verklaring bedoeld was, in de
van

ons

parlementair

stelsel

en

de
gevallen, de regering aan de hand van

zin van een evaluatie van het regeringS-
geloofwaardigheid van onze

politieke
meest speculatieve

kranteberichten
beleid in het licht van de politieke pro-
orde.

Een tweede poging mijnerzijds
van vorig jaar te gaan verwijten dat de
grammapunten

van

de

progressieve
om hieraan een bescheiden bijdrage te
geheimhouding kennelijk overbodig en
drie. Een immanente kritiek dus, die de
geven is te vinden in het februari-num-
daardoor

in

strijd

met

gedane beleidvoerders

,,aan

hun

woord

wil
mer van
Beleid
&
Maatschappij
onder
verkiezingsbeloften

was,

vind

ik

niet
houden”. Mijn motief was evenmin po-
de

titel

,,Crisisbeleid:

ordonneren

of
sterk.
litiek; ik heb uitdrukkelijk gezegd dat
mobiliseren”. Het stuk gaat door op de
de

bron

van

mijn

belangstelling ge-

vonden moest worden in mijn verbazing
stellingen van Van Maarseveen, even
Een tweede waarneming van mij be-

om

het

feit

dat

een

regering

die
‘Ik
eens

ter

conferentie

aangevallen.

hoop

dat

Franckena

de gelegenheid trof

de

meningsverschillen

over

de

optreedt met de belofte een
Keerpunt
te
heeft er kennis van te nemen. De zaak
Machtigingswet.

Van

Doorn

stelde:

forceren in de richting. van democrati-
.
is.te. belangrijk-om-in een sappig stukje
,,Najaren van scherpe linkse kritiek op

-serin, ‘mcht’an:de bas?s,. tijeftbaar–;

.macht.n, .macbthebbers…krijgt.
linkse
heid

en

milieubescherming,

een

half
regering

aanzienlijke volmach-

jaar

na

haar

optreden

om

vrijwel
J. A. A.
van Doorn
ten”. In mijn artikel schreef ik dat
Prof

blanco volmachten vraagt, parlement,
Albeda
meende dat de ernst van de si-

lagere overheden, belangengroepen en
tuatie de verkrjging van de volmachten

actiegroepen uitschakelt en uiterst ge-
Naschrift
volkomen rechtvaardigde. Ik vermoed

heimzinnig doet over zaken die de bui-
dat mijn waarneming van het feit dat de

tenlandse pers in grote opmaak brengt.
Als ik het goed zie, richt Prof. Van
hoogleraren een verschillend standpunt

Bij mijn poging deze paradox te ver-
Doorn drie verwijten aan mijn adres.
innamen alleen door erg slechte waar-

klaren, heb ik zoveel mogelijk indicaties
De eerste twee verwijten liggen op het
nemers zal worden betwist.

verzameld. Degenen die zich verzetten niveau van ,,Hij zal het

boekje-wel ‘niet— Een

derde

waarneming mijnerzijas

tegen de conclusies zijn tot nog toe niet

hebben gelezen” en ,,Hij zal wel beho-

had betrekking op de vragen van mej.

geslaagd in het bijeenbrengen van con-

ren tot diegenen wier oordeel over het

Barendregt. Op een directe vraag van

tra-indicaties ter omvang van 10% van

congres van tevoren vaststond”. Over

haar welke sociale technieken bij de cri-

174

In gezonden

Het midden- en kleinbedrijf

en de prijs- en kostenstijgingen

sterk
achterblijfi
bij de ontwikkeling
van de loonsom per werknemer.
De uitkomsten van de raming over

1973, welke momenteel in bewerking is,
zullen dezelfde tendens vertonen.

Dr. P. M. van Nieuwenhuyzen

(De auteur is directeur van het Econo-
misch Instituut voor het midden- en
kleinbedrijf,).

Economische verkenning midden- en
kleinbedrijf 197111972,
december 1971, blz. 42, tabel 6.5.
Tabel 2.3, blz. 18.
Dit inkomen bestaat in overwegende mate
uit de beloning voor de arbeid van de onder-
nemer en zijn medewerkende gezinsleden.

Bijna het gehele midden- en kleinbe-

drijf heeft – althans op korte termijn –
voordeel van inflatie, aldus de heer Hoff-

man in zijn beschouwing ,,Evenwichtig

en slagvaardig” in
ESB
van 6 februari

ji. Deze conclusie zou zonneklaar vol-
gen uit gegevens opgenomen in
Econo-

mische verkenningen
die het Economisch
Instituut voor het Midden- en Kleinbe-

drijf publiceert. Blijkens nadere infor-

matie heeft de heer Hoffman deze con-
clusie gebaseerd op een tabel waarin zijn

aangegeven de effecten van een autono-

me verlaging van het consumptieprijs-

peil met 1% voor het midden- en klein-

bedrijf in 1972 1).
De heer Hoffman heeft – door het

omdraaien van de tekens – dit als ver-
hogingseffect geïnterpreteerd. Hierdoor
kan deze tabel dan inderdaad als indica-
tief voor het effect van een autonome
prijsstijging gelden. Het doel van deze

tabel is echter alleen aan te geven welke
wijzigingen de in bovengenoemde ver-
kenning opgenomen ramingen voor 1972
ten aanzien van de veranderingen in de

exploitatie-structuur van het midden-
en kleinbedrijf zullen ondergaan, wan-
neer er sprake is van een andere prijs-

sis hadden kunnen worden gebruikt,
kreeg zij (ongeveer letterlijk) ten
antwoord dat daar wel boekjes over be-

staan, maar dat het antwoordende fo-
rumlid op dit gebied geen specialist is.
Ik was van dit antwoord niet onder de
indruk, hetgeen men desgewenst pover

zou kunnen noemen.
Tenslotte wil ik nog opmerken dat

mij de ,,hoofdstelling” van .Van.Doorn
over de potentiële conflictsituatie –
linkse machthebbers vs. hun idealen
van openheid, medezeggenschap enz. –

niet onaannemelijk lijkt. Maar ik zie

die stelling dan meer als een nog nader
te verifiëren hypothese dan als een ver-

klaring die wordt gestaafd door objec-

tieve, vaststaande feiten uit de afgelopen

periode. Dat verschil van inzicht over
Van Doorns interpretatie van de feiten

zeer wel mogelijk is, probeerde ik in mijn

artikel te benadrukken.

W.F.

stijging dan waarvan bij de ramingen

was uitgegaan.
De in de desbetreffende tabel opge-

nomen cijfers waarop Hoffman zijn

uitspraak doet, hebben, zoals hij onge-
twijfeld weet, in principe een theore-

tische betekenis, omdat zij alleen aan-
geven de effecten van een autonome
prijsstijging op andere economische

grootheden. De toevoeging van het

woord ,,autonoom” betekent dat voor
de andere grootheden slechts met de
hierdoor geïndiceerde effecten rekening
wordt gehouden. In de realiteit treedt
een prijsstijging echter nooit geïsoleerd
op, doch te zamen met mede uit
andere

oorzaken voortvloeiende loon- en

kostenstijgingen.
De verhouding waarin deze stijgingen
optreden is mede het resultaat van het overleg tussen de zogenaamde sociale

partners en de overheid. De uitkomsten

van een en ander zijn in de laatste

jaren zodanig geweest, dat de loon-
stijging aanzienlijk groter was dan de

prijsstijging. De effecten hiervan op de

exploitatie-uitkomsten van het midden-en kleinbedrijf worden in de geciteerde

verkenning – onder meer voor de detail-
handel 2) – weergegeven en samenge-

vat in de volgende tabel.

Tabel!. Kerngegevens midden- en klein-
bedrijf in de detailhandel 1969-1972

1969

1970
1971
1972

waarde-mutaties
t.o.v.
voor-
afgaand jaar in
%

Omzet

………………
6,5

10
9
9
Orutomarge..
…. …….’
14


tO’
‘8,5
8,5
Loonkosten …………..
t 1,5

17,5
16
17,5
Overige bedrijfskosten

.
32,5a)

10 12
9
Overig inkomen per
zelfstandige

…………
2.5

9
4
4,5
Loonsom per werknemer in
bedrijven

…………..
II

12,5
14
15,5

a) De verhoging van de indirecte belastingen, met name de
BTW., is als een prijsmutatie beschouwd

Uit deze gegevens, zomede uit soort-
gelijke van tabel 3.3 dezer verkenning,

blijkt dat – in de beschouwde periode
1969-1972 – het zogenaamde ,,overig
inkomen per zelfstandige” 3) qua groei

Naschrift

In mijn beschouwing ,,Evenwichtig en
slagvaardig” heb ik onder meer willen

duidelijk maken dat de Nederlandse
volksvertegenwoordiging meningen over
het te voeren prijsbeleid verkondigde
die niet waren gebaseerd op grondige
analyses. ,,Men kwam er niet toe de

plaats van de middenstand in het econo-

misch leven te bestuderen”, schreef ik.
Naar mijn mening had in het Tweede-

Kamerdebat de tabel die Dr. Van Nieu-wenhuyzen geeft centraal moeten staan
omdat het door de regering voorgestelde

prijsbeleid niet los kan worden gezien
van het middenstandsbeleid. Om een
goed middenstandsbeleid te kunnen
voeren, moet immers bekend zijn waar-
om het ,,overig inkomen per zelfstan-
dige” sterk achterblijft bij de ontwikke-

ling van de loonsom per werknemer.

Mijn opmerking dat bijna het gehele
-midden- en kleinbedrijf op korte termijn
voordeel van inflatie heeft, mag niet los
worden gezien van de economische en

sociale problemen binnen deze bedrijfs-
tak. Inflatie, waarvan de oorzaak niet

exact bekend is, stelt de middenstander

in de gelegenheid een prijspolitiek te
voeren om zijn relatieve inkomensdaling

(t.o.v. de werknemer) af te remmen.
Deze manoeuvre behoeft uiteraard niet

tot een relatieve inkomensstïjgïng te lei-
den.

Een dergelijke prïjspolitiek van de
middenstand wordt ondersteund door
de economische verkenningen van het
Economisch Instituut voor het Midden-
– envKleinbedTijf. Uit-
de-Economische.
verkenning midden- en kleinbedrijf
197111972
kan de conclusie worden ge-
trokken dat in de detailhandel, de am-

bachten en de horeca (niet in het vervoer)

een bepaalde autonome prijsstijging tot
een meer dan evenredige stijging leidt
van het overig inkomen per zelfstandige.

Uiteraard is dit theorie. De theorie laat
deze conclusie echter wel toe. Ik vind dat Dr. Van Nieuwenhuyzen zich te beschei-

den uitlaat over de praktische waarde

van de berekeningen van het EIM.
Ik besef dat mijn bewering is gebaseerd

ESB 27-2-1974

175

Dr. Dr.
S. Unterguggenberger:
Cybernetica en direct
costing. H. E. Stenfert
Kroese BV, Leiden, 1973, 242 blz. f. 38,50.

op verouderd cijfermateriaal. Vandaar

dat ik in de bewuste beschouwing geen
cijfers heb genoemd. De tendens die uit
dit verouderde materiaal volgt, is echter

juist. Dr. Van Nieuwenhuyzen bestrijdt
dit ook niet. Ik besef tevens dat inflatie
niet alleen door een autonome stijging

van het consumptieprjspeil wordt ver-

oorzaakt. Omdat de diverse factoren
die de inflatie veroorzaken vaak moei-

lijk zijn te kwantificeren, wordt de mid-
denstand gesterkt in het verhogen van
winstmarges, en wel vooral indien na een

dergelijke verhoging toch nog kan wor-den vastgesteld dat de loonstijging aan-

zienlijk groter was dan de prijsstijging.
Uit de verschillende reacties die ik op

mijn beschouwing heb gekregen, leid ik

af dat mijn artikel als een nogal provo-

cerend geschrift is overgekomen. Ik zou
hebben gesuggereerd dat het midden-
en kleinbedrijf voor een groot deel de

inflatie veroorzaakt. Ik stel hier met na-
druk dat van een dergelijke suggestie

geen sprake is. Artikelen van mijn hand
over hetzelfde onderwerp in
ESB
en in
Accountant adviseur
ondersteunen dit 1).
De zgn. provocerende passage in mijn
beschouwing heeft er overigens toe geleid
– en dat verheugt mij – dat duidelijk

is aangetoond dat er te weinig inzicht be-
staat in de oorzaken van de prijsstijgin-

gen en de invloed die het midden- en
kleinbedrijf hierop uitoefent. L.H.

1) Midden- en kleinbedrijf,
ESB, 16
februari
1972.
Midden- en kleinbedrijf in een fluctuerende
economie,
Accountant adviseur,
mei 1972.

ESb
In gezonden

Kondratieff

In
ESB
van 23 januari jI. schrijft
W. Siddré: ,,Zimmerman
(ESB 9
sep-
tember
1953)
heeft in ieder geval geen

gelijk gekregen dat de dalende fase van

de lange golf reeds in het begin van ‘de

jaren vijftig zou beginnen”. Hoewel ik
aanneem, dat het de meeste ESB-lezers
niet erg veel zal kunnen schelen wat ik
in het jaar 1953 over de Kondratieff heb
geschreven, wilde ik toch graag het slot van mijn artikel nog even citeren:

,,lJit het voorgaande volgt dus dat het voor-
barig zou zijn Uit de historische periodiciteit

Dit boek is blijkens het voorwoord

een vertaling van het in het Duits ver-
schenen proefschrift van Dr.Dr. Unter-

guggenberger. De oorspronkelijke tekst
van de dissertatie is op enkele plaatsen

aangevuld. De praktijk van het bedrijfs-

leven bepaalde de probleemstelling.
Deze is, zo staat in Hfdst. 1: ,,Voor

welke nemers van beslissingen levert het

rekenen met dekkingsbijdragen ade-
quate informatie op?”. Het zwaartepunt
van de beschouwingen betreft niet de

vraag ,,hoe”, doch ,,door wie” de ge-

noemde grootheid wordt gebruikt. Het

komt ons voor, dat Unterguggenberger

er zeer wel in is geslaagd ,,een reëel
economisch verschijnsel wetenschappe-
lijk te beschrijven en te verklaren”. Zowel

de meer praktisch, als de meer theore-

tisch geïnteresseerde lezer komt aan zijn

trekken. De eerste vindt o.a. een aantal
cijfervoorbeelden, welke de tekst toelich-

ten en verduidelijken. De laatste treft
naast een systematische opzet een zeer

uitgebreide, uit voornamelijk Duitse en
Nederlandse geschriften bestaande Ii-
teratuurverwijzing aan.

der prijsbeweging zonder meer te conclude-
ren dat
wij
aan het begin van de nederwaartse
phase der
kondratieff
staan. Wij beschikken
tegenwoordig immers over middelen om het
economisch leven te beheersen, die vroeger
onbekend waren. Het komt er slechts op aan
deze middelen juist aan te wenden”.

Ik kan hier moeilijk uit lezen, dat ik

gesteld zou hebben, dat de dalende fase

van de lange golf reeds in het begin van de jaren vijftig zou beginnen.

L. J. Zimmerman

Naschrift

Uit het ESB-artikel van Zimmerman
blijkt dat hij de kondratieff ziet als een
lange-termijnbeweging van de groot-
handelsprijzen. Hij schreef hierover:

het is ,,in ieder geval wel een daad van

verstandige economische politiek, al-
thans met de mogelijkheid van een ko-
mende prijsdaling rekening te houden”.

Op grond van dit citaat baseerde ik mijn
mening. Misschien heb ik er – rekening houdend met Zimmermans ingezonden
stuk – te veel in gelezen.

W. Siddré

Doelstellingen

Begonnen wordt in hoofdstuk 2 met

het weergeven van een door Heinen ge-

formuleerde systematiek van onder-

nemersdoelstellingen. Welke van de op-

gesomde doelstellingen prevaleert

wordt bepaald door wat in feite dient

als leidraad bij het beslissen over de schaarse middelen. Het streven naar

winst en inkomen moet, aldus de schrij-
ver, als het belangrijkste doel worden

aangemerkt. Deze conclusie vloeit, zo
komt het ons voor, niet noodzakeljker

wijs voort uit hetgeen over de prevale-
rende doelstelling is opgemerkt. Dit
hoofddoel van de onderneming moet
ten behoeve van de middelste en lagere
leiding worden ,,vertaald” in een aantal

hiërarchisch gerangschikte subdoelein-
den.
Wil de informatie over de doeleinden

namelijk operationeel zijn, dan moet
deze kunnen worden uitgedrukt in een
eenduidig bepaalde, meet- en vergelijk-

bare grootheid. Het begrip netto-winst
d.w.z. het verschil tussen netto-omzet en
alle (vaste én variabele) kosten is voor
laatstgenoemde niveaus van leiding een
abstracte, niet operationele grootheid.

Kostenminimalisatie daarentegen is
een geschikt en operationeel subdoel

voor de middelbare en lagere niveaus

van leiding. Uit het verdere betoog van
de schrijver zal blijken, dat de
dekkingsbijdrage (meer nog dan
kostenminimalisatie) een operationele

informatie kan zijn ten aanzien van het

streven naar winst en inkomen, gezien
vanuit het gezichtspunt van de middel-

bare en lagere leiding. Tevens zal wor-

den aangetoond, dat de dekkingsbij-
drage een gunstige invloed kan uitoefe-
nen op het verminderen van de conflic-
ten tussen de van het hoofddoel afgeleide
subdoeleinden.

Volgens Unterguggenberger is de
vooruitgang in hoge mate een resultaat
van de ontmoeting der wetenschappen.
Van een volledige behandeling van
bedrijfseconomische problemen bena-

derd vanuit de cybernetica kan – en-
kele eerste pogingen ten spijt – aldus

de schrijver., nog geenszins worden ge-sproken.

In zijn werk tracht Unterguggenber-

ger de cybemetische betekenis van de

dekkingsbijdrage bij de besluitvorming

176

van de onderneming toe te lichten. Cy-

bernetica en bedrijfseconomie worden
met elkaar geconfronteerd. Alvorens dit

te doen wordt een compacte, doch voor

de bedrijfseconoom, die niet of slechts
globaal op de hoogte is met de ,,weten-
schap van communicatie en regeling”

zeer verhelderende uiteenzetting gege-

ven over cybernetica. Het door elkaar

gebruiken van de begrippen stochas-

tisch en probabilistisch leiçlt bij de op
bedoeld terrein weinig
thUis’zijnde
lezer
aanvankelijk tot enige verwarring.
Op
blz. 30 omschrijft Unterguggenberger
een stochastisch systeem als zijnde van
,,eenvoudige complexiteit”, een proba-

bilistisch systeem als ,,uiterst complex”.

De computer heeft in deze gedachten-

gang een stochastisch karakter, de on-
derneming een probabilistisch. Later
(blz. 48 en 165) woçdt de onderneming

een ,,uiterst complex stochastisch sys-

teem” genoemd.

Het niet consequent gebruiken van
beide vaktechnische begrippen is wat
storend, gelukkig echter onvoldoende
verwarringwekkend om de rode draad
uit het betoog te laten verdwijnen. Het

systeem ,,onderneming” wordt in dit
verband beschouwd als zijnde samenge-
steld uit subsystemen, welke laatste
men als hiërarchisch gerangschikte re-

gelkringen kan opvatten en welke ver

schillende doeleinden nastreven.
De
cy

bernetica kan ertoe bijdragen, dat het
uiterst complex systeem onderneming

(de ,,zwarte doos”) in de richting van
een grotere gedetermineerdheid wordt

getransformeerd. De nogelijkheid tot

terugkoppeling staat bij de hieruit
voortvloeiende regelings- en aanpas-

singsmaatregelen centraal.
Of
terugkop-

peling in dit verband inderdaad effectief

kan worden toegeptst is afhankelijk
van de concretisering van de hoogste
ondernemingsdoelen en van de operati-

onaliteit van de subdoeleinden.
Op
het gebied van de kosten-
calculatie onderkent de schrijver een
duidelijke ontwikkeling van de zuiver
documentaire naar de instrumentele
kostencalculatie. Zij wordt meer tot een

beleidsmiddel, meer prospectief ge-
oriënteerd. Tevens worden naast de

kosten de opbrengsten in de beschou-

wing betrokken. De kosten- en op-

brengstencalculatie heeft zich in deze

gedachtengang ontwikkeld tot een cy-
bernetisch instrument met behulp waar-
van de middelbare leiding kan trachten

– om binnen het kader van een een-
maal door de topleiding genomen

investeringsbeslissing – het beleid aan
te passen aan de gewijzigde omstandig-
heden.
De
kosten- en opbrengstencalcu-

latie heeft derhalve een andere organi-
satorische positie als de investeringscal-
culatie. De schrijver beschouwt de
investeringscalculatie enerzijds en de
kosten- en opbrengstencalculatie ander-

zijds als principieel verschillend, doch
tevens onlosmakelijk met elkaar ver-

bonden.

Direct costing

Unterguggenberger bestrijdt de veel
voorkomende mening, dat ,,direct cos-

ting” een Amerikaanse ontdekking is.

Dit begrip werd, aldus de schrijver,
reeds in 1899 door Schmalenbach geïn-

troduceerd.

De
schrijver geeft voorts een uiteen-

zetting over het onderling verband tus-
sen dekkingsbijdrage, opportuniteits-

kosten en knelpuntsfactor(en). De bete-
kenis van o.a. de dekkingsbijdrage bij
het vaststellen van het optimale pro-
duktieprogramma onder aanwezigheid

van één of meer knelpuntsfactoren
wordt uiteengezet. Tevens wordt aan-

dacht geschonken aan de zgn. trapsge-

wijze dekking van de vaste kosten.
Hierbij worden de vaste kosten slechts

dan aan een bepaald calculatie-object
(produkt, produktgroep enz.) toegere-

kend, indien en voor zover de vaste
kosten per het betrokken calculatie-

object aanwijsbaar zijn. Het in dit ver-
band gehanteerde, aan Aghte ontleende

voorbeeld toont duidelijk, dat aldus di-
verse ,,restdekkingsbijdragen” ontstaan,

die onder bepaalde omstandigheden elk hun eigen functie kunnen hebben bij de

besluitvorming. Helaas is het onduide-
lijk wat in dit voorbeeld het voor de be-

rekening van de opeenvolgende rest-
dekkingsbijdragen relevante verschil is
tussen een ,,produktgroep” en een ,,sec-

tor”. De schrijver wijst erop, dat het
onderscheid tussen vaste en variabele

kosten relatief is, d.w.z. afhankelijk is
van de referentiegrootheid. De vaste

kosten, welke op de dekkingsbijdrage in
mindering moeten worden gebracht al-

vorens men van een winst kan spreken,
kunnen worden verdeeld in kosten,
welke op korte termijn tot uitgaven lei-

den en kosten waarbij zulks niet het ge-
val is. Aldus kunnen cijfers ten behoeve
van de liquiditeit en het nemen van be-
slissingen omtrent benedengrenzen van
prijzen worden bepaald.

Betekent, zo vragen wij ons af, het bij
een (middle management) beslissing re-
kening houden met bedragen, welke op
korte termijn tot uitgaven leiden, dat
deze binnen korte termijn tengevolge

van een te nemen beslissing te verrich-
ten uitgaven voor het nemen van die

beslissing relevante (i.c. variabele) kos-ten zijn?
Zo
ja, is hier dan niet sprake
van een (principieel van de kostencalcu-
latie verschillende – vgl. pag. 68) in-

vesteringscalculatie?
Zo
neen, wat is dan de betekenis van bedoelde (i.c.

vaste) kosten voor de bepaling van de
liquiditeit?

Unterguggenberger stelt, dat de re-

cente bedrijfseconomische literatuur de
dekkingsbijdrage als een geschikt

beslissingscriterium voor talrijke beslis-
singen op korte termijn aanwijst.
De
nadruk dient ons inziens in dit verband
te liggen op talrijke (niet alle) en korte
(niet lange) termijn. Wil de dekkings-

bijdrage ook voor beslissingen met een
lang(er) tijdsbestek bruikbaar zijn, dan

dient de inhoud van het begrip te wor-

den aangepast. Different contribution

margins for different purposes!

Produktieplanning en prijsvaststelling

Als demonstratie van twee der vele

met behulp van de dekkingsbijdrage op
te lossen vraagstukken wordt vervol-
gens uitgebreid ingegaan op de proble-
men van de produktieplanning en van
de prijsvaststelling. Deze laatste twee

worden hier beschouwd als door het
middelste leidingniveau op te lossen
beslissingsvraagstukken met een kort
tijdsbestek.

Begonnen wordt met het bepalen van

het optimale produktieprogramma bij
onderbezetting resp. bij aanwezigheid

van één knelpuntsfactor.
Op
dit pro-bleem, dat in de bestaande literatuur

uitvoerig aan de orde komt, gaat de

schrijver, ons inziens terecht, slechts
kort in.

Vervolgens wordt het meer met de
praktijk in overeenstemming zijnde

meerproduktenbedrjf behandeld.
In
dit
geval is sprake van volledige bezetting

en verscheidene knelpunten. Nu dienen

meerdere variabelen en (de interne en
externe) restricties simultaan in de be-
schouwing te worden betrokken.
Slechts de combinatie van de dekkings-
bijdragecalculatie en lineaire program-

mering leidt tot een optimale oplossing.
In het nu volgende cijfervoorbeeld

wordt de tot nu toe gehandhaafde
veronderstelling van constante capaci-

teiten losgelaten. In dat geval dient ge-
bruik te worden gemaakt van

opportuniteitskosten.
De
schrijver
toont aan, dat door het rekenen met

dekkingsbijdragen belangenconflicten
tussen bijv. produktie- en verkoopafde-
ling kunnen worden opgelost. Men be-
schikt nu immers over een objectief cri-
terium om doelconflicten te waarderen.
De
voorbeelden op het gebied van de
produktieplanning worden besloten

met een uiteenzetting van het (mede) ge-

bruik van een dekkingsbijdrage bij een
investeringsbeslissing. Het betreft hier

een beslissing over een kleinere
capaciteitsuitbreiding. welke slechts het

karakter van een aanpassingsmaatregel
heeft. Wat is ,,kleiner”? Hebben de top-
management-beslissingen ook niet (al-

thans voor een belangrijk deel) het ka-

rakter van een aanpassingsmaatregel?
Bedoelde beslissing ligt, aldus

Unterguggenberger, op het terrein van
het middelste leidingniveau en komt

dientengevolge in aanmerking voor het
(mede) gebruik van direct costing.

Ten aanzien van het prijsbeleid merkt

de schrijver op, dat het gedrag van de onderneming hierbij steeds moet
zijn

gericht op maximalisering van de totale
dekkingsbijdrage.
(In
deze gedachten-

ESB
27-2-1974

177

gang is het prijsbeleid een vraagstuk

van het middelste leidingniveau). Jjnter-
guggenberger toont aan, hoe de op kos-

ten, opbrengsten en liquiditeit georiën-
teerde benedengrenzen van de prijzen

met behulp van direct costing kunnen
worden berekend. 1-let gebruik van de

dekkingsbijdrage schept tevens de mo-

gelijkheid de relaties tussen kosten, prij-
zen en winsten te begrijpen. De snel-

heid, waarmee zulks het geval is, bevor-
dert de flexibiliteit, en de aanpassings-

snelheid van het prijsbeleid. Het
rekenen met dekkingsbijdragen sluit
overigens het in de beschouwing be-

trekken van de vaste kosten niet uit.
Deze laatste komen tot uitdrukking in

de na te streven dekkingsbijdragen.

Synthese

In dit hoofdstuk komt de schrijver

tot een synthese van de cybernetica en
de bedrijfshuishoudkunde. Geconsta-
teerd kan worden dat maximalisering van de dekkingsbijdrage als redelijke
doelstelling kan gelden voor het mid-

delste leidingniveau. Voorwaarde hier-
voor is, dat voor het hoogste leidingni-

veau de maximalisering van winst of
rentabiliteit doel is. Het doel van de
middelbare leiding is immers afgeleid

van het hoofddoel.
Wij zijn er niet van overtuigd, dat het
maximaliseren van de dekkings-

bijdragen (de korte-termijndoelstelling)
automatisch tot het maximaliseren van

de winst (de lange-termijndoelstelling)

leidt. Ons inziens heeft Unterguggen-
berger in Hfdst. 4 bij de behandeling
van de bepaling van benedengrenzen

van de prijzen ook in deze richting ge-
dacht. Hij citeert hier – ons inziens

met instemming – Limperg: ,,De ware
grensprijs ligt (dus) belangrijk hoger

dan de zogenaamde variabele kosten”.
Achtereenvolgens wordt nu de func-

tie van de dekkingsbijdrage in de regel-
kringen produktie, verkoop resp. finan-

ciering behandeld. Niet alleen binnen
de diverse regelkringen, ook tussen de hiërarchisch op uiteenlopende niveaus
gerangschi kte orga nisatie-eenheden is
de dekkingsbijdrage een operationele

doelvariabele. De dekkingsbijdrage ver-
vult een essentiële functie in het voor
het functioneren van het systeem ,,on-

derneming” noodzakelijke terugkoppe-

lingsproces. Complexe systemen, als
een onderneming kunnen niet meer cen-

traal geregeld worden. Er is alïeen een
overlevingskans, wanneer sprake is van

een vorm van zelfregeling. De dek-
kingsbijdrage is hiervoor een geschikt
instrument.

Unterguggenberger besluit dit hoofd-
stuk met de conclusie, dat de beginselen
van integrale kostencalculatie resp. van
direct costing niet elkaar uitsluitende

alternatieven zijn. Elk dezer principes
heeft zijn eigen functie. Het middelste

leidingniveau hanteert de dekkings-

bijdragecalculatie, terwijl het hoogste

leidingniveau de gegevens over de inte-

grale kosten nodig heeft voor het ne-

men van beslissingen. Wij tekenen hier-

bij aan, dat er – zoals in het boek van
Unterguggenberger ook is besproken –

al naar gelang het doel van de calculatie

naast de integrale kostprijs
diverse

dekkingsbijdragen zijn. Deze visie ach-

ten wij van een zodanig belang, dat wij
er graag een plaatsje voor gereserveerd
zagen in de aan het einde van hoofd-

stuk 5 opgenomen conclusie. De ons

getoonde visie, dat de inhoud van het
begrip kosten verschilt, al naar gelang
de context waarbinnen het wordt ge-

bruikt, is overigens niet nieuw. Reeds in
1923 treffen we de gedachte van ,,diffe-

Zoals Hofstra zelf al in zijn voor-

woord voor de tweede druk constateert, heeft hij tekst en indeling van zijn boek

tamelijk ingrijpend herzien. Ook bij le-

zing van deze tweede druk komt men
onder de indruk van de brede kennis,

belezenheid en algemene ervaring van
de schrijver en last but not least van
zijn heldere betoogtrant. Een bezwaar

heb ik echter tegen de titel van het

boek. Dit is geen inleiding in het belas-

tingrecht, maar het biedt veel meer.
Grote delen hebben betrekking op het

gebied van de openbare financiën en tal
van andere problemen worden aan de
orde gesteld, die buiten het belasting-
recht in engere zin vallen. Als inleiding

voor de beginnende fiscalist lijkt het mij
dan ook minder geslaagd. Daarentegen

een voortreffelijk algemeen oriënterend werk voor degene die reeds Vrij ver ge-

vorderd is bij zijn studie en voor de
praktijkbeoefenaar, die behoefte heeft

zijn dagelijks werk eens in breder

wetenschappelijk verband te zien. Een
grondige bespreking van dit veelzijdige

werk zou een brede verhandeling ver-
gen. Daarvoor is dit blad niet de aange-
wezen plaats. Ik zal dan ook volstaan
met enkele kanttekeningen.

Bij de behandeling van het begrip
,,belastingen” noemt Hofstra op blz. 34

de landbouwheffingen en constateert

dat de vraag naar het karakter van deze
heffingen niet of nauwelijks wordt ge-steld Hij vermeldt dat Smeets geen we-

zenlijk onderscheid ziet met de omzet-

belasting, accijnzen e.d. In de Eerste
Kamer is dit onderwerp destijds aan de

orde geweest bij de behandeling van het
Wetsontwerp ,,Regelen met betrekking

tot heffingen ter egalisatie van kolen-
prijzen” (Zie Handelingen Eerste Ka-
mer 1952-1953, blz. 3187 e.v.). Bij de MvA op dit wetsontwerp werd toege-

geven, dat deze heffing een belasting was.
Merkwaardig is echter, dat men zo ge-
makkelij,k over de consequenties, speci-

rent costs for different purposes” in de

bedrijfseconomische literatuur aan.

(The economics of overhead cosis, J.

M. Clark).

Nieuw is wel – voor zover ons be-

kend – een systematische opbouw van

deze visie vanuit het gezichtspunt der

cybernetica.
Het boek wordt besloten met een uit-

gebreid ,,voorbeeld voor het rekenen

met dekkingsbijdragen met inachtne-

ming van het cybernetisch verband aan
de hand van een industrieel project op
lange termijn”. Het stelt de lezer in

staat zijn opgedane kennis aan cijfer-
matige gegevens te toetsen.

C. Horden

aal ten aanzien van art. 188 van de

Grondwet, heenloopt.
Bij de behandeling van de belasting-

theorieën is het opvallend, dat de Duits-
Oostenrijkse ,,Kameralistik” met een

enkele zin en een literatuurverwijzing

wordt afgedaan. Het zal wellicht een
kwestie van persoonlijke voorkeur zijn,

maar mij heeft de Kameralistik altijd

bijzonder geboeid. Tautscher schrijft in
de tweede druk van het
Handbuch der

Finanzwissenschaft,
deel 1, blz. 414:

,,Die Staatswirtschaft wurde von den Kame-
ralisten als ,,Zaum, mit weichem der Staat
die Commercien nach seinen Absichten fur
die wahre Wohlfahrt des Staates lenken
musz” aufgefasst. ….. die Staatswirtschaft
ist ein Mittel der Wirtschaftspolitik”.

En hij eindigt zijn studie:

,,Aufgabe der neuen Staatswirtschafts!ehre
ist es, die alten, vom Kameralismus ersteilten
wirtschaftspolitischen Prinzipien der Staats-
wirtschaft modificiert t’ur die Gegenwart wie-
der zu erstellen!”

Naar mijn mening is de geschiedenis
van het Kameralisme, dat ook op het

gebied van de belastingen vaak zeer

moderne ideeën had, belangrijker dan
de oude Griekse en Romeinse belasting-

stelsels, waaraan aanmerkelijk meer

aandacht wordt besteed. Als Hofstra op
blz. 92 schrijft, dat ,,de theoretische

grondslag voor de hedendaagse hante-
ring van de belastingheffing als instru-
ment voor de economische politiek
werd gelegd door Keynes” en daaraan

voorafgaand Wagner noemt, dan zou-

den daarbij ook m.i. de Kameralisten
genoemd kunnen worden. Zij hebben er
met nadruk op gewezen, dat de uitga-

ven van de staat dezelfde aandacht ver-dienden als de inkomsten en dat de om-
vang van de behoeften van de staat be-

paald werd door het nut en de toene-
ming van <1e opbrengsten, die uit de

door de staat te verrichten uitgaven
zouden voortvloeien.

Ik weersta de verleiding om uitvoerig

Prof. Mr. H. J. Hofstra: Inleiding tot het Nederlands belastingrecht.
2de druk,

Kluwer BV, Deventer, 1972, 380 blz., f. 39,50.

178

in te gaan op wat Hofstra schrijft ten

aanzien van de belastingbeginselen.
Daarover heeft Van den Tempel al

geschreven in zijn bespreking van de
eerste druk, in het
Weekblad voor Fis-
caal Recht
van 7januari 1971. Wel wil
ik opmerken, dat ik het niet eens ben
met de opmerking – in navolging van

Van den Berge – dat de opperste norm
van het recht, het belastingrecht daar

onder begrepen, een zo algemeen begin-

sel zou zijn, dat het te weinig concreet
is om ermee te werken. Fundament van
het recht is, dat het gelijke gelijk wordt
behandeld. Daaraan ontbreekt in het

belastingrecht nogal wat. Men denke

aan de oudedagsvoorziening voor bé-
ambten en werknemers enerzijds en

zelfstandigen anderzijds: Een procent

loonsverhoging kostte de staat in 1972:

.f. 180 mln. Men trekt voor de verbete-

ring van de oudedagsvoorziening voor
zelfstandigen op de rijksbegroting 1974

een bedrag van f. 90 mln, uit. Dat is
dus de helft van wat 1% loonsverhoging
de staat kost, mede dank zij de waarde-
en welvaartsvaste pensioenen. Wordt
hier de norm van het recht gehanteerd?

Geheel eens ben ik het met de schrij-

ver, als hij op blz. 101 opmerkt:

.,Met een aantal zuiver persoonlijke elemen-
ten – energie, bekwaamheid, het vermogen
zijn geld verstandig te kunnen besteden, het genot van de vrije tijd (psychisch inkomen),
de mate van inspanning waarmede het
inkomen wordt verkregen wetende geobjectt-
veerde gemiddelden, waarmede het belasting-
recht nu eenmaal moet werken, niet of nauwe-
lijks raad”.

Aan deze opsomming zou ik nog
graag toegevoegd zien, het inkomen
over de levensperiode, omdat hoge in-

komens dikwijls overeen veel.kortere pe-

riode worden genoten dan meer gema-
tigde inkomens. Verder mag niet wor-
den vergeten, dat de belastingvoor-
schriften een volstrekt onjuist beeld

kunnen geven van het inkomen en ver-

mogen, bijv. doordat het inkomen in
verschillende landen wordt genoten,

door de investeringsaftrek, het buiten

beschouwing laten van kunstbezit en
pensioenaanspraken enz. Maar als het

belastingrecht met zulke ruwe en onge-
nuanceerde maatstaven moet werken, is
het m.i. duidelijk, dat, als men naar

een ,,rechtvaardige” inkomensverdeling

streeft,, de belastingstatistieken wel een

uiterst gebrekkig uitgangspunt bieden

voor het al of niet aanvaardbaar zijn

van een inkomen. Het nivelleren via de

belastingen wordt dan wel hakken met
de botte bijl. Weliswaar noemt Hofstra

het herverdelingsmotief ,,.niet een auto-
noom ,belastingbeginsel, doch een eis van algemeen overheidsbeleid, tot het

bereiken waarvan de belastingheffing
slechts één van de mogelijk te hanteren
instrumenten vormt”. Maar ik mis de

conclusie die mi. uit zijn voorafgaande

opmerkingen volgt, dat dit instrument
bijzonder gebrekkig en voor vele geval-

len zelfs onhanteerbaar is.

Hofstra wijdt ook nog een korte be-

schouwing aan de toepassing van het
profijtbeginsel, dat dateert van voor de
tweede wereldoorlog en waarvoor mo-

menteel een herleefde belangstelling
bestaat. Hij verwijst naar het preadvies

van Tekenbroek over de Couponbelas-
ting voor de Vereniging voor Belasting-

wetenschap, Geschrift no. 24, 1933, en
Hobho.use
,,The element
of
social jus-
tice”.
Hij schrijft, dat een ,,uitbreiding
van de profijtbelastingen kan worden

gerechtvaardigd” en ,,dat het profijt-
beginsel, ook thans nog grotere moge-
lijkheden biedt dan tijdens de periode
van de alleenheerschappij van de draag-

krachtgedachte aanwezig werden ge-
acht, al past hier anderzijds ook een

woord van waarschuwing tegen moge-
lijke overschatting”.

Het wil mij voorkomen, dat de ver-

wijzing naar de literatuur onvolledig, is.

Tekenbroek verklaarde zich ook voor-
stander van het profijtbeginsel in zijn

preadvies over de iersonele belasting,
Geschrift no. 37 van de Vereniging

voor Belastingwetenschap, 1937. Ook
Schendstok heeft zich in zijn proef

schrift en de door hem op l april. 1944
voor de Vereniging voor Belasting-
wetenschap verdedigde stellingen, als
voorstander van het profijtbeginsel doen

kennen. Clark schreef in 1923 in zijn

The economics
of
overheadcosts
al een

hoofdstuk over ,,Costs of Government
as overhead outlays”. Ik betwijfel of

toepassing van het profijtbeginsel an-

ders dan in de reeds bekende vormen van retributies en betterment taxes te verwachten is. Seligman heeft in zijn
studie
The social theory
of
public Ji-
nance
deze twijfel bij mij reeds vele ja-

ren geleden doen ontstaan. Hij geeft
daarin een schema van de wijze waarop

een individu zijn behoeften bevredigt.
Bijzonder verkort ziet het er als volgt
uit:

door geheel zelfstandige handelingen;
door handelingen die te ‘zamen met
anderen worden verricht, hetzij 1.
door ruil, hetzij 2. door parallelle

werkzaamheid.
De publiekrechtelijke organdsaties be-
horen tot de laatste categorie. Als speci-
fieke kenmerken van de publiekrechte-

Deze publikatie is in feite een wat
fors uitgevallen aanvulling op de in
resp. 1968 en 1970 verschenen rappor

ten
Gedrag bij ontslag
en
Verslag van
collectief ontslag
van het toenmalige
Wetenschappelijk en Scholingsinstïtuut
van het NVV. De nadfuk ligt nu min-

der op collectief ontslag en. meer op de
afvloeiingsregelingen die daarop (moe-

ten) aansluiten. Gezien. het ontbreken

van een overzicht aan bestaande en ge-
effectueerde afvloeiingsregelingen is

lijke organisaties ziet hij drie positieve

en drie negatieve kenmerken. Als posi-
tieve:

de

publiekrechtelijke

Organisatie
voorziet in behoeften van fundamen-
tele betekenis;

zij is universeel;

zij beschikt over de dwingende
macht.

Als negatieve:

Er is geen do ut des verhouding. Er is
geen sprake van ,,reciprocal” maar
,,joint activity”. Men kan natuurlijk
wel als lid van een publiekrechteljke

organisatie tot haar in ruilverhoud ing

staan, maar dan wordt gehandeld in
contractuele verhouding en niet als
lid;

het is onmogelijk de voordelen van
de gemeenschappelijke activiteit over

de individuele leden te verdelen. Dit
tweede kenmerk is een correlaat van
het eerste;
de onmeetbaarheid van de bevre-
digde behoeften.

Als inderdaad Seligman gelijk heeft,
dat de voordekn van de gemeen-

schappelijke activiteit niet over de indi-
viduele leden kunnen worden verdeeld

en de bevredigde behoeften onmeetbaar
zijn, zal ook het individuele profijt niet,
of maar zelden, kunnen worden nage-
gaan.

Een analoog juridisch betoog kan
men vinden in Jehrings
Der Zweck irn
Recht,
3e druk, blz. 300 e.v., waar hij
onderscheidt de societas en de universi-
tas. De toepassing van het profijt-

beginsel zou dan niet alleen op prakti-

sche bezwaren stuiten – hetgeen én

door Tekenbroek én door Schendstok
is toegegeven – maar op de funda men-

tele onjuistheid van het uitgangspunt.
Hofstra’s interessante boek nodigt

nog op tal van andere punten uit tot
commentaar. Laat mij volstaan met het

voorafgaande. Van harte hoop ik, dat
de enkele opmerkingen die ik maakte

de lezer ertoe zal doen besluiten het
boek zelf ter hand te nemen. De daar-
aan bestede uren zal hij niet betreuren.

H.J. Hellema

deze inventarisatie een welkome aan-

winst.
In een ongetwijfeld moeizaam

opsporingsproces zijn 146 regelingen tussen 1967 en 1971 achterhaald, die, gecategoriseerd en naar hun inhoude-

lijke. elementen vergeleken, één van de
kernpunten van de studie vormen. Het

gaat om het empirisch onderzoek naar
het aantreffen van diverse regelin-

gen (overplaatsingsregelingen en af-

vloeiingsregelingen) in de praktijk; de

Afvloeiingsregelingen in
Ned’erland.
Stichting Wetenschappelijk Onderzoek
Vakcentrales, Utrecht, 1973, 264 blz.

ESB 27-2-1974

179

vraag naar de legitimiteit en de grond-

slagen van de regelingen komt op de

tweede plaats. Hieraan vooraf gaat een
overzicht over de oorzaken en aanlei-

dingen van collectief ontslag die (kun-

nen) uitmonden in een afvloeiingsrege-

ling, grotendeels ontleend aan
Verslag

van collectief ontslag.

Zoals gezegd is deze inventarisatie

waardevol. Door’de betrekkelijk grote

detaillering en de geringe geneigdheid

tot comprimering krijgt de lezer echter
het gevoel zonder zwemvest te worden
ondergedompeld in een bulk van ruw

materiaal; ademnood treedt met name
op waar de ad-hoc-regelingen

vergelijkenderwijs worden besproken

met bij CAO overeengekomen
afvloeiingsregelingen, met de wacht-

geldregeling voor ambtenaren en met
de EGKS-regeling voor werkloos mijn-

personeel. Het is jammer dat een sche-
matische rubricering die wel voorhan-

den is (blz. 46 voor overplaatsings-
regelingen en blz. 60 voor afvloeiings-
regelingen) niet stringent wordt ge-
hanteerd in dit gedeelte.
Het laatste gedeelte stelt de betekenis
van de afvloeiingsregelingen centraal.
Allereerst wordt hierin onderzocht wat
de betekenis is van een uitkering ineens

of een aanvulling op de WW/WWV
voor de arbeids- en offerbereidheid van
werknemers. De auteur voert hier on-

der meer een secundaire analyse uit op

het materiaal, dat Van Wezel benutte

voor zijn proefschrift
(Herintreding in

het arbeidsproces).
De conclusies zijn
interessant: tot negatieve effecten van
een uitkering ineens op hetzij arbeids-
bereidheid, hetzij offerbereidheid, hetzij

herintreding in het arbeidsproces kan

niet worden geconcludeerd. De invloed

van de aanvulling op de werkloosheids-

uitkering is meer complex: een aanvul-

lende uitkering heeft geen significant

negatief effect op arbeidsbereidheid en

op herintreding in het arbeidsproces; de
offerbereidheid echter lijkt wat af te ne-

men bij een toenemend uitkerings-.

niveau. Uiterste behoedzaamheid is

echter geboden vanwege het geringe

aantal (uitkering-ineens-genietenden) en

de onzuiverheden in de materiaal-
verzameling (wat betreft de aanvulling
op de werkloosheidsuitkering).

Dit gedeelte wordt afgesloten met een
behandeling van de invloeden van het

arbeidsmarktbeleid, het moderne
personeelsbeleid en de medezeggen-
schapswetgeving op collectief ontslag;

waarbij met name wordt nagegaan

welke beleids- en drukmogelijkheden de
vakbeweging via deze beleidssectoren

ten dienste staan.
Het geheel is uitstekend gedocumen-

teerd; het is jammer dat aan de tekstu-
ele verzorging kennelijk weinig aan-

dacht is besteed: de betoogtrant is soms

weinig strak en er zijn nogal wat ontsie-

rende grammaticale slordigheden. Af-

sluitend kan worden gesteld dat het

boek ongetwijfeld zal voorzien in de

leemte aan gedetailleerde kennis over
collectief ontslag en de getroffen af-
vloeiingsregelingen. De beperkingen

die de auteur zich bij zo’n eerste inven-
tarisatie noodgedwongen moest opleg-
gen, vormen even zovele stimulansen tot
verder onderzoek.

W. van Voorden

Prof. Dr. M. J. H. Smeets: Waardering

van incourante aandelen voor de

vermogensbelasting.
FED’s Fiscale bro-
chures no. 4, FED BV, Deventer, 1973,

119 blz., f. 15,75 (voor abonnees

f. 13,25).
In deze brochure wordt getracht een
inzicht te geven in talrijke kwesties die
zich voordoen bij waardering voor de
vmb. van incourante aandelen.

Financiering Elektrotechnische bedrijfs-

tak. Economisch Instituut voor het
Midden- en Kleinbedrijf, Den Haag,
1972, 88 blz., f. 20.
Bevat de uitkomsten van een onder-zoek dat op aanvraag van de Unie van

Elektrotechnische Ondernemersorgani-
saties is ingesteld naar de vermogens-
structuur, de Financiering, de liquiditeit
en dc vermogensbehoefte bij oprichting

van elektrotechnische bedrijven.

ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM

De vakgroep Commerciële Beleidsvorming en Commerciële Economie van de Economische Faculteit
heeft een vacature voor een

WETENSCHAPPELIJK (HOOFD) MEDEWERKER

die sterke interesse heeft voor een kwantitatieve c.q. wiskundig modelmatige benadering van marketing-
problemen, en die in staat
is
de verworvenheden van wiskunde, wiskundige modellen op deze vraag-
stukken te betrekken.

Zijn werkzaamheden zullen bestaan uit:

– vanuit de vakgroep participeren in de werkgroep kwantitatieve bedrijfseconomie; deze werkgroep
legt zich toe op het geven van werkcolleges in de bedrijfseconomie vanuit kwantitatief en integratief
gezichtspunt.
– het verrichten van onderzoek m.b.t. kwantitatief geörienteerde literatuur.
– het begeleiden van scripties en literatuuropdrachten.
– het fungeren als ,,kwantitatieve” vraagbaak voor de overige leden van de vakgroep.

De gedachten gaan uit naar iemand, die econometrisch geschoold
is,
of zich in de praktijk vertrouwd
heeft gemaakt met econometrische methoden. Ervaring in de toepassingsmogelijkheden van kwantita-

tieve methoden, bij voorkeur in het vlak van de commerciële beleidsvorming strekt tot aanbeveling.

Nadere inlichtingen over deze vacature kunnen worden ingewonnen bij: Prof. dr. H. J. Kuhlmeijer, tel.:
01 0-145511, toestel 3049.

De aanstelling geschiedt in het rangenstelsel der wetenschappelijke medewerkers en de honorering is
afhankelijk van opleiding en ervaring.

Schriftelijke sollicitaties, onder vermelding van vacaturenummer 1958 te richten aan het Hoofd van de

afdeling Personeelszaken van de Erasmus Universiteit Rotterdam, Postbus 1 738 te Rotterdam.

180

Prof. Dr. J. van den Doel:
Ekonomie en
demokratie in het staatsbestuur. Klu-

wer BV, Deventer, 1973, 31 blz.

Rede uitgesproken bij de aanvaar-

ding van het ambt van gewoon hoôgle-
raar in de bestuurskunde aan de Katho-

lieke Universiteit te Nijmegen op 29 no-

vember 1973. Prof. Van den Doel stelt

de vraag aan de orde of de politieke en

ambtelijke instellingen van moderne de-

mocratische maatschappijen in staat

zijn om die collectieve goederen en
diensten te verschaffen die de individu-
ele burgers wensen. Hij concludeert dat
er meer extern en meer intern zelfbe-
stuur nodig is. Meer extern zeifbestuur betekent een betere werking van de re-
presentatieve deniocratie doordat poli-
tici worden gedwongen hun taak niet

als een volmacht, doch als een lastge-

ving op te vatten. Meer intern zelfbe-

stuur betekent de ondermijning van de hiërarchische structuur, die de ambte-
lijke structuur kenmerkt, en vergroting
van de zeggenschap van lagere ambte-
naren over hogere.

H. J. Heeren
(red.): Huwelijksieeftijd in
Nederland.
Boom, Meppel, 1973, 163
blz., f.
22,50.

Demografische

en

sociologische
beschouwingen over de huwelijks-
leeftijd in Nederland, Met bijdragen
van H. J. Heeren, G. Frinking, B. W.

Frijling, H. G. Moors, R. van der Vlist

en G. A. Kooy. Als bijlagen zijn o.a. op-
genomen een PAD-analyse op een cau-
saaI model ter verklaring van de
huwelijksleeftijd en de frequentie-

verdeling van de voornaamste variabe-len die bij dit onderzoek door de werk-
groep sociologie van bevolkings-
vraagstukken van het Sociologisch In-
stituut van de Rijksuniversiteit in
Utrecht zijn gebruikt. Het boek bevat
verder enige nieu we benaderi ngsme-
Ihoden.

Algemene bepalingen van administra-
tief recht. H.D. Tjeenk Willink BV,
Groningen, 1973 434 blz., f. 32.

Dit is de vierde, bijgewerkte druk van
een rapport van de commissie inzake
algemene bepalingen van administratief

recht. De eerste versie van dit rapport verscheen in 1953 als verslag van een
congres in 1948 over de codificatie van algemene beginselen van administratief
recht. De nieuwe bewerking is gemaakt
door Mr. J. H. van der Meide en Mr. J.
H. van der Veen.

Drs. G.
van der Mey:
Public relations.

Handboek voor interne en externe
communicatie, Samsom BV, Alphen

aan den Rijn, Brussel, 1973, losbladige
uitgave.

Deze losbladige uitgave, die wordt
samengesteld door Drs. Van der Mey
met medewerking van J.A.N. Groenen-
dijk, G.A. Th. Hazekamp en Drs. F.
van Puffelen behandelt de volgende

aspecten van public relations: 1. de the-
orie; 2. de praktijk; 3. de data.

Leven met inflatie. NIVRA geschrift,

nr. II. Nederlands Instituut van Regis-
teraccountants, Amsterdam, 1973, 132
blz., f. 9,75.
Bevat preadviezen; mondelinge inlei-

dingen en verslag van de discussie ter

lo
l
w
i
i414’whil

Bij de FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID van de
RIJKSUNIVERSITEIT te LEIDEN ontstaat per 1 sep-
tember
1974
de vakature

GEWOON
HOOGLERAAR IN

DE LEER DER

OPENBARE
00

FINANCIEN

belast met onderwijs en onderzoek.

De onderwijstaak omvat onderwijs aan:
studenten in de Fiscale Studierichting;

studenten met het keuzevak openbare financiën

in de studierichting Nederlands Recht en in de
Staatkundige studierichtingen.

Gegadigden voor deze funktie, .of personen of instel-
lingen die de aandacht op geschikte kandidaten wen-
sen te vestigen, wordt verzocht binnen veertien dagen

na verschijnen dezes bericht te doen toekomen aan

Prof. mr. H. J. Hofstra, Fiscaal-Notarjeel Instituut,
Rapenburg 131, Leiden, tel.
01710-42741-62.
(Vaka-
turenummer
74.049).

MEENTEiWOLLE
O

Op de afdeling Financiën van de secretarie bestaat de mogelijkheid tot aanstelling van
een

MEDEWERKER

in de rang van hoofdcommies of hoofd-
commies 1.

Zijn taak zal in hoofdzaak bestaan Uit het

opstellen van meerjarenbegrotingen en
investeringsplannen.

Voor deze funktie is vereist het bezit van
c.q. vergevorderde studie voor het diploma
G.F. of S.P.D. of een andere gelijkwaardige
opleiding, alsmede ervaring op het gebied van de overheidsadministratie.

Salaris in onderling overleg vast te stellen
binnen de grenzen van f. 2.193,—totf.2.641,-

resp. f. 2.289,— tot t. 2.955,— per maand,
inclusief 7
1
/2%
vakantietoelage.

Funktie en plaats in de Organisatie bieden

verdere ontwikkelingsmogelijkheden.

Schriftelijke sollicitaties te richten aan de
direkteur van de Centrale Personeelsdienst
van de gemeente Zwolle, Ter Pelkwijkpark 18
te Zwolle, onder vermelding
van bovenstaand
vakaturenummer.

ESB 27-2-1974

181

gelegenheid van de Accountantsdag op
21 december 1972. De preadviezen wa-

ren:

Budget-democratie en markt-demo-
cratie in het inflatie-proces, door

Prof. Dr. C. Goedhart; inflatie; oorzaken, gevolgen en be-
strijding, door Prof. Dr. F. L. van

M ûiswinkel;
Inflatie en de grondslagen van de

,,managerial accounting”, door Prof.

Dr. L. Traas;
Het beleid van de onderneming in
een infiatoire omgeving; door Drs.

H. Mey.

CBS: ‘Statistisch Zakboek ’73. Staats-

uitgeverij, Den Haag, 1973, 337 blz.,

f. 9.

In afwijking van de reeds verschenen

statistische zakboeken, bevat dit
zak-

boek niet alleen tabellen, maar begint

elk hoofdstuk ‘met een toelichtende

tekst, waarin de aard en soms de inde-

ling van het desbetreffende hoofdstuk is

uiteengezet.

David Clurman: The business con-

dominium. John Wiley & Sons, New

York, Londen, Sydney, Toronto, 185

blz., £ 7.50.
Bevat de redenen waarom ,,business

condominiums” (gezamenlijk bezit van

bedrijven) nuttig zijn voor vele onder

delen van het Amerikaanse zakenleven
en onderzoekt de juridische, financiële

en managementproblemen hiervan.
Vervolgens noemt de auteur mogelijke

strategieën voor het gebruik van ,,con-
dominiums” in commerciële onderne-
mingen (waaronder kantoren, winkel-

centra, industriearken, warenhuizen

en parkeergarages). Steeds wordt het
,,condominium” vergeleken met andere

eigendomsvormen en waarom het

,,condominium” beter is. Zo heeft het

,,condominium” twee• unieke eigen-

schappen: specifieke onderdelen van de
onderneming zijn individueel eigendom

en onderdelen die met andere onderne-
mingen kunnen worden gebruikt, zijn

gemeenschappelijk eigendom.

C.
Boersma en J.
C. Maters: Kluwers

belastinggids 1974. Kluwer BV,Deven-

ter, 1974, 192 blz., f.
6,50.

Belastinggids ‘voor de aangifte in-
komstenbelasting 1973 en vermogens-

belasting 1974. Nieuw in deze editie is

de belastingschijf, waarmee in een
handomdraai het belastingpercentage
over de top van het inkomen te zien is

en welke belastingvermindering door

hypotheek- of andere schuldrenten

ontstaat.

Mr. J. Vierssen en E. N. Jonker: De

belasting-almanak

1974.

Elseviers

0

de rijksoverheid vra”agt

econoom of bedrijfskundige (mnl./vrl.)

die als adjunct-secretaris zal worden toege,voegd aan de secretaris van de Directieraad

voor het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

t.b.v. de Rijksgebouwendienst, Directieraad

De Rijksgebouwendienst draagt zorg voor de huisvesting van het rijksapparaat, hetgeen

onder meer inhoudt het tot stand brengen van grote bouwwerken en het kopen en

huren von gronden en opstallen.

Taak: assisteren en eventueel vervangen van de secretaris van de Directieraad. Voorts

is hij nauw betrokken bij de voorbereiding van het beleid en mede verantwoordelijk

voor een efficiënt beheer van het secretariaat.

Gevraagd: voltooide universitaire opleiding b.v.k. economie of bedrijfskunde (drs. of Ir.).

Standplaats: ‘s-Gravenhage.
Salaris, afhankelijk van ervaring, max. f2925,- per maand. Promotiemogelijkheid tot max.
f3449,- per maand aanwezig.

Tel. inlichtingen worden verstrekt door mr. R. J. van Stekelenburg onder nr.

(070) – 6142 21, tst. 240.

Schriftelijke sollicitaties onder vermelding van vacaturenummer 4-267610936 (in linker-

bovenhoek van brief en enveloppe) zenden aan dè Rijks Psychologische Dienst,

Prins Mauritslaan
1,
‘s-Gravenhage.

De salarissen zijn exclusief 7 % vakantie-uitkering en een toeslag, welke

afhankelijk van leeftijd, max. f 30,- per maand bedraagt.

182

Weekblad, Amsterdam, 1974, 256
blz.,
f. 8,90.

Negentiende editie van de belasting-
almanak van Elseviers Weekblad voor

het invullen van de aangiftebiljetten
voor de inkomstenbelasting 1973, de

premieheffing volksverzekeringen 1974
en de vermogensbelasting 1974.

ESb
Mededeling

Voorontwerp vanWetopde
stadsvernieuwing

Op maandag 25 maart a.s., 14.00 uur,
organiseert de Vereniging voor Bouw-

recht een bijeenkomst over het Voor-
ontwerp van Wet op de stadsvernieu-
wing in het Jaarbeurs Congrescentrum

te Utrecht.

Er worden inleidingen gehouden door

J. Rothuizen, lid van de Werkgroep
Aanvullende Regeling Stadsvernieu-

wing, en door Prof. Mr. P. de Haan,

voorzitter van de Vereniging voor Bouw-

recht en het Instituut voor Bouwrecht.
Inlichtingen: Vereniging voor Bouw-

recht, Wassenaarseweg 23, Den Haag,
tel.: (070)264631.

Symposium energiebesparing

Op woensdag 12junia.s. van 10.00 tot

16.30 uur organiseert de Stichting
Toekomstbeeld der Techniek een
symposium over ,,Energiebesparing in

Nederland” in de Jaarbeurscongres-

zaal te Utrecht.
Het voorlopig programma luidt als

volgt:
• Opening door Z.K.H. de Prins der
Nederlanden.

• ,,De toekomstige wereldenergievoor-

ziening en de mogelijkheden in Neder-

land”, door Dr. Ir. H. Hoog.

• ,,Besparing in de industrie en bij de
elektriciteitsopwekking”., door Prof.

Ir. D. G. H. Latzko.

• ,,Energie nodig voor het milieu”, door
Prof. Dr. Ir. N. W. F. Kossen.

• ,,Economische aspecten”, door Prof.
Dr. L. H. Klaassen.

• ,,Sociale aspecten”, door Prof. Dr.

H. M. Jolles.

• Forum met de inleiders en Drs. M.
Epema-Brugman, Prof. Ir. C. W. J.
Koppen en Dr. J. C. Terlouw.
• Samenvatting door Dr. Ir. W.J. Beek.

Eind mei wordt het preadvies
Energy
conservation – ways and means
ge-
publiceerd.

Inlichtingen en aanmeldingsformu-
lieren bij: Congresbureau Koninklijk
Instituut van Ingenieurs, Prinsessegracht 23, Den Haag, tel.: (070) 64 68 00.

Technische Hogeschool Delft

CREDIE TEN
ten behoeve van

ACADEMICI

Bij de Onderwijskundige Dienst kan, ten behoeve
van de sectie Statistiek worden geplaatst een

statistisch

medewerker

voor o.a.


Het kopen van een huis
(eventueel tot

meer dan 100% van de koopsom)


Praktijkovername en associatie


Vrije vestiging

De sectie verricht onderzoek betreffende de
studentenpopu latie (samenstelling,
studievorderingen en faktoren die daarop van
invloed zijn) en verleent assistentie bij onderwijsresearch.
Voor deze functie is behalve het diploma statistisch analist (of studerende daarvoor) ook
automatiseringServaring vereist.

Salariëring volgens Rijksregeling, afhankelijk van opleiding, leeftijd en ervaring (maximum te
bereiken salaris f.
1907,—
bruto per maand). Bij
gebleken geschiktheid is een uitloop tot f.
2189,-
bruto per maand niet uitgesloten.

AOW-premie komt voor rekening van de
Technische Hogeschool. Directe opneming in
welvaartsvast pensioenfonds.

Inlichtingen over deze funktie kunnen worden
ingewonnen bij de direkteur van de Onderwijskundige
Dienst, drs. F. Herschleb, telefoon
01 5-133222
toestel 5576/5557.

Schriftelijke sollicitaties te richten aan het Hoofd
van de Centrale Personeelsdienst, Julianalaan
134
te Delft, onder vermelding van nr. OKD
7401
in de
rechterbovenhoek van de brief.

Instituut voor

Verzekerings-
en financie-

1
.V.A.

ringszaken voor

Academici

Dir. Mr. S. G. DEN HOLLANDER

POSTBUS 23

BARENDRECHT

TELEFOON
018062500*

adverteer in

ESB,

ESB 27-2-1974

183

De GEMEENTELIJKE DIENST voor de
STADSONTWIKKELING
vraagt ten behoeve van de Hoofdafdeling STEDEBOUW-
KUNDIG ONDERZOEK een

planoloog

voor de afdeling Demografisch-planologisch onderzoek.

De taak omvat het in teamverband, met behoud van een
grote mate van zelfstandigheid, verrichten van planologisch
onderzoek in gemeentelijk en agglomeratieverband, het rap-porteren daaromtrent, het deelnemen aan werkgroepen enz.

Vereist:
doctoraal examen In de sociale geografle c.q. planologie,
bijvak economische geografie gewenst;
praktische onderzoekervaring, kennis van specialistische en
statistische onderzoekmethoden en redactionele bekwaam-
heid strekken tot aanbeveling.

Salare:
afhankelijk van opleiding en ervaring tot maximaal f3.449,-
per maand.

AOW-premie komt voor rekenIng van de gemeente.

Gunatige regelingen met betrekking tot verlof, verplaatsings-
en ziektekosten.
Vakantietoelage 7
1
/2% van het jaarsalaris.

Welvaartsvaste pensioenvoorziening.

Uitvoerige sollicitaties met vermelding van de naam van
dit blad, binnen 14 dagen
oDder
No. S.O. VI te zenden
aan de Directeur van de Gemeentelijke Dienst voor de
Stadsontwikkeling, Burgemeester de Monchyplein 9,
‘s-Gravenhage.

Van gegadigden wordt da bereidheid tot medewerking
aan een psychologisch onderzoek verwacht.

Gemeente ‘s-Gravenhage

Een onzer relaties is een zowel nationaal als internationaal georiënleerde technisch wetenschappelijke advies-
organisatie. De jaaromzet van circa
/
35 miljoen wordt
gerealiseerd met een personeelsbestand van 400 personen,
waarvan 80 academici.
Voor deze Organisatie zoeken wij een

ICDNDDM

De funktie

Rechtstreeks onder de directie zal de aan te stellen
functionaris belast worden met de beleidsvoorbe-
reiding, de beleidsoverdracht en de beleidsverificatie op economisch- en marketinggebied.
Hierbij is ondermeer te denken aan:
• het meewerken aan de opstelling van het lotale
beleidsplan, in het bijzonder aan de economische
en commerciële aspecten daarvan;
• het concretiseren van het marketingsplan; het
signaleren en becommentariëren van afwijkingen
tussen plan en werkelijkheid en het doen van voorstellen inzake de bijsturing;
• het opstellen van een systeem voor de
management- en marketinginformatie en het leiden van de te verrichten marktonderzoekingen.

De persoon

Voor de vervulling van deze functie denken wij aan
iemand van circa 35 jaar, die op niveau kan opereren
zowel op het bedrijfseconomisch als op marketing-
gebied en daarbij op evenwichtige wijze aandacht
weet te geven aan beide gebieden.
Zijn kennis dient gebâseerd te zijn op een academische opleiding op bedrijfseconomisch en marketingterrein alsmede op ervaring, verkregen in
een middelgrote tot grote onderneming of
Organisatie

Volder & co
orgénisatie-adviseurs
lid raad van organisalie-adviesbureaus

t

Degenen die voor deze functie belangstelling hebben,
worden verzocht hun sollicitaties te zenden aan ons bureau in Rijswijk, Sir Winston Churchill-laan 275, tav.
dr. A. C. M. van Keep. Indien gewenst, kunnen
bij
hem ook
tevoren telefonisch onder nr. (070) 99 44 54 nadere informaties worden ingewonnen. Vanzelfsprekend worden sollicitaties met
de vereiste vertrouwelijkheid behandeld.

184

Auteur