Ga direct naar de content

Jrg. 58, editie 2886

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 7 1973

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

7 FEBRUARI 1973

Es

STICHTING

b
ECONOMISCH

HET NEDERLANDS

58eJAARGANG

INSTITUUT

No. 2886

Buitenstaander

Democratie is een bestuursvorm waarbij het volk (door
vertegenwoordigers) zichzelf regeert. Een prachtige definitie,

die echter niets
zegt.
Ze zegt niets omdat ze niet aangeeft of

democratie doel en/of middel is en hoe dat zelf regeren moet

plaatsvinden. Als democratie een doel is, mag ze niet onder-
geschikt zijn aan andere doelen en mag ze dus geen middel

zijn om een doel te bereiken dat buiten haarzelf ligt, want democratie is een eindfase. Als democratie een middel is,

moet bekend zijn voor welk doel zij dient en moet zij
worden afgewogen tegen andere middelen, die hetzelfde
doel kunnen dienen. Indien wij willen nagaan hoe het volk –

of gedeelten daaruit – zichzelf kan regeren, krijgen wij te
maken met andere vage begrippen als discipline, deskundig-

heid, didactiek, communicatie, strategie enz. Verhalen over

democratie zijn vaak weinigzeggend. De auteurs begraven
zich veelal in filosofische beschouwingen zonder concrete

voorbeelden te noemen.
Enige tijd geleden schreven Cas Eijsbouts en Corn. Ver-

hoeven in opdracht van Ir. C. J. M. Eijsbouts, Adviesbureau

voor Organisatie en ontwikkeling, een interessant boekje
waarin het woord democratie herhaaldelijk valt 1). Hoewel
de auteurs niet steeds concrete beschouwingen weergeven,
lichten zij toch een tipje van de sluier op. Niet iedereen zal echter tevreden zijn met hetgeen dan tevoorschijn komt.

Ik heb de indruk dat Eijsbouts en Verhoeven hun boekje
voor professionele managers schreven. Deze dienen volgens

de auteurs de kunst te beheersen om middelen door mensen

effectief en efficiënt in te schakelen, waarbij zij steeds
democratie, discipline, deskundigheid en didactiek – basis-

voorwaarden voor dat inschakelingsproces – belangeloos
maar zakelijk voortdurend tegen elkaar afwegen.

In het boekje speelt de buitenstaander een belangrijke rol,
die binnen het bedrijfsleven anders lijkt te zijn dan daar-

buiten. Eigenlijk is de buitenstaander degene die van toeten

noch blazen weet. Hij wordt niet gehandicapt door kennis
en deskundigheid. Door hem bij de beleidsbeslissingen in te

schakelen, zijn de deskundigen gedwongen van de ivoren

toren van kennis af te dalen en te communiceren met de

buitenstaander. Hierdoor zijn de deskundigen gedwongen met hun beide benen op de grond te staan en theoretische

vaagheden, die slechts het intellect bevredigen, te vermijden.

Ik voel niet zo erg voor een ver doorgevoerd onderscheid

tussen buitenstaander en deskundige. Het lijkt dat Eijsbouts

en Verhoeven de deskundige als wetenschapsman zien, die
graag de datakrans van zijn wetenschap uitbreidt en voort-
durend twijfelt; kenmerken die de didactiek en dus de
communicatie in de weg staan.

Het onderscheid tussen buitenstaander en deskundige is
een grove simplificatie. We leven immers in een pluriforme

maatschappij, waarin we, afhankelijk van de problematiek,
zowel buitenstaander als deskundige kunnen, zijn. Vaak

kunnen we beide tegelijk zijn, want hoe dikwijls komt het
niet voor dat bestuurders met steun van hun deskundigen

een beleid voorstaan, dat lijnrecht indruist tegen de visie

van deskundige buitenstaanders. De zgn. deskundige kan

miskleunen en kan worden gecorrigeerd door de buiten-

staander, die toevallig een betere deskundige kan zijn.
Hiermee raken we de democratie mde kern. Met behulp

van hun deskundigen propageren de bestuurders of

managers een beleid voor alle burgers. Zij dienen dan niet
alleen voldoende rekening te houden met de wensen, maar

ook met de deskundigheid van de burgers.

Eijsbouts en Verhoeven simplificeren ook nog op een

andere manier. Zij gaan er zonder meer van uit dat demo-

cratie een doel van de huidige samenleving is. Ze lopen mi.
vast wanneer ze in die samenleving het bedrijfsleven als

onderdeel zien. Volgens hen is de maatschappij leefgemeen-

schap met de democratie als doel en is het bedrijfsleven een
werkgemeenschap met een doel dat door diverse onder-

nemingsleidingen wordt vastgesteld. In die werkgemeen-

schap is democratie louter een middel dat moet kunnen

concurreren tegen andere bestuursvormen.
De auteurs voeren het bedrijfsleven in als consequentie

van een goed functionerende democratische leefgemeen-
schap, die wordt gekenmerkt door particulier initiatief. Daar-
zonder is de democratische samenleving ,,tot middelmatig-

heid en onbenulligheid” veroordeeld. Ik vraag mij af of we
het bedrijfsleven wel op deze manier uit de samenleving

mogen losweken. Dat losweken is overbodig indien we

democratie meer als middel dan als doel zien. Democratie

kan middel zijn voor het welzijn of het welleven in de leef-
gemeenschap.

Voor de meeste burgers is de onderneming de gemeen-
schap waarin zij een groot deel van hun dag en leven ver-
toeven. Alles wat daaromheen gebeurt, zien zij als vrijetijds-

besteding. De onderneming zouden we niet als werkgemeen-
schap maar als leefgemeenschap moeten zien. Omdat het

bedrijfsleven een belangrijk onderdeel van de samenleving

is, moeten we het niet los van de samenleving bekijken.
Voor beide zouden in principe dezelfde leefregels en doel-
stellingen moeten gelden.

Eijsbouts en Verhoeven wilden concreet zijn door het

onderscheid tussen buitenstaander en deskundige en tussen

samenleving en bedrijfsleven. Mi. moeten we deze begrippen

niet onderscheiden, maar integreren. Dat maakt de zaak wel
abstracter en ingewikkelder. Eerlijkheidshalve moet hieraan worden toegevoegd dat ik volgens de criteria van de auteurs
op het gebied van de democratie een buitenstaander ben.

L.H

1) Cas Eijsbouts en Corn. Verhoeven,
Denianage,nent mix,
Ambo,
Bilthoven, 1972, 56 blz. Dit essay is verschenen als titelhoofdstuk
Het gewicht van de buitenstaander
in een gelijknamige uitgave
van Corn. Verhoeven.

109

Inhoud

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Buitenstaander

………………………………………….109
Redactie

Column
Commissie van redactie. H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
Dr. P. E. Kraemer:
A. de Wit.

Beleggingsmogelij kheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking;
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.

notities ter stimulering van gedachten

………………………112

Notitie
Adres:
Burgemeester Oud/aan
50,

Er valt heus wel wat te verdelen,
door J. MW/er

………………115
Rotterdam-3016;
kopij voor de redactie.
postbus
4224.
Tel.
(010)1455 II,
toestel37û/.
Drs. C. P. van Strien:
Bij adreswijziging s. v.p. steeds adresbandje

De

spoorwegtarieven;

kleine catechismus voor kamerleden,

krante-
meesturen.

mannen

en

consumenten

………………………………..116
Kopij voor
de
redactie:
in twee voud,

Prof Dr. H. C. Kuiler en Drs. J. M. Verhoe/f
getypt, dubbele rege/afstand. brede marge.

Het transport van graan (1); enkele veranderingen in het zeevervoer

119
Abonnementsprijs:f
78,00
per kalenderjaar
(mcl. 4%
BTW); studenten
f46,80

C. P. A.
Bakker:
(‘mcl.
4%
BTW), franco per post voor

Tweede rapportvan de werkgroep-Hartog; de subsidiëring van het wonen

123
Nederland. België, Luxemburg, overzeese
rijksde/en (zeepost).

Ingezonden
Betaling:
Abonnementen en contributies.

Oorzaak en gevolg,
door Bureau

VNO,
met naschrift
van Drs. L.
(na ontvangst van stortings/giro-

Hoffnan

…………………………………………….125
acceptkaart)
op girorekeningno. 122945 in. v.
Economisch. Statistische Berichten

Theorie van de onderneming: repliek,
door Prof Dr.
A.
Bosman, Drs.
te Rotterdam.

G. J. van Helden en Drs. J. C. ReuijI,
met naschrift
van Prof Dr. F.
Losse nummers:
Prijs van dit nummer f2,50

Brussel-Hoofdstad.
door Prof:

Dr.

F.

Rogiers

………………..

……

Hartog

………………………………………………
127
(mcl.
4%
BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers

Boekennieuws

-.
uitsluitend door overmaking van de hierboven

Angus Maddison: Twee modellen van economische groei,
door Drs.
vermelde prijs
op
g:rorekeningno.
8408
in. v.
Stichting het Nederlands Eèonomisch
P.

Terhal

……………………………………………..

129
Instituut te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
John W. Humble: Naar betere bedrijfsresultaten,
door Drs. H. P. van
exemplaar.
de

4

‘oird

…………………………………………….
130
Abonnementen
kunnen
ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden

Mededeling

…………………………………………….131
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Advertenties:
N. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants

Schiedam.
Lange Haven
141,
Schiedam,
te!.
(010) 26 02 60,
toestel
908.

Stichting

11

d n erzo e1

Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan
50.
Rotterdam-3016; tel.
(010) 14 55 II.

Onderzoekafdelingen:

is nodig. Het NEJ heeft zich daarop sinds 1929 gericht. Naast
Balanced
International
Growth

het pure onderzoekwerk houdt het zich bezig met het uit-
Bedrijfs-Economisch Onderzoek

voeren van opdrachten van overheden en bedrijfsleven in
Economisch-Sociologisch Onderzoek

binnen- en buitenland. Het heeft thans ervaring op vele ge-
.
.
Economisch-Technisch Onderzoek

bieden, in een spreiding over 50 landen. Er
heeft
in die
Vestigingspatronen

periode een specialisatie plaatsgevonden, maar door de
Macro-Economisch Onderzoek

samen werking in teams van econom isten, econometristen,
Projectstudies Ontwikkelingslanden

wiskundigen,

sociologen,

sociaal-geografen,

stedebouw-
Regionaal Onderzoek

kundig ingenieurs
.
en civiel-ingenieurs wordt een brede
Statistisch-Math?matisch Onde,’zoek

aanpak van de problemen gewaarborgd.

,
Transport-Economisch Onderzoek

110

F. Rogiers

Brussel –

Hoofdstad

Het recent in België afgesloten

regeerakkoord, dat met heel wat moeite
werd opgesteld tijdens de voorbije

weken, voorziet onder meer dat het
gewest Brussel (voorzien in de Grond-

wet art. 108 quater) zal worden be-

perkt tot de 19 gemeenten van de

agglomeratie voor de uitvoering van de
economische decentralisatie. Vermoed

kan worden dat slechts een gering aan-
tal van de Franstalige Brusselaars het

met deze beperking eens zijn en de strijd
tegen deze ,,carcan” zal niet zo gauw

worden opgegeven. In elk geval zal men

door deze wettelijke maatregel de in-
vloedssfeer van Brussel niet limiteren
tot deze grenzen: een grootstad be-

invioedt immers een zeer uitgebreide
zone, diç naar gelang het criterium de

grenzen van verschillende provincies
overschrijdt (bijv. aantrekking van

arbeidskrachten, levering van diénsten
e.a.).

Het administratief arrondissement

Brussel-Hoofdstad, met een bevolking

van bijna 1,1 mln. mensen (11% van het

rijk op 0,5% van de oppervlakte), be-
staat uit negentien zelfstandige ge-

meenten, die overkoepeld worden door
de agglomeratieraad en straks ook

door de economische gewestraad (die wel
parallelle en overlappende bevoegd-
heden hebben, maar met een andere

juridische draagwijdte), waarnaast nog

bestaat een socio-politiek overleg- en

adviesorganisme, de Gewestelijke Eco-
nomische Raad voor Brabant, zelf bij-

gestaan door een gewestelijke ont-
wikkelingsmaatschappij .,, Des Guten
zuviel? …..

Dat Brussel een bijzondere plaats in-
neemt in België is volkomen logisch,
omdat de hoofdstedelijke functie mede-

bepalend is voor de economische

macht. Bovendien werd er steeds een
centralistische politiek gevoerd, die

goed zichtbaar is in de tekening van de verkeersinfrastructuur: Spoorwegen en
wegen, en zelfs enigszins waterwegen,

evenals de PTT. Als hoofdstad is
Brussel vanzelfsprekend de zetel van

praktisch alle grote nationale over-

heidsinstellingen, inzonderheid van de
ministeries en de parastatalen, waarvan
de groei en de bloei niet moet worden

aangetoond. Het merendeel der grote
vennootschappen, zowel van de

industrie als van de dienstverlenende
sector en der financiën vestigden er hun
zetel, zoniet hun hoofdkantoor. De

Nederlandstalige pers is voor meer dan

de helft en de Franstalige kranten voor meer dan drie kwart geconcentreerd in

Brussel. Het is dan ook niet te ver-

wonderen dat Brussel zich in de loop
der jaren ontwikkelde tot het belangrijk-

ste economische gewest van het land.

Tabel 1. Loon- en weddetrekkenden in de nijverheid van Brussel
(ji.ini 1971)

Bednjfslak

Aantal

in
% van
het Belgische totaal

Be- en verwerkende nijverheid

47.682

12.6

waarvan: voedingswaren

………………………………….
.
0.078
12.1
drankbereiding

………………………………….
3.687
15.3
tabak

…………………………………………
.
.644
19.8
scheikunde

…………………………………….
15.027
22,3
papiernijverheid

…………………………………
3.993
14.7
boekbedrijf en foiogral7e

………………………….
16.862
40,9
huiden

en

Ieder

…………………………………
2.611
30.2
textiel
…………………………………………
3.785
3.1
kleding

………………………………………..
14.874 16.6
elektricileit, gas.

water

……………………………
6.382
28.1
fabricage van artikelen uit gewoon metaal
……………..
11.549
17.5
machineconsructie en elektrische toestellen
……………..
40.144
13.5
kunst

en

precisie

…………………………………
1.599
9,8

8ous’bedrijÇ

……………………………………..
43.323
16,7

Bron: Jaarverslag 1971 van de RMz.

Tabel 2. Loon- en weddetrekkenden in de dienstensectoren van Brussel
(juni 1971)

Bedrijfstak
Aantal
in
%
San het Belgische totaal

Vervoer

…………………………………………
15.163
20.5
Handel

………………………………………….
92.623
32.6
Krediet

…………………………………………
50.873
55.7
iOIerlci agentschappen

……………………………..
33.884
50.0
Horeca

………………………………………….
35.550
32.0
Overheid. onderwijs en algemeen belang

………………..
186.025
24.3

Bron: Jaarverslag 1971 van de RMz

Werkgelegenheid

Volgens de gegevens van de Rijks-

dienst voor Maatschappelijke Zeker-
heid (RMZ) vonden er op 30juni 1971,
605.595
loon- en weddetrekkenden
(jongeren onder leercontract, huis- en

dienstpersoneel en miliciens niet inbe-
grepen, evenmin als de personeelsleden

van de NMBS en internationale instel-
lingen) een werkgelegenheid in Brussel-

Hoofdstad, di. 21% van het rijkstotaal.

Hierbij zouden nog gevoegd moeten
worden de zelfstandigen en helpers, die

eveneens op ca. 20% van het totaal
mogen worden geraamd.

Hoe eigenaardig dit ook moge schij-
nen, Brussel is het eerste
industriële
centrum van het land met nagenoeg
190.000 personeelsleden (industrie
+
bouwbedrijf), of 13,4% van het rijk. Voor

de meeste industrietakken neemt

Brussel de eerste plaats in; slechts in
enkele takken (zoals bijv. zware metaal-,

textiel-, hout-, rubbernijverheid) heeft
de hoofdstad een relatief bescheiden
aandeel (tabel 1 geeft de belangrijkste
takken weer).

(slot op his. 126)

ESB 7-2-1973

111

Beleggingsmogellikheden in het kader

van ontwikkelingssamenwerking

Notities ter stimulering van gedachten

DR. P. E. KRAEMER*

De vraag waarom het hier gaat is een toegespitste

vraag. Dat wil zeggen: zij wordt gesteld met betrekking

tot één bepaald terrein, namelijk dat van dc verhouding

tussen ,,rijke” en ,,arme” landen met betrekking tot de

kapitaalverschaffing en de rol daarbij van gewone parti-

culiere burgers. Maar met deze, op dat ene terrein toe-

gespitste vraag, raken we aan een veel algemener pro-
bleem dat de laatste tijd een toenemend aantal mensen

dwars zit.

Wat is ,,verantwoord” beleggen?

Op zichzelf is dit probleem niet nieuw. Er is altijd

het besef geweest dat het beleggen van spaar- en andere

gelden, die men als een ,,goed rentmeester” wenst te

beheren, gewetenskwesties kan meebrengen. Een bepaald

object kan uit een oogpunt van financieel rendement

nog zo aantrekkelijk zijn, maar toch verwerpelijk worden

gevonden vanwege het eraan verbonden negatieve maat-

schappelijke effect. Een sprekend voorbeeld hiervan

vormt de wapenindustrie; ook de meest professionele

beleggingsadviseur zal u dit onmiddellijk weten te noe-

men, zodra hij in ii een wat ethisch ingestelde cliënt

vermoedt.

Door diverse omstandigheden heeft dit probleem te-

genwoordig echter een geheel nieuwe Lirgentie gekregen.

Aan de ene kant is dc beleggingsniarkt bijzonder ondoor-

zichtig geworden door de ingewikkelde vervlechting van
allerlei ondernemingsactiviteiten die bovendien een nau-

we verwevenheid te zien geven tussen de zogenaamde

Vrije sector en de publieke en semi-publieke sector.

Hierdoor is nauwelijks iemand meer in staat te beoor-

delen waarin hij zijn geld nu precies belegt en waarvoor

het wordt gebruikt. En deze onzekerheid is des te pijn-

lijker omdat het aan de andere kant inmiddels maar al

te duidelijk is welke kwalijke maatschappelijke en poli-

tieke consequenties er verbonden kunnen zijn aan vele

van de meest profijtelijke bedrijvigheclen. Men denke

slechts aan de thans alom in de aandacht staande

,,externe effecten” op het gebied van het milieu, zoals

die worden bewerkt door de snel groeiende supertechno-

logische industrieën.

Door dit soort factoren is het bijzonder moeilijk ge-

worden om de grens te trekken tussen ,,goede” en

,,kwade” beleggingen, als men daaronder meer wil ver

staan dan hoge of lage heursnoteringen. Waar ligt die

grens? Bij de wapenindustrie? Maar is dit dan exclusief

of inclusief de makers van vliegtuigen, vrachtwagens of

elektrotechnische apparatuur, die naast civiele net zo

goed militaire markten bedienen? Bij de chemische

milieuvervuilers? Maar waarom dan niet evenzeer bij

de minstens zo vervuilende kernenergiebedrijven? Of bij

de (over)producenten van kunststoffen met hun in meer

dan één opzicht marktverstorende gevolgen. Of bij de

koper- en andere mijnbouwconcerns, de grote interna-

tionale handelsmaatschappïjen en dito banken, die ieder

op hun wijze voordeel behalen aan de gegeven econo-

misch’ afhankelijkheidsverhoudingen in de hedendaagse

wereld? En wat dan te zeggen van de gerenommeerde

investeringsfirma’s, die juist in tal van de hier aange-

duide ondernemingen de specifieke groei-objecten vinden

voor hun met zorg op winstvastheid geselecteerde aan-

delenportefeuilles?

Reacties in soorten

Wie eerlijk wil zijn, moet erkennen dat hij er niet

uitkomt. Een duidelijke grens
is
niet te trekken, en hij

die het toch probeert, waagt zich aan een nimmer em-

digende exercitie in casuïstiek. Voor velen zal dit reden

zijn om, met meer of minder onrustig gemoed, zich bij

de toestand neer te leggen als een nu eenmaal niet te

veranderen feit. Anderen daarentegen, van rebelser na-

tuur, zullen daardoor juist geneigd zijn radicaal van

iedere beleggingsmogelijkheid af te zien; in het conse-

quente besef dat daarin de enige garantie schuilt tegen

besmetting met het uitbuitingsvirus van het heersende

kapitalistische systeem.

Hoe begrijpelijk op zichzelf ook, geen van deze reac-
ties is erg bevredigend. De eerste lost niets op, noch aan

het probleem zelf, noch aan de gefrustreerdheid erover.

En het tweede lijkt wel bijzonder principieel, maar

waarborgt nog bepaald geen schone handen. Want dan

is er meer nodig dan het simpele (?) besluit om het

voortaan bij giften-voor-goede-doelen te laten. Dat

,,nieer” zou in feite inhouden, dat men zich volledig

onttrekt aan ieder meedoen in ons huidige samenlevings-

bestel, inclusief de niet per se kapitalistische hoedanig-

hedenervan. Als men immers loon ontvangt of uitgaven

doet, betaalt men belasting. En wat gebeurt d4rmee? Als

men zich vrijwillig of verplicht verzekert en pensioen-

premies stort, draagt men bij tot kassen en fondsen met

* De auteur is directeur van het Inter-universitair Instituut Normen en Waarden in de Samenleving.

112

enorme vermogens onder hun beheer. En wie weet hoe

dât wordt gevoerd?

Kortom: tenzij men Robi nson-Crusoe-aspiraties heeft

en die ook weet te verwerkelijken in onze twintigste
eeuw, zal zelfs de meest radicale opstelling nog niet

radicaal genoeg blijken om het probleem uit de wereld

te helpen. En wie dit inziet, heeft slechts twee keuzen.

Of hij doet niets en bekent zich daarmee tot de eerder

genoemde berustende velen. Of hij weigert dit en gaat

erop uit misschien t6ch mogelijke wegen te vinden die

kans bieden op een nieuw perspectief.

Op zoek naar een alternatief

Eén zo’n weg wordt sinds enige tijd beproefd en wel

op het terrein van de internationale ontwikkelingssamen-

werking. Door daaraan hier aandacht te besteden, kan

niet alleen melding worden gemaakt van de stappen

die inmiddels werden gedaan, maar zal bovendien de

gelegenheid ontstaan om vragen te stellen over wat nog

verder moet gebeuren. Dit laatste komt dan vooral voort

uit de behoefte om een nader antwoord te vinden op
het ons hier bezighoudende algemene probleem van

,,verantwoorde” beleggingen.

Een eerste stap op bedoelde weg werd, na de assem-

blée van de Wereldraad van Kerken (WRK) te Uppsala
in 1968, gezet met de aanvaarding van de gedachte van

een internationaal consortium voor ontwikkelings-

projecten, sindsdien wel bekend onder de naam
Ecu-

nienical Development Fund 1).
In opzet is dit fonds

de centrale kas waarin bij de WRK aangesloten kerken

2 % van hun jaarlijkse budgetten storten ter financie-

ring van ontwikkelingsarbeid in de landen van de Derde

Wereld. De vorm van deze financiering wordt echter

nog hoofdzakelijk opgevat als die van eenzijdige bij-

dragen, dus zonder de verwachting van een terug-

vloeiend rendement.

Een tweede stap volgde toen de
Commission on the

Churches’ Participation in Development (CCPD)
tot op-

dracht kreeg om de mogelijkheden na te gaan tot het

overdragen van kapitaal via kerkelijke investeringen ten

behoeve van ontwikkelingslanden. Deze opdracht was
van grote betekenis, en wel om de volgende redenen.

Om te beginnen bleek eruit dat nu van twee kanten

tegelijk gewerkt ging worden. Hij bijeenbrengen van

financieringsmiddelen in een centrale kas vergt als nood-

zakelijk complement de beschikbaarheid van concrete

objecten waaraan die middelen ten dienste kunnen wor-

den gesteld.

Door metterdaad op zoek te gaan naar zulke con-

crete objecten moest duidelijkheid ontstaan over de te

hanteren criteria. En zo kwam men tot de ondubbel-

zinnige uitspraak, dat alleen die objecten tot werkelijke

,,ontwikkeling” voeren die een proces van bevrijding uit

bestaande afhankelijkheid mogelijk maken. Het moeten

met andere woorden objecten zijn,

• die zelfstandigheid bevorderen;

• die daarvoor dus ook de noodzakelijke voorwaarden

scheppen van een zekere, uit eigen kracht zich besten-

digende welvaartsgroei;

• die de baten van deze groei rechtvaardig verdelen.

En dit had (zo mag men aannemen) tot consequentie,

dat men de term ,,investeringen” ging verstaan in de

specifieke zin van kapitaalverschaffing aan projecten,
waarvan mag worden verwacht dat zij te zijner tijd een

rendement op dit kapitaal kunnen voortbrengen. Immers,

dit rendement is de meest zekere waarborg dat het ver-

schafte kapitaal voor de ontvanger tot een instrument

van zelfbevrijcling is geworden. Daarin bewijst zich zijn

economische onafhankelijkheid van de verschaffer.

Een derde stap tenslotte werd gedaan met de ver-

schijning van een rapport onder de titel
A Third Force
for the Thircl World 2). Dit beknopte geschrift werd
samengesteld door een werkgroep van financiële des-

kundigen uit de Britse kerken, die – naar aanleiding

van daartoe strekkende resoluties van de in 1969 gehou-

den Swanwick Conference – twee dingen tot taak kreeg
toegewezen:

onderzoeken in hoeverre er reeds bestaande kanalen

zijn, waarvan kerken en al dan niet daarmee ver-

wante particuliere stichtingen, zowel als individuele

burgers, gebruik kunnen maken voor het doen van

beleggingen in de ontwikkelingslanden;

• een voorstel ontwerpen voor een nieuw orgaan, dat

zo nodig als aanvullend beleggingskanaal kan dienen

naast de al bestaande van de zijde van de (inter)-

nationale overheden en het bedrijfsleven.

Het belang van dit werkstLik (dat dus zoekt naar een

derde financieringsmacht, naast die van overheid en

bedrijfsleven, ten behoeve van de zogenaamde ,,derde

wereld” van de ontwikkelingslanden) ligt vooral hierin.

Ten eerste past het de investeringsgedachte in specifieke

zin, zoals nadrukkelijk aanvaard door de CCPD voor te

financieren objecten, thans ook toe op hen die daarvoor

de middelen ter beschikking stellen. Ten tweede noemt
het onder de laatsten niet alleen kerken, maar eveneens

beheersstichtingen (trust funds) en particuliere burgers.

Een en ander wil zeggen dat deze derde stap dus een

dubbele verruiming inhoudt van het oorspronkelijke

idee betreffende het Ecumenical Development Fund.
De tweede en derde stap nader bezien

Bij hun inventarisatie van reeds bestaande kanalen

voor beleggingsdoeleinden in ontwikkelingslanden,

onderscheiden de samenstellers van het Britse rapport

een zevental categorieën. Zij categoriseren daarmee een

breed scala, dat varieert van intergouvernementele

financieringsinstellingen van wereldwijd of regionaal

karakter, via publieke en (semi)-particuliere ontwikke-

lingsbanken en -corporaties op regionaal en nationaal

niveau, tot en met de normale ter beurze geregistreerde

aandelen, obligaties en leningen. De slotsom waartoe

men komt is echter pover. Hoewel het inderdaad alle-

maal potentiële kanalen zijn voor particuliere beleggers,

is in de praktijk in feite maar één soort beschikbaar en

dan nog in beperkte mate. Namelijk dat van de verhan-

delde fondsen op de in de ontwikkelingslanden zelf ge-

vestigde effectenbeurzen.

In hoeverre deze conclusie – die uitsluitend is geba-

seerd op voor Britse beleggers geldende bepalingen –

ook opgaat voor andere landen, zou nader moeten wor-

Hierover berichtte H. M. de Lange in
Wending,
mei
1969: Ontwikkelingssamenwerking – kroniek van feiten en
opinies, blz. 186.
Uitgave van het Overseas Development Institute Ltd,
Londen, 1972. De vermelding van dit rapport is illustratief;
het wil niet tekort doen aan evt. soortgelijke stappen elders.

ESB 7-2-1973
113

den uitgezocht. Zoveel is echter zeker, dat zelfs het

gunstigste resultaat weinig op zal leveren aan beleg-

gingsmogelijkheden die de toets van de door de CCPD

geformuleerde criteria kunnen doorstaan. Het betreft

immers in overgrote meerderheid kanalen voor beleg-

gingen, die weliswaar economische groei zullen bevor-
deren, maar zich als zodanig bepaald niet bekommeren

om zelfstandigheid, laat staan sociale rechtvaardig-

heid 3).

Om deze redenen loopt het rapport dan ook uit op

een pleidooi voor de wenselijkheid van een nieuwe

instelling. Op dit punt wordt straks teruggekomen, want

er moet nu eerst nog iets worden gezegd over de werk-

zaamheden van de CCPD.

Ter uitvoering van haar opdracht begon de CCPD
met het advies te vragen van ca. 80 personen in ont-

wikkelingslanden en daarbuiten. Dit voerde tot de vor-

ming van een kerngroep van deskundigen, die als voor-

naamste aanbeveling deed zich voorshands te concen-

treren op vier landen in het bijzonder. Deze landen

zijn Kenia, Ceylon, Libanon en Ethiopië, in elk waar-
van thans door een team van vertegenwoordigers van

overheid, bedrijfsleven, wetenschap en de ,,gewone”
man wordt gewerkt aan de mogelijke realisering van

levensvatbare, c.q. renderende projecten. Of én in hoe-
verre deze arbeid succes zal hebben, kan nog niet wor-

den gezegd. Vermeldenswaard is echter wel, dat de

CCPD het door haarzelf gestelde criterium van ,,zelf-
standigheid” van het begin af aan in praktijk probeert

te brengen door haar opdracht te vervullen in volstrekte

gezamenlijkheid met direct-betrokkenen in de ,,ont-

vangende” gebieden 4).

Conclusies en overblijvende vragen

Een zeer belangrijk winstpunt uit het voorgaande

is zonder twijfel, dat er dank zij de criteria van de

CCPD een uitzicht is op beleggingsmogelijkheden, die

inderdaad ,,verantwoord” mogen worden genoemd van-

uit de gezichtshoek van hun maatschappelijke effect. Dit

is principieel van zo’n groot gewicht dat de CCPD

iedere denkbare steun verdient bij het overwinnen van

de vele praktische moeilijkheden die besloten liggen in
het van de grond krijgen van concrete objecten.

N.B. Een niet te veronachtzamen ,,bijkomstigheid” van
het door de CCPD verrichte denkwerk is, dat het zich in
feite net zo goed leent voor toepassing voor
ondernemers
en alle anderen die allereerst op zakelijke gronden in inves-
teringsobjecten zijn geïnteresseerd. tndien het hen niet uit-
sluitend om winstgevendheid gaat, maar daarnaast ook om overwegingen van maatschappelijke verantwoordelijkheid,
dan kunnen zij in de drie criteria van de CCPD een hand-
zaam richtsnoer vinden voor het afwegen van hun beslis-
singen.

Eén van de praktische moeilijkheden die te over

winnen zijn, betreft de vraag wat men onder een ,,aan-

vaardbaar” rendement moet verstaan. Voor de belegger

zal het
minimaal
moeten betekenen, dat zijn rendement

inflatie-vast kapitaalbeheer waarborgt. Wil echter het

object aantrekkingskracht kunnen uitoefenen op een

voldoend aantal kapitaalverschaffers, dan is het reëel

te stellen dat het geboden rendement als laagste
maxi-

mum
moet mikken op een opbrengst die althans niet

minder is dan wat investeringen in het bedrijfsleven op-

leveren. ,,Aanvaardbaarheid” zal ergens tussen deze twee

grenzen dienen te liggen: zelfs beleggers met de edelste

motieven zullen veelal, uit volkomen te billijken over-

wegingen (zeker als het beheersstichtingen geldt), hogere

eisen moeten stellen dan pure inflatievastheid. Als alge-

mene formule kan daarom wellicht van de volgende
worden uitgegaan: wat geboden moet worden is een

redelijke vergoeding voor mogelijke geldontwaarding,

alsmede een matig dividend.

De bevindingen inzake beschikbare kanalen voor

het doen van ,,verantwoorde” beleggingen in ontwikke-

lingslanden maken duidelijk dat er grote behoefte is aan

een
nieuw
orgaan. Wil zulk een orgaan zijn functie als

investeringsmedium inderdaad kunnen vervullen, dan zal

het juist ook in ,,zakelijk” opzicht aan tal van eisen

moeten voldoen: er zullen garanties moeten komen op

het stuk van liquiditeit, van risico-dekking en dergelijke

financieel-technische kwesties meer. Daarover worden

in het rapport der Britse deskundigen (evenals in het in

noot 3 genoemde
Pro
posal
van C. Richard Waits) allerlei

opmerkingen gemaakt en aanbevelingen gedaan. In de

details van dit alles hoeft en kan hier niet worden ge-

treden. Maar het is uitermate belangrijk dat ter zake

bevoegden, ook in ons land, zich daarin wél verdiepen;

opdat mede door h(in kennis en vindingrijkheid wordt

bijgedragen tot een nieuwe vormgeving die zo spoedig

mogelijk gerealiseerd kan worden. Als eerste stap hiertoe

zou zo, wat Nederland betreft, een soort overleg-situatie

in het leven moeten worden geroepen waarbij bijv. de

NOVIB een centrale, stuwende rol zou kunnen spelen.

Een

laatste vraag die zich vervolgens laat stellen, is

deze: in hoeverre kan het Ecumenical Development

Fund (EDF) als zulk een nieuw orgaan tot ontwikkeling

worden gebracht? Bundeling van alle beschikbare krach-

ten op dit ene punt zou tot een experimentele doorbraak
kunnen voeren, waaraan dringend behoefte is. Dit Fund

zou dan niet alleen een centrale kas moeten vormen

voor het doorgeven van uit kerkelijke budgetten afkom-

stige gelden, maar dienen te worden opgezet als een vol-

waardig transformatie-orgaan voor te investeren kapitaal

dat zowel door kerken als door particuliere beheers-

stichtingen en individuele beleggingzoekers verschaft

wordt. Concentratie op een zodanige uitbouw van het in

aanzet aanwezige EDF kan wellicht het proces om tot

een concreet alternatief te komen, aanmerkelijk versnel-

len.

Bovenstaande conclusies en overblijvende vragen wor-

den geformuleerd als stimulans. Als stimulans allereerst

tot voortgaande arbeid ter verwezenlijking van de moge-

lijkheden die er blijken te liggen op dat ene terrein van

de ontwikkelingssamenwerking. Maar vervolgens niet

minder als stimulans tot het gaan ontdekken van soort-

gelijke mogelijkheden op andere terreinen.

Paul E. Kraemer

3)
Een kritisch onderzoek naar de rol van een 11-tal
regionale en nationale ontwikkelingsbanken werd onder-
nomen door de Amerikaanse economist C. Richard Waits,
die zijn aldus gewonnen inzichten neerlegde in een
Proposal
concerning the investmnent of funds by Chu,ch bodies of
the developed countries so as to promote social and econornic
improvement in the developing countries,
in april
1971
aan-
geboden aan de CCPD.
4)Nadere details kan men vinden in het gestencilde
Report
on the Church Investmnents Enquiry,
opgesteld t.b.v. de
CCPD-vergadering in Driebergen,
17-23
juni
1972.
Dit rap-
port en aanvullende informaties kunnen worden aangevraagd
bij de CCPD, World Council Of Churches, 150 Route de
Ferney, 1211 Geneve 20.

114

Er valt heus wel wat te herverdelen!

in
Onderneming,
het iteekblad van het Verbond van Necler-
landse Ondernemingen (VNO), van 24 november 1972 it’ordi
gesteld, dat de inkomensverdeling in Nederland geen probleem
van de eerste orde meer is. Aan de hand van een van de Wiardi
Beckman Stichting geleende vuistregel (het ,naxinium net to
inkomen als beloning voor arbeid die gedurende een normale
werktijd en niet normale inspanning wordt verkregen, mag vijf:
maal het minimum netto inkomen bedragen) rekent
Onderne-
ming
voor, dat er netto dan niaarf3 per week te verdelen valt.
50.000 personen niet een bruto inkomen van meer dan f85.000
per jaar zouden dan een flinke veer moeten laten om 6.000.000
personen een heel klein veertje te kunnen geven. Dat bruto in-
komen van f85.000 komt dan neer opf 45.000 netto, dat is 5 maal
het netto minimum-inkomen.
Tja, als je z6 hoog in de boom klimt, heb je natuurlijk een
prachtig uitzicht, maar veel te plukken valt er niet! Eigenlijk
hee/t
Onderneming
een karikatuur van het probleem gemaakt;
het blad heeft het probleem weggerekend. Laten weeensproberen
het weer zichtbaar te maken.
in
ESB
van 6 december 1972 heeft Prof Klaassen gezegd, dat
hij de vergelijking van inkomens ook de verantwoordelijkheid en de maatschappelijke betekenis van het beroep betrokken
dient te worden. Daar kan niemand iets tegen hebben.
Laten we eens uitgaan van het gemiddeld inkomen van een vak-
bondsbestuurder. Hij werkt (te) vele uren per week, draagt grote
verantwoordelijkheid en heeft een beroep, waaraan de maat-
schappij grote betekenis toekent. Zijn inkomen kan voor 1972
geschat worden op gemiddeld f34.000. Wanneer onze maat-
schappij dit bedrag als maximum-inkomen zou aanvaarden, dan
zou het er voor de lager-betaalden goed uitzien. Vorenstaand
bedrag is overigens gelijk aan 2 b 3 maal het bruto wettelijk
minimum loon,
mcl.
kinderbijslag en vakantietoeslag.
Dief 34.000 komt overeen met def 20.000-grens, die we op blz.
228 van het
Statistisch Zakboek 1972
(CBS) vinden; daar is de
personele inkomensverdeling 1967 weergegeven.
Sinds 1967 zijn de looninkomens met ca. 70
0
10 gestegen; de
f 20.000 van toen heeft ongeveer dezelfde koopkracht als de f34.000 van nu.
in 1967 verdienden 424.300 mensen f20.000
of
meer; samen
waren ze goed voor bijnaf 16 mrd. In onze berekening lâten we
ze f20.000 …. en de rest gaan we herverdelen. We lâten ze dan
f8,5 mrd en houden , ,o ver”f 7,3 mrd., welk bedrag, aan 3,95 mln.
personen uitgekeerd, ca. f 1.850 per persoon betekent. Door
middel van de tabel op b/z. 231 van voornoemde CBS-publikatie
hebben we de minderjarigen van onze bede/ing uitgezonderd;
overigens een voorlopige keuze!

Wie krijgt wat?

Onze herverdelingsberekening geeft het volgende resultaat.
• Zij die (in 1967) van f0 tot f3.000 verdienden, krijgen er – bij
een gemiddeld inkomen van f1.000 – 40% bij (320.000 per-
sonen).
• De groep niet f3.000 tot f6.000 krijgt – bij een doorsnee-
inkomen in deze groep vanf 4.500- er 35% bij. In deze groep vinden ive vooral A OW’ers en kleine zelfstandigen (934.200
personen).
• De grootste groep, namelijk 1.450.000 personen, verdiende in
1967 tussenf 6.000 enf 10.000; deze groep geven we er’25% bij,
op een gemiddeld inkomen van f 7.500. in deze groep zit het
gros van de loontrekkers, waaronder minimumloners, even-
eens vele kleine zelfstandigen, en A OW’ers, die nog andere
dan louter A 0W-inkomsten hebben.
• 15% hebben we gereserveerd voor hen dief /0.000 totf 15.000
per jaar verdienden in 1967; 1.245.000 personen niet een ge-
,niddeld inkomen van f 12.000; (vnl. werknemers, maar ook
gepensioneerden en zelfstandigen).

Tenslotte de veel kleinere groep (376.000 personen) dief /5.000
tot [20.000 verdiende in 1967 (te vergelijken met f 25.000 tot
f34.000 nek). Deze schenken ive 10%, op een gemiddeld inko-men in 1967 van f 17.000.

Kennis- en kapitaalviucht?

Nogmaals: aan deze berekening ligt het uitgangspunt ten
grondslag, dat het hoogste inkomen niet meer dan 2 â 3 maal het minimum-loon mag bedragen! Hier is dus sprake van een
absolute begrenzing van het inkomen.
Hoe lagen de inkomensverschillen in 1967, zonder begren-
zing? Het minimum-inkomen lag toen op ca.f 8.000. Ca. 180.000 personen hadden toen een inkomen dat varieerde van 5 maal tot
30 en meer maal het minimum-inkomen.
Een inkomensherverdeling als voorgesteld in onze berekening
zal menigeen de stuipen op het lijf jagen. Bij verii’ezenli/king van
deze inkomuens verhoudingen, zo meent men, zullen kennis en
kapitaal rap de kuierlatten nemen naar het buitenland, dat –
zoals bekend – stukken groter is dan het binnenland. Laten we
echter goed bedenken, dat ons dit schrikbeeld
bij elke aantasting
van de hogere inkomens
zal worden voorgehouden! Aan de
andere kant zal een drastische herverdeling van cle inkomens
ertoe leiden, dat de opleidings- en studiekansen voor brede lagen
lan de bevolking sterk verbeteren, waardoor de schaarste van
hoger gek waijficeerde beroepsbeoefenaren geringer wordt. Bij
een drastische inkomensher verdeling verschuift de belasting-
druk aanzienlijk, veranderen de de kostenstructuur en de struc-
tuur van de gehele voort brenging en wijzigt zich het consumptie-
patroon.
Het is de vraag
of
bij het verband tussen hoge inkomens en de
verantwoordelijkheid en de betekenis van het beroep niet vaak
sprake is van een kip/ei-probleem. Ontstaat hei hoge inkomen
door de betekenis van het beroep of is het omgekeerde het geval.
En wat is de betekenis van verantwoordelijkheid in een kapitalis-
tische economie?

Jan MüIIer

REKENVOORBEELD INKOMENSHERVERDELING
Uitgangspunt:
• maximum-inkomen
f.
34.000;
• inkomensverdeling 1967
(f.
34.000 van nO was toen
f.
20.000).
1967: 424.300 personen verdienden meer dan
f.
20.000;
samen:
f.
16 mrd.
Te herverdelen: inkomen béven
f.
20.000 =
f.
7,3 mrd.
Te verdelen over 3.950.000 personen =
f.
1.850 per persoon.

Verdelingsvoorbeeld op basis inkomens 1967

Zij die verdienen:
Aantal: Krijgen er bij:
Totaal:
f.

0

t.

3.000 ((1 t.

1.000)
320.000 40%
=
f.

400
t.

128 mln.
f. 3.000-t.

6.000 (9f.

4.500)
934.200
35%
=
t. 1.575
t. 1.471

mln.
f. 6.000

f.10.000
(9
f.

7.500)
1.450.000
25%
=
t. 1.925
f.2.791 mln.
t.iO.000 -f.15.000 (9f.

2.000) 1.245.000
15%
af
1.800
f.2.241 mln.
t. 15.000- f.20.000 (9f.

7.000) 376.000
10%
=
t. 1.700
f.

639 mln.

Totaal t.7.270 mln.

Voorwaarden en consequenties:

• sterke verschuiving belastingdruk;
• wijziging structuur, kosten, prijzen, produktie, consumptie;

Waarschuwing

Dit is een rekenvoorbeeld; het toont aan, dat het bij een
wezenlijke inkomensherverdeling
niet
om enkele guldens
per week gaat.

ESB 7-2-1973

115

De spoorwegtarieven

Klein
,
.- catechismus voor kamerleden, krantemannen
en consumenten

DRS. C. P. VAN STRIEN*

De even uitzonderlijke als terechte belangstelling waarin

de vraagstukken van verkeer en vervoer zich in het kader van

een leefbaar vaderland van nu en straks verheugen, komt

o.a. tot uiting in de weliswaar prille, maar geenszins levens-

kansloze traditie van een kamerdebat, telkenmale dat een ver-

hoging der spoorwegtarieven wordt aangekondigd.

Op 9 december 1971 verdedigde minister Drees het tarief-

beleid tegen de ,,drie-maal-in-één-jaar-aanklacht” van

Drs. E. van Thijn. Op 12 september 1972 constateerde de

opnieuw interpellerende heer Van Thijn, dat minister Udink

even briljant en met even slechte argumenten als zijn voor-ganger, de voor 1 oktober 1972 voorziene tariefsverhoging

verdedigde. Die voorganger bleek overigens voor eigen

argumenten uit andermans mond niet gevoelig.
Doch dit terzijde.
Bij de tariefinterpellaties spelen telkens weer de tref-

woorden: prijselasticiteit, vervoerssubstitutie, basisvervoer,
overig vervoer, marktaandeel, spoorwegverliezen, maat-

schappelijk nut en rijksbijdragen. Wellicht is een overigens
pretentieloos opstel over deze materie niet zonder zin.

Uitzonderlijke positie

In een eerder in dit tijdschrift verschenen bijdrage 1) heb
ik geschetst hoe de NV Nederlandse Spoorwegen tot in het
begin van de jaren zestig een tamelijk uitzonderlijke positie
innamen tussen hun Europese zustermaatschappijen. Niet
alleen bezaten ze de rechtsvorm van de vennootschap, maar
ze maakten sedert het begin der jaren veertig onafgebroken
bescheiden winsten, die zo nu en dan zelfs tot uitkering van
dividend leidden.
De bescheidenheid der winsten vond enerzijds zijn oorzaak
in de aard der bezigheden – vervoeren is een bedrijvigheid,
die weliswaar de basis biedt tot een eerlijk stuk brood,
maar het te verwachten beleg doet beleggers niet water-
tanden -, anderzijds in de trouwe zorg, waarmee de over-
heid het tariefbeleid omringde. Die zorg was erop gericht,

dat de Nederlandse Spoorwegen in hun van de ministeriële
goedkeuring afhankelijke prijsstelling dié ruimte naar boven

kregen, die hen in staat stelde nét uit de rode cijfers te blijven.
Ook al liet de marktsituatie eerdere en sterkere verhogingen
toe, al rechtvaardigden de binnen en buiten het bedrijf

stijgende kosten deze, zo lang de exploitatierekening geen
rood saldo toonde, bleef het groene licht voor tarief-
aanpassing uit.

Een voorbeeld. De in 1957 vastgestelde tarieven voor
enkele reizen en retours gingen pas in 1963 met 15 cent per
kaartje omhoog. Zulks na het eerste naoorlogse verlies over
1962, groot f. 30 mln. De rekening over 1963 sloot weer met

een plus. Zij het slechts met f. 500.000. Die vijf ton waren
het baken, dat een periode afsloot. Van toen af gingen de
jaarlijks toenemende exploitatieverliezen en de jaarlijkse
prijsverhogingen hand in hand. De periode van het bedrijfs-
economische rendement vond haar afsluiting en als bestaans-

grond van de onderneming deed het maatschappelijke
rendement zijn intrede.
Wanneer uit het voorgaande bij de lezer de mening heeft

postgevat, dat het reizigersvervoer tot 1964 een bedrijvigheid

was die tot overschotten leidde, verdient zulks correctie.
Vanouds wordt immers behalve reizigersvervoer ook goede-
renvervoer bedreven. En hoewel een boekhoudkundig
redelijke kostenverdeling over beide activiteiten eerst sedert 1967 is opgezet, lijdt het geen twijfel, dat het batige slot der

goede jaren was samengesteld uit een reizigersdienst-tekort

en een goederendienst-overschot.
Nû zijn beide activiteiten deficitair, zij het dat staking

van de goederendienst het dan geheel ten laste van de reizi-
gersdienst komende totaal-verlies zou doen toenemen.

De wegvallende kosten blijven onder de wegvallende baten.

Bedrjfseconomisch is handhaving van de goederendienst

ook vandaag een goede zaak.

Tariefpolitiek

Genoeg ter inleiding. Over op de tariefpolitiek. In het voor

gaande stelde ik reeds, dat het prijsplafond ministerieel werd
bewaakt en zo laag mogelijk werd gehouden. Gegeven het
vrij lage basistarief was er bij de bedrijfsleiding lust noch aan-
leiding tot het scheppen van deelmarktgerichte reductietarie-
ven. Het assortiment was dan ook uiterst beperkt. Naast
enkele reis en dagretour, bestonden er week- en maand-
abonnementen voor bepaalde trajecten en algemene maand-

abonnementen voor het hele net. Kinderen, journalisten, uit
eigen zak reizende militairen en niet op schoot gehouden
huisdieren betaalden half geld en daarmee was de kous der

tariefvariaties afgebreid.
In het buitenland verwekte dit ontbreken van speciale

regelingen voor oorlogsveteranen, kinderrij ke gezinnen,
inwonend huispersoneel, groepen van allerhande omvang en
alles wat zich van de welhaast onvindbaar geworden normale reiziger onderscheidt, een mengeling van verbazing, ergernis
en bewondering. Het laatste element behield dikwijls de
overhand, want die NS dééd het dan toch maar. Een spoor-
weg, die winst maakte! Den NS-ers was niets menselijks

vreemd en ze lieten zich de lof voor hun wijze van exploitatie
en verkoop gaarne en naar ze meenden verdiend aanleunen.
Tot de komst van olie en gas de steenkoolpilaar van het

goederenvervoer en daarmee de subsidiant van het reizigers-
vervoer ondermijnde en de bedrijfsresultaten het rood
ingingen. Het is goed zich te realiseren, dat deze structurele

verandering wellicht veel eerder dan de autobezitexplosie
aan de schipbreuk van het bedrijfseconomische beginsel
heeft bijgedragen.

* De auteur is Chef Reizigersvervoer, Commerciële Zaken van de
Nederlandse Spoorwegen.
1) De Nederlandse Spoorwegen en de kritiek van het klare vernuft,
ESB, 6
december
1967.

116

Gewijzigde
omstandigheden

De gewijzigde omstandigheden vroegen een gewijzigd
marketingconcept. De kwaliteit van het produkt moest door
verhoging van de frequentie, inkorting van de reistijd, aan-

passing van het assortiment aan de uiteenlopende behoeften
van de korte en de lange afstand, opgevoerd worden.
Spoorslag ’70 gaf met een dagelijks aanbod van bijna 4.000
tegen voorheen 2.800 treinen, met belangrijke reistijd-

verkortingen en de introductie van het intercitynet het ant-

woord van produktiezijde op de maatschappelijke uitdaging.
De verkrijgbaarheid van het produkt moest worden ver-
beterd. Dat betekende op de korte termijn versneld en
systematisch openen van voorstadstations. Op de lange
termijn planologisch meeleven, meedenken, meedoen, opdat bij de situering van woon- en werkgebieden gestreefd wordt
naar een ruimtegebruik, waarin de voorhanden en nood-

zakelijkerwijs uit te breiden spoorweginfrastructuur maxi-
maal wordt benut. Een actief publiciteits- en promotiebeleid
moest de verkoop van het van nieuwe eigenschappen, op
ruimer schaal en in nieuwe prjsvarianten verkrjgbare
produkt steunen en stimuleren. In nieuwe prijsvarianten.
Daar meldt zich de factor prijs uit de marketingmix. Het

onderwerp, dat zich in de aanhef van dit artikel geschetste,
niet aflatende belangstelling verheugt. Mag ik proberen in

de vraag- en antwoordvorm van de Heidelberger Catechis-
mus wat aan achtergrondinformatie bij te dragen?

Vraag /
In welk raam moet de tariefstelling der NV Nederlandse

Spoorwegen worden gezien?
Antwoord
In het raam der EEG-verordening 1191/69.

Vraag 2
Wat is dat voor een verordening?
Antwoord
Deze verordening beoogt aan de bedrijfsvoering der spoor

wegen in de EG-landen een gezonde financiële basis te geven.

Vraag 3
Hoe wordt zulk een gezonde financiële basis verwezenlijkt?
Antwoord
De overheid van elke EG-staat moet op grond dezer verorde-

ning aan de in zijn land werkende spoorwegmaatschappij(en)
de vraag stellen welke werkzaamheden (reizigers- en/of
goederendienst) zij op welke delen van het net wensen te
staken op grond van bedrijfseconomisch deficitaire resul-taten. De overheid kan dan beslissen of zij die werkzaam-heden om maatschappelijke redenen wil doen voortzetten

tegen een daartoe door haar te betalen vergoeding.

Vraag 4

Wat hebben de Nederlandse Spoorwegen op die vraag
geantwoord?

Antwoord
Bij brieven van 16 en 24juni 1970 aan de minister van Ver-
keer en Waterstaat hebben de Nederlandse Spoorwegen
verzocht de gehele uitoefening van de reizigersdienst,
respectievelijk van de goederendienst te mogen staken.

Vraag 5

Betekent dit, dat er geen bedrijfseconomisch rendabele
lijnen bestaan?
Antwoord

Bij toedeling van kosten en opbrengsten per lijngedeelte
zijn er nog wel enige lijngedeelten bedrijfseconomisch
rendabel. Zij sluiten echter onderling niet aan en kunnen dus
niet als een rompnet volledig kostendekkend worden ge-
exploiteerd.

Vraag 6
Hoe moeten wij dan de in 1967 als onrendabel aangegeven

IS lijnen verstaan?
Antwoord
Deze lijnen waren ,,superonrendabel”, dat betekent, dat de
dagelijkse directe exploitatiekosten de dagelijkse ontvangsten
uit hoofde van plaatsbewijzenverkoop overtroffen. De aan-melding geschiedde destijds om een positiebepaling van de
overheid ten opzichte van de maatschappelijke taak van NS

te forceren.

Vraag 7
Wat heeft de minister op eerdergenoemde brieven ge-

antwoord?
Antwoord
Bij brief van 30 december 1971 heeft de minister de Neder-
landse Spoorwegen verzocht de exploitatie van de reizigers-
dienst voort te zetten en heeft hij voor de goederendienst
nadere aanwijzingen verstrekt, die hier onbesproken blijven.

Vraag 8

Wat voor gevolgen heeft dit verzoek voor de overheid?
Antwoord
De overheid ontleent hieraan de bevoegdheid ,,het voor-
zieningsniveau” – dat is de dienstregeling – vast te stellen
en neemt de verplichting op zich, ter dekking van het bedrijfs-

economisch deficit jaarlijks een volgens overeengekomen
formule vast te stellen vergoeding uit te keren (,,de ver-
goedingsregeling”). Dat is dus geen vullen van verliesgaten,

maar betalen voor gecontracteerde diensten.

Vraag 9
Wat gebeurt er met de sedert 1964 van jaar tot jaar ontstane
tekorten?
Antwoord
Het ligt in het voornemen van de overheid om deze tot ruim
f. 900 mln, opgelopen exploitatietekorten en de daaruit voort-
vloeiende rentelast over te nemen. Een daartoe strekkend
wetsontwerp – de wet tot regeling van de financiële positie
der NS – wacht reeds geruime tijd op behandeling in de

Staten-Generaal.

Vraag 10

Hoeveel bedraagt de contractuele vergoeding voor 1973
en hoeveel wordt ontvangen uit verkoop van spoorbiljetten?
Antwoord

In de begroting van Verkeer en Waterstaat is op grond van
de vergoedingsregelingformule een, bedrag van f. 280 mln.
opgevoerd. Hierbij is een loonstijging van 9% verondersteld.
De stellig hoger uitvallende werkelijkheid bepaalt de eind-
afrekening. In de exploitatiebegroting der Nederlandse

Spoorwegen is een bedrag van f. 525 mln. als directe reizigers-
ontvangsten opgenomen.

Vraag 1/
Zien de Nederlandse Spoorwegen de bovengenoemde ver

houding als blijvend? Zo neen, in welke richting en door welke
factoren zal zij zich wijzigen?
Antwoord
Het spoorwegbedrijf is ook
bij
efficiënt management arbeids-
intensief. De stijging der loonkosten kon zelfs bij de veel-
vuldige en aanzienlijke tariefstijgingen der afgelopen twee
jaren niet worden opgevangen. Gerekend moet worden met
een absoluut en relatief toenemend aandeel van de rijks-
vergoeding in het totaal der inkomsten uit het reizigers-

vervoer.

Vraag /2

In welke mate menen de Nederlandse Spoorwegen, dat
tariefverhogingen moeten bijdragen aan de bedrijfsresul-
taten?
Antwoord

Reizen per trein wordt door de consument als ,,duur” er-

ESB 7-2-1973

117

varen. Dit was bij de heroriëntering omtrent de taak der
Nederlandse Spoorwegen aanleiding, om in 1968 in de

publikatie
Spoor
naar ’75
te kiezen voor een tarief, dat de

geldontwaarding volgt. Dus reëel niet nog duurder wordt.

De verdeling van het vervoer over de verschillende verkeers-
middelen (de ,,modal split”) is sedertdien door overheids-
maatregelen of anderszins nog niet ingrijpend gewijzigd.

Wij achten de keuze van 1968 daarom ook nu nog juist. In
zoverre de tariefverhogingen der laatste jaren boven de

geldontwaarding uitgingen, in een poging de kostenont-
wikkeling bij te houden, werd schade berokkend aan de lange-

termijndoelstelling — een zo intens mogelijk benutten van
de aangeboden railvervoerscapaciteit – ten bate van de

korte-termij ndoelstelling: het beperken der rijksvergoeding.

Vraag /3
Hoe verhouden zich vervoersverlies en opbrengstverhoging

bij tariefstijging?

Anivioorcl

In het
Jaarverslag 1971 is
op blz. 20 een staatje opgenomen,

waaruit blijkt hoe de ,,tussenttjdse” tariefverhoging van
1juni1971 een breuk in de sedert 1968 ingetreden gunstige

ontwikkeling van de vervoersomvang heeft veroorzaakt 2).
Railvervoer is evenals de meeste produkten prijsgevoelig.
De in de loop der jaren waargenomen prijselasticiteit (E)

ligt op omstreeks —0,3. Een prijsverhoging met 10%

leidt tot een vervoersverlies van 3%. De netto meeropbrengst

bedraagt dus

(110%
x
_2.
7
_) – 100% = 6,7%

3)

100

Vraag /4
Hoe heeft de omvang van het vervoer zich ontwikkeld?

Antwoord
De vooroorlogse omvang van het vervoer lag op ca. 3,5 mrd.
reizigerskilometers (rkm). In 1950 was de omvang 6,2 mrd.
rkm, in 1960 7,8 mrd. rkm. In 1962 werd een top van 7,9 mrd.

rkm bereikt. Mét de jaarlijkse prijsverhogingen zet ook de
daling in. Van 1964 af verloopt de reeks als volgt: 7,85-7,72-

7,60-7,41-7,36.
In 1968 werd een eerste aanzet gegeven tot Spoorslag ’70.
De kwaliteitsverbetering remt de omzetdaling der voor-
liggende jaren duidelijk af. 1969 levert 7,5 mrd. rkm en 1970
brengt de nooit eerder bereikte 8 mrd. rkm. In 1971 zakt de groei-impuls af en sluit men af op 8,1 mrd. rkm. Voor 1972

wordt met 8 mrd. rkm gerekend en voor 1973 dreigt een

terugval tot 7,8 mrd. rkm.

Vraag /5

Is de

zij het geringe – groei in 1971 niet strijdig met het

eerder gestelde inzake de prijselasticiteit?
Antitoord
Neen zulks. De uiteindelijke omvang is de resultante van de
negatieve invloed van de prijselasticiteit en de positieve in-
vloeden van verkoopbevordering, produktverbetering en assortimentsvergroting. Een positief saldo is geen bewijs

voor het ontbreken van de negatieve factor.

Vraag /6
Is de prijselasticiteit – en dus de negatieve invloed op de
vervoersomvang — voor alle reizen gelijk?

Antttoord
De prijselasticiteit E = –0.3 is een gemiddelde waarde. In feite
loopt zij per kaartsoort, per afstand, per reismotief en per
klant uiteen. Immers, reizen is zelden een finale behoefte-bevrediging, maar vrijwel altijd een middel tot realisering
van een achterliggend doel. Naarmate dit doel meer of minder

urgent is, méér in de ,,mustsfeer” (zakenreis, woonwerk-

vervoer, ziekenhuisbezoek) of méér in de ,,lustsfeer”
(familiebezoek, uitstapje, winkelen) ligt, is de prijsgevoelig-
heid lager of hoger.

Vraag /7
Wat betekent dit voor het tariefbeleid?

4
nittoord
Binnen de opdracht om een bepaalde ontvangstenstijging te
realiseren zullen de verhogingspercentages naar kaartsoort
en afstand variëren. Zo is het retourkaartje in zijn totaal prijs-

gevoeliger dan de enkele reis. Ook zijn de middelgrote af

standen minder kwetsbaar dan de zeer korte en de lange.

Vraag /8
Wat beoogt de assortimentsvergroting?

Antwoord
Met het invoeren van op speciale, afgrensbare gebruikers-

groepen (deelmarkten) gerichte tarieven kunnen omzetver-
grotingen in het lustvervoer bereikt worden, zonder dat er
overloop van betekenis uit het tot het betalen van de volle
prijs bereid en in staat zijnde must-vervoer plaats vindt.
De afgrenzing kan gevonden worden in de tijd, waarin de
reis moet plaatsvinden (avondretour, weekendretour), in de
leeftijd (kinderkaartje, tienertoer, 65+), in een combinatie
van leeftijd en reisdoel (scholierenkaart), een combinatie van
leeftijd en geslacht (dames 60+) of een combinatie van samen-

reizen en reistijd (meermanskaart). Een verdere ontwikke-
ling in deze richting, bijv. de invoering van een gezinsvast-

recht, is zeker denkbaar.

Vraag /9
Als de werking van negatieve en positieve factoren toch in

een positief saldo uitmondt, wat is dan uw bezwaar tegen de
de geldontwaarding te boven gaande tariefverhogingen?

Anttt’oord
De omzetdalingen vinden plaats in het zogenaamde basis-
vervoer, dat is het vervoer op enkele reizen en retours, zo ook
op traject- en algemene maandabonnementen. Juist hier ver-
vult de rail een congestiebestrjdende, maatschappelijk
belangrijke rol. De verheugende groei in het ,,overig ver-
voer” (,,gratis” reizen 65+, tienertoer, 8-daagse kriskras-

abonnementen en toeristisch vervoer) neemt de zorg over
eerstgenoemde ontwikkeling niet weg.

Vraag 20
Is de toenemende vergoedingssop de slinkende railvervoers-
kool nog wel waard, gezien het imposante aandeel van de
auto in de totale mobiliteit? De auto kan de rail toch sub-

stitueren?
Aniii’oord
Wanneer de 8 mrd. railreizigerskilometers zonder meer
tegenover de 78 mrd. autoreizigerskilometers gesteld worden

lijkt de vraag beantwoord.
Vroeger zijn nog hogere autoreizigerskilometers gehanteerd.

Ze berustten op een gemiddelde autobezetting van 2 per-
sonen. De 78 mrd. is het resultaat van een gewogen gemid-
delde der uitkomsten van de Commissie Volmuller (1,75, als
resultaat van werkdagen 1,4, zaterdagen 1,7, zondagen 2,4).

1971
t.o.v.
1970 1971
t.o.v.
1970

januari-mei
1
juni-december

Enkele reizen/retours
……….
+ 1,0%

– 0.9%
Abonnementen
……………
+ 2,0%

– 2,6%
waaronder: scholieren abk’s . . .

+
9,6%

+ 6,5%
overige abk’s

0


4,4%

IVoot vraag
Is het autovervoer 66k zo prijsgevoelig? Amwoorc/
Blijkbaar niet. Als de benzine
3
cent duurder wordt, gaat er een stad-
en landgeschrei op. Het einde van de kleine-man-automobilist is
nabij. Vervolgens loopt o neen – rijdt iedereen naar de pomp,
,,verdient” tussen de
30
cent en één gulden twintig en maakt verder
weer evenveel kilometers als voordien. Zo de auto de heilige koe
onzer samenleving weze, deszelfs uier is de meest gerede, voor de
fiscus nimmer vergeefs bezogene.

118

Het transport van graan (1)

Enkele veranderingen in het zeevervoer

PROF. DR. H. C. KUILER
DRS. J. M. VERHOEFF

Inleiding

Granen zijn verbouwd gedurende de gehele geschie-
denis der mensheid. Voor vele vormen van beschaving

hebben zij zelfs de voornaamste voedingsbron gevormd.

Tot veel vervoer gaf dat overigens geen aanleiding, daar

er vaak sprake was van gesloten huishoudingen die hun
eigen produkten zelf verbruikten.

Ook thans vormt graan nog voor een belangrijk deel

der mensheid een voedingsmiddel van betekenis, hetzij

in directe vorm, hetzij via mengvoeder in indirecte vorm.

In onze op arbeidsverdeling gebaseerde maatschappij

moet thans elke geproduceerde ton graan worden ver-

voerd. Omdat een groot deel wordt verbruikt op niet te

lange afstand van de produktiegebieden, kan volstaan

worden met vervoer per spoor of binnenschip. Dit geldt

bijv. voor het Europese graan, dat in en rond de West-

europese industriepool wordt afgezet. Vindt er evenwel

zeevervoer plaats, dan wordt het transport gecompli-

ceerder. Er ontstaat een transportketen, waarbij het

voor- en natransport met spoor, binnenschip of vracht-

auto geschied1 en waarbij in verband met de techniek-

overgangen ook nog overslag en soms opslag zijn ver

eist. Uitgaande van een van de belangrijkste vervoers-

stromen van graan, nl. Kansas City – US Gulf – Rotter-

* De auteurs zijn resp. hoogleraar en wetenschappelijk
medewerker vervoerseconomie aan de Nederlandse Econo-
mische Hogeschool te Rotterdam.

Het is goed dit respectabel aantal verplaatsingskilometers
te zien tegen de achtergrond van een tweede Volmullerfeit:

65% van de autoritten gaat hemeisbreed over een afstand van
minder dan 5 km. De volgende 20% loopt tot 10 km. De
rest haalt een gemiddelde van 31 km. Het leeuwedeel der

ritten en een imposant deel der kilometers spelen dus op afstanden, waar de rail nooit een rol van enige betekenis
vervulde. Van een te verwaarlozen aandeel van de rail in het
vervoer op de middellange en lange afstand is dus geen
sprake 4).

Vraag 21

Geeft ook het lang verwacht en eindelijk verkregen NEI-
rapport inzicht in de rolverdeling tussen auto en trein?
Antwoord

Tabel 55 op pagina 174 stelt het aantal autoreizigers-
kilometers op een gemiddelde werkdag in 1970 in interzonaal
verkeer – dus na uitschakeling van het gebruik als ,,over

dekte fiets” – op 84,4 mln. Voor het railvervoer ligt dit op
21,1 mln. Een verhouding van 4 : 1. Door ,,overige wijzen
van vervoer” worden nog 35,5 mln. reizigerskilometers per
dag geproduceerd.

In het totale interzonale verkeer is de auto dus goed voor
60%. Véél, maar echt niet alles.

Vraag 22

Is al dat gepraat over de noodzaak van openbaar vervoer
en matiging van wegenaanleg in verband met het leefbaar

houden van ons land niet overdreven, omdat we in 1972

nog pas 192 auto’s per 1.000 inwoners hadden?
Antwoord

0
Inderdaad was het cijfer voor Amerika 433 auto’s per 1000

inwoners en stond Nederland met 192 nog pas op nummer II
van de ranglijst. We zijn echter in het bezit van 2 gouden

plakken. Nummer 1 in de wedstrijd om het hoogst aantal
auto’s per km
2
: 68,3 stuks tegen Amerika 9. Nummer 1 5ôk bij het aantal auto’s per kilometer weg: 51 stuks tegen Ame-
rika 14 5).

Vraag 23

Doet de overheid recht, wanneer ze het openbaar vervoer

contractueel steunt en de fondsen daartoe steeds weer ver-
haalt op die éne groep van ons volk, de automobilist?
Antwoord

Tweeërlei weegsteen is den Here een gruwel. De controle op
het handelen en nalaten van de overheid ligt bij de volks-
vertegenwoordiging. Bij een autodichtheid, die hard op weg
is naar 1 per Nederlands gezin, valt die éne groep ,,de
automobilist” vrijwel samen met die éne groep ,,het Neder-
landse volk”. Dat dit volk, bij onstentenis van een voort-
gezette Marshallhulp zijn eigen rekeningen betaalt, lijkt een
onvermijdelijk gevolg van de welwaart.

De échte Heidelberger heeft 129 vragen en antwoorden,

verdeeld over 52 zondagen en uiteenvallend in drie stukken.
Van des mensen ellende. Van des mensen verlossing. Van de dankbaarheid. lk.laat het bij 23. Het onderwerp is ook minder
belangrijk.

C.
P. van Strien

4)
Voor railologisch nader geïnteresseerde catechisanten wordt (her)-
lezing van mijn ,,Railweg of autoweg. Een kwestie van klemtbén”
(ESB. 4
februari
1970)
aanbevolen.
.5). D.r. Michel.
van Hulten.
,. Gratis’ openbaar vertoer,
Deventer. 1972,
blz.
20.

ESB 7-2-1973

119

dam – Düsseldorf, ontstaat bijv. de volgende keten:

Tabel 2. Wereldgraanhandel

producers
country elevator
railways/Mississippi barges
coastal elevators
maritirne companies
elevator companies
railways/inland water transport
graint rade
consumers

Van de granen wordt ongeveer 10 % der produktie

vervoerd via een dergelijke vervoersketen over zee. Stelt

men de gemiddelde aanvoerlijn over zee op
5.400
mijl

en het transport over land op minder dan 1.000 mijl,

dan verkrijgt het zeevervoer een veel groter gewicht

dan het vervoer over land. De vervoerde hoeveelheid

over zee vormt tevens ongeveer 8 % van het totale

,,dry-cargo”-vervoer over Zee; ook in de zeevervoermarkt

wordt door het graan dus een zeker gewicht in de schaal

gelegd. Ter vergelijking vermelden wij dat van bauxiet,

fosfaten en ijzererts ruim een derde tot de helft over

zee wordt vervoerd en van kolen 1/20 1).

Het wereidvervoerspatroon

De verhouding tussen de voortgebrachte hoeveelheden
en die, welke in de wereldhandel komen, is niet constant.

De vraag naar granen, al dan niet beïnvloed door oogst-
mislukkingen, speelt mede een rol. De wereldgraanhan-

dcl, en dus het vervoer van graan over zee, vertoont dan

ook een nogal gevariëerd beeld. In de jaren zestig laat

de handel tot het oogstjaar
1965/
1966 een groei zien,

daarna treedt er een daling in, om vervolgens na het

oogstjaar 1968/1969 weer een stijging te vertonen.

De relatief snelle groei van de handel in de jaren

1963/1964 – 1965/ 1966 en de daling daarna, worden
veroorzaakt door de buitensporig grote aankopen van

tarwe door de communistische landen. Blijven deze aan-

kopen buiten beschouwing, dan toont de wereldgraan-

handel een bijna constante stijging, evenwel achterblij-

vend bij die van de industriële grondstoffen (zie tabel 1).

Tabel 1. Wereldgraanhandel

(gemiddeld per jaar in mln, ton)

graan

totaal
tarwe
maïs
gerst
1934/1935

1938/1939
33,9
18,3
10,2
2,7
jaren vijftig
41,4
26,5
5,1
5,6
1959/1960

1964/1965
75,5
45,6
18,0
6,2
1965/1966- 1969/1970
92,4
50,7 26,8
6,7

Bron:
World Grain Trade Staiistics,
1969/1970, FAO.

De excessieve aankopen der communistische landen

zullen echter, naar het zich thans laat aanzien, ook in

de toekomst het wereldhandelsbeeld beïnvloeden. Vorig

jaar kocht de Sowjetunie grote partijen Amerikaans

graan om de eigen mïsoogst aan te vullen. De verbetering

van de politieke verhoudingen tussen de Verenigde

Staten en de Sowjetu,nie speelt hierbij uiteraard een rol.

Beziet men de laatste jaren afzonderlijk, dan is er thans

van een zekere stabilisatie sprake, hetgeen ook bij het

zeevèrvoer blijkt (zie tabel 2). Er zijn dus blijkbaar tegen-

gestelde tendensen werkzaam, welke deels van struc-

turele aard blijken te zijn en welke deels een incidenteel
karakter dragen.
Wat bijv. de invoer van tarwe en tarwemeel betreft,

nemen de industriële centra van de wereld die zelf een

(gemiddeld per jaar in mln, ton)

graan totaal
tarwe
maïs
gerst

1965/1966
101,8
59,6
26,1
6,7
1966/1967
95,5
52,8
25,2 6,3
1967/1968
90,6 49,2
27,5
6,3
1968/1969
83,0 44,0
27,0
6,2
1969/1970
90,9
48,1
28,1
8,2

Bron:
World Grain Trade S(alistics,
1969/1970, FAO.

onvoldoende produktie hebben, nI. Noordwest-Europa

en Japan, niet meer de belangrijkste positie in die zij voor

de oorlog hadden. Voerden zij voor de oorlog meer dan

de helft van alle import in, thans is dit nog 25 %.

Noordwest-Europa voert thans zelfs evenveel tarwe en

tarwemeel in als vt6r de oorlog, hetgeen onder meer

verband houdt niet de graanpolitiek in de EG; Japan
voerde in de periode 1951/1952 gemiddeld 1,9 mln.

ton in, tegen in 1969/1970 4,4 mln. ton 2).

De importen van ,,coarse grains” (maïs, gerst, haver

enz.) laten in Noordwest-Europa en Japan een groei zien.

Voor Japan overtreft de import van ,,coarse grains” ver-

uit de groei van de import van tarwe. Voerde dit land

in de periode 1951/1952 – 1955/ 1956 gemiddeld 1 mln.

ton aan deze graansoorten in, in 1969/ 1970 was deze

invoer gestegen tot 10 mln, ton. Deze stijgende import

van ,,coarse grains” betreffen voornamelijk maïs. De

wereidhandel in maïs is na de oorlog zo enorm gegroeid,

dat hij reeds meer dan de helft der import van tarwe

en tarwemeel omvat: in 1970 27,8 mln, ton maïs tegen

50,7 mln, ton tarwe. In 1956 omvatte de import van

maïs nog slechts 5,8 mln. ton tegen 31,8 mln, ton

tarwe 2).

In de figuren 1 en 2 is het wereidvervoerspatroon

van deze twee belangrijkste graansoorten in beeld ge-

bracht.

Uit deze vervoerspatronen blijkt, dat de wereldecono-

mie wordt gekenmerkt door het bestaan van drie grote

industriepolen en bevolkingsconcentraties, te weten

Noord-Amerika (het gebied van Houston tot rond de

Grote Meren), Noordwest-Europa (met kernen in het
Verenigd Koninkrijk, de Montaandriehoek en de Po-

vlakte) en Japan. Het zijn deze drie industriepolen, die

in belangrijke mate het beeld van de wereldhandel bepa-

len. De industrie heeft behoefte aan grondstoffen en

energie, terwijl voor de grote bevolkingscentra veelal

voedingsmiddelen en voor de veeteelt veevoedergrond-

stoffen moeten worden aangevoerd.

Structurele wijzigingen

In
dit wereldbeeld voltrekken zich thans een aantal

structurele wijzigingen. In het industriële proces voltrekt

zich het verschijnsel der schaalvergroting en automati-

sering: de fase van de overgang van het industriële tijd-

perk naar dat van de superindustrie. Hiermede gepaard

gaat, o.a, voor de bevolking werkzaam in deze industrie

in de genoemde polen, een sterke welvaartsvergroting.

Met deze welvaartsvergroting verschuift de consumptie

tegelijkertijd naar andere produkten.

Fearnly and Egers Chartering Cy Ltd., Oslo U N
!Vfonthly bulletin
of
stali.s’tics.
FAO,
World Grain Trade Stalislics,
1969/1970.
120

Gegeven het feit, dat de behoefte aan graan (of rijst)

als voedsel voor de mens elementair is en dat er een

absoluut verzadigingspunt voor mens (en dier) bestaat

wat betreft de voedingsmiddelenconsumptie, zal bij een

laag inkomen bijna dit gehele inkomen aan voedsel

(i.c. graan) besteed worden en bij een stijgend inkomen

relatief steeds minder, totdat het verzadigingspunt is

bereikt. Een verdere stijging van het inkomen heeft dan

geen invloed meer op het consumptieniveau.

Noordwest-Europa bevindt zich nu in dit laatste

stadium. Het bruto nationale produkt per hoofd is in

de periode 1960-1969 per jaar gemiddeld met 1,8 %

(Verenigd Koninkrijk) tot 4,8 % (Frankrijk) gegroeid,

terwijl de graanimport na 1965/1966 nagenoeg constant

bleef. Japan daarentegen heeft als industriepool het

verzadigingspunt nog niet bereikt, het bevindt zich nog

in de stijgende fase. De groei van het bruto nationale

produkt per hoofd bedroeg in de periode 1960-1969

gemiddeld 10 % per jaar, tegen een stijging van de im-

porten van graan over de periode 1960/1961 – 1969/

1970 van 32,6 % totaal, ofwel 3,26 % gemiddeld per

jaar 3).

Naast de ontwikkelingen in het nationale inkomen der
importianden speelt ook de groei van hun bevolking een

rol in de vraag naar graan. De groei van de bevolking
in de beide industriële centra was in de periode 1960-

1969 relatief gering. De groei bedroeg in Noordwest-

Europa gemiddeld per jaar 0,7 % (Verenigd Koninkrijk)

tot 1,3 % (Nederland) en in Japan 1,0 % 3). Als gevolg

van de EG vulde Frankrijk na 1965/1966 in Noordwest-

Europa het verschil aan tussen de toegenomen vraag

naar graan, ten gevolge van de bevolkingsgroei, en de

nagenoeg constant gebleven graanimport. In de toe-

genomen vraag naar graan als veevoeder werd steeds

meer voorzien door veevoeders als soya en tapioca, die

het graan begonnen te verdringen.

Exportprijzen en vrachttarieven

Met de oogstmislukkingen, de groei van de bevolking

in de industriepolen, en als structurele wijzigingen de

groei in het bruto nationale produkt in deze polen en

de EG-landbouwpolitiek na 1962, zijn nog niet alle

factoren die de wereldvraag naar graan bepalen naar

voren gekomen. Ook de exportprijzen en de vrachttarie-

ven bepalen de vraag, en dus het vervoer over lange

afstanden. Dalen beide, of daalt de een terwijl de ander

constant blijft, dan kunnen bijv. de landen waarvan de

bevolking nog het grootste deel van het inkomen aan

primaire voedingsmiddelen besteedt hun import vergro-

ten; de vraag naar deze voedingsmiddelen is dus nog

zeer elastisch.

De exportprijzen zijn de resultante van enerzijds de

ontwikkelingen in de produktiekosten en anderzijds van

de verhoudingen tussen vraag naar en aanbod van granen

op de wereldmarkt. Of lagere exportprijzen aanleiding

geven tot groter aanbod hangt af van het feit of lagere

produktiekosten aan de lagere exportprijzen ten grond-

slag liggen. De invloed van de verhoudingen tussen

vraag en aanbod op een bepaald moment op de export-

prijzen kan worden uitgeschakeld door de ontwikkeling

van vraag en aanbod over een relatief grote periode te

bezien. Het blijkt dan, dat de exportprijzen van tarwe

en maïs – de twee belangrijkste graansoorten – in de

loop der laatste jaren op hetzelfde niveau zijn gebleven.

De gemiddelde exportprijs bedroeg voor tarwe over de

FIGUUR 1
TRANSPORTPATROON VAN TARWE
(stromen groter don 1 mln.ton)

ZUID-AMERIKA

AFRIKA

AUSTRALIË

FIGUUR 2
TRANSPORTPATROON VAN MAIS
(stromen groter don 1 mln.ton)

ZUID – AMERIKA

AFRIKA

AUSTRALIË

laatste 15 jaar US $ 63 per ton en voor maïs ongeveer
US $ 54 per ton 4).

In de exportprijzen heeft zich derhalve geen stijgende

ontwikkeling voor gedaan. Gegeven de grotere produktie

van graan en het daarvoor in gebruik nemen van minder

vruchtbare gronden, betekent dit, dat zich aan de pro-

duktiezijde ,,economies of scale” hebben voorgedaan:

de hogere kosten verbonden aan het telen op minder

vruchtbare grond zijn door schaalvergroting en mecha-

nisatie gecompenseerd.

De vrachttarieven zijn evenals de exportprijzen de re-

sultante van enerzijds de ontwikkelingen in de produktie-

kosten en anderzijds van de verhoudingen van vraag

naar en aanbod van zeevervoer op de wereldmarkt. In

de jaren zestig is de ,,dry-cargo”-vrachtenmarkt over het

algemeen betrekkelijk stabiel geweest; het graanvervoer

vormt hierop geen uitzondering, hoewel de excessieve

aankopen der communistische landen en de daardoor

relatief snelle groei van de handel in het midden der

jaren zestig de vrachttarieven omhoog hebben gedreven,

(zie tabel 3). Ook thans zien wij dit verschijnsel weer

optreden door de nieuwe buitensporig grote aankopen

door de Sowjetunie.

Zie voetnoot 2.
Atlas Wereldbank, 1971.
FAO,
The State
of
Food and Agriculture, 1971.

ESB 7-2-1973

121

Tabel 3. Graanindex

961

94

1966

110
1962

79

1967

113
1963

100

1968

98 1964

102

1969

95 965

118

Bron: UN,
Mont/ily bulletin oj stitistic.s.
De tariefontwikkelingen (op de middellange termijn

gelijkblijvende prijzen bij een stijgende vraag, en op de

korte termijn dalende prijzen bij een constante vraag

naar vervoer) wijzen er duidelijk op, dat ook bij het

graanvervoer ter zee in de afgelopen jaren ,,economies

of scale” konden worden verwezenlijkt.

Wijze van transport

Graan is een artikel voor massatransport, dat niet met

gespecialiseerde schepen behoeft te worden vervoerd en

dat door middel van storten en zuigen betrekkelijk ge-

makkelijk is te laden en te lossen. Aan het schip worden

dus geen bijzondere eisen gesteld, evenmin als aan de ha-

ven. Verzendingen vinden als regel met ,,trampers” plaats;

vroeger gingen ook wel partijen graan als basislading

met lijnschepen mee. In tijden van overcapaciteit op de

tankermarkt is graan ook wel met tankschepen vervoerd.

Het vervoer kan dus op vele wijzen geschieden, hetgeen

inhoudt dat de graanverscheper minder op de kwaliteit

van het schip, maar meer op de vrachtprijs zal letten.

Elke mogelijkheid tot goedkoper vervoer zal hij dan ook

aangrijpen.

In dit opzicht heeft het graanvervoer in de jaren

zestig kunnen profiteren van de structurele veranderin-

gen die zich op de vervoersmarkt aan de aanbodzijde

hebben voltrokken. Zonder hier in te gaan op de oor

zaken van deze veranderingen kan worden gesteld, dat

zij neerkomen op het realiseren van ,,econornies of

scale” in de scheepvaart en wel door middel van grotere

en snellere schepen 5).

Het eerst heeft deze ontwikkeling zich voorgedaan in

de tankvaart. Het feit, dat het olietransport door slechts

enkele grote maatschappijen geoptimaliseerd behoeft te

worden, maakte dat de schaalvergroting hier snel kon

doorzetten. Bij de massale droge ladingvaart ging de

ontwikkeling langzamer, hoewel ook hier de noodzaak

tot het verkrijgen van ,,economies of scale” aanwezig

was. Ertsen, kolen, fosfaat ed. vertoonden alle grote

verlengingen van hun aanvoerlijnen, hetgeen cet.par.

met hogere transportkosten gepaard zou zijn gegaan 6).

Dientengevolge volgde men de tankvaartontwikkeling,

zij het in een langzamer tempo. Enerzijds vond dit lang-

zamer tempo zijn oorzaak in het feit, dat de droge lading
in tegenstelling tot de olie in havens moest worden gela-
den; beperkte havendiepte en havencapaciteit waren een

rem op een sterke vergroting der schepen. Anderzijds
kon door het grote aantal verladers en aanbieders van

scheepsruimte de rationalisatie van het transport minder

bewust worden doorgevoerd dan in de tankvaart. Niette-

min kwam ook hier het aanbod op de vrachtenmarkt in

de jaren zestig in beweging. De lijnvaart ging eerst later

op containers over en pas toen werden de voorwaarden

geschapen voor de verkrijging der ,,economies of scale”.

De bulkcarrier werd het moderne grote schip voor

de massale droge lading, zij het aanzienlijk minder groot

dan de tankschepen. Als bulkcarrier worden wel aan-

gemerkt schepen met een grootte van ten minste

18.000 d.w.t. Men schat, dat in 1970 ongeveer 70 mln.

ton van de 488 mln, ton massale droge lading met

schepen van 10.000 tot 18.000 d.w.t. vervoerd is (15 %),

hetgeen inhoudt 300 mrd. tonmijl van de 2.182 mrd.

Het overgrote deel van het vervoer vond in 1970 dus

met bulkcarriers plaats. Vergelijken we dit vervoer van

de massale droge lading in bulkcarries met 1960, dan

zien we: 1960: 38 mln, ton en 1970: 439 mln. ton 7).

De groei van het aandeel der bulkcarrier in de ver-
voersmarkt is dus zeer snel geweest, waardoor de markt

met ongeveer 85 % bijna is veroverd. Bij het bulk-

carrier-vervoer namen ijzererts, granen en kolen de

voornaamste plaats in, nI. 74 %.

Van het totale graanvervoer ter zee ging 43 mln, ton

van de 73 mln, ton met bulkcarries (in tonmijl 257 mrd.

van de 393 mrd.). Het aandeel van de bulkcarrier in dit

vervoer was dus in 1970 59 %. Vooral de zendingen

uit de Verenigde Staten geschieden per bulkcarrier:

meer dan de helft van het graanvervoer per bulkcarrier

wordt geladen in de havens in de VS, vooral in de vaart

naar het Verre Oosten en Europa. Dit zijn immers de

sterk gebundelde stromen van 1 mln. ton of meer. Ook

in de vaart van Canada naar Europa is de bulkcarrier

belangrijk, evenals in de vaart van Australië naar Europa

en Japan. Ter illustratie diene, dat de vrachtprijzen voor

,,heavy gram”, mede door de komst van de bulkcarrier,

op de route Australië-Rotterdam in de periode 1966-

1967 daalden van US $ 11,77 naar $8,04 per ton 8).

Over- en opslag

In de transportketen van producent naar consument

gaat het niet alleen om de verplaatsing van graan met

allerhande vervoermiddelen. Ook de overlading speelt

een essentiële rol. Deze overlading, vaak gepaard met op-

slag, is tamelijk kostbaar, te meer daar gedurende de

periode der overlading de gebruikte vervoermiddelen

stil liggen, terwijl dat niet tot vermijding van belang-

rijke kostenbestanddelen leidt. Afschrijving, lonen,

intrest ed. gaan voor het schip door. Vooral voor grote

zeeschepen is bekorting van de haventijd daardoor zeer

essentieel, mede in verband met de vaak zeer hoge haven-

gelden.

Wil men de tïjdkosten met het toenemen van de

scheepsgrootte drukken, dan moet de ,,Ioading rate”

toenemen en wel meer dan evenredig in verband met de

hogere kosten van de grotere schepen. Een onderzoek in

de graanhaven van Vancouver over de periode 1964/

1965 – 1967/1968 toont aan, nadat enkele storende

factoren zoals het verhalen van• schepen waren geëlimi-

neerd, dat dit resultaat inderdaad is bereikt 9).

,,The data available for vessels loading grain in Vancouver
have enabled evidence to be presented that large vessels
spend a longer period in port than their smaller counter-
parts, but achieve a higher loadingrate. The extent of this difference appears to be sufficiently great for vessel time
costs per ton of cargo loaded to diminish as vesselsize in-
creases”.

Zie voor de oorzaken der veranderingen:
H. C. Kuiler,
Inleiding tot de vervoers- en haveneconomie,
1972,
hfdst. 10.
Fearnly and Egers Chartering Cy Ltd., Oslo.
Zie voetnoot
6.
International Wheat Council,
World Wheat Stalisiics,
Londen,
1971.
KNRV, jaarverslag
1967.
T. D.
Heaver and K. R. Studer, Ship size and turnround
time,
Journal of . Transport Econo,nics and Policy, 1972,
no. 1.

122

Tweede rapport

van de werkgroep-Hartog

De subsidiëring van het wonen

C. P. A. BAKKER*

D.d. II januari 1973 heeft minister Udink aan de

Tweede Kamer het tweede rapport van de werkgroep-

Hartog aangeboden. In afwachting van de adviezen van

de SER en de Raad voor de Volkshuisvesting heeft de

regering nog geen standpunt ingenomen. In het tweede

rapport komen enkele herzieningen van in het eerste

rapport ingenomen standpunten voor.

De kostprijshuur

De werkgroep staat, zoals bekend, op het standpunt

dat het voldoende is, indien gedurende de levensduur

van een woning de
nominale
investering met rente in de

huur wordt terugontvangen, omdat zij vindt dat in de

rente een
volledige
compensatie voor de geldontwaarding

is begrepen. Voor de rente gaat zij uit van het rendement

van goudgerande waarden, verhoogd met een risico-op-

slag van 1 â
1,5
%. Wanneer zoals thans die rente onge-

De moderne overslaginstallaties in de Europese havens

maken het aannemelijk, dat ook daar ,,economies of

scale” zijn verwezenlijkt. De installaties in de graanhaven

van Le Havre bijv. kunnen zonder moeite een schip
van 15.000 d.w.t. in 16 uur beladen 10). De opmars

van het grotere schip wordt door de Europese havens

dan ook niet geremd. Zo kunnen bijv. in Rotterdam

thans reeds schepen tot 90.000 d.w.t. worden behandeld

en t.z.t. nog grotere.

Een rem op de introductie van het grote tot zeer grote

schip wordt echter gevormd door de vele havens met

beperkte mogelijkheden, waarover de aanvoer van graan

in Europa is gespreid. Daardoor is per haven de moge-

lijkheid tot zeer grote opslag- en overslagcapaciteiten

beperkt, hetgeen remmend op de komst van het grotere

schip moet werken. Bovendien voelt de graanhandel als

regel weinig voor de aanvoer van zeer grote partijen, die

prijsdrukkend op de markt kunnen werken. Er is dus

een situatie, waarbij de ontvangende verlader het grotere

schip niet zonder meer zal stimuleren.

Het andere deel van de vervoersketen, en met name

de veranderingen die plaatsvinden in de Nederlandse

distributiefunctie, zullen wij in een volgend artikel be-

zien..

H. C. Kuiler
J. M. Verhoeff

10) Revue de la navigation européenne,
1972, no. 5.

veer gelijk is aan de omvang van de geldontwaarding,

dan betekent dit dat de reële rente op nihil wordt ge-

steld. Het zwakke punt in deze opvatting is, dat het

allerminst zeker is, dat bij afwezigheid van inflatie de

overheid geld zal kunnen lenen zonder daarover een

(reële) rente te betalen. De werkgroep heeft dit zelf wel

gezien en verklaart dan ook, dat indien er reden is te

veronderstellen dat er sprake is van een trendmatige

stijging van de reële rente, de aanvangshuur van 6,4 %

van de stichtingskosten door de overheid moet worden

verhoogd. (Een rentestijging van een half procent ver-

eist een verhoging van de aanvangshuur van iets minder

dan een half procent).

Het systeem van de werkgroep-Hartog met een aan-

vangshuur van 6,4 % kan derhalve slechts praktisch

werken bij het voortduren van een flinke inflatie. Het

systeem werkt infiatoir, omdat het woondiensten aan-

biedt beneden de bedrijfseconomische kostprijs. Per-

soonlijk voel ik het meest voor het opnemen in de kost-

prijs van een vaste reële rente van bijv. 3,5 â 4 %, waar-
bij toepassing van het beginsel van de dynamische kost-

prijs in de prijsstelling leidt tot een aanvangshuur van

7,5 â 8 % van de stichtingskosten. Indien en voor zover

uit die toepassing tijdens inflatie extra baten voort-

vloeien, kunnen deze worden benut voor doeleinden op

het terrein van de volkshuisvesting.

Er is storm gelopen tegen de aanvankelijke veronder-
stelling van de werkgroep, dat de ,,overige” exploitatie-

kosten (onderhoud enz.) in gelijke mate zouden stijgen als

de huren in plaats van in gelijke mate als de stichtings-
kosten. De werkgroep heeft deze fout toegegeven en in

de nieuwe opzet aangenomen dat deze kosten zelfs meer

zullen stijgen dan de stichtingskosten in verband met

het grote loonaandeel van onderhoud, administratie enz.

Wie nu verwacht, dat dit heeft geleid tot een verhoging
van de aanvangshuur, vergist zich. De werkgroep heeft

eerst het percentage van 1,7 teruggebracht tot 1,5. Zij

geeft aan, dat afhankelijk van de vorm van inhouwen

van de veroudering van de woning in de huren de aan-

vangshuur nu moet stijgen tot 7,2 % of 6,8 % van de

stichtingskosten. Omdat dit zou resulteren in een extra

huurverhoging van 30 % i.p.v. 20 %, hetgeen – aldus

de werkgroep – op grote weerstand zou stuiten, krab-

belt de werkgroep terug. Zij meent dat het beter is voor

de particuliere huurwoningen dan maar een half procent

meer huurstijging te moeten garanderen en zwijgt over

de dekking van het tekort in de woningwetsector.

*) De auteur is registeraccountant te Utrecht.

ESB 7-2-1973

123

Alle bankzaken

65 vestigingen
in Nederland

Affiliatie te New York

0

De individuele huursubsidie

Het voorstel van de werkgroep (zie tabel) wijkt niet

veel af van het bestaande systeem. Voor belastbare in-

komens tot f. 14.000 wordt de huurnorm iets verlaagd,

doch ook het subsidiepercentage. Bovendien wordt de

inkomensgrens van f. 18.000 gebracht op f. 26.000.
Normen voor een algemeen stelsel van sub jectsubsidies

Belastbaar inkomen
(excl. kinderbijslag)

Voorstel werkgroep
Iluidige stelsel

}tuurnorm
als
%
van
Subsidie-
Huurnorm
als
%
van Subsidie-
het inkomen
percentage

het inkomen
percentage

lager dan 9.000
11
75
12,3
90
9.000- 10.000
12
70
13,5 85
10.000-11.000
13
65
14,7
80
11.000 – 12.000
14
65
15,2
75
12.000-13.000
15
65
15,9
70
13.000-14.000
16
65
16,3
65
14.000-15.000
17
65
16,7
60
15.000-16.000
17
60
17
55
16.000 – 17.000
17
55
17
50
17.000 – 18.000
17
50
17
50
18,000

26,000
17
50
niet meer van
toepassing

Het aantal gevallen van individuele subsidie zal sterk

stijgen, nI. van 130.000 in 1973 tot 556.000 in 1980.

Voeg daarbij nog het geraamde aantal gevallen van koop-

woningen van 90.000 in 1980 dan komt men in totaal op

655,000 gevallen. Dit is m.i. teveel. Dit komt uiteraard

tot uiting in de bedragen die met individuele subsidie

zijn gemoeid. Het totaal van alle subsidies, dat de laatste

jaren met sprongen is gestegen tot f. 850 mln. in 1973

zal bij ongewijzigd beleid stijgen tot f. 2.075 mln. in

1980, welk bedrag door het nieuwe systeem wordt ,,be-

perkt” tot
f.
1.295 mln.

De oorzaak hiervan ligt bij het handhaven van te lage

huurnormen. Indien de nieuwe woningen steeds groter

worden en steeds meer gerief bieden, is het redelijk dat

men zeker bij de toegenomen en nog toenemende wel-

vaart de huurnorm van (maximaal) 17 % van het be-

lastbaar inkomen
geleidelijk
aanpast. Dit kan vrij een-

voudig door in de tabel boven f. 15.000 inkomen de

percentages met een halve punt per f. 1.000 inkomen te

laten stijgen, zodat bij f. 20.000 een normhuur van 20 %

is bereikt. Door de tabel te handhaven zullen de lagere

percentages in de praktijk geleidelijk uitsterven. De rede-

lijkheid hiervan springt ook in het oog indien men be-

denkt, dat reeds bij een inkomen minder dan het mini-

mum-loon over een gedeelte van het inkomen aan be-

lasting en premie 36 % moet worden betaald, welk

,,marginaal” percentage ook voor de grote massa van de

enigszins hogere inkomens geldt. Indien men de huur-

norm optrekt komen daardoor zoveel middelen beschik-

baar, dat men de belastingvrije voet geleidelijk kan ver-

hogen.

Het beperken van het aantal subsidiegevallen is nog

om een andere reden volstrekt noodzakelijk. Wie onder

de subsidieregeling valt heeft er ni. geen belang bij zich

extra in te spannen voor het verkrijgen van additioneel

inkomen. Stel iemand heeft een belastbaar inkomen tus-

sen f. 10.000 en f. 15.000, waarvoor bij overschrijding

van de huurnorm 65 % subsidie is voorgesteld. Een addi-

tioneel inkomen van f. 100 leidt dan tot:

verhoging premie AOW/AWW van

f. 12
verhoging van belasting van 25 % van f. 88 =

f. 22
verlaging van subsidie van 65 % van f. 88 =

f. 57
totaal aan lastenverhoging

f. 91

zodat de betrokkene zelf f. 9 overhoudt.

Zodra dit tot de massa doordringt zal elke animo tot

buy, overwerk, totaal verdwijnen, tenzij een werkgever

bereid is dit ,,zwart” uit te betalen. Loonsverhogingen

door promotie verliezen hun effect. Voor hogere in-

komens geldt in beginsel hetzelfde, omdat daar de be-

lasting in de volgende schijf 6 % hoger is en de subsidie

iets lager dan 65 %. Het gevolg is hetzelfde.

Het systeem van individuele subsidie kan alleen een

oplossing brengen, indien het beperkt wordt tot degenen

die minimuminkomens genieten of inkomens die daar

weinig bovenuit gaan. Voor hogere inkomens zal het

systeem in verband met de gesignaleerde nadelige neven-

effecten slechts gedurende een zekere overgangsperiode

mogen worden toegepast nI. gedurende de periode dat

de huurharmonisatie van oude woningen nog niet is

voltooid, zulks ten einde de doorstroming te bevorderen.

De subsidiëring van eigen woningen

De werkgroep heeft hierbij terecht opgemerkt, dat

het bestaande systeem met kleinere rijksbijdragen bij

hogere stichtingskosten leidt tot aantasting van de woon-

kwaliteit van nieuwe woningen. Zij stelt daarom voor

subsidie te verlenen naar een uniforme maatstaf (fic-

tieve woning) ongeacht de stichtingskosten, doch wel reke-

ning te houden met het inkomen naar analogie van huur-

subsidies. Ook beveelt de werkgroep een hogere garantie
aan voor hypothecaire geldieningen (100 % van de stich-

tingskosten) om de financiering te vergemakkelijken.

De huurstijgingsgarantie

De nadere voorstellen van de werkgroep voor garan-

ties aan beleggers zijn gebaseerd op een kortere periode
dan voor de kostprijsberekening wordt aangehouden ni.

30 jaar, zij het dat daarbij dan rekening wordt ge-

houden met een restwaarde van 15 % van de stichtings-

kosten. In de nieuwe opzet kan worden volstaan met

drie perioden van tien jaar, waarbij de garantie wordt

vastgesteld op basis van de verwachtingen die dan beter

kunnen worden overzien.

De nieuwe opzet lijkt mij een verbetering. Er is maar
een kleine verhoging van de aanvangshuur nodig om de

garantie overbodig te maken. Psychologisch heeft de

garantie nut, omdat het niet ondenkbaar is, dat de over-

heid op enig moment toch de huren om politieke rede-
nen gaat beperken, waarvan de beleggers niet graag het

slachtoffer willen worden.

124

Samenvatting

Ook zonder het met de uitwerking van de werkgroep-

Hartog eens te zijn, kan men zeggen, dat het voorge-

stelde systeem tot herziening van de subsidiëring een

verbetering geeft ten opzichte van het bestaande sys-

teem. Het voorgestelde systeem zie ik als een compromis,

dat een eerste stap betekent naar een terugkeer tot nor-

male verhoudingen, waarbij in het algemeen de kost-

prijshuur zonder enige vorm van subsidie wordt betaald

en de subsidie wordt beperkt tot de gevallen, waarin

daarop redelijkerwijze aanspraak mag worden gemaakt.

Als alles goed gaat, komt aan de subsidiëring van de

beleggers nu een einde, hetgeen gepaard gaat met meer

vrijheid om zo te bouwen als met het oog op de toekomst
nodig is.

Het systeem leidt
niet
tot vermindering van de om-

vang van de subsidies, integendeel, het totaal zal nog
belangrijk stijgen met als consequentie een verhoging

van de belastingdruk.

Zowel de rompslomp veroorzaakt door het grote aan-

tal gevallen van individuele subsidie als het daarmede

gemoeide bedrag dwingen tot een – geleidelijke – be-

perking, die mede noodzakelijk is, omdat de subsidie

voor de individuele gevallen schadelijke neveneffecten
heeft.

Met het oog op de wenselijkheid naar beperking van

de inflatie en de mogelijkheid van het terugkeren van

een reële rente, lijkt het raadzaam de aanvangshuur –

door het incalculeren van een zekere minimum reële

rente in de kostprijs – met
0,5
â 1 % te verhogen.
Daaruit vloeien aanzienlijke baten voort, welke huur-

stijgingsgaranties voor beleggers overbodig kunnen ma-

ken. Daardoor kan ook een stijging van de belastingdruk

worden voorkomen, omdat onder meer uit de huren

van nieuwe woningwetwoningen en door de harmoni-

satie ook uit de huren van oudere woningwetwoningen

extra middelen voortvloeien, die dienstbaar kunnen

worden gemaakt aan de door die extra huurverhogingen

toch tijdelijk noodzakelijke hogere individuele subsidies.

Langs deze weg is het mogelijk de omvang van de indi-

viduele subsidies in 1980 terug te brengen tot circa

f.300 mln., d.i. f. 1.000 mln, minder dan in het systeem

van de werkgroep-Hartog. Dat verschil zal onder meer

kunnen worden aangewend tot verlaging van de be-

lastingvrije voet voor de inkomstenbelasting en/of ver-

laging van het percentage, dat geldt voor de eerste schijf,

als (gedeeltelijke) compensatie voor de hogere kosten
van het wonen.

C. P. A. Bakker

In
ESB
van 17 januari 1973 (blz.

41) plaatste Drs L. Hoffman in het

artikeltje ,,Oorzaak en gevolg” o.a.

enkele kanttekeningen bij de door

hem als een pseudo-wetenschappelijk

geschrift aangeduide nota ,,Kernpun-

ten sociaal-economisch beleid”, on-

langs door de Raad van Nederlandse

Wergeversverbonden (RNWV) aan-

geboden aan de kabinetsinformateur.

Het lijkt goed, een poging te doen

enige misverstanden, die kennelijk bij

hem zijn gerezen, weg te nemen of

althans te mitigeren.

1. Om te beginnen zal het de heer

Hoffman duidelijk zijn dat de RNWV

niet de pretentie heeft gehad, de in-

formateur een ,,wetenschappelijk ge-

schrift” aan te bieden. Hoewel de bij

de Raad gevormde visie op de onder-
havige problematiek stoelt op studies

in eigen kring en in die van anderen,

kan het nooit de bedoeling zijn, een

zwaarbelaste politicus in een uiter-

aard kort te houden geschrift een stuk
wetenschap voor te schotelen.

Het is de heer Hoffman ken-

nelijk ontgaan dat de in de nota

opgenomen tabel (met gegevens over

de ontwikkeling van de ,,collectieve

lasten”, van de arbeidsinkomens-

quote en de overig-inkomensquote

en van de consumptieprijzen) slechts
diende ter staving van het in de tekst

gevoerde betoog, en niet als op zich

zelf staande bewijsvoering. Zij dient

als een aanduiding van de plausibili-

teit van de ,,theorie” die achter de

geponeerde stellingen zit en zegt zon-

der dat betoog uiteraard nog niets

over de causaliteitsketen.

De heer Hoffman noemt de con-

statering dat de gemeenschapsvoor-

zieningen niet alleen oorzaak, maar

ook slachtoffer zijn van de inflatie,

een tegenstrijdige opvatting. Alsof het

niet zeer vaak voorkomt dat men het

slachtoffer wordt van omstandigheden

die men zelf (mede) heeft veroorzaakt.

In de redenering die aan de RNWV-
nota ten grondslag ligt is het
de ver-

snelde stijging van de middelen die

,,de collectiviteit” aan de economisch

actieven onttrekt, die de altijd bij vrij-

wel iedereen aanwezige afwentelings-

neigingen heeft versterkt. Omdat het

niet is gelukt, aanvaardbare technie-

ken te ontwikkelen, die aan de afwen-

teling paal en perk stellen
1),
wordt

een autonoom Nederlands element

aan de internationaal bestaande infla-

toire beweging toegevoegd. Het merk-

waardige gevolg is nu dat het over-

heidsbudget, dat in flatiegevoeliger is

dan de meeste andere categorieën –

zie de zeer hoge prijsindex voor over-

heidsbestedingen – telkens weer

,,zich zelf opeet”. Anders gezegd: de

snel toenemende nominale uitgaven-

budgetten lokken via de dekkings-

noodzaak versnelde afwentelingen uit,

met als gevolg dat de reële collectieve

voorzieningen nog maar in zeer ge-

ringe mate kunnen toenemen. De

1) Diegenen die nog altijd menen dat de overheid, door met een (loon- en) prijs-beleid aan enkele symptomen te knutse-
len, een wezenlijke oplossing in uitzicht
zou kunnen stellen, kunnen gevoeglijk tot
de illusionisten worden gerekend.

Esb
In gezonden

Oorzaak en gevolg

ESB 7-2-1973

125

overheid kan dus wel meer geld uit-
trekken, maar ze kan er vrijwel niets

méér mee doen!

Voor de ontwikkeling van de so-

ciale-verzekeringsiasten (die in de
af

gelopen jaren nog veel sterker is ge-

weest dan die van de belastingdruk)

geldt hetzelfde wat de invloed – via

afwentelingsprocessen – betreft op

het overheidsbudget.

Daarom is de RNWV tot de conclu-

sie gekomen dat een discussie
thans

over
uitbreiding
van het totaal van

collectieve voorzieningen weinig zin-

vol is. Men kan het wel willen, maar

in reële termen lukt het toch niet.

Het pleidooi voor een pas-op-de-

plaats-maken gedurende enkele jaren

is erop gericht om – na sanering –

weer een vrije keuze in de toekomst

over de verhouding particuliere/col-

lectieve voorzieningen mogelijk te

maken (voor zover althans de inter-

nationale inflatie geen spaak in het

wiel steekt!).

Juist omdat de invloed van het

inflatieproces op het overheidsbudget

het aangeduide speciale karakter heeft,

is de uitspraak van de heer Hoffman

dat het er ,,niet toe (doet) op welke

bestedingen wordt bezuinigd bij het

verwezenlijken van nieuwe gemeen-

schapsvoorziertingen” voor betwisting

vatbaar.

Wanneer de heer Hoffman op-

merkt, dat ,,het beter ware geweest

de procentuele aandelen in de totale

bestedingen vanaf 1960 in een cijfer-

reeks naast elkaar te zetten” en dat

men ,,tot andere conclusies (kan)

komen omdat het reële aandeel van

de collectieve sector is gedaald”, zij

daartegen aangevoerd hetgeen hier-

boven onder 3 is opgemerkt: die

daling van het
reële
aandeel van de

collectieve sector is in de analyse van

de RNWV een
gevolg
van de ver-

snelde
nominale
stijgingen.

Wellicht is deze toelichting op de

door de heer Hoffman besproken nota

een kleine bijdrage tot verheldering

van de noodzakelijke voortzetting van

de openbare discussie over de afwen-

telingsproblematiek.

Bureau VNO
Naschrift

De sterke groei van de uitgaven

voor gemeenschapsvernieuwingefl,

volgens RNWV de oorzaak van in-

flatie, is het gevolg van de hoge loon-

kosten en van de gemeenschap die

meer voorzieningen wenst. Bekijken

we de collectieve voorzieningen, dan

blijkt dat de reële groei daarvan de

afgelopen jaren nauwelijks is ge-

stegen; het procentuele aandeel van

de reële collectieve bestedingen in de

totale reële bestedingen neemt dan

ook af. We kunnen hieruit conclu-

deren dat de collectieve sector, althans

de afgelopen jaren, meer bezuinigt

dan de particuliere, voor zover we

tenminste van bezuinigingen mogen

spreken. Het bovenstaande betekent

dat de uitgaven voor gemeenschaps-

voorzieningen vooral stegen door de

stijging van de loonkosten, waarvoor

de gehele gemeenschap (werkgevers,

werknemers, consumenten enz.) ver-

antwoordelijk is.

Willen wij een goed anti-inflatie-

beleid voeren, dan dienen in principe

alle bestedingen voor afremming in

aanmerking te komen. We dienen na

te gaan wat de werkelijke oorzaak van

de inflatie is. M.i. vereist dit een

sociaal-psychologisch onderzoek.

Daarna moet worden onderzocht wel-

ke bestedingscategorieën moeten wor

den afgeremd om een effectief anti-

infiatiebeleid te voeren. Dit betekent

dat van alle bestedingscategorieën

(liefst zoveel mogelijk gespecificeerd)

het volgende moet worden nagegaan:

het effect van de betreffende cate-

gorie op de inflatie;

het nut van de betreffende cate-

gorie voor de gehele gemeenschap

en onderdelen daarvan (bedrijfs-

takken, consumenten, regio’s enz.);

het effect van de betreffende cate-

gorie op andere economische doel-

stellingen dan de prijsstabiliteit

(werkgelegenheid,

economische

groei, evenwicht betalingsbalans,

inkomensverdeling en milieu-

hygiëne).

Uiteindelijk zullen de politici moe-

ten beslissen hoe een anti-inflatie-

beleid dient te worden gevoerd. Het

is jammer dat de politici zich in

Nederland hier zo weinig aan gelegen

laten liggen. M.i. zullen zij tot enige

vorm van loon- en prijsbeleid moeten

besluiten. Het is onjuist om dit als

illusoir af te doen.

Het louter naast elkaar zetten van

tijdreeksen is een slecht alternatief

voor de analyse die mij voor ogen

staat. Voorkomen moet worden dat

iedere belangengroep dié analyse ge-

bruikt die het best aan haar politieke

wensen tegemoet komt. Daarom wees

ik in mijn artikel op twee mi. poli-

tieke analyses: één van het NVV en

één van het RNWV.

L.H.

(slot van bL’. III)

Brussel-
Hoofd stad

Het is vanzelfsprekend dat Brussel-

Hoofdstad een dienstverlenend centrum
bij uitstek is, en ook in deze sectoren
worden veel ,,pendelaars” aan-

getrokken. (Zie tabel 2 op blz. III).

Produktie en inkomens

Het bruto-produkt van Brussel mag
worden geraamd op ca. 20% van het

BNP (Vlaanderen 52%,
Wallonië
28%),
en gaat gepaard met een inkomens-

vorming die aan de hoge kant ligt. Het

gemiddeld netto-belastbaar inkomen
per aangifte was in 1968 één derde hoger

dan het rij ksgemiddelde (om verschil-

lende

redenen

is
het

aangegeven

inkomen geen goede
inclicator, maar bij

gebrek aan beter):

Brussel-Hoofdstad

……..
170.300 F

Wallonië

…………….
123.700 F

Vlaanderen

…………..
121.100 F

België

……………….
128.100 F
(Bron: NIS)

In het verleden stelde men vast dat de

economische groei van Brussel gelijke

tred hield met die van het BNP, en ook
voor de toekomst wordt deze groei-
beweging verwacht. Hierdoor zou de
concentratietendens er nog verder

worden aangewakkerd, waardoor de

stroom pendelaars (thans ca. 250.000),

hoofdzakelijk uit Vlaanderen, en/of

gastarbeiders nog zal moeten toenemen.
Omwille van de problemen verkeer,

leefbaarheid en sociaal klimaat wordt
het nodig te denken aan een her-

lokalisatie van de industrie, waarvan

de uitbreiding niet mogelijk blijkt te zijn

en het behoud ervan onverenigbaar met

optimale voorwaarden voor de ont-
plooiing van de tertiaire, hoofdstedelijke

en internationale functies. Zal dit vol-
doende tijdig worden ingezien? Zoals
de omstandigheden nu liggen mag

hieraan worden getwijfeld.

126

Wij zijn Professor Hartog erkente-
lijk voor zijn reactie op ons driedelig

artikel over ,,de theorie van de onder-

neming in dit tijdschrift 1). De door

hem gemaakte kanttekeningen zijn

voor ons aanleiding daarover het vol-

gende op te merken.

1. Idealiserende en generailserende ab-

stractie

Wij zijn van mening dat Hartog een

foutieve interpretatie geeft van het

door ons geïntroduceerde begrippen-

paar ,,idealiserende” en ,,generali-

serende abstractie”. Het is onjuist te

stellen dat de idealiserende en de

generaliserende abstractie twee zijden

van dezelfde medaille zijn en dat het

enige verschil tussen beide bestaat in

de mate van abstractie ten opzichte

van de werkelijkheid. Zoals wij de

begrippen hanteren, gaat de ideali-

serende abstractie uit van een axioma-

tische hypothesevorming, bijv. de

,,alwetende mens” in de micro-econo-

mische prijstheorie. De generaliseren-

de abstractie daarentegen formuleert

haar hypothesen op basis van in de

werkelijkheid geverifieerde relaties, zij

is per definitie niet-axiomatisch. Het

is derhalve illusoir te veronderstellen

dat beide begrippen kunnen worden

teruggebracht tot twee verschillende

punten op dezelfde schaal van de af-

nemende abstractie. Hartog stelt dat

zijn begrip idealiseren betekent: ,,het

vereenvoudigen van de relaties, zodat

men er – eventueel als eerste stap –

met zijn denken vat op kan krijgen”.

Tegen het vereenvoudigen van relaties

bestaat op zich zelf geen bezwaar. In

onze gedachtengang is dit zowel in de

generaliserende als idealiserende ab-

stractie mogelijk. Waar het echter om

gaat – en daar handelen onze ar-

tikelen over – is de vraag: waar

komen de relaties vandaan, en wat

nog belangrijker is: zijn de relaties ge-

toetst alvorens zij als hypothesen in

het model worden ingevoerd? Even-

min als Menger geeft Hartog daar een

antwoord op. Inegendeel, hij accep-

teert expliciet de axiomatische be-

nadering, indien hij stelt. ,,Bij de

idealiserende methode wordt niet de

werkelijkheid zelf eerst aan het woord

gelaten, maar een min of meer ver-

eenvoudigd beeld daarvan”. Een der-

gelijke uitspraak gebiedt Hartog aan

te geven op welke wijze het vereen-
voudigde beeld van de werkelijkheid

tot stand komt, anders dan in de vorm

van axioma’s.

Bezien tegen deze achtergrond zal

het duidelijk zijn dat wij 66k Hartogs

opvattingen inzake het institutionalis-

me onaanvaardbaar achten. Het be-

schrijven van in de werkelijkheid be-

staande (unieke) samenhangen noemt

men institutionalisme; het is evenwel

onjuist deze vorm van werkelijkheids-

beschrijving te identificeren met het

door ons gehanteerde begrip ,,genera-

liserende abstractie”. Weliswaar kiest

de generaliserende abstractie de wer-

kelijkheid als uitgangspunt, maar zij

tracht vanuit dat vertrekpunt – ove-

rigens afhankelijk van haar probleem-

stelling 2) – tot het formuleren van

meer algemene verbanden te geraken.

2. Ondeelbaarheid, een te verwaarlo-

zen probleem?

We hebben getracht aan te tonen

waarom het beroep dat Hartog in zijn

oorspronkelijke artikel doet op de wet

van de grote aantallen, ten einde het

ondeelbaarheidsprobleem voor een

markt als totaal te kunnen veronacht-

zamen, logisch onjuist is 3). Blijkens

zijn reactie heeft Hartog ons betoog

niet begrepen; sterker nog, hij sugge-

reert min of meer dat wij bezig zijn

spijkers op laag water te zoeken. We

zullen daarom trachten ons betoog

met een voorbeeld te verduidelijken.

Stel we gaan uit van een bedrijfstak,

waarin – als gevolg van ondeelbaar-

heid – het individuele bedrijfsopti-

mum van 1.000 eenheden produkt per

periode (winst f. 2.000) niet haalbaar

is. De ene helft van de ondernemin-

gen produceert daardoor 900 een-

heden per periode (winst f. 1.500) en

de andere helft 1.100 eenheden (winst

eveneens f.
1.500).
Gemiddeld is de

produktie 1.000 eenheden per periode.

Hoewel dit ogenschijnlijk een symp-

toom is voor een integraal optimum

(term van Hartog), is de winstpositie

juist niet optimaal: geen f. 2.000, maar

f. 1.500 per periode per bedrijf.

Hartog zou ten aanzien van dit

voorbeeld kunnen stellen dat de pro-

duktiesnelheid wél overeenkomt met

die van het gezochte optimum. Dat is

echter alleen het geval indien het ge-

middelde samenvalt met het optimum

en wanneer bovendien aan de voor-

waarde wordt voldaan dat de pro-

duktiesnelheid gelijk is aan de produk-

tiecapaciteit, hetgeen elke vorm van

onderbezetting uitsluit. Uitsluitend

onder deze stringente voorwaarden is

er een redelijke waarschijnlijkheid dat

het aantal positieve en negatieve af-

wijkingen ten opzichte van het ge-

middelde even groot is.

De in het voorgaande geschetste

symmetrisch-tweetoppige verdeling zal

overigens slechts bij wijze van uitzon-

dering in de werkelijkheid voorkomen.

Het meest voor de hand liggend is een

scheve verdeling van bedrij fsgroottes,

waarbij het aantal waarnemingen per

bedrijfstak beperkt is. In dit geval

evenwel is Hartogs uitspraak, dat het

aantal positieve en negatieve afwijkin-

gen ten opzichte van het gemiddelde

(in de zin van het optimum) even

groot zijn, onder geen enkele voor-

waarde geldig.

3.
Lokaal versus totaal optimum

Hartog verwijt ons dat wij de voor-

onderstellingen van de algemeen-
ecnomische theorie van de onder-

neming zodanig presenteren dat de

onderneming in deze theorie het maxi-

mum maximorum van haar doel-

variabele (meestal de winst) zou na-
streven, terwijl in feite de marginale

voorwaarden slechts een lokaal maxi-

ESB
van 10, 17 en 24 januari jI., res-
pectievelijk blz. 24-28, 47-50, en voor de reactie van Hartog, zie
ESB
van 31 janu-
ari jI. blz. 91.
Vergelijk hetgeen wij in dit verband
hebben gesteld in ons derde artikel over
de werkverdeling tussen algemene en
bedrijfseconomie.
T.a.p., blz.49-50.

ESb
Ingezonden

Theorie van de onderneming:

repliek

ESB 7-2-1973

127

mum vastleggen. Wij zijn het met

Hartog eens dat de neo-klassieke prijs-

theorie uitsluitend voorwaarden kan

formuleren voor een lokaal maximum,

maar Hartog vergeet dat diezelfde

theorie bovendien veronderstelt dat

– wanneer er meerdere lokale maxi-

ma zijn – zij de grootte van al deze

maxima kan bepalen met het uit-

eindelijke doel het beste maximum te

vinden. En tegen deze laatste ver-

onderstelling (die teruggaat op de ge-

kozen wijze van abstractie, ie. de

idealiserende abstractie) maken wij

ernstig bezwaar. Het beroep dat Har-

tog in dit verband doet op een publi-

katie van een onzer (Van Helden) is

onjuist, wat moge blijken uit het vol-

gende citaat (met betrekking tot de

neo-klassieke theorie).

,,Deze voorwaarde (de marginale voor-
waarden -B., v. H. en R.) bepalen slechts een lokaal optimum; indien een bepaalde
prijs-winstrelatie meerdere maxima bevat,
dient men ,,terug te vallen” op de inte-
grale grootheden, teneinde het maximum
maximorum te vinden” 4).

Wij begrijpen dan ook niet wat

Hartog met deze opmerking beoogt.
We kunnen ons moeilijk voorstellen

dat hij akkoord zou gaan met het

aanvaarden van een lokaal optimum

als uitkomst van het handelen van een

ondernemer. Immers in dat geval

wordt de grondslag van het algemeen-

evenwichtsmodel ondergraven.

4. Een nieuwe weg

Wij kunnen de scepsis van Hartog

ten aanzien van de door ons gedane

voorstellen begrijpen. Onze suggesties

zijn vaag, maar de reden waarom ze

werden gedaan, rechtvaardigen een

nadere uitwerking ervan, benevens

het zoeken naar andere alternatieven

voor de micro-economische prijs-

theorie.

Hartog blijft liever bij zijn ,,oude

schoenen” en merkt op dat het te

denken geeft dat Van Helden in zijn

artikel weer uitkomt bij de benadering

van winstmaximering; immers de kri-

tiek op de ,,winstmaximerende” prijs

theorie zou een andere verwachting

mogen wekken. Echter, de probleem-

stelling van Van Helden kan deze

,,andere”

verwachting

nauwelijks

waar maken. Het ging hem er name-

lijk om een zodanig gedragstheoretisch

model voor de prijszetting te vinden

dat een vergelijking mogelijk zou zijn

met de marginalistische ondernemings-

theorie
5).
Deze vergelijkbaarheidseis

liet geen andere keus dan de doelstel-

ling van (maximale) winst als hypo-

these te aanvaarden; Van Helden ver

baasde zich er juist over dat beschrij-

vingen van concrete prijsvormings-

processen, zoals die in de praktijk

werden waargenomen, nauwelijks een

zodanige generalisering toelieten dat

vergelijking met het marginalistische

model mogelijk was 6). Dit geeft te

denken, niét voor de genoemde prijs-

vormingsmodellen, maar voor het

marginalisme.

5. Slot

Wanneer Hartog ervoor pleit dat

bedrijfseconomie en algemene econo-

mie ervoor moeten waken elkaar de

eigen methode op te dringen, gaat hij

ervan uit dat de verschillen in optiek

tussen beide verschillen in methode

rechtvaardigen. Van dit laatste zijn

wij allerminst overtuigd. Misschien

zijn zekere twijfels over de generali-

serende mogelijkheden van het door

ons opgestelde alternatief op zijn

plaats. Wij vragen ons evenwel af of

de micro-economische prijstheorie,

die voornamelijk berust op axioma’s,

de kwalificatie van een generaliseren-

de verklaring wél verdient: de prijs-

theorie biedt interessante denkcon-

structies en mooie voorbeelden van de

wijze waarop men differentiaalreke-

ning kan toepassen, maar de alge-

meen-verklarende waarde ervan staat

ter discussie.

A. Bosman

G. J. van Helden

J. C. Reuijl

Prijszetting van een naar een aan-
vaardbare winst strevende onderneming;
enkele verschilpunten tussen het margina-
lisme en de gedragstheorie,
De Econo-
mist, juli-aug. 1972, blz. 329-352, in het
bijzonder blz. 347.
T.a.p., blz. 329.
T.a.p., blz. 330 en de aldaar aange-
haalde literatuur.

Naschrift

Idealisering versus generalisering

Prof. Bosman, Drs. Van Helden en Drs.
Reuijl (BHR) zien nu blijkbaar in en aan-

vaarden dat bij mij idealisering niet be-

tekent het redeneren vanuit axioma’s,
maar vanuit een vereenvoudigd beeld

van de werkelijkheid. Zij vragen dan
waar dat beeld vandaan komt. Voor mij

is deze vraag van weinig belang. Het gaat

niet zozeer om het vertrekpunt, maar
om het eindpunt. Als we de idealisering
hebben teruggedraaid tot de uit-

komsten van de betrokken theorie vat-

baar zijn voor verificatie, of falsificatie

zo men wil, hebben we ons doel bereikt.

Dan kunnen we generaliseren, als het om

herhaalbare betrekkingen gaat. Om bij

mijn voorbeeld van de internationale

handel te blijven: het doet er niet zoveel

toe of in ons meest eenvoudige model
2 of 3 tanden optreden, als we het maar

kunnen uitbouwen tot n landen en daar

mee tot een geheel van betrekkingen dat

de werkelijkheid voldoende benadert

om te kunnen gelden als generaliserende
verklaring.

Wat de veronderstelling van winst-
maximering betreft gaat het er om of

zij een verklaring van de prijsvorming

toestaat waarin we de werkelijkheid in
grote trekken kunnen herkennen. Ik stel

niet bij voorbaat dat dit het geval is.

Ik heb er zelfs mijn twijfels over, zoals
gebleken moge zijn uit mijn vorige

artikelen. Maar dit is geen veroor-
deling van de idealiserende methode

als zodanig.

Ondeelbaarheid

Heb ik op dit punt BHR verkeerd
begrepen? Ik ben bang dat ik ze juist

te goed begrepen heb, en dat daar hun

moeilijkheid ligt.

Het gaat er om dat de algemene eco-

nomie in het algemeen mag doen alsof
de onderneming haar winst maximeert

wanneer ondeelbaarheden haar in de weg

staan. De wet van de grote aantallen

zorgt er immers voor dat ongeveer even-
veel bedrijven links als rechts van het

niet-haalbare maximum terecht komen.

Dat de winst dan niet maximaal is kan

natuurlijk niet anders. We hebben
immers als uitgangspunt gesteld dat

het maximum niet bereikbaar is. Maar
er is de tendentie dat de produktie-

omvang voor alle ondernemingen in een
bedrijfstak te zamen toch gelijk is aan

wat zij zou zijn bij bereikbaarheid van

het maximum. Daar gaat het om. We
kunnen natuurlijk wel een geval met
weinig waarnemingen construeren, zodat

de wet van de grote aantallen niet
opgaat, maar dit soort oligopolistische
betrekkingen krijgt in de prijstheorie
toch al afzonderlijke aandacht, door het
invoeren van opzettelijk op deze markt-

vorm gerichte hypothesen. Alle poly-
polistische marktvormen kunnen dunkt

mij, wat betreft het probleem van de

ondeelbaarheid van produktiefactoren,
rustig blijven uitgaan van de veronder

stelling van winstmaximering.

Ik begrijp verder niet waarom BHR

stellen dat de produktie in geval van
ondeelbaarheid bij de werking van de wet

van de grote aantallen gelijk moet zijn

aan de produktiecapaciteit (ik gebruik
liever niet de uitdrukking ,,produktie-

snelheid”: het is toch al zulk een jachtige
tijd). Dat kan in dit geval juist niet, om-

dat sommige ondernemingen onder-
bezet en andere overbezet zullen zijn.

128

Optiek

Het voorgaande werpt meteen ook

nader licht op het door mij gesignaleerde

verschil in optiek tussen algemene
economie en bedrijfseconomie, dat

BHR aan het slot van hun repliek ver-

werpen. De bedrijfseconomie moet zich

namelijk wel rekenschap geven van de
vraag waar – als het maximum zelf on-

bereikbaar is – de omvang van een
onderneming dan terecht komt. Voor de

prijstheorie doet dat er niet toe, als de
marktgrootheden toch ten naastenbij
dezelfde omvang hebben.

Lokaal maximum

Al wat ik heb willen betogen is dat
met behulp van marginale evenwichts-

voorwaarden alleen maar een lokaal
maximum kan worden gevonden. Dat is
dunkt mij moeilijk voor ontkenning vat-

baar. De pretenties van de met marginale

evenwichtsvoorwaarden werkende theo-
rie gaan gewoon niet verder. We kunnen
dit ook anders stellen: deze theorie

doet alsof er maar één snijpunt van
marginale curven is. BHR hebben ge-
lijk als zij zeggen dat ook dit een ideali-

sering inhoudt. De vraag is daarom of

Boekc

ieuws

Wie in deze tijd van discussie over
,,begrensde groei” terugverlangt naar
de nauwelijks voorbije periode waar

in aan een zo groot mogelijke eco-

nomische groei een onaangevochten

overheersende maatschappelijke rol

werd toegekend, kan zijn of haar

hart ophalen aan dit knappe boekje

van Angus Maddison.

Maddison slaagt erin in nauwelijks

160 pagina’s de lezer een volledige

indruk te geven van bijna honderd

jaar economische geschiedenis van

Japan en Rusland. Hoe komt het,

dat zowel Japan als Rusland gedu-
rende een aanzienlijke periode een

ongewoon hoge investeringsgraad

hebben bereikt? Hoe heeft de over-

heid haar taak verstaan tav. de in-

dustrialisatie, de belastingheffing, de

exportbevordering, de modernisering

deze idealiserende veronderstelling vol-

doende dicht bij de werkelijkheid staat
om ook generalisering toe te laten. Ik zie

niet in dat de hele theorie van het

algemene evenwicht hiermee wordt

ondergraven.. Immers, 6f de veronder-
stelling van één snijpunt klopt in grote

trekken met de werkelijkheid en dan is
er niets aan de hand, of de ervaring leert

dat er dikwijls meer snijpunten zijn.

Maar dit laatste geval is alleen interes-
sant en noopt alleen tot herziening van
de marginalistische gedachtengang als

aannemelijk is dat de onderneming in
het algemeen slaagt in het vinden van
het maximum maximorum. Dan moeten

inderdaad de integrale grootheden zelf
worden gemobiliseerd, maar dat kan niet

gelden als verwijt aan de theorie.
Die verwerkt in dit geval juist de
empirische ervaring in haar veronder-

stellingen.

Zo kunnen we nog lang doorgaan,
maar de lezers hebben er nu waarschijn-

lijk genoeg aan en van. Een dialoog

tussen algemene economie en bedrijfs-
economie blijkt in ieder geval mogelijk

te zijn. Dat is misschien het voornaamste

winstpunt van deze discussie.

F.
Hartog

van de landbouw, beroepsopleiding

en scholing? Welke landhervormin-

gen en andere institutionele verande-

ringen hebben een rol gespeeld bij

vergroting van de economische wel-

vaart?

Deze en soortgelijke andere vragen

stelt Maddison op systematische wijze

aan de orde. Hij verdeelt het door

hem onderzochte tijdperk van Japans

economische geschiedenis in 4 pe-

rioden: Japan onder het Tokoegawa-

sjogoenaat (ca. 1600-1868); de Meidji-

periode (1868-191 3); versnelde groei

(1913-1953);
en tenslotte: explosieve

groei (1953-1965).

Evenzo onderscheidt hij voor Rus-

land vier perioden: moderne econo-

mische politiek in de tsarentijd

(1861-1917); de Revolutie en het

zoeken naar een nieuwe economische

politiek (1917-1928); het stalinisme

(1928-1953);
de liberalisering van de

Sowjet-economie
(1953-1965).

Een grote hoeveelheid statistisch

materiaal ligt ten grondslag aan de

feitelijke beschrijving, die zich niet-

temin beperkt tot de hoofdzaken en

slechts nu en dan ietwat vervalt in

een dorre opsomming van cijfers.

De vergelijking tussen het politiek-
economische systeem van Rusland en

dat der kapitalistische landen, waar-

onder Japan, wordt met intellectuele
eerlijkheid uitgevoerd. Van het ,,sta-

linisme” moet Maddison uiteraard

niet veel hebben, hetgeen hij niet

onder stoelen of banken steekt. Maar

ook hier blijft zijn voornaamste

richtsnoer de positieve of negatieve
uitwerking, welke de ,,stalinistische

gangstermethoden” op de groei van

de Russische
economie
hebben ge-
had.

Als een rode draad loopt het

thema van de succesvolle economi-

sche groei door het boekje. Japan

en Rusland vormen de enige duide-

lijke voorbeelden van de afgelopen

eeuw, waarbij het inkomensverschil

tussen rijke en arme landen aan-

zienlijk is verminderd. De lessen, die

uit beide voorbeelden te trekken zijn

voor ontwikkelingslanden welke ook

een snelle economische groei be-

ogen, zijn niet in alle opzichten

bemoedigend. De inspanningen op

het terrein van investeringen en

scholing zijn in Japan en Rusland

aanzienlijk en langdurig geweest. Bo-

vendien zijn diepgaande transforma-

ties in het maatschappelijke gedrags-

patroon nodig gebleken om tot gro-

tere efficiëntie te komen. Een zeer

belangrijke factor, welke de econo-

mische groei in de ontwikkelingslan-

den afrenit, is de snelle bevolkings-
toename en het daaruit voortkomen-

de werkloosheidsvraagstuk. Niette-

min is er uit de ervaringen van

Rusland en Japan lering te trekken,

vooral wat betreft de zeer voorna-

me rol, welke de overheid in beide

landen heeft gespeeld.

Er blijft na lezing van dit boekje
een vraag over: in hoeverre is juist

het isolement, dat zowel de Russi-

sche als de Japanse economie in de

vroegere fasen van hun ontwikke-

ling heeft gekenmerkt, door het

krachtige overheidsoptreden in beide

landen tot een belangrijke
positieve

factor geworden voor hun snelle

economische groei? Maddison sug-

gereert hier en daar, dit de ontwik-

kelingslanden thans in een internatio-

naal gunstiger economisch klimaat

verkeren dan destijds Japan en

Angus Maddison: Twee modellen van economische groei.
Aula 469, Uitge-

verij Het Spectrum, Utrecht, 1971, 207 blz., f.
5,50.

ESB 7-2-1973

129

Rusland. Dit lijkt nog maar de

vraag. Enerzijds is er ongetwijfeld

meer kapitaalinvoer mogelijk, welke

de last der besparingen wat kan ver-

lichten. Anderzijds echter hebben

juist kapitaalimporten de neiging mo-

gelijke binnenlandse besparingen af

te remmen en een grotere mate van

,,self-reliance” te bemoeilijken.

Wat echter belangrijker lijkt, is de

feitelijke internationale arbeidsverde-

ling, die het de meerderheid der ont-

wikkelingslanden moeilijk maakt om

een sterke economische politiek te

voeren. Men is te zeer afhankelijk

van de fluctuerende exportopbreng-

sten van grondstoffen. Behalve deze
economische afhankelijkheid van de
conjunctuur op de labiele grondstof-

markten is er een vervlechting van
de belangen van machtige groepen

in de rijke landen en de belangen

van een vrij kleine bovenlaag van

de bevolking der ontwikkelingslan-

Naar betere bedrijfsresultaten
van

John W. Humble, uit het Engels ver-
taald door het NIVE, is een sterk op

de praktijk gericht boek. Het gaat uit

van ,,management by objectives” en
draagt de duidelijke signatuur van de

organisatie-adviseur. De stijl van schrij-
ven is in de trant van: ,,Gij zult dit doen
en dat laten!”, waarbij gemakkelijk

kan worden vergeten wat door Ansoff

als hoofddoel van de onderneming wordt
gezien (blz. 26), nI. ,,het op lange termijn
maximaliseren van de opbrengsten

van de in het bedrijf aanwezige talenten
en hulpbronnen”.
Wie meent na het lezen van dit boek
voldoende toegerust te zijn om zijn

misschien ietwat teleurstellende be-drijfsresultaten op een hoger niveau
te brengen komt lichtelijk bedrogen uit.

Dit neemt echter niet weg dat er zeer
belangrijke aspecten van het bedrijfs-
gebeuren kort en bondig voor het voet-
licht worden gebracht waar een
leidinggevende functionaris diect zijn

voordeel mee kan doen.
Als voorbeeld moge dienen hetgeen
is vermeld over het opstellen van een

strategisch plan (blz. 31 e.v.), waardoor

de onderneming gaat anticiperen in
plaats van reageren op de toekomst.

Het is opmerkelijk dat vele problemen
in vraagvorm worden gesteld zonder
er een afdoend antwoord op te geven. Te

weinig aandacht wordt mi. besteed aan
de statistiek als hulpmiddel tot activeren

om de gestelde doeleinden te bereiken.
De bespreking van de mogelijkheden met
de computer en wiskundige technieken

is karig te noemen.
Achter in het boek zijn drie praktijk-

den. Dit verschijnsel kan nog positief

en negatief worden uitgelegd. Er

zijn zeker landen, waar deze ,,sym-

biose” uitgesproken negatief werkt.

Maddison lijkt dus veel te naïef in

zijn uitspraken over het internatio-

nale klimaat, waarin de ontwikke-

lingslanden hun economie moeten

opbouwen. Hij is ook eenzijdig in

de waardering van economische

groei. De rekening voor de kosten

van economische groei, welke Japan

thans gepresenteerd wordt o.a. met

betrekking tot de milieuvraagstuk-

ken, wordt door hem niet vermeld.

Niettemin is dit boekje waardevol

vanwege de beknopte en intelli-

gente manier, waarop een groot aan-

tal economische gegevens uit de ge-

schiedenis van Japan en Rusland

van de laatste eeuw in een samen-

hangend verband worden gebracht.

P. Terhal

cases besproken en wel bij de KLM,
Laport Industrie Ltd en Smiths lndus-

tries Ltd. De case bij de KLM levert
naast de algemene slogans geen con-
crete resultaten op. Veel interessanter is

het verslag van de ,,management by
objectives” bij Laport Industrie Ltd. Dit

verslag geeft een heldere weergave van
hoe deze methode werd ingevoerd en wat

ermee werd bereikt. Bij het lezen van de
ervaringen bij Smïths Industries Ltd

moet men wel bedenken dat spreken
niet tot de doelstellingen van een
produktiebedrijf behoort!

Al met al geeft
Naar betere bedrijfs-

resultaten
veel tips voor het toepassen
van ,,management by objectives”, waar-
bij echter de ,,management by resources”

niet vergeten dient te worden.
H. P. van de Avoird

De wettelijk voorgeschreven en an-

dere controles van jaarrekeningen in

Frankrijk en Nederland.
NIVRA-ge-

schrift nr. 10, uitgave van de Orde

Nederlands Instituut van Registerac-

countants, postbus 7984, Amsterdam,

mei 1972, 67 blz., f. 16 (voor stu-

denten f. 12).

Een vergelijkende studie, samenge-

steld door de Ordre National des

Experts Comptables et des Compta-

bles Agrées en het NIVRA. Bevat

de voorwaarden waaronder in Frank-

rijk en in Nederland de controle van

jaarrekeningen wordt verricht op

grond van de wetten en beroepsre-

glementeringen zoals die op 1 okto-

ber 1971 luidden. De tussen beide

landen gemaakte vergelijking heeft

een juridisch accent en is van for-

mele aard, zodat geen indruk wordt

gegeven van de wijze waarop in de

praktijk de controle van jaarrekenin-

gen wordt verricht, terwijl controle-

technische problemen buiten beschou-

wing bleven.

Produktschap voor Veevoeder: Van

kalf tot kalfsvlees.
‘s-Gravenhage,

1972, 38 blz.

Met
Van kalf tot kalfsvlees
heeft

het Produktschap voor Veevoeder te

Den Haag een publikatie uitgegeven,

waarin een overzicht wordt gegeven

van de economische ontwikkeling en

de huidige betekenis van de produk-

tie van kunstmelkvoeder en kalfs-

vlees in Nederland.

In een aantal hoofdstukken wor

den het produktieproces, de ontwik-

keling, de prijsvorming, het weten-

schappelijk onderzoek en de struc-

tuur van deze sector beschreven.
Grafieken en tabellen geven over-

zichten van o.m. prijsverloop, pro-

duktie, export en verbruik.

Hermann Priebe, Denis Bergmann en

Jan Horring: Fields of conflict in

European Farm Policy.
Agricultural

Trade Paper No. 3, Trade Policy

Research Centre, Londen, 70..blz.,

£ 1,00.

Na een voorwoord van T. E. Jos-

ling bespreken de drie landbouwdes-

kundigen resp. een Duits, Frans en

Nederlands standpunt over het Euro-

pese landbouwbeleid.

Economisch Instituut voor het Mid-

den- en Kleinbedrijf: Het Midden-

en Kleinbedrijf 1971-1972.
Korte-

termijnontwikkeling, Algemeen-eco-

nomische en statistische publikaties,

‘s-Gravenhage, 1972, f. 20.

In het kader van de rapportering
over de ontwikkeling van het mid-

den- en kleinbedrijf op korte termijn

wordt in deze publikatie een beeld

gegeven over de gang van zaken zo-

als die zich in het afgelopen jaar

heeft voorgedaan alsmede over de

verwachte groei welke in 1972 te

zien zal zijn.

De in dit rapport opgenomen ra-

mingen treden in de plaats van de

ramingen opgenomen in de Econo-

mische Verkenning Midden- en

Kleinbedrijf 1971/1972 welke eind

vorig jaar door het Instituut werd

John W. Humble: Naar betere bedrijfsresultaten.
Samsom, Alphen aan den Rijn,

1971, 210 blz., f. 22,50.

130

gepubliceerd. Er wordt naar ge-

streefd om de ontwikkeling op korte

termijn zoveel mogelijk te zien tegen

de achtergrond van de ontwikkeling

op middellange termijn.

Wat de inhoud van het rapport

betreft wordt na een kort samenvat-
tend beeld van de ontwikkeling van

de nationale economie een algemene

schets gegeven van de gang van

zaken in het midden- en kleinbedrijf

in 1971 en 1972. De groei van de

omzet, het arheidsvolume, de kosten

en het uit de exploitatie resulterende

zogenaamde overige inkomen worden

van nabij bezien. Op deze basis

wordt een raming gegeven van de

ontwikkeling van de inkomenssitua-

tie. Uitgaande van ramingen en/of

waarnemingsuitkomsten van diverse

instellingen wordt een inzicht gege-

ven in de ontwikkeling van de

rnarktsituatie van het midden- en

kleinbedrijf in de vier beschouwde
sectoren, te weten de detailhandel,

de nijverheid en dienstverlening, het

vervoer en de horeca.

Esb
Mededeling

Landelijke Economenconferentie over

financiering milieubeheer

Op vrijdag 23 en zaterdag 24 februari

1973 wordt door de Economische Facul-

teitsvereniging Rotterdam de Landelijke

Economenconferentie 1973 over de
financiering van het milieubeheer ge-

organiseerd.
Vrijdagochtend zal Drs. H. den Hartog

zijn preadvies over de kostenberekening
toelichten, terwijl als coreferenten zullen

optreden Drs. J. B. Opschoor en Prof.

Dr. E. P. M. Tervooren. Zaterdag-

ochtend zal Prof. Dr. J. G. Lambooy

zijn preadvies over de kostenverdeling
toelichten. Hierbij zullen Dr. G. F. A.

de Jong, Prof. Dr. J. Pen en Mr. H. Ver-

sloot coreferent zijn.
De middagen zijn bestemd voor acht

discussiegroepen, die het volgende

zullen behandelen. Achter iedere dis-
cussiegroep is de naam genoemd van
degene die een inleiding zal houden.
1. Milieucrises en wereldarmoede (Drs.
P. Terhal);

Financiering van het antivervuilings-

beleid door de overheid (Prof. Dr. N.
H. Douben);

Ethische aspecten van beheerste groei

(Prof. Dr. J. de Graaf);

Kosten (Drs. W. Siddré);

Consumentenattitude (Prof. Dr. A.
van der Zwan);

Bedrijfseconomische Implicaties van

milieubeheer (Drs. T. Verwey);

Economische groei en maatschappij

(Prof. Dr. W. Albeda en Mr. H.
Versloot);

Explicitering van doelstellingen.

De conferentie wordt voorgezeten

door Prof. Dr. J. Tinbergen en vindt
plaats in De Doelen, het Groothandels-

gebouw en de Erasmus Universiteit te
Rotterdam.

De deelnameprijs bedraagt f. 27,50
(mcl.
lunches, diner, feest en conferentie-

map). Inlichtingen en aanmelding (vôôr

IS februari a.s.) bij: Commissie Lande-
lijke Economenconferentie, Erasmus
Universiteit, Burg. Oudlaan 50 (kamer

H 2 – 16), tel.: (010) 14 55 II, toestel
3145.

KABINET VAN DE GEVOLMACHTIGDE MINISTER VAN SURINAME

Bij de Afdeling Financieel-Economische Zaken van de Lands Telegraaf- en

Telefoondienst van het Ministerie van Openbare Werken en Verkeer in

Suriname kunnen worden geplaatst:

EEN BEDRIJFS-ECONOOM

met universitaire opleiding Bedrijfseconomie (salarisschaal Sur. Crt. f911,-

tot f1 .029,— per maand);

EEN ADJUNCT-ACCOUNTANT le KLASSE

vereisten S.P.D. of M.O. Boekhouden (salarisschaal Sur. Crt. f843,-

tot f945,—);

TWEE MEDEWERKERS

in het bezit van het H.E.A.O.-diploma (afgestudeerd in de bedrijfsecono-

mische richting) die zullen dienen in de rang van Ambtenaar ter beschikking

3e klasse (salarisschaal Sur. Crt. f645,— tot f741,—)

Functie- en taakomschrijving:
betrokkenen zullen als staflid mede dienen te werken aan de omzetting

van de thans gevoerde overheidsadministratie in een bedrijfsadministratie

hetgeen met name inhoudt het uitvoeren van werkzaamheden m.b.t. het op-
zetten van een nieuw rekeningenstelsel, kostprijs analyses, tarifering en het
maken van begrotingen.

Bij de invoering van de bedrijfsadministratie zullen de betrokkenen tevens
met leidinggevende functies kunnen worden belast.

Dienstverband:

Kontraktduur van 3 of 5 jaren, na afloop van welke perioden vernieuwing

van het kontrakt of opneming in vaste dienst mogelijk is.

Salariëring:

afhankelijk van de opgedane ervaring zal inpassing in de achter de vakatures

vermelde salarisschalen geschieden.

Vakantie:

30 dagen vrijstelling van dienst per jaar met behoud van volle bezoldiging.

Sollicitaties:

gegadigden kunnen zich, voor het verkrijgen van sollicitatieformulieren
wenden tot het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Suriname,

Alexander Gogelweg 2, tel. 070-650844, toestel 21, te ‘s-Gravenhage.

ESB 7-2-1973

131

Dura

Aannemings Maatschappij B.V.

bedrijfseconoom

werkmaatschappij van Verenigde Dura Bedrijven Neder-
land B.V., is met vestigingen en dochterbedrijven in Neder-
land, een omzet van ruim 100 miljoen en ca 800 werk-
nemers een gezond en expanderend bedrijf.

Op het hoofdkantoor te Rotterdam adviseert de bedrijfs-
econoom de directie inzake het financieel-economisch
beleid en draagt zorg voor een tijdige informatie over en
analyse van het bedrijfsgebeuren. Het bewaken van het
budget en de liquiditeitspositie behoort tot zijn hoofdtaken.

De voorkeur gaat uit naar een afgestudeerd bedrijfs-
econoom van ca 35 jaar, met belangstelling voor en kennis
van administratieve Organisatie en/of automatische infor-
matieverwerking en enige jaren bedrijfservaring.
Na een inwerkperiode van een jaar zal benoeming tot
adjunct-directeur volgen.

Belangstellenden dienen hun met de hand geschreven
sollicitatiebrieven onder nr. 917 te richten aan onderstaand
bureau dat voor een vertrouwelijke behandeling zal zorg-
dragen en waar men zich voor het verkrijgen van nadere

inlichtingen telefonisch kan wenden tot Drs. G. P. Hazelzet.

Psychologisch Adviesbureau Deen b.v.

Westersingel 33, Rotterdam-3003, telefoon 010-362711

CREDIE TEN
ten behoeve van

ACADEMICI

RIJKSUNIVERSITEIT

voor o.a.

GRONINGEN


Het kopen van een huis
(eventueel tot

meer dan 100% van de koopsom)


Praktijkovername en associatie


Vrije vestiging

Instituut voor

Verzekerings- en financie-

I.V.A.

ringszaken voor

Academici

Dir. Mr. R G. DEN HOLLANDER

POSTBUS 23

BARENDRECHT

TELEFOON
01806-2500

In de faculteit der economische wetenschappen komt met in-
gang van het komende studiejaar, doordat Prof. S. Korteweg
met emeritaat gaat, vacant de functie van

GEWOON HOOGLERAAR

IN DE ECONOMIE

De te-benoemen hoogleraar zal tot taak hebben het geven van
onderwijs, alsmede het verrichten, stimuleren en begeleiden van onderzoek voornamelijk in het vakgebied internationale
economische betrekkingen. Voorts wordt van hem verwacht
de bereidheid

in hechte samenwerking met zijn medewerkers
en de andere hoogleraren zijn, werkzaamheden te verrichten.
Zij, .die voor deze functie in aanmerking wensen te komen, als-
mede degenen, die de aandacht willen vestigen op mogelijke
kandidaten, kunnen zich tot 15 maar.t 1973 schriftelijk wenden
tot de voorzitter van de vacaturecommissie, Prof. Dr. F. J. de
Jong, Ettenlaan 8, Norg, die ook bereid is telefonisch nadere
inlichtingen te geven (tel. 05928-2828 of 050=11.5635). Prof.
Dr. F. Hartog is eveneens bereid, tot het telefonisch geven van
inlichtingen (tel. 050-345952 of 050-115644).
Sollicitanten dienen hun curriculum vitae en een volledige lijst
van hun publicaties bij.hun brief in te sluiten.

132

Auteur