Ga direct naar de content

Jrg. 58, editie 2883

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 17 1973

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

17 JANUARI 1973

EsbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

58eJAARGANG

INSTITUUT

No.2883

Oorzaak en gevolg

Vakbeweging en werkgeversorganisaties zijn druk bezig de

kabinetsformatie te beïnvloeden. Beide wijzen zij voort-

durend op het sociaal-economische beleid zoals zij dat
wensen. Tegen het formuleren van deze wensen bestaan geen
bezwaren. Het is nuttig dat de politieke partijen op de hoogte
blijven van de opvattingen die er in het bedrijfsleven
bestaan. Men zou echter wel bezwaren kunnen maken tegen

de wijze waarop die wensen in de openbaarheid worden gebracht: de vakbeweging gebruikt dreigende taal en de
werkgevers bedienen zich van pseudo-wetenschappelij ke
geschriften. Laat ik enkele voorbeelden noemen.

In
De vakbeweging
van 4januarijl. schrijft het NVV aan

kabinetsinformateur Ruppert dat het vertrouwen van de
vakbeweging ernstig is beschaamd, nu duidelijk wordt dat
de winst-, rente- en huurinkomens in 1972 met ca. 20% zijn
gestegen. Als oorzaak hiervan wordende uit de pan spattende
winsten genoemd, die verdiend zijn met onredeljke prijs-
verhogingen. Het NVV eindigt met de dreiging, dat de vak-
beweging v66r 1 juli a.s. de rekening zal opmaken, hetgeen
Ruppert in zijn oren dient te knopen.
Het NVV kwam tot deze dreigende taal na Dr. Zijlstra
op het toneel te hebben laten verschijnen, die constateerde dat
de inflatie in 1973 blijft doorhollen zonder duidelijk te maken

of hij het centraal akkoord een vodje papier vindt of dat hij
redenen ziet dat zelfs bij een stipt naleven van dit akkoord de inflatie niet kan worden beteugeld. Het NVV wordt het
gezeur beu dat werknemers de verzwaring van de druk van de
verzekeringspremies en belastingen afwentelen, terwijl het
reële vrij beschikbare inkomen in 1972 slechts met 1% steeg
en ook in 1973 met niet meer dan 1% zal stijgen. (Het reële

vrij beschikbare inkomen is een beperkter begrip dan de reële
arbeidsvoorwaarden, die volgens het centraal akkoord in

1973 met 3.5Ç/ mogen stijgen).
Het NVV heeft duidelijk de smoor in omdat de werkgevers
de infiatiebestrijding ernstig in gevaar brengen vanwege
het uit de pan spatten van de winsten. Nederland schiet echter
niet veel op met de schriftuur van het NVV. Dat de winsten
met 20% stegen, zegt weinig. Het NVV had er beter aan
gedaan te berekenen hoe hoog de winsten hadden mogen
stijgen om de collectieve voorzieningen en de werkgelegen-
heid (beide doelstellingen van de vakbeweging) veilig te
stellen; het erkent wel dat een ,,redelijke” stijging van het

overige inkomen aanvaardbaar is met het oog op de conti-
nuïteit van de ondernemingen. Zonder het kwantificeren van
de ,,redelijke stijging” zal het NVV zijn tegenstanders

moeilijk overtuigen.
De werkgevers doen het anders. Onlangs schreef de Raad

van Nederlandse Werkgeversverbonden een brief over zijn
visie op het te voeren sociaal-economische beleid aan kabi-
netsinformateur Ruppert. Deze visie werd ondersteund door
een bijvöegsel: de nota
Kernpunlen sociaal-economisch be-
leid.
Terecht schrijven de werkgevers dat a. de overheid – en
daarmee de gemeenschapsvoorzieningen – het grootste
slachtoffer van de inflatie is; b. de pensioenvoorzieningen

onbetaalbaar dreigen te worden; c. er ernstige economische
en sociale spanningen dreigen; d. de permanente druk op
de rendementen een toenemende bedreiging voor de eco-

nomische groei en de werkgelegenheid in de toekomst vormt.
Degene die van de werkgevers een visie op de inflatie-
bestrijding verwacht die deze bedreigingen wegwerkt, komt
bedrogen uit. Als oorzaak van de inflatie zien de werk-

gevers de stijging van de gemeenschapsvoorzïeningen, die
daarmee dus niet alleen het slachtoffer van de inflatie zijn.
Dit lijkt mij een tegenstrijdige opvatting; de overheidsuit-

gaven zijn 6f oorzaak van de inflatie 6f slachtoffer.

De werkgevers schrijven terecht dat de nieuwe regering
de moed moet opbrengen het Nederlandse volk duidelijk
te maken dat de bomen niet tot in de hemel groeien. Hun
daaropvolgende stelling, dat nieuwe gemeenschapsvoor-
zieningen slechts kunnen worden verwezenlijkt door be-
sparingen op bestaande voorzieningen, is alleen juist als
onder die bestaande voorzieningen niet alleen gemeenschaps-
voorzieningen worden verstaan. Voor de infiatiebestrijding

doet het er niet toe op welke bestedingen (investeringen,
collectieve en particuliere consumptie) wordt bezuinigd bij
het verwezenlijken van nieuwe gemeenschapsvoorzieningen.
Een keuze uit deze bestedingen is een politieke beslissing.

De werkgevers komen tot bovenstaande opvattingen door
het naast elkaar zetten vanaf 1960 van het procentuele aan-

deel der belastingen en sociale premies (voorstellende de
collectieve sector) in het nationale inkomen, het procentuele
aandeel van het arbeidsinkomen en van het overige inkomen

in de toegevoegde waarde van bedrijven en de prijsstijging.
Hieruit blijkt dat vanaf 1960 de prijsstijging gepaard ging
met een forse stijging van het aandeel van de collectieve

sector, een stijging van het aandeel van het arbeidsinkomen
en een forse daling van het aandeel van het overige inkomen.

Tegen deze analyse bestaan de volgende bezwaren.

Het naast elkaar zetten van cijferreeksen zegt niets over
de causaliteit. Er had evengoed geconcludeerd kunnen
worden dat het aandeel van het overige inkomen te weinig
is gedaald.

Het ware beter geweest de procentuele aandelen van de
diverse bestedingen in de totale bestedingen vanaf 1960
in een cijferreeks naast elkaar te zetten. Inflatie wordt im-
mers veroorzaakt door te hoge wensen van de bevolking

met betrekking tot de bestedingen. Men kan dan tot andere
conclusies komen omdat het reële aandeel van de collectie-
ve sector is gedaald. Uiteraard blijkt ook hieruit geen

causaliteit.
De economische wetenschap heeft betere analysemethoden

dan het louter vergelijken van tijdreeksen, dat gemakkelijk
tot nonsenscorrelatie kan leiden. Men mag slechts tijd-

reeksen vergelijken
na
een nauwkeurige analyse over
oorzaak en gevolg. Zowel vakbeweging als werkgeversorganisaties falen m.i.
in het analyseren van de infiatieproblematiek. Het zou vooral
ten behoeve van de kabinetsformatie nuttig zijn indien hun
economen zich meer wetenschappelijk gingen toeleggen
op de oorzaken en de gevolgen van de inflatie. Beide insti-

tuties slagen er wel in hun politieke visies weer te geven; deze
moeten nu zo langzamerhand wel bij iedereen bekend zijn.

L.H.

41

EONOMISO1 STA11ST1SHE BE9O1TB

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Inhoud

Oorzaak en gevolg

.

41

Column

Een wit-,,boek”,
door Drs. W. Siddré ……………………….
43

Dr. H. 0. C. R. Ruding:
Monetaire integratie, margevernauwing en kapitaalliberalisatie in de EG 44

Prof
Dr. A. Bosman, Drs. G. J. van Helden en Drs. J. C. Reuijl:

Theorie van de onderneming (II); het handelen van en in organisaties 47

Mededelingen
…………………………………………….50

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. /wema. L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Monlagne. J. H. P. Paelinck.
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdam-3016; kopij voor de redactie:
postbus 4224.

Tel. (010)145511, toestel370l.
Bij adresw ijziging s. v.p. steeds adresbandje meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getypt, dubbele regelafsiand, brede marge.

Notitie
Wereldhandelsstromen,
door Drs. W. Maarse Nzn . …………….

51

Bedrijfseconomie

Inleiding (1),
door
Prof
Dr. A. Bosman ……………………..
52

Maatschappijspiegel

Verzorgingsstaat en sociologie,
door Dr. A. Peper ……………..
54

Ingezonden

Bevolkingsprognoses,
door Drs. J. C. van den Brekel,
met naschrift
van

J. Buj/s

………………………………………………
55

Rectificatie

……………………………………………..
56

Boekennieuws

Drs. J. G. Springer: Subsidiëring van kerkgenootschappen,
door
Prof
Dr.

H. G. van Beusekom …………………………………….
57

Abonnementsprijs:f78,00per
kalenderjaar
(mcl.
4% BTW);studenienf46,80
(mcl. 4% BTW),franco per post voor
Nederland. België. Luxemburg, overzeese
rjksdelen (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies.
(na ontvangst van stortings/giro-accepikaart)op girorekeningno. 122945
t.n.v. Economisch Statistische Berichten te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs van dit nummerf2,50
(mci. 4% BTWenportokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekeningno. 8408 t.n. v. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut!e Rotterdam niet vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Advertenties:
N. V. Koninklijke Drukkerijen
.Roelants – Schiedam.
Lange Haven 141, Schiedom.
tel. (010)260260. toestel 908.

Onderzoek

is nodig. Het NEJ heeft zich daarop sinds 1929 gericht. Naast

het pure ônderzoëk werk houdt hét zich bezig met het uit-
voeren van opdrachten van overheden en bedrijfsleven in

binnen- en buitenland. Het heeft thanservaring op vele ge-

bieden, in een• spreiding over 50 landen. Er heeft in dié

periode een specialisatie plaatsgevonden, maar door de

samenwerking in teams van economislen, econometristen,
wiskundÎgen, söciolo gen, sôciaal-geografen, stedebouw-

kundig ingenieurs en. civiel-ïngenieurs wordt een brede

aanpak van de problemen gewaarborgd. – -.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdam-3016.tel. (010)145511.

Onderzoekafdelingen:

Balanced International Growih

Bedrijft- Economisch Onderzoek
Economisch-Sociologisch Onderzoek

Economisch- Technisch Onderzoek

Vestigingspatronen

Macro-Economisch Onderzoek

Projecistudies Ontwikkelingslanden

Rejionaal Onderzoek

Statistisch-Mat hernat isch Onderzoek

Transport-Economisch Onderzoek

42

W. Siddré

Een wit-
,,boek”

Vorige week publiceerde het VNO

een witboek over inflatie
t).
Het bestaat

uit 38 bladzijden; de tekst bestaat uit niet

veel meer dan 600 woorden, afgezien van

de kleine lettertjes bij de grafieken.

Het witboek bestaat vnl. uit grafieken

die statistisch cijfermateriaal weer-

geven betrekking hebbend op de jaren

1965-1971.

Het VNO hoopt met deze publikatie
bij te dragen tot een beter inzicht in de

achtergronden van het infiatieverschijn-

sel, maar
ook
een bijdrage te geven tot de

infiatiebestrijding. Ik vraag me af of

onze inzichten met dit boekje erg veel

verder gekomen zijn. Het VNO be-

schouwt deze publikatie echter als een

aanzet van analyse, die ,,verre van

kompleet en vervolgd moet worden”.

Het pamflet is bestemd voor ,,een zo

groot mogelijke groep”.

De suggestie wordt gewekt dat de

inflatie hoofdzakelijk door overheids-

maatregelen wordt veroorzaakt. De con-

clusie werd echter niet econometrisch

geverifïeerd, maar wordt op nogal sug-

gestieve wijze opgedrongen aan de lezer.

Op talloze plaatsen kunnen knorrige

opmerkingen gemaakt worden bij de

zeer schaarse tekst. Ik beperk mij hier

tot de bladzijden 1, II en 18 tot en met 26.

Op blz. 1 worden de stijgingspercen-

tages van prijzen gegeven voor een zestal’

Europese landen. Uiteraard gecumu-

leerd vanaf 1965 tot 1971. Dat levertaan-

sprekende getallen op van 23% (Duits-

land) tot 44% (Engeland). Nederland

neemt op deze lijst de tweede plaats in

met
43%.
Deze gecumuleerde cijfers zijn

erg suggestief. De gemiddelde, jaar op

jaar, verandering van de prijzen voor

deze landen bedraagt, in dezelfde volg-

orde, 3%, 5,4% en nog eens 5,4
0
/
0
. Kan

men op grond hiervan concluderen:

,,Internationaal gezien staat Nederland

er slecht op”? Deze zwartgallige conclu-

sie kan toch niet serieus getrokken

worden op grond van deze cijfertjes

alleen. Bestaat het negatieve verband

tussen prjsstijgingspercentages en het

werkloosheidspercentage niet meer?

Met deze vraag wil ik hier alleen maar

aangeven dat ook onderzocht moet

worden in hoeverre de overige doel-

stellingen van economische politiek ge-

realiseerd worden. Het spreekt mij niet

aan om een inflatoir proces slechts op

één aspect te beoordelen.

Op blz. Ii van het pamflet wordt ge-

steld dat in 1972 ongeveer een derde van

de particuliere consumptie gefinancierd

wordt door middel van overdrachten van

de overheid en door middel van sociale

verzekeringsuitkeringen aan gezinnen.

Aangenomen wordt dan dat deze over-

heidsuitgaven aanleiding geven voor een

even groot bedrag aan particulier ver-

bruik. In totaal zouden deze uitgaven in
de collectieve sfeer voor ongeveer f. 25

mrd. aan consumptieve bestedingen heb-
ben uitgelokt. So what, ben ik geneigd te

denken: is de wijze waarop consump-

tieve bestedingen gefinancierd worden

van belang voor het infiatievraagstuk?

Bovendien vertellen de samenstellers van

het VNO-memo er niet bij dat de
volume-

groei van deze component van de be-

stedingen in de collectieve sfeer in 1971

kleiner was, ruim 10%, vergeleken met

het percentage berekend over de jaren

1962/1971, nI. 12%. Op grond van deze

overdrachten van de overheid aan gezins-

huishoudingen eisten de consumenten

in 1971 een kleiner percentage op van de

jaarlijkse groei van de middelen.
De bestedingen in de collectieve sfeer

bevatten naast uiteraard de eigen be-

stedingen van de overheid nog andere

componenten dan het zo juist genoemde

particuliere verbruik voortvloeiend uit

transfers. De overheid keert aan be-

drijven vermogensoverdrachten uit, geeft

kredieten en garandeert leningen. Deze

overheidsuitgaven, die tot bedrjfs-

investeringen zullen leiden, zijn in 1971

zeer sterk gestegen. De
volutnegroei

van de bedrijfsinvesteringen, gefinan-

cierd uit overdrachten, kredieten en

garanties van de overheid, was in 1971

16%, bij een gemiddelde groei van

slechts 9% gedurende de jaren 1962/1971.

Hierover wordt in het VNO-memo ge-

zwegen. Uiteraard kan men niet ont-

kennen dat de mutatie van de bestedin-

gen in de collectieve sfeer een steeds

hoger percentage vormt van de mutatie

van het nationale inkomen. Dit margi-

naal beslag op het nationale inkomen

was gedurende 1962/1971 gemiddeld

‘62%, maar bereikt bijna het niveau van

80% in 1971. Wordt echter hiermede

een stuk inflatie verklaard? Is dit niet een

mooi voorbeeld van een post-hoc-ergo-

propter-hoc-redenering?

Op blz. 16 e.v. wordt de CBS-prijs-

index van de gezinsconsumptie eniger-
mate uitgesplitst. Wat blijkt? Sommige

subgroepen stijgen harder dan andere.

Gemiddeld genomen, van 1964 tot

1971, blijkt de prijsstijging 47% te zijn.
Medische verzorging gaat harder, roken

gaat minder hard. Natuurlijk
moet
er

sprake zijn van spreiding rondom dit

gemiddelde van 47%. Over dranken

(37,8%), huishoudelijke artikelen

(27,3%) en suiker, kruidenierswaren

(19,9%) wordt opgemerkt ,,overigens

valt op, dat sterke concurrentie samen-

gaat met lage prijsstijgingen”. Op grond

waarvan wordt tot deze samenhang

besloten? Hier is zelfs geen eerste aanzet

van analyse te bespeuren.

Wt

) VNO-menio. Inflatie, feiten en achter-
gronden van pri/sszijgingen,
Den Haag, 1973.

ESB 17-1-1973

43

Monetaire integratie,

margevernauwing

en kapitaalliberalisatie in de EG

DR. H. 0. C. R. RUDING*
Nu op 1 januari 1973 de toetreding van drie nieuwe

lidstaten een feit is geworden en nu tevens al ruim drie

jaar zijn verstreken sinds de topconferentie van de EG

het principe besluit nam tot het tot stand brengen van

een economische en monetaire unie, heeft het zin de

problematiek van monetaire integratie, margevernauwing

en kapitaalliberalisatie – tussen de EG-landen onderling

en met derde landen – in onderling verband te beschou-

wen.

De Britse toetreding speelt hierbij een belangrijke rol

daar het pond sterling, de Britse betalingsbalans en het

kapitaalverkeer van en naar het Verenigd Koninkrijk

mondiaal nog steeds van grote betekenis zijn. Het interne

kapitaalverkeer in de EG en waarschijnlijk ook het

kapitaalverkeer met derde landen zal door de Britse

toetreding sterk in omvang toenemen. Een speciaal

probleem hierbij vormt het korte, speculatieve kapitaal-

verkeer (,,hot money”) dat zich in de laatste jaren in zo

sterke mate van en naar het Verenigd Koninkrijk (en de

Verenigde Staten) heeft bewogen.

In dit artikel wordt met name aandacht besteed aan

de vraag of – en zo ja, hoe – er een directe relatie

bestaat tussen het beleid van de EG-landen inzake ener-

zijds de omvang van de marges op de valutamarkten

rondom de officiële valutapariteiten en anderzijds de

mate van vrijheid van het kapitaalverkeer. Vele belang-

rijke, meer algemene problemen blijven buiten beschou-

wing, zoals de gewenste omvang van de valutamarges
in mondiaal verband, de wenselijkheid en de te volgen

procedure van de monetaire integratie in de EG als

zodanig, de wenselijkheid van vrijheid versus restricties

van het kapitaalverkeer in het algemeen, de gewenste

mate van openheid van de EG, de keuze tussen de

diverse vormen van kapitaalrestricties (inclusief het

systeem van gescheiden (,,dubbele”) valutamarkten) e.d.

Van liberalisatie naar deliberalisatie

Vanaf de oprichting heeft er in de EG een duidelijk

streven naar vergroting van de vrijheid van het kapitaal-

verkeer bestaan. Deze tendens uitte zich in woorden

(vele, niet gerealiseerde voorstellen van de Commissie)
en in daden (concrete liberalisatiemaatregelen).

In de laatste jaren, sinds 1969, heerst er echter een

tegengestelde ontwikkeling welke, naar men mag hopen,

slechts van tijdelijke aard zal zijn. Zowel op nationaal

als op communautair niveau hebben nI. voorstellen en

concrete maatregelen tot deliberalisatie, dus tot meer

kapitaalrestricties, de overhand gekregen.

De vraag komt vanzelfsprekend op of dit niet in strijd

is met het streven naar een economische en monetaire

unie in de EG overeenkomstig het besluit van de Haagse

topconferentie van december 1969. Immers, een vol-

ledig vrij intern kapitaalverkeer is – terecht en per

definitie! – een onmisbaar onderdeel van deze mone-

taire unie.

Toch is deze paradoxale ontwikkeling wel te verkla-

ren. Ten eerste werd juist in de jaren 1969 tot en met

1971 de wereld geconfronteerd met enige monetaire

crises die het internationale monetaire stelsel deden

wankelen. Daar dit gepaard ging met omvangrijke specu-

latieve kapitaalbewegingen – vooral van derde landen

naar de EG, maar ook tussen de EG-landen – moesten

vele landen, waaronder bijna alle EG-lidstaten, nood-

gedwongen hun toevlucht zoeken tot restricties, met

name van korte kapitaalimporten. Men kan zelfs stellen

dat deze mondiale monetaire problemen, vooral rond

de dollar, een sterke impuls zijn geweest voor het

principebesluit van december 1969 inzake de monetaire

unie.

De tweede verklarende factor voor de tendens tot

deliberalisatie, c.q. tot niet meer liberalisatie, is merk-

waardigerwijs dit streven naar de monetaire unie. Hier-

boven werd de eindfase met volledige kapitaalliberali-

satie genoemd. In de eerste fase welke nu moeizaam op

gang komt,
kan
echter deze monetaire integratie gepaard

gaan met deliberalisatie, afhankelijk van de gekozen

prioriteiten. Hoewel een dergelijke paradoxale ontwikke-

ling dus niet noodzakelijk optreedt, doet zij zich nu –

en in de nabije toekomst – wél voor, zoals nader zal

worden uiteengezet.

Twee voorbeelden dienen ter illustratie van deze om-

slag in de benadering van de gewenste mate van vrijheid
van het kapitaalverkeer. Wat betreft Nederland kan wor-

den gewezen op o.a. uitspraken van minister van Finan-

ciën Nelissen:

,,Daarnaast is er het instrument van een meer direct
ingrijpen in het internationale kapitaalverkeer. Er zal naar
moeten worden gestreefd om op dit terrein tot internationale
afspraken te komen, hoe moeilijk dit ook wellicht zal zijn.
Tot nu toe gingen deze afspraken alleen in de richting van
een grotere liberalisatie. Hoe belangrijk deze ook is, wij
zullen moeten verhinderen dat een te ver gaande liberalisatie
de monetaire onrust versterkt. Het is ten zeerste gewenst
op internationaal niveau tot overeenstemming te komen
over een code van goed gedrag terzake van in het belang

* De auteur is onderdirecteur van de Amsterdam-Rotterdam
Bank NV.

44

van monetair evenwichtige verhoudingen in te voeren res-
tricties in het internationale kapitaalverkeer” 1).

Wat betreft de EG is van groot belang de Richtlijn

van de Raad van 21 maart 1972 ,,voor het reguleren

van de internationale kapitaalbewegingen en het neutra-

liseren van de ongewenste effecten daarvan op de

interne liquiditeit” 2). Deze richtlijn volgt het voorstel

dat de Commissie reeds op 23 juni 1971 had gedaan.
Art. 1 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen

treffen ten einde over bepaalde instrumenten te beschik-

ken en deze zo nodig kunnen gebruiken voor een effec-

tieve regulering van en neutralisering van ongewenst

geachte effecten van de internationale kapitaalbewegin-

gen. Deze richtlijn heeft duidelijk betrekking op het
interne
en
externe kapitaalverkeer.

Het interne verkeer wordt speciaal genoemd daar

genoemde maatregelen eventueel van de eerste richtlijn

ex art. 67 mogen afwijken.
In
de considerans wordt
juist in het bijzonder gesproken over het kapitaalverkeer

van en naar derde landen. Daar wordt zelfs een directe

band gelegd tussen de bovengenoemde restrictieve maat-

regelen en de verwezenlijking van de economische en

monetaire unie.

Margeverruiming en margevernauwing

De onderlinge margevernauwing is een van de midde-

len om te trachten de EG-valuta’s nauwer aan elkaar te

koppelen. Dit streven, een der concrete uitvloeiselen van

de Haagse topconferentie, begon in een zeer ongelukkige

tijd. In 1970 en 1971 waren de destabiliserende, specula-

tieve kapitaalstromen en de betalingsbalansonevenwich-

tigheden dermate omvangrijk dat vele landen in en

buiten de EG zich genoodzaakt voelden maatregelen te

nemen zoals pariteitswijzigingen, additionele deviezen-

restricties met name inzake het kapitaalverkeer en marge-

verruimingen.

De margeverruiming van
±
1 % 3) ten opzichte

van dollar tot
±
2
1
/4
% welke mondiaal werd overeen-

gekomen bij de Washingtonse Akkoorden van december

1971, was wel een realistische stap, maar tevens een

vorm van desintegratie, zowel mondiaal als binnen de

EG. Immers, ook de EG-landen hebben deze ruimere

marges geaccepteerd. Wel hebben zij daarna besloten

de nieuwe marges van
±
4
1
/2
% welke hieruit zouden

resulteren tussen hun valuta’s
onderling, te halveren 4).

Voor de koersen tussen de EG-valuta’s gelden nu dus

dezelfde marges van
±
2¼ % als voor de koersen

tussen de EG-valuta’s en de dollar.

Niettemin zijn ondanks deze eerste interne marge-

vernauwing de marges tussen de EG-valuta’s nu,
absoluut

gezien, ruimer dan twee jaar geleden, nl.
±
2
1
/4 %
vergeleken met
±
1
1
/2
%. Per saldo is er dus slechts

een
relatieve
margevernauwing bereikt. Er zijn geen

indicaties dat het zal lukken binnen afzienbare tijd ook

in absolute termen de EG-valuta’s nauwer aan elkaar te

koppelen dan het geval was toen het proces van mone-

taire integratie op gang werd gebracht.

De interne margevernauwing wordt beïnvloed door

zowel het interne EG-kapitaalverkeer als het kapitaal-

verkeer met derde landen. In het onderstaande zal dit

nader worden uitgewerkt.
Kapitaalliberalisatie versus margevernauwing

De vrijheid van het
interne kapitaalverkeer in de EG
kan groter zijn naarmate:

a. de coördinatie van het nationale economische’ be-

leid van de lidstaten toeneemt. Terecht wordt door velen

gehamerd op de noodzaak prioriteit te geven aan ver-

betering van deze coördinatie omdat het anders niet

mogelijk is om een verantwoorde en concrete voortgang

te boeken inzake het streven naar de monetaire unie en

— meer in beperkte zin – naar grotere kapitaalliberali-

satie en onderlinge margevernauwing;

b. de verstoringen in het onderlinge betalingsverkeer
als gevolg van het kapitaalverkeer
met derde landen
verminderen c.q. tot minder complicaties aanleiding ge-

ven. Dit aspect, waaruit op zich zelf de wenselijkheid

van meer restricties inzake het kapitaalverkeer met derde

landen zou kunnen worden afgeleid, wordt hieronder

met enige voorbeelden toegelicht;
In tabel 1 wordt gemakshalve verondersteld dat de
EG uit twee lidstaten A en B bestaat, dat het lopende

verkeer overal in evenwicht is, en dat zich inzake

het externe kapitaalverkeer vier mogelijkheden kun-

nen voordoen.

Tabel 1

intern
geval t
geval II
1

geval

111
1

geval IV
extern
totaal
extern
totaal
exteri4totaaij
extern
totaal
A
+100
—100
0
0
+100
1100
—100
—100
0
—200
0
—100
+100
—200
+100
—100
+200
—200
EG-saldo
0
0 0
—200
—200
—100 —100
0
0

Veronderstel dat B nog in staat is het (externe en

interne) kapitaalverkeer vrij te laten zolang zijn totale

betalingsbalans kleine tekorten, bijv. maximaal 100,

vertoont. Geval
1
voldoet nog aan dit criterium: B

hanteert dus geen restricties. In alle overige gevallen

is het totale tekort van B te groot geworden: steeds

200. Derhalve zal B in II, III en IV restricties in-

voeren. Dit kan hij doen door
alleen
het externe

kapitaalverkeer of door het interne
en
externe verkeer

te belemmeren. In al deze drie gevallen dragen het

interne en het externe kapitaalverkeer van B in gelijke

mate (100) bij aan zijn totale tekort.
In
IV (en
1)
is

het externe verkeer van de EG als geheel in even-

wicht en kan dus per saldo geen verstoring geven. In

II en III vertoont het externe verkeer van de EG als

geheel wel een tekort. Vooral in IV maar ook in II en

III zou het invoeren van restricties
louter
voor het

externe verkeer, objectief gezien, niet juist zijn daar

dit externe verkeer niet in sterkere mate veroorzaker

is van B’s problemen dan het interne verkeer. Toch

bestaat de kans dat B er de voorkeur aan geeft om

– indien dit realiseerbaar zou zijn – zijn problemen

op te lossen zonder belemmering van het interne

kapitaalverkeer.

c. de marges wijder worden resp. het streven naar

margevernauwing minder prioriteit krijgt. Hierbij wordt

er dus van uitgegaan dat er een relatie bestaat tussen

Rede ter gelegenheid van de officiële opening van de
Hoofdbank Amsterdam van de AMRO-bank op 8 maart
1972 (voorlopige tekst, verstrekt door het Ministerie van
Financiën).
72/156/EG.
In feite werden door de leden van de Europese Monetaire Overeenkomst, waaronder alle EG-landen, marges van
3
/4 %
aangehouden.
-4) Resolutie van de Raad van 21 maart 1972, artikel III, 1, c.

ESB 17-1-1973

45

kapitaalliberalisatie en margevernauwing in de EG 5).

Deze relatie is negatief en wederzijds. Dat wil zeggen
dat het bereiken van grote vooruitgang inzake marge-

vernauwing in het huidige stadium van de EG een

achteruitgang betekent van de mogelijkheden om tegelijk

het kapitaalverkeer vrijer te maken resp. zelfs een ver-

groting van de kans op kapitaalrestricties. Tevens bete-

kent dit dat vooruitgang inzake kapitaalliberalisatie in

dit stadium zou leiden tot bemoeilijking van margever-

nauwing resp. zelfs kans op margeverwijding.

In de huidige eerste fase van de monetaire integratie

zijn beide elementen als het ware concurrenten. Gezien

de bestaande onevenwichtigheden binnen de EG is het

zo moeilijk om feitelijke vooruitgang te boeken op één
van beide gebieden, dat het geven van de prioriteit aan
het ene ten koste gaat van het andere.

Nu is het een feit dat de Raad en de Commissie van

de EG besloten hebben om – voorlopig – de marge-

vernauwing zoveel mogelijk te bevorderen. Dit betekent

in de praktijk dat ceteris paribus de interventies van

de monetaire autoriteiten van de EG op de valutamark-
ten en de daaruit voortvloeiende reservemutaties zullen

toenemen. De mogelijkheid en bereidheid hiertoe zijn

echter beperkt.

Daar het kapitaalverkeer – zowel intern als extern –

een grote, dikwijls verstorende, invloed blijkt te hebben

op de valutamarkten, kan toeneming van de kapitaal-

liberalisatie de koersverhoudingen tussen de EG-valuta’s

(verder) onder druk zetten. Dit zou eveneens leiden tot
vergroting van de officiële valuta-interventies en aldus
de margevernauwing in gevaar brengen.

Uitgaande van dit negatieve effect op de kapitaal-

liberalisatie kan men zich afvragen of dit in gelijke mate

moet geldeh voor het interne en externe verkeer. Om

de volgende twee redenen ligt een dergelijke ontwikke-

ling inderdaad voor de hand.

Ten eerste is een onderscheid fussen intern en extern

kapitaalverkeer in dit stadium praktisch niet mogelijk,

zoals nog nader zal worden uiteengezet.

• Ten tweede blijken
beide categorieën kapitaalverkeer

– in tegenstelling tot wat veelal wordt gedacht – in de

praktijk een belangrijke rol te spelen, zeker indien men

het verkeer met het Verenigd Koninkrijk reeds tot het

interne verkeer rekent. Wat betreft Nederland bijv. was

van de omvangrijke kapitaalinvoer die in 1971 door de

niet-monetaire sectoren plaatsvond, meer dan de helft

afkomstig van de overige EG-landen en het Verenigd

Koninkrijk 6). Bij verdere liberalisatie zal de onderlinge

margevernauwing dan ook waarschijnlijk door zowel

extern als intern verkeer bemoeilijkt worden. Zelfs een

eventuele grotere vrijheid van alleen het interne kapitaal-

verkeer kan dus nog aanzienlijke verstoringen geven

voor de onderlinge koersverhoudingen.

ontwerp-derde-richtlijn ex art. 67, ingediend in 1964 en

gewijzigd in 1967, welke nog steeds ter tafel ligt. Het

kapitaalbeleid inzake derde landen wordt geregeld in

art. 70. Er is nog nooit een maatregel tot stand gekomen

of voorgesteld op grond van art. 70. Dit is begrijpelijk

daar hieraan in de praktijk geen behoefte bestond.

Men kan zich afvragen waarom het kapitaalbeleid

non-discriminatoir is ten aanzien van derde landen, ter-

wijl de EG op andere terreinen (industriële en landbouw-

produkten) een duidelijk onderscheid maakt tussen in-

tern en extern verkeer.
De eerste verklarende factor hiervoor is dat de tot nu

vastgelegde liberalisatieverplichtingen weinig praktische

betekenis hebben. De eerste en tweede richtlijn ex art. 67

waren vooral van belang als consolidatie en codificatie

van een in feite reeds grotendeels bereikte situatie 7).

Voor de ontwerp-derde-richtlijn geldt dit in mindere

mate; aanneming daarvan zou in enige lidstaten een

duidelijke vergroting van de feitelijke liberalisatiegraad

betekenen. Het ligt voor de hand dat, naar mate meer
en ingrijpender liberalisatieverplichtingen inzake het

interne kapitaalverkeer tot stand zouden komen, de lid-

staten steeds minder bereid zullen zijn deze ook vrij-

willig jegens derde landen toe te passen.

Als tweede verklarende factor kan worden gewezen

op het volgende. Ook al zouden de lidstaten een onder-

scheid
willen
maken tussen partnerlanden en derde lan-

den, dan zal dit op (te) grote praktische complicaties

blijken te stuiten 8). Kapitaal is nu eenmaal niet tastbaar

en herkenbaar zoals goederen. Wellicht is het technisch-

administratief nog wel mogelijk om onderscheid te ma-

ken tussen kap itaalimport afkomstig uit andere lid-

staten en kapitaalimport (direct) afkomstig uit derde

landen. Indien echter een kapitaalimport, bestemd voor

lidstaat A en afkomstig uit een derde land, eerst wordt

geleid naar lidstaat B en vandaar naar A, is de herkomst

niet meer te controleren. Men kan aan kapitaal nu een-
maal geen certificaat van oorsprong bevestigen.

Dit betekent in de praktijk dat men – in tegenstelling

tot het goederenverkeer uit derde landen in een vrij-

handelszone – niet een onderling Vrij kapitaalverkeer

kan toestaan en toch elkelidstaat een verschillend natio-

naal beleid laat voeren inzake het kapitaalverkeer met

derde landen.

Bij het kapitaalverkeer is derhalve een discriminatie

tussen de interne en externe liberalisatiegraad slechts te

realiseren met een
gemeenschappelijk beleid
inzake derde

landen. De kansen op een dergelijk beleid zijn echter
gering; het is onwaarschijnlijk dat alle lidstaten in de

nabije toekomst overeenstemming bereiken over ver-

plichtingen inzake uniforme beperkingen resp. vrijheden

jegens derde landen. De verklaring hiervoor ligt ener-

zijds in de duidelijke feitelijke verschillen tussen de lid-

staten met betrekking tot de situatie op de kapitaalmarkt,

Intern versus extern kapitaalverkeer

Tot nu toe hebben de EG-lidstaten bij hun beleid

inzake het kapitaalverkeer geen onderscheid gemaakt

tussen partnerlanden en derde landen. Een dergelijk non-

discriminatoir beleid wordt gevoerd op vrijwillige basis;

volgens het EG-Verdrag is dit nI. niet verplicht.

De op dit moment geldende liberalisatieverplichtingen

zijn vervat in de eerste en tweede richtlijn voor de uitvoe-

ring van art. 67. Dit artikel heeft louter betrekking op
het intra-EG kapitaalverkeer. Hetzelfde geldt voor de

Hierover bestaan ook afwijkende opvattingen. Men zie
bi, het interview met J. H. Fransen van de Putte in
Onder-
neming
van 15 september 1972, blz. 4:
,,Tussen de margevernauwing binnen de EEG… en de res-
tricties op het gebied van het kapitaalverkeer bestaat geen
rechtstreeks verband”.
A. Szsz, preadviezen voor de Vereniging voor de Staat-huishoudkunde inzake de Europese Monetaire Unie, ‘-Gra-
venhage, 1972, blz. 71.
Zie ook: H. 0. C. R. Ruding,
Naar één geïn(egreerde
Europese Kap
j
taal,narkt?,
Leiden, 1969, blz. 202-203.
In dezelfde zin A. Szsz, op. cit., blz. 71.

46

de betalingsbalans, de industriële structuur, het investe-
ringsniveau e.d. en anderzijds in de principiële verschil-

len ten aanzien van de mate van openheid welke- vôor de

EG wenselijk wordt geacht.

Een concreet en sprekend voorbeeld van dergelijke

verschillen is het restrictieve beleid dat Frankrijk jaren-

lang heeft nagestreefd inzake de directe investeringen

van Amerikaanse (dochter)ondernemingen in Frankrijk.

Dit doel kon ten dele worden bereikt door het weigeren
van bepaalde investeringen die aan de Franse autoritei-

ten onwelgevallig waren. Frankrijk merkte echter dat een

effectieve afgrendeling slechts zin had indien de Ame-

rikaanse ondernemingen niet meer de mogelijkheid zou-

den hebben om via dochters in andere EG-lan4en het

beoogde doel te bereiken. Derhalve heeft Frankrijk

jarenlang gepoogd om in Brussel een gemeenschappelijk,

restrictief beleid inzake directe investeringen uit’ derde

landen tot stand te brengen. Daar de meeste andere

lidstaten op dit punt echter een liberale, veelal zelfs

stimulerende politiek voorstonden, leed deze nianoeuvre

schipbreuk. –

Conclusies

In de huidige, eerste fase van de monetaire integratie

in de EG wordt het streven naar kapitaalliberalisatie

ongunstig beïnvloed door het feit dat de EG een duide-

lijke prioriteit heeft verleend aan onderlinge marge-

vernauwing. In deze eerste fase zal de vrijheid van het

kapitaalverkeer eerder geringer worden dan groter.

Er bestaat dus nu een duidelijke, negatieve relatie

tussen onderlinge margevernauwing en onderlinge kapi-

taalliberalisatie in de EG. Zolang de huidige situatie

-blijft bestaan waarin de economische situatie, het econo-

mische beleid, de betalingsbalans e.d. van de EG-landen

duidélijke verschillen vertonen; en zolang het risico be-

staat dat het kapitaalverkeer (intern én extern) versto-
ringen teweegbrengt van de onderlinge koersën ‘op de

valutamarkten, zal het niet mogelijk zijn zowel marge-

vernauwing als kapitaalliberalisatie te bevorderen: beide

zijn concurrenten. Deze gang van zaken wordt nog ver-

sterkt door de Britse toetreding.

Dit negatieve effect, op het kapitaalverkeer betreft

zowel het interne als het externe verkeer. Het is nI. prak-

tisch niet mogelijk – zo dit al gewenst zou zijn –

onderscheid te maken tussen deze twee categorieën in

die zin dat bepaalde restricties (resp. liberlisatiemaatre-

gelen) meer (resp. minder) gelden voor het externe dan
voor het interne kapitaalverkeer.

Deze ontwikkeling zal gelukkig een tijdelijke – zijn,

aangenomen dat de monetaire integratie in dë EG

goede vorderingen zal maken. In de laatstë fase wanneer

het einddoel, de monetaire unie, zal zijn bereikt, moet

de situatie echter geheel anders worden. Dan moet er

– per definitie! – zowel een volledig Vrij onderling

kapitaalverkeer als een volledige eliminering van de

onderlinge marges zijn gerealiseerd.

In deze eindfase is het niet meer noodzakelijk dat het

kapitaalverkeer met derde landen non-discriminatoir

wordt behandel4. Er zal dan een gemeenschappelijk EG- -.

beleid bestaan ook op dit gebied. De mate van vrijheid-
van het kapitaalverkeer met derde landen zal dan door

de feitelijke mogelijkheden worden bepaald. Waarschijn-

lijk zullen in deze eindfase nog wél restricties inzake

het externe kapitaalverkeer worden gehandhaafd.

H. 0. C. R. Ruding

Theorie vân de onderneming (11)

Het handelen van en in organisaties *

PROF. DR. A. BOSMAN
DRS. G. J. VAN HELDEN

DRS. J. C. REUIJL

1. Inleiding

In ons voorgaande artikel hebben we enkele procedures

voor het afbeelden van de werkelijkheid besproken. Eén
van deze procedures, nI. de idealiserende abstractie, wordt

in de algemene economie gehanteerd o.a. bij de verklaring
van marktprijzen. Een andere, de generaliserende abstractie,
wordt in de bednjfseconomie gebruikt bij de verklaring

van het ,,gedrag” van de organisaties 1). Ter voorkoming
van mogelijke misverstanden wijzen wij erop dat de doel-
einden die men in beide gevallen tracht te bereiken van elkaar

verschillen. Toch is het mogelijk een raakpunt tussen

beide benaderingen aan te geven. De gebruikelijke be-

nadering in de prijstheorie kiest namelijk het gedrag van de
individuele marktpartijen – in casu vragers en aanbieders –

als uitgangspunt voor de verklaring van de marktprijs 2).

De aanbieders zijn doorgaans evenwel ook de organisaties

die door de bedrijfseconomie worden bestudeerd-. Het

raakpunt is dan te vinden in de uitspraken die door de beide

zusterwetenschappen over het gedrag van producenten

*) Voor het ‘eerste deel van dit artikel, zie
ESB,
10januari jI.
Op de inhoud van het begrip ,,gedrag” van organisaties komen we
in paragraaf drie terug.
Een andere mogelijkheid zou- zijn gebruik te maken van de
generaliserende abstractie en niet uit te gaan van het gedrag van
individuele aanbieders en vragers, maar van het resultaat van het
gedrag van deze beide partijen.

ESB 17-1-1973

47

worden gedaan 3). In paragraaf twee behandelen wij het

gedrag van producenten waarvan de algemene. economie

uitgaat, terwijl wij in paragraaf drie hetzelfde doen voor de

bedrijfseconomie: In paragraaf vier zullen we enkele tegen-

stellingen bespreken.

2.
Economisch handelen

In navolging van Cohen en Cyert kunnen we de econo-

mische modellen t.a.v. het gedrag van producenten met

behulp van drie criteria onderverdelen 4). Deze criteria zijn

de tijd, de toestand en de mate van objectiviteit. Voor onze

discussie is het laatste criterium het belangrijkste 5).

Objectiviteit t.a.v. het handelen kan in navolging van

Hennipman worden onderscheiden in het zgn. objectieve en

subjectieve rationele economisch handelen 6). Deze twee

vormen van handelen zouden kunnen worden beschouwd als

de twee uitersten van een scala van alle mogelijke vormen van

handelen. Bij het subjectieve rationele handelen zijn de doel-
einden gegeven, er is geen sprake van een economisch motief,

maar de wijze van handelen wordt omschreven in de vorm

van het economisch principe. Bij een nadere beschouwing
van het economisch principe blijken daar geen uitspraken

over de inhoud van het handelen aan te kunnen worden

ontleend. Om dit aan te tonen, citeren wij De Jong die dit
duidelijk als volgt heeft uiteengezet 7).

,,Ook het begrip rationaliteit moet subjectief worden opgevat, ni.
als betrekking hebbende op het bereiken van een zo groot mogelijke
behoeftebevrediging overeenkomstig de subjectieve waardering
van het individu op een zeker moment, en wel daarbij in aanmerking nemende zowel zijn eigen, uiteraard onvolledige huidige schattingen
van zijn toekomstige behoeften, als ook zijn eigen inzichten en
verwachtingen omtrent de thans en in de toekomst voor hem wegge-legde mogelijkheden. De inzichten van het individu hieromtrent zijn
de data voor de economische theorie. Uit het feit dat iemand een
bepaalde behoefte bevredigt, kan men opmaken dat deze preferentie opdat moment de dringendste was. Op deze subjectieve en relatieve
wijze opgevat, is het feitelijk handelen van het individu altijd
rationeel”. De Jong vervolgt enkele zinnen verder: ,,Wij kunnen
dus inderdaad zeggen, dat het begrip (rationaliteit), op deze wijze
opgevat, iedere eigen inhoud ontbeert: het is een volmaakt ,,lege
doos” geworden, die als denk-instrument onbruikbaar is”.

Het subjectief rationeel handelen kan in elk geval niet

worden gebruikt bij de analyse van het gedrag van producen-
ten. Immers, indien elk handelen van de producent per

definitie als rationeel zou worden bestempeld, wordt

iedere ratio aan het bestuderen van het gedrag van producen-

ten ontnomen. Om die en andere redenen heeft men dan ook

in de algemene economie het subjectief rationeel handelen
niet als uitgangspunt van de analyse gebruikt, doch gekozen

voor het gebruik van het objectief rationeel handelen.
Deze benadering, een voorbeeld van idealiserende abstractie,

vooronderstelt dat de producent streeft naar winstmaximali-

satie. Aangezien t.a.v. dit maximum geen additionele voor-

waarden worden gesteld, mag men aannemen dat geen

lokaal maximum, maar het maximum maximorum wordt
bedoeld. Wil men een dergelijk maximum kunnen bereiken
dan moet aan ten minste twee voorwaarden worden voldaan:

de beslissingsnemer moet kunnen beschikken over alle

alternatieven die in het kader van de te nemen beslissing

relevant zijn;
de beslissingsnemer moet beschikken over technieken om

de gegevens, waarmee deze alternatieven worden ge-

specificeerd, zodanig te verwerken dat
het
optimum
wordt gevonden.

De vooronderstelling van het streven naar een winst-
maximum houdt in wezen in dat men uitgaat van de homo
economicus, in welk geval economisch motief en principe
twee zijden van dezelfde medaille zijn. Immers, door het

economisch motief ligt de wijze waarop het doel wordt
bereikt vast, het is nl. die wijze van handelen die dat

maximum bereikbaar maakt 8).

3. Rationeel handelen

De bed rjfseconomie wijst de vooronderstelling van winst-

maximalisatie van de hand en wel in het bijzonder omdat ze

de twee voorwaarden, waaraan moet worden voldaan om de

op deze vooronderstelling gebaseerde hypothesen actueel

te maken, aanvecht. De beslissingsnemer beschikt niet over
alle alternatieven, terwijl hij bovendien niet beschikt, ook al

zou aan de eerste voorwaarde worden voldaan, over de

technieken om het optimum te vinden. Zelfs al zou dit

laatste wel het geval zijn, dan mag worden aangenomen dat

het uitrekenen van het optimum tijd vergt. In die tijd kunnen
nieuwe alternatieven ontstaan, die dan eveneens in de be-

schouwing moeten worden opgenomen. Het is niet bewijs-

baar dat een dergelijk proces ooit naar de optimale oplossing
convergeert. Toepassing van de generaliserende abstractie
op het proces van het nemen van beslissingen betekent dat
men twee fasen altijd duidelijk moet onderscheiden. Deze
fasen zijn:

1. het definiëren van de gegevens waarover de beslissings-

nemer beschikt. Anders gesteld: de werkelijkheid waar-

mee de beslissingsnemer wordt geconfronteerd zal op één
of andere wijze moeten worden afgebeeld;

2. het specificeren van de technieken met behulp waarvan

binnen het kader van het sub 1 genoemde beeld een
beslissing kan worden genomen.

Uiteraard staan de punten 1 en 2 niet los van elkaar. Het

beeld zal mede worden bepaald door de technieken. Toch

moeten beide punten worden onderscheiden, omdat, ook

al zou men beschikken over een techniek die een optimale

oplossing garandeert, dit nog niet betekent dat men, dan
ook het maximum maximorum heeft gevonden. Daartoe
zou men tevens moeten bewijzen dat het beeld een optimale
afbeelding van de werkelijkheid is. Dat bewijs kunnen we

echter nooit leveren. Dit betekent dat aan de vooronder

stelling van het streven naar maximale winst geen eenduidige
uitspraak kan worden ontleend over de wijze van handelen.

Willen we dit laatste wel – en uiteraard is dit de essentie

van de bedrijfseconomische theorie – dan zullen we de

wijze van handelen afzonderlijk moeten definiëren. In
navolging van Simon noemen we deze vorm van handelen
het beperkt rationeel
handelen
9). Tegenover het beperkt

rationeel handelen stelt Simon het onbeperkt rationeel
handelen, dat overeenkomt met het begrip objectief
rationeel handelen.

Het gedragswetenschappelijke aspect in de bednjfs-

economie is geïncorporeerd in de specificatie van de wijze
waarop beslissingen worden genomen. De basisvooronder-
stellingen daarbij zijn dat de beslissingen in de organisatie
worden genomen door
mensen
en dat de mens niet al-

wetend is. Volgens de gedragswetenschappen, bij uitstek
de psychologie en de sociologie, lost de mens bij het nemen

van een beslissing een probleem op, terwijl de wijze waarop

dit geschiedt kan worden bepaald door een groot aantal

Overigens zal het iii de bedrijfseconomie – en met name dat
gedeelte van de bedrijfseconomie dat zich bezighoudt met de
commerciële aspecten van de bedrijfshuishouding – dikwijls nood-
zakelijk zijn uitspraken te doen over het gedrag van consumenten
(vragers). In die situatie ontstaan analoge tegenstellingen als die
welke zullen worden afgeleid voor het geval van de aanbieders.
K.
J. Cohen en R. M. Cyert,
llieory
of
the firm: Resource
allocation ina market economy,
Englewood
Cliffs, 1965.
Op
de andere twee komen we in ons volgende artikel terug.
P. Hennipman,
Economisch motief en economisch principe,
Amsterdam,
1945.
F.
J. de Jong,
Over de betekenis van het begrip rationeel handelen
in de economie,
Haarlem,
1949,
blz. 8.
Deze stelling berust uiteraard op de vooronderstelling dat het
optimum uniek is en slechts langs één ,,weg” kan worden bereikt.
H: A.
Si’rnôn,Mèdëls ôf
ma,i,
Nei Yörk,
l97.

48

factoren 10) 11). Deze probleemoplossing vindt, enerzijds
door de beperkte capaciteiten van de mens en anderzijds
vanwege het niet kunnen beschikken over alle gegevens,
plaats door het uitvoeren van zoekprocessen naar oplos-

singen. Een oplossing is gevonden indien de uitkomst vol-

doet aan een bepaald aspiratieniveau dat de beslissings-

nemer heeft gesteld. Dit aspiratieniveau kan een onderdeel
zijn van de zoekprocedure, in die zin dat de lengte en de

intensiteit van het zoekptoces mede bepaald worden door

de hoogte van het aspiratieniveau in vergelijking met het

verkregen resultaat, terwijl voorts een verlaging van het

aspiratieniveau één van de mogelijke oplossingen voor het
zoekproces is.

In het kader van deze benadering zijn twee punten van
essentieel belang voor de bedrjfseconomie.

De Organisatie is niet één mens, dit zou ook in strijd zijn

met het beklemtonen van het begrip Organisatie, maar een

samenstel van mensen en produktiemiddelen die gezamenlijk
één of meer doeleinden nastreven. Het gedrag van de Organi-

satie wordt bepaald door het totaal van de beslissingen die in

de Organisatie worden genomen. Voor het nemen van een

beslissing moet men kunnen beschikken over doelstellingen.

De bedrjfseconomie beschouwt de organisatie dan ook

niet als een entiteit die wordt bestuurd door één doelstelling,
de zgn. holistische conceptie van de Organisatie, maar door

een samenstel van onderling samenhangende doelstellingen,
die veelal hiërarchisch zijn geordend. Het aanbrengen van een

partiële ordening in de verzameling van doelstellingen is

één van de belangrijkste taken van de bedrijfseconoom. Zelfs
al
ZOU
men de holistische conceptie aanvaarden, dan nog
blijft dit ordeningsprobleem bestaan.

Het accepteren van het idee dat beslissen betekent het

oplossen van een probleem, impliceert voor de bedrijfs-

economie dat de klemtoon voor de bestudering van de

problematiek binnen organisaties komt te liggen op het

ntwikkelen van procedures waarmee beslissingen kunnen

worden genomen bij alternatieve doelstellingsstructuren.
De opzet is dan het proces dat zich in die Organisatie af-
speelt te beheersen.

4. Generaliseren versus idealiseren

We zullen in een tweetal punten onze tot nu toe gegeven uiteenzetting plaatsen tegenover die van Hartog.

A. Hartog wil de tegenstelling tussen de algemeen-

economische en bedrijfseconomische benadering herleiden

tot de methodenstrijd in de economie. Hij suggereert dat

alle verschillen berusten op het verschil tussen generaliserend

en beschrjvend. Zo worden Cyert en March ingedeeld bij de
institutionalisten en deze laatsten, aldus Hartog, stellen zich

niet in de eerste plaats ten doel de werkelijkheid generali-

serend te verklaren, maar haar te beschrijven 12) 13). Deze

classificatie van Cyert en March is naar ons idee niet terecht.
Wat beide auteurs expliciet als uitgangspunt hebben gekozen

is een toepassing van de generaliserende abstractie in het
kader van de analyse van het gedrag van bepaalde organisa-
ties. Daarnaast – en dat is veel belangrijker – zijn wij van
mening dat het methodologische verschil tussen de algemene

economie en de bedrijfseconomie niet moet worden gezocht

in de tegenstelling generaliserend en beschrijvend, maar in

de omstandigheid dat de algemene economie zich bedient
van de idealiserende abstractie, terwijl de bedrijfseconomie

de generaliserende abstractie als uitgangspunt heeft ge-
kozen.

Hartog interpreteert generaliserend in feite als idealiserend,

hetgeen naar onze mening een onaanvaardbare generalisatie
is. Deze interpretatie blijkt duidelijk uit het volgende citaat:

,,Wij zouden het misschien ook zo kunnen stellen dat de algemene
economie de onderneming en de consument ziet
alsof zij
langs margi-

nale weg hun maximum nastréven énbereiken. Als we dit niet doen,

blijven wij steken in een beschrijving van de wijze waarop zij
handelen” 14).

B. Voor onze bewering dat Hartog voor een ,,generalise-

rende” verklaring van de werkelijkheid in feite gebruik maakt

van het ideaaltype uit de idealiserende abstractie, vinden wij

voorts duidelijke ondersteuning in zijn betoog over de ondeel-

baarheid van produktiefactoren 15). Volgens Hartog behoeft

de algemene economie dit probleem minder ernstig te

nemen dan de bedrjfseconomie. De reden daarvoor is dat de

wet van de grote aantallen zou werken en dat bij ondeelbaar-

heden de ene huishouding een hoeveelheid zal kiezen die.

groter dan optimaal is en de andere huishouding een hoeveel-

heid die kleiner is dan optimaal, omdat het optimumpunt
zelf niet bereikbaar is. Op de grote massa der gevallen zullen

deze afwijkingen elkaar grotendeels opheffen. Het merk-

waardige in deze redenering is dat Hartog een benadering

in het kader van de idealiserende abstractie tracht te recht-

vaardigen door een beroep te doen op de generaliserende

abstractie, nl. de wet van de grote aantallen die zou gelden.
Hierdoor ontstaan naar ons idee tegenstrijdigheden.

Hartog stelt expliciet dat zijn huishoud ingen niet opti-

maal handelen. Deze uitspraak is voor tweeëi’lei uitleg vat-

baar. Of er bestaat in het geval van ondeelbaarheid geen
optimum voor de producent, maar dan valt de grondslag voor

de theorie weg, of dit optimum bestaat wel, maar dan
handelen de producenten niet optimaal. We geloven dat
Hartog het laatste bedoelt, maar dan mag hij het niet doen

voorkomen alsof het individuele niet-optimaal handelen zou

kunnen samengaan met een ,,integraal” optimum 16).

Het ,,integraal” optimum dat Hartog impliciet ver-
onderstelt, is, zo blijkt uit zijn betoog en het beroep op de
wet van de grote aantallen, het gemiddelde dat ontstaat

uit de afwijkingen negatief en positief van het zgn. optimum,
dat gemiddelde heet. Hij ziet echter over het hoofd dat ook

dit gemiddelde nooit een optimum kan zijn. Het zijn namelijk

niet alleen de ondernemingen links van het ,,optimum” die

een winst behalen lager dan de optimale winst, doch ook de

ondernemingen die door de ondeelbaarheid der produktie-
factoren voorbij het ,,optimum” opereren. Dit betekent dat

ook het gemiddelde nooit optimaal kan zijn. Hier wreekt
zich het duidelijkst de verwarring van de generaliserende en

10) Zie voor een samenvatting van deze factoren en hun invloed
op het functioneren van mensen in organisaties, J. L. Bouma,
Gedragswetenschappelijke aspecten van de bedrijfseconomische
problematiek, Maanbiad voor bedrijfsadministratie en organisatie,
jrg. 76, 1972, nr. 898.
II) Men zou drie fasen kunnen onderscheiden t.a.v. het oplossen
van het probleem van het nemen van beslissingen in organisaties,
te weten: 1. hoe lost de mens een probleem op; 2. hoe lossen mensen
in groepsverband een probleem op; 3. hoe lost de mens in een
organisatie zijn problemen op? De organisatieproblemen kunnen
worden beschouwd als een combinatie van 1 en 2. In de literatuur
zijn deze drie fasen min of meer afzonderlijk in studie genomen, veel-
al door beoefenaren van verschillende wetenschappen. Onder invloed
van de ontwikkeling van de rekenautomaat zien we pogingen tot
integratie ontstaan, die onder meer tot gevolg hebben dat meer en meer onderzoek wordt gedaan naar de eerste fase. Duidelijk is dit
te zien bij een onderzoeker als Simon; zie J. G. March en H. A.
Simon,
Organizations,
New York, 1958; H. A. Simon,
The sciences
of
the art?flcial,
MIT Press, 1969; A. Neweli en H. A. Simon,
Human problems solving,
Englewood Cliffs, 1972. Een samen-vatting van het onderzoek genoemd onder 2 vindt men in: G. B.
Cohen,
The task – tuned organizalion of groups,
Amsterdam, 1968.
2) F. Hartog. Theorie van de onderneming,
ESB,
22 september
1971, blz. 836-838, in het bijzonder blz. 836.
Het betreft een classifcatie van beide auteurs aan de hand van
hun bekende boek R. H. Cyert en J. G. March,
A behavioral iheory
of
thefirm,
Englewood Cliffs, 1963.
Hartog, t.a.p., blz. 837..
IS) Hartog, t.a.p., blz. 837,de paragraaf schaalverschil.
16) Naar onze mening was dit niet nodig geweest. De producent
kan ook in het geval van ondeelb
,
aarheid een optimum bereiken,
omdat er een methode bestaat, de zgn. gemengde programmering,
die in dit soort gevallen
gegeven de invoer,
.optimale uitkomsten
levert.

ESB
17-1-1973

49

de idealiserende abstractie. Hartog had beter een gemiddeld
bedrijf als ideaaltype kunnen nemen. Het beroep op de wet
van de grote aantallen levert grote problemen op.
Uit zijn betoog blijkt nI. dat hij aanneemt dat evenveel’

bedrijven bij benadering onder het zgn. optimum ,,zitten”

als erboven. Daaruit resulteert dat het hier gaat om een,

tweetoppige verdeling, die niet de vorm v.an.de..zgn. .normale

verdeling kan hebben. De klasse van het gemiddelde moet in

dat geval ook leeg zijn; immers zéu zich daarin één waar-.

neming bevinden dan is bewezen dat het optimum kan

worden gevonden en dat de andere producenten niet
optimaal handelen, terwijl dit: wel mogelijk is. Dit laatste

is in strijd met de vooronderstelling. Het gemiddelde bedrijf
bestaat derhalve niet. Er is duidelijk sprake van een ideaal-

type.
Het aannemen van de wet van de grote aantallen houdt

ook impliciet in dat men veronderstelt dat de betrokken

producenten allen t.a.v. de omvang van de produktie-
capaciteit even groot zijn. Immers, alleen in dat geval is de

vooronderstelling gerechtvaardigd dat er bij benadering
evenveel onder als boven het optimum zullen ,,zitten”.

Deze vooronderstelling is in strijd met de werkelijkheid,
omdat de verdelingen van de grootte van de bedrijven in het

algemeen scheef naar links zijn 17). Maar zelfs al laten we
dit praktische bezwaar buiten beschouwing, dan blijft er nog

een theoretisch bezwaar. Als alle bedrijven even groot zijn,

dan betekent dit dat het probleem van de ondeelbaarheid

zich bij alle bedrijven op ongeveer hetzelfde punt t.a.v. de
keuze van de grootte van de produktiecapaciteit zal voor-

doen. Aangezien het probleem van de ondeelbaarheid op de

markt ontstaat door het optellen van de problemen van de
individuele producenten, kan de conclusie niet anders

luiden dan, dat in dit geval ook op de markt het probleem
van de ondeelbaarheid moet ontstaan en dat het derhalve
niet gerechtvaardigd is uit te gaan van continue functies.

Deze laatste zou men alleen mogen hanteren indien de

discontinuiteit slechts een fractie van het totaal beslaat.

Dat betekent vrijwel automatisch dat de individuele produ- centen met de problematiek van de ondeelbaarheid worden

geconfronteerd bij verschillende groottes van de produktie-

capaciteit.

..-5. Slotopmerkingen

We hebben, laten zien dat het begrip ,,handelen van en in

organisaties” op, twee manieren kan worden opgevat.

De algemene economie, spreekt over het objectief rationeel

handelen en moet daarbij uitgaan van de idealiserende

abstractie, terwijl de bedrijfseconomie de generaliserende

abstractie tot uitgangspunt kiest, waarbij de nadruk komt

te liggen op de beschrijving en verklaring van het menselijk

gedrag binnen de organisatie; in navolging van Simon

spreekt de . bedrijfseconomie over beperkt rationeel

handelen.
Vervolgens hebben we het methodologische verschil dat

wij constateerden tussen de bedrijfseconomie en de algemene
economie (generaliseren versus idealiseren) gesteld tegenover

de zienswijze van Hartog (beschrijven versus generaliserèn).
Dat Hartog voor de naar zijn zeggen ,,generaliserende”

werkelijkheidsverklaring van de algemene economie juist

een beroep doet op een ideaaltype, hebben we geadstrueerd

aan de hand van zijn betoog over het vraagstuk van de

ondeelbaarheid van produktiefactoren.

A.
Bosman

G. J. van Helden
J. C. Reuijl

17) Zie voor een bespreking van deze problematiek P. E. Hart,
The size and growth of firms. en 1. J. Adelman, A. stochastic
analysis of the size of distribution of ftrms,
The theorr
of
the firm.
ed. G. J. Archibald, Penguin Modern Economics Readings, 1971.

Mededelingen

Zevende leergang buitenlandse
betrekkingen

Van 23 maart 1973 tot 22 juni 1973

zal de zevende post-academiale ,,Leer-
gang Buitenlandse Betrekkingen” wor-

den gehouden, welke door het Neder-‘-
landsch Genootschap voor Internatio-
nale Zaken in samenwerking met de

NUFFIC in Den Haag wordt ge-

organiseerd. De cursus zal plaatsvinden
in het Gebouw van het Nederlandsch

Genootschap voor Internationale Zaken,

Alexanderstraat 2, Den Haag.
Deze leergang kan worden gevolgd
door personen die een doctoraal

examen aan een der Nederlandse

universiteiten of hogescholen hebben
afgelegd, dan wel een daarmee gelijk

te stellen opleiding of ervaring hebben.
Eveneens kan, zij het in beperkte mate,
worden deelgenomen door Nederlands-

talige academici uit Suriname, de

Nederlandse Antillen, België en

Indonesië.

De cursus beoogt, op wetenschappe-
lijke wijze een inzicht te verschaffen in

de factoren die van invloed zijn op de
structuur van de internationale ver

houdingen. Het programma bestaat in grote lijnen

uit de volgende onderdelen:

• het buitenlandse beleid (w.o. het
Nederlandse ontwikkelingsbeleid);

• interactie Nederlandse binnenlandse
en buitenlandse politiek;
• Nederland en Atlantische samen-

werking;
• Nederland en Europese samen-

• werking;

.

• contemporaine eshiedenis;
• vredes- en veiligheidsproblematiek.

Inschrijvingen: afdeling Internatio-

naal Onderwijs van de NUFFIC,
Molenstraat 27, Den Haag. Inlichtingen
worden verstrekt door het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken,

tel.: (070) 18 03 86 en de NUFFIC, tel.:

(070) 63 05 50 tst.
148.

Nima seminar industrieel marketing

management

Het Nederlands Instituut voor Marke-
ting (NIMA) en de sectie Bedrjfskunde

van de TH Twente organiseren het se-

minar ,,Industrieel marketing manage-
ment”. Dit seminar, dat van 19 t/m

23 februari a.s. in Hotel Bad Boekelo
zal worden gehouden en dat onder
leiding staat van Dr. A. P. van Gent,
is bestemd voor functionarissen uit het

bedrijfsleven, die in de praktijk van het

management of de research van de
marketing van industriële produkten

een verantwoordelijke functie hebben
en over enige jaren ervaring beschikken.

Het maximum aantal deelnemers is

gesteld op 30.

Het seminar wil voorzien in het opvul-

len van de volgende lacunes in kennis

en inzicht:

• het is weinig bekend dat in bepaalde
wetenschappen technieken en metho-

den zijn ontwikkeld welke de indu-
striële marketingman ten dienste

staan;

• er is onvoldoende inzicht in marketing

research als basis voor de industriële
marketing management;

• er wordt te weinig gebruik gemaakt

van didactisch toegespitste praktijk-

gevallen.

Inlichtingen en aanmeldingen: NIVE,

afdeling Vorming en Training, Park-
straat 18, Den Haag, tel.: (070)61 49 91,

tst. 80.

50

Wereidhandels stro men

In de laatste twintig jaar heeft de internationale

goederenhandel zich in een snel tempo ontwikkeld.
Bedroegen de totale exporten (fo.b.) in 1953 nog onge-

veer $ 60 mrd., in 1971 waren ze reeds opgelopen tot

ruim $ 320 mrd.; een stijging van
533%.
Deze stijging
gaat ver uit boven de stijging van de waarde van de

wereldproduktie, die in de periode 1953-1971 ca. 2407o
bedroeg.

Indien men verbijzondert naar goederengroepen, geldt

dit ook voor de afzonderlijke goederen groep en de handel

in industriële produkten, grondstoffrn en landbouw-

produkten is veel sterker toegenomen dan de industriële
produktie, de mijnbouw- en landbouwproduktie.

Van groot belang is uit de aard der zaak de ontwikkeling

van de internationale handel van afzonderlijke landen en

landengroepen. Ook hier doet zich een tendens voor, die

in de periode 1953-1971 steeds meer in kracht toenam;
Enkele voorbeelden:

de geïndustrialiseerde landen drijven voornamelijk

handel met elkaar; het relatieve aandeel van de handel

tussen deze landen in de gehele wereldhandel blijft zelfs
nog stijgen;

de handel tussen de ontwikkelingslanden onderling is van aanmerkelijk minder belanÉ dan de handel tussen

de ontwikkelingslanden en de geïndustrialiseerde ge-

bieden; in 1971 voerden de ontwikkelingslanden 72
0
1
0

van hun exportpakket, dat hoofdzakelijk uit grond-
stoffen en voedingsmiddelen bestaat, uit naar de
geïndustrialiseerde landen;

de handel van de communistische landen is zowel
absoluut als relatief gezien nog steeds vrij klein; een.

belangrijk gedeelte van hun handel blijft bovendien
beperkt tot de handel binnen de Comecon, nI. 63% van
hun totale handel in 1971.

Dat de geïndustrialiseerde landen hun handel sterker

hebben kunnen uitbreiden dan de ontwikkelingslanden,

kan voor een groot gedeelte worden toegeschreven aan

het feit, dat industriële produkten een steeds grotere rol
zijn gaan spelen in het wereldhandelspakket. Hoewel de

geïndustrialiseerde landen steeds meer primaire goederen

zijn gaan uitvoeren – men denke hierbij aan synthetische
produkten – is het aandeel van de primaire goederen

in de totale wereldhandel voortdurend, en de laat sle jaren
zelfs in een versneld tempo afgenomen, o.a. als gevolg

van lage prijselasticiteiten van de vraag naar die goederen
(op korte termijn) en van lage inkomenselasticiteiten van de vraag naar die goederen (op langere termijn).
Enkele cijfers: in 1963 vormde het aandeel van primaire

goederen in de totale wereldhandel (exporten, f.o.b.)

nog 43%, maar in 1970 was dit percentage al teruggelopen
tot 34%.

Hierbij dient te worden gezegd, dat dit verschijnsel

zich niet uitsluitend in de geïndustrialiseerde landen
voordeed, maar ook in de communistische en de

ontwikkelingslanden. Niettemin is het opvallend, dat de

communistische landen, ondanks hun fervente streven

naar een snelle industrialisatie, nog steeds een grotere
waarde aan primaire goederen dan aan industriële

produkten naar de geïndustrialiseerde landen uitvoeren.

Het vrij grove onderscheid tussen geïndustrialiseerde,
communistische en ontwikkelingslanden kan nog

worden verfijnd. Het blijkt dan, dat West-Europa het

grootste handel/blok van de wereld vormt: het verzorgt

de cijfers zijn van 1970 – 44,3% van de totale wereld-

uit voer. Deze handel is overigens niet wereldwijd, aan-

gezien bijna 70% van de totale Westeurope.e uitvoèr in
West-Europa blijft. Andere exporteurs zijn: Oost-
Europa (9,6
0
10 van de werelduit voer), Noord-Amerika
(19,1%), Japan (6,2
0
1
o
)en de ontwikkelingslanden (17,4
0
1
o
).
Ook kunnen nig de exporten van de gehele wereld (die

dus 100% bedragen) worden uitgesplitst naar West-
Europa (46,3%), Oost-Europa (9,1
0
1
o
), Noord-Amerika
(16,7
0
1
0
), Japan
(4,9%),
Australië, Nieuw-Zeeland en
Zuid-Afrika (2,8
0
1
o
); de ontwikkelingslanden (18,6
0
1
o
)
en de overige landen (1,6
0
1
o
).
West-Europa is dus het belangrijkste handelsgebied: eenderde van de totale wereldhandel vindt in dit gebied

plaats. Daarom zal van West-Europa nog een verdere
onderverdeling worden gegeven.

Wordt de totale Westeuropese uitvoer in 1970 op
100
0
1
0
gesteld, dan zijn de aandelen van de onderscheiden

landen (-groepen) als volgt. Benelux: 16,7%, West-

Duitsland: 24,42%, Frankrijk: 12,81% en Italië: 9,42
0
1o.
Het totaal van de EG bedraagt derhalve 63,35%. Het

aandeel van de EFTA is 3 1,84%, dat van de rest (Grieken-

land, Ierland, Spanje, Turkije en Zuidslavië) 4,81%.
Zou de ,,vergrote” EG reeds in 1970 hebben bestaan, dan

zouden de exporten van dit blok 8 1,28% van de totale
Westeuropese uitvoer hebben bedragen.

Uit de voorgaande gegevens komt duidelijk naar voren,
dat de EG momenteel de belangrijkste groep vormt in de
internationale goederenhandel. Daarom is het wellüht

interessant om tot slot nog na te gaan, voor welke

goederen de EG een uitvoeroverschot heeft, voor welke
een invoeroverschot en welke de belangrijkste handels-

partners zijn. De EG heeft een uitvoeroverschot voor:
1.. chemische produkten, 2. machines, 3. voertuigen,

kleding en textiel en 5. overige industriële produkten.
Daarentegen bestaat er een invoeroverschot voor

6. voedingsmiddelen, 7. grondstoffen, 8. brandstoffen en
9. metalen.

Wat de bestemming en ooisprong van de EG-handel

betreft het volgende. Van de uitvoer blijft 48,9% in de
EG (intrahandel), gaat 17,5% naar de EFTA-landen,

8,3% naar de Verenigde Stalen en Canada, 3,9% naar
de communistische landen, 12,9
0
1
0
naar de ontwikkelings-
landen en 8,5% naar de overige landen. Van de invoer
is 48,7
0
1
0
intrahandel, komt 12,7
0
1
5
uit de EFTA -landen,
11,6
0
1
0
uit Noord-Amerika, 3,4% uit Oost-Europa, 18,1%
uit de ontwikkelingslanden en 5,5% uit de overige landen.
Er kan worden geconcludeerd
;
dat een steeds groter
deel van de wereldhandel zich binnen een klein aantal

landen afspeelt. Met name de EG blijkt een sterke

positie in te nemen. De consequentie hiervan is, dat de
voordelen, die voort vloein uit internationale handel,

in toenemende mate aan een kleine groep landen toe-
vallen.

W. Maarse N
z
n*

1) De cijfers uit dit artikel zijn ontleend aan diverse jaargangen
van
International Trade.
een uitgave van het
GATT.
* De auteur is wetenschappelijk medewerker aan de econo-
mische faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam.

ESB 17-1-1973

51

Bedrijfseconomie

Inleiding
(1)

PROF. DR. A. BOSMAN

,,Bedrijfseconomie” is een rubriek,
die in principe eenmaal per maand
in ESB zal verschijnen. Ze wordt ver-
zorgd door de Afdeling Bedrijfseco-
nomie van de Rijksuniversiteit te
Groningen. Hieronder volgt de eerste bijdrage, een inleidende beschouwing
over de rubriek, die geschreven werd
door Prof. Dr. A. Bosman, hoog-
leraar in de bedrijfseconomie.

1. Algemeen

De redactie van dit tijdschrift heeft

de afdeling bedrijfseconomie van de

economische faculteit van de Rijks-

universiteit te Groningen verzocht in

een reeks van artikelen haar opvattin-

gen over de bedrijfseconomie weer
te geven. De afdeling heeft gaarne

gevolg gegeven aan dit verzoek.

lvons met de serie artikelen te

beginnen lijkt het ons gewenst enkele
beslissingen .t.a.v. de….wijze waarop

de reeks zal worden georganiseerd,

de volgorde van de onderwerpen en

de hoofdlijnen van de inhoud ervan

toe te lichten.

2.
De organisatie

Om te voorkomen dat de lezers
tijdens het verschijnen van de reeks het
spoor kwijt zullen raken, zal op bepaalde

momenten pas op de plaats worden
gemaakt om aan te geven wat in de
volgende vijf â tien artikelen zal

worden behandeld en om de relatie
met het reeds behandelde nogmaals

te onderstrepen. Daarbij gaat het in

die artikelen niet zo zeer om de in-
houdelijke kant als wel om de criteria

voor de keuze van de onderwerpen en
de samenvoeging daarvan in bepaal-
de groepen.

We zullen de artikelen in de reeks
steeds aangeven met een rubriek-

aanduiding d.m.v. de term bedrijfs-

economie. De titel geeft het onder

werp dat wordt behandeld weer.
De zojuist genoemde overzichts-

artikelen zullen de titel inleiding
dragen. In paragraaf drie bespreken

we de algemene opzet die we voor
deze reeks hebben gekozen. Zonder

nadere mededeling zullen we deze

opzet handhaven. We zullen trachten

bij elk artikel aanvullende literatuur
te vermelden, zodat belangstellende
lezers zich verder kunnen verdiepen

in het betrokken onderwerp. De

auteurs van de artikelen zijn in eerste

instantie verantwoordelijk voor de

inhoud. Gezien het feit dat de reeks

gedurende een relatief lange periode

zal ,,lopen” en de coördinatie tussen
de verschillende artikelen moet wor-

den gehandhaafd, zullen Prof. Dr.

J. L. Bouma en de schrijver dezes als
redactieteam optreden.

3.
De opzet

De bedrijfseconomie heeft het laat-

ste decennium onder invloed gestaan
van een aantal veranderingen die

zich voltrokken en nog voltrekken op

gebieden die direct of indirect invloed uitoefenen op haar studieobject, nI. de

organisatie. Deze veranderingen

kunnen in drie groepen worden
ingedeeld.

Andere wetenschappen, in het

bijzonder de sociale psychologie en

de sociologie, hebben het object van

studie van de bedrjfseconomie mede
in hun beschouwingen betrokken.

Eén van de belangrijkste gevolgen
daarvan is geweest dat het uitgangs-

punt van het onbeperkt rationeel
handelen, waarvan de bedrijfsecono-

mie veelal impliciet uitging, werd

aangevochten. De invloed van deze
groep veranderingen op de bedrijfs-

economie is tot nu toe klein. Boven-
dien wordt die invloed dikwijls ver-

tekend of overschaduwd doordat men

van andere technieken of hulp-
middelen gebruik maakt voor het op-

lossen, zie de punten twee en drie.
Veranderingen in de omgeving

van de organisatie. In dit verband

kunnen als enkele van de belang-
rijkste van deze groep worden ge-

noemd: de grote groei van de koop-

krachtige vraag na de tweede wereld-

oorlog, waardoor in het bijzonder het

anticiperen op het gebeuren op de

markt in de bedrjfseconomie een

veel grotere rol is gaan spelen; maat-

schappelijke en sociale veranderin-

gen, waardoor in vele gevallen het

pakket van doeleinden dat een orga-

nisatie nastreeft is gaan veranderen;
technische veranderingen in ons ge-
val van bijzonder belang de ontwik-

keling van de computer, die als hulp-

middel voor de bedrijfsvoering in de
Organisatie een steeds grotere rol
gaat spelen.

3. Veranderingen in die weten-

schappen die van oudsher hulp-

middelen aandroegen voor het oplos-

sen van problemen, in het bijzonder

de wiskunde en de statistiek. Men

denke hierbij aan de opkomst van de
moderne wiskunde en haar invloed

op de ontwikkeling van bepaalde

technieken, bijv. die van de netwerk-

p!anning. Naast beide .genoemde
wetenschappen zijn andere ontstaan

die nieuwe technieken aanbieden,

zoals het operationele onderzoek, de

cybernetica en de systeemtheorie.

Het ligt voor de hand, aan te nemen

dat deze veelheid van veranderingen

op een bepaalde wijze invloed heeft
uitgeoefend op de bedrjfseconomie.
De grootste invloed hebben onge-

twijfeld gehad de veranderingen ge-

noemd onder punt drie. Nieuwe tech-
nieken worden in de bedrijfseconomie
meer en meer gebruikt voor het op-
lossen van problemen. In dit verband

kan men denken aan de technieken

van de lineaire programmering, net-

werkplanning en voorraadregulering,
die men in vrijwel alle moderne
bedrijfseconomische leerboeken aan-

treft. Wat veelal niet is veranderd,

is de probleemstelling. Het nieuwe

heeft betrekking op de wijze van op-
lossen van het probleem, de probleem-

stelling is niet of vrijwel niet ver-
anderd. Dit brengt met zich mee dat

de veranderingen genoemd onder de
punten één en twee een veel minder
grote invloed hebben gehad. Wij zijn

52

van mening dat dit onjuist is. In het

bijzonder de veranderingen voort-

vloeiende uit punt één moeten mede
in de beschouwing worden betrok-

ken. Het gevaar is in dat geval echter

niet denkbeeldig, en ongetwijfeld is
dit één van de belangrijkste redenen

waarom vele bedrjfseconomen
terugschrikken van het mede in de

beschouwing betrekken van deze

veranderingen, dat de bedrijfs-

economie dan haar gezicht verliest.

Men kan dit naar onze mening voor-
komen.

Onze stelling is dat een integratie
van de invloed van veranderingen

alleen mogelijk is, en ook alleen

inhoud kan krijgen d.m.v. de metho-

dologie, d.w.z. het pakket van

methoden waarmee men weten-

schap bedrijft. Leent het bestaande
pakket zich daarvoor niet, dan zal het,

wil men een integratie van ver-
anderingen bewerkstelligen, moeten

worden aangepast. Doet men dit niet,

dan is het gevaar zeer groot dat de
geschetste veranderingen op vele
verschillende manieren, veelal afhan-

kelijk van de voorkeur van de auteur,

in het betrokken vak doordringen.
Hierdoor ontstaat voor anderen een

beeld van dit vak dat eerder de im-

pressie geeft van een chaos dan van

een ordening. Men kan zich bij het

raadplegen van recente bedrijfs-
economische literatuur dikwijls niet

aan de indruk onttrekken dat deze
chaotische toestand in de bedrijfs-
economie eerder regel dan uit-
zondering is.

Uiteraard is het niet onze bedoeling

in de volgende serie artikelen een
chaotisch beeld bij de lezer op te
roepen. We willen echter wel de ge-

volgen van een aantal veranderingen

voor de bedrijfseconomie schetsen.
Om dit te bereiken kunnen we één

van de volgende twee wegen volgen.

We kunnen beginnen met een be-

schouwing over de mogelijke invloed
van een aantal veranderingen en
daarbij aansluiten met een be-

schouwing over de methoden om te

komen tot een integratie. Een derge-

lijke benadering doet een vrij groot

beroep op de voorkennis van de lezer, terwijl het dikwijls moeilijk is de arti-

kelen min of meer onafhankelijk van
elkaar te lezen. We hebben daarom

gekozen voor de tweede weg 1).
Hierbij zullen we de mening van de
afdeling bedrjfseconomie te Gronin-

gen over de bedrijfseconomie weer

geven. We zullen daarbij op bepaalde

punten aandacht besteden aan de in-
vloed van veranderingen op deze op-
vatting. Dit element zal echter niet de

nadruk krijgen. We zullen evenmin
voortdurend onze opvatting verge-

lijken met die van anderen. We willen
de lezer een beeld geven hoe wij de

bedrijfseconomie zien: Acht de lezer

Organisatiestuctuur
manage m ent
int.rrnatiesysteem

dit niet voldoende dan moet hij

andere beelden van andere plaatsen
betrekken.

We gaan er bij onze uiteenzettingen

vanuit dat het studieobject van de be-
drjfseconomie het proces van beslis-

sen in organisaties is. Om dit proces

te kunnen verklaren zullen we aan-

dacht besteden aan drie hoofd-

onderwerpen; de samenhang ertus-
sen en de relaties met andere onder-

werpen zijn weergegeven in figuur

één.

De drie hoofdonderwerpen zijn:
de doelstellingen, de wijze waarop

ze worden gevormd en de wijze

waarop ze worden beïnvloed door
stimuli;

de inhoud van beslissingsproce-
dures, en in relatie daarmee de

wijze waarop gegevens worden
verzameld, opgeslagen en ver-
werkt;

de wijze waarop in een Organisatie
de elementen van het beslissings-
proces, zoals

weergegeven

in
figuur één, met elkaar en de om-

geving van de Organisatie zijn ver-
bonden.

Centraal in onze benadering van de

bedrjfseconomie staat het begrip
Organisatie. We zullen de reeks arti-

kelen dan ook starten met een serie
artikelen over het gedrag van organi-

saties, waarbij we vooral aandacht

besteden aan hoofdonderwerp a.

Daarna zullen de procedures worden

best iss ing

besproken, hoofdonderwerp b. Deze

procedures zijn de instrumenten
waarmee de bedrijfsleiding het proces

in de Organisatie tracht te beheersen.

Gegeven de werkverdeling binnen
onze afdeling zullen . deze beslissings-
procedures worden onderverdeeld

in drie groepen: met name die van de

functies produktie, marketing en

financiering. In welke volgorde deze

zullen worden behandeld wordt in één

van de volgende overzichtsartikelen
nog aangegeven. Naast deze drie func-
ties zal nog aandacht worden besteed

aan andere beslissingsprocedures die
niet direct tot één van de genoemde

functies kunnen worden gerekend.
De rçeks artikelen zal worden afge-
sloten met hoofdonderwerp c, waarbij

in het bijzonder aandacht zal worden

besteed aan de inhoud van en de criteria voor de opbouw van een

management informatie systeem.

Schematisch wordt de indeling.

van de artikelenreeks weergegeven
in figuur 2.

t) De lezer die belangstelling heeft voor
een uiteenzetting over de gewijzigde metho-
dologische opvatting wordt verwezen naar de drie artikelen van A. Bosman, G. J. van
Helden en J. C. Reuijl, Theorie van de
onderneming, die deze maand in
ESB
verschijnen. Zie voorts A. Bosman, Het
handelen in de economie (1), Maandblad
voor Bedriffsadnijnisgraeje en -organisatie,
jrg. 76, 1972, nr. 905.

FIGUUR 1

,,

1
doelsteUing
stimuti

1

1 beslissing:

gegevens

procedure
FISUUR 2

het gedrag van
organisaties

beutinuingsproced urnu

functie produktie
1

1
functie marketing
1

Ifunctie financiering
1

1
andere fuuctien

samenhang tussen bestissingsproceduren

ESB
17-1-1973

53

Maasschappijspiegel

Verzorgingsstaat en sociologie

DR. A. PEPER

Het afscheid van de Leidse univer-
universitaire opleiding in de sociologie
en culturele verworvenheden van deze

siteit is voor de socioloog Van Heek
gestalte

heeft

gegeven.

Zelf was

hij
samenleving” 5). Maar dit is geen eind-

aanleiding

geweest

om

zijn

laatste
opgeleid als econoom. Het is niet toe-
punt, doch een minimum. Vanuit het

college te wijden aan de verhouding
vallig dat Van Heek, die zelf zo zeer
de

laatste

jaren

opgekomen

begrip

tussen

de

verzorgingsstaat

en

de
zijn

wetenschappelijke

werk

richtte
welzijnsstaat

door Van Heek om-

sociologie 1). Van Heek behoort tot de op vraagstukken van maatschappelijke
schreven

als

,,een

samenleving
( …
),

eerste

generatie

van

sociologen;

dat
importantie (sociale stijging en daling,
die

aan

ieder

individu

optimale

eerste slaat dan met name op het feit
de doorstroming in het onderwijs

het
mogelijkheden biedt zijn gaven en per-

dat

hij

(en

anderen,

zoals

Hofstra,
bekende Talentenproject), zich in zijn
soonlijkheid

te

ontwikkelen”

6)

Hofstee, Den Hollander) een volledige
afscheidsrede

met

de

tanende

roem
is de kritiek op de verzorgingsstaat ge-
van de verzorgingsstaat (,,welfare State”)
stimuleerd. Met erkenning van de uto-
bezighoudt. Het zijn niet in de laatste
pische inslag van het aldus omschreven
plaats sociologen geweest, die uitdruk-
welzijnsbegrip, kan toch gezegd worden
king hebben gegeven aan de crisis waarin
dat het uitnodigt tot een dynamischer
4.
Het gedrag van organisaties
het westerse welvaartsbestel zich lijkt
interpretatie dan het veelal in termen
te bevinden. Daarmee is tevens gepaard
van

voorzieningen

opgevatte

begrip
Het eerste deel

van

de

artikelen-
gegaan een

zekere

malaise-stemming verzorgingsstaat.
reeks

zal

bestaan

uit

een

serie
in kringen van sociologen ,,over het nut
Van Heek wijst er verder op dat het
artikelen over het gedrag van organi-
en de zin van de sociologie” 2). Dit
nodig is een onderscheid te maken tus-
saties.

Gedrag wordt daarbij, in na-
thema is ook terug te vinden in sommige
sen de begrippen verkorgingsstaat en
volging

van

de

psychologie,

gedefi-
bijdragen in de bundel opstellen die Van
laatkapitalisme,

die

historisch gedeel-
nieerd als het resultaat van handelen
Heek door zijn (vroegere) medewerkers
telijk samenvallen. Het laatkapitalisme
in een Organisatie. Het resultaat van
en

promovendi

is

aangeboden

3).
ziet hij als een voortzetting van het hoog-
handelen

het gedrag

dat ons in
Buitenstaanders (m.n. uit andere sociale kapitalisme, dat de overheid onthouding
eerste

instantie

interesseert

-zijn
.
de……wetenschappen)
die op wat losse indruk–
voorschreef op het terrein van de eco-
beslissingen, zie figuur

1, die

in een
ken het wetenschappelijke gehalte van
nomische

politiek.

De

grondslagen
Organisatie worden genomen. De in-
de sociologie in twijfel trekken, zouden
van de laatkapitalistische verzorgings-
houd van de

beslissingen wordt be-
er goed aan doen

willen zij zich althans
staat

zijn

voornamelijk

gelegd

door
paald

door

de

beslissingsprocedures,
op niveau in de discussie mengen

twee economen, Keynes en Beveridge,
zie figuur 1. De verzameling van be-
kennis te nemen van deze bijdragen 4).
beiden

progressieve

liberalen.

Zij
slissingsprocedures

specificeert

de
De beste discussies over de methodo-
hebben de wetenschappelijke en prak-
inhoud van het begrip handelen.

In
logie

van

de

sociale

wetenschappen
tische

instrumenten aangereikt

waar-
tegenstelling met wat in economische
vinden niet zonder reden plaats in tijden
mee de overheid krachtig kon ingrijpen
literatuur

meestal

impliciet

wordt
waarin (onderdelen van) de samenle-
in

de

sociaal-economische

ontwikke-
voorondersteld, gaan wij er expliciet
ving problematische trekken begint te
vanuit

dat

er

geen

éénduidige
vertonen. Maar dit terzijde.
relatie

bestaat

tussen

handelen

en
Van Heek vraagt zich af waarom de
gedrag.

Daarom

zullen

we

eerst
verzorgingsstaat

die

als

geen

ander

behandelen

hoe

het

gedrag

in

een
historisch

gebonden

systeem

zoveel
Organisatie wordt bepaald. Om dit te
leniging

van

materiële

noden

heeft
F. van Heek,
Verzorgingsstaat en socio-

kunnen doen zullen

we afzonderlijk
gebracht onderhevig is aan zo’n felle
logie,
Meppel,
1972.
Dit is de titel van de intreerede van A. C.
het gedrag van mensen en het gedrag
kritiek.

Het is immers niet voor be-
Zijderveld, hoogleraar te Tilburg, die in een
van

mensen

in

groepen

bespreken.
strjding vatbaar dat de sociale zeker-
wijsgerig-sociologisch

getint

verhaal

de
Immers, het samenstel van deze ge-
heden (wetgeving) zijn toegenomen, de
betekenis van de sociologié voor de samen-

dragspatronen

plus

een

zelfstandige
werkloosheid

gering

is

en

het

reële
leving onderzoekt (Meppel,
1972).
De bundel is getiteld:
Onderzocht en over-
invloed vanuit de Organisatie bepalen
inkomen

zeer

belangrijk

is gestegen.
drachi.
Rotterdam,
1972
(zie o.m. de bijdra-
het

gedrag

van

de

Organisatie

zelf.
Want ,,het onderscheidende kenmerk
gen van Wallenburg, Gadourek, Thoenes,

Eerst als we de hoofdlijnen voor de
van

de

verzorgingsstaat

is,

dat

d
e
Gevers, van Daalen).

beschrijving en de verklaring van dit
samenleving in de vorm van de staat
In dit verband kan ook nog genoemd
wordende bundel van A. W. Gouldner, H. S.
gedrag hebben besproken, zullen we
de verantwoordelijkheid op zich neemt
Becker,

D.

L.

Phillips en

I

Deutscher,
meet in details ingaan op

de wijze
dat voor haar leden een minimum aan
Sociologie als spiegelgevecht,
Amsterdam,

waarop dit gedrag vanuit de organi-
gezondheidszorg,

economische

zeker-
1972.
Gouldner en Phillips zijn sinds kort

satie kan worden beïnvloed.
heid en ,civilised living’ gewaarborgd
gewoon hoogleraar aan de Universiteit van
Amsterdam.
is en zij naar gelang van hun geestelijke
Van Heek, a.w., blz.
6.
A. Bosman
vermogens kunnen delen in de geestelijke
Van Heek, a.w., blz.
6.

54

lingen, overigens met behoud – zij het

enigszins afgezwakt – van de kapitalis-

tische eigendomsverhoudingen. Het
Nederland van 1920-1945 omschrijft

hij als een laatkapitalistische staat –

een zekere invloed van de overheid, een
begin van sociale grondrechten en voor-

zieningen – ,,maar nog geen laat-

kapitalistische verzorgingsstaat” 7).
De kritiek op de verzorgingsstaat

wordt gevoed door de doelstellingen

die hij zelf heeft geformuleerd. Wan-

neer bijv. nog steeds een schrikbarende
woningnood heerst, kan moeilijk ge-

zegd worden dat een minimum aan

,,civilised living” is gerealiseerd.

Correctie van deze misstanden hoeft

overigens, volgens Van Heek, niet in te

houden dat socialisering dient plaats

te vinden. Wel wijst hij op wat hij noemt

het dualisme van de verzorgingsstaat.
Want terwijl ,,enerzijds gestreefd wordt

ieder staatsburger een pakket goederen
en diensten te verschaffen op basis van

de door de overheid gegarandeerde

grondrechten, worden anderzijds deze
grondrechten in gevaar gebracht door

teveel de beslissing welke goederen of
diensten geproduceerd zullen worden

over te laten op het slechts op het prijs-
mechanisme reagerende particulier
bedrijfsleven.. Botsing van deze tegen-

gestelde beginselen kan niet uitblijven
en de verzorgingsstaat weet slechts zeer

gedeeltelijk en geenszins in voldoende
mate hier bestaande tegenstellingen te

overbruggen”
P8).
Eén van de oorzaken
is ook dat de. verzorgingsstaat minder

autonoom is dan doorgaans veronder-

steld wordt. ,,Hij werkt binnen het

kader van instituties, die grotendeels
zelf de problemen veroorzaken die de

verzorgingsstaat dient op te lossen” 9)
(milieu, opschroevende werking van

pressiegroepen e.d.).

Het ontbreekt de verzorgingsstaat

aan een stimulerende, het gehele maat-

schappelj ke leven overkoepelende ideo-

logie. ,,De verzorgingsstaat beschikt
wel via zijn materiële verworvenheden
over een middel dat de meeste van zijn

potentiële tegenstanders pacificeert,
maar daarom nog niet zijn medestanders

inspireert 10) ( … )”.,,De verzorgings-
staat is door de meerderheid der be-
volking wel rationeel aanvaard, maar

blijkt niet emotioneel verankerd te zijn.

De praktische betekenis van dit gemis

komt naar voren wanneer er offers
moeten worden gebracht ( … )”.,,Ten-

gevolge van zijn eenzijdige oriënteringen

gebrek aan stimulerende ideologie toont

de verzorgingsstaat ten aanzien van

vraagstukken, die niet uitsluitend werk-
gelegenheid en sociale zekerheid betref-

fen, een grote hulpeloosheid
( … )”.
,,De liberalen wantrouwen de verzor

gingsstaat, de socialisten identificeren

zich er niet mee en de neo-marxisten
haten hem”. Hij is, in de woorden van

Gouldner, een ,,ad hoc accommodation

(…)to group and individual egoism” 11).
Zou men – tegen de achtergrond van
wat Van Heek heeft betoogd – niet

kunnen zeggen dat de felle ideologische
strijd waarvan wij de laatste jaren getuige

zijn geweest, moet worden opgevat als
een poging de samenleving een enigs-
zins samenbindende ideologie (maat-

schappijvïsie) te verschaffen? Termen
als politisering, polarisatie, vermaat-

schappelijking e.d. geven aan dat er

gezocht wordt naar een nieuwe maat-

schappelijke en persoonlijke zin-
geving aan het bestaan. Dit proces van

heroriëntatie is nog volop aan de gang,

al zijn er vermoeidheidsverschijnselen

te constateren. Ook neemt echter het
ongeduld toe, ongeduld dat een vrucht-

bare bodem kan vormen voor daad-

krachtige oplossingen. In de sociologie

kan men soortgelijke tendenties waar-

nemen, in de zin dat de verschillende
,,scholen” – zonder elkaar vaak

voldoende te kennen – in staat-van

oorlog verkeren. De zgn. marxisten
verketteren de zgn. functionalisten,

en andersom. Het is daarom dat Van
Heek een klemmend pleidooi houdt

voor een pluralistische sociologie, d.w.z.
een sociologiebeoefening waar plaats

is voor verschillende optieken. De

plaats die Van Heek zelf heeft gekozen
in dit pluralistische geheel, spreekt mij

aan, nl. een vorm van onderzoek die een

zekere institutioneel-empirische gericht-

heid combineert met een gevoel voor

sociale relevantie en oog voor historische

continuïteit. Dit is uiteraard geen keuze

voor een tot niets verplichtende midden-
positie, wel een keuze voor een vorm van
wetenschapsbeoefening die zich wil

blijven voltrekken in het spanningsveld

tussen maatschappelijk handelen en

wetenschappelijke discipline (bewijs-
voering e.d.). Beide ktinnen niet altijd

het volle pond krijgen. Ontkenning
(of veronachtzaming) van dit spannings-

veld leidt echter tot een vorm van weten-
schapsbeoefening én maatschappelijke

actie die de combinatie van bewust en

gericht handelen uitsluit. De marges
in de vrijheid van handelen zijn dan

inmiddels tot onzichtbaré proporties
teruggebracht.

Bram Peper

Van Heek, a.w., blz. 7. Van Heek, a.w., blz. 12.
Van Heek, aw., blz. 13.
Van Heek, a.w., blz. 13.
II) Van Heek, aw., blz.
15.

Het artikel Bevolkingsgroei en be-

volkingsprognoses in Nederland, door

J. Buijs in
ESB
van 1 november ji. heeft
uiteraard onze aandacht getrokken.
Met de inhoud ervan kunnen wij ons

evenwel niet geheel verenigen. Wij

nemen daarom de vrijheid de volgende
punten onder de aandacht te brengen.

1. Ten onrechte is door de heer Buijs
gesteld dat de in de maart-aflevering

1971 van de
Maandstatistiek van bevol-

king en volksgezondheid
aangekondigde

publikatie in de bureaulade is verdwenen. Vrijwel gelijktijdig met de publikatie van

het door hem aangehaalde artikel van

de
Maandstatistiek is deze publikatie

verschenen onder de titel
Berekeningen
omtrent de toekomstige bevolkingsgroei

in Nederland in de periode 1970-2000.
(Staatsuitgeverj, 1971).

Ten stelligste ontkennen wij dat

door het Centraal Bureau voor de Sta-

tistiek ter monopolisering van bepaalde

taken statistische gegevens worden ach-

tergehouden, zoals door de heer Buijs
gesteld. Wij vestigen de aandacht erop

dat behalve de in zijn artikel (zonder
bronvermelding) opgenomen cijfers

van ons Bureau periodiek meer gede-
tailleerde gegevens worden gepubliceerd
over allerhande aspecten van demo-

grafische aard. De aandacht zij hierbij
gericht op het ,,Overzicht van enige
over de bevolking en de volksgezond-

heid na 1947 gepubliceerde gegevens”
(gepubliceerd in: Bevolking der gemeen-

ten van Nederland op 1 januari 1972).
Lezing van het door de heer Buijs
vermelde artikel in de maart-aflevering
van de Maandstatistiek van bevolking en volksgezondheid
bewijst reeds dat Buijs’
opmerking, als zou het CBS bij. zijn

berekeningen zijn. uitgegaan van- een
gefixeerde vruchtbaarheid, volstrekt

IJ
In gezonden

Bevolkingsprognoses

ESB 17-1-1973

55

ongegrond is. Duidelijk is hierin aan-

gegeven dat een voortgaande, daling
is verondersteld met betrekking tot het

in de gezinnen voortgebrachte gemiddeld
aantal kinderen. Voorts is ook aange-

geven dat rekening is gehouden met een
voorlopige continuering van de tendens

de wachttijd tussen huwelijk en geboorte
langer te doen zijn. Wellicht dat evenwel

de hier gepresenteerde tekst voor de heer

Buijs te summier was. Met deze tekst

werd slechts vooruitgelopen op de pre-

sentatie van de uitkomsten van nieuwe
vooruitberekeningen welke toen ter

perse waren. Bij deze uitkomsten is op

uitvoerige wijze aandacht besteed aan
de hypothesevorming.

4. Met de heer Buijs zijn we van oor-

deel dat de laatste tijd volstrekt nieuwe demografische ontwikkelingen zijn op-

getreden. Een analyse van de versnelde

geboortedaling vanaf 1970 en een be-

zinning op de consequenties daarvan
voor het toekomstige bevolkingsverloop

is opgenomen in een artikel in de sep-
tember-aflevering 1972 van de
Maand-
statistiek van bevolking en volksgezond

heid.

Drs. J. C. van den Brekel,

Hoofd Hoofdafdeling
Bevolkingsstatistieken van het

Centraal Bureau voor de Statistiek

Naschrift

De reactie van Drs. Van den Brekel
geeft me aanleiding enige opmerkingen

te maken. Ten aanzien van punt 1 kan

ik alleen mijn verontschuldigingen aan-
bieden. De stellige ontkenning, dat ter
monopolisering bepaalde statistische

gegevens worden achtergehouden, ver-

baast me. Door de aard van het Centraal

Bureau voor de Statistiek (het ver-
zamelen van basisgegevens) is een be-

paalde mate van monopolisering onver-

mijdelijk. Technische en/of budget-
taire mogelijkheden enerzijds, maar

anderzijds ook theoretische overwegin-

gen zullen tot een bepaalde keus leiden
wat gepubliceerd zal worden, welke

gegevens tot een optimaal inzicht
leiden 1).

Met een dergelijke keuze zou men

vrede kunnen hebben, zelfs als men

.kritiek heeft op de keus, door een
andere benadering van de materie. Een

dergelijke situatie kan aanleiding geven

tot een in feite ongerechtvaardigde be-
schuldiging. Mogelijk speelt dit bij mijn
wrevel een rol.

Helaas is er echter wel degelijk reden

tot verdergaande kritiek. De in punt 4

genoemde analyse van de hand van Drs:
J. C. van den Brekel is bijv. mede geba-

seerd op gedetailleerde gegevens, niet al-

leen van de leeftijd van de moeders van de
recentelijk geboren kinderen, gegevens
die niet frequent worden gepubliceerd,
maar bovendien van gegevens over het

tijdstip van het in huwelijk treden van

deze moeders. Er is dus ten minste

sprake van een achterblijven van
publikatie van gegevens, die kennelijk

wel worden opgesteld. Een achter-

blijven, dat misschien kan worden ver-

klaard door de explosief snel toege-

nomen mogelijkheden voor verwerking

van basisgegevens.
Drs. Van den Brekel geeft niet aan

waar ergens het punt van overeen-

stemming is tussen onze opvattingen en
in welke mate er identificatie is met de

standpunten ingenomen in de maart-

en september-aflevering 1972 van de
Maandstatistiek van Bevolking en

Volksgezondheid.
Mijn bezwaar ten

aanzien van de prognoses is, dat deze
door de blijkens de lange bewerkingstijd

gevoerde procedure, ook wel door be-
paalde uitgangspunten, maar tenslotte

vooral door het uiteindelijke resultaat

een totaal onjuist beeld geven van de
werkelijkheid; bovendien is dit beeld

misleidend. Het is mogelijk zonder

uitgebreide hulpmiddelen prognoses te

maken die nauwkeuriger zijn. Werkelijk

nauwkeurige prognoses zullen moeten
wachten tot de nieuwe patronen van de
specifieke vruchtbaarheid zich hebben
gevormd.

Iets over de inhoud van de analyses

van de heer Van den Brekel zou ik willen

opmerken. Een van de factoren die bij-
dragen tot de verminderde vruchtbaar-

heid is de daling daarvan bij jongere
vrouwen. Deze daling blijkt uit een toe-

nemende afstand tussen het tijdstip
van huweljkssluiting en geboorte van

het eerste kind. Er is een statistisch ver-

band tussen de leeftijd der vrouw bij het

sluiten van het huwelijk, respectievelijk
de geboorte van het eerste kind en de

uiteindelijke gezinsgrootte. Tot voor

kort kon men door de nauwe correlatie

van beide gebeurtenissen niet vast

stellen welke van beide bepalend is. De
heer Van den Brekel neemt aan, dat de

leeftijd bij het huwelijk doorslaggevend
is. Een willekeurige keus; de leeftijd van

de vrouw bij de geboorte van het eerste

kind lijkt me een minstens geljkwaardige

keus, waarbij een groter deel van de

verminderde vruchtbaarheid kan worden
verklaard. Echter in geen geval, zoals

ook uit de in de september-aflevering
gepubliceerde tabellen blijkt, de gehele
daling van de vruchtbaarheid.

Behalve dat deze uitgangsstelling

aanvechtbaar is, overschrijdt men met

een dergelijke probleemstelling de
grenzen van de demografie en gaat men

zich op sociologisch terrein begeven.

Hoewel de gepubliceerde gegevens een
concrete basis voor interessante onder-

zoekingen over de achtergrond van de daling van de vruchtbaarheid zou zijn,

lijkt me aanvullend sociologisch onder-

zoek noodzakelijk. Er wordt te weinig
geconstateerd en teveel verklaard.

Onbegrijpelijk en in ieder geval in

strijd met de demografische werkelijk-

heid van ontwikkelde landen is een

nieuwe stelling of veronderstelling van
de heer Van den Brekel in de september-

aflevering. Er zou een tendens bestaan
die leidt tot het instellen van een even-

wicht. Een periode van evenwicht, van

een zich ten naaste bij precies reproduce-

rende bevolking zou te verwachten zijn

(blz. 274) 2). De cijfers van een groot
aantal landen, waaronder de Verenigde
Staten, West-Duitsland en zeker ook

ons land duiden op een periode van een
onvolledige reproduktie; daarbij daalt de

specifieke vruchtbaarheid nog steeds.

J. Buijs

Dit is uiteraard een algemeen probleem.
Hoewel mijn kennis van de verschillende
publikaties geen definitief oordeel toelaat,
doet vergelijking met buy. de gegevens ge-
publiceerd in
Wirischaft und Statistik,
van het Statistisches Bundesamt te Wiesbaden ver-
moeden dat kwaliteit en gedetailleerdheid
van de door het CBS gepubliceerde gegevens
van Nederland bepaald geen slecht figuur
slaan. Dat neemt niet weg, dat men gemakke-
lijk een verlanglijstje van te publiceren data
kan opstellen.
Het is mij bepaald onduidelijk, op grond waarvan men tot de mening komt dat er een
natuurlijke tendens is tot stabilisering van
de
vruchtbaarheid op
een niveau dat precies
tot reproduktie leidt. Geboortebeperking op
een schaal bepalend voor de reproduktie is
een betrekkelijk nieuw verschijnsel in de
geschiedenis. Daarvoor bepaalden de be-
staansmogelijkheden de omvang van een
bevolking. Door de technische vooruitgang
is de bevolking nagenoeg voortdurend ge-
groeid (zie bijv. het artikel Demographie
van mevr. Schwidetzky-Roesing, in
Anthropo-
logie.
Fischer Bücherei. blz. 48149). Bepaalde
verbeteringen leidden tot een versnelling
van de bevolkingsgroei (invoeren van het
haam; bijv. B. H. Slicher van Bath,
Agrarische
Geschiedenis van West-Europa,
bIs. 72173).
Een bepaalde tendens tot een exacte hand-
having van de bevolkingsgrootte kan men
mogelijk constateren bij niet- of laat-feodale
agrarische gemeenschappen, waar dit ener

zijds bereikt wordt door bewuste geboorte-
beperking, anderzijds door het niet huwen
van overtallige ..kinderen”, die geen eigen
bedrijf kunnen verwerven. De snelle bevol-
kingsgroei in Europa valt ten dele samen
met de ontbinding van deze gemeenschappen.
Hier is een rationele factor i.c. het beschik-
baar aantal agrarische bedrijven, dat repro-
duktie exact verklaart. Behalve geboorte-
beperking neemt het op peil houden van de
bevolking verschillende vormen aan: bijv.
huwelijkswetgeving in veel Duitse Staten,
emigratie (Polen), levering huursoldaten
(Zwitserland) om er enige te noemen. Maar
ook hier kan men ternauwernood van be-
wuste geboortebeperking Spreken.

RECTIFICATIE
In
ESB
van 3januari schreef ik in mijn

artikel ,,Drie wonderen”, dat het

Bureau Milieuhygiëne in 1972 door de
Raad van Nederlandse Werkgevers-

verbonden werd opgericht. Dit bureau

werd echter in 1967 en niet in 1972

opgericht.

L.H.

De stichting Instituut voor Onderzoek

van Overheidsuitgaven heeft een studie

gepubliceerd, die in feite de gehele

financiële verhouding raakt tussen de

overheid en de kerken. Dit is een
be-
langrijk onderwerp. Niet omdat het hier

om grote uitgavenposten gaat, die het

evenwicht in het overheidsbudget kun-
nen beïilvloeden. In het totale uitgaven-
schema van de overheid gaat het slechts
om zeer, bescheiden geldstromen, die

zich .vandeöverheid naar de..kerken be-
wegen. Er komen echter telkens vragen

van .eer principiële aard naar voren,
die aan een herziening van de bestaande,

zonder twijfel gebrekkige, regelingen

in de weg staan.

De schrijver van deze studie, Drs. J. G. Springer, bespreekt na zijn in-

leiding de twee geldstromen, waarom

het in hoofdzaak gaat, te weten die

ex artikel 185 van de Grondwet en die
voortvloeiend uit de Wet premie kerken-

bouw van 1962. Daarna volgt het hoofd-

stuk Analyse, waarin de principiële
punten aan de orde komen: de onafhan-

kelijkheid van de kerken, de financiële
positie, de godsdienstvrijheid, de rand-

kerkelijken, de activiteiten van de
kerken zelf. Tenslotte komt dan de

vraag aan de orde, of godsdienst een

,,merit-good” is, waarvan de overheid
het gebruik door middel van een sub-
sidie behoort te bevorderen.
In deze paragrafen heeft de auteur

een reeks van problemen aan de orde

gesteld, waarvan te zijner tijd regering
en volksvertegenwoordiging een dank-

baar gebruik zullen maken, wanneer een

wettelijke regeling van de financiële ver

houding tussen kerk en overheid aan de orde komt.

Wanneer ik dan nu vanuit de kerk
enkele opmerkingen over dit waarde-

volle werkstuk mag maken, dan zou ik

de wellicht paradoxaal klinkende stel-
ling voorop willen stellen, dat de twee

zojuist genoemde geldstromen, waar-over het in hoofdzaak gaat,
geen sub-
sidies
zijn; de traktementen ex artikel

185 niet en de kerkbouwsubsidies niet.
Dit vereist echter toelichting.

Reeds in de middeleeuwen was het ge-

bruikelijk, dat voor de stichting van een
kerk een zeker grondbezit aanwezig

moest zijn, waarvan de opbrengst

diende voor het levensonderhoud van
degene, die de kerkdiensten verzorgde.

Toen de overheid dit grondbezit ge-

leidelijk aan zich trok, nam zij daar-
mede ook deze verplichting over. De
huidige rijkstraktementen moeten dus

geacht worden, het volledige jaar-

salaris van een predikant of pastoor
te. vertegenwoordigen..

De overheid is tot deze uitkering ver-
plicht. Zij heeft haar echter nooit aan-

gepast aan de waardevermindering van
het ruilmiddel en evenmin aan de uit-

breiding der bevolking.

Algemeen wil men deze verouderde

regeling door een andere vervangen.

Afkopen is echter vrijwel onuitvoerbaar
vanwege de veelheid van personen en
instellingen, aan welke de uitkeringen
worden gedaan. Vandaar dat de Com-
missie-Van Walsum de tegenwoordige

uitkering van ruim f. 3 mln, per jaar wil

vervangen door een uitkering van f. 50

mln, per jaar, waarin ook de na 1815
ontstane kerkgenootschappen zouden
delen.

Hiermede echter is het begrip
subsidie
binnengehaald, waardoor allerlei prin-

cipiële en minder principiële argumen-
ten aan de orde zijn gekimen.

De regering heeft bij de publikatie van

het rapport-Van Walsum een eigen
nota gevoegd, waarin zij de gedachte

van subsidiëring afwijst en voorstelt
de bestaande uitkering tegen 6% af te

kopen, waarvoor een bedrag van circa
f.60 mln, voor éénmaal gemoeid zou zijn.

De premies ingevolge de Wet premie

kerkenbouw liggen op een geheel ander
terrein. Zij hebben te maken met de

grote bouwnood, die tijdens oorlog en
bezetting is ontstaan en die maakte, dat

op korte termijn veel stedebouw, veel

woningbouw, veel bouw voor gezond-
heid en voor recreatie tot stand moest
worden gebracht.

Het snelle tempo, waarin dit alles

moest plaats hebben vanwege de ernstige
achterstand, leidde tot overspanning

van de bouwmarkt en tot stijging van

de bouwkosten. Ten einde de bouw te

stimuleren, voerde de overheid subsidie-
stelsels in: voor woningbouw, voor

wegenbouw, voor ziekenhuisbouw, enz.
De subsidie voor woningbouw bijv. be-

perkte zich niet tot de bouw voor
weinig draagkrachtigen. Neen, ook

allerlei groepen, die normaliter zelf in

hun huisvesting konden voorzien, wer-

den en worden gesubsidieerd, zodat
thans nog 82% van alle nieuwe wonin-
gen met subsidie wordt gebouwd.

In dit kader wordt sedert 1962 ook

de kerkenbouw gesubsidieerd, omdat
deze tot de stedebouwkundige afbouw
behoort, zonder welke een woon-

gebied niet voltooid is. Dit blijkt bijv.
uit het feit dat, terwijl alle zaken van

de kerken door de minister van Finan-

ciën worden behandeld, de premie
kerkenbouw onder de minister van

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Orde-
ning ressorteert. De einddatum van

deze wet is thans 1 maart 1975. Aan-
genomen mag worden, dat de ruimtelijke

ontwikkeling dan wat rustiger zal zijn
geworden en dat dan ook de woning-

bouwsubsidies vervangen zullen zijn

door individuele huursubsidies op
sociale indicatie. Voor de huidige ker-
kenbouwpremies zal ‘dan geen plaats
meer zijn.

In de toekomst zal de strijd dus gaan

tussen afkoop van de uitkering inge-

volge artikel 185 met een bedrag ineens

of vervanging door een jaarlijks sub-
sidie, dat belangrijk hoger komt en dus

werkelijk het karakter van een subsidie
gaat dragen.

In het laatste geval komen de grote principiële vragen aan de orde, waar-

over Drs. Springer in paragraaf 4

handelt. Ik zie de geschillen, die zich

hierover zullen voordoen, nog niet zo
spoedig opgelost. Ik noem er enkele op:

Is de financiële situatie van de kerken
zo slecht? Zo ja, hoe komt dit? In hoe-

verre is het godsdienstig leven voor

brede lagen van ons volk van betekenis?
Kunnen de kerken werkelijk niet de

nodige gelden opbrengen? Moet men de

traditionele kerken subsidiëren, terwijl

de activiteit van andere groepen veel

groter is? Zijn er voor subsidiëring van de kerken geen andere argumenten dan

dat een krachtig kerkelijk leven van
openbaar belang is?

Zo kan men doorgaan met vragen, die
des te moeilijker worden naar mate meer

principiële punten in het geding komen.

Ik voorzie dan ook in de komende tijd

nog moeilijke gedachtenwisselingen,
waarbij ‘ echter zij, die tenslotte de

beslissing zullen moeten nemen, kunnen

profiteren van deze studie, waarin de

problemen duidelijk worden gesteld en
gedocumenteerd.

Ook zonder dat men het in alles met

Drs. Springer eens is, kan men van zijn
werk veel profijt hebben.

H. G. van Beusekom

Boekc

ieuws

Drs. J. G. Springer: Subsidiëring van kerkgenootschappen.
Publikatie van de
stichting Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven, ‘s-Gravenhage, 1972,
42 blz., f.4,75.

ESB 17-1-1973

57

Daan van Heere en Han Hidalgo:

Buitenlandse arbeiders in Rotterdam.

Nummer 13 van de reeks Act-

if, Prisma-Lektuurvoorlichting, Park-

weg 20a, Voorburg, 127 blz., f. 6 +

f. 1,75
administratie- en verzendkos-

ten.

Deze publikatie van de Protestant-

se Stichting tot Bevordering van het

Bibliotheekwezen en de Lektuurvoor-

lichting in Nederland werd uitgege-

ven in opdracht van het Interuniver-

sitair Instituut Normen en Waarden

in de Samenleving te Rotterdam in

samenwerking met Kerk en Wereld

te Driebergen en Prisma-Lektuur-

voorlichting te Voorburg en is een

voortzetting op de reeks Horst-

cahi’rs van Kerk en Wereld.

De auteurs hebben in deze publi-

katie die ze hun ,,werkboek” noe-

men gebruik gemaakt van zeer re-

cent documentatiemateriaal, met als

doel iedere geïnteresseerde inzicht te

bieden in een verontrustend politiek-

soC2l
oroblem.

Bij de opzet van het werkboek had

men niet de bedoeling er een ,,weten-

schappelijk stuk” van te maken.

Meer voor ogen stond enkele grote

lijnen aan te brengen in een inge-

wikkeld maatschappelijk vraagstuk.

Schrijvers zijn nl. van mening dat.

de probleden rond9m buitenlandse

arbeiders een maatschappelijk en

daarom een
politiek
vraagstuk is.

Dus niet iets waarmee de ,,weten-

schap” zich vrijblijvend kan bezig-

houden. Tevens wordt aandacht be-

steed aan bepaalde vormen van actie.

De problemen, zoals huisvesting,

opvang en sociale begeleiding, onder-

wijs e.d., rondom buitenlandse arbei-

ders in Rotterdam staan in dit werk-

cahier centraal.

Aan het eind van het werkcahier

is een selectie opgenomen van de

literatuur, die in de tekst werd ver-

werkt, alsmede een lijst van namen

en adressen van personen en instan-

ties die werkzaam zijn op het gebied

van de problemen rondom de buiten-

landse arbeiders in Rotterdam.

Debiteurenadministratie.
NIVRA-ge-

schrift nr. 9, uitgave van de Orde

Nederlands Instituut van Register-

accountants, postbus 7984, Amster-

dam, mei 1972, 40 blz., f. 6 (voor

studenten f. 4).

Rapport van de subcommissie De-

biteurenadministratie van de Com-

missie van Advies inzake Organisatie-

vraagstukken, over de verschillende

vormen en methoden van debiteuren-

administratie ten einde de criteria

vast te stellen voor de voorkeur die

aan een bepaalde vorm of methode in

een bepaald geval zou moeten worden
gegeyen. Onder debiteurenadministra-

tie wordt in deze uitgave verstaan de

organisatie van de informatieverzor

ging met betrekking tot vorderingen.

In de eerste plaats werd een theo-

retische analyse gemaakt, gericht op

het osporen van de invloeden die

bepalend zijn voor de verschijnings-

vormen van de debiteurenadministra-

tie. In de tweede plaats werd door

middel van interviews een beeld ge-

vormd van de praktijk van de de-

biteurenadministratie in een aantal

bedrijven van verschillende aard.

The chemical industry! L’industrie

chémique, 1970/1971.
OECD, Parijs,

1972, 188 blz., $ 6,50.
Rapport over de chemische industrie

in de lidstaten van de OECD. Bevat

informaties over 1. vraag naar en
aanbod van chemische produkten,

grondstoffen, werkgelegenheid, inves-
teringen, prijsontwikkelingen; 2. de

trend in enkele chemische bedrijfstakken;
3. internationale handel; 4. ontwik-
kelingen in 1971.

0

de rijksoverheid vraagt

voor het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

t.b.v. het Directoraat-Generaal voor de Wetenschappen, Afdeling Coödinatie

wetenschapsbeleid

medewerker

Taak: meewerken aan de organisatie van interdepartementale wetenschappelijke
projecten; voorbereiden van vergaderingen, behandelen van algemene vraagstukken

m.b.t. het wetenschapsbeleid.

Vereist: universitaire opleiding, b.v.k. rechten, economie, wis- en natuurkunde of
technische wetenschappen. Redactionele ervaring.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.
Salaris, afhankelijk van leeftijd en ervaring, max. f3183,- per maand.

Schriftelijke sollicitaties onder vermelding van vacaturenummer 2-571910936 (in
linkerbovenhoèk van brief en enveloppe) zenden aan de Rijks Psychologische Dienst,

Prins Mauritslaan 1, ‘s-Gravenhage.

AOW-premie voor Rijksrekening. De salarissen zijn exclusief 7% vakantieuitkering

58

Auteur