Ga direct naar de content

Jrg. 50, editie 2503

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 11 1965

Abonneert
1f
op

ZWAMENBERG
DE ECONOI4IST

zoekt voor haar Financieel-economische afdeling con-

tact met een •.

1

bij voorkeur met ervaring in de agrarische sector, voor

het zelfstandig onderzoeken van en rapportéren oyer
ontwikkelingen in de landbôuw en landbouwpolitiek

en de invloed daarvan op het ondernemingsbeleid.

Deze functionaris zal zich vertrouwd moeten maken

met de EEG-landbouwregelingen.

lroj
ii

0

Sollicitaties te richten aan Hoofd Personeelszaken van

Zwanen berg’s Fabrieken N.V., Gasstraat 5, te Oss met

vermelding van nummer 5035.
Maandblad onder redactie
van

Prof. P. Hennipman,

Prof. A. M. de Jong,

Prof. F. J. de Jong,

Prof.
P. B.
Kreukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart,

Prof. J. Zijlstra.

*

Abonnementsprijs f. 30; voor

studenten f. 15.

*

Abonnementen worden aan-

genomen door de boekhandel
en door uitgevers

DE ERVEN F. BOI4N

TE HAARLEM

E C 0 N 0 M 1 S C H-
STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van de
Stichting Het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochveg 118, Rotterdam-6.
Telefoon redactie: (010) 25 29 39. Administratief (010)
23 80 40. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam, Ban que de Gorn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Prieeldreef 1,
Di/beek.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.

Abonnementsprijs:
franco per post, voor Nederland
f.
36,50
(studenten
f.
25) per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Losse exemplaren van dit nummer f. 1,25.
Advertenties:
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de N. V. Koninklijke Nederl. Boekdrukkerj H.A.M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam, tel. (010)
2602 60, toestel 908.

Advertentie-tarief:
f.
0,40 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f
0,80 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen le weigeren.

4;.

klik

A
°
1807

….meer dan

anderhalve eeuw

levensverzekering

NOOFORANTOOR
Herengracht
475,
Tel. (020) 22 13 22, AMSTERDAM C.
HEAD OFFICE FOR CANADA
Holland Life Building
1130 Bay Street, Tel. WA
5.4511
TORONTO.

34.2
rde

AN
REDACTIE: L. H.
Klaassen; H. W. Lambers;
J.
Montagne; J. Tinbergen; A. de Wit.
Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

AN ADVIES VOOR BELGIË:
1?.
Couin; J. E. Mertens
rs; J.
van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick.

730

E.-S.B. 11-8-1965

Versnelde economische groei en zijn éonsequenties

Allen in de westelijke wereld, die de vooroorlogstijd

nog bewust béleefd hebben, zijn hun verbazing over

het tempo, waarmee zij nu reeds een twintigtal jaren

de welvaart om zich heen zien stijgen, nog steeds niet

geheel te boven. Een dergelijke snelle welvaartstoene-

ming was hun dan ook voordien noch uit eigen aan-

schouwing, noch uit overlevering bekend. De trend van

het reëel bruto nationaal produkt per hoofd van de

bevolking vertoont voor de Westeuropese landen na de

laatste oorlog inderdaad een onmiskenbare breuk
1).

Wat ons eigen land betreft, terwijl het jaarlijks groeiper-
centage van het reëel bruto nationaal produkt per hoofd
tussen de beide oorlogen – van 1920 •tot 1938 – slechts
0,8 bedroeg, was het sinds 1948 niet minder dan 3,7. Nog
sprekender is de trendbreuk in een land als Italië, dat
sinds de oorlog een bijzonder snelle ontwikkeling door-
maakt. Hier steeg het bedoelde jaarlijks groeipercentage van
1,2 over de periode 1920-1938 tot 5,4 sinds 1948. Ofschoon
het na-oorlogse Engeland, vergeleken met de overige Euro-pese landen, gekenmerkt wordt door een relatief stagneren-
de economie, is niettemin ook hier een duidelijke groeiver-
snelling opgetreden, nl. van 0,9 pCt. tot 2,1 pCt.
De overige Westeuropese landen, waarvoor cijfers be-
schikbaar zijn, laten een overeenkomstig beeld zien. We noemen alleen nog Frankrijk, waar de corresponderende
cijfers resp. 1,5 pCt. en 4,2 pCt. zijn. Met uitzondering van
West-Duitsland vertoont de versnelde na-oorlogse econo-
mische groei tot heden in geen enkel Westeuropees land een
noemenswaardige neiging tot afzwakking; voor enkele landen is eerder het omgekeerde het geval.

De breuk, welke sinds de laatste wereldoorlog in de
welvaartsontwikkeling is opgetreden, brengt met zich

dat de tweede helft van onze eeuw – tot nu toe –

wat dit betreft een heel ander aanraien heeft dan de

eerste. Terwijl bijv. in ons land de grootvader zonder

relatieve positieverbetering zijn reëel inkomen van

1900
tot
1925
met nog niet één derde en de vader dit
van
1925
tot
1950
zelfs met niet meer dan één tiende

zag toenemen, zal, wanneer de huidige ontwikkeling

zich nog een tiental jaren voortzet, de zoon onder de-

zelfde omstandigheden zijn reëel inkomen van
1950 op
1975
ongeveer twee en een half maal zo groot zien wor-

den. Met andere woorden, wat de huidige generatie

zonder van de maatschappelijke ladder ook maar één

sport te beklimmen, aan welvaartsvermeerdering ,,in de

schoot wordt geworpen”, kon door zijn voorouders

slechts ongeveer in een Blitzcarrière worden verworven.

Ofschoon uiteraard de ontwikkeling van bruto natio-

naal produkt en personeel inkomen niet geheel samen-

vallen, lijkt me het hier gèschtste beeld als jllustrajtie

1)
De belangrijkste bron voor het aan dit artikel (en
grondslag liggend vooroorlogs cijfermateriaal is ,,Economic
Growth in the West” door A. Maddison, New York 1964.

zeker geoorloofd, in West-Duitsland, waar het gesigna-

leerde verschijnsel wel ongeveer het meest spectaculair

is, zou bij voortzetting van de – matiger – welvaarts-

toeneming der latere jaren, de zoon zijn reëel inkomen
van
1950 op 1975
ruimschoots zien verdrievoudigen,

terwijl zijn vaderen – in economicis – ongeveer het

Nederlandse lot deelden. In Zwitserland ten slotte, zou

de huidige generatie onder dezelfde omstandigheden

haar inkomen in
25
jaar bijna twee en een half maal

zo groot zien worden, terwijl de beide vorige genera-

ties zich niet een toeneming van iets meer dan één der-

de tevreden moesten stellen.

De vraag rijst inmiddels, of zich het huidige -. in

historisch perspectief gezien abnormaal hoge – groei-

tempo inderdaad zal voortzetten. Het antwoord op de-

ze vraag interesseert niet slechts de individuele burger,

maar evenzeer bedrijfsleven én overheid. Het econo-

misch groeitempo bepaalt voor de toekomst zowel de
omvang van de consumptie als tot op grote hoogte de

verschuivingen in het consumptiepatroon en het stelt on-

verbiddelijke grenzen aan het effect op lange termijn

van alle reclamecampagnes. Dat het ook voor de plan-

ning van de talloze overheidsdienstverleningen va be-

lang is te weten of de versnelde economische groei

zich zal handhaven is evenzeer vanzelfsprekend. In dit

opzicht is de positie van de overheid geheel analoog

aan die van het bedrijfsleven.

Voor de overheid is er in dit verband echter ook

nog een speciale taak weggelegd: de bestrijding van de

ongunstige neveneffecten der snelle welvaartstoene-

ming. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat we elkaar,

naarmate de welvaart groeit, en voorujl naarmate zij

sneller groeit, zowel bij de voortbrenging als bij het

verbruik van onze ,.welvaartsgoederen” het leven tame-

lijk ondraaglijk gaan maken. Het is duidelijk dat we

aan deze tendens individueel en dus bij vrije besteding

van ons inkomen, niet kunnen ontkomen.’Dit betekent

dat een verschuiving van vrije naar geleide inkomens-

besteding, een overheveling van de behoeftebevrediging

uit de particuliere naar de collectieve sfeer, zalmoeten
plaats hebben. Dit kan niet anders dan via de overheid
geschieden. Over het streven om het overheidsaandeel

in de totale bestedingen constant ‘te houden, respectie-

velijk zelfs nog te verlagen zal de geschiedenis haar

oordeel wel vellen; ik verwacht dat het vernietigend

zal zijn.

De vraag naar de bestendigheid van het na-oorlogs

economisch groeitempo komt neer op de vraag naar

zijn oorzaken. Over deze oorzaken zullen in een vol-

gend artikel enkele opmerkingen worden gemaakt.

N.E.I.

R. IWEMA.

Blz.

Versnelde economische groei en zijn consequenties,

door Drs. R. Iwema ……………………731

De goud-wisselstandaard (IV),
door Prof. Dr. Ir.

J. Goudriaan …………………………732

,,Het voorontwérp van een wet op de jaarrekening

van ondernemingen” van de Commissie Verdam

op de keper beschouwd,
door Prof Drs. R.

Burgert ……………………………..737

Blz.

Betwist beleid, door Drs. A. M. Dierick ………741

Sub-marginale en marginale landbouwbedrijven,

door Mr. J. A. Freseman Gratama ………..743

Geld- en kapitaalmarkt,
door Prof Dr. C. D.

Jongman……………………………745

E.-S.B.
11-8-1965

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

731

De göud-wisselstandaard: monetair
onbetrouwbaar, politiek onaanvaardbaar

Voorbereiding van een internationale grondstoffenvaluta is urgent ter stabilisatie

van… de goud-wisselstandaard

(IV) *

Het beste geldstelsel. . . . zal om practische redenen dienen
te bestaan in een ,,mansged gold standard” aangevuld met
elementen Uit het systeem der grondstolfenvaluta en met
enkele (andere) elementen.
Prof. Dr. G. M.Verrijn Stuart: ,,Geld en Crediet”, 1953, blz. 251

12. De collectieve grondstoffenvalorisatie is niet alleen

een remedie tegen de labiliteit van de grondstofprijzen, zij

is ook het aangewezen middel om de labiliteit van de

internationale papieren liquiditeit weg te nemen. Zij is het

aangewezen middel tot stabilisatie van de goud-wisselstan-

daard;
zij voldoet volledig aan de zeer redelijke eis van

Schweitzer, de bestuurder van het I.M.F., ,,to supplement
and not to supplant the existing system” ‘).

Zodra de liquidatie van dollar- of sterlingvorderingen

gevaar gaat opleveren voor het in stand houden van ver

bruik en produktie op het bereikte nieu blijkt dit het

eerste en het sterkste in de prijsval van de grondstoffen.

De voorraadhouding van de groothandel reageert ge-

voeliger dan elk ander element in het economisch orga-

nisme op renteverhoging en kredietrantsoenering (zie par. 10

en noot 12 in het derde artikel); elke vermindering van de

consumptieve vraag plant zich in versterkte mate voort

als vermindering van de v.raag naar grondstoffen
2).

Beide verschijnselen versterken elkaar en leiden tot prijs-

instorting. De grondstoffenvalorisatie, op dit ogenblik in-

grijpende, geeft een injectie van een zekere hoeveelheid

actieve koopkracht in het stelsel nadat (op andere plaatsen,

zegt de lezer) deze koopkracht is weggevallen. Op andere

plaatsen? Dit is hoogst onwaarschijnlijk. ,,Niets is ge-
makkelijker te dragen dan het leed van een ander” (La

Rochefoucauld in zijn Maximes). Ik gaf daarom in par. 10

van het derde artikel al enkele voorbeelden hoe de krediet-
beperking in het dollar- en sterlinggebied de onmiskenbare

tendentie heeft zich in de eerste plaats te richten op

vermindering van steun en kredietverlening aan de ont-

wikkelingslanden. Zij zullen van een eerste valorisatie,

als door mij bepleit in mijn artikelen in ,,E.-S.B.” van

25 maart en 1 april 1964, ook het eerste profiteren.

Maar het is wel juist dat de hoeveelheid geld, hiermee

gemoeid, véél kleiner zal zijn dan die welke op andere plaat-

sen aan de circulatie is onttrokken. De waarde van het jaar-

lijkse exportpakket van 12 tot 14 tropische en subtropische

produkten heb ik geraamd op rond $ 9 mrd. voor de

ontwikkelingslanden; voor de gehele wereldexport groeit

deze waarde tot nog geen $ 12 mrd. Als men daar
5
pCt.

aan onttrekt voor valorisatiedoeleinden is slechts een bedrag

van $ 600 mln. vereist enz. Dit bedrag kan ook véél kleiner

zijn dan hetgeen elders aan de circulatie is onttrokken,

* De
3
vorige artikelen verschenen achtereenvolgens in
,,E.-S.B.” van
21juli, 28 juli
en 4 augustus
ji.
Persbericht van
3
juni
1965
over de door Schweitzer in Parijs gehouden toespraak.
Dit laatste heb ik uitvoerig betoogd in mijn artikel in
,,E.-S.B.” van
21
oktober
1931,
blz.
925,
en meer systematisch
ontwikkeld in ,,Economie in zestien bladzijden”, par.
8.

omdat het de onmiddellijke uitwerking heeft, dat daarmee

de gehele produktie van de betrokken artikelen in haar

volle omvang in waarde wordt bestendigd of verhoogd.

Men kan elke labiliteit met relatief kleine middelen bestrijden

en onderdrukken, mits men deze middelen in werking stelt

op de plaats en op het tijdstip waarop deze labiliteit zich
het eerste en het sterkste openbaart.

De valorisatie in haar werkelijke betekenis is niets anders

dan een
regulatietechniek
voor de economische activiteit,

Zij berust op het klassieke beginsel van terugkoppeling

(negative feedback), dat James Watt (1788) het eerst heeft

toegepast in zijn bekende centrifugaal regulateur voor de

stoommachine. Vertraagt deze, dan geeft de regulateur

meer stoom; loopt zij te snel, dan geeft de regulateur minder

stoom. De reactie van de regulateur is dus altijd tegen-

gesteld aan de richting van de afwijking; vandaar het woord

,,negative” in de Amerikaanse terminologie. Op geheel

overeenkomstige wijze werkt de grondstoffenvalorisatie: zij

schept actief circulerend geld als de circulatie en de econo-

mische activiteit om welke reden ook vermindert; zij ont-

trekt geld aan de circulatie (door afgifte van grondstoffen)

als er meer actieve vraag is dan het fysisch beschikbare

produktievermogen kan voldoen. In het eerste deel van

zijn taak, het voorkomen van de anders onbeheersbare

deflatie, is zij volstrekt betrouwbaar; in het tweede kan

zij door uitputting van voorraad buiten werking worden
gesteld als de infiationistische krachten haar te machtig

zijn geweest.

13. Men ziet dus dat de grondstoffenvalorisatie zich niet

rechtstreeks richt op het vraagstuk, dat nu, in het centrum

van de belangstelling staat: de vraag of het volume van de

internationale liquiditeit wel voldoende is en of men niet

op een of andere manier nieuw papier kan fabriceren.

De grondstoffenvalorisatie laat de ,,oplossing” van dit

geheel onjuist gestelde vraagstuk over aan het ,,vrje spel

der krachten”.

Zijn er landen, zoals de Verenigde Staten, die klaar

blijkelijk gaarne meer kort dollarpapier in omloop willen
brengen, laten zij gerust hun gang gaan, zolang er andere

landen zijn, die dit papier vrijwillig nemen. Veranderen
laatstbedoelde landen van inzicht en willen zij zich van

hun ,,rentedragend goud” geheel of gedeeltelijk ontdoen,

men late dit rustig geschieden. Laissez faire, laissez passer.

Verkiezen sommige van deze landen een belegging in kort

papier van enig ander land (het plan Lutz), men late ook

dit op zijn beloop; alleen heeft dit andere land, zoals buy.

West-Duitsland en Zwitserland reeds hebben getoond, een

onbetwistbaar recht om dit gebruik van de eigen valuta

krachtig tegen te gaan als het dit gebruik niet wenst.

De krampachtigheid, die nu soms optreedt in deze trans-

acties, zal belangrijk verminderen als men voortdurend

goed geïnformeerd is over de liquiditeitsrekeningen en de

732

E.-S.B. 11-8-1965

stand van de laatste liquiditeitsbalans van elk daarvoor in

aanmerking komend land; vandaar mede de aanbeveling

gemaakt in het tweede artikel. Een werkelijk gevaar dreigt

eerst wanneer als gevolg van dit soort transacties de eco-

nomische activiteit wordt aangetast; dan treedt automatisch
de grondstoffenvalorisatie in werking en corrigeert hetgeen

verkeerd is gegaan: zij is, om een nu ietwat verouderde

militaire term te gebruiken, de hoofdweerstandslijn tegen

defiatie.

Figuur 1 brengt de structuur van de internationale

liquiditeit in beeld. A zoals deze is en zich ontwikkelt onder

de goud-wisselstandaard en B zoals deze vermoedelijk zal

worden, nadat deze is aangevuld tot een goud-wissel-

grondstoffenstandaard. In geval A is de aanwas van papier

vrijwel onbeperkt, maar het gevaar van instorting van het

papieren gebouw is dan ook steeds aanwezig. In geval B

is het volume papier waarschijnlijk belangrijk kleiner, maar

dit is ingekast tussen goud en grondstoffen. Wordt het

gevaarlijk klein dan groeien de grondstofvoorraden; wordt

het papier gevaarlijk groot dan kan het deze voorraden

geheel verdrijven. Toestand B valt dan terug tot A.

De President van De Nederlandsche Bank heeft er in

zijn laatste jaarverslag terecht en nadrukkelijk op gewezen,

dat er geen dwingend verband bestaat tussen de inter

nationale liquiditeit en de omvang van de wereldhandel

FIGUUR 1.
Internationale ,,liquiditeit”

(Getolica in mrd .., omstreeks 1963
.
1
1964)

L.5II.P-

A

Goud-wisselstoisdaard.

Goud-wisselstondaard aangevuld met grondstoffen

(blz. 19). Een soortgelijke opmerking t.a.v. de nationale

circulatie vindt men in ,,Geld en Crediet” van Prof. Verrjn

Stuart
3).

Triffin schrijft evenwel in zijn bekende boek ):

,,that economic growth is almost certain to be arreSted or
slowed down at some point if the way cannot be found to
ensure a parallel – although by no means proportionate –
increase in monetary liquidity”.

• Hij berekent vervolgens de leningscapaciteit van de door

hem bepleite wereidbank uit accrespercentages van de

internationale liquiditeit
5)
van 3, 4 of
5
pCt. per jaar, die

hij blijkbaar voor de ,,parallel” ontwikkeling van de inter

nationale handel als onmisbaar beschouwt. Het is nuttig

om deze onderstelling aan de werkelijkheid te toetsen (zie

tabel 4).

Uit tabel 4 blijkt dat Triffin gelijk heeft in zijn betoog,

dat een groei van de werldhandel van 3 pCt. per jaar

(zoals aangenomen in het I.M.F.-rapport van 1958) te laag

is. Het tijdvak
1953-1959
toont een gemiddeld groei-

percentage per jaar van 4,85; dat van
1959-1963
van
7,75

pCt. Men kan bij voortgezette inflatie nog hogere percen-

tages bereiken.
Maar uit deze tabel blijkt niets van een groei van ,,World

reserves corresponding to various rates of growth” (van
de wereldhandel), zoals door Triffin klakkeloos aange-

nomen in zijn boek
6),
in navolging van het I.M.F.-rapport

en het is dit uit de lucht gegrepen verband dat hij aanbiedt

als enig houvast voor de geldcreatie door zijn Wereldbank.

VooT het tijdvak 1953-1959 groeiden de nationale reserves

gemiddeld per jaar met 1,72 pCt., de wereidreserves met

2,37 pCt., de wereldhandel daarentegen met 4,85 pCt.

Voor het tijdvak 1959-1963 zijn de overeenkomstige getallen

3,46;
4,55
en 7,75 pCt. per jaar. Alleen de
verhouding
van

de gelijktijdig lopende groeipercentages vertoont een lichte
,,Geld en Crediet”, blz. 250.
R. Triffin: ,,Gold and the dollar crisis”, Yale Univer-
sity Press 1963, blz. 64.
Liquiditeit en reserves hier, evenals in figuur 1 en in
tabel 4, in de conventionele zin genomen.
L.c., blz.
49,
tabel 8.

Vergeij/king ,,were/dliquiditeit” met wereldinvoer
a)
TABEL 4.
(in mrd. $; reserves per ultimo; invoeren in jaar voorafgaand aan ultimo)

verhouding reserves tot wereldinvoer
Nationale
Nationale plus
Wereldinvoeren
in procenten
Reserves
internationale
(c if
)
Nationale reserves
Nationale plus inter-
reserves
nationale reserves

(t)

(2)

(3)

(1) : (3)

1

(2) (3)

51,43
60,46
79,9
64
76
959

……… ……

.. ….
56,98
69,56
106,3
53 65
oeneming 1953-1959
5,55
9,10
26,3
21
35

953

………………….

oprocenten van 1953
10,8
15,1
32,9
33
46
;emiddeld percentage per jaar

.

1953-1959

…………….
1,72
2,37
4,85
35
49

56,98
73,13
106,3
53
69
65,27
87,36
143,2
46
61
oeneming 1959.1963
8,29
14,23

36,9
22
38

959

………………….

is procenten van 1959
14,6
19,5
34,8
42
56

963

………………….

;emiddeld percentage per jaar

1959.1963

…………….
3,46 4,55
7,75
45
59

4,5
4,5
21,0
21
21
2,9
12,9
30,6
42
42
913

………………….
..
928

………………….
.
938

………………….
27,8
27,8
23,6
117
117

a) Bedragen van de reserves ontleend aan het t.M.F.-rapport van 1958 en aan het ,,Statement by Ministers of the Group of Ten”, London 1964; Wereld-invoeren aan I.F.S.; voor 1953 aangenomen op de gemiddelde waarde voor 1952 en 1954. Aangezien de verhoging van de I.M.F.-quota in 1959 eerst in de
tweede helft van dat jaar effectief is geworden, is het bedrag van $ 73,13 mrd. per eind 1959 voor het tijdvak 1953-1959 verlaagd met driekwart van deze
verhoging (de papiercreatie), nl. $ 3,57 mrd. om
een betere vergelijkbaarheid tussen de twee tijdvakken te verkrijgen.

E.-S.B. 11-8-1965

.

733

matê van overeenstemming. Voor het tijdvak 1953-1959 is

groeipercentage wereidreserves

2,37
=

= 0,49; voor het
groeipercentage wereldhandel

4,85

tijdvak 1959-1963 = ,
7,75 = 0,59.

Het gehele tienjarig tijdvak 1953-1963 is een periode van

ongekende voorspoed geweest, in elk geval voor de geïndus-

trialiseerde landen en in dat tijdvak is de jaarlijkse procen-

tuele groei van de wereldreserves dus slechts iets meer dan

de helft geweest van de jaarlijkse groei van de wereidhandel.
Het gevolg is geweest, dat de verhouding van wereldreserves

tot wereidhandel voortdurend is gedaald,
nI. van 76 pCt.

eind 1953, tot
65
pCt. eind 1959 en tot 61 pCt. eind 1963.

Het is onzinnig om hierin op zichzelf iets verontrustends

te zien. Het is nog onzinniger om een mechanisme te

scheppen dat meer papier in de circulatie pompt met het

uit de lucht gegrepen oogmerk deze te laten stijgen even-

redig met de wereidhandel. Integendeel, men moet
bij
een

ongestoorde ontwikkeling van de wereldhuishouding ver-

wachten, dat de verhouding van wereldreserves tot wereld

handel steeds verder zal blijven dalen en het is volstrekt niet

uitgesloten, dat men dan binnen enkele tientallen jaren de

percentages van 1928 of zelfs van 1913 bereikt, nI. 42 en 21.

De statistische structuur van dit vraagstuk is in beginsel

dezelfde als die van de berekening van de zgn. veiligheids-

voorraad in de bedrjfseconomie; deze wordt in verhouding

tot de jaaromzet steeds kleiner naarmate het aantal af-

nemers groeit en er een minder overheersende invloed is

van een zeer klein aantal zeer grote afnemers
7).
Dat is de

toestand waar de wereldhuishouding naar toe moet groeien.

Opzettelijke maatregelen zijn daartoe niet nodig dan alleen

de periodieke herziening van de geldmiddelen van het

I.M.F. èn het voorkomen van de instorting van de papier-

circulatie.

Het is goed de aandacht te vestigen op de sterk uiteen-

lopende percentages (reserves per 100 punten wereldinvoer)

voor de jaren 1913, 1928,en 1938 (de onderste drie regels

van tabel 4), ni. 21,42 en 117. Het bijzonder lage percentage

voor het jaar 1913 ging gepaard met een lichte
stijging
van

prijzen over de gehele wereld; het bevatte slechts tien delen

papier per 100 delen goud. Men had dus in dat jaar een

wereldliquiditeit die bijna Qnvatbaar was voor instorting.

In 1928 is het percentage verdubbeld in vergelijking met

1913, maar het papiergehalte is gestegen tot 31 per 100

delen goud; de positie was veel kwetsbaarder dan in 1913

en leidde dan ook tot de achtereenvolgende devaluaties

van 1930 tot 1936. In 1938 bereikt het percentage de on-

gekende hoogte van 117; het papiergehalte is nôg lager

dan in 1913, nl. 7 delen papier per 100 delen goud (zie

tabel 1 in het eerste artikel). Een ideale toestand in de

gedachtengang van Triffin èn van Jacques Rueff, maar de

wereldhandel is in geldswaarde bijna gedaald tot het peil

van 1913, de internationale kapitaalmarkt is dood, in vele

industrielanden is een vrijwel chronische werkloosheid

ontstaan.

Deze getallen leveren het bewijs dat nèch een hoog per-

centage aan internationale reserves per 100 punten wereld-

invoer, nèch een hoog percentage goud in deze reserves

waarborgen geven voor een goede functionering van de

wereldhuishouding. De doeltreffende waarborg is alleen

maar te vinden in afdoende maatregelen tegen de instorting

van het prijsniveau. Deze dreigde in 1928, was werkelijk-

7)
Zie buy, mijn artikel•. ,,Statistische bepaling van de
veiligheidstoeslag in het bestelniveau” in het ,,Tijdschrift
voor Efficiëntie en Documentatie”,
1962,
no.
8, blz. 450.

heid geworden in de jaren tussen 1928 en 1938 en niemand

• heeft de zekerheid, dat deze prijsinstorting ons nu niet

opnieuw kan overvallen.

14. Daarom is het nu de tijd voorbereidende maatregelen

te treffen om deze prijsinstorting onmiddellijk te stuiten

zodra zij mocht optreden. Men bereikt dat doel volstrekt

niet door te zoeken naar een remplaçant voor de aanwas

van de korte vorderingen tegen de dollar als deze aanwas

tot stilstand zou komen of zelfs in een vermindering mocht

omslaan. Deze aanwas is voor een groot deel eerder

schadelijk dan voordelig geweest voor de wereldhuis-

houding in haar geheel.

Er is dus geen enkele gezonde reden om de groei van de

internationale liquiditeit op andere manier en dan eventueel

nog in versterkt tempo voort te zetten. Men vervangt dan

alleen één soort papier door een ander soort papier dat

misschien minder vertrouwen verdient – en de gedachte,

dat men aan welk papier ook internationaal een gedwongen

koers kan verlenen, staat buiten elke werkelijkheid. Hier

ligt niet het werkelijke vraagstuk en dus ook niet de

mogelijkheid tot het vinden van een goede oplossing.

Het werkelijke vraagstuk is het gevaar van een ongewenst

snelle instorting an de bestaande labiele, internationale

liquiditeit en als gevolg daarvan een instorting van het

labiele prijsniveau van de agrarische produkten der ont-

wikkelingslanden. Dit gevaar kan men niet keren door een

ruimere en langere kredietverlening aan deze landen. Zij

gaan nu reeds gebukt onder een veel te zware schulden-

last; men moet dus de solvabiliteit van deze debiteurlanden

versterken door hen en bloc vaste prijzen te garanderen.

Deze weldaad voor de landbouw hebben de nijverheids-

landen van het noordelijk halfrond
v000
zich zelf reeds

jaren geleden verworven; het is niet alleen een zaak van

ethiek, maar ook van welbegrepen eigenbelang om deze

uit te breiden over de ontwikkelingslanden. ,,What is sauce

for the goose is sauce for the gander”. Versterking van de

positie van de debiteur komt tegelijk ten goede aan de

crediteur. En de internationale stabilisatie van het prijs-
peil in de landbouw is van veel verdere strekking dan de

beste maatregel op het gebied van de monetaire papier-

techniek ooit kan hebben.

Behalve haar verdiensten tot stabilisatie van de inter-

nationale liquiditeit heeft zij nog twee andere voordelen:

1. zij is de noodzakelijke voorwaarde om produktie èn

produktiviteit in de landbouw zo snel en sterk mogelijk
te’ vergroten; 2. zij is, na de instelling van vaste wissel-

koersen, de belangrijkste stap om de internationale vrij:

handel te bevorderen doordat zij een geleidelijke coördinatie

tot stand brengt tussen de nationale prijsniveaus.

Ad 1. De regelmatige ontwikkeling van de produktivi-

teit in de landbouw is eeuwenlang belemmerd en vertraagd

door de periodieke prijsinstortingen. De fantastische voor-

uitgang op dit gebied, de rationalisatie van de landbouw

in de industriële landen van het noordelijk halfrond, is

pas begonnen na en als direct resultaat van de prijsstabili-

satie. De sterke daling van het aantal personen, werk-

zaam in de landbouw, is daarvan het zichtbaar resultaat
8)

De bevolkingsexplosie, die wij nu meemaken, met name

8)
Zie bijv. de artikelen van Dr. Ir. A. W. G. Koppejan:
,,De ontwikkeling van het aantal landbouwbedrijven in
Nederland” in ,,E.-S.B.” van
14
en
21
augustus
1963.
Het
aantal landbouwbedrijven in de grootteklasse
1-5 ha is
ge-
daald van
50.000
in
1950
tot
30.000
in 1963;
voor
1980
verwacht men een verdere daling tot
15.000.
Voor de
5-10
ha klasse zijn de overeenkomstige getallen
60.000,
51.500
en
25.000.

734

.

,

E.-S.B. 11-8-1965

in de ontwikkelingslanden, kan alleen worden opgevangen

door een forse verhoging van produktie èn produktiviteit

in de lndbouw; stabiele prijzen zijn daartoe een eerste

vereiste.

De grondstoffenvalorisatie, geleid door haar eigen doel-

stelling, leidt niet en mag niet leiden tot een ,,World Food

Reserve” voor noodgevallen, zoals wel eens bepleit dooi

de V.N.
9),
Zij doet iets veel beters en van veel duurzamer

strekking door haar permanente invloed op produktie-

omvang en produktiviteit.

Vergelijk de collectieve prijsstabilisatie met de twee

andere methoden, die nu worden toegepast, nl. kredieten

en giften. Alle twee zijn onvermijdelijk maatregelen ad

hoc. Hun voortzetting al of niet is in handen van machten

buiten het bereik der ontwikkelingslanden; zij scheppen

daardoor noodwendig een gevoel van onzekerheid en af-

hankelijkheid bij de bégunstigden – onverenigbaar met
het aankweken van menselijke waardigheid. Kredieten

of giften worden ook dikwijls gekoppeld aan politieke of

economische voorwaarden, al dan niet uitdrukkelijk vooraf

geformuleerd. Zij vormen dan een aantasting van de auto-

nomie der ontwikkelingslanden. Kredieten of giften kunnen

van nature alleen aan de nationale overheid of aan be-

paalde centrale instellingen worden verleend. De invloed

van de gestabiliseerde prijzen daarentegen zet zich door

naar elke individuele producent. De stabilisatie, eenmaal

ingesteld, werkt als een natuurverschijnsel zonder aanzien

des persoons of des lands: ,,it droppeth as the gentle ram

from heaven”. –

Ad 2. Het ontbreken van betrouwbare waarborgen voor

waardevastheid in de tot duver bestaande geldstelsels heeft

een aantal landen (de Verenigde Staten, de leden van het

Britse Gemenebest, de leden van de E.E.G. enz.) genoopt

om, als eis van nationaal zelf behoud, voor een groot aantal

landbouwprodukten vaste prijzen in te stellen. Dit is een

belangrijke stap vooruit; de Westerse huishoudingen zijn

er meer crisis-bestendig door geworden. Maar het stelsel

is verre van volmaakt: de prijzen voor elk soort produkt

afzonderlijk veroorzaken een starheid die de collectieve,

pakketsgewijze stabilisatie niet kent; de prijzen tonen

weinig verband met de grillige wereldmarktprijzen; de

prijzen van hetzelfde produkt verschillen sterk van land

tot land en – wat het ergste is – in talrijke landen blijkt

men het stelsel van vaste prijzen per produkt niet te kunnen

handhaven zonder maatregelen tot beperking van de

grootte van de produktie.

In een wereld, die in toenemende mate
10)
te kampen

heeft met een voedseltekort, is vooral dit laatste aspect

bijzonder ongunstig. Van een internationale stabilisatie

van een agrarisch grondstoffenpakket mag men een ge-

leidelijke invloed ten goede verwachten. Als men daarmee
de prijzen voor elk produkt in de wereldhandel een zekere

mate van vastheid
11)
heeft gegeven en tegelijk de zekerheid

heeft geschapen, dat tegen deze prijzen een onbeperkte

hoeveelheid kan worden afgezet, wordt de neiging tot

produktiebeperking aanmerkelijk verzwakt en tegelijkertijd

de neiging versterkt om zich bij nationale prjszetting meer

F.A.O.: ,,Functions of a World Food Reserve – scope
and limitations”, Rome 1956.
In toenemende mate. Zie de grafieken op biz. 6 van
het F.A.O.-verslag, genoemd in noot 9. Dit verslag is van
1956; sedertdien is de toestand niet belangrijk beter gewor-
den. Zie F.A.O.: ,,The State of Food and Agriculture”, 1963,
Annex Table 1 (blz. 181).
Door de sterke positieve correlatie tussen de grondstof-
prijzen; inductief en deductief een zeer betrouwbaar ver-
schijnsel.

te i

ichten naar de internationale norm. Dit aanpassings-

proces behoort langzaam en geleidelijk te verlopen. Maar

ook de kleinste vooruitgang komt onmiddellijk ten goede

aan de wereldproduktie van voedsel en aan de internationale

coördinatie van de nationale prijsniveaus – de sterkst

denkbare ondersteuning van de vastheid der wisselkoersen.

Omstreeks midden april 1965 deelde een persbericht

mee, dat de Verenigde Staten voornemens waren $ 82,5

mln, van hun agrarische produkten uit de C.C.C.-voor-

raden direct of indirect te ruilen tegen
S
55
mln. uraan-

concentraat uit Zuid-Afrika en $
27,5
mln. industrie-

diamant uit Congo. Eind mei werd bekend gemaakt, d,at

de Verenigde Staten van het plan hadden afgezien. Zuid-

Afrika en Congo waren niet bereid de agrarische produkten

in betaling aan te nemen; zij hadden deze trouwens voor

eigen gebruik niet nodig. Andere geschikte gegadigden

hadden zich niet aangemeld, ook niet nadat de inschrijvings-

termijn twee keer was verlengd. Het Amerikaanse Departe-

ment van Justitie had bovendien, zij het een beetje laat,

bevonden dat deze ruil niet in overeenstemming was met
Amerikaanse beginselen van ,,full and free competition”.

De zaak is dus van de baan. Maar is dit op zich zelf karak-

teristieke incident geen bevestiging van hetgeen ik ruim

een jaar geleden in dit tijdschrift hebgeschreven: ,,The

U.S.A. might be only too glad if by monetising stocks

of commodities at least some of this $ 8 billion (of

the C.C.C. stock) might be added to its depleted gold
stock”
12)?

15. Het beginsel van collectievegrondstoffenvalorisatie

als enig betrouwbaar afweermiddel tegen de lawine van

een spontane, labiele, zich zelf versterkende deflatie heeft

in tnijn gedachten geen essentiële verandering ondergaan

sedert ik in 1931 en 1932 voor het eerst daarover geschreven

heb. Zowel toen als nu ben ik van mening, dat deze valori-

satie geen enkele wijziging brengt in de reeds toegepaste

middelen van internationale monetaire techniek, bekend

onder de naam van goud-wisselstandaard, maar daar alleen

een nieuw middel aan toevoegt. Mijn oordeel was en is,

dat alle berekeningen over de vereiste grootte van de

gevaloriseerde voorraad en over de daaraan verbonden

kosten elke redelijke grond missen, omdat de grootte van

de voorraad uitsluitend empirisch bepaald wordt door haar

doel: het garanderen van een minimumprijs voor het ge-

valoriseerde pakket; de daaraan verbonden kosten zinken

in het niet in vergelijking met de onmetelijke nadelen voor

de gehele mensheid van een algemene instorting van het

prijspeil
13).

Maar op twee punten van meer ondergeschikt belang is

mijn opinie enigszins veranderd:

(1) In mijn publikaties van meer dan dertig jaar geleden

heb ik de weg opengehouden voor een invoering van de

grondstoffenvaluta door een of enkele grote landen of

door internationale overeenkomst. Ik twijfel geen ogenblik

wanneer ik zeg dat nu, in 1965, de aangewezen manier

van valorisatie is om deze op te dragen aan een dochter-

maatschappij van het I.M.F., de I.C.C., geheel gefinancierd

en gecontroleerd door het I.M.F.
14).

De opdracht aan het I.M.F. kan dan in hoofdzaak be-

In ,,E.-S.B.” van 1 april 1964, blz. 299.
Bij goed beleid zullen uit sociaal-economisch oogpunt
bezien kosten in het geheel niet ontstaan, omdat dan de
relatief kleine gemonetiseerde voorraden een deel zullen
vormen van de normale voorraden van de groothandel in de
verschillende goederen.
,,E.-S.B.” van 1 april 1964, bi. 297.

E.-S.B. 118-1965

735

perkt blijven tot dé keus van de goederen in het pakket,

de hoeveelheidsverhouding tussen deze goederen evenredig

aan hun verhouding in de internationale handel en de

prijs per collectieve eenheid bij inkoop en verkoop. De

financiering geschiedt uit de normale geldmiddelen van het

I.M.F., vrij van interéstiasten. Deze middelen bedragen

nu
$
18 mrd. en na de verhoging tegen het eind van dit

jaar
$
22,5 mrd. Van deze zeer grote bedragen zullen voor-

lopig (zie (2) hieronder) en als men tijdig ingrijpt (zie

onder 11 van het vorige artikel) slechts enkele procehten

nodig zijn.

Het lijkt mij wenselijk deze voorraden permanent onder

het beheer van de I.C.C. te houden. Daarmee is men dans

een eindweegs gegaan in de richting van
centralisatie en

internationalisatie van de reserves in natura,
zonder dat

men afbreuk doet aan de gevestigde en zeer goed ge-

fundeerde traditie van het eigen goudbezit van de nationale

circulatiebanken.

Het I.M.F. kent nu reeds een viertal plaatsen, waar

zijn goud is opgeslagen (de centrale banken van de Ver-

enigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en

India). Op overeenkomstige manier kan men de grond-
stoffenvoorraad opslaan (dat is opgeslagen laten) in de

yemen in de belangrijkste uitvoercentra van de produktie-

landen en/of de belangrijkste invoercentra van de ver

bruikslanden. Inkoop en verkoop vindt vanzelfsprekend

plaats op de grote goederenmarkten der wereld en wel

telkens daar waar de
inkoopprijzen
het laagst of de ver-

k
o
opprjzen het hoogst zijn. Deze markten vallen volstrekt

niet altijd samen met de eerstgenoemde opslagplaatsen,

maar zij kennen vrijwel allemaal een rationeel stelsel van

vr
chtenverrekening tussen marktnotering en plaats van

l
eve
ring. De plaatsen van levering moeten voor elk artikel

in het pakket dus nader worden gedefinieerd. Men behoeft

zich daarbij niet te beperken tot één plaats voor elk artikel.

op
deze wijze verkrijgt men een volmaakte aansluiting

van de I.C.C.-operaties met de reeds uitmuntend georga-

niseerde internationale goederenhandel en vermijdt men

alle onnodige kosten.
(2) In mijn artikelen in ,,E.-S.B.” van 25 maart en 1

april 1964 ben ik voor het eerst afgeweken van hetgeen

ik tot dusver verdedigd had: één pakket omvattend een

aantal heterogene grondstoffen. Met name verwerp ik nu

de combinatie van agrarische en minerale grondstoffen in

één pakket. Niet alleèn dat de seculaire prijsontwikkeling

van deze twee groepen duidelijk verschillend is (de minerale

produkten zijn relatief in prijs gedaald t.o.v. de agrarische),
ook de cycische beweging verschilt te sterk. De prijzen van

de agrarische produkten dalen in een crisis eerder en

stèrker dan die van mineralen. Dit is verklaarbaar, omdat
de invloed’ van een conjunctuuromslag zich, alleen reeds

door de lange levertijden voor kapitaalgoederen, eerst

later in laatstgenoemde sector doet gevoelen (zie tabel
5).

TABEL 5.

Indexcjjfers voor de prijzen van agrarische produkten,

metalen en brandstoffen,
in de jaren 1928-1932

(1928

100 gesteld) a)

Jaar
A
g
rarische
Metalen
Brandstoffen
produkten

100
100 100
99
104
99
1928

………………….

83
95
93
1929

………………….
1930

…………………..
61
87
80
1931

…………………
1932

………………….
46
83

.
83

a) Berekend uit de tabel in G. F. Warren and F. A. Pearson: ,,Prices”,
New York, Londen 1933, •blz. 27. De drie rubrieken dragen de namen Farm
products; Metals and Metal products; Fuel and Lighting.

In 1932 ging het erom een volslagen ontredderde eco-

nomie weer enigszins in haar verband te krijgen. Nu gaat

het om een eventueel beginnende crisis in de kiem te onder-

drukken. En zoals ik reeds heb betoogd, onder 10 in het

vorige artikel, is het nu het waarschijnljkst dat het, eerste

gevaarlijke crisissymptoom,
als
het komt, zich zal open-

barèn in een prjsval van de landbouwprodukten, die in

hoofdzaak geleverd worden door de ontwikkelingslanden.

Dit symptoom kan met relatief kleine middelen bestreden

worden als men deze onmiddellijk en rechtstreeks richt

tegen het kwaad dat men wil onderdrukken. De wereld-

handel in deze produkten bedraagt omstreeks
$
12 mrd.

Het uit de markt nemen van een voorraad van één maand

verbruik vraagt dus rond
$
1 mrd. Voorlopig behoeft men

niet meer te vragen: het is het minimum, maar het nood-

zakelijke minimum. Het is urgent om deze maatregel nu

reeds voor te bereiden, omdat de instorting van de labiele

prjsevenwichten zich kan voltrekkén in een tijdperk van

enkele weken. Wie dit niet gelooft, raadplege de ge-

schiedenis van de grote ,,Krach” van 1929.

Prof. 0. M. Verrjn Stuart sluit zijn sympathieke be-

spreking van de grondstoffenvaluta af met een mistroostige

conclusie. Hij zegt: ,,Dat moderne denkbeelden, zoals de

grondstoffenvaluta, hun plaats in het geldstelsel zullen

weten te veroveren, is minder waarschijnlijk; er heerst op

dit gebied nog een aanmerkelijk conservatisme
15).
Hij

heeft hiermee inderdaad het enige beslissende argument

tegen de door mij bepleite aanvulling van het bestaande

geldstelsel genoemd: conservatisme. Men verwerpt het

nieuwe omdat het nieuw is.
Maar als de mensen, die de

rampjaren van 1929 tot en met 1945 hebben meegemaakt

en. nu
nog in leven zijn, dit conservatisme niet kunnen

doorbreken – welke jonge generatie zal het doen als zij

de rij van logisch op elkaar volgende catastrofen alleen

maar uit de boeken’kent?

Pretoria.

Prof. Dr. Ir. J. GOUDRIAAN.

15)
L.c. blz. 252.

voor het oproepen van sollicitanten voor leidende

functies. Het aantal reacties, dat deze annonces
ten gevolge hebben, is doorgaans uitermate be-

vredigend; begrijpelijk: omdat er bijna geen

grote instelling is, die dit blad niet regelmatig

ontvangt en waar het niet circuleert!

Jiaak gebruik van

de rubriek

VACATURES

736

E.-S.B. 11-8-1965

„Het voorontwerp van een wet op de jaarrekening van onder-

nemingen” van de Commissie Verdam op de keper beschouwd

Inleiding.

Over het rapport van de Commissie Verdam is reeds

veel geschreven en t.a.v. hoofdstuk IV, getiteld: ,,De

jaarrekening vân ondernemingen”, heeft het werk van

de Commissiê veel instemming gevonden. Men kan zich

daarover verheugen; ieder die hèt goed meent met ,,free

enterprise” zal zich ervan bewust moeten zijn dat doel-

matige openbaarheid van de jaarrekening in de eerste

plaats het belang der ondernemingen dient en pas in de

tweede plaats als een voorschrift ten dienste van de rechts-

orde – gegeven de huidige economische orde – moet

worden beschouwd. Wij willen dan ook bij het maken van

een aantal kritische opmerkingen omtrent details uitdruk-

kelijk voorop stellen, dat de voorstellen van de Commissie

Verdam in het algemeen onze sympathie hebben; wij willen

dan ook niet afbreken, maar mede bouwen.

Over de opzet en de algemene grondslagen van het rap-

port schreven wij vroeger reeds
1).
Daarop gaanwij nu

niet in; wij willen nu eeri aantal voorschriften – zoals in

de titel tot uitdrukking gebracht – op de keper be-

schouwen. De beperking, die dit tijdschriftartikel met zich

brengt, leidt ertoe, dat
wij niet alle artikelen van het voor-
ontwerp van wet in beschouwing zullen nemen.

Verhouding
resultatenrekening en balans.

Het is o.i. een ,,Schönheitsfehler”, dat de Commissie

eerst uitvoerig voorschriften voor de balans concipieert

om pas daarna de resultatenrekening aan de orde te stellen.

Zoals in vrijwel alle gepubliceerde jaarrekeningen reeds hét

geval is, komt de eerste plaats toe aan de resultatenrekening,

die de belangrijkste informatie geeft.

Art. 6: reserves.

In een moderne wetgeving omtrent de jaarrekening

behoort o.i. deze term niet voor te komen. De beste methode

om alle misverstanden, die zich omtrent ,,reserve” en

,,reserveren” hebben voorgedaan en nog steeds voordoen

uit de wereld te helpen, is het afschaffen van deze term.

Naast het ook door de Commissie Verdam gebruikte

woord ,,voorziening” bestaat er aan het woord ,,reserve”

– en zeker in zijn meervoudsvorm – geen enkele

behoefte. De door dit woord gegeven suggestie van het

,,potje” apart, van een ,,ge-earmarked” deel van het totale

vermogen, berust nergens op. Een balans, waarin aan de

creditzijde onder het aandelenkapitaal een reeks van

reserves zijn vermeld, is misleidend. Een moderne wet-

geving zal zich moeten aansluiten bij de ontwikkeling in de

praktijk, waarin Amerika voorging. Daar maakten de

reserves plaats voor één rekening: de ,,surplusaccount”.
In ons land sloot bijv. Philips zich daar
bij
aan. De niet

uitgedeelde winst verschijnt bij Philips in één post met de

volkomen duidelijke omschrijving ,,ingehouden winst”.

,,Reserveren” is niet nodig om minder dividend uit te

keren dan de gemaakte winst bedraagt;. indien goed beleid

het laatste voorschrijft, dan declarere men eenvoudig een

lager dividend. Het ,,waarom” van dit beleid kan hetzij

1)
In ,,T.V.V.S.” van maart 1965, blz. 263.
in het jaarverslag, hetzij in de aandeelhoudersvergadering

worden uiteengezet en zo nodig worden verdedigd.

De beschreven handelwijze maakt vele zaken eenvoudiger

dan zij nu zijn. De problematiek van de uitkeerbaarheid

van ,,reserves” in verschillende gedaanten wordt terug-

gebracht tot die van de uitkeerbaarheid vah de ingehouden•

winst. De onzalige – de laatste tijd in de mode gekomen –

begrippen ,,reserveringen onder en boven de streep”

zouden hun zin verliezen. Een ,,earmarking” van de inge-
houden winst zou nog slechts plaats moeten vinden, wan-

neer daartoe verplichtingen zijn aangegaan, bijv. in ver

band met opgenomen geldleningen of – hetgeen in ons

land, dachten wij, niet voorkomt – in geval de wet het

eist. Wij ontveinzen ons overigens niet dat de beschreven
handelwijze nog al eens in strijd zal komen met geldende

statutaire bepalingen
Nu toch het ,,ondernemingsrecht” op de helling is gezet,

zou tegelijkertijd in de wet aandacht kunnen worden ge-

schonken aan de aard en de betekenis van het vermogen,

dat boven het geplaatste kapitaal in de vennootschap aan-

wezig is. Daarbij kan tevens aandacht worden geschonken

aan ,,agio op geplaatst aandelenkapitaal” (als betere be-

naming voor ,,agio-reserve”). Of de boven bedoelde

belemmeringen in bestaande statuten wellicht
bij
wets-

wijziging zouden kunnen worden opgeheven blijve aan

juristen ter beoordeling.

Ten slotte: de zin van art. 6 zou behouden kunnen

blijven, mits het woord ,,reserves” zou worden vervangen

door ,,voorzieningen”. Zoals wij – elders tot uitdrukking
brachten, vinden wij het een tekortkoming, dat de Com-

missie Verdam in art. 20 geen voorschriften heeft gegeven

tot het publiceren van de
mutaties
in de voorzieningen.

De deur naar geheime reserves wordt daardoor – zij het

misschien: op een kier – open gehouden.

Art.
7:
bezoldiging van commissarissen.

Dit zwaar omstreden artikel gaat o.i.
enerzijds
te ver
door openbaarheid van de bezoldiging van
ieder
der com-

missarissen te eisen en anderzijds niet ver genoeg door de

bezoldiging van directeuren buiten schot te laten. Een

juist compromis in de strijd der meningen achten wij een

bepaling, die verlangt dat debezoldiging van de gezamen-

lijke bestuurders en van de gezamenlijke commissarissen

openbaar wordt gemaakt.

Art. 8: openbaarheid van winstbestemming en ver

werking van verlies.

De. hier geformuleerde – zeer elementaire! – eis kan

niet voor discussie vatbaar worden geacht. Hetgeen echter

n.o.m. ten onrechte ontbreekt is het voorschrift, dat de

voorgestelde winstverdeling ook in de balans verwerkt

moet worden. Daartegen wordt soms in de praktijk op

juridische gronden nog wel verzet ontmoet. Wil men echter

met name t.a.v. de liquiditeit een duidelijk beeld geven –
even aannemende, dat dit door middel van de balans kan

– dan zal in de balans moeten worden vermeld, in hoe-

verre de voorgenomen winstuitdelingen resulteren in

schulden op korte termijn en in hoeverre het eigen ver-

mogen door winstinhouding zal
zijn
verhoogd.

E.-S.B. 11-8-1965

737

Dat de hierop betrekking hebbende getallen nog niet

definitief vast staan is een gering bezwaar. Praktisch

worden zij in 99 van de 100 gevallen zonder wijziging

definitief en het voorlopig karakter geldt bovendien voor
de gehele jaarrekening zolang deze nog niet door de ver-

gadering van aandeelhouders is goedgekeurd. In art 8,

lid 2 kan de ,,deskundige” nu gevoeglijk plaats maken

voor de registeraccountant (zie art. 33 en 34d).
6. Art. 10: de specificatie der vaste activa.

Hier heeft de Commissie zich ten onrechte in de casuïstiek

begeven, hetgeen vooral blijkt uit het tweede lid, dat zich

in het bijzonder bezighoudt met het vervoerbedrijf. Zo

kan men er nog vele aan toevoegen! Een proeve voor een

betere redactie moge hieronder volgen:

,,De vaste activa worden in ieder geval in de balans

onderscheiden onder de voor elke soort onderneming

gebruikelijke benaming in:

niet slijtende duurzame produktiemiddelen, zoals
‘terrein;

slijtende duurzame produktiemiddelen, gesplitst in

onroerende goederen en overige.

Bezittingen van deze aard, die geen onmisbare functie

vervullen bij de bedrijfsexploitatie worden afzonderlijk in
de balans vermeld”.

7. Art.
11: immateriële activa.

]3it is – naast het onder punt 17 behandelde – waar-

schijnlijk het meest revolutionaire voorstel dat de Com-

missie doet; het is in de praktijk namelijk een veel toegepaste

regel, deze activa
niet
in de balans op te nemen. Belang-‘

wekkend is ook, dat de Commissie – zulks in afwijking

van haar in art.
5
gegeven grondregel – hier een waar

deringsvoorschrift geeft: de immateriële activa worden

opgenomen ,,tot het bedrag van de uitgaven die de onder-

neming zich getroost heeft, verminderd met het bedrag

der afschrijvingen”.

Hierin doet het kameralistische woord ,,uitgaven”

vreemd aan. Doelt de Commissie alleen op
van derden

verworven immateriële activa tegen betaling in eens?

Dan zou alles ten minste duidelijk zijn. Het feit, dat ook

,,voorbereidings- en aanloopkosten” in de (minimum)

opsomming voorkomen, doet vermoeden, dat zij ook denkt

aan tijdens de eigen bedrijfsexploitatie gecreëerde im-

materiële activa. Wat moet voor dergelijke activa onder

,,uitgaven” worden verstaan? Heeft de Commissie zich wel

gerealiseerd, dat achter de bepaling van de verwervings-

kosten van dergelijke immateriële activa zich moeilijke en

niet voor een objectieve oplossing vatbare toerekenings-

vraagstukken verschuilen? Om maar iets te noemen: in

hoeverre behoort de ,,general overhead” op de research
te drukken, in hoeverre behoren de kosten van mislukte

research te drukken ot de verwervingskosten van de

geslaagde research?

Het zijn juist deze ,,intangible assets” die ons voeren

naar de ,,marge” van het waarderingsvraagstuk. Om in

ons land zeer verbreide concepties te gebruiken: dergelijke

activa demonstreren enerzijds duidelijk de betekenis voor

de waardering naar de ,,earning capacity”, de indirecte

opbrengstwaarde, terwijl zij anderzijds het uiterste geval

vormen om te demonstreren, dat het vinden van de ver-

vangingswaarde niet altijd eenvoudig – of beter: vaak

onoplosbaar – is.

De Commissie had beter gedaan dit onontgonnen (of:

niet ontginbare) gebied niet te betreden. Zij had zich beter

kunnen aansluiten bij de werkwijze van de bedrijfseco-

– noom, die voor de vraag staat een
cijfermatige
achtergrond

te,verschaffen voor het ondernemersôordeel, hoe groot de

waarde van de onderneming als geheel is. Een van de eerste

correcties, die hij op de hem voorgelegde balans toepast is

het ,,wegstrepen” van de immateriële activa onder gelijk-

tijdige vermindering van het eigen vermogen.

Deze werkwijze vindt ook haar bevestiging in de prak-

tijk: daar bestaat tav. de jaarrekening een (o.i. gezonde)

voorkeur – zo het even kan – voor het onmiddellijk af-

boeken van de verwervingskosten van imniateriële activa.

Men zou kunnen zeggen, dat de Commissie in art. 11

,,plus royaliste que le roi” is geworden. Het bijzondere

karakter van dergelijke activa heeft zij onderkend, getuige

haar, niet in haar systeem passend, waarderingsvoorschrift,

dat kennelijk een dam wil opwerpen tegen ,,verwatering”

van de balans, waartoe deze activa zich
bij
uitstek lenen.
Over de zin van de door haar geëiste informatie bleef zij

echter – mogen wij het zo zeggen? – nogal naïef.

Daarmee willen wij weer niet zover gaan,,dat het niet

nuttig is,
bij
de verslaggeving aandacht te schenken aan

de activa, genoemd in art. 11, of liever, aan de daarachter

schuil gaande activiteiten. Bij deze activiteiten geldt in

het bijzonder in onze dynamische samenleving dat stil-

stand achteruitgang betekent. Om de kwaliteit van een

onderneming te beoordelen is tegenwoordig haar activi-

teit op bijv. researchgebied van zeer grote betekenis. Dit

zou kunnen blijken uit het openlijk vermelden van de in

de resultatenrekening t.a.v. immateriële activa voor-

komende posten of door een verklaring in de toelichting.

Wellicht meer nog dan t.a.v. de openbaarheid van de

omzet zal tegen de hier aan de orde zijnde openbaarheid

het concurrentie-argument worden ingebracht.

8. Art. 12: de deelnemingen.

Dit artikel is een voorbeeld van wetgeving, waarbij

de wetgever tot wet gaat verheffen hetgeen in de praktijk

meer en meer gebruikelijk is geworden: het publiceren van

een geconsolideerde jaarrekening door de moedermaat-
schappij in een concern. Daaraan zal wel toegeschreven

moeten worden – en hier treedt de Commissie voor-

zichtiger op dan t.a.v. art. 11 – dat consolidatie niet een-

voudig onder bepaalde omstandigheden tot plicht wordt:

de moeder moet omtrent haar dochter(s) gegevens ver-

schaffen ,,hetzij in de vorm van afzonderlijke of samen-

gevoegde jaarrekeningen van deze ondernemingen, hetzij

in die van een geconsolideerde jaarrekening van de onder-

neming”. Kennelijk is het laatste woord ,,onderneming”

gebruikt voor de som van moeder en dochter(s). Het woord

,,onderneming” heeft dus in één wetsartikel meer dan

één betekenis, hetgeen in een
Wet
bepaald niet fraai is.

Het feit, dat deze toch overigens zo voortvarende Com-
missie het laat bij de bovengenoemde keuzemogelijkheid,

verbaast ons enigszins. In art.
5
ontleent zij de waarderings-

grondslagen aan ,,normen die in het maatschappelijk ver-

keer als aanvaardbaar worden beschouwd”. Zou het niet

– in overeenstemming daarmee – mogelijk zijn geweest

voor te schrijven, dat geconsolideerd moet worden zodra

,,normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaard-

baar worden beschouwd” dit eisen? Een belangrijke

rechtsregel leert toch dat hij, die het meerdere wil, ook het

mindere wil? De waarderingsgrondslagen – daarover kan

men moeilijk twijfelen – vormen in dezen bepaald het

meerdere. De Commissie had dan tegelijkertijd een elegante

oplossing kunnen vinden voor de wijze waarop geconsoli-

deerd moet worden. Dat men naast het consolideren van

jaarrekeningen ook nog zou kunnen spreken van het

738

E.-S.B. 11-8-1965

„samenvoegen” van jaarrekeningen is overigens een

nieuwigheid, die beter kan verdwijnen. Zinvol samen-

voegen kan niet anders dan door consolideren. Men kan

zich overigens wel troosten met de gedachte, dat het tweede

alternatief, dat de Commissie voor consolidatie open-

houdt, voor concerns van enige omvang wel een praktisch

onmogelijk begaanbare weg betekent.

Voorts vragen wij ons af, of de Commissie niet iets had

moeten doen t.a.v. de aansprakelijkheid van de moeder

tegenover de schulden van de dochter. De geconsolideerde

jaarrekening immers is volmaakt ongeschikt op het vlak

van openbaarheid ten behoeve van crediteuren van eeh

dochter. Ook kan een dochter van een overigens volkomen

gezond concern op zich zelf bezien wel insolvabel zijn of

– hetgeen nog erger is – door de moeder op Vrij korte

termijn insolvabel worden gemaakt. Het komt ons voor,

dat zodra concerns in het vennootschapsrecht hoe en waar

dan ook ter sprake komen, deze aansprakelijkheidskwestie

moet worden geregeld. In concerns, die een beroep doen

op het publiek vertrouwen, is het al min of meer gebruike-

lijk dat de moeder zich uitdrukkelijk garant verklaart

voor de schulden van de dochter(s).
Ten slotte nog een ,,Schönheitsfehler”: lid 4 van art. 12
1

bevattende de reeds bestaande verplichting tot het af-

zonderlijk vermelden van vorderingen op ondernemingen,

waarin wordt deelgenomen, hangt er vreemd bij aan.

Zij heeft slechts betekenis in het geval, dat niet geconsoli-
deerd wordt.

Art. 14: de specificatie van vorderingen.

Ook hi’r heeft de Commissie de gevaarlijke weg van de

casuïstiek bewandeld. Een proeve van een algemene redactie

is zeer wel te geven: ,,De vorderingen dienen zodanig te

worden gespecificeerd als overeenkomt met de eisen van

de liquiditeit en de verschillende mate van juridische zeker

heid die t.a.v. de inbaarheid van hoofdsom en eventuele

rente bestaat”.

Art.
15:
overlopende posten en wissels;

,,Bien étonnés de se trouver ensemble?” Hier worden

wel zeer ongelijksoortige zaken in één zin afgedaan! Het

opnemen van verdisconteerde wissels aan de actiefzijde

van de balans kan alleen de handige boekhouder. Hij zal

dan begrijpen, dat hij de totaliteit der vorderingen moet

opnemen en de verdisconteerde wissels – voor zover nog

in omloop – daarop in mindering moet brengen. Op die

wijze komt de mogelijke aansprakelijkheid uit het regres-
recht tot uitdrukking.

Het bepaalde t.a.v. wissels in dit artikel is bovendien een

overbodige doublure; met enige uitbreiding van de formule-

ring had het in art. 23 een volkomen logische plaats kunnen

krijgen.

Art. 16: vlottende middelen.

Hier valt te signaleren, dat de term ,,vlottende middelen”

slechts kas-, bank- en girosaldi en effecten blijkt te omvat-

ten. Gewoonlijk geeft men aan deze term een ruimere
inhoud.

Art. 17: het kapitaal.

Node mist men hier het begrip agio; het kan zijn, dat

men het begrepen acht in de – in een wet toch wel slordige

– uitdrukking: ,,de gegevens omtrent storting”. T.a.v.

door de n.v. ingekochte aandelen, die niet zijn ingetrok-

ken, eist het voorontwerp mededeling van hun nominale

waarde en van ,,het bedrag, waartegen zij in de balans

zijn opgenomen”. Hieraan ontbreekt mededeling van het

aankoopbedrag, terwijl ook omtrent eventuele verkoop

niets behoeft te worden medegedeeld.

Dit alles betekent ook, dat alleen omtrent transacties

in eigen aandelen iets moet worden medegedeeld indien

deze leiden tot een positie op de balansdatum. Volledige

openbaarheid van transacties in eigen aandelen is o.i. een

redelijk te stellen eis, die men zelfs zou kunnen uitbreiden
tot transacties van bestuurders en commissarissen.

Vreemd is ook, dat de Commissie zonder meer openbaar-

heid van de houders van prioriteitsaandelen voorschrijft,

terwijl het haar zelf niet is ontgaan – zie de toelichting op

blz. 57 van het rapport – dat men aan deze plicht kan

ontkomen door deze aandelen niet op naam te stellen.

Kan de, overheid het zich veroorloven om voorschriften

te geven, die men gemakkelijk kan omzeilen?

Mét n aandeel

‘vereenigd. Bezit van
1894′

hebt U circa 200 ijzers in het vuur

Elk aandeel ‘Verenigd Bezit van 1894’ maakt U mede-
eigenaar van een grote, deskundig samengestelde aandelen-
portefeuille, die een aantrekkelijk rendement oplevert.
Spreiding over circa 200 fondsen beperkt het risico.
Bovendien bestaat goede kans, dat Uw bezit in waarde
vermeerdert.
Alle banken en commissionairs kunnen U inlichten.

N.V.VEBEENIGD
BEZIT
VAN
1894

De voordelen van aandelenbeit met beperking van risico

WESTERSINGEL 84. ROTTERflAM

E.-S.B, 11-8-1965

739

Art. 18: oprichtersbewijzen, winstbewijzen enz.

Dit artikel lijkt half werk: wanneer het uitstaande aantal

moet worden vermeld, dan is het een kleine moeite de

rechten van houders van dergelijke waardépapieren aan

te duiden. Niet elke lezer van een jaarverslag heeft de

statuten bij de hand.

En verder: is er niets voor te schrijven voor het geval

deze waardepapieren worden ingekocht? Zie verder

punt 12.

Art. 19:
schulden op lange termijn.

Andermaal waagde de Commissie zich aan casuïstiek.

Men zou hier wellicht beter het spiegelbeeld kunnen ge-

bruiken van de sub 9 gegeven proeve van éen redactie

t.a.v. de vorderingen. Merkwaardig genoeg behoeft het

rentepercentage niet openbaar te worden gemaakt. In het

vijfde lid wordt de plicht opgelegd te vermelden, hoeveel

van de hier aan de orde zijnde schulden in het volgend

boekjaar moet worden terugbetaald. Dit zou zijn een-

voudigste en doeltreffendste uitwerking krijgen door voor

te schrijven dat dergelijke aflossingsverplichtingen gestalte

krijgen door een overboeking naar de schulden op korte

termijn (art. 21).

Wij willen hier ook wijzen op de inconsequente wijze,

waarop de Commissie te werk is gegaan met de voor

schulden gestelde zekerheid. In dit artikel wordt de ver

melding van de verstrekte zekerheden vastgeknoopt aan de

schulden op lange termijn; bij de behandeling van de

schulden op korte termijn mist men een dienovereen-

komstige verplichting. T.a.v. de ,,vlottende middelen” in

art. 16 moet daaromtrent worden medegedeeld, of
zij
wel

,,ter vrije beschikking van de onderneming zijn”.

Het komt ons voor, dat nu vele mogelijk verstrekte

zekerheden tussen wal en schip zijn gevallen. De bankier

is het sterkst in het verlangen van, zekerheden en hij zit

daarvoor bovendien meestal op de eerste rang. Wat te
denken van het bankkrediet in rekening-courant – een

schuld op korte termijn, thuishorende onder art. 21

waarvoor de bank als zekerheid eiste: eerste of lagere

hypotheek op het onroerend goed, eigendomsoverdracht

tot zekerheid van alle machines, installaties, voorraden

enz. en cessie van alle vorderingen op afnemers? Dit

alles behoeft krachtens de voorstellen van de Commissie

o.i. niet openbaar te worden gemaakt. Dit had vermeden

kunnen worden door een algemene bepaling t.a.v.
alle

activa, dat telkens medegedeeld moet worden in hoeverre
deze bezwaard, beleend, verpand, gecedeerd of tot zeker-
heid aan anderen zijn overgedragen.

Art. 20: voorzieningen.

Hier herinnefen’ wij eerst aan hetgeen onder punt 3

over art. 6 is gezegd. Vervolgens moeten wij taalkundig

bezwaar maken tegen lid 1 van art. 20. Zoals het er nu

staat behoeven voorzieningen, die niet onder de passiva

zijn opgenomen ook niet afzonderlijk te worden vermeld.

Vele voorzieningen kunnen op zinvolle wijze in mindering

worden gebracht op posten aan de actiefzijde van de

balans en wanneer dat gebeurt, behoeft dat naar de letter

lijke tekst van art. 20, lid 1 niet afzonderlijk te worden

vermeld. Dit doet te meer vreemd aan, omdat uit lid 2

blijkt, dat de Çommissie het mogelijk verband tussen activa

en voorzieningen wel degelijk heeft onderkend; daar schrijft

zij immers vôor, dat de in het eerste lid bedoelde voor-

zieningen zo mogelijk naar activa, waarop zij betrekking

hebben, moeten worden gesplitst. Deze kwestie is niet

zonder belang. Immers, waar ligt de grens tussen het

waarderen volgens art.
5
en het treffen van voorzieningen,

bedoeld in art. 20?
Ook lid 3 wekt ons taalkundig verzet. Hoe kan men op

een balans per ultimo van een zeker boekjaar voorzieningen
treffen voor ,,belastingverplichtingen welke na het boekjaar

kunnen ontslaan”?
De Commissie heeft blijkbaar wel enig

idee van latente belastingverplichtingen, maar het schijnt,

dat
zij
het fijne ervan niet kent. De redactie zou al beter
geweest zijn, indien in plaats van ,,ontstaan” gesproken

was over ,,vervallen”. Het zou ons te ver voeren, hier een

proeve van’ een betere redactie te geven. Vermeld zij

slechts, dat het verband met de door de onderneming ge-

kozen wijze van waardering (zie art. 5).bezwaarlijk buiten

beschouwing kan blijven.

Art. 21: schulden op korte termijn.

Met de reeds ter sprake gekomen opmerking, dat casuïs-

tiek op dit terrein gevaarlijk is, gaan wij verder aan dit

artikel voorbij.

Art. 22: schulden ontstaan door de verwerving van

,economische eigendom”.

Dit artikel is uitermate revolutionair. Voor zover ons

bekend, was het in de Nederlandse praktijk niet gebruike-

lijk het merendeel der schulden uit hoofde van ,,erfpacht,

opstal, huur, pacht, koop op afbetaling, bevrachting en

licentie-overeenkomsten” in de balans op te nemen, anders

dan voor het opeisbare deel. Nu behoeft de vermelding

niet in de balans ,,onder de schulden” te gebeuren, het

mag ook ,,afzonderljk”, hetgeen wel zal betekenen: in de

toelichting.
De term, die de achter dit artikel schuilgaande proble-

matiek actueel heeft gemaakt, komt niet voor. Het is

,,leasing”, een contractvorm, waarvoor ons geen Neder-

landse vertaling bekend is. Amerikaanse accountants,

die zich zo graag door ,,vindbare” ,,generally accepted

accounting principles” laten leiden, hebben reeds voor een

stroom publikaties gezorgd over de vraag, hoe ,,leasing”-

contracten in de jaarrekening moeten worden verwerkt.

Een duidelijk uitgekristalliseerde algemeen aanvaarde

mening schijnt nog niet gevonden te zijn. Dank zij dit

art. 22 behoort de Commissie dan ook duidelijk tot de

,,avant garde”, een positie, die voor de wetgever op dit

terrein niet zonder risico’s lijkt.

De ,,afzonderlijke vermelding” zou er nog mee door

kunnen, maar aan vermelding ,,onder de schulden” kleven

wel grote moeilijkheden, omdat dan de vraag opkomt tegen

welke waaide dergelijke rechten onder de activa moeten

worden opgenomen. Van een norm, ,,die in het maat-

schappelijk verkeer als aanvaardbaar wordt beschouwd”

(zie art.
5)
is op dit gebied nog geen sprake, zeker niet in

ons land. Voor zeer lang lopende contracten (,,leasing”,

erfpacht, sommige charters bijv.) zal men aan het be-

rekenen van een contante waarde niet ontkomen. Alleen

over de te hanteren rentevoet kan heerlijk gediscussieerd

worden, Met die eenmalige berekening is men er echter

nog niet. Daarna komen de waarderingsproblemen aan de
orde op precies dezelfde wijze als voor vaste activa! Men

zou bijna van het paard van Troje spreken, tenzij… de

rentevoet zo hoog blijft, dat dergelijke financieringsvormen

ënigszins in de verdrukking komen!

De resultatenrekening.

De nogal revolutionair aangelegde Commissie blijkt hie

740

E.-S.B.
11-8-1965

Betwist beleid

In dit artikel willen wij nader ingaan op de analyse van

het kapitaalverkeer in de jaarverslagen van De Neder-

landsche Bank, en daarbij met name aandacht schenken

aan de behandeling van het effectenverkeer. Wij doen zulks

naar aanleiding van de artikelen van Prof. Dr. A. Heertje

en Drs. R. Schöndorff in ,,E.-S.B.” van 30juni 1965.

Formele definities.

Het is zinvol en gebruikelijk een onderscheid te maken
tussen structureel en incidenteel kapitaalverkeer. Zo om-

schrijft De Nederlandsche Bank in haar verslag over

1959 de structurele kapitaalexport als ,,de kapitaalexport

en de buitenlandse hulpverlening waartoe een land zich

uit hoofde van zijn welvaart verplicht acht, of waartoe

zijn commerciële of politieke belangen het nopen” (N.B. –

1959, blz. 19).

Over het incidentele kapitaalverkeer wordt daar gezegd,
dat het zich, voor zover dit het particuliere verkeer betreft,

in het algemeen zal ,,richten naar de mogelijkheden en

omstandigheden van de markt” (N.B. –
1959,
blz. 19), en

dat ,,richting en omvang in het algemeen worden bepaald

door financiële overwegingen van prijs en rendement”

(N.B. – 1959, blz. 54). In haar verslag over 1962 onder-

scheidt be Nederlandsche Bank met betrekking tot het

kapitaalverkeer ,,transacties die op grond van hun regel-

matig terugkerend karakter of op grond van hun samen-

hang met bedrijfsuitoefening in het buitenland als van

min of meer structurele aard kunnen worden beschouwd

enerzijds en transacties die een meer incidenteel karakter

dragen anderzijds” (N.B. – 1962, blz. 66).

In het volgende verslag worden tot het structurele

kapitaalverkeer gerekend ,,de kapitaaltransacties van de

overheid met regelmatig terugkerend karakter,…, als-

mede de kapitaaltransacties van de private sector die een

samenhang vertonen met bedrijfsuitoefening in het buiten-

land” (N.B. – 1963, blz. 64). Overigens, zo wordt ook door

De Nederlandsche Bank toegegeven, ,,blijft het onder

scheid tussen structureel en incidenteel kapitaalverkeer

onvermijdelijk ten dele een arbitrair karakter behouden”

(N.B. – 1962, blz. 66).

Materiële omschrijvingen.

Wanneer wij nagaan, welke soorten kapitaaltransacties

nu in feite door De Nederlandsche Bank als structureel en

welke als incidenteel wordeii beschouwd, dan lezen wij

hierover in het verslag over 1962: ,,Voor de Nederlandse

verhoudingen zijn tot het structurele kapitaalverkeer in

de eerste plaats gerekend de uitgaande en inkomende

bewegingen in lang particulier kapitaal uit hoofde van

directe investeringen en commerciële kredietverlening.

De voornaamste andere posten van het structurele kapi-

taalverkeer hebben betrekking op het uitgaande verkeer

in overheidskapitaal” (N.B. – 1962, blz. 66).

In het jongste jaarverslag wordt dit iets nader gespeci-

ficeerd. Tot het uitgaande structurele kapitaalverkeer

worden, voor wat de overheid betreft, gerekend:

– de verplichte aflossingen op de langlopende buiten-

landse kredieten;

– de bijdragen, in de vorm van schenkingen en krediet-

verlening, tot de ontwikkeling der overzeese rijksdelen;

– de kredietverlening aan andere landen;

– de deelnemingen in en kredietverlening aan de inter-

nationale lichamen (met uitzondering van het I.M.F.).

Wat de particuliere sector betreft, worden als structurele
kapitaalexport beschouwd:
– de directe investeringen der Nederlandse ondernemingen

in het buitenland, tenzij gefinancierd met uit buitenlandse

inschrijvingen op Nederlandse emissies verkregen middelen,

alsmede

– de kredietverlening op lange termijn aan buitenlandse

dochterondernemingen en aan buitenlandse afnemers.

Tot het binnenkomende structurele kapitaalverkeer

worden gerekend:

– de buitenlandse directe investeringen in Nederland en

– de in verband daarmede, of in het kader van het goede-

renverkeer, opgenomen langlopende kredieten (N.B. – 1964,
blz.
57).

Werd voorheen het korte handelskrediet nog als structu-

reel beschouwd (N.B. – 1959, blz.
54
en 55), in het verslag

over 1961 schrijft De Nederlandsche Bank: ,,In de laatste

jaren vertoonde dit krediet grote fluctuaties. Met het oog

hierop is dit haridelskrediet thans tot het incidentele

kapitaalverkeer gerekend” (N.B. – 1961, blz. 60).

Tot het incidentele kapitaalverkeer worden voorts

gerekend:

nogal conservatief te zijn geworden. Het enig wezenlijk

nieuwe is de verplichting tot het doen van mededelingen

omtrent de omzet, waarbij gekozen kan worden uit abso-

lute en relatieve cijfers. De verlangde minimum specificatie

in art. 26 gaat niet verder dan reeds gebruikelijk is, met

uitzondering wellicht van de afschrijvingen, die lang niet

altijd volledig worden toegelicht.

Aan het hoofdprobleem – afgezien van de waarderings-

vraagstukken – gaat de Commissie voorbij; dat is het

vraagstuk of de resultatenrekening ,,all-inclusive” moet

zijn dan wel zich kan beperken tot het tot uitdrukking

brengen van de grootte (en samenstelling) van het over

het jaar behaalde normale exploitatieresultaat. Gemeten

aan de standaard, die zij voor zich zelf heeft geschapen,

had de Commissie daarover wel wat kunnen zeggen.

19. Slotopmerking.

De voorstellen van de Commissie Verdam omtrent de

te publiceren jaarrekening op de keper beschouwd, geven

ruimschoots aanleiding tot het plaatsen van kritische

kanttekeningen. Vele daarvan hadden waarschijnlijk bij

wat meer doordacht werk voorkomen kunnen worden.

Nu blijft alleen correctie achteraf nog als mogelijkheid over.

Daartoe hebben wij een bijdrage willen leveren. De Com-
missie zij ervan overtuigd, dat wij zeer sympathiek tegen-

over haar werk staan omdat wij ervan overtuigd zijn, dat

openbaarheid één van de hoekstenen moet zijn waarop

,,free enterprise” moet rusten. Zelfs het fraaiste gebouw

– en dus ook ,,free enterprise” – loopt groot gevaar te

gronde te gaan wanneer de fundamenten niet deugen.

Rotterdam.

R. BURGERT.

E.-S.B.
11-8-1965

741

– het kapitaalmarktverkeer, omvattend het effecten- en

het emissieverkeer;

– het overige incidentele korte en lange kapitaalverkeer.

Vervroegde schuldaflossing door de overheid wordt

evenals kapitaalverkeer van banken tegenwoordig als een

afzonderlijke categorie beschouwd (N.B. – 1963, blz. 65

en N.B. – 1964, blz. 59). In vroegere jaren werden deze

beide soorten transacties opgenomen in het incidentele

kapitaalverkeer.

De feitelijke ontwikkeling.

In de onderstaande tabel geven wij een overzicht van de

door ons, met behulp van tabellen uit de verslagen van

De Nederlandsche Bank, berekende globale cijfers voor de

lopende rekening, het structurele kapitaalverkeer, de

,,basic balance”, de totale rekening, het incidentele kapitaal-

verkeer (mcl.
,,bijzondere transacties van de overheid” en

,,kapitaalverkeer van banken”) en het kapitaalmarkt-

verkeer (effecten- en emissieverkeer).

2

1
I

4

1
5
1

6

1

7

1954/’55
1956/571

1958/59 1960/61
1962/’63
1954/63

1954/’63

(in mln, gids.)
Lop.rek.
510

670
1.700

940
435
583
5.727
Struct. kap.

230

315

380


575

330

366

3.546

Basic bal.
280

985
1.320 365
105
217
2.181
Tot, rek.
120
—390
1.260 380
190
312
3.114

Inc. kap.
—60

160
595
IS
85
95
933
Kap. markt
386 346
508 273
187
340
3.481

De kolommen 1 t/m
5
omvatten twee-jaarsgemiddelden,

kolom 6 het daaruit berekende tien-jaarsgemiddelde en

kolom 7 de corresponderende totaalcijfers voor de tien-

jaarsperiode, welke De Nederlandsche Bank zelf geeft op

blz. 65 van haar verslag over 1963.

In het overzicht constateren wij een sterk fluctuerend

verloop van het totale incidentele kapitaalverkeer, doch

een redelijk constant overschot in het kapitaalmarktverkeer.

Wij kunnen ons dus, met Schöndorff (zie ,,E.-S.B.” van

30juni1965, blz.
599),
afvragen of hier geen sprake is van

een structurele component in het. incidentele kapitaal-

verkeer. De Nederlandsche Bank heeft dit trouwens ook

zelf herhaaldelijk gedaan in haar jaarverslagen.

Het effecten- en emissieverkeer.

In haar verslag over 1959 schrijft De Nederlandsche
Bank: ,,Aan de normatieve betekenis van het tekort op

de structurele kapitaalrekening kunnen de toevallige baten

uit het incidentele verkeer (door buitenlandse aankopen

van Nederlandse effecten) niet afdoen” (N.B. – 1959,

blz. 18). En elders: ,,Het incidentele kapitaalverkeer heeft,

voor wat het kapitaahnarktverkeer betreft, grote en in de
loop der laatste jaren stijgende baten gebracht. .. Op den

duur kan uiteraard met baten uit het incidentele verkeer

niet gerekend worden” (N.B. – 1959, bl,z.
54/56).

In het volgende jaarverslag: ,,de belangrijke netto toe-

stroming van buitenlandse middelen naar de Nederlandse

kapitaalmarkt, uit hoofde van – voornamelijk – de netto
verkoop van effecten naar het buitenland… kan niet als

een structureel bestanddeel van de betalingsbalans worden

beschouwd, doch dient als een incidentele ontwikkeling,

waarop de Nederlandse volkshuishouding zich niet duur-

zaam mag instellen, te worden aangemerkt” (N.B. – 1960,

blz. 79).

In haar verslag over 1963 schrijft De Nederlandsche

Bank: ,,dé jaarlijks terugkerende grote deviezeribaten uit
het effectenverkeer mogen. . . niet als een blijvende bron

worden beschouwd. Het kapitaalverkeer met beleggings-

karakter vormt immers, naar zijn aard, een naar omvang

‘en richting onstabiele grootheid, afhankelijk als dit verkeer

is van beleggerspreferènties, internationale rendements-

verschillen, toekomstverwachtingen en conjuncturele om-

standigheden. Hier komt bij, dat het niet
bij
de industriële

ontwikkelingsgraad van ons land zou passen, indien voor

het evenwicht in de externe verhoudingen op het besparings-

aanbod van andere landen zou moeten worden gesteund.

Op grond van bovenstaande overwegingen is het effecten-

verkeer, ondanks de van jaar op jaar aanhoudende over-

schotten, niet als een structurele kapitaalbron, doch steeds

slechts als een incidentele kapitaalbeweging beschouwd”

(N.B. – 1963, blz. 66).

Ook in het meest recente jaarverslag blijft men ermee

rekenen, dat het incidentele kapitaalverkeer geen duurzame

bron van netto kapitaalontvangsten vormt. Er wordt

daarbij vooral gewezen op factoren van tijdelijke aard,

die hebben bijgedragen tot de omvangrijke toestroming

van langlopend incidenteel kapitaal in 1964 (N.B. – 1964,

blz. 58).

Incidenteel of structureel?

Wanneer men alleen maar let op de feitelijke ontwikke-

ling, op de ,,harde cijfers”, dan bestaat er wel enige aan-

leiding om in het kapitaalmarktverkeer toch minstens een

structurele component te onderkennen. Besteedt men tevens

aandacht aan de achterliggende oorzaken, aan de ontstaans-

gronden van die kapitaalstroorn, dan wordt het oordeel

iets moeilijker en genuanceerder. Men kan immers het

kapitaalverkeer met beleggingskarakter onstabiel noemen,

omdat het afhankelijk is van beleggerspreferenties, rende-

mentsverschillen, toekomstverwachtingen en conjuncturele

omstandigheden. Maar daar staat tegenover, dat deze

factoren toch ook een zeer grote rol spelen bij het kapitaal-

verkeer in de private sector, waaraan een meer duurzaam

karakter wordt toegekend, zoals de directe investeringen

en de lange kredietverlening.

Dat het onderscheid tussen deze beide soorten kapitaal-

transacties in feite niet altijd zo geweldig duidelijk is, blijkt

wel indien men ziet naar de talloze overgangsvormen.

Zo kan een Amerikaanse belegger bijv. aandelen in Euro-

pese ondernemingen verwerven, omdat winstverwachtingen
f rendement in Europa gunstiger zijn (dit zou dan effecten-

verkeer zijn, dus incidenteel). Maar om dezelfde reden kan

een Amerikaanse onderneming deelnemingen in Europese

bedrijven entameren, of Europese ondernemingen geheel
overhemen – hetzij via een al of niet geruisloze aandelen-

opkoop op de beurs (effectenverkeer, dus indicenteel?) hetzij

via een directe kooptransactie (directe investering, dus

structureel?) – of ook zelf Ëuropese dochterondernemingen
gaan oprichten (directe investering, dus structureel?).

Bovendien blijken de door De Nederlandsche Bank ge-

noemde ,,wisselvallige” factoren in het afgelopen decen-

nium een toch niet zo heel erj onstabiel karakter te hebben

vertoond. Wellicht mede door de oprichting van de Euro-

markt (hoge winstverwachtingen in Europa) en de in de

Verenigde Staten gevoerde monetaire politiek (lage rente)

was het Europese beleggings- (en investerings)klimaat

voortdurend veel gunstiger dan het Amerikaanse. Het ge-

volg was dan ook een kapitaalstroom van de Verenigde

Staten naar Europa, zo omvangrijk en blijvend, dat de

verstoring in het externe evenwicht tussen beide continen-

ten hardnekkig kon worden genoemd en tot politieke

maatregelen noodzaakte.

742

E.-S.B.
11-8-1965

Door recente onderzoekingen van het Centraal

Bureau voor de Statistiek is thans vast komen te staan

dat landbouwbedrjven die kleiner zijn dan 14 ha,

feitelijk geen levensvatbaarheid hebben.
Zij
zijn ,,sub-
marginaal” en onrendabel. Uitzonderingen uiteraard

daargelaten! Bij de meeste landbouwbedrijven van

15-20 ha is de rendabiliteit nog zeer gering. Redelijke

exploitatie is pas mogelijk boven 20 ha. Uit het feit

dat bijna tweederde van het totale landbouwareaal is

verkaveld in oppervlakten beneden de 20 ha, blijkt dat

het landgebruik ten onzent te veel versnipperd is. Het

is gewenst dat enerzijds die versnippering teniet wordt
gedaan door het vormen van grotere bedrijfseenheden,

anderzijds dat de slechte gronden daar worden uit-

gelicht en worden bestemd voor recreatieve doeleinden.

Sub-marginale en

m arginale

landbouwbedrjven

Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft ons door

een van zijn jongste publikaties
1)
in de gelegenheid gesteld

het inzicht in de landbouweconomie weer een stapje verder
te brengen.

Reeds van 1950 af stelt het C.B.S. – met medewerking

van verschillende landbouwinstanties, w.o. het Landbouw-

Economisch Instituut – onderzoeken in naar de bedrijfs-

uitkomsten in de landbouw. Hiertoe worden uit de be-

drijven, waarvan de boekhoudbureaus de administratie

verzorgen, steekproeven genomen van 5.000 landbouw-

bedrijven, in grootte variërend van 4-100 ha.

Nadat successieveljjk allerlei verbeteringen in het ver-

zamelen en verwerken der cijfers waren aangebracht, kon

met ingang van 19631’64 een nieuwe statistiek van de bedr jij’s-

uitkomsten worden samengesteld, die een zeer betrouwbaar

beeld geeft van de werkelijkheid.

In het korte bestek van het onderhavige artikel zullen
wij ons voorshands beperken tot de reproduktie van een

in genoemde publikatie voorkomende grafiek, waarin de
nieuwe gegevens worden verwerkt en tot enkele toelich-

tingen, opmerkingen en conclusies.

Marginale en sub-marginale bedrijven.

De grafiek spreekt voor een belangrijk deel voor zich-

1)
CBS.: ,,Statistiek van de bedrijfsuitkomsten in de land-
bouw 1963/’64; T. Bedrijfseconomische exploitatierekeningen”.

zelf. Door middel van een onderbroken lijn zijn de totale

kosten per bedrijf afgezet en door middel van een ge-

trokken lijn de totale opbrengsten per bedrijf. Deze lijnen

snijden elkaar bij een bedrjfsgrootte van 14 ha, hetgeen

betekent dat tot 14 ha de desbetreffende bedrjvn niet

rendabel zijn. Daarboven begint aanvankelijk enige en

later een duidelijke rendabiliteit op te treden.
Bij de kleine

bedrijven tot 14 ha zijn de totale kosten groter dan de totale

opbrengsten.
Hoe groter een bedrijf hoe beter de rendâbiii-

teit; hoe kleiner een bedrijf hoe slechter in het algemeen

de resultaten zijn.

Op grond van de onderzoekingen van het C.B.S. kan

dus geconcludeerd worden dat een bedrijf dat kleiner is

dan 14 ha in het algemeen genomen sub-marginaal zal zijn.

Het is onrendabel en dus niet levensvatbaar. Zulks impli-

ceert intussen niet dat de bedrijven die iets groter zijn dan

14 ha wèl voldoende rendabel zouden zijn. Dat zijn ze

bepaald niet, zoals blijkt uit onderstaande, aan de CBS.-

publikatie ontleende, cijfers.

nedrijfsgrootte

4<7

‘ <15

15-<30 30-<50

50-<100
ha

ha

ha

ha

ha

Netto

overschot
(gld. per 100 be-
werkingseenhe-
den)

1
– 117

– 28

36

109

175

In dit verband schreef De Nederlandsche Bank dan ook

zelf reeds in haar verslag over 1961: ,,Een bijdrage tot

evenwicht zou eveneens kunnen worden verkregen indien

de nog steeds ongeveer $ 1 miljard belopende Amerikaanse

kapitaalexport naar Europa belangrijk geringer zou worden.

Zolang echter winstverwachtingen en rentestand in conti-

nentaal Europa zoveel gunstiger
zijn
dan in de Verenigde

Staten is de kans daarop niet groot, tenzij de Amerikaanse

administratie erin zou slagen deze kapitaaistroom door

fiscale maatregelen te remmen” (N.B. – 1961. blz. 22 en
23).

Nu de Amerikaanse regering inderdaad maatregelen

heeft genomen om de kapitaalexport af te remmen, valt

weliswaar te verwachten, dat de toestroming van ,,inciden-

teel” kapitaal (effectenverkeer) in Europa zal afnemen,

maar die maatregelen richten zich evenzeer op de ,,struc-
turele” kapitaalstroom (directe investeringen).

De mate, waarin de transacties afhankelijk zijn .van

politieke maatregelen, blijkt hier dus al evenmin te leiden

tot een scherpe scheiding tdssen ,,structurele” directe in-

vesteringen en ,,i ncidenteel” effectenverkeer.

Vergelijk in dit verband ook de opmerkingen van Schön-

dorif (zie ,,E.-S.B.” van 30juni1965, blz.
599).
Conclusie.

Het komt ons voor dat het internationale effectenverkeër

niet zonder meer in zijn geheel incidenteel kan worden

genoemd, doch dat een uitgebreide analyse nodig is om

tot een meer genuanceerd oordeel te komen.

‘s-Gravenhage.

A. M. DIERICK.

E.-S.B. 11-8-1965

743

Hieruit blijkt dus dat de bedrijven van 15 – 30 ha in

een overgangszone liggen. Pas daarna wordt de rendabili-

teit goed merkbaar. Van een behoorlijk rendement is echter

eerst bij een bedrijfsgrootte van 50-100 ha sprake. Men

kan dan produceren tegen veel lagere kostprijzen.

Op grond van de onderhavige bedrijfsresultaten kan

veilig worden gesteld dat de meeste bedrijven van 15-20

ha op de rand der rendabiliteit liggen. Het arbeids-

inkomen van de boer (ook aangegeven in de grafiek) vol-

doet nog niet aan redelijke eisen. Deze bedrijven zijn dus

nauwelijks levensvatbaar, en duidelijk marginaal.

Pas boven de 20 ha komt er wat meer tekening in de

rendabiliteit; dan wordt het arbeidsinkomen van de boer

ook wat aantrekkelijker. Deze overwegingen leiden ertoe

de minimum grens voor een enigszins redelijke exploitatie

van landbouwbedrijven op 20 ha te stellen.

Bedrijfsgrootte te gering.

De laatste tijd is er héél wat over de bedrjfsgrootte

geschreven; ook in ,,E.-S.B.”
2).
Zelfs de Consumenten-

bond heeft zich ermee bemoeid en heel nuttige suggesties

gedaan
3).
Wanneer men ht aantal bedrijven met een sub-
marginale en marginale grootte (1-20 ha) stelt tegenover

het aantal met een rendabele grootte (20-100 ha), dan ziet

het er voor Nederland – ook in vergelijking met vele

andere landen – niet fraai uit.

VERBAND TUSSEN BEDRUFSRESULTATEN 1963/64 EN DE
BEDRJFSGROOTTE IN DE LANDBOUW

x 1000 gld. per bedrijf

Zie om. de artikelen van Dr. Ir. A. W. G. Koppejan in
,,E.-S.B.” van 14 en 21 augustus 1963.

In de ,,Consumentengids” van o.a. januari 1961, januari
1963 en september 1963 worden pleidooien voor grotere een-
heden gehouden.

Verdeling aantal bedrijven naar bedrijfsgrootte

Grootteinha

1910

1930

1

1959

1962

(/n pCt.)

1
— 20
………..
87

89

88

88

20-100
………..
13

II

12

12

Bron:
Landbouwcijfers L.-E.T.

In absolute cijfers uitgedrukt: in 1962 besloeg het land-

bouwareaal van bedrijven tussen de 1-20 ha in totaal

1.216.000 ha en dat van bedrijven van 20-100 ha in totaal

slechts 836.200 ha (alleen akkerbouw en veehouderj met

minimum van 1 ha). Uit deze statistiek blijkt dus dat onze

landbouw – ondanks jarenlange ruilverkavelings-, ont-

ginnings- en landaanwinningsactiviteiten – nog steeds

yoor bijna tweederde uit, in principe
4),
sub-marginale en

marginale bedrijven bestaat.

Het is opvallend en merkwaardig dat men zich ten aan-

zien van de ruilverkaveling in Nederland in feite niet heeft

gerealiseerd – en blijkens de cijfers zich nog steeds niet

realiseert – dat men
niet
naar bedrijfsvergrotingen tèt

20 ha moet werken, doch juist daarboven uit moet zien

te komen.

Kritische geluiden.

Een toenemend aantal landbouweconomen heeft het

handhaven van te kleine bedrijfseenheden terecht bekriti-

seerd. In dit verband kunnen o.m. worden genoemd het

forse artikel van Prof. Dr. E. W. Hofstee in het gedenk-

boek van de Kon. Ned. Heidemaatschappij en verschil-

lende artikelen van Prof. Dr. J. Horring in dit blad.

Opmerkelijk is ook de redevoering van laatstgenoemde

Wageningse hoogleraar gehouden op 11 december 1964

voor de Groningse Maatschappij van Landbouw. Aan de

inhoud ervan is jammer genoeg te weinig bekendheid ge-

geven. Hij deed toen de volgende gedocumenteerde uit-

spraken:

• In plaats van op de prijspolitiek (prijsverhogingen)

moet het gewicht vallen op de structuurpolitiek (efficiënte

bedrjfseenheden).

• De huidige cultuurtechnische investeringen dragen

namelijk
niet
bij tot verlaging der kosten.

• De toekomstige bedrijven zullen groter moeten

worden dan 20 ha. En dââr moeten de structuurmaatregelen

op worden gericht.

Ter gelegenheid van het achttiende ,,Agrarische Congres”

van de Partij van de Arbeid hield het Tweede Kamerlid,

Ir. H. Vredeling, het vorige jaar eveneens een zeer op-

merkelijke en op hoog niveau staande inleiding. Zijn

conclusies kwamen op het volgende neer:

• Discussies over de vraag of
bij
ruilverkavelingen

gemikt moet worden op een minimum van 10, 12, of 15 ha

zijn in feite inopportune achterhoedegevechten; de werke-

lijkheid eist in feite véél grotere eenheden.

• De huidige uitvoering der ,,bedrjfsvergrotingen” is

onjuist en kan catastrofaal worden.

• Nodig daarentegen zijn structurele landbouwher

vormingen van veel groter allure.

Zulks wil u iteraard niet zeggen dat
alle
bedrijven van min-
der dan 20 ha steeds marginaal en noodlijdend zouden zijn.

744

E.-S.B. 1 i-8-1 965

• De kans is groot dat het geld dat in de huidige ruil-

verkavelingen wordt gestoken over 10
of
20 jaar foutieve

investeringen zullen blijken.

Ten slotte willen wij melding maken van een onderzoek

van de heet M. H. Douna
5),
Zijn conclusie is dat in de

meeste gevallen het inkomen van de boer ná de huidige

bedrijfsvergrotingen (bijv. van 9 tot 18 ha) en nâ ruil-

verkaveling en cultuurtechnische werken
niet
toeneemt.

Conclusies.

Door de genoemde publikatie van het C.B.S. is thans
duidelijker dan voorheen vast komen te staan dat in het

algemeen gesproken landbouwbedrijven die kleiner zijn

dan 14 ha ,,sub-marginaal” zijn en dus geen levensvat-

baarheid hebben. Uit de door het C.B.S. verzamelde

gegevens blijkt tevens dat landbouwbedrijven van 15 – 20

ha als ,,marginaal” gekwalificeerd kunnen worden; zij

staan dus aan de grens van de rendabiliteit. De recht-
evenredigheid tussen de grootte van het bedrijf en de

kostenfactoren brengt mee, dat vooral gestreefd moet

worden naar bedrijven van rond 100 ha.
De moeite en de kosten die in de huidige ruilverkavelin-

gen worden gestopt (inclusief de bedrijfsvergroting en

uitkoopactiviteiten rond f. 200 mln, per jaar) zullen vroeg

of laat blijken in werkelijkheid improduktieve investeringen

te
zijn
geweest. Nederland zal zich in de toekomst moeten

toeleggen op ruilverkavelingen die tenderen naar eenheden

van rond 100 ha; zulks op de beste en meest produktieve
gronden en
niet
op de slechtste zoals nu geregeld geschiedt.,

De slechte gronden kunnen veel beter benut worden in

de recreatieve sfeer, waaronder ook gevat moet worden

het opnieuw bebossen
6
). Het is daarom onjuist dat slechte

en marginale gronden die vrijkomen – o.a. door het ver-

plaatsen van boèren naar de IJsselmeerpolders of door

uitkoop – worden gebruikt voor ,,dubieuze”, dus te

kleine en onrendabele, ,,bedrijfsvergrotingen” 7).

‘s-Gravenhage.

Mr.
j
. A. FRESEMAN GRATAMA.

Zie: ,,Landbouwkundig Tijdschrift” van oktober 1963,
no. 17.
De voorstelling van zaken dat bebossing minder produktief
zou zijn dan (andere) landbouwvormen en ook van weinig nut
voor de recreatie, is onjuist. Daarbij verdient verder overweging
dat een betrekkelijk klein areaal met populieren beplant tot
grote steun kan zijn voor onze belangrijke doch kwetsbare
papierindustrie.
In de zojuist verschenen ,,Berichten van de Nederlandse
Vereniging voor Landaanwinning”, No. 9, 1965, houdt Prof.
Dr. E. W. Hofstee in deze geest een indrukwekkend betoog
voor grotere eenheden in de IJsselmeerpolders, alsmede voor
minder bevoogding der ondernemers, meer particulier initiatief
en meer liberalisatie bij de uitgifte van de bedrijven.

Maak gebruik van de rubriek

,,VACATURES”

voor het oproepen van sollicitanten voor leidende

functies. Het aantal reacties, dat deze annonces

ten gevolge hebben, is doorgaans uitermate

bevredigend. Begrijpelijk: omdat er bijna geen

grote instelling is, die dit blad niet regelmatig

ontvangt en waar het niet circuleert!

L
GELD EI KAP

K
ITAALMtRT

Geidmarkt.

Bijzondere transacties hebben in de week, die aan 2

augustus voorafging, de cijfers van de weekstaat van

De Nederlandsche Bank beïnvloed en sommige hebben

de situatie op de geldmarkt gewijzigd. De storting op de

Staatslening verhoogde het Rijkstegoed bij de Centrale

Bank en verminderde het bedrag, dat in de markt beschik-

baar was. De guldenstrekking van de Verenigde Staten

op het Internationale Monetaire Fonds ter grootte van
f.
90,5
mln, deed de goud- en deviezenvoorraad van

De Nederlandsche Bank dalen, het tegoed van de Staat

bij de circulatiebank hiertegenover eveneens afnemen;

doch deze laatste .vermindering werd gecompenseerd door

een rechtstreekse plaatsing van schatkistpapier voor een

bedrag van f. 103 mln. bij De Nederlandsche Bank. De

laatste transacties hebben geen invloed gehad op de markt-

situatie. De schatkistpapier-portefeujlle van de Bank is

door de plaatsing tot f. 703 mln, gegroeid, tegen f.
355

mln, eind 1964. Van deze masse de manoeuvre heeft De

Nederlandsche Bank echter in 1965 geen gebruik gemaakt.

De tegoeden der banken zijn in het juli/augustus tijdvak

tot nu toe gemiddeld enigszins onder het verplichte depo-

sito gebleven ingevolge de kredietistrictieregeling. of-

schoon de eisen van de juli-ultimo de banken nauwelijks

moeilijkheden hebben bezorgd, heeft deze factor en de

drainering als gevolg van de storting op de Staatslening

toch in de afgelopen week tot een verkrapping geleid.

De rente voor daggeldleningen, die als een gevoelige

indicator van de marktsituatie kan worden beschouwd en

die op 29juli tot 3 pCt. was gedaald, werd op 4 augustus

wederom tot 34 pCt. verhoogd en een dag later zelfs tot

4 pCt.

Kapitaalmarkt.

Over de grootte van de buitenlandse belangstelling voor

in Nederland uitgegeven binnenlandse guldensleningen

tasten wij doorgaans in het duister. Daarom is het belang-
wekkend dat De Nederlandsche Bank ten behoeve van de

Minister van Financiën, opdat hij een vraag uit de Tweede

Kamer kon beantwoorden, een enquête heeft gehouden,

waaruit bleek, dat van de jongste Staatslening ca. f. 30

mln, of 10 pCt. in het buitenland is geplaatst. Deze belang-

stelling is overigens sterk wisselend, zodat uit dit cijfer

geen verdere conclusies kunnen worden getrokken.

‘Aan de stilte, die reeds enige tijd op de emissiemarkt

heerst, heeft de Bank voor Nederlandsche Gemeenten een

einde gemaakt door een 25-jarige 6 pCt. lening van f. 100

mln, aan te kondigen tegen een uitgiftekoers van 100 pCt.

Deze rente wordt in ons lând door de beleggers als zeer

aantrekkelijk beschouwd. Bij de onderhavige lening is men

ervan verzekerd dat men deze rente geruime tijd ook inder-

daad zal krijgen, want de normale aflossing begint eerst

op 1 september 1971; vervroegde aflossing is eerst na

1 september 1975 toegestaan en dan nog slechts met een

– aflopende – boete. De markt is, niettegenstaande de

Gasunie onderhands bezig is een belangrijk bedrag op te

nemen, iets ruimer geworden. Het rendement van Staats-

leningen is sedert 22 juli niet verder meer gestegen en er

heeft zelfs in augustus een heel lichte daling plaatsgevonden.

De uitgifte van pandbrieven door hypotheekbanken is

in het eerste halfjaar van 1965 onder het bedrag van de

overeenkomstige periode van 1964 gebleven. De cijfers

E.-S.B. 11-8-1965

745

Bron:
A.N.P..C.B.S., Prijscourant.

Aandelenkoersen a).

Koninklijke Petroleum
……..
f. 158,20
Philips G.B
………………
t’. 145
Unilever

………………..
f. 141,80
A.K.0.

…………………..
454’/
ExpI. Mij. Scheveningen
220
Hoogovens, n.r.c.

……..
..
….
541
Kon. Zout-Ketjen, n.r.c.
…..
9115
Amsterdam-Rotterdam Bank
t’.

66,10.
Nationale Nederlanden,
c…..
784
Robeco

…………………
f. 224,40
New York.

Dow Jones Industrials
…….
874

Rentestand.

Langlopende staataobligaties b)
5.17
Aandelen: internationalen b) .
3,4
loaIen b)

……..
3,3
Discnto. driemaands schatkist-
papier

………………..
3
7
/,,

Aangepast voor kapitaalwijzigingen.
Bron:
Amsterdam-Rotterdam Bank.

882

833

5,62

5,59

4’/

4’/, –

C. D. JONGMAN.

f. 136,30
f. 119,40
f. 135,80
4154
204 494
860’/
t’. 59
587
t’. 218

t’. 142,10
f. 119,20 f. 140,50
457 210
499
867
t’. 60
590
f. 221

bedragen resp. f. 101 mln, en f. 142 mln. De lypotheek-

banken trekken ook gelden in andere vorm aan, met name

op de onderhandse markt, zodat de gegeven cijfers over de

activiteiten van deze instellingen niet alles zeggen. Er is

bij de verlening van hypothecaire leningen een duidelijke

tendentie de termijn van
5
jaar op 10 jaar te brengen.

Voorts neemt de marge tussen de taxatiewaarde van het

onderpand en het hierop te verlenen bedrag toe, waar-

door het verschijnsel van de topfinanciering voor nieuwe

leningen aan het verdwijnen is.

lndexcijfers aandelen
30dec. H. & L.
30 juli
6 aug.
(1953 = 100)
1964
1965 1965 1965

Algemeen

………………
405
410-357
1

366 372

Internationale concerns
…….
568
583-505
513′
525
Industrie

………………..
355
371 —320
331
335
Scheepvaart

……………..
146
155— 136
144
145
Banken en verzekering
……..
236
243 – 187
198 197
}landelenz.

……………..
170
180-162
170
171

Het Bestuur van het

ALGEMEEN PROTESTANTS ZIEKENHUIS

VOOR DELFZIJL EN OMGEVING

vraagt een

ECONOOM.

Hij zal voorlopig worden bélast met alle werkzaam-

heden samenhangende met de bouw van het Zieken-

huis.

Gegadigden van protestants christelijke levens-

overtuiging worden uitgenodigd hun sol1icitties te

richten aan de secretaris: K. Abbas, Kon. Juliana-

laan 67, Delfzijl.

IJ reageert op annonces in ,,E.S.B”?

Wilt U dat dan steeds kenbaar maken!

Bij het
Directoraat-Generaal voor het Midden- en Klein-
bedrijf en Toerisme
van het Ministerie van Economische Zaken kan worden geplaatst een

HOOFD

VAN DE

HOOFDAFDELING VESTIGINGSBELEID

Taak: het geven van leiding aan de onder de Hoofd-.
afdeling ressorterende afdelingen Vestigingswetgeving, Uitvoering Vestigingswetten en Opleiding en Examens.

De hieraan verbonden werkzaamheden bestaan uit:

– het voorbereiden van het bij de toepassing van de
Vestigingswet Bedrijven 1954 te voeren beleid;

– het voorbereiden van andere wettelijke maatregelen,
die de vestiging betreffen;

– de zorg voor de uitvoering van de vestigingswetgeving
en van het ontheffingsbeleid;

– de bevordering van het middenstandsonderwijs;

– de zorg voor de handhaving van het niveau van de
in de vestigingsbesluiten gestelde eisen van handels-kennis en vakbekwaamheid.

v
oor
1
ree

kon men te
veet

en ook

te weinig uitgeven

De meeste mislukkingen zijn vaak het gevolg

van het laatste

Vereist: doctoraal examen rechten of economie.

Salariëring: afhankelijk van leeftijd en ervaring overeen-
komstig de rang van administrateur of hoofdadmini-
strateur, maximaal f. 1.911,—per maand, resp. f.2.303,-
per maand (excl. 5,3% huurcömpensatie). Vakantie-
uitkering 4% van het jaarsalaris. A.O.W.-premie voor
Rijksrekening.

Brieven richten aan het Hoofd van de Centrale Personeels-
afdeling, le v. d. Boschstraat 15, ‘s-Gravenhage. Telefo-
nisch (070) 814011, toestel 2726, kan een afspraak
worden gemaakt voor een oriënterend gesprek.

746

E.-S.B. 11-8-1965

BANK VOOR NEDERLANDSCHE GEMEENTEN

gevestigd te ‘s-Gravenhage

I

UITGIFTE VAN

f100.000.000.— 6 pCt. 25-jarige Obligaties 1965

Grootte der stukken: nominaal
f1000.—
en f500.—.

Na de toewijzing kunnen desgewenst, in de plaats van obligaties,

schuldregisterinschrijvingen, groot tenminste nominaal f100.000.—, worden verkregen.

Ondergetekende bericht, dat de inschrijving op bovengenoemde

uitgifte zal zijn opengesteld op

VRIJDAG 13 AUGUSTUS 1965

van des voormiddags 9 tot des namiddags 4 uur

TOT DE KOERS VAN 100 pCt.

bij de kantoren te Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Gravenhage,

voorzover in genoemde plaatsen gevestigd, van:

I

Amsterdam-Rotterdam Bank N.V.

Algemene Bank Nederland N.V.
Lippmann, Rosenthal
&
Co.
N.V.

R. Mees
& Zoonen

$

H. Oyens & Zonen N.V.

Pierson, Heidring
&
Pierson
Hope
&
Co.

alsmede
ten kantore der Vennootschap

op de voorwaarden van het prospectus d.d.
5
augustus
1965.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten, alsmede, in beperkte mate, de statuten en

het laatste jaarverslag, zijn bij bovenstaande inschrijvingskantoren verkrijgbaar.

‘s.Gravènhage, 5 augustus 1965.

N.V. Bank voor Nederlandsche Gemeenten.

__ __ __ __


l
qmm^

Iehocft Uw
staf

uitbreiding?
Verzuimt dan niet E.-S.B. voor Uw oproep

in te schakelen. E.-S.B. biedt U een grote

trefzekerheid, 66k bij aspirant-leidinggevende

functionarissen in de comrnerci1e, admini-

stratieve of aanverwante sectoren.

Advertentie-afd. E.-S.B.

Postbus
42 –
Schiedam

E.-S.B 1 1-8-1965

747

zij…n.
V. j
: 1r.teliî.genter.?

1

Wat is het verschil tussen het leven van onè en het

levenvan overgrootvader? Sommigen zeggen: niets.

Ook
hij
at met mes en vork, ook
hij .beminde
over

grootmoeder, ook toen groeiden de bomen omhoog.’

Toch zijn er verschillen. Kleine. Een nylon (op

caprolactam-basis) overhemd, een witte (ureum)

telefoon, een plastic (polyetheen) knijpflacon…

Kleine verschillen, jazeker, maar tezamen maken zij

dat overgrootvader ons dagelijkse 20ste eeuwse

comfortabele leven niet eens meer zou herkennen.

Hoe komt dat? Omdat wij intelligenter zijn? Ver-

moedelijk niet. Komt het door de mannen in de witte

jassen, door de technologie, door de research? Mis-

schien een beetje. In ieder geval is zeker dat
wij
nu

soms systematischer kunnen zoeken en daardoor

vinden, en dat we nu in ernst met atomen en mole-

culen kunnen spelen. En dat we daardoor ânders

denken en ânders doen. Met minder tradities en.

minder historische banden.

De nieuwe manier van denken’ kristalliseert zkh op
allerlei manieren in de wereld. Bijvoorbeeld in Lim-

burg:
bij
chemie van Staatsmijnen. En opmerkelijk is

de driehoek die daarbij in Nederland bezig is teont-

staan: Slochteren, Rotterdam, Staatsmijnen. Een drie-

hoek van pijpleidingen. Aardgas- en benzine-pijplei-

dingen komen samen in Limburg. Zij voeren
-.
linea

recta, in letterlijke zin! – naar de research en de pro-

duktie van grondstoffen voor de duizend dingen van

onze dagelijkse dag.

En we mogen wel bedenken dat dit allemaal nog maar

een begin is.

Een begin waar achterkleinkinderen (als ze dit zou-

den lezen) wellicht welwillend om zullen glimlachen.

Staatsmijnen produceren en leveren – via verschillende verkooporganisaties – vele produkten, zoals bijvoorbeeld: ammoniak (watervrij,
technisch) – ammoniakwater 25 % (technisch, chemisch zuiver) – ammoniumsulfaat – antraceen 40 % – benzeen – bitumineuze verf –
caprolactam-.creosootolie – cumaron-indeenolie – cyclohexaan – cyclohexanol – cyclohexanon – fenantreen – fenol – formaline – fosfaat-
ammonsalpeter *) – kaliumferrocyanide – kalkammonsalpeter – kalksalpeter – lysine – metamine – naftaline 78 – NP-meststoffen *)
NPK-meststoffen °) – oleum – picoline – pyridine (zuiver) – pyridinebasen 901160 en 901180 – polyetheen (hoge druk) **) polyetheen
(lage druk) °°) – propeen – salpeterzuur 60% (technisch, chemisch zuiver) – salpeterzuur 53% 36
°
Bé (technisch) – solvent nafta

stikstof – tolueen – ureum – waterstof – xyleen – zuurstof – zwavelzuur 66
°
Bé (technisch en arseenvrij)

°)
ged.
handelsmerk STAMIFERT **)
ged. handelsmerk STAMYLANI
STAATSMIJNEN GROEIEN UIT HUN NAAM

748

E.-S.B. 11-8-1965

Auteur