Ga direct naar de content

Jrg. 40, editie 2002

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 26 1955

FA

‘Econômisdi-Statistische

B

1•

Emigratie in 1954

*

1

Prof. Dr C. Loweil Harriss

Business investment prospeçts in tlie

-.

United States

*

J. A. Pieterse van Wijk

Consequenties der interne financiering

1′

Algemenè ouderdomsverzekering en.

partièuliere pensioenvoorzieningen

Drs J. C. Brezet

Tien jaar Herstelhank

UiTGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH IN
;
STITUUT

40e JAARGANG

No2002

WOENSDAG 26 OCTOBER
1955

R Z

LHIMJJ

,ÇL’IYENSVERZk(RINGt%

4

ANK
SC

COLLECTIEVE

PENSIOEN -VERZEKERING

Slaat
t,
wel eens door?

Probeer het dan met

(91

(OP
M
,

carbonpapier

en U staat versteld van het resultaat

KORES voor uw KORES-pondentie

AW

R. Mees & Zoonen

Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam – ‘s.Gravenhage –

Delft – Schiedam – Vlaardingen

Adviezen inzake

Levensverzekeringen

en Pensioen contracten

Verdubbel

uw

opberg-

ruimte

zonder
COMPACTLIS

met

7 N ILJ

ICC)MF

SYS T E E

Nnd. ocI,ow
no.
68.864
B,tgi3Oh
ocfrnoi
no
483 103

Door de toepassing

van het COMPACTUS-

archief ban men de nut.

tigeopbergruimte in be-

staande gebouwen ver

dubbelen, terwijl men

voor nieuwe gebouwen

de archielruimte tot op

de helft kan terugbren-

gen

HEEM.AFJJ,

FABRIEK VAN ELECTRISCHE MACHINES EN APPARATEN

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor
Nederland: Pieter de Hooch weg 120, Rotterdam- W.

Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.

Baniders:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Ban que de Corn-
merce, 6, Place Royale, Brussel, postcheck-rekening 260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwjjnaardse Steen-
weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam-J4.

Abonnem’entsprijs:
franco per post, voor Nederland en de

Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f 29,—, overige landen

f 31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk

nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het

kalenderjaar.
Losse nummers 75 cts.
No 1977 en
no 2000: f2,—.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor

Westzeedjjk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties

te richten aan de Koninklijke Nederlandsclze Boekdiukkerj

H. A. M. Roelanis, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f 0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-

vraag. Rubrieken ,,Vac’atures” en ,,Beschikbare krachten”

f 0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt

zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van

redenen te weigeren.

954

26 October
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

955

Emigratie in 1954

In 1954 emigreerden er uit ons land 61.368 personen.

Dit cijfer treft men aan in het met een suggestieve omslag

getooide verslag van de hier te lande werkzame officiële

emigratie-organen
‘).
In dit verslag zijn o.a. gegevens op-

genomen betreffende de door bêmiddeling dezer organen

plaatsvindende emigratie, regionaal en in de tijd; be-

schrijvingen van de economische toestand in de immigra-
tielanden, alsmede ëen aantal belangwekkende bijzonder-

heden omlrent de beroepen en kerkelijke gezindte van
hen, die ons land hebben verlaten en de aan een aantal
hunner verleende subsidies. Van het zojuist genoemde

aantal emigranten van 61.368 zijn çr, zoals nevenstaande

tabel doet zien, 34.676 vertrokken door bemid-

deling der officiële emi-

gratie-organen. Hiervan

was 36,8 pCt Rooms-Ka-‘

tholiek,
26,5
pCt Neder-

lands Hervormd, 17,0,

pCt Gereformeerd, ter-

wijl 3,3 pCt tot de overige

•en 14,5 pCt niet tot kerk-

genoôtschappen behoor-

de. Opmerkelijk is, dat

het percentage Gerefor-

meerden onder de emi-

granten veel hoger is dan

men, afgaande op het

feit, dat slechts 9,7 pCt

onzer bevolking Gerefor-

meerd is, zou vwachten. –

Door bemiddeling der bovengenoemde organen hebben

15.196 beroepsbeoefenaren in 1954 ons land verlaten.
Het aantal agrariërs onder hen beliep 2.111, een aantal

dat zowel absoluut als relatief ten opzi(-.hte van voorgaan-

de jaren niet onaanzienlijk is gedaald. Van de overige

beroepsbeoefenaren behoorden er, naar uit het ,statistische

deel van het verslag blijkt, 3.335 thuis in de metaalnijver-

heid, 1.420 in de bouwnijverheid en 2.142 in de categorie

kantoor-, ov&rheids- en onderwijzend personeel. Voorts

vonden er 1.826 hun bestaan in huishoudelijke dan wel

algemene dienst en
558
in de voedings- en genotmiddelen-
branche.

De la’atste tijd is herhaaldelijk de vraag gesteld 0f het,

gezien de hier te lande heersende situatie op de arbeids-

markt, wel juist is de gevolgde emigratiepolitiek voort te

1)
Emigratie 1954, 210 blz, Staatsdrukkerj- en Uitgeverijbedrijf, ‘s.Gravenhage
1955.

zetten. Met name tegen het feit, dat emigranten zelfs van de

zijde van het Rijk een tegemoetkoming kunnen ontvangen

in de emigratiekosten – in
1954
werd 69 pCt der via

de genoemde bemiddelingsorganen geëmigreerden ge-

subsidieerd, waarmede een bedrag was gemoeid van ruim

f 23 mln – richtte zich de critiek. De samenstellers van

het verslag zijn van deze bezwaren uiteraard niet onkundig

gebleven. Zij hebben, vermoedelijk hierdoor geïnspireerd,

getracht na te gaan, welke invloed de via deze or-

ganen plaatsvindende emigratie op de binnenlandse

arbeidsmarkt’ uitoefent. Hieraan gaat de opmerking

vooraf, dat bij de hantering Ider statistische gegevens

omtrent de beroepen voorzichtigheid geboden is. In de

eerste plaats omdat zowel

ae aspirant-emigrant ais

tot op zekere hoogte de

met de behandeling der

emigratie-aanvragen be-

laste functionarissen een

begrijpelijke neiging aan

de dag leggen om de in

het geding zijnde beroeps-
qualificaties zoveel moge-

lijk te doen aansluiten

bij de selectienormen en

beroepsqualificaties der
immigratielanden; in de

tweede plaats, omdat uit
– – –

dien hoofde diegenen als

,,geschoold” worden ge-

registreerd, die als zodanig zijn voorgedragen, ongeacht

de vraag of deze qualificatie met de Nederlandsé

classificatie overeenstemt.

Met deze waarschuwing voor ogen kan worden ver-

meld, dat het aantal als geschoold voorgedragen emigran-

ten in
1954 5.462
mannen en 823 vrouwen bedroeg. Niet

alle onder deze aantallen begrepen beroepsbeoefenaren

kunnen uiteraard als moeilijk misbaar voor de Nederland-

se economie worden aangemerkt, daar er ook een aantal

beroepen onder valt, dat van geeh of slechts zeer geringe

invloed is op het industrialisatie-streven. Uit een oogpunt

van moeilijke misbaarheid voor onze economie kan het

totaal der in 1954 als geschoold voorgedragen emigranten

uit de industriële sector en de bouwbedrijven, aldus het

verslag, tezamen globaal worden gesteld op 3.311 beroeps-

beoefenaren.

Emigratie
.

Immigratie

Jaar
Waarvan door
Waarvan Uit
Saldo bemiddeling
Indonesië
der emigratie-
Totaal
Suriname
Totaal
organen
en de Antillen

gem.
1930-1939

45.980

46.527
547
1945

15.664
430
29.074
13.410
1946 504
66.828 72.518
107.373
40.545
1947
6.818 65.897 24.643
54.426
-11.471
1948
13.837
66.454
19.942
46.278
-20.176
1949 13.963
58.185
19.130
36.319
-21.866
1950
21.330
50.697 57.685
70.602
19.905
195!
37.605
67.449 32.566
45.016
-22.433
1952
48.690
81.347
19.675
33.666
-47.681
1953
38.049
67.080
18.850
35.449
-31.631
1954
34.676
61.368
23.195
42.425
-18.943
gem.
1945-1954
21.547
60.097 28.863 50.065

10.034

INHOUD

Blz.
Emigratie in 1954

……………………..955

Business investment prospects in the United

States, door Prof Dr C. Loweli Harriss …….957
Consequenties der interne financiering,
door

J. A. Pieterse van Wijck ……………….959

Algemene ouderdomsverzekering en particuliere

pensioenvoorzieningen …………………962

Blz.

Bedrijfseconomische notities:

Tien jaar Herstelbank,
door Drs J. C. Brezet . . 965

Ingezonden stuk:

Welvaartsontwikkeling in

Suriname en de

Nederlandse Antillen, door Z. Exc. W. F. M.

Lampe, met een naschrij’t van Prof Dr R.

A. J. van Lier ……………………..
969

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet …
970

COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. ‘W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin? J. E. Menens de Wilmars;

J. van Tichelen; R. Vandeputte;
A.
Vlerick.

AU 1LUKMtI.L1-i[ VUUKJIEHUUDEN

956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTN

26October
1955

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Prof Dr C. LO WELL HARRISS, Business investment

prospects in the United States.

Het antwoord op. de vraag of het hoge niveau der

economische activiteit in de Verenigde Staten zal voort-
duren is ten dele afhankelijk van de vdoruitzichten in de

kapitaalgoederenindustrie, die tot op zekere hoogte de

vooruitzichten voor de gehele Amerikaanse economie

vormen. Het is van belang of het bedrijfsleven zich zo

ruim van kapitaalgoederen heeft voorzien, dat het spoedig

de grote bedragen, die het jaar op jaar voor uitbreiding

en verbetering uitgeeft, zal laten dalen. Het antwoord op

deze vraag ligt ten dele besloten in schattingen ojfitrent

de behoefte aan investeringsgoederen. In de Verenigde

Staten is een ernstige poging gedaan deze behoefte te

bepalen. Schr. geeft de gevolgde methode en de belang-

rijkste resultaten van het onderzoek, die zowel op het

verleden als op de toekomst betrekking hebben, weer.

Het vervangingselement in de kapitaalbehoefte kan met

een geringe foutenmarge worden bepaald. Ter bepaling

van de groei zijn lage en hoge percentages gebruikt.

Volgens de lage groeipercentages zou de totale be-

hoefte aan investeringsgoederen toenemen van $ 32

mrd in
1955
tot $ 39 mrd in
1965,
volgens de

hoge tot $ 48 mrd. Gegeven deze behoefteraming blijft

de vraag of de investeringen inderdaad zo hoog zullen
zijn. Schr. geeft zijn interpretatie van de ontwikkeling

der factoren, waarvan het antwoord op deze vraag

afhangt.
J. A. PIETERSE VAN WIJCK, Consequenties der interne

financiering.

De laatste tijd is er over deinterne financieringswijze,

zoals deze door sommige Nederlandse rederijen wordt

toegepast, nogal een en ander te doen geweest. Hierin
ziet schrijver aanleiding dit vraagstuk nader te bezien

aan de hand van een tweetal voorbeelden. Hij heeft daar

toe gekozen twee rederijen, die vo1komen aan elkaar

gelijk zijn, maar waarvan de ene de methode van interne

financiering niet toepast en de afschrijvingen niet cal-

culeert op basis der vervangingswaarde en de andere wei.

Aan de hand van de uit het voorbeeld en de veronder-

stellingen voortvloeiende cijferreeksen kunnen een aantal

conclusies worden getrokken, welke door schrijver aan

een beschouwing worden onderworpen. De aandeel-

hôuders van de onderneming, die niet intern financiert,

blijken ook in de jaren na de vervanging een hoger

dividend te genieten dan de aandeelhouders der andere
onderneming. De aandeelhouders van de onderneming
die intern financiert, zullen in de beurskoers – ondanks

het feit dat de intrinsieke waarde van een aandeel dezer

onderneming hoger is dan die der onderneming welke

niet intern financiert – geen voldoende compensatie

vinden voor ingehouden winsten, c.q. minder uitgekeerde

dividenden. Wordt echter het voor besparing in aan-

merking komende inkomen, na aftrek van de door de

aandeelhouder te betalen inkomstenbelasting, in de be-

schouwing betrokken, dan blijkt, dat inhouden van

winsten met het oog op de financiering van vervanging

der door geldontwaarding in prijs gestegen kapitaal-

goederen voor een aandeelhouder alleen nadelig is voor

zover hij de bedoeling heeft zijn aandelenbezit te liqui-

deren op het moment, dat tot vervanging van het

kapitaalgoed moet worden overgegaan.

Algemene ouderdomsverzekering en particuliere pensioen-

voorzieningen.

In de Memorie van .Toelichting op het wetsontwerp op

de algemene ouderdomsverzekering wordt ôpgemerkt,

dat de bepalingen van artikel 60 van dit ontwerp beogen,

om in gevallen, waarin een particuliere pensioenregeling

niet zeif reeds een aftrekregeling bevat, de juridische

mogelijkheid te openen om niettemin het wettelijk

bodempensioen geheel of gedeeltelijk op het toegezegde

pensioen in mindering te brengen. Bij een nadere be-

schouwing van de onderhavige bepalingen rijst echter de

vraag of hiermede inderdaad het beoogde döel wordt

bereikt. Betoogdwordt, dat het in die gevallen, waarin

het pensioentoezeggingen waarvoor verzekeringsover-

eenkomsten zijn gesloten betreft, allerminst zeker is
dat de werkgever de hem in artikel 60 lid 1 gegeven

bevoegdheden zal kunnen uitoefenen. Voorts zal een
S
be-
roep op lid 2, waarin t.a.v. pensioenfondsen wordt

bepaald dat in de statuten en reglementen bepalingen

kunnen worden opgenomen volgens welke het wettelijk

ouderdomspensioen gèheel of ten dele in mindering wordt

gebracht op de uitkeringen van het fonds, vrijwel nooit

nodig zijn. De redactie der beperkende voorschriften,

welke bij het in mindering brengen van het wettelijk

ouderdomspensioen in acht moeten worden genomen,

tenslotte, doet de vraag rijzen of deze voorschriften een

algemene strekking hebben dan wel slechts betrekking

hebben op gevallen, waarin aftrek plaatsvindt met een

beroep op artikel 60 lid 1 en 2.

– SOMMAIRE –

Prof Dr C. LOWELL HARRISS,.Les perspectives con-

cernant les investissements aux Etats- Unis.

La réponse â la question si la conjoncture favorable

aux Etats-Unis se poursuivra dépend en partie des pers-

pectives dans l’industrie des marchandises â investisse-

• ment et qui sont â leur tour dépendantes des futurs
besoins en marchandises â investissement. L’auteur

indique la méthode et les principaux résultats d’une en-

quête faite aux Etats-Unis au sujet de ces futurs besöins.

Ensuite il, donne ses propres vues sur les facteurs qui sont

qualificatifs pour déterminer si les investissements seront

oui ou non de la même importance que les besoins.

J. A. PIETERSE VAN WIJCK, Conséquences du finan-

cement interne.

L’auteur examine de près le financement interne tel

qu’il est mis en application par certains armements

néerlandais. A cet effet ii a pris comme exemple deux

armements dont l’un applique le financement interne et

tient compte de la valeur de remplacement, tandis que

l’autre ne le fait pas. II examine quelle est l’infiuence de

ces deux méthodes sur le dividende â distribuer, la valeur

intrinsèque et le cours noté en Bourse des actions et sur le

financement lors de l’acquisition d’un nouveau bateau.

Assurance
vieillesse
générale et dispositions pour une

retraite dans le secteur privé.

L’article 60 du projet de bi portant sur l’assurance

vieillesse générale comporte un nombre de prescriptions

concernant l’adaptation des dispositions prises dans le

secteur privé pour la retraite â la retraite minimum. Dans

le présent article l’attention est tirée sur un nombre de

questions juridiques auxquelles donnent lieu les termes

de l’article 60.

26October
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

Business investment prospects in the United States

Can it continue —the U.S. business boom? For 10 years

the United States has enjoyed high, and rising prosperity.

Today, the level of business is the highest ever, Two

declineg, one starting in 1948 and the other in 1953,

stopped before they became serious. There was no

process of cumulative spiraling downward. Ever without

large, deliberate compensatory fiscal and budgetary

action by the national government, contraction never

got a strong enough hold to convert modest recessions

into deep depressions. Will this happy condition prevail

in the future?

Strategic irnportance of capital goods.

The answer will depend partly upon the prospects of

capital goods industries.’ Although most of our economic

effort is devoted to supplying consumer goods and serv-

ices, the producer goods industries are more important

in our prosperity than their absolute size – about 10 pCt

of gross output (excluding residential construction)
might suggest. 1f they begin to suffer their dedine will

puil down consumer goods industries, probably in some

multiple fashion. Any substantial and prolonged depres-
sion in capital goods industries is almost certain to mean

a dreaded depression for the whole economy. Therefore,

the outlook for producers of business capital goods

machine tools; factory, refinery and pipeline, mining,

railroad, farm, utility equipment; business construction;

and other elements of non-consumer goods industries –

is to some extent the outlook for the whole U.S. economy.

Capital goods; of the type we are considering, usually
have long lives, at least physically. Once produced, they

may continue to turn Out goods or services for years or

decades. Replacement of plant and equipment today is

about 3 1pCt of the existing stock for the whole economy.

A business, an industry, a region, or even a whole eco-

nomy may instal enough productive capacity to provide

for not only its current needs but also those of years

ahead. 1f it reaches this state, demand for additional

capital goods will drop, perhaps to maintenance levels or

even below. Railroads in this country in the late 19th

century and office buildings and steel mills in the 1920’s

are two of many examples. Has the boom since 1945

created somewhat similar conditions? Has business been
&quipping itself so generously that jt can soon let down,

reduce the vast sums it has been devoting year after year

to expansion and improvement – and, in slowing down,

iiiadvertently start a serious depression? Such questions

have been causing concern. What are the facts?
Measuring ,,need” for additional capitâl equipment.

Part of the answer will lie in estimates of the ,,need”

for capital equipment. 1f needs clearly and substantially

exceed what has been accomplished to date, there is

some basis for believing that capital formation will flow

about as it has. 1f littie need is evident, the flow of new

investment will .probably contract. Unfortunately, the.

estimation of need for capital goods is extremely hazard-

ous. What was shortage yesterday may prove surplus

tomorrow, and vice versa. Despite the hazards, however,
a serious attempt has been made to measure future needs
for business plant (buildings) and equipment.
The work was done by the research staff of the Machi-
nery and Affied Products Institute. For a period of nearly

20 years this institute, with financial aid from a sub-

stantial number of business firms in capital goods indus-

tries, has studied problems associated with the outlook

of this broad segment of the economy. The findings of the

present study, to my knowledge, have not yet been

analyzed publicly by scholars comptent to assess the

techniques and underlying data. Nevertheless, the past

record of the, staff inspires confidence in the results,

qualified as they are at.point after point.

The niethod.

The essential element of the method is determination

of past trends and projection into the future. Unfortu-

nately, statistics for the past leave much to be desired,

but usable figures go back to 1900, or in some cases 1910.

The basic data, though far from satisfactory, are good

enough to give broad indications of past magnitudes.

A second difficulty is that more than a third of the period

– from early 1930’s to late 1940’s -.- was anything but

,,normal” (or so we hope). According to the Institute,

and 1 agree, neither the worst depression of history nor

the biggest war should be used in computing a ,,normal”.

Yet eliminating them means that trends must be based

on a period which is now quite remote – 1900 to 1930;

this the Institute does, warning that study in the years

ahead-may disclose that the older trends are less applic

able today than is assumed. In the absence of better data,
however, these figures apparently offer the best guidance

available. A third difficulty is adjusting for price changes
;
fortunately, however, work by statisticians of the Natio-

nal Bureau of Economic Research and the U.S. Depart-

ment of Commerce has produced indices of prices of

capital goods which can serve helpfully.

Majorfidings.

Findings
1)
are presented in several ways. In all cases

plant and equipment are treated separately and then

combined. Data are adjusted for price changes.

Since 1930 expenditures on
business plant
have never

reached the 1900-1930 trend line; from 1930 to 1945, a

long period indeed, they were always very.far below the

trend.
Equipment
– now accounting for more than

twice the outlay for plant – has been above the trend

line since 1945 after having been below for 15 years.

Total plant and equipment
have been some%yhat – one

tenth or less

above the trend line since 1946.

Much the same findings apply when plant and equip-

ment expenditures are related to• the privately proctuced

Gross National Product. In 1955 plant expenditures of

3 pCt of-GNP are below an indicated trend of about

3.7 pCt; equipment outlays for 6.6 pCt compare with a

trend figure of 6 pCt; combined, they were slightly above

the trend. For 15 years, however, they were substantially

below. These figures include replacements (but not

repairs) and are thus gross, not net, additions to prodic-,

tive capacity.

Can we allow for the deficiencies accumulated during

the depression and war years? Fortunately, the Institute’s

other work has yielded data on the estimated ,,survival

value” of plant and equipment going back to 1.910; in

other words, the staff has computed the depreciated value

‘) The findings are summarized in number 22 of the ,,Capital Goods Review”,
May 1955. The
Institute’s address is 1200 Eighteenth St., N. W., washington
6. D. C., U. S. A.

958

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 October 1955

of plant and equpment at the beginning of each year

and the net additions during the year. Each year’s stock

is,copared with the total indicated by the trend. Unil

1931, divergences aré a1mot imperceptible. From then

until the mid-l940’s the total stock (in dollars of constant

value) remained almost cônstant whjle the trend line of

normal continued upward.’ the end of the war the

itual stock of about $ 350,000,000,000 (which had turn-

cd out prodigibus quantities of goods and services) corn-

pâred with an indicatèd trehd of about $ 500,000,000,000

– a substantial deficiency. The
1955
deficiency was about

the same, $ 150,000,000,000, although the stock had

gr9wn to nearly $ 550,000,000,000. Most of the deficiency

was in klant, but the equipment total was short of trend

by more thân 2 years’, total a
1
dditions. A final measure

relatès (a) gross stocks Of plant and equipment to (b)

privately-prodüced Gros National Product. It shows a

totalof about 170 pCt compared kith an indicated trend

of
I
about 230 pCt.

What of thè future? Total demand will consist of (a)

rplacements. plus (b) growth. Replacements will depend,

.except Jor, shortrun disturbances, upon the stoclç in

existence. This is a known quantity, and annual.outlays

neededformaintenance on ‘past standards can be estimat-

cd with small error. Growth rates are more difficult to

forecast. ,The Institute uses two, a high and a 10w. For

plant the low rate, 2 pCt a year, is roughly the post-war
average; the high rate, 3 pCt, is about that before 1930.
For
equipment
both the low rate, 3 pçt, and the high,

4 .pCt, are below post-war levels. (These rates are above,

posp,ective- rates of population growth). The resuits are

perhaps astonishing. The low growth rates show total

annual demand rising from $ 32,000,000,000 in 1955, to

$ 39,000,000,000 in
1965.
In the latter year, however, the

high growth rate, would bring a total demand of

$ 48,000,000,000:- The latter is 50 pCt above the highest

total of the post-war boom.

Signficance.

One conciusion to be drawn from the findings, is that
the high levels of capital goods production since World

War II have not been seriously out of line with trends of
the period 1900-1930. Recent boom years have not been

stealing demand from the future. The deficiencies from

the depression and war periods have not been made up.

Much the greatest deficiençyremains in plant, so.much

that the validity of the, trend
,
figure may be questioned

There are some general reasons for expecting that outlays

for new plant will remain below earlier trend levels,

perhaps nearer 2 pCt than 3 pCt. For one thing, con-

struction costs have risen relatively more than other

prices and apparently more than the increase in productiv-

ityof iiew buildings. From 1940 to 1953 th& index of con-

struction costs rose 150 pCt while that for’ producers’

durableequipment rose 99
pet.
Moreover, new machines

probably reflect more improvement over old.ones, dollar

for dollar, than new buildings over old ones. Management

tries harder to utilize space efficiently. A second reason

is that some of the new features in plant can be obtained

by altering old structures rather than building everything

new. Moreover, much new equipment is space-saving –

mechanical accounting and computing equipment that

replaces dozens of clerks each of whom needed a desk

and space; factory machines that turn out more per

square foot of floor space; new handling techniques that

permit storing goods in higher stacks to take fuller ad-

vantage of space near ceilings. There are doubtless more

reasons, and some tending in the other direction. Perhaps

the near future will see an increase in business efforts to

enlargè and improve plant more rapidly than in recent

)fears, though with the construction industry fully employ-

cd, there is today little robm fr rapid expansion.

Looking beyond such details, one sees that a large, aiid

even a growing, demand for capital goods need not rest

on abnôrmal conditions. Even low growth rates – rates

below those of the post-war period, and not up to those

needed for the expanion of income we seek to support

a rapidly growing population, and raise our levels of

income as desires for consumption require – even such

low rates would require more output of producers’

goods than during thecurrent boom. Needs for more and

more capital equipment seem dear from the study.

But will investment continue at high rates?

• Accepting the generâl’ findings ôf the study, one may

stil insist, ,,N6e4s are _not enough to create effective
dernand. In the 1930’s business certainly did not inest

according to the earlier trend usedin this study. What is
to gliarantee that it will in ‘the future”. Well, there is no

guarantee. But there’are’reasons for,optimism, and some

fôr concern. (1 cannot, however, emphasize too strongly
my conviction that anything like the tragic depression of

the 1930’s is outside the range of possibilities foreseeable

today., Comments on a, few aspects of the problem may
throw some light on thé prospects,as T interpret them.

The continuation of – cpital formation will depend

upon saving. Conceivably, saving may be higher than

appropriate; if families and businesses use more of their

income for saving, curtailing consurnption, they reduce

demand and thereby discourage business purchase of new

capital goods. Many economists emphasized this danger in

the 1930’s. On the other hand, savings may be inadequate

to finance as much investment as businesses wish to make

under prevailing conditions. Net
personal and business

savings of $ 29,000,000,000 in 1954 will not permit ‘busi-

nesses, families, and govermnents to add $ 30,000,000,000

or, môre capital plant andhousing (net) without infia-

tion. There is no way to – determine the quantities

of saving that will be made in the next few years. Certainly

they will be large enough to finance a large volume of

business
1
investment, plus great amounts of housing and

governIiient construction. Whether they will be ,,large
enough” or ,,too much” no one can say for sure – at the

moment they tend to be somewhat less. than needed to
prevent infiation. ,My own feeling is that over the next

few years any ,,disparities” are likely to be small relative

to the totals and within the capacity of the economy to

adjust.,

Another basic problem is the
cost of capital goods
in

relation to the productivity of what is new. Although

there may be big demand in the sense of a general desire,

tlie effective demand, – the quantity dernanded – may,

be
small
because costs are too high. Here again the future

is ,uncertain. Plant construction costs will probably

continue to risc, tending to discourage some building.

Yet, there is no overwhelming reason to believe that the

speed of their rise will accelerate enough to retard growth

appreciably more than has been the case historically.

Costs of, equipment have risen and will continue
(
to in-

crease, but T see no compelling reason to believe that they

will rise more – in relation to improved productivity of

the .machines -• than – prices generally., Cornpetitioi is

26 October
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

959

extensive enongh – except where patents protect soiîie-

thingnew—tokeep prices in line with those of the rest of
the economy, not always or perfectly but tolerably well.

A third impörtant infiuence is the
progress of science.

Investment in new capital equipment depends in part

upon the opportunities to (a) improve the prdduct and

get a higher selling price or (b) reduce cost. The develop-

ment of better machines and processesrests largely upon

research, in the broadest sense. Here’ there can be no

doubt: deliberate, systematic, sustained, intelligntly

directed research proceeds at a much higher trate than

ever before. Unless the whole history of man’s discovery

of the universe is reversed, new findings will pour out

of laboratories in unprecedented volume. To use “them

profitably, businesses will often need new equipment

The opportunities to gain by investment in new capital

goods will grow – thanks to research on which this

country spends over $ 4,000,000,000 a year, with the
work done chiefly by, or for, business firms. For this

reason alone, 1 believe that trends based on 1900-1930

experience will prove lbw. Before 1930, it was a rare

industry indeed that conducted any significant amount

of exploratory research; today the industry that does

not is equally rare Inevitably,
the
dernaiïd for new

equipment will rise.

Finally, there are the varied but related issues of (a)

freedom
and (b)
incentive. Will
business be impeded

seriously by restrictions of government, business groups,’

or other restiaining forces or practice? and will there be
adequate incentives to press ahead? In’ general, govérn-

mental restrictions are not crucial toay. They certainly

exist, especially state and local regulations to protect

health and safety, the placing and tpe’of construction,

and disposal of industrial wastes. The total effect is

probably no appreciable depressant on invetment

becaus’e few modern firms would want to do the kind of

things now prohibited. Rëstraints imposed by businesses

themselves are generally prohibited by antimonopoly

law; these are much more effective than foreign obser-

vers seem’to believe. The result is that businesse’s, no

matter howmuch they mih,wish, cannot combine or

agree to restrictive policies that can be en,forced; in,

practice there are exceptions, especially at the local level.,

Stili, they’are exceptions the dominant fact is ,that ‘on&

firm or group cannot prevent others from entering an

industry or adopting new ‘and better techniques where,

interstate commerce is involved.


Shortages of engineers and other highly trained ter-

sonnel ‘have slowed some investment progtams ad will,

continue té do so for several years. On the other hând,

more generous tax allowances for depreciation will give

some stimulus to earlier replacement and original iiista1-

lation of equipment. Perhaps eVen more important,

consumer demand shows no signs of slackening – the

consumption function rises, and population grows.’

• What is done in fact will depend upon ‘vhat decisiön-

makers choôse. Will businessmen hav’e strong enough’

incentives to drive ahead? Will they be frightened by
modest declines in business – which are inevitable

and curtail investment spending plans out of fear more
than out of careful reassessment ôf the prospects? Will

they become contented with things as they are? Or will

obstacles and discouragements seem so great that véntur-,

ing is not worth while? Recent experience, which does not

necessarily apply to the future, provides basis for coh-.

siderable optimism. Competition is strong. Busines’

declines since 1945 have witnessed an increase in compe-

titive pressurës to instail the newest çost-reducingequip-

ment possiblé. The rewards, and penalties, of management

remain substantil. ‘

‘Ne’w York.

Prof. Dr C. LOWELL HARPJSS.

Consequenties

1

dèr interne financiering

In de laatste tijd is er over de interne financietihgswijzë

zoals deze door sommige Nederlandse rederijen wordt

toegepast, nogal het een en ander te doen geweest. Zowel

op de aandeelhoudersvergaderingen als in financiële

bladen zijn hierover vaak harde woorden gezegd. Het

heeft daarom zijn nut dit vraagstuk nog eens met behulp

van een eenvoudig voorbeeld onder de loupe te nëmen.
Als uitgangspunt is het volgende voorbeeld gekozen:

Gegevens:

Er zijn twee rederijen, de n.v.
A
en dé’ n.v.
B.

A past de methode van interne financiëring
niet
toe,

houdt geen rekening met enige vervangingswaardeleer,

doch volstaat met afschrij ving op basis van een bepaald

percentage voldoende tot instandhouding van het ‘oor-

spronkelijke nominale geïnvesteerde kapitaal.

B past de methode van interné financiering tôe en cal-
culeert afschrijving op basis van de vervaiigingswaardë-‘

leer.
Overigens zijn beide maatschappijen volkmen aan

elkaar gelijk. Ieder exploiteert één schip met een kostprijs

van f 1 mln, gefinancierd door de uitgifte van f’ 1 mln
aandelen. Téneinde de getallenreek sen te beperken is

aangenomen dat het schip over 5 jaren zal moeten worden
vervangen; het werkelijke
aantai.jaren
is voor het betoog

van geen belang.’ De residu*aarde is bij de aanvang van

het bedrijf geschat ,op f 100.000: Het exploitatie-overschöt

v66t afschrijving bedraagt in het eerste jaar f 500.000 en

aangenomen wordt dat ook’ in volgende jaren een gelijk-

waardig overschot zal worden’ genoten. Vennootschaps-

belasting 43 pCt, investeringsaftrek en vervroegde af-

schrjving buiten beschouwing gelaten. Ter vereen-

voudiging van de bespreking zijn als jaartallen genomen

1955 en volgende jaren; deze jaartallen zijn echter vol-

komen willekeurig. Verder,”is uitgegaan van de ver-

ondrstellirg dat ten gevolge van nationale en internatio-

nale loonronden en andere overheidsmaatregelen de

,prjzen ieder jaar met 20 pCt zullen stijgen. Deze 20 pCt

is eveneens toegepast’ op’ de exploitatie-uitgaven en

-ontvangsten, hoewel het vanzelfsprekerd in de praktijk

zo zal zijn, dat deze prijsstijging onder invloed van de

internationale concurrentie variaties zal vertonen.

‘Op basis van deze gegevens en veronderstellingen
ontstaat de volgende cijferopstelling, aangevehde de

bedragen welke voor aandeelhouders beschikbaar komen:

960

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 October 1955

Rederij A – zonder interne financiering

Jaren
St
Afshrijving
Netto resuitaat
Belasting 43 pCt
Da’.

500.000
180.000
320.000
137.600
382.400
18,2
600.000
180.000
420.000
180.600
239.400
23,9
1955

…………………….

720.000
180.000
540.000
232.200
307.800
30,7
1956

…………………….
1957

……………………..
864.000
180.000
684.000 294.120
389.880
38,9
1958

…………………….
1959

…………………..
1.036.800
180.000
856.800
368.424
488.376
48,8

Rederij B – met interne financiering

gem. 32,1 pCt

Jaren Exploit..
overschot
Vervang.-
waarde
Afschr.

Netto
Belast. Beschikt,,
1

Div.
vôôr afschr.
schip
waarde
J
resultaat 43 pCt
v. aandeelh.
1

pCt

500.000
1.000.000
100.000
180.000
320.000
137.600
182.400
18,2
600.000
1.200.000
120.000
223.200
376.800
180.600 196.200
19,6 1955
………………

720.000
1.440.000
144.000
374.400 345,600
232.200
113.400
11,3
1956
………………
1957
………………
864.000
1.728.000
172.800
466.560
397.440
294.120
103.320
10,3
1958
………………
1959
…………….
1.036.800
2.073.600
207.360
622.080 414.720 368.424
46.296 4,6

gem. 12,8 pCI

Aan de hand van bovenstaande cijferreeksen kunnen
enkele conclusies worden getrokken, welke een nadere

beschouwing waard zijn.

Een vergelijking van de dividendkolommen van

A en B toont aan dat een geldontwaarding door een

onderneming, die interne financiering toepast op basis

vervangingswaardeleer, wordt verhaald op de aandeel-

houders. Immers
r
in
1959,
dus zodra het prijspeil ongeveer

verdubbeld is, ontvangt de aandeelhouder van A 48,8 pCt

dividend, terwijl die van B slechts 4,6 pCt ontvangt.

Ter vergelijking volgt hieronder een staatje, aangevende

hoeveel pCt dividend in de verschillende jaren door de

aandeelhouders getoucheerd had moeten worden, uit-

gaande van een reële uitkering van 18,2 pct zoals in het

eerste jaar.

Dividend 1955

1
Werkelijke uitkeringen
Jaren

als basis daarna 20 pCt verh.

A

B

1955
…………….. . ….
18,2 18,2
1956
21,8 23,9
19,6
1957

.18,2

26,2
30,7
11,3
1958

……………..
……
…..

…………
……
31,4
38,9
1

10,3
1959
……………..
……
…………………..
37,7 48,8
4,6

Daaruit blijkt dat de aandeelhouder van A zijn be-

sparingen c.q. zijn verteringen gebaseerd uit zijn dividend-

inkomen, niet alleen op het niveau van
1955
kan hand-

haven, maar zelfs nog iets overhoudt. De aandeelhouder

• van B heeft niet alleen het percentage van zijn dividend
zien dalen, maar ontvangt ook geen enkele compensatie

voor zijn gedevalueerd inkomen.

De financiële positie van de rederij na volledige

afschrij ving van het schip ‘ziet er als volgt uit:

Rederij A.

in kas
………………………….
f

900.000
aloopwaarde schip
………………….
207.360
f 1.107.360
kederij B.

in kas
…………………………..
f 1.866.240 sloopwaarde schip
………………….
207.360
f 2.073.600

De intrinsieke waarde van een aandeel B is dus on-

getwijfeld veel hoger dan die van A, maar de beurskoers,

die in eerste instantie beïnvloed wordt door de dividend-

uitkeringen, zal niet zo veel afwijking met die van A

vertonen. Immers, A heeft gemiddeld 32,1 pCt dividend

uitgekeerd en B slechts 12,8 pCt. De koper van een aandeel

B zal zeker niet bereid zijn een koers te betalen, welke

zou overeenkomen met de intrinsieke waarde, want dan

zou het reële rendement van zijn belegging minimaal

worden. De conclusie is dan ook gewettigd dât aandeel-
houder B in de beurskoers geen voldoende compensatie

zal vinden voor de ingehouden winsten, c.q. minder

uitgekeerde dividenden.

3. Bij’ voortzetting van het rederjbedrijf zal tot aan-

schaffing van een nieuw schip moeten worden over-

gegaan. De financiering daarvan zal geschieden:

bij rederij A: door een beroep op de kapitaalmarkt;

bij rederij B: door gebruikmaking van de opgespaarde

Winstinhoudingen..

Het beroep op de kapitaalmarkt van A kan op ver-

schillende manieren plaats vinden, o.a.:
door vergroting van het aandelenkapitaal.

De oude aandeelhouders zullen hierbij wel varen,

want de emissiekoers zal wel ruimte laten voor een

behoorlijke claimwaar.de
. Het gemiddelde dividend

(in het voorbeeld 32,1 pCt) zal een redelijke marge

tussen beurskoers en emissiekoefs mogelijk maken.

door het aangaan van een lening.

Het aangaan van eén lening, hetzij ondershands of

door uitgifte van obligaties, is voor de aandeelhouders

in zoverre voordelig dat de lening een vaste rente

draagt en dus een groter deel van de winst voor de

aandeelhouders als dividenduitkering in aanmerking
komt. Een gevaar schuilt in het feit, dat in tijden van

minder gunstige conjunctuur de regelmatige aflossing

van een lening in het gedrang zou kunnen komen.

Uitgaande van de stelling dat de geldontwaarding

zich zal blijven voortzetten, weegt dit bezwaar van
een mogelijke verslechtering van de liquide positie

evenwel niet zo zwaar meer.

4. Bij voortzetting van het bedrijf en uitgaande van

dezelfde gegevens en veronderstellingen als in bovenstaand

voorbeeld, vertonen de cijfers van A en B het volgende

beeld:

Rederij A – met vergroting van het aandelenkapitaal

Jaren
Exploit.-overschot
Afschrijving
Netto
Belasting
Beschikb. v.
Div.
vâér afschr.
20 PCI
resultaat
43 pCt
aandeelh.
pCt

1.244.160
373.248
870.912

.
374.492
496.420
25,2
1.492.992
373.248
1.119.744
481.490
638.254
32,4
1960

…………………….

1.791.590
373.248
1.418.342
609.887
808.455
,41,1
1961

…………………….
1962

……………………
2.149.908 373.248 1.776.660
763.964
1.012.696
51,5
1963

.
., ………………..
1964

…………………..
2.579.890
373.248
2.206.642
948.856
1.257.786
63.9

geni. 42,8 pCt

26 dctober 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

961

Rederij A – ‘met uitgfte van 5 pCt obligaties,

totaalf 966.240

Ja en
r
Exploit..overschot
Rente 5 pCt
Afschrijving
Netto
Belasting
Beschikb. v.
Div. vôôr afschr.
20 pCt
resultaat
43 pCt
aandeelh.
pCt

1960

1.244.160
48.312
373.248
822.600
353.718
468.882
46,8
1961


1.492.992
38.650
373.248 1.081.094
464.870
‘616.224
61,6
1962

1.791.590
28.987
373.248 1.389.355 595.423
791.932
79,1
1963

2.149.908
19.325
373.248 1.757.335
755.654
1.001.681
100,1
1964

2.579.890 9.662
373.248
2.196.980
944.701
1.252.279
125,2

gem. 82.5 pCt

Rederij B – met interne financiering

Jaren
Exploit.- overschot
1

Vervang.-
waarde Residu-
Afschrijving
1

Netto

I

Belast.
Beschikb. v.
Div.
vôôr afschr.
1

schip
waarde
1
20 pCt
1

resultaat
1

43 pCt
aandeelh.
pCt

1.244.160
2.488.320 248.832 447.898
796.262 374.492
421.770
42,1
196
1
.
49
2.985.984
298.598
627.056
865.936
481.490
384.446 38,4
1960
……………..

1.791.590
3.583.180
358.318
859.963
931.627
609.887
321.740
32,1 1962
……………..
2.149.908
4.299.816
429.982
1.160.950
988.958
763.964
224.994
22,4
963
…………….
$64
……………
.2.579.890
5.159.779
515.978
1.547.934
1.031.956
948.856 83.100
8,3

gem. 28,6 pct

Bovenstaande cijfers tonen aan, dat ook in de jaren na

de vervanging de uitkeringen aan de aandeelhouders van

A en B, na vergroting van het aandelenkapitaal van A,

tanmerkelijk uiteen lopen (in het voorbeeld A 42,8 en

B 28,6). Gezien het rendement in de voorafgaande periode

is het te verwachten dat het beroep op ‘de kapitaalmarkt

-van A met succes zal kunnen plaatsvinden. De uitgifte

van obligaties of het opnemen van een banklening is

uiteraard voor de aandeelhouder nog voordeliger. De

interestkosten, waarin ook de fiscus een deel meedraagt,

helpen de aandeelhouder aan een hogere uitkering over

een laag gehouden aandelenkapitaal.

De geldontwaarding noodzaakt tot financiering van

de vervanging van duurzame productiemiddelen door het

aantrekken van vreemd kapitaal. Dit vreemde kapitaal

zal in overvloed aanwezig zijn en gemakkelijk verkrijg-

baar zijn, aangezien iedere inflatie’ een vergroting van

de geldhoeveelheid ten gevolge heeft en een deel dezer

vergroting op de kapitaalmarkt beschikbaar komt. Het

afromen van deze beschikbare geldhoeveelheid ter

financiering van kapitaalgoederen is economisch alleszins

verantwoord.

5.
Het inhouden van winsten om de prijsstijging van

kapitaalgoederen op te vangen komt in feite neer op een

vermindering van de uitkering aan aandeelhouders.

Men kan tegenwerpen dat de uitkering van een vaste

rente aan obligatiehouders door de geldontwaarding

eveneens in reële waarde is gedaald. Dit is volkomen

juist, maar men dient hierbij in aanmerking te nemen

dat de obligatiehouder van nature slechts een nominale

rente opeist en alle daaraan verbonden consequenties

aanvaardt. Immers, hij leent geld tegen een vast rente-

percentage, onverschillig hoe de uitkomsten van het

bedrijf al of niet onder invloed van een geldontwaarding

(Ingezonden medet2ei4ng)

zullen zijn. H ‘wenst niets meer of minder dan dit vaste

rente-inkomen.

De aandeelhouder staat evenwel op een geheel ander

standpunt. Hij stelt zijn geld beschikbaar aan een onder-

neming met de vooropgezette bedoeling deel te hebben

aan de op- en neergang van de exploitatie-uitkomsten

van het bedrijf. Hij heeft het vooropgezette doel een zo

groot mogelijk aandeel in de wiilst te verkrijgen ook,

indien mede onder invloed van geldontwaarding, de

uitkomsten hoog zijn. Anders uitgedrukt: hij heeft een

aandeel jn een schip genomen en van alle winsten die met

de exploitatie van dit schip gemaakt worden, eist hij zijn

evenredig deel op, onverschillig hoe groot de waarde van

dit schip op een gegeven moment js. Prijsveranderingen

bij vervangiig komen voor hem op de tweede plaats en

hij kan met zijn aandeel niet verantwoordelijk gesteld

worden voor een prijsverhoging door geldontwaarding.

Deze uit geldontwaarding voortvloeiende prijsverhoging

van het te vervangen kapitaalgoed regardeert de oor

spronkelijke aandeelhouder niet.

6. Het bovenstaande betoog komt in een geheel ander

licht te staan indien we het voor besparing in aanmerking

komend inkomen van de aandeelhouder na aftrek van

de door hem te betalen inkomstenbelasting in de be-

schouwing betrekken. Immers, wanneer we uitgaan van

een percentage van 50 voor de door de aandeelhouder

te betalen inkomstenbe’lasting, dan blijkt dat de aandeel-

houders van A in de loop der jaren f 803.928 hebbn

kunnen besparen en die van B f 320.808. Maar, bij de

vervanging van het schip moeten de aandeelhouders van

A f 966.240 bijpassen, terwijl die van B niets behoeven te

fourneren, omdat de onderneming voor hen gespaard

heeft middels de inhouding van winsten. In feite zijn dus

de aandeelhouders van A per
satdo
f 483.120 achterop

Met papier en met plastic geïsoleerde kabels voor hoogspanning,

laagspanning en telecommunicatie Kabelgarnituren,

koperdraad ‘en koperdraadkabel. Staaldraad en staalband.

NEDERLANDSCHE KABELFABRIEK DE

962

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26October
1955

geraakt, of meer algemeen uitgedrukt, de onderneming,

die interne financiering toepast, bespaart voor de aandeel-

houder de over het dividend te betalen inkdmstenbelas-
ting, en geeft die besparing terug aan de aandeelhouder

in de vorm van een aandeel in een nieuw en duurder

kapitaalgoed.

Het inhouden van winsten met het oog op de finan-

ciering van vervanging van door geldontwaarding in

prijs gestegen kapitaalgoederen is voor een aandeel-

houder dus alleen nadelig in zoverre hij de voorop-

gezette bedoeling heeft zijn aandelenbezit te liquideren
op het moment dat tot vervanging van het kapitaalgoed

moet worden overgegaan. In dit geval stelt hij dus geen
belang in het voortbestaan der onderneming.

Het is te verwachten dat de beurskoers der aandelen

van A en B uiteen zullen lopen. De hoge dividend-

uitkeringen van A zullen een hoge beurskoers ten gevolge

hebben, terwijl die van B, ondanks de sterke financiële

positie, -lager zal liggen. De reden daarvan is, dat op de

effectenbeurs de verwachtingen op korte termijn van hoge

dividenden nu eenmaal hoger gewaardeerd worden dan

een sterke financiële positie. Hoe• verder het tijdstip van

vervanging verwijderd ligt hoe groter de afstand tussen

‘de beurskoers van de aandelen van A en B zal zijn; de

afstand zal kleiner worden naarmate het tijdstip van ver

vanging nadert. Deze tendentie kan gedeeltelijk té niet

worden gedaan indien het bestuur der onderneming er

voor zorgt dat de dispariteit tussen intrinsieke waarde en
koerswaarde zo klein mogelijk wordt gehouden. Dit im-
pliceert, dat het niet juist kan zijn zonder meer dividend-

egalisatie na te streven en ieder jaar eenzelfde percentage

dividend uit te keren. Het is in het belang van de onder-

neming en de aandeelhouder het dividendpercentage zo-

danig te bepalen dat de beurskoers de intrinsieke waarde

zo dicht mogelijk benadert.

Bovenstaande cijfers en conclusies zijn met opzet
zo scherp mogelijk gesteld. In de practijk zijn vanzelf-

sprekend altijd verzachtende omstandigheden werkzaam

en zijn er gegronde motieven aanwezig welke pleiten voor

een redelijke inhouding van winst, maar wil men een

juist inzicht in deze materie verkrijgen, dan moet men

dergelijke bijkomstige zaken uitschakelen.

Het probleem opent namelijk weer geheel andere

perspectieven zodra men uitgaat van de veronderstelling

(die in de practijk maar al te waar is), dat de prijsver-

hoging van het schip niet gelijkmatig verloopt met die

van de exploitatie-uitgaven en -ontvangsten. Het is zelfs

mogelijk dat de prijsverhoging op een gegeven moment

zodanige afmetingen aanneemt, dat er voor de aandeel-

houders van B helemaal niets meer overschiet en zelfs

een tekort ontstaat. Een onderzoek naar de consequen-

ties van deze mogelijkheid zou ons evenwel te ver voeren

en in dit artikel verwarrend werken.

Zo is het ongetwijfeld eveneens interessant de keerzijde

van bovenstaand betoog te belichten en na te gaan hoe de

positie van aandeelhouders zal zijn in een tijd van dalende

prijzen, neergaande conjunctuur en defiatie. Op grond

van bovenstaande beschouwingen is te concluderen dat

ook hier de aandeelhouder slechts zijdelings er bij be-

trokken is. Hij toucheert zijn evenredig deel van de

exploitatiewinst, zo die er is, en een prijsverlaging van

het te vervangen productiemiddel is voor hem een zaak

van de tweede. orde. –

Het bovenstaande zou aanleiding kunnen geven tot de

opmerking dat deze conclusies lijnrecht in strijd zijn met

de vervangingswaardeleer. Deze opmerking is evenwel

niet juist; de vervangingswaardeleer wordt toegepast bij

de opstelling van kostenberekeningen enz., maar de

wijze van financieren
van te vervangen kapitaalgoederen

bij gestegen prijzen ten gevolge van geldontwaarding is

een geheel andere zaak en is een probleem dat in een

geheel ander vlak ligt.

Met bovenstaande beperkte beschouwingen is aan-

getoond dat het ‘niet billjk is de gevolgen van geld-

ontwaarding volledig en uitsluitend op aandeelhouders
te verhalen. De belangen zowel van de aandeelhouders
als van de onderneming impliceren enerzijds een rede-

lijke uitkering van een’ deel van de winst aan de aandeel-

houders, anderzijds een verantwoorde inhouding van

een deel der winst ten behoeve van de financiering van

de vervanging der kapitaalgoederen. Het behoort tot de

competentie van het bestuur vah de onderneming deze

belangen op de juiste wijze tegen elkaar af te wegen.

‘s.Gravenhage.

5. A. PIETERSE VAN WIJCK.

Algemene ouderdomsverzekering

en particuliere pensioenvoorzieningen

Men schrijft ons:

Artikel 60 van het wetsontwerp op de algemene ouder-

domsverzekering, dat een aantal bepalingen bevat om-

trent de aanpassing van door werkgevers getroffen parti-

culiere pensioenvoorzieningen aan het wettelijk bodem-

pensioen, heeft reeds vele pennen in beweging gebracht.

Het voor en tegen van de aftrek van het wettelijk pen-

siben is van alle zijden belicht en daarbij is wel gebleken,

dat over de vraag, of deze aftrek gewenst en redelijk is,

veel verschil van opvatting bestaat. Afgezien hiervan

echter, geeft de tekst van artikel 60 aanleiding’tot enkele

vragen van juridische aard, welke voor de practijk van

groot belang kunnen zijn en waarop wij thans de aandacht

willen vestigen. Wij willen ons daarbij beperken tot het

signaleren van de bedoelde vraagpunten, zonder in een

beoordeling te treden omtrent de wenselijkheid van de

aftrekmogelijkheid op zichzelf.

In de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp

wordt opgemerkt, dat de bepalingen van artikel 60

beogen, om in gevallen, waarin een particuliere pensioen-

regeling niet zelf reeds een aftrekregeling bevat, de juri-

dische mogelijkheid te openen om niettemin het wettelijk

bodempensioen geheel of gedeeltelijk op het toegezegde

pensioen in mindering te brengen. Bij een nadere beschou-

wing van de onderhavige bepalingen rijst de vraag of

hiermede inderdaad het beoogde doel wordt bereikt.

Pensioen toezeggingen waarvoor ‘verzekeringsovereenkom-

sten zijn gesloten.

Lid 1 geeft aan een werkgever, die een pensioen heeft

toegezegd, het recht om binnen twee jaar na inwerking-

treding van de wet te bepalen, dat het wettelijk pensioen

geheel of ten dele in mindering zal worden gebracht op
het door hem in uitzicht gestelde of op het reeds toege-

26October
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

963

kende pensioen. Daar lid 2 een speciale regeling voor

pensioenfondsen geeft,
heeft lid 1 kennelijk betrekking

op
pensioentoezeggingen,
welke een werkgever zonder in-

schakeling van een pensioenfonds heeft gedaan. Afge-

zien van door een werkgever in eigen beheer gehouden

pensioenverplichtingen – hetzij met hetzij zpnder ver-

kregen dispensatie van artikel 2 van de Pensioen- en

spaarfondsenwet – zal het hier dus in het algemeen

pensioentoezeggingen betreffen, ter uitvoering waarvan

verzekeringsovereenkomsten zijn gesloten.

Teneinde van de hem in het ontwerp toegekende be-

voegdheid gebruik te’kunnen maken, zal de werkgever in

staat moeten zijn het in de polis verzekerde ouderdoms-

pensioen met het bedrag van het wettelijk bodempensioen

(of met een gedeelte daarvan, indien slechts gedeeltelijke

aftrek wordt gewenst) te verminderen. Betreft het een

nog niet ingegaan ouderdomspensioen, waarvoor in de

toekomst nog premiën moeten worden betaald, dan kan

het zijn, dat de werkgever het gestelde doel kan bereiken

door gehele of gedeeltelijke premievrijmaking der ver-

zekering. In, veel gevallen zal echter premievrjmaking

niet voldoende uitkomst bieden en zal de werkgever een

gedeelte van de gesloten verzekering wensen af te kopen.

Aannemende, dat de verzekeringsovereenkomst bepa-

lingen bevat, als vermeld in de ,,algemene eisen” bedoeld

in artikel 2 lid 4 sub B van de Pensioen- en spaarfondsen-

wet, dan rijst de vraag, of afkoop op grond van deze be-

palingen wel geoorloofd is.

Punt
1
letter c van de ,,algemene eisen” bepaalt, dat

de met de pensioentoezegging corresponderende rechten,
voortvloeiende uit de verzekeringsovereenkomst, door de

werkgever niet kunnen worden afgekocht. Nu zou men

zich op het standpunt kunnen stellen, dat, indien de pen-

sioentoezegging door de werkgever wordt verlaagd, door-

dat hij gebruik maakt van zijn recht om het wettelijk pen-

sioen in mindering te brengen, de polis van dat moment af

een overdekking bevat, welke niet meer correspondeert

met het – verlaagde – pensioenrecht, en dat voor dit

gedeelte van het verzekerde pensiben het verbod van

afkoop dus niet langer geldt. Wij achten het echter op zijn

minst dubieus, of dit standpunt houdbaar is. Onzes

inziens moet onder ,,pensioentoezegging” in punt 1 letter
c van de ,,algemene eisen” worden verstaan de pensioen-

toezegging, ter uitvoering waarvan de verzekering is tot

stand gekomen, dat wil zeggen de pensioentoezegging,
zoals deze luidde op het tijdstip van het sluiten der ver-

zekering. De ,,algemene eisen” beogen immers juist om

een eenmaal gedane toezegging voor de werknemer veilig

te stellen, door te bepalen, dat de ter uitvoering gesloten

verzekering door de werkgever niet mag worden afge-

kocht; beleend of in pand gegeven. Zou de werkgever dèze

verbodsbepalingen kunnen ontgaan door de eenmaal

gedane toezegging te verminderen of geheel in te trekken

– hetzij op grond van de hem in het huidige wetsontwerp

gegeven bevoegdheid, hetzij om enige andere reden –

dan zou de bescherming, welke de ,,algemene eisen” de

werknemer bieden, vrijwel geheel illusoir zijn. Bovendien,

hoe zou, indien vermindering der aanspraak en daarmee

gepaard gaande gedeeltelijke afkoop der verzekering mo-

gelijk ware, na deze afkoop nog kunnen worden voldaan

aan het voorschrift van punt 1 letter f 2e van de ,,alge-

mene eisen”, op grond waarvan bij tussentijds ontslag,

later dan vijf jaar na het sluiten der verzekering, het pen-

sioen, verkregen uit de voor en door de werknemer ver-
richte stortingen voor ouderdomspensioen moet worden

medegegeven? Een extra barrière vindt de werkgever nog

op zijn weg, wanneer de werknemer in gevolge punt 1

letter b van de ,,algemene eisen” de begunstiging heeft

geaccepteerd. Ook al zou men van
oor4eel
zijn, dat het

bepaalde ,onder
1
c geen beletsel voor afkoop van het na

vermindering der aanspraak ,,te veel” verzekerde vormt,

dan zal toch in alle gevallen, waarin acceptatie heeft

plaats gevonden, de aftrek van het wettelijk pensioén

niet kunnen geschieden, zonder dat de werknemer

hieraan zijn medewerking verleent. Hetzelfde is het geval,

indien ter uitvoering van de pensioentoezegging door de

werknemer zelf een verzekering is gesloten, daar deze

verzekering geheel aan de beschikkingsbevoegdheid van

de werkgever is onttrokken.
Uit het vorenstaande blijkt wel, dat wanneer ter dekking

van pensioentoezeggingen verzekeringsovereenkomsten

zijn gesloten, liet allerminst zeker is, dat de werkgever

de hem in artikel 60 lid 1 van het ‘ontwerp gegeven be-
voegdheden ial
kunnen
uitoefenen. Wij vrezen, dat de

onzekerheid over de verhouding tussen de voorschriften

van het huidige wetsontwerp, en die van de Pensioen-

en spaarfondsenwet in de practijk tot vele conificten aan-

leiding zal geven, in welke conflicten niet alleen de werk-

gever en zijn werknemers, doch ook de verzekering-

maatschappijen zullen worden betrokken, die zich immers

voor de vraag gesteld zullen zien, of zij aan een verzoek

van de werkgever tot vermindering der verzêkeringen

al dan niet hun medewerking kunnen verlenen. Het is dan

ook wel te wensen, dat aan dit punt alsnog speciale aan-
dacht zal worden besteed en dat een zodanige wettelijke

regeling tot stand komt, dat alle betrokken partijen duide-
lijk weten, waaç zij aan toe zijn.

Pensioenfondsen.

Ten aanzien van pensioenfondsén bepaalt lid 2 van

artikel 60 dat binnen twee jaar na de inwerkingtreding

van de wet in de statuten en reglementen, ook wanneer
deze het tegendeel bepalen, bepalingen kunnen worden

opgenomen, krachtens welke het wettelijk ouderdoms-

pensioen geheel of ten dele in mindering wordt gebracht

op de door liet fonds in uitzicht gestelde, ofop de reeds

toegekende uitkeringen. Blijkens de Memorie van Toelich-

ting is het niet de bedoeling, dat door deze »epaling de

in de statuten van een pensioenfonds voorgeschreven

procedure voor een statuten- of reglementswijziging bui-

ten werking w6rdt gesteld. Al naar gelang van de regeling,

welke de statuten van een pensioenfonds voor het tot
stand brengen van een reglementswijziging bevatten,

zal dus de aanpassing aan het wettelijk bodempensioen

moeten worden geëffectueerd via een bestuursbesluit,

dan wel door middel van een bestuursbesluit na verkregen

toestemming van een – al dan niet gequalificeerde –

meerderheid van deelnemers. Door deze toelichting boet

de bepaling van artikel 60 lid 2 veel aan betekenis in.

Het Bestuur van een pensioenfonds
moet
op grond van

de voorschriften van de Pensioen- en spaarfondsenwet

voor tenminste de helft uit vertegenwoordigers der deel-
nemers bestaan. Zowel wanneer de reglementswijziging

bij enkel bestuursbesluit kan tot stand komen, als wan-

neer hiervoor de goedkeuring van de deelnemersverga-

dering is vereist, zal dus tot opneming van een bepaling,

welke aftrek van het bodempensioen mogelijk maakt,

slechts in onderling overleg tussen werkgever en deel-

nemers (-bestuursleden) kunnen worden ,besloten. In

dit licht bezien, vraagt men zich af, wat dan nog de bete-

kenis van artikel 60 lid 2 is, daar ook zonder dit voorschrift

in onderling overleg een besluit tot opname van een af-

964

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 October
1955

trekregeling in het reglement zou kunnen worden ge-

nomen. Het enig effect van dit wetsvoorschrift is dan ook

onzes inziens, dat een eventuele in statuten of pensioen-

reglement voorkomende dwingende bepaling, welke het

opnemen van een aftrekregeling zou verhinderen, hier-

door ter zijde wordt gesteld. Wij denken hierbij aan een

uitdrukkelijk niet voor wijziging vatbaar verklaarde –

bepaling, dat nimmer wettelijke pensioenen in mindering

zullen worden gebracht of dat door een reglementswijzi-

ging geen verkregen rechten zullen worden aangetast. Wij

veronderstellen echter, dat een dergelijk uitdrukkelijk

verbod in de statuten en reglementen van een pensioen-
fonds tot de hoge uitzonderingen zal behoren, zodat een
beroep op artikel 60 lid 2 vrijwel nooit nodig zal zijn.

Wij merken voorts nog op, dat pensioenfondsen, die

de in dit wetsvoorschrift vermelde termijn van twee jaren

voorbij laten gaan, ook daarna nog een aftrekregeling
in hun reglement kunnen opnemen, indien de statutair

voorgeschreven procedure ‘van reglementswijziging daar-

toe de mogelijkheid opent.

Omvang van de aftrek.

Artikel 60 van het ont’erp bevat voorts in de leden

3, 4 en
5
een tweetal beperkende voorschriften, welke bij

het in mindering brengen van het wettelijk bodempen-

sioen in acht moeten worden genomen. De eerste bepa-

ling heeft tot doel er voor te.zorgen, dat de ,,waardevast-

heid” van het wettelijk bodempensioen gehandhaafd

blijft. Wordt het bodempensioen verhoogd in verband

met een stijging van het indexcijfer der regelingslonen

en vindt deze verhoging plaats na de ingang van het

ondernemingspensioen of na de beëindiging van de ac-

tieve deelneming aan de pensioenregeling, dan mag deze

verhoging niet op het ondernemingspensioen worden

gekort.

De tweede beperkende bepaling houdt in, dat slechts

een proportioneel deel van het bodempensioen in min-

dering mag worden gebracht, indien een werknemer

door een te korte diensttijd niet het volledige onderne-

mingspensioen kan bereiken. *

De redactie van deze bepalingen doet de vraag rijzen,

of deze voorschriften een algemene strekking hebben,

dat wil zeggen of zij in ieder geval, waarin tot aftrek van
het wettelijk pensioen wordt overgegaan, in ‘acht moeten

worden genomen, dan wel of deze voorschriften alleen

betrekking hebben op gevallen, waarin de aftrek plaats-

vindt met een beroep op art. 60 lid 1 en 2. Zoals liervoor
reeds werd opgemerkt, is art. 60 in het ontwerp opgeno-

men ten gerieve van werkgevers en pensioenfondsen, die

zich niet reeds het recht om wettelijke pensioenen in

mindering te brengen bij het doen van de toezegging had-

den voorbehouden. Veel, bestaande pensioenregelingen

bevatten reeds een dergelijk voorbehoud, op grond waar-

van de ondernemingspensioenen gekort kunnen wörden,

zonderdat een beroep op are. 60 behoeft te worden ge-

daan. Dit voorbehoud kan zeer wel verder gaan dan bij

toepassing van de wettelijke regeling mogelijk zou zijn,
immers de werkgever ot het pensioenfonds kan bepaald

hebben, dat het
volle
wettelijke pensioen in mindering

zal worden gebracht, dus zonder inachtneming van de

hiervoor vermelde beperkingen. Bezien wij de tekst

van de beide beperkende voorschriften, dan zijn wij ge-

neigd de vraag, of zij ook in deze gevallen in acht moeten

worden genomen, ontkennend te beantwoorden. Deze

voorschriften zullen immers volgens de tekst van het

ontwerp gelden ,,indien het bepaalde in het eerste of

het tweede lid toepassing vindt”, dat wil zeggen, indien

de aanpassing aan het wettelijk pensioen plaatsvindt met

een beroep op het bepaalde in één dezer beide leden. Heeft
een werkgever of een pensioenfonds voor het in mindering

brengen van het bodempensioen een beroep op art. 60

niet nodig, omdat men zich de bevoegdheid tot aftrek

reeds bij het doen van de pensioentoezegging had voor-

behouden, dan gelden de beperkende voorschriften

onzes inziens niet en kan men bij de aftrek verder gaan,
dan in artikel 60 is bepaald.

In het voorgaande betoogden wij dat, pensioenfondsen

die weliswaar niet reeds in een aftrekmogelijkheid voor-

zien hebben, doch welker statuten geen belemmering

bevatten om via de statutair voorgeschreven weg van re-

glementswijziging alsnog een aftrekbepaling op te nemen,

hiertoe evenmin een beroep op artikel 60 behoeven, te

doen. Ook deze categorie van pensioenfondsen zèu zich

dus bij de aanpassing van het wettelijk bodempeisioen

strikt genomen aan de beperkende voorschriften van

artikél 60 niet behoeven te houden. Het behoeft geen

betoog, dt op deze wijze een ongewenste – en waar-

schijnlijk door de samenstellers van het ontwerp ook

niet bedoelde – discriminatie ontstaat tussen pensioen-

regelingen die wel en dieniet artikel 60 nodig hebben, om

tot aftrek van het wettelijk pensioen te geraken. Het

valt bovendien te verwachten, dat de onduidelijkheid

van het ontwerp op dit punt in de practijk een bron van

conificten zal opleveren.

Men zou zich nog op het standpunt kunnen stellen,

dat het Departement van Sociale Zaken en Volksgezond-
heid bij het verlenen van goedkeuring aan’ de reglements-

wijzigingen er wel voor zal waken, dat geen onredelijke

aftrekregelingen tot stand kômen, op gelijke wijze als

thans reeds geschiedt ten aanzien van bepalingen omtrent

aftrek van renten uit de Invaliditeitswet. Hierbij valt

echter in de eerste plaats op te merken, dat het Departe-

ment slechts die pensioenregelingen onder ogen krijgt,

die via . een pensioenfonds worden uitgevoerd. Doch

bovendien treedt men bij een beoordeling van de omvang
van de toegepaste aftrek, welke neerkomtop een beoorde-

ling van de omvang der pensioentoezeggingen, op het

terrein van de pensioenpolitiek, waarvan de Minister

van Sociale Zaken zich uitdrukkelijk heft te onthouden.

Om beide redenen moet dan ook aan een duidelijke rege-

ling bij de wet de voörkeur worden, gegeven.

Conclusie.

De cnclusie uit het vorenstaande moet wel zijn, dat

de opzet van artikel 60 weinig doordacht is en dat dè

samenstellers van het wetsontwerp in de consequenties

van de gegeven voorschriften allerminst een helder inzicht,

hebben gehad. Het is bovendien wel duidelijk, dat het

hier maar niet gaat om juridische spitsvondigheden, doch

om vragen, waarmee iedere werkgever, die de door hem

getroffen pensioenregeling aan het wettelijk bodempen-

sioen zal willen aanpassen, in de practijk te maken krijgt.

Hoe men ook over de wenselijkheid van een dergelijke

aanpassing denken moge, het is toch in ieder geval een,

eerste vereiste, dat de hierover gegeven wettelijke voor-

schriften duidelijk en in de practijk hanteerbaar zijn.

In deze toch reeds zo ingewikkelde materie is het van het

grootste belang, dat alles wordt vermeden, wat in de toë-

komst tot onzekerheid en conflicten aanleiding zou kunnen

geven.

Het is te verwachten, dat hij de behandeling van het
wetsontwerp in de Staten-Generaal de bepalingen van

ECONÖMISCH-STATISTISCHE’BERICHTEN
26 October
1955

art. 60 een van de belangrijkste onderwerpen van discussié

zullen vormen. Het is in het belang van alle betrokkenen,

dat daarbij ook de 1ier gesignaleerde laçunes nader onder

de loupe zullen worden genomen.

965

(Advertentie)

Cenru,n
voor

A
LMllb
0

Industrievestiging in Twente
1

Tel. 05490-5301

BEDRIJFSECONOMISCHE NOTITIES

Tien jaa Herstelbank

Op 31 October 1945 werd te ‘s,Gravenhage opgericht

de Maatschappij tot Financiering van het Nationaal Her-
stel N.V.; op 1 November
1945
‘ving de nieuwe instelling

haar werkzaamheden aan. In de tien jaar, welke sindsdien

zijn verlopen, yerwierf de Herstelbank een geheel eigen

positie in het Nederlandse financiële leven. Enige aspecten

daarvan zullen in het onderstaande nader onder de loupe

worden genomen.

In het emissieprospectus, waarmede de Herstelbank

zich in Juni 1946 tot het beleggend publiek richtte, komt
o.a. de volgende passage voor:
,,Wat de werking onzer Instelling betreft kunnen
wij
er U op wij-
zen, dat deze een aanvullende taak heeft op het gebied der crediet-verleening, daar zij haar activiteit beperkt tot die transacties, welke
niet tot het gewone werkterrein van de handelsbanken, landbouw


credietbanken, hpotheekbanken, of van de andere bestaânde
financieele instellingen behooren, of althans ôm eenigerlei reden
niet door deze (kunnen) worden verricht. Een doublure van apparaat
wordt hierdoor zooveel mogelijk vermeden. Wij verleenen dus hoofd-
zakelijk langloopend investeeringscrediet.
Onze Instelling môet worden bestuurd volgens bedrijfs-econo-
misch verantwoorde en zakelijke beginselen, waarbij uiteraard haar
semi-officieel karakter niet uit het oog kan worden verloren. Dit
brengt mede, dat wij moetenstreven naar een verantwoorde renta-
biliteit en een gezonde reserve-vorming Financieringen, die âan
de hiervoren genoemde eischen niet beantwoorden, doordat zij
naar aard
of
om’ang teveèl risico’s medebrengen, kunnen dus door ons niet voor eigen rekening worden verricht. Indien het algemeen
belang eischt, dat een dergelijke riskante financiering nochtans
plaats vindt, zal onze Instelling deze slechts verrichten inet garantie
van de Overheid”.

Hier werden a.h.w. bij voorbaat enige belangrijke

richtlijnen voor de werkzaamheden der jonge onderne-

ming uitgestippeld. Het is interessant thans, achteraf dus,

fia te gaan of de werkelijkheid met dit programma over-

eenstemde.

Werkterrein.

Het verlenen van jnvesteringscrediet heeft inderdaad
het allervoornaamste punt van de activiteit der Herstel-

bank gedurende de verstreken tien jaar uitgemaakt. Zo

bestond het door haar uitgezette kapitaal per ultimo 1954

voor een bedrag van f 314 mln nominaal aan leningen,

tegenover slechts f30 mln aan deelnemingen (= aandelen

enz.). Het lange karakter van het door haar verleende

crediet blijkt uit de looptijden der betreffende leningen,

welke gewoonlijk ca
5
â 10 jaar, soms zelfs wel 15 jaar

bedragen.

Bij deze credietverlening dee.zich in de loop der jaren

inmiddels wel éenverschuiving voor. Lag het accent aan-

vankelijk in hoofdzaak bij herstelfinanciering, al spoedig

werd deze overvleugeld door credietverlening ten behoeve

van de uitbreiding en vernieuwing van het Nederlandse

productie-apparaat. De naam , ,Herstelbank” is hierdoor

eigenlijk zelfs misleidend geworden.

Dat de bank zich bij deze accentversèhuiving en uit-

breiding van het bedrijf.niet liet verlokken, haar activiteit

te veel op zij-terreinen te richten blijkt uit de dprichting

door de Herstelbank tezamen met institutionele beleggers

van de Nederlandse Participatie Maatschappij; het ver-

strekken van risicodragend kapitaal werd derhalve aan

een andere, zelfstandig werkende onderneming over-

gelaten.

Een ander voorbeeld van de beperking, die de bank zich

oplegde bij het ontplooien van nieuwe activiteiten, werd

gevormd door de op haar initiatief opgerichte Export-

Financiering-Maatschappij, waartoe zij met een aantal

commerciële banken samenwerkçe. Hieruit bleek, dat iij

niet naar een monopoliepositie’in deze sector van de

lange credietverlening streefde.

Een terrein, waarvan de bank zich in de loop der jaren
ook enigszins distancieerde, was de .verlening van, lang

crediet ankleine
en
middelgrote bedrijven. In het Jaar-

iersiag
1952
i?vôrdt opgemerkt,’dat de ciediten tot en met

f 100.000 dat jaar slechts 14 pCt van de credietportefeuffie,

naar hu’n aantal echter ruim 38 pCt van het totaal uit-

‘maakten. ,Hier.bij dient bovendien in het oog te worden

gehouden”, aldus het vërslag, ;,dat de Nederlandsche
Middenstandsbank N.V. in de loop van 1952 door de

Regering in staat is gesteld meer en grotere credieten te
‘erlenen dan
S
voorhèen het, geval was, zodat naar onze

mening thans niet meer van een 1acune ten aanzien van

de verlening van kleine credieten kan worden gesproken.

Wij vinden ‘hierin.aanleiding, credietzoekenden die naar

onze méning op h’et terrein van de Nederlandsche Midden-

standsbank N.V. thuis behoren, in overweging te geven

zich in eerste aanleg met deze maatschappij in verbinding

te stellen”.

Deze gang van zaken droeg er toe bij dat de grote

credieten relatief nog belangrijker werden dan zij al waren.
Uit tabel 1 bijv. blijkt, dat in de jaren 1949-1954 de stijging

van het aantal credietnemende bedrijven veel geringer

was daTn de stijging van het totaal verleende credietbedrag.

.Het gemiddeld per bedrijf opgenomen credietbedrag. steeg

hierdoor in de loop der jaren van ca f 400.000 in 1946

tot bijna f 1.000.000 in 1954.

TABEL 1.

Stand van de vérleende credieten a)

Per ultimo

Çontract- bedrag Waarvan
opgenomen
Aantal
bedrijven

(xflmln)

27 68
58
166
206 96
232
264
185
267

1946

………………….50

257
229


296

1947

…………………123
1948

………………….

348
262
337

1949

…………………
1950

…………………

351
265 330
1951

………………….
1952

…………………
406
289 314
1953

…………………
1954

…………………
449
281
299

a) Excl. credieten krachtens de Wet op de Materiële Oorlogsschaden en de Wet
op de Watersnoodschade 1953 en de E:C.A..credieten aan hotels.

Dat de onderneming in het geheel niet afwijzend staat

tegen deze ontwikkeling blijkt uit een passage van het

966

CONOMISCHSTATISTISCHE BERICHTEN

26October 1955

HERSTELBANK

/

1

4

(4

Naatsch.appij tot Finandering,

van het Nationaal Herstel N.V.

GEVESTIGD TE ‘s-GRAVENHAGE

WILLEM FREDERIKLAAN 5 (HOEK STADHOUDERSLAAN)

TELEFOON K1700-514431 POSTBUS 380

1

/

)

/

26October 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

967

Jaarverslag
1954
waarin, sprekend over de belangrijke

taak, die demaatschappij voor de nationale economie

vervult, wordt opgemerkt: ,,Dit geschiedde in het bijzon-

der doord,at zij de financiering van enige zeer omvangrijke

projecten ter hand nam”.

Uit het bovenstaande treedt een beeld naar voren van

samenwerking en taakverdeling met bestaande en nieuwe

ondernemingen op het terrein van de financiering. Dit

wil inmiddels niet zeggen, dat er nu geen enkel wolkje

aan de hemel was. De afgelopen jaren werd bijv. wel eens

critiek gehoord t.a.v. de verhouding tot de scheepshypo-

theekbanken, welke instellingen zich reeds van oudsher

met de verstrekking van lang crediet in hun branche

bezig houden.
In het Jaarverslag 1954 van de Herstelbank wordt hier-

over opgemerkt, dat het werkterrein voor de financiering

van scheepvaart en scheepsbouw zeer uitgebreid is, waarbij

de Herstelbank er naar streeft de belangen van de scheeps-

hypotheekbanken niet alleen te ontzien, maar veelal zelfs

te bevorderen. Zij is er van overtuigd, dat gezonde samen-

werking hier mogelijk is, indien alle betrokken partijen

hieraan medewerken. (Een samenwerking, als in dit

verslag bepleit, was overigens in de practijk reeds toe-

gepast, in de vorm van credietverlening door de Herstel-

bank aan de scheepshypotheekbanken zelve, toen deze in
1951 elders moeilijk kapitaal konden verkrijgen).

Bij de behandeling dezer aangelegenheid in de Staten-

Generaal merkte de Minister van Financiën nog op, dat

de credietverlening door de Jierstelbank voor de bouw

van kustvaart- en binnenvaartschepen welhaast uitsluitend

door tweede hypotheken geschiedt (terwijl de scheeps-

hypotheekbanken gelden op eerste hypotheek verstrek-

ken), en dat ook t.a.v. de grote vaart en de visserij de

credietverlening door de Herstelbank te zien is als een

gewenste aanvulling van de activiteit der scheepshypo-

theekbanken.

Van de zijde van andere financiële instellingen is in de

loop der jaren weinig critiek op de Herstelbank vernomen.

In vele gevallen is hier veeleer van een onderlinge samen-

werking en taakverdeling sprake, bijV. met de algemene

banken door gezamenlijke credieten of een combinatie van

kort en lang crediet, of bijv. met levensverzekeringmaat-

schappijen, doordat de Herstelbank het toprisico, de

institutionele belegger het volgende gedeelte van het lange

crediet verzorgde.

economisch verantwoorde en zakelijke beginselen zou

worden bestuurd.

Ook dit punt is in de practijk van tien jaar gerealiseerd.
De ervaring leerde, dat de Herstelbank er niet op uit was,
om als liefdadigheidsinstelling te fungeren.
Degenen, die bij haar crediet namen, moesten daarvoor

een ,,normale” rente, meestal ca 44 â
5
pCt p.j. betalen,

vaak ook een beschikbaarhoudingsprovisie van ca 1 pCt

p.j. voor het niet direct opgenomen deel van het crediet,

terwijl daarnaast ook soms een winstaandeel werd geëist.

De Herstelban» verlangde in het algemeen ook zekerheden

(juist dit leidde in de practijk in sommige gevallen wel

eens tot enig ,,touwtrekken” met de commerciële banken,

die met de betreffende onderneming een credietovereen-

komst hadden). In 1953 vroeg de Herstelbank zelfs het

faillissement aan van enige harer cliënten, die in gebreke
waren gebleven, hetgeen toen nogal enige deining in den

lande veroorzaakte.

Uiteraard zijn dit alle de consequenties van bedrijfs-

economisch verantwoorde en zakelijke beginselen. Een

instelling, die in staat en bereid is, eventuele verliezen

door de belastingbetalers te laten aanzuiveren, behoeft

niet tot harde maatregelen tegenover haar, cliënten over

te gaan. Een instelling daarentegen, die zulks niet wenst,

en die prijs stelt op een zo groot mogelijke zelfstandigheid

t.o.v. de Overheid, zal dergelijke verliezen zoveel mogelijk

moeten vermijdën en; voor zover zij onvermijdelijk zijn,

deze uit eigen kracht trachten op te vangen.

De Herstelbank heeft, zoals uit de practijk der afgelo-

pen tien jaar blijkt, de tweede weg gevolgd. In het onder-

staande zal nog ‘ter sprake komen, dat dit mede conse-

quenties voor haar gedragslijn t.a.v. de winstverdeling had.

Zoals eveneens reeds in het prospectus van 1946 werd

aangekondigd, werd voor niet aanvaardbaar geachte

credietrisico’s
vooraf
overheidsgarantie verkregen. Een

voorbeeld, waaruit ook weer het streven der bank blijkt,

om zoveel mogelijk op eigen benen te staan, is, dat zij in
1954 vrijwillig de Staat ontsloeg uit door deze verleende
garanties tot een bedrag van f15 mln, daar zij meende de

betrokken arrangementen voor eigen risico te kunnen

voortzetten.

Winst en winstverdeling.

In het prospectus van 1946 kwamen ook de winst en

de winstverdeling ter sprake. De onderneming zou streven,

aldus dit prospectus, naar een verantwoorde rentabiliteit
en een gezonde reservevorming. Hoe het hiermede in de

loop der jaren gegaan is blijkt enigermate uit tabel 2.

TABEL 2.

Winst verdeling

Jaar
Res.

Dividend

(x f1 mln)

1946

………………..

901
3.605
1947

…………
..
… …,
1.392 1.304
5.215
2.644
1.304
5.215 3.687
1.304
5.215 5.765
1.304
5.215
5.460

..

1.304
5.215

1948

………………….
1949

………………….

5.822
1.304

.
5215

1950

………………….
1951

………………….

6.532
1.304 5.215
1952

………………….
1953
…………………..
4.944
1.929
7.715
1954

………………….
36.246
11.958
47.825

Beleid bij de crediet verlening.

In het algemeen kan waarschijnlijk inderdaad worden

gezegd, dat er hier te lande vroeger een lacune bestond bij

de verkrjging van investeringscrediet, en dat de Herstel-

bank een belangrijke bijdrage heeft geleverd, om hierin

te voorzien. Het totale door haar van de oprichting tot

31 December 1954 gecontracteerde credietbedrag van

bijna f 1 milliard (om precies te zijn f 931.679.000) is

bepaald niet te verwaarlozen. Dat bij de grensafbakening

t.o.v. bepaalde reeds bestaande gespecialiseerde instellin-

gen wel eens wrijvingen ontstonden, zal in een dergelijk

geval haast wel altijd moeilijk te vermijden zijn. Waar

gehakt wordt, vallen wel steeds ten minste enige spaan-
ders. Het zou echter o.i. eengrote overdrijving zijn, hier
__________

van ernstige moeilijkheden of scherpe botsinger van

belangen te spreken. .
De winstuitdelingspohtiek,
A.
in de jaren 1946 t/m

1953 werd gevolgd, bestond er in, dat op de preferente

aandelen B het maximum dividend van 34 pCt werd uit-

Een ander ,,programmapunt” uit het prospectus van gekeerd, en dat jaarlijks een bedrag ter giootte van 25

1946 hield in, dat de onderneming volgens bedrjfs- pCt van deze uitkering aan de statutaire reserve werd

968

1
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26October 1955

toegevoegd. Formeel werd dit zo geregeld, dat deze divi-

denduitkering plus reservering tezamen ,,winst” werden

genoemd, waarvan dan volgens de statuten jaarlijks 20 pCt

aan de reserve werd gedoteerd. De rest van het jaarresul-

taat werd toegevoegd aan de
reserve
voor dubieuze

debiteuren. Deze laatste reservering bestond derhalve

gedeeltelijk uit een bedrag dat als ,,kosten”, gedeeltelijk
uit een bedrag dat als ,,winst” viel te beschouwen’:

In
1954
werd deze politiek in zoverre enigszins gewij-

zigd, dat daarnaast ook op dq gewone aandelen A, die

zich alle in handen van de Staat bevinden, een dividend

werd gedeclareerd, i.c. van
12/3
pCt. Hierdoor resteerde

een geringer dotatie aan de Reserve Dubieuze Debiteuren.
Voor het verkrijgen van ,,winst”- en rentabiliteitscijfers,

moet derhalve eerst bekend zijn, welke bedragen der

reservering voor dubieuze debiteuren het karakter van

winst hebben. Enige irrdruk hieromtrent verschaft de

volgende berekening.

In de jaren 1946 t/m
1954
werd aan de ‘Reserve Dubieuze

Debiteuren in totaal f 36,2 mln toegevoegd. Per ultimo

1954 bedroeg zij in werkelijkheid echtr f31,8 mln. In de

loop dezer 9 jaar moet dus f 4,4 mln wegens geleden

verliezen zijn afgeboekt.

In het Jaarverslag 1954 wordt voorts t.a.v. de waarde

der debiteuren medegedeeld, dat berekeningen hebben

aangetoond, dat per het einde van dat jaar een bedrag van

ruim fl0 mln voldoende was om zichtbare tegenvallers

op te vangen. Indien deze berekening als juist wordt aan-
genomen, zou derhalve de situatie deze zijn:

Gereserveerd op dubieuze debiteuren 1946 t/m 1954 .. f36,2 mln
Verliezen 1946 t/m 1954 op dubieuze debi-
teuren

…………………………
f 4,4 mln
Getaxeerde verliezen in debiteuren bedrag
ultimo 1954

…………………..f 10,0 mln
f14,4mln
,,Echte” reservering, begrepen in de totale reservering
op dubieuze debiteuren in 1946 t/m 1954
……..
f 21,8 mlii

Gemiddeld zou derhalve naar schatting’ ca 60 pCt van

de jaarlijkse reservering op dubieuze debiteuren als winst
zijn te beschouwen.

Hiervan ook voor 1954 uitgaande, zou de winst over

dit jaar bij benadering ongeveer kunnen worden gesteld

op 60 pCt van f 4,9 mln + f 7,7 mln + f 2 mln =

f 12,7 mln. Het eigen kapitaal per einde 1954 bedroeg bij

benadering: f 300 mln (aandelenkapitaal) + f 12 mln

(statutaire reserve) + f 22 mln (de vrije reserve begrepen

onder de reserve voor dubieuze debiteuren) = in totaal

ca f 334 mln.

Volgens deze cijfers zou de rentabiliteit van het eigen

kapitaal in 1954 derhalve ca 4 pCt netto hebben bedragen.
Voor een bank is een dergelijk cijfer niet onbevredigend

te noemen. Echter moet herbij wel in aanmerking worden

genomen dat de Herstelbank vrijstelling van vennoot-

schapsbelasting geniet; hiertegenover staat weer, dat de

financieringswijze bij haar in zodanige mate afwijkt van
die van andere banken (zie onder), dat het rentabiliteits-

percentage van het eigen kapitaal in dit geval niet veel

afwijkt van de rentabiliteit van het totale kapitaal. Ook

zo gezien, kan het percentage van 4 als niet onbevredigend

worden beschouwd.

Wat betreft de winstinhoudingspolitiek kan nog worden

opgemerkt, dat deze in zeer belangrijke mate te danken

was aan het feit, dat op de gewone aandelen, dus aan de

Staat, tot 1954 geen dividend behoefde te worden uit-

gekeerd.

De winstinhouding leidde er toe, dat in de beschouwde

negen,jaar ca f 34 mln vrije reserve werd gekweekt. Ook
dit cijfer kan, wanneer men het stelt tegenover een totaal

debiteurenbedrag van ca f 300 mln per ultimo , 1954 en

zelfs afgezien van de staatsgarantie, die’ voor een deel

dezer credieten geldt, tot voldoening aanleiding geven.

Het in het emissieprospectus aangekondig4e streven
naar een verantwoorde rentabiliteit en een gezonde re-

servevorming kan op grond van het bovenstaande, althans

wat de afgelopen tien jaar betreft, als in belangrijke mate

gerealiseerd vorden beschouwd.

Financiering.

Zoals uit de balans-creditzijde (tabel 3b) blijkt, heeft de

Herstelbank op een zeer typische wijze kapitaal aange-

trokken. In tegenstelling met hetgeen bij algemene banken

gebruikelijk is, speelt het eigen kapitaal een overwegende

rol.

TABEL 3a.

Balansen (activa)

Ultimo
Debiteuren en
deelnemingen
Kas, bank, giro
en deposito’s
Overige
activa
Totaal

(x f1 mln)

1946
83
232
1
316
1947

……..
,
121
246
1
368
1948
149
230
1
380
1949
225
133
8
366
1950
259
199
14
472
1951
293
156
27
476
1952
284
180
34
498
1953
304
184
3 1
519
1954 313
167
21
501

TABEL 3b.
Balansen (passiva)

Ultimo
Aandelen-
kapitaal
Reserves
34 pCt
lening
Overige
passiva
Totaal

(x f1 mln)

1946
‘300
1

15
316
1947
300
2

66
368
1948
300
4

76
380
1949
300
5

61
366
1950 300
6

166
472
1951

.’
300
7 8
161
476

300
9
46
143
498
1952

…….
1953
300
10
1

74
135
519
1954
300
12
72

117
501

Ook het aandelenkapitaal vertoont een bijzondere

constructie. Voor f 151 mln bestaat dit nl. uit gewone

aandelen, (= aandelen A), voor de overige f 149 mln

uit preferente aandelen (B).

Wat de spreiding der aandelen over verschillende

categorieën van kapitaalverschaffers betreft, is het woord

,,nationaal” uit de officiële naam der instelling zeer toe-

passelijk. De gewone aandelen zijn in handen van de

Staat. Van de preferente aandelen werd geplaatst bij:

De Nederlandsche Bank
………………….
f 3 mln
de handelsbanken

………… . ……………
f 25

mln
levensverzekeringmaatschappijen en pensioenfondsen
f
17,7
mln
de centrale boerenleenbanken
………………
f
2
mln
spaarbanken

.
…………………………..
f
1,3
mln

totaal bij oprichting

………………..
f 49

mln
en voorts nog bij de emissie van Juni 1946:
bij het beleggend publiek

………………..
f 25

mln
bij de Rijksfondsen

……………………..
f
75

mln

Een groot deel van de 31 pCt preferente aandelen was

(en is vermoedelijk ook thans nog) in ‘handen van institu-

tionele beleggers. Een aanmoediging hiervoor vormde de

garantie van dit dividend door de Staat. Uit de vorige

paragraaf bleek echter, dat van deze garantie tot dusverre

geen gebruik behoefde te worden gemaakt, daar de

Herstelbank uit eigen kracht dit dividend gemakkelijk

kon opbrengen. Een andere aanmoediging voor het nemen

26 October 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

969

(4der1enhie)

van deze preferente aandelen vormde de vrijstelling van

het dividend (onder zekere condities) van vennoötschaps-

belasting voor lichamen (in het algemeen dus bedrijven)

die onder deze belasting vallen.
T.a.v. het vreemde kapitaal nemen – ook dit wederom

in tegenstelling tot de situatie bij de algemene banken –

op lange termijn aangetrokken middelen een belangrijke

plaats in. In 1951 werd nl. een onderhandse lening met

een totale looptijd van 15 jaar ter grootte van f 75 mln

bij een aantal institutionele beleggers opgenomen.

De gehele hier in korte trekken geschetste financierings-

wijze van de Herstelbank houdt nauw verband met de

aard van de door haar op haar beurt verleende credieten.

Uit bedrijfseconomisch, met name uit solvabiliteits- en

liquiditeitsoogpunt, zijn bij deze verhoudingen ni. prac-

tisch geen gevaren te duchten voor het geval, dat het tij

ooit eens tegen mocht gaan lopen.

Uit het naar verhouding zeer aanzienlijke gewone

aandelenkapitaal zouden eventueel zeer grote verliezen

kunnen worden opgevangen. De hierboven genoemde

reservering, die tot dusverre in de loop der jaren tot een

vrije reserve van f 34 mln leidde, vermindert uiteraard
geleidelijk de kans, dat het aandelenkapitaal werkelijk

zou moeten worden aangesproken.

Het, eveneens zeer aanzienlijke, preferente ‘aandelen-

kapitaal kan worden beschouwd als een verdediging in

tweede linie. Gezien de grootte van het eerste stootkussen
lijkt (naar zich a1thais op grond der huidige verhoudingen

laat aanzien) de kans gering, dat hierop ooit een beroep

zou moeten worden gedaan ter dekking van verliezen.

Het behoeft weinig betoog, dat ook uit liquiditeits-

oogpunt de balanspositie tot weinig critiek aanleiding

geeft. Het gewone en het preferente aandelenkapitaal

INGEZONDEN STUK

brengen in het geheel geen aflossingsplicht mede; bij de

onderhandse lening vindt de aflossing in een periode van

15 jaar plaats.

Niet verheeld kan worden, dat deze gunstige positie

t.a.v. solvabiliteit. en liquiditeit als het ware is gekocht

ten koste van de rentabiliteitsfactor. Hierboven werd

becijferd, dat de netto-rentabiliteit van het eigen kapitaal

in 1954 ca 4 pCt bedroeg. Financiering met grotendeels

eigen kapitaal zou bij een dergelijk rentabiliteitscijfer voor

een betrekkelijk jonge onderneming als de Herstelbank

normaliter alleen reeds op fiscale gronden practisch on-

mogelijk zijn; de fiscus zou ni. dit cijfer nog tot ca 2 pCt
reduceren, zodat de kapitaalverschaffers geen voldoende
beloning zouden kunnen verkrijgen.

In dit verband is het als een conditio sine qua non voor

het onafhankelijk voortbestaan dezer instelling met een

dergelijke balansconstructie te beschouwen, dat de verdere

reservevorming en daarmede de versterking van de solva-

biliteitspositie uit eigen kracht fiscaal mogelijk blijft.

Overigens is uit het bovenstaande reeds gebleken, dat

bij de reservevorming, die de afgelopen negen jaar plaats-

vond, het feit, dat de groot-aandeelhouder Staat met geen

of (in
1954)
een zeer laag dividend genoegen nm, een

hoofdrol speelde.

De ‘gunstige financiële positie der Herstelbank kon

derhalve slechts ontstaan dank zij enige speciaal voor hââr

geldende gunstige omstandigheden. Verwonderlijk is dit

overigens niet. Een bankbedrijf, dat aan dergelijke hoge

solvabiliteits- en liquiditeitseisen voldoet en dat zich –

juist daardoor – niet (wat bij de algemene banken wèl

het geval is) kan financieren met gelden, welke in hoofd-

zaak tegen rentevoeten van
4-
â 14- pCt verkregen worden,

zou zonder dergelijke speciale omstandigheden eenvoudig

onbestaanbaar zijn.
J. C. BREZET.

Welvaartontwikkeling in Suriname en de

Nederlandse Antillen

Zijne Excellentie W. F. M. Lampe, de Gevolmachtigde

Minister van de Nederlandse Antillen, te ‘s-Gravenhage

schrijft ons: –

In het artikel van de hand van Prof. Dr R. A. J. van Lier,

opgenomen in het nummer van
5
Mei ji. onder boven-

staande titel, komt de navolgende passage voor over de
welvaartsbevordering in de Nederlandse Antillen: ,,In-

tussen is dit Bureau, evenals het Voorliclitingsinstituut

te Amsterdam, dat hiermede samenwerkte, echter opge-

heven en is er nog geen begin met systematische pogingen

tot welvaartsbevordering gemaakt. Wel is er een plan in

studie genomen om industrie naar deze eilanden te trek-

ken”. Het wil mij voorkomen dat deze passage tot mis-

verstand zou kunnen leiden, weshalve ik mij enkele kant-
tekeningen ter aanvulling hierbij moge veroorloven.

Een plan om industrieën, in de eigenlijke zin des

woords, naar de Antillen te trekken bestaat niet; daaren-

tegen worden wel degelijk intensieve pogingen gedaan om

tot systematisch opgezette welvaartsbevordering te komen.

Ten aanzien van de aantrekking van industrieën kan

worden opgemerkt, dat, men zich op de Nederlandse An-

tillen zeer wel bewust is van het feit, dat aldaar, gezien het

vooralsnog relatief geringe arbeidsaanbod, voorshands

moeilijk kan worden geconcurreerd met eilanden als

Puerto Rico, Jamaica en Trinidad. In verband met het

snel toenemend bevolkingscijfer zou dit eventueel in de

toekomst geheel anders kunnen komen te liggen. Er

bestaat een zgn. ,,industriebegunstigingswet”, maar deze
is voornamelijk gemaakt voor de aantrekking van hotel-

bedrijven. Dat daarvan uiteraard ook kan worden ge-

profiteerd door bedrijven, die in de ontworpen ,,vrje

zones” de goederen een eindphase van bewerking laten

ondergaan (verpakking, bepakking, menging), is duidelijk.

In verband met de Organisatie van systematische wel-

970

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26October 1955

vaartsontwikkeling werd o.a. opgericht de ,,Technisch-

Economische Raad de Nederlandse Antillen”, kortelijk

als ,,Terna” aangeduid.

Zeer summier moge hier een dpsomming volgen van
enkele studies, die worder ondernomen en maatregelen

die reeds werden getroffen. .

Ontwikkeling van de Antillen tot ,,distributiecen-

trum” en in verband hiermede de instelling van ,,vrje

zones” bij de havens van Curaçao en Aruba. Ver-
melding verdienen studie en rapport door de heer

Lyons, secretaris van de ,,Free Trade Zones Board”

van de Verenigde Staten. Verder de totstandkoming
van de wet op de ,,Open Entrepots”.

Terzake van de havenontwikkeling werd o.a. door

r Koomans, directeur van de Rotterdamse haven,

een studie gemaakt en rapport uitgebracht.

Begin van de uitbouw van een propaganda-apparaat

in het buitenland (inschakeling van het ,,Netherlands

Industrial Institute” in de Verenigde Staten). Een

propagandabrochure werd uitgegeven en het ligt

in de bedoeling deze te laten volgen door andere,

waarbij de voordelen van de Nederlandse Antillen

als distributiecentrum etc. méer in detail worden

behandeld.

Maatregelen tot het scheppen van een gunstig ,,be-

lastingklimaat”; aansluiting bij de Nederlandse

internationale verdragen ter voorkoming van dubbele

belasting en de wet op de effecten-holdingmaatschap-
pijen. Voorts zijn in studie o.a. een wet op de octrooi-

holdingmaatschappijen en een wet op de zgn.

,,Foreign Trade Co’s”.

Op het gebied van de visserjbevordering is thans een

deskundige van de F.A.O. voor enige tijd op de

Antillen werkzaam.

De oprichting van het Manen-biologisch station

moet mede worden gezien in verband’ met de visserij-

bevordering. De Stichting ,,Caribische Manen-

biologisch Instituut”is zojuist in het leven geroepen.

Dé Nederlandse Marienbioloog, Dr Zaneveld, heeft

inmiddels zijn benoeming tot ‘directeur aanvaard.
De bevordering van het toerisme is in volle gang.

Gewezen moge worden op de reeds voltooide hotels

op Bonaire en St Maarten, resp. ,,Het Zeebad” en

het ,,Little Bay Hotel”, en op het begin van uitvoering

van hotels op Aruba (het zgn. ,,Basiroetiplan”) aan

het prachtige Palm Beach, en op Curaçao aan de

beroemde haveningang (Hotel ,,E1 Curazao”). Voorts

worde gewezen op het Arubaarse project van een

boulevard Oranjestad-Malmok.

Mede in het kader van de bevordering van het

toerisme moet worden gezien de oprichting van de

,,Stichting Monumentenzorg”, die zich als eerste

daad heeft belast met de restauratie van het fraaiste

voorbeeld van de oud-Curaçaose landhuisarchitec-

tuur, waarmede naar raming een bedrag van NA

Cf 240.000 zal zijn gemoeid (het landhuis Brievengat).

De uitvoerige studies op het voor de Nederlandse

Antillen zo belangrijke gebied van omzetting van

zeewater tot zoetwater worden volgens de nieuwste

methoden verricht en wettigen de verwachting dat zij

op korte termijn tot aanzienlijke verbetering en

besparing zullen leiden.

Deze summiere opsomming van projecten, deels in

studie, anderdeels reeds in het stadium van uitvoering,

heeft in dit verband uiteraard geen andere bedoeling dan

een beeld te geven van de intensieve pogingen die in de

Nederlandse Antillen worden gedaan om de welvaart van

het land te bevorderen.

NASCHRIFT

De Redactie van ,,Economisch-Statistische Berichten”

was zo vriendelijk mij op verzoek van de Gevolmachtigde

Minister van de Nederlandse Antillen bovenstaande

• kanttekeningen ter lezing te geven. Zij geven in een kort

bestek een duidelijk beeld van verschillende belangrijke

ontwikkelingsactiviteiten op de Antillen, die mij gedeelte-

lijk bekend waren, maar waarop ik ten gevolge van de

beschikbare ruimte niet heb kunnen ingaan.

Ik heb echter met mijn korte opmerkingen over syste-

matische welvaartsbevordering nog iets anders op het

oog gehad ‘dan hierboven wordt bedoeld. Ik heb vooral op

de mogelijkheden van een omvattend plan op basis van

een uitgebreide sociale en economische inventarisatie

willen wijzen. Het zou m.i. overweging verdienen na te

gaan of een dergelijke planmatige stûdie en opzet
j
die voor

zover mij bekend, nog niet is geëntameerd, voor de Neder-

landse Antilln ook van betekenis zou kunnen zijn.

‘s-Gravenhage.

Prof. Dr R. A. J. VAN LIER.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geidmarkt.

In de geldmarktsituatie kwam gedurende de verslag-

week weinig verandering. Caligeld bleef van de zijde der

geidgevers sterk aangeboden; de notering bleef hierdoor

op het minimum van
I
pCt gehandhaafd. Ook de dis-

conto’s voor de verschillende termijnen schatkistpapièr

bleven practisch ongewijzigd; een verdere verruiming

van de discontomarkt bleef derhalve achterwege.

Deze situatie hing vnl: samen met de politiek der ban-

ken om hun kruit in de vorm van liquide middelen in

ruime mate droog te houden. Hierbij was in de eerste

plaats het streven van belang om in het begin van de

nieuwe periode, waarover het gemiddeld kaspercentage

wordt berekend (nl. 22 October-22 November) de kas-

reserves aan de hoge kant te houden, teneinde in het

laatste deel van deze periode een eventuele teruggang

van de middelen zonder kleerscheuren te kunnen op-

vangen. In dit verband verdient het opmerking, dat De

Nederlandsche Bank, die tot dusverre het officiële dis-

conto niet verhoogde, ook voor de nieuwe periode het

verplichte kaspercentage (waarvoor een maximum van

15 pCt geldt) op 10 pCt handhaafde.

Een andere factor voor het aanhouden van een ruime
liquiditeit vormt het algemene gevoelen, mede ‘p grond’

van de verhogingen van het officiële disconto in andere

landen, dat ook op de Nederlandse geidmarkt een stij-

ging in de lucht hangt. Zo vermoeden sommigen dat,

indien de Agent of De Nederlandsche Bank de afgifte

van schatkistpapier in de naaste toekomst – nu de emis-

sie van de Staatslening achter de rug is – zouden her

vatten, zulks tegen hoger afgiftetarieven zou geschieden.

De kapitaalmarkt.

Voor de eerste maal sinds de ziekte van President

Eisenhower vertoonde de Amerikaanse aandelen markt

EERSTE HIDERLANDSCHE

VERZEKERING MIJ OP HET LEVEN EN TEGEN

INVALIDITEIT N.V.

GEVESTIGD TE S-GRAVENHAGE

PINS 10 E REH L I HEN

26 October 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

971

gedurende de verslagweek een ononderbroken stijging.

Een vierde Zwarte Maandag bleef derhalve uit. Per saldo

steeg het aandelen koersgemiddelde Dow Jones Industrials

van 14 op 21 October van 444,7 op
458,5
waarmee het

niveau van 26 September, de eerste Zwarte Maandag,

ad 455,6 weer werd overschreden.

Een dergelijk koersherstel vond op het Damrak niet

plaats; de koerswinsten, die aanvankelijk werden geboekt,

gingen in de tweede helft van de week weer ver’oren.

Naast de forse koersdaling in Parijs en Londen, was

hierbij vooral de regeringsmaatregel tot infiatiebestrijding,

inhoudende versnelde inning van de voorlopige aanslagen

vennootschapsbelasting en beperking van de vervroegde

afschrijving, van invloed. Het feit, dat sommigen de

vrees uitspraken, dat de liquiditeitsvermindering in het

bedrijfsleven, die hierdoor zal ontstaan, tot dividend-

verlagingen zal leiden, kenschetst de voorzichtige stem-

ming, die momenteel op de aandelenmarkt heerst.

Een ander symptoom van deze voorzichtigheid is de

reserve, waarmee nieuwe aandelenemissies worden ont-

vangen; in vele gevallen noteren de claims beneden de

theoretische waarde, terwijl van een neiging van de koer-

sen om na de emissie weer op te trekken tot het niveau

van vôôr de uitgifte, weinig meer te constateren is.

Dat de buitenlandse aankopen op de Nederlandse

aandelenmarkt in het eerste halfjaar van 1955 nog zeer

aanzienlijk wareu, blijkt uit dezer dagen vrijgegeven

betalingsbalanscijfers.

Netto- verkoop van effecten naar liet buitenland

voor
particuliere rekening

le halfjaar 2e halfjaar le halfjaar

1954

1954

1955

(x f1 n,lnl

in S

……………………….

..+ 282

f 353

± 256

in overige valuta’s
…………….
..
– 7

– 163

– 203

4-
275

+190

•. 52

Buitenlands kapitaalierkeer

vooi o
verheidsrekening

aandelen, ter waarde van ca f 250 mln naar Amerika zijn

verhuisd; vermoedelijk waren de verkopers vnl. Neder

landse particulieren. De effectenaankopen tegen andere

valuta’s ad ca f 200 mln zullen vnl. betrekking hebben

gehad op buitenlandse obligaties, door institutionele

beleggers in portefeuille opgenomen. De overheids-

.jolitiek, geleidelijk buitenlandse door binnenlandse

staatsschuld te vervangen, zal eveneens de beleggings-

mogelijkheden in de niet risicodragende sfeer hier te

lande verder hebben vergroot.

De hierboven genoemde regeringmaatregel tot in-

flatiebestrijding leidde tot enige koersdaling bij sommige

staatsfondsen. De obligatiemarkt is de laatste tijd enigs-

zins labieler geworden, vooral door, de voortdurende

discussie over een komende rentestijging; deze discussie
werd aangewakkerd door de eerste stap, die de Regering

thans op het pad der infiatiebestrijding heeft gezet. Bij

de vrees voor stijging van de rentestand past een voorkeur

voor kortiopende obligaties. Wellicht droeg deze over

wegirig bij tot het snelle succes van de door de Amster

damsche Bank aangeboden f 25 mln 7 jarige (deposito)

obligaties; het bedrag bleek ni. reeds de afgelopen week

te zijn voltekend.

7 Oct.
14 Oct.
21 Oct.
Aand. indexcijfers
(1953
=
100)
1955
1955 1955
Algemeen

……………………………
219,0 211,7
211,4
Intrnat.

concerns

………………….
282,4 272,4
272,2
Industrie

……………………………..
166,3 160,4
159,4
Scheepvaart

…………………………
159,0 154,9 155,3
Banken

…………………………………
147,5
142,9
142,6
Indon.

aand
.

…………………………
167,7 164,3 164,6

Aandelen
Kon.

Petroleum

……………………
605
582
5881″
Unilever

……………………………
473½
455½
453
Philips

………………………….
……..
::5:1′.z
346
347½
A.K.0.

………..
.
……………………..
:162½
34734
140½
Kon.

N.

Hoogovens

………………
390
372
:161
Van

Gelder

Zn

………………………
332
312½
308
H.A.L
.

…………………………………
221
214
210
Amsterd.

Rubber
……………………
141 ½
140
1
/
,
139½
H.V.A
.

…………………………………
163½
/
159½
160

Staatsfondsen
244

oCt
N.W.S
.

………………………
75 75
5
s
76½
3-344

pCt

1947

………………………
100k
100
1
/8
9914
,

3

pCt

Grootboek
1946

……………
98½ 98½
98
5
6
3

pet Dollarlening

…………………
97½
97s
98

allossingop langlopende overheidsleningen
1

264

229

231

Uit deze cijfers volgt dat in het eerste halfjaar 1955

Nederlandse fondsen,

waarschijnlijk vnl.

Nederlandse

Diverse obligaties
3½ pCt
Gem.
R’dam
1937
VI

3% pCt
Bkv.Ned. Gem. 1954
111111
3%

oCt Philips

1948

………………
3
1
4
pCt
Westl. Hyp. Bank

101,
98½
101 ½
97

1011k
99
10178
9771

101
99
102½
97
.

S. C.
BRuZuT.

r

H

Onze kantoren belasten zich gaarne
H

II

met de verzorging van Uw

INSCHRIJVINGEN

H

OP EMISSIES

H

in

binnen- en

buitenland.

Nederlandsche

Handel-Maatschappij, N.V.
M

N

..’
N
H

Hoofdkantoor: Amsterdam, Vijzeistraat 32
H
H

88 kantoren in Nederland
H
l}!Ii

l0LI

11111

lIIIl

Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek’ te

‘s-Gravenhage
kan worden geplaatst een

wetenschappelijk medewerker

bij de afdeling Culturele Statistiek. Betrokkene zal worden

belast, met
statistisch-sociologische research
op het ter-

rein van onderwijs, wetenschap en cultiur. Belangstelling
voor de statistische aspecten van het sociaal-wetenschap-

pelijk onderzoek is onontbeerlijk.
Vereist: doctoraal examen in de sociale wetenschappen,
sociologie, sociografie e.d., dan wel in de economische
wetenschappen (sociologische richting). Ervaring met
sociaal-wetenschappelijk onderzoek strekt tot aanbeveling.
Aanstelling zal geschieden in de rang van adj.-weten-
schappelijk ambtenaar of van wetenschappelijk ambte-
naar. (Salarisgresizen resp.
f
446,–s- tot
f 527,—
en
f 527,—
tot
f
747,— bruto p.m.). Candidaten moeten
berejd zijn zich aan een psychologisch onderzoek te on-derwerpen. Soli, met vermelding van levensloop, oplei-
ding e.d. onder motto Oc/CBS 51 (in linker bovenhoek env. en brief) aan de Centrale Personeelsdienst, Bezui-
denboutseweg 15, Den Haag.

Bij de afdeling Woningbouw van de
Centrale


Directie van de Wederopbouw en de Volks-
huisvesting
wordt gevraagd

st!172
am
Amst€rd

KAS.ASSOCIATIE NN.

ECO1TOOI

1
dynamisch-commerciële persoonlijkheid,
zoekt functie
in binnen- of buitenland.
Br. onder no.
E.-S.B.
43-2,

I
Br. v. d. Blad, Postbus 42, Schiedam.

Betaalkantoor voor coupons,

dividenden en
t
uitgelote stukken

Aangeboden complete

BELASTINGBERICHTEN
(1941—heden) in 11 banden; geheel bijgewerkt en ge-
collationneerd door de uitgever, N. Samsom N.V., en
inclusief lopend abonnement.
Brieven onder no. E.-S.B. 43-1, Bureau van dit blad,
Postbus 42, Schiedam.

Het beheer

van

pensioenfondsen

Beheerders van pensioenfondsen dragen

een grote verantwoordelijkheid.

Hun

taak wordt aanmerkelijk verlicht indien

zij gebruik maken van de adviezen van

ons gespecialiseerde

Bureau voor Pensioenfondsen

DE TWENTSCHE BANK

Uw financiële raadman

een econoon

met belangstelling voor financieel-economische vraag-
stukken. Salariëring volgens rijksregeling afhankelijk van
leeftijd en ervaring, overeenkomstig de schaal referen-dans 2e klasse
(f
500,— tot
f
689,– p. m.) of referen-
dans
(f
689,— tot
f
863,— p.m.).

Soli, binnen 14 dagen na verschijnen van dit blad onder
motto Oc/Wo 51 (in linker bovenhoek env. en brief) aan
de Centrale Personeelsdienst, Bezuidenhoutseweg 15,
Den Haag.

voor inaustrieie doeleinden


1h

Auteur