Ga direct naar de content

Jrg. 39, editie 1929

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 26 1954

E

che


,

1

Wat is het Nederlands Verkeersinstituut?

*

Ir S. Herweijer
/

Eén jaar agrarisch herstel in het

rampgebied

*

Mr Th. A. Fruin

Ontwikkeling van het – gezinscredfet in

Nederland

*

Dr F. J. Krop

Verzekering en geldontwaarding

*

Ir M. K. Hylkema

Te lang boer?

/

UITGAVE VAN HET NEDERL’ANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

39e JAARGANG

Not 1929

WOENSDAG 26 MEI 1954

*80e

*800

KAS-ASSOCIATIE
N.V.

SPUISTRAAT 172

AMSTERDAM

B
ewin voering

en Executele

Abonneert U op

DE ECONOMIST

..

I

Maandblad onder redactie van:

Prof. P. Hennipman, A. M. de Jong, Prof. P.

B. Kreukniet, Prof. H. W. Lambers, Prof. J.

Tinbergen, Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof.

F. de Vries, Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs
f
22.50; fr. p. post
f
23.60;

voor studenten
j’
19.—; franco per post / 20.10.

Abonnementen worden aangenomen door de

boekhandel en door uitgevers

DE ERVEN
F. BOHN TE HAARLEM

Efficiency in uw bedrijf

Wij wijzen U op het bijzonder
s
belangwek-

kende artikel
,,Enkele
problemen, verband

houdende met de landelijke distributie van

goederen”, van de hand van de Heer
J.
B. J.

Spaan, dat zal verschijnen in het
Juni-

nummer van

een geïllustreerd
tijdschrift gewijd

verlad

aan het interne
transport en aan
expeditie vraag-
stukken.

Dit zeer uitvoerige, goed gedocumenteerde

en geïllustreerde artikel wordt in de afle-

veringeh van Juli en Augustus vervolgd.

Informaties ‘en proefnumniers worden U

gaarne verstrektdoor

Adm.
,,Veraden” – Postbus 42 – Schiedam

Zetvdt Uw- apdt&tetv .Udiq üv

406

Rn MEES & ZOONEN

A° ‘1720

BANKIERS
&
ASSURANTIEMAKELAARS
ROTTERDAM

/

AMSTERDAM – ‘s-GRAVENHAGE

DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

E-S.B.-BANDEN 1953

Er zijn nog enige banden beschikbaar voor het

inbinden van Uw jaargang ’53. U kunt deze voor

de prijs van
f
4,25 bestellen bij de

Koninklijke Ned. Boekdrukkerj

H. A. M. EOELANTS

Postbus 42

Sehiedam

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
-Telefoon 38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwjjnaardse
Steenweg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Abonnementsprijs,
franco per Post, voor Nederland en de
Uniegebieden en Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f26,—,
overige landen f28,— per jaar.

Abonnementen kunnen
ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van liet kalenderjaar. Losse nummers 75 cts.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bjjkant,or
Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle
correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerj
H. A.
M. Roelants, Lange Haven 141, Scidedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich hçt recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

1

COMMISSiE. VAN REDACTIE: Ch. Glasz; H. W. Lambers: .ï. Tinbergen;
F. de Vries; C. van den Berg (secretaris). Redacteur-Secretarie: A. de Wit.
Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN AD VIES VOOR BELGIË: F. Collin;
J. E. Menens de Witmars; J. van Tichelen; R. Vandeputie; A. Vlerick.

26Mei1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

407

Wat is het Nederlands Verkeersinstituut?

De Stichting ,,Nederlands Verkeersinstituut” werd

21 December 1946 te ‘s-Gravenhage opgericht, is aldaar

gevestigd en stelt zich ten doel ,,de bevordering van de

wetenschappelijke studie van verkeersvraagstukken in

de ruimste zin des woords en het dienstbaar maken van

deze studie aan de behoeften van de practijk” (art. 2 der

Statuten).

Het Instituut tracht dit doel te bereiken o.a. door het

publiceren van verkeerswetenschappelijke studies in het

eigen orgaan ,,Verkeer en Vervoer” en in een serie mo-

nografleën, waarvan o.a. het onlangs verschenen no

VII ,,Het binnenlands vervoer na de bevrijding 1944/45-

1952″,
door Ir Th. M. B. van .Marle, in brede kring be-

langstelling trekt. Binnenkort zullen in deze serie uit-

komen ,,Verkeersvraagstukken en stedebouw” door Drs

L. H. Klaassen en Ir J. S. van Nouhuys en ,,Marktonder-

zoek voor het verkeer” door Dr J. G. Stridiron en Drs

B. van der Meer, terwijl verwacht mag worden, dat later

in het jaar een monografie over de problemen van een

Europese verkeersintegratie het licht zal zien.

Behalve de reeds genoemde publicaties geeft het Insti-

tuut uit onder de naam ,,Transport Documentation” een

verzameling van excerpten uit artikelen verschenen in

binnen- en buitenlandse vakbladen.
De Studiekring van het Instituut is doende met de sa-
menstelling van een Verkeersecoriomisch Handboek en

nam voorts in 1953 het initiatief tot de vorming van werk-

groepen met een tijdelijk karakter, welke een bépaald

onderwerp in één winter afhandelen om in het voorjaar

tot het opstellen van een rapport te komen, weergevende,

hetzij de conclusies, hetzij alleen een overzicht van de

onderscheidene tot uiting gebrachte gezichtspunten. Thans

zijn 15 werkgroepen gevormd met in totaal 113 deelne-

mers.

Enige malen per jaar worden lezingen en studiedagen

met excursies georganiseerd, terwijl maandelijks aan een

lunch het woord wordt gevoerd door een autoriteit op

verkeersgebied. Het aan deze maaltijden voorafgaande

uur wordt door de aanwezigen zeer gewaardeerd, omdat

het gelegenheid geeft tot onderlinge gedachtenwisselingen

in een ongedwongen sfeer. De belangstellenden zijn aca-

demici en anderen, vooral uit het bedrjfslever en uit

overheidskringen. Ook Ministers waren op deze bijeen-

komsten meermalen tegenwoordig.

Een belangrijk deel van de activiteit van het Instituut

treedt niet in het licht. Het Instituut immers aanvaardt

opdrachten van overheidsinsteffingen, particulière onder-

nemingen en andere lichamen tot het verrichten van on-
derzoekingen te hunnen behoeve, doch de resultaten van

deze onderzoekingen kunnen slechts dan gepubliceerd

worden, indien de opdrachtgevers daartoe hun toestem-

ming verlenen. Onder andere werden reeds uitgebracht

een rapport betreffende een ônderzoek naâr de toekom-

stige vervoersbehoefte van een aantal gemeenten gelegen
binnen het rayon van een belangrijk streekvervoerbedrijf,

een rapport betreffende de lasten welke drukken op het

beroepsvervoer over de weg, rapporten betreffende het

openbare personenvervoer in enige middelgrote Neder-

landse steden.

Het wetenschappelijke peil en de objectiviteit van de

door het Instituut samengestelde rapporten worden

gewaarborgd door het bij de statuten voorgeschreven

toezicht uitgeoefend door het Curatorium, onder presi-

dium van Dr Ir J. Â. Ringers en voorts samengesteld uit

hoogleraren vertegenwoordigende alle Nederlandse Eco-

nomische. en Technische Hogescholen en Faculteiten.

Het algemene beheer van het Instituut wordt gevoerd

door een Raad van Beheer, waarvan ondergetekende voor-

ziter is.

Het streven is om in dit Verkeersinstituut samen te

brengen ‘uit alle sectoren van het vervoer ter ene zijde

hen, die als leiders van ondernemingen, overheidsdien-

sten, organisaties van werkgevers of werknemers op

transportgebied dan wel als grote verladers belang heb-

ben bij een goede oplossing van de zich hier voordoende

vraagstukken en ter andere zijde de wetenschappelijke

onderzoekers, die roeping gevoelen zich aan de studie

van vervoers- en verkeersproblemen te wijden.

‘s-Gravenhage.

Dr Ir M. H. DAMME.

INHOUD

Blz.

Wat is het Nederlands Verkeersinstituut?,
door

Dr Ir M. H. Damme
………………….
407

Eén jaar agrarisch herstel in het rampgebied,
door

Ir S. Herwejer
……………………….
409

Ontwikkeling van het gezinscrediet in Nederland,
door Mr Th. A. Fruin
…………………..
412

Verzekering en geldontwaarding,
door Dr F. J.

Krop
………………………………
417

Te lang boer?,
door Ir M. K. Hylkema
…….
. 418

Blz.

B e d r ij f s e c o n o m i s c h e n o t i t i e s :

Philips’ jaarverslag 1953,
dôor Drs Th. M.

Scholten . ………………………….
420

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet

422

De Belgische geld- en kapitaalmarkt in April 1954,

door Dr L. Delmotte
………………….
422

S t a t i s t i e k e n :

Indexcijfers van bruto-lonen en salarissen van

mannelijke arbeidskrachten in Nederland

424

Interim-prijsindexcijfers van het gezinsverbruik

in Nederland

……………………..
424

BIJLAGE

Nederlandse tkst van de door
Dr W.
T. Kroese gehouden inleidende lezing op.het internationaal

katoencongres (Bu.xton, 13-20 Mei 1954).

AUTEURSRECHT

408

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Mei 1954

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Ir S. HER WEIJER, Eén jaar agrarisch herstel in het

rampgebied. –

In het voorjaar van 1953 is bij het droogkomen van de

afzonderlijke”gëbieden direct begonnen met het registreren

van de schade en de uitvoering van de herstelmaatregelen.

In totaal .heèft 140.000 ha gedurende een langere of

kortere tijd onder water gestaan. De herstelkosten van de

mechanische schade, die aan grond en gebouwen wordt

aangericht, blijken globaal génomen recht evenredig te

zijn met de duur van de overstroming en de capaciteit

van de stroomgatèn. Het cultuurtechisch herstelwerk is

thans voor bijna 100.000 ha beëindigd. De uitzonderlijk

vlugge ontiilting is een resultante van: 1. het weer

spoedig functionneren van de afwatering als gevolg
van het snelle cultuurtechnisch herstel; 2. het in het

algemeen goed werkend drainage-systeem in dit gebied

en 3. de ged gespreide en voldoende regenval, in het

bijzonder in de zomer van 1953. Het herstel van de struc-

tuur van de grond vordert eveneens gunstig door de

verstrekking van gips (in 1953 : 250.000 ton). De verkregen

opbrengsten aan landbouwgewassen, in het bijzonder

gerst, zijn in 1953 niet onbevredigend geweest. Inclusief

de herverkavelingsgebieden kost het eigenlijke herstel van

de grond f
175
mln. De totale kosten van het agrarisch

herstel zullen ca f 315 mln bedragen. /

Mr Th. A. FRUIN, Ontwikkeling van het gezinscrediet

in Nederland.

Ultimo 1939 stonden rond 700.000 gezinscredieten op

zakelijke basis uit. Het totale in 1939 verstrekte gezins-
crediet bedroeg ad rond f 47 mln, d.i. 1 pCt van de con-

sumptie door gezinnen. Het af betalingscrediet was verre-
weg het belangrijkste, nl. 79 pCt van het uitstaande saldo,

verdeeld over 74 pCt der debiteuren. De betaalzegelkassen

volgden, wat betreft het aantal verstrekte crediten, het
uitgeleende bedrag en het aantal debiteuren onder wie

het siido was verdèeld (20 pCt), doch omv,atten slechts

8 pCt van het uitstaande saldo. Bij het geldcrediet was

slechts 6 pCt van het aantal, doch 13 pCt van het uit-

staande saldo betrokken. In de bezettingsperiode kzomp

het gezinscrediet door gebrek aan goederen en betrekkelij-

ke geldruimte sterk in. Na de bevrijding beperkte de

aanvankelijke schaarste aan duurzhme gebruiksgoederen

de credietmogelijkheden van de’ gezinscredietbanken.

Eerst na 1948 nam het gezinscrediet snel toe. Na 1949

werd de toeneming van jaar tot jaar minder. De omzet

van gezinscredietbanken en afbetalingscrediet samen zal

in 1952 waarschijnlijk 1* â 11 pCt vafi de consumptie

door gezinnen hebben bedragen. Deze percentages zijn
niet onrustbarend. De stijging van het gezinscrediet zal

volgens schrijver nog aanhouden.

Dr F. J. KR’OP, Verzekering en geldontwaarding.

Een kleine schadeverzekeraar in Nederland heeft een

,,Veiligheids-Index-Brandpolis” in het leven geroepen.

Bij de zojuist genoemde polis wordt uitgegaan van een

verzekerde som van de inboedel, die fluctueert met de

stijging en daling .van de maandelijks gepubliceerde

indexcijfers van het C.B.S., waarbij als grondslagen wor-

den gebruikt de prjsindexcijfers voor, het gezinsverbruik
vah kleding en schoeisel, alsmede dat van woninginrich-

ting. Bij schade wordt de verzekerde som uitbetaald

volgens de hoogste van de beide genoemde indexcijfers,.

hetwelk dan gebruikt zal worden voor de gehele inboedel,

volgens het in de daaraan voorafgaande maand gepubli-

ceerde indexcijfer. Ook de premie zal fluctueren. Psycho-

logisch heeft een dergelijke verzekeringsvorm het be-

zwaar, dat de premiebetaling onzeker is. Een ander

bezwaar is, dat de gebruikte indexcijfers uitsluitend slaan

op kleding en schoeisel en op. woninginrichting. Voor

zover de verzekerde som mede wordt bepaald door

preciosa, antieke voorwerlièn, kunstverzamelingen e.d.

zal een juiste aanpassing van het verzekerde bedrag

illusoir worden. Schrijver spreekt de vrees .uit, dat in

tijden van inflatie de nieuwe verzekeringsvorm voor

verzekerden en verzekeraars niet voldoende aantrekkelijk
zal zijn.

Ir M. K. HYLKEMA, Te lang boer?

Over het algemeen is het aantal oudere boeren vrij hoog

in Nederland. De tuinbouwers zijn gemiddeld jonger. De

verhouding tussen het aantal jongeren en ouderen is niet

ideaal, wat het gevaar meebrengt van een te groot

conservatisme. Het zal moeilijk zijn om in het genoemde

verschijnsel wijziging te brengen. Het is ook zeer de vraag

volgens schrijver of ten aanzien hiervan m’aatregelen

gewenst zijn. Eén van de oorzaken, die tot het verschijnsel

hebben geleid, is de neiging om het beroep, waarvan men

houdt, zolang mogelijk te blijven uitoefenen. Vervolgens

wijst schrijver er o.a. op, dat de kosten van levensonder

houd en de belastingen hoog zijn, zodat het vele boeren

wel niet gelukt zal zijn voldoende over te houden om

stil te kunnen gaan leven. Wat de jongeren betreft merkt

schrijver op, dat er tegenwoordig veel kapitaal voor

nodig is om boer te kunnen worden. Bovendien is de

kans, om naar een boerderij mee te dingen, minder groot

dan vroeger vanwege het continuatierecht.

– SOMMAIRE –

Ir S. HER WEIJER, Après un an de restauration agraire

dans les régions dévastées.

L’âuteur expose les progrès réalisés dans la désalina-

tion et la iemise en valeur des terres situées dans les

régions dévastées des Pays-Bas.
Mr Th. A. FRUIN, Développement du crédit familial aux

Pays-Bas.

Cet article compare le volume du crédit familial aux
Pays-Bas en 1939 et en 1952. A cette occasion l’auteur

étudie la mesure danslaquélle différentes institutions et

entreprises de détail accordent du crédit familial.

Dr F. J. KROP, Assurance et dépréciation de Za monnaie.

Se référant â la nouvelle police d’assurance récemment

introduite aux Pays-Bas et intitulée ,,Yeiligheids-Index

Brandpolis”, l’aüteur examine les avantages et inconv’é-
nients de celle-ci, oü le montant assuré est en corrélation

avec le développement des chiffres â l’index.

Ir M. K. HYLKEMA, Cultivateur trop longtemps?

L’auteur donne un aperçu de la répartition par.catégorie

d’âge des agriculteurs et des maraîchers aux Pays-Bas.

II examine ensuite les avantages et les inconvénients qui

découlent du fait de rester agriculteur pendant longtemps.

11 recherche aussi quelques causes qui incitent beaucoup

de cultivateurs âgés â rester en activité. –

26 Mei 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

Eén jaar agarisch herstel in het rampgebied

Vorig jaar gaven wij een nadere analyse van de agrari-

sche schade en de mogelijkheden van herstel
1).
De

meeste gebieden stonden toen nog onder water, zodat

het niet mogelijk was de werkelijke gegevens te verstrek-

ken. De’analyse was in hoofdzaak gebaseerd op de resul-

taten van het onderzoek en de practijkervaringen, die in
de jaren 1945-1950 verkregen waren bij het herstel van

de toenmalige, inundatie- en overstromingsgebieden.

Nu we reeds meer dan een jaar verder zijn, blijkt dat

de periode 1945-1950 inderdaad van onschatbare beteke-

nis is geweest; deze herstelperiode is de ,,generale repe-

titie” geweest. Zowel bij het opstellen van de ramingen

van de geleden schade als bij de uitwerking van de te

nemen herstelmaatregelen konden we ons in het voorjaar

van 1953 baseren op de resultaten van het wetenschappe-

lijk onderzoek, die juist in de jaren 1949-1952 gepubli-

ceerd waren in de reeks ,,Verslagen van landbouwkundige

onderzoekingen”. Van een speciale serie in deze reeks,

getiteld ,,De inundaties gedurende 1944-1945 en hun ge-

volgen voor de landbouw”, waren op het moment van de

ramp reeds zes delen gepubliceerd, terwijl van de resteren-

de zeven de meeste in manuscript aanwezig waren.

Opnieuw is gebleken, dat:

nieuwe maatregelen zoveel mogelijk geprojecteerd
en uitgevoerd moeten worden op basis van verricht

wetenschappelijk onderzoek, en

de verkregen resultaten van wétenschappelijk onder-
oek niet opgeborgen moeten worden in onoverzich-

telijke en onontwarbare dossiers en dienstrappprten,

doch in een behoorlijke vorm gepubliéeerd moeten

worden.

In het voorjaar van 1953 is bij het droogkomen van de
afzonderlijke gebieden direct begonnen met het registre-

ren van de schade en de uitvoering van de herstelmaat-

regelen.. In totaal heeft 140.000 ha gedurende een langere

of kortere tijd onder water gestaan.

De zoutlaboratoria te Kampen en Goes hebben van

de droogkomende polders direct het zoutgehalte van de

grond in de zgn. bouwvoor (dit is de bovenste laag van

20 cm) bepaald. In kaartje no 1 is het zoutgehalte aange-

geven, zoals dit uit de onderzoekingen gedurende het

voorjaar van 1953 en voor Kruiningen in Juli 1953 werd

gevonden. Zeer duidelijk blijkt de invloed van het zout-

gehalte van het overstromingswater en de duur van de

overstroming.

De herstelkosten van de mechanische schade, die aan

grond en gebouwen wordt aangericht, blijken globaal

genomen recht evenredig te zijn met de duur van de over-

stroming en de capaciteit van de stroomgaten. Deze

herstelkosten zijn in Kruiningen en in Schouwen ongeveer

f6.000 per ha,jerwijl deze in polders,
die
slechts enige

dagen overstroomd zijn geweest, niet meer dan ongeveer

f 100 per ha bedragen. Door de Wetenschappelijke Af-

deling van de Rijksdienst voor Landbouwherstel is in

samenwerking met de Cultuurtchnische Dienst de cultuur-

technische schade, welke aan de grond is aangericht, ge-

karteerd. In gebieden zonder stroomgaten is er met de

bouwvoor weinig gebeurd; de grond is daar een keer

overstroomd geweest en heeft alleen zoutschade opgelo-

pen. In gebieden met stroomgaten heeft de voortdurend

‘) Zie ,,Economisch-Statistische Berichten” van 4 Maart 1953, no 1866.

terugkerende eb- en vloedstroom de bouwvôr verspoeld

en verder meer of minder diepe kreken gevormd; het

daaruit komende zand is meestal in meer ofminder dikke

paketteii en het veen in brokstukken op de vruchtbare

kleigrond afgezet. Dat in een dergelijk çgebied ook de

sloten en watergangen geheel zijn dichtgeslibdis duidelijk.

Het cultuurtechnisch herstel moet in dergelijke gebieden

met veel zorg en op wetenschappelijk,en
1
technisch ver-

antwoorde wijze worden uitgevoerd. Door afzanden,

mechanisch onderspitten van zand, kleiwoelen e.d. wordt
hier’ weer vruchtbare grond teruggewonnen. Het cultuur-

technisch herstel wordt uitgevoèrd onder leiding van de

Cultuurtechnische Dienst. Het werk wordt uitgevoerd

door de Nederlandsche Heidemaatschappij en de N.V.

Grontmij, dan wel door aannemers. Zeer veel draglines,

vrachtauto’s, bulldozers en ander materieel is hierbij

ingeschakeld. Juist door de vele moderne graaf- en andere

grondverbeteringsmachines is de arbeidslust en prestatie

der arbeiders in het algemeen groot. Het cultuurtechnisch

herstelwerk is thans voor bijna 100.000 ha beëindigd. In

September hoopt men dit voor het Aeliele overstromings-

.gebied, behalve de herverkavelingsgebieden Schouwen en

Duiveland, Waarde, de Zak van Zuid-Beveland en Tholen.

– waarover later – gereed te hebben. De kosten zullen

55
millioen gulden bedragen; dit is gemiddeld ruim f 500

per ha.
Het eigenlijke landbouwkundig herstel omvat de ont-

zilting en het structuurherstel. In de bijdrage van vorig

jaar in dit tijdschrift werd op de grondslagen hiervan

uitvoerig ingégaan. Nu kan volstaan worden met de ver-

melding van de resultaten. De-weersgesteldheid vanhet
jaar 1953/54 is voor de ontzilting uitermate gunstig ge-
weest. De regen is betrekkelijk gelijkmatig gevallen en

vooral de koele en regenrijke zomer van 1953 heeft gun-

stig gewerkt.

TABEL 1.

Hoeveelheid regen per maand in 1953 in Zuid- West-Ne-

derland en het 40-jarig gemiddelde voor hetzelfde gebied

Maand

1

1953/1954

1
40-jarig gemiddelde
Januari 1953
21
59
Februari

………………..
52
40
7
43
April

……………………
60


45
29
47
.
L.Jl
55
59
67

Maart

………………………

121

….

66

Mei

………………………..

O
September

…..

.
54
71

Juni

………………………..

.
73

Juli

…………………………
Augustus

……………………
…………………….

17
76
ctober

………………………
November

……………………… -îJ.36
65
December

…………………..
Januari 1954
46
59
Februari

……………………
!

138
40

Het zoutgehalte is dan ook in een jaar tijd sterk ge-

daald, hetgèen moge blijken uit de vergelijkitïg van kaart

no 2 met no 1. Het tweede kaartje is het resultaat van

het verrichte zoutonderzoek in het voorjaai..vtn 1954. De

mate van daling van het zoutgehalte in de)oop van het

jaar en het seizoen blijkt heel duidelijk uit’grafiek no’l.
De uitzonderlijk vlugge ontzilting is dus een resultante

van: .

het weer spoedig functionneren an de afwatering

als gevolg van het snelle cultuurtehnisch herstel;
het in het algemeen goed functionnerend drainage-

systeem ih dit gebied, en

Oor

AMPCEIeP VOORJAtQ 495

ZO(JTGEI

IALTE VAÏ1 DE GQ0rlD

JfÇ5Ol6f15T,V0012 LAn0cs0uwHQ5TeL
WETEfl5CHAPPtLIJKe AF0CL I(1(j

0

– 5

0

‘,

106..

)ÂAQT M21

.
0000.stfl
OP
ZOOM

‘S

ZOUTOFI

IALTeT4 )C I50UWV0OI VA,t4 5-20rr,

11
(AMt’5f1 IieUK&1ZOUT
PQ
LIîQ b0Dt%V0(I

1T

0-4

40-45

r•,,

45-20

34-4O)I5
/

$o

5
-(1 4

29

rrocj qcorurrd000d
E

5
FD
5

20

410

ECONOMISCH-,STATISTISCHE BERICHTEN

26 Mei 1954

c. de goed gespreide en voldoende regenval, in het

bijzonder in de zomer van 1953.

Het herstel van de structuur van de grond vordert even-

eens gunstig. In vroeger tijden verliep na een overstroming

de ontzilting door de slecht functionnerende afwatering
en drainage niet alleen langzaam, doch vooral het struc-

tuurherstel vergde vele jaren. Het landbouwkundig on- (slibgehalte) en het zoutgehalte (C-cijfer).

derzoek heeft uitgewezen, dat gips (calciumsuiphaat:

CaSO
4
. 2H
2
0) de medicijn is, die moet worden toege-

diend. Op grond van het verrichte onderzoek in de jaren
1945-190 heeft de Wetenschappelijke Adviescommissie

van de Rijksdienst voor Landbouwherstel de Directie

geadviseerd over de hoeveelheden aan te wenden gips bij

de verschillende zwaarte van de bouwvoor van de grond

2AMPGebID VOO)AAQ 4954

K4ÂQT tlt2

ZOUT(jCIIALTC VÂfl DE GRO11D

12UI5DI115T ,V000 LArID0UWHEQ5TEL
WeTertscMAPpeLIJlçe Af
5
DeLIrlo

• 00010000.0k

.

00000flOPZ00M

……….

ZOUT(eHALTe Itl
oe
0tJWVOOR
VOM
5-20o00.

4fl
OQAMMUI KEUIflZ0UT 0R LITeQ 5O6MV0CHT.

LJll1I
0 – 1

6 – 40

LIII

40-45

-•

LIII
3 6

45- 20

12ijIc5dion6t voor Londbouwkeratel

.

Grafiek T1 2

Wetonockoppetijke Adelin9.

InVLOeD VAl) HCT ZOUT 111 DC DOUWVOOP OP DC 0Per165T
VAl) LAf1D0UWGeWA55e1. QC5ULTAAT P20CrVCLPGCGCVCÏ15 495

Zoukijcr von de bouwvoor in ket voorloar

Rijkdign5t voor LondbouwhereI

Grafiek
/19
3
Wetcn5ckappelijke AfdeIin.

IT1VLOCD VAl) 1

ICT ZOUT Ill DC tOUWVOOQ OP DC OPQeflQ5T
VAl) ZOMC2GC25T 1fl DC JAQCT1 4946.4947,4948 an 1953

zomcrzret

hovr
.

suikerbieten

rdoppclen

05

wtCn

Vi

Qelolieve opbrnst

ZouIc;jr von da bouwvoor ,n het voor100r.

26 Mej 1954

ECONOMISCH-STATISTISdHE BERICHTEN

411

Zoute; jfor van do bouwvoor in ket 000rjoor

Qijksd;onoi voor Landbouwkqrtcl

Graf
0k f154
WeleneckappOijke A4deIi,1

GMIDOCLD VeQLOOP ZOUTCUFCQ 1953/54

Zouteijfo..
40

…n d0Ioo 0

5 cv,
– ndeloo9 5 20e,n

30

20

10

0 1

fobr Mr! Apr M6 ]uni juli Ao

Sept Oct (loo PacJon fi.br
4955 –

1954

middelde opbrengst van gerst bij verschillende zoutge-

halten van de bouwvoor in verschillende jaren aangegeven.

Zoals blijkt, behoort 1953 tot de redelijk gunstige jaren;

het klimaat is van doorslaggevende betekenis. De ver-

kregen opbrengsten aan landbouwgewassen, in het bij-

‘ zonder gerst, zijn in 1953 niet onbevredigend geweest.

Ook uit dit voorbeeld blijkt opnieuw van wëlk een groot
belang eèn nauwkeurige weersvoofspelling op lange ter

mijn voor de landbouw zal zijn. Indien de Landbouw-

voorlichtingsdienst en de boeren in Februari van elk jaar

over een behoorlijke voorspelling van het weertype van

de komende zes maanden kunnen beschikken, dan zullen

ook de adviezen van de Voorlichtingsdienst inzake de

gewassenkeuze eh de wijze van bemesting der gev’assen

veel waardevoller kunnen zijn dan nu het geval is. De

gerstopbrengsten zouden op de, zeer zoute gronden –

door extra bemesting – in 1953 10 â 20 pCt hoger zijn

geweest, indien men tevoren had geweten, dat Juni zo

vochtig zou zijn. Ook in verband met de toekomstige

zoetwatervoorziening achten wij een goede weersvoor-

spelling op korte en lange termijn voor de landbouw van

bijzondere betekenis; aan dit vraagstuk kan nauwelijks

genoeg aandacht worden besteed.

Voor bouwland werd het onderstaande toewijzingsschema

opgesteld; naast de totale gipsgift per ha is ook dein 1953

verstrekte hoeveelheid per ha aangegeven.

TAEEL 2.
Gipstoe;vijzinç voor zoute gronden

C-cijièrs
(aantal gr. NaCl per liter bodemvocht in de bouwvoor
5-20
cm)
Slib

9e-

<3

3-6

6-10

1

10-20

>20

– halte

_______ ___________

voort. 1953 Voort. 1953 Voort. 1953 Voorl. 1953 Voorl. 1953

totaal

totaal

totaal

totaal

totaal

11-20

0

0
1

1

11

1

2

l

4

2

21-30

0

0

2

2

3

3

6

3

8

4

/31-40

0

0

3

3

5

4

8

4

12

6

41-50

0

0

3

3

6

5

10

5

14

7

> 50

0

0

3

3

7

6

12

6

18

9

In totaal is in 1953 reeds 250.000 ton gips verstrekt en

in 1954 zal ongeveer eenzelfde hoeveelheid nodig zijn. De

zwaardere gronden (hoog slibgehalte) ontvangen 2 â 3

doses. Het gips, door de coöperatieve enparticuliere hand –

del vanuit Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië, Griekenland,

Cyprus en Marokko geïmporteerd, is zeer zuiver van
samenstelling; gemiddeld bevat het-meer dan 93 pCt

CaSO
4
. 2H
2
0. De afzonderlijke gewassen reageren overi-

gens zeer verschillend op zout, hetgeen uit grafiek 2 dui- –

delijk blijkt. Indien het weer ook in 1954 meewerkt, dan

zal in dit jaar:

a.

het bouwplan weer meer normaal zijn, dus meer

arbeids- en kapitaalintensieve gewassen en

b..

de opbrengst gemiddeld meer dan
75
pCt van for-

maal zijn.
De belemmerende factor in 1954 is niet het zout, doch
400
de minder goede structuur. Een bruto-opbrengst van een

gemiddeld landbouwgewa in Zuid-West-Nederland be-

draagt f1.000 â fl.400 per ha. Het is duidelijk, dat het
7

rendement van de aanwending van gips, waarvan de kos
ten gemiddeld f 30 per ton bedragen, zeer groot is, indien
50
een eventuele mislukking van het gewas met 2 â 3 ton
extra gips kan worden voorkomen. De Rijks
\
Land- en

Tuinbouwvoorlichtingsdienst adviseert de boeren en tuin-
25

ders over de inzaai van hun gewassen en het gebruik van

het gips. De adviezen zijn afhankelijk van de toestand van
o
de afzonderlijke percelen, te weten: zoutgehalte, zwaarte

van de grond en de voorvrucht. In grafiek no 3 is de ge-

412

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26Mei1954

Naast het herstel van de grond is met kracht gewerkt
aan het herstel van de veestapel, de landbouwmachines

en -werktuigen. Langzaam maar zeker begint men ook

met het inplanten van de boomgaarden en de erf beplan-

tingen. Het landschapsherstel is zowel uit landbouw

kundig, aesthetisch als cultureel oogpunt van grote be-

tekenis; in samenwerking met het Staatsbosbeheer wofdt

hieraan alle aaüdacht besteed.

De 140.000 ha cultuurgrond worden bebouwd door

19.200 getroffen boeren en tuinder. Inclusief de herver-

kavelingsgebieden kost het eigenlijke herstel van de grond
175 millioen gulden. De schade-uitkeringen aan de andere

sectoren van het agrarisch bedrijf zijn in tabel 3 geraamd.

TABEL 3.

Gecorrigeerde raming schade-uitkering agrarische sector

in millioenen

(uitgezonderd kosten herstel schade aan grond)

Rubriek

Uitkering

Boomgaarden
………………………………….
.
.
20
Gewassen te velde
………………………………
.
26
Producten

…………………………………….
20
Werktuigen .-
…………………………………..
.
20
STout………………………………………….2
Vee
…………………………………………
.
20
Bedrijfsmiddelen
………………………………..
.
15
Schadebeperkende voorziening

…………………….
15
Definitief grondverlies
……………………………
3

t

141

De totale kosten van het agrarisch herstel zullen mits-

dien circa
315
millioen gulden bedragen. De herstelkosten,

die de waterschappen en polders, al of niet met behulp

van de Rijks- en Provinciale Waterstaat, hebben moeten

maken aan dijken, waterleidingen, wegen en kunstwerken,

zijn hierin niet begrepen. Ook de normale bedrijfswinst,

die de getroffen boeren en tuinders gedurende twee â drie

jaren lijden als gevolg van de zeer onvolledige jroductie,

is niet in deze raming opgenomen. Wij schatten deze op

circa 50 millioen gulden; door de uitkering van levens-

onderhoudvergoedingen wordt hierin ten dele tegemoet

gekomen.

Met de uitkering van de schadevergoedingen is bereids

een aanvang gemaakt. Tot en met einde Maart waren

aan ruim 10.000 getroffen boeren en tuinders 13.460 voor-

schotten verstrekt tot een bedrag van ruim 32 millioen

gulden. Met de definitieve berekening en uitkering der

schadevergoedingen is een aanvang gemaakt; het reste-

rende bedrag van 109 millioen gu1dn zal voor 75 pCt in
1954 en voor 25 pCt in 1955 worden uitgekeerd. De be-

dragen voor herstelbewerkingskosten, d.w.z. de niet ge-

dekte kosten van de teelt van landbouwgewassen ten be-

hoeve van het grondherstel, zijn – in verband met onbe-

kendheid van het weertype in de zomer van 1954 – nog

niet te ramen. De uitkeringen zullen plaatsvinden in 1954

en
1955,
respectievelijk over het oogstjaar 1953 en 1954.

Vooral het apparaat van de Provinciale Voedselcommis-

sarissen \’erricht bij de enquêtering en berekening der

vergoedingen bijzonder nuttig werk.

Samenvatting.

De voortgang van het agrarisch herstel is uitermate

bevredigend. Enige duizendën arbeiders werken tezamen

met bijna 300 draglines, 250 vrachtauto’s en veel ander

materieel aan het cultuurtechnisch herstel. Behalve in de
herverkavelingsgebieden komt he.t cultuurtechnisch her-

stel in 1954 gereed. Het landbouwkundig herstel van de

140.000 ha cultuurgrond vordert eveneens goed; ruim

19.000 boeren en tuinders werken tezamen met de land-

arbeiders aan deze taak.

Het wetenschappelijk onderzoek is de basis voor de

te nemen .maatregelen; vooral de gipsverstrekking neemt

bij het landbouwkundig herstel een centrale plaats in.

Helaas is de weersvoorspelling op lange termijn nog niet

zover gevorderd, dat de resultaten hiervan in de voor

lichting kunnen worden betrokken. Hieraan kan – mede

in verband met de toekomstige zoetwatervoorziening –

nauwelijks genoeg aandacht worden besteed. De land-

bouwbedrjfsvoering in de getroffen gebieden komt

weerredelijk op gang. In 195 en
1955
zullen de schade-

uitkeringen plaatsvinden; het overgrote deel in
1954.

Over de betekenis van de herverkavelingen in Schouwen

en Duiveland, Tholen, de polder Waarde en de Zak van
Zuid-Beveland zal later een en ander worden medege-

deeld.

Utrecht.

Ir S. HERWEIJER.

Ontwikkeling van het gezinscrediet in Nederland
1.

Het gezinscrediet wordt in Nederland, evenals elders

in West-Europa, in drie vormen verstrekt: verkoop op

afbetaling, geld- en koopboncrediet. De laatste vorm,

die in de Verenigde Staten nauwelijks voorkomt, heet

hier te lande betaalzegeicrediet. De eigenaardigheid daar-

van is, dat de credietnemer zijn crediet niet in geld krijgt

uitbetaald, doch in op vaste bedragen luidende bonnen

(zgn. zegels) waarmede hij, als met contant geld, zijn

aankopen kan betalen bij detaillisten welke bij het zegel-

bedrijf zijn aangesloten. .Dat bedrijf voert dus zijn klanten

aan een beperkt aantal detailhandelaren toe, die bereid
zijn voor de aldus verkregen omzetvermeerdering een,

door het Ministerie van Economische Zaken tot 9 pCt

begrensde, korting te betalen. De betaalzegelkassen

lenen kleine bedragen (vôôr de laatste oorlog ongeveer

f 30, thans gemiddeld een kleine f 90) uit met aflossing in

20
t
25 wekelijkse termijnen, welke bij de overwegend

tot de volksklasse behorende credietnemers aan huis

worden opgehaald.

Kenmerk van alle vormen van gezinscrediet is, dat

daarbij de aflossing in een aantal, meest maandelijkse of

wekelijkse kleine termijnen uit het lopende inkomen

plaatsvindt.

Cijfers omtrent de omvang van het afbetalingscrediet

zijn over het jaar 1939 verzameld dtor het Centraal

Bureau voor de Statistiek
1).
Over latere jaren zijn zelfs
geen partiële cijfers beschikbaar.

Tot het gezinscrediet is in dit artikel niet het crediet

voor aankoop op afbetaling van automobielen gerekend,

daar, anders dan in de Verenigde Staten, auto’s uitsluitend

voor gezinsgebruik uitzondering zijn en waarschijnlijk

bovendien zelden op afbetaling worden gekocht. Uiter-

aard behoort ook de afbetalingsverkoop van bedrijfs-

machines en -inventaris niet tot het gezinscrediet.
/
Van

het gezinsafbetalingscrediet diende in 1939 36 pCt voor

aankoop van meubelen, stoffering, haarden en kachels,

kleding en gemengd, 64 pCt voor (motor)rijwielen, radio-

toestellen, muziekinstrumenten, koelkasten, wasmachines,

stofzuigers, naaimachines, electrische en ‘gasapparaten,

diversen. De detailhandelaren verstrekten 73,8 pCt van

‘) Maandschrift C.D.S. 1942 afi. 11/12.

414

ECONOMISCH-STA
‘TISTISCHE BERICHTEN

26 Mei 1954

het gezinsafbetalingscrediet, fabrikanten en groothande-

laren 25,6 pCt, financieringsmaatschappijen door huur-

köopcontracten op eigen naam met de kopers slechts

0,6 pCt. Daarnaast werd voor een bedrag ter grootte van

nog niet 8,7 pCt van het door de detailhandel verstrekte
afbetalingscrediet gefinancierd door financieringsmaat-

schappijen door overname van huurkoopcontracten.

De omzet dezer speciale bankinstellingen betrof in 1939

dan ook voor bijna 80 pCt de financiering van automo-

bielen. Bijna 45 pCt van het gezinsafbetalingscrediet

kwam voor rekening van de zgn. afbetalingsmagazijnen,

dat zijn’ winkels die allerlei soorten goederen in hoofd-

zaak op afbetaling verkopen en daarin dus gespecialiseerd

zijn, -.

De kleine credieten der betaalzegelkassen betreffen iii’

hoofdzaak textiel, schoeisel en huishoudgerei.

Geldgezinscrediet werd v66r de laatste oorlog in de

eerste plaats gegeven door overeenkomstig de geld-

schieterswet toegelaten particuliere geldschietbanken. –

Verder door gemeentelijke volkscredietbanken, door
hulpbanken en enkele als zodanig fungerende Spaar-‘

banken. Al deze instellingen erleren crediet op zakelijke

basis (ook al zijn zij, met uitzofidering van de particuliere

geldschietbanken, niet-commercieel), in hoofdzaak voor

aankoop van dezelfde goederen als op afbetaling worden
verkocht. Kleding en woninginrichtihg nemen echtér een

groter deel van haar omzet in beslag dan huishoud-

apparaten, rijwielen en radiotoestellen. Ook lenen zij wel

uit voor schuldenconsolidatie en betaling van’ diensten,’

maar deze doeleinden spelen bij haar een veel geringere

rol dan in de Verenigde Staten, waar zij de hoofdschotel

van het geldschieterscrediet schijnen’- te vormen. Hoewel

het geldcreçliet niet• de zekerheid van besteding overeen-

komstig het opgegeven doel biedt als de leide anderé vor-

men van gezinscrediet, blijkt het geld in de praktijk

slechts zelden voor andere doeleinden te worden besteed.

De looptijd dezer credieten bedraagt meest een jaar of

langer; de gemiddelde grootte ligt tegenwoordig tussen

f200 en f 300.

Betreffende het geld- en betaalzegelcrediet doet het

C.B. S. jaarlijks een zgn. ,,Statistiek van het Volkscrediet”
2)

verschijnen. Met de daarin ook opgenomen crediet-

‘) Laatstelijk de afzonderlijke uitgave ,,Statistiek van het Votkscrediet 1951″
en een aamenvattend overzicht over 1952 in Statistisch Buttetin 1954, nr 19.

TABEL 1.

verlening door charitatieve instellingen is hier geen reke-

ning gehouden, daar die voor een deel bedrjfscrediet

aan de onderste laag der kleine zelfstandig&n betreft en

overigens dikwijls, vooral bij de openbare instellingen

(gemeentelijke diensten voor sociale zaken) geen strikt

zakelijk karakter draagt. Ook de fondsen van werknemer%-

organisaties en bedrijven zijn buiten beschouwing gelaten,

omdat die zich zoveel mogelijk beperken tot noodcrediet,

althans tot crediet voor het allernoodzakelijkste.

Hoewel de eerste statistiek van het volkscrediet het

jaar 1941 betreft, is het met behulp van de (niet gepubli-

ceerde) uitkomsten van een door het Ministerie van

Economische Zaken destijds gehouden enquête naar

het betaalzege1bedrijf, van de door de Nederlandse

Vereniging voor Volkscredietwezen en Woekerbestrijding

ingestelde onderzoekingen en van enkele vooroorlogse

gegevens betreffende commerciële geldschietbanken moge-

lijk een redelijk betrouwbare schatting van de omvang

van’ het geld- en betaalzegelcrediet in 1939 te geven.

Samen met de voor het C.B.S. over 1939 verzamelde,

volgens dat bureau wegens onvolledige opgaven met

20 pCt ‘te vermeerderen, cijfers betreffende het af betalings-

crediet kan aldus’het totale gezinscrediet van 1939 worden

berekend. De uitkomsten zijn, met de overeenkomstige

gegevens over 1952, zowel absoluut als in procenten van
1939, in tabel 1 opgenomen. Evenwel ontbreken daaraan

de niet bekende cijfers van het afbetalingscrediet in 1952.

Blijkens tabel 1, stonden tilt. 1939 rond 700.000 ge-

ziriscredieten .op zakelijke basis uit. Het aantal crediet-
neiiers was kleiner, daar een deel van hen meer dan één

crediet tegelijk had opgenomen. Schat men dat de helft

–der debiteuren gemiddeld twee credieten tegelijk had,

dan zou het aantal debiteuren twee derden van 700.000

of 466.000 hebben bedragen. Daar het gros der debiteuren

tot de gezinnen met kinderen behoort, kan men het aantal

van het crediet genietende personen op 4 maal 466.000

of 1.864.000 aannemen, zijnde 21 pCt van de Nederlandse

bevolking ult. 1939. Niet onwaarschijnlijk is dat aantal

door minder talrijke dubbele credieten nog iets hoger en

mag men zeggen, dat in 1939 een kwart der bevolking

bij het gezinscrediet was betrokken. Uit ht cnderzoek

van het C.B.S. blijkt dat toen per.hoofd van dë bevolking
in de grote steden meer dan het dubbele van het landelijk

gemiddelde aan afbetalingscrediet door de detailhandel

was verstrekt, zodat het niet gewaagd schijtt aan te

verstrekte credieten x 1.000
uitstaande credieter, uit. x
1.000

an’tai
bedrag
aantal
bedrag

19391

1952

pCt
1939
1

1952,

1

pCt
1939

1952
pCt
1939
1

1952

1

pCt

geidschietbanken

……………………….

emeentelijke banken
ftuipbanken

……………………………8
.20

1
2

18,3
9,2
110,2

91
115
919
2.700
1.600
1.400

5.264
2.538
27.628

195 159
1.973

20
10
13

20,5
9,3
109,3

2


9
10
3
769

1.800
1.500
900

3.624
2.221
16.104

L…201
148
1.789
totaat geidcredieten
401
137.7 344
1

5.700
1

35.430
43
1

139,1
323
1

4.200
121.949
1

523
betaalzegcikassen

……………………..
ifbetaling
,
300 500
328,3
109
9.000
32.300
28.832
320
141
515 158,8
113
2.700
303
8.768
325

.otaal

…………………………………
840
1
47.000
1
1
699
1

TABEL 2.

aantal credieten x 100
uitgeleend x f1.000
uitstaand saldo x fl.000

zegel
gsb.
gem. b.
hulpb.
totaal
I

tOfl
pCt


totaal
toi
pCt
zegel
gsb.
gem. b.
hulpb.
totaal
bene-

1947
1.053

105
273
39

1.470

491

50
17.038
1

6.649
64
2.569
1.665

3.508
764
8.506
2.910
52
1948
1.566

133
412
43

2.154

684

46
26.396

9.358
55
4.011
2.211

5.942
1.106
13.270
4.764
56
1949
2.414

154
711
49

3.328

1.174

55

1

1

41.472

15.076.
57
6.059
2.626

9.963
1.274
19.922
6.652
50
1950
2.890

171
902
51

4.020

692

21
51.559

10.087
24
7.549
3.103

12.541 1.653
24.846 4.924
25
1951
3.219

178
1.046
62

4.505

485

12
61.258

9.699
19
8.366
3.354

14.516 1.926
28.162
3.316′
13
1952
3.283

183
1.102
58

4.626

121

3
63.149

1.891
3
8.768 3.624

16.104
2.221
30.717
2.555
9
1953
1.189
8
18.130
,
13

26Mei1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

415

nemen, dat 40 â 50 pCt van de bevolking in deze steden

in een of andere vorm gezinscrediet genoot.

Toch bedroeg het totale in 1939 verstrekte gezins-

crediet ad rond
f
47 min slechts 1 pCt van de consumptie

door gezinnen ad f 4.727 mln en het uit. van dat jaar

aan gezinscrediet uitstaande saldo van
f
33 mln 0,57 pCt,

dus goed een half procent, van het nationale inkomen

(tegen marktprijzen) ad f
5.743
min.

Ziet men naar de verdeling van het gezinscrediet over

de diverse soorten credietgevers – waarbij in verband met

de grote verschillen in looptijd het beste van de uitstaande

saldi kan worden uitgegaan -, dan springt naar voren

dat in 1939 het afbetalingscrediet met 79 pCt van het

uitstaande saldo, verdeeld over 74 pCt der debiteuren,

verreweg het belangrijkste was. De betaalzegelkassen

volgden wat betreft het aantal verstrekte credieten, het

uitgeieende bedrag en het aantal debiteuren onder wie

het saldo was verdeeld (20 pCt) doch omvatten slechts

8 pCt van het bedrag van het uitstaande saldo, gevolg

van de kleinheid en korte looptijd van hun credieten.

Bij het geldcrediet was slechts 6 pCt van het aantal doch

13 pCt van het bedrag van het uitstaande saldo betrokken.

De commerciële geldschietbanken waren de belangrijkste
instellingen van deze groep, al werden zij door gemeente-

lijke en huipbanken samen overtroffen.

In de bezettingsperiode kromp het gezinscrediet door

gebrek aan goederen en betrekkelijke geidruimte sterk in.

Zowel het aantal betaalzegelkassen als dat der commer-

ciële geldschietMnken verminderde tot ongeveer de helft.

Eind 1944 hadden de betaalzegelbedrijven nog slechts

6 pCt van het aantal en 8 pCt van het bedrag uitstaan

van vôér de oorlog. Met het afbetalingscrediet kan het

weinig gunstiger gesteld zijn geweest. Aantal en bedrag

van• het uitstaande saldo. der commerciële geldschiet-

banken hielden zich met rond 20 pCt iets beter, waar-

schijnlijk als gevolg van de omstandigheid dat hun cre-

diet niet alleen voor aankoop in winkels maar ook voor

andere uitgaven kon worden gebruikt. Iets dergelijks

gold voor de hulpbanken Daarentegen vertoonden de

gemeentelijke banken een afwijkend beeld. V66r de

oorlog waren die slechts gering in aantal, voor een deel

nog afdelingen van gemeentelijke banken van lening,

èn gaven zij nog slechts weinig credieten, voornamelijk

aan ambtenaren. Kort voor de oorlog en nog in 1940 en

1942 traden nieuwe banken in werking, welke ook de

arbeidersbevolking in hun ciëntele betrokken en zich in

de eerste bezettingsjaren nog uitbreidden, zodat zelfs op

het dieptepunt ongeveer 80 pCt van het vooroorlogse

saldo uitstond.

Na de bevrijding herstelden de overgebleven gezins-

credietbanken zich slechts geleidelijk. De aanvankelijke

schaarste aan duurzame gebruiksgoederen beperkte de

crédietmogelijkheden. Het zgn. consumentencrediet der

jaren 1947 en 1948 (dat voor het overgrote deel gift was)

voorzag in de dringendste behoeften der minst draag-

krachtigen. Eerst na 1948, toen er weer meer gebruiks-

goederen aan de markt kwamen en de distributiemaat-

regelen waren ingetrokken, nam het gezinscrediet snel

toe. In dat opzicht was 1949 een topjaar; daarna werd

de toeneming van jaar tot jaar minder (tabel 2). In 1952
vermeerderde het aantal verstrekte credieten en het uit-

geleende bedrag der gezinscredietbanken nog slechts met

3 pCt. De betaalzegeibedrijven en de hulpbanken gaven

in dat jaar iets meer credieten uit dan in 1939, doch

bleven beneden 118 pCt daarvan, het percentage van

1939 waartoe de bevolking inmiddels was gestegen. De

ROTTERDAMSCHE BANK

FINANCIERING VAN

IMPORT- EN EXPORT-

T R A N S A C f1 E S

250 VESTIGINGEN IN NEDERLAND

(Advertentie)

particuliere geldschietbanken hadden nog niet het aantal

van 1939 bereikt.

Het uitgeleende bedrag en het uitstaande saldo stegen

meer, als gevolg van de waardedaling van het geld, doch

beliepen in 1952 bij de huipbanken nog slechts rond

anderhalf, bij de particuliere geldschietbanken rond twee

en eerst bij de betaalzegelkassen
3*
maal het vooroorlogse
bedrag. Hiertegenover steile men de toeneming van het

nationale inkomen (tegen marktprijzen) tot 351 pCt en

van de consumptie door gezinnen tot 289 pCt van het

peil van 1939.

Bij de gemeentelijke volkscredietbanken heeft een

vergçlijking met de periode vôér de oorlog weinig zin,

omdat zij eigenlijk eerst na de bevrijding tot volle ont-

plooiing zijn gekomen; aanvankelijk de reeds eerder be-

slaande, daarna alle nog onvoigroeide banken, terwijl

na 1948 voortdurend nieuwe banken werden opgericht,

zodat thans vrijwel alle gemeenten met meer dan 30.000

zielen hetzij een eigen bank bezitten, hetzij, bij één in een

naburige gemeente zijn aangesloten. Hetzelfde geldt ook

voor een aantal kleinere gemeenten. Het resultaat is, dat

de gemeentelijke banken thans een groter bedrag hebben

uitstaan dan de drie andere groepen gezinscredietbanken

samen. Naar aantal credieten en uitgeleend bedrag zijn

echter de betaalzegeikassen met haar korte termijnen

nog de belangrijkste groep. /

Met inbegrip van de gemeentelijke instellingen is het

aantal uitstaande credieten der gezinsbanken tot 162 pCt,

hët uitgeleende bedrag en het uitstaande saldo tot 448

resp. 445 pCt van dat van 1939 gestegen (tabel 1). Bij de

beoordeling an dit laatste cijfer moet worden bedacht

dat volgens de budgetonderzoekingen van het C.B.S. het

arbeidersgezin thans anderhalf maal zoveel van zijn

budget voor duurzame gebruiksgoederen besteedt als

v66r de oorlog, niet omdat het daarvan meer gebruikt,

maar omdat de prijzen er van onevenredig zijn gestegen.

Dientengevolge zou, indien een even groot percentage

van de gezinsuitgaven voor duurzame gebruiksgoederen

thans als voor de oorlog met gezinscrediet zou worden

gefinancierd, de omvang daarvan rond 289
x
150 : 100
of
41/3
maal die van
v66r
de oorlog bedragen.

Na 1951 is ook de invloed van de conjunctuur op de

omzet der gezinscredietbanken merkbaar. Als gevolg van

416

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Mei 1954′

de onvoldoend; compensatie door loonsverhoging van

de, door de afschaffing van de subsidies, gestegen kosten

van levensonderhoud trad in 1951 de door de Regering

beoogde vermindering van de consumptie door gezinnen

in, welke voor het grootste deel ten 1ate kwam van de

aankoop van duurzame gebruiksgoederen. De hoeveel-

heidsindex van de consumptie dier goederen, welke in

1949 en 1950 100 had bedragen, daalde tot 83 in 1951 en

82 in 1952. De invloed hiervan begon zich in het najaar

1951 en vooral in
1952
ook voelbaar te maken bij de

16 gemeentelijke volkscredietbanken welke van 1948 en

vroeger dateren en dus al tot ontplooiing waren gekomen.

Het aantal credieten en het uitgeleende bedrag dezer in-

stellingen daalde in 1952 benéden het peil yan 1951. Ook

het uitgeleende bedrag der zegelbedrijven verminderde

in 1952 een weinig, al nam het aantal credieten nog met
2 pCt toe. Evenzo zagen de hulpbanken, op twee expan-

sieve instellingen na, zowel aantal als bedrag harer cre-

dieten in 1952 verminderen.

Dat een en ander inderdaad een conjunctuurverschijnsel
is, wordt uit de enkele over 1953 bekende gegevens waar-

schijnlijk. Met de stijging van de hoeveelheidsindex der

duurzame gebruiksgoederen tot 92 ging ook een toe-

neming van het aantal credieten der 16 oudere gemeente-

lijke banken gepaard, al bleef dat aantal nog beneden

dat van het topjaar 1951. Ook het aantal credieten van

de Rotterdamse betaalzegelkassen (van de overige zijn

nog geen cijfers bekend), dat in 1952 was gedaald, steeg

in 1953 weer bijna tot het peil van 1951.

De stijging van de levensstandaard, welke het gevolg

is van de begin 1954 ingegane loonsverhoging en belasting-

verlaging, zal waarschijnlijk invloed hebben op de aan-
koop van duu?zame &ebruiksgoederen en daarmede op

de omvang van het gezinscrediet. Er mag uit dien hoofde

dan ook een verdere stijging van dat crediet worden

verwacht.

Hoe heeft het afbetalingscrediet zich sinds de oorlog

ontwikkeld? Geen enkel cijfer is beschikbaar. Tot 1948

hoort men er weinig van. Daarna schijnt het weer te zijn

opgeleefd. In de laatste jaren wordt een drukke reclan’e

met gemakkelijke betalingsvoorwaarden gemaakt en

neemt ook de colportage weer een grote vlucht. Het schijnt

echter niet gewettigd uit deze verschijnselen de conclusie

te trekken dat het af betalingscre diet thans relatief meer

te betekenn heeft dan voor de oorlog, toen de klachten
over. ,,opgedrongen contracten” veel luider waren. De

vermindering van de aankoop van textiel en meubilair

sinds 1951, blijkende uit de sterke daling van de hoeveel-

heidsindex der duurzame gebruiksgoederen, moest wel

leiden tot het gebruik van middelen om de omzetvermin-

dering tegen te gaan en daarbij speelde de verkoop op

afbetaling een niet onbelangrijke rol. Dat deze op allerlei’

wijzen gestimuleerd werd, wil nog niet zeggen dat zij zih

inderdaad tegen de conjunctuur in belangrijk heeft kun-

nen uitbreiden. Wel kan enige invloed hebben dat de op

afbetaling gekochte goederen sinds de oorlog zijn toe-

genomen met de bromfiets, terwijl ook de wasmachine

meer ingang heeft gevonden. Eind 1953 ging ook een

een groot warenhuis tot het afbetalingsstelsel over.
Daar staat tegenover dat door de enorme prijsstijging

juist der duurzame goederen, vergeleken bij’ voor de

oorlog, de financiering van de afbetalingsverkoop een

kapitaal vereist dat vele malen groter is dan vroeger.

Het is de vraag of de eigenlijke afbetalingsmagazijnen,

die grotendeels met eigen ,middelen werken, hun kapitaal

evenredig hebben kunnen uitbreiden. Stellig is de finan

ciering van de afbetaling moeilijker geworden voor de

contante detailhandel, voor welke zij een aanvulling van

de omzet vormde. Waarschijnlijk is dit deel van het af-

betalingscrediet naar verhouding verminderd en ver-

vangen door gemeentelijk gezinscrediet. Weliswaar be-

liep het bedrag dat de gemeentelijke banken in 1953 aan

detailhandelaren voor bij hen door credietnemers dier

banken gekochte goederen uitbetaalden ng geen f 6 mln,

maar ook de verdere f25 mln crediet dezer banken in 1953

diende grotendeels voor aankoop van duurzame gebruiks-

goedefen. Uit door enkele nieuwe banken aan crediet-
aanvragers gestelde vragen bleek dat ongeveer de helft

hunner tevoren ten dele bij commerciële gezinscrediet-

banken had geleend, doch in hoofdzaak op afbetaling

had gekocht.

Overigens is de financiering van de afbetalingsverkoop

door speciale financieringsmaatschappijen in de laatste

jaren van veel meer betekenis geworden. V66r de oorlog

werd, ongerekend automobielen en bedrjfsmachines en

-inventaris, nog geen f 2 mln van de afbetalingsomzet op

deze wijze gefinancierd. Begin 1953 is daarmede een daar-

voor speciaal in het leven geroepen dochterinstelling van

een der grote handelsbanken begonnen, welk bedrijf

dadelijk een grote vlucht heeft genomen. Anders dan in

1939 worden thans de gefinancierde huurkoopcontracten

veelal op naam van de financieringsmaatschappij gesteld,

die zelf voor het incasso zorgt en het risico draagt.

Ook het krachtige herstel der betaalzegelbedrijven

wijst er op dat vele detaillisten hun afbetalingsverkoop

liever door deze. intellingen laten verzorgen dan deze

zelf te financieren.

Alles bijeengenomen lijkt het niet zo heel waarschijnlijk

dat het gezinsafbetalingscrediet naar verhouding meer

zou zijn toegenomen dan dat van de betaalzegelkassen.
In dat geval zou men dus de gezinsafbetalingsomzet en

het saldo daarvan op ongeveer
3*
maal die van 1939

kunnen aannemen, dus op f 105 resp. f 88 mln, tegenover

de vier groepen gezinscredietbanken f 64 resp. f 31 mln.

De betekenis dezer laatste zou dan van 21 pCt van het

totale saldo uit. 1939 zijn gestegen tot 26 pCt uit. 1952,
hetgeen in verband met de opkomst van het gemeente-

lijke volkscrediet in deze periode niet zou behoeven te

verbazen. Neemt men echter aan dat het af betalings-

crediet zou zijn toegenomen in evenredigheid aan de ge-

stegen consumptie, vermeerderd met de helft voor het

grotere aandeel van de duurzame goederen daarin, zodat

de bedragen. van 1939 met
41/s
zouden moeten worden
vermenigvuldigd, dan komt men tot f 140 mln omzet en

f 114 mln saldo. De omzet van gezinscredietbanken en

afbetalingscrediet samen zou in 1et eerste geval f 169 mln

of 1* pCt van de consumptie door gezinnen ad f 13.650

bedragen en in het tweede f 204 mln of 1+ pCt, tegen

1 pCt in 1939, terwijl het totale uitstaande saldo ad f 119

resp. f 175 mln op
0,59
rèsp. 0,87 pCt van het nationale

inkomen (tegen marktprijzen) ad f 20.180 mln zou neer-

komen tegen 0,57 pCt in 1939.

Deze percentages zijn zeker niet onrustbarend en aan-

zieiiljk lager dan in de Verenigde Staten. Na verminde-

dering van het saldo van het gezinscrediet daar ad f 18.684

mln uit. 1952 met dat betreffende automobielen en voor

herstel en vernieuwing van huizen bleef nog f 9.179 mln

over of 3,17 pCt van het nationale inkomen. Het overeen-

komstige in 1952 verstrekte gezinscrediet bedroeg er

5,5 pCt van het persoonlijke inkomen.

Stellig zal de stijging van het gezinscrediet hier te lande

nog aanhouden. In de eerste plaats in verband met de

toeneming der bevolking. Verder naarmate de gezins-

inkomsten stijgen. Bovendien zal vermoedelijk een ge-

26 Mei
1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

417

leidelijk toenemend percentage der gezinnen van crediet

gebruik gaan maken. De vermeerdering van de cliëntele

der vier groepen gezinscredietbanken tot 162 pCt van

het aantal van 1939, terwijl de bevolking slechts tot 118

pCt toenam, wijst daar wel op. Deze vermeerdering is

overigens uitsluitend te danken aan de gemeentelijke

banken, van welke de 16 oudere (met 80 pCt van het aan-

tal credieten) hun zenith schijnen te hebben bereikt,

terwijl nieuwe in hoofdzaak nog slechts worden opge-

richt in kleine, landelijke gemeenten. Daarentegen neemt

de betekenis der financieringsmaatschappijen in de laatste

tijd sterk toe en gaat daarvan een stimulans uit tot ver-

meerdering van het afbetalingscrediet.

Maar ook indien het uitstaande saldo van het totale

gezinscrediet in de eerstk9mende jaren in dezelfde mate

zou stijgen als in 1951 bij de gezinscredietbanken het

geval was, zou de jaarlijkse toeneming niet meer dan

f 13 â f 17 mln bedragen, d.w.z. niet meer dan ongeveer

1 duizend per jaar van de consumptie door gezinnen en

dus conjunctureel zonder enige betekenis zijn. De be-

zwaren tegen het gezinserediet kunnen daarop dus niet

Verzekering en

Het is goed indien wij ons nog eens duideljk.voor

ogen stellen waartoe men zich in de huidige maatschappij

verzekert. Door het sluiten van een verzekering trachten

wij de onzekerheden van allerlei aard en intensiteit in,

economische zekerheden om te zetten. Indien ons leven

wordt afgesneden willen wij onze nabestaanden niet on-

verzorgd achterlaten en indien ons bedrijf door brand

wordt verwoest willen wij in staat zijn het weer op te

bouwen, ja zelfs willen wij gedurende de tijd dat onze

productie stilstaat doorverdienen. In dit alles kunnen de

moderne verzekeringsvormen voorzien. Op één punt

echter schiet naar veler mening de verzekering tekort;

tegen geldontwaarding kan men zich in het algemeen niet

verzekeren, althans niet langs de gebruikelijke weg.

Naarmate het begrip verzekering tot in vrijwel alle

lagen van de hedendaagse maatschappij is doorgedrongen,

is het publiek deze onvolkomenheid sterker gaan voelen.

Door de voortschrijdende inflatie ia 1940hebben velen

aan den lijve gevoeld wat het betekent wanneer men goed

geld heeft betaald om daar later kwaad geld voor in de

plaats te krijgen. Er ontwikkelden zich grieven tegen het

verzekeringswezen en het behoeft ons dan ook niet te

verwonderen dat de verzekeraars – dienstenverleners bij

uitstek – naarstig hebben gezocht naar nieuwe verzeke-

ringsvormen die aan deze bezwaren tegemoetkomen.

In het buitenland – met name in Finland – zijn reeds

in de leven sverzekeringsbranche proeven genomen met

uitkeringen en p’remiebetalingen gekoppeld aan prijsin-

dexcijfers. Het is hier niet de plaats om op de wordings-

geschiedenis van dit Finse experiment ) in te gaan.

Veeleer zijn wij benieuwd naar het succes van deze nieuwe

verzekeringsvorm bij het zekerheid zoekende publiek.

Het is gebleken, dat de populariteit van de aan prijs-

indexen gekoppelde levensverzekering gering is geweest.

De tegenzin van het publiek school natuurlijk niet in de

variabiliteit van de verzekerde bedragen, doch wel in die

van de premiebetalingeh. Men heeft een grote afkeer van

niet vaststaande premiebetalingen; deze afkeer is zo groot,

dat men het voordeel van de aan de prijzen aangepaste

schadeloosstellingen lager aanslaat.

‘) voor belangstellenden zij verwezen naar: ,,The Review” van 1 Augustus
1952, blz. 704 e.v.

M
HANDEL-MAATSCHAPPIJ

.c4t&ert cLe13ctr
&

HERENGRACHT 450

AMSTERDAM

Internationaal handelscontact

Financiering
van de buitenlandse handel

(Advertentie)

zijn gebaseerd. Daar niettemin nog al eens bezwaren

worden vernomen en die althans voor een deel gefundeerd

zijn, zullen in een volgend artikel de voor- en nadelen

van het gezins- en in het bijzonder van het afbetalings-

crediet nader in beschouwing worden genomen.

Amersfoort.

Th. A. FRUIN.

geldontwaarding

Psychologisch heeft de aan prjsindexen gekoppelde
verzekeringsvorm een groot bezwaar, namelijk dat de

naar een zo groot mogelijke zekerheid zoekende mens

ten gevolge van een onzekere premiebetaling in zekere

zin van de wal in de sloot terecht komt. Bezien wij ‘deze

verzekeringsvorm van de hoek van de verzekeraars uit,

dan stellen wij aanstonds vast, dat ons verzekeringswezen
hoofdzakelijk is ingesteld op de ,,gulden is gulden”-fictie.

De aan verzekeringsinstellingen toevertrouwde gelden zijn

hoofdzakelijk belegd in obligaties of in in guldens luidende

schuldbekentenissen. Gsteld dat de verzekeraars op

grote schaal hun beleggingspolitiek zouden wijzigen en
het meer in de ,,Sachwerte” zouden zoeken, dan zou dit
de effectenmarkt kunnen ontwrichten. Bovendien is het

nog altijd de vraag, of de ,,Sachwerte” de genoemde prijs-

indexen volledig zouden volgen; in de hedendaagse eco-

nomische orde die meer overhelt naar de gebondenheid

dan naar de vrijheid, moet dit ernstig worden betwijfeld.

Men zie slechts de recente koersontwikkeling ter Am.

sterdamse beurze.

Voorgaande korte beschouwing zweefde ons voor de

geest toen wij vernamen, dat een kleine schadeverzekeraar

hier te lande een ,,Veiligheids-Index-Brandpolis” in het

leven heeft geroepen
2).
Deskundigen hebben geraamd,

dat de verzekerde bedragen voor brand en inbraak in

doorsnee 25 pCt te laag zijn gewaardeerd, wanneer al-

‘) Als gevolg van de vele devaluaties, welke de franc na de bevrijding heeft on-
dergaan, werd in Frankrijk een sterke behoefte gevoeld een modus te vinden om
met zo weinig mogelijk administratieve rompslomp de verzekerde sommen op peil
te houden. De Franse maatschappijen hebben toen voor ,,riaques ainiples” het
volgende systeem toegepast:
Aan degewone brandpolis werd een inlegvel toegevoegd, waarop een clausule
voorkomt, welke ten doel heeft de verzekerde sommen autômatisch te doen stijgen
en dalen naar gelang de franc in waarde daalt of stijgt.
Om de drie maanden wordt daartoe door de ,,Fédéralion Nationale du B2timent
et des Activités annexes” een indexcijfer bekend gemaakt, hetwelk betrekking
heeft op de bouwkosten van vastgoed in Parijs en omgeving. Als basis neemt men
1 Januari 1941 = 100. Wanneer men nu op basis van ,,indice variable” een brandverzekering sluit
op een ,,risque simple” van massieve constructie wordt op de polis de zgn. ,,indice
de base” vermeld, d.i. het laatst bekend gemaakte indexcijfer door de ,,Fédération
Nationale du Bûtiment”. Op de jaarlijkse premiekwitanlie wordt vermeld de zgn.
,,indice d’échéance”, di. het laatste indexcijfer dat bekend is gemaakt, tenminste
3 maanden v66r de vervaldag. Wijkt het ,,indice d’échéance” 10 pCt of meer van
het ,,indice de base” af, dan wordt het premiebedrag evenredig verhoogd of ver-
minderd, waardoor automatisch de verzekerde sommen op het juiste peil worden
gebracht. Aldus wordt bereikt, dat althans eenmaal per jaar de sommen worden
herzien, zonder dat hiervoor aantekening op de polissen behoeft te worden gedaan.
Dergelijke brandpolissen met een ,,indice variable”-clausule worden pas enkele
jaren afgegeven, zodat het moeilijk valt thans reeds een oordeel over de werking
in de praktijk te geven. –

418

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Mei 1954

thans rekening wordt gehouden met de vervangingswaar

de. Zulk een toestand is ongewenst voor degenen die door

brand q
f
inbraak worden getroffen en de teleurstellende

ervaring opdoen, dat zij door onderverzekering slechts

een gedeelte van de werkelijk geleden schade vergoed

krijgen: Bij prijsdaling is het euvel enigszins anders;

iemand die te hoog verzekerd is heeft daarvan geen enkel
yoordeel, omdat zijn schade op basis van de vervangings-

waarde (eventueel met een aftrek van oud voor nieuw)

wordt geschaL Hij kent slechts het nadeel Van de te hoge

premiebetaling.

Bij de zojuist genoemdein Nederland ontworpen polis

wordt uitgegaan van een verzekerde som van de inboedel,

die fluctueert met de stijging en daling van de maandelijks

gepubliceerde indexcijfers van het C.B.S., waarbij als

grondslagen worden gebruikt de prijsindexcijfers voor

het gezinsverbruik van kleding en schoeisel, alsmede dat

van woninginrichting. Bij schade wordt de verzekerde

som uitbetaald volgens de hoogste van de beide genoemde

indexcijfers, hetwelk dan gebruikt zal worden voor de

gehele inboedel en wel volgens het in de daaraan vooraf-

gaande maand gepubliceerde indexcijfer. Vanzelfsprekend

zaF ook de premie fluctueren; elk jaar zal op de premie-

vervaldag het verzekerde bedrag voor het komende jaar

voorlopig worden vastgesteld op grond van het in de

daaraan voorafgaande maanl gepubliceerde indexcijfer.

Teneinde het genoemde element van onzekerheid in de

premiebetaling – dat wij als een psychologisch euvel

hebben aangeduid – weg te nemen, zal naast het jaarlijks

wisselende premiebedrag een voorschotpremie van 20 pCt

worden berekend, welk voorschot ffiet het premiebedrag

van het volgende jaar wordt verrekend, wanneer uitein-

delijk kan worden vastgesteld wat’ het gemiddelde ver-

zekerde bedrag is geweest en welke premie in feite ver-

schuldigd is. Dit klinkt niet onaardig, doch als in de loop

van het verzekeringsaar blijkt, dat de voorschotpremie
niet voldoende zou zijn, is de directie der verzekering-

maatschappij bevoegd een aanvullende voorschotprernie

te heffen in verhouding tot de prijsstijging. Deze clausule

is een ernstige afbraak van de façade der zekerheid die de

verzekeraar met de 20 pCt heeft getracht op te trekken.

Bovendien is het nog zeer de vraag, of de verzekeraar

met de te behalen rentewinst op de voorschotpremie van

20 pCt alle extra kosten van deze verzekeringsvorm
3
01-

ledig kan dekken en deze ook niet te eniger tijd ten laste

van de verzekeringnemer gaan komen. –

Een ander bezwaar is, dat de gebruikte indexcijfers uit-

sluitend slaan op kleding en schoeisel en op woningin-

richting. Voor zover de verzekerde som mede wordt be-

paald door preciosa, antieke voorwerpen, kunstverzame-

lingen e.d. zullen belangrijke verschillen tussen werkelijk

prijspeil en de gebruikte indices niet âchterwege kunnen

blijven, waardoor een juiste aanpassing van het verzekerde

bedrag wederom illusoir wordt.

In tijd van inflatie, zoals wij na de oorlog bijkans bij

voortduring hebben beleefd, vrezen wij dat de nieuwe

verzekeringsvorm, noch van de zijde van de verzekerden,

noch van de zijde van de verzekeraars, voldoende aan-
trekkelijk zal zijn. Toch is het tijdstip van de invoering

van de nieuwe vorm zeker niet onjuist gekozen. Het prijs-

niveau heeft ook in ons land een hoog puntbereikt en

het ziet er naar uit, dat weldra een geleidelijke deflatie

zal intreden, indien de wereld voor calamiteiten als oor

logen enz. gespaard blijft. In tijden van prijsdaling kan

de nieuwe vorm zeker enig nut hebben, omdat een groot

deel van het publiek aan de”gevolgen daarvan – met

name voor de premiebetaling – onvoldoende aandacht

schenkt. Het is wel merkwaardig dat juist voor een der-

gelijle situatie de nieuwe verzekeringsvorm niet is ontwor-

pen. Overigens geloven wij dat het actieve deel van het

zich verzekerende publiek ook zonder deze nieuwe ver-

zekeringsvorm steeds in deze diligent is en de verzekerde

bedragen op de voor hem meest geschikte wijze en tijd

aan de omstandigheden aanpast, daarbij geholpen door

een steeds vakkundiger en van de waarde van zijn beroep

overtuigder stand van tussenpersonen (men denke in dit

verband ook aan de op handen zijnde invoering van de

Wet Assurantiebemiddeling). De verzekeringmaatschap-

pijen zullen daarbij ongetwijfeld stimulerend optreden,

opdat dit actieve deel steeds blijft groeien. Als zodanig

heeft deze nieuwe polis haar waarde, al achten wij bij

grotere premiebedragen fluctuaties voor de yerzekering-

nemer bezwaarlijk.

Rottérdam.

Dr F. J. KROP.

Te lang boer?
Men hoort tegenwoordig nogal eens de klacht, dat er

voor de jongeren te weinig kansen zijn om in ons land

een landbouwbedrijf te beginnen, omdat de ouderen

onder de boeren niet bereid zouden zijn tijdig hun plaats
af te staan. Zij zouden dus te lang boer blijven.

Natuurlijk zijn er meer redenen, waarom het in Neder-

land moeilijk is om aan een boerderij te komen. Daar

is het feit, dat er onder de boerehzonen een nogal sterke

voorkeur is om ook boer te worden. En waar de opper-

vlakte cultuurgrond niet sterk meer kan worden uit-

gebreid, ligt het voor de hand, dat de vraag naar boerde-

rijen sterker is dan het aanbod.
Nu zou het uit dien hoofde gewenst geacht kunnen

worden, dat de oudere boeren tijdig hun plaatsen zouden

afstaan aan jongeren. Dat dit gemakkelijker gezegd is dan

gedaan, zal echter evenzeer duidelijk zijn. Want daar

rijst allereerst al de vraag: wat is tijdig? is dit op 65-jarige

leeftijd, of reeds wanneer de oudste zoon, die boer wil

worden, wil gaan trouwen?

Men zal begrijpen, dat dit in vele gevallen een teer
punt is. In streken, zoals in het Oosten en Zuiden van

ons land, waar de jongelui vaak bij de ouders introuwen,

is dit gemakkelijker op te lossen dan waar trouwen ook

veelal zelfstandig boer worden betekent. Daar is dan aan

de ene kant de
ZO 0fl,
die graag voor zichzelf wil beginnen,

zelf iets wil opbouwen, maar door het tekort aan boerde-

rijen eigenlijk alleen op het bedrijf van de vader of van

een ander nauw familielid daarvoor een kans heeft.

Moet deze oudere nu terugtreden? Een moeilijke vraag!

Wanneer deze nog gezond en sterk is, kan men zich in-

denken, dat hij er niet veel voor zal voelen om, eigenlijk

te vroeg, te gaan rentenieren. Bovendien, het moet ook

maar kunnen.

Er zitten dus aan dit vraagstuk vele zakelijke, maar ook

menselijke kanten en zo zal het vroeger ook wel zijn ge-

weest. Toch hebben wij de indruk, dat de boeren tegen-

woordig minder gauw gaan rentenieren dan vroeger.

Of dat inderdaad zo is, zal wel moeilijk zijn te bewijzen.

Dat de gemiddelde leeftijd van de boeren in ons land vrij

hoog ligt, bleek ons uit gegevens, die wij aantroffen in de

26 Mei 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE.BERICHTEN

419

,,Statistiek van de land- en tuinbouw 1952″. In deze publi-
catie van, het C.B.S. vindt men een indeling van het aantal

bedrijfshoofden niet hoofdberoep land- of tuinbouwer

naar leeftijd, welke wij hierbij weergeven.

hideling van het aantal bedrf1fshoofden

inet hoofd-

beroep land- ‘of tuinbouwer naar leeftijd in procenten

A. Landbouwers

waarvan (in procenten)
Bedrijfsgrootte
Totaal

jonger
40-50
50-65
65 jaar aantal
bedrijfs-
hoofden
Îaar
ja
a
r
jaar
ouder

12.610
16 14
30
40
Minder dan 1 ha
56.272
18
21
37
24
61.826
24 27
35
14
46.853 22
27
37 14
15.316
23.
28
37
12
10.520 24
28
37
II
30

ha en

meer

…………
203.397
21
25
36
18

B. Tuinbouwers

1-

5

ha

…………….

5-10

ha

………………

10-20

ha

………………

20-30 ha

………………

Minder dan 1 ha
14.528
30
22 29
Tï5

Nederland

…………..

20.060
33
.

28
30
9
1.837
26
.

26
36
12
1-

5

ha

………………
5-10 ha

………………
580
25
24
35
16
10 ha en meer

……………

Nederland

………….
37.005

31

26

30

1

13
00
ron:
Statistiek van de land-
en tuinbouw 1952, tabel 47. Uitgave van het C.B.S.

Bepalen wij ons allereerst tot de landbouwers, dân

blijkt, dat vooral op de kleinste bedrijfjes (van minder dan

1 ha) het aanial ouderen zeer groot is: 70 pCt is 50 jaar.

of ouder en 40 pCt heeft de leeftijd van 65 jaar bereikt,

of overschreden. Maar ook bij de volgende grootteklasse

(1-5 ha) is 61 pCt 50 jaar en ouder, terwijl het percertage

van diegenen, die 65 jaar en ouder zijn, eveneens aan-

zienlijk hoger is dan bij de landbouwers met grotere be-

drijven. Het zou interessant zijn hiervoor een nadere

verklaring te hebben. Mocht het betekenen, dat er bij de

.jongeren weinig animo is voor deze soort bedrijfjes, zodat

hiervoor in vele gevallen geen opvolger zou zijn, dan zou

daaruit volgen, dat het kleine-boeren-probleem, althans

ten dele, bezig is zichzelf op te lossen.

Niettemin liggen ook bij de grotere bedrijven de per-

centages der boeren-bedrijfshoofden, ouder dan resp.

50 en 65 jaar, Vrij hoog, want niet minder dan ongeveer

de helft is 50 jaar of ouder. Terwijl als gemiidelde voor

Nederland, uit deze tabel blijkt, dat 18 pCt van het totaal

aantal bedrijfshoofden – dat zijn meer dan 36.000 boe-

ren – de pensioengerechtigde leeftijd heeft overschreden!

De tabel van het C.B.S. geeft ook een indeling naar

landbouwgebieden en eveneens naar provinciën. Er blijkt

uit, dat in de rivierkleigebieden relatief de meeste oude

boeren zijn, terwijl naar provincies gerekend Overijssel,

Gelderland, Zeeland en Limburg de hoogste cijfers tonen.

De tuinbouwers zijn, door elkaar genomen, jonger.

Volgens de statistiek beginnen zij eerder een zelfstandig

bedrijf. Waarom dit zo is, is zonder meer moeilijk te zeg-

gen. Misschien komt het, omdat er vaak wat minder
(Ingezonden mededeïïng)

kapitaal nodig is om een tuinbouw- dan om een land-

bouwbedrijf te beginnen. Mogelijk ook, omdat aan een

tuinderij een bedrijfswoning niet zo onverbrekelijk ver-

bonden is als aan een boerderij. Een tuinbouwbedrjf is

daarom bij het huidige woningtekort gemakkelijker over

te nemën of te beginnen dan een landbouwbedrijf.

In hoeverre is het nu al of niet gunstig, dat de gemid-

delde leeftijd van de bedrjfshoofden in land- en
L
tuinbouw,

maar vooral in de landbouw, tamelijk hoog is? Het zal

een ieder duidelijk zijn; dat dit een moeilijke vraag is,

want zowel voor ouderen als voor jongeren kunnen goede

argumenten’ naar voren worden gebracht.

De oudere boeren zullen stellig in de loop d jaren

vaak een rijke ervaring hebben opgedaan, die zeer zeker

een heel waardevol bezit is. Daarentegen hebben de jon-

geren voor, dat hun lichaamskracht groter is; hun energie

is nog ongebfoken. Zij zullen over het algemeen ookmeer

open staan voor nieuwe ideeën en vindingen, wat vooral

in deze tijd, nu er door de uiiechanisatie in enkele jaren

tijds zoveel is veranderd, van groot belang is.

Evenals in de gehele maatschappij dient er ook in de

boerenstand een zeker evenwicht te zijn tussen jongeren

en ouderen. De voortvarendheid van de jeugd zal in de

bezadigdheid van de ouderen een nuttig tegenwicht kun-

nen vinden, terwijl omgekeerd de laatsten door de jon-

geren kunnen worden voortgestuwd. Beide groepen

vullen elkaar aan, hun voortdurend contact alsmede de

vreedzame wrijvingen bepalen tenslotte de richting,

waarin de landbouw zich beweegt.

Toch komt het ons voor, dat de verhouding tussen

jongeren en ouderen zeker niet ideaal is; de gemiddelde
leeftijd lijkt ons te hoog. Dat brengt-het gevaar van een

te groot conseryatisme met zich, van het zich niet snel

genoeg aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Voor

een agrarisch exportland als Nederland, dat niet alleen

moet trachten bij, maar liefst vooraan te blijven, kan dit

stellig een gevaar betekenen.

Het zal echter moeilijk zijn in dit verschijnsel, de over

het algemeen vrij hoge leeftijd van de Nederlandse boeren,

wijziging te brengen. Het is trouwens ook zeer de vraag,

of ten deze maatregelen zelfs wel gewenst zouden zijn;

men zou daarmee in deze materie misschien zelfs meer

kwaad dan goed doen.

Maar wel zou het nuttig kunnen zijn een nader onder-

zoek in te stellen naar de oorzaken, die zeker van velerlei

aard zullen zijn. Enkele factoren, die naar onze mening

van belang iijn, willen wij hier alvast noeiiien. Daar is

in de eerste plaats de neiging om het beroepwaarvan men

houdt zolang rhogelijk te blijven uitoefenen. Deze nei-

ging zal er altijd wel zijn geweest en of deze tegenwoordig

groter of kleiner is dan vroeger, zal wel moeilijk vast-

gesteld kunnen worden. Dan is er, als steeds, de kwestie

van de financiën. De kosten van levensoiiderhoud zijn

hoog en de belastingen eveneens, zodat het vele boeren

met
papier geïsoleerde kabels

voor zwakstroorn en sterkstroom

IL

koperdraad en koperdraadkabel

labelgarnituren, vulmassa on olie.

ABELFABRIEK

DELFT

420

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Mei
1954

wel niet gelukt zal zijn voldoende over te houden om stil

te kunnen gaan leven. Dan zijn, in verhouding tot de kos-

ten van levensonderhoud, de pachten vooral in de eerste

na-oorlogse, jaren zeker niet dusdanig gestegen, dat het

voor een boer-eigenaar mogelijk was om daarvan te

kunnen bestaan. En voorts is er ook nog de woningnood,

waarmee rekening moet worden gehouden.

Wat de jongeren betreft, die boer willen worden, dient
evenmin te worden vergeten, dat daarvoor tegenwoordig

heel wat kapitaal nodig is. Terwijl bovendien vanwege

het continuatierecht de kans om naar een boerderij mee

te dingen, minder groot is dan vroeger.

Zo zijn er vele factoren, die er naar onz’e mening toe

samenwerken, dat de jongeren in de tegenwoordige tijd

moeilijker in de Nederlandse landbouw aan de slag kun-

nen komen dan vroeger en vele oudere boeren niet op

tijd voor hen plaats maken. Het is een maatschappelijk

verschijnsel, dat zeker nadere aandacht verdient.

Voorburg.

Ir M. K. HYLKEMA.

BEDRIJFSECONOMISCHE

NOTITIES

Philips’ jaarverslag 1953

Ontwikkeling.

Het is voor mij ieder jaar weer een genoegen het jaar-,,

verslag van Philips door te nemen. Al lezende in dit

uitvoerige en fraai verzorgde stuk krijgt men enig idee

van wat er allemaal voor nodig is de snelle technische

ontwikkeling op zo gevarieerd gebied niet alleen bij te

houden, maar mede hieraan richting te geven. Het stemt
tot verheugenis te zien dat deze onderneming, door haar

combineren van kunde en vlijt, daarin kënnelijk slaagt.

Verschillende, belangrijke aspecten van dit ,,slagen” zijn

niet of nauwelijks met cijfers aan te gven; men denke

bijv. aan de ontwikkeling van de medische apparatuur
ten dienste vall de gezondheidszorg. Het is goed dit te

bedenken alvorens men kennis neemt van de groei in

omzet en resultaten, zoals die quantitatief kan worden

geïndicerd.
1947
1
1948
j
1949
1
1950
1
1951
1
1952
1
193

(in millioenen guldens)

wereldomzet’)
aan derden ..
497
651
830
982
1.242 1.384
1.601

trek

van

be-
lastingen

..
42
42
1
52
102 144
143
172

houding tot de

winst vôér af-

omzet
8,3%
6,5% 6,3%
10,4% 11,6%
10,4% 10,7%

idem

in

ver-

trek

van

be-
winst

na

af-

lastingen

….
21 12
16
48
63
64
88
idem

in

ver-
houding tot de
omzet
4,2%
1,8%
1,9%
4,9%
5,1%
4,6%
5,5%

ad a.’
Van de expansie in de wereldomzet krijgt men

een meer gespecificeerde indruk wanneer men de verslagen

doorleest van de ontwikkeling in de verschillende ,,hoofd-

indüstriegroepen”. Men verneemt dan van de sterke en

snelle groei in de electronische industrie (electronenbuizen

voor radio, televisie etc.); stelt men de wereldomzet in

electronenbuizen in 1947 op 100, dan kan die omzet in

1953 met
365
worden getypeerd. Men neemt dan kennis

van
,
het feit dat in de nog jonge hoofdindustriegroep,

‘) Waar dit woord wordt gebruikt wordt steeds de totale omzet van het Philips
con cern bedoeld.

die activiteit ontplooit op het gebied van materialen en

onderdelen voor toepassingen in electronische en electro-

technische apparatuur, de wereldomzet in 1953 53 pCt

hoger was dan die in 1952. Men kan zich dan verbazen

over de enorme ontwikkeling op het terrein van de tele-

communicatie, waar, bij 1947 = 100, in 1953 een wereld-

omzet van 895 werd behaald, al moet daarbij worden

vermeld dat in 1953 enkele grote (deels militaire) orders

werden afgeleverd, die in de afgelopen jaren werden ont-

vangen. Gefrappeerd wordt men dan ook door een omzet-

stijging van 51 pCt ten opzichte van 1952 in de sector

pharmaceutische-chemische producten, welke omzet-

stijging ondanks prijsdalingen als gevolg van sterke

concurrentie in binnen- en buitenland, kon worden ge-

realiseerd.

Dit zijn slechts enkele grepen; in andere bedrijfsonder-

delen was de expansie minder omvangrijk, in sommige

sectoren moest zelfs een zekere teruggang worden geboekt.

Het geheel tekent echter de duidelijke lijn van de gelei-

delijke groei, die zich, naar volgens het verslag verwacht

mag worden, ook in de toekomst zal continueren.

ad b.
Bij vergelijking van de bovenvermelde winst-
cijfers in verhouding tot de omzet véôr en na aftrek van
belastingen, valt op dat de laate gezien ten opzichte van

1952,
een sterkere stijging vertoont dan de eerste. De

verminderde belastingdruk in Nederland en in enige

andere landen komt daa’rin tot uitdrukking. In hoeverre

ook een gebruik maken van de mogelijkheid tot vervroeg-

de fiscale afschrijving hier een rol speelt is uit het verslag

niet op te maken.

Na deze belichting van enkele facetten van de ont-

wikkeling in omzet en resultaten worde ‘nog een over

zicht (in indexcijfers) gegeven van het verloop van de

waarde van de productie in-en de export uit Nederland.

Het is doelmatig ook de indexcijfers van de wereldomzet

in dit overzicht op te nemen.

1
1947
1
1948
1
1949
1
1950
1
1951
1
1952
1
1953

productie in Ne-
derland

100

135

139

179

233

230

247
export uit Ne-
derland

100

119

135

184

263

248

284
wereldomzet aan
derden

100

130

152

179
1
227

253

293

Met gen,oegen kan worden geconstateerd dat de recessie

die van 1951 op 1952 in de Nederlandse productie en

export was ingetreden, door de stijging van 1952 op 1953

weer is tenietgedaan. Ten aanzien van beide grootheden

wordt voor 1954 een voortgaande toename verwacht.

Vergelijking van de indexcijfers doet ook zien dat, met

1947 als uitgangspunt, de export uit Nederland de wereld-

omzet goed is gevolgd; de stijging van de Nederlandse

productie echter is bij de groei van de wereldomzet

achtergebleven.

Liquiditeits- en vermogenspositie.

Het streven naar een verbetering van dé liquiditeits-

positie, o.a. door een vermindering van de voorraden,

waarvan reeds in het jaarverslag over 1951 melding werd

gemaakt, heeft in 1953 tot niet onbelangrijke resultaten

geleid. Dit kan duidelijk worden afgelezen uit onderstaand

overzicht van de debetzijde der geconsolideerde balansen.

1951
1.

1952
1

1953

1
(in millioenen guldens)

duurzame productiemiddelen
432
494
513
deelnemingen en vorderingen daarop
33
32
34
niet direct realiseerbare waarden
. . .
14
18
20
675 668
.

576
vorderingen
……………………
379
.448
487
voorraden

…………………….

liquide middelen

………………..
..
145
160 315 1.678
1.820
1.945

26 Mei 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

421

De voorraadvermindering krijgt temeer betekenis tegen

de achtergrond van de omzetstijging van 11 pCt van 1951

op 1952 en van 16 pCt van 1952 op.l953. Intussen wordt

voor
1954,
in verband met de omzetstijging, een vergroting

van de voorraden verwacht. Ten aanzien van de verbeter-

de liquiditeitspositie wordt in het verslag opgemerkt, dat,

,,belangrj ke invçsteringen in duurzame productiemidde-

len, die in de naaste toekomst zullen plaatsvinden, en de

verwachte stijging van de omzet tot een grotere vermogens-

behoefte leiden”, waaraan wordt toegevoegd: ,,het is ons.

streven daarin door interne financiering te voorzien”.

Met betrekking tot de vermogenspositie kan voorts nog

worden vermeld, dat de verhouding tussen vlottend

kapitaal en schulden op korte termijn (2,2 : 1) en die

tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (1 : 1) van

1952 op 1953 niet zijn veranderd. Vooral in goede tijden

geeft een dergelijke omvangrijke financiering met vreemd

vermogen een rentabiliteitsvoordeel; in slechte jaren

kunnen de vaste verplichtingen bij deze grootte de liquidi-

teit echter in gevaar brengen.

Personeel.

Het aantal personeelsleden werkzaam bij het gehele

concern heeft in 1953 een belangrijke uitbreiding onder-

gaan (van 95.000 op 106.000). Dit geldt ook voor deperso-

neelsbezetting in Nederland die van 41.000 in 1952 tot

44.500 in 1953 steeg. De woningbouw wordt als bottle-

neck bij de personeelsvoorziening in Nederland opge-
geven; het verslag vermeldt dat het gebrek aan bouw

volume een verdere uitbreiding van het personeel in de

weg staat.

In 1953 werd besloten de uitgifte van personeels-

certificaten (certificaten van preferente aandelen N.V.

Gemeenschappelijk Bezit) stop te zetten om scheef-

trekking van de kapitaalstructuur en om onbillijkheden,

gelegen in de afwijking van het voorkeursrecht van aan-

deelhouders, te voorkomen. In plaats van personeels-

certificaten kunnen voortaan winstdelende obligaties door

het personeel worden gekocht. (Voor de N.V. brengt deze

verandering ook fiscale voordelen mee). Op deze winst-

delende obligaties wordt een rente uitgekeerd, gelijk aan
het preferente dividend plus 1 procent. Deze 1 procent is

bedoeld als compensatie voor het verlies van het claim-
recht dat aan de personeelscerLificaten verbonden was.

Een oordeel omtrent de vraag of hier, over een langere

periode gezien, voldoende compensatie geboden wordt,

is uiteraard niet te geven. Gezien e overige rechten aan

de personeelscertificaten verbonden, kan bij de huidige

wijziging van een achteruitgang in ,,machtspositie”

nauwelijks sprake zijn. A Fari geëmitteerd vormen de

winstdelende obligaties voor het personeel inderdaad een

bijzonder aantrekkelijk spaarobject (7 pCt).

De winstverdeling.

Uit het eerste in deze notitie gegeven overzicht is de

stijging van de winst na aftrek van belastingen, zoals die

zich sinds 1948 voordeed, af te lezen. In de specificatie in ne-

venstaande kolom wordt aangegeven aan wie de winsten en

dus ook aan wie de stijging van die winsten is toegekomen.

Vergelijkt men nu de winstuitkeringen van 1948 en

1953 dan blijkt dat de totale uitkering aan de groep aan-

deelhouders bijna 3, die’aan de groep tantièmisten ruim
4 en die aan het personeel ca 5
x
zo groot is geworden.

Deze vergelijking van de tôtaal per groep uitgekeerde

bedragen op zichzelf is echter onzuiver, o.a. doordat in
1953 het aandelenkapitaal ca 80 pCt groter was dan in

1948. Beziet men de ontwikkeling in de dividendpercen-

tages dan kan men constateren dat het diyidendbedrag

per gewoon aandeel in 1953 56 pCt hoger was danin 1948;

1

1948

1

1949

1

1950

t

1951

1

1952

1

1953
(in rnillioenen guldens)
winstuitkering aan:
aandeelhouders
11,8
11,9 15,4
21
26,6
30,6
tantièmisten
0,7
0,7
1,4
1,6 2,1
2,9
personeel

….

……
0,6
0,7
1,3
1,7
2,2
3
13,1
13,3
18,1
24,3 30,9
36,5
[n de onderneming gehou-

..

den

…………….
1.

1 a)
2,5b)
30,2 c)
38,8 33,3
51
12,1
15,8
48,3
63,1
(4,2
1

87,5
(in procenten)
dividend gewone aandefenj

99

12

12

12

14
idem cum.pref. aandelen

6,6

6,6
1

7,2

7,2
1

7,2
1

7,6
a) Dit bedrag – en dus ook de totale winst in 1948 – is geschat; de afwijking
van de werkelijke bedragen kan ten hoogste f0,5 mln bedragen. In dit bedrag is begrepen f0,2 mln onverdeeld dividend.
in dit bedrag is begrepen f0,3 mln onverdeeld dividend.

ten aanzien van de cum. pref. aandelen bedraagt deze

toename 15 pCt. De stijging van het winstdeel, uitgekeerd

aan tantièmisten, bedraagt evenwel ruim 400 pCt, de

toename van de winstuitkeringen aan het personeel 500

pCt. Bij vergelijking van 1951 en 1953 kan men becijferen

dat de stijging van het dividendbedrag per aandeel resp.

bijna 17 pCt (gewone aandelen) en bijna 6 pCt (cum.
pref. aandelen) bedroeg, terwijl de winstuitkering aan

tantièmisten en die aan personeel beide met ruim 80 pCt

toenamen; Zelfs indien men rekening zou willen houden

met de veranderingen in het aantal tantièmisten en in de

personeelsbezetting in de genoemde perioden (aantal perso-

neelsleden: 1948-81.000, 1951-99.000, 1953-106.000) is de

ongelijke ontwikkeling in de positie van deze drie winstge-

rechtigden duidelijk waarneembaar. Betrekt men ten

slotte ook de laatste – naar de omvang gezien zou men

beter kunnen spreken van de eerste! – winstgerechtigde,

de onderneming zelf, in de vergelijking dan laten boven-

vermelde cijfers zien dat in de afgelopen jaren ook de

winstinhoudingen zeer sterk zijn toegenomen. Van 1951

op 1953 bedraagt de stijging bijv. ruim 30 pCt. Van de

totale winst in de vermelde zesjarige periode ad f291 mln,

werd ruim de helft, ni. f’155 mln ingehouden. Het gaat

hier uiteraard alleen om de zichtbare winstinhouding.

Het ,,achterbljven” van de aandeelhouders bij de

andere winstgerechtigden – ten aanzien van tantièmisten

en personeel op zichzelf een gevolg van belangrijk stijgen-

de jaarwinsten bij gelijke statutaire winstverdeling – is

natuurlijk ook door Philips geconstateerd en het is voor

de aandeelhouders een gelukkig feit dat het zich bezinnen

op de mogelijke consequenties van deze ontwikkeling

Philips onlangs heeft geleid tot het besluit van de bij-

stempeling op de aandelen, waardoor ee nominale waarde
van f 750 op f 1.000 zal worden gebracht. Er is terecht op

gewezen dat deze maatregel voor de aandeelhouder bijna

geen effect zou sorteren als de uitgekeerde winst in de

toekomst niet op een groter bedrag zou worden bepaald.

(Aan de hand van de statutaire winstverdeling is na te

gaan dat de positie van de
gewone
aandeelhouder in dat

geval inderdaad nauwelijks veranderen zou; de positie van

de houders van de pref. aandelen ondergaat echter – ook

bij gèlijke uitkeerbare winst – wél een aanmerkelijke

verbetering. Zodra de uitkeerbare winst lager ligt dan

f20 mln, zoals v66r 1951 het geval was, krijgen de houders

van pref. aandelen zelfs een hoger dividend uitgekeerd

dan de gewone aandeelhouders). Men kan echter om

meerdere redenen veilig aannemen dat, voor zover

Philips dit zelf in de hand heeft, de voor uitkering be-

schikbare winst in de komende jaren groter zal zijn dan

in 1953, hetgeen dus leidt tot een verbetering van de

positie van alle aandeelhouders.

Het besproken verslag bevat – als compensatie voor
het optimisme elders in het verslag? – een interessante

beschouwing omtrent de mogelijkheden tot bestrijding

van een depressie. Bepleit wordt een harmonisch samen-

it

422

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Mei 1954

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

‘Hoewel er – evenals de vorige week – wederom

middelen naar het bankwezen stroomden door afnemiiig

van de chartale circulatie en toeneming van de deviezen-

voorraad (tussen 10 en 17 Mei resp. – f 23 mln en

+ f 30 mln) waren er anderzijds blijkbaar zulke grote

betalingen aan het Rijk te verrichten dat niet het saldo

der banken bij de circulatiebank, doch dat van het Rijk

hierdoor een stijging onderging. Daar de kasreserves der

banken de verplichte reserves nog steeds met, naar schat-

ting ruim f100 mln overtreffen is het duidelijk, dat de

geldmarkt ruim blijft. De marktdisconto’s blijven dan ook

onveranderd en wegens onvoldoende aanbod van papier
nominaal, terwijl de callgeldnotering alleen omdat daar-

voor een minimum is gesteld niet benedenpCt daalt.

Voor de aankoop van 3 of 12 maandspromessen bij

De Nederlandsche Bank blijft de animo bij voortduring

gering, waarschijnlijk vnl. omdat de disconto’s resp.
5/
pCt op jaarbasis) wel zeer laag worden geacht in ver-

houding tot risico’s die men loopt, wanneer men in de

komende periode van 3 of 12 maanden eens illiquide zou

worden. In de week 10-17 Mei werd van dit papier

f 8 mln afgenomen, tussen 20 April (aanvang van deze

verkoop) en 17 Mei in totaal f 15 mln. Deze bedragen

steken wel zeer af tegen bijv. de verkoop van papier

(vnl. biljetten) door de Agent op één dag als 15 April ad

ruim f 70 mln. Het bedrag van
f
15 mln in één maand is

ook laag in verhouding tot het in het jaar 1954 vervallende

bedrag aan promessen ad f
958
mln en a fortiori t.o.v.

het promessenbedrag, dat in 1953 verviel ad f 3.015 mln.

De kapitaalmarkt.

Aan de koersstijging, die zich de vorige week op de

aandelenmarkt voordeed, is geen lang leven beschoren

geweest; per saldo bleef de ‘algemene aandelenindex ge-

durende de verslagweek nagenoeg’ ongewijzigd. Deze

stabiliteit was het gevolg van een uiteenlopende ont-

wikkeling bij de verschillende groepen. Zo was de stem-

ming voor aandelen Koninklijke – voor welk fonds

sommige beursdagen wederom grote buitenlandse vraag

bestond – vrij vast en bewoog de koèrs zich merendeels

boven 500 pCt. Zeer flauw waren daarentegen scheep-

vaartaandelen. Toen in een rede van de voorzitter der

Nederlandse Redersvereniging de minder gunstige voor-

uitzichten in deze bedrijfstak nog eens werden onder-

streept, bleek de hausse van de vorige week voor deze

aandelen grotendeels op drjfzand te zijn gebouwd. Voor
Indonesische fondsen bleef het bericht, dat dit land voor
een financiële crisis zou staan ten gevolge van de steeds

dalende deviezenvoorraad,. niet geheel zonder invloed.

Uit de laatste ,,Telstrook” van het levensverzekerings-

bedrijf blijkt, dat door dit bed’rijf per uit. Maart 1954

voor niet minder dan f 4,500 mln was belegd. De voor-

naamste saldomutaties gedurende het eerste kwartaal van

1954 waren: lènin gen op schuldbekentenis + f 60 mln

en effecten (lees obligaties) + f 30 mln. Bij voortduring

oefent deze toestroming van middelen (tezamen met die

der pensioenfondsen) een druk op het renteniveau voor

niet risicodragende beleggingen uit. Deze druk kan geheel

of gedeeltelijk worden opgeheven door nieuwe kapitaal-

vraag in deze sector, die, wil het effect daarvan merkbaar

zijn, een omvang van ettelijke honderden millioenen

guldens per jaar netto zal moeten hebben. Een dergelijke

vraag is hier te lande momenteel alleen denkbaar, indien

zij van de Overheid afkomstig is. In dit verband is van

belang, dat de gemeenten sinds meer dan een jaar op de

onderhandse markt gedeeltelijk en op de publieke kapi-

taalmarkt vrijwel ‘geheel verstek hebben laten gaan. Uit

de ontwikkeling van hun kaspositie gedurende de laatste

maanden meent men echter te kunnen opmaken, dat er

kans
dp
een grotere kapitaaivraag van deze zijde bestaat.

Aand. Indexcljfers

14 Mei

1954

21 Mei 1954

Algemeen
……………………………
188,1

188,3

Industrie
………………………………
262,4

266,3

Scheepvaart

………………………
190,8

179,1

Banken

………………………………
150,2

152,4

Indon. aand . ………………………….

66,5

64,0

Aandelen.

A.K.0.

………………………………
223%
215%

Philips

………………………………
322%
321½ ex.div.

Unilever

…………………………… 345
338%

H.A.L.

………………………………
157
143

Amsterd’.

Rubber
… …………… . …..
97½
95

H.V.A.

……….. .. ……………………….

128%
125%

‘Ion.

Petroleum

……………………
498% 504%

Staatsfondsen.

2%

pCt N.W.S.

………………………
77½
77
1
/
2

3-3Vz

pCt

1947

………………………
98%
995/1e

3

pCt

Invest.

cert .

…………………
100
100116
3
1
/

pCt

1951

……. . ………………….
102%

3 pCt Dollarlening
…………………
95% 95%

Diverse obligaties.
,

3
1
/2
pCt Gem. R’dam 1937 VI
101%
101%
31/2

pCt Bataafsche

Petr .

………
102%
102½

pCt Philips 1948

………………
02%
102%

3% pCt West!. Hyp. Bank
97%
977s
J. C. BREZET.

De Belgische geld- en kapitaalmarkt

in April 1954

De algemene toestand van de geidmarkt.

Het volume van de op de markt aangeboden caligelden

nam in April opnieuw toe. Blijkbaar ging dit aanbod

echter uit van de banken, daar ingevolge de trimestriële

vervaldag van einde Maart de liquide middelen van de

banken sterk aangesproken werden. Ook de einde April
vervaldag was zeer zwaar, zodat ook het beroep op her-

disconto bij de Natiönale Bank aanmerkelijk toenam.

De sluiting van de banken op 1 Mei had verder voor ge-

volg dat de afwikkeling van de vervaldag tot over de 6

gaan van het uitvoeren van openbare werken en het

verlagen van bepaalde belastingen. Om op wisselingen in

de conjunctuur sneller en dus meer effectief te kunnen

reageren – deze gedachte werd reeds eerder geuit door –

Prof. Witteveen2) – wordt het vraagstuk van een ver-

snelling van de gebruikelijke parlementaire procedure ter

bestudering aanbevolen. Ook al mag men hopen en

menen dat de bij deze beschouwing voor de geest komende

depressiebeelen in de komende jaren geen concrete

vormen zullen

,

gaan aannemen – deze aanbeveling kan

men slechts onderstrepen.

Voorburg.

Th. M. SCHOLTEN,
) Zie Conjunctuur der conjunctuurpolitiek” in ,,E.-S.B.” van 14 October 1953.

.26 Mei 1954

ECONÔMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

423

eerste dagen van Mei werd gespreid. Hoogstwaarschijn-

lijk mag het groter aanbod op de geldmarkt dan ook

toegeschreven worden aan een of andere parastatale in-

stelling.

Kredietverlening door de banken aan de privafe economie

(in millioenen franken)

Herdisconto van

Portefeuille

Totale kredietver-
de banken bij de

handelspapier

lening der private
Nationale Bank en
I
van de Nationale

banken (acceplen
de parastatale

Bank

inbegrepen)

1945Dec.
4.168
5.171
23.117
1949 Dec.
3.339
4.006
24.506 1950 Dec.
8.543
1 0.110
27.739
1951 Dec.
7.526
6.703
33.364
1952 Juni
6.875
5.220
32.913
Dec.
7.903
6.710
36.546
1953 Maart
7.355
6.053 a)
36.708
Juni
6.915
7.667 a)
35.513
Sept.
6.585
6.876 a)
36.024
Dec.
8.025 5.379
37.320
1954 Jan.
6.797
5.771
37.324
Febr.
6.188
4.869
38.219
Maart
6.976
6.825 a)
39.017
April

6.892 a)

a) Cijfer begin volgende maand, meer karakteristiek voor de vervaldag.

De toestand van de banken.

Blijkens onderstaande cijfers lagen de globale deposi-

to’s einde Februari lichtjes hoger dan een maand te voren,

dank zij de progressie van de termijnrekeningen. Vermoe-

delijk bracht einde Maart nog een verdere kleine vooruit-

gang, die in April hoogstwaarschijnlijk gedeeltelijk moest

worden prijsgegeven.

Het volume van de opgenomen kredieten volgt ander-

deels terug een stijgende lijn, zowel bij de voorschotten

als de discontokredieten. Zulks mag in verband gebracht

worden met de toename van de industriële productie

tijdens de jongste maanden, terwijl anderdeels de bedrijfs-

kapitaalbehoeften nog steeds worden beïnvloed door de

grote vertraging in de betalingen van de export, die niet

do’or documentaire kredieten is gedekt. Anderdeels con-

stateert men doorgaans een verdere vereniging van de

winstmarge van vele bedrijven, zodat ook de zelffinan-

ciering blijkbaar beperkt moest worden.
Enkele posten uit de globale bankbalansen

(in millioeners franken)

31/121

31112/

31/1/

28/2/

31/3/
195

1
1953
1
1954
1
1954
1 1954
Actief.
Kredieten aan de private econo-
37.320 37.234
38.219
39.017
11.880 12.118
12.872
13.335
mie

…………………36.546

Prolongatie voorsch
.
op eif..
1.180
1.512
1.388
1.364
1.560
Diverse debiteuren
……….
15.792
15.601
15.848 15.779
8.136
8.127 8.135
8.344

Handelswissels

………….11.483

Kredieten aan de Overheid
42.408
43.753
44.821
45.034 45.117
Passief.

Acceptaties

……………9.134
.14.749

64.251
67.431
66.763
66.945
67.837 57.510
58.967
58.620
58.579
59.023
Totale deposito’s

………….

6.741
8.464
8.143
8.366
8.814
Op

zicht

……………….
Op

termijn

……………..
Obligaties

en

kasbons
………..
955
1.921
2.041
2.088
2.171
Eigen

middelen

……………
5.770
6.095 6.138
6.172 6.189

Te noteren valt eveneens de gesadige vooruitgang van

de uitgifte van kasbons door de Belgische banken.

De obligatiemarkt.

De obligatiemarkt bracht in April een lichte koersstij-

ging van de langlopende obligaties en een zwakkere

stemming bij de effecten op kortere termijn. Waarschijn-

lijk houdt deze eolutie enig verband met de recente

verlaging van de nominale rentevoet op de emissiemarkt,
alwaar zo pas de Koloniale Schuld 1954/74 â 4 pCt werd

geplaatst en thans een nieuwe R.T.T.-lening, eveneens

met 20-jarige looptijd â
4-1
+pCt
wordt aangekondigd.

Inderdaad, méér nog dan een aanpassing van de uit-

gifteprijs, vestigt een verlaging van de nominale rentevoet

de aandacht van de beleggers op de effectieve daling

van de rentevoet op de obligatiemarkt, zodat de belang-

stelling voor de langlopende waarden uit dien hoofde

kan worden uitgelegd. Anderdeels liep het volume van

de verhandelingen terug ten voordele van de aandelen-

markt.

Alhoewel de zwakkere stemming eveneens opviel bij

de kasbons van de parastatale instellingen en van de grote

steden werd in deze rubrieken per saldo nog een zeer

lichte koerswinst bereikt.

Bij de leningen van de private vennootschappen was de

activiteit tamelijk gering en bleven de koerswijzigingen

beperkt. Ook in deze’ rubriek scheen de voorkeur van de

beleggers meer naar de obligaties met langere looptijd

gericht.

Officieel werd de intekening van de
4*
pCt Koloniale

Schuld 1954/74 op de openingsdag (21 April) reeds afge-

sloten, nadat een globaal bedrag van fr. 2 mrd door de

plaatsende instellingen was onderschreven. Het onder-

brengen bij het publiek liep echter zeer traag van stapel.

Ook voor de nieuwe R.T.T.-lening, die op 10 Mei ter

ondertekening werd opengesteld, was de belangstelling

heel wat minder dan bij de vroeger uitgegeven leningen

van dit organisme. Hierbij dient genoteerd dat de jongste
R.T.T.-lening de belegger een gemiddeld rendement van

4,65 pCt voor een doorsneelooptijd’ van 13 jaar en 4

maanden biedt. Berekend tot de uiterlijke looptijd bereikt

het rendement 4,55 pCt. Men meent dan ook in de con-

dities van de
4+
pCt R.T.T.-lening 1954/74 een poging te

zien van de Overheid om de rentevoet op de emissiemarkt

te verlagen.

Rentestand op de. obligaliemarkt a)
(in pCt per einde maand)

Gemiddelde looptijd
1

Aug.
1948
Juni
1950
Juni
1

1951
I
Maart
1954
April
1954

langlopende
4,77
4,38
4,68
4,37
4,36
Staatsfondsen

……
â
7

8 jaar
4,83 4,63 5,24
4,66 4,70
Staatsrenten

………

Kasbons steden
5 A 6 jaar
5,07
449
5,37
5,04
5,02
Kasbons

parastatale

..

instellingen
es 9 jaar
– –
5,41
4,69
4,67
Private instellingen
10 A 12 jaar 6,06
.

5,43
6,08
5,25
5,21
a) Reële rendementen

rekening
gehouden met
agio en
disagio tegenover
terugbetalingsprijs.
Bron:
K
.
B.

De aandelenmarkt.

In de loop van April werd een einde gemaakt aan de

gedurende de 2 vorige maanden opgemerkte koersaf-

brokkelingen. Op slechts één uitzondering na – brou-

werij-aandelen – boekten inderdaad alle beursrubrieken

een koersverbetering. Dit was zelfs het geval voor de

steenkolenwaarden, die, in verband met de zwakke per-
spectieven in die sector, sinds geruime tijd hun koersen

zagen teruglopen. De sterkste verbetering situeerde zich

in de koloniale aandelen, waar o.a. enkele aandelen met
hoge sfukwaarde de rubriek zeer gunstig beïnvioedden.

Maar ook de metaalwaarden profiteerden van de hausse.

Het algemeen karakter van de verbetering wijst er op

dat niet enkel economische motieven aan de basis van

de beweging lagen. De grote impuls van de verbetering

der aandelenkoersen schijnt te zijn uitgegaan van politieke

factoren. Op de eerste plaats op binnenlands plan de

verkiezingen en de daaruit gevolgde regeringswijziging,

waaraan allerhande verwachtingen werden gekoppeld..

Zo constateert men inderdaad dat vooral vanaf de Paas-

week het volume van de contantverhandelingen toenam.

Dit gebeurde daarenboven voor een deel ten koste van de

beleggingen in obligaties; vooral kortlopend overheids-

papier werd blijkbaar gearbitreerd tegen aandelen.

Ongeveer rond dezelfde periode groeide de onzekerheid

op
internationaal plan, en werd met eën Amerikaanse
interventie in het Verre Oosten gerekend, hetgeen een

nieuwe industriële hoogconjunctuur in het leven
zou’

INEXCIJFERS VAN

1

LIJKE ARBEIDSKRACHTEN BRUTO-LONEN EN SALARISSEN VAN
IN NEDERLAND
1)5)

(30 Juni 1947
=
100)

MANNE-

kunnn roepen. Deze mogelijkheid, tezamen met de
Volgens
regelingen
in het
Vrije bedrijf
aankondiging dat de Verenigde Staten opnieuw tot aan-
Lonen
ISalarissen
kopen van grondstoffen

meestal metalen

voor de

,,stockpile” zullen overgaan, steunden de grondstoffen-

prijzen en meteen ook de koersen van vele aandelen van

grondstoffenproducerende maatschappijen. Over geheelde

maand beschouwd liep het algemene koersniveau aldus

Periode
.-

A

0

.

°

‘-

ii’
.

.°”.’
•..
5)

-nu

op
met
4,9
pCt.

.
De toename van het volume der verrichtingen vooral

op
de contantmarkt, wijst er verder
op,
dat ook de

cliëntele zich aan de beursactiviteit meer heeft geïnteres-

seerd. .

Het gemiddelde beursrendement
op
de gewone
75

vedetten vertoonde over de maand April een gevoelige

daling die hoofdzakelijk terug te brengen
is op
de koers-

stijgingen. Nochtans hebben een paar couponverlagingen

invloed gehad. Het gemiddelde rendement
is
thans

ook

1947 gem.

……
1948 gem
1949 gem
1950 gem 1951 gem
1952 gem
1953 gem
1953
31 Jan.


30 Juni
31 Sept
30 Oct
1 31 Dec
954
31 Jan.’)

.101
105 109
116
125 128
130
130
130
130
131
131

141

100
‘104
111 121
130 135
140

140
140 140 140
140

148

100
101
108
116
125
127
129
128


128 130 130 130

138

101

105
109 117
126
129
131

131
131
131
132
132
142
100 lol
01.

f16
124 126
128

127
127
127 127
128

138

het laagste sinds Februari
1952.

‘)
Bron:
C.B.S.

(Indices
1936138
=
100)

.
_________________________________

2
1 Excl.

kinderbijslag.
‘)
In enkele bedrijfsgroepen vastgesteld; in die gevallen
kening gehouden met
5

zijn
is bij de
pCt loonstijging.

de nieuwe
berekening
loonregelingen nog niet
der indexcijfers

voorlopig
definitief
re-


30/4/54
31/3/54
Beweging
in pCt

252,1
242,4-
+
4,0
P
………..
207,3
192,3
+
7,8
153,8
+
4,8
n elct
253,4
247,8
+
2,3
221,3
209,0
+
5,9
Scheikundige producten

…………
184,9
175,1
+
5,6
Steenkolenrnijnen

……………….f87,7
..
180,6
+
3,9
Spiegelglas

…………………..71,2
67,3
+
5,8

Banken………………………

Glasblazerijen

…………………
95,4
92,0
+
3,7

ortefeuille

………..
.

221,7
213,2
+
4,0

Trusts

………………………161,2
Gas

eericiteit

……………

163,9 163,3
+
0,4

Metaalnijverheid

……………….

530,6
484,2
+
9,6
117,7
+
1,4

Bouwnijverheid

……………….

254,5
246,9
+
3,1

Textiel

……………………….
Koloniale

…………………….
Voeding

………………………119,4

68,3

2,9
Verscheidene

…………………..
Brouwerijen

…………………..66,3
Papiernijverheid

……………….
387,7 367,9
+
5,4
Warenhuizen

…………………
409,4
394,5
+
3,8
Algemeen

… . ……………. .238,5
227,4
+
4,9

Beursrendement

1952

1

1953
1

1954

5,44
4,74
Februari

……………………
4,05
5,55
4,89
4,58

1
5,50
4,53
April

……………………….
4,86
5,34
4,08
Mei

……………………….
5,29
5,24

Januari

……………………….3,63

Juni

…………………………
5,26
5,22

Maart

……………………….

Juli

…………………………
5,11
5,06
Augustus

……………………
5,02

..

5,04

September

……………………
5,45

..
..

5,31
5,44

..
..

4,94

October

……….. …….. . ….. …
November

……………………
5,36

..

4,86

December

……………….. ….


5,39
4,84
-‘

De maand April
is,
althans wat de tweede helft betreft,

sterk beïnvloed geweest door speculatieve bewegingen.

De afwezigheid anderzijds van markante en grondige

wijzigingen in de perspectieven van de verschillende sec-

toren laten vermoeden dat de hausse van April eerder

uitzonderlijk was en meer in het teken stond van een

spontane reactie tegen nieuw opgerezen binnen- en

buitenlandse extra-economische factoren.

Kortrijk.

Dr L. DELMOrrE.

Regelmatige reclame

verhoogt Uw goodwill

INTERIM.PRIJSINDEXCIJFERS VAN HET GEZIJ4SVERBRUIK IN
NEDERLAND
1) 2)

1949 = 100

Aard der gezins-
uitgaven

N


•ti1.c.c
5)00

0

z

.,

5)

‘n

n


91

1
Voeding,
wo.:
37,7
125
124 122
124
,
126 127
brood, gebak,
meel
8,0
124 123
124
124
124
124
aardappelen,
groenten,

fruit
6,8
118
lii
108
115 129 130
suiker en kolonia- le
waren, dran-
ken
6,5
125 125
126 128
129
131
vlees, vleeswaren,
vis
4,6
151
150
149
151
151
150
oliën en vetten
3,8
114 114
114
114 116 115
zuivelproducten,
excl.roomboter
8,0
121
123 118
118
117
116
11

Roken
2,3
115 115
115 115
115
115
III

Woning,
wo.:
21,0
123
123
123
133
133
133
huur, water, on-
derboudwoning
9,2
115 115
115
139
139 139
huurafzonderlijk
8,4


115 115
115 140
140
140
verwarming

en
verlichting
5,1
144
144
144
141 141
141
woninginrichting
en huisraad
6,7
118
117
117
119 119
120
IV- Kleding en
schoeisel,

w.o.:
13,3 114 114
114
114 114 114
.’
kleding
10,6
113
113 112
113
113
113
schoeisel
2,7
120
121
121
120
120

120
V

Hygiënische

en
medische

zorg,
w.o
3,4
109
109
109
113
114 114
reiniging

..
. –
1,6
104
104
104 105
106
107
persoonlijke

en gezondheidszorg
1,8
113
113
113
121
121
121
VI

Ontwikkeling en
ontspanning,
10,1
118
118
118
120
120
120
ontwikkeling,

ontspanning,
verenigingen
7,6
116 116
116
119
119
119
verkeer
2,5
124
124 124
124
124

124
VII
Verzekeringen en

belastingen .
12,2
118
118
1

118
1

118
1

118
118

Totaal

….
100
121
120 120
123
124
124
Totaal (excl.
belastingen)
94,9
123
122
122
126 127 .127

‘) Onileencl aan het Statistisch Bulletin van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.


) Volgens huishoudrekeningen over 1949 van geschoolde arbeiders, voorlieden,
lagere kantoorbedienden en ambtenaren, met in 1949 een bruto-weekloon
van f50 tot f60, een gemiddelde gezinsgrootte van vier en wonende in do
middelgrote en kleine gemeenten van ons land.
3) Voorlopige cijfers.

Bijlage bij ,,Economisch-Statistische Berichten” van 26 Mei 1954.

Verleden, heden en toekomst van de: katoenindustrie

(1904-1954)

1. Inleiding.

Bij het begin van het Jubileumcongres van de ,,Inter-

national Federation of Master Cotton Spinners’ and

Manufacturers’ ssociations” past het ons, ons een mo-

ment te verplaatsen in de jaren 1903 en 1904. –

Het begin van de 20ste eeuw. De aanvang van een

tijdperk, dat gekenmerkt zou worden door een sterke

bevolkingstoename en een grote expansie, zowel van de

,,Atlantische” industrie als van de wereidhandel. Een

periode, waarin de katoenindustrie in Lancashire vlak

voor de eerste wereldoorlog het maximum aan export-

cijfers bereikte.

Het waren jaren ook van overgang en aanpassing. De

agrarische voortbrenging toch had het snelle industriali-

satietempo aanvankelijk niet weten te volgen en zoals

wel meer ‘in tijden van structurele schaarste voorkomt,

viel deze divergentie samen met ten wederom tegenval-

lende katoenoogst
1).
Een ideale tijd dus voor de speéu-

latieve handel.

Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken;

dat het katoenjaar 1903/04 een poging tot de vorming

van een katoencorner te zien gaf. Door de te kleine

Amerikaanse oogst van nog geen 10 mln balen gerugge-

steund, wist de Amerikaan Sully in Februari 1904 de prijs

te New York tot het voor die tijden hoge niveau van

17,25 dollarcent per pond te doen stijgen.

Het was nu in deze sfeer, dat de Engelse ,,Federation

of Master. Cotton Spinners” onder de bezielende leiding
van Charles W. Macara het initiatief nam tot de vorming

van een internationaal afweerfront van industriëlen.

Waar men in Lancashire de comervorming reeds tege-

moet was getreden met een tijdelijk inkrimpen van het

verbruik door in short-time te werken
2),
poogden de

Engelsen ook elders steun te krijgen. Zouden zij hun col-

lega’s op het continent over kunnen halen eveneens de

productie te verminderen, dan
zOu’
dit voldoende zijn

om Sully’s plannen te verijdelen. Een waarschuwing

tevens voor hen, die in de toekomst hetzij in de handel

hetzij in regeringsbureau’s misschien nog eens pogingen

tot cornervorming zouden wagen.
Het bericht, dat in Mei 1904 de kern van de West-

europese spinners zich in Zürjch zou beraden over de

me.thode hoe de continuïteit van de katoenaanvoer, te

handhaven was, bracht reeds reacties op de New Yorkse

beurs teweeg.

Geleidelijk aan wrd .het bovendien duidelijk; dat de

te verwachten oogst zeker een 30 pCt groter zou uitvallen

dan tot dusver gebruikelijk was. De prijs daalde daarop

in Augustus 1
;
904 tot 10,45 dollarcent.

Het ontstaan van’ de International Federation is dus

te danken aan de poging van de katoenverbruikers om de

machtspositie van de handel te breken en meer con-

tinuiteit in de katoenvoorziening te ‘erkrjgen. Tegenover

de Amerikaanse leuze ,,Cotton up” stelden zij zich te

weer onder het motto: ,,Cotton down, .yarn up”. Het

‘)
De
eerste Amerikaanse katoenoogsten in de 20ste eeuw schommelden om een
gemiddelde van 10 mln balen van 478 lbs. per seizoen:
1900101

10.124.000 balen

1902/04

10.630.000 balen
1901/02

9.508.000 balen

1903/04

9.851.000 balen
Op dit niveau bleef het katoenaanbod achter bij de vraag.
‘) 40 uur i.p.v. de 551 uur per week, die toentertijd gebruikelijk was.

is aeze periode, die wij als uitgangspunt van onze beschou-

wingen o’er het verleden van de katoeniiidustrie kozen.

Nu sedert het eerste congres in Ziirich een halve eeuw

verlopen is en wij het 50-jarig bestaan van de International

Federation als Clearinghouse for Informatioh mogen

herdenken, heeft het zin zich eens te verdiepen in de situa-

tie, waarin de katoenindustrie heden ten dage erkeert.

Temeer bestaat daartoe aanleiding, omdat zich in de

periode die achter ons ligt, zulke belangrijke verschui-

vingen in het wereldbestek voordeden: de eerste wereld-

oorlog, de ingrijpende economische ciisis uit de jaren

dertig en de laatste volkerenkrijg,’ die ons nog zo vers in

het geheugen ligt. Welke gevolgen heeft dit alles voor onze

industrie gehad?

Het jachtig tempo van dezé eeuw maakt het echter niet

verantwoord langer stil te staan bij het verleden dan

strikt nodig is: noodzakelijk voor het verkrijgen van een
inzicht in de structuur van de huidige industrie, gewenst

echter ook om uit deze diagnose een prognose voor de

naaste toekomst af te leiden.

Teneinde dit nu te bereiken en om zodoende tevens

een kader te verkrijgen voor de tijdens deze congresdagen

verder te behandelen onderwerpen, stellen wij ons voor

de ontwikkeling van de katoenindustrie in deze eeuw, dé

situatie van nu en de vooruitzichten voor de komende

jaren te schetsen.

Aangezien het onderwerp van deze studie zeer veel-

omvattend is, zal het gebillijkt moeten worden, dat,
,
wij

ons daarbij bepalen tot het zoeken van enkele trends

in het verloop van de ontwikkel ing der grondstofprod uctie

en der grondstofverwerking. Waar enigszins mogelijk

zullen hierbij grafische voorstellingen ter verlevendiging

van veelal dorre cijferopsommingen worden ingevoegd.

H. Vijftig jaar grondstoffen voor de katoenindustrie.

Hoewel de International Federation haar bestaans-

recht verwierf door haar activiteit op het gebied van de

katoen, zou het onjuist zijn ons in dit overzicht alleen

tot deze grondstof te beperkeii. Ook de. man-made fibres

dienen wij na de creatie en de verdere ontwikkeling ge-

durende de laatste drie decennia onder het begrip grond-

stof voor de katoenindustrie in de ruimste zin te rang-

schikken.

Dat naast de rayon ook de rayonvezel en in de na-

oorlogsjaren de synthetischevezel binnen de gezichtskring

van de katoenindustrie vielen is een feit, dat nog eens

ten overvloede erkend wordt door de naamsverandering.

van de Federation. De belangrijke plaats, die beschou-

wingen over de man-made fibres innemen onder de

onderwerpen, die gedurende de congredagen behandeld

worden, is eentweede symptoom van de erkenning.

Dat wij ons ondanks de weidse titel van ,,een halve

eeuw grondstoffen” in deze paragraaf beperkingen zullen

moeten opleggen, is een ieder duidelijk, die weet, welk

een overweldigend cijfermateriaal op dit punt ter be-

schikking staat. Maar misschien ig dit juist de charme

van zulk een overzicht, waarbij men wel gedwongen is

niet de bomen doch alleen het bos-complex te zien.

Wij volstaan dan ook in het navolgende met het doen

van enkele grepen uit de vele gegevens, waarbij wij ons

2

zullen concentreren op de productie, de consumptie en

het prijsverloop in de grondstoffensector.

Vijftig jaar grondstofproductie.

Op het moment van het ontstaan der International

Federation was er slechts sprake van één grondstof:

katoen. Zoals wij in onze inleiding reeds opmerkten was

het de divergentie tussen de agrarische en industriële

voortbrenging, die de spanningen in de eerste jaren van

de 20ste eeuw veroorzaakten.

Eerst in het oogstjaar 1904/05 bereikte men in de

Verenigde Staten het peil, waarmee wij sedertdien ver

trouwd zijn geraakt. De ‘erhouding waarin, toentertijd

de oogsten van het ook heden ten dage nog steeds belang-

rijkste katoen producerende gebied lagen t.o.v. de wereld-

productie is in de laatste 50 jaar echter sterk gewijzigd.

Nu is het met een terugzien op een lange reeks van

oogstjaren in het algemeen uiterst moeilijk om deze, ter

verkrijging van karakteristieke jaargemiddelden; in perio-

des van gelijke duur te splitsen. Immers, dan weer is

het de natuur, die in de-vorm van misoogsten, dan weer

de mens, die met oogstrestricties of door oorlogsgeweld

de normale ontwikkeling beïnvloedt. Het ,uitstippelen

van een trend wordt daardoor wel zeer bemoeilijkt.

Teneinde toch een zij het ruwe schets van het verloop

der oogsten te geven volgt hieronder een eerste cijfer-

tabel, waarbij een rangschikking wordt gevolgd, die in

deze studie voortdurend gehandhaafd blijft. Zij poogt’

nl. successieveljk de volgende vier perioden te karakte-

riseren:

tot 1914: de periode viSôr de eerste wereldoorlog;

tot de jaren dertig: het tijdperk v66r de internatio-

nale crisis;

tot 1939: de jaren v66r de tweede wereldoorlog;

ten slotte de laatste 5 jaar volgende op de tweede

wereldoorlog.

Een tweede poging tot vereenvoudiging is de beperking

van ons werkterrein tot de vrije wereld. Het uiterst vage

karakter van de gegevens, die betrekking hebben op de

landen achter de ijzeren en bamboe-gordijnen werkt deze

simplificatie in de hand. Wij ontveinzen ons echter niet,

dat een allesomvattende wereldproductie, -handel en

-consumptie het ideaal moet zijn, waarnaar wij zullen

moeten streven. Een der beste waarbcirgen voor de vrede

is nog altijd een gezamenlijk economisch belang, in casu

dat de economieën van verschillende landen elkaar

moeilijk kunnen missen.

TABEL 1.
Katoenproductie in de vrije wereld
3,)

(1.000 balen)

Jaargernid-

Ver.

Egypte India

Bra-

Overig

Totaal
e ei
d
e

Staten

zjljë Ame- Azië Afrika
perio e

rika

1912/14

13.928

1.571

3.970

448

352

176

60
20.505
1927129

13.716

1.467

4.914

447

637

190

377 21.748
1938/40

11.880

1.515

5.029

2.065 1.133

769

988 23.379
1948/50

15.327

1.813

3.110

1.440 1.683

830 1.230 25.433
1951/53

15.161

1.864

4.497

1.775 2.440 1.519 1.425 28.681

Allereerst blijkt hieruit duidelijk hoe de oogsten der

,,big three” van 1912/14 in. feite tezamen een 10 pCt in

omvang zijn toegenomen; hun aandeel in de wereldoogst

welke voor 40 jaren
95
pCt bedroeg, is thans echter terug-

gelopen tot
75
pCt.

Een scherpe tegenstelling daarmee vormen de oogsten
van Brazilië en de overige Amerikaanse landen, alsmede

die van de sterk opkomende katoenproducenten in Azië

en Afrika. Van een jaargemiddelde van 1 mln balen in

1912/14 zijn de oogsten van deze katoensoorten tot ge-

middeld ruim 6 mln balen per jaar opgelopen
4).

‘) Voor bronvermelding zie bijlage 2 bij grafiek 1.
4)
In de laatste jaren (1951/53) werd een oogst van meer dan 100.000 balen per
jaar geregistreerd in de volgende gebieden (1.000 balen):
Amerika

Azië
(mcl.
Zuid-Europa)

Afrika Peru

………..
438

Turkije
……..
687

Sudan
……….
342.
Argentinië
……
550

Syrië
……….
205

Uganda
……..
291
Iran

……….
136

Congo

……..
210
Griekenland

123

Fr. Eq. Afrika

142
Mozambique

137
De oogst in Mexico (151/53 gem. 1.265.000 balen per jaar) lieten wij buitem,
beschouwing. Deze katoen is voor een belangrijk deel gelijk te stellen aan
Noordamerikaanse.
/

GRAFIEK 1.

Katoenoogsten in de voornaamste productiegebieden

III
rl!!

44
JI

4,g4
i

r

11uuI

—–

07
.
1
r

— – –

191011)

1915116

1920/21

1925126

1930/31

1935/36

1940/41

1945/46

1950151

Om aan het te verwachten verwijt te ontkomen, dat

door deze periodenindeling een al te grote vervlakking

optreedt en daardoor de werkelijkheid geweld wordt

aangedaan, verwerkten wij de detailcijfers in grafiek 1,

terwijl wij ten overvlod inbijlagel nog eens alle cijfers

hebben vermeld. Diegenen, die ook de jaarschommelingen

wensen te bestuderen, kunnen hieruit hun conclusies

trekken. De grafiek laat aan duidelijkheid o.i. niets te

wensen over.
Het zou ons te ver voerewover het zojuist gegeven zeer

globale overzicht nog verder uit te weiden. Immers, gaan

wij dieper op de jaarcijfers in, dan ontkomen wij evenmin

aan een verdergaande splitsing der katoensoorten. Ten

onrechte hebben wij ni. tot dusver alleen over katoen

als één homogene grondstof gesproken.

Reeds in de eerste jaren van de 20ste eeuw waren de

,,big three” even zovele representanten van volmaakt
ongelij ksoortige katoenvariëteiten. Egypte heette de

bakermat van de extra-lange en langstapelige katoen;

Amerika vooral produceerde de middenstapelige, terwijl

India voor een belangrijk deel de kortstapelige kato&n

leverde. En ook. in die jaren zou een dergelijke simplisti-

sche wijze van rubricering reeds aanvechtbaar zijn ge-

weest, als men alleen maar denkt aan de oogst van de

Sea Island katoen in de Verenigde Staten, welke indertijd

tussen 30.000 en 50.000 balen per jaar schommelde.

In latere jaren is dit aanvankelijk toch nog eenvoudige
beeld aanzienlijk meer gecompliceerd geworden door de

opkomst van de variëteiten in de Anglo-Egyptische Sudan,

Uganda, Peru, Californië en andere landen
5).
Bovendien

vallen verschüivingen binnen de productiegebieden te

constateren, zoals bijv. de merkwaardige trek naar de

irrigatiegebieden van, West-Amerika. Een verschijnsel,

dat haast even tekenend is als een soortgelijke verschui-

ving op industrieel gebied, nl. die van de katoenindustrie

uit de New England States naar het Zuiden. Wij komen

hier nog nader op terug.
Ook al zouden wij al deze details recht doen weder-

varen, dan nog zou de schildering te eenvoudig, te ver van

de realiteit blijven, als wij ten slotte geen rekening hielden

met de recente verfijning van de katoenbeoordelings-

methoden via de sterkte-, rijpheid- en fijnheidsvergelj-

kingen, die weer dwars door de beoordelingen van de

,,growths” heenlopen.

Zonder de perikelen, welke met een indeling naar soor-

ten gepaard gaan, blijft de katoen nog een uiterst domplex

probleem. Bij de beoordeling van uitbreidingsmogelijk-

heden stuiten wij bijv. op de concurrentie der voedings-

gewassen, die meest onder dezelfde klimatologische om-

standigheden groeien. Bij een sterk groeiende bevolking

en begrensde natuurlijke hulpmiddelen zal de verbouw

van voedingsmiddelen steeds prioriteit .verkrjgen.

Als nu statistici becijferen, ‘dat de bevolkingstoename

zich de laatste 3 eeuwen gekenmerkt heeft door de ge-

stadige groei van
1/3
pCt per jaar (1650 –
1750)
via
2/
pCt

(1750 – 1850) tot 1 pCt, waarmee men mômenteel rekent,

dan valt het niet moeilijk te begrijpen, welke consequen-

ties een verdere stijging (van 1950 – 2000 geschat op
11/
3
pCt per jaar) met zich zal brengen
6).
En dit zeker

als wij ons voor kleding tot de twee belangrijkste vezels,

nl. katoen en wol, moeten beperken.

Wat de opvoering van de katoenproductie betreft is

6)
Ondanks dit verschijnsel ligt bij de wereidhandel in katoen het accent nog
steeds bij de medium stapte cotton”, welke 90 pCt van het totaal omvat. Typisch
is het daarbij te bedenken, dat de langstapelige (boven 1/,”) en de kortstapelige (onder ‘/”) katoensoorten momenteel alle in de non-dollar sfeer liggen.
‘) ,,Fibre production trends”, Dr T. S. Robertson, VenetiS, September 1952.

natuurlijk door zaadverbetering, teeltkeus, toepassing

van irrigatiemethoden, oordeelkundige bodembehande-

ling, wetenschappelijke bemesting, insectenbestrjding

e.d. zeer veel te bereiken. -Ook-een ander vraagstuk, dat

van het tekort aan arbeidskrachten, is tot op zekere hoogte

op te lossen via de mechanische landbouwmethoden.

Toch is het de vraag, of wij het op den duur zonder de

productie van vervangingsgrondstoffen als rayon, rayon-

vezels en synthetische vezèls hadden kunnen stellen. Dit

geldt niet alleen de kwantitatieve zijde van het vraagstuk

doch ook die van de kwaliteit. Want het staat nu wel vast,

dat vele speciale eigenschappen van de man-made fibres
de mensheid in staat stellen de onvolkomenheden van de

katoen en’ de wol op sommige punten te ondervangen.

Naast het verschijnsel van de sterkere geografische

spreiding van de katoenproductie is de aanvulling van het

grondstoffenarsenaal der katoenindustrie met de veel-,

soortige man-made fibres o.i. dan ook het meest ken-

merkende verschijnsel geweest van de laatste halve eeuw.

Om dit verloop van de productie der 5 voor dit over-

zicht belangrijkste vezelsoorten in één grafiek samen te

vatten, pasten wij de statistische uitbeeldingstechniek toe,

waarbij de verticale afstanden gelijke procentuele wijzi-

gingen voorstellen. De detailcijfers, welke de basis van

grafiek 2 vormen, zijn verzameld in bijlage II.

Tegen de zeer geleidelijke toeneming in productie van
katoen en wol contrasteren de relatief veel fellere bewe-

gingen der man-made fibres. Voor hen, die niet vertrouwd

zijn met het ,,lezen” van een dergelijke vergelijkende

grafiek, laten wij een tweede overzicht van de wereld-

productie van katoen, wol en man-made fibres volgen

in de vorm van een vijftal cirkeldiagrammen (grafiek 3).

De cijfers, waarvan wij uitgingen om deze vergelijking
in beeld te brengen, zijn gelijk aan de productiegegevens,

die als basis dienden voor grafiek 2 (voor toelichting op

de becijfering zie bijlage III). Gemakshalve hebben wij
hier echter het rayongaren, de rayonvezel en de synthe-

tische vezels als één groep genomen.

Hoewel de uitbeeldingswijze, waarbij de omvang der

cirkels gelijk blijft, statistisch juister moge zijn
7),
hebben

wij de diagranimeri toch aangepast aan de geleidelijk toe-

genomen wereldproductie. Ook deze komt o.i. zodoende

beter naar voren dan in grafiek 2. De steun, welke de

man-made fibres aan de katoen en de wol verschaffen

om de wereld te blijven kleden, behoeft na bestudering

van deze cirkeldiagrammen verder nauwelijks com-

mentaar.

Mocht dé richting van de lijnen in grafiek 2 inderdaad

de ontwikkeling in de naaste toekomst weergeven, dan

zal de groep der man-made fibres een steeds grotere sector

van de consumptiecirkel tot zich gaan trekken.

Terugkerend tot de katoen, de grondstof waarmee de

International Federation zich in de eerste 20 tot 25 jaren

van haar bestaan vrijwel uitsluitend bezig hield, laten wij

op het overzicht van de productie een analyse van de

consumptie volgen. Daar de leden van de Federation

practisch toch steeds kwamen uit het Westeuropse ver-

edelingsgebied, kan nl. een beschouwing over de oogsten
van de ruwe katôen alleen nimmer voldoende zijn om tot

een juist structuuroverzicht te komen.

Vijftig jaar grondstofv’erbruik.

Allereerst geven wij hieronder enkele cijfers over het

‘) ,,Msn-made fibres to-day and to morr’ow”, B. M. Sweers, Rayon Revue,
November 1953, Arnhem.

to

4

GRAFIEK 2.

Wereldproductie van 5 belangrijke textielvezels
(x
1
mln lbs.)

gas

-_

M
ii

-‘-


__

,

•1

40
11

/ 1915

1920

1925

1930

1935

1940

1945

1950

100
80
60
40

20

10
8
6
10′

10
1

10
2

to
l

katoenverbruik. De reeds eerder genoemde indeling in
perioden wordt ook in deze tabel gebruikt.

TABEL 2.
Katoenconsumptie in de vrije wereld

(1.000 balen)

1

Historische

Zuivere

1
Jaargemid-

katoenproducenten

veredelingsgebieden
1
Overige
1
Totaal

periode
ISta

Ver.

. 1
Bra-

Ver.
delde irs de

I

tanden

ten
Ind,a

zilië
t
Kon.

Japan

1912/14

5.592

1.756

142 4.420

6.292

1.486

433

20.121
1927/29

‘6.962
1.65r

404 3.085

5.809 2.687

805

21.403
1937/39

6.303

2.917

661

2.620

5.419

3.063

1.464

22.447
1948/50

8.339 3.607

825 2.056

4.590

885 2.536

22.838
1951/53

9.326 3.902

812

1.661

4.994

1.940 2.904

25.539

Ook hier vermelden wij de jaarcijfers in een bijlage

(IV), zij het dat onbetrouwbaarheid van enkele gegevens
voor sommige jaren een hiaat veroorzaakt. Toch kunnen

zowel uit de gedetailleerde jaargegevens als uit de hier-

boven geconstrueerde karakteristieke cijfers enkele grote

verschuivingen worden ‘afgeleid.

Allereerst valt een sterke toeneming van de consumptie

in de historische katoenproducerende landen op te

merken. Voegt men hier nog aan toe het katoenverbruik

in de belangrijkste ,,overige” katoenproducerende landen

in Amerika, Azië en &frika (in 1951/53: gem.
1,5
mln

balen), ,dan blijkt hieruit, dat ruim 60 pCt van de katoen

momenteel in de productielanden wordt verbruikt. In

het begin van onze beschouwingsperiode, dus v66r de

eerste wereldoorlog, was dit nog slechts 30 â 35 pCt.
Daarnaast valt een terugslag in de historische verede-

lingsgebieden op. Engeland heeft hier het meeste terrein•

verloren.

Tegenover een afnemen van de katoenconsumptie in

West-Europa onderstrepen de cijfers over 1927/29 en

1937/39 nog eens de formidabele opkomst van Japan

als concurrent van het Westen. Uit de aard der zaak geeft

de consumptie na de tweede wereldoorlog voor dit land

een sterk gewijzigd beeld. De laatste jaren echter herhaalt

zich de sprongsgewijze opkomst van de ditmaal modern
gerehabiliteerde Japanse industrie.

Als wij hier over katoenconsumptie spreken, doelen

wij natuurlijk nog altijd op de ruwe grondstof. Voordat

wij over het uiteindelijk gebruik van katoen kunnen spre-

ken, uitgedrukt als dit pleegt te worden per hoofd van

de bevolking, passeert de grondstof het gehele verwerkings-

proces tot aan het gefinishte Ideels geconfectionneerde

weefsel. Als sluitstuk hierop komt ten slotte het interna-

tionale goederenverkeer.

Hoewel bij dit alles ook de stroom van de grondstof

van productie- naar verbruikcentra van grote betekenis
is, levert een beschouwing vap de im- en exporten van

katoen in het zeer ruime kader van deze studie weinig

nieuwe gezichtspunten op. In wezen openbaart zij weer

de consumptietoename in de katoenproducerende landen

en in Japan naast de teruggang van de verwerking in

West-Europa. De trek dus van de industrie naar de meer

agrarisch gebonden voortbrenging, alsmede naar de

,,goedkope” arbeid in het Oosten.

De reeds bij de paragraaf over de katoenproductie met

een enkel woord gesignaleerde interne verschuivingen

bijv. in d6 Verenigde Staten lopen hiermede parallel.

Een tekenend voorbeeld is in dit verband een verge-

lijking van het katoenverbruik in de Verenigde Staten

in het begin van de 20ste eeuw met de huidige situatie

(zie tabel 3).

Tevens een vingerwijzing voor hen, die de gevolgen

van een integratiepoging onderschatten. Ook in West-

Europa is een dergelijke verschuiving nI. niet ondenkbaar.

De cijfers yan de internationale handel uit de eerste

helft van onze overzichtsperiode zijn te Yaag om nader

uit te werken. In het algemeen spreekt men over de inter-

Indien U naar aanleiding van het in Economisch-Statistische Berichten

van 26 Mei 1954 opgenomen artikel ,,Wat is het Nederlands Verkeersinsti-

tuut?” omtrent dit Instituut nadere inlichtingen wenst te ontvangen,
behoeft U slechts Uw naam en adres hieronder in te vullen en deze

kaart ongefrankeerd te verzenden.

NAAM
.
……………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

ADRES
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Kan ongefrankeerd
worden verzonden

ANTWOORDKAART

Q

MACHTIGING Nr495

‘s-GRAVEN HAG E

Nederlands Verkeersinstituut

Bezuidenhout 23

‘s-Gravenhage

TABEL 3.

Katoenverbruik en spindles in de Verenigde Staten
8)

laren beginhiend
1 Augustu
Ver.
Staten
Katoen Ver-
ouWefl
e
staten

New
England
Andere
Staten

Katoen ve rbruik
1.000 balen
3.872,9
1.523,1
1.909,4
‘440,4
6.665,9
4.247,7
2.049,5
368,7
9.419,4
8.724,5
602,4
92,5
Percentage
1900
100
39
49
12

1900

………..
1923

………..

1923
100
64
30
6

1952

…………

1952
100
93
6
1
ru
bedr
ij
f zijnde

katoen-
rpindles
op de laatste dag
van hei seizoen
(1.000)
1900

……..
19.472,0
4.367,6
13.171,3
1.933,1
16.310,3 18.053,7
1.895,9-
20.007,0
16.881,0
2.947,0
179,0
1923

………36.259,9

Percentage

..

1952

………

1900
100
22 68
10
1923
100
45
50
5
1952
100
84
15
1

nationale handel in ruwe katoen gedurende 30 vooroor-

logse jaren (1909/1939) als een zeer stabiele, ni. schom-

melende tussen 13 â 14 mln balen per jaar. Momenteel

ligt dit peil op gem. 10 â 11 mln balen
9
).
Een zelfde

vaagheid bestaat met betrekking tot de internationale’

katoenvoorraden. Op kort zicht bezien zijn deze laatste

natuurlijk uiterst belangrijk. Wij behoeven slechts te

herinneren’ aan de jaren van overvloed .als 1932/33/34

en 1938/39/40. In deze laatste periode kwam het tweede
lichaam, dat zich op internâtionaal terrein met de katoen

bezig hield, tot stand: de ,,Tnternational Cotton Advisory

Committee”.

Nog sprekender zijn wellicht de huidige voorraden,

speciaal in de Verenigde Staten. Zij maken deel uit van

een complex van problemen, die samenhangen met de

agrarische surpluspositie in het algemeen en met die in

de Verenigde Staten in het bijzonder. Voor de katoen-
industrie is het een levensbelang, dat de hantering van

deze voofraden met grote voorzichtigheid geschiedt.

Op lang zicht zien wij echter steeds, dat de spanningen

tussen productie en consumptie, die door de internationale

handel tot elkaar gebracht worden, via de voorraden en

prijzen worden afgeleid en geneutraliseerd. De relatie

tussen productie met voorraden enerzijds en prijzen

a,nderzijds is daarbij veel sterker dan tussen de consumptie

en het prijsniveau.

Met enkele opmerkingen over dit prijsverloop zullen

wij het overzicht over de grondstoffen besluiten. Het

verbruik van de man-made fibres komt ten slotteter

sprake als wij de consumptie per hoofd van de bevolking

onderzoeken.

Vftig jaar gi’ondstofpi’ijzen.

/

Indieh wij prijzen van de katoen en van de overige

textielvezels over een reeks van vijftig jaar gaan verge-

lijken, dan moeten wij voordien wel enkele opmerkingen

maken over de eenheden, waarin deze noteringen worden

uitgedrukt. Wanneer wij immers de prijzen terwille van

de vergelijkingsmogelijkheid tot eenzelfde noemer als de

dollarbasis herleiden is het onjuist met het weergeven

van de noteringen te volstaan. Het beeld wordt immers

‘)
Bron: Cotton Production and Distribution. U.S. Bureau of the Census.
)
Een door de LC.A.C. uitgewerkte hieronder weergegeven vergelijking van
importen met consumptie in de
vrije
wereld illustreert in verband niet deze in-
krimpende weretdhandel nog eens de tendnnlie dat de katoen meer en meer Ver-
werkt wordt in do landen waar men haat’ oogst.

Iniporten en consumptie van ruwe katoen in de vr/je wereld

Seizoen
C.nsumpt
i
c.
Importert
Percentage

1934135,

1938139

… . …………
23,0
12.9
56 1948/49,

1952/53

……………..
24,7
.
10,2
41
1952/53

…………………….
25,8
10,3
40

niet alleen beïnvloed door de factoren van internationale

vraag en aanbod, doch daarnaast vinden wij invloeden

en wisselwerkingen van de voortdurende stijging van de

prjsindex, de geleidelijke muntontwaarding en de diver-

gentie in de wisselkoersen van de verschillende productie-

en consumptielanden.

GRAFIEK 3.

Productie van katoen, wol en synthetische vezels uitgedrukt

in procenten van de totale wereldproductie

Man mcd. libre1 0.9
%

Wool 13

1913/14

Cotton 86.8
%

Man- made
fibres 2.6
%

Wool
l49/o

1928/29

.
Cotton 82.5
%

Man
.
mc,ie
fib,et

11.8
%

Wool

1938/39

Cotton 74.~
%

Man- mode
libros
13.9
%

Wool 124
1948/49

Cotton 73.7
%

Man -mode
libtos
18.3%

1951/52

Wool 11

Cotton 70.7
%

Hoewel wij het overzicht niet nodeloos gcompliceerd

willen maken en op grond van deze externe invloeden

geen prijscorrecties willen aanbrengen, lijkt het ons juist
enkele van deze meest prjsverhogende tendenties te noe-

men. Zulks aan de hand van elders daartoe uitgewerkte

berekeningen
10)

‘°),,Tndividual textile fibre price trends and their reciprocal relationship during
the last decades”, Prof. B. Barberi, Venetië, September 1952.






I_

1
1

i—-..–.

10
1

10
2

10
1

L

1000
800

600
400
200

L

80
60

40

20

10
8

6

TABEL 4.

Indexen van groothandeisprjzen, goudnoteringen en goud-

prijzen alsmede het verloop van wisselkoersen in de

Verenigde Staten en het Verenigd Koninki’ijk

1

Wisselkoersen
Index groot-
Goudindex
Index goud- lEconomi- handels-
prijzen
prijzen
1

Officiële
Ische pan-
noterin
g
en
1
____________________
lteitskoer-
sen
Ver.
1

Ver.
Ver.
1

Ver. Ver.
1

Ver.
dollars per £
Staten
Kon.
Staten
Kon.
Staten
Kon.

81,3
83,9
100,0
1
100,1
81,3
83,8
4,84
4,69
98,9
1

100,0
100,0
1

100,0
98,9
100,0
4,83
4,77
137,2

1
139,5
100,0
1

100,1
137,2 139,3
4,86
4,75
115,6
1

124,8
169,3
172,3
68,3
72,6 4,76 4,47
225,5
1

255,5
169,3
1

211,4
133,2 120,8
3,91
4,28
258,5
1

381,8
169,3
1 292,4
152,7 130,6
2,80
3,27
251,3
1

391,8
169,3
1
292,4
148,4
134,0
2,80
3,10 248,0
1

392,1
169,3
1
292,4
146,5
134,1
2,80
3,06

Zonder ons hierbij in details te Verliezen zien wij hoe

deze groeperifigen Van prijzen en koersen op de twee

belangrijkste wereidmarkten, de Verenigde Staten en

Engeland, alle dezelfde taal spreken. Een geleidelijk

stijgen van de groothandeisprjzen tot 1914- 1918 (eerste 2

kolommen van tabel 4), een onderbreking door de oorlogs-

jaren (met een felle, in deze tabel niet tot uiting komende

stijging direct daarna: Verenigde Staten 221,2; Verenigd

Koninkrijk 307,3!), een hervatting van de stijgende ten-

dentie in dejaren twintig, de débâcle Van de crisisjaren

(met dieptepunten tot: Verenigde Staten 92,8 en Ver

enigd Koninkrijk 102,4), het terugwinnen van het terrein

tot 1939 – 1945 en ten slotte
de
sterke verhoging na de

tweede wereldoorlog.

Deze stijging wordt ten dele veroorzaakt door de

voortschrijdende devaluatie, zoals aangetoond door de

indexen van het goud en van de daaruit berekende goud-

prijzen. De invloed van de divergentie der munteenheden

in de twee wereidmarkten – exponenten van hard en

soft currency gebieden – spreekt uit de laatste twee

kolommen van deze tabel. Men denke hierbij allereerst

aan de enorme invloed, die de dollarschaarste na de oorlog

op de vraag naar de verschillende katoensoorten heeft

uitgeoefend. Bovendien betekent dit een tegenvaller voor

de grootste katoenexporteur, de Verenigde Staten. Zijn

concurrentiepositie t.o.v: de soft currency landen met hun

productie van exoten en van katoenvervangende vezels

wordt er sterk door aangetast.

Een zeer recent rapport van de I.C.A.C.
11)
geeft door

de rangschikking van de katoenexporten naar dollar en
non-dollar producenten hierover een goed inzicht.

TABEL
5.

Katoenexporten in de Vrije wereld afkomstig üit de dollar
en de non-dollar sfeer

(1.000 balen)

1

1950/51

1

1951152

1

1952/53

Dollar-area
………….
4.890
45
pCt

6.531
59
PCI

4.155 40 pCt
Non-dollar area

6.064 55 pCt

4.581 41 pCt

6.245 60 pCt

Totaal
…………….
1
10.954

11.112

1
10.400

Hierbij valt op te merken, dat speciaal het beeld van

het laatste jaar de afnemende belangrijkheid van de dollar-

katoen onderstreept. Men mag wel aannemen, dat dit
enerzijds veroorzaakt werd door een dollargebrek bij

importianden, terwijl anderzijds een ruime voorraad non-

dollar katoen, het streven naar een expansie van de

handel der jonge katoenverbouwende landen met de

katoenimporterende landen en bovenal de concurrerende

prijzen der non-dollar katoensoorten van invloed waren.

Daarover straks nader.
Als wij nu rekening houden met de zojuist geschetste
prjsverhogende tendenties, wordt het gemakkelijker het

verloop van de prijzen van katoen, wol, rayongaren en

rayonvezel te volgen. Het uiteenlopende niveau van de
verschillende noteringen noodzaakte ons dit verloop in

grafiek 4 op overeenkomstige wijze uit te drukken als

in grafiek 2 van de katoenproductie. Een specificatie van

de prijzen vermeldt bijlage V.

Wat de katoen betreft moet hier direct worden gewezen

op het grote contrast tussen de jaren v66r 1939, toen er

inderdaad een wereldmarkt voor katoen bestond, en de

jaren na 1945 met de zgn. nationale” prjsniveaux, be-

invloed dooi het ingrijpen van regeringen via prjssteun-

regelingen, centrale aankopen, import- en exportrechten,

“) ,,International Cotton Trade and the Balance of payments”, November 1953

Jaarge-
middel-
den
uit de
perioden

1900-1902
1912-1914
1927-1929
1937-1939
1947-1949
1951
1952
1953

GRAFIEK 4.
Prijzen van katoen, wol, rayongaren en rayonvezel in dollarcents per pond

1905

1910

1915

1920

1925

1930

1935

1940

1945

1950

7

/

etc. Ook de inwerking van het dollartekort en de incon-

vertibiliteit der muntsoorten dienen hierbij tè worden

genoemd.

Bezien wij de situatie van de huidige dag dan blijkt

echter wel, dat de katoenprjs relatief op een hoog niveau

ligt. Dit geldt zowel ten opzichte van de groothandels-

index als t.o.v. de man-made filres.

Het sterkste komt dit laatste tot uiting als wij hier

Barberi’s methode van vergelijking ovetnemen door

achtereenvolgens enkele prijzen op dezelfde basis te her-

leiden (Amerikaanse dollar per 100 kg) en deze vervolgens

in verhouding tot elkaar te plaatsen.

TABEL 6.

Prj/svergeljkingen van katoen, wol en rayongaren
12)

Jaargemiddetden

Jaarprijzen

1912/ 19271 1937/ 19471 1950 1951 152 1953
1914
1
1929
1
1939
1
1949

Prijzen in dollars per 100 kg

Katoen

1
20,81

25,35 41,71 20,68 74,30 86,13 98,06 90,61 77,18
Wol

99,27 129,57 210,94 120,81 380,72 619,88
555,57
345,09 394,50
Rayongaren

415,20,311,58 121,98 158,011160,94 171,96 171,96 171,96

Indexcijfers (1937/39 = 100)

Katoen

100,6

122,6

P5,4

1,7
100,0 359,3 416,5 474,2 438
Wol

82,2

107,3

4,6 100,0 315,1 513,1 459,9 285
Rayongaren

340,4

1100,0 129,5 131,9 141,0 141

Prijsvergelijkingen op basis katoen = 100

Wol

477,03 511,12 505,73 584,19 512,41 719,70 566,56 380,85 511,14
Rayongaren

– 1.637,87 747,02 589,85 212,66 186,86 175,36 189,78 222,80

Wel zeer sprekend in dit overzicht is het relatief lage

en stabiele prijspeil van rayongaren in de na-oorlogs-

periode. Combineert men dit verschijnsel met het feit,

dat rayongaren en rayonvezel in vele gevallen als substi-

tutiemateriaal voor katoen dienst kunnen doen, dan kan

hieruit nog een belangrijke conclusie worden getrokke’n.

Een vergelijking van het wereidkatoenverbruik met het

prijsverloop in de periode 1904- 1939 demonstreert hoe de

vraag naar katoen, welke grondstof toen min of meer

een monopoliepositie iiÇnam, relatief inelastisch was t.o.v.

prijswijzigingen. Natuurlijk moet men hierbij in gedachten

houden, dat de grondstofprijs slechts ten dele in de prijs

van het eindproduct tot uiting komt. Verder daalde in

die jaren de vraag naar katoen meestal door de teruggang

in koopkracht van grondstofverbouwende landen ondanks

een daling in de katoenprjs. Ten slotte reageert de handel

veelal bij algemene prijsdalingen met een kopersweifeling.

Met de man-made fibres alt vervangingsgrondstoffen

naast zich mag men echter verwachten, dat de inelasticiteit

van de vraag sterk wordt gewijzigd. Dit te meer daar de

katoen op het huidige hoge prijsniveau maar al te kwets-

baar is geworden
13).

Naar de voornaamste oorzaken voor de relatief hoge

katoenprjzen der laatste jaren zullen insiders, naar wij

veronderstellen, niet lang behoeven te gissen. De Ameri-

kaanse steunpolitiek, gebaseerd op de pariteitsgedachte,

maakt, dat deze ,,price-leader” van de katoen een vol-
maakt kunstmatie bodem in de wereldmarkt heeft ge-

legd. Het Randail-rapport geeft dit de facto ook toe en

zoekt de oplossing niet in internationale overeenkomsten

doch in een ,,facing the facts at home”. Het prijspeil,

dat wordt gevonden door de gemiddelde katoenprjs van

1909/1914 (ca 12,4 dollarcents) te vermenigvuldigen met

51)
Bij deze vergelijkingen werd uitgegaan van de volgende basiskwaliteiten:
Katoen

Upland Spot Cotton, dollarcents per lbs., New York.
Wol

Merino 66’s, pence per Ibs.. London.
Rayongaren

Viscose, dollarcents per lbs., Verenigde Staten.
11)
I.C.A.C. Report on the Developing World Cotton Situation.
Detailed analysis of Trends in and Factors affecting Cotton Consumption,
Washington, 1950.

de factor X (om zo op het peil van ca 33
3/4
dollarcents te

komén), moge dan de in de Verenigde Staten zo begeerde

,,equality for agriculture” bewerksteffigen, de voor de

Amerikaanse economie gevaarlijke consequenties er van

zijn voor de Verenigde Staten als ,,marginal supplier if

cotton” niet te onderschatten
14
). De prijs is ni. sedert

1933 niet langer gebaseerd op het klassieke evenwicht van

vraag en aanbod. –

Het is immers niet te boud als wij constateren, dat zo-

wel de huidige ongunstige statistische positie van de Noord-

amerikaanse katoen als de sterke opkomst van bepaalde

,,outside growths” en het gestage toenemen van de pro-

ductie van man-made fibres voor een zeer groot deel terug

te voeren zijn op de prjsparapluie, die Washington

over de wereld ophoudt. Dat daarbij de wereldschaarste

aan dollars nog belemmerend voor de Amerikaan werkt,
merkten wij reeds op.

Op het moment, dat wij deze regels schrijven, is er

niets definitiefs bekend over de wijze, waarop het Depart-

ment of Agriculture meent in het oogstseizoen
1954/55

en wellicht de eerstvolgende jaren uit de impasse te kunnen

komen. Waar men in tijden van katoenschaarste zo goed

de kaimte heeft weten te bewaren en door een stelsel van

exportquota gekoppeld aan maximum-prijzen ongetwij-

feld velen aan zich heeft verplicht, vertrouwen wij, dat
de nog steeds veruit belangrijkste katoenexporteur ook

in tijden van overvloed zal tonen de wij sheid te bezitten

een schoksgewijs prijsverloop zoveel mogelijk te temperen.

,,Fair to producers and consumers” is een leuze, die zeker

op dit terrein nagevolgd dient te worden.

Dat deze taak overigens verre van eenvoudig is zal een

ieder begrijpen, die zich wel eens heeft verdiept in de

problemen, die met de – zij het soms onvrijwillige –

vorming van nationale (en straks wellicht internationale)
bufferstocks gepaard plegen te gaan.

Wij beseffen ten voile, dat wij met deze beschouwingen

over de productie, de consumptie en het prijsverloop van

de grondstoffen voor de katoenindustrie zeer vluchtig

te werk zijn gegaan. De gehele opzet van deze studie

noopte hier echter toe. Door tenminste zoveel mogelijk
gebruik te maken van tabellen en grafieken verwachten

wij er echter in geslaagd te zijn de logische ontwikkeling

van enkele trends duidelijk te hebben gemaakt.

Wij zullen trachten deze zelfde methode te volgen bij

de terugblik op het wel en wee in de sector van de katoen-

verwerking. Ook hierbij zal waar mogelijk rekening wor-

den gehouden met de productie van weefsels uit katoen
zowel als uit mân-made fibres.

III.
Vijftig jaar productiecapaciteit, van
t
de katoenindustrie.


Voor het verzamelen van gegevens betreffende de capaci-

teit van de katoenindustrie uitgedrukt in spindles behoeven

wij niet ver van huis te gaan. Het unieke archief van de

International Federation is op dit statistisch onderdeel

de beste bron ter wereld.

Bij het weergeven van capaciteitscijfers zullen wij ons

houden aan de periode-indeling, die wij ook in de para-

graaf over de katoenproductie en de katoenconsumptie

introduceerden.

Bovendien stellen wij de spindle-tallen samen volgens
een sedert de International Cotton Conference in Buxton

(September 1952) wel meer toegepaste groepering, waarbij

wordt uitgegaan van vijf leidende gebieden enerzijds, ni.

India, Japan, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten en

14)
Gelukkig zijn thans de plannen om deze verouderde basis te vervangen door
een, die op meer recente jaren is afgestemd, in voorbereiding. Ook het steun
percentage schijnt een meer flexibel karakter te zullen krijgen.

continentaal West-Europa, en van de op dit punt rlatief
TABEL 8.

onbelangrijke rest van de Vrije wereld anderzijds.
Katoenverbruik in de spinnerjen
16)

(in 1.000 ,,actual bales”)
TABEL 7.

.

De producliècapaciteit van de kaloenindustrie in de vrije

wereld
11)

(1.000 spindles)

I9I3/14I928/29
1939
1950
1951
1952
1953

8.704
10.054 10.534 10.849
11.241
11.427
6.530
11.502
3.906
5.244
6.948
7.502
Ver. Koninkrijk
55.971
55.917
36.322 28.625
28.152 27.977
27.257

India

……………6.397
Japan

………….3.388

31.520
34.829
25.911
23.007
23.183
23.226 22.830
Ver.Staten

………
Continentaal

West-
Europa
35.927
35.800
36.548
28.865 29.414
29.799
29.676
133.203 141.780
120.337
94.937 96.842
99.191
98.692
Noord-Anierika (cxci.
Ver. Staten)
1.510
1.991
2.138
2.271
2.403 2.438
2.436
Zuid- en Midden-
1.400
3.002
3.441
4.672
4.772
4.928 5.159
Azië (cxci. india, Ja-
Amerika

………

pan en China)

a)
248 275 1.553
1.954
2.130
2.473
Andere landen
480
1.280
290
738
771
812 935 136.593
104.171
106.742 109.499 109.695
Totaal

………
(Oost-Europa en
1148.3011126.481

China

………..
9.082 b)
16.803
2l.167c)
18.719
19.251
19.561
19.623)

Beter dan deze cijfers spreekt o.i. steeds een grafische

voorstelling. Om deze aantrekkelijker te maken weken wij

af van de traditionele lijn- of, staafdiagrammen en ver-

werkten wij de cijfers in een beeldgrafiek gebaseerd op

het internationaal bekende symbool voor de katoen

spin-spindle (zie grafiek
5).

De capaciteit van de ,,nieuwe” na-oorlogse médedinger

op de internationale markt van katoenproducten en wel

speciaal van weefsels, het zelf katoenverbouwende India,

steeg met een grote regelmaat.

Japan, veredelingsiand bij uitstek, heeft momenteel op

papier de capaciteit van 1939 nog niet bereikt. Iedere

insider weet echter, dat v66r de tweede wereldoorlog

nooit meerdan
2/3
van de sindles in bedrijf was. In

aanmerking genomen de algehele technische en bedrijfs-
economische verjonging, die het apparaat in Japan sedert

1950 heeft ondergaan, behoeft het geen betoog, dat Japan

potentieel dus een nog geduchtere concurrent is dan 15

jaar geleden. De eerste symptomen hiervan zijn al zicht-

baar.

De productiecapaciteit van de Atlantische groep, het

Verenigd Koninkrijk, continentaal West-Europa en de

Verenigde Staten vertoont een tendentie van geleidelijke

inkrimping. De teruggang in Engeland is daarbij de

meest spectaculaire.

Nu is het natuurlijk onjuist om alleen op capaciteits-

cijfers af te gaan. In de textielindustrie komt het werken

in 2 en 3 ploegen (bij de pioniers op dit gebied – de

Verenigde Staten en Japan ,- reeds vôôr 1940 normaal)

steeds meer in zwang. Bovendien hangt de mate, waarin

geïnstalleerd vermogen benut wordt – gemeten als dit

pleegt te worden in tonnen – nog âf van tal van andere

factoren, zoals gemiddelde garennummers, efficiency der

werkmethodes, vervanging der mule-spindles d96r ring-

spindles etc.

Een vergelijking van de aantallen spindIs met de

katoenconsumptie der spinnerijen illustreert ten volle het

gevaar van een ,,jumping to conciusions” na bestudering
der technische capaciteitscijfers alleen (zie tabel 8).

Allereerst valt het grote contrast op tussen het stijgend

wereidkatoenverbruik en het dalend totaal aantal spindles.

1)
a) Azië: v66r 1914 onder ,,diverse landen”.

Oost-Europa 1913/14: alleen Rusland eis Polen; Oostenrijk (mcl.
Tsjechoslowakije in 1914) en Hongarije, Roemenië en Bulgarije waren in
deze jaren en daarvôôr begrepen onder ,,andere landen”. In çn vôôr 1939 viel Oost-Duitsland onder West-Europa. Voor de na-
oorlogse periode valt het onder Oost-Europa.
1928/29 1938/39 1950/51 1952/53
(gem.) (gem.) (gem.)

India

……………………………1.997
3.544 3.388
4.404
2.766
2.721
1.591
1.968
Japan

……………………………
2.800
2.435 2.178
1.570
Ver.

Koninkrijk

…………………..
Ver.

Staten

………………………
7.043
6.852
10.638
9.420
Continentaal West-Europa

………….
5.270
4.832
5.586
5.195
19.876
1
20.384
1
23.381
1 22.557

Noord-Amerika (excl. Ver. Staten)
395

481
907 746
550
901
1.943
1.882
Zuid- en Midden-Amerika

………….
Azië (cxci. India, Japan en China)
30
165
463
1.255
Andere

landen

…………………….
18
432
481
347
20.869
22.36.3
27.175
26.787
(Oost-Europa, Mantsjoerije, China
5.063

1
5.560

1
6.131
8.073)

Daarhaast treft ons het typishe verschil tussen de

situatie in Engelanden de Verenigde Staten. In Lancashire,

de bakermat van de katoenindustrie, valt een zekere

paralleliteit tussen dalend vermogen en afnemende pro-

ductie uitgedrukt in gewichtseenheden te constateren, zij

het dat deze laatste gelukkig met een na-ijling het tempo
van de capaciteitsinkrimping volgt.

In de Verènigde Staten is echter een volmaakt tegen-

overgestelde tendentie merkbaar. Immers, met en ge-

durende de laatste 25 jaar tot
2/3
van de vooroorlogse top

teruggelopen capaciteit produceert men’ er liefst 40 tot

50 pCt meer dan in 1928.

Wat dit betekent in een tijdperk, waarin de economische

veroudering van het machinepark de mechanische slijtage

overtreft, is duidelijk. Het is het voorbeeld van een zeer

intensieve wijze van productie en een daarmede gepaard

gaande mogelijkheid van tijdige modernisering.
Zo sprekend als de Vergelijking van spincapaciteit met

katoenconsumptie, is die van weefcapaciteit met weefsel-

productie niet. In hoofdzaak is dif te wijten aan een ont-

breken van een behoorlijke capaciteitsstatistiek. Wij

achten het daarom van groot belang, dat de International

Federation in den vervolge ieder jaar zowel de aantallen

spindles als de aantallen weefgetouwen enquêteert en

publiceert. Aan een halfjaarlijks ‘overzicht betreffende

spindles en een zeer onregelmatige enquête naar de ge-

touwen (1930, 1933, 1936 en 1952) heeft men bepaald

niet genoeg..

Ten einde ook in het volgende overzicht de indeling

van de wereld in de ,,Buxton-groepering” te handhaven

bèpalen wij ons tot de reeds genoemde 4 enquête-jaren

van de International Federation.

TABEL 9.

De productiecapaciteit van de katoenindustrie in de vrije

wereld
17)

(1.000 weefgetouwen)

1930
1
1933
1
1936

1952

India

…………………………..
179,7
89,7
20l,5
208,1
188,5
277,3
332,6
290,2
Japan

…………………………….
692,9

..

588,0
504,8
349,7
Ver

Koninkrijk

…………………..
Ver.

Staten

………………………
699,0 613,6 573,5
398,5
Continentaal West-Europa
847,2 823,6
795,1
672,7 2.607,3
2.492,2
2.407,5
1T1

Noord-Amerika (cxci. Ver. Staten)
21,6
25,5 24,8
19,9
121,6 137,0
126,5
181,9
Zuid- en Midden-Amerika

………….
Azië (excl. India, Japan en China)
2,8 3,2 7,3
38,3
Andere

landen

…………………….
1,3
1,7
3,6 25,2

2.754,6

2.659,6

2.569,7

2.184,5
(Oo5t-Europa ets China

…………..

.385,8

410,3

500,3

545,8)

“) Evenals bij de
cijfers
betreffende de spincapaciteit raadpieegden wij hier als
bron de International Federation. Wij
zijn
niet enthousiast over het gebruik van

g
ctual bales”, maar in het onderhavige geval kunnen deze gegevens everti goed enst doen ter onderlinge vergelijking als de cijfers over katoenconsumptie ver-
werkt in bijlage IV.
“) India in 1952 mci. 9.600 weefgetouwen van Pakistan.

/

9

Hoewel dit overzicht slechts de laatste twintig jaar

omvat en dan nog wel met een fiks hiaat van liefst 16 jaar,

sluiten deze cijfers toch weer aan bij berekeningen, die wij

reeds eerder mochten publiceren
18).

Ook hier zien wij hoe blijkbaar de weefcapaciteit steeds

intensiever gebruikt wordt. Het aantal weefgetouwen in
de wereld vermindert geleidelijk, terwijl het katoenver-

bruik stijgt. De teruggang van de capaciteit is hier echter

veel minder spectaculair dan die bij de spinnerijen.

Verder, wij zijn wel genoodzaakt soms in herhalingen

te vervallen, valt de achteruitgang der capaciteit op in
Engeland, continentaal West-Europa en de Verenigde

Staten. Noord-Amerika produceert echter met het tot

57 pCt van het jaar 1930 teruggelopen weefpotentieel

momenteel zeker 40 pCt meer dan in de jaren dertig.

Japan vertoont de ups en downs, die.vij uit de perioden

v66r en na de tweede wereldoorlog kennen. –

18)
,,The CottonIndustry of Continental Western Europe”, Dr W. T. Kroese,
Manchester 1952.

Een opvallend verschijnsel is verder weer de grote

toename in enkele belangrijke katoenverbouwende gebie-

den. India is hiervan niet het enige voorbeeld.

Daarnaast zien wij immers hoe de weverijen in Brazilië,

Mexico, Argentinië, Egypte, Griekenland, Turkije en Peru
in de laatste
25
jaar reeds met ruim 50 pCt meer getouwen

werken
19).
Welke de motieven ook mogen zijn, politieke,

economische, handelspolitieke, nationalistische, de trek

van de industrie naar de grondstoffen toe manifesteert

zich ook weer in deze sector.

88)

Aantal weefgetouwen in
7
belangrjjke
kafoenproducerende landen

(1.000 getouwen)
1930
1952

Brazilië.

………………………………..
77,9
100,1
31,4
34,1
Argentinië

……………………………….
1,5
14,2
Egypte

.

13,7

Mexico

…………………………………

3,5
9,4
Griekenland

……………………………..
1,2
6,2
Turkije

…………………………………
Peru
3,2
5,7
Totaal

…………………………….
.ca 120.000
1

ca 183.500

GRAFIEK
S.

De prodctiecapaciteit van de belangrijkste katoenindustrieën in de vrije .ivereld

1913/14
I8d

. .

0
lin

Jopon

-S

IIIllhIIIIIIIIIIIIllhIIIIIIIJ
;:

I11J1II1I1011!1III

s:,:::n’°ope
111111

1111111

1939

in,o

111111

Japon

LIIIIIIIIIIIIIIIIIJ

IIIIIIIIIIIII1

1I1I1I!I!II11I1Ill1

1950

India

111111

Japan

IIIIIIllllh1Ill

Is S.A.

iiiiri:iïjiii

IIIIIIIIllhIllI

1953

nd,a

111111

11111

fl11111111111′

S A.

FoI,
Iy.ObOI ,8,,S0flIS
2
lOiIlIOfl
spindlon

j –

2$.

‘tJst –

,1
t

10

Bij de bestudering van de capaciteitscijfers der spinne-

rijen maakten wij menig voorbehoud. Wij moeten dit

zeker weer doen nu wij enkele globale conclusies trokken
op grond van de zojuist weergegeven cijfers van de weef-

capaciteit.

Niet alleen speelt de mate van het gebruik, dat van het

geïnstalleerd vermogen wordt gemaakt, een rol (geheel of

gedeeltelijk stilstaande fabrieken; het werken,in één, twee

of drie ploegen etc.), ook de meerdere of mindere mate

van modernisering zouden wij eigenlijk in onze beschou-

wingen moeten betrekken. Door het gebruik van auto-

matische getouwen wordt het beeld immers ook volkomen

gewijzigd..

Zo zien wij bijv., dat het aantal automatische en ge-

automatiseerde weefgetouwen de laatste twintig jaren als

volgt is toegenomen:

TABEL 10.

Automatisering der wever(/en
20)

(1.000 getouwen)

1933

1952

India

………………………….4,6

9,3
Japan

…….. …… ….. ….
……..21,0

51,8
Ver. Koninkrijk

………………….
..17,5

403

.

Continentaal West-Europa

………….
49,6

212,8

1

192,7

34,2

De Verenigde Staten lieten wij met resp. 419.800

automatische weefgetouwen in 1933 en 398.500 in 1952

(toentertijd dus de totale capaciteit!) buiten beschouwing,

daar deze inkrimping, wélke in wezen een modernisering’

is, het totale beeld ongunstig zou beïnvloeden.

Het, is een algemeen bekend verschijnsel, dat deze

automatisering steeds voortschrijdt
.21).
Ook bij hierna te

maken analyses dient men dus op zijn hoede te zijn.

Hetzelfde geldt voor het steeds toenemend gebruik van

weefgetouweno speciaal bestemd voor het verwerken van

rayon, rayonvezel én synthetische vezels. Kortom, een

zich baseren op capaciteitscijfers alleen van de katoen-

weverjen heeft ontegenzeggelijk grote bezwaren.

Gelukkig bieden de uitstekende internationale produc-
tiestatistieken van katoenen weefsels uitkomst als wij ons

afvragen -hoe dan wél de intensiteit van het gebruik der

weverijen te meten. Wij reproduceren hier de voor dit

doel door de Cotton Board te Manchester gegroepeerde

gegevens betreffende deze productie.

TABEL 11.

Productie van katoenen weefsels in de vrije wereld
22)
(mln yards/mln sq. yards/1.000 quintals)

1912/1
1929
I8l
1948 1949
1950
p951
195211953

1.214
2.439
3.975
4.319
3.904
3.665
4.076
4.599
4.940 3.050
2.648
3.873
923
984
1.542
2.236 2.238
2.790
Ver. Koninkrijk.
8.700
4.600
3.500
2.030 2.100
2.230 2.310
1.780
1.963J

India

……….
Japan

……….

Ver.

Staten

….
6.800
8.056
8.530
10.870
9.510
11.070
11.340
10.590
13.140
Continentaal West
Europa
6.585 7.497
6.934
6.173
7.059
8.247 8.813
8.175
8.576 24.349
25.220
26.812 24.315 23.557 26.754
28.755
27.382
29.406

Afrika
10
15
97
244 248
274
304
303
295
Amerika: Centraal
370
425 434
558
504
535
463
442
434

Noord
105
215 238
268
269
318
336
242
252
Zuid
630 650
1.291
1.987
2.108
2.165 2.332 2.210
1.180
.
70
180
437
396
462
502
571
709 747
Azië

……….
Aust ralië

5
10
24
27
31
34
29
28

Totaal

……..

I25.534I26.71O29.299I27.79227.

I75I30.579I32.7533l.3l7I33.342

Ook de kern van deze tabel geven wij ter verduidelijking

in een grafiek (zie blz. 11) weer.

10)
Bron: International Federation.
10)
Volgens de laatste ,,lnternational Colton Loom Statistic” van 31 Juli 1952 zullen in de eerstkomende 5 jaar zeker meer dan de helft van de nieuw te instal-
leren weefgetouwen in de wereld automaten worden.
“) Azië excl. China. west-Europa 1912113 excl. Oostenrijk en Turkije. De cijfers
voor 1953 zijn geschat. Voor de details van de Westeuropese productie zie bij.
lage VI.

Treffend is weer. de regelmatige toename van de pro-

ductie in India, het na-oorlögse herstel van Japan, de

geringere productie van Engeland, en de t.o.v. de inge-

krompen weefcapaciteit rèlatief sterk toegënomen pro-

ductie van de Verenigde Staten. Continentaal West-

Europa heeft, zij het in iets mindere mate, dit voorbeeld

gevolgd, al volgden dan niet alle landen uit deze vrij

heterogene groep dezelfde politiek. Waar de International

Federation haar leden toch grotendeels uit de Westeuro-

pese landen recruteert, geven wij de details van de pro-

ductie op het Continent in bijlage VI.

Met een weergave van de productie per. land alleen is

ons overzicht echter nog niet compleet. De situatie kan

immers voor een land, dat zich uitsluitend met de produc-

tie voor de binnenlandse markt bezig houdt, volmaakt

verschillend zijn vergeleken met een gebied, dat voor een

groot deel op export is ingesteld.

Zo exporteerder
1
i de vijf leiders op de internationale

markt van katoenën weefsels aan het begin en aan het

eind van de door ons in studiegenomen halve eeuw naar

raming de volgende percentages van hun productie.

TABEL 32.

Exporten van katoenen weefsels in percentages van de

productie

1913
1
1953

India

………………………….7,3

13,5
Japan

…………………………

.26,6

32,0
Ver. Koninkrijk

. …………………
.83,3

36,1
Ver. Staten

……………………..
.6,5

5,6
Continentaal West-Europa

………….
29,1

16,9

Ook hier hebben zich dus grote verschuivingen voor-

gedaan.

Als sluitstuk volgend op deze paragraaf gewijd aan de

productie, zullen wij daarvan nu enkele kenmerkende

punten met betrekking tot de wereldhandel in katoenen

weefsels beschrijven.

IV. Vijftig jaar wereidhandel in katoenen weefsels.

Reeds eerder hebben wij een toespeling gemaakt op

het niet te loochenen feit dat de International Federation

even goed als European. Federation kan worden aange

duid. Het stempel van de Engelse en continentale spinners,

de oprichters uit 1903/04, en van exporterende industrieën,

heeft de Vereniging steeds behouden.

Bij de terugblik op de wereldhandel wenden wij ons

daarom het eerst tot de exporten. Daarvoor toch bestaat

onder de leden van de Federation in Europa nog steeds

de grootste belangstelling. –

Een rangschikking naar de in deze studie aangehouden

peiljaren en landengroeperingen

levert onderstaande

tabel.

TABEL 13.
Export van katoenen weefsels
23)

(mln yards/mln sq.
yardsf1.000
quintals)

1913
1929
3936/

1948 1949
1950
1951
1952
1953
1938

d)

India a)
89
146
203
308
466
1.109
776
592 670
280

1.791
2.511
449
744
1.087
t.082
752 890
Ver. Koninkrijk . ..
7.075
3.672
1.719
762
904
822 865
711
709
Japan

……..11.914b)12.034
Ver. Staten

….
445
564
252
948
887
563
811
773
630
west-Europa….
1.366
1.116
1.468
1.731
1.884
1.611
1.447

Sub-totaal

. .

.9.803
8.207

6.051
3.583 14.469
15.312 15.418

14.439

14.346

Andere Iandenc)1

30

t

30

29
1
159

1

128
1

135

I

177

1

111

1

89
Totaal generaal..
9.833

18.237 16.080
13.742 14.597 15.447 15.595

03)
Bron: ,,Cotton Board”.
Alleen export over zee.
Exclusief export van Oostenrijk-Hongarije.
Exclusief export van Rusland, Oost-Europa, China en Hongkong.
Schatting.

11

Een beeld weer van grote contrasten. Vôér de tweede

wereldoorlog werd de exportmarkt practisch beheerst

door het sterk opgekomen Japan, een door dit land van

de eerste plaats gedrongen Engeland en een relatief

constant exporterend West-Europa. –

Gedurende de laatste
5
â 6 jaren treffen wij echter

India en de Verenigde Staten als geduchte. mededingers

op de wereldmarkt aan.

Nu is het bepaald niet eenvoudig zich van die laatste.

exportjaren een goed beeld te vormen. Al te dikwijls

zagen wij na de oorlog hoe plotseling optredende ver

schuivingen de verhoudingen verstoorden. Wij noemen

o.a. invoerverboden ter handhaving van scheefgetrokken

betalingsbalansen, uitvoerverboden ter leniging van de

na-oorlogse textielnood, de Korea-boom en de gevolgen

van dien, de tips en downs in de katoenprjzen, etc. En,

wat de naaste toekomst betreft, indien de resoluties

van de I.C.A.C.-conferentie in 1953 niet nauwkeurig

nagekomen worden, kan ook ,,cotton for under-

developed countries” straks nog zeer verstorend gaan

werken!

Wel blijkt uit de periode 1948/1953 nog eens hoe sterk
de uitvoeren van de drie ,,historische” en de twee jongere

exporteurs de wereldmarkt beheersen. Verder hoe Japan
zich snel wist te herstellen, hoe het leiderschap welhaast

elk jaar wisselde en hoe groot de importantie van de

exporten uit continentaal West-Europa is.

Bij.dit laatste moeten wij natuurlijk nooit vergeten, dat

ook de inter-Europese handel in dit groepstotaal begrepen

is. Toch, ook dit is exporthand,el, zij het ,,op korte

afstand”! Bovendien valt niet in alle landen op het

Continent een stijging tot 1951 en een daling laarna te


constateren. Een specificatie van deze Weteuropese

cijfers, die dit verduidelijkt, is te vinden in bijlage VII.

GRAFIEK 6.

Productie van katoenen weefsels in India, Japan, Verenigd

Koninkiijk, Verenigde Staten en cont. West-Europa

MMMMM
r/zg-4

UIU_k

i

1
India
1912113

T

1929

1936/38

1948
‘949
,
1950 –
1951
1952
1953

iopon_
19 12/13
1929 ..
1936138

1948
‘949
1950
1951
1952
1953

United Kingdom
1912/13
1929
193 6/3 8

1948 1949
1950
1951
1952
‘953

USA.
1912/13
1929
1936138

1948
1949
1950
1951
1952
1953

We,ten Europe
1912113
1929
1936/38

194811

1949
1950
1951
1952
‘953

0

10

x 1000 million yord x 1000 n,illien squoro yords
x
1
millien qwintole

12

Aansluitende op het overzicht der exporten laten wij

nu de importen van katoenen weefsel.in de verschillende

gebieden volgen.
1

TABEL 14.

Import van katoenen weefsels
24,)

(mln yards/mln sq. yards/1.000 quintals)

1913
1929
/38
1948 1949
1950
1951
1952
1953e’

…….
3.197
1.910
667
34
91
7
9
7
3
Japan

60
14
1
– –
1
1

.
India
……….

Ver. Koninkrijk
126
83
49
223
348
287 376
180
99
Ver.Staten
47
61
107
32
20
51
48
36
59
West-Europa a)
1.074
841
569
411
579
888
846
615 623
Sub-totaal
4.504
2.909
1.393
700
1.038
1.234 1.280
838 785
1.170
1.410
1.605
1.360 1.480 1.410
1.570 1.490 1.450
Amerika: Centraal
310 310 273
215 200 240
190
224
196
Afrika

………

Noord
135
III
95
178
198
165
184
183
200
Zuid
790 740
578
218
165
150 130
145
110′
A’zië b)
1.590
1.975
1.930
1.685
1.830
1

2.395
2.405
2.070
2.150
Australië
240
235 225 227
251
251
378
167
155
Totaal generaal
.

8.739 17690 16.099
14.583 15.162
15.845
16.
137

15.117
15.046

Plaatsgebrek verhindert ons wederom deze cijfers verder

te detaillerén. Helaas kunnen wij daardoor niet stilstaan

bij een typisch verschijnsel, dat zich overigens reeds v66f

de tweede wereldoorlog manifesteerde, ni. de splitsing

van de wereldmarkt in groepen van vrije markten en in

relatief hechte combinaties van export- en importianden,

die zich binnen hun resp. politieke sferen steeds meer

pogen te isoleren.

Ook ontbreekt ons de gelegenheid dieper in te gaan op

de veredelingshandel. Het is immers verstandig hier direct

te wijzen op het misleidende ktrakter van bepaalde

importen, bijv. van weefsels in Engeland. Indien daar niet

direct de kanttekening, wordt bijgemaakt, dat het hier

hoofdzakelijk.ruwdoek betreft bestemd yoor her-export na

veredeling, zou men maar al te gemakkelijk geneigd zijn

te concluderen, dat Engeland niet onbelangrijke additionele

invoeren nodigt heeft tot dekking van eigen behoeften.

Insiders weten echter intuïtief hoe het importeren van

weefsels in Engeland klinkt als het gezegde: ,,Carrying

coals to New-Castie!”. –

Wel geeft tabel 14 veel, duidelijker weer dan dit blijkt

uit een elders reeds gepubliceerd overzicht
25)
hoe bijzon-

‘der groot de invloed is geweest van het wegvallen van

India als netto-importiand.

Bovendien blijkt uit de cijferreeks hoe dit voorbeeld

inmiddels door tal van landen, o.a. in Midden- en Zuid-

Amerika, is gevolgd.

De inter-Europese handel komt voor een deel tot

uitdrukking in de niet onbelangrijke invoercijfers van

continentaal West-Europa. Men vergete echter niet, dat

ook hier het veredelingsverkeer een grote rol speelt.

Bovendien bevindt zich binnen deze heterogene groep een

kern van netto-importlanden als de Scandinavische.

Zodra men de detailcijfers voor West-Europâ, welke in

bijlage VIII zijn’eergegeven, bestudeert, wordt dit

duidelijk.

Het meest tekenende uit tabel 14 is wel de overwegende

invloed, die de Aziatische en Afrikaanse kopers op de

internationale handel kunnen uitoefenen. Een verschijnsel

waar wij nog nader op terug komen bij het beschouwen
van de consumptie per hobfd van de bevolking.

Wij hebben ons bij deze terugblik op de wereidhandel

“) Bron: ,,Cotton Board”.
Jnclusief Irak, Syrië, Palestina, cle. voor 1913.
Exclusief China voor alle jaren, en Irak, syrië, Palestina etc. voor 1913.
Inclusief import van Birma van 1936/38 af èn van Pakistan van 1948 af.
Schatting.

“) In de Buxton 1952 – publicatie vergelelCen wij slechts de perioden onmid-
dellijk voor en na de tweede wereldoorlog.

met opzet beperkt tot de katoenen weefsels. Hoewel de

handel in rayon en andere weefsels de laatste 2 decennia
grotè vorderingen heeft gemaakt, achtten wij het terwille

van de overzichtelijkheid van, het cijfermateriaal beter

deze niet in dezelfde tabellen te verwerken.

Toch is het gewenst de toename van de totale wereld-

handel in rayontextiel te noemen nu wij tot het signaleren
van een van de meest kenmerkende verschijnselen van de

.laatste tijd overgaan, ni. de geleidelijke inkrimping van

de wereldmarkt in katoenen weefsels. Voor een deel toch

is deze het gevolg van de opkomst van de weefsels van

rayon en andere man-made fibres.

Om dit verschijnsel zo duidelijk mogelijk te demonstre-

ren, verwerkten wij de vergelijking van de wereidhandel
met de consumptie van katoen in een tweedelige grafiek,

uitbeeldende zowel de afname der absolute hoeveelheden

der exporten als de vermindering er van uitgedrukt
in

percentages van het katoenyerbruik (grafiek 7).

In de cijferreeksen, waarop deze grafische voorstelling

van absolute én relatieve teruggang van de,wereldhandel

in
katoenen weefsels i_gebaseerd (zie bijlage IX), ver-
rheldden wij de reeds eerder genoemde oorzaak, nl. het

opdringen der vervangingsweefsels. Uit de aard der zaak

kan deze echter niet als de enige verklaring gelden.

Daarnaast hebben wij gezien hoe sterk de trek is van

de industrie naar de katoenproducerende landen. Het

verschijnsel dus van de industrialisering der agrarische

gebieden! En in elke jonge staat, die zich zulk een industri-

alisatieschema kan veroorloven, vormt de textielindustrie,

en in ht bijzonder de weverij, bijna altijd de voorhoede.

Een derde en wellicht de meest invloedrijke factor

wordt gevormd door het gedaalde verbruik per hoofd van

de bevolking in de gebieden, waarnaar de stroom van de

wereidhandel zich in het verleden en in het heden in het

bijzonder richt: Azië en Afrika. Aan dit ‘feit dienen wij

zeer speciaal aandacht te besteden.

Immers, aan het einde van deze beschouwingen over

de importen en exporten van katoenen weefsels gekomen,

past ons nu het samenvoegen van ‘de cijfers van de grond-

stofverwerking met die van de internationale handel in

weefsels om zo tot de weergave van het gebruik per hoofd

van de bevolking te komen.

Interessante berekeningen van de F.A.O. wijzen er

daarbij op, , dat het verbruik van katoen momenteel

nauwelijks het niveau van 1938 heeft bereikt. Hetzelfde

geldt voor wol. Wederom is het de rayon, diehier naar

verhouding grotere vorderingen heeft gemaakt.

TABEL 15.
Het verbruik van katoen, wol en rayon in de wereld
26)

1938 1948
1949
1

1950
1951
1952

Totaal verbruik
(1.000 ton)
6.200
6.285 6.158
6.404 7.194 6.950
Katoen

……………..
975
1.197
1.103
1.213
1.018
1.040 Wol

……………….
Rayon
873
1.113
1.227
1.585
1.795
1.540
8.048 8.595
8.488
9.202
10.007
9.530
Bevolking
2.151
2.354 2.374 2.405
2.435
2.465
Verbruik per hoofd
(kg)

(1.000.000)

………..

2,88
2,7 2,60
2,66 2,95
2,82
Katoen

……………
Wol

………………
0,45 0,5 0,46
0,51
0,42
0,42
Rayon
0,41
0,5
0,52 0,66 0,74
0,63
1.
3,74
1

3,7
3,58

1
3,83
1

4,11


3,87

Daar bij de berekening van deze cijfer is \iitgegaan van

de hoeveelheden textiel, die beschikbaar zijn voor indus-

trieel en huiselijk verbruik, zijn ook de handeisvoorradeni

U)
,,Per caput fibre consumption levels”, F.A.O. Bulletin 21 en 21/1. Rome,
December 1951 en 1952. Cijfers betreffen de gehele wereld.

lpIppIp’p’pI

11111111110

I1ø1Ø
,
IØIØ/IØ
,
I

v

40 80

30 60

20 40

10

20

‘t

‘VU

80

60

40

20

(t

13

GRAFIEK 7.

Geschatte wereldproductie van en handel in katoen

x1000 milhon yords

x 1000 million square yørds

x 1 million quintati

1910113

26/28

36/38

48149
50JS
1
52/S3

1910113

26128

3608

48/49 50/51 52153

II

EM
wor’d production

world trede

.

It

.

in deze gemiddelden begrepen. Dit verklaart sommige van katoen en rayon uitgewerkt
voort
de Vrije wereld in

recente (na-Korea) schommelingen.

1938 en 1951 (grafiek 8).

Behalve de berekening van het gemiddelde wereidver-

Ter toelichting van deze grafiek moge het volgende

bruik van de verschillende vezelsoorten per hoofd van de dienen. Indien de spreiding van het verbruik van katoen en

bevolking is natuurlijk ook de spreiding van let verbruik rayon per hoofd van de bevolking volmaakt zou zijn, zou

belangrijk. Conform de door de F.A.O. gevolgde methode een bepaald percentage van de wereldbevolking hetzelfde

van uitdrukking hebben wij daarom de verbruikscurve percentage van de beschikbare katoen en rayon verbrui-

GRAFIEK 8.

Ongelijkmatige spreiding van het verbruik van katoen enrayon in de vrije wereld ‘

– Consumption
of

cotton ond rayon

/
%


/7/

IIIIib!II’7I

/
ActuaIubution

/

Ac
i.,ol distr
hutten in 1951

/

/

90
80

70

60′

50

40

0

20

10

0
0

10

20

30

40

50

60 . 70

80

90

100 –

Population in the free world

%

14

ken; Deze volmaakte spreiding zou worden gedemon-

streerd door een rechte diagonaal, ,,the line of equal

distribution”.

De mate waarin nu de curve, gebaseerd op de werkelijke

consumptie, van deze diagonaal afwijkt, geeft tevens de

graad van ongelijkheid weer. Uit de grafiek blijkt aller-

eerst, hoe deze afwijking sedert de oorlog is toegenomen.

Dat er altijd verschillen in het verbruik zullen blijven

is duidelijk. Zowel afwijkingen in het klimaat, ‘als ver-
schillen in de economische verhoudingen in de diverse

landen, besteding van inkomen, en kledinggewoonten,
werken hierop in. Het toenemen van deze ongelijkheid

wijst echter op een veel grotere dispariteit na de tweede

wereldoorlog.

Wat dit voor het katoenvraagstuk als zodanig betekent

is duidelijk, als wij eens de volgende globale becijferingen

naast elkaar plaatsen.

TABEL 16.

Spreiding van het verbruik van katoen en rayon in de vrije
wereld (1951)

Bevolking van de

Katoen en rayon-
Vrije wereld

verbruik
(1 mln zielen)

(1 mln kg)

Noord-Amerika
1684
(10 pCt)
2.881,2
(39 pCt)
Europa

……………
(20 pCt)
1.962,2
(27 pCt)
Zuid-Amerika
153,2
(10 pCt)
542,5
(7 pCt)
Azië en Afrika

.329,9

935,3
(59 pCt)
1.937,8
(26 pCt) Oceanië

……………
10,4
(1 pCt)
87,0
(I pCt)

1

1.597,2
1

1

7.410,7

Uitgaande van het laagste consumptieniveau zien wij

hoe 70’pCt van de wereldbevolking – hoofdzakelijk in

Azië en Afrika – slechts
1/3
van het verbruik tot zich

weet te trekken. In 1951 consumeerde de overige 30 pCt

liefst 66 pCt tegen 58 pCt in 1938.

Katoen is bij uitstek geschikt voor de kleding van de

grote bevolkingsgroepen in Azië en Afrika. Uit tabel 14,
weergevende de importen van katoenen weefsels, bleek,

hoe sterk het wel en wee van de wereldhandel mt het

opnemingsvermogen van deze markten is verbonden. Het

is logisch, dat een daling in het gebruik in Azië en Afrika

catastrôphaal is voor die handel.

Terecht werd dan ook in de interessante studie van de –
Japanse delegatie op de Conferentie te Buxton, nu bijna

twee jaar geleden, gewezen op het grote gevaar, dat in

dit verband schuilt in kunstmatig op een te hoog niveau

gehouden katoenprjzen. Voor ,,on the margin of con-

sumption” levende bevolkingsgroepen betekenen te hoge

textielprijzen veel meer dan men in sommige landen van

de Weteljke wereld denkt. Een te hoge steun aan een

Westelijke boer betekent soms een kledingtekort voor een

Aziatische boer. Uit een in deze Japanse studie voor-

komende aanvulling van de curve der ongelijkheid der
katoenconsumptie per hoofd van de bevolking met een

soortgelijke curve uitbeeldende de ongelijke inkomens-

erdeling
27)
leren wij verder hoe de laatste in 1939 en

vooral in 1949 steeds sterker van de volmaakte spreiding

afwijkt. In verhouding ook meer dan, het textielverbruik.

Hoe lager het nationale inkomen in de grote consump-

tiegebieden hoe meer een te hoge grondstoffen- en dus

een te hoog eindproductenniveau het verbruik remt en

daarmede de wereldhandel inperkt.

Tot dit laatste onderwerp terugkerend, is het wel

interessant om tot slot van dit overzicht een vergelijking
te treffen tussen de prognoses van de wereidhandel voor

het jaar 1953, zoals deze op de reeds genoemde conferentie

“) ,,Causes of decline in the world’s cotton textile trade”, blz. 13, A. J. C. S. A., Osaka, Augustus 1952.

in Buxton opgesteld werden, en de werkelijke exportcijfers

van het afgelopen jaar.

TABEL 17.

Vergelijking tussen geschatte en werkelijke export van

katoenen weefsels in 1953
28)

I

Schatting in 1Voorlopige jaarcij-
Buxton 1952
1
fers (mln sq.yards/

werkelijkheid
1

mln yds/

t

in pCt van
(mln sq. yards)

1.000 quintals)

1
schattingen

India
……………
1.000

670

67
Japan

1.100

890

’81
Ver. Koninkrijk

1.350

709

524
Ver. Staten

725

630

87
west-Europa

1.700

1.447

.

85

Wij de’den dit niet om nu eens de meerdere of mindere

betrouwbaarheid van deze prognose in het licht te stellen.
Het leek ons echter juist om het speculatieve karakter van

dergelijke toekomstvoorspellingen te demonstreren. En

een pleidooi voor voorzichtigheid.

Nu wij ons overzicht van het verleden hebben beëindigd,

zullen wij immers aan het heden en vooral aan de toekomst

van de katoenindustrie nog enkele woorden moeten

wijden. Een aahdachtig lezer zal bij het uitstippelen der

trends zelf al vele conclusies hebben getrokken. Wij zullen

trachten deze nog eeps te groeperen. Wij doen dit dan

om het beeld, dat de ‘katoenindustrie ons heden ten dage
biedt, heen.

V.
De hedendaagse verhoudingen in de internationale

katoenindustrie.

Bij het samenstellen van het overzicht over de vijftig

thans achter ons liggende jaren, hebben wij steeds getracht

ook het zeer recente verleden, de jaren
1952/53,
in de
gegevens teverwerken. Teneinde nu doublures te vermij-
den, kunnen wij voor het analyseren van de hedendaagse

verhoudingen zeer wel naar vele der zojuist weergegeven

tabellen verwijzen. De schets van het heden is daarmee

voor een belangrijk çleel reeds gegeven.

Nadat wij nu vrij lang bij het verleden hebben stil-

gestaan, zou het echter weinig elegant zijn de huidige

situatie alleen maar te schetsën door gemakshalve naar

enkele done cijferlijsten te verwijzen.

Wij hebben daarom gemeend een meer aantrekkelijke

voorstellingswijze te hulp te moeten roepen en stelden

een aantal stroomlijndiagrammen van de katoenbalansen

op voor de vijf belangrijkste industriegebieden, ni. India,

Japan, Engeland, de Verenigde Staten en continentaal

West-Europa
21).

In zulk een stroopilijndiagram komt de gehele katoen-

huishouding van een land of van een groep landen als

bijv. het Continent tot uiting. De stroom dus van de voor

onze industrie nog steeds voornaamste grondstof, de

ruwe katoen, door de spinnerijen en weverjen heen;

de toestromingen van garen- en weefselimporten; de

aftakkingen door garen- en weefseluitvoeren. Een samen-

spel van aanvoer, productie en afvoer, waaruit wij ten

slotte het restant van de weefselproductie ter beschikking

zien komen vai de binnenlandse
d
consumptie.

In het zeer korte tijdsbestek, dat ons was gegeven om

deze studie voor te bereiden, konden wij het verzamelen der

gegevens, nodig voor het samenstellen der stroomljn-

diagrammen, niet zelf ter hand nemen. Gelukkig ont-
“) De schattingen zijn onlleend aan het verslag van de Conferentie in Buxton,
September 1952.

‘°) Om verwarring te vermijden: onder continentaal west-Europa verstaan wij de 9 leden van de west-Europa Club (waarvan overigens ook Engeland deel uit-
maakte), nI. België, Denemarken, Frankrijk, Italië, Nederland, Noorwegen,
west-Duitsland, Zweden en Zwitserland. Met de Statistici van landen als Finland
Oostenrijk, Spanje, Portugal en Griekenland hcbbçn wij nog geen contact.

‘5

wikkelde zich ter oplossing van deze moeilijkheid een

zeer prettige samenwerking tussen de verschillende

statistici der internationale centra voor katoenverwerking.

Het is ons dan ook een behoefte bij de publicatie van

de vijf diagrammen de medewerking van de experts uit

Japan, Engeland, de Verenigde Staten en continentaal

West-Europa hier in dank te releveren
80)
.

Hoewel het cijfermateriaal, dat ons uiteindelijk bereikte,

veel omvangrijker was dan tot uiting wordt gebracht in

de vijf diagrammen, slaagden wij er toch niet in eenzelfde

compleet overzicht over de aanvangsperiode van de

International Federation samen te stellen. Voor hen, die

zich alsnog voor deze en voor enkele tussenliggende

perioden interesseren, worden echter de gegevens voor

zover ter beschikking gepubliceerd jn bijlage X.

Dat wij ons bij onze schets van de hedendaagse ver-

houdingen in de internationale katoenindustrie terecht tot

de
5
groepen, die ook in de Buxton-conferentie in
1952

samenwerkten, beperkten, blijkt uit de volgende op-

somming.

TABEL 18.

Het aandeel van India, Japan, het Verenigd Koninkrijk,

de Verenigde Staten en West-Europa in de katoenindustrie

van de vrije wereld

(in 1952 en 1953)

India
I
Japan
Ver.
Kon.
Ver.
Staten
West-

Andere
Europa
1
landen
Spincapaciteit (1.000 spindles)

….
11.427
7.502
27.257
22.830
29.676
11.002
weefcapaciteit
(1.000 getouwen)

-.
208,1
290,2
349,7 398,5
672,7
265
1
4
Productie van katoenen
weefsels (mln yds/mln
.
sq.yds/ 1.000quintals)
4.940 2.790
1.960 11.140
8.576
3936
Export van katoenen weef-
sels (mln yds/mln sq.
yds/1.000 quintals)

..
670 890
709
630
1.447
89

Egypte, Pakistan, Mexico, Turkije, Uganda en Peru

waren in deze volgorde in het seizoen
1952/53
qua volume

der exporten belangrijker
31).

Komen wij in de spinsector, dan zien wij duidelijk hoe

zeer de internationale garenhandel aan betekenis heeft

ingeboet. Een vergelijking met voorgaande jaren, vooral

met de eerste twee decennia van de 20ste eeuw, zou dit

verschijnsel, dat sterk wijst op een steeds meer voort-
schrijdende integratie der industrie, nog beter demon-

streren. De tijden der grote garenexporten, bijv. van

Engeland, dat in 1912 nog 244 mln lbs. verscheepte, zijn

voorbij. De belangrijkste garenexporteurs zijn thans,

behalve in Engeland, Japan, de Verenigde Staten en

India, op het Continent te vinden en wel vooral in Italië

en België
32)

Wat de afzet van de weefselproductie betreft, treffen

ons wellicht als grootste contrasten de Verenigde Staten

en Japan. Bij de eerste ligt het accent zeer sterk op de

binnenlandse afzet. Van de veel smallere katoenstroom,

die de Japanse industrie doorloopt, buigt juist het grootste

deel, nl. ruim 55 pCt, af naar export. Door het grote

verschil in volume van het katoenerbruik der weverijen,

ontloopt het uitgevoerde aantal yards elkaar echter

uiteindelijk nog niet eens erg veel.

India, het tweede katoenproducerende land waarvan

de ,,huisht’uding” hier wordt weergegeven, is de laatste

jaren meermalen geneigd de binnenlandse behoefte-

bevrediging primair te stellen. Door het overheidsingrijpen

zijn de exportcijfers aan schommelingen onderhevig.

Weefselinvoeren worden er vrijwel geweerd.

Daar wij ons in deze studie geheel concentreerden op

de fabriekmatige productie, is het goed bij de katoen-

huishouding van India te wijzen op de grote capaciteit

aan handgetouwen daar te lande. Momenteel schat men
er het aantal van deze handgetouwen nog op ca 2,8 mln

met een productie van 1.200 tot 1.500 mln yards. Ook

elders in de wereld is de handweef- (en soms ook de

handspin-) nijverheid niet te onderschatten. Alleen valt

het dikwijls moeilijk betrouwbare gegevens over capaciteit

en productie te verkrijgen. Gezien de geringe regelmaat

in de voortbrenging is dit te begrijpen.

De balansen van de Westeuropese gebieden, ni.

Engeland en het Continent, geven nog het beste een beeld
van een relatief vrije goederenstroom. Hoewel de belang-

stelling zich momenteel bij beide – zulks in tegenstelling

met 50 jaar geleden – meer op de binnenlandse afzet

richt, zijn zij ook heden ten dage netto-exporteurs van

betekenis. De importen, zowel in Engeland als op het

Continent, zijn evenmin te verwaarlozen. Voor een groot

deel zullen dit partijen ruwdoek zijn, die na veredeling

gereëxporteerd worden
33).

Wat het Continent betreft moeten wij bij de buiten-

landse handel ten slotte een onderscheid maken in intra

31)

Katoenexporten in 1952153
(1.000 balen)
Ver. Staten

……..
3.048

Turkije

…………..
422
Egypte

…………
1.735

Uganda
…………..
330
Pakistan
…………
1.275

Peru

…………….
371
Mexico

…………
1.000

India

…………….
290
Bron: ,,Cotton” (l.C.A.C.), Januari 1954.

30)

Garenexporlen in 1952
(mln lbs.)
Engeland

……….
35,7

italië

…………….
47,5
Japan
…………..
28,2

België
…………….
47,0
Ver. Staten

……..
22,8
india

…………..
19,8
Bron: ,,Cotton Board”.

“) Een recente publicatie van het tijdelijk statistisch centrum van de zgn. West-
Europa Club toont bijv., dat de invoeren van ruwdoek in West-Europa in 1951
bijna 40 pCt van de totale invoer bedroegen. ,,Statislics of the Western European Cotton Industries (1950/52)”, Arnhetss.

Met de aldus verkregen groepering van de vijf machtig- (

ste producenten en exporteurs komen wij immers tot een

uitbeelding van de katoenhuishouding van een internatio-
nale katoenindustrie, die 88 tot 90 pCt van de spincapaci-

teit, de weefcapaciteit en de doekproductie van de vrije

wereld beheerst en bovendien practisch de gehele inter-
nationale handel in katoenen goederen verzorgt.

De
5
stroomlijndiagrammen van deze big five werden

verzameld in grafiek 9.
Daar alle cijfers op dezelfde schaal verwerkt werden,

leveren deze diagrammen goed vergelijkingsmateriaal.

Bij het weergeven der katoenbronnen aan de linkerzijde

van de stromen, valt de fundamenteel sterke positie der

twee katoenproducenten India en de Verenigde Staten

op. Ware het ons mogelijk geweest deze katoenbalansen

aan te vullen met soortgelijke voorstellingen voor man-

made fibres, dan zou de kwetsbaarheid van de drie

katoenveredelingsgebieden natuurlijk minder sterk in het

oog vallen. Het gemis aan katoenverbouw kan in de drie

veredelingscentra: Japan, Engeland en continentaal

West-Europa, echter nooit door productie van man-made
fibres worden goedgemaakt.
De katoenimporten der laatste jaren van India zijn een

gevolg van de afscheiding van Pakistan, waardoor India

compensatie moest zoeken voor ruim een millioen balen.

Daarnaast blijft India katoen exporteren, al valt hét

tegenwoordig terug op een bescheiden achtste plaats.

30)
Wij noemen hier de functionarissen van The Millowners Association, Bom-
bay; The All Japan Cotton Spinners’ Association, Osaka; The Cotton Board, Man- –
chester; The American Cotton Manufacturers’ Jnstitute, Charlotte; en de bureau’s
van de leden der west-Europa Club in België, Denemarken, Frankrijk, Italië,
Nederland, Noorwegen, Zweden, Zwitserland en West-Duitsland.

16

en extra Europese handel
34)
.
Dit om het gedrang op de

wereldmarkt tot de juiste proporties terug te brengen.

Wij zijn er ons ten volle van bewust, & t nog talloos
veel conclusies uit deze katoenbalansen, hoe ongelijk-

soortig ze ook zijn samengesteld, te trekken zijn
35).

Nog meer zou dit gelden, als wij ook de jaren 1912/13,

1928/29 en 1938/39 niet in cijfers doch in stroomlijn-

diagrammen hadden kunnen verwerken.

Te lang zouden wij dan echter. in het verleden blijven,

terwijl het toch de toekomst moet zijn, waarop wij ons

moeten richten. Daarom zijn wij zo vrij degenen, die

zich aangetrokken voelen tot het maken van een dieper-

gaande studie, nog eens te wijzen op het cijfermateriaal,

dat als grondslag voor grafiek 9 diende.

In een slotparagraaf zal nu getracht worden met de

wetenschap uit het verleden en op de basis van het heden

enkele conclusies voor de komende jaren te trekken.

VI. De toekomst van de katoenindustrie.

Dus nu: de toekomst! Kunnen wij ons echter wel aan

voorspellingen wagen? Het zojuist aangehaalde voorbeeld

‘) Op de Internationale Conferentie in Buxton raamde men de interne handel
op het Continent op ca 1/3 van de totale export uitgedrukt in lengte-eenheden. De
zojuist aangehaalde publicatie wijst in gewichtseenheden op een veel groter intern
verkeer. Gebaseerd op de importzijde der 9 meergenoemde landen voerden deze
in 1951 80 pCt van de totale import aan katoentextieten aan uit O.E.E.C.-landen.
36)
Ons aanvankelijk pogen om tot een gelijkvormige methode van samenstelling
te komen, buy, door met dezelfde afvalpercentages te werken, faatde. In bijlage X
geven wij daarom de cijfers weer, zoalt deze ons werden verstrekt.

van Buxton-1952 doet ons, eerlijk gezegd, wel ernstig

aarzelen. Twee jaar geleden waren hier de kopstukken van

de katoenindustrie verzameld. Hoe zwaar viel het hun een

juiste prognose voor de wereldhanciel in 1953 te stellen.

Waarom zouden wij zelf dit werk nu ineens beter kunnen

doen.

In de eerste plaats is het vraagstuk van de ontwikkeling

van de wereldhandel in katoenen en rayon manufacturen

naast het grondstoffenprobleem een der lastigste om

concrete voorspellingen over uit te spreken. Ook op het

zeer kleine terrein, dat wij dan wél door onze eigen

activiteit menen te kunnen beïnvloeden, ni. dat dèr

productie, zijn al zoveel inmengingen van buiten af

merkbaar, dat wij ook daar dubbel voorzichtig moeten

zijn met het opstellen van beschouwingen voor de toe-

komst.

Vrijwel het enige wat wij wél kunnen proberen, is het

doortrekken van enkele trends in de ontwikkeling, die
wij in onze schets van het verleden opspoorden, om te

onderzoeken op welke wijze wij op de daaruit te verwach-

ten gevolgen hetzij individueel hetzij collectief moeten

reageren.

Niet dat wij nu de illusie hebben hierbij tot het ont-

wikkelen van nieuwe, spectaculaire gezichtspunten te

zullen komen. Daarvoor liggen de probleemstellingen al

te lang te duidelijk voor ons, zodat de meesten van ons

er reeds hun werkprogramma op hebben uitgestippeld.

GRAFiEK 9.

Katoenbalansen

INDIA 1951/53

x t MII.LION tBS

14W rCtTON

COTTON 9449

CCION (IOIH
IMPORtS

(433306 D.4936

• 03306 9*96
69Q*Ts 6*90959 •

t
AND
(966569

A
WDTIT

1

t

99

3;s

i°’ AVMA&D
COTTON
cOTTON
0564
p*ODQCWON 409 490496

iran

3*96

IN FACTORITS CQNSUMPTION
IN
racroars
93,
9*49
C000N

PTOTDCTOII

16*9

9
41
Ii9b

9333
PTODUCTION

339$

949694960 494696

1

1

01

t

•3

t
fit
361.949440409 64495949946940

MANØw*AS’$940

INHANITAATS

EXPORT5

1

63

32

PAW CosT0

1
INSTOCIIS

1

lAN
COTTON

COTTON
9*194

COTTON
CLOTII

JAPAN 1950/51

x
1
MILLION 185

6*49 COTTON

Cohen
9*69

(Cr309 CLOT9
IMPORTS

3

CtOTH

COTTON
9966
L

OTTON
*9*5*919

co
COTTON CtOTH

N0Mt

P9O0U(TTON

W6fltON

,ft, 206 624

14,3
6113106

P905UCIION

431

1
[

I

INIIADITANTS

711

tooaso
j

WMVING MMD

65,
COTTON 9*96
1

9*49 COTTON

COTTON 49*329

COTTON 96*6

WA2T$

1

(64601$

IMPONTS,lxPolT(l

CHANCTT IN
310(59

1
IN STOCKI

AND 0W40t6
1

AND
CO1*3669T106
IN STOCIIT

IT 01969
940*111959

EXPORTS

36

234
66W COTTON

COTTON 9466

(06109 00331

.4

17

UNITED KINGDOM 1950/52

< 1 MILIION LBS

UW COTTON

COTTON 76441

COTTON C(OTN
IMPORTS

II

t
CdT9ON 16*04
1
W66T0
44

4

I

COTTON 00704
1109

*0*116*11
/ CLOTTO

Q* 00048
920

t

P0006CTIOTI

66
COTTON TOON

/ 0000UCTIOT4
C0900MPTION

’74
ss

30,6
041411004
NHAOITA946
W469INO
041116

3,

1
730
j

0006040044113$

1

RAW COTTON
(011(444
WA$T11
1

COTTON 9*00
000000

04,00ls,n*o.TTI

04*0040*4 110(66
444 110(62

*26004*04004
t

*040
C0043UMPTIØO4
IN

610(13

1

*1 01006 400UTTII*6

EXPORTS
06W
COTTON

COTTON
9*20

COTTON
C1OTI

U.S.A. 1950/51

It
1 MILUON 165

*6W (00004

(012004 94*0

COTTON 001*
IMPORTS

90
.

(64*1.00*0
$0900104107′

1

*4W COTTON

TOON

COTTO11 CLOTO

104
(601190

1 1
(01100 CLOTH
20*7

t

06000(7100

AND
0044(4010
COITO
$022
0*000(09004

236*

2430

041*0060
oo*o

IS’A 01111109
INHADITANTS

409$
79
COTTON
7*604
0609 COTTON

0*000(1100

6900000 04111$

04*611
4726

1

I010Ø

9271

1421Î

06W COTTON

COTTON WATTO

C00000MPTTØO4
01,1*60

*040(0*04040

COTTON 7*90
IN 61000 04*04040
06*10(00

EXPORTS
‘977 24 IZ9
06W
COTTON

COTTON
9*69

COTTON (TOTO

CONTINENTAI. EUROPE 1950/52

,x
1 MILLION 165)

*6W COTTON

COTTON 1*60

COTTON
CTOTO
110

$49

fl
0*04 COTTON
• C44#P’406$
TH NTOCTT$

474

IPPORTS

1

jT100

TOON

0*000CTION

CON6UMPTION

fill

001*
ftft,
7611*011
COTTON
(tOTO

000 $000

$70

$*W$O
040$

177.7
MILLION
$01004040 0411,11

ITOII40IT*NT$

2006

00000CTION

TOTO

2*4

3*
COTTON
1*60
COTTON W6T0

COTTON
7*404

WATTO

ISTWO$TD.000004T0

0469134$
*4 OTOCOD
*14004604049

6040
(004360427100
*4
610(11*

07
014400 40043*104(6

EXPORTS
$0

OTION
9640

COTTON
(tOTO

18

Toch kan het zijn nut hebben een aantal vraagstukken
voor de toekomst nog eens in logische volgorde te rang-

schikken. De ageiida van dit Congres vormt een waarde-

volle steun bij dit pogen. Zo dadeljk zal blijken, hoe

practisch alle desiderata, die wij op zullen sommen, in

de komende dagen in het middelpunt van onze belang-

stelling zullen staan.
Door nu het slot van onze beschouwingen te koppelen

aan de reeks van lezingen, die het Buxton van
1954
zullen

vormen, leggen wij ons tevens de beperking op de toe-

komst van de katoenindustrie te behandelen vanuit de

gezichtshoek van een Westeuropese collectiviteit.

Het leek ons goed dit hier met nadruk te stellen.

Immers, benadert men de toekomst als fabrikant individu-

eel, dan zullen zeer velen tot afwijkende conclusies

komen. Het zal ten enen male onmogelijk zijn de moeilijk-

heden, waar een ieder afzonderlijk mee in aanraking

komt, in één homogeen schema samen te vatten.

Ook .in elk land zal de situatie, waarmee een nationale

katoenindustrie in contact komt, steeds weer verschillend

liggen. Niemand beter dafi onze Belgische vrienden en

wij, nauw samenwerkend in Benelux-verband, kunnen

dit van dag tot dag nagaan.

Pogen wij daarom alles ruimer, internationaal te bezien,

onze International Federation eer aandoend, dan kunnen

wij dit niet anders doen dan door ons te beperken tot

West-Europa. Van de meermalen genoemde big five zijn

alleen de fabrikanten in Lancashire en op het Continent

tot een redelijk homogene groep samen te brengen.

Noch de collega’s in de Verenigde Staten, noch onze
vrienden in Bombay en Ahmedabad, Osaka en Nagoya

of in andere centra van de internationale katoenindustrie

zullen de toekomst precies zo beschouwen als wij.
Daar wij nu eenmaal het meest vertrouwd zijn met de

problemen uit onze eigen en naaste omgeving, zullen wij

binnen onze gezichtskring moeten blijven. Het is niet

practisch om te denken dat wij ons volledig in de gedach-

tengang van de anderen kunnen verplaatsen.
Parallel aan de volgorde, waarin wij onze historische

beschouwingen rangschikten, zullen wij dus trachten een

zeer ruwe schets te geven van datgne, waarmee wij de

komende jaren geconfronteerd worden. Problemen samen-

hangende dus met de grondstoffen, de productie en de

afzet.

Het grondsto[fenvraagstiik.

De geschiedenis van de laatste
50
jaar heeft ons geleerd,

dat de verbouw van katoen een steeds grotere geografische

spreiding krijgt. De oorzaken van dit verschijnsel zijn

vele. Wij noemen o.a. de activiteit van de kwetsbare

importlanden en denken aan het uiterst vruchtbare werk

van de ,,British Empire Cotton Growing Corporation”
3e).

Verder speelde de doelbewuste politiek van de regeringen

van enkele ,,nieuwe” katoenlanden een rol, waar zij

streefden naar, opvoering van de lucratieve katoenpro-

ductie. Dat daarbij de prijspolitiek van de Verenigde

Staten naast de dollarschaarste een factor van betekenis

was, is wel aan te nemen.
Daar West-Europa nimmer een katoenverbouw van enig

belang zal kunnen entameren, blijft het ,,equal access to

raw material under equal conditions” voor ons allen ver-

moedelijk nog lang een wensdroom 37).
Mét Japan zijn
“) Alleen in Afrika (o.a. in de Anglo-Egyptian Sudan, Uganda, Tanganyka
dc.)
werden de katoenoogsten de laatste 50 jaren van ca 8.000 tot ca 1.150.000 balen
(400 lbs.) opgevoerd.
7)
Het ontbreken van de ,.rejectiorl clause” iii onze katoenContractefl is in nor-
male tijden slechts een der kleinste ongelijkheden, waarop NOij hier doelen.

wij dus op dit punt in het nadeel t.o.v. onze collega’s,in
de Verenigde Staten en India.
Met verdubbelde ijver zullen wij ons daarom moeten

wijden aan de stucie, welke voordelen een goed gespreid

katoenaanbod kan leveren. Wij mogen dan de grondstof

al niet naast de deur hebben, op sommige momenten kan

een keuze uit meerdere mogelijkheden van katoenaankoop
veel vergoeden.

Voor de exportindustrieën is het een levensbelang de

volledige vrijheid te behouden met betrekking tot de

keuze der aan te kopen grondstoffen. Wat er in de toe-

komst uit de bus moge komen door middel, van inter-

nationaal overleg over de katoenproblemen, aan het

fundamentele principe van vrijheid van handelen op het
gebied van de aanschaffing der benodigde grondstoffen
mag niet worden getornd.

Dat het moderne vezelonderzoek daarbij van grote

waarde zal blijken te zijn, behoeft geen betoog.
Behalve het verschijnsel van de grotere spreiding in

het katoenaanbod, constateerden wij de enorme opkomst

van de man-made fibres. Het is aan geen twijfel onder-

hevig, dat deze groei ook de komende jaren sterk zal

toenemen, getuige het recente succes van de vol syn-

thetische garens en vezels.

Daar de snelle groei van de wereldbevolking de verbouw

van voedselgewassen in vele gevallen primair zal moeten
doen stellen, is de aanvulling van het aanbod van natuur-

lijke grondstoffen (katoen en wol) door de productie van

man-made fibres een volkomen logisch gebeuren. Dit

temeer daar het ingrijpen van sommige regeringen
38)

bepaalde natuurlijke correcties, zoals de trek van de

katoenverbouw naar streken met aanmerkelijk hogere

oogstopbrengsten per ha, onmogelijk maakt.

flet ligt voor de hand, dat daarom een nauw contact

onderhouden moet worden met de producenten van de

nieuwe synthetische vezels en garens. Het katoenver-

bouwende Amerika gaat ons hierin trouwens sedert lang

voor.

Het feit, dat de nieuwe vezels een stabieler frjsver1oop

laten zien, terwijl ook het prijsniveau relatief meer aan-

trekkelijk is geworden, moet de katoenproducenten over

de gehele wereld tot grote voorzichtigheid manen.

Het is dan ook zeker niet de wereldvborraadpositie van

de katoen alleen, doch ook het niveau waarop de katoen

wordt verhandeld, hetwelk aan de vooravond van de

heropening van de Liverpool Cotton Exchange in het

middelpunt van de belangstelling van de katoenwereld

staat.

Wat nu de ereldkatoenvoorraad betreft: tijdens het

schrijven van deze regels verkeert de internationale

textielihdustrie nog volkomen in het onzekere hoe de

houdster van het grootste deel der voorraden, de Regering

van de Verenigde Staten,.\haar katoenprobleem denkt op

te lossen. De rekening voor een excessieve agrarische

steunpolitiek.
11

Het vinden van een goede uitweg uit de impasse is

fliet alleen van groot belang voor de Amerikaanse boeren

en industriëlen, doch evenzeer voor de katoenproducenten

en -consumenten elders. Zij toch stemmen maar al te
dikwijls hun politiek af op die van het Department of

Agriculture.

En wat een goede oplossing van de moeilijkheid der

Amerikaanse oogstsurplussen voor ons in West-Europa

betekent, weet elke insider.

“) Arçaalbeperkinen en soortgelijke maatregelen.

19

Het is eigenlijk een typisch feit. De International

Federation toch is voortgekomen uit een poging van de

zijde der industriëlen om een einde te maken aan een

speculatieve inmenging in het grondstoffenaanbod. Zij

ontstond dus in een tijd van schaarste.

De belangstelling voor de katoen, de basis waarop onze

industrie is gegrondvest, bleef bestaan. Wij bevinden ons

nu in een periode van overvloed. Weer is echter een groot
deel van het aanbod op een bepaalde wijze onder contrôle

gekomen. Ditmaal onder de zeer vertrouwde hoede van

de Amerikaanse Regering.

Uit de aard der zaak kunnen de fabrikanten in West-

Europa weinig of geen invloed uitoefenen op de beslissin-

gen, die dit jaar met betrekking tot de oogstsurplussen

zullen worden genomen. Deze liggen geheel in de sfeer
van de agrarische politiek.

Wel is het van het allergrootste belang, dat wij als

industriëlen in de Federation, verbruikers van meer dan

25 pCt van de totale wereldkatoenconsumptie, ons

collectief blijven interesseren voor alles wat samenhangt

met het reguleren van het katoenaanbod. Juist zoals onze

voorgangers dat 50 jaar geleden in tijden van schaarste

deden.

Het ware te wensen, dat de katoenindustriëlen in het

op gouvernementsleest geschoeide katoenparlement van

de International Cotton Advisory Committee veel meer

en voortdurend de stem der practijk lieten horen. Dit

wordt daar o.i. dikwijls node gemist, ook bij het werk van

secretariaat en standing committee. Wil men ooit slagen
in de poging om via een Cotton Agreement of een ander

plan te komen tot een oplossing van het probleem: hoe

brengt men de katoenprjs bij een ruim voldoend aanbod

geleidelijk op een lager niveau ,,fair to producer and

consumer in every country” en hoe handhaaft men die

prijs zonder al te grote schommelingen
39),
dan is de stem
der practijk onontbeerlijk.

Het is echter niet alleen voor het Cotton Agreement
plan, dat de leden van de International Federation zich

dienen te interesseren; overal waar de internationale

katoenhandel in het gedrang komt, moeten zij paraat zijn.

Of dit nu geschiedt door mede te werken aan een Orga-

nisatie ter contrôle van het vochtpercentage in de katoen,

of door te protesteren tegen de afkondiging van export-

rechten met terugwerkende kracht
40),
of door te ageren

tegen clausules betreffende eenzijdige arbitrage in de

katoenhandel ), of door te waarschuwen voor het achter

uitgaan van bepaalde katoenoogsten (foreign and imma-

ture fibres in cottons), doet weinig ter zake. Hoofdzaak

is, dat men op zijn hoede blijft en bereid is op de bres te

staan voor een voor allen faire, betrouwbare handel in

goed verspinbare ruwe katoen.

Het terrein der werkzaamheden is groot. Vooral als de

International Federation zich niet uitsluitend tot het

grondstofvraagstuk beperkt. Men moet daarom practisch

zijn en er ook in kunnen berusten, dat men op bepaalde

sectoren het initiatief heeft verloren. Wij doelen hier op

het vermijden van doublures t.o.v. liet voortreffelijke

statistische werk van het secretariaat der I.C.A.C. Het

heeft o.i. geen zin, uit welke overweging ook, te trachten

tegen een dergeljkgoed werkende organisatie te gaan

‘) De studie van het Cotton Agreement, dewelke speciaal op de laatste twee
meetings van de LC.A.C. te Rome (1952) en washington (1953) werd onder-
nomen. Wel is het o.i. aan te bevelen, dat deze meetings zowel in duur als in fre-
quentie wat meer aangepast worden aan de realiteit.
40)
Dc actie, die op het vorige congres van de Jhlernational Federation (Egypte
1951) werd ingezet.
69 De geheel onnodig op de spits gedreven cositroverse tussen Alexandrië
enerzijds en de katoenbeurzen van Liverpool en Manchester alsmede die op het
Continent anderzijds.

concurreren. Het publiceren van oogstverwachtingen,

verbruiksgegevens, prijs- en handelsbewegingen, kunnen

rustig aan Washington worden overgelaten. Alleen zullen

wij af en toe de beslagen brilleglazen, die men ons soms

wel eens voor wil houden, schoon moeten vegen. Ook

voor het opzetten van een te roze bril moeten wij ons

hoeden. Ten slotte echter, mocht ooit een regeringslichaam

als de I.C.A.C. worden ontbonden, dan zal de industrie

direct handelènd moeten optreden teneinde te trachten in
de dan ontstane lacune te voorzien. Want eén leemte zou

fataal kunnen zijn. Het is uit die overweging, dat de

International Federation natuurlijk ook niet alle belang-

stelling voor statistisch werk op het gebied van de katoen

zonder meer moet verliezen.

Als wij al deze punten de grondstofvoorziening be-

treffende opsommen en tegelijkertijd beseffen, dat wij bij

lange na niet alle facetten kunnen belichten, geloven wij
zeker, dat men er goed aan gedaan heeft enkele lezingen

op dit Congres aan de katoen en aan de man-made

fibres te wijden.

De experts, die deze materie te behandelen krijgen,

zullen zeker geen vrees behoeven te koesteren, dat hun

voordrachten niet met aandacht gevolgd of niet door

levendige discussies aangevuld zullen worden.

Het productie vraagstuk.

De terugblik op de ontwikkeling van het productie-

apparaat gedurende de laatste 50 jaar wees duidelijk

enkele tendenties aan. Vooral bij de vergelijking van de
spin- en weefcapaciteit met het katoenverbruik.

Allereerst noemen wij hier de regelmatige teruggang van

het aantal spillen en weefgetouwen sedert de crisis der

jaren dertig. Deze inkrimping van het machinepark

contrasteert zo zeer met de toeneming van de wereld-
bevolking en met de productie van katoenen weefsels

dat het een ieder duidelijk zal zijn, dat de spuIen en ge-

touwen van 1904 en die van 1954 onvergelijkbare groot-

heden zijn.
Uit de divergentie van de omvang van het machinepark

en de toeneming van de productie blijkt verder nog het

streven naar een meer intensief gebruik van kleinere doch

zeer moderne installaties. Japan en de Verenigde Staten

kunnen ons hier als voorbeeld dienen.

De opkomst van de katoenindustrie in voorheen zuiver

agrarische gebieden spreekt zowel uit de grotere inter

nationale spreiding van de aantallen spullen en getouwen

als uit de teruglopende wereldkatoenhandel. De trek van
de industrie naar de grondstof en in vele gevallen tevens

naar een relatief overvloediger aanbod van werkkrachten
stipten wij in onze inleiding reeds meermalen aan.

Er zijn geen tekenen aanwezig, en hiermede komen wij

al in de ,,trends”, die er op wijzen, dat aan deze omrfiekeer
poedig een einde zal komen
42).
Wel is het waarschijnlijk,

dat het tempo, waarin de historische veredelingsgbieden

in West-Europa aan belangrijkheid gaan inboeten, trager

zal worden. Een Lancashire dat 40 jaar geleden nog 7.000

mln yards exporteerde is heel wat minder kwetsbaar met

een export van 700 mln yards nu.

Dit neemt niet weg, dat het Westen een zware taak

wacht om in de steeds kleiner wordende wereldmarkt toch

zijn plaats te behouden, ja, misschien een deel van het

verloren gegane weer te veroveren. Als echter ooit

waarheid schuilt in het gezegde: ,,in de aanval ligt de

“) Wij gebruikten hier het woord ommekeer. Met evenveel iecht hadden wij
over de terugkeer van de katoenverwerking naar de grondstof toe kunnen spreken.
vergeten wij niet, dat de katoenverwerking, zij het niet de fabriekmatige, uit het
verre Oosten stamt.

20

beste verdediging” is dit hier wel het geval. Wat dat

betreft kunnen wij ons zeer wel indenken in de motieven,
welke onze gastheren in ditzelfde Buxton, 2 jaar geleden,

er tde brachten een exportraming va’n bijna het, dubbele

te noemen van wat toen ogenschijnlijk bereikbaar leek.
Op het terrein van de productie kunnen wij als fabri-

kanten nog het meest handelend optreden. Ieder van ons

weet wel de zwakke plekken in zijn eigen bedrijf te vinden.

Hetzij in de gebouwen, waarin spinnerjen, weverijen of

finishing-afdelingen zijn gehuisvest, hetzij in het machine-

park, in de Organisatie of in de efficiency. En verder is

efficiency in distributie een voorwaarde voor efficiency in

productie.

Vergelijkingen met datgene, wat in de Verenigde Staten

op het gebied van de opvoering van de efficiency is ge-

presteerd, zijn er minstens net zo veel als er ,,working

parties” naar de overzijde van de Atlantische Oceaan zijn

gereisd
43
). Het lijkt ons nuttig, dat de ervaringen van deze

productivity-teams in West-Europa nog eens in persoonlij-

ke contacten worden uitgewisseld. Dit zou vanzelf leiden

tot een• follow-up in de vorm van een coördinatie van

de werkzaamheden der nationale commissies tot op-

voering van de productiviteit in de katoenindustrie.

Dat wij bij dit moeilijke reorganisâtiewerk geleid moe-

ten worden door datgene, wat in de wereld om ons heen

gebeurt, is duidelijk. De concentratie van de industrie

binnen relatief kleinere doch moderne ,,units” moet bijv.

leiden tot het wefken in twee en drie ploegen. In Amerika

is het werken in ploegen eenvoudig een axioma geworden.

Het is aan ons om mêt onze medewerkers de sociale

conse’uenties van deze ‘onafwendbare voortbrengings-

methode op een voor alle partijen meest aanvaardbare

wijze te regelen.
Natuurlijk dicteert in elk bedrijf de financiële structuur

het tempo, waarin men tot modernisering kan overgaan.

Het feit, dat meer dan 50 pCt van de buiten het West-

europese productiecentrum te installeren getouwen in de

komende jaren automaten zijn, klinkt overigens nog eens

als een waarschuwiig, het tempo vooral niet te traag te

nemen. Laten wij hopen, dat in elk land ook de fiscus

dit hoort en begrijpt!

Naast de vernieuwing der apparatuur moet dikwijls ook

een algehele herziening van de Organisatie plaatsvinden.

Nieuwe, moderne textielmachines kan elke fabrikant in

elk land, of dit nu zuiver agrarisch dan wel industrieel is

ingesteld, kopen. De juiste oiganisatie is moeilijker te

verwerven. Het is vooral op dit punt, dat wij in Europa

veel kunnen bereiken, mits wij ook bereid zijn veel te leren.

De Verenigde Staten noemden wij reeds als voorbeeld.
Uit ervaring weten wij, dat ook Japan op dit gebied veelal

met .vrucht kan worden nagevolgd. De belangrijke spel-

regels van een economische werkwijze, zoals de speciali-

satie, destandaardisatie, het werken met grote eenheden
(packages), de verkorting van het fabricageproces in de

spinnerij, de automatisering in de weverij, de klimatisering

,van het bedrjf, de opvoering van het tempo in het alge-

meen
44),,
dit alles noi gekoppeld aan een relatief over-

vloedig (en daardoor ,,goedkoop”) arbeidsaanbod maakt

dit land tot zulk een geduchte concurrent.

Of het na verloop van jaren India zal worden, dat deze

rol overneemt en Japan terugschuift, zodat dit laatste

land daardoor nog sterker in de Westeuropêse concur-

• “) Het Nederlandse productivity-team berekende in het in December 1953 g’-
publiceerde rapport over de reis naar Amerika, dat de arbeidsproductiviteit van
de Amerikaanse katoenindustrie gemiddeld 2x zo hoog is als die van de Ne-
derlandse.
“) Men herinnere zich het gebruik van rolschaatsen in de spinnerij. Alleen al
als symptoom van de spirit spreekt dit
esperiment boekdelen.

rentiesfeer zal dringen, zal de toekoiist moeten leren.

Ook dan zullen wij ons echter niet in een al te defensieve

houding moeten terugtrekken. Door te strevèn naar een –

goed en goedkoop product bereiken wij meer dan door

het zoeken van de schuldvraag voor een afzetcrisis in te

dure katoen of in te gebrekkigë bescherming op de

weinige overzeese markten, die binnen de invloedssfeer

van sommigen van ons vallen. Als wij door verlaging van

de eindprjs de afzet denken te kunnen vergroten, moeten

wij zelf in de eerste plaats het percentage aan toegevoegde

waarde naar verhouding zo laag mogelijk houden.

Het is daarom van de grootste betekenis, dat in deze

Congres-dagen zoveel aandacht wordt besteed aan de

efficiency in de spinnerij-, weverj- en finishing-sector.

Het afzetprobleern.

Ten slotte het sluitstuk op de grondstofjen en de ver

werking er v;n: de afzet der gerede producten, ni. de

garens en de weefsels.
In de jaren na de tweede wereldoorlog zagen wij aller

eerst de opkomst van India als belangrijk exporteurz van

katoenen manufacturen. Een verschijnsel van zeer grote

betekenis, omdat dit tevens de ommekeer, van netto –

iinjorterend tot netto exporterend land betekende. Een

der symptomen van de inkrimpeide wereldmarkt in

katoenen goederen.

Naast India mochten wij de laatste jaren ook de Ver-

enigde Staten als nieuwe exporteur van betekenis be-

groeten. Een’ merkwaardig feit, als wij nagaan hoe hoog

de levensstandaard in dit productiegebied is. Slaan wij
echter de grafiek met de vergelijkende katoenbalansen

hierop na, dan wordt veel verklaard als wij. zien hoe

breed de basis is, waarop daar te lande de productie

stoelt. De grote en beschermde binnenlandse markt is een

ideaal, dat velen onzer voor ogen zweeft 45).

Wij raken hier immers direct aan een van de voornaam-

ste voorwaarden voor een rationele productie. Bij de

samenvatting van de conclusies voor de productie noem-

den wij weliswaar begrippen als standaardisatie en specia-

lisatie, doch wij verzuimden de condities te noemen,

welke aanwezig moeten zijn om zo’n productiewijze te

kunnen voeren; kort gezegd: één grote, homogene en

koopkrachtige markt. De versnipperde nationale markten

in West-Europa bieden deze allerminst.
Moet dit dan automatisch leiden tot de geïntegreerde
textielmarkt op het Continent, al of niet met Engeland?

Zij, die iets weten van alle moeilijkheden, die hie1aan

verbonden zijn, zullen economisch en sociaal dit wel als

een ideaal zien, doch de concrete vraag vooralsnog

ongetwijfeld ontkennend beantwoorden.

Het gaat ons er trouwens niet om in deze slotbeschou-

wingen een standpunt pro of contra integratie te ver-

dedigen. Wel willen wij van deze gelegenheid gebruik

maken de stelling te poneren, dat een grotere textiel-

markt voor de 290 mln inwoners van de vrije landen op

het Continènt niet direct maar wel indirect er toe kan

bijdragen de concurrentiekracht van – West-Europa te

vergroten. .

Immers, het probleem van de bestaande overcapaciteit
van onze Europese industrie kan nimmer worden Opge-

lost door een vergroting van de intra-Europese handel

alleen. Juist buiten West-Europa moeten wij onze afzet

zien op te voeren. Wél kan de aanwezigheid van een afzet-

gebied, dat zelfs 90 pCt meer inwoners telt dan Noord-
Amerika, yelen van ons in staat stellen de productie tot

“) Beschermd misschien niet zo zeer door prohibitief hoge invogrrechten als
wel door handig opgestelde douanereglementen.

.’

21

in het uiterste te vereenvoudigen, de series te vergroten,
daardoor de köstprijs te verlagen en zodoende sterker te

staan in de strijd op de wereldmarkt.

Voordat men echter het probleem van een geïntegreerde

markt kan aanpakken, moet men eerst onderzoeken of er

wel ooit een homogeen afzetgebied in West-Europa te

creëren valt zoals de Verenigde Staten. De smaken ver-

schillen nu eenmaal. Mccht een dergelijke enquête gunstig

uitvallen, dan eerst kunnen juist wij fabrikanten als

insiders wellicht nagaan, hoe deze integratie te verwezenlij-

ken is. Het is met dit voorbereidende werk, dat de ,,West-
Europa Club” zich in haar bijeenkomsten in Parijs (1950),

Londen
(1951)
en Amsterdam (1952) bezig hield.

Uit het feit, dat deze groep zich in Februari
1953
ont-

bond en geheel vrjwiflig in de International Federation

overging, moet echter in genen dele worden afgeleid, dat

daarmee aan deze activiteit een einde is gekomen. Daartoe

is dit vraagstuk te belangrijk en tot op zekere hoogte ook

te urgent.

Laten wij daarom niet aarzelen dit punt weer in het

werkprogramma, hetzij van het Intèrnational Cotton

Committee hetzij van een aparte daarvoor te vormen

studiegroep, op te nemen. Als hogere machten op politiek-

economisch terrein over het al of niet instellen van een

geïntegreerde markt willen besluiten, moeten wij immers

weten wat wél en wat niet mogelijk is. Het weten en het

geven van adviezen zal onze plicht zijn.

Met des te meer nadruk wijzen wij op dit probleem,
omdat onze Belgische vrienden en wij reeds op kleine

schaal in de Benelux met de vele facetten van zulk een

integratie hebben kennis gemaakt. Wij weten enigszins

wat er bij de verwezenlijking van zo’n experiment komt

kijken. Zeker, wij zitten nog met de moeilijkheden en wij

zien nu soms al de interne verschuivingen, die net zo als

elders (bijv. intern in de Verenigde Staten) een gevolg van

een dergelijk ingrijpende stap kunnen zijn. En toch is het

goed hier ook eens een gunstige kant te noemen door

enkele cijfers te geven, clie de toeneming van het handels-

volume in het textielverkeer tussen België en Nederland

demonstreren.

TABEL 19.

Handelsverkeer tussen Belgiè’ en Nederland
46
)
in de

textielsector

(basis: Nederlandse statistiekcijfers)
(1950 t/m 1953 uitgedrukt in pCt van 1938 in gewicht)

1938

1950

1951

1952

1953

Grondstoffen en afval-
len

…………..
.
100

95,5

88,1

124,9

154,1
Garens

…………
.
100

116,6

108,8

96,1

127,6
Afgewerkte producten

100

270,7

198,6

182,2

234,1

1

1
118,1
1
103,5
1
126,4
1
158,8

Met deze feiten voor ogen moge het een geruststelling

zijn te weten, dat tijdens dit Congre.s van Belgische zijde

nog eens op de grote problemen wordt gewezen, waarvoor

de katoenindustrie zich gesteld ziet, als zij zich aan de

studie van de integratie waagt. Als van zo’n deskundige

zijde de waarschuwing klinkt, dat het niet gaat om het

uitspreken van een pro of contra, omdat aanwijsbare

voor- en nadelen te verwachten zijn, maar om te preciseren

hoe
zo’n markt te vormen is als regeringen tot de instelling

er van besluiten, zullen velen beseffen, dat zelfs dit

Bene1ux-bçld, hoe geslaagd het experiment ook lijkt, nog

niet als bewijs zal worden aangevoerd.

4)
Het jaar 1950, waarin de eerste verruiming van het handelsverkeer plaats
kon vinden, geeft een abnormaal beeld, daar Nederland, dat juist de rantsoenering
afschafte, zijn inhaalvraag voor een belangrijk deel in België bevredigde. Daar-
door steeg het cijfer der weefselexporten van België naar Nederland zeer sterk.
De terugslag na de Korea-boom bleef in 1952 echter niet uit.
1953: 12/9 x Januari t/m September.

Bij onze voorkeur voor dê aanval boven de verdediging,

bij onze veronderstelling, dat wij door opvoering van de

efficiency, straks misschien gesteund door een grotere

binnenlandse markt, de overzeese afzet kunnen vergroten,

zijn wij ‘er stilzwijgend van uitgegaan, dat onze eind-

producten ook zullen worden opgenomen. Een uitgangs-

punt dus, dat niet strookt met het reeds genoemde ver-

schijnsel van de inkrimpende wereldmarkt. Wij mogen

immers tevens aannemen, dat onze collega’s in India,

Japan en de Verenigde Staten niet zonder meer enig thans

door hen bezet terrein zullen prijsgeven. Integendeel!
Kunnen wij fabrikanten dan ook op het gebied van de

afzetverruiming in het algemeen nog iets verrichten?

Zolang wij ons beperken tot ons eigen werkterrein kan

inderdaad veel bereikt worden. Op het gebied van het

marktonderzoek, de sales promotion, de wijze van dis-

tributie en de propaganda bijv. kunnen wij veel leren van

onze collega’s in de Verenigde Staten. Het is daarom een

bijzonder goede gedachte om een van de inleidingen op

dit Congres aan dit onderwerp te wijden. Dit vooral waar

wij het in verschillende landen van West-Europa zo zeer

moeten hebben van een hoogwaar4ige productie, nieuwe

kwaliteiten, goede dessinering etc. De export van onze
technische en organisatorische kennis en onze fantasie

biedt nog vele mogelijkheden.

Doch dit is zeker niet het enige, waarop wij ons moeten

werpen. Het zou gevaarlijk zijn, als wij ons nu uitsluitend

op de vatiabele productie van kwaliteitsgoederen zouden

concentreren. Het feit, dat wij bij de bespreking van het

productievraagstuk juist op de perfectionnering van de

massale serieproductie wezen, toont wel aan, dat wij ook

aan een vergroting van de afzetmogelijkheden in de

richting der ,,bulk-lines” geloven. De export van sommige

,,bulk-lines” neemt trouwens regelmatig
,
toe.

De stroom van eindproducten, die volgens de katoen-

balans in de Verenigde Staten ter beschikking van de

consument komt, is heus niet zo breed omdat de Ameri-

kaan meer katoenen kleding en huishoudgoed verbruikt.

Daarnaast speelt het industriële verbruik een grote rol.

Het komt ons voor, dat wij jn West-Europa de mogelijk-

heden, die hierin schuilen, nog lang niet ten volle hebben

uitgebuit.

Daarbij komen de laatste tijd de nieuwe veredelings-

processen naar voren. Relatief eenvoudige doeksoorten

kunnen hierdoor in bijzonder smaakvolle en voor velerlei

doeleinden bruikbare artikelen worden omgetoverd. Wat

het spinnen en weven betreft kan dikwijls een vrij simpele

basis hiervoor worden gelegd via de serieproductie.

Slechts de veredeling geeft hieraan de finishing touch.

Het is dan ook begrijpelijk, dat het onderwerp van de

nieuwe finish-methodes, ,,The New Fibre Look”, tijdens

de Congres-dagen wordt besproken.

Er zijn echter ook aspecten verbonden aan de afzet-

verruiming, die wij niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

In onze voorstudie zagen wij reeds het gevaar van de
groter wordende ,,inequality of consumption”. Als juist

de grootste consumentengroepen in Azië en Afrika een

naar verhouding geringer aantal yards katoenen stoffen

per hoofd gebruiken, is dit van grote invloed op de wereld-

handel in manufacturen. De verhoging van de levens-

standaard in deze gebieden kan een belangrijke bijdrage

zijn tot het stuiten van een verdere inkrimping van de
wereldmarkt. Dit is echter een probleem, dat naast de

nationale inspanning deels ligt in het vlak van de inter-

nationale betrekkingen, deels in internationale steun- –

verlening. Bovendien moet men voorzichtig zijn zich

hierbij niet te optimistisch te tonen. Wij, zagen immers

22

hoe snel de in ontwikkeling enigszins achtergebleven
gebieden reageren op de geringste verbetering van de

economische structuur door ,prompt
tpt
het stichten of

uitbreiden van een eigen katoenindustrie over te gaan.

Wie echter verkopen wil, moet ook ruimte laten voor

leveringen.

Een tweede zeer belangrijke mogelijkheid om tot een
grotere afzetspreiding te komen is de vergroting van de

handel met de gebieden achter de ijzeren en bamboe-

gordijnen. Ook dit ligt geheel in een door ons nauwelijks

te beïnvloeden politieke sfeer.

Dan noemen wij als Westeuropeanen de handelsbelem-
meringen in de Verenigde Staten. Men moge daar te lande

wel bij voorkeur wijzen op sommige relatief lage invoer-
rechten, men verzwijgt dan de hindernissen, die gévormd

worden door de gecompliceerde douanereglementen. Na

het verschijnen van het Randall-rapport behoeven wij

hierover niet nader uit te weiden. Het is van groot belang,

dat wij als industriëlen onze Overheid op deze dringende

kwestie attent maken. Voor bepaalde variabele artikelen

kunnen de Verenigde Staten immers een goede markt

blijven, zonder dat onze collega’s overzee last zullen

ondervinden van de Europese artikelen. Door hun varia-

bele karakter produceren zij deze toch niet zelf. Het quan-

tum is bovendien relatief gering.

Behalve de zojuist genoemde invoerbeperkende maat-

regelen zijn er natuurlijk ncg tal van protectionistjsche

obstakels, die bepaald irreëel genoemd moeten worden.

Dan weer zijn zij de restanei van een tijdelijk invoer-

verbod om een uit het evenwicht geraakte betalingsbalans

te herstellen,- dan weer dienen zij als bescherming voor

een opkomende industrie, of misschien voor een bepaalde

groep.

Indien er in bepaalde omstandigheden de noodzaak

bestaat importbelemmerende maatregelen te treffen om

een land door een periode van betalingsmoeilijkheden

heen te helpen, dn zullen deze maatregelen van tijdelijke

aard moeten zijn en implicite de mogelijkheid moeten

openlaten bestaande, v66r de afkondiging van bedoelde
maatregelen afgesloten contracten, te respecteren.

Ook hiertegen kunnen wij alleen indirect, via onze

regeringen opkomen. Waar wij als veredelingsindustrie

groot geworden zijn met de vrije handel, is het nuttig,
dat wij trachten althans een deel van de wereldhandel

voor een verder aan bapden leggen te behoeden.

Nemen wij echter eenmaal zo’n standpunt in, dan moe-

t&n wij ook de strijd op de wereldmarkt durven aanbinden.

Dit legt ons dus tevens de verplichting op door•
eigen

werkzaamheid de beste en toch relatief goedkoopste pro

ducten voort te brengen. En dat hebben wij in eigen hand.

Met dit summier geschetste programma van actie voor

ogen zou het unfair zijn nog langer beslag te leggen op de

aandacht van lezers en hoorders voor de toekomst van

onze katoenindustrie.

De mogelijkheden om zelf aan. de instandhouding en

aan de uitbreiding van de industrie te werken zijn zo vele,

dat er o.i. weinig reden tot pessimisme bestaat.

Zeker, wij moeten ons er van bewust zijn, dat wij te

maken hebben met een veranderende industrie in een ver

anderende wereld. Het leven is dynamica. Wij verkeren

daarbij in het nadeel vroeg te zijn gestart. Onze rol zagen

wij de laatste 25 tot 30 jaar kleiner worden. Met recht

werkte bij ons de voorsprong remmend op onze vooruit-

gang.

Nu wij echter geleidelijk aan een positie hebben bereikt,

die minder kwetsbaar is en uitgebalanceerd lijkt, is het•

niet onmogelijk, dat wij onze actie in de achter ons liggen-

de jaren mogen beschouwen als een ,,reculer pour mieux

sauter”.

Ongetwijfeld zal de toekomst zeer veel van ons allen

vergen. Als ik hier spreek van ,,allen”, dan geldt dit voor

alle werkers in onze industrie van jong tot oud en van

hoog tot laag. Wij zijn allen spelers in één team, met één

doel. Het is met opzet, dat wij dit aan het slot van deze

inleiding noemen.
Het sociale aspect moesten wij immers uit het oogpunt

van beperking van dè stof volmaakt buiten beschouwing
laten. En toch kan de spirit waarin wordt samengewerkt,

de verhoudingen waaronder wij allen onze uiterste krachts-

inspanning moeten geven, van doorslaggevende betekenis

zijn voor het eindresultaat. Geen rapport van een pro-
ductivity-team liet dit punt onbesproken. Maar ook ten

opzichte van dit onderdeel zijn wij niet pessimistisch.

Integendeel, geschraagd als wij ons weten door decennia

van ervaring, vakmanschap en arbeidsiust. Wij geloven

dan ook oprecht, dat wij ons met grote gerustheid en

overtuiging mogen zetten aan de taak, die ons in de

komende jaren wacht.

• ‘Want alleen door een gezamenlijk optreden van
alle

werkers kunnen wij, Europees collectief, met recht blijven

spreken van de
tokoinst
van onze katoenindustrie.

Almeto,
1
Maart 1954.

W.
T. KROESE.

1

23

/
BIJLAGE N

BIJLAGE I.

Jaarcijfers katoenproductie in de vrije wereld

(1.000 balen)

Andere 1nden

ii

6Ver. Egypte India

zihe

Ame- Azië

Afrika Totaal
rika

1909/10

10.005

1.036

3.998

324

263

15

42

15.813
1910111

11.609

1.555

3.254

357

306

120

56

17.257
1911112

15.694

1.530

2.730

360

290

154

53

20.811.
1912/13

13.703

1.554

3.702

418

370

179

65

19.991
1913/14

14.153

1.588

4.239

477

334

174

55

21.020

1914/15

16.112

1.337

4.359

465

149

\

55

22.671
1915116

11.172989

3.128

339

133

173

58

15.992
1916/17

11.448

1.408

3.759

337

131

139

63

17.285
1917118

11.284

1.304

3.393

414

155

lOS

46

16.701
1918119

12.018

999

3328 . 406

183

125

56

17.115

1919/20

11.411

1.155

4.853

461

186

128

87

18.281
1920121

13.429

1.251

3.013

499

221

47

134

18.594 1921/22

7.945

902

3.752

459

380

73

98

13.609
1922/23

9.755

1.391

4.245

484

469

108

149

16.601
1923/24

10.140

1.353

4.320

522

503

198

227

17.263

1924/25

13.630

1.507

5.095

740

535

194

309

22.010
1925/26

16.105

1.650

5.201

561

607

267

382

24.773 1926/27

17.978

1.586

4.205

493

731

232

341

25.566
1927128

12.956

1.261

4.990

464

598

176

321

20.766
1928/29

14.477

1.672

4.838

430

676

204

432

22.729
1929/30

14.825

1.768

4.387

571

779 ‘ 234

312

22.876
1930/31

13.932

1.715 14.373

483

648

190

414

21.755 1931/32

17.097

1.323

3.353

555

679

256

565

23.828
1932/33

13.003

1.028

3.897

450

555

155

513

19.601
1933/34

13.047

1.777,

4.189 1.014

809

426

515

21.777

1934/35

9.636

1.566

3.987 1.328 ‘

958

526

699 . 18.700
1935/36

10.638

1.769

5.553 1.757

1.186

677

819

22.399
1936/37

12.399

1.887

5.994 1.817

1,077

740

946

24.860
1937/38

18.946

2.281

5.137 2.075

1.094

913

1.046

31.492
1938/39

11,943

1,228

5.170 1.989

1.119

.794,

1.007

23.250

‘1939/40

11.817

1.801

4.888 2,141

1,148

744

‘ 970

23,509
1940/41

12,566

1,900

5.760 2.505 .

970

715

1,178

25.594
1941/42

10,744

1.735

5,820 1.844

1.182

575

949

22.849
1942/43

12.817

877

4.283 2.172

924

574

827

22.474
1943/44

11.427

740

4.710 2.700

1.540′

551

766

22.434

1944145

12.230

962

3.693 1.626

1.253

610

1.143

21.517 1945/46

9.015

1.082

3.529 1.350

1.165

457

882

17.480
1946/47

8.640

1.252

3.498 1.350

1.226

472

904

17.342
1947/48

11.685

1.320

3.525 1.260

1.258

549

895

20.492′
1948/49

14,649

1,840

2.810 1.530

1.409

717

1.233

24.188

1949/50

16.005

1.786

3.410 1,350

1,958

944

1.227

26.680
1950151

9.877

1.762

3.955 1.650

2.281

1.259

1,442

22.226
1951152

15,155

1.673

4.480 1.950

2.454

1.474

1.403

28.589
1952/53

15.166

2,056

4.515 1,600

2.426

1,564

1.447

28.774
1953/54

16,270

1.265

4,870 1,300 ‘ 2.541

1,595

1.563

29.404
(schat-
ting)

De gegevens over de jaren 1904105 tot 1909/10 bleken niet compleet te zijn (o.a,
voor de Verenigde Staten). Daarom begonnen we met het oogstjaar 1909/10.De
cijfers over de jaren 1909/10 tot 1947/48 werden ontleend aan ,,Statistics on Cotton
and Related Data” (tatistica1 Bulletin 99, U.S. Dept. of Agriculture), Washington
1951. Voor recente cijfers: zie ,,Cotton”, Quarterly.Statistical Bulletin, I.C.A.C.; 1914-1920: Mexico: gegevens ontbreken. Na 1945: India mcl. Pakislan (met een
gem. oogst per jaar van 915.000 balen in 1948/50 en 1.395.000 balen in 1951/53).
,,Andere landen”: Aziëincl. het gebied rond de Middellandse Zee (wo. Grieken-
land). In 1951/53 werd het verbruik in Rusland, China en Oost-Europa geschat
op 7 mln balen per jaar. Balen: practisch allemaal 478 lbs.

S

BIJLAGE II.

-,

Jaarcijfers wereldproductie van 5 belangrijke

textielvezels

(1 mln Iba.)

Jaar
Katoen
Wol
r’
Totaal

1911
11.000
1.750
19


12.769
10.450
1.780
20
– –
12.250
1913

………..,
10.950
1,730
26
– –
12.706 11.975 1.720
20


13.715
9.000
1,700
.

18
– –
10.718

1916

…………….
9 .075
1.630 23
– –
10.728 8.825 1.670
24


10.519
1918
8.950
1
.680
26


10.656
1919
9.600
.

1.740
28


11.368
1920
9,850
1.780
33
– –
11,663

7.250
1.830
48
– –
9.128
1922
8.825
1.820
77


10.722
1923

,,,,,,,..,..,,,,
9,125
1.800
103


11.028
1924
11.500
1.920
138


‘13.558

1912

………………

1914

……………..

1925

…:…………
12.800
2.010
185


14.995

1915

……………….

1926
13.400

..

2.140 212
– –
15.752

1917

……………….

11.200
2.170
295
– –
13.665
1928

…………….’
12.400
2.250
361


15.011

1921

……………….

12.600
2.250
435
7

15.292 12.100
2.210
451
6

14.767

12.700
,

2.230
500
8

15.438

1927

………………

11.200
2.200
517
17

13.934

1929

………………
1930

………………

2,170
665
28
15.363

1931

……………..

1934
11.000
2.120
771
52

13.943

1932

……………..
1933

……………..12.500

12.600
2.160
935
139

15.834
1935

………………

1936

……………..
14.700
2.230
1.021
300

18.251
1937

………………
17.600
2.280
1.196
626

21,702
13.200
2.350 997
931
2
17.480 13.060
2.460
1.149
1,091,
3
17.763 13.730
2.500
1,181
1.281
4
18.696

12.245
2.540
1.251
1.535
16
‘17.587

1938

………………

12.230
2.490
1.197
1.452
23 17.392

1940

……………..

11.720
2.480
1.152
1.392
36
16,780

1941

……………..

11.295
2,360
1.035 1.053
46
16.789

1942

………………
1943

……………..
1944

………………
2.280 902
504
47
13.238

1939

……………..

1945

………………9.505

1946
9.630

.

1.115
2.290
1.112
579
52
13.663,
1947

…………….
2.225
1.308
670
58
15.376
13.055
2.260
1.551
904

74
17.844
14.330
2.330
1.639 1.063
110
19.472
12.645

.

2.365
1.927 1.565
170
18.672

1948

………………
1949

………………
1950

……………..

15.800
2.420
2.123
1.906
259
22.508
1951

……………..
15.810
2.500
1.835
1.750
320
22.215
1952

……………..
1953

………………
16.200
2.550 2.040 2.050
(ca) 400
23.240

Bron:
,,Textile Organon”. Voor synthetische garens en vezels: ,,The develop-ments of the synthetic fibres”, Mr. G. Loasby. Daar alle cijfers van ,,Textile Or-
ganon” betrekking hebben op de wereldproductie van deze 5 soorten vezels en
garens, hebben we ditmaal geen correcties aangebracht om cijfers voor de Vrije
wereld te verkrijgen.

BIJLAGE III.

Productie van katoen, wol en synthetische vezels uitgedrukt
in procenten van de totale wereldproductie
Uit de jaarcijfers van Bijlage II werden de volgende jaargemiddelden afgeleid:
Wereldproductie (mln lbs.)
Katoen
Wol
S
y
nth,
g
t
a
els
i
Totaal

1913/14

……………11.462
1.725
23
13.210
86,8 pCt
13,0 pCt
0,2 pCt
2.250
398
15.148
82,5 pCt
14.9 pCt
2,6 pCt
2.405
.2.084
17.619
74,5 pCt
13,7 pCt 11,8 pCt

1928/29

……………12.500

2.295
2.578
18.565

1938/39

……………13.130

73,7 pCt
12,4 pCt 13,9 pCt
1948/49

……………13.692

2.460 4.097
22.362
1951/52

……………15.805
70,7 pCt
11,0 pCt.
18,3 pCt

1

.

.

24

BIJLAGE 1V

BIJLAGE V.

Katoenconsumptie in de vrije wereld.

Prijzen van katoen, wol, Tayongaren en rayonvezel
(1.000 balen)

(in dollarcents per pound)

‘1

c:.
Sn

India
tate


Japan
Totaal

1903/04 4.279
1.350

3.588 5.148
875
200 15.440
1907/08
4.493
1.549
375
3.842 5.519
878 330
16.986
1908/09 5.199
1.661
375
3.512 5.459
910
367 17.483
1909/10
4.799
1.653 370
3.372
5.013
1.028 314
16.549
1910/11
4.705
1.650
370
3.782 5.147 1.060 324
17.038
1911/12
5.367
1.705
180
4.250
5.510
1.190
315
18.517
1912113
5.786
1.762 285
4.440
5.484
1.372
315
19.444
1913/14
5.398 1.750

4.400 7.100
1.600 550
20.798

1927/28
6.834
1.664 435 3.097
5.911
2.578
665
21.184
1928/29
7.091
1.637
372
3.074 5.707
2.797
944 21.622
1929/30
6.106
2.038
327
2.587 5.650
2.875
788
2.0371
1930/31
5.263
2.027
309
2.019
4.935 2.432
938
17.923
1931/32
4.866
2.265
367
2.576
4.793 2.729
890 18.486

1932133
6.137
2.211
357
2.392
5.201
2.934
703
19.935
1933/34
5.700
2.102
420
2.659
5.740
3.289
1.011
20.921 1934/35
5.361
2.427
588 2.591
4.967
3.648
1.129
20.711
1935/36

.
6.351
2.488
657
2.836
5.283
3.549 1.244 22.408
1936137
7.950 2.463
668
3.037
4.915
3.881 1.459
24.373

1937/38
5.748
2.867
693
2.550
5.160
3.485
1.544
22.047
1938/39
6.858
2.966
629
2.690
5.679′
2.641
1.384
22.847
1939/40
7.784
2.789
708
2.993 8.188
2.660
1.721
26.843
1940/41
9.722
3.334
707
2.100
5.273 1.582
2.279
24.997
1941/42 11.170
3.750
786
1.775
3.375
700 2.399
23.955

1942/43
11.100
3.940
839 1.500
3.150
515
2.566 23.610
1943/44
9.943
3.876
919
1.675
2.825
237
2.341
21.816
l
944/
45
i.
9.568
3.927 985
1.570
3.375
150
2.199 21.774
1945/46
– –
– – – – – –
1946/47
10.025
3.525
850
1.685
3.806
700 2.289 22.880

1947/48
9.354
3.675
840
1.934
4.125
591
2.392
22.911
1948/49
7.795
3.820
825
2.020
4.340
737
2.416
21.953
1949/50
8.883 3.395
825
2.092 4.859
1.032
2.627
23.713
1951/52
10.509
3.300
840
2.135
5.315
1.599
.

2.833
26.531
1951/52
9.196
3.700
825
1.759
4.998
1.816
2.895 25.189

1952/53
9.457
4.105
800
1.564
4.91
2.065
2.914
25.896
1953/54
9.000
3.925
825 1.800
5.260
2.400
3.090
26.300
schatting)

De gegevens over de jaren 1904/07 en 1914/27 bleken slechts gedeeltelijk be-
trouwbaar te zijn. Daarom vertoont bovenstaande tabel twee hiaten. De cijfers
over de jaren 1927/44 zijn ontleend aan ,,Statistics on Cotton and Related Data”,
U.S. Dept. of Agriculture. Voor recente cijfers: zie ,,Cotton” (t.C.A.C.). In 1950/52
werd het verbruik in Rusland, China en Oott-Europa geschat op 6.800.000 balen per jaar. Balen: practisch allemaal 478 lbs.
Katoen
Wol

1903

………………
12,84
– –
909


1905

………………
11,30
– –

1906

………………
11,24
– –

1907

………………
11,53

1908

…….. …… ….
10,23
– –

14,66
– –

1904

…………………..

14,87

….




10,85

…. ….

– –

1912

………. . …
. …
12,29

….
….

64
185

1911

………………….

1913

………

………

13,21
57
185

….


61
195

11,98

.

71
208

1909

….
………………

19,28
87
311

1910

………………….

29,58 ,
159
386

1918

………………*
31,01
184
440

1919

….. … … … . …
38,29
174
477

1917

……………….

1920

………………
17,89
166
460

1914

………………..
1915

………………..

18,92

..

85
269

1916

………………..

26,24

..

125
280

141
280

1921

………………..
1922

……………….

24,74
141
211

20,53
139
205

116
182

1923

……………….31,11
1924

……………. ….
1925

……………….

20,42
110
149

1926

……………….15,15
1927

……………….

19,73
116
150

‘ ‘
60,0
1928

……………….
1929

……………….
16,60
96
125
60,0
1930

……………….
10,38
76
106
60,0 6,34
63
75
57,5

. 1,09

47 65
45,8

1933

………………
67
61

40,0
12,44 82
59
34,5
11,75
75 57
34,0
12,91
92
57
30,5
1937

………………..8,75
102
.62
27,1

1931

………………….
1932

…………………7,37

1936

…………………

8,99
. 0,52
70
52
25,0
1939

………………

83
52
25,0

1934

…………………
1935

…………………

1940

……….
. …….
11,55
96
53,
25,0
1941

……………
19,16
109 54
25,0
20,99
119
55
25,0
1942

……………….

.. ..

21,30
118
55
24,4

1938

……………….
..

22,57
119
55
24,8
27,03
118
55
25,0
1946

………………
36,48
103
56
25,4

1943

……………….
1944

……………….
1945

……………….

1947

………………
35,45
122 67
31,9
..

32,98
159
75
36,4 32,68
167 73
35,8

..

43,57
198 73 36,1

1948

……………….
1949

……………….

40,48
271 78
40,0
1950

……………….
1951

……………….
1952

……………..
35,38
165
78
39,5
953

……………….
32,95
173 78
35.0

Katoen:

gem. Spot prices per lbt., New York.
Wol:

fine graded territory, Boston, Ver. Staten.
Rayon garen: Viscose, 150 denier, Ver. Staten.
Rayon vezel: Viscose, Ver, Staten.

1.

BIJLAGE VI.

Productie van katoenen weefsels i,i West-Europa
(mln yards/mln sq. yardsJ1.000 quintals)

1912/13
1929
1936/38
1948 1949
1950
1951
1952
1953 a)

België

………………………..350
Frankrijk

……………………
Duitsland………………………
Italië

…………………………
Nederland

……………………..
Scandinavië

……………………
Zwitserland

……………………

.
..1.510
2.130
1.020 ‘
415 ‘
175 195

614 1.740 1.670
1.353
690
207
180

515
1.635
2.030
894
‘ 570
284
180 /

627
1.508 756 1.126 455 282 207

594
1,724 1.452
1.098
530
,316
126

735
2.036
1.896
.
1.181
589 350
170

.,

791


2.196
2.172
1.234
601
.
353
212

619
1.916
2.088
1.114
557
310
179

680
1.992
2.371
1.063
624
309
155
Sb-totaal

………………….
5.795
6.454
6.108

j
4.961
5.840
6.957 7.559 6.783
7.194

..


.45
585
..

100
52

20
1
210
645
15

125
82 28
6
165
270
150

84 62 62
7
248
550
199

121
65
71
9
240
500 213

134
71
84
12
279
485
225

144
83
94
12
257
440
224

120
90
88
10
285
535
264

124
87 87
12
272
530
270

Oostenrijk

……………………,
Finland

……………………
45
Griekenland

…………………15
Ierse

republiek

………………..
Portugal

…………………….
Spatje

………………………
Turkije

………………………
Totaal

generaal

……………
6.585

1
7.497
6.934
6.173
7.059 8.247

1
8.813

1
8.175 8.576

Bron:
,,Cotton Board”.

a) Schatting.

25

BIJLAGE VII.


Export van katoenen weefsels dooi’ West-Europa

(1.000 quintals)

1913
1929
1936/38
1948
1949 1950
1951
1952
1953a)

160
280
142
82
152
226 245
176
180
443
536
374
300
513
536


560 540
440
390
200
193 197 190
126
233
273 228

België

…………………………

490
567
365
155
246 354
371
170
140
340
304
186
121
149 153
180
242 230
8 8
2 ‘

3
.

3
7
10
10
Zwitserland

………………….
48
.
2

53
15
39
‘ 46
34 32
55
1.868 1.943
1.321
872 1.292 1.444
1.630
1.443 1.283

,.
35
10 37
26 22
14 10
14

Frankrijk

……………………..
Duitsland

……………………..
Italië

…………………………
Nederland

……………………..
Scandinavië

…………………..3

Sub-totaal

………………….

..

..

– –
5

6

4

2

1

1
11
1
3
.

.

.
/

2
1
2
3 5
6
t

Oostenrijk

……………………..
Finland

……………………..

..
15
29
58 57
110
110
87 95

Griekenland

…………………..
Ierse

republiek

………………….

46
39
..
141
86
148
.123
58
51
Portugal

……………………..
Spanje

……………………….
Turkije
……………………..
– –



.



Totaal

generaal

……………
1.914
..
2.034
1.3 66
1.116
1.468
1.731
1

.1.884
1.611
I”

Bron:
Co(ton Board”, ,

f

a) Schatting.

.

‘1

1

BIJLAGE VIII.
“Import van katoenen weefsels in West-Europa

(1.000 quintalt)

1913
1929
1936/38
1948 1949
1950
1951
1952
1953 b)

28
9
9

.
11
24
23
20
23
15 10
6
65
73
222
156
82
27 84
47
5

.
46
77
31
31
68

Nederland

……………………

.

20
17 81
4
29
1
38
2
65
4
180
4
III
11
71
10 89
90
149
182
136


210
199
286
168
219
Zwitserland

……………………
30
26
41
32
14
20
35
21
19
405
395
318
286
421
726
646
404
455

België

………………………..45
Frankrijk

…………………….. Duitsland

……………………80
Italië

………………………..25

Sub-totaal

………………….

,.
96
24
1
12 16
40
’11
7
10

Scandinavië

……………………

..

..

16
29
9
28 40
43 73 27
60
57
37
15
20
18
34
9
16
..
29
42 24
34 35
30

4
16 21

Oostenrijk

………………………
Finland

……………………..

35
,

12
4
3
7

,
2 2
2
2

Griekenland

………………….
Ierse republiek

………………….

14
15
.

2
1
1
1 1
1
1
Portugal

……………………..
Spanje

……………………….
560
221 113
72
56
50
79
103
91

Turkije a)

……………………..

Totaal

generaal

……………
1.074

1
841
569
411
579
.888
846
615
1

623

“.

Bron:
,,Cotton Board”.

a) Inclusief Irak, Syrië, Palestinaetc. in 1913.

b) Schatting.

S

BIJLAGE IX
Geschatte wereldproductie van en handel in katoen en rayon

(mln yards/mln .sq. yards/I.000 quintals)

1910/13
1926/28
1936/38
1948
1949
1950
1951
1952
1953 a)

Jaarlijkse wereldproductie:
27.000
31.000
35.500
34.000 34.000
37.500
41.000
40.000
42.500
50 600
5.300
6.700
7.300 8.500
9.500
9.200
10.000
Jaarlijkse wereidhandel:
9.500
8.550
6.450
.
4.250
5.000 5.700
5.850
4.800 4.700

Katoen

…………………
Rayon

……………………

..
.
750 530
720
990
1.270
1.120
1.370
Katoen

…………………

Export van Japan:

Rayon

…………………..

200
1.387
2,511
449
.

744
1.087
1.082
752
890
Katoen

………………….
Rayon

…………………
..
..
476
10
33
198
329
361
415

Bron:
,,Cotton Board”.

a) Schatting.

‘1

26

S

BIJLAGE
X.

Basisgegevens voor het samenstellen van katoenbalansen

voor India, Japan, het Verenigd Koninkrijk, de. Verenigde

• Staten en continentaal West-Europa

1. In di a

(mln lbs.)

raarlijks gemiddelde:

1
1912/141
1927/291 1937/39I

19491511 1951/53

Katoen:

Import …….
……………
2.312,6
33,6
2.806,8
106,4
2.588,4
258,8
1.179,2
417,2
1.332
394
.
2.346,2
2.913,2 2.847,2
1.596,4
1.726 1.008,0 1.279,6 1.087,2
81,1
105

1.338,2
725
1.633,6
751
1.760,0
1.223
1.515,3
1.012
1.621
1.195

Productie …………………

Extern fabrieks- of plaatselijk ge-
bruik

…………………..
180
300
180
108
108

Export

…………………..

,Carry

over”

……………….
+
433,2
+
582,6

+
357,0
+
395,3
+
318

Fabrieksverbruik

……………

Çaren:
Spinnerijen

………………’
685
47
+
728
48..
1.231
29
.

1.226
7,5
1.401
2,5
732
220-
776
30
1.260
35
1.233,5
71
1.403,5
13

Import …………………..

Export

…………………..

Handweven

……………….
512 263
746
301
1.225
429
1.162,5
358
1.390,5
436,5

249

727,6+

445
507
466
1
4

796
892
138,1

iös
901-
9,6
1.069
1,5

Beschikbaar voor weverjproductie
Katoenen weefsels …………279
Import …………………….

Export

…………………….
Beschikbaar voor consumptie


1.006,6
68,3 –
973,4 91,6
1.030,1
74,1
910,6
240,6 1.070,5
122,2

938,3
..
881,8
956
670
948,3
248,2
268,6
303,5
354,7
363,5
Rrvnlkine:

mln

……………

Bron:
,,The IIi11owners Association”, Bombay.

2 Ja na n.

(in metrieke tonnen)

V66r de
eerste we-
reldoorlog

(1912/13)

Na de eerste
wereldoor-
log of véör
de wereldcrisis
(1928/29)

Vôôr de
tweede we-
reldoorlog
of na de
wereldcrisis
(1938139)

Na de twee-
de wereld-
oorlog

(1950/51)

Import van ruwe katoen
388.151
628.511
595.556
38T.895
Export van ruwe katoen
761
39.178
2.844
1.583
Voorraadfluctuaties

ruwe
katoen en verbruik voor

andere doeleinden
81.580
30.658
17.477
57.724
Verbruik

ruwe

katoen
door spinnerijen
305.810
558.675
575.235

322.588
Productie van afvalkatoen
67.578 65.917 40.873
Import van garen
287
807
266
261
Export van garen
76.538
17.196
28.974
11.939
Voorraadfluctuaties

en
verbruik

door

andere

.

27.634

handelsbranches
64.698
167.871
126.349
(-) 919
61.967

en

garen …………..37.227

Verbruik van garen in we-
verijen

…………..
306.837
354.261
207.151
Productie van afvalgaren
1.276
3.068
3.543
2.071
Import van weefsel
5.926
1.626
2.398
66
Export van weefsel
52.608

..

199.691
268.608
115.273

en
-weefsel

………….

Voorraadfluctuaties

ka-
toenen weefsels en bin- nenlands verbruik
.
79.676
105.704
84.508
1.101
90.974

Opmerkingen:
Tot 1939 inclusief verschepingen naar en van Korea. Voorraadfluctuaties van
ruwe katoen (de gehele periode) en voorraadfluctuaties van katoenen garen en
weefsel zijn tot 1939 niet beschikbaar. De productie van afvalgaren en -weefsel is
geraamd op 1 pCt van het garenverbruik.

Bronnen:
Alle in- en uitvoercijfers zijn ontleend aan de handeisstatistiek van het Ministerie
van Financiën van Japan, en de verschepingen naar en van Korea aan het voorma-
lige bestuur van Korea. De voorraadftuctuatieS van katoenen garen en weefsel
voor 1950/51 zijn ontleend aan statistieken van het Japanse Ministerie vân Inter-
nationale Handel en Nijverheid. Het verbruik van gsrens door de weverijen voor
1912/13 is geraamd met behulp van statistieken van het Japanse Mtnisterie van
Landbouw eis Handel. Alle andere cijfers zijn ontleend aan gegevens van de ,,All
Japan Cotton Spinners’ Association”. –

/
BIJLAGE X.

3. Verenigd Koninkrijk.
(in mln lbs.

Jaarlijks gemiddelde
1912
1928/29!
1936/38!
1950/52

Ruwe katoen en afval.
Productie

………………………
– – –

2.806
..
1.523
1.471

872
Import van ruwe katoen

………….
Niet verwerkte afvalimport

…………
40
53
66
.

72 2.846
1.576
1.537
944
Her-export van katoen en afval
324
73
57
5
100 63 54 36
Toe- of afneming van de totale voorraden
..
-49
+ 66

43

Totale

import

…………………..

In totaal beschikbaar aan katoen en afval
2.422
1.489
1.360
946

Export

van

afval

………………..

Ruwe katoen verbruikt door de spinne-
2.202
1.344
1.281
890
Import van afval voor de spinnerijen
40
49 49
39
Totaal verbruik door de spinnerijen ….
2.242
1.393
1.330
929
Beschikbaar voor anderen dan spinnerijen
180
.

96
30
17

rijen

………………………..

Spinnen.
Spinproductie

……………………
1 983
1306
1.239

769
Spinproductie van afval a)

…………..
.
107
Totaal katoen- en katoenen afvalgaren-
productie

…………………….
1.983
1.306 1.239
876
244
168
144 57
Binnenlandse productie beschikbaar voor

1.739 1.138
1.095
819
Import van garen……………….8
15
2
17
Totaal garen beschikbaar voor de binnen-

landse

markt

………………..
1.747 1.153
1.097
836

Export

van garen

…………………

Weve,i.

de

binnenlandse markt

………….

Garen verbruikt door de weverijen:

.

1
6-56
i
0i8
9
581
84
Totaal katoenen garen verbruikt door de
.

.656

Enkeldraads en getwijnd garen ……
..

weverijen

……………………
1.018
909
,

665

Katoenafval
5)

…………………..

48
33
18
87
Import van katoenen weefsel

…………
1.704

.

1.051
927 752
Totaal aan weefsel beschikbaar ………
Weefsetexport en her-export

………..
1.235
706
365
197
Totaal aan weefsel beschikbaar voor de
binnenlandse markt ……………..
469
345 562
555

a) Inclusief katoenbestanddeel van gemengde garenproductie en -verbruik.
Brbn:
,,The Cotton Board”.

Verenigde Staten.
(in 1.000 balen)

1
1912/131 1928/291 19381391 1950/51

Katoen ,,carry over” – 1 Aug.

…….. ..1.777

2.536

11.533

6.846
Katoenproductie

………………….
.13.489

14.497

11.645

9.888
Import van katoen ………………….225

442

132

188
Katoenaanbod ……………………..15.491

17.475

iïo

16.922
Export van katoen ………………….8.410

8.071

3.419

4.135
Katoen beschikbaar voor binnenlands ver-

bruik …………………………..7.081

9.404

19.891

12.787
Katoen verbruikt door spinnerjen en we-
verjen

…………………………5.483

7.091

6.858

10.509
Katoen ,,carry over” – 31 Juli …….. …1.598

1313

13.033

2.278
Export van katoenen weefsel en katoenen
garen in geschatte ruwe katoen equiva-
lenten’ …………………………

.314

349

.

249

502
Import van katoenen weefsel en katoenen
garen in geschatte ruwe katoen equiva-
lenten

…………………………

44

– 44

58

34

Bron:
Samengesteld uit rapporten van het ,,Bureau of the Census”, U.S. Dept.
of Commerce. Het bleek in de praktijk erg moeilijk om op deze wijze de cijfers
samen te stellen. We maakten daarom ook van andere bronnen gebruik (o.a. de
,,Quarterly Statistical Review of the Cotton Board”, Manchester) ten einde in elk
geval voor 1950/51 een katoenbalans voor de Verenigde Staten samen te stellen.
Voor de goede orde geven wij deze aanvulling hieronder:

Katopnen garens (in mln lbs.)

Productie

Import

Export

1938

…………………………2.444

-1,04

9
1
92′
1950

…………………………4.020

1,20

18,16
1951

…………………………4.172

1,44

30,28
1952

…………………………3.828

0,24

22,80

Katoenen weefsels

(iii mln yards)

(in mln tonnen)

1938

…………………………8.
4
20,8 a)

5.828

30.752
1950

…………………………10.063,6

.

5.100

55.630
1951

…………………………. 10.310,4

4.840

80.250
1952

…………………………9.630 /

3.640

76.070

a) Cijfer voor 1939.
De steeds arbitraire verdeling van het weefselverbruik voor industriële en huis-
houdelijke doeleinden is gemakshalve gebaseerd op een berekening, gepubliceerd
in het ,,Report on the developing world cotton Situation” (Deel A, blz. 202),
I.C.A.C., Washington, Mei 1950. Uiteindelijke bestemming van de katoen in de
Verenigde Staten (1946):
kleding: 41,8 pCt

huishouding: 22,5 pCI.

industrie: 35,7 pCI

27

BIJLAGE X.

5. Continentaal West-Europa.


Daar het onmogelijk was de complete gegevens voor België, 1enemarken, Frankrijk, Italië, Nederland, Noorwegen, Zweden, Zwitserland en West-
Duitsland, over de vier bekende perioden (1912/13, 1928/29, 1938/39, 1950/51/52) te verkrijgen, publiceren wij alleen de meest recente cijfers, waarop
de katoenbalans is gebaseerd.

Gegevens voor de katoenbalans ‘van continentaal West-Europa (1950151152)

(1.000 kg)

België
Dene-
Frankrijk
Italië
Zweden
Zrtser.
Dnd

1.

Ruwe
katoen.
import

……………………..
export

…………………….
101.958

1.998
10.800

.
257.522

198.411

.
60.359

III
4.211

.

28.644

35.933

.
211.346
-.
99.960
.
.
60.248
netto import

………………..
veranderingen in voorraden en ver-
bruik door andere industrieën dan
de katoenspinnerijeri

……….

4.612
.
+

186

verbruik door katoen- en katoen-
afvalspinnerijen

……………95.348
rr
vooaadveranderingen van katoen-

..

10.200
256.800
201.670 60.434
4.618 28.147

32.227
220.632

afval en in- en uitvoer van katoen-
afval

……………………
..+

7.816
+

38
+27.978

14.947
+

262

848
+

3.243

4.555

18.170

1.

Katoen en
garen van kato,:afval.
productie van katoenen en katoen-

Export van katoenen en katoen-
.
10.238
228.822
186.723
60.696
3.770
24.904 27.672
202.462

afvalgaren

………………
-21.490

21a)

1.482
.- 27.897

2.624

186

1,844

1.808
binnenlands verbruik van de bin-
nenlandse productie
import van katoenen en katoen-
81. 674
10.217
227.340
158.826
58.072 3.770
24.718 25.828
200.654

+

4.322
+.

6.413
+

8.966
+

250
+
10.734
+

6.094
+

4.155
+

1.536,

+

7.229
afvalgaren

………………..
ii. hoeveelheid garen beschikbaar voor binnenlands verbruik
12. veranderingen in voorraden en ga-
85.996
16.630
236.306
159.076
68.806
9.864 28.873
27.364
207.883

renverbruik door andere indus-
trieën dan de katoenweverijen

18.248

7.708

50.316

22.595

13.043

5.066

6.045

6.610

42.937
13. garenverbruik door de katoenwe-

verijen

………………….
14. garenafval in de weverijen
67.748

3.227 8.922

E698
185.990
+
11.426
136.481

18,827
55.763

3.346 4.798
+

196b)
22.828
+

296b)

20.754
164.946

afvalgaren

……………….103.164

111.
Katoenen
weefsels.

export van katoenen weefsel naar

..

.

25.170
7.224
197.416 117.654 52.417
4.994
23.124
c)
.

d)

de O.E.E.C.-landen

……….

116a)

1.939
-22.120

10,129

179

2.941

18.921

export van katoenen weefsel naar
39.351
7.108
.
195.477
95.534
42.288
4.994 1
22.945

andere dan de O.E.E.C.landen

10.524

2 a)

1.429

19.118

12.014
.

6

787

2.087
weefsel beschikbaar voor binnen-
lands verbruik van de binnen-

15.

weefselproductie

……………64.521

import van katoenen weefsel uit de
28,827

..

7.106
194.048
76.416 30.274
4.994
22.939

O.E.E.C,-landers

…………
+

1.915
+

5.113
+
14.808

+

770
+
16.310
+
_5.159
+

6.603

+

2.056
.
±

3.192

landse productie

…………..


import van katoenen weefsel uit
30.742
12.219
208.856
77.186
46.584
10.153
29342

,andere dan de O,E.E,C,-lahden
+

321

..

+

1,250

+

348
+

139
+

3.629
+

1.326
+

3.155
+

544

+

1.294
katoenen weefsel beschikbaar voor
binnenlands verbruik
31.063 13.469
209.204
77.325 50.213
11.479
32.697

• = gegevens ontbreken.


Slechts 1950 is bekend.
Garenafval in de weverijen zou een grotere weefselproductie geven.
De Westeuropese statistieken geven de weefselproductie alleen in weefgetouw-uren. Da Westeuropese statistieken geven 1.043.489 m.
Bronnen:
Statistische afdelingen van de verschillende nationale instellingen.
Samengesteld door het Centraal Bureau van de Nederlandse Katoen-, Rayon- en Linnenindustrie te Arnhem.

1,

S

/

S

/

S

t

S

S

r

Auteur