Ga direct naar de content

Jrg. 35, editie 1738

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 30 1950

AU TEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Eco-nomisch
,

rSta

ti*stische

Berich t
*
en

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN
EN VERKEER

UITGAVE VAN HET, NEDERLANDSCU ECONOMISCH INSTITUUT

35E
JAARGANG

WOENSDAG 30 AuGUSTUS 1950

,

No. 1738

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glasz;. H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. oan den Berg (secretaris).

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

Assistent-Redacteur J. H. ‘Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: –

J. E. Mertens; R. Miry; J. /’an Tichelen; R. Vandeputte;
F. Versichelen.

Gegeoens o’er adressen, abonnementen. enz. op de laatste
bladzijde oan dit nummer.

INhOUD:
Blz.

De artikelen van deze week

………………….
691

Sommaire,

summaries

……………………..
691

i)e financiering van de woningbouw
door Prof. Dr

Ir

H.

G.

pan

Beusekom

………………….
692

De

wereldscheepsbouw

in het eerste halfjaar 190

door

0.

Vermej

………………………….
69

Inkomensverdeling :1948
doorj. D. A. Visser ……
696

Het

indexcijfer

van

de

arbei dsp rod uctiviteit

door

Dr

H.

D.

Nijhuis

……………………….
700

I n g e z o n d e n

s t u k :
Lonen en prijzen
door.Prof. Dr J. IIorriuj
met naschrift van
de

redactie

…………………………………
701

13oekbespreking:
Mr ii. A. van Nierop: Schets van het bankwezen,
bespr.
door
Prof.
,

Dr

F.

de

Roos

…………………………
702

Aantekening:
Enige opmerkingen over de doviezenpositie van Nederland
door

R.

Slot

………………………………
702

Internationale

notities:
De vooruitzichten voor de Europese Oost-%Vesthundel
. . .
704
Engeland

en

(Ie

defensie-uitgaven

………………..
705

Geld- en kapitaalmarkt

……………………..
705

Statistieken
Bankstaten

………………………………….
706
Stand

van

‘s

Rijks

Xas

…………………………-
706
Enige lndexcijters van de industriële productie in Nederland

707
Werkloosheid en workverruiming in Nederland
……….
707
In-
en uitvoer van Nederland

……………………..
707
Maandcijfers van de grote banken in Nederland
………..
707
Werkloosheid

in

)ielgië

………………………….
707
In-

en

uitvoer

van

Iieiglë

……………………….
707

DEZER DAGEN

is het staken in Nederland vrijwel over; de buien zijn
echter, als meh wijder grondgebied overziet, nog niet heen.
I
n
België staken havenarbeiders, in , Finlënd, metaal-
arbeiders, op Java arbeiders in de cultures, in Canada het
spoorwegpersoneel: een algemene staking bij de spoorwegei

is in de-Verenigde Staten slechts voorkomen, doordat de
President liet spoorwegwezen heeft overgenomen; gestaakt

wordt er echter in enkele delen van de metaalnijverheid.

/ Hoeveel diversiteit in motieven, hoeveel verschil ook
in leensvoorwaarclen van al die groepen, die het werk

neerlegden, er mag zijn, onrust beheerst hen allen. Een onrust, die men moet trachten te doorgronden, als men
positieve resultaten wil zien van veel nadenken, dat thans
op ander gebied wordt verricht. –

Ensleels is er het welvaartstekort, dat het centrale
probleem van elke economie zal blijven, het gevoel dat men
minder heeft dan men wil krijgen. Anderdeels het sociale
probleem, het’ gevoel, dat men minder heeft dan .men

meert te kunnen krijgen. En daarover heen het politieke
probleem, het gevoel, dat niemand weet wat we zullen
krijgen. –

Tegen deze drievoudige achtergrond, onlust, onrust en

onzekerheid, is liet naar aankijken; maar men neemt
de druk niet, van een stoomketel door een doek over d
manometer te hangen

Naast de onmisbae concentratie van gedachten op de-
fensieproblemen, naast de noodzakelijke politieke discus-
sies, verbonden aan het denken -over een samengaan in
West-Europa, moet er kracht blijven voor constructief
economisch denken’over de gevolgen van de maatregelen,
die uit militaire en politieke noodzaak voortijloeien. Van
primaat van dit of dat kan geen sprake zijn: meer dan
ooit is coördinatie der drie gezichtspunten noodzakelijk
als men het doel wil bereiken, het handhaven van de
levensvorm, die we paradoxaal met het recht op staken
willen karakteriseren.

Soms schijnt dit eenvoudig. Van Italiaanse zijde zijn
optimistische rapporten over de verhoging van het na-
tionaal inkomen, indien de ‘Italiaanse industrie door deel-
nemibg aan de opbouw van het militaire apparaat en de
daarachter te schakelen bedrijfstakken op volle capaciteit
kon gaan werken. Soms schijnt het doenlijk. In Nieuw-
Zeeland is een begroting ingediend, die verhoogde defësie-
uitgaven combineert met behoud van sociale voorzienin-
gen en belastingverlaging.

Meestal zal het op zijn best oplosbaar zijn. Zo ziet men reeds in de Verenigde Staten, waar voor het belastingjaar 1950/51 $ 35 milliard voor defensie en buitenlandse hulp
wordt uitgetrokken, het zoeken en tasten. D
Z
e Minister
van Financiën ,wenst behoud van een lage rentestand ten

behoeve van de dienst van de staatsschuld, de ,,Federal
Reserve Board” wenst verhoging om de credietvraag te
verminderen. Een gezamenlijke commissie uit 1-luis en
Senaat discussieert nog over de economische volmachten
aan de President, al dan niet gelijktijdige prijs- en loonstop.

Dit zal zo blijven, tot in de Veiligheidsraad het ,,mak-kers, staakt uw wild geraas” heeft geklonken of, belang-
rijkst van al, een eenparig ,,Staakt het vuren”. ._

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering-Mij, op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.

AANPASSING van ondernemingspensioen- en

spaarfondsen AAN de (komende) NIEUWE

WETTELIJKE BEPALINGEN

Kantoor: Bellevuestraat 2, Dordrecht, Telefoon 01850 – 6346

R. MEES & ZOONEN

ANNO 1720

rJ

Bankiers
&
Assurantie-Makelaars

Koninklijke

Nederlandsche

Boekd rukkerij

H. A. M. Roelouts

Schiedam

CID

KETTiNG

FORMULIEREN

ROUERDAM

‘s-Gravenhae, Delft, Schiedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen Assurantie)

Nationale Handelsbank, N.V.

IN DIT BLAD

ADVERTEERT

U
.

MET SUCCES!!
LVIICO

F A
B/R

E K E N

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhage

Alle Bank- en Effectenzaken

BESPAAR U TIJD EN DE

HELFT VAN DE PRODUCTIEKOSTEN

bij de vervazrdiging van:

circulaires, verkoopbrieven, formulieren enz.

door het aanschaffen
van een

ROTAPRINT KANTOOR-

DRUKMACHINE

Economisch: voor ieders behoefte

thans een machine: 2 belangrijke

nieuwe modellen, de R70 en de R40

Geniaal: géén vochtrollen meer
maar vol-automatisch steeds de

juiste toevoer met het Rotafount-

apparaat.

Gemakkelijk: geen speciale vakop-

leiding nodig voor de bediening.

Wij demonstreren op de Jaarbeurs in

stand 4192

N.V.

DEVIEZENBANK

Hoofdkantoor: Amsterdam,
Vijzeistraat 32

Meer dan 100 kantoren in Nederland en Azië

New York

Londen

Tanger

HANDELSBEMIDDELING

FINANCIERING VAN IM- EN EXPORT-

TRANSACTIES 1

Ook vor Beschikbare Krachten is een annonce in
,,Economisch-Statistische Berichten” de aangewezen
weg. Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons
bezit is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in het
nummer . van dezelfde week worden opgenomen.

BuKMAN & SARTORIUS N.V.

Hoofdkantoor: Amsterdam, Rokin Ii, Tel. 64544

30
Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

691

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Prof. Dr Ir H.
G. van Bcusekorn,
De financiering 9an de
woningbouw.

De steunverlening van de Overheid aan de woningbouw,

waarbij de Overheid het i.olledige exploitatietekort droeg,

betekende een zware last voor de overheidsfinanciën.

Derhalve werd gestreefd naar vermindering van de lasten,
waarbij de bouwenden direct belang zouden hebben bij zo

laag niogélijke bouwkosten. Dit werd gezocht in het ver-
strekken van van te voren vastgestelde bijdragen door de
Overheid, hij behoud van de aan woningen te stellen tech-
nische, ‘hygiënische en sbciale eisen. Een voorlopige poging
was de regeling verminderde bijdrage van April 1950, die

onverwacht een belangrijke stoot gaf tot verlaging der
bouwkosten. Thans zijn de. bestaande financieringsregelin-

gen vervangen door een tweetal nieuwe, ni. de Premierege-

ling Woningbouw 1950′ en de Beschikking \Von ingwetbouw
1950, waarbij de bouwenden meer risico, maar ook meer
vrijheid hebben. Deze regelingen betekenen een verlaging

vande financiële lasten van de Overheid en bevatten een

krachtige stimulans tot ”erlaging van de bouwkosten.

C. Vermey,
De wereldscheepsbouw in het eerste halfjaar 1950

Op 1 Juli jl. varen, met uitzondering vn Rusland,
Polen, China en Duitsland, in totaal 1.043 stoom- en motor-
schepen met een inhoud van 4,5 millioen BRT in aanbouw.

Engeland en Noord-Ierland leidden met 42,6 pCt van de tonnage. De Verenigde Staten moesten de tweede plaats
(per ultimo 1949) aan Frankrijk afstaan. Japan klom op
van de achtste tot de derde en Nederland kwam van de vierde op-de vijfde plaats. In ons land waren van de in
aanbouw zijnde 308,000 BRT, 182.000 BRT voor rekening
van buitenlandse opdrachtgevers. •Een aanzienlijk deel
van de in aanbouw zijnde tonnage nI. 41,3 pCt, bestond
uit tankschepen, wat Nederland betreft 106.000 BRT.
Ilt afgelopen halfjaar vloeiden de nieuwe opdrachten in
ruimer mate’. De Amerikaanse werven hadden gebrek aan
orders. Daar, zoals elders, zal de verdere ontwikkeling in
belangrijke mate worden bepaald door de politieke constel-

latie. –

J. D. A.
Visser,
Inkornensoerdeling 1948.

1-let C.B.S. heeft onlangs een aantal, gegevens gepubli-
ceerd betreffende de inkomensverdeling over 1948. Deze

gegevens zijn voor d eerste maal samengesteld d.m.v.
een steekproef. In dit artikel wordt geschetst, hoe de ver-
zameling der gegevens vroeger plaatsvond en waarom tot
een steekproef is overgegaan. De vraag, of deze steekproef,
waarmee op betrekkelijk eenvoudige wijze belangrijke ge-

gevens zijn verkregen in de plaats zal kunnen komen van
de gegevens, zoals die tot dusver werden samengesteld,
wordt door schr. ontkennend beantwoord. In het gunstigste

geval kan de steekproef recente gegevens verschaffen be-
treffende de inkomensverdeling over het gehele land en dat is niet voldoende. Het verdient wellicht aanbeveling
te overwegen de volledige bewerking eens in de vijf jaren
te doen plaatsvinden en voor tussenliggende jaren te vol-

staan met een steekproef.
I
Dr
H. D.
Nijhuis,
Het indexcijfer ma de arbcidsproductiotett.
De grootte der arbeidsproductiviteit wordt bepaald door
de prestaties der arbeiders, de mate van mechanisatie en
de efficiency der hedrijfsorganisatie. Andere factoren mo-
gen bij vaststelling op verschillende tijdstippen geen in-vloed uitofenen. Dit laatste is bij het C.B.S., doordat het
uitgaat van de in een bepaalde periode verwerkte hoeveel-
heid grondstof of geproduceerde hoeveelheid product vel
hèt geval. De enige methode om per bedrijfstak een be-
trouwbaar indexcijfer samën •te stellen is om bij een groep
van bedrijven, die eenzelfde artikel vervaardigen, vast te
stellen wat de productie per manweek van 48 uur is van
een artikel van een bepaalde kwalitatieve samenstelling.

1

SOMMAIRE.

Prof. Dr
Ir H. G. van Beusekom,
Le tinancenient de la
construction d’habitations.

L’auteur commente les subsides accord’ies, depuis la

guerre, par le Gouvernenlent b. la constuction d’habita-

tions. Les deux nadveaux projets de financeiiient pour

1950 diminuent les charges du Gouvernement et augmen-

tent les ‘risques des entrepre’neurs mais étendent leur

liberté en même temps. Ces meures stimuleront fortement

la diminution des frais de construction.

C.
Vermey,
La constriction naQale mondiale pendant le
premier senestre de 1950.

.Pendant le premier ‘semestre de 1950 les carnets de
commandes étaient mieux garnis. Au Ier juillet 1950,

a l’exceptïon de la Russie, de la Pologne, de laChine etde

l’Ailemagne, 4,5 millions de ton neaux d jauge bruts

étaient en construction, dont 42,6 p.c. en Angleterre et en

Irlairde duNord. – –

J. D. Â.
Visser,
La répartition des reoenus en 1948.

Le Centraal Bureau voor de Statistiek a fait usage,

pour la première fois, de coups de sonde pour composer

les données concernant la répartition des revenus. Bien

que ce moyen simple ait produit des informations rernar-

quahles, l’auteur est d’avis que le sondage ne fournit pas

de données suffisadtes. –

Dr H. D.
INijliiiis,
L’indice dc la p’roduciio
‘ité du tramil.

Déterminer, par groupement d’entreprises, la production,

d’un certain article d’une qualitéfixe, par ouvrier-semaine

de 48 heures est la seule méthode pour indiquer l’indice

de la productivité du travail dans une branche.

SUMMARIES.

Prof. Dr H.
G. van Beuskom,
Financing house-building.

The writer cliscusses the government support given to

the house-building industry since the war. The two new

1950 financial arrangements will involve a lower hurden

for’ the government and a greater risk for the buildei-s,

hut they will also give the latter more freedom. They will

greatly stimulate a decrease in building costs.

C. Vermey,
lVorld shipbuilding during the first six months

of 1950.

The number of new orders increasecl during the past

half year. With the exception of Russia, Poland, China

and Germany, a total amount of 4.5 million G.R.T. was

under constructiori, of which 42.6 per cent. in England

and Norhern Ireland.

J. D.
A.
Visser,
Diyision
of
tncomes in 1948.

For the first time thh Central Bureau of Statistics ‘has

made use of a random test in compilin data ‘covering

the division of incomes. Although interesting details have

thus been obtained in a simple way, the random- testdoes

not, according to the writer, supp])r sufficient informa-

tion.

Dr H. D.
Nijhuis,
The indcx-figu,-e
of
labour productinity.

The only method to draw up a reliable index-figure

covering the lahour productivity for each separate brancli

of industry is to ascertain the production per man-week
of 48 hours of an article of a certain qcalitative compo-

sition. –

.

9 ‘

692

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30 Augustus 1950

DË FINANCIERTNG VAN DE WONINGBOUW.

Sedert het in werking treden van de Woningwet, die
welhaast een halve eeuw
haar
invloed heeft doen gelden

op het bouwen en wonen in ons land, lopen twee systemen

van woningvoorziening naast elkaar.

Het oudste is de particuliere woningbouw, die van oude
tijden af de normale is geweest, en zich in de vorige eeuw
geleidelijk van woningbouw in opdracht tot woningbouw

voor de markt heeft ontwikkeld. Deze bouw heeft steeds

op redelijke wijze in een groot deel van de woningbehoefte

weten te voorzien. In de periode van de opkomst van de

industrialisatie hebben zich echter ernstige tekortkomingen

geopenbaard, die een gevolg waren van het feit, dat’de

bestaande iiaatschappelijke organen de stormachtige ont-

wikkeling niet konden beheersen, een verschijnsel, dat zich

overigens ook op aller]ei andere gebieden dan de woning

bouw heeft voorgedaan. In die tijd zijn in onze snelgroeien-

de steden revolutiewijken elouwd, zijn oude stadswijken

verkommerd en verkrot en zijn woningtoestanden ontstaan,

die dringd om maatregelen van de Overheid vroegen.

De mogelijkheid tot het treffen hiervan bood de Woning-
wet van 1901.

De woningwebouw.

De Woningwet heeft behalve de voorschriften in het

belang van een goede bouw en grote bevoegdheden tot
verbetering en opheffing van slechte woningtoestanden
ook de zgn. woningwethouw in het leven geroepen, die

sindsdien zij aan zij met de particuliere bouw de woning-

voorziening heeft verzorgd.

De woningwetbouw kan geschieden door corporaties,
welke ingevolge de Woningwet zijn toegelaten als uit-

sluitend werkzaam in het belang van de verbetering van

de volkshuisvesting, of door de gemeenten zelf.
Dc financiering van de woningwetbouw kan ingevolge

het bepaalde in de Voningvet geschieden döor het ver-
lenen van voorschotten tot het volle bedrag van de stich-

tingskosten, af te lossen in annuïteiten. Het is
,
van de

aanvang af de bedoeling gewecst, dat behoudens in ge-
vallen van bijzonder geringe draagkracht der toekomstige
bewoners, deze bouw zou geschieden zonder bijdragen uit
de publieke kassen. Van 1923 tot 1940 waren inderdaad cle huren voldoende om de exploitatiekosten volledig te
dekken. l3ijdragen in de huur werden gedurende die

periode slechts verleend in gevallen van krotopruiming of
bouw voor krotbewoners.

Fina’ncienng na de benrijding

Gedurende de eerste jaren na de laatste oorllog werden
overwegend woningwetwoningen gebouwd. In 1947 waren
van de 9.243 gebouwde woningen bijna 4.800 woningwet-
woningen; in 1948 zelfs 29.423 op de 36.391. In 1949 is

de verhouding iets ten gunste van de particuliere bouw
verschoven.
\Tan
de 42.714 gebouwde woningen namen
de gemeenten en de verenigingen er intussen nog 29.451
voor hun rekening.
In deze periöde werd vodr de bouw Van woningen door
de Overheid financiële steun verleend in de vorm van jaar-
lijkse bijdragen in de ekploitatie.

Voor de ‘particuliere bouw geschiedde de steunverlening
op de voet van de Financieringsregelingen 1947 en 1948.
De bijdrage werd daarbij op de volgende wijze bepaald.
De stichtingskosten der Le bouwen woningen werden aan
de hand van door de aanvrager en de gemeente ingediende
gegevens bepaald. Uitgaande van deze kosten werd een
berekening opgezet, waarbij als exploitatielasten in aan-
merking werden genomen: de rente over de grondkosten, c.q. erfpachtscanon, de onderhoudskosten tot een gelinii-
teerd bedrag, de verschuidigde belastingen, de kosten van
watei-verbru ik, de brandverzekeri ilg en huu rd ervi ng en algemene kosten.
liet verschil tussen de huiirw’aai:cle ”an de woning, be-

rekend naar de sticlitingskosten van Mei 1940 en dc som

van de exploitatielasten vormde de netto-opbrengst.

Kapitalisatie van deze naar een 50-jarige annuïteit leverde
dan het rendabele deel der bouwkosten. liet verschil

tussen de vastgestelde bouwkosten en het rendabele deel

vormde het niet-rendabele deel. De rente hiervan, berekend
tegen een door de Minister vastgestelde rentevoet, vormde

cle jaarlijkse bijdrage uit ‘s Rijks kas, die voor ten hoogste,

10 jaar is toegekend en daarna gekapitaliseerd wordt
uitbetaald. Nadat aanvankelijk deze steun in uitzicht

werd gesteld voor woningen van ten hoogste 500 m
3
in-

houd, is de limiet in 1949 verlaagd tot 375 m
3
voor een-
gezinshuizen en 325 m
3
voor étagewoningen. De steunverlening voor woningwetwoningen geschiedde

op de voet van het Woningbesluit •hetwelk toelaat, dat jaarlijkse bijdragen uit ‘s Rijks’kas ter tegemoetkoming

in de exploitatielasten kunnen worden verleend. Als exploi-

tatielasten worden hierbij beschouwd rente en aflossing

van de bouwsom, zomede de boven bij de particuliere hoiw
genoemde kostén.
De huurbepaling van deze woningen geschiedde op over-eenkomstige wijze als hij de particuliere bouw. Het verschil

tussen het totaal der zo juist genoemde exploitatiekosten

en de jaarlijkse huur vormde de jaarlijkse bijdrage van

het Rijk, wIke voor 50 jaar werd verleend.

Bij het tegenwoordige hoge bouwkostenpeil – immers

de bouwkosten van een eenvoudige arbeiderswoning, die
in 1939 nôg f 10 per m
3
inhoud bedroegen, zijn thans nog
f 28
a
130 per
111
3
– betekende deze steunverlening een

zeer zware last voor de overheidsfinanciën. Het benodigde
bouwkapitaal moet tegenwoordig zowel door de particu Iie-
ren als door de woningbouwverenigingen zelf worden bij-

eengebracht, zodat daarvoor geen beroep op het staats-

crediet wordt gedaan Des te zwaarder echter drukken

de jaarlijkse bijdragen op het budget van de Staat.
De bijdragen, die tot nu toe door het Rijk zijn verleend,

liggen in de orde van grootte van f 350 per jaar voor de
woningwetbouw en f 280 per jaar, voor de particuliere
bouw. In 1949 is bij een aanbouw van ruim 42.700 woningen

in totaal ongeveer f 15 millioen aan bijdragen verleend.

Indien op deze weg zou worden voortgegaan – en dit is

nog niet eens voldoende, omdat de opheffing van het
w’orfingtekort binnen een redelijke termijn eist, dat de
productie nog tot ongeveer 55.000 w’oningen per jaar wordt

opgevoerd – zou de bijdragenpost op de begroting van
het Ministerie, van Wederopbouw en Volkshuisvesting
ieder jaar met een bedrag van f 15 millioen worden ver-
hoogd. liet isduidelijk, dat een dergelijke last voor de
Schatkist ondragelijk gaat worden. Naarmate de materia-
Ier positie in ons land beter is geworden, blijkt de woning-
bouw van een tochnisch een financieel vraagstuk te ziji
geworden.

Pogingen tol c’ermindering nan de onerheidsiasten.

lIet is om de hierboven genoemde’ reden, dat naar een mogelijkheid is gezocht om de financiële lasten voor de
Overheid te verminderen. Zoals vanzelf’ spreekt gingen de

gedachten hierbij naar een systeen , waarbij de bouwende
lichamen of organisaties direct belang hebben bij zo laag
mogelijke houwkoten. Bij de bestaande stelsels was dit niet in voldoende mate het geval.
Deze stelsels toch kwamen in beginsel hierop neer, dat
particulieren zowel als verenigingen en gemeenten binnen
het beschikbare bouwvolume plannen konden indienen,

welke enerzijds moesten voldoen aan van overheidswege
vastgestelde minimum-eisen van constructie, van in-
richting en van bewoonbaarheid en anderzijds aan eisen
van soberheid en beperking van de bouwkosten per m
3

inhoud. Werd aan dez eisen voldaan en bleven de bouw-
kosten en de grondprijs beneden dë door de Regering ge-
stelde normen, dan droeg het Rijk het volledige exploitatie-
tekort. Een dergelijk stelsel vraagt natuurlijk een zeer
intensieve contrôle door de Overheid en haar brganen.

30 Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

698

Een mogelijkheid om tot verlaging van de lasten voor
de Overheid te komen is daarom in deze richting gezocht,

(lat hij behoud van de aan de woningen te stellen techni-

sclie, hygiënische en sociale eisen de Overheid cen te voren
vastgestelde hijdage verleent, die varieert in verband

metgrootte en t3pe der te bouwen woningen. Opdezewijze

blijft het risico voor de bouwende particulier, vereniging
en gemeente. Deze hebben te waken voor soberheid en

laag houden van de bouwkosten, omdat iedere nalatigheid

ie deze dc exploitatie bezwaart. De controlerende Rijks-

organen hebben slechts toe te zien, dat aan de gestelde
minimum-eisen wordt voldaan. Tegenover het grdtere
risico voor de bouwende lichamen staat voor deze echter
een veel grotere male vân vrijheid. –

Een eerste, voorlopige, poging in deze richting was de

regeling verminderde bijdragen, die in April 1950 is tot
stand gekomen. Deze regeling heeft onverwacht een be-

langrijke stoot gegeven in de richting van verlaging van de

bouwkosten, waarin sedert geruime •tijd een zekere verstar-
– ring viel te constateren.

Naar aanleiding van een aanbieding van een gemeente-
bestuur, dat meende zonder bijdragen uit de openbare

kassen, zeer eenvoudige woningen te kunnen bouwen,
heeft de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting
alle gegadigden, die kans zouden zien, goede woningen
te bouwen met een redelijke huur en een bijdrage van om-
streeks f 100 per woning-per jaar, het voorrecht toegekend,
deze woningen te bouwen buiten het door Gedeputeerde Staten aan de gemeenten toegeween bouwvolume. De woningen moesten voldoen aa’n de bepalingen van

de gemeentelijke bouwverordeningeri. De uitvoering moest
sober zijn, doch niet verder dan redelijk toelaatbaar was
te achten. De jaarlijkse bijdrage was gesteld op een bedrag,
variërende van 180 tot f 130, naar gelang van het aantal
slaapkamers, térwiji voor dure bouwgrond en bijzonder
kostbare funderingen nog een bijzondere toeslag kon w’or-
den verleend. Met deze bijdrage moest een sluitende exploi-
tatie worden verkregen, waarbij de huur mocht worden
gesteld op het bedrag, dat thans betaald wordt voor soort-

gelijke, vôér 27 December 1940 gebouwde woningen, ver-
meerderd met 30 pCt.

Volgens deze regeling zijn thans enige honderden wo-

ningen in vôrschillende delen des lands buiten het officiële
bouwvolume in uitvoering gebracht. Daarnaast bleef de
normale hijdragenregei ing volgens de \Voningwet bestaan,

binnen het toegewezen bouwvolume. Deze regeling leidde,
als gezegd, tot aanmerkelijk hogere bijdragen.

De nieuwe fina ncieringsregelingcn.

De bestaandë financieringsregel ingen zijn thans ver-
vangen door een tweetal nieuwe regelingen, nl. de
Premie-
regeling 1 Voningbouw
1950,
gepubliceerd in de Nederlandse
– Staatscourant vaii 8 Juni 1950, en de
Beschikking Woning-
wetbouw
1950, gepubliceerd in de Nedr1andse Staats-
courant van 14 en 19 Juli 1950.

De premieregeling opent de mogelijkheid, dat aan na-
tuurlijke en rechtspersonen premiën worden verstrekt voor
de bouw van woningen met een inhoud van ten hoogste
275 m
3
voor zover het eengezinshuizen betreft en van ten
hoogste. 225
1113
voor zover het andere woningen betreft, met dien verstande, dat de inhoud van eengezinshuizen
voor eigen bewoning door gezinnen met mncr dan 6 kinde-
ren tot 450 m
3
mag worden opgevoerd.

De premie wordt vastgesteld volgens een bij de regeling
behorend schema en varieert van f 3.000 tot f 5.600 per
woning. Zij kan in geval van een bijzonder dure fundering of van hoge grondkosten met een zekere toeslag worden
verhoogd. De premie hangt volgens het schema af van het aantal personen, waarvoor de %’oning is bestemd, waarbij
dan het woonoppevlak aan bepaalde minimum-eisen
moet voldoen.

Om een enkel voorbeeld te noemen: een woning voor vijf
personen moet een oppervlak hebben vai woonkamers

+ (woon)keuken + slaapkamers van ten minste 44 m
2
,
en van woonkamers + (woon)keuken van ten minste 23 m
2

en.van de overige ruimten in woning en bergplaats van
ton minste 15
111
2
. te premie bedraagt dan voor een een-.

geziashuis of voor bouw in twee woonlagen 13.600, voor

drie woonlagen 13.700 en voor vier w’oonlagen 13.800.

Ilierbij kdmt dan nog de toeslag voor fundering en grond-

kosten, die in het allerongunstigste geval nog 11150 kan
bedragen (heipalen van meer dan 21 m lengte), doch in de

meest voorkomende gevallen tussen 1100 en 1400 zal
liggen. ‘

Tenslotte moet nog worden opgemerkt, dat de huren
van de premiewoningen zullen worden vastgesteld door
de Minister, het gemeentebestuur gehoord. De Minister

heeft de gemeenten verzocht, bij het uitbrengen van’ hun

advies zich te doen leiden door het beginsel, dat de huur

ten hoogste zal bedragen, hetgeen op 31 December 1949
werd betaald voor naar kwaliteit, aard en ligging soortge-
lijke, vddr 27 December 1940 tot stand gekomen woningen,
vermeerderd met 30 pCt.

De beschi

kking bijdragen Woningwetbouw 1950 brengt
ook voor de woningwetbouw een geheel nieuw stelsel van
steunverlening. Gehrokën wordt met de oude methode,
volgens welke voor elk complex afzonderlijk de exploitatie-
kosten moesten worden berekend naar het-kostenpeil van
Mei 1940, zulks terbepaling van de huur.

• In plaats hiervan bevat de nieuwe regeling een tabel,
waaruit voor de verschillende soorten van woningtypen

het bedrag der bijdragen is af te lezen. De woningtypen
zijn onderscheiden naar het aantal slaapplaatsen, waarbij
minimum-eisen zijn gesteld met betrekking tot de opper-
vlakte der verschillende w’oonruimten. Behalve met deze
factoren wordt ook rekening gehouden met de gemeente-klasse, met de onderscheiding in hbog- en laagbouw, met

de kosten van funddring en met de kosten van bouw’rijp
maken van de’rond.

1-let bedrag der bijdragen varieert van f170 (voor een
eengezinshuis voor ouden van dagen )tot 1350 (voor een
étagewoning met 13 slaapplatsen). Flierbij komt dan nog
een bijslag i.v.m. extra kosten voor fundering en voor
bouwrijp maken van de grond. De bijdragen zijn lager
dan de bedragen, welke
01)
grond van de regeling vn
1948 zijn verleend. Ze zijn evenwel aanzienlijk hoger dan de zgn. verminderde bijdragen ingevolge de regeling van

1950, welke voor goedkope woninghouw worden toegekend.
De huurprijzen w’orden niet langer berekend naar de
exploitatiekosten per Mei 1940. In- plaats daarvan treedt
de bepaling, dat de huurprijs 30 pCt meer zal bedragen
dan hetgeen voor vooroorlogse woningen wordt betaald.

Voor onderhoud en algemene onkosten blijven dezelfde normen’gelden als voorheen. Dit geldtook voor de voor-
geschreven reservevorming. De regeling is per 1 Augustus
jl. in werking getreden.

Het grondbeginsel van deze regeling is, dat de bouwende
corporaties zelf het risico dragen, met de bijdragen volgehs

de tabel en de goedgekeurde huren eenS sluitende exploi-
tatie te verkrijgen. hier staat echter tegenover, dat zij

ontheven worden van een groot stuk administratieve be
moeiing van de zijde van de Overheid.

Hetzelfde geldt voor de premieregeling voor de particu-
liere bouw. Ook hier enerzijds meer riico, doch anderzijds
meer vrijheid.

Door beide regelingen worden de ontwerpers van wo-
ningen gèstimuleerd, te zoeken naar het juiste midden
tussen hetgeen economisch zo voordelig mogelijk is en het-
geen in het belang van het woonpeil, waarvoor de Over-heid normen heeft vastgesteld, aanvaardbaar is.

Naast de Jiremieregeling 1950 is nog een verminderde
premieregeling 1950 vastgesteld, welké premiëi in uitzicht
stelt, die 60 pt van de normale premiën bedragen. Naast
de bijdrageregeling 1950 is de regeling verminderde bij-
dragen blijven bestaan. Voor beide geldt de voorwaarde,

694

ECÔNOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

80 Augustus 1950

•dat gemeenten, die volgens

deze regeling willen bouwen

of doen bouwen, anderhalf maal zoveel woningen mogen
bouwen als zij zouden verkrijgen, wanneer zij volgens de

gewone regelingen zouden bouwen. Deze regelingen komen
dus hierop neer, dat gemeenten en particulieren, die menen

met een lager bedrag aan steun uit ‘s Rijks kas een sli.iitende

exploitatie te kunnen krij’en, over 50 pCt meer bouw-

volume mogen beschikken.

Afgezien van deze bijzonder.e regelingen betekeneli ook

de nieuwe premieregelingen vbor de’ Overheid een verlaging

van definanciële lasten. Dit was inderdaad dringend nodig.

Van meer belang echter is, dat beide regelingen een krach-

tige stimulans bevatten tot verlaging van de bouwkosten,
die in de vroegere niet aanwezig was. Immers, in verlaging

van de bouwkosten ligt onze enige kans, dat in de komende

jaren op afdoende wijze in de woningbehoefte zal kunnen
worden voorzien.

‘s-Gravenhage.

Prof. Di Ir H. G. VAN
BEUSEKOM.

DE WERELDSCHEEPSBOUW IN HET

EERSTE HALFJAAR 1950,

Blijkens de jongste door Lloyd’s Register of Shipping

gepubliceerde kwartaalgegevens waren op 1 Juli ji. in de

verschillende landen, met ûitzondering van Rusland,
Polen, China en Duitsland, in totaal 1.043 stoom- en motor-
schepen met een inhoud van 4.549.921 BRT in aanbouw.
Hiervan neemt Engeland nog steeds het leeuwendeel voor
zijn rekening. Op de verschillende werven in Engeland en

Noord-Ierland waren aan het einde van het tweede kwar-
taal 326 schepen, metende 1.937.191 BRT,. zijnde 42,6 pCt

van het totaal, tegen 717 schepen metende 2.612.730 BRT
in alle andere landen tezamen, in aanbouw. Niettemin

tonen de Engelse cijfers een geleidelijke vermindering, t.w.
van 57.000 BRT vergeleken met ultimo 1949 en van

$06.512 I3RT vergeleken met eind Juni 1948, toen met

2.243.703 BRT de hoogste stand sedert December 1921
werd bereikt.

Ook de voor buitenlandse rekening op Engelse werven
in aanbouw zijnde tonnage is, vergeleken met het in Sep-

temberjI. bereikte recôrd, t.w. 766.000 BRT tegen rond

738.000 BRT per 1 Juli jl. enigszins teruggelopen. De bui-
tenlandse opdrachten vertegenwoordigden op 30 Juni .jl.

30,8 pCt van de totale tonnenmaat in aanbouw op Engelse
en Noord-Ierse werven. Noorwegen iam met 233.959 BRT
(eind December 1949: 324.166 BRT) in de rij vanbuiten-
landse opdrachtgevers wederom de eerste plaats in, gevolgd
dor Argentinië met 81.683 BRT. De totale in de overige
landen in aanbouw zijnde tonnenmaat toonde op 1 Juli jI.
een vermeerdering en wel van 212.153 BRT vergeleken
met 31 December jl. (2.400.577 BRT). Onder de ,,overige
landen” hebben de Verenigde Staten de eerste plaats, welke
zij eind 1949 innamen, aan Frankrijk moeten afstaan. Uit

onderstaande tabel blijkt de in vrschiilende landen op 1
Juli ji. in aanbouw zijnde tonnage, terwijl ter vergelijking tevens de cijfers per ultimo 1949 zijn vermeld:

1
Juli
1950

31 December
1949

BRT

,
BRT
491.180 422.046
372.088 120.416
326.034
512.787
307.694 301.506 301.935 297.325 241.353 214.410
121.872
132.129
117.301
240.000
102154
109.347

Van de in deze landen in aanbouw zijnde tonnenmaat

is in totaal 805.367 BRT, d.w.z. 30,8 pCt (eind 1949:

971.555 BRT = 40,5 pCt) voor buitenlandse opdracht-
gevers bestemd. Ook hier nemen Noorwegen en Argentinië

met resp. 233.959 en 128.899 BRT de ëerste en tweede

plaats in. De landen met de meeste buitenlandse opdrach-

ten zijn, na Engeland, Zweden met 229.275, Nederland
met 182.401 en de Verenigde Staten met 114.104 ERT

1-let laatste cijfer vereit enige toelichting. Immers, de

Amerikaanse bouwprijzen zijn allermins t concurrerend. In

feite wordt aan Amerikaanse rederijen, die, zoals bijv. de
Unitbd States Lines en andere, bouwopdrachten in Amerika

plaatsen, een zgn. ,,constructïon subsidy” verleend, ten-

einde het nadelig verschil in prijs, vergeleken met niet-

Amerikaanse werven, te ovei’bruggen. .lIet ware dan ook
onjuist uit de Amerikaanse cijfers te concluderen, dat

Amerika op vrij grote schaal opdrachten vonr buitenlandse

rekening onderhanden heeft. De verklaring ligt in de om-

standigheid, dat een aantal Amerikaanse rederijen en dit
geldt ook voor enkele der grote petroleummaatschappijen
met een uitgebreid bouwprogramma, een deel harer vloot
onder vreemde vlag, o.a. die van Liberia, Panama, Hon-
duras, Venezuela en Cânada, exploitei’en. Ter illustratie
diene, dat bijv. van de verleden jaar in Amerika- ge-
reed gekomen . 31 tankschepen met een draagvermogen

variërend van 26.500 tot 30.00 ton, slechts drie, t.w.
die voor rekening der Esso Shipping Co. werden gebouwd,

onder Amerikaanse vlag in de vaart werden gebracht.
Een aanzienlijk deel,’nl. 41,3 ICt van de in allé landen

tezamen op 1 Juli jl. in aanbouw zijnde tonnage, bestond
uit tankscliepen, waarvan o.a. 988.787 BRT in Ehgeland enNoord-Ierland, 211.3,
1
0 BRT in ZweJen, 168.902 BRT in Amerika, 105.903 BRT in Nederland, 104.880 BRT in

Japan en 103.875 BRT in Frankrijk.

Uit bovenstarinde tabel blijkt, ‘dat enkele verschuivingen

in de rangordé hebben plaatsgvonden. De Verenigde
Staten hebben, zoals gezegd, de eerste plaats, die zij per ultimo 1949 innamen, aan Frankrijk moeten afstaan, ter

wijl Japan van de zevende tot de tweede plaats is opgeklom-

men. Ons land kwam van de derde op de vierde plaats;
de in aanbouw zijnde tonnage onderging overigens geen
ingrijpende wijziging.

Stond het vorig jaar, wat de Engelse scheesbouw be-
treft, in het teken van een aanzienlijke vermindering van
het aantal nieuwe opdrachten, het afgelopen halfjaar was

in dit opzicht aanmerkelijk gunstiger, dank zij de vrij ruim
vloeiende bouwopdrachten voor tankschepen – BI ijkons
kort geleden door de ,,Shipbuilding Conference” verstrekte
gegevens, werden gedurende de eerste zes maanden van
dit jaar in totaal opdrachten voor de bouw van 129 schepen
metende 650.000 BRT, door Engelse werven geboekt, ver-
geleken met een totaal van 420.000 BRT, voor welker

bouw in 1949 met Engelse werven werd gecontracteerd. \Velisyaar wijst de ,,Shipbuilding Conference” er op, dat
onderhandelingen betreffende verschilleiide der. .in het
eerste halfjaar 1950 definitief verstrekte opdrachten i’eeds
sedert verledenjaar gevoerd w’erden,’maar het is een meer
voorkomend verschijnsel, dat onderhandelingen niet on-
middellijk tot resultaten leiden en dit doet mi. dan ook

geen werkehijkë afbreuk aan de gunstige indruk, die het totaal der definitief geboekte opdrachten in vergelijking
met 1949 maakt. Wel trekt het de aandacht, dat het meren-
déel der in het eerste semester 1950 bestelde schepen, nl..
71 schepen, metende 420.000 BRT in het eerste en 58

schepen, metende 230.000 BRT, inhet tweede kwartaal,
uit tankers en enkele grote ertsschepen – voor Amerikaan-se rekening – bestaat. Dit geëf t ontegenzeggelijk een een-
zijdig karakter aan de orderportefeuille. Passagiersschepen
van groter type en schepen voor de algemene vrachtvaart
vormen slechts een zeer gering percentage van de totale
tonnenmaat in alle landen tezamen in aanbouw. Dit blijkt

o.a. uit de door Lloyd’s gepubliceei’de gégevens, samen-
gevat in de volgende tabel: –

Frankrijk

………………..
Japan
Verenigde Staten
Nederland …………………
Zweden ………………….
ItaliO ……………………
Denemarken ………………
Noorwegen
Spanje

30 Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

695 1

21 stoomschepen 65 molorsehepen

6.000- 8.000 BRT
20

65

.,,

8.000-10.000
28

,,

80

,,

10.000-1 5.000
23

,,

17

…….
5.000-20.000
0

5

,,

20.000-30.000
t

.1:1cer dan 30.000,,

De rederijen, welkei’ schepen in de algemene vrachtvaart

emplooi vinden, hebben zich in het algemeen onthouden

van het bouwen van nieuwe schepen in verband met de

zeer hoge prijzen, welke sedert de oorlog gelden’en ei’ de

voorkeur aan gegeven de door oorlogsgeweld verloren ge-
gane schepen dooi’ aankoop van tijdens de oorlog in Ame-
rika en Engeland gebouwde standaardtypen te vervangen.
I)e bouwprijzen van passagiersschepen zijn – men heeft

het bij herhaling in de jaarverslagen onzer grole scheep-

vaartmaatschappijen kunnen lezen – dermate hoog, dat

van een rendabele exploitatie geen sprake is. Ondanks de
aanzienlijke uitbreiding, die sedert het einde van de oorlog
aan de w’ereldtankvloot werd gegeven, is de vraag, loor

het nog steeds stijgend wereldverbruik van petroleum.-

producten en de toenemende betekenis, in het bijzonder
vooi’ West-Europa, van het Midden-Oosten als potentieel

productiecenti’um, nog steeds aanzienlijk. Zelfs indien cle

per 1 Juli jl. in alle landen tezamen in aanbouw zijnde
tankschepen met een totale inhoud van 1.877.049 BRT
in cle vaart ‘zijn, behoeft vooi’ een surplus niet’ te worden
gevreesd, liet enige tijd geleden door de oliecommissie der
O.E.E.C. gepubliceerde rapport met ramingen van het
verbruik gedurende de eerstvolgende jai’en \ijst veeleer
in de richting van een tekoit instede van een surplus aan
tankruimte. Bovendien is een niet onaanzienlijk percentage
der in aanbouw zijnde tankers dooi’ de gi’ote ollïerriaât-
schappijen besteld, terwijl’deze tevens een aantal dernieuw
te bouwen tankers voor een aantal jaren op time-dharter
hebben gehuurd, zodat geen der schepen dezer beide cate-

gorieën voor emplooi voor particuliere rekening in aan-mei’king komt. Reeds eerder vestigde ik de aandacht op
de tankers met een groot laadvermogen, welke sedert het
einde van de o6rlog voor i’ekening van enkele der grote

petroleummaatschappijen zijn gebouwd, p’esp. alsnog in
aanbouw zijn. De thans in de vaart zijnde tankers hebben
een maximum-laadvermogen van ca 30.000 ton. Als uit-
vloeisel der dooi’ Caltex en Jersey Standard met de Engelse
Regei’ing getroffen regeling inzake levering van ruwe
aardolie en petroleumçroducten tegen betaling in Sterling,
zulks teneinde de zgn. ,,dollarolie”-controverse tot een
oplossing te brengen, heeft de Stahdard Oil Company
(New Jersey) thans een aantal Engelse werven uitgenodigd
offerte te maken voor de bouw van een tanker met een
laadvermogen van 42.000 ton. Naar schatting zullen de
bouwkosten, die uit de.Sterlingsaldi der Jei’sey Standard
zullen woi’den gefinancierd het equivalent van rond
S
4,9
millioen bedragen. T-let laadvermogen van de geprojec-
teerde tanker op zomermerk – diepgang 35/36 voet –
zal ca 40.000 ton bedragen en het is de bedoeling het
schip t.z.t. te exploiteren in de vaart tussen de Perzische
Golf en het Verenigd Koninkrijk.

Met een enkel woord vestigde ik reeds de aandacht op
de jongste ontwikkeling van Japans scheepsbouw. Krach-
tens het scheepsbouwprogramma 1949 verleende de
S.C.A.P. (Supreme Command Allied Powers) Japan ver-gunning 37 vrachtschepen, variërend van 3.700 tot 7.000
BRT en 6 tankers met een inhoud-van 12.000 BRT te
l)ouWen. De helft der bouwkosten werd gefinancierd door
liet U.S. Counterpart Fund tegen een rentevoet van 7,5 pCt;
de wederhelft werd gefourneerd door Japanse banken,
die zich bei’eid verklaarden leningen met een lange looptijd,
rentende ruim 10 pCt ‘s jaars, le verstrekken. Afgezien
van bovenstaand bouwprogramma wérd – en wordt –
voortgegaan met liet recondit.ionneren van 27 schepen van
het zgn. 2 A-type (Wartime Standardvessels). Naar schat-ting bedragen de kosten, gemoeid met de inrichting dezer
schèpen overeenkomstig de vooi’sctu’iften der internatio-nale Classificatie Bureaux, meer dan 00 n3illioen Yen per
schip, welke voor 70 pCt door het’ U.S. Counterpart Fund

worden gefinancierd. FIet bouwprograimma voor dit jaar
voorziet in de bouw van nieuwe schepen met een totale

inhoud van 150.000 BRT en van het reconditionneren van
6 vrachtschepen van het zgn. 2A-type en 12 tankschepen

van het
rfLtpe
Omtrent de financiering, deels door het
U.S. Counterpart Fund, wordt nog onderhandeld. Op het
ogenblik liggen de Japanse bouwkosten nog 20 â 30 pCt

boven het Europese niveau. De hoge rentevoet en de hoge

prijzen voor staal etc., alsmede een vooralsnog onvoldoende

rationalisatie verklaren het nadelig verschil. Waai’ ondanks
deze ongunstige factoren Jaijan reeds thans, wat cle grootte
der op 1 Juli jl. in de verschillende landen in aanbouw’
zijndé tonnage betréft, cle tweede plaats op de ranglijst

inneemt, moet in de toekomst stellig iii toenemende mate

met Japanse concurrentie rekening worden gehouden,
ofschoon de eisen, die de wederopbouw dci’ Japanse koop-
vaardijvloot stelt, niet onderschat dienen te worden.

Als gevolg van de ‘igerende beperkende bepalingen

heeft de wederopbouw der Duitse Icoopvaardij, in hét bij-
zondei’ wat de bouw van schepen voor de grote vaart be-

ti’eft, nog geen vooi’tgai1g van betelcenis gemaakt. De

activiteit der Duitse werven beperkt zich dan ook, wat
de bouw voor Duitse rekening, betreft, afgezien van
scheepsreparaties, tot schepen van kleiner type met
voor huidige begrippen beperkte vaai’snelheid. Daai’en-
tegen hebben de Duitse rederijen ook gedurende de afge-

lopen zes maanden vrij regelmatig tweedehands schepen
aangekocht. Zo wisselden ca 40 ,ri’achtschepen, variërend
in gi’ootte van 1,500 ton laadvermogen – Noors s.s.
,,Ophir”, gebouwd in 1906, ‘koopprij £11.000 – tot

10.917 ton laadvermogén – Nederlands s.s. ,,Van der
Waals”, bouwjaar 1943, en de Noorse tanker ,,Mostun”,
14.410 ton laadvermogen, bouwjaar 1928, koopprijs
£ 184.000 – van eigenaar en varen thans onder Duitse
vlag. Ofschoon het grotendeels oudere schepen zijn, hadden
de kopers het voordeel van de sterk teruggelopen prijzen
voor tweedehands schepen. Als voorbeeld citeer ik de ver-
koop naai’ Dditsland van het in 1918 gebouw’de Deense stoomschip ,,Janine” met een draagvermogeii van 3.100
ton, dat in October 1948 circa £ 80.000 opbracht en in
Mei ji. tegen de prijs van 126.000 in Duits bezit overging. -,
De Amerikaanse werven maken zich, niet tea onrechte,
zorgen over het gebrek aan orders. Op 1 Juli jl.wai’en in
tbtaal, met uitzondering van de ,,superliner” ,,United
States”, die in het voorjaar 1951 zal worden te water ge-laten en in ‘April 1952 als vlaggeschip der Amerikaanse
vloot door deUnited States Lines in de transatlantische
passagiersvaart zal worden gebracht, slechts 20 schepen

met een inhoud van 323.000 BRT op Amerikaanse werven
in aanbouw. 1-liervan waren 10 schepen met,een totaal
laadvermogen van 269.000 ton voor de tankvaart bestemd.
Gedurende het eerste halfjaar 1950 kwam de bouw gereed
van 17 schepen met een totaal laadvermogen van 560.270
ton en alle voor de tankvaart bestemd. Drie dezer.schepen met een totaal laadvermogen van 80.350 ton werden onder
Amerikaanse en 14 schepen met een totaal laadvermogen
van 379.922 ton – voor Amerikaanse rekening – onder
vreemde vlag in de vaart gebracht. Uiteraard beschikken
de Verenigde Staten nog over een aanzienlijke reservevloot,
die echter voor een deel uit ,,Liberty”-schepen – langzaam

en weinig economisch – bestaat. 1-Jet is dan ook typerend
dat sedert het uitbreken der vijandelijkheden in Korea
voornamelijk ,,Victory-“schepen aan de reservevloot ont-
trokken en in de vaart gebracht zijn. Zes dci’ op 1 Juli jI.
in Amerika in aanbouw zijnde schepen zijn reeds te water
gelaten, do kiel van een voor de ertsvaart bestemd schip
werd kortgeleden gelegd: terwijl tien der schepen nog dit jaar en acht verdere schepen in de loop van 1951 w’orden
afgeleverd, zodat alsdan nog slechts het passagierssehip ,,United States” en één schip voor de grote vaart in aan-
bouw blijven. Mede in verband met de gespannen politieke
situatie, wordt in Amerikaanse scheepvaartkringen met

.1

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

Land van’aanbouw:

België
Denemarken
Engeland
Nederland
apan

……………………..
Noorwegen

………………….
Zweden
Totaal

…………………..

TABEL
B.

II
Land van aanbouw:

30 Augustus 1950

Gedurende het afgelopen halfjaar opgelecerde schepen.

Tankers
Lijhechepeis
Tranipschepen
,,Rcefers”
Totaal
antal
Aantal
Aantal
erniogell

Aantal
Aantal
vn







1
2.800
1
2.800
8.800

1
8.800
10
164.100
6
31.950
2
4.800
– –
18
200.850 16.500
2
18.000
– –


3
34.500
1
18.000
– – – – –

1
18.000

.


3
14.170,
10
26.550
3
7.150
16
48.170
12
176.650
7
40.600


t
3.000
20
220.250
24

375.250

t

18

105.020

.

13

40.150

5

f

12.950

1

60

533.370

Op 1 Juli fl.._in aanbouw_zijnde schepen.

Tankers

‘Lijnsehepeis
Trampschepen ,,Reefers”
Tota1

\.antal Aantal
Aantal Aantal
Aantal

Denemarken

………………….
6

86.600

3
Engeland

…………………….
42

.

755.550

6
Nederland

…………………..6

96.000


ge
Noorwen
…………………..
20

235.850

22
Zweden

37

660.550

9
Totaal

……………………..
1

1

11

It.834.550

1

40

1

nadruk gewezen op het tekort aan passagiersschdpén,

waarvan zo nodig voor troepenvervoer gebruik kan worden

gemaakt. De troepenvervoerscapaciteit der tegenwoordige

Amerikaanse passagiersvloot bedraagt slechts 40 pCt van
die van vôér de oorlog. In hoever de huidige situatie voor

de Amerikaanse autoriteiten aanleiding zal zijn tot uit-
breiding over te gaan, moet worden afgewacht. Voor de
Amerikaanse scheepsbouw is het echter te hopen, t
ia
t eerlang, uiteraard met behulp van , ,cons tructi on subsidies”,
de bouwopdrachten wederom ruimer gaan vloeien.

De Noorse koopvaardijvloot werd gedurende dc cerste

zes ma.nden van dit jaar met 60 schepen met een totaal
draagvermôgen van c. 533.370 ton uitgebreid, terwijl op
1 Juli jI. nog 190 schepen met een totaal draagvermogen
van meer dan 2.216.950 ton, te vermeerderen met circa

10.800 BRT voor Noorse rekening in aanbouw waren. De

tabellen A en B geven een overzicht van de gedurende
het eerste halfjaar voor Noorse rekening gereed gekomen
en der op 1 Juli ji. nog in aanbouw zijnde tonnage.

Bovendien zijn in Denemarken drie passagier’sschepen
en in Noorwegen één passègiersschip, alle van kleiner type
en met een totale inhoud van circa 10800 BRT voor
Noorse rekening in aanbouw. Zoals ‘uit bovenstaande

tabellen blijkt, vetegenwooi’digen de gereedgekomen, resj.
nog in aanbouw zijnde, schepen voor de algemene vracht-
• vaart slechts een betrekkelijk bescheiden percentage van

de totaalcijfers, terwijl de schepen bovendien van kleiner
type zijn. De bestaande monetaire i’estricties zijn oorzaak, dat door Noorse rederijen in meerdere mate dan tot dusver

opdrachten bij Noorse werven worden geplaatst. Zo w’erden
o.a. twee tankers met een di’aagvermogen van ca 18.000
ton elk in Noorwegen besteld; dit zijn tot dusver de groot-ste schepën, welke in Noorwegen, waar de werven zich in
het verleden meer in het bijzonder op-de bouw van schepen
van kleiner type toelegden, werden gebouwd.

De w’ederophouw van de Italiaanse koopvaardijvloot
maakt gestadige vorderingen. Onderstaande tabel geeft

de uitbreiding weer, die sedert het einde van de oorlog tot eind 1949 aan de vloot werd gegeven, waarbij er op dient te w’orden gewezen, dat van de 3.449.000 BRT grote Ita-

liaanse koopvaardijvloot in 1945 nog slechts ca 373.167
BRT resteerden.

aantal
schepen
henaclerdc
bruto inhoud

vloot beschikbaar op
8
Mei
1945
231
373.167
111
193.615
nieuw

gebouwd.

…………..
198
202.318
aangekocht uit het buitenland
197
648.962

geborgen

…………………..

teruggegçvcn schepen en in Anie- rika

aangekochte

,,Libarl
y”,

..

‘F2
en
Na
schepen
151
1.106.697
Totaal

………………..
..
888
2.524.739

26.000

2

6.000

11

118.600
41.500

. –

48

,797.050

6

96.000 126.550

29

98.950

3

5.950

74

467.300 74.550

1

2.900

– 47

738.000 68.600
1

29

1

98.950

1

6

1

14.850

1
186

12.216.950
De samenstellling der vloot op 1 J4nuai’i ji., vergeleken
met die op 1 Januari 1940, blijkt uit de volgende tabel.

1
Januari
1940

1
Januari
1950

Scheepstype

aantal
schepeli

BRT

schepen ,

BRT

Gecombineerde
passagiers-
vrachtschepen

167

985.562

53

413.850

‘rankschepen

92

.458.692

70

499.692

Vrachtschepen

412

1.802.959

283

1.455.915
Totaal

671

3.247.213

406

2.369.457

Uit bovenstaande gegevens blijkt, dat Italië met grote

voortvarendheid aan de w’ederopbouw van zijn koopvaardij-
vloot heeft gewerkt, al moet er op w’orden gewezen, dat
rond 55 pCi der huidige vloot uit tijdens de oorlog in

Amerika.gebouwde, en een niet onaanzienlijk percentage
van het restant; uit oude schepen béstaat.

De jongste gebeurtenissen o’p het wereldtoneel en de

daaruit voortgevloeid e herbewapen ing hebben, zoals be-
kend, tot een vrij scherpe stijging der prijzen vah ecn
aantal grondstôffen geleid. Ook de staalprijzen zijn opge-
lopen en werven, die enkele maanden geleden bereid waren
tegen vaste prijzen te contracteren, zien zich wederom
gênoopt hij het onderhandelen omtrent nieuwe opdrachten
te conditionneren, dat eventuele verhogingen der materiaal-
prijzen en lonen voor rekening der opdrachtgevers komen.

Een stap achteruit derhalve öp.dé weg naar moer stabiele verhoudingen, hetgeen men slechts kan betreuren.
Concluderend kan worden vastgesteld, dat gedurende
het afgelopen halfjaar de nieuwe opdrachten in . ruimer
mate hebben gevloeid, zodat een aantal werven zowel hier
te lande als elders voorshands ruimschoots van werk zijn

voorzien. ‘De vci’dere ontw’ikkeling is uiteraard geheel
– afhankelijk van de algemene liolitieke situatie, die op-
nieuw haar stempel drukt op de economische constellatie.

Rotterdam.
C. VERMEY.

INKOMENSVERDELING 1948.

Onlangs heeft het Centraal Bureau voor de Statstïek
een aantal belangwekkende gegevens gepubliceerd betref-
fende de inkomensverdeling voor het jaar 1.948
1
).
Deze gegevens zijn vastgesteld door middel van een, in
samenwerking van genoemd bureau met de belastingdienst,

genomen steekproef. Daar het voor de eerste maal is, dat
dit hu’reau hij het verzamelen en publicbren van belasting-
cijfers var een steekproef gebruik maakt, is het wel van
belang eens in hel: kort na te gaan:
‘) Mcd cd
ding no.
, 5064
In kooi ensve rcli:l ing
1 948
(vourlo
1
ge
Cijfers).

30 Augslus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICH1
4
EN

697

le. hoe cle verzameling dezer gegevens voordien plaats-

vond;
2e. \’,raaroni tot het nemen van een steekproef is over-

gegaan, en


3e. in hoeverre deze steekproef van invloed kan zijn

op de bewerking over volgende jaren..

ad 1. Sinds de invoering van de Rijksinkomstenhc-
lasting op 1 Mei 1915 konden tot 1941 jaarlijks een aantal

bijzonderheden vorden gepubliceerd betreffende de in deze

belasting opgelegde aanslagen. 1-let belangrijkste ge-
geven was steeds de verdeling van het aantal aange-slageneh naar de hoegrootheid van het inkomen. Uit
een algemeen economisch oogpunt bestond steeds de

grootste belangstelling naar de inkomensrerdeling voor

het gehele land, doch vooral voor marktanalytische doel-
einden, was ook steeds veel vraag naar overeenkomstige gegevens voor pro
inciën, economisch-geografische ge-

bieden of afzonderlijke gemeenten. Dezd statistiek werd

tot 1941 in hoofdzaak samengesteld op de inspectiekanto-

ren der belastingen, zodat het Centraal Bureau voor de
Statistiek kon volstaan met samenvoeging van de uit-

komsten der verschillende inspecties tot regionale ge-

bieden. –

De invoering van de nieuwe inkomstenbelasting en de

loonbelasting’ op 1 Januari 1941 maakte aan deze weik-
methode een eind. Over dit jaar ontving genioemd bureau
voor elke persoon, ‘die op de – beschrijvingslijsten der
inkomsten belasting voorkwam, een formulier, waarop
alle gegevens vermeld waren, welke voor de statistiek
nodig waren. Met deze centi’aiisatie ging ook uitbrei-ding gepaad van het aantal gegevens. Zo kwamenook
gegevens beschikbaar van de personen, wier inkomen in
verband niet het aantal kinderen, waarvoor kinderaftrek

werd verleend, beneden de helastinggrens viel. Tevens
werd voor elke belastingplichtige melding gemaakt van
het hoofdhedi’ijf, waarin hij werkzaam was, waardoor het
mogelijk werd het aantal belastingplichtigen en het bedrag
hunner inkomens te rangschikken naai’ de bedrijfsklassen.
Ook kwamen vooi’ de personen met een inkomen van min-

stens
f
10.000 gegevens beschikbaar betreffende de bestand-

delen van de inkomens.

Bovendien werden aan het Centraal Bureau voor cle

Statistiek alle loonbelastingkaarten toegezonden vaii de
personen, wQlke niet’voor een aanslag in de inkomsten-
belasting in aanmerking kwamen, omdat zij uitsluitend
in loondienst waren en hun zuiver inkomen niet meer dan

f4.000 bedroeg, ,of hun onzuiver inkomen voor minder
dan t 4.000 bestond uit loon en voor hoogstens f200uit

anclei’e bestanddelen.
De bew’erking van deze gegevens vond plaats door
gebruikmaking van cle bij dit bureau iii gebi’uik zijnde
liollcrith-installatie. Dc gegevens van ruim 2,8 millioen

beldstingplichtigen werden
01)
ponskaarteri overgebracht,
waarna de uitkomsten met behulp van electrische sorteer-
en tabel leermachines kdnclen voi’clen vastgesteld.
De vele zich tijdens. de oorlog voordoende moeilijk-

lieden hadden tot gevolg, dat in de vaststelling van de
resultaten van de statistiek over het eei’ste jaar na boven-
genoemde reorganisatie grote vertraging ontstond. \VeI
werden de uitkomsten vastgelegd op enke1e duizenden

w’erkstaten, doch tot publicering in uitgebreide vorm werd
niet overgegaan. Volstaan werd met publicering van de
inkomensverdeling vbor het gehele Rijk (o.a. in het Sta-
tistisch Zakhoek 1947-1948), terwijl een aantal andere
gegevens zal worden gepubliceerd in de binnenkort-ver-
schijnende Statistiek der Rijksfinanciën 1945-1949. Hoewel
ook deze gegevens zich merendeels beperken tot die van
het gehele land, doen zij toch op eenvoudige wijze zien,
\\’elke statistische gegevens ook voor de volgende jaren
beschikbaar komen. 1 feL behoeft nauwelijks gezegd, dat
bovengenoemde werkstaten liet mogelijk maken vele der
bij het Centraal Bureau voor de Statistiek binnenkomende

vragen om meer uitvoerige gegevens te beantwooi’den.

In overleg met liet Ministerie van Financiën is heslofen,

dat in verband met de mindere betrouwbaarheid de sta-

tistiek der inkomens niet zal worden bewerkt over de ooi’-

logsjai’en 1942 tot en mét 1945.

Van 1946 af wordt een andere werkwijze ingevoerd.

Genoemd Ministerie is in :1947 overgegaan tot oprichting

van een ponskaartencenti’ale, waar een proef zou woiden

genomen met de combinering van de aanslagregelin met
de statistische bewerking clet’ gegevens., lIet Centraal

Bureau voor de Statistiek blijft de ioonhelastingkaarten bewerken van de belastingplichtigen, die niet op de be-
schrijvingsl ijsten dci’ inkomstenbelasting voorkomen. Het
ontvangt verder de op genoemde centrale gemaakte pons-

kaai’ten
dci’
inkomstenbelasting, waarin behalve de gege-

vens voor cle aanslag ook de nodige statistische bijzonder-
heden zijn vastgelegd. Het is hierdoor in staat de statisti-
sche bewerking in behandeling te nemen zowel van de

ponskaarten dci’ loonbelasting als ,van die der inkomsten-

belasting, waarna door samentelling de statistiek der in-
komens woi’dt verkregen.

De combinering van de aanslagregeling der inkomsten
belasting ovei’ 1946 en 1947, een der maati’egelen genomen
om de achterstand hij de belastingdienst geleidelijk in te
halen, is oorzaak, dat het Centraal Bureau voor de Sta-
tistiek,eerst tegen liet eind van 1950 de laatste ponskaai’ten
der inkomstenbelasting kan verwachten en tot, afsluiting

der statistiek kan overgaan, liet gevolg hiervan is;’ dat de
definitieve uitkomsten van de statistiek der inkomens over
1946 op zijn vroegst in de eerste maanden van 1951 kunnen
worden vastgesteld. Voor vele gebi’uikers van deze statistiek

wel een grote teleurstelling. –

ad 2. in verband niet de ‘vooddurende ‘vi’agen naar
gegevens betreffende de inkomensverdeling over een na-

oorlogsjaar is het• denkbeeld gerezen of het niet moge-
lijk zou zijn in afwachting van dé definitieve i’esu!taten
over 1948 reeds thans over dit jaai’ enkele voorlopige
gegevens ‘te bewerken, welke niet gebaseerd zouden zijn
op de dooi’ de belastingdienst vastgestelde inkomens, maar
op dle door de belastingplichtigen gedane aangiften. Voor –
deze bewerking zou het dan niet nodig zijn te beschikken
over de gegevens van alle belastingplichtigen. Volstaan zou
kunnen worden met een representatieve steekproef vân dn-
geveer 0,6 pCt van alle op de beschrijvingslijsten der inkom-
stenheiksting voorkorneiide personen. liet Ministerie van
Financiën was tot volle mêdewerking hei’eicl en gaf voor elke

belastinginspectie uitdrukkelijke voorschriften, op welke
w’ijze de namen zouden worden bepaald van 0,6 pCI der tot
de inspectie behorende belastingplichtigen. hierdoor werd
bereikt, dat deze steekproef zo zuiver mogelijk een afspiege-
ling zou zijn van het beeld, dat verkregen zou zijn hij be-
werking van de gegevens van alle belastingplichtigen. Van
elk der 10.000 in deze steekproef vallendé personen moest
aan het Centraal Bureau voor deStatistiel opgave worden
gedaan van het hoofdhedrijf, waarin hij werkzaam is en
van het zuivere inkomen, dat hij op zijn aangiftebiljet dci’
inkomstenbelasting voor het jaar 1948 had ingevuld of
dat op het beschrijvingsbiljet voor deze belasting w’erd
vermeld. Teneinde de bewefking niet te vei’ti’agen mocht,
indien de belastingplichtige vooi’ dit jaar nog geen aangifte

had gedaan, invulling plaatshebben van het zuivere in-
komen volgens de voorlopige aangifte voor 1948 (vermeld
op het aangiftebiljet voor 1947) of, indien ook dit gegeven
ontbrak, vén het inkomen volgens de,definitieve aanslag

of de definitieve aangifte voor 1947. –
Op de heschrijvingslijstcn der inkomstenbelasting zullen

vbor het jaar 1948 omstreeks 1.664.500 pei’sonen voorko-
men. ])oor vermenigvuldiging van de uitkomsten der steek-
1.664.500
proef niet de breuk

kon dus een raming worden.

gemaakt van de vei’delirig van bovengcnoemdepersonen

r

698

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

30 ‘Augustus 1950

over de inkomensgroepen en de bedrijfsklassen, waarin zij
werkzaam zijn.

De aldus verkregen aantallen zijn evenwel voor de lagere

inkomensgroepen te klein, omdat in’deze groepen zich veel

personen bevinden, die uitsluitend in loondienst zijn en

daarom niet voorkomen op de beschrijvingslijsten der
inkomstenbelasting. Het was dus nodig voor deze per-

sonen een tweede steekproef op te zetten. Het stuitte even-

wel op té grote bezwaren om deze steekproef te nemen met
behulp van de loonbelastingkaarten over 1948, daar niet
op
1
eenvoudige wijze kon worden bepaald van welke be-
lastingplichtigen de gegevens vooi de steekproef moeten

worden genomen. Daarom moest een andere weg worden

gevolgd. Allereerst werd uit de loonbelastingp]ichtigen

over 1946, waarvan alle gegévens op, bij het Centraal

Bureau voor de Statistiek aanwezige, ponsslips beschikbaar

waren, een zo zuiver mogelijke steekproef genomen, welke

7.000 personen omvatte. Nadat voor elke bedrijfsklasse

het cijfer was vastgesteld, dat de gemiddelde toeneming
der lonen van 1946 oli 1948 aangaf, werd met behulp hier-

van het loon voor elke belastingplichtige omgerekend en
kon voor deze 7.000 personen eveneens de verdeling naar

inkomensgroepen plaatshebben. Vervolgens werd zo goed

mogelijk het vermoedelijk aantal loonbelastingplichtigen
over 1948 geraamd (2.342.200), waarna’door omrekening

voor deze personen eveneens de inkomensverdeling kon
worden vastgesteld.

Door samentelling van de aldus verkregen ramingen

voor de inkomsten- en de loonbelasting zijn tenslotte de

voorlopige uitkomsten van de inkomensverdeling over
1948 bepaald, welke in tabel 1 op blz. 699 zijn vermeld.

In deze tabel zijn de cijfers over 1948 gesteld naast die
over 1941. Allereerst valt op de sterke stijging zowel van
het aantal belastingplichtigen als van het bedrag huiiner
inkomens. Terwijl het aantal belastingplichtigen steeg met
41 pCt is het bedrag hunner inkomens ongeveer verdub-

beld. In verband hiermede is het gemiddelde inkomen per
belastingplichtige gestegen van £1.637 over 1941 tot f 2.319

over 1948. Deze grote stijging is’ in hoofdzaak het gevolg

van de loonsverhogingen. Zowel bij de laagste als hij de
hoogste groepen komen evenwel dalingen voor. Zo is het aantal belastingplichtigen mét inkomens beneden f 2.000
en ‘van minstens f50.000 gedaald met resp. ruim 3 en
bijna 10 pCt. Daarentegen is het aantal personen met

inkomens, van f 2.000 tot f 50.000 sterk gestegen en wel
met 237 pCt. Beziet men de in de tabel vermelde vei’hou-
dingscijfers dan blijkt, dat over 1941 nog 82 pCt van alle
belastingplichtigen een lager inkomen had dan f 2.000.
Dit percentage is gedaald tot 56 over 1948. FIet gezamen-
lijke inkomen dezer personen is gedaald van 46 pCt tot
22 pCt van het totaal van alle inkomens.

Het aantal personen met een inkomeii van minstens
1 10.000 is van 1941 op 1948 slechts gestegen van 1,3 pCt tot 1,7 pCt van alle belastingplichtigen. 1-let totaal hunner
inkomens is evenwel gedaald an 18 pCt tot 15 pCt van het totaal van alle inkomens. Daarentegen is het aantal
belastingplichtigen met inkomens van f 2.000 tot flO.000
van 1941 op 1948 gestegen van 17 pCt tot 42 pCt van alle
belastingplichtigen. 1-lun gezamenlijk inkomen is gestegen

van 36 pCt tot 63 pCt van het totaal van alle inkomens.
Een sterke concentratie der inkomens heeft zich dus vol-
trokken, welke vooral tot uitdrukking komt in de groep
belastingplichtigen met inkomens van f 2.000 tot f 5.000.
Deze concentratie vindt haar verklaring hierin, dat de
stijging,van het loonpeil voor de lagere loonklassen van
meer belang is geweest dai voor de hogere klassen, dat de
stijging van het ondernemersinkomen als regel d.armee
geen gelijke tred heeft gehouden en dat bij de uit vermogen
verkregen inkomens en hij de pensioenen vrijwel geen
sprake is geweest van stijging. Indien o’ver 1941 een meer
uitvoerige inkomensverdeling ter beschikking stond, zou

ongetwijfeld een en ander nog duidelijker blijken.

In’ een tweede tabel zijn. dezelfde belastingplichtigen

gerangschikt naar het hoofdbedrijf, waarin zij werkzaani
zijn. Hierbij zij opgemerkt; dat bij personen met meer dan

één dienstbetrekking uitsluitend rekening gehouden is met

de betrekkking, welke de hoogste inkomsten heeft opgege-

ven. De aandacht zij er uitdrukkelijk op gevestigd, dat d

bedragen der inkomens niet uitsluitend betrekking hebben
op de uit bedrijf of beroep verkregen inkomsten, doch dat

daarin tevens begrepen zijn de op andere wijze verkregen
inkomsten van meer dan £ 200 (inkomsten uit goederen,
uit roerend kapitaal enz.).

In de gevallen, dat deze overige inkomsten evenwel
hoger waren dan de uit bedrijf of beroep verkregen inkom-

sten, is de belastingplichtige toch gerangschikt naar het

bedrijf, waarin hij werkzaam was. (zie tabel II).

Bij elke klasse is melding gemaakt van het gemiddelde
inkomen per belastingplichtige over 1941 en 1948. In

klasse XXVIII zijn alleen de losse werklieden begrepen,

welke niet in een bepaald bedrijf werkzaam zijn. In klasse

XXIX zijn ook de gepensionneerden en de renteniers be-
grepen. Voor alle bedrijfsklassen is het aantal belasting-

plichtigen van 1941 op 1948 gestegen (behalve voor de

klassen XXYIII (losse werklieden) en XXX (beroej of

bedrijf onbelend)). Met uitzondering van laatstgenoemde
klasse is ook het bedrag der inkomens voor elke hedrijfs-

klasse gestegen.

1-let hoogste gemiddelde inkomen per belastingplichtige

treft men aan bij bedrijfsidasse XXII (crediet- en bank-
wezen) en wel f 3.051 over 1941 en f 6.976 over 1948, het
laagste gemiddelde inkomen bij bedrijfsklasse XXVII

(huiselijke diensten) over deze]fde jaren resp. f 469 en

De in tabel II vermelde gegevens zijn in tabel III nog

eens samengevoegd tot enkele gröepen van bedrijfsklassen.

In de verdeling der belastingplichtigen over de verschil-
lende bedrijfsgroepen zijn geen grote veranderingen ge-
komen. Het aandeel van de personen, die in de industrie

werkzaam zijn, is gestegen van 36 pCt over 1941 tot
37 pCt over 1948. De betrekkelijk heterogene groep van
de overige bedrijven en beroepen (waarin de overheids-
diensten en de Vrije beroepen de belangrijkste plaats in-

nemen) is gestegen van 16 pCt tot 18 pCt. De personen

zonder beroep (waaronder de gepensionneerden en de ren-
teniers) en die, welke bij het crediet-, bank- en verzekerings-
wezen hun bestaan vinden, vormen overbeide jaren respec-
tievelijk 10 pCt en 2 pCt van het totaal aantal belasting-

plichtigen. Het aantal van de personen in de landbouw
of visserij werkzaam is teruggelopen van 15 pCt tot 13 pCt
en van hen, die de handel of het verkeer dienen, van 21 pCt
tot 20 pCt.

Het gemiddelde inkomen per belastingplichtige is het
hoogst voor d6 personen, die bij het crediet-, bank- of
verzekeringswezen werkzaam zijn (f 2.611 over 1941 en
£ 4.942 over 1948)
1
. Het laagste bedrag wordt over 1941
nog aangetroffen bij de persônen in de landbouw of Visserij
werkzaain (f 1.434), doch over 1948 bij de personen zonder
beroep (f1.686). Alleen voor laatstgenoemde groep van
personen is het gemiddelde inkomen over 1941 hoger dan
over 1948. Voor de andere groepen is het gemiddelde in-

komen van 1941 op 1948 gestegen. Vooral voor de betrek-
kelijk kleine groep personen, die in het crediet-, bank- of
verzekeringswezen hun bestaan vinden, is deze stijging
al zeer sterk.

ad 3. De door niddel van bovenvermelde steekproef
ioor 1948. op betrekkelijk eenvoudige wijze verkregen
gegevens zijn zo belangrijk, dat het gewenst is ook voor volgende jaren deze steekproef te herhalen. Vooraf lijkt
het mij evenwel gewenst, dat wordt nagegaan of de uit-

130 Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

/

699

TABEL .1. Verdeling der inkomens naar inkomensgroepen.

Inkomensgroe
.

.

Absolute cijfers
In pCi van het totaal

1941

.
Raming 1948
1941

Aantal

Bedrag

belasting-

der

plichtigen

inkomens

Raming 1948

Aantal
belasting-
plichtigen
Bedrag
der
inkOmens

Aantal
belasting- plichtigen

Bedrag der
inkomens

Aantal
belasting-
plichtigen

Bedrag der
inkomens

Beneden

f

1
.000

…………..

x 1000

t
.270,7

)< f 1 mln

677
x

1.000 1.244,1

x f 1 mln

557
44,8
14,6

,
31,1
6,0
1.038,7
1.431
985,6 1.483
36,6
30,8 24,6
16,0
t

2.000

<

f

5.000

………….’
416,2
1.182
1.477,1
.4.306 14,6
25,4
36,9
.

46,4
76,1
505
229,4
1.516
2,7
10,9
5,7
16,3

1.000

.(

f

2.000

……………

25,0

..

335
51,1
680
0,9
7,2
1,3
7,3
5.000

<.

f

10.000

……………

9,3 268
17,2
505
0,3
5,8 0,4 5,4

10.000


20.000

……………

20.000

<

T

50.000

……………
1,8
115 1,7
113
0,1
2,5 0,0
1,2

f50.000

<

f100.000

….
…………
m

f100.000 en

eer
0,6
1

132
0,5
130
0,0

‘ 2,8 0,0
1,4

Nederland

……………. . …

.2.838,4

1

4.645

4.006,7

9.290

1

100,-

1

100,-

100,-

100,-

TABEL II.
Vedeltng der tnkonzens naar bedrtjfsklassen.

Bed rij Isklasse

Absolute cijfers
Gemiddeld inkomen
per belasLingplichtig
1941

.
Raming 1948

Aantal
belasting- plichtigen
Bedrag
der
inkomens,

Aantal
belasting-
plichxigen

Bedrag
der
inkomens
1941
amin
19/8

T

Vervaardiging van aardewerk, glas, kalk, stenen
x 1.000

29,5

x f1 mln

32

x 1.000

41,0
x f1 mln

75

f1.090 f1.842
11

Bewerking van diamant en andere edelstenen
1

1
2
2,0
12
,, 2.162
5.785
.
22,0
36
31,8
76
,,

1.631
2.391
IV.

Bomvnijverheid en aanverwante bedrijven
248,6 342
305,8
639
,, 1.373
2.089
51
44,3
101
,, 2.071
2.278
58

,
68,9

132
,,

1.446
1.913
105
133,3
212
,, 1.195
1.587
0,7
1
2,9
.

5
,,

1.610
.

1.750
49
59,8
119
,, 1.472
1.9 92
uw
87
65,2
187
,,

1.550
2.866
X

Mijnbo,

veenderijen,

eni
.
……………………56,4
XI-XIII Metaalnijverheid, scheeps-, vliegtuig- en wagenbouw
212,6
.

313
337,6
.
723
,, 1.473′
2.143
18,1
25
22,7
,

47
,,

1.400
2.054
XV

Texticlniiverheicl

………….. .
………………
71,3
94

,
92,8
214
,, 1.322
2.310
XVI

Gas-, eleetriciteits- en waterleidingbedrijven
24,6
40
32,2
87
.
,,

1.612
2.692

VII

Kleding

en

reiniging

………………………..87,6

XVII

Bereiding van voedings- en genotmiddelen
156,8
239
226,6
506
,,

1.526
2.231

III

.

Grafische

nijverheid,

fotografie

……………….

Viii

Kunstnijverheid

…………………………….
IX

Leder-, wasdoek-, rubbernijverheid

……………..33,5

420,1
599
524,2
1.079
,, 1.425
2.058

V

Chemische

nijverheid

…………………………24,8
VI

Bewerking van

hout,

kurk, Stro

………………

..40,1

7,3
15
15,7
47
,, 1.992
2.981
XX

Handel

………………………………….
827
459,2 1.312
,, 2.274
2.857
227,1
354
334,7
849
,,

1.558
2.537

XIV

Papiernijverheid

…………………………….

XVIII

Landbouw

…………………………………

74
36,3
253
,, 3.051
6.976

XIX

Visserij

en

jacht

………………………………

XXI

Verkeer

…………………………………..
36
.3,6

..

55
41,6
132
,, 2.186
3.171
XXIV

Overige bedrijven, overh

v
eidsdiensten,

rije beroepen
255,2
477
509,8
1.342
,, 1.869
2.633
XXV

Onderwijs

……………………………….
64,1
129
103,5
349
,, 2.013
3.375

XXII

Crediet-

en

bankwezen

………………………24,2
XXIII

Verzekeringswezeri

………………………….25,1

XXVI

Eredienst

……………………………… …
H
10,3
22 32
14,0 70,3
38 38
,, 2.164
,,

469
,, 2.727
53
XXVII

uiselijke

diensten

………………………….67,3
XXVIII Losse

werklieden

……………………………18,5

..

296,8
18
517
17,4
399,9
28
674
,,

975
,, L743
,,

1.611
1.686
XXIX

Zonder

beroep

……………………………..
XXX

Beroep of bedrijf onbekend
31,1
52
13,2
14
,, 1.683
,, 1.035
Nederland

……………………………..2.838,4

1

4.645

1

4.006,7

1

9.290

1.637

2.319

TABEL III.
Verdeling der inkomens naizr enkele groepen van bedrijfsklassen.

Absolute cijfers Gemiddeld inkomen
per belastingplichtige
1961
Raming 1948

Aantal
belasting- plichtigen

Groep van bedrijfsklassen

Bedrag
der
inkomens

Aantal
belasting- plichtigen

Bedrag
der
inkomens
1941
R’tmin
1948

x 1000
x f1 mln
x 1.000
x f1 mln
I-XVII

Industrie

……………………….
……….
1.027,7
1.475
1.466,9
3.134,
f1.436
f 2.137
……
427,4
613
539,9
1.126
,, 1.434
2.085
.

‘590,7
1.181
793,8
2.161
,,

1.999
,, 2.722
XVIII en XIX Landbouw en visserij

……………..
XX

en

XXI

handel en

verkeer

………………………
XXII en XXIII Credliet-, bank- en verzekeringswezen
49,3
129
77,9
385
,, 2.611
,, 4.942
XXIV-XXVIII en XXX Overige bedrijven en beroepen ..
446,5
730
728,3
.

1.810
,, 1.635 ,, 2.485
XXIX

Zonder beroep’
296,8
517
399,9
674
,, 1.743
,, 1.686

Nederland

…………………………….

.
2.838,4

1

4.645

4.006,7

9.290

1

f1.637

T 2.319

komst der steekproef voldoende betrouwbaar is geweest,
mentrekkers voldoende nauwkeurig is geweest en 3e. of dan wel, of in de opzet wijziging moet worden gebracht.
bet betrekkelijk kleine aantal personen met hoge inkomens
e voorlopige gegevens

oor 1948 verge-
Hiertoe zullen dez


representatief in de steèkproef voorkomt. Blijkt de wijze
leken moeten worden met de gegevens, welke gegrond
van bewerking der steekproef verantwoord, dan is hiermee
zijn op de definitieve aanslagen in de inkomstenbelasting
een middel gevonden om op korte termijn voortaan de
voor dit jaar en de genoten lonen volgens de loonbelasting-
beschikking te verkrijgen over recente gegevens betreffende
kaarten van hen, die niet in de inkemstenbelasting vallen. de inkomensverdeling, welke van zo groot belang zijn bij
Met name zal dan moeten blijken: le. of bij de steekproef
de voorbereiding van allerlei maatregelen op economisch
de juiste verhouding is genomen tussen het aantal perso- of sociaal terrein.
nen, dat, uitsluitend loonbelasting betalt en het aantal
Of deze steekproef in de plaats zal kunnen komen van
pei’sonei, dat bovendien of uitsluitend in de inkomsten-
de statistische gegevens, zoals deze tot dusver worden
belasting valt; 2e. of de rarning van het totaal aantal inko-
verzameld uit het volledige grondmateriaal der loon- en

700

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

‘ 30 Augustus 1950

inkomstenbelasting? Ik meen stellig, dat deze vraag ont-

kennend moet worden beantwoord. In het gunstigste geval

zal de steekproef regente gegevens kunnen verschaffen
betreffende de inkomensverdeling, welke voor het gehele
land geldt. Dit is evenwel niet voldoende. Provinciale cii

gemeentebesturen wensen voor allerlei doeleinden de be-

schikking te hehben oved overeenkomstigé gegevens be-

treffende bepaalde provinciën en gemeenten.

Ook uit kringen van industrie en handel komen voort-

durend vragen betreffende de inkomensverdeling voor

afzonderlij ke gemeenten, econ omiscii -geografische gebie-

den of op andere wijze samengestelde groepen van ge-
meenten voor het bepalen van productie of het zoeken

van afzetgebied. Teneinde aan deze verlangens te voldoen

zou de steekproef dermate moeten wordenuitgebrëid, dat

zij bijna evenveel werk met zich zou brengen als de

volledige bewerking van de gegevens, van alle inkomen-

trekkers. Teneinde in de toekomst de jaarlijkse bewerking

van het zeer uitgebreide grondmateriaal der loon- den’
inkomstenbelasting, te voorkomen, verdient het aanheve-

‘ling na te gaan of het wel verantwoord is, dezeuitgebreicle

bewerking jaarlijks te doen plaatshebben en of met deze
bewerking slechts hijv. eens in de vijf jaren niet volstaan

zou kunnen worden. Vodr de tussenliggende jaren zou dan

volstaan moeten worden met, een steekproef zoals ‘hiër-

boven beschreven, dié dan evenwel slechts een inzicht

geeft in de inkomensverdeling voor het gehele land.

Er kunnen nog meer vragen worden gesteld. Is het niet

gewenst, dat ook stéekproeven worden genomen, waardoor
recente gegevens beschikbaar komen betreffende de in-
deling der vermogens? Zoudén verder op soortgelijke w’ijze

geen bruikbare gegevens verzameld kunnen worden he-
treffe’nde de bestanddelen der .inkomens en vermogens en

betreffende de leeftijd der belastingplichtigen? Dient ook

niet eens overwogen te worden of het,.’ nioeIijk is’ door middel van een steekproef wat meer to weten te komen

over dc gezinsinkomens?
\Tooial
bij de lagere inkomens

blijken vele kleintjés vaak één grote te maken. Op deze
en nog andere te stellen vragen zullen de statistici in over-

leg met de conumenten van de statistiek der inkomens

en vermogens binnen niet al td lange tijd een antwoord
moeten zoeken.

‘s-Gravenhage.

,

.1.
D.
A. VISSER.

HET INDEXCIJFER VAN DE ARBEIDS-

PRODUCT! VITEIT.

In zijn artikel Over de meting.van cle arbeidsproduc-
tiviteit”
1)
geeft Dr Ii. Rijken van Olst de volgende
omschrijving van de l)erekening vail het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit: ,,De arbeidsproductiviteit in de
industrie wordt berekend door een vergelijking te makën
tussen de indexcijfers over de omvang van de productie
‘en de indexcijfers van de personeelsbezetting, die beide op
basis 1938 = 100 berekend worden. 1-let indexcijfer van
de omvang van de productie wordt berekend aan de hanc[ van productie-inexcijfers van een groot aantal producten.
liet indexcijfer van de personeelsbezetting is afgeleid uit
de personeelsgeg&ens van ca 10.000 industriële onder-
nemingen. Deze cijfers omvatten het gehele personeel van
de, ondernemingen, ‘dus ook het administratieve p&rsoneei.
Door vergelijking van beide indexcijfers wordt de arheids-
productiviteit bepaald’…..

.
Onder het begrip arbeidsproductiviteit zal moeten wor-
den verstaan de productiviteit van de arbeid, welke be-
paald wordt door de volgende drie factoren: de prestaties

vande arbeiders, de mate van mechanisatie en de efficiency
van do bedri.jfsorganisatie.
De grootte van de arheiclsprocl ic.l i vi ei, word t hepial(l

‘)
in ,,E.-S.]1.” van 28 ,Tuni 1950.

door de drie genoemde factoren. Wijziging in één ”an deze

diie factoren heeft een verandering in de grootte van cle

arheidsproductiviteit tot gevolg, liet vergelijken van de
arbeidsprocluctivïteit op verschillende tijdstippen heeft

tot doel vast te stellen in welke mate de productie per

arbeider wijziging heeft ondei’gaan. De bo’engenoemde omschrijving van de berekening van het indexeijfer van

de, arbeidspr’oductiviteit door het C.B.S. heeft de in de

vorige zin genoemde vergelijking tot doel.

Men zal er echter zorg voor moeten dragen, dat bij het

vaststellen van de grootte van de arbeïdsproductiviteit
op de verschillende tijdstippen alleen de drie factoren,
welke de grootte van de arbeidsproductiviteit bepalen,

hun invloed doen gelden en dat allerlei andere factoren,

welke geen verband ,houden met deze drie, geen
invloed hebben
01)
de berekening. Dit laatste is echter hij
de doiir het C.B.S. gevolgde methode niet het geval. –

liet C.B.S. gaat per bedrijfstak uit van dein een bepaalda

periode verwerkte’ hoeveelheid grondstof of de geprodu-
ceerde hoeveelheid product. In cle verschillende perioden

kan de kwalitatieve samenstelling’ van de grondstof zich

wijzigen, terwijl ook de kwalitatieve samenstelling van de
uit cle grondstoffen vervaardigde producten kan variëren
in die zin, dat de gemiddelde productie in de ene periode

arbeidsintensiever is dan in de andere. Zelfs wanneer de
productie gemeten wordt in 6enheden éindproduct, kan de kwalitatieve samenstelling aan variaties ‘onderhevig

zijn. Voor de kousen- en sokkenindustrie wordt de pro-

ductie gemeten in het aantal paren kousen en sokken.
Wijzigingen in de lengte van de sokken of kousen of wijzi-

gingen in de samenstelling als gevolg, van beschikbare
grondstoffen of wijzigingen in de vraag hebben bij het

overigens constant blijven van de drie hiervoren genoemde

factoren, welke de arbeidsproductivitbit bepalen, tot e-volg, dat hij de door het C.B.S. gevolgde methode voor

berekening van het indexcijfer, deze wijziging in de kwa-
litatieve samenstelling van cle productie een Overeenkom-

stige wijziging in het indexcijfer laat zien.
In de na-oorlogse jaren hebben de gi’ote en intense vraag

naar consumptiegoederen en het gebrek aan grondstoffen

‘tot gevolg gehad, dat in menige tak van industrie werd
gestreefd naar het behalen van een zo groot mogelijke
omzet door in de productie aan de grondstof ccii zo groot mogelijke waarde ‘toe te voegen, veelal door het vervaar-
digen van arbeidsintensieve artikelen, teneinde met de
beperkte hoeveelheid grondstof een zo groot mogelijke
werkgelegenheid te krijgen. Dit betekent, dat de kw’alita-
‘tieve samenstelling van de productie in de, na-oorlogse
jaren in grotere mate heeft bestaan uit meer arbeidsinten-
sieve artikelen dan in het jaar 1938, de hasisperiode van
het C.B.S. voor het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit.
De pioductieniiddeienindustrie is in cle naoorlogse jaren
vooral ingesteld op het’ herstel van molestschade evenals
de bouwnijverheid, zodat ook daar de samenstelling van
de productie anders is dan.in 1938.

Voor zover schaarste aan grondstoffen, hetzij door gd
brek aan deviezen, hetzij ,door wereldtekort, tot gevolg
heeft gehad, dat grondstoffen van, gemiddeld slechtere
kwaliteit moesten worden verwerkt, dan is dit veelal alleen mogelijk geweest door een grotere hoeveelheid arbeid. aan te wenden. Hierdoor daalt volgens de herekeningsmethode
van het C.B.S. de arbeidsproductiviteit.
De consequentie van deze mëthode van het CBS. is
dan ook, dat naarmate de ,,sellers’ market” afneemt en
omslaat in’ een ,,huyer’ market” door vermindering van
de gronclstofschaarste, het indexcijfer van de arbeidspio-
ductiviteit gaat stijgen. Immers, door de afnemende
grondstofschaarste wordt de industrie door de concurrentie

gedwongen de samenstelling van de productie in overeen-
stemming te brengen met de vraag van het publiek, ‘terwijl
tevens dc noodzaak om door de vervaardiging van meer
arbeidsintensieve artikelen een zo groot mogelijke werkge-

legenlieid te creilren komt te vervallen. De grotere I)rodll:-

77
17

r
1?

‘-

‘.’„-

30 Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

701

Lie van de arheiclsxtensieye artikelen en de kleinere pro-

ductie van arbeidsintensieve artikelen heeft een stijgiiig
van liet iridexcijfer van de arbeidsproductiviteit tot gevelg,

omdat liet C.B.S. geen rekening houdt met wijzigingen

in de kwalitatieve samnstelling.van de productie.

De veronderstelling, dat deze wijzigingen geen rolspelen,
wanneer liet indexcijfer wordt bepaald voor de gehele

Nederlandse industrie, omdat de ontwikkeling in de ene

bedrijfstak gecompenseerd wordt door die iii een andere,

is niet juist. De voor alle artikelen in cle eerste na-oorlogse

jaren bestaande ,,sellers’ market” dreef de productie in
de i-ich ting van arbeidsintensieve artikelen.
Ook in normale tijden kunnenwijzigingen in de vraag

veranderingen in de kwalitatieve samenstelling van de

productie tot gevolg hebben. ExpotindusIrieën, welke

nieuwe markten ontwikkeleii of het zwaartepunt van hun buitenlandse afzet verleggen, zullen als regel de kwalita-

tieve samenstelling van hun productie moeten wij zigen.
De na de oorlog gevi’ijzigde internationale economische

positie. van ons land brengt de noodzaak met zich, dat

industrie en landbouw zich toeleggen op de export van meer

hoogwaardige producten, waarvoor een grotere geschoold-
heid, technische kennis en veelal ook een grotere hoeveel-
heid arbeid nodig is. Wanneer deze grotere arbeidsprestatie,
hetzij om technische, hetzij• bin bedrijfseconornische rede-
nen o.a. in verband niet de optimale kostenverhoudingen,

niet gecompenseerd kan worden door een verdergaande
mechanisatie en/of een vergroting van de arbeidsefficiency,
dan is het voor een ieder, die hij het productieproces be-trokken is, na alle inspanning slechts een trieste gewaar-wording, dat het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit
daalt, omdat geen rekening is gehouden met de variatie in de kwalitatieve samenstelling van de productie.
Een wijziging in de arbeidsintensiviteit van de productie

van 10 pCt is onder de hierboven geschetste omstandig-
heden niet veel. Een dergelijke variatie betekent bij de’door
het C.B.S. gevolgde rnèthode een yariatie van 10 punten
in liet indexcijfer vande arbeidsproductiviteit en dat is
veel; wellicht hedraagt de fout in dit indexcijfer meer
dan 10 punten.

De enige methode om-per bedrijfstak een betrou”vhaar indexcijfer voor cle arbeidsproductiviteit samen te stellen
is om bij een groep van bedrijven, die eenzelfde artikel vervaardigen, vast te stellen wat de productie per man-
week van 48 uur is van ccii artikel van een bepaalde kw’ali-

tatieve samenstelling. -Uit het ‘gemiddelde van de groep
kan voor de verschillende perioden, waarin cle meting wordt
gedadni, een verhoudingscijf’er (indexeijfer) worden vast
gesteld voor iedere bedrijfstak.’
1
Uit de indexcijfers per, bedrijfstak ,kan door weging
met het aantal arbeiders, werkzaam, in iedere bedrijfstak,
een indexcijfei’ van de gehele Nederlandse industrie worden
samengesteld.
liet voordeel van dit indexcijfer is, dat het weergeeft
wat een ieder vérstaat orider het begrip arheidsproductivi-

teit. Bovendien heeft men dan een indexcijfer, dat de resul-
taten van de politiek van de Regering tot verhoging van
de arbeidsproductiviteit weergeef t. Mcii behoeft dan niet
bevreesd te zijn, dat het indexcijfer op een onjuiste wijze
gehanteerd wordt; al’zal het voor een goed begrip nood-

zakelijk zijn, dat aangegeven wordt wat de oorzaak is
van de wijzigingen in de arbeidsproductiviteit per bedrijfs-
tak. Wanneer een artikel niet meer normatief is te achteii

voor de productie van een bepaalde tak van bedrijf, dan
zal het nodig zijn pen kwalitatief anders samengesteld arti-
kel te nemen, liet is dan zeer wel mogelijk een zodanige
correctie aan te brengen, dat geen onderbreking van de
reeks van i ndexcij fers plaatsvindt.
Het vaststellen .van een indexcijfer eens per kwartaal
heeft weinig zin. De prestaties van dd nog niet volledig
gi’sclioolde arbôidei’s stijgen door een grotere niate van
geschooldlieid zeer geleidelijk. De grote stroom van on-
geschoolde arbeiders, clie na de bevrijding in cle industrie

is opgenomen, heeft cle arheidsproductiviteit gedrukt en
de stijging geremd.

Vergroting van de arbeidsproductiviteit door nieuive
productiemethoden töe te passen of door frieer moderne

machines te gebruiken, gaat,, nadat deze nieuwigheden

toepassing hebben gevonden, ook zeer geleidelijlc. ‘Dit

geldt vooral, wanneer de arbeidsproductiviteit i3’er bedrijfs-

tak wordt gemeten, onidat de verschillende bedrijven niet
alle tegelijk deze ingrijpende wijzigingen kunnen, aan-

brengen.

De bijzondere omstandigheden, welke na de bevrijding

een meer arbeidsintensieve prod uctie tot gevolg’ hebben
gehad, zoals hierboven aangegeven, spelen bij de door ons
voorgestelde methode geen rol, omdat in de verschillende

perioden de arbeidsproductiviteit bepaald wördt aan de

hand van een gestandaardiseerd artikel.

1-let vaststellen van het indexcijfer vn de arbeids-
productivit.eit eens per jaar is dan ook meer dan voldoende.

Het vaststellen van het indexcijfer volgens de door ons
voorgestelde methde houdt in,.dat administratief perso-

neel buiten beschouwing wordt gelaten evenals in het al-

gemeen ‘het p’ersoneel, dat niet direct bij de produètie van
een hdpaald artikel is betrokken.

Wij zijn ons er van bewust,- dat in het hovnstaande
het probleem van het indexcijfer yan de arbeidsproducti-
viteit behandeld is uit-bedi’ijfseconomisch oogpunt, zo
nien wil ‘hij wijze van bedrijfsvergelijking. Dr Rijken van
Olst wijst er
01),
dat de door het C.B.S. toegepaste methode
past in het gehéel van macro-economische statistieken.

Wij zijn van mening, dat de reeks van indexcijfers van de
arbeidsprbductiviteit van het C.B.S. een grote afwijking
vertoont, zodat het niet verantwoord is’ op deze reeks
enige beslissing of beoordeling te baseren. Het verdient
daarom aanbeveling dit indexcijfer hedrijfseconomisch
juist te funderen.
Arnhem,

1)r H. 1). NIJIIUTS.

INGEZONDEN STUK.

LONEN EN PBI.JZEN.

Prof, Dr J. Horring t’e ‘s-Gravenhage schrijft ons:

In het redactionele artikel ,,Lonen en prijzen’» van
2 Augustus jl. trof,ik een opmerking aan ‘over een punt
uit mijn artikel ,,Voi’mt de landbouw een struikelblok
voor de verwezenlijking van de Benelux?” van 28 Juli
1950, dat van een misvatting blijk geeft,’ die ik gaarne
zou ‘willen rechtzetten. Door de beknoptheid van de
formulering is ‘deze misvatting vermoedelijk l)ij meer
lezers ontstaan.
In het artikel ,,Lnen en prijzen” wordt opgemerkt,
dat ik in een stijging van ,de pachten in Nederland een
niiddel zie -om,het verschil in productiekosten, dat thans
bestaat tussen de Nederlandse en Belgische’ landbouw,
aanzienlijk te verkleinen. Dit middel zie ik idderdaad wel,
maar ikbeveel liet niet aan. Integendeel beveel ik juist.
aan de hoog opgelopen pachten in België te laten dalen.
De misvatting is vaai’schijnlijk veroorzaakt door mijn
opnierkng, dat-er bij de
huidige
prijzen wel ruimte is vooi’

eenzëkere pachtstijgi ng- op de
betere
gronden in Nèdei’land.
Deze partiële pachtstijging zal evenwel niet niogen resul-leren in verhoging van de prijzen der landbouwproducten.
en dus ook geen bijdrage leveren tot verniindering van het

vei’schil in pi’oductiekosten van de landbouwproducten
in ‘België en Nederland. –
Eenmaal aan liet schrijven
is
het verleidelijknog een
opmerking te maken over liet bovengenoemde artikel
naar aanleiding vn een algemeen gehouden verwijt –
dat evenwel ook mij,treft -, dat de schrijver ontsteld is
over liet gemak, waai-medc men met de gedachte van een
loonsverhoging ,speelt Ik hen mij met de schrijvem’ ten
zecrsle heviist van de ‘ernst, van de vraagstukken van de

‘1

702

1

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

.30 Augustus 1950
betalingsbalans en de werkgelegenheid. Voor deze beide
vraagstukken is mi. echter de hoogte van het reële loon-
peil doorslaggevend. De afschaffing van de subsidies op

de levensmiddelen met gelijktijdige compensatie van het
nominale loonpeil laat bet reële loonpeil gelijk.
Ik weet wel, dat de redenering is, dat de subsidies op

levensmiddelen uit de belastingen worden betaald en dis

niet als kostenfactor werken, wat wel het geval is met

verhoogde geldionen. Deze redenering heeft wel een ele-

ment van vaarheid, maar toch acht ik haar niet sterk.

Zou men ter compensatie van de afschaffing der subsidies

bijv. de omzetbriasting verlagen dan merkt men dit

direct in de productiekosten. Maar ook indien men acht,
dat de subsidies worden betaald uit belasting op de winst

van de bedrijven, moet niet over het hoofd worden gezien,

dat deze belasting meer en meer bij alle beslissingen in

het bedrijf als een winstkorting wordt verdisconteerd

en juist als een rem op de uitbreidingvan de investeringen

werkt.

Naschrift.

Wij nemen dankbaar nota vande oprierking van Prof.
Horring, dat hij het middel-van een pachtenstijging wel

ziet, maar niet aanbeveelt.

Wat de betekenis van dê lonen voor de betalingsbalans
en de werkgelegenheid betreft; verschillen wij toch wel

met hem van mening. Voor de internationale concurrentie

is o.i.- het reële loon van geen directe en het nominal.e

loon (uiteraard met de arbeidsproductiviteit en de overige

productiekosten) van doorslaggevende betekenis.

DE REDACT[E.

BOEKBËSPREKING..

Schets van het bankwezen,
door ‘Mr H. A. van Nierop,

V.U.B., uitgave de Erven F: Bohn NV., lIdarlem

1950. 224 blz.

Van het bekende boekje van Mr Van Nierop verscheen

een derde druk, waarin aan de recente ontwikkeling op het

gebied vn het bankwezen ruime aandacht is geschonken.

Het is voornamelijk gericht oli een beschrijving van het
Nederlandse bankwezen, hoewel, ook aandacht’ is ge-schonken aaft de ontwikkeling op dit terrein in andere

landen, met name Engeland en de Verenigde Staten.

Enerzijds is de inhoud beperkter dan de titel zou doen
vermoeden, omdat vrijwel uitsluitend over de centrale en
de algemene banken wordt gesproken; anderzijds wordt

echter naast de behandeling van vraagstukken op het
engere gebied van het bankwezen liggeiid, ook ruime
aandacht gewijd aan prolernen van algemene geldtheorie
en geldpolitiek en aan het internationale betalingsverkeer.
1-let eerste hoofdstuk geeft in vogelvlucht een overzicht
van de ontwikkeling van het bankwezen van de vroegste
tijden af, waarbij uit de aard der zaak de geschiedenis
van het Engelse bankwezen meer in bijzonderheden wordt

besproken. DaarDa gaat de schrijver ovr tot de behande-.
ling van het geld, waarbij hij het ontstaan van het ruil-

geld verklaart’ en de verschillende soorten ruilgeld be-
spreekt. Ook de creatie ‘aii giraal geld wordt in dit hoofd-
stuk verduidelijkt, terwijl eveneens een poging wôrdt
gedaan de geidwaarde te verklaren. Het derde hoofdstuk

is gewijd aan de internationale schuldver’effening, waarbij
uitvoerig de techniek van liet internationale betalings-
verkeer ter sprake komt, terwijl eveneens een kort overzicht

van de werkwijze van het Internationale Monetaire Fonds
wordt geboden. Hoofdstuk IV behandelt De Nederlandsche
Bank, waarbij ruime aandacht wordt geschonken aan de

Bankwet 1948, terwijl de laatste .drie hoofdstukken ‘de
techniek van het bedrijf der Nederlandse depositohanken (i.c. de handelsbanken) vrij uitvoerig beschrijven.
Uit de aard der zaak’stelt het schrijven van èen ,,schets”

zeer bepaalde eisen van beknoptheid, duidelijkheid en

overzichtelijkheid. Over het algemeen is de schrijver hierin

goed geslaagd t.a.v. de hoofdstukken, welke de geschide-

nis’en de practijk van het bankwezen behandelen. De lezer
verkrijgt een duidelijk beeld van hetgeen een bank is en doet, zowel een centrale bank als een handelsbank. Wel
ontbreekt het hier en daar aan scherpe hegripsomschrij-

vingen, en was het w’enselijk geweest, het liquiditeits-
vraagstuk meer systematisch te behandelen, maar over

het algemeen laten deze gedeelten zich goed lezen.

Enigszins anders .staat het echter met de meer theore-

tische gedeelten van het onderhavige werk. Vooral het

tweede hoofdstuk, dat over het geld handelt, voldoet mi.

niet ‘aan de eis der duidelijkheid, nog afgezien van de
juistheid der gegeven verklaringen voor liet vraagstuk

van de koopkracht van liet geld, voor begrippen als in-

flatie, deflatie, neutraal geld, enz. Hoewel de schrijver

zich bijv. duidelijk op quantiteits-theoretisch standpunt

stelt bij het geidwaardeprobleem (blz. 50 e.v.), ook al

geeft hij niet meer dan een sterk vereenvoudigde weer-
gave van de gedachten van Irving Fisher, begint hij zijn
betoog met een nogal verwarde verklaring van de prijs-

vorming der goederen, min of meer op Böhm Bawerk
geïnspireerd; zonder dat echter duidelijk wordt gema’akt,

dat de verklaring van de geldwaarde door Irving Fisher

hiervan principieel verschilt. Ook de kwestie van de

creatie van giraal geld blijkt moeilijkheden op te leveren.

De schrijver,die alleen de credietverlening als vorm van
geldcreatie behandelt, betoogt op blz. 54 e.v. uitvoerig,

hoe deze geldschepping tot stand komt. Op blz. 188.e.v.
,,bewijst” hij evenwel, dat een bank geen geld kan scheppen.

Voor de niet voldoende economisch geschoolde lezer werkt

dit alles wel zeer verwarrend.

De lezer, die kennis wil verkrijgen omtrent de werk-

wijze van De Nederlandsche Bank en van de handels-

banken, vindt in dit boekje een goede wegwijzer voor
voortgezette studie; hij zij zich echter duidelijk bewust

van de bezwaren, waaraan de geldtheoretische gedeelten
zijn -onderworpen.

Amsterdam.

DE ROOS

AANTEKENING.

ENIOE OPMERKINGEN OVER DE DEVIEZENPOSITIE VAN
NEDERLAND.

Ook dit voorjaar heef t de Minister van Financiën aan
de Tweede Kamer een Not. inake de deviezenpositie

aangeboden, ditmaal op 11 Mei. Tezamen met de reeds
eerder verschenen deviezennota’s geeft zij een uitvoerige
beschrijving van de ontwikkeling der deviezenpositie
gedurende de laatste vijf jaren. Enkele punten dezer ont-

wikkeling zullen in het onderstaande worden weergegeven,
voornamelijk aan de hand van de deviezennota’s. Daarna
zal meer in het bijzonder aandacht worden geschonken

aan de meest recente ontwikkeling op dit gebied.
Dat vooral de handelsbalans met het dollargebied em-
stige en langdurige moeilijkheden zou opleveren was reeds
in cle eerste ‘peridde na het einde vkn de oorlog duidelijk.

Uit het overzicht van de betalingsbalans van Nederland
over 1947 t/m ‘1949 (bijlage A bij de deviezennota van 11
Mei jI.) blijkt, dat de tekorten in het in US-dollars af

gewikicelde lopende betali.ngsverkeer in deze jaren achter-
eenvolgens 1 1.258 mln, 1 996 mln en 1 5,50 mln bedroegen.
Vermeerdert men deze tekorten met de dollaruitgaven
uit hoofde van credietverlening en schuldaflossing, dan

komt men tot bruto-tekorten van resp. f1.764 mln,
1 1.139 mln en 1 692 mln. Voor de betalingsbalans als
geheel waren de bruto-tekorten in deze jaren resp. f 2.566
mln, 1 1.506 mln en t 971 mln groot, hetgeen de relktieve
belangrijkheid van het dollarprobleem duidelijk aantoont. De tekorten op de lopende rekening als geheel bedroegen

30 Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

70:1

in 1947 t/m 1949 resp. f1.566 mln, f 947 mln en (236

mln
1)
.

Behalve door credieten en schenkingen van het buiten-

land werden dee tekorten gedekt door gebruikmaking

van aldaar aanwezige saldi, door goudverkopen en door de

vrijwillige (later ook gedwongen) liquidatie van Ameri-

kaanse effecten. Aan liquideerbare effecten was oorspronke-

lijk $ 571 mln aanwezig. Deze liquidatie was een der nood-

maatregelen waartoe de Regering eind 1947 ten gevolge
van de zeer slechte dollar-liquiditeitspositie moest over-

gaan. Deze laatste was op haar beurt enerzijds het gevolg’
van de hoge eisen, die het reconstructieprogramma en de

handhaving van een bepaald binnenlands consumptie-

niveau aan de dollarvoorziening stelden, anderzijds van

de toenemende terughoudehdheid der buitenlandse crediet-

gvers. De dollarvoorraad van De Nederlandsche Bank
was .hierdoor teruggelopentot $ 15 mln of f40 mln per
1 Januari 1948; de goudvoorraad bedroeg op dat tijdstip

f609 mln, –

De toewijzingen onder het Marshall-plan brachten
aanvankelijk slechts een beperkte verlichting der liqui-

diteitszorgen, daar

de rembourseringen der E.C.A. traag

verliepen. In 1949
e
werd:de in 1948 ontstane achterstand in deze remboursering grotendeels ingehaald. De, goud-
en .doilarreserve van De Nederlandsche Bank steeg mede
daardoor vbn f 470 mln per 1 Januari 1949 tot f1.005 mln
per 31 December 1949. De stijging van het guldensbedrag
dezer reserve werd verder mede veroorzâakt door de
hogere waardering ervan in guldens ten gevolge van de
devaluatie. Voor 1948 en meer nog voor 1949 kan derhalve

blijkens het voorgaande niet alleen worden gewezen op
een voortgaande afneming van het absolute dollartekort
– grotendeels verwezenlijkt door verlegging van de
dollarimport naar niet-dollarlanden — maar tevens op een
steeds ruimere ontvangst van buitenlandse hulp ter
dekking van deze tekorten, met als uiteind,elijk resultaat
een belangrijkè toeneming van de reserve.aan goud en

dollars. Niettemin blijft het dollartekort aanzienlijk,
niet alleen voor Nederland maar ook voor. de overige
O.E.E.C.-landen. De joigste deviezennota herinnert er
aan, dat het totale dollardeficit der gezamenlijke O.E.E.C.-
landen in 1947 ca $ 84 mrd bedroeg, in 1948 $ 54 mrd en
dat dit tekort voor de fiscale jaren 1949/1950, 1950/

1951. en 1951/1952 naar schatting resp. $ 44 mrd, S 3
mrd en $ 24 mrd zal bedragen. Zelfs indien dit tekort ha
afloop der E.lI.P.-hulp zou zijn teruggebracht tot
S
1 mrd,
zou het de handhaving van bepaalde deviezenrestricties
noodzakelijk.maken en daardoor een belemmering blijven
vormen voor het herstel van het multilaterale betalings-
,verkeer en mogelijk ook van de integratie der Europese

economïeën
2)

Ten aanzien van het inter-Europese handels- en betalings-
verkeer weiden de deviezennota’s onder andere uit over de
sinds 1947 geleidelijk in kracht toenemende pogingen tot
doorbreking van het bilateralisnie. In dit jaar viel namelijk
ten gevolge van de verruiming der aankoopmogelijkheden
in de sterke valutalanden een toenemend aantal gevallen
te constateren, waarin liet handelsverkeer zich ‘overmatig
eenzijdig ontwikkelde n het als tijdelijk bedoelde manipu-
latiecrediet werd gebruikt ter financiering van een per-
manent importoverschot. De geneigdheid der weinig door
de oorlog getroffen landen tot credietverlening nam ander-
zijds af, terwijl afdekking. der bilaterale tekorten door
göud of dollars steeds bezwaarlijker wdrd, daar juist
tegen het einde van 194’7 de dollarschaarste ziëh scherper
ging aftekenen. liet in 1947 tussen Frankrijk, Italië en

‘) Daar de voor 1946 gepubliceerde ëijfers
0j
een andere wijze
zijn berekend, zijn zij minder goed vergelijkbaar. Hei tekort op de
lopende rekening bedroeg in 1946 fL345 mln tegen
f1.522
mln
in 1947 (beide cijfers volgens de oude wijze van berekening).
‘) Een nadere beschouwing over dit punt gaf Prof.
S.
Postliuma
in zijn inleiding voor de sludieconferentie der Nederlandsche Eco-
nomische Hoogeschool van Juni ji. ,,Traclng a new international
balance”. Een verslag van deze studieconferentie vindt men in
,,E.-S.B.” van
28
Juni 1950, blz. 515.

de Beneluxlanden gesloten ,,compensatie-accoord” en –

meer riog het op initiatief van de O.E.E.C. tot stand ge-

komen leerste en tweede inter-Europese hetalingsaccoord (1948 resp. 1949), ‘welke beide mede berustten op de aan

de Marshall-hulp ontleende trekkingsrechten, brachten

verlichting van dez&hilaterale spanningen. De liberalisatie

van het handeisverkeer tot 60 pCt’op basis van de import
van 1948 en de totstandkoming van de Etiropese betalings-

unie waren verdere belangrijke stappen op de weg naar

geleidelijke doorbreking van het hilateralisme.

Over de te verwachten ontwikkeling der betalings-
balans in 1950 deelde de Regering in de deviezennota van
Mei ji. mede, dat het althans met betrekking tot het bruto-

betalingsbalanstekort ,,niet onredelijk schijnt, te ver-

wachten, dat er dit jaar geen slechter eindresultaat zal
worden verkregen” dan in 1949, toen dit tekort f 971
mhi bedroeg (waarvan op de lopende rekeniiig f 239 mln).

Een prognose op grond van het verloop in 1949 was overi-

gens zêer inoeilijk te geven, daar in dat jaar zeer belang-

rijke incidentele factoren hun invfoed hadden doen gelden.

In haar .Nota d.d. 15 Juli jl. naar aanleiding van het

Verslag der Commissie voor de Handelspolitiek zag de
Regering zich evenwel genoopt mede te delen, dat de ont-
wikkeling der beta1ingsbalan in het eerste halfjaar van

1950 tot een pessimistisdier verwachting aanleiding geeft.
Dit betekende, dat de Regering verwachtte, dat het’

tekort op de lop’ende rekening niet beperkt zal blijven
tot f 500 mln, zoals’aanvankelijlc was geraamd, en dat het
bruto
;
betalingsbalanstekort voor 1950 daardoor naar

verwachting de f 1 mrd zal overschrijden (de aflossingen
op dntvangen overheidscredieten kunnen voor 1950 op
f 284 mln – en de aan Indonesië te verlenen overheids-
credieten op circa f 200 mln worden geschat.
Als oorzaak van het ongunstiger worden der betalings-
balans in het eerste halfjaai’ van 1950 wordt in laatst-
genoemde nota onder andere gewezén op het effect van de
liberalisatie en dat der voorraadvorming, waardoor liet
tekort op de handelsbalans over deze periode liet tekort
in de eerste helft van 1949 met f 463 mln overtrof. In
de textielsector bijvoorbeeld was het irnportoverschot
f 282 mhi groter dan in dezelfde periode van 1949. Daar-
naast doet uiteraard ook de devaluatie haar invloed gelden.
Over de grootte van de invloed van elk dezer factoren.
meende dé Regering geen uitspraak te kunnen doen. In
hoeverrè de stijging van het prijsniveau van im- en export-
goederen, welke zich sedert de deva1utie heeft voorge-
daan, van invloed is geweest, laat zich intussen wel be-
rekenen, al is uit de beschikbare cijfers slechts de directe
invloed van deze prijsstijgingen op de waardeijfers van
in- en uitvoer af te leiden en niet de mate waarin het
volume van im- en export op deze prijshewegingen heeft
gereageerd. De hoeveelheidsveranderingen zijn immers

mede beïnvloed do’or factoren als de liberalisatie van het
handelsverkeer. Bij gelijkblijvende riiilvoet zou hij een
stijging van de im- en exportprijzen liet invoeroverschot
een vergroting uit hôofde van die prijsstijging ondergaan.
Tot Maart 1950 is de ruilvoet blijkens het verloop der
desbetreffende prijsindexcijfers, over de gehele periode
sinds de dai,aluatie gerekend,gemiddeld weinig veranderd.
In de maanden Maart, April en Mei 1950 evenwel liggen
de invoerprijzen resp. 9,4 pCt, 8,3 pCt en 10,3 pCt boven
het niveau van de overeenkomstige maanden van 1949.
Voor de uitvoerprijzen zijn deze percentages resp. 5,2,
5,1 en 31. Uit deze cijfers kan worden berekend, dat van
de toeneming van het invoeroverschot in de eerste vijf
maanden van dit jaar ten opzichte van – de overeenkom-
stige periode van liet vorige jaar ongeveer een vierde
gedeelte is toe te schrijven aan1de directe invloed van de
prijsstijgingen. Voor het overige is de toeneming van
het importoverschot het resultaat van de veranderingen
in de in- en uitgevoerde hoëveelheden ten gevolge van de
devaluatie, de liberalisatie en eventuele andere factoren.

704

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

Bo Augustus 1950

Dat de goud- en de’iriezenvoorraad van De Nederland-sche Bank ondanks het ongunstiger wordn der betalings-

balans in 1950 tot nu toe belangrijk is toegenomen, is

voor een groot deel toe te schrijven aan.de snellere rem-
hoursering door de E.C.A. Bovendien werd uit Duitsland

1 131 min geroofd goud terugontvangen (tweede allocatie

van de Commission Tripartite te Brussel), terwijl voorts

liet Interfund. zijn creditsaldo hij De .eder1andsche Bank

(opgenomen onder de ,,vrije saldo’s van vreeride circulatie-

banken”) met 194 mln verlaagde ten gunste van ‘s Rijks
Schatkist. Per 31 December ji. bedroeg deze goud- en de-

viezenvoorraad inclusief de vorderingen in guldens
01)
vreemde circulatiebanken en met aftrek van de Vrije

sido’s van vreemde circulatiebanken en de crediteuren

in ,vreemde geldsoort, 11.3GB mln. Het overeenkomstige

cijfer voor 26 Juni was 11.923 min. Naar het oordeel van

de Regering bevinden deze reserves zich niettemin nog

op een uitermate laag peil – in Mei ji. waren zij slechts

toereikend voor een importfinanciering van ca.drie maan-

den – en is een versterking ervan, onder andee met het

oog op het aflopen van de Marshall-hulp en in 1verband

met de liberalisatie van het handelsverkeer, .dringend

geboden. Dat de geringe omvang der reserves ook aan de
bestrijding van een eventuele conjuncturele werkloosheid
zeer bepaalde grënzen stelt en internationale coördinatie

der conjunctuurpolitiek thans voorwaarde is voor het

voerenener ,,full-employment” politiek, verdient overigens
niet minder de aandacht. Een politiek vdn compenseren’de

overheidsmaatregelen immers, zou, via de ondersteuning
der binnenlandse koopkracht, de invoer op een hoog peil houden, terwijl de uitvoer ten gevolge van een achteruit-gang van de wereldconjunctuur. zou teruglopen. Een on-

evenwichtige betalingsbalans zou op de duur de import

van grondstoffen en voedingsmiddelen zodanig in gevaar

kunnen brengen, daf daaruit een werkloosheid zou kunnen
groeien, ernstiger dan die ter bestrijding waarvan de

compenserende maatregelen werden genomen. In haar
recente nota. over de werkgelegenheidspolitiek heeft de

Regering op dit punt met nadruk gewezen
3).

In de deviezennota van April 1949 wordt voor het eerst

hij het, blijkens het voorgaande zeer essentiële, verband
tussen de binnenlandse monetaire ontwikkeling en de
betalingsbalans wat uitvoeriger stilgestaan, zoals ook het
jaarverslag van De Neclerlandsche Bank over 1948 op dit

punt uitdrukkelijk de aandacht’ had gevestigd. De voort-
durende toeneftiing van de hoeveelheid vi’ij geld tot medio

1948 was een
val
u
t
de voornaamste factoren waardoor de

binnenlandse koopkracht

en daarmede de vrâag naar
hier te lande vervaardigde producten (ten nadele ‘.’an de
export), evenals de drang tot import werd gestimuleerd.
De verbeterde binnenlandse monetaire situatie sindsdien

leverde een belangrijke bijdrage tot de vermindering

van het invoeroverschot.
In haar bovenvermelde nota van 15 Juli jI. geeft de
Regering als cijfersom dc verbeterde verhouding tussen

geldhoeveelheid en geidbehoefte aan te tonen, de percen-

tages, die

de geidhoeveelheid in de na-ooi’logse jaren uit-
maakte van het nationale inkomen. Deze bedroegen voor

1946 t/m 1949. achtereenvolgens 57,7, 57,6, 56,6 en 51,5,

hetgeen op een aanvankelijk geringe, doch van 1948 op
1949 zeer aanzienlijke verbetering in ,de verhouding
tussen deze twee grootheden wijst. -Als bezwaar tegen ae

hier gebezigde methode om uit het beloop van het natio-
nale inkomen de ontwikkelin’g der geldbehoefte af te leiden, noem t de Regering zelf reeds de sedert de oorlog ingetreden
verschuiving in de inkomensverdeling, welke een relatief

grotere geldbehoef te deed ontstaan. Als tweede moeilijk-
heid kan hieraan w’orclen toegevoegd, dât de geidbehoefte
niet alleen verband houdt met de omvang en de verdeling
van liet nationale inkomen, maar in’belangrijke mate ook
met de omvang van het nominale nationale vermogen,

Zie.,,
De werkgeiegeflhei€lsnOta” door Mr Dr A.
A.
van Rhijn,
in ,,E.-S.B.” van
2
Augustus
1950,
bie.
612.

waarvan steeds een grool. deel in de geldvoriri zal voi’den

aangehouden. Deze mobil ij kheid word t nog vergroo t,

doordat de verhouding tussen de in de vermogenssfeer

aangehouden gelcivoorraad en het -totale nominale ver-

mogen onder andere een functie is van de rendements-

verwachtingen ten aanzien van de verschillende beleggings-
vormen. De dooi’ de Regering genoemde percentages dienen

derhalve inet voorbehoud •te w’orden gebruikt.

Door de recente opheffing van tal van importrestricties

is de betekenis, die de interne monetaire ontwikkeling

voor de betaliogsbalans heeft, nog. belangrijk toegenomen.

liet verdient daarom bijzondere aandacht, dat de begro-
ting voor 1950 een aanmerkelijk nadelig saldo te zien

geeft, volgens officiële raming ter grootte van ca f 220

mln (waarvan overigens slechts eén deel tot geidvermeer-

dering in het binnenland zal leiden) Een andere geld-

vermeerderende factor is de toeneming der credietverlening

door de handelsbanken en de landbouwcredietinstellingen.

De 42 regelmatig aan De Nederlandsche Bank i’appor-

terende handelsbanken breidden haar credietverlening in

het eerste halfjaar van 1950 uit met 1 105 mln. Dat des-

ondanks de hoöveelheid vrij geld een vrij belangrijke ver-

mindering te zien geeft – vooi’ het eerste halfjaar van

.1950 van f 7.552 mln tot 1 7.204 mln – is voornamelijk

het gevolg van de deflatoire werking van het import-

o.ïei’schot. liet saldo op de bijzondere rekening van

‘s Rijks Schatkist bedroèg op 26 Juni ji. 1 873 min tegen

1 610 mln per .31 December 1949. Bovendien werd per 13

Maart 1950 f 275 mln van deze i’ekening overgehoekt naar
de,gew’one rekening van ‘s Rijks Schatkist. De stortingen op de ,,local currency”-rekening in het eerste halfjaar van
1950 bedroegeii derhalve in totaal f 538 mln. De devaluatie,
welke liet in guldens te. storten bedrag met ruim 43 pCt

heeft vergroot, is een der factoren ter verklaring iaii dit

hoge bedrag. lIet laatst gegeven 6jfer van 1 538 mln
geeft . overigens niet rechtstreeks de grootte van het
deflatoire effect aan, dat de Marshall-hulp in deze periode
heel t uitgeoefend. Ook iieL de veranderingen in het saldo

op de zgn. voorrekeninigeu der ,,1cal currency”-rekening
moet daartoe rekening Worden gehouden. Bovendien is

uit het verloop van de saldo’s dezer gezamenlijke rekenin-

gen alleen dan het deflatoire effect uit dezen hoofde af te lezen, indien de achterstand in de remboursering dooi’ de E.C.A. niet vei’andert
4).
Dit laatste zal, naar men mag

aannemen, in het afgelopen halfjaar evnals in 1949 juist
wel het geval zijn geweest.
Als. tweede geldverkrappende factor werkt in 1950
wederom het inlopen var de achterstand in de heffing en
inning der belastingen. Deze twee geldverminderende
factoi’en zijn echter beide van aflopende aard. Hoe meei’
zij in kracht zullen afnemen, des te dwingender zal de
noodzaak worden, ook bij stijgende defensie-uitgaven,
van een sluitend overheidsbudget..

Amsterdam.

Drs
R. SLOT.

4)
l,Vanncar de. in het kader van het Marsha’ii-pian plaaisvindende
importen door De Ncderiaiidsche- Bank moeten wordce vÔôigefinan-
cierci, voilrekt
zich
liet denatoire effect der gelclonttrekking zonder
dat op dit moment enige boeking op de jocal curiency”-rekening
of haar voorrekeningen p1aatsvindt.Dit laatste geschiedt eerst bij
de ontvangst van de desbetreffende dollarbedragen van de E.C.A.
1

INTERNATIONALE NOTITIES.

i)E VOORUJTZICJ-E’E’EN VOOR J)E EUICOJ’ESE

oosT-wEsrnANJ)EL
.

ZoaH bekend, ontwikkelt zich de Europese Oost-West-
handel tot nu toegeenszins bevredigend. Naast de politieke

spanningen, die de gi’ootste belemmering vormen voor een
gunstiger ontwikkeling noemt ,,Wochenbericht” van 18
Augustus jI. als de voornaamste oorzaak liet langzame
herstel van de productieve ki’acht der Oost- en Zuid-Oost-

europese landen.
De verwoestingen gedurende de ooi’log, de massale uit-

30 Augustus 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

705

wijzing van)ui tseis, de
011
tcigciiiiig van lelnrijke .bc-

drijven en de ag’rarischd hervormingenhebl5en een funeste

invloed op de productie uitgeoefend: Bovendien werd het
economisch herstel dezer landen, doordat zij niet aan de

Marshall-hulp deelnanien, aanmerkelijk vertraagd en he-

lemmerd, terwijl tenslotte naast de gebeurtenissen van

deze tijd de vanouds geldende omstandigheden, zoals o.a.

het lage ontwikkelingsniveau der bevolking – in 1948 waren 23 van de 100 personen hoven de zeven jaar in

Bulgarije analphabcet! – hun invloed uitoefenden.

hierbij komt nog, dat de Oost-Westhandel in zijn ont-
wikkeling werd belemmerd door de verplaatsing van dc
Roemeense olie- en de Bulgaarse tabaksuitvoer van de

Westeuropese naar de Russische markt. Deze uitvoerve,r-
mindoring kon niet door dc vergrote uitvoer van Poolse

steenkool worden gecompenseerd. -,
Ondanks de vele pogingen om de productie op te voeren,

vordert liet herstel in Oost-Europa slechts langzaam; de graanproductie en de veestapel hebben hun vooroorlogs

i1iveau nog niet bereikt en de productie van Roemeense
aardolie bereikte in 1949 slechts de helft van die van 1936.

Niettemin beschikken de Oosteuropese

landen over aan-
zienlijke ongebruikte reserves, doch om dze ten volle te
benutten zijn aanzienlijke investeringen nodig, die slechts
met buitenlandse hulp kunnen worden mogelijk gemaakt. Doordat de Oosteuropese landen, door niet deel te nemen
aan het Marshalt-plan, zich van een snelle en afdoende hulp

hebben afgesneden, rest hun slechts het alternatief om
zich door middel van vergrote uitvoer de -iioodzakelijke
kapitaalgoederen te verschaffen. hiertoe biedt, aldus
.,,Wochenbericht”, slechts de landbouw een mogelijkheid, die, naar men verwacht, zondere grotere intensivering het
lcoende jaar ongeveer de vooroorlogse prodüctie. zalbe-
reiken. Een belangrijke overschrijding van dit niveau
vereist echter ook in deze sector van het economisch leven
aanzienlijke investeriigen, die – zolang Rusland geen
steun verleent – slechts met behulp van het Westen
kunnen woi-den gefinancierd.
Uit deze behoefte aan investeringsgoederen vloeit voor
Oost-Europa een belang bij de Oost-Westhandel voort,
– hetwelk nog wordt vergroot door de ambitieuze industriali-

satieplannen dezer landen. West-Europa heeft er ander-
zijds belang bij, dat Oost-Europa niet alleen productie-
middelen, maar ook industriële verbruiksgoederen afneemt.
liet komt er, zo zegt genoemd blad, slechts op aan dit in’
een verdrag vast te leggen, terwijl Oost-Europa er aan zal
Moeten wennen zich hij de leveringsaanvragen aan het

in het verdrag overeengekomen assortiment te houden. Wanneer men, aldus ,,Wochenhericht”, al deze factoren
tegen elkaar aîweegt, clan mag wellicht – vooropgesteld,
dat de politieke spanningen niet groter worden -, op grond
van het te verwachten verdere herstel der Oosteuropese
landen en de daaruit voortvloeiende iets groter wordende
pioductiee kracht, op een zekere uitbreiding van de Oost’-
\Vesthanclei worden gerekend. De’ vooroorlogse omvang
zal evenwel vooreerst wel niet worden bereikt.

ENOELANI) EN DE I)EFENSUd-U1T(AVEN.

De defensiemaatregclen, Aiaarvoor Engeland zich ziet
gesteld als gevolg van de ontwikkelingen in Korea zullen,
aldus ,,Westminster Bank Review” van deze maand, de
meeste economische calculaties omver werpen. De aankon-
diing, dat £ 100 mln extra voor verdediging moet worden
uitgetrokken en het voorstel om de defcnsie-iitgaven met
behulp van de Verenigde Staten voor de komende drie
jaren tot £ 3.400 mln op te voeren doen de vraag rijzen:
hoe groot is de uiteindelijke last, die op de reeds ovciladen
Engelse economie zal worden gelegd? –
liet zal enige tijd duren, voordat hierop ccii antw’oord
lcan worden gegeven . ,,Meanwhile ve must derive what
consolation w’c can from the fact that experience of the
economie upheavals produced by two world wars enables

us to sce the esseauials of the mattor elearly cnough”, zegt

genoemd blad.

Enkele belangrijke punten staan evenwel reeds vast.
In de eerste plaats is het onnodig te beklemtonen, dat de

Engelse economie geen aanzienlijke verhoging van de

defensie-uitgaven kan dragen zonder opofferingen op veler-
lei gebied. .Er is geen productieve reserve, waarop kan wor-

den gesteund. Uiteraard moeten de ‘opofferingen eerlijk

wo’den verdeeld, maar toch zodanig dat de maximale

stim ulans voor productie blijft gehandhaafd. Immers,

een toenemenae productie – nu belangrijke dan ooit-

is één van de middelen om de defensie zonder een te grote
daling van de levensstandaard mogelijk te maken.
in de twee’de plaats zal Engeland niloeten uitmaken of

het nog eens een spel van ,,financial make-believe” zal
spelen, of de hardere weg van het realisme zal gaan. Van
een enkele zijde-is reeds een sterk pleidooi gehouden om

de defensie te_betalen voor zover dat mogelijk is en zich

te verzetten tegen deficitfinanciering en inflatie, lIet is

nI. de vraag,-of-Engeland de druk van een verdere aanzien-
lijke daling vai de geldwaarde zal kunnen doorstaan.

In de derde plaats moet Engeland er voOr’ oppassen

eventuele buitenkansjes, die de defensie-uitgaven met zich
hrengen, niet voor,welvaari aan te zien. Wellicht zullen
toenemende Amerikaanse uitgaven voor grondstoffen uit
het Sterlinggebied, tezamen met extra dollarhLlp voor de
defensie, het. dollarprobleem tijdelijk op de achtergrond

schdiven. Maar niemand met gezond verstand zal, aldus
genoemd blad, de Engelse moeilijkheden graag op een der-
gelijke manier opgelost willen zien en ,,apart from that,
lve know toe well that expenditureon armaments …. aan-
not hut leave the world poorer”.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De geldinarkt.

De geidmarkt bleef gedurende de verslagweek ruim.
Dp voorschotten in rekening courant van De Nederlandsche
Bank per Maandag 24 Augustus waren met f 2 mln

gedaald, de tegoeden van commerciële banken hij de
circulatiebank met f8 mln gestegen t.o.v. de week tevoren;
alles tekenen van de grote liquiditeit der banken.
Callgeld noteerde de gehele week het minimum-percen-
tage van . De -m arktdiscon to’s waren practisch onver-
anderd metéén- t/m zesmaandsppier op
1/
pCt en langer lopend papier
1/i6–
pCt; alles bij minimale handel.

Dc kapitaalmarkt.

Op dc aandelenmarkt stonden gedut

ende de verslag-
week internationale waarden wederom in het centrum
van de belaLgstclling. Vooral naar scheepvaartaandelen
was r vraag, niet alleen vanwege de mobiliteit van het
actief; doch ook vanwege

de verbeterde positie op de
wereldvrach ten markten. Certificaten van Amerikaanse
aandelen waren eveneens gezocht; het agio hierop dalcle
echter gedurende de vérslagweek enigszins,
11h.
tot ongeveer
3-5 pCt boven de Amerikaanse pariteit.
De obligatiemarkt vertoont de laatste maanden ;un tegen-
stelling tot de aandelénmarkt, slechts uiterst weinig

beweging. Voor zover de aandelenaankopen, waartoe
speciaal sommige grote particuliere en intitutionele be-
leggers na Korea zijn overgegaan, tot verkoop van obli-
gaties aanleiding gaven, moet dit aanbod, gezien de koers-
stabiliteit, waarschijnlijk door overheidsinstanties zijn
opgenomen.

De prijsstijgingen op de wereldgoederenmarkten en de
berichten over een nieuwe. loonionde (dus jrijsronde) in
Nederland lijken
weinig
geschikt om belegging.in obligaties
aan te moedigen. Een prijsstijging van 5 pCt bijv. betekent,
dat degene, die geld belegde in een 31 pCt renderende
obligatie, een koopkrachtsverlies lijdt gelijkstaande met

700

ECONOMISCH-STATI

ca 1 jaar rente, zonder rekening te houden met de be-

lasting, en van 3 â 6 jaar rente, indien’ men rekening houdt

met de Inkomstenbelasting op de interest.
De meeste institutionele beleggers behoeven zich dit

verlies niet aan te trekken; hun verplichtingen luiden in
geld en het feit, dat de koopkracht van hun uitkeringen

een steeds geringer pii’centage gaat uitmaken van de

koopkracht van de hun vroeger toegevloeide premies,

regardeert hen niet. Dat particuliere beleggers zich van

ohligatiebeleggi’ng, ja van sparen, nog verder afkeren dan

de laatste jaren reeds het geval was, is echter onder

deze omstandigheden alleszins begrijpelijk.

18 Aug? 25 Aug.

1950,

1950

Aand. indcxcijers

Algemeen

………………
148,3

149,2

Industrie
………………..
211,3

212,8

Scheepvaart
……………….
147,6

,152,9

Banken
…………………..
124,1 –

124,0

Indon. aand.

……………. .

53,1

52,6

Aandelen

A.K.0.

………………..

178*

166*

Philips
………………….
220

225*

Unilever

………………..
215

219f

H.A.L .

…………………..

156

163*

Amsterdam Rubber
……….

129

127*

H.V.A

………………..
..114
e

1151

Kon. Petroleum

………..

2961

296*

Staatsobligaties

2* pCt
N.W.S.

…………..


.

7924

3-3
* pCt 1947
…….. ……
.

977
/16

97
/16
3 pCt Invest. Certif
………
.’

97J

97

3 pCt Doliarlening

……….

96/

’97

STATISTIEKEN.

BANK VAN FRANKRIJK.

(Voornaamste posten in millioenen francs).

Voorschotten
1
aan de Staat


0
0

Data
w 0
.
.


‘S
.

S,

(0

26 Dec.

1946
94.817
118.302
59.449
1

67.900
1
426.000
20 Juli

1950 52.981
430.628
125.042
1

161.600
i 426.000
27 Juli

1950
52.98
1

437.523
125.042
1

161.600
1
426.000
3 Aug.

1950
52.981
430.409
125.042
1

161.100 426.000
10 Aug.

1950
52.981
421.628
125.042
165.800
426.000

Deposito’s Bankbil

1,
Accords
Data
jetten-
de coöp.
circulatie
Totaal
Staat
1 econo-
Diversen

______________

mique

26 Dec.

1946
721.865
63.458
20 Juli

1950
1.391.360
150.091
63
23.072 126.957
27 Juli

1950
1.413.718
152.841
80
22.806 129.954
3 Aug.

1950
1.439.756
136.962
93
23.007 113.863
10 Aug.

1950
1.433.913 135.463
21
23.007
112.437

NATIONALE BANK VAN
ZWITSERLAND.

(Voornaamste posten in millioenen francs).

..
Data
.
0

31 Dec.

1946
4.949,9
158,0 238,7
52,7
4.090,7 1.163,7
7 Aug. 1950
6.179,5
325,8
105,7
41,3
4.209,6
2.270,0
15 Aug. 1950
6.154,6
348,8
100,2
41,3
4.163,2
2.315,8
23 Aug. 1950
6.148,2
347,4
105,1
41,3
4.156,0
2.313,1

TISCHE BERICHTEN

30 Augustus 1950

DE NEDERLANDSCHE
BANK.

(Voornaamste posten in duizenden guldens).


0t
A
1T
0

o
0
o
‘o


.
0.0
0
6
D

t

30

Dec. ’46
700.876
4.434.786
100.816
153.109 2.744.151
17

Juli

’50
385.110
236.067
937.442
73.474
2.865.1

2 24

Juli

’50
885.228
280.296
942.536
91.382
2.859.255
31

Juli

’50 885.402 260.132
966.128
157.269
2.903.831
7 Aug. ’50
r.85.598
250.076
966.932
55.586
2.855.361
14 Aug. ’50
885.788
247.224
954.121
53.710 2.837.409
21 Aug. ’50
886.072
320.159 904.774
51.553
2.824.438
28. Aug. ’50
t 886.369
341.414 895.699 54.469
2.846.518

Saldi in rekening courant

11


‘0

,,,.
0

..

(0
(‘).rt’S
(0
.0V

30 Dec. ’46
17

Juli

’50 303.352
911.425
1.727
47.035
514.942
555.248
24

Juli

’50
425.135 914.233
1.721
42.110 507.113
523.528
31

Juli

’50
414.382
914.213
1.720
42.537
527.212
573.312
7 Aug. ’50
357.807
1021.040
1.709
44.275 475.514
481.883
14 Aug. ’50
346.097
1078.471
1.648
45.353
475.303
421.491
21 Aug. ’50
310.563
1162.054 1.639
53.079
495.578 384.697
28 Aug. ’50
280.918
1209.584 1.637
48.855
507.664
338.792

STAND VAN ‘s RIJKS KAS.

Verplichtingen
ISAug. 1950
7 Aug. 1950

Saldo van ‘sRijks Schatkist bij
1

336.808.201,30
f

357.807.44729
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij
de Bank voor Nederland-
/
sche

Gemeenten
.

……..
20.520.806,86
,,

16.213.781,29
Kasvorcieringen

wegens

ere-
dietverstrekking

aan

het
buitenland

…………..
Daggeidleningtegenonderpand
– –
Saldo der postrekeningen van

De Nederl.

Bnk

……….

Rijkscomptabelen

……..
367.871.643,56
335.741.603,01
Voorschotten op uit. Juli resp.

…..

Juni 1950 aan de gemeenten

………

wegens aan haar uit te keren
belastingen

….



Vordering in rek. courant op:
V.S.

IndonesiO

……….
53.455.002,15
,,

53.455.002,15
….
12.1 56.011,41
,,

12.156.011,41
Suriname

………………
Ned. Antillen

,


Het Algemeen Burgerlijk Pen-


Het staatsbedrijf

der’ P.,

T.
sioenfonds

…………….

enT.

………………

Andere staatsbedrijven en in-
.-

stellingen

…………….
,508.294329,72
506.851.092,27

V o r d e r i n g e n

Voorschot door De Nederland-
sche Bank verstrekt

. . .
– –
Voorschot, door De Nederland-
sehe Bank in rekening cou-
rant verstrekt


Schuld aan de Bank voor Ne-
derlandsche Gemeenten

Schatkistbiljetten in omloop . f 2012.188.400,-
12006.091.000,-
Scliatkistpromessen bij De Ne-
.
derl. Bank ingevolge over-
eenkomst van 26 Febr. 1947
1350.000.000,-
,,t350.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop
(rechtstreeks bij De Nederl.
Bank ‘is

geplaatst

nihil)
5.388,1

mln wo. garantie
Bretton ‘Woods 11.245 mln.,,
4163.100.000,-
,,4l96.800.000,-
Daggeldleningen



135.660.682,-
-,,

137.447.685,50
Schuld opult. Juiiresp. Juni’50
aan de gemeenten wegens aan

haar uit te keren belastingen
,,

160.906.799,31
,,

‘152.344.045,14
Schuld in rek, courant aan:
V.S. Indonesiê



Muntbiljetten in omloop ………

12.290.514,90

12.203.377,40
Het Algemeen Burgerlijk Pen-
sioenfonds

…………..
30.291.969,96
,,

4.937.200,08

Suriname

…………………..

Het

staatbedrijf

der

P.,

T.

Ned.

Antilleri

……………

en

T.

………………
325.420.742,14
322.251.141,02

…..

.

14.899,39
,,

6.124,97
Schuld aan diverse instellingen

….
Andere staatsbedrijven

……..

In

rekening, met

‘s Rijks Schatkist

…………..
…1126.986.303,35
,,1130.140.532,85

-II

/

II-

-.

30 Augustus 1950

-,
UUiNU1V11UN-11

JNIGE
INDEXCIJFERS
VAN DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE
IN NEDERLAND
1
1.

1938
=
100

•a;

Algem.

productie-Index
1140
vandolndustrlo

. . .
94
113
126
125
141
127
133
75
82 87
85
98
86
89
92
Steenkolen

………….
Electriciteit

afgeleverd
aan het net
142
173
196
249
227
206
204
194
98 120 .
124
129 140
17
142
132
Gas

………………
Stikstofmeststoffen

.
67
82
88
98
116
125 158
164
108
165
162
183
196
z86
180 160
Walsproducten van
ijzer en staal

. . .
137
210 270 273
319
275-
250
289
67
122
153 169

1
3
199
214
204
114
129
124
77 129
129
129
132
69
93
104
109
113
97

106
108

Rijwielen

…………

Deuren

………….-
57
110 109
111
127 128
120
126

Cement

…………..
Metselstenen

……….

Rubber

(gehele indus-
200
288
261
319 348 286 277 336

Ruwijzer

…………..

Courantenpapier

. . .
40
81
81
83
107
86
92
81
Katoen- en linnenweve-

trietak)

…………

60
71
79
81 90
Si
83
89
Tricotage-industrie

‘.
85
107
134
171 190
159
149 163 110 137
130
1149
179
161
156
100 114 103
111
77
72
89

rijen

……………..

Sigaretten
3)
100
115
103
121
120
146
167

Schoenen

………..
Sigaren’) …………….

Boter

…………..
52
. 09
70
83
51
84
106
145
131
Margarine

……….
.
…..

149
203
196
261
229
234
Kaas

……………
.51
77
102
37
72
116
170
159

‘) Bron: C.B.S.; – betekent: de gegevens Ontbreken; gecor-
rigeerde gegevens zijn cursief gedrukt.
‘) 1940 = 100.
‘) 1948 = 100.

WERKLOOSHEID EN WEEKVERRUIMINO
IN NEDERLAND
‘).

Maand
Geheel
werklozen
Geheel

I
wachtgelders
Geregistreerde
D.U.W.-
arbeiders ‘)

30 Juni

1945
112.622

.
120.800
8
)
18.300 ‘)
29 Juni

1946
45.953
13.382
30.693
30 Juni

1949
31.855
723
16.871
31

Juli

1949
33.162
611
12.656
31 Aug.

1949
37.344
715
12.628
30 Sept.

1949
38.255
184
8.831
31 Oct.

1949
42.119
498

.
42.388
30 Nov.

1949
67.837
615
19.415
31 Dec.

1949
59.935
824
27.927
31

Jan.

1950 75.819
1.756.-
31.844
28 Febr. 1950
71.332
2.110
33.430
31 Mrt

1950
57.562
2.333
31.747
30 April 1950
59.200 ‘)
3.100
1
)

28.400
3)
31 Mei

1950
53.600
3)

500′)
22.500
2)
30 Juni

1150

.
46.5002)
300 ‘)
17.700′)

‘) Bronnen: ,,Maandscbrift van het CBS.” en ,,Statistiscb Bulle-
tin van het C.B.S.”; gegevens van de arbeidsbureaux.
‘) mci. vorstwerkiozen, zieken, arbeiders, die ongevallen uit-
kering ontvingen, benevens een aantal personen, dat in het
,,vrije bedrijf” werk vond, zonder dat de arbeidsbureaux hierv1n
tijdig bericht ontvingen. ‘) Schattingen.

IN-
EN
‘UITVOER
VAN NEDERLAND
1).

Invoer
.

Uitvoer
Saldo

M aan
Gewicht
Waarde
Gewicht
Waarde –
Waarde
In dul-
in mii-
In dul-
In mil-
in mil
zenden
Iloenen
zenden lioenen lioenen
tonnen’)
guldens
tonnen’)
guldens
guldens

Tot.’39
24.306 4.517 12.708
966

551
Tot.

’46
11.764
2.145 3.919
785
-1.360
Tot.

’47
16.544
4.251
5.843
1.859
-2.392
Tot.

’48
19.101
4.919
7.357 2.669
-2.250

Juni

’49
1.977 442
741
312

,,

130
Juli.

’49
1.750
410

654
284

126
Aug.

1
49
1.850
390
687
296

94
Sept

’49
1.826
407
.952
318

89
Oct..

’49
1.743
435-.
1 218
378

57
Nov

’49
1.616 452 1.196
399

53
Dec.

’49
2.005
554
1.156
433

121

Jan.

’50
1.998
581
882
395

186
Febr. ’50
1.484
520
.

.757
313

207
Mrt.

’50
2.167
.

612


1.140
400

212
Apr.

’50
1.974
644
1.127
367

277
Mei

’50
662
.
377

285
Juni

’50
691
…429

262

‘) Bron: ,,Centraal Bureau voor de Statistiek”.
Exclusief pakketpost, diamant, gouden en zilveren munt en
muntmateriaal.
‘) Brftto-gewicht; van 1948 af netto-gewicht.

f
707

GECOMBINEERDE MAANDSTAAT VAN DE DRIE NEDER-
LANDSE GROTE BANKEN EN VAN HET NEDER-
LANDSE BEDRIJF VAN DE NEDERLANDSCHE
HANDEL-MAATSCHAPPIJ.

Nederl. Nederl.
.
Banken Banken
en Ned.
Handel-Mij.
(In millioenen guldens)
30.
31
30
31
Juni
Euli
Juni
Juli
4950 1950
1950
1950

Activa:
Kas,kassiersendaggeldlenlngen
Ned. schatkistpapier
67 2054
63
1973
84
2644
77
2561

2118
2036
2728
2638

Ander overheidspapier
52 47
84
1
91 31
32 35
36
Bankiers in binnen- enbuitenland
89 85
128
118
Prolong,en voorsch.tegen effecten
.

44
47
55
60

216
211
302 305

586
606
706
747
Effecten en syncilcaten
22
23 28
32

Wissels

………………….

Deelnemingen (incl:voorschotten)
19
19 30
29

Debiteuren

………………

778

627 648
764

7
7
14
12
– –
– –
Belegde bestemmingsreserven.
1 1 1 1
2969 2903 3809
3734•

Paslva:
2370 2286
-2979
2895

Gebouwen

………………

Wissels

………………..
5
16
.

6
7

Diverse rekeningen …………

Deposito’s op termijn
278
..
274 390
.
388

Crediteuren……………….

Kassiers en genomen daggeldl
1
12
1
12
Diverse rekeningen
75 85
121
119
Bestemmingsreserven
t
1
1
1

2730 2664
3498
3422′

Aandelenkapitaal
160
160
211
21
Reserve

……………….
79 79
100
101

29691 29031 38091
3734

WERKLOOSHEID IN BELGIË
1),

1

1
‘Gedeeltelijk

Maand ,

wi1

en toevallig
werkloos

Februari 1949

…………….

..473.092

66.571


Maart

172.212

64.701
April 1949

…………….

..167.488

52.438
Mei-

………………158.445

54.172
Juni

158.873

56.443
Juli

158.954

61.515
Augustus

‘ …………….

..154.011

60.672
September

– ………………164.032

64.361
October

………………

196.463

54.614
November

…………….
..210.403

.48.984
December

…………….
..202.116

62.959

Januari 4950 ……. . ………
.216.096

92.872
Februari

……………..209.156

55.105
Maart

…………….

190.845

45.994
April .

……………..

177,987

.
41.968

‘) Bron: ,,Statistisch Bulletin” van het Nationaal Instituut
voor
,
de Statistiek.

.1

,IN- EN UITVOER VAN
BELGIË’).

Invoer

Uitvoer

Saldo

Maand

Gewicht
I
Waarde Gewicht Waarde Waarde
in dui- in mii- in dul- in mii- in mil-
zenden lioenen zenden lioenen liopnen
tonnen francs tonnen frans tranes

Maandgem.’36/’38

2.868

2.019

1.912

1.859 – 160
Maandgem.’47 . .

2.322

7.130

1.070

5.138 -1.992
Maandgem.’48 . .

2.432

7.293

1.258

6.177

+1,116
Maandgem:’49 .

2.296′

6.810 .

1.210

6.649 – 161

Sept.

1949 . .

2142

6.407

1.255

6.23

184:
Oct. ‘

1949 . .

2.256

6.595

1.203

5.836 – 759
Nov.

1949 . .

2.297

7.031

1.205

5.643 -1.388′
Dec.

1949 . .

2.331

7.941

1.338

6.331

-1.610
Jan.

1950 . . ‘ 2.124 .

6.959

1,496

6.661

– 298
Febr.

1950 . .

1.817

6.541′)

1.059

5.938 – 603
Maart

1950 ..

2.552

8.148
1
)

1.536

7.480 – 668
April

1950 . .

2.285

6.907

1.364

6,404 – 503
Mei

1950 . .

1.181

5.706

ijron; .,,Statistisch Bulletin” van het Nationaal Instltuu j
voor de Statistiek.
‘) Gecorrigeerde gegevens.

1 1 1Z)UrM 15tXÇ1L.fl 1 JdN

1.

GEREP. WATERSTAATS-INGENIEUR
30 jaar, ook adm. erv. en goed stylist, zoekt tijdelijk werk.
Br. onder no.
ESB
1809, bur. v. d. bi., Postbus 42, Schiedarn.

ECONOOM
27 jaar, academisch milieu, zijn studie binnenkort beëindigencl,
reeds enige ervaring,
biedt zich aan in de’ Industriële Sector.
Bl”onder no, ESE 1811, bur. v. d. bi., Postbus .42, Schiedam.

JURISTE
35 jaar, met erv. op adm., soc. en intern. geb., kennis der
mod. talen, typen en boekh., zoekt weriekr., bij voork. in het
Westen des lands. Er. onder no.
ESB
1815, bur. v. d. blad,
Postbus 42, Schiedam.

IN

Economisch Doctorandus

over prima referenties heschikkend, 32 jaal’, vlotte
oordeelskrachtige persoonlijkheid met veelzijdige ont-
wikkeling, die degelijke theoretische scholing weet te
paren aan practische instelling, ambieert een

CO1%I11ERCIEEL-0RGANISATORISCHIi EUNCTIE
met uitstekende perspectieven.

Br. onde’ no.
ESB
1816, bur. v. d. bi., Postbus 42,
Schiedam.

VILLA TE KOOP

Maakt gebruik
In Wassenaar is te koop een
solide gebouwde villa, geheel
vrijliggend, in de nabijheid

van onzespeciale rubriek

halte

Stoeplaan

(Electr.
tram Den Haag-Leiden); 9

,,Vacatures” voor het
kamers, c.v., garage: In ‘t
najaar vrij te aanvaarden. .

oproepen van sollicitan-
Br. onder no. ESE 1813, bui’.
v. d. bi., Postbus 42, Schie-

ten voor leidendefuncties
dam.

VOOR ZELFBEWONING TE KOOP

op een der mooiste gedeelten van Amstelveen met uitzicht op
het Amsterdamse
Bos, 4 nog te bouwen

HERENHUIZEN MET GARAGE

Solide afwerking onder Architectuur (vestigingsvei’giinning
verzekerd). Br. onder no. ESB 1814, bur. v. d. bi., Postbus 42,
Schiedarn.

F. PAPPENHEIM

Beëdigd Vertaler
van de Universiteit van Buenos Aires
Rechtsgeldige Handels-Technische Vertalingen. Verta-
ling van emigratiepapieren met rechtsgeldigheid vooi’
de Argentijnse Politie en autoriteiten.
Casilla
2115,
Buenos
Aires (Argentinië).

PREIJER&DE HAAN

Accountants

vragen voor leidende functies in Indonesië

ACCOUNTANTS

– (lid N.I. v. A.
of
.V.A.G.A.)

Standplaats nader overeen te komen

Brieven Museumplein’
50-52,

Amsterdam
– Z.

De N.V. BILLITON MAATSCHAPPIJ

zoekt voor haar bedrijven in Indonesië

ENIGE -BOEKHOUDERS

in het bezit van acte M.O. Boekhoûden of Staats-

practijkdiploma,.’

alsmede enige

GEVORDERDE BOEKHOUDERS.

Leeftijd 22-35 jaar

Sollicitaties uitsluitend schriftelijk

te richten aan

de Afdeling Personeelszaken, Louis Couperus-

plein 19, ‘s-Gravenhage.

Economisch – Statistische
Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hochstraat j, Rotterdam (W).
Telefoon Redactie en. Administratie
,38o4o.
Giro
8408.
Bankiers: .R. Mees en Zoonen, Rotterdam.,

Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nornie,
14,
Universiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).
Banklers: Banque de Commerce, Brussel.
Abonnementsprijs, franco per post, voor Nederland f
26,—
per jaar,
voor België/Luxemburg f
z8,—
per jaar, te voldoen door storting van de
tegenv,,aarde in Belgische franco bij de Ban que de Commerce te Brussel
of op haar Belgische postgirorehening no
26 0.34.

Uniegebieden en,Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f
26,—
, overige
landen
/
28,—
per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor ,Westzee-dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants; Lange Haven
‘4’,
Schiedam (Telefoon
69300,
toestel
6).
Advertentie-tarief f
0,40
per mm. Contract-tarieven
op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f
o,6o
per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor ons advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Losse nummers
75
cents, resp. 10 B. francs

Auteur