Meest gelezen

1 reactie

Als docent economie zeg ik u:
1. De werkdruk is al hoog. Ik doe mijn uiterste best om bij te blijven qua literatuur, en actualiteit, maar om vervolgens ook nog een leeslijstje mee te geven is niet zonder meer redelijk. De beroepsgroep heeft al te kampen met het hoogste percentage overspannen (ex)medewerkers.

2. Het lijkt erop dat we de ene begrippenbrij in gaan wisselen voor de volgende. Er wordt namelijk vooral gesproken over een nieuw pakket aan thema's, maar ik mis een detailleerde beschrijving van hoe wij als docenten de samenhang aan de man brengen. Daarnaast laten wij kansen liggen als het gaat om inzicht, analytisch denken, en de algemene economische ontwikkeling.

3. Het vak economie zou voor moeten bereiden op een studie economie. Constateren dat dat nu niet het geval is is juist, maar daarbij aangeven dat dat ook niet nodig is lijkt mij onwenselijk. Het algemeen belang van een feitelijke, en niet-geïndoctrineerde visie onderschrijf ik, maar hoort dat niet bij maatschappijleer?

Om zelf niet alleen negatief te zijn, maar ook een constructieve bijdrage te leveren, adviseer ik het volgende:
1. Begin de leerlingen alle (basis)vaardigheden rondom vraag en aanbod te leren. Leg hier ook de focus op in de onderbouw, en schrap daar veel van kennis die daar breed doch ondiep verspreid wordt. De beginselen van vraag en aanbod zijn noodzakelijk voor bijna al het economische begrip.

2. Leer de leerlingen de doelen van actoren (mensen (consumenten), bedrijven (producenten) (incl. banken, verzekeraars, etc.), en de overheid (incl. centrale bank, ACM, AFM, etc.)). Leg uit dat dit aannames zijn, en vertel ook over de tekortkomingen van de stereotyperingen (niet ieder mens streeft alleen naar zijn eigen geluk, niet ieder bedrijf alleen naar winst, ongeacht de consequenties, en de overheid dient niet altijd netjes het algemeen belang).
Leer de leerlingen dat er dus belangverstrengelingen ontstaan, en hoe de actoren reageren op elkaar. Hierbij is de kennis m.b.t. vraag en aanbod cruciaal.

3. Bouw andere concepten op (zowel micro alsook macro), waarbij telkens wordt teruggegrepen naar 1 en 2. De leerlingen moeten in iedere situatie kunnen verklaren hoe de actoren op elkaar reageren, en hoe dit gebeurt volgens de principes van vraag en aanbod, in combinatie met het relevante model.

4. De examinering zou zich moeten focussen op het gebruik van taalkundige en wiskundige redeneringen met betrekking tot objectieve doelstellingen. Bijvoorbeeld: De overheid wil de kloof tussen arm en rijk vergroten. Leg uit of en zo ja hoe een accijns op alcohol bijdraagt aan die doelstelling. Hiermee moeten leerlingen dus voorbijgaan aan de wenselijkheid van accijnzen op alcohol an sich, en moeten ze dus kijken naar de relatieve consumptie van alcohol bij arme en rijke mensen. Welke groep wordt het zwaarst getroffen, en draagt dit bij aan de doelstelling? Wiskundige en rekenvaardigheden dragen hieraan bij omdat leerlingen bijvoorbeeld moeten berekenen welke bevolkingsgroepen procentueel gezien meer alcohol nuttigen. De berekeningen die nu soms gemaakt moeten worden hebben weinig met economisch inzicht te maken, en lijken meer op een invuloefening (bijv: bereken de arbeidsinkomensquote. Het inzicht wat hiermee berekend wordt, en waarom een te hoge of lage waarde onwenselijk is, wordt echter zelden gevraagd).

Kortom, als docent maak ik mij minder zorgen over welke thema's er behandeld worden, en meer over de samenhang tussen de thema's. Ik heb het idee dat ook dit pad weer teveel verbreding wil bieden, en te weinig verdieping. Examinatoren krijgen een te breed palet aan thema's die aangeboord moeten worden, waarna de verdieping per thema ver te zoeken is.

J.P. de Vries

Dhr. de Vries

Reactie niet ok? Meld misbruik bij de redactie.

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn.

Inloggen