Ga direct naar de content

Jrg. 62, editie 3135

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 21 1977

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

fsbECONOMISCH

UITGAVE VAN DE

21/28 DECEMBER

STICHTING HET NEDERLANDS

62e JAARGANG

INSTITUUT

No. 3135

Naar een integraal

inkomensbeleid?

Het omzetten van politieke bereidheid in concreet eco-
nomisch beleid is dikwijls een moeizaam proces dat heel
wat jaren kan duren. De ontwerpers van het beleid worden
geconfronteerd met een bijna onvermijdelijke ,,politieke
vertraging”. Die vertraging kan ertoe leiden dat bepaalde
maatregelen worden getroffen of bepaalde wetsontwerpen
worden ingediend op een tijdstip, waarop het doel waarom
het allemaal was begonnen, alweer uit het centrum van de
belangstelling is verdwenen.
Een illustratie van het bovenstaande vormt het inkomens-
beleid. Toen het kabinet-Den. Uyl in 1973 aan het bewind
kwam, was inkomensnivellering het gevleugelde woord.
De politieke bereidheid tot het treffen van maatregelen om
een inkomensherverdeling te bewerkstelligen, was groot.
Het duurde echter twee jaar, voordat de ideeën omtrent
een alle inkomensgroepen omvattend inkomensbeleid waren
neergeslagen in de
Interim-nota inkomensbeleid.
Daarmee
was het in de nota voorgestelde instrumentarium nog niet
,,beleidsrijp”. Thans, twee en een halfjaar na het verschijnen
van de nota, lijkt de fase te zijn aangebroken, waarin de eerste
instrumenten ter beschikking komen. Dat is dan op een tijd-
stip waarop de ,,hoge prioriteit toegekend aan het streven
naar meer aanvaardbare inkomensverhoudingen”, lijkt te
worden overvleugeld door nog hogere prioriteiten op het ge-bied van werkgelegenheid, economische groei en milieu.
Welke zijn de ontwikkelingen op het gebied van het
inkomensbeleid? Ik noem een drietal gebeurtenissen die als
stukjes in een legpuzzel passen in het beeld dat een alle
inkomens omvattend integraal inkomensbeleid oproept.
Deze gebeurtenissen zijn: 1. het indienen van het wets-
ontwerp Openbaarheid van inkomens uit arbeid; 2. het in-
dienen van het wetsontwerp tot matiging van niet-cao-
inkomens; 3. het verschijnen van het rapport
Profijt van de
overheid 1) betreffende de verdeling van overheidsuitgaven over inkomensgroepen.
Beide wetsontwerpen kunnen een belangrijke betekenis
hebben voor de totstandkoming van een integraal inkomens-
beleid: het eerste om inkomensverhoudingen te rationalise-
ren, het tweede om een groep inkomens, waarop de overheid tot dusverre weinig greep had, beheersbaar te maken. Overi-
gens is de indiening van het laatste wetsontwerp steeds ge-
motiveerd door te wijzen op de noodzaak tot matiging van
niet-cao-inkomens in het kader van de werkloosheidsbestrij-
ding. Deze motivering kan evenwel niet verhullen, dat het wetsontwerp – na tot wet te zijn verheven – bij uitstek ge-
schikt is als inkomenspolitiek instrument.
De derde gebeurtenis die van belang is voor het ontwerpen
van een integraal inkomensbeleid, is de verschijning van
het rapport
Profijt van de overheid.
Deze studie die in een
samenwerkingsverband tussen het Sociaal Cultureel Plan-
bureau en het Fiscaal Economisch Instituut van de Erasmus
Universiteit Rotterdam tot stand kwam, past bij het in de
Interim-nota inkomensbeleid
aangekondigde voornemen de
tertiaire inkomensverdeling systematischer te betrekken in
het inkomensbeleid. Dat dit geen overbodige suggestie was
blijkt uit de uitkomsten van het onderzoek. De neerslag
van de baten van een aantal overheidsuitgaven op het gebied
van Volkshuisvesting en Onderwijs in verschillende in-

komensgroepen, bleek ongeljker dan vrijwel iedereen ver

wachtte. Enige cijfers ter illustratie.

Regeling
Decielen (groepen van steeds 10% van de inkomenstrekkers
gerangschikt naar toenemend inkomen)

1
2
3
4
5
6
7
8
9
IC

Volksliuhvusting

Individuele huursub-
41
36
41
19 12 8 3
2
5
2

Exploitatiesubsidie
huurwoningen
45
39
50
50
115
go
122 145
178
II]

sidie (netto)
……..


Geldelijke

steun

ei-
gen woningen (netto)
0
1
2
3
S
IS
18
34 32
341

Huurwaardevoordecl
36 76 73
92
132
177
199
241
394
861

Overdrachtsbelas-
ting

……………
-4
—4
—9
-29
—25 —62
—41
—80 —118
—187

Onderwijs

Exploitatie-uitgaven
128
200
406
711
907
1.274 1.552 1.725 1.849
2.605

5tudiebcurzcn
8
8
9
16
20 26 36
48 62
21

Kinderbijslag ……20
25
34
66
103
142 176
153
216
321

onderwijs
……….


Belastingvoordecl
kinderaftrek …….1
4
10
13 17 19 19
23
33
71

To(a.I

……………
275
385
616
941
1.286
1.679
2.084
2.291 2.651
3.837

Hoe sprekend deze cijfers ook zijn, met het baseren van
conclusies daarop moet de nodige voorzichtigheid in acht
worden genomen. Allereerst moet erop worden gewezen dat
de inkomensherverdelende functie maar één aspect van over-
heidsuitgaven is. De allocatieve en conjuncturele aspecten
zijn wellicht minstens zo belangrijk en zullen mede in de
beschouwing moeten worden betrokken. Voorts is grote
behoedzaamheid geboden met betrekking tot het cijfer-
materiaal zelf. Ik geef een kwantitatief belangrijk voorbeeld.
Van het totale toegerekende bedrag béstaat meer dan twee-
derde uit de post exploitatie-uitgaven voor de directe onder

wijsvoorziening. Als alleen wordt gelet op huishoudingen
met kinderen die onderwijs volgen, vermindert de ongelijk-
heid in de verdeling van deze uitgaven zeer sterk. Daarnaast
zijn er meer onderwijsvolgende kinderen aanwezig in huis-
houdingen die vallen binnen hogere inkomensdecielen, zodat
alleen al op grond van dat feit meer baten aan die groepen
worden toegerekend.
Ook bij de uitkomsten van de andere onderzochte
overheidsuitgaven zijn gemakkelijk relativerende kant-
tekeningen te plaatsen evenals bij de betekenis van de in-
deling in decielen. Daarbij moet echter worden bedacht,
dat met het onderzoek voor een groot deel maagdelijk
gebied is betreden en dat voor talloze moeilijkheden op
statistisch en definitorisch gebied oplossingen moesten wor-
den gevonden, die haast per definitie aanvechtbaar zijn.
Men zou de onderzoekers onrecht aandoen door op grond
daarvan hun werkstuk af te wijzen. Voortgezet onderzoek,
mogelijk op basis van beter statistisch materiaal en uit-
breiding tot andere gebieden van overheidsuitgaven, acht
ik gewenst. Daarbij kan één factor een spaak in het wiel
steken: de eerder genoemde ,,politieke vertraging”. Als door
het opkomen van andere economische problemen en het
veranderen van het politieke klimaat de belangstelling voor
inkomensherverdeling en een integraal inkomensbeleid ver-
mindert, zou onderzoek als het onderhavige een puur
academische betekenis kunnen krijgen. Dat kan nimmer de
bedoeling zijn geweest.
L.
van der Geest

t) Sociaal en Cultureel Planbureau,
Profijt van de overheid.
De verdeling van overheidsuitgaven voor Volkshuisvesting en
Onderwijs in
1975.
Staatsuitgeverij, ‘s-Gravenhage,
1977.

1261

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. van der Geest:

Redactie
Naar een integraal inkomensbeleid
7

1261

Column

Zakelijke oppositie,
door Drs. P. A. de Ruiter

1263

Prof Dr. W. Albeda:

Een nieuwe plaats voor de onderneming

1264

Prof Drs. H. den Hartog en Prof Drs.
J.
Weitenberg:

Econometrische modellen en economische politiek (II). Toepassing
Vintaf-model: CED- en CEC-projecties …………………….1269

Vacatures

…………………………………………….1273

Drs.
J.
H. Daalderop:

Met de branche het BOS in ……………………………..1274

Drs. N. C. M. van Niekerk:

Subsidies, belastinguitgaven en prijzen …………………….1278

Maatschappijspiegel

De dubbele arbeidsmarkt, meer matglas dan maatschappijspiegel,
door
Dr. W. van Voorden …………………………………..
1281

Au Courant

Over 25 jaar,
door A. F. van Zweeden …………………….
1286

Boekennieuws

Dr. 1. Th. M. Snellen: Benaderingen in strategieformulering; een bij-
drage tot de beleidswetenschappen,
door Drs. H.
J.
van de Braak ..

1287

Mededelingen
…………………………………………..1288

Dit is het laatste nummer van dit jaar.

Geen ESB bij uw kerstdiner.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Econontisch Statistische Berichten.

NAAM
.
……………………………………………………

STRAAT
.
………………………………………………….

PLAATS
.
………………………………………………….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)’ ………………………

Ingangsdatum

………………………………………………

‘ ESB,
Ongefrankeerd opzenden aan . Antwoordnummer 2524

Handtekening:
ROTTERDAM

Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Commissie van ree/actie: H. C. Bos,
R. Iive,na, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne. J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. van der Geest.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterda,n-3016: kopij t’oor cle redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 14 55 II, toestel37ûl.
Bij adresivijziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tii’eevoud,
getypt, dubbele regelafetand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
130,— per kalenderjaar
‘incl. 4% BTW): studentenJ 88,40
(mcl.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxensburg, overzeese
rijksdelen (‘zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden beëindigd per uIt imo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
accepikaart) op girorekening no. 122945,
of op bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93,
Rotterdam, t.n.v. Economisch Statistische
Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummer j: 3.-
(mncl. 4% BTW en portokosten).
Bestellin gen van losse nummers
uitsluitend door o vermaking s’an de hierho ven
vernielde prijs op girorekening no. 122945
t.n. m’. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam niet vermelding
van datum en nummer van het gemvenste exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50.
Rotterdam-3016: tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrijf’s- Economisch Onderzoek Economisch- Technisch Onderzoek Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projects:udies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek Statistisch- Mathematisch Onderzoek Transport- Economisch Onderzoek

1262

P. A. de Ru iie,

Zakelijke

oppositie

Een pessimistische prognose van de

overlevingskansen van de deze week

aangetreden nieuwe regering 66k in dit

blad zou water naar de zee dragen zijn.
De lezer is er waarschijnlijk mee over-
voerd. Interessanter is het in te gaan

op de vraag wat het machtspolitiek

perspectief op de wat langere termijn
zal zijn.

Een aantal overwegingen is daarbij

van belang:
Wat ook sociaal-politiek gesproken
de verdiensten van het kabinet-Den Uyl
mogen zijn geweest, economisch en soci-
aal vernieuwend heeft het nauwelijks ge-
werkt. De verdiensten lagen elders. Dat

niettemin politiek omstreden hooguit de
onderlinge dosering van financiële en

economische maatregelen was en nimmer

de aard ervan, leidt tot de conclusie

dat
geheel
politiek Nederland, inclusief

het georganiseerde bedrijfsleven, er niet
in is geslaagd op dit punt iets creatiefs
op te rispen, alsook tot de verwachting
dat het beleid in de sociaal-economische
driehoek van de nieuwe regering niet
principieel van dat in de oude zal af-
wijken.

Voorgaande overweging dient in
zoverre genuanceerd te worden dat ter

linkerzijde van het sociale en politieke
spectrum uiteraard wel de nodige ideeën
zijn gelanceerd. Wie echter roept dat de

overheid een grotere greep op het be-
drijfsleven dient te krijgen, is wél ge-

houden dat te operationaliseren. Dat
laatste nu is niet gebeurd. De Partij van

de Arbeid zou van de (oppositie)nood
een deugd kunnen maken en de vijf

jaar oude draad van het rapport van de
commissie-Mansholt weer kunnen op-

vatten, nu om te bezien of er een reëel
links alternatief is voor de te kort schie-

tende aanpak van de structureel-econo-
mische problemen van de jaren zeventig

en tachtig.

De financiële marges voor de
nieuwe regering, maar zeker ook – en
waarschijnlijk véél belangrijker – de

sociaal-politieke marges zijn zo smal dat
een van het vorige kabinet sterk

afwijkend sociaal-economisch en finan-
cieel beleid niet gevoerd zal kunnen

worden. De nieuwe oppositie kan dan uit
twee mogelijkheden kiezen. Zij kan de

vroegere oppositielijn weer volgen (zo-

wel de eigen als die – zij het spiegel-

beeldig – van de VVD) en daaruit voort-
vloeiende financiële alternatieven sugge-

reren die even afwijkend als irreëel en
gemakkelijk ,,doorprikbaar” zijn (An-

driessen neemt dan op dat laatste punt

de sobere rol van Duisenberg over),
met alle risico’s dat opnieuw pretenties
worden opgeroepen, die later niet terug

te draaien zijn. Die aanpak is verleidelijk.

Zij helpt niet alleen de oppositierijen te
sluiten; zij lijkt ook het meest geschikt

om de frustraties en rancunes van het af-
gelopen halfjaar een uitlaatklep te ver

schaffen. Zij is echter ook gevaarlijk.

Allereerst vanwege de daardoor gewekte,

maar later stellig niet waar te maken
verwachtingen, gelet op de blijvende eco-
nomische problemen. Ten tweede omdat

zo’n ,,harde” oppositie op sociaal-poli-
tiek terrein krachten zal oproepen, die

deze problemen alleen maar groter zullen

maken, ook voor volgende regeringen.

Ook vele tegenstanders van het sociaal-

economisch beleid van de regering-Den
Uyl erkenden de noodzaak van voortzet-
ting van dat beleid, vanwege het sociaal-
politieke effect. Dat gegeven mag – hoe
paradoxaal het ook moge klinken –

geen aanleiding zijn voor de nieuwe
oppositie om te trachten waar te maken

dat de wisseling van de wacht noodzake-
lijk tot sociaal-politieke beroering leidt.

Ter wille zowel van een volgende regering

als van een beetje zicht op het vinden van
een antwoord op de structureel-econo-

mische uitdaging zou dat penny-wise en pound-foolish zijn.

Verstandiger is het om het smalle-

margesbeleid van de afgelopen jaren ook

in de oppositie voort te zetten. De les van

het regeren mag niet in de oppositie

vergeten worden. Die les is dat de co-

nomische realiteit weerbarstig is en

alleen internationale afspraken de rand-
voorwaarden kunnen veranderen waar-

binnen ons open economisch stelsel
functioneert. Een klein land is zeer ge-

schikt om een gidsfunctie te vervullen,
ook in het denken over economische

problemen; het grote buitenland bepaalt
uiteindelijk de marsroute. De oppositie
van vandaag zal niet moeten vervallen in
de fout van de oppositie van gisteren,

maar bij voortduring twee activiteiten

moeten combineren: een visie ontwikke-

len op de oplossing van de structureel-

economische problemen van morgen en het ontwikkelen van instrumenten daar-

toe enerzijds én ervoor zorgen dat de

oppositie-alternatieven van vandaag

daarmee in lijn zijn anderzijds.

Peper heeft ongetwijfeld gelijk

wanneer hij (vorige week op deze plaats)
wijst op de geleidelijk afbrokkelende

macht van het CDA als factor in de lang-
zame regeringsvorming van de afge-

lopen maanden. Het spiegelbeeld daar-

van geeft de VVD te zien; deze groeit ge-
leidelijk uit tot een politieke partij die een

aantrekkingskracht heeft op een breder
electoraat dan het traditionele recrute-

ringsterrein van het ,,betere buurtje”.
Ook dat is een factor van belang voor het
machtspolitieke perspectief van na dit
kabinet. PvdA en VVD zijn nu nog

mijlenver van elkaar verwijderd, emotio-

neel en programmatisch. De econo-

mische realiteit trekt zich echter weinig

aan van programma’s. Niet valt in te zien
waarom deze les van de afgelopen jaren

in de komende regermgspenode anders
zal uitpakken. Anders gesteld: als het

sociaal-economisch en financieel beleid
van de regering-Van Agt in de praktijk

zich waarschijnlijk slechts door zeer

smalle marges kan en zal onderscheiden

van dat van haar voorganger, is het
dan ter wille van de toekomstige coalitie-
vorming opportuun deze marges flink

aan te dikken en op te blazen? Ook al
omdat reeds op dit moment VVD en
Partij van de Arbeid dichter bij elkaar

dan bij het CDA staan waar het gaat om

morele en levensbeschouwelijke vraag-
stukken.

Conclusie: een genuanceerd, zakelijk
oppositiebeleid is geboden, wil de Partij
van de Arbeid

geen krachten oproepen die men
straks ook zelf moeilijk kan bezweren;

in een volgende formatiepoging weer
niet uitsluitend op het CDA als grote
partner zijn aangewezen;

nu de ruimte kunnen scheppen om

straks wezenlijk nieuwe wegen van
economische politiek te kunnen
vinden.
ESB 21/28-12-1977

1263

Een nieuwe plaats

voor de onderneming

PROF. DR. W. ALBEDA

In het onderstaande artikel, een bewerking

van een redevoering 1), gaat schrijver allereerst

in op de vraag wie verantwoordelijk is voor

de huidige recessie. Daarna schenkt schrijver

aandacht aan de zich voltrekkende overgang

van een industriële maatschappij naar een na-
industriële samenleving. Daarbij geeft hij aan

hoe de positie van het bedrijfsleven, gegeven

de recessie, thans is en hoe het komt dat

het behalve de last van de recessie ook nog
de last van een groeiende vijandigheid van

de omgeving heeft te dragen. Vervolgens staal

schrijver stil bij het optreden van de overheid,

bij het functioneren van een overlegeconomie

en bij de relaties tussen een overlegeconomie

en de parlementaire democratie. Ten slotte

gaat schrijver in op de betekenis van een

groeiende overlegeconomie voor de onderne-

ming.

De twintigste eeuw is meer dan alle voorgaande eeuwen

gekenmerkt door veranderingen. In elk geval geldt voor
Nederland dat ons land in 1900 nog in veel opzichten

een pre-industrieel land was. In de loop van deze eeuw

kwamen wij het tijdperk van de industrie en de massa-
consumptie binnen. Thans filosoferen wij over de na-

industriële samenleving en het is moeilijker dan ooit

te voorspellen hoe het in het jaar 2000 zal zijn. Een

duidelijk na-industrieel levenspatroon in de rijke landen

naast blijvende armoede? Of zullen de grenzen aan de
groei zich voordien zo hardnekkig kenbaar maken, dat

de massa-welvaart in gevaar komt?

De recessie en de schuldvraag

Voorshands leven wij, ondanks de recessie, in een maat-schappij die is gekenmerkt door massa-welvaart, daarmede
deel uitmakend van de eilanden van rijkdom in een

wereld van armoede.

Dat is in zoverre iets nieuws, dat in vroegere eeuwen
ook die eilanden er niet waren. Armoede i altijd de

basisconditie geweest voor de mensheid. Ze is het nu

niet meer in een land als Nederland.

Ons bedrijfsleven leeft vandaag met een problematiek
die het gevolg is van het samengaan van deze twee omstan-
digheden. Het is niet nodig hier uiteen te zetten hoezeer

de recessie ons bedrijfsleven in moeilijkheden heeft gebracht.

Van den Brink noemt enkele cijfers: in 1950 investeerden

wij 14,5% van het nationale inkomen in vaste activa in bedrijven. In 1960 was dit 17%. In 1970 nog 17%

en in 1976 niet meer dan 12%. Hij concludeert daaruit
gemiddeld f. 6,5 mrd. minder investeringen per jaar 2).

Bijgevolg zijn sinds 1970 circa 300.000 arbeidsplaatsen
minder ontstaan dan bij gehandhaafde investeringsgeneigd-

heid het geval zou zijn geweest. Houdt men dan nog
rekening met het toenemend arbeidsbesparend karakter

van de wel tot stand gekomen investeringen, dan is

de toeneming van de werkloosheid en van de WAO-

trekkers te zamen met 325.000 man sedert 1970 wel
te verklaren.
Verantwoordelijk voor deze afneming der investerings-

geneigdheid is in de eerste plaats de wereldwijde economi-

sche achteruitgang, zoals die zich manifesteert in een
tragere groei van de wereldhandel. Daarnaast zijn er

factoren, zoals de veranderende relatie tussen arme en
rijke landen waardoor de wereld-arbeidsverdeling wordt

gewijzigd, de stagnatie in de Europese eenwording, de
problematiek van het internationale betalingsverkeer,
de milieuproblematiek die vraagt om bedrjfseconomisch

weinig rendabele investeringen en het energieprobleem.

Op zich zelf zouden deze factoren voldoende zijn om

Nederland zijn aandeel in de algemene recessie te geven.

Maar daarnaast zijn er specifiek Nederlandse elementen:

onze grote afhankelijkheid van het buitenland, de problemen
verbonden aan de harde gulden, onze relatieve overbevol-

king, waardoor het milieuprobleem hier zoveel zwaarder

weegt enz.
Wij kunnen dus spreken van een internationale econo-
mische conjunctuur en internationale structuurverande-
ringen, die ons land noodzakelijkerwijs sterker treffen

dan andere landen. Ons industriële klimaat, of wellicht

beter gesteld ons ondernemingsklimaat, is vergeleken met

de jaren zestig duidelijk verslechterd.
Tot zover feitelijkheden, die iedereen kan waarnemen.

Daarnaast blijft er discussie over de vraag, in hoeverre de
niet geringe loonstijging in ons land sinds 1963 zoals
die resulteerde uit onderhandelingen, maar ook uit de
overheidsregelingen met betrekking tot het minimumloon,

mede schuldig was aan deze ontwikkeling.

Daarmede komen wij van de punten waarover een

zekere mate van consensus kan bestaan, op punten waar-

over verschil van mening naar voren komt. Uiteraard

geldt dit als laatste met name t.a.v. die zaken, die

ons niet overkomen als mooi en slecht weer, maar die

Gehouden op 21 november 1977 op een symposium ter gele-
genheid van het 10-jarig jubileum van Computercentrum Van
der Velden te Arnhem.

.
Zie ook
Maatschappijsiructuur en werkgelegenheid,
mletding
gehouden voor de Economische Faculteitsvereniging Rotterdam
op 2 november 1976.

1264

duidelijk samenhangen met het beleid van bepaalde groepen.

Vakverenigingen die te veel eisten, werkgevers die te
veel toegaven en een overheid die uit zucht naar popula-

riteit of progressiviteit meende dat het niet op kon.

Niemand wil graag de verantwoordelijkheid dragen achteraf

voor een aantal verkeerde beleidsbeslissingen. Wat wellicht
belangrijker is: men zoekt graag naar een beleid dat

de eigen groep het minste pijn doet. Daarom zoeken

de vakverenigingen de oorzaak van de problemen niet
licht in het loonpeil en vindt de overinvesteringstheorie
niet zoveel aanhangers in ondernemerskring. Men wil
wel graag een medicijn, maar dan toch liefst een niet

al te onaangenaam smakend drankje.

Eigenlijk is de schuldvraag irrelevant en de discussie

daarover alleen maar schadelijk. Veel is te verklaren
uit het psychologisch klimaat van de achter ons liggende

hoogconjunctuur, waarin regelingen werden getroffen die

pasten bij die hoogconjunctuur en die nu functioneren

in een ander klimaat. Terugdraaien is moeilijk. Veel belang-
rijker dan de schuldvraag is dan ook de vraag naar

de therapie. Maar ook bij het antwoord op deze vraag
blijkt een verschillende economische functie tot verschillende

antwoorden te leiden. Uiterst belangrijk is daarbij in

welk klimaat de discussie over de therapie plaatsvindt.

Jaren van overgang

Er is niet slechts sprake van structurele veranderingen
in de economie, maar er zijn ook belangrijke culturele

veranderingen die te maken hebben met de verschuivende
prioriteiten in een na-industriële samenleving. Eeuwenlang,
kan men zeggen, was armoede de normale toestand voor

gewone mensen. Geen wonder dat eeuwenlang de strijd

tegen de schaarste in iedere samenleving een zeer hoge
prioriteit had. Wellicht kan men stellen, dat dit nooit
in zo’n sterke mate is gebeurd als in de tijd van de

industriële maatschappij.

De industriële maatschappij ontstond, toen men metho-

den ontdekte om met veel minder mensen veel meer
produktie aan de landbouw te ontfutselen. Zodoende

kwamen mensen Vrij voor andere activiteiten. Dezelfde
instelling, die de landbouw tot zijn ongekende produktiviteit
wist te brengen, zorgde ervoor dat ambachtelijke produktie
werd omgezet in industriële voortbrenging. Sterker dan
ooit werden mensen gemobiliseerd voor de produktie.

Dit gebeurde door toepassing van het aloude beginsel,
dat wie niet werkt ook niet zal eten.

Aanvankelijk ging de mobilisering van de bevolking
voor de industrie zelfs zo ver, dat kleine kinderen werden

ingeschakeld. Gelukkig ontstond een tegenstroom in de
vorm van de sociale politiek, die aanvankelijk de zwakken

beschermde, later ook volwassenen tot haar terrein van

zorg rekende en thans een belangrijke factor is geworden

in de hele vormgeving aan de maatschappij. Het kapitalisme
kreeg, eerder en duidelijker dan het communisme, een

menselijk gezicht. De welvaartsstaat ontstond.

Deze welvaartsstaat wordt gekenmerkt door de hand-
having van een maximale mobilisering der beroepsbevol-
king. Een mobilisering die, in verband met de begrenzing
door de sociale politiek, tot een optimale in plaats van

een maximale mobilisering is geworden. Bovendien kenmerkt
de welvaartsstaat zich door de realisering, dat de onderne-

mingsgewijze produktie weliswaar voortreffelijk kan functio-
neren onder leiding van winstmotief en concurrentie, maar
dat dit onder de laat-kapitalistische verhoudingen slechts
mogelijk is in symbiose met een nogal bedilzuchtige staat,
die niet slechts zorgt voor het sterk ontwikkelde vangnet

der sociale zekerheid, maar bovendien de economie bijstuurt,
oriënteert en via een netwerk van regels, grotendeels

ontstaan in overleg met de betrokken organisaties, het
economische proces mede beïnvloedt.

Wij beleven thans de overgang van de industriële maat-

schappij naar een nieuw type samenleving, waarvan we

weten dat ze door andere sectoren dan de landbouw

en de industrie zal worden gedomineerd. Het proces
van groei der produktiviteit, dat eerst de landbouw

decimeerde, heeft nu de industrie bereikt, terwijl men

in sommige onderdelen van de dienstensector reeds kan

waarnemen dat ook daar dit proces zijn ingang vindt.

Ook binnen de landbouw en de industriële sector zien
we een ander produktiepatroon ontstaan. De elektronica
die zulke verschillende activiteiten als oorlogsvoering (ra-

dar!), recreatie (tv) en massa-communicatie (telex, krant)

reeds sterk veranderde, is bezig ook de produktie, overal

waar die plaatsvindt, van karakter te veranderen. Het

schijnt dat de fase, waarin de elektronica (m.n. de compu-
ter) meer werk creëerde dan elimineerde, snel voorbij is ge-
gaan.

Thans blijkt de opmars van ,,Ellesy” 3) in staat te zijn
in een onverwacht aantal gevallen de menselijke arbeid te ver-

vangen. Bijgevoig worden steeds meer mensen, ook in de in-
dustrie, vrijgemaakt voor het plannen, voorbereiden en bege-
leiden van de produktie (voor zover zulke taken door hun

routinematig karakter niet door de computer kunnen

worden overgenomen). Bijgevolg komt geld en komen

mensen vrij voor andere activiteiten. En in onze consumptie
en in onze produktie gaan immateriële zaken, zoals onder-
wijs, welzijnszorg, de informatie-industrie enz., in groeiende
mate de produktie en consumptie van materiële zaken
voorbijstreven.

De na-industriële samenleving is, net als de laat-indus-
triële samenleving, een rijke samenleving. Het is dus
niet zo verwonderlijk dat de ontwikkeling van de na-
industriële samenleving gepaard gaat met een verande-

ring in de prioriteiten, welke de maatschappij zich zelf

stelt of beter welke de verschillende groeperingen binnen
de samenleving zich stellen. Het is uiteraard niet toevallig
dat er steeds meer mensen komen die nogal negatief spre-
ken over mogelijkheid en wenselijkheid van economische
groei. Eigenlijk kan men zo’n houding alleen in een
welvarende samenleving verwachten. De ,,economofobie”
(de afkeer van het economische) die men hier en daar

naar voren ziet komen, is paradoxaal genoeg een symptoom
van het succes van ons economisch stelsel. Men treft

haar dan ook buiten dit stelsel niet aan.

Uiteraard kunnen groepen in een maatschappij wel
een afkeer koesteren van economie en bedrijfsleven, maar

de maatschappij kan zich zo’n instelling niet veroorloven.
Ook zij die zich (terecht!) zorgen maken over milieu,
grondstoffen en de gevolgen van onze rijkdom voor arme

landen, zijn afbankelijk van de produktiemogelijkheden
van de landbouw en van de industrie. Het debat behoort
dan ook niet te gaan over het v66r en tegen van
industrie, maar over de mate en de richting van de
verdere groei.

Daarmede heb ik, dacht ik, zeer summier aangegeven

hoe de positie van het bedrijfsleven thans is, gegeven
de conjunctuur, en hoe het komt dat het bovenop de

last van de grootste economische inzinking sinds de tweede

wereldoorlog ook nog eens de last te dragen heeft van
een groeiende vijandigheid van de omgeving.

De vijandige omgeving

Die vijandigheid uit zich vooral in de vorm van de

roep om een alternatief voor de vrije particuliere onderne-

3) Zie T. Poorter, Ellesy, een technisch-maatschappelijke visie,
De ingenieur, 28
april 1977.

ESB 21/28-12-1977

1265

ming. Van den Brink (in zijn zoëven ten tonele gevoerde

rede) wijst erop, dat wij leven in een post-kapitalistisch
tijdperk, omdat kapitaalbezitters niet langer uitmaken wat

er in de onderneming gebeurt. Dit lijkt mij, met name

voor de grote ondernemingen, juist. Alleen de kleine

worden nog vaak als familiebedrijf gedreven: kapitaal
en management zijn daar in dezelfde hand. In het grootbe-

drijf heeft zich vrijwel overal de scheiding tussen kapitaal

en management voltrokken.

Deze ontwikkeling gaat de meeste maatschappijhervor-
mers (ook mij trouwens) niet ver genoeg. Ik denk dat
ook de meeste managers verder willen gaan. In een

brochure van het Nederlands Christelijk Werkgeversver-
bond 4) wordt gezegd: ,,Vormgeven aan democratisering en

zinvolle arbeid is geen kwestie van welwillendheid, maar een

zaak van sociale rechtvaardigheid. Mensen zijn geroepen om

in hun werk hun verantwoordelijkheid te beleven en hun
talenten te ontplooien”. Door het NCW wordt het tot

de verantwoordelijkheid van de ondernemer gerekend:

,,democratisering binnen de onderneming zo te structure-
ren, dat met behoud van de bestuurbaarheid, de beïn-

vloedingsmogelijkheden van de werknemers op het beleid

worden vergroot”. Men behoeft dus niet vijandig te staan

tegenover de particuliere onderneming om te pleiten voor

democratisering.
In vele gevallen ligt dat evenwel anders. In het program

van de voedingsbonden FNV 5) is te lezen, dat de on-

derneming vödr alles wordt gezien als een mogelijkheid

voor de kapitaalverschaffers om winst te maken. ,,De
feitelijke zeggenschap ligt nog steeds
bij
hen. De onderne-

ming zou ook gezien kunnen worden als een mogelijkheid

zich te ontplooien voor allen die er daadwerkelijk mee
te maken hebben. Deze benadering stelt de mens centraal
en verdient daarom de voorkeur. Uiteindelijk moet alle

zeggenschap in handen van de werkenden komen”.
Dit is een net even andere benadering. Terwijl het

NCW denkt aan het meer democratisch maken van de
particuliere onderneming, willen de Voedingsbonden die
onderneming omzetten in een bedrijf gebaseerd op ,,ar-

beiderszelfbestuur”, terwijl de NCW dan winst gaat zien

als ,,wezenlijke voorwaarde” voor het bereiken van de

economische en sociale doelstellingen van de onderneming

en als ,,maatstaf voor het economisch zinvol bezig zijn”,

doen de Voedingsbonden onduidelijk over winst. Ze zien

,,ontplooiing voor allen” als alternatief voor winst maken

voor de kapitaalbezitters. Reden waarom ik de brochure

Ik en de rest
,,vroljk links” noemde: er zit mi. een
duidelijk trekje van economofobie in. Daarmee is het betoog

van de Voedingsbonden echter eerder onrealistisch dan vijan-

dig te noemen.

Het beleid van de overheid

Een wereldwijde recessie is echter geen tijd om te dromen. Dat begreep de regering-Den Uyl ook, toen

ze grotendeels vanuit de gedachtenwereld van
Keerpunt
’72 werd geconfronteerd met de crisis. De regering kreeg

het voorshands zo druk met reddingsacties ten bate van

het geteisterde bedrijfsleven, dat ze aan de maatschappij-

hervormende wetsontwerpen nauwelijks kon toekomen.

Pas aan het einde van de rit konden de grondpolitiek,
de ondernemingsraden, de VAD en de WIR, maar dan
ook in een ijltempo dat het kabinet noodlottig werd,
aan de orde worden gesteld. Ik heb de indruk dat de ondernemers onvoldoende onder
de indruk zijn van het beleid, dat de regering-Den Uyl

voerde om de economische recessie het hoofd te bieden.
Toch vind ik, dat dit beleid er wezen mag. Het gaat niet

aan alleen maar van lapmiddelen te spreken, wanneer men
ziet naar de herstructurering van bedrijfstakken, het door
achtergestelde leningen en subsisies overeind helpen van
ondernemingen in nood.

Van den Brink vreest ervoor dat bij een te lang voortduren

van ad hoc verleende subsidies een vervaging van de ver-

antwoordelijkheidsgrenzen tussen overheid en bedrijfsleven

– een gevaarlijke situatie – kan ontstaan, ,,waarin niemand

zich meer direct verantwoordelijk voelt en betrokkenen

blijkëns de ervaring de verantwoordelijkheid trachten te

ontlopen”. De systematisering van de subsidies der WIR
spreekt hem minder aan, omdat ,,dit systeem – door zijn
selectieve opzet – het industriële herstructureringsproces
onder druk van politiek en vakbeweging in een op de lange

duur voor Nederland ongewenste richting zal stuwen” (nI. in

de richting van arbeidsintensieve produktie).
Ik heb Van den Brink uitvoerig geciteerd, omdat zijn

kritiek, lijkt mij, representatief is voor wat bij veel onder-

nemers leeft. Men verweet de regering-Den Uyl dat zij,

ondanks de çrisis, socialistische hobbies najoeg en dat
zij, waar zij steun gaf, de verantwoordelijkheden deed ver-

vagen. Ik weet niet of deze verwijten helemaal terecht zijn.

Het is bekend dat de vakbeweging in het geval van een rege-
ring CDA-VVD de neiging heeft zich wat wantrouwend
op te stellen. Eén van de argumenten, die opgeld deed

toen werd gesproken over een mogelijke CDA-VVD-

combinatie was de ,,maatschappelijke aanvaardbaarheid”
van zo’n kabinet. Maar hoe staat het met de ondernemers?

Hebben zij niet evenzeer iets weg te slikken alvorens het ge-
sprek met een CDA-PvdA-regering wordt aangegaan? Moet
niet worden vastgesteld dat er alleen over de ,,maatschappe-
lijke aanvaardbaarheid” van een centrum-rechts-regering
wordt getwijfeld en niet over centrum-links, omdat de onder-
nemers op het eerste gezicht minder tam-tam kunnen maken?

Op het eerste gezicht en op korte termijn. Op iets langere

termijn spreken de investeringscijfers en de internationale
kapitaalbeweging een duidelijke taal. In een
ESB-column
schreef ik een paar jaar geleden eens,

dat de parlementaire democratie berust op de afspraak, dat

een regering het vertrouwen behoort te hebben van de volks-
vertegenwoordiging, het parlement, en niet van de vak-

beweging. In de feitelijkheid van iedere dag ligt het wat
anders. Het liefst moet, vinden wij, een regering in de praktijk
het vertrouwen hebben van de FNV en ook van het VNO.
Ik denk dat daar meer achter zit dan opportunisme. Het

heeft veeleer te maken met belangrijke veranderingen in de
relaties tussen politiek bestel en maatschappelijke orde.

De ondernemingsgewijze produktie kan, schreef ik hier-
boven, alleen goed functioneren in symbiose met een actieve,

ook economisch actieve, overheid. Er zijn in het optreden

van de overheid enkele fasen te onderscheiden:
De liberale overheid schiep voorwaarden voor het

functioneren van het economisch leven, beschermde de eigen-
dom en de belangen van het bedrijfsleven overzee. Zij limi-
teerde door sociale politiek het economisch handelen waar
dat nodig was, maar mengde zich niet zelf in het econo-

misch proces.
De welvaartstaat aanvaardde de verantwoordelijkheid
voor de macro-grootheden van de economie, bouwde de
sociale zekerheid uit en ontwikkelde de sociale politiek

verder.
De overheid in de huidige fase gaat veel verder.
Zij engageert zich in het economisch leven 6) en kan daar-
door niet meer volstaan met globale maatregelen, maar moet

zelf in de problemen duiken als participant in het geheel.
Vandaar herstructurering, leningen en subsidies. Natuurlijk

liggen de verantwoordelijkheden daarbij minder helder en
is er hier en daar sprake van gezamenlijke verantwoordelijk-
heden. Maar ook Van den Brink ziet niet zoveel alternatie-

ven voor deze ontwikkeling.
Eigenlijk is niet dit overheidsoptreden en de verandering
erin in discussie. Het gaat er veeleer om op welke wijze dit

Verantwoordelijkheden voor onderneming en ondernemer.
Ik en de rest.
L. Stoléru,
L ‘impératif industrie!.
Grémion,
Le pouvoir péri-
phérique,
Parijs, 1976.

1266

overheidsoptreden tot stand komt, wie erbij betrokken

worden, wie geconsulteerd worden enz.
Meer en meer wordt duidelijk, dat de overheid in het
huidige stadium der ontwikkeling niet zoveel keus heeft.

Zij kan niet laissez-faire spelen. Zij kan ook niet volstaan

met voorschriften hier en subsidies daar. Wij zien hoe de
overheid tot de conclusie komt, dat ze haar diepgaande
engagement in het economisch leven niet aan kan zonder

een nauwe samenwerking met de betrokkenen in het bedrijfs-
leven. Zij heeft die betrokkenen nodig, omdat alleen zij
beschikken over de noodzakelijke feitelijke informatie over

produktie- en afzetmogelijkheden, omdat ondernemers be-
slissen over nieuwe investeringen en omdat vakverenigingen

niet kunnen worden gemist wanneer er besluiten worden
genomen over lonen en arbeidsvoorwaarden, maar evenmin
als besluiten worden genomen, die neerkomen op het af-
vloeien van honderden of duizenden werknemers.
Men kan ook op een andere manier aankijken tegen
dezelfde ontwikkeling. Het wordt steeds duidelijker, dat

een zo diep in de economie indringend overheidsbeleid niet

zou voldoen aan de spelregels der democratie, wanneer het

zou gebeuren zonder een zekere inspraak van de betrok-

kenen. In die zin is de groeiende overlegeconomie niet
slechts een noodzakelijkheid in verband met de noodzaak
de regeringsfunctionarissen aan informatie en deskundigheid
te helpen, die zij niet geacht mogen worden uit zich zelf
te bezitten. Bovendien hebben we hier te maken met de
ontwikkeling van de sociaal-economische dimensie van
onze democratie 7).

Het functioneren van een overlegeconomie

De discussie die wij nodig hebben, is niet die over de
mogelijkheid weer een ouderwetse vrije economische orde

te construeren, waarin de ondernemer de leidende figuur
is in het economisch proces. De discussie die nodig is
(en die maar nauwelijks op gang komt, ook niet in de door

mij enkele malen geciteerde rede van Van den Brink),
is de discussie over het functioneren van een overleg-
economie en over de relaties tussen de overlegeconomie ende

parlementaire democratie.
Een paar zaken horen daarbij vast te staan.
Het is ondenkbaar dat in 1977 de overlegeconomïe zou

functioneren buiten de ondernemers om. Welke amende-

menten men ook zal willen aanbrengen in ons economisch

stelsel, de mogelijkheid te beslissen over de koers van de
ondernemingen, over investeringen en over de keuze van
afzetmarkten, behoort in de onderneming te blijven. Dat
sluit een sterke mate van beïnvloeding van zulke beslissingen

vanuit de ondernemingsraad niet uit. Evenmin sluit het uit,
dat er een marginale toetsing is der investeringen op milieu-

bezwaren. Ook niet dat, het beleid van de ondernemer

wordt georiënteerd door een vorm van democratisch opge-
zette en indicatief uitgevoerde planning. Democratisch
opgezet, d.w.z. ontwikkeld in nauwe samenwerking tussen
CPB, ondernemers en vakbeweging. Indicatief uitgevoerd,
d.w.z. niet dringend opgelegd, maar dringend aanbevolen.

Het is evenmin denkbaar, dat wij anno 1977 een overleg-
economie opbouwen zonder daarbij de vakbeweging te be-
trekken. Het is onredelijk, te verwachten dat de vakbewe-

ging zal meewerken als het gaat om loonmatiging en af-
vloeiingsregelingen, en hen niet te consulteren wanneer het

gaat om de overlegeconomie. Daarom mogen zij niet ont-
breken bij de voorbereiding en uitvoering der indicatieve
planning en zullen zij in staat moeten worden gesteld mede te werken aan de oriëntering van onze economie.
In de zoëven door mij geciteerde brochure
Verantwoorde-

lijkheden voor onderneming en ondernemer
lees ik:,,Onder

nemers moeten meewerken aan een koerswijziging in onze

economie, die enerzijds rekening houdt met de noodzaak

van een harmonische groei, anderzijds bijdraagt tot een
rechtvaardige internationale verdeling van welvaart en

ESB 21/28-12-1977

arbeid”. Onder de middelen om dit te verwezenlijken, zie ik
om.:
• samenwerking met consumentenorganisaties, politieke
partijen en vakbeweging om een consumptiepatroon te

bevorderen, dat bewuster rekening houdt met de nieuwe

schaarste aan energie en grondstoffen en met een schoner
milieu;

• mee te werken aan indicatieve prognoses per bedrijfstak,

opdat de voor de internationale arbeidsverdeling nood-

zakelijke herstructurering van onze economie op verant-
woorde wijze wordt gerealiseerd.

Wij zijn dus al bezig naar nieuwe verhoudingen te groeien,
maar onze instituties en onze organisaties zijn daar eigenlijk

nog niet op berekend. Het functioneren van een overleg-
economie wordt uitermate moeilijk, wanneer een belangrijke
politieke partij veel liever de vakbeweging te vriend houdt

dan een goede relatie op te bouwen met de ondernemingen. Een wezenlijke hinderpaal voor het functioneren van een
overlegeconomie zou ook worden gevormd door een vakbe-
ging, die liever droomt over een vrolijk links perspectief van

arbeidersbestuur in een niet door winststreven en concur-

rentie geplaagde onderneming dan zakelijk in te spelen op de
problemen van vandaag (waarbij men zijn dromen uiteraard
niet behoeft te vergeten). Het functioneren van een over-

legeconomie wordt eveneens sterk gefrustreerd door het
wantrouwen van ondernemers in een regering van centrum/

links en het wantrouwen van vakverenigingen in een regering
van centrum / rechts.

De overlegeconomie en de parlementaire democratie

moeten nog wat aan elkaar wennen. De overlegeconomie
plaatst de parlementaire democratie voor geheel nieuwe
situaties. Economie en politiek – en daarmede ook vak-

beweging en politiek en bedrijfsleven en politiek – zijn

dichter bij elkaar komen liggen. En dat is veel lastiger

dan we vroeger wel eens hebben gedacht.

Overlegeconomie en onderneming

Wat betekent de groei van de overlegeconomie voor de
onderneming? Ik denk dat Van den Brink met het uitspreken
van zijn zorg, dat overheid en vakbeweging samen een stuur-

7) Zie hierover nader: W. Albeda en P. J. Vos, De overlegstruc-tUur in de economische orde, in
Preadviezen van de Vereniging voor
de Siaathuishoudkunde 1977,
Leiden, 1977.

B
ehoeft uw staf

uitbreiding?

Verzuimt dan niet ESB voor uw
oproep in te schakelen.

ESB biedt u een grote trefzeker

heid, 66k bij aspirant-leidinggevende
functionarissen in de commerciële,

administratieve of aanverwante sec-
toren.

Adv.-afd ESB

Postbus 42

SCHIEDAM

1267

proces in de richting van arbeidsintensieve produktie in gang
zullen zetten, op het spoor is van de belangrijkste zorg der ondernemers met betrekking tot de overlegeconomie. Zul-

len de vakverenigingen niet zozeer bezeten zijn van het

streven naar volledige werkgelegenheid, dat zij de investerin-

gen in een richting zullen dringen die op korte termijn

meer werk betekenen maar die op langere termijn het con-
currentievermogen van het bedrijfsleven zullen aantasten? Dit laatste zal het geval zijn, indien men de toepassing der

technologie in plaats van door het rendementsstreven zou
laten leiden door het streven naar werkgelegenheid.

Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

(WRR) heeft in zijn laatste rapport 8) vraagtekens geplaatst

bij een dergelijke ontwikkeling. De Raad wijst op de nood-

zaak van export door de Nederlandse industrie, op de buiten-
landse concurrentie op de binnenlandse markt en op de nood-

zaak hët externe evenwicht te handhaven. Daarvoor is

kapitaalintensivering nodig. De WRR pleit voor een werk-

gelegenheidspolitiek, primair gericht op de dienstensector
en voor een produktiviteitspolitiek,primair gericht op de
industrie. De industrie wordt dan vooral gezien als het nood-
zakelijke draagvlak voor de sectoren, die de werkgelegenheid
wèl kunnen creëren.

Het zou goed zijn, wanneer de vakbeweging zich duidelijk
zou willen uitspreken over deze interessante gedachtengang.

De ondernemingsgewijze produktie richt zich primair op

rentabiliteit. Werkgelegenheid is daarvan een bijprodukt.

Of anders gezegd: men mag niet verwachten dat elke af-

zonderlijke onderneming haar winst geheel in werkgelegen-
heid weet om te zetten. Men mag er wel naar streven
dat de economie als geheel een voldoende volwaardige werk-
gelegenheid weet te creëren.
Het lijkt mij dat deze gedachtengang, zoals de WRR die
in hoofdlijnen heeft uitgestippeld, een aanvaardbaar richt-

snoer zou kunnen vormen voor de ontwikkeling van een

overlegeconomie. Zonder te zeggen, dat hiermede het ei van

Columbus is gevonden, vind ik wel dat dit een richting is

waarin men zou kunnen koersen. Op deze manier zou er ook aanleiding zijn voor een pleidooi voor een beleid dat, zonder

uit te gaan van de illusie van het creëren van voldoende

werkgelegenheid in de industriële sector, toch de ruimte biedt
voor de verdere ontwikkeling van de particuliere sector.
Daarbij zal men de werkgelegenheid minder in het oog

moeten vatten dan de vergroting van het draagvlak.
Een rijk en hoog ontwikkeld land als Nederland zal het
daarbij vooral moeten hebben van ,,brain”-intensieve en

(meestal gaat dat samen) van kapitaalintensieve produktie.

Het door middel van subsidies en andere steun overeind

houden van ondernemingen in moeilijkheden behoeft niet
zonder meer als een lapmiddel te worden afgewezen. Som-

mige problemen zijn tijdelijk en dan is het goed de recessie
te overbruggen door steun. In andere gevallen is het voor-
deliger en wenselijker niet rendabele werkgelegenheid te
handhaven dan de mensen naar de WW te verwijzen.

Minstens zo belangrijk is het evenwel dat de ruimte wordt
geschapen voor nieuwe initiatieven. Men kan wijzen op de
nieuwe mogelijkheden, die er zelfs in een moeilijke periode
als die welke wij thans meemaken, kunnen liggen. Een

recessie is niet alleen maar een periode van afbraak. Zelfs

aan het einde van de jaren dertig bleek hoe in die sombere

jaren belangrijke technologische vernieuwingen waren inge-

voerd die de grondslag zijn gaan vormen voor nieuwe eco-
nomische activiteiten. Een recessie is immers ook een periode

van herstructurering en heroriëntering.

Het industriële klimaat, of beter het ondernemingsklimaat,
in Nederland is door een aantal factoren die wij niet of niet
meer in de hand hebben, zoals de internationale economie,
onze relatieve overbevolking, veel milieulasten enz., niet

optimaal. Daartegenover heeft altijd gestaan en staat eigen-
lijk nog een niet zo slecht arbeidsklimaat met relatief weinig
stakingen en goed overleg met de vakverenigingen. De
regering-Den Uyl was bereid om ter wille van de handhaving

van deze goede arbeidsverhoudingen een aantal, ook door

de vakbeweging verlangde, hervormingsmaatregelen door te

voeren. Juist de aankondiging van deze hervormingsmaat-

regelen heeft in de ogen van vele ondernemers het onder-

nemingsklimaat in Nederland geen goed gedaan. Ik heb

de neiging hierin een sterke overdrijving te zien. De VAD
noch de nieuwe OR houden zulke grote veranderingen in,

dat deze conclusie gerechtvaardigd is. De WIR kan nauwe-

lijks als een verslechtering van het klimaat worden gezien,

gegeven ook de intenties ervan, al is er aanleiding kritisch

te bezien in hoeverre zij neerkomt op het al te zeer ver-
schuiven van de criteria voor investeringen, waardoor ons

land te zeer arbeidsintensieve investeringen zou krijgen.
Ook de invloed van de grondpolitiek op het industriële
klimaat lijkt mij beperkt.

Er is kennelijk iets anders aan de hand. Het onbehagen

over de uiterst slëchte economische situatie en over de
veranderde politieke situatie vertaalt zich gemakkelijk in

verwijten aan een regering, die de laatste jaren juist een meer

realistische koers ging varen. Veel belangrijker dan de her-
vormingsvoorstellen is de vraag of de regering in staat en

bereid is daarnaast het klimaat te scheppen waarin nieuwe ondernemingsinitiatieven tot bloei kunnen komen. Ik denk

aan vereenvoudiging van administratieve procedures, aan al

die maatregelen die bijdragen tot het ontplooien van

nieuwe initiatieven. De nieuwe technologie heeft het voordeel
dat ze ruimte schept voor nieuwe activiteiten op velerlei

gebied. De toepassingsmogelijkheden der elektronica zijn

legio. Wij zien vandaag hoe groot deze mogelijkheden zijn.

Vooral: laat de regering tonen, dat ze bereid is niet slechts
de lijn open te houden naar de vakbeweging (hoe wezen-

lijk ik dat ook vind), maar tevens de dialoog met onder-

nemingsland op realistische wijze te voeren.

Wellicht de belangrijkste opgave is: zorgen voor de
bibit,

de opvolging in ondernemingsland. Er moeten nieuwe onder-

nemingen komen, die nieuwe mogelijkheden zien. En be-

staande ondernemingen moeten de nieuwe mogelijkheden
aan kunnen vatten. Hinderpalen voor dit vernieuwings-

streven zijn:
de zware druk der collectieve lasten op de onderneming;

de sociale zekerheid van de werknemer die zelfstandig-
heid minder aantrekkelijk maakt;

de problemen van administratieve aard bij nieuwe vesti-

ging.

Wat zouden we aan deze problemen kunnen doen?

Het heeft geen zin om de zware druk te willen halveren,
de sociale zekerheid te verminderen of de vestiging geheel

vrij te maken. Oplossingen zie ik in een andere richting:
Schep een ,,service-instelling” voor beginnende onder-

nemers, een instantie, liefst met provinciale of regionale
vestigingen, waar men een nieuwe vestiging of een nieuw
idee vrijblijvend kan bespreken.

Maak het mogelijk dat nieuwe, innoverende vestigingen

(ook financieel) gedurende de eerste jaren worden

gestuurd.
Maak in gepaste vorm propaganda voor het ondernemer-

schap via de media. Bevorder research voor kleinschalige
technieken, gebaseerd op de nieuwe technologie die er is en

die mogelijkheden gaat brengen.

Een welvaartsstaat kan niet steunen op een economisch
moeras, zei Van den Brink. Daarom is een volwassen wel-

vaartsstaat niet houdbaar zonder een goed ondernemings-
klimaat. Het zal gewenst zijn, dat er een soort bewust-

wordingsproces op gang komt onder brede lagen van het
volk, waardoor men deze simpele waarheid gaat inzien en er

conclusies uit trekt.
W. Albeda

8)
Maken wij er werk van, nr. 13, 1977.

1268

Econometrische modellen

en economische politiek (11)
Toepassing Vintaf-model: CED- en CEC-projecties

PROF. DRS. H. DEN HARTOG
PROF. DRS.
J. WEITENBERG

De toepassing van het Vintaf-model

Uit de eerste aflevering van ons artikel in
ESB
van

14 december j.1. is gebleken, dat het CPB op dit mo-
ment niet in staat is alle kritiek op het model Vintaf-Il te
ondervangen. Dit model vertoont nog een aantal tekortko-

mingen, waarvan nog niet zeker is of daarvoor in de toekomst
adequate oplossingen kunnen worden gevonden. Van de

tekortkomingen gesignaleerd door Driehuis en Van der Zwan

zijn onzes inziens het meest essentieel: het ontbreken van een
monetaire dimensie en de behandeling van de problematiek
inzake de technische vooruitgang. Niet door hen gesignaleerd,

maar evenzeer essentieel zijn een meer gedetailleerde uitwer-
king van het sociale verzekeringsblok, een herziening van de
arbeidsaanbodvergelijking, maar op andere dan de door

Driehuis en Van der Zwan aangevoerde gronden, alsmede een
meer genuanceerde aanpak van het investeringsgedrag. Het
niet detailleren naar belangrijke sectoren kan ieder macro-

model worden verweten. Aan dit verwijt kan niet worden

tegemoet gekomen zonder de invalshoek van de macro-eco-
nomische analyse los te laten.

Rijp voor toepassing?

Moet onder erkenning van deze tekortkomingen nu wor-den geconcluceerd dat Vintaf-Il nog niet rijp is voor prakti-

sche toepassing in het kader van de economische politiek? Tot
deze conclusie neigen Driehuis en Van der Zwan, getuige het volgende citaat:

In het licht van het bovenstaande vinden
wij
dat Vintaf-1 1 te snel is
toegepast bij de beleidsvoorbereiding. Afgezien van de inhoudelijke
problemen die we met Vintaf-1 l hebben, vragen wij ons af of niet een
langere laboratoriumfase wenselijk is, alvorens een model op de
actualiteit los te laten” 1).

Het zal duidelijk zijn dat wij deze conclusie niet onder-

schrijven. Daarvoor zijn verschillende gronden aan te dragen.
Een eerste overweging wordt door Driehuis en Van der Zwan
zelf reeds genoemd. In hun artikel merken zij op dat het niet is
uitgesloten

,,dat naar het oordeel van beide commissies (bedoeld wordende CEC
en de CED) de economische problematiek zo evident is en ook zo
onweerlegbaar van macro-economische aard –
d.w.z.
dat naar hun
oordeelde lonen te hoog zijn, de winsten te laag, de publieke sector te
groot en de marktsector te klein – dat men in feite onverschillig en
zelfs ongeinteresseerd staat ten opzichte van de gebruikte modellen en
hun specificaties, zolang ze deze evidenties maar weerspiegelen” 2).

Uiteraard kunnen wij niet spreken voor de CEC en de CED,

maar persoonlijk zijn we inderdaad de overtuiging toegedaan

dat de economische problematiek in ons land nog steeds in
hoofdzaak wordt bepaald door een te hoog niveau van reële

arbeidskosten. Zeer veel beschikbare indicaties wijzen in die
richting. We noemen in dat verband het onmiskenbaar hoge

niveau van de arbeidsinkomensquote, de door ondernemers
vermelde redenen voor bedrijfssluitingen en saneringen, de
motieven voor verplaatsing van produktie-activiteiten naar
het buitenland, het gedurende de afgelopen jaren zeer om-
vangrijke beroep van het bedrijfsleven op bankkrediet, het

niet kunnen uitbreiden van het eigen vermogen via aandelene-
missies omdat de beurs de huidige vermogensstructuur van

het bedrijfsleven als te ongunstig beschouwt, de toenemende
penetratie van het buitenland op de binnenlandse markt voor

eindprodukten, de voor onze exporteurs steeds moeilijker
wordende concurrentie op de buitenlandse markten, e.d.
Kortom, verschijnselen die allemaal zijn terug te voeren op
een te hoge verhouding tussen (arbeids)kosten en opbreng-

sten. Aan deze te hoog geworden verhouding ligt vermoedelijk
een complex van oorzaken ten grondslag, zoals te hoge
aspiraties op het gebied van de contractlonen, een te sterke

expansie van de collectieve sector (afwentelingstendenties), te
geringe arbeidsmobiliteit in combinatie met te starre contract-

loonverhoudingen (leidend tot incidentele loonstijgingen),

een te hoog geworden koers van de gulden (resulterend in lage opbrengstprijzen) enz. Het zou in het kader van deze reactie te

ver voeren om de betekenis van ieder van deze factoren nader

te kwantificeren. Van belang is slechts de constatering dat
Vintaf-Il recht doet aan het mechanisme van de reële arbeids-

kosten, en derhalve is toegesneden op wat hiervoor als de
centrale economische problematiek van nu is aangeduid.

Driehuis en Van der Zwan ontkennen niet dat de reële

arbeidskosten momenteel een belangrijke rol spelen. Zij

verwijten het CPB slechts dat deze bij de constructie van zijn
modellen te eenzijdig de nadruk heeft gelegd op het mechanis-
me van de reële arbeidskosten. Er zou daardoor onvoldoende

aandacht worden geschonken aan de vraagkant, terwijl er
evenmin recht zou worden gedaan aan sectorale problemen
die zij kenmerkend achten voor de huidige situatie.

Het verwijt dat de vraagkant onderbelicht zou zijn in
Vintaf-Il lijkt ons niet terecht. Enige tijd geleden uitgevoerde

simulaties laten zien, dat de effecten van minder wereldhandel

en minder materiële overheidsbestedingen wel degelijk op
aannemelijke wijze door Vintaf-Il kunnen worden beschre-

ven 3). De huidige situatie wijst uit dat zich inmiddels ook aan

de vraagkant problemen voordoen. Dit wil niet zeggen dat het

vraagstuk van de reële arbeidskosten thans aan betekenis
heeft ingeboet. Integendeel, naargelang de vraag het laat

afweten komt het des te meer aan op de concurrentjekracht
van het bedrijfsleven. Een hoge arbeidsinkomensquote bete-

kent in dit verband onder meer een geringe ruimte voor het
doen van prijsconcessies, die vooral spelen bij een stagnerende
afzet.

Een macro-model kan vanzelfsprekend geen recht doen aan

typisch sectorale problemen. Indien de huidige Situatie inder-

daad gedomineerd zou worden door dergelijke problemen,

t)
Driehuis en Van der Zwan, blz. 863. Driehuis en Van der Zwan, blz. 862.
Zie
P. B. de Ridder, De huidige werkloosheid, ook een afzet-
probleem,
ESB, 10
augustus 1977, blz. 752-755.

ESB 21/28-12-1977

1269

‘Deze week sluiten Prof. Den Hartog.en Prof. Weiteriberg, beiden onderdirecteur van het
( entraal Planbureau

hun reactie af op het artikel ‘ an de hoogleraren Driehuis en Van der Z an o er de voorbereiding an hel

ecouionuisch beleid, in
ESB
van 31 augustus en 7 september jI. Naast de bijdrage an Den Harlog en \ eitenherg

W
erdeui op ver’iot’k ‘.an. de redactie de volgende hijdrag’en geschreven:

Prof. Dr. A.J. Vermaat, Modellen: maken of breken?,
ESB,
19
oktober
1977;

Prof.
Dr.
T. Kloek, Vintaf-Il bezien tegen de achtergrond van eerdere planbureaumodellen.
1′
SB, 26
oktober

1977;

3,
Pro!.
Dr. P.,J.l
,\l. Peters, l)e hamvraag blijft: in welke mate neo-kenesiaans. in welke mate neo-klassiek?,

9 noveniber 1977;

4. Prof.
Dr. D.B.J.
Schouten, Hoe komen we eigenlijk aan meer winst, want meer winst is op dcii duur meer

werk!,
ESB, 16
november ji.

De discussie n.a.. het artikel ari de heren Driehuis en Van der Zwan wordt oorlopig gesloten.

Beide heren zullen binnenkort hun antwoord in
ESB
publiceren. Mocht daartoe aanleiding bestaan, dan kan (Ie

d isetissie daarna

orden herope
1111.

*

zouden Driehüis en Van der Zwan het CPB de toepassing’van

een’verkeerd model kunnen verwijten. De vraag is echter wel’

of er naar sectoren bezien sprake is van een strkgedifferenti-

eerd beeld. Natuurlijk hebben de’ metallürgiel engrote delen
van de metaalnijverheid het bijzonder moeilijk nu de investê-

-. ‘ ringen alom zijn ingezakt, natuurlijk w,ordi de scheepsbouw

geconfronteerd met overcapaciteit aan tankertonnage nu het
olietransport zich zoveel trager ontwikkelt’, natuurlijk heeft

de formidabele olieprijsverhoging obk in andere bedrijfstak-,

ken (olieraffinaderijen, petro-chemie) tot
,
extra aanpassi ngs-

– moeilijkheden geleid. Maar moet hieraan de conclusie wor-
• den verbonden dat een, maro-‘model onder deze’
omstandigheden zijn relevantie totaal heeft-verloren? Dat zou
ôns te’ver gaan, al geven we onmiddellijk toe dat een bedrijfs-

takkenmodel (met gedesaggregeerde afzetcomponenten) het
inzicht in de huidige economische situatie zou kunnen verdie-
• . pen en verhelderen. Echter, een ‘aântal van deze specifieke

bed’rijfstakontwikkehngen kunnen via exogene termen ook
heel redélijk in een macro-model worden meegenomeii.

De keuze voor Vintaf-Il is evenwel niet alleen gebaseerd op
de evidentie van het reëlearbeidskostenmechanisme. Een

tweede’overweging die pleit voordit model is gelegen in de

tamelijk goedé sjmulatieresûltaten. Met behulp van’dit model
kan de economische ontwikkeling na 1970 op redelijke wijze

• worden gesimuleerd, althans met inacht’neming van cfe’abrup-

te verstoringen ûit hoofdë van de oliecrisis. Ook,de uitk6msten
van de extrapniatie voor de komende middellange termijn
‘maken geen onrealistische indruk. Ten hogste zou kunnen
wordën gesteld dat d’eze uitkomsten nog aan de optimistische

kant zijn, getuige het feit dat de gesommeérde bedrijfstakpro-
jecties qua produktie en werkgelegenheid lager uitkomen.

Een laatste overweging ‘ten gunste van Vintaf-Il is het
ontbreken van’een duidelijk alternatief model. Het eerder

,gebruikte CS-VIN-model genereert weinig plausibele projec-

ties tot, en met 1.981, met name op het punt van hçt investe-
• .. rin’gs’verloop. Vanuit puur theoretisch oogpunt bestaan er
eveneens bezwaren tegen dit model. De’eriige invloed-van de

buitenlandse concurrentie op de binnenlandse prijsvorming

en de zeer gote invloed van de reele arbeidskosten op, de
bedrijfsinvesteringen roepen, daarbij de grootste vrageii op.

Over andere middellange-termijnmodellen beschikt het CPB
niét, zodat als laatste alternatief overblijft het niet toepassen

van een model. Onzes inziens zou deze laatste stap onve’rant-‘
woord zijn; omdat indt geval de voorbereiding van de

.economisché politiek eerst goed in de lücht zou komen te

hangen. De basis voor een rationele discussie over economi-sche politiek zou daarmee wegvallen. Dat zou onzes inziens
een stap terug betekenen.’

Tot.’zoverre de motivèring voor’het hanteren van Vintaf-Il,

niettegenstaande het feii dat ook, binnen het CPB een aantal

onvolkomenheden van dit niodel, wordt ,onderkend. In af-

wachting van verdëre technische verbeteriugen en bij gebrek:
aan alternatieven is er in deze voorshânds echter geen’andere
keuze dan Vintaf-Il.

Aanpassing stru’c!uur

Een tweede opmerking inzale de toepassing van Vintaf-Il

betréft de vraag of de structuur van ee,n model naar believen

mag worden aangépast. Dçze suggesties doén Driehuis en
Van der Zwan, wanneer zij stellen dat economische adviësor-

ganen in. eerste aanleg tot taak hebben het uitvoeren van een
brede technische ,vërkenning, op basis waarvan dan in het

politieke vlak een aantal .beleidsvarianten kan worden gefor-

muleerd. Over deze variantn merken zij op

Niet ‘als afzonderlijke rekenvarianten die uit een model rollen om
ver.völgens door simpele optelling t’ot pakketten te worden samenge-
voegd, maar beleidsvarianten gebaseerd op concepties, wier ultver-
king weliswaar op modellèn kan worden gebaseerd, maar dan
inclusief het variëren van reactiecoëfficië’nten naar gelang dat in de
concepties. iigt’opgesloten”

Ter illustratie van dergelijke variatiés in reactiecoëfficiën-
ten.staan’beide auteurs nogal uitvoerig stil bij een geringere arbeidsbesparende technisché vooruitgang, een elitninering

van de reële loonvariabele in de arbeidsaanbodvetgeljking,
de uitschakeling van afwentelingstendenties bij de loonvor-
ming en ,een beperking van de incidentele loonstijging. Het
komt ons voor dat economische adviseurs een dubieuze weg

opgaanwanneer
deze
voorbeelden kenmerkend’ zouden zijn

voor hetgeen onder een brede technische verkenning dient te

worden verstaan. Heel gemakkelijk kan immers de indruk
ontstaan dat. dergelijke ‘aanpassingen ,van reactiecoëfficiën-
ten zonder meér deel zouden uitmakèn van’ het ecdnomisch-

politieke beleidsinstrumentarium. Dit is niet of slechts in zeer
beperkte mate het geval: Het tempo van technische vooruit-‘

gang kan niet door het beleid worden binvloed, zeker niet op
korte termijn. Ten. hoogste zou er op dit punt aanleiding

kunnen zijn voor het presenteren yan een onzekerheidsvari-ant. Het beleid kan evenmin de participatie aan het arbeids-

aanbod rechtstreeks’binvloedèn, tenzij de bestaande vrijheid
ter zake zou worden opgeheven.
Uitschakeling vân afwente-,

lingstendeï’ities bij de loônvorrning kan’el’ worden bepleit,
doch kan zonder verregaande
,
uitbreiding van bevoegdheden

var de beleidsïnsta”nties niet worden afgedwongen. Een soort-
gelijke kanttekening kan worden geplaatst bij de afremming

van de incidentele looncomponent. Bevoegdheden ter zake

ontbreken’ op dit mdment, waarbij nog in het midden wordt gélaten of bepërking van de incidentele loonstijging op zich

zelf beschouwd wel wenselijk moet. worden geacht

Onzes inziens is een dergelijke brede technische verkenning
niet zinvol te achten, tenzij het uitdrukkelijk erom gaat de

deelnemers.betrokken bij het economisch leven te wijzën op

hun onjuist of onwenselijk gedrag (,,moral persuasion”). De
technisçhe, instrumenten tçr effectuering van deze veranderin-‘

gen ontbreken.echter veelal. Bovendien dienen.dan in bègirsel,
alle ‘reactiecoëfficïënten aan een dusdanige beleidsrelevante

beschöuwing te worden onderworpen, want in een economie

4),Driehuis en Van der Zwn, blz. 835. ,

,

,

„hangt nu eenmaal alles met alles samen”. Ten slotte wordt in

dit geval via een omweg toch het empirisch getoetste model

buiten spel gezet en vervangen door een model dat nauwelijks
meer kan bogen op enige actualiteitswaarde.

Niettemin kan in bepaalde situaties de noodzaak bestaan

tot het aanpassen van sommige modelcoëfficienten. Hierop
werd reeds geattendeerd in de CEC-nota
5)
bij de behandeling
van de combinatie van loonmatiging en directe belastingver-

lichting. Daar werd gesteld dat de gevolgen van deze combi-
natie niet zonder meer kunnen worden berekend door een

optelling van de desbetreffende ,,spoorboekjes”, omdat dan in

feite met een te sterke loonmatiging zou worden gerekend.

Ten slotte willen we in dit verband niet nalaten te wijzen op
het in acht nemen van de grootst mogelijke zorgvuldigheid bij
het eventueel aanpassen van bepaalde reactiecoëfficiënten
en/of het combineren van ,,spoorboekjes”. Zo hebben Drie-

huis en Van der Zwan nogal wat moeite met de negatieve

werkgelegenheidseffecten van extra materiële overheidsbeste-

dingen die uit additionele belastingen worden gefinancierd.

Deze negatieve werkgelegenheidseffecten zouden in strijd zijn
met wat gemeenlijk te dien aanzien wordt aangenomen over
de ,,balanced budget multiplier” met betrekking tot de werk-

gelegenheid. Vandaar dat Driehuis en Van der Zwan zelf zijn
gaan experimenteren, waarbij zij als volgt te werk zijn gegaan.

Zij beginnen met het presenteren van de gevolgen van een
blijvende niveauverhoging met f. 1 mrd. van de materiële overheidsbestedingen, welke worden gefinancierd uit een
blijvende niveauverhoging van de directe belastingen met

eveneens f. 1 mrd. Deze effecten worden vervolgens gecombi-

neerd met de gevolgen van een jaarlijkse beperking van de

incidentele loonstijging met 0,75% (nI. 1 â 1,5% perjaar wordt

beperkt tot 0,5% per jaar). De aldus verkregen uitkomsten
worden ten slotte samengevoegd met de effecten van het
ongedaan maken van de afwenteling in de loonvorming die
verband houdt met dein de jaren 1978 t/m 1981 voorziene

verzwaring van de collectieve lastendruk. Niet zonder triomf
concluderen Driehuis en Van der Zwan dat er nu geweldige

positieve werkgelegenheidseffecten optreden in plaats van
negatieve.

Uit de hierboven vermelde werkwijze zal duidelijk zijn
geworden dat hier veel meer gebeurt dan wat in het algemeen

wordt verstaan onder een ,,balanced budget”-aanpak zonder

afwenteling. Tabel 1 maakt een vergelijking mogelijk tussen
een ,,balanced budget”-aanpak
mèt
en
zènder
afwenteling.
Met afwenteling zou de werkloosheid met enkele duizenden

Tabel 1. Gevolgen vanf 1 mrd. meer materiële overheidsbe-
stedin gen gefinancierd met J 1 mrd. verhoging van directe
belastingen in 1978 (Vintaf-IJ)

stijgen, zonder afwenteling zou deze met enkele duizenden
verminderen. Een dergelijke vermindering van de werkloos-

heid steekt wel schril af bij de werkloosheidseffecten waartoe

Driehuis en Van der Zwan komen. Zou de werkloosheid

uitsluitend bestreden worden via een ,,balanced budget”-
aanpak zènder afwenteling, dan zou daarvoor een gigantische
operatie zijn vereist. Wellicht zal Van den Doel nu ook wat

minder de loftrompet steken over deze oplossing van het

werkloosheidsprobleem 6). Hij werd kennelijk misleid door
de onzorgvuldige en verwarring wekkende presentatie van de

door Driehuis en Van der Zwan uitgevoerde becijferingen.

Gebruik door politici

Een derde en laatste opmerking over de toepassing van

modellen betreft het gebruik dat politici hiervan maken bij de

beleidsvoorbereiding. Driehuis en Van der Zwan maken

bezwaar tegen de ,,toepassing van de spoorboekjes als zou het
gaan om een druk-op-de-knop-economie” 7). Zij stellen dat

eerst het beleid dient te worden ontworpen en dat daarna het

beleid dient te worden getoetst aan de mede op basis van dat
beleid verkregen modeluitkomsten. Het omgekeerde, nl. het

rechtstreeks ontlenen van het beleid aan de uitkomsten van

spoorboekjes, achten zij uit den boze. Dit laatste zou het geval

zijn met de enkele maanden geleden verschenen CEC-nota.

Wij zijn het eens met beide auteurs wanneer zij bezwaar
maken tegen een mechanische vertaling van modeluitkomsten
in beleidstermen. Maar dit is onzes inziens een overtrokken
voorstelling van wat er in de praktijk gebeurt. In beginsel

komt het voeren van beleid overeen met het oplossen van een
optimeringsvraagstuk. Gegeven doelstellingen dienen met
inachtneming van een aantal randvoorwaarden te worden

gerealiseerd, waarbij de instrumentvariabelen als onbekende
grootheden dienen te worden opgelost. Wij zijn het niet eens

met Driehuis en Van der Zwan wanneer zij een dergelijke

werkwijze onjuist achten. Het moet in dit verband bijzonder
nuttig worden geoordeeld wanneer beleidsmakers een indruk
krijgen van de beleidsinspanningen die zijn vereist om bepaal-

de beleidsdoelstellingen te realiseren. Een model-aanpak kan
daarbij goede diensten bewijzen. Confrontatie van de inspan-
ningen met de bekende ,,smalle marges” kan dan nl. resulteren
in het formuleren van gewijzigde dan wel minder ambitieuze

doelstellingen. Hierdoor wordt bovendien voorkomen dat
kiezers zich achteraf bedrogen voelen en dat politici gebukt

gaan onder toenemende frustraties. In de praktijk is deze gang
van zaken nauwelijks te kwalificeren met ,,druk-op-de-knop-
economie”.

Vergelijking van CED-projecties met CEC-projecties

i
,
te:afwenteli,tg
1

zo,tder afu’enteling

Driehuis en Van der Zwan maken nogal veel ophef over de
In 1981

huns inziens grote verschillen tussen wat zij de


0,0

CED-projec-
ties noemen (dit zijn de voorspellingen uit de CPB-publikatie

gecumuleerde effecten

Loonsom perwerknemer

(%)
0,7
De Nederlandse economie in 1980)
en de voorspellingen
l’rijspeil particuliere consumptie

(%)
0,4
0,1
waartoe de CEC enkele maanden geleden is gekomen. Met
Reëel beschikbaar inkomen
name op het punt van de werkloosheidsraming achten zij de
modale werknemer

(%)
0,0

0.3

verschillen groot, waarbij beide auteurs grote twijfels uiten
Volumeparticuliereconsumplic

(%)

0,4
0,4

aan de hieraan mede ten grondslag liggende herziening van

Volume bed rjfsinvesteringen

(%)

1,3
het structurele arbeidsaanbod. Zij verwijten voorts de CEC

0,8
dat deze bij de verklaring van de verschillen wel omstandig
Volumegoederenutvoer

(%)
.-

0.4a)

0,2

ingaat op de wijzigingen in uitgangspunten tussen beide
Volume produktie bedrijven

(%)

0.2

0.1

projecties, maar dat daarbij geen aandacht is geschonken aan

de omstandigheid dat voor beide projecties niet hetzelfde
Reelearbeidskosten

(%)
0,2

0,2

model is gehanteerd.

Eerst

naar aanleiding van daartoe
Werkloosheid(l.000manjaren)
3,5
..

3,4

gestelde vragen door de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
Saldo lopende rekentng
betalingsbalans (mrd. gld.)

0,3
zou dit laatste punt boven water zijn gekomen.
0,2
Voorwaar geen geringe kritiek zal de lezer opmerken. Laat
Arbetdsnkomensquote.gecorrigeerd (%)
0,1

0,1

ons daarom proberen een aantal zaken recht te zetten. Om
Financieringssaldo op transactiebasis (%)
.-

0,2
0,0

a) In tabel 3 vun hun artikel vermelden Driehuis en Van der Zwan een uitkomst van -0,2.
Vermoedelijk hebben zij bij het samenstellen van twee kolommen een tekenfout gemaakt.

CEC-nota, blz. 41, voetnoot 1.
J. van den Doel in de
Haagse Post
van 1 oktober 1977, blz. 13. Driehuis en Van der Zwan, blz. 863.

ESB2I/28-l2-1977

.

1271

met het laatste punt te beginnen, de CEC heeft in zijn rapport

wel degelijk gewezen op de toepassing van een ander model.

Heel duidelijk blijkt dit bijv. uit het navolgende citaat, dat is
ontleend aan de beschouwingen over de verschillen in ramin-

gen tussen de CEC-nota en De Nederlandse economie in
1980.

,,Ook hier gaat het niet zozeer om veranderde inzichten in modelmati-
ge samenhangen, als wel om de vraag in welke mate de omvang van de
consumptieve kredietverlening daarvoor medebepalend zal zijn. Dit is ook thans nog een moeilijk te beoordelen punt. Duidelijker is – en
dan gaat het wèl over de modelstructuur – dat in het thans gehan-
teerde model de buitenlandse prijzende binnenlandse mede binvloe-
den. Hetgeen betekent, dat kostenstijgingen niet volledig kunnen
worden doorberekend, met de consequenties van dien voor de reële
arbeidskosten, de werkgelegenheid en de arbeidsinkomensquote. Dit
mechanisme gepaard met de hogere raming van de loonstijging,
verklaart voor een groot deel het nu zo teleurstellende verloop van de
arbeidsinkomensquote. Ongetwijfeld dus is de raming van de werk-
loosheid in 1981 mede binvloed door de verandering van inzicht in
het prijsramingsproces, maar daarin ligt slechts een zeer partiële
verklaring van het verschil tussen de 250 â 275.000 nu voor 1981 en de
150.000 voor 1980 van destijds” 8).

Dit lange citaat geeft onomwonden toe, dat de overgang op
een ander model tevens van invloed is geweest op de wijzigin-

gen in de projecties.
Een tweede punt van kritiek betreft de vraag of de overgang

op een ander model inderdaad van
grote
invloed is geweest op
de projecties. Driehuis en Van der Zwan vinden van wel,

getuige hun constatering:

,,Alleen al door de overgang van CS-VIN op Vintaf-Il wordt de
voorspelling van de werkloosheid 25.000 manjaren hoger. In termen
van CEC-spoorboekjes betekent dat ruwweg f. 4 mrd. (1) minder
overheidsinvesteringen of f. 2,5 mrd. verlaging van de directe belas-tingen of f.4 mrd. verlaging van de indirecte belastingen Mf. 3 mrd.
verlaging van het niveau van sociale uitkeringen en premies of

1
12% geringere contractloonstijging. Voorwaar geen geringe excerci-
ties” 9).

Een dergelijke uitspraak over een verschil van
25.000

werklozen op een termijn van vijf jaar komt ons nogal

overtrokken voor. Gezien ook het saldo-karakter van deze
grootheid bestaat er onzes inziens geen principieel verschil

tussen
250.000
en
225.000
werklozen in
1981.

Groter en ernstiger achten wij de verschillen met betrekking
tot de ramingen voor de produktiegroei en voor de capaci-

teitsgroei. In het antwoord op de desbetreffende vraag van de
Tweede-Kamerfractie van de PvdA is op de verschillen bij deze grootheden dan ook uitvoerig ingegaan. Omstandig is
daarbij uit de doeken gedaan waarom het capaciteitsverloop
volgens CS-VIN weinig realistisch aandoet. Mede op grond

hiervan, maar dit was niet de enige overweging, heeft het CPB

een half jaar geleden besloten om voortaan Vintaf-Il te
gebruiken voor prognoses en varianten op middellange ter-

mijn.

Niettemin, ook los van het toegepaste model zijn er ver-

schillen tussen de CEC-projecties en de ramingen uit
De

Nederlandse economie in 1980.
Deze resterende verschillen

houden enerzijds verband met een verschil in projectieperio-
de
(1976/1981 versus
1975/1980),
anderzijds met wijzigingen in uitgangspunten en basissituatie. Mogelijk is de verandering
in basissituatie onvoldoende beklemtoond in de CEC-nota. In

concreto komt dit punt hierop neer, dat de situatie in het jaar

1975
werd gekenmerkt door een duidelijk negatieve conjunc-

tuur. Bij de projectie vanaf dat jaar naar
1980
diende er

derhalve niet alleen rekening te worden gehouden met de
,,trends” in onze economie, maar ook met een herstel van de conjunctuur, gegeven het feit dat voor het jaar
1980
een con-

junctuurvrije situatie werd verondersteld. Naar achteraf is

gebleken, is het conjunctuurherstel in
1976
aanzienlijk minder
groot uitgevallen dan eerder was voorzien. Of anders gezegd:

de negatieve conjunctuurinvloed op het beeld voor
1975 is

destijds overschat. Uiteraard verklaart ook deze overschat-

ting van de negatieve conjunctuurcomponent een deel van de

verschillen tussen beide eerder genoemde projecties.
Een laatste punt van kritiek dat weerwoord verdient,

betreft de wijziging in de raming van het arbeidsaanbod.

Blijkbaar wantrouwen Driehuis en Van der Zwan de herziene

raming van het structurele arbeidsaanbod, getuige hun op-

merking: ,,Of stond de nieuwe raming van de werkloosheid
reeds vast en was elk middel goed dat deze onderbouw-

de?” 10). Een dergelijke aantijging suggereert weinig vertrou-
wen in de integriteit en objectiviteit van de instanties die zich
met de economische beleidsadvisering bezig houden. Wat is er

ni. na het verschijnen van De Nederlandse economie in 1980
gebeurd? In december
1976 is
verschenen
Ontwikkeling
Nederlandse bevolking 1975-2000
van het CBS, een publika-
tie die de auteurs uit hoofde van hun professie bekend zou

moeten zijn. Daarnaast is ten behoeve van de CEC-nota
gebruik gemaakt van door het CBS herziene cijfers over de
onderwijsdeelneming, van definitieve cijfers uit de
Volksiel

ling
1971, alsmede van nieuwe inzichten omtrent de mate van
arbeidsongeschiktheid die bij de uitvoering van de AAW

wordt toegekend. Uit al deze nieuwe gegevens bleek dat bij

toepassing van dezelfde methodieken als voorheen dejaarlijk-
se aanwas van het structurele arbeidsaanbod ca.
20.000
hoger
uitkwam dan in De Nederlandse economie in 1980
werd
becijferd. Dit verschil is nader gedetailleerd in tabel
2.

Tabel 2. Structureel arbeidsaanbod volgens de CEC-nota en
volgens
De Nederlandse economie in
1980

CEC-nota
1
NE80

1
Verschil
1976-1981

1975-1980

gemiddelde
jaarmulaties
x 1.000 man.
jaren

Natuurlijke groci
63
57 6
Effect onderwijsdeelncming

24

34
10
Effect deelneminggehuwde vrouwcn
II
IS

4
Effecten van:
WAO

25

25
0
AAW

5
9
4
Overige effecten a)
7
2
5

Totaal
27
6
21

a) Omvat de gevolgen van wijzigingen in het aantal _thuiszitters”, vervroegd gepensioneer-
den e.d.

In het licht van de oorzaken van deze wijzigingen (leer

plïchtverlenging, minder huwelijken en meer echtscheidin-

gen) behoeft het geen verbazing te wekken, dat de arbeidsaan-
bodvergelijking van Vintaf-Il een dergelijk verschil niet
endogeen kan verklaren. De vraag van de schrijvers: ,,Waar-

om met geen woord gerept over de twijfels die de vermelde
discrepanties tussen model en werkelijkheid wel moeten
oproepen” II) is derhalve misplaatst. De oorzaken van deze
discrepanties inzake het arbeidsaanbod werden in de CEC-
nota juist uitgebreid in tekst en tabellen behandeld.

Ter zijde zij hier opgemerkt, dat de door Driehuis en Van

der Zwan ontworpen tabel over de verschillen betreffende de
veronderstellingen m.b.t. het arbeidsaanbod
12)
eerder ver-warrend dan verhelderend werkt. De verwarring komt hieruit
voort dat zij de veranderingen in het
structurele arbeidsaan-
bod voor de veranderingen in het
totale
arbeidsaanbod
hebben aangezien. Het verschil tussen deze grootheden wordt
gevormd door de conjuncturele en incidentele factoren,

waaronder ook het saldo van grenspendel en migratie is
begrepen. Over dit buitenlandse arbeidsaanbod vermeldt de
CEC-nota nog, dat ,,aangenomen wordt dat het saldo van

grenspendel en migratie voor de komende jaren weinig van
nul zal afwijken” 13). Hoe dit ook zij, het saldo van pendelen

migratie maakt in ieder geval geen deel uit van het structurele

Een economische verkenning van de periode 1976-’81, bijlage bij
de brief van de minister-president d.d. 3juni 1977, nr. 261353, blz. 29
overlopend naar blz. 30. Driehuis en Van der Zwan, blz. 860. Driehuis en Van der Zwan, blz. 832.
II) Driehuis en Van der Zwan, blz. 832. Driehuis en Van der Zwan, tabel 2 op blz. 831.
CEC-nota, blz. 12.

1272

arbeidsaanbod. Voorts merken de schrijvers ineen oet’noot
bij hun tabel op, dat de AAW-effecten op het arbeidsaanbod

niet voor alle afzonderlijke jaren in de CEC-nota worden

vermeld Deze omerking’is niet juist, want de bedoelde

informatie is te vinden op blz. 73, van de ÇEC-notaTen slotté

vermelden Driehuis en Van der Zwan cijfers over hetjaar 1978

die in de CEC-nota niet voorkomen.

Uit het voorgaande blijkt dat de
herziene.ramingen,vg’n
hét’

(structurele) arbeidsaanbod hoofdzakelijk bertistenop nieuw

cijfermateriaal van het CBS. Er is dan ook geen sprake van

vooringenomenheid of van het toewerken naar een bepaalde

uitkomst. Met dit laatste wil uiteraard niet zijn gezegd, dat het

feitelijke verloop van de werkloosheid nooit aanleiding zou

mogen geven tot een nieuwe analyse van de factoren die het
veÈloôp van het arbeidsaanbod bepalen.

‘Slôtopmërkingen

Vintaf-Il is nog ‘niet het ideale model, gesteld al dat een
dergelijk model bestaat. We hebben overigens ook.niet de

‘illusie Ooit te zullen kunnen beschikken over een model, dat

zowel de zwaârste toets van’wetenschappelijke kritiek kan

doorstaan.als ook een grote mate van operationaliteit ver-
toont. Binnen de economische theoriebestaat bovendien niet op ieder punt een consensus van opvatting. Wat de operatio-
naliteit betreft, moet de empirisch ingestelde econoom zich

behelpen met het beschikbare statistische materiaal. Dat
materia’al is behept met onvolkomenheden, en soms zelfs

ontbreekt het. Dat laatste is bijv. het geval met de kapitaal-

goederenvoorraad in ons land. Gelukkig is het CBS voorne-

mens een aantal van de belangrijkste lacunes op te vullen.

Al zal een ideaal model nooit worden bereikt, verbetering
van bestaande modellen is altijd mogelijk. Dit is een continu
proces,’ waarvan de buitenwereld alleen zo nu en dan kennis
neemt, nI. op het moment dat daarover in publikaties wordt,

gerapporteerd. In het vlak van de macro-modellen wordt
door het CPB intensief gestudéerd op de monetaire dimensie,

van het economisch leven. Dit is
1
,een omvangrijk project,
waarvan .nog niet is te voorzien wnneer dat’ zal worden

afgerond. Voorts kwarti reeds ter sprake
5
dat een verdere
detâillering van het socialeverzekeringsblok een herziening

van de’arbeids’aanbodv’ergelij king èn een meer genuanceerde’

bénadering van het investeringsge’drag onderwerpen van’
studie uitmaken. Bin’nen de macro context’wordt op’ dit

moment voorts onderzocht of het afstootmechanisme’ kan
worden verfijnd via het daarin opnemen van de bezettings-
graad –

Het ontwikkelen van een meër-sectorenmodel vormt in dit

verband ‘eveneens een belangrijk onderzoekproject. Teti

einde,de resultaten van de macro-projecties sneller en volk-

diger te kunnen toetsen aan ‘de bedrijfstakramingen wordt er
gewerkt’ aan een meêr-sectorenmodel, waarin ook dë jaar-,
gangenbenadering een plaats inneemt. .

Tot zover. de belangrijkste onderzoekprojecten op het
gebied van de modellenbouw, waaraan momenteel op het

CentraalPlanbûreau aandacht’wordt geschonken. Andere
belangrijke
zaken,
zoals bijv. het vraagstuk van de technische
vooruitgang en de problematiek van het afwentelingsgedrag,’

krijgen op .dit ogenblik minder aandacht, weer andere te
weinig. Daar staat ‘echter tegehover, dat universitaire onder-

zoekinstituten meer en- meer zijn gaan bijdragen aan’ de’,
problematiek die hier aan de orde is,’in’de vorm van concrete:’

suggesties voôr aanvullihgen op dan wel -herzieninen van de

door het Centraal Planbureau gebruikte modellen, in het

bijzonder, dan het Vintaf-lI-model,

Met, de inbreng ‘dus ook van universitaire zijde, blijft de’,

modellenbôuw aldus, om in termen van Driehuis’en Van der
Zwan te spreken, een kwestie van voortdurende ,,reflectie en

bewuste evaluatie”. Driehuis en Van der Zwan achten die
reflectie en bewuste e’valuatievooral nü,op hun, plaats. Wij
zijn die me’ning niet toegedaan. Over modellen en hun specifi-

caties moet voortdurend en grondig w r’den nagedacht. Zo is het trouwens altijd geweest.

‘-H.

den Hartog
J. Weitenberg

Vacatures

Bedrijfsecoiiooiu
\go
s
eriekeririgen Functie:


Rij:
BI,,:
Bc’drijfseeonoiiiiselie
iists’rdani
III
en t onipta hele /aken
t eliflhllifli

(docent
Rs’search’nistituut
regionale indust ri&1c
snor Bs’drijfs-
Hoofd van de afdeling
\ggltnieratie

t iiidhos’ri
1290
o~ikkeling san
ssctenscli’appen’
lv
financiën en econo-
ontssikks’Iiiigsl,inds’n
mische zaken
(t ngi’ls((
Financieel coôrdinator
E)ie’nst

olkshuis esling
f

1?
/

1
(mnl./vrl.)
mslerdain
1203
Hoogleraar in de
Stichting
‘S
ijenrode
‘\et
s’iisc
ha ppelijh (hoofd

Rijhsunisc’rsileit

t eids n

staathuishoudkunde
Breukeleii
12)4
nncdewerk(st(cr (Oii-

akgroep helistingreelite-

Adjunct-hoofd afdeling
(, kR

kmsterdam
den’s ijs- en

sndcrznekt:i-
ijLe sakken
1 2C2

Bedrijfspensioenfond’o
ken
op
liet gebied san

Begrotingsinspeeteur \1
inisteris’

-in

()nds’r’ss ij,
(le Leer der

penhare

(mnt/s’rl.(
en
‘ik
etenischappeni
t iniansien)

Bedrijfseconomisch mede’
Ministerie san
%

nIks-
(0fl(R’fl niet belang’
A
MR() Bank,

erker (mnl,

srl,(
gezondlii’id en \lïtieu’
sR

liiie
soor beleg’
kinslerdani
1239
gings’anahsc

[‘le,
honfd afdeling
hsgiene
\liinislerie san

erkeer
III
Floifd San iie li,,fd-
(
entra.il

Planbureau
126(1

goederens en oer
os
er
en

\k
ats’rst’a:it
‘afdeling sectorst ructuur

de weg (mnl./ vr!,
(miii.

sri,
1
t’
sonooni (mnl,

srl.(
Slinisieric

san

l’inancnen,
,J

TIJ/T?
1)ireiti’

.’sslgenleue

Academici (econ innen
Ministerie

an
t’
ulancieni
1 inauc cle en t’ conorni-

en juristen)
t.h.s
,
de liispi’ctie der
sehe Politiek
1260

(mnl./vrt.)
Rijksfinanckn
121

Vi
eR niseliappelijk mede’
t’ entraal Bureau

oor

Staffunctionaris hnamm-
Ullra-( entrifuge ‘Seder’
i’serker

(ninl.

sri.
(
de Statistiek
1260

ci’tle taken
land

,
‘s,

Den [laag
1231
Bedrijfseconoom
1w
het
t rasnius

t nis ersileit

Bedrijfsecononnsc h
Pros iiici’ale

\\’aler’,ta’at
hij,onder hel’asl met
Rotterdam
II

deskundige
Oserijssel
1232
s
raagstukken 5(>or het

‘icademici (m./s

snor
kmnrri Bank

kmsler-
midden- en kleinbedrijf)

liet Bureau Concern
dam
II
PIs

gea esmelij k hoofd
Ministerie san Sociale

14e’l’aties
loontechnisc he dienst
laken
til


ES1321/28-12-1977

1273

5,,

Met de branche het BOS in

DRS. J. H. DAALDEROP*

Schrijver wijst in dit artikel op de noodzaak

van een gerichte en systematische informatiever-

zameling voor het structuurbeleid. Daar het

structuuronderzoek op dit punt te kort schiet,

bepleit hij het tot ontwikkeling brengen van een

branche-informatiesysteem (BIS). De weg naar

zo’n BIS loopt door het BOS (branche-onder

zoeksysteem), waarvan het belangrijkste aspect is
de introductie van dynamiek in de informatiever-

zameling. Schrijver deelt in dit artikel een en

ander mede over de ervaring die hij binnen het

bureau Volder en Co. heeft opgedaan met ge-
system atiseerd branche-onderzoek. Naar zijn

mening kan het BOS op korte termijn tot resul

taten leiden.

Het structuuronderzoek schiet te kort

De minister van Economische Zaken schenkt in zijn struc-

tuurnota van zomer 1976 ruime aandacht aan de instrumen-
ten die de overheid nodig heeft voor de bevordering van eco-
nomische groei en werkgelegenheid. Onaangeroerd blijft

echter de vraag, hoe we moeten komen aan de kwantitatieve
gegevens voor het structuurbeleid. Informatieverzameling is

in de achter ons liggende jaren niet wezenlijk gerealiseerd.
Daarmee is ook de kwantificering ten behoeve van de sector-

politiek in het slop blijven zitten.
Al sluit men zich aan bij de mening van Prof. Dr. F.W.
Rutten 1) dat het opstellen van een alles omvattend econo-

misch structuurplan in Nederland nagenoeg niet realiseerbaar
is, men kan er niet aan voorbij dat een zekere dosis sectorpoli-
tiek nodig is. Knelpunten en speerpunten zullen toch zeker

object van beleid moeten zijn. Dit vraagt om tijdige signale-ring. Hiervoor is gerichte en systematische informatiegaring

nodig.
Sinds 1965 heeft de overheid miljoenen guldens gestoken in

de subsidiëring van vele structuuronderzoekingen. Deze
onderzoekingen werden in eerste instantie opgezet voor de
overheid met het doel, een achterstand in kennis van bestaan-

de structuren weg te werken. Dit zou de overheid in staat stel-
len, enigerlei vorm van sectorstructuurpolitiek te voeren 2).

De ervaring met structuuronderzoekingen heeft evenwel ge-

leerd, dat het middel niet effectief is om greep te krijgen op
sectorale ontwikkelingen. Evenmin draagt het middel bij tot
verhoging van het probleemoplossend vermogen binnen

een sector.
Hoe komt het dat het structuuronderzoek tot heden te kort
schiet?
• Het karakter is statisch. Een momentopname is ontoerei-
kend voor maatregelen in een dynamische situatie.

• De gegevens verouderen snel. De verkregen inzichten zijn
al gauw niet meer van toepassing bij alle veranderingen in

produktie, distributie en consumptie.

• Het onderzoek duurt te lang. Meestal is weinig voorinfor-

matie voorhanden. In de beleidscommissie zijn belangen-

tegenstellingen te overwinnen. Deze doen zich zowel voor

in het verticale vlak van een bedrijfskolom als in het
horizontale vlak (grote bedrijven versus kleine) alsook

tussen overheid en bedrijfsleven.
• De follow-up in onvoldoende. Nadat het eindrapport is

uitgebracht, ontstaat er een vacuüm in de activiteiten. Er is

geen vervolgprogramma in het structuuronderzoek veran-

kerd 3).

• Er komen geen paskiare recepten uit. Bij een structuuron-
derzoek staat de gemeenschappelijke belangenbehartiging van de leden voorop. Hierdoor is het welhaast ondoenlijk,
ten aanzien van bepaalde (groepen van) bedrijven maatre-

gelen te treffen ten gunste van de gehele sector 4).

Men kan niet anders dan vaststellen, dat het wezen van een
structuuronderzoek zich tot heden niet heeft geleend voor het
voeren van een dynamische sectorpolitiek op lange termijn;

met andere woorden, het is een onjuist middel geweest in het
kader van de beleidsvoorbereiding.

Een branche-informatiesysteem (BIS)
is ideaal

In het algemeen is de overheid bij de opzet en uitvoering van
de structuuronderzoekingen nauwelijks opgetreden als stimu-
lator van een proces dat ten slotte moet leiden tot een branche-
informatiesysteem. Momenteel is echter bij de Nehem – een der belangrijke organisaties die de overheid ter beschikking

staan om een sectorbeleid te voeren – een ontwikkeling gaande om te bezien op welke wijze de dynamiek in de

informatievoorziening in een structuuronderzoek kan wor-

den ingebouwd.
Men kan zeggen dat de huidige golf van overheidssteun aan

in moeilijkheden verkerende bedrijven – met als gevolg
directe overheidsinvloed in de bedrijfsvoering— voor een

deel te wijten is aan het bedrijfsleven zelf. Dit heeft verzuimd
zich te voorzien van voldoende informatie, op grond waarvan
men tijdig en zelf maatregelen had kunnen nemen. Met

* De auteur is adviseur bij Volder & Co., organisatie-adviseurs te
Amsterdam.
t)
Prof. Dr. F.W. Rutten,
Elementen van economische siructuurpo-
litiek,
rede bij het 50-jarig bestaan van Enraf-Nonius BV,
30april
1975.
Drs. W.H.J. Tieleman, Het overheidsbelang t.a.v. sectorstruc-
tuuronderzoek,
ESB
van 23 mei 1973, blz. 444.
Drs.
B.K.
Tjioe, bedrijfstakgewijze structuuronderzoekingen en
folluw-up,
ESB
van 30 mei 1973, blz. 480.
Drs. C.A.M. Mul, Signaleren en stimuleren opbedrijfstakniveau,
ESB
van 6juni1973,
blz. 492.

1274

behulp van periodieke branche-informatie is men beter in

staat zijn eigen belangen te behartigen en de zelfstandigheid

van de bedrijven en het particuliere initiatief te dienen.

Overigens blijken problemen van individuele bedrijven steeds

meer branche-problemen te zijn. De huidige individuele

ondersteuningsmaatregelen sorteren dan ook niet altijd het
gewenste effect.

Er zijn een paar oorzaken te noemen, waarom de systemati-sche verzameling van bedrijfstakinformatie niet of nauwelijks
van de grond komt:
door hun aard en opbouw kampen de branche-organisaties

met moeizame besluitvorming en coördinatie van activi-
teiten;

binnen de organisaties is meestal niet voldoende profes-

sionele kennis aanwezig om een branche-informatie-
systeem op te zetten en ten uitvoer te brengen;
er is vaak een tekort aan financiële middelen, of men heeft
het geld er niet voor over.

Daarbij komt, dat van de basis (de bedrijven) een te geringe
stimulans uitgaat. Men ziet de mogelijkheden niet. De indivi-

duele ondernemer is er zich enerzijds te veel van bewust, dat hij zich in een concurrentieverhouding bevindt en anderzijds

realiseert hij zich te weinig, dat een gedeeltelijke samenwer-

king onvermijdelijk is.
Het branche-informatiesysteem, het BIS, is te vergelijken

met een ,,gedynamiseerd structuuronderzoek”. Met behulp

enerzijds van macrogegevens (onderzoek naar algemene in-

vloedsfactoren) en anderzijds microgegevens (onderzoek naar
specifieke kenmerken en knelpunten van een sector) richt het

zich op het periodiek verkrijgen van sectorale prognoses en
het doen van aanbevelingen voor de individuele bedrijven.
Met andere woorden, men wil aan de hand van de ontwikke-

lingen binnen de eigen sector en binnen daarop van invloed

zijnde andere sectoren, alsmede aan de hand van de algemene
conjuncturele trend, uitspraken doen over de te verwachten
lange-termijnontwikkeling binnen de eigen sector.

Het is onder andere de Commissie Opvoering Productivi-
teit (COP) van de Sociaal-Economische Raad, die voortdu-

rend het belang van deze sectorale informatie benadrukt. Zo
wordt in een COP-rapport 5) dat reeds van 1972 dateert,
bepleit dat

het bedrijfsleven zich bedrijfstakgewijze gaat uitrusten met een sig-
naleringsmethodiek, waardoor het mogelijk wordt nieuwe ontwikke-
lingen in de markt, de technologie en het sociaal-economische
klimaat in een vroeg stadium te onderkennen. Ondersteund door
aanvullende studies met een daarop aansluitende prognose of wellicht
zelfs een voor de bedrijfstak opgestelde ontwikkelingsstrategie, biedt
een zodanige aanpak in feite de mogelijkheid om bedrijven en bran-che-organisaties regelmatig van die gegevens te voorzien, die nodig
zijn om het beleid zo slagvaardig mogelijk te doen zijn”.

Het BIS werkt dus in een breed veld. Het is erop gericht om,
nu en in de toekomst, een evenwichtige distributie en bezet-

ting van arbeidsplaatsen en produktiecapaciteit te realiseren.
Voor deze evenwichtige verdeling en bezetting van arbeids-

plaatsen en produktiecapaciteit is bij de individuele onderne-

mers een mentaliteitsverandering nodig in de richting van het

branchebelang. Het branchebelang impliceeri niet alleen de

directe belangen van de individuele bedrijven maar ook de adequate aanpassing en herstructurering van de bedrijfstak

naarmate ontwikkelingen uit de omgevingswereld dat nodig
blijken te maken.

Met Drs. C.A.M. Mul 6) zijn we het eens dat het gaat ,,om

processen van dynamisering en structurering, die ertoe dwin-
gen om naast de concurrentie als dynamiserende kracht de

samenwerking als ordenende kracht te introduceren”. Of om
de tongval van de ondernemer te gebruiken: ,,we moeten het

samen maken”. De daarmee samenhangende problematiek is
echter ingewikkeld en te moeilijk te overzien in haar conse-

quenties voor de meeste branche-organisaties. Gezien hun

positie mag men betwijfelen, of zij op eigen kracht of zelfs met

aanzienlijke hulp van buitenaf een BIS kunnen verwerven.

Het ziet ernaar uit, dat het branche-informatiesysteem ge-
doemd is voorshands een theoretisch begrip te blijven. Het is
er te vroeg voor.

De weg naar het BIS leidt door het BOS

Gegeven het feit dat de overheid in haar stimulerende taak

te kort schiet, is het zeer gewenst, dat er een initiatief uit de

organisaties komt om zelf systematisch informatie te gaan verzamelen. Welnu, waar een integraal informatiesysteem

voorshands weinig kans van slagen lijkt te hebben, kan met

meer succes een elementaire start worden gemaakt die aller-
eerst ten doel heeft de in de Organisatie tegenwerkende

krachten te mitigeren. Er kan een systeem op gang worden
gebracht met eenvoudige uitgangspunten, dat allengs kan

uitgroeien tot een volwaardig BIS. We introduceren dan het

branche-onderzoeksysteem – het BOS – als startmotor
voor het BIS.

We hebben hiermede twee roepnamen, BIS en BOS, geïn-
troduceerd om zowel de verwantschap als het verschil tussen
beide begrippen te markeren. Bij BIS staat de 1 van informatie
in -het midden. Informatie van waar ook, die de branche te

stade komt. Informatie, integraal. Bij BOS staat de 0 van

onderzoek centraal. De branche beziet zich zelf, zij onder-
zoekt wat er op te merken valt over zich zelf. Bij beide is de

informatie, respectievelijk het onderzoek tot systeem ge-
maakt.

Het BOS, derhalve, is een wijze van informatie verzamelen,
waarbij van een groep bedrijven uit een zelfde sector bepaal-
de gegevens en kengetallen worden verzameld, op basis

waarvan het individuele bedrijf het verloop van zijn eigen

positie kan vergelijken met dat van collega-bedrijven en de

branche-organisatie in staat is, een aantal collectieve belangen
te behartigen.
Een groot bereik is bij een dergelijk onderzoek belangrijk.
Daarom moet de verzameling van de gegevens uit kostenoog-

punt door schriftelijke enquêtering plaatsvinden. Behalve dat

is de snelheid, waarmee de uitkomsten gepresenteerd moeten
worden, essentieel. De hoeveelheid gegevens plus de gevraag-

de snelheid impliceren dataverwerking via de computer. Dit
heeft ook als voordeel, dat eenmaal ontworpen verwerkings-

programma’s op ieder gewenst moment opnieuw kunnen
worden gebruikt.

Het BOS is beperkt van omvang in dier voege, dat men zich

bezighoudt met de kenmerken van bedrijven binnen een be-
paalde branche. De invloed van macro-economische varia-
belen en de invloeden van andere bedrijfstakken op de
bewuste sector worden vooralsnog niet of slechts in beperkte
mate mede in de analyse opgenomen. Het BOS is wel een sys-

teem: het onderzoek vindt periodiek en volgens een vast pa-
troon plaats.

Aan de orde komen o.a. de samenstelling van omzet en
personeel, loonkosten, marktspecialisme, kostenstructuur,

rentabiliteit, Iiquiditeit enz., alsmede enige structurele

branchekenmerken. De gegevens hierover worden gegroe-
peerd, tegen elkaar afgezet, nader geanalyseerd en becom-

mentariseerd. Wil het BOS het beoogde effect sorteren, dan
moeten de bevindingen en conclusies mét een toelichting aan
de deelnemende bedrijven worden gerapporteerd.

Zoals gezegd, menen wij dat het BOS als instrument zeer

bruikbaar is om een begin te maken met een systeem van
informatieverzameling en -uitwisseling. Met name omdat het

geheel goed te overzien is, en de opzet en uitvoering relatief
eenvoudig zijn, is het BOS bij uitstek geschikt om de betrok-

kenen vertrouwd te doen raken met het verzamelen van be-

Commissie Opvoering Produktiviteit,
Structurele vernieuwing in
sectoraal verband,
-1972.
Drs. C. A. M. Mul, Oproep aan bedrijfstakverenigingen: bevorder
concurrerend samenwerken van uw leden,
ESB
van 2 april 1975.

ESB 21/28-12-1977

1275

drijfstakinformatie en hun te laten zien welk nut dit, ook voor
het individuele bedrijf, in zijn algemeenheid heeft. Door de
kennisvergaring en de leereffecten kan de mentaliteitsver-

andering tot stand komen, die van belang is voor de uitbouw

van het systeem. Immers, het geheel staat of valt met de be-
reidheid van de individuele leden, deel te nemen aan onder-
zoek, respectievelijk verdergaand onderzoek dat uitmondt in

een BIS.
Er is nog een aantal redenen te noemen, waarom het BOS

een uitstekende vingeroefening is als voorbereiding op het

BIS:

• het onderzoek kan door of onder supervisie van de bran-

che-organisatie zelf geschieden;

• de concrete Organisatie rondom een BOS kan voorlopig
bescheiden van omvang zijn;

• afgezien van minimaal te stellen eisen is het mogelijk, de

omvang van het onderzoek aan te passen aan de mogelijk-

heden;

• door een soepele systeemopzet kunnen kwantitatieve en

kwalitatieve verbeteringen geleidelijk aan worden doorge-
voerd;

• de kosten zijn verteerbaar, ook bij inschakeling van

externe adviseurs;
• er wordt direct een groot aantal bedrijven bereikt;

• onder bepaalde voorwaarden kan het BOS worden uitge-

voerd met behulp van een gestructureerde steekproef, dat

wil zeggen na een zorgvuldige selectie nemen periodiek
dezelfde (peil-)bedrijven aan het onderzoek deel. Men

bereikt daarmee, dat met een beperkter (statistisch te

berekenen) aantal deelnemende bedrijven toch redelijk

representatieve uitspraken kunnen worden gedaan en dat
optimale trendvergelijkingen mogelijk zijn.

Het belangrijkste aspect van het BOS is echter de intro-

ductie van dynamiek in de informatieverzameling.

Resultaten op korte termijn

Ondanks de bescheidenheid van de opzet van een BOS

levert het systeem bij snelle verwerking per computer van de

gegevens reeds een schat aan bruikbare informatie. Dit niet
alleen voor het collectieve belang, maarjuist ook voor de in-

dividuele ondernemingen. Onder hen zullen het met name de
kleine en middelgrote bedrijven zijn, die belang hebben bij het

systematisch verzamelen van branche-informatie. Zij immers
hebben, gezien de eraan verbonden kosten, minder dan hun

grotere broers de mogelijkheid om bepaalde branche- of

marktkennis te verzamelen. De grotere bedrijven hebben baat
bij de verzamelde informatie uit het oogpunt van toetsing en
completering van de eigen gegevens.

De specifieke waarde van de verworven informatie voor het

individuele bedrijf moet vooral worden gezocht in de moge-
lijkheid, dat men de eigen ondernemingssituatie kan vergelij-
ken met die van collega’s ofwel met die van een modaal be-

drijf. De informatie kan bovendien leiden tot een analyse van
de eigen bedrijfssituatie, en tot een poging de vraag op te

lossen waarom die eigen situatie afwijkt van de gemiddeld

gevonden waarden. Ten slotte kunnen uit de cijfers van een

aantal opeenvolgende jaren zodanige ontwikkelingen blijken,

dat aanpassing van het bedrijfsbeleid noodzakelijk is. Tijdige
signalering van veranderingen verhoogt de kans, dat op basis
daarvan genomen maatregelen tot het gewenste resultaat

leiden.

Als hoeder van het collectieve belang, en daarmee ook van
het individuele, verkrjgt de branche-organisatie uit het BOS

informatie die vooral van waarde is voor de belangenbeharti-
ging bij de overheid op basis van ,,harde” gegevens, voor het

entameren van nader onderzoek op basis van bepaalde
bevindingen, voor het adviseren van de leden, en voor contro-

le op de mate waarin bepaalde door de overheid of de
collectiviteit genomen maatregelen effect sorteren.

Praktijk
met het BOS
Hieronder zullen wij een en ander mededelen over de prak-
tische ervaring die
ons
bureau tot heden met gesystemati-
seerd branche-onderzoek heeft opgedaan.

Belangrijke uitgangspunten voor een functionerend BOS
zijn:

• als regel is slechts een beperkt budget ter beschikking;

• er moet een groot aantal bedrijven kunnen worden be-
reikt;

• een efficiënte verwerking van een grote hoeveelheid gege-
vens;

• de resultaten dienen snel ter beschikking te komen;
• de vragen aan de bedrijven mogen niet te moeilijk zijn;

• de vragen moeten redelijk nauwkeurig te beantwoorden
zijn;

• de rapportering moet rekening houden met de behoefte
aan praktische hanteerbare gegevens.

De eerste vier punten nopen uit kostenoverwegingen tot
schriftelijke enquêtering van de bedrijven en verwerking van

de gegevens per computer. De gang van zaken is als volgt. Er
vindt een vooronderzoek plaats. Dit richt zich vooral op

vragen als: wat zijn de eigen problemen en kenmerken van de

branche, wat moet de ,,output” van het systeem zijn en welke

basisgegevens hebben we daarvoor nodig. Op grond van het
vooronderzoek wordt een vragenformulier ontworpen, waar-

bij het kardinale punt is: een zo ondubbelzinnig mogelijke
vraagstelling ten behoeve van een zo groot mogelijke onder-

linge vergelijkbaarheid van de gegevens. De ervaring leert dat
het vragenformulier moet worden begeleid door een omstan-
dige toelichting ter beperking van fouten en misinterpretaties
in de antwoorden. Uiteraard is voor de eerste maal een proef-
enquête noodzakelijk. In aansluiting op het bovenstaande
vindt de vaststelling plaats van de gedetailleerde computer
,,output”. Deze systeemanalyse mondt uit in een computer-verwerkingsprogramma. Dit laatste geschiedt in samenwer-
king met een computer-servicebureau.

Het hierboven omschreven concept is min of meer een een-
malige zaak. Het kan een aantal jaren dienst doen, wanneer
het zorgvuldig is uitgewerkt. Overigens blijven beperkte wij-

zigingen en toevoegingen tegen geringe extra kosten mogelijk.
Het onderzoek en de daaruit voortvloeiende rapportering

vindtjaarlijks plaats. Er zullen aanloopproblemen zijn, name-
lijk:

• het tijdstip van afsluiting van de jaarrekening komt niet

overeen met dat van de enquête (gebroken boekjaar, be-

zwaarlijker naarmate de conjuncturele schommelingen
sterker zijn);
• het tempo van afsluiten van de jaarrekening verschilt;

• de administraties verschillen in de mate van gedetailleerd-
heid en de definiëring van begrippen;

• er zijn verschillen in waarderingsgrondslagen en afschrj-
vingssystemen;

• niet iedereen slaagt er even gemakkelijk in om van niet ge-
administreerde gegevens een verantwoorde taxatie te ma-
ken;

• de tijd, die men voor de invulling van het formulier ter be-
schikking wil stellen, verschilt;

• gezien de vele enquêtes tegenwoordig moet vaak een soort enquêtemoeheid worden overwonnen;

• men heeft hier te lande nogal snel de neiging iets vertrou-

welijk te noemen, en soms is er de ongegronde vrees dat be-
drjfsgegevens bij de fiscus terecht zullen komen;

• ook heeft men last van vooroordelen en generalisaties (een
eenmaal opgedane negatieve ervaring bestempelt ook het

op handen zijnde BOS al bij voorbaat tot een waardeloos
geheel).

Gezien de variëteit van administratief-technische en psy-

chologische weerstanden is het aan te bevelen het BOS te
starten op beperkte schaal, zodat de participanten zich gelei-

1276

delijk aan in de problematiek kunnen inleven, terwijl het nut

van het systeem zich al aftekent. Men dient ervoor te zorgen, dat ondanks de beperktheid van de opzet een zodanig samen-

stel van gegevens wordt gekozen, dat toch een interessant

geheel ontstaat.
De genoemde hinderpalen zijn mede van invloed op de

omvang van de respons van het onderzoek. In eerste instantie

komen slechts weinig reacties binnen. Het blijkt dat de be-

drijven een- tot tweemaal herinnerd moeten worden, alvorens
een behoorlijk aantal reacties is ontvangen. Men moet in deze
openingsfase van het systeem rekening houden met enige ver-
traging. Dit is jammer, want iedere versnelling van de proce-

dure komt de actualiteit van de gegevens ten goede.
Wat betreft het geheel van tegenwerkende factoren, is het

wenselijk, dat terdege gewerkt wordt aan de motivatie van de

deelnemers. De motivatie kan onder andere worden bevor-

derd door:
• de ondernemer duidelijk te vertellen wat het BOS is, wat je

ermee kunt doen en waarom het zo belangrijk is
(oriënta-

tie);
• de ondernemer te leren met de verkregen informatie te

werken, er creatief mee bezig te zijn
(educatie);
• te publiceren over het onderzoek in vakbladen
(publika-

t ie);
• het rapport begrijpelijk te schrijven
(presentatie);

• de uitkomsten te bespreken in regionale vergaderingen
(explicatie).

Een en ander vraagt om iemand die het systeem wil
bezielen. Er moet een functionaris worden aangesteld die de
stuwkracht levert, die initierend en stimulerend optreedt,
kortom de belangstelling voor het systeem wekt, gaande
houdt en opvoert.

Schriftelijke enquêtering houdt in dat men voor de be-
trouwbaarheid van het verzamelde materiaal afhankelijk is

van de aandacht die het bedrijf hieraan wil besteden. Dit

maakt de controle tot een essentieel onderdeel van het jaar-
lijkse onderzoek. Ondanks de aandacht, die besteed wordt

aan de opstelling van het vragenformulier, aan de toelichting

daarop en aan de proefenquête, blijken de terugontvangen
formulieren niet zelden fouten en onnauwkeurigheden te
bevatten. Deze worden achterhaald door ingebouwde con-

trolevragen, door te letten op de consistentie van de antwoor-
den en het signaleren van mogelijke onwaarschijnlijkheden.

Voor de correctie van de gevonden fouten wordt teruggekop-

peld naar het bedrijf. Overigens zij opgemerkt, dat een be-

trouwbaarheid van 100% van de gegevens niet haalbaar is en
ook niet noodzakelijk is. Wel van belang is, te weten hoe de
bedrijven zich onderling verhouden, en welke trendmatige

ontwikkelingen zich in de loop derjaren voordoen binnen de branche en het individuele bedrijf.
Bij de presentatie van de uitkomsten dient, zonder dat het
collectieve aspect wordt verwaarloosd, sterk rekening te
worden gehouden met de behoeften van de individuele be-

drijven. Wat kunnen zij met de informatie doen?
In een van onze onderzoeken, een BOS met honderdveertig
deelnemende bedrijven, blijkt het opnemen van een veertigtal

kerngegevens per individueel bedrijf onder codenummer goed aan te slaan. De meeste deelnemers hadden een groot deel van

deze kerngegevens nooit eerder voor het eigen bedrijf op een

rij gezien. Thans kan men niet alleen de eigen cijfers vergelij-
ken met gemiddelde waarden, maar is het ook mogelijk het
eigen bedrijf te vergelijken met dat van collega’s.

Wij hebben de indruk dat, ondanks de tweezijdige doelstel-

ling, de rapportering relatief meer wordt gebruikt op allerlei

bestuurlijke niveaus binnen de bedrjfstakorganisatie dan
binnen het individuele bedrijf zelf. Dit laatste zou een meer
profijtelijk gebruik van de uitkomsten kunnen maken. Er is

op dit terrein – interpreteren en benutten van administratief
kernmateriaal – een kennisachterstand. Dat vraagt om nog
meer voorlichting en begeleiding.

De tijd, gemoeid met de eerste opzet van een BOS, zal

afhangen van de problematiek binnen de branche en van de

omvang en diepgang, die het onderzoek zal krijgen. Men moet

erop rekenen dat vooronderzoek, ontwerp vragenformulier,

proefenquête en systeemanalyse ten behoeve van de verwer-
kingsprogramma’s al gauw een maand of drie in béslag zullen

nemen. Deze werkzaamheden zijn echter min of meer eenma-
lig. Het feitelijke jaarlijks terugkerende onderzoek zal vanaf

het moment van verzending van de vragenformulieren onge-
veer zes tot zeven maanden duren, waarbij twee tot drie maan-

den is gerekend voor het wachten op de vragenformulieren.
De overige maanden zijn nodig voor controle, verwerking,

analyse en rapportering. In de huidige praktijk komt dit erop

neer, dat de uitkomsten van het onderzoek ongeveer een jaar
jong zijn. Jong, want zij zijn altijd nog eerder ter beschikking
dan het merendeel der gegevens van andere, officiële informa-

tiebronnen, zoals het CBS. Het is zelfs mogelijk om bij een be-

hoorlijke medewerking van de betrokkenen het onderzoek
binnen een jaar na afloop van de boekingsperiode te voltooi-
en.

In het geval, dat een extern bureau wordt ingeschakeld bij
de opzet en uitvoering van een BOS, is het van belang voor het

project een begeleidingscommissie in het leven te roepen,

waarin vertegenwoordigers van het dagelijks bestuur en de

leden zitting hebben. Deze groep brengt eerst de know-how
van de branche in het onderzoek in. Voorts is de groep be-

langrijk bij de toetsing van de uitkomsten van het onderzoek.
Zij functioneert als het klankbord van de bedrijfstak. De
commissie draagt aldus bij aan een hoog kwaliteitsniveau.

Is met het BOS enige ervaring opgedaan, dan kan de bege-
leidingscommissie tevens gaan optreden als coördinatrice van
regionale werkgroepen. Deze werkgroepen zullen een bijdra-

ge moeten gaan leveren in de verdere ontwikkeling van het
BOS, daarbij denkend aan ideeën over uitbreiding van het on-

derzoekveld, kwaliteitsverhoging van het onderzoek en de

behoeften van de individuele ondernemer. Bovendien kunnen

deze werkgroepen goed functioneren als regionale anima-
tors.

Samenvatting

Resumerend kan worden gezegd dat het noodzakelijk is,
dat het bedrijfsleven op zo kort mogelijke termijn een eind

maakt aan zijn informatie-achterstand en begint met de insti-
tutionalisering van de informatiegaring. Het BOS is daartoe

een geschikt middel. Het BOS is praktisch en kan op korte

termijn tot resultaten leiden. De betrokkenen zullen van

lieverlede vertrouwd raken met de systematische verzameling
van belangrijke dynamische informatie. Geleidelijk aan zal
ook binnen de bedrijfstak het besef kunnen groeien, dat het economisch leven niet alleen gebaseerd is op concurrentie,
maar dat er ook zoiets is als een gemeenschappelijke doelstel-

ling en een mate van onderlinge afhankelijkheid.

Wij menen ten slotte, dat de COP haar activiteit op het
behandelde terrein moet vergroten. Een en ander in samen-werking met de NEHEM, ten einde ervoor te zorgen dat in

toekomstige structuuronderzoekingen de basis wordt gelegd
voor een informatiesysteem, zodat reeds dân een follow-up
meer kans van slagen krijgt. Het zou de overheid niet mis-
staan, de opzet van informatiesystemen door bedrijfstakor-

ganisaties te stimuleren met een bijdrage in de kosten.

J.H. Daalderop

adverteer

in ESE

ESB 21128-12-1977

1277

Subsidies, belastinguitgaven
en pri zen

DRS. N.C.M. VAN NIEKERK*

Van 5 tot 10 september 1977 hield het Institut International de Finances

Publiques (IIFP) zijn 33e congres. Plaats van samenkomst was Varna, een

modern toeristenplaatsje aan de heldere Zwarte Zee in Bulgarije. Het

congresihema luidde: ,,Subsidies, Tax Reliefs and Prices”. De Organisatie

was dit jaar in de goede handen van de,, Union
of
economists” in Bulgarije,

het Ministerie van Financiën en de Nationale Bank van dat land, uiteraard in

nauwe samenwerking met het IIFP.

Onder de circa 120 deelnemers aan het congres, waaronder tien Nederlan-
ders, bevonden zich zoals gebruikelijk niet alleen wetenschapsmensen, maar

ook politici en ambtelijke functionarissen. Hei voert ie ver hier aan alle (25)

discussiepapers aandacht te schenken 1). In het navolgende worden enkele
hoofdlijnen geschetst die uit de schrfleljke bijdragen en de discussies daar-

over zijn af ie leiden. Op enkele papers wordt wat dieper ingegaan. Daaraan

vooraf gaan enige algemene opmerkingen over hei IIFP.

Het IIFP bestaat precies 40 jaar. Ne-

derlanders, waaronder de onlangs over-

leden ere-president B. Schendstok, speel-
den en spelen een belangrijke rol in deze

organisatie. De ongeveer 600 leden die de
Vereniging nu telt, zijn afkomstig uit zo’n
veertig landen, waaronder bijna alle
communistische landen en een aantal

ontwikkelingslanden. Zij kunnen zich

blijkbaar allemaal vinden in de doelstel-

lingen van het Instituut, namelijk het
bevorderen van

onderzoek op het terrein van de over-
heidsfinanciën of ruimer van de eco-

nomie van de publieke sector; het tot stand brengen van internatio-

nale contacten en het uitwisselen van

ideeën en meningen tussen personen
van alle nationaliteiten.

De belangrijkste activiteit van de Ver-

eniging om die doelstellingen te realise-ren, is het jaarlijkse congres. Onderwer-
pen die de laatste tien jaar aan de orde
zijn geweest, zijn onder andere: belas-
tingpolitiek, overheidsfinanciën en soci-

ale zekerheid, inkomensverdeling en ge-
meentefinanciën. Het feit dat de

Vereniging openstaat voor zowel dege-
nen die onderzoek doen aan universitei-

ten als voor degenen die elders werkzaam
zijn (in het bijzonder overheidsfunctio-

narissen), maakt dat tijdens de jaarlijkse
bijeenkomst én de theorie én de praktijk
van de publieke sector aandacht krijgen.

Transfers van publieke naar private sec-
tor

Rond 1970 is in de internationale
literatuur opmerkelijk veel geschreven

over de inhoud van begrippen als ,,cash-
transfers”, ,,subsidies”, ,,welfare pay-

ments”. Bekende economen als Prest en
Shoup hebben zich intensief met de ter-

minologische vraagstukken beziggehou-
den. Ook een studie van de staf van het
Amerikaanse Congres ten behoeve van

The Joint Economic Committee is in dit
verband van belang. Het kenmerkende

van deze en andere studies op dit terrein

is, dat – voor zover het gaat om trans-
fers van de publieke naar de private

sector – een ruim begrip subsidie wordt
gehanteerd. Dat houdt in dat in de defini-

tie zijn opgesloten zowel betalingen die
zichtbaar aan de uitgavenkant van de

overheidsbegroting staan als de meestal
niet expliciet gemaakte belasting- en
andere tegemoetkomingen die ten op-

zichte van een ,,normale” inkomens-

structuur een derving van financiële mid-
delen voor de overheid betekenen. Voor
zover deze tegemoetkomingen liggen in
de sfeer van de belastingen wordt in de

Engelstalige literatuur gesproken van

,,tax expenditures”, en ook wel van ,,tax
reliefs”, ,,tax subsidies”, ,,tax preferen-

ces” en ,,tax incentives”. In ons land is

het begrip belastinguitgaven inmiddels
gemeengoed geworden.

De voor het IIFP-congres ingediende
papers maken duidelijk dat met het on-

derzoek naar ,,tax expenditures” inmid-

dels vorderingen zijn gemaakt. Was tot
voor kort vooral sprake van discussie

met betrekking tot de begripsbepaling
enerzijds en onderzoek naar de omvang

van ,,tax expenditures” anderzijds, nu

zijn brokstukken aangedragen die wel-
licht een aanzet vormen tot theorievor-
ming. Belastinguitgaven worden in ver-

band gebracht met bekende

doelstellingen van economische politiek (groei, betalingsbalans, inkomensverde-
ling).

De beleidsimplicaties worden daarbij
niet uit het oog verloren. Zo blijkt uit een

bijdrage van S. Surrey – die tijdens het
congres door V. Halberstadt als de God-

father van het ,,tax expenditures”-onder-

zoek werd aangeduid – dat in de Ver-

enigde Staten door het Congressional
Budget Office inmiddels een gedetailleer-
de meerjarenraming voor de periode

1978-1982 is opgesteld. Als Nederlandse
deelnemer kun je dan niet anders conclu-

deren dan dat de discussie in eigen land
over wat nu wel of geen ,,tax expenditu-
res” zijn, hier wel erg schril tegen af-
steekt. Ook een opmerking van B. Davie

(een Amerikaanse White House-mede-
werker), enige dagen na de bijeenkomst

in Bulgarije tijdens een gastcollege te

Leiden, maakt duidelijk dat Nederland
een achterstand heeft in te lopen. Davie

vertelde dat President Carter een door de

ambtelijke staf ingediende lijst met ,,tax
expenditures” terugstuurde met de op-
dracht een ,,volledige” opsomming te

maken.

Intussen gaan Halberstadt en De Kam
verder met pogingen om het ,,belas-
tinguitgaventaboe” in ons land te door-

breken. In 1976 presenteerden zij op
een congres van de International Fiscal
Association (IFA) – een zusterorgani-

satie van de IIFP —deeerste Nederland-
se resultaten van hun onderzoek. In hun

bijdrage voor het Bulgaarse congres gaan

* De auteur is verbonden aan de Rij ksuniver-siteit Leiden, vakgroep Economische Vakken.
1) In 1978 verschijnen de ,,Proceedings” van
dit congres bij Cujas (Parijs); daarin worden
de meeste papers opgenomen.

1278

zij in op de beleidskeuze tussen het hante-
ren van directe uitgavenprogramma’s

enerzijds en het verlenen van belastingte-

gemoetkomingen anderzijds. Daarbij
fungeren efficiency, effectiviteit en recht-

vaardigheid als keuzecriteria. Halber-

stadt en De Kam benadrukken dat een
analyse van de besluitvorming met be-

trekking tot de allocatie van middelen

niet alleen op directe uitgaven, maar net

zo goed op belastinguitgaven moet zijn
gericht. Daarvoor dient – aldus herha-

len de auteurs hun eerdere pleidooien –

om te beginnen de jaarlijkse rijksbegro-
ting een overzicht te bevatten van de
tegemoetkomingen in de belastingsfeer. De bijdrage van de Belgische hoogle-

raar M. Frank gaat eveneens over de

keuze tussen directe overheidsuitgaven

en ,,tax expenditures”, zij het toegespitst
op de invloed van beide categorieën op
de personele inkomensverdeling. Frank

beperkt zich dan ook tot het rechtvaar-

digheidscriterium en komt op grond
daarvan tot de conclusie dat ,,explicit

transfers from the State must be prefer-red to tax expenditures”.

Staatsplan en prijzen

Het llFPstaat— zoalsgezegd —open voor leden van alle nationaliteiten, dus
ook voor leden uit landen van het Oost-
blok. Dat het congres ditjaar in Bulgarije

plaatsvond, verklaart wellicht het grote
aantal deelnemers uit de communistische

landen. De discussie tussen Oost en West

verloopt overigens niet altijd even vlot.

Voor een deel is dat te wijten aan de

taalbarrière, waardoor soms begripsver-

warring ontstaat. Voor een ander deel
vloeit dat voort uit een volstrekt uiteen-lopende traditie in economische theorie

en economische politiek. Concreet houdt

dat in dat in de communistische landen de staatsfinanciën en alle daarmee ver-

band houdende maatregelen onderge-

schikt zijn aan het Staatsplan.

Hetzelfde geldt voor het vaststellen

van prijzen. Dat betekent dat de prijzen

van goederen vaak niet de schaarstever-
houdingen uitdrukken. In zekere zin kan
dan worden gesproken van subsidiëren,

namelijk indien de prijzen van goederen
bewust laag worden gehouden om be-

paalde doeleinden na te streven (bijvoor-beeld aanmoedigen van bevolkingsgroei;
het verhogen van de levensstandaard van de werkende bevolking). Voor geinteres-

seerden in de economie van de Oostblok-
landen biedt het paper van de Bulgaar M.

Roussenov een degelijke uiteenzetting
over de rol van prijzen en de verhouding
daarvan tot het Staatsplan.

Verhelderend is ook een paper van 0.
Gado en P. Medgyessy waarin in wel-

haast Westerse terminologie de herver-

delende werking van geldtransfers in
Hongarije wordt beschreven. De auteurs

zijn onder meer van mening dat het om
de inkomens te reguleren op lange ter

mijn beter is om consumentensubsidies
via de prijzen (bijvoorbeeld voor brood,

vlees, brandstoffen) te vervangen door

directe financiële instrumenten. Als ar-

gument daarvoor voeren zij aan dat de

inkomensregulerende rol van het prijs-

systeem strijdig kan zijn met de con-
sumptieregulerende rol. Bovendien ko-

men de prjssubsidies slechts ten goede

aan bepaalde bevolkingsgroepen, terwijl

dat niet eens altijd de doelgroepen hoe-
ven te zijn.

De schrijvers wijzen ten slotte op een
actuele discussie in Hongarije over de

relatie van de levensstandaard van de

bevolking met de mate waarin de prijs-

subsidies moeten worden verstrekt.
many factors indicate that within
rising living standards this (to play a role

in income distribution) should be less

and less maintained and the socially
desirable proportions in consumption

can be successfully secured with the aid
of incomes policy”.

Subsidies aan bedrijven

Uitgaande van de ruime definitie van

subsidies besteden enkele congresdeelne-
mers in hun papers aandacht aan een ook

voor Nederland actueel onderwerp, te
weten het subsidiëren van bedrjven(o.a.
G. Brosio, J. Wiseman). Brosio wijst op
de groei van deze categorie van subsidies,
die naar zijn mening behalve met binnen-

landse ontwikkelingen vooral verband

houdt met de terugval in de internatio-
nale handel. Het vaststellen van het effect

ALGEMEEN
BURGERLIJK

cJ

Het

PENSIOENFONDS
te Heerlen vraagt voor de afdeling Onroerend
Goed
een

hoofd onderafdeling exploitatie
(mnl./vrl.)

Het Algemeen burgerlijk pensioenfonds behartigt
de
mogelijke bijdrage blijft leveren aan de dekking van de
pensloenbelangen van 850.000 deelnemers en 295.000
op
welvaartsvastheid gebaseerde pensioenverplichtingen.
gepensioneerden uit
de
overheidssfeer
en
het onderwijs.
De afdeling Onroerend Goed
is
in het bijzonder belast
De sector Beleggingen draagt de zorg voor een zodanige
met de verwerving, realisering en exploitatie van
belegging, dat de opbrengst daaruit een zo groot beleggingsobjecten in de onroerend goed
sector.

Taak:
o.m. voorbereiden en begeleiden van de exploitatie
Vereist:
bij voorkeur academisch niveau; ruime ervaring
van de voor beleggingsdoeleinden door het fonds
op het gebied van onderhoud, beheer en verhuur van
gerealiseerde onroerend goed projecten, met inbegrip onroerend goed; commercieel inzicht en zeer goede van het coördineren van de aktiviteiten van de hierbij
kontaktuele eigenschappen.
betrokken bureaus en het onderhouden van kontakten
Standplaats:
Heerlen.
met de diverse instanties die bij de onroerend goed
sector betrokken zijn.
Salaris: afhankelijkvan leeftijd, opleiding en ervaring tot
een maximum van f5639,- per maand.

Een psychologisch onderzoek zal deel uitmaken van de selectie-procedure.

Schriftelijke sollicitaties zenden aan het hoofd van
de
afdeling Personeelszaken van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds, te Heerien, Postbus 4476, Oude Lindestraat 70, 6401 CZ Heerien.

ESB 21/28-12-1977

1279

van deze subsidies op de economische
groei is volgens hem niet mogelijk, om-

dat gegevens daarvoor ontbreken, omdat

moeilijk is vast te stellen wat industriele
groei voor verschillende landen betekent

en omdat subsidies ten gunste van bedrij-

ven niet altijd zijn gericht op het bevorde-

ren van groei. Brosio geeft economen die

zich met dit onderwerp bezighouden,

daarom een wijze raad mee. ,,l believe

that the first and sensible step for the

economist confronted with this situa-
tion is to single out the main difficulties

in subsidization for industrial growth

and to indicate some naïve prescriptions

to which the subsidization policy should

be informed”.

Wiseman komt tot een soortgelijke
aanbeveling na geconstateerd te hebben

dat de welvaartstheorie te kort schiet om

de aanwezigheid van subsidies aan de

private commerciële sector te verklaren
en om de economische gevolgen van die
subsidies aan te duiden. ,,ls there a logic
of industrial subsidisation?” iS de titel

van Wisemans paper. Tijdens de discus-
sie die volgt op het referaat, geeft Davie

een interessante verklaring waarom die

vraag ontkennend kan worden beant-
woord, althans wat de Verenigde Staten

betreft. Davie wijst erop dat de wetge-
ving door de presidentiële staf vanuit een

drietal invalshoeken wordt voorbereid,
te weten de belastingpolitiek, de uitga-venpolitiek en de regulerende politiek.
Degenen die verantwoordelijk zijn voor

de belastingpolitiek, dragen gewoonlijk

,,tax expenditures” aan als oplossing, de

uitgavenspecialisten bevelen directe uit-

gavenprogramma’s aan en de derde cate-
gorie bepleit maatregelen van puur wet-

gevende aard. Een goede gecoördineerde

afweging tussen de mogelijke maatrege-
len vindt zelden plaats.

New political economy

Waar Wiseman – en met hem veel
andere congresdeelnemers – eigenlijk

naartoe willen, is meer aandacht voor de
,,new political economy”. Daarmee lo-
pen zij vooruit op het congres dat in 1978

in Hamburg wordt gehouden en dat als
werktitel ,,Public Choice and Social

Goods” heeft meegekregen. In deze rich-
ting van de economische theorie – die

raakvlakken heeft met politicologie –

ligt de nadruk op het beschrijven en

verklaren van het gedrag van diverse
groepen die deelnemen aan het econo-

mische proces, zoals politici, ambtena-
ren, kiezers, werkgevers en vakbeweging.

Duidt Wiseman in zijn paper aan in
welke richting het economische onder-

zoek zijns inziens zou moeten gaan,

enkele congresdeelnemers hebben dat
terrein al daadwerkelijk betreden én ver-

dienen wat meer aandacht.

Van Braband beschrijft een aantal in-
stitutionele aspecten van het subsidiëren

van zogenaamde ,,non profit”-organisa-
ties. Hij wijst op de snelle groei van deze

categorie subsidies in Nederland die niet

alleen wordt veroorzaakt door nieuwe

vraag naar financiële overheidssteun,

maar ook doordat eenmaal toegestane

subsidies de neiging hebben steeds verder

uit te dijen. Van Braband komt onder
meer tot de conclusie dat subsidies voor

een belangrijk deel aan het oog van
politici zijn onttrokken.

Is de bijdrage van deze auteur vooral
beschrijvend van aard, in een tweetal

papers (C. Blankart, A. Udagawa) wor

den elementen aangedragen voor een
theorie van subsidies, zij het partieel.

Blankart concentreert zich vooral op de

aanbodzijde van de subsidiemarkt. Hij

constateert dat aan de welvaartstheorie

weliswaar normen worden ontleend voor

het al dan niet verlenen van subsidies,
maar dat de veronderstellingen die aan

deze theorie ten grondslag liggen zwak

zijn en de toepassingsmogelijkheden be-

perkt. Bovendien tracht Blankart aan te
tonen dat in de praktijk de wijze waarop
parlement en regering in westerse demo-

cratieën worden gekozen, van invloed is
op het totale bedrag aan subsidies. Dit

totale bedrag komt dan hoger uit dan op

grond van welvaartstheoretische normen
toelaatbaar zou zijn. De auteur wijst

erop dat kenmerken van een parlemen-
tair democratisch systeem zijn:

dat een regering wordt gevormd door
de partij die een meerderheid heeft of
door een meerderheidscoalitie;
dat kandidaten voor het parlement
lokaal of regionaal worden gekozen.

Gecombineerd heeft dat tot gevolg
dat: ,,ln practical political life
;
we can
find many examples which give evidence

for the hypothesis that interests of local
minoriies win over the preferences of the

majority”. Ook blijkt zijns inziens de

stelling niet op te gaan dat politieke
partijen de omvang van subsidies zouden willen terugbrengen om stemmen te win-

nen. Men zou een dergelijk gedrag van

een regering kunnen verwachten, omdat

subsidies doorgaans aan relatief kleine
groepen toekomen, terwijl daarentegen
relatief grote groepen belasting moeten
betalen.

In dit verband wijst Blankart op het in
de literatuur veelvuldig aangehaalde

vraagstuk van de ,,tie-in-supply”. De

kiezer krijgt een pakket van gemeen-

schapsgoederen aangeboden waaruit één
gesubsidieerde voorziening moeilijk is te
isoleren. Met andere woorden, de kiezer

wordt de keuze over het al dan niet
subsidiëren van een bepaalde voorzie-ning niet voorgelegd. Men kan immers

niet dagelijks verkiezingen houden. Het

gevolg is dat elke regeringspartij tracht

om een soort van ,,policy-mix” te vinden
om zoveel mogelijk kiezers te trekken of
te behouden.
Blankart volstaat niet met een analyse,

maar gaat ook in op mogelijke verande-
ringen. Hij ziet als enige oplossing een

zodanige wijziging van de representatie-
ve democratie dat de vraag naar subsidie

voor een specifieke belangengroep meer

inspanning en dus meer kosten met zich
brengt. In beginsel zou dat volgens de
auteur kunnen door:

– de meerderheidsregel in het parle-
ment te vervangen door een gewogen

meerderheidsregel;

– het houden van referenda;

– het periodiek stemmen over het totaal
van de subsidies;

– het rechtstreeks kiezen van ministers
van afzonderlijke departementen.

Het interessante van het paper van

Udagawa is, dat hierin – voor zover mij

bekend – voor het eerst de ,,tax expen-

ditures” vanuit de optiek van de nieuwe
politieke economie worden beschouwd.

De schrijver is vooral gëinteresseerd in de

wijze waarop ,,tax expenditures” in het
belastingsysteem worden opgenomen.
Udagawa constateert namelijk dat ex-

perts doorgaans van mening zijn dat

,,special measures should be entailed and
ultimately abolished”, maar dat deson-

danks steeds weer nieuwe belastingtege-

moetkomingen worden ingevoerd. Dit

toont volgens de auteur aan dat ,,the
fiscal choices are equilibrium solutions
of a sociopolitical system where multi-

economic entities pursue their interests

in the process of the determination of

public policies”. In zijn analyse gaat de

schrijver uit van drie groepen:
– het bedrijfsleven;

– het ambtelijke apparaat als inter-

mediair tussen politici en bedrijfs-
leven;

– de aan de macht zijnde politieke par

tij.

Udagawa tracht dan met behulp van

de bekende basishypothese van ratio-

neel gedrag aan te tonen dat het bedrijfs-

leven en de leidende politieke partij be-
lang hebben bij het instandhouden van

belastingtegemoetkomingen. Verder
constateert deze Japanse hoogleraar dat

van de zijde van de ambtenaren de nei-
ging bestaat om de omvang van ,,tax
expenditures” te onderschatten. Alhoe-
wel de argumentatie in Udagawa’s paper

mijns inziens niet steeds overtuigend is, is
hier sprake van een originele bijdrage in

het vergroten van het inzicht in het be-

sluitvormingsproces met betrekking tot
belastingtegemoetkomingen.

Slot

Het geheel van papers nog eens over-

ziende, kan worden geconcludeerd dat alom de mening heerst dat traditionele

economische theorieën ontoereikend zijn

om het verschijnsel van transfers van

publieke naar private sector te analyse-

ren en te verklaren. De bijdragen in de
sfeer van de nieuwe politieke economie
tonen aan dat deze richting wellicht meer

perspectief biedt. Het thema van het
congres in Hamburg in 1978 past geheel
in deze ontwikkeling
N.C.M. van Niekerk

1280

Maatschappzjspiegel

De dubbele arbeidsmarkt,

meer matgias

dan maatschappij spiegel

DR. W.
VAN VOORDEN

Het is niet overdreven te stellen dat de theorie van de dubbele arbeids-

markt (dual labor market theory) in Nederland met ongekend enthousiasme

is omarmd. Naar de redenen daarvan kan slechts worden gegist, hetgeen

ik zal doen. Ik acht het langzamerhand van belang deze theorie aan een

kritische blik te onderwerpen. Opvallend is bijv. dat een discussie over de

theoretische grondslagen en over de geldigheid voor Nederlandse ver-

houdingen nog nauwelijks heeft plaatsgevonden. Daaraan voorafgaand

wordt kort een tweetal benaderingen van de arbeidsmarkt (de economis-

tische en de institutionalistische) aangeduid. In de laatste benadering past de

dubbele arbeidsmarkttheorie.

Economistische benadering

De wijze waarop en de voorwaarden

waaronder de verdeling van arbeids-
krachten plaatsvindt, heeft reeds lang
de belangstelling van wetenschappelijke
onderzoekers. Een eerste poging tot het

begrijpen van de arbeidsmarkt is be-
kend als de traditionele economische

theorie van de arbeidsmarkt. In deze
theorie komt de verdeling van margi-

nale produktiviteit overeen met de
verdeling van verdiend inkomen. De

arbeidsmarkt is – zo gezien – identiek
aan elke andere markt. De prijs, in dit

geval loon geheten, beweegt naar dat

niveau waar vraag en aanbod aan elkaar

gelijk zijn. Als de vraag het aanbod over-

treft, zullen werkgevers niet in staat zijn
alle benodigde werknemers in dienst te
nemen en zullen zij hogere lonen
bieden om arbeid van elders aan te trek-

ken. Kernpunt in de theorie vormt het

automatisch correctiemechanisme;
knelpunten in de verdeling van ar-
beidskrachten worden gecorrigeerd
door veranderingen in de loonverhou-
dingen. Deze theorie – in haar eenvoud
erg aantrekkelijk – berust evenwel op
enkele vooronderstellingen, die in wer-
kelijkheid niet of beperkt houdbaar zijn. Via theoretische afleiding en secundaire

analyse is dat door mij aangegeven 1).
Lutz en Sengenberger hebben de in-
congruentie tussen theorie en empine
met empirisch materiaal gestaafd; zij
trekken als conclusie ,,das Verhalten

der Mehrheit der Beschaftigten wurde
von der Griffweite des ökonomischen

Modelis nicht erfasst, wurde ungenü-

gend erklart oder stand im klaren Wider-

spruch zu dieser Theorie” 2).

Reeds eerder dan de genoemde studies
is min of meer ernstige kritiek geleverd

en zijn pogingen ondernomen tot 6f ver-

betering 6f vervanging van de traditio-
nele economische theorie. Tot de
theorieën die als voortzetting van de
traditionele economische theorie kun-nen worden aangemerkt, reken ik met

Freiburghaus en Schmid de neo-klas-

sieke theorie en de ,,human capital

theory” 3). Deze laatste theorie brengt

als resultaat van de discussie over de z.g. ,,restfactor” in de verklaring van
economische groei de investering in

mensen door onderwijs naar voren. De
bijdrage van deze theorie ligt vooral

in haar correctie op de onrealistische
veronderstelling uit het traditionele
model van homogeniteit van het arbeids-

aanbod, door invoering van één dimen-
sionele heterogeniteit, ni. verschillen in

opleidingspeil. Als belangrijk nadeel
brengen Freiburghaus en Schmid even-

wel naar voren dat door de zeer ruime
benadering van kosten, opbrengsten en

kapitaal (inclusief bijv. de psychische

kosten van het Ieren) niet kan worden
voldaan aan de eis van falsificatie. In
feite is hier sprake van een tautologie; een

punt van kritiek dat ook t.a.v. (andere)
delen van de klassiek economische theo-
rie is aangevoerd 4).

Binnen deze economistische benade-

ring zijn enige tijd geleden interessante
varianten ontwikkeld. Uitgaande van

de vraagzijde is de relatie tussen oplei-

ding (of breder: vaardigheden) van werk-
nemers en werkloosheid gelegd in de
,,queue theory”, waarin werkgevers

huidige en potentiële werknemers rang-

schikken overeenkomstig hun (ver-
wachte) marginale produktiviteit.

Gegeven de veronderstelling dat het loon
gelijk is aan de marginale produktivi-

teit duiden loonverschillen op verschil-

len in opleiding, geschiktheid en erva-

ring. Uitgaande van de aanbodzijde is de

,,job-research theory” uitgewerkt, waar-
bij het arbeidsmarktgebeuren als een
geheel van individuele mobiliteits-
beslissingen modelmatig als een stochas-
tisch proces wordt beschreven. Holt en

David hebben daartoe een eerste poging
verricht
5). Kritiek hierop en een interes-

sante uitwerking van mobiliteitsketens is
te vinden bij White 6).

Institutionalistische benadering

Met de institutionalistische benade-
ring van de arbeidsmarkt is een geheel

andere weg ingeslagen. De imperfecties
in de werking van volledige mededinging

die in de traditionele economische theo-
rie als toevallige, tijdelijke of te verwaar

lozen factoren worden beschouwd,
staan hier centraal. De Marxistische be-
nadering van de arbeidsmarkt als strijd-

perk der klassen is de oudste en meest

vergaande uitwerking van de institutio-
nalistische benadering 7). Ontdaan van

het dialectisch materialisme en het mani-
feste strjdkarakter zijn meer werkelijk-
heidsgetrouwe beelden ingekleurd. Voor
de Amerikaanse verhoudingen kan het

W. van Voorden,
!nstituzionalisering en
arbeidsmarktbeleid,
Samsom,
1975,
hoofd-stuk 1.
B.
Lutz, W. Sengenberger,
.4rbeitsmarki-
strukturen und ôffentliche Arbeitsmarkt-
po/itik. Göttingen, 1974,
blz.
43.
D. Freiburghaus, G. Schmid, Theorie der
Segmentierung von Arbeitsmarkten, in:
Leviathan, Zeitschrf: für Sozia/wissen-
schaft,
Jrg.
3,
Heft
3, 1975,
blz.
421.
Van Voorden, op. Cit., blz.
25.
Ook bij D.
M. Gordon, Theories
of
poverty and under-
emp/oymen!,
Lexington, 1972,
blz.
29.
C.
Holt, M. H. David, The concept ofjob
vacancies in a dynamic theory of the labor
market, in: The measuremeni and inter-
pretation
of
job vacancies,
New York,
1966.
H. C. White, Chains
of
opportunity.
System mode/s
of
mobility in organizations,
Cambridge,
1970.
Gordon, op. Cit., blz.
53 cv.

ESB 21/28-12-1977

1281

bijna klassiek geworden artikel van

Clark Kerr: ,,The balkanization of labor

markets” hiervoor model staan 8). Daar-
naast moet – voor het Nederlandse

taalgebied – de door mij geformuleerde

institutionele theorie van de arbeids-
markt worden genoemd 9).
Ook de theorie van de dubbele arbeids-

markt vormt een uitwerking van de

institutionalistïsche benadering, al-

hoewel Gordon haar beschouwt en be-

handelt ,,as a kind of halfway house

between orthodox and radical

theory” 10). Ten opzichte van de andere
theorieën is er echter een belangrijk ver-

schil: de theorie van de dubbele arbeids-
markt is langs inductieve weg tot stand

gekomen; de andere zijn deductief ont-

wikkeld. Dit verschil vormt zowel de

kracht als de zwakte van de theorie. De

kracht ligt in het realiteitsgetrouwe en

empirie-nabije karakter; de zwakte in de
veelheid van werkzame factoren en in de
mate van geldigheid in verschillende

naties. M.a.w., de theorie lijkt sterk tijd-
en plaatsgebonden. Wat vormt de in-

houd van de dubbele arbeidsmarkt-
theorie?

Theone van de dubbele arbeidsmarkt

In de ,,dual labor market-theory”

wordt een onderscheid genaakt in een z.g.

primaire en secundaire markt. De pri-
maire arbeidsmarkt omvat banen met de
volgende kenmerken: hoge beloning,

goede secundaire arbeidsvoorwaarden,

prettige arbeidsomstandigheden, stabi-
liteit, zekerheid en gunstige carrière-
perspectieven. De secundaire markt om-

vat de banen met tegengestelde ken-

merken. Op deze markt worden lagere

lonen geboden, gelden slechtere ar-

beidsvoorwaarden en -omstandigheden,
de werkgelegenheid fluctueert er sterker
en op korte termijn en het gaat veelal om
,,dead-end jobs” of om banen met een

korte carrièrelijn 11). De scheiding tus-
sen beide marktcompartimenten is rigide en wordt door verschillende

oorzaken in stand gehouden.
Een belangrijk verschil vormt het ver-

wachte gedrag op beide markten. De

secundaire werknemer wordt geïdenti-
ficeerd met een onregelmatige deel-

name aan het produktieproces; zijn

,,commitment” aan de arbeid is laag; het
verloop hoog. Werkgevers anticiperen

op dit beeld. Hun inhuurpreferenties
voor secundaire banen zijn laag, de
snelle wisselingen na korte tijd maken

zorgvuldige werving en selectie kostbaar
en overbodig. Om dezelfde redenen blij-
ven interne opleiding en bedrijfs-

scholing achterwege, die wel openstaan
voor de vaste werknemers. Het resultaat

is een tweeledige benadering door de

werkgever: voor een aantal banen

wordt via een zorgvuldige selectie-

procedure de beste werknemer gezocht

en voor andere banen vindt een snelle,

onafgewogen recrutering plaats uit een
ongedifferentieerd arbeidsreservoir.

Ook de krachten die het inkomen be-

palen, zijn verschillend 12). Op de

primaire markt varieert het inkomen

van een werknemer hoofdzakelijk met

zijn intreemogeljkheden tot een be-
paalde beroepsladder, die op hun beurt

sterk afhankelijk zijn van de genoten
vooropleiding en de bewezen produkti-

viteit. De loonstructuur zelf wordt voor-

al bepaald door de technologische ont-
wikkeling en ingeslepen gewoonten. Op

de secundaire markt zijn loonverschillen
tussen individuen vooral het gevolg van

verschillen in werktijd in plaats van

verschillen in uurloon. Individuele ver

schillen in opleiding en/of produktivi-

teit vormen in de secundaire markt geen

grondslagen voor loonverschillen. Ar

beid op de secundaire markt wordt

homogeen geacht, de kosten van verloop

verwaarloosbaar en het loonniveau

hoofdzakelijk bepaald door de onper-
soonlijke krachten van vraag en aanbod.

Kanttekeningen

De theorie vormt zeker geen gesloten,
consistent geheel. Onderzoekresultaten

kunnen in zo’n geval gemakkelijk als een
(partiële) ondersteuning van de theo-
rie worden geïnterpreteerd. Een eerste

probleem vormt – het is hierboven

reeds gesignaleerd – de sterke tijd- en
plaatsgebondenheid. Ontwikkeld in de

Verenigde Staten berust de theorie op
Amerikaanse arbeidsmarktverhoudin-
gen, die sterk worden beïnvloed door

discriminatie van etnische groepen,

gettovorming, armoede en structurele
werkloosheid.
Het is de vraag in welke mate de theo-
retische grondslagen op de Nederlandse
verhoudingen overdraagbaar zijn 13).
In feite lijkt zich in de formulering van
de theorie in Nederland een verschui-
ving te hebben voltrokken. In de Ameri-

kaanse versie worden mobiliteitsbar

rières vooral in verband gebracht met
gettocultuur en armoedesituaties, die

mede het gevolg zijn van scherpe
raciale scheiding van woongebieden.

De min of meer openlijke discriminatie

door blanke werkgevers en vakorgani-
saties leidt tot een arbeidsmarktverde-

ling. Het zijn vooral deze ,,arbeids-
marktoneigenlijke” factoren, die de aan-

dacht van onderzoekers op de dualiteit

hebben gevestigd.
In de Nederlandse versie spelen get-
to’s, armoedecultuur e.d. in mindere

mate een rol; als werkzame factoren
worden benadrukt opleidingsniveau, ge-
slacht, geschiktheid, leeftijd e.d. – kort-

om minder maatschappelijke stigmata

dan persoonlijke kenmerken van werk-
aanbieders, die als arbeidsmarkt-
eigenlijke factoren gelden. Daarmee
heeft de theorie veel van haar scherpte

verloren. De oorspronkelijke versie

poogt een verklarende theorie aan te

dragen voor het feit dat het bereik op de

arbeidsmarkt voor twee personen met

dezelfde opleiding, van hetzelfde ge-

slacht, met dezelfde geschiktheid, of
van gelijke leeftijd niet identiek is. In

Nederland worden juist deze factoren

aangeduid om aan te geven dat de

werkgelegenheidskansen van arbeids-

deelnemers verschillend zijn 14). Overigens moet terzijde worden opge-

merkt dat Flanagan na een toetsend

onderzoek concludeert dat onder con-
stant houden van andere kenmerken

de marktproduktie van negers niet wordt
gedrukt door ,,ghetto residence”. De

hypothese dat instabiel arbeidsgedrag

ten gevolge van het getto-leven de voor-

naamste barrière voor het bereiken van

banen in de primaire sector is, is hier-

mee niet onderschreven 15). In Neder-

land evenwel tekenen zich ook wel
ontwikkelingen af die een twee- of wel-

licht meervoudige structuur bevorderen.

Te denken is aan de buitenlandse werk-
nemers, jeugdwerkloosheid, langdurige
werkloosheid en sterke regionale

discrepanties. Niettemin is – gegeven

het bovenstaande – nader onderzoek

geboden of in beide maatschappijen met
dezelfde theoretische veronderstellin-
gen kan worden gewerkt.

Een tweede probleem betreft de cri-
teria die de scheiding bepalen tussen de
primaire en de secundaire markt. Zware

nadruk wordt gelegd op de stabiliteit
van de baan (job stability); aanwezig

in de primaire markt, ontbrekend in de
secundaire markt. Exclusief discrimi-
nerend is het kenmerk echter aller-
minst. Andere elementen die onder meer

medebepalend zijn, zijn de hoogte van

het loonpeil, de mate van scholing, de
gehanteerde technologie, de huid-

kleur van het aanbod 16).

C. Kerr, The balkanization of labor
markets, in: E. W. Bakke, P. M. Hauser,
G.
L. Palmer,
Labor mobility and economic
opporlunity,
New York, 1954.
Van Voorden, op. cit., hoofdstuk 2. Gordon, op. cit., blz. 19.
II) M. J. Piore, The dual labor market, in:
D. Gordon (ed.),
Problems in politica!
economy,
1971, blz. 92.
Gordon, op. cit., blz. 50 cv.
Eenzelfde twijfel uiten Freiburghaus
en Schmid voor geheel West-Europa,
op. cit., blz. 431.
A. L. Mok, De marginaliteit van tijdelijke
arbeid – een sociologische beschouwing,
in: Vijf
pré-adviezen over tijdelijk werk,
uitgave ter gelegenheid van het derde lustrum
van de ABU, mei 1976, blz. 61.
R. J. Flanagan, Segmented market theo-
ries and racial discrimination,
!ndustrial
relations, vol.
12, 1973, no. 3, blz. 269.
T. Vietorisz, B. Harrison, Labor market
segmentation:

positive

feedback

and
divergent development,
The American Eco-
nomic Review,
mei 1973, vol. LXIII, no. 2,
blz. 366. P. Osterman, An empirical study of
labor market segmentation,
Indusirial and
Labour Relations Review. juli
1975, vol. 28,
no. 4, blz. 509.

1282

De veelheid van criteria maakt het

moeilijk een duidelijke scheidslijn in de arbeidsmarkt aan te brengen. Een twee-

deling in primair en secundair veronder-
stelt kennelijk dat een arbeidsplaats

c.q. een arbeidsaanbieder op elk cri-

terium op dezelfde wijze scoort. Indien
dit het geval zou zijn, moet toeval zijn
uitgesloten en moet er 6f sterke onder-

linge samenhang 6f één basisfactor aan-wezig zijn. De Nederlandse formulering

van de theorie van de dubbele arbeids-

markt geeft hierover geen uitsluitsel. In
de Nederlandse werkelijkheid is een die-

pe kloof in de arbeidsmarkt afwezig.
Wel is er sprake van ongelijke deel-
nemings- en mobiliteitskansen, waarbij

de genoemde criteria in wisselende

verhoudingen een rol spelen.
Het zo fundamenteel geachte crite-

rium ,,job stability” is overigens bij
nadere beschouwing allerminst helder.

Het zou onjuist zijn dit criterium in te
vullen met ,,aantal jaren in dezelfde
baan”. Gegeven immers het goede loop-

baanperspectief in de primaire markt
gaat het veeleer om ,,het aantal jaren in
een bepaalde beroepenladder”. Veel-

vuldige baanwisselingen staan echter

als kenmerk voor de secundaire ar-
beidsmarkt te boek 17). Voorts moet
ermee worden gerekend dat beroepen-

ladders zowel
binnen
een arbeidsorga-

nisatie alsook
over
arbeidsorganisaties

(voor professionele beroepsbeoefenaren)

kunnen worden beklommen.

Gordon heeft gesuggereerd vooral te
letten op de potentiële beloningen voor ,,job stability” zowel objectief gemeten

als door subjectieve evaluatie 18). Een
hoge potentiële beloning voor ,,job
stability” zou dan een indicatie zijn
voor de primaire markt en een lage voor

de secundaire; een hachelijke operatio-
nalisering van het criterium ,,job
stability”! De betekenis van het crite-

rium ,,job stability” is
bij
nadere be-
schouwing gering. Het begrip is boven-
dien vaag omdat onbepaald blijft of,,job

stabilïty” afneemt, wanneer werk-
nemers de baan verlaten of wanneer de

baan verdwijnt.

Deze laatste onduidelijkheid kan rui-
mer worden geformuleerd. De theorie
laat namelijk in het ongewisse of de
scheiding in een primaire en secundaire

arbeidsmarkt tot stand wordt gebracht
door verschillen in werknemerskenmer-

ken of door verschillen in banen. Som-

migen achten demografische kenmer-

ken doorslaggevend. Alle banen die

door minderheidsgroepen worden bezet

– vrouwen, buitenlandse werknemers
etc. – behoren dan tot de secundaire
markt. Anderen daarentegen wijzen op
de aard van de arbeidsplaatsen (zeker-
heid, loonpeil etc.) als scheidingsgrond-
slag. Het gaat hierbij dus om de vraag

of wijzigingen in houdingen van aan-

bieders van arbeid de aanleiding tot de
tweedeling vormen, of dat primair een

veranderende werkgelegenheidsstruc-

tuur verantwoordelijk moet worden
gesteld 19).

Eigenlijk onderscheidt de theorie niet

in oorzaak en gevolg. Terecht vraagt
Flanagan zich af of aanbodskenmerken

leiden tot instabiele arbeidsgewoonten of
dat hoog verloop, absenteïsme e.d.

vooral worden bevorderd door de aard

van de banen zelf 20). Het is verleidelijk
interactie tussen aanbod- en vraag-

ontwikkelingen en -kenmerken te ver-

moeden. De mate waarin dergelijke

interactie-effecten optreden, zal pas na

onderzoek kunnen worden vastgesteld. Over het algemeen wordt het aangrij-

pingspunt van de theorie aan de vraag-

zijde gelegd. Faase bijv. merkt met waar-

dering op dat de dubbele arbeidsmarkt-
theorie voorziet in de leemte arbeïds-

vraagstukken te bestuderen vanuit de
vraagzijde 21) en ook Berckmans,
Gevers en Mok zijn van mening dat de

confrontatie vraag-aanbod verloopt
binnen een structureel kader dat door

de vraag wordt gedomineerd 22). Van-
uit dit uitgangspunt geeft Mok elders
een – overigens interessante – analyse

van tijdelijke arbeid. Toch resulteert een
eenzijdig beeld, omdat met name voor-
keuren en handelingen van werkgevers
aan de orde (kaak) worden gesteld;

,,tijdelijke werkers worden aangetrok-
ken omdat zij de werkgelegenheid en

de promotiekansen van de vaste krachten

niet in gevaar brengen” 23).

De dominantie van de vraagzijde
dwingt Mok ertoe de tijdelijke werker
6f als een ledepop te beschouwen die zich

door werkgevers laat ringeloren 6f zelfs
als iemand met voorkeuren die tegen-

gesteld zijn aan feitelijke gedragingen:
,,lk heb het gevoel dat vele potentiële
uitzendkrachten eigenlijk net zo
lief of liever ,,part-time, full year” zou-

den willen werken” 24). Eenzelfde ver-
tekening blijkt waar hij fulmineert tegen

tijdelijke arbeid voor jongeren als
mogelijkheid de arbeidsmarkt te ver-

kennen op zoek naar een vaste arbeids-plaats en een pleidooi voert voor direct
en permanent intreden van jonge men-
sen. Het SER-rapport over de arbeids-

marktpositie van jongeren stelt evenwel
vast dat jongeren zich gedurende de eer

ste jaren van hun arbeidsloopbaan blij-
ven heroriënteren en daarmee een zekere
mate van functionele mobiliteit aan de
dag leggen
25).

Hieruit laten zich twee punten aflei-

den. De theoretische preoccupatie doet
Mok veronderstellen dat de kloof tus-
sen vlottend en vast werk in de ge-

noemde gevallen nagenoeg onoverbrug-
baar is. Dit is niet het geval, zoals ook
blijkt uit de doorstroomcijfers in het uit-

zendbestand 26). Voorts gaat Mok
voorbij aan de mate waarin mobiliteits-

en deelnemingsbeslissingen op vrijwillige
basis worden genomen. Ook dit lijkt
een Amerikaanse erfenis, waar impliciet
wordt uitgegaan van aanbieders die
noodgedwongen hun arbeid op de secun-

daire marktaanbieden omdat de mo-

gelijkheden van entree op de primaire

markt hen worden onthouden op
grond van woonplaats, huidkieur etc.

Het is begrijpelijk dat dan de secundaire

markt als een inferieure, tweederangs

markt wordt gezien, die op haar beirt
stigmatiserend werkt op de betrokken
aanbodgroepen.

Voor de Nederlandse verhoudingen is
participatie op de secundaire markt voor
belangrijke aanbodgroepen meer het ge-

volg van vrijwillige beslissingen. Inter-
mitterende arbeid is voor deze groepen
geen straf maar wens. Het onderscheid

in vrijwillige en onvrijwillige deel-
neming is overigens minder duidelijk
dan het schijnt. Onderzoek naar de be-
palende factoren zal nuancering moeten

aanbrengen. Zeker is evenwel dat in
Nederland de maatschappelijke condi-
tionering van de keuze minder zwaar

weegt. En naarmate de secundaire

arbeidsmarkt meer op basis van vrij-
willigheid wordt betreden, neemt ook

de dominantie van de vraagzijde in be-
tekenis af.

Redenen voor populariteit

In het licht van de boven geformu-

leerde kritiek is het curieus dat in grote
kring de dubbele arbeidsmarkttheorie

tot grondslag van het denken c.q. onder-

zoek is gemaakt. Vanwaar deze liefde op
het eerste gezicht?

Een eerste reden ligt besloten in de opmerking van Van Hoof dat een op-
vallend kenmerk van het meeste arbeids-
marktonderzoek het geringe theoretische

gehalte is 27). Het gebrek aan theore-
tische terugkoppeling van onderzoek-

resultaten en de schaarste aan theore-
tische modellen hebben bijgedragen aan

de populariteit van de ,,dual labor
market theory”.
Daar komt bij dat het aandachtsveld

in arbeidsmarktonderzoek zich sinds
enige jaren richt op het verdelings-

R. C. Edwards, The social relation of
production in the firm and labor market
structure, in: R. C. Edwards, M. Reich,
D. M. Gordon (ed.),
Labor market segmen-tation,
Lexington, 1975, blz. 18.
Gordon, op. cit., blz. 51.
Ibid., blz. 52.
Flanagan, op. cit., blz. 263.
L. Faase, De dubbele arbeidsmarkt,
ESB,
25 februari 1976, blz. 210.
P. Berckmans, P. Gevers, A. L. Mok, Onderzoek naar het bestaan van een dubbele
arbeidsmarkt in België
mei 1974, blz. 21.
Mok, op. cit., blz. 63.
Ibid., op. cit., blz. 65.
SER,
Rapport over de arbeidsmarkt-
positie van jongeren,
maart 1977, blz. tO.
F. C. A. van Haasteren, M. van Overeem,
Arbeid â la carte,
Scheveningen, 1976, blz.
48 e.v.
J. J. van Hoof, Arbeidsmarktonderzoek
op een keerpunt,
Sociologische Gids,
1-2,
1977, blz. 18.

ESB 21 /28-12-1977

1283

vraagstuk. In de algemeen maatschap-

pelijke aandacht voor de positie van
kansrjken en kansarmen is in het ar-

beidsmarktonderzoek tevens de focus

gericht op verdeling van de kansen op

(volwaardig) werk. De populariteit van

een theorie die juist ongelijkheid signa-
leert en verklaart is in dit verband ver-
zekerd.

Voorts heeft de ongetwijfeld grote

kwaliteit van de Amerikaanse studies
de overtuigingskracht ten onzent ver-

hoogd over de maatschappelijke wer-

king en betekenis van de theorie. Ont-

nuchterend is in dit verband de op-

merking van Doeringer in een gesprek

met mij in 1976 dat terugblikkend een

meervoudig geleed arbeidsmarktconcept
is te verkiezen boven een tweedeling.

Ten slotte zal ongetwijfeld het concept
van een simpele tweedeling als zodanig

onderzoekenthousiasme hebben ge-
mobiliseerd. Te meer vanwege de ver-

binding die hiermee kan worden gelegd

met de (Marxistische) dichotome maat-

schappijvisie. Naast de ,,haves” en

,,have-nots” van bezit, produktiemidde-
len, macht, hoog inkomen etc. duidt deze

theorie immers op ,,have” en ,,have-
nots” van goede banen. Martens bijv. ver-

bindt expliciet de Marxistische uitbui-
tingsthese aan de dubbele arbeids-
markt 28).

Verdiensten en gevaren

Onbetwistbaar is waar dat de dubbele
arbeidsmarkttheorie een aantal positie-

ve manifeste en latente functies voor de
studie van de Nederlandse arbeids-

markt heeft opgeleverd. De uitnodiging

tot het doen van onderzoek naar het
vöérkomen van de dubbele structuur is
door velen aanvaard. Voorts heeft de

theorie de verdienste vooral de aandacht
te vragen voor het meso-niveau dat in

de arbeidsmarkttheone tot dan was on-

derbelicht. In zoverre kan de dubbele
arbeidsmarkttheorie inderdaad worden
beschouwd als een uitwerking van één
der door mij onderscheiden macro-
sociale institutionaliseringsprocessen,
zoals Van Hoof opmerkt 29). Ook ten
opzichte van de individualiserende klas-

siek-economische theorie is deze aan-

dacht op meso-niveau een verbetering

c.q. aanvulling. Op dit niveau legt de
theorie nadrukkelijk de verbinding

tussen arbeidsorganisatie en arbeids-
markt en ook dat is een belangrijke
theoretische verworvenheid. Niettemin

is het mijn opvatting dat het gebruik

van de ,,dual labor market theory” een

aantal potentiële gevaren oplevert. Laat

ik ze zo pregnant mogelijk formuleren.

1. De theorie leidt de aandacht af van

de werkloosheidsproblematiek. Door

het onderscheid in primaire en secun-
daire markt vooral vanuit de vraagzijde
te benaderen, wordt in eerste instantie
de aandacht gevestigd op de verschillen-

de baankenmerken en in tweede instan-
tie op de categorieën werknemers die

t.b.v. primaire en t.b.v. secundaire banen
worden gerecruteerd. Onderzoek naar de
samenstelling van de werkloosheids-

groepering noch naar de variabelen die

de werkloosheidsduur beïnvloeden, ligt

in deze conceptie in de rede. Waar het

werkloosheidsverschijnsel wel in ver-

band wordt gebracht met de theorie, om

het vermoeden van zijn bestaan te wetti-

gen 30), is er typisch sprake van een

invalide indicator.

2. De in de Verenigde Staten induc-
tief ontwikkelde theorie is in Nederland
als een deductieve theorie overge-

nomen. De a priori formulering van de
tweedeling heeft kritisch onderzoek naar

de interne consistentie van de (grond-slagen van de) theorie belemmerd. Te

snel zijn pogingen ondernomen haar be-

staan in de Nederlandse verhoudingen
aan te tonen en de gevolgen hiervan te
beschrijven 31).

Waar voorts tot op heden bewijzen
zijn aangevoerd voor het vermoedelijk

bestaan van de dubbele arbeidsmarkt,

Deze rubriek wordt verzorgd door de
afdeling Sociaal-Economisch Beleid
van de Erasmus Universiteit Rotterdam

overtuigen zij niet 32). Steeds is er spra-
ke van het bestaan van gescheiden ar-

beidsmarktsegmenten, doch dat wijst
slechts op het bestaan van diverse

deelmarkten en allerminst op een twee-
ledige structuur. Het merendeel van de
onderzoekers komt op basis van hun
materiaal al snel tot een meervoudige

structuur. Zo komen Freiburghaus en

Schmid, in navolging van Piore, tot een

onderverdeling van de primaire markt in

een markt voor ,,upper tier jobs” en
,,lower tier jobs”, waarin de hogere pri-
maire markt qua mobiliteits- en ver-
looppatronen met veelvuldige bedrijfs-

wisselingen meer met de secundaire
markt overeenkomt en qua werk-

inhoud, carrièreperspectief en beloning
meer met de lagere primaire markt 33).

Ook Osterman neemt deze drieledige
segmentatie tot uitgangspunt van zijn

empirisch onderzoek 34).

Vissers komt, vertrekkend van de

theorie van de dubbele arbeidsmarkt, uit
bij drie segmenten die geen banen
in een bedrijf doch gehele bedrijven

omvatten. Het eerste segment omvat
bedrijven die op stabiliteit ingestelde

werknemers terwerkstellen, het tweede
de kleine en middelgrote bedrijven die

onderdeel uitmaken van ruimere be-

roeps- of bedrijfstakdeelmarkten waar-

door mobiliteit overwegend met be-
drijfswisseling gepaard gaat, terwijl het
derde segment voornamelijk wordt ge-

vormd door de bedrijven die onge-

schoolde en/of onregelmatige werk-

nemers aantrekken 35). Vissers sluit hier

nauw aan bij de uitstekende studie

van Lutz en Sengenberger waarin be-

drjfs-, beroeps- en ongespecificeerde

deelarbeidsmarkten worden uitge-
werkt 36). Hierin ligt een goede theore-
tische aanzet voor de arbeidsmarkt-

studie op meso-niveau. Verderop kom

ik daarop terug.

3. Het denken in de dubbele arbeids-

marktstructuur heeft andere analyse-
kaders naar de achtergrond gedrongen

en/of daaraan ondergeschikt gemaakt.
Ik denk hier met name aan het onder-

scheid interne-externe arbeidsmarkt,
dat – vooral in onze maatschappelijke

verhoudingen -. van grote betekenis

lijkt. De lijnen waarlangs mobiliteits-

processen worden geleid, zijn in onze

maatschappij meer beïnvloed door het
bestaan van (of streven naar) interne

markten dan door een marktscheiding
in een primair en secundair segment,
waarvan het bestaan als zodanig twij-

felachtig is.
In de voortreffelijke publikatie van

Doeringer en Piore:
Internal labor

markets and manpower analysis
komt

het primaat van de interne markt als

analysekader scherp tot uitdrukking.
Onder interne markt wordt overigens
niet steeds hetzelfde begrepen. Doerin-ger en Piore omschrijven interne markt

als de administratieve eenheid, zoals
een fabriek, waarbinnen de prijsvorming

en allocatie van arbeid wordt geleid door

een stelsel van administratieve regels
en procedures. Daartegenover onder-
scheiden zij de externe arbeidsmarkt,

waar prijsvorming en allocatie direct

door economische variabelen worden

beheerst 37). Kennelijk gaat het hier om een structu-

rele benadering; iedere beroepsbeoefe-
naar werkzaam binnen de administra-

tieve eenheid werkt op de interne,
alle andere op de externe markt. Er is
echter ook een sociaal-psychologische

A. Martens, De destructuratie van de
arbeidsmarkt, Sociologische Gids, 1-2, 1977.
Van Hoof, op. Cit., blz.
22.
A. L. Mok, Is er een dubbele arbeids-
markt in Nederland?, Preadvies Vereniging
voor de Staathuishoudkunde, 13
december
1975,
blz.
156
e.v.
Vgl. bijv. Martens, op. cit., blz.
121.
Mok, op. cit.
Freiburghaus en Schmid, op. cit., blz.
434.
Ook Piore, in: Labor Market Segmentation,
op. cit., blz.
126.
Osterman, op. Cit.
A. Vissers, Segmentering en mobiliteit,
referaat 2 in: De arbeidsmarkt vandaag en
morgen; problemen en beleidsopgaven,
Sym-
posium Raad voor de Arbeidsmarkt, 10maart
1977,
blz.
4.
Lutz, Sengenberger, op. cit., blz.
57 cv.
P.
Doeringer, M. Piore,
Internal labor
markets and manpoweranalysis. 1971,
hoofd-
stuk 1.

1284

benadering. Zo stelt Van Doorn in een

veelaangehald artikel het bedrijf als
interne markt tegenover het bedrijf als

samenwerkingsverband en heeft daar-

mee de oriëntatierichting van de werk-

nemers op het oog. De mobiliteitsoriën-

tatie in het samenwerkingsverband is
naar binnen gericht, in het geval van

de interne markt naar buiten – op de

externe markt – gericht 38).
Niet de administratieve afscherming,

maar de marktoriëntatie van de werk-

nemers is dan doorslaggevend voor
de omvang van de interne markt. Vat

men de interne markt op in structurele
zin, dan is het voorts zinvol te onder-

scheiden tussen micro- en macro-

structureel. In de micro-structurele be-

nadering maken alle werknemers in een

bedrijf deel uit van de interne markt (in
sociaal-psychologische zin alleen zij

die een externe oriëntatie hebben); alle
anderen te zamen vormen de externe

markt. In de macro-structurele be-
nadering worden alle werknemers in be-

drijven gerekend tot de interne markt
en maken nog slechts werklozen deel uit
van de externe markt.
Naarmate in de micro-structurele be-
nadering de administratieve regels en
procedures niet voor elke werknemers-
groepering in het bedrijf gelijk zijn, is
een vloeiende overgang mogelijk van
interne naar externe markt. Enigszins

verwarrend duidt Mok juist dit tussen-
gebied aan met externe markt. In zijn

opvatting omvat de externe markt de ar-
beidstaken die ,,losser” staan t.o.v. de

kern van het bedrijf 39). De vraag rijst
of deze lossere taken dan niet veeleer tot

de secundaire i.p.v. tot de externe markt moeten worden gerekend. De excercitie

die Mok pleegt door de primaire en
secundaire markt in een twee-bij-twee-

tabel af te zetten tegen de interne en
externe markt en de betekenis die hij

aan deze onderscheidingen geeft, bren-
gen mij tot de conclusie dat secundair
en extern bij Mok in feite verwisselbaar
zijn.

Een andere complicatie vormt het feit
dat onder interne markt zowel bedrijfs-
interne als beroeps- of vakgerichte

markten schuil kunnen gaan. Het is de
verdienste van Kerr te hebben aange-

toond dat de eerstgenoemde structuur

vooral verticale mobiliteit en de be-
roeps- of vakgerichte marktstructuur

vooral horizontale mobiliteit bevordert.
Lutz en Sengenberger concluderen voor

Duitsland een verschuiving ten gunste

van de bedrijfsinterne markt.
Interne-externe marktbenadering als
alternatief

Ondanks – of wellicht dank zij – bo-

vengenoemde complicaties biedt de te-
genstelling intern-extern een goed uit-

gangspunt voor arbeidsmarktonderzoek. Zij kan worden benut in sociaal-psycho-
logische of structurele zin, in micro- of
macro-betekenis; naast bedrijfsgerichte

mobiliteit komt de vakgebonden mobi-
liteit naar voren. Bovendien vloeien in

dit begrippenpaar de preferenties van
werkgevers en van werknemers te
zamen.
Wellicht zal bij nader inzicht blijken dat de interne markt in sociaal-psycho-

logische zin vooral de werknemers-

voorkeuren representeert en dat achter
het micro-structurele interne markt-

begrip met name de werkgeversreacties
daarop schuilgaan. Ten slotte komen in
dit begrippenpaar te zamen de bewuste
beleidsacties gericht op afscherming
van de interne markt en de maatschap-
pelijke ontwikkelingen die – onbe-

doeld – interne marktprocessen sti-
muleren of belemmeren.

Kerr is typisch een representant van
de beleidsbenadering, wanneer hij de
invloed van vakorganisaties op de
interne marktstructuur schetst 40).
Lutz en Sengenberger staan model voor

het laatste, wanneer zij door bepaalde

sociaal-economische ontwikkelingen de

interne (in dit geval de bedrjfsinterne)

arbeidsmarkt in betekenis zien
groeien 41).

Slot

Het zal uit het bovenstaande duide-

lijk zijn dat ik vooralsnog om verschei-
dene redenen de dubbele arbeidsmarkt

als theoretisch uitgangspunt voor de
Nederlandse arbeidsmarkt verwerp. Veel
meer perspectief biedt de benadering van
de arbeidsmarkt via de interne-externe
markt. In navolging van Lutz en Sengen-

berger laten zich drie interne markten
onderscheiden: de bedrjfsgebonden, de

beroepsgebonden en de ongespecifi-
ceerde (,,Jedermanns”) deelmarkten. Uit

hun analyse komt naar voren dat per

deelmarkt andere verklarende modellen
zijn vereist. Binnen het bedrijfsspecifieke

segment kan de ,,human capital theory”

goede diensten bewijzen. Voor de on-

gespecifïceerde markt kan de klassiek-

economische theorie als verklarings-

model worden benut 42).

In empirisch onderzoek zal de omvang

van bedrijfsspecifieke, beroepsgebon-
den, ,,allemans”- en externe deel-

markten moeten worden vastgesteld,
alsmede de mate van hun rigiditeit.
Vervolgens dienen de maatschappelijke

ontwikkelingen en beleidshandelingen
die de omvang en rigiditeit van de
deelmarkten doen verschuiven, te wor-
den opgespoord. De studie van Lutz en

Sengenberger biedt daartoe interes-
sante aanzetten.
In dit onderzoek zal nadrukkelijk

moeten worden betrokken de vraag

welke individuele en institutionele fac-

toren van doorslaggevende betekenis
zijn, waarom bepaalde groepen actief

en andere inactief zijn en nog andere

hun arbeid marginaal aanbieden 43). In
feite schuilen hierin’ twee geljkwaardige,
maar vooralsnog afzonderlijke, aangrij-

pingspunten voor onderzoek. Ten eerste
het onderzoek naar het vôdrkomen

en de determinanten van recruterings-

en mobiliteitskaders. Ten tweede het

onderzoek naar de omvang en de deter-
minanten van groepen met toetredings-
en mobiliteïtsbarrières. Deze benadering
mijdt de gesignaleerde gevaren en
problemen van de dubbele arbeidsmarkt-
theorie, doch beweegt zich ook op meso-
niveau en legt daar verband tussen
arbeidsorganisatie en arbeidsmarkt.

W. van Voorden

J. A. A. van Doorn, Arbeidsmarkt en
bedrijfsbeleid, in:
Organisatie en maatschap-
pij, 1966, blz. 129.
Mok, De marginaliteit, op. cit., blz. 57.
Zie ook L. M. Kahn, Internal labor
markets: San Francisco Longshoremen, in:
!ndustrjal Relations, vol. 15,
no. 3, oktober
1976, blz. 337.
Lutz, Sengenberger, op. cit., blz. 72 cv.
Ibid., blz. 54 e.v. en btz. 71.
A. L. den Broeder, Moeilijkheden van ouderen op de arbeidsmarkt,
Intermediair,
13e jrg., 23, 10juni1977, blz. 35.

Indien u niet élIes op economisch gebied kunt lezen,

dan kunt u ESB onmogelijk missen.

ESB 21/28-12-1977

1285

Au courant

Over
25
jaar

A. F. VAN ZWEEDEN

Breien met een rooie draad is
de titel

van de congresbrochure waarin de In-
dustriebond NVV de weg naar een
socialistische samenleving uitstippelt.
Het breiwerk van de grootste en tegelijk

meest radicale bond in het NVV begon

met
Fijn is anders.
Het daarin gelanceer-

de begrip ,,arbeidersdemocratie” – in-

middels ook aanvaard door de vakcen-

trale – wordt in het nieuwste beleidsstuk

nader ingevuld. Velen houden de doel-

stellingen van de bond voor een schim-
mig ideaal. Daarom is het misschien
interessant om enkele van de grondge-dachten van de bond af te zetten tegen
het onlangs verschenen rapport van

de Wetenschappelijke Raad voor het

Regeringsbeleid,
De komende vijfent win-

sig
jaar.
Deze als leidraad voor het

regeringsbeleid bedoelde toekomstver-
kenning volstaat niet met een kwanti-

tatieve doorberekening van de twee ge-
kozen groeipaden, maar doet ook een
poging mogelijke maatschappelijke ont-

wikkelingen te projecteren. De WRR werpt al dadelijk een hoogst

controversiële stelling op als wordt ge-
steld dat het zeer de vraag is of er

tijdig een nieuw stelsel voor de sturing
en ordening van de samenleving zal
zijn ingevoerd, dat gaandeweg in de

plaats kan treden van het bestaande

stelsel dat zijn legitimiteit verliest. ,,De

traditionele hiërarchische opbouw zal

immers vervangen worden door een
structuur die ruimte, biedt aan onder-
handeling en overleg tussen alle betrok-
ken partijen. Deze ingrijpende verande-
ringen in de Organisatie en wijze van

besluitvorming zullen bij ondernemin-

gen en andere organisaties op veel weer-
stand van gevestigde belangen stuiten,
bij de overheid in strijd zijn met de

bestaande opvattingen over politieke

verantwoordelijkheid en over de rol
van de centrale overheid, vaak een

achterbanprobleem doen ontstaan door

het representatieve karakter van de par-
ticipatie in het nieuwe stelsel. Hierdoor

loopt de legitimiteit van het nieuwe

stelsel gevaar”.

De Industriebond NVV stelt in zijn

brochure vast dat aan de democratie
een dienst zou worden bewezen, wanneer

de overheid niet meer als de grote

regelaar optreedt, maar zo veel mogelijk

besluitvorming overlaat aan de bedrijfs-
takken en bedrijven. Het stuk is door-
trokken van twijfel aan de doeltreffend-

heid en legitimiteit van een besturings-

stelsel waarin de centrale overheid op-
treedt als vertegenwoordigster van de ,,behoudende krachten”. De overheid

wordt aansprakelijk gesteld voor mas-

sale vernietiging van arbeidsplaatsen
door een beleid dat vooral gericht was

op versterking van de sterke sectoren,
,,waarmee het vonnis over de zwakke
sectoren werd geveld”. De toenemende
invloed van de overheid op het econo-

mische leven is niet het gevolg van

een bewuste beleidskeus, maar is de
overheid opgedrongen door niet voor-
ziene en niet te beïnvloeden gebeurtenis-

sen als de economische teruggang, de

grote werkloosheid die daarvan het ge-
volg was en het groeiende aantal zieken

en arbeidsongeschikten. De overheid

is al lang niet meer bezig met het

sturen van de sociaal-economische ont-
wikkelingen, ze heeft integendeel haar
greep op de gebeurtenissen verloren.
,,Vadertje Staat wordt hoe langer hoe

meer een herverdeler van inkomen en
steeds minder een actieve ingrijper in

het economisch proces”.
De totale democratisering die de In-

dustriebond voorstaat beoogt in de

eerste plaats een effectievere besturing
en beheersing van processen die in

de chaos van vandaag leiden tot massale
vernietiging van werkgelegenheid, infla-

tie en stijgende collectieve lasten. Wat
zegt nu de Wetenschappelijke Raad

voor het Regeringsbeleid over sturing
en ordening van de samenleving? ,,Fei-
telijke processen van Organisatie

en besluitvorming zijn niet in overeen-
stemming met de theoretische modellen,

waaraan in de regel wordt gerefereerd
en deze verliezen daardoor hun geldig-
heid, maar andere modellen ontbreken

vooralsnog”. De komende decennia zul-
len, volgens de WRR, worden beheerst
door pogingen om de thans aanwezige

spanning weg te nemen door de ontwik-

keling van nieuwe organisatieprincipes.

Geconstateerd wordt dat de betekenis

van organisaties in de maatschappelijke

besluitvorming toeneemt. Die organisa-

ties treden met elkaar in overleg en
zo ontstaat het beeld van grote, gelede

conglomeraten, onderling verbonden

door een onoverzichtelijk netwerk van

afspraken en onderhandelingen.

De toenemende betekenis van overleg-
organisaties en de ruimere participatie

van verschillende groepen aan de besluit-

vorming maken dat er steeds vaker tegenstellingen aan het licht treden

die de partijen in het onderhandelings-
proces niet kunnen overbruggen. Er

wordt dan ook steeds vaker een beroep
gedaan op de overheid om als arbiter

op te treden. Deze ontwikkelingen ver

oorzaken, aldus de Raad, een toenemen-
de druk op het bureaucratisch model,
dat steeds meer zijn effectiviteit verliest.

Binnen de organisaties zal worden ge-

zocht naar een flexibeler besturing dan
bij de traditionele hiërarchische en sterk geformaliseerde procedures mogelijk is.

De WRR voorziet verder dat in de
verhouding tussen organisaties het pri-

maat van de overheid zijn vanzelfspre-kende karakter verliest. ,,De legitimiteit

van het overheidsoptreden wordt in
toenemende mate aangevochten, juist

terwijl de omvang van de overheidsbe-
moeïing groter wordt”. De WRR ver-

wacht dat de participatie aan de besluit-

vorming bij ondernemingen, instellingen

en bij de overheid zal toenemen. De
organen die binnen een hiërarchische

structuur zijn aangewezen om bepaalde
beslissingen zelfstandig te nemen, zullen

ruimte moeten bieden voor besluitvor-

ming door een proces van onderhande-

ling en overleg. De toeneming van de
participatie die de WRR verwacht be-
antwoordt vermoedelijk niet aan de
verwachtingen die het individu als werk-
nemer of cliënt aan deze term verbindt.

Hij krijgt wel
&rotere
invloed op beslis-

singen die hem aangaan, maar deze
is gebonden aan vertegenwoordiging

door interne overlegorganen of belangen-
organisaties. Voor zover het individu
een grotere medeverantwoordelijkheid

krijgt te dragen, strekt die zich ook

uit tot beslissingen waarmee hij het
niet eens is.

1286

Dr.
1.
Th. M. Snellen, Benaderingen
in strategieformulering; een bijdrage tot de
beleidswetenschappen. Samsom Uitgeverij, Alphen aan den Rijn. 1975, 283 blz..
f. 37,50.

Bij de tweede variant van de toe-

komstverkenning – een economische

groei die tegen 2000 geleidelijk tot nul

daalt – zal de doelorganisatie (onder

neming, welzijnsinstelling, overheids-
dienst, instelling of vereniging) nog meer

open moeten staan voor beïnvloeding
van buitenaf dan bij een groei van

gemiddeld 3 procent per jaar. De ont-
wikkelingen van deze tweede variant

onderscheiden zich voorts van die van

de eerste, doordat de niet-professionele
dienstverlening van vrijwilligers etibuurt-

genoten een relatief belangrijker .plaats
zal innemen.
De toenemende participatie door me-
dewerkers en publieksgroepen en de
onderlinge vervlechting van afzonderlij-

ke organisaties hebben, zolang er nog

geen adequate sturingsmodellen zijn, op zich zelf een vertragende werking
op het proces van besluitvorming; de

slagvaardigheid wordt er niet door ge-
diend. De WRR gelooft dat het hiër-

archische sturingsmodel ernstig aan bete-
kenis zal inboeten. De raad verwacht
een tendens tot decentralisatie binnen de grote organisaties. De toenemende

participatie leidt tot een grotere over-

heidsbemoeiing. De overheid treedt hier
op als representant van alle niet specifiek

vertegenwoordigde groepen (het ,,alge-
meen belang”) en ook als arbiter. Tege-

lijkertijd verandert het optreden van

de overheid. Van boven af opgelegde

dwingende aanwijzingen en eenzijdig

ingrijpen maken meer en meer plaats

voor deelneming aan het proces van

concurrerende participatie. De overheid
staat dus niet meer boven, maar tussen
de partijen.
Als we deze verwachtingen van de

WRR leggen naast het door de Industrie-bond NVV beoogde sturingsmodel, geba-
seerd op vertegenwoordigende participa-
tie van de werknemers in het bestuur

van de onderneming, bedrijfstak en natio-
nale economie, dan is een aantal

overeenkomsten aan te wijzen. Bij de
Industriebond moet het nationale plan

voorzien in de leemte die de WRR
constateert in een gelede opbouw van
met elkaar concurrerende en onderhande-

lende belangengroepen. Dat plan moet
van onder af worden opgebouwd met

bouwstenen die uit de bedrijven en

bedrijfstakken worden aangedragen. De

nationale overheid is verantwoordelijk
voor de uitvoering van het plan, maar

bemoeit zich niet met de besluitvorming

op lager niveau. Het centrale beleid
wordt gelegitimeerd doordat het gesanc-

tioneerd wordt door het parlement en
gebaseerd is op de inbreng van belangen-

groepen waaruit het belang van de

factor kapitaal moet worden wegge-
dacht, omdat aan het bezit van kapitaal

in de toekomstvisie van de bond geen

enkele zeggenschap meer zal zijn verbon-
den en de vermogens in gemeenschaps-
handen zijn overgegaan.

Deze laatste doelstelling zal, als zij
al ooit verwezenlijkt wordt, zeker niet

binnen het bestek van een kwarteeuw
kunnen worden bereikt. Daarom heeft
ook de Industriebond geen adequaat stu-

ringsmodel aan te bieden voor een perio-
de waarin wel ingrijpende structuurver-
anderingen te verwachten zijn. De af-

zijdigheid die de Industriebond verkiest

zolang de overlegstructuren nog zijn

ïngebed in een kapitalistische samenle-

ving zal het vinden van een beter

sturingsmodel niet vergemakkelijken.
Het lijkt mij echter wel van beteke-

nis, dat de ideeën van de Industriebond
NVV niet helemaal in een luchtledig
hangen. De analytische benadering van

de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid bevestigt in menig op-
zicht de analyse van de bond.
A.
F.
van Zweeden

De auteur,
werkzaam
als politicoloog
bij Philips, stelt zich in deze studie aller-
eerst ten doel na te gaan, welke benade-

ringen in strategieformulering in de
theorie en de praktijk van het bestuur
van complexe organisaties te onderken-

nen zijn. Ten tweede, wordt in deze stu-
die onderzocht welke gemeenschap-

pelijke kenmerken in de benaderingen
in de verschillende sectoren (onderne-

mingen, non-profit-instellingen, over-
heden enz.) worden aangetroffen. In

deel 1 worden enige fundamentele uit-

gangspunten en begrippen gepresen-
teerd. Onder strategieforrnulering wordt

dan verstaan: ,,het vaststellen van de
(toekomstige) doeleinden van een Orga-
nisatie als geheel in termen van de aard

en het niveau van de beoogde maat-
schappelij ke voorzieningen, alsmede

het kiezen van de daarbij passende
hoofduitvoeringswijzen” (blz. 47). Vindt

zulke strategieformulering systematisch

en beredeneerd plaats, dan is sprake van

strategische planning, dat wil zeggen
,,de systematische voorbereiding van be-

sluiten met betrekking tot de vraag met
welke voorzieningen (,,output”) de or-

ganisatie, na een periode van de voor
de organisatie specifieke langste voor-
looptijd (,,lead time”), welk publiek
in welke regio zal bedienen en met welke
globale hulpmiddelen en organisationele

voorzieningen zij dit zal realiseren”
(blz. 48). Onder ,,lead time” verstaat
Snellen de tijd, die (terug-)gerekend

vanaf een bepaald moment (in de toe-
komst) nodig is als voorbereidingstijd

om een bepaalde positie op dat moment
bereikt te kunnen hebben (bijvoorbeeld
opleidingsduur van bepaald personeel,

bouwtijd van ruimtelijke voorzieningen
enz.).
Tot de voordelen van expliciete stra-

tegieformulering door complexe orga-
nisaties rekent de auteur om. de ver-

groting
van het
anhieipatiet’ermogen

met betrekking tot allerlei veranderings-

processen binnen en buiten de Organi-
satie, die relevant zijn voor haar func-tioneren. Evenzo is er het voordeel dat
strategische plannen een geschikt aan-
knopingspunt bieden voor inspraak

van werknemers, overheden e.a. Zij
worden op die manier in staat gesteld,

niet alleen tot ,,achterwaartse” controle
op basis van bijvoorbeeld de jaarstuk-ken, maar ook tot ,,voorwaartse” con-
trole op het geformuleerde ontwikke-

lingsperspectief van de Organisatie
(blz. 55).

In deel 2 formuleert de auteur enkele

bedrijfskundige benaderingcn in stra-

tegieformulering. Een eerste is de z.g.
,,persoonlijk-intuïtieve” benadering,

wel eens omschreven als ,,that body of
ideas a chiefexecutive holds about where
he is leading his firm and why”. Een

tweede is de zogeheten ,,strategische

variabele”-benadering, toegeschreven

aan Chcster Barnard, die het volgende
voorbeeld geeft: als een machine niet

werkt omdat een schrocf ontbreekt,

dan is die schroef de strategische factor
(bij’. eenzijdig produktenpakket, te
specifiek opgeleid personeel). Onder

invloed van de systeemtheoric heeft deze

benadering in strategie formulering
geleid tot bijvoorbeeld het opstellen
van lijsten strategische variabelen, dw.z.
,,check-lists” ten behoeve van sterkte-
zwaktè-onderzoek.

Een derde benadering Js de ,,what
business are we in”-benadering, die zich

concentreert op de vraag naar de iden-
titeit van de onderneming om daaruit

ESB2I/28-12-l977

1287

richtlijnen te ontlenen voor haar doel-

eindenkeuze enz. Snellen meent, dat
zo’n benadering weliswaar een omscha-

keling van produktgerichtheid op func-

tiegerichtheid bewerkstclligt, maar

dat het geen betrouwbaar houvast ople-

vert voor de ontwikkelingsrichting van

een onderneming.
Een vierde benadering vormt de
z.g.

,,strategische kloof”-benadering. Daar-
bij wordt niet totaal aan onderne-
mingsactiviteiten strategisch ge(her)-

formuleerd, maar alleen dle (nieuwe)

gebieden waarvan de bewerking het
verschil – de kloof – tussen groei- en

huidige doelstellingen kan verkleinen, overbruggen. Bekend voorstander van
deze ,,strategic gap”-benadering is

H. Igor Ansoff.
Een vijfde benadering is de zo genoem-
de ,,stake-holders”-benadering: doel

van de organisatie is de uitkomst van
de afweging van alle belangen en ver-

wachtingen van de bij het ondernemings-
beleid betrokken ,,stake-holders” (aan-deelhouders, kredietverschaffers, leve-

ranciers, werknemers, consumenten

enz.). Probleem is natuurlijk, aldus

Snellen (blz. 81), wie op grond van welke

criteria kan worden erkend als ,,stake-

holder” én wie met behulp van welke

criteria belangen tegen elkaar afweegt.

Naarmate in deze gedachtengang de
maatschappij in haar geheel als belang-

hebbende naar voren treedt, ontstaat
een zesde en laatste benadering in stra-
tegieformulering, namelijk de ,,maat-
schappelijke behoefte”-benadering.

Voorstanders van zulke ,,corporate

social responsibility”, zoals Erich
Jantsch, voorzien vérstrekkende gevol-

gen van zo’n principiële benadering.
Vandaar ook meer opportunistische be-

naderingen, waarbij wordt ingehaakt
op maatschappelijke knelpunten: grond-
stoffencrisis, milieuverontreiniging e.d

In deel 3 worden eisen geformuleerd,

die zoal aan strategieformulering en
strategische planning worden gesteld

(rationaliteit, zeggenschap cnz.). Daar-

opvolgend wordt een integratie van dc

zes genoemde benaderingen in strategie-

formulering beproefd aan de hand van een vijftal ,,stappen in het strategische
proces” (schema’s blz. 129): 1. onder-
kennen van de bestaande strategie (vgl.
,,What business are we in”-benadering);

2. omgevingsonderzoek (vgl .,, maat-
schappelij ke behoeften- en ,,stake-hol-
ders”-benadering); 3. sterkte-zwakte-
onderzoek (vgl. ,,strategische variabele”-
benadering); .4. tentatieve strategie (vgl.

,,persoonlijk-intuïtieve”-benadering en

5.
definitieve strategie (vgl. ,,persoon-

lij k-intuïtieve” en ,,stake-holders”-

benadering).
In deel 4 wordt bezien of en in hoe-

verre het mogelijk en gerechtvaardigd is
om inzichten en technieken vanuit de be-

drijfskunde over te planten op de be-
stuurskunde. Immers, zoals de belang-

stelling voor strategische planning in

ondernemingen is ontstaan door crisis-
achtige verschijnselen (trendbreuken in

het maatschappelijke behoeftenpatroon,

versnelde groei van wetenschap en tech-

nologie, functieverschuiving van on-

dernemingen e.d.) zo ook worden over-

heden steeds meer geconfronteerd met

strategische vraagstukken (aanwending
van de openbare middelen, ondersteu-

ning en sanering van bedrijfstakken,

bevordering van ,,de kwaliteit van het
bestaan” enz.). De auteur trekt daarbij

enkele parallellen tussen de genoemde

benaderingcn in strategieformulering,

zoals gehanteerd door ondernemingen

én benaderingen, zoals gehanteerd door
overheden. Tegenhanger bijvoorbeeld

van de ,,what business are we in”-be-

nadering is volgens Snellen het Planning-
Programming- and Budgetting-System,

in Nederland bekend als Beleidsanalyse

(blz. 212).

Evaluerend: met behulp van een in-
drukwekkende hoeveelheid gevarieerde

literatuur ziet Snellen kans grondslagen

te leggen voor een bcredencerd proces

van strategieformulering; een proces

dat van toenemend belang is voor het

anticipatievermogen van complexe en
omvattende particuliere zowel als pu-

blieke organisaties. Met name de aan-
zetten tot een interdisciplinaire en corn-

paratieve bestudering van beleidspro-
eed ures (bedrijfskundig, bestuurskun-

dig) zijn verdienstelijk. (Men zie bijv.

blz. 198 e.v., waar de sector- en facet-
planning wordt gekritiseerd). Dat de

auteur hier en daar wat al te letterlijk
aan de hand van auteurs loopt (Ansoff
bijvoorbeeld, blz. 78 e.v.), zij hem ge-
makkelijk vergeven, gezien het brede

terrein dat met deze baanbrekende studie
wordt bestreken. Kortom, van harte
aanbevolen literatuur.

H. J. van de Braak

Economisch Instituut voor het Midden-

en Kleinbedrijf: Commerciële aspecten
van het slagersbedrijf.
‘s-Gravenhage,
1977, 112 blz., f.25.
Op basis van de gegevens van een

achttal slagersbedrijven wordt de com-
merciële problematiek van de branche
belicht. Aan de orde komen aspecten
m.b.t. het inkoopbeleid, de ambachtelij-

ke werkzaamheden en het verkoopbe-
leid.

OECD: Financial market
trends.
No. 1.

Parijs, 1977, 115 blz., f. 28.
Het eerste deel van een nieuwe serie die

vijfmaal per jaar zal verschijnen.

Inflatie en belastingheffing
(2). Ge-

schriften van de Vereniging voor Belas-

tingwetenschap no. 146. Kluwer, Deven-

ter, 1977, 34 blz., f. 14,50.
Een bespreking van het rapport van de Commissie ter bestudering van de relatie

ES’D

Mededelingen

Post-academisch onderwijs

De Faculteit der Sociale Wetenschap-
pen te Rotterdam organiseert in het

voorjaar van 1978 twee cursussen in
het kader van post-academisch onder-

wijs. De volgende onderwerpen staan
op het programma:

• Grenzen van overheidsbeleid;

• Werkloosheid.

Elk van de cursussen omvat zes bij-

eenkomsten in de namiddag. Docenten

zijn leden van het wetenschappelijk corps

van de faculteit. De cursussen zijn be-

doeld voor degenen die in hun werk
met de genoemde thema’s bezig zijn.

Een folder kan worden aangevraagd

bij de Sociale Faculteit van de Erasmus

Universiteit, postbus 1738, Rotterdam.

Marketing research dag

Op 12 januari 1978 organiseert de We-
tenschappelijke Commissie van het Ne-

derlands Instituut voor Marketing
(NIMA) een marketing research dag
voor degenen die zich bezighouden met

onderzoek op het gebied van marketing
en de gebruikers van de uitkomsten van dit onderzoek in de praktijk. De dag be-

staat uit een ochtendsessie over markt-
onderzoek en een middagsessie over mul-

tinational marketing.
Plaats: Katholieke Hogeschool Til-
burg, Hogeschoollaan 225, Tilburg. Aan-

vang: 10.00 uur. Kosten: NIMA-leden

en medewerkers WO.: f. 65; niet-leden:
f. 110. Inlichtingen en aanmelding:
NIMA-secretariaat, Van Alkemadelaan

700, Den Haag, tel.: (070) 2643 41.

tussen inflatie en belastingheffing. Deba-

ters: Mr. J. Hoogendoorn, Dr. J.C.K.W.
Bartel, A.J. Pol, Drs. L.G.M. Stevens,

Prof. Mr. Ch. P.A. Geppaart, Drs. M.J.

Smid. Aan de orde komen zaken als:
maatstaf voor het meten van de inflatie,

het indexeijfer van de gezinsconsumptie;
inkomsten uit vermogen; buitenlandse
deelnerningën; inflatie en verdeling van

belastingdruk.

J.Katus, J.Th.M. Funneman, N.P. van

Schouwenburg (ed.): Wetenschapsvoor-

lichting in de Verenigde
Staten. Staats-

uitgeverij, ‘s-Gravenhage, 1977, 132 blz.
Een verslag van een studiereis, april

1977.

J.M. Vecht: Onderneming en jaarver-
slag. 5e druk. Samsom Uitgeverij, Al-
phen aan den Rijn, 1977, 226 blz.,

f. 36,90.

1288

Auteur