Ga direct naar de content

Jrg. 55, editie 2767

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 7 1970

EconornischoStatittische Berichten

UITGAVEVAN
DE
STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT

7 OKTOBER 1970

55e JAARGANG

No. 2767

Intellectuele

hovaardii

De dialectiek van de Miljoenennota 1971: iedereen mopfert

er op; dat betekent dat de lasten gelijkelijk verdeeld zijn;

dus is het een goede Miljoenennota. Zo eenvoudig is het

natuurlijk niet. Zo eenvoudig kan het ook niet zijn, omdat

eenvoudigheid verre te zoeken is in de Miljoenennota 1971.

En waar eenvoud het kenmerk van het ware is, zou deze
Miljoenennota dus onwaar moeten zijn, althans onwaar-

heden moeten bevatten. Maar die zijn weer moeilj)c te

traceren, juist omdat de Nota zo weinig eenvoudig is.

Hét zwakke punt van de Miljoenennota 1971 is daai-

door tegelijk hét sterke punt; de ondoorzichtigheid van

het van veel structureel-normbesef doordn3ngen, even-
wichtige proza van dit gewichtige staatsstuk maakt dat:

weinigen erdoor gemotiveerd wordende redenenvoordit

financieel-economische beleid te begrijpen, laat staan te

billijken;

weinigen in staat zijn de rekenkundige hoogstandjes

en de structurele rookgordijnen zodanig te doorgronden

dat gefundeerde kritiek mogelijk is.

Iedereen heeft tegenwoordig de mond vol over de on-
duidelijkheid van ons politieke bestel. Terecht. Even te-

recht is de reactie van geïrriteerde politici op dit verwijt,
namelijk dat dit vaak een goedkoop excuus vormt om de

ongeïnteresseerdheid te verbloemen voor alle zaken die

verder reiken dan de eigen huiskamer en de eigen porte-

monne. De vraag luidt dan natuurlijk of wat meer duide-

lijkheid en vooral doorzichtigheid niet kunnen helpen. meer

publieke belangstelling op te wekken. Een kip-of-het-ei-

discussie die doorbroken kan worden door initiatieven

van de
zijde
der politici.

Neem nu de Miljoenennota. Is zij niet langzamerhand

het voorbeeld bij uitstek geworden van intellectuele hovaar

dij? Het is een stuk voor financieel-economische intimi,
die om het werkelijk goed te kunnen begrijpen eigenlijk
op het ministerie van Financiën zouden moeten werken,

of daar een toelichting moeten gaan halen. Ligt aan de

Nota niet een zeker dédain van econornisten ten grond:

slag, ingegeven door de overweging dat het hier om een

zuiver technisch stuk gaat, dat niet door anderen dan

financieel-economische specialisten begrepen behoeft te
worden, doch slechts dient als uitgangspunt voor het be-

leid? Die overweging is echter onjuist; het is een politiek

stuk met politieke, zij het kundig gecamoufleerde, waarde-

oordelen.
1.

Wanneer ergens een initiatief tot meerdere politieke

duidelijkheid dringende noodzaak is, dan is het wel
bij
de

opstelling van de Miljoenennota. Beleidsuitgangspunten

en politieke waardeoordelen zouden allereerst meer expliciet

dienen te worden gemaakt. De Nota zou voorts de beteke-

nis van de gehnteerde vaktermen niet meer zo als van-

zelfsprekend bekend moeten veronderstellen, maar deze

wat meer moeten toelichten. Aan de andere kant zouden

de vele technische exercities, die de lezer-niet-specialist

alleen maar frustreren.in zijn pogingen tot begrip van het

totalé verhaal, naar de Bijlagen dienen te worden overge-

bracht. Duidelijker dan nu zouden de implicaties van dit

technische randwerk voor het beleid moeten worden..ver-

taald De Nota zélf zou door een en ander aanzienlijk be-

kort kunnen worden; de Bijlagen vormen dan een nog

vettere kluif voor de specialisten. Een vloeiender stilistische

en typografische presentatie tenslotte zou de leesbaaiheid
van de Miljoenennota ten goede komen.

Zo lang geen serieuze pogingen in die richting worden
gedaan, kan men van de publieke opinie niet verwachten

dat zij anders dan in termen van de eigen portemonnee

het financieel-economisch beleid verstaat. Vandaar de
keuze van het fotografische motto bij dit nummer, dat

geheel in het teken staat van de Begroting 1971.

dR

965

Inhoud

Intellectuele hovaardij

.
965

Uit de Miljoenen nota 1971

….
966

Prof. Dr. W. Albeda:

Miljoenennota en pluralisme

….
967

Drs. -B. de Vries:

De Miljoenennota 1971: ondoor-

zichtig of voorzichtig?

…….
968

Prof. Dr. F. Hartog:

Conjuncturele flexibiliteit

…….
973

Prof. Dr. J. H. Christiaanse:

Belastingbeleid en dekkingsplan..
974

Drs. J. P. Pronk:

Tweedé meerjarenprogramma

ontwikkelingshulp

………….
985

Europa-bladwijzer

………….
978

Maatschappijspiegel …………
980

Au courant

……………….
981

Geld- en kapitaalmarkt.
.. …….
982

Prognotities

……………….
984

Mededelingen

…………….
987

Boekennieuws

…………….
989

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit

Redacteur-secretaris: P. A. de Ruiter

Adjunct redacteur-secretaris:
J. van der Burg

Economisch-StatIstische Berichten

Uitgave van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50, Rotterdam-3016;
kopij voor de redactie:
postbus 4224. Telefoon:
(010) 1455 11, toestel 3701. Bij
adreswijziging s.v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de
redactie:
in twee voud,
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Aljonnementsprijs:
f.
44,72 per jaar,
studevtien
f
31,20, franco per post voor Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rjjksdelen (zeepost).
Prijs «van dit nummer:!. 1,50. Abonnementen
kunnen ingaan op elke gewenste datum,
maar slechts worden beëindigd per.
ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
giro 8408; Bank Mees & Hope
NV, Rotterdam; Banque de Commerce,
Koninklijk plein 6, Brussel,
postcheque-rekenin.g 260.34.

Advertenties:
N. V. Kon. Ned. Boekdrukkerj
H.A.M. Roelants, Lange Haven 141,
Schiedam, tel. (010) 26 02 60, toestel 908

966

Uit de Miljoenennota 1971

Belastingen en nationaal inkomen

nationaal inkomen
netto;

netto;
marktprijzen

factorkostcn

(in f. mln.)

1962

…………..
43.970

39.590
1963

…………..
47.920

43.130
1964

…………..
56.700

51.080
1965

…………..
63.360

56.950
1966

…………..
68.800

61.570
1967

…………..
75.830

67.760
1968

…………..
84.070

74.560
1969

……………
93.670

83.760
1970

…………..
103.700

91.700
1971

…………..
115.500

102.300

Rijksuitgaven 1962-1971 naar onder tverpen van staatszorg (in % van het netto

nationale inkomen legen marktprjzen)

1962
1965
1968
1971

Algemeen bestuur

……………………
1,3
1,1
1,2
1
Defensie

…………………………..
5,!
4,3
4,0
3,6
Buitenlandseé betrekkingen

……………..
0,2
0,2
0,2
0,2
Ontwikkelingshulp

………………….
0,5
0,3
0,5
0,8
Justitie en politie

……………………
1,2
1,4
1,3
1,4
verkeer en waterstaat

…………………
2,2 2,2 2,8 2,9
Handel en nijverheid

…………………..
0,4 0,6
0,6
0,6
Landbouw en Visserij

…………………
1,5
1,4
1,2
1,1
Onderwijs en wetenschappen
……………
5,2
6,4 7,0 7,7
Cultuur en recreatie

………………….
0,5
0,5
0,6
0,7
Sociale voorzieningen

…………………
2,6
2,5 3,2
3,4
Volksgezondheid
……………………..
0,2
0,3 0,3 0,3
Volkshuisvesting

…………………….
2,0 2,6 2,9

2,4
Oorlogs- en rampschsde
……………….
0,1 0,1
0,0
0,0
Nationale schuld
……………………..
2,6
2,2
2,2
2,2

Totaal

…………………………….
25,6
26,1
28.0
28,3

Binnenlandse bestedingen (in
%
BNP,
lopende
prijzen)

1962 1965 1968
1971

Consumptieve bestedingen: particuliere sector

………………..
58,9 58,0 56,5
56,0
overheid

……………………….
14,5
15,4 15,6
15,7

73,4
.

73,4
72,1
71,7

Bruto investeringen in vaste activa:
bedrijven

……………………….
15,7 14,9 15,6
16,5
woningbouw

…………………….
3,9
.

4,9
5,6
5,3
overheid

……………………….
4,4
4,7 5,2
5,0

24,0
24,5
26,4
26,8

Voorraadvorming

……………………
1,6
2,0
1,2

.
2,1

Totaal

……………………………..
99,0
99,9 99,7
100,6
Saldo lopende rekening betalingsbalans

…..
1,0

0,1
0,3
-0,6

100,0
I00,0
100,0
100,0

Overheid’

………………………….
18,9
20,1
20,8
20,7
waarvan onderwijs

………………
5,4
1
6,1
6,6
6,4

totale belastingbaten
in f. mln,
in
%
in
%
nationaal nationaal
inkomen,
inkomen, niarktprijzen factorkosten

11.150
25,4
28,2
11.930
24,9
27,7
14.650
25.8 28,7
16.550
26,1
29,1
18.000
26,2
29,2
20.220
26,7 29,8
22.880
27,2
30,7
25.780
27,5 30,8
29.150
28,1
31,8
33.080
28,6
32,2

W. ,I Ibeda

Miljoenennota

en pluralisme

Onze maatschappij, zegt Von Nel!

Breuning, ,,ist in einer ganz verhngnis-

voller Weise pluralistisch”. Ik neem aan
dat minister Witteveen het hiermee zeer

eens is.

Een programma, zoals dat, in de

Miljoenennota is ontwikkeld, is slechts

voor een deel een zaak van de regering.

Uit het beroep, dat op pagina 6 van de

Miljoenennota wordt gedaan op ,,de

lagere overheid, het georganiseerde

bedrijfsleven en iedere burger indivi-

dueel” en op pagina 16 nog eens op het

georganiseerde bedrijfsleven, blijkt wel

dat de regering zich hiervan bewust is.

Een groot aantal belangrijke macro-

economische gegevens komt tot stand

als uitkomst van marktprocessen en van

onderhandelingen (die niet los van

marktprocessen staan). Deze markt-

processen en onderhandelingen lenen

zich maar ten dele voor beïnvloeding

door de overheid.

Prijsvaststel 1 ing,

i nvesteringsbeslis-

singen en loononderhandelingen kun-

nen zo uitvallen, dat de doelstellingen

van de regering (het beperken der be-

bestedingen, de sluitende betalings-

balans en de matiging der inflatie-

beweging) niet worden gerealiseerd. De

regering heeft er een hard hoofd in

(zie het aantal malen dat over extra

loonstijging wordt gesproken op de

bladzijde
5
t/m 16; geen bladzijde mist

een expliciete uitspraak daarover) dat

iiiet name de loonbeweging zich zal

laten inpassen in dit program.

Mcii kan zeggen, dat hier een funda-

mentele zwakte ligt van onze econo-

mische orde. Een program als dit is

slechts uitvoerbaar, indien niet slechts

de regering, maar ook de sociale part-

ners en de individuele bedrijven en

werknemers er zich aan houden. Ge-

geven de moeilijkheid iedereen te

dwingen betekent dit dat een mate van

consensus gevraagd wordt, die in een

pluralistisch bestel bijna onwaarschijn-

lijk te achten is.

Die consensus is temeer onwaarschij n-

lijk, omdat we ons bevinden in een

proces van herstructurering van de ver-

deling van het nationale inkomen, waar

velen zich nog niet goedschiks bij

willen neerleggen. De tabel op pag. 41

van de Miljoenennota laat deze her-

structurering zien: de totale rijksuit-

gaven
stijgen
van 25,6% van’het netto

nationale inkomen tegen marktprijzen

in 1963 tot 28,5% in 1970 en 28,3% in
1971 (die groei bleef binnen deze per-

ken, doordat de uitgaven voor defensie

in deze periode relatief daalden en zo

een extra ruimte gaven, evenals die voor

landbouw en Nationale Schuld). Wil de
overheid in een moderne welvaartsstaat

voldoen aan de taken, die haar zijn

opgelegd, dan moet een verschuiving

plaatsvinden van de private naar de

publieke sfeer. in Amerika spreekt men

in zo’n geval van ,,creeping socialisni”.

En zoiets is het natuurlijk ook. Een

stukje kapitalisnie wordt verdrongen

door een stukje (staats)socialisme. Een

naar mijn gevoel nuttig en nodig proces,

waarvoor een electorale meerderheid

in Nederland voorhanden is.

Toch vindt een geduchte strijd plaats

over deze verschuiving. De particuliere

sector verzet zich tegen de relatieve

achterstel ling, en creëert inflatie om

aan de greep van de overheid te ont-

komen. Een bont gezelschap voert deze

strijd met alle wapens. Grotere en

kleinere ondernemers die prijzen ver

hogen, kleinere en grotere zelfstandigen

die hun tarieven bijstellen enz. Het is

opmerkenswaard dat in dit bônte ge-

zelschap ook vakverenigingen en voor-

al de linkse franje daarvan, de actie-

comi tés, worden aangetrolTen. Deze

laatsten, de actiecomités, kan men zelfs

als koplopers beschouwen in deze

strijd. Een ,,rechtse” regering moet een

,,links” ideaal bevechten, niet slechts

op ondernemers, maar ook op linkse

groeperingen, die de private consumptie

omhoogdrijven onder het slaken van

revolutionaire kreten.

Men kan stellen, dat in de jaren ’70

de verschuiving van private naar pil-

blieke bestedingen nog verder voort zal

moeten gaan. Toch is de consensus

(die er in de jaren
’50
wél was) thans

ver te zoeken. De consumptiemaat-

schappij verdedigt zich krachtig wan-

neer de ruimte voor (meer) particu-

liere consumptie wordt aangetast, zo
nodig met de vaan der rode revolutie

voorop…. Zij die deze vaan dragen

begrijpen altijd te laat, dat zij hand- en

spandiensten verlenen aan de verkeerde

zijde. De f. 400, zo moeizaam bevoch-

ten, is niet een overwinning
op,
maar

een overwinning
van
de consumptie-

maatschappij.

Onze pluralistische samenleving kan

zich’ haar pluralisme slechter veroor-

loven dan ooit, maar het ziet er niet

naar uit, dat een groeiende consensus

dit pluralisme meer leefbaar gaat

maken. Concreet gesproken betekent

dit, dat het sociaal-economische beleid

van de regering op grote moeilijkheden

moet stuiten. Artikel 10 van de Loon-

wet is een nuttig instrument, indien het

gehanteerd kan worden om een vak-

beweging, die achter het regerings-

beleid staat, een steun in de rug te

geven. Als wapen, gehanteerd lege,, een

vakbeweging die in dat beleid niet ge-

looft, mag er weinig goeds van worden

verwacht.

ESB 7-10-1970

967

De Miljoenennota 1971:
ondoorzichtig of voörzichtig?

DRS. B. DE VRÏES*

De presentatie van het beleid

De Troonrede, Miljoenennota en de begrotingstoelich-

tingen van de afzonderlijke ministeries vormen samen de

belangrijkste staatsstukken waarin de regering haar be-

leidspi annen presenteert.

In een democratisch geregeerd land mogen aan deze

stukken daarom wel bepaalde minimum eisen worden ge-

steld. In de eerste plaats dient het beleid zodanig te worden

gepresenteerd dat elke politiek geïnteresseerde zich daar-

over een gefundeerd oordeel kan vormen. Nog belang-

rijker is dat de stukken de indruk wekken dat de infor-

matie een open en eerlijk karakter heeft. De image van de

spelërs op het politieke toneel van oiis land zou daardoor

gunstig kunnen worden beïnvloed. Blijkens’ enquêtes

schijnen immers nog veel mensen de indruk te hebben

dat het woord parlement is afgeleid van de Franse werk-

woorden ,,parler” ën ,,mentir”.

Helaas voldoet deze Miljoenënnota, evenmin als vele

voorgangers daarvan, aan de hierboven genoemde mini-

mum eisen. Dat is niet uitsluitend te wijten aan het geconi-

pliceerde karakter van de behandelde materie. Soms
,
is

de presentatie slordig, soms verwarrend, soms ook maakt

zij – wellicht ten onrechte – de indruk dat opzettelijk

een tendentieuze voorstelling van zaken wordt gegeven.

Van het laatste eerst twee voorbeelden.

Volksvertegenwoordigingsverlakkerij?

Op blz. 22 wordt gesteld dat de rijksuitgaven, exclusi’ef de

overheveling van een aantal activiteiten uit het Gemeente-
fonds, in 1971 met ruim 11% zullen
stijgen.
Kennelijk met

de bedoeling ait cijfer te relativeren wordt daaraan toege-

voegd: ,,Hiervan is ongeveer een derde deel (1200 miljoen)

nodig voor algemene salarismaatregelen”. De onschuldige
lezer krijgt dan de indruk dat de overige uitgaven wel met

aanzienlijk minder dati 11% zullen zijn gestegen. Deze

indruk zal worden versterkt wanneer hij op blz. 39 leest:

,,Het accres van de uitgaven van 1970 op 1971 beloopt dan,

na correctie voor enkele in dit verband niet of minder
relevante posten, bijna 2 miljard of
94%.
In dit bedrag

is ruim 1 miljard (34%) begrepen wegens algemene salaris-

stijgingen”.

Bij nadere beschouwing blijken de salarissen meer dan een

derde deel van de totale uitgaven in beslag te nemen, met

als gevolg dat de overige op blz. 22 bedoelde uitgaven

zelfs met ruim 12% stijgen.

Wat is dan de zin van dergelijke toevoegingen? Voor de

gewone man is het resultaat verwarrend; dat is een nadeel.

Maar voor wie enigszins vertrouwd is iiiet de cijfers doet

liet allemaal wat naïef aan.

Het tweede voorbeeld heeft betrekking op de
versc/,ui-

ving in de belastingdruk
welke volgens de regering in de

achterliggende jaren is opgetredën. Op blz. 83 en 84 wordt

gesteld dat, de belastingdruk, gemeten in procenten van het

nationale inkomen, ‘van 1963 t/m 1971 niet 3,7% is ge-

stegen. Van deze toeneming komt 2,1 % voor rekening van

de directe belastingen, terwijl de druk van de indirecte

belastingen met 1,6% toeneemt. Ondanks opbrengstver-

lagendè maatregelen bij de directe belastingen en opbrengst-

verhogende maatregelen in de sfeer van de indirecte be-

lastingen, is als gevolg van de progressiewerking dus toch

de
druk van de directe belastingen het Incest gestegen,
aldus

de Miljoenennota.

Eén alinea verderop heet het echter: ,,.De hiervoor ge-

schetste ontwikkeling kan ook worden afgelezen uit tabel

5-4, waarin de procentuele verdeling van de belastingdruk

over belastingen op inkonien, winst en vermogen enerzijds

en kostprijsverhogende belastingen anderzijds wordt ge-t

geven. In de periode 1965 t/m 1970, neemt het relatieve

belang van de directe belastingen voortdurend af
De oor-

zaak van deze’ ontwikkeling ligt in de omstandigheid dat
het accent bij de noodzakelijk geachte tariefverhogingen

is gelegd op de indirecte belastingen”.

Daar staan we dan. Zelfs indien de beide (door mij)

gecursiveerde uitspraken juist zijn zou het verboden moeten

worden ze zonder nadere toelichting af te drukken. Waar-

schijnlijk is echter tenminste één van de beide uitspraken

onjuist, doordat ook hier weer op een onaanvaardbare

manier niet de vergelijkingsbases wordt gescharreld.

Uitgedrukt in procenten van het nationale inkomen be-

droeg de druk van de directe en indirecte belastingen

in 1963 resp. 14,5% en 10,5%. Belastingdruk is een relatief

begrip en een stijging van die druk kunnen we daarom het

best relateren aan de oorspronkelijke druk die in 1963
in totaal ca. 25% bedroeg. Een stijging van 3,7 op 25,

van 2,1 op 14,5 en van 1,6 op
10,5
blijkt dan steeds uit
te komen op ongeveer
15%.
Conclusie: in de verdeling

van de belastingdruk is sedert 1963 geen noemenswaardige

verandering opgetreden. Dat blijkt dan ook wel uit tabel

5-4.
Het aandeel van de directe belastingen bedroei in

1963 57,2% en in 1971 naar schatting
56,4%.

* De schrijver van dit artikel is wetenschappelijk mede-

werker voor staat huishoudkunde aan de sociale faculteit

van de Nederlandse Economische Hogeschool.

968

In de tweede hierboven gecursiveerde uitspraak worden

echter niet 1963 en 1971 maar 1965 en 1970 niet elkaar ver-

geleken. Daardoor verandert er een en ander omdat het

aandeel van de directe belastingen in het totaal in
1965

een historisch hoogtepunt en in 1970 een historisch diep-

tepunt heeft bereikt. Maar deze ontwikkeling berust niet

op prestaties van dit kabinet. Dezelfde tabel leert namelijk
dat er in de periode 1968 t/ni 1971 helemaal niets gebeurd

is wat de moèite van het vermelden waard is. Wat is dan

het nut van zulke tegenstrijdige rekenkuridige hoogstandjes

in de Miljoenennota?

Het structurele begrotingsbeleid: de norm

Voor zover de moeilijke leesbaarheid van de Miljoenen-

nota onvernijdelijk is, is dat in belangrijke mate het ge-

volg yan de structurele norm voor het uitgavenbeleid

waaraan de achtereenvolgende kabinetten zich sedert 1961

hebben gebonden. Doel van deze norm is, zoals bekend,

dat er van de begroting een7 áutomatisch conjunctuur-

stabi 1 iserende invloed uitgaat.

Om dit te bereiken wordt de ruimte voor het doen van

nieuwe uitgaven berekend op basis van de trendniatige

reële groei van het nationale inkomen en de gemiddelde
progressiefactor. Sedert 1968 worden de desbetreffende

cijfers geschat op resp. 4,8% en
1,25,
zodat de belasting-


ontvangsten bij een gelijkblijvend prijsniveau jaarlijks ge-

middeld met 4,8 x 1,25 = 6% zouden stijgen. Nemen de

overheidsuitgaven nu van jaar op jaar toe met een bedrag

dat gelijk is aan deze trendmatige groei van de belastingont-

vangsten, dan zal er gemiddeld evenveel extra koopkracht

aan de kringloop worden onttrokken als er door de over-

heid wordt ingepompt. Tijdens een periode van hoogcon-

junctuur zullen de belastingontvangsten sneller dan nor-

maal toenemen, zodat er dan per saldo een remmend

effect van de begroting op de conjunctuur zal uitgaan. In

een recessie is het omgekeerde het geval. Resultaat van een

dérgelijk beleid zal ook zijn, dat het begrotingstekort ge-

middeld over een langere reeks van jaren constant

is. De

omvang van dit gemiddelde tekort behoort voorts ongeveer

gelijk te. zijn aan het besparingsoverschot van de parti-

culiere sector
1•

Een cornplicatie treedt op doordat het nationale inkomen

niet alleen stijgt door reële factoren maar ook als gevolg

van prijsstijging. Door deze louter nôminale ontwikkeling

stijgt ook de belastingopbrengst extra en ook hier wordt

die groei versterkt door de progressiefactor. Dit laatste

acht de regering ongewenst en zij steeft ernaar de toene-

ming van de ontvangsten die het gevolg is van de zoge-
naamde louter nominale-progressiekop te compenseren

door tariefverlagingen in de sfeer van de loon- en inkom-

stenbelasting, waar het progressie-effect zich het sterkst

doet gevoelen. In het verleden verliep die tariefaanpassing

schoksgewijs. De tweede tranche van de laatste operatie

in dit kader gaat op 1januari a.s. in. Thans ligt er een wets-

ontwerp bij het parlement dat beoogt dergelijke correcties

in de toekomst automatisch tot stand te brengen.

Alleen het proportionele deel van de groei van de be-

lastingontvangsten die het gevolg is van de prijsstijging zal

dan nog overblijven. Indien daar geen extra uitgaven

tegenover stonden zou de begroting inplaats van een tekort

al spoedig grote overschotten gaan vertonen. De ervaring

heeft nu geleerd dat het proportionele deel van de nomi-

nale groei gemiddeld voldoende is voor de financiering

van de algemene salarismaatregelen. De daaraan verbonden

kosten worden daarom bij de toetsing van de uitgaven-

sinds 1917

sinds 1917

STENOGRAFEN BUREAU

W. STEMMER
&
ZN N.V.

Lieven de Keystr. 77,:tel. (010) 200686, Rotterdam-14

vervaardigt, o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Hilversum, Maastricht, Renkum,
Rheden, Rotterdam en Veidhoven.
Wij leveren ook

NOTULEN VAN DIRECTIE- EN

AANDEELHOUDERSVERGADERINGEN

De jarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toe-
passing van moderne geluidsopnametechniek en voor-
al onze eerste-klas medewerkers garanderen snel en
accuraat werk, uitgevoerd op uiterst betrouwbare en
discrete wijze.

(I.M.)

stijging aan de hierboven berekende ruimte van 6% buiten

beschouwing gelaten. Daarnaast worden enige andere

posten, zoals de aflossing op de staatsschuld, als niet rele-
vant beschouwd, terwijl tenslotte de ruimte wordt vergroot

met de feitelijke groei van de niet-belastingontvangsten.

Wordt de aldus berekende norm overschreden dan zâl

daarvoor door autonome belastingmaatregelen dekking

moeten worden gezocht.

Bruikbaarheid van de norm

Theoretisch is er voor een normatief begrotingskader als

hierboven beschreven veel te zeggen
2•
In de praktijk is de

naleving ervan echter edn zaak geworden waarover alleen

ingewijden nog een beetje kunnen oordelen. Als instru-

nient van democratische controle op het financiële beleid

van de overheid heeft de norm daardoor sterk aan betekenis

ingeboet.

Daarvoor zijn verschillende oorzaken. In de eerste plaats

blijkt het steeds weer nodig het bedrag waarmee de uitgaven

mogen stijgen bij te stellen voor in het verleden opgetreden

prijsstijgingen. In de tweede plaats valt de norm in ver-

schillende onderdelen uiteen. De norm heeft alleen beteke-

nis indien a. de relevante uitgaven binnen de ruiFnte blijven,

b. de algemene salarismaatregelen het proportionele deel

van de nominale stijging niet overtreffen, en c. de belasting-

ontvangsten zich eveneens overeenkomstig het in de Zijlstra-

norm opgesloten verwachti ngspatroon ontwikkelen. Alleen

over de eerste twee punten geeft de Miljoenennota syste-

matische, hoewel niet altijd even duidelijke, informatie.

Niettemin zullen wij aan elk van deze drie punten hier-

onder enige aandacht besteden.

Toetsing van
de relevante uitgavenstijging

De toeneming van de totale en van de relevante uitgaven

blijkt uit de hieronder afgedruktë, uit. de Miljoenennota

overgenomen,, tabel. Vergelijken we deze met de overeen-

komstige cijferopstelling op blz. 34 van de vorige Mil-

joenennota dan kunnen enkele vragen rijzen.

1
Aldus ook de slolbeschouwing van de minister van Finan-
ciën in deze Miljoenennota, blz. 109.

Zie voor een meer uitvoerige beschouwing C. J. Oort en

G. de Man: De ,,Zijlstra-nor,n” in theorie en praktijk,

in ,,Economisch Kwartaaloverzichi” van de Amro-Bank,

maart èn juni 1968.

ESB 7-10-1970

969

In de éerste plaats werd van de totale uitgaven in 1970

een reserve t.b.v. prijsstijging als gevolg van de invoering

van de BTW ad. f. 337 mln, als niet relevant beschouwd.

Dit bedrag vinden we in de tabel voor 1971 niet terug,

evenmin als eenreservepost van f. 50 mln, voor kosten

i.v.ni. bestrijding van conjuncturele werkloosheid. De

vergelijking valt daardoor schijnbaar f. 387 mln, gunstiger

uit dan wanneer deze posten wel in de beschouwing waren

betrokken.

Toe,ierning relevante uitga van en iiiet-belasiiiignnt vangsten

(in
f
in/it.)

Oorspron-

Ontwerp-
kelijk

begroting
ingediende

1971 a)

begroting
1970 a)

Uitgaven
………………………..
voor de toetsing blijven buiten beschou-
wing:
bruto

aflossingen

gevestigde

staats-
schuld
…………………….
investeringen op grond van de Wet op
het voortgezet Onderwijs

………
algemene

salaris-

en

pensioenmaat-
regelen
……………………
financiering van uitgaven uit de tijde-
lijke meeropbrngst van de nieuwe
omzetbelasting

………………
financiering

extra

defensieuitgaven
door verschuiving belastingcorrectie verschuiving van uitgtiven van het Ge-
,meentefonds naar de rijksbegroting
waarsegenover een verlaging van het
aandeelpercentage

van

dat

fonds

staat

……………………..

449

1.190

3.031

27.775

29.694
– 27.775

Toeneming relevante uitgaven

1.919

2. Niet.belastingontvangSten
…………..
3.109

3.780 3.109

Toeneming relevante niet-belastingont-
vangsten

671
Trendmatige groei, die is begrepen in de
begrotingsruimte

150

Extra groei niet-belastingontvangsten . . . .

. .

521

a) Inclusief aanvullende posten.

Uit nadere informaties blijkt echter dat zulks niet het

geval is. Het bedrag van f. 337 mln, wordt gecompenseerd

doordat als gevolg van de prijsstijging ook de nieuwe

omzetbelasting structureel meer opbrengt. Een speciale

dekkingsmaatregel is daarvoor dus niet nodig.

[ets anders ligt het bij de f. 50 mln. voor bestrijding van

conjuncturele werkloosheid. Hier betreft het meer een

weinig gelukkige presentatie. In feite blijkt namelijk in de

begroting 1971 een even grote post voor dit doel te zijn

opgevoerd. Aangezien de aftrekpost voor beide jaren

even groot is, heeft.men haar nu maar buiten beschouwing

gelaten. Vreemd is het overigens wel, dat in een jaar waarin

de regering afremming van de conjunctuur dringend ge-
wenst acht toch nog een extra reserve voor de bestrijding

van conjuncturele werkloosheid wordt opgevoerd.

Bij toetsing van de relevante uitgavenstijging ad f. 1.919

mln. aan de ruimte blijkt de begroting daar ook nu weer

keurig binnen te blijven. De trendmatige begrotingsruimte

voor 1971 was vorig jaar al berekend op f.
1.435
mln.

Daar komt nog
bij
de nieer dan normale groei van de niet-
belastingontvangsten ad f.
521
mln.; samen dus f.
.1.956

mln., zddat er ilog een klein dekkingsoverschot .j.

Desondanks zijn er enkele omstandigheden die speciale

belastingmaatregelen in 1971 onvermijdelijk maken. In

de eerste plaats moet nog een deel van de overschrijding

970

van denorm als gevolg van de sanering van het Gemeente-.

fonds in 1968 worden ingehaald. Dat vergt f. 75 mln.

Voorts dreigt in 1971 opnieuw een tekort van het Gemeente-

fonds.ten bedrage van f. 181 mln. Bovendien zal de be-

lastingopbrengst in 197.1 met f. 162 mln, worden gedrukt

door een aantal reeds vaststaande niaatregelen. Rekening-

houdend met nog een paar kleinere posten moet dan’in

1971 nog voor een bedrag van ca. f. 470 Inln. dekking

worden gezocht. Deze wordt verkregen uit een wijziging

van de autokostenfictie in de inkomstenbelasting (± F. 80

mln.) en een verhoging van het BTW-tarief van 12 naar

14% in plaats van de voorgenomen verhoging vn het

hoogste tarief van 12 naar 13% en van het laagste van 4

naar 4,3 (effect per saldo + f. 390 mln,).

Ook in de voorgaande zittingsjaren heeft deze regering

zich voorbeeldig aan de Zijlstra-norm gehouden. Uit

tabel 6-5 op blz. 93 blijkt dat alleen in 1968 de ruimte

met f. 174 mln, werd overschreden. Dat is f. 50 mln. meer

dan in de ontwerp-begroting van dat jaar werd verwacht.
Van deze overschrijding adf 174 mln, is in 1969 en 1970

samen reeds f. III mln, ingehaald, terwijl in 1971 nog eehs

f. 42 mln, voor dat doel is gereserveerd.

Overboekingen niet toepassing van artikel 24 van de

Comptabiliteitswet zijn in deze vergelijking buiten, be-

schouwing gelaten. Vorig jaar werden deze wel in de toet-

sing betrokken Helemaal consequent is deze regel, voor,

zover wij hebben begrepen, echter niet toegepast. Op blz,

46 en 47 is sprake van een bedrag van f. 65 mln, voor

defensie-uitgaven dat in 197.1 waarschijnlijk nog niet uit-
gegeven zal worden en daarom met toepassing van art. 24

overgeboekt zal worden naar 1972. Gemakshalve is dit

bedrag daarom ook maar in mindering op de totale uit-

gaven gebracht en dientengevolge buiten de toetsing ge-

bleven.

De algemene salarismaatregelen en het proportionele

deel van
de nominale groei

Hierover kunnen we kort zijn. Uit tabel 3-6 op blz. 37

blijkt dat de proportionele toeneming van de belasting-

ontvangsten als gevolg van de nominale ontwikkeling van

het nationale inkomen in de periode 1962 t/m 1971 vol-

doende is voor de financiering van algemene salarismaat-

rè’gelen. Tn totaal is er zelfs een overschot van f. 540 mln.

1-let valt echter op dat dit bedrag meer dan geheel verklaard

wordt uit de ontwikkeling in 1970 en 1971, jaren waarin als

gevolg van het hoge infiatietempo de nominale groei van de

ontvangsten wel’zeer sterk is. Ook van de hier gehanteerde

regel blijkt dus nog een zekere conjunctuurstabiliserende

invloed uit te gaan. Sterke prijsstijgingen doen de belasting-

ontvangsten meer stijgen dan nodig is voor de financiering

van salarismaatregelen, waardoor ,het begrotingstekoit

weer wat lager zal uitvallen.

De ontwikkeling van het begrotingstekort: teleurstellend?

Met enige trots wijst de miiister van Financiën er in zijn

slotbeschouwing op, dat het financieringstekort van het

Rijk gedaald is van f. 2.300 niln. in 1968 tot f.
1.950
mln.

in 1970. Nog duidelijker komt dit tot uitdrukking in het

begrotingstekort dat in deze periode is gedaald van f. 3.486

mln, tot f. 2.856 mln. –

Toch is het de vraag in hoeverre deze trots gerecht-

Zie Miljoenennota 1970, blz. 17.

28.965

32.725

578
661

447
489

1.290

75

142

90

vaardigd is. De achter ons liggende jaren kunnen immers

bij uitstek worden gekarakteriseerd als een periode van

hoogconjunctuur, waarin de groei van het reële nationale

inkomen gemiddeld wel 6% bedroeg. Dat is aanzienlijk

meer dan de 4,8 % waarop de Zijlstra-norm is gebaseerd.

Uitgaande van een progressiefactor van 1,25 mag daarom

de gemiddelde reële groei van de belastinontvangsten op

ca. 74% worden geraamd. Alleen hierdoor reeds zou het

begrotingstekort jaarlijks iliet f. 250 á f. 300 mln, moeten

zijn verminderd. Rekening houdend met de invloed van

art. 24 Comptahiliteitswet, die in bovengenoemde saldi

wel is verwerkt, zou nog een verdere verbetering van’ruim

f. 500 mln, mogen worden verwacht.

In dit licht gezien is de feitelijke ontwikkeling van het

begrotingstekort nogal teleurstellend en kan stellig niet

worden gesproken van een structurele verbetering. Gezien

de uitzonderlijke krapte op de kapitaalmarkt zou zo’n

structurele verbetering uitermate wenselijk zijn geweest.

Een interessante vraag is overigens nog in welke mate de

f. 500 mln., die krachtens art. 24 per saldo nog naar vol-

gende dienstjaren zijn overgeboekt, het begrotingsfekort

1971 zullen beïnvloeden en wat daarvan de conjuncturele

effecten zijn.

De Zijlstra-norm en de belastingontvangsten

in hoeverre de belastingontvangsten zich in het verleden

hebben ontwikkeld overeenkomstig het in de norm opge-

sloten verwachtingspatroon is moeilijk voor een buiten-

staander vast te stellen. Daarvoor wordt de feitelijke ont-

wikkeling te zeer doorkruist door allerlei aUtonome maat-

regelen.

Niettemin zijn op grond van een vergelijking over een

langere reeks van jaren wellicht toch enige interessante

vragen te stellen.

in de periode 1963/1971 neemt het reële nationale in-

komen met ca. 50% toe. Uitgaande van een progressie-

factor van 1,25 zou dan de belastingopbrengst met
62,5 %
moeten stijgen. Daarnaast treedt echter nog een prijsstijging

op van 60%. Op grond van de reële groei, de progressie-

factor en het proportionele deel van de nominale groei

zouden de belastingontvangsten dan moeten zijn gestegen

tot (162,5 x 160) : 100 = 260% van het in 1963 ontvangen

bedrag. De belastingontvangsten in dat jaar bedroegen

f. 11,9 mrd., zodat in 1971 een opbrengst van 2,6
x
11,9 =

f. 30,9 mrd. zou zijn ontstaan. ‘Verwacht wordt een op-

brengst van f. 33,1 mrd.

Alle autonome maatregelen die gedurende deze gehele

periode zijn genomen zouden dan dus slechts een opbrengst-

verhogend effect van ruim f. 2 mrd. hebben gehad. Op de

totale stijging van f. 21 mrd. is dat bepaald geen indruk-

wekkend getal. Daarbij dient nog bedacht te worden dat

in bovenstaande berekening is verondersteld dat de nomi-

nale-progressiekop vol ledig benut is voor tariefverlaging

van de loon- en inkomstenbelasting. Dat is in werkelijkheid

echter niet het geval geweest.

Is de indruk van de doorsnee burger dat de belastingdruk

door autonome maatregelen sedert 1963 aanzienlijk is

verzwaârd dan onjuist? Of hebben de ontvangsten zich niet
geheel overeenkomstig de verwachtingen ontwikkeld?

De opbrengst van de BTW

Eén van de vragen die naar aanleiding van deze ontwikke-

ling gesteld zouden kunnen worden isin hoeverre de op-

brengst van de BTW bij de oorspronkelijke verwachtingen

achterblijft. Daarover geeft de Miljoenennota op blz. 79

en 80 enige’informatie.

Bij de invoering in 1968 was meegedeeld, dat de jaar-

opbrengst van de nieuwe omzetbelasting – op basis van

de bestedingen in 1969 -‘ f. 5.100 mln, zou moeten bé-

dragen om de systeemwijziging budgettair neutraal te

laten verlopen. Daarnaast moest de tijdelijke investerings-
heffing f. 1.010 mln, opleveren voor de financiering van de

restitutie van de oude omzetbelasting op voorraden. Deze

aanvankelijke ranling ad f. 6.110 mln, werd nader ver-

hoogd tot f. 6.600 mln, op grond van de hogere beste-

dingen in 1969 dan waarvan aanvankelijk was uitgegaan.

Vorig jaar werd nog gevreesd dat de feitelijke opbrengst

in niet onbelangrijke mate bij deze raming zou achter-
blijven. Thans wordt gesteld dat er van een structurele

tegenvaller geen sprake is. De nu bekende opbrengst over

de bestedingen van 1969 bedraagt f.
6.520
mln, en dit bedrag

is waarschijnlijk nog iets te laag. Wel was er in .ï969 eën

tijdelijke druk op de ontvangsten, die echter geheel ver-

klaard kan worden uit het feit dat de overloop bij de

nieuwe omzetbelasting groter is gebleken dan bij de oude.

Dat veroorzaakte in 1969 een tegenvaller van f. 650 mln.,

maar dit is volgens de minister van Financiën een eenmalige

zaak.

In grote trekken lijkt deze redenering wel aanvaardbaar.

Het feit blijft echter dat, er in 1969 een bedrag van f. 650

mln, minder aan de kringloop is onttrokken dan aan-

vankelijk de bedoeling was. Het lijkt niet onwaarschijnlijk

dat de infiatoire impulsen, waaraan onze economie in 1969

bloot stond, daardoor verder zijn versterkt, was het dan

achteraf toch niet beter, geweest deze eenmalige tegenvaller

door een tijdelijke belastingmaatregel te compenseren?

Ook structureel zou de grotere overloop toch wel eens

niet helemaal onbelangrijk kunnen zijn. Zou deze overloop

bijv. 10% groter zijn dan bij het oude stelsel, dan lijkteen

logisch gevolg daarvan dat er van de structurele toeneming
van de opbrengst van de BTW elk jaar 10% minderhinnen-

komt dan bij het oude systeem.

Een ander punt dat in deze uiteenzetting ontbreekt is

een duidelijke vergelijking tussen de nu bekende opbrengst

van de BTW over 1969 en de opbrengst die
bij
het oude
stelsel zou zijn bereikt. Jn hoeverre berust de achteraf

toch nog meevallende opbrengst op een nog hoger nomi-
naal niveau van de bestedingen dan waarvan in de laatste

hierboven genoemde raming was uitgegaan? Uit de j6ngste

gegevens in de Macro-Economische Verkenning van het

CPB blijkt immers dat de totale betedingen in 1969 sterker

zijn gestegen dan in
1
het Centraal Economisch Plan 1970

werd verwacht.

De conjuncturele
situatie in
1970
en
1971

Ontegenzeggelijk bevindt de Nederlandse economie zich

thans in een fase van hoogconjunctuur met de daaraan

onvermijdelijk verbonden spanningen. Zowel in de Mil-

joenennota als in de Verkenning wordt gesteld dat deze

spanningen in to’enemende mate éen gevolg zijn van de

sterker. wordende druk ‘van. de binnenlandse bestedingen.

In .1970 komt dit tot uitdrukking in een prijsstijging van

ca.
4,5%
(inclusief de gevolgen van de recente loonstijging)

en een tekort op de betalingsbalans van f. 700 mln. Zonder
bijsturing zou in 1971 een prijsstijging van 5,3% optreden,

terwijl de betalingsbalans opnieuw een tekort, ditmaal

van f. 850 mln., zou vertonen.

ESB 7-10-1970

.

971

In hoeverre vormen deze cijfers nu een aanwijzing dat

er gesproken kan worden van een overmatige druk van de

binnenlandse bestedingen? Het tekort op de betalingsbalans

over 1970 kan geheel verklaard worden uit een verslechte-

ring van de ruilvoet, die een gevolg is van het feit dat de
inflatie in het buitenland nog forser is dan bij ons. Daar-

door is het prijspeil van de invoer met
5%
gestegen, terwijl

onze uitvoer maar 3,5 % meer opbrengt. Dit ondanks het

feit dat de buitenlandse concurrenten hun prijzen wel niet

5%
hebben verhoogd. Voor.197.1 wordt weer een verbe-

tering van de ruilvoet verwacht, maar dan zal de betalings-

balans eenmalig ongunstig worden beïnvloed door, de

aanschaf van enige grote vliegtuigen door de KLM waar-

mee f. 500 mln, is gemoeid. Aannemende dat de ruilvoet

zich in de komend.e jaren verder herstelt, is er dus eigenlijk

niet veel reden tot ernstige bezorgdheid. Dat blijkt ook als
we uitgaan van de in de Miljoenennota gehanteerde norm,

dat de som van voorraadvorming en betalingsbalanssaldo

gemiddeld 2,5% van het nationale inkomen moet bedragen.

Inclusief de gevolgen van de recente loonbeweging komt

dit saldo voor 1970 uit op ca. 2%. Exclusief de vliëgtuigen
voor de KLM resulteert voor 197.1 een percentage van ca.

1,5.
In het verleden heeft zulk een situatie nooit aanleiding

gegeven tot bijzondere maatregelen.
Dat wil echter niet zeggen dat er geen goede argumenten

zijn voor een deel van de door de regering aangekondigde

maatregelen. Op 1 januari a.s. zullen de tarieven van de

BTW worden verhoogd. En deze regering zal zich maar al
te zeer bewust zijn van het mogelijke effect daarvan op de

prijzen in een gespannen conjuncturele situatie. Een nieuwe

golf van
prijsstijgingen
zou des te ernstiger zijn nu in een
groot aantal CAO’s indexclausules zijn opgenomen. Het

psychologische effect van een beperkt bestedingsbeperkend

programma kan in zo’n situatie matigend werken.

Beoordeling van de conjuncturele maatregelen

Teneinde deze matiging te bereiken lijken onder de huidige

omstandigheden enige beperking van de overheidsuitgaven

en een conjuncturele verzwaring van de belastingdruk alles-

zins aanvaardbaar.

Een besnoeiing op de overheidsinvesteringe,n niet

f. 140 mln, en een afremming van de bedrijfsinvesteringen

in gebouwen door een heffing op de annemingssom dienen

in dit verband naar onze mening positief te worden beoor-

deeld. Een gunstig neveneffect ervan kan ook zijn dat er

langs deze weg meer ruimte voor de zo gewenste opvoering

van de woningproduktie beschikbaar komt. Er kan immers

moeilijk van de arme minister Schut worden verlangd

dat hij de woningen zelf bouwt.

Ook de verhoging van een aantal .belastingtarieven met

3% door het hanteren van de ,,’wiebeltax” past in dit kader.

Hierdoor zullefi vooral de consumptieve bestedingen

worden afgeremd, Tenslotte kan ook tegen de voort-

zetting van het strakke prijsbeleid en een restrictieve mone-

taire politiek moeilijk bezwaar worden geniaakt.

Op kasbasis zal dit pakket van belastingmaatregelen in

1971 ca. f. 600 mln. opleveren, dat is ongeveer
4%
van het

bruto nationaal produkt. Rekening houdend met de be-
perking van de overheidsinvesteringen zouden we dan

kunnen spreken van een voorzichtig remmend beleid, dat

onder de huidige omstandigheden bepaald gunstig zal

werken. De vraag of de lasten wel evenredig verdeeld zijn

zou natuurlijk door alle belangengroepen ontkennend

worden beantwoord. Daarvoor leven we nu eenmaal in

een hebberige economie, waarin iedereen bang is tekort

te komen en zich intussen de vrijheid voorbehoudt om te

moppéren op de nadelen van economische groei.
Maar bij dit pakket van maatregelen is het niet gebleven.

De regering heeft kennelijk gemeend, dat er meer nodig

was en heeft daarom tevens haar voornemen kenbaar ge-

maakt om een loonpauze af te kondigen die op 1 januari

a.s. van kracht zal worden. Gezien het tijdstip waarop dit

voornemen is aangekondigd zal, in combinatie met de

overige maatregelen, van de loonpauze in de 1aatse

maanden van dit jaar stellig een pro-cyclisch effect uitgaan.

Zelfs de meest gematigde vakbondsleider zal er een aan-

sporing in hebben gezien om uit liet gevecht om de bekende

f. 400 het maximum te halen dat er in zat. Daardoor zal

er de laatste maanden van dit jaar nog heel wat extra koop-

kracht naar de consumenten toestromen. Gezien de voor

genomen verhoging van de BTW en het prijsverhogend

effect van de conjuncturele hantering van de ,,wiebeltax”

lijkt het nauwelijks
waarschijnlijk
dat de consumenten deze

koopkracht lang in hun zak zullen houden. Een koopgolf

in.de
laatste maanden van dit jaar is daarvan een voor de

hand liggend resultaat.

Dit is des te vervelender omdat het nog staat te bezien

of de loonpauze er inderdaad, zal komen. Onder de huidige

sociaal-economische verhoudingen is het gebruik van dit

instrument
eigenlijk
alleen aanvaardbaar indien alle

partijen ervan doordrongen zijn dat een forse ingreep in

de economie onvermijdelijk is Blijkens hun reacties twijfe-

len daaraan niet alleen de vakbonden maar ook de werk-

geversorganisaties. In deze situatie is het niet erg waar-

schijnlijk dat een handeltje met artikel 8 de sociaal-eco-

nomische verhoudingen zal verbeteren en tegelijkertijd

de loonpauze zal redden. Zelfs voor de regeringspartijen

lijkt het nauwelijks te verteren om de ingreep goed te

keuren als de SER afwijzend adviseert. In dat geval blijft

de regering om haar gezicht te redden weinig anders over

dan een forse besnoeiing op haar eigen uitgaven. Daarvoor

blijken de overheidsuitgaven volgens dè Miljoenennota
toch nog wel voldoende flexibel te zijn. Wellicht zal de

dreiging van een veel verdergaande beperking van de rijks-

uitgaven op de achtergrcnd toch nog voldoende zijn om de

loonpauze door het parlement te slepen. Een stukje ont-

spanning in de economie wordt dan als het ware gekocht

met een stukje meer spanning in de sociaal-economische

politieke verhoudingen, met als gevolg dat de vooruitgang

minimaal is!

B. de Vries

(I.M.)

972

F. Jiartog

Conj uncturele

flexibiliteit

In de Miljoenennota 1971 is een para-

graaf gewijd aan de conjuncturele flexi-

biliteit op korte termijn (maximaal één

jaar) van de
rijksuitgaven.
De in deze

paragraaf vermelde cijfers worden

onderbouwd in een afzonderlijke

bijlage.
Dit is een interessant punt. Sinds

Keynes gelden de staatsfinanciën als

het
belangrijkste
instrument van con-

junctuurpolitiek. Gaan we er mee aan

het werk, dan blijkt de bruikbaarheid

van dit instrument niet mee te vallen.

Er zijn zowel aan de inkomsten- als

aan de uitgavenkant zoveel elementen

van starheid, dat er in feite zeer weinig

manoeuvreerruimte bestaat. Wat de

uitgaven betreft is vooral van beslissend

belang de starheid naar beneden. Ener-

zijds is bij de tegenwoordige, vrijwel

permanente inflatie een restrictieve

politiek het meest actueel, en ander-

zijds bestaat er in het algemeen naar

boven minder starheid.

Nu heeft het ministerie van Finan-

ciën een indeling van de ‘uitgaven-

posten gemaakt naar de mate van -de

geraamde flexibiliteit. Gelet is daarbij

alleen op de
wettelijke
en technische,

niet op de politieke starheid. In werke-

lijkheid is de starheid dus groter dan

uit de gepubliceerde cijfers blijkt. Dan

nog valt het resultaat slecht uit.

Slechts 2,8% van de staatsuitgaven,

correspondet end met een bedrag van

f. 815 mln, op basis van de begroting

voor 1970, kan op korte termijn in

mindering op de uitgaven worden ge-

bracht.
Bij
slechts 11 % van de totale

uitgaven wordt de flexibiliteit
5%
of

groter verondersteld. ‘In feite zijn dit de

investeringsuitgaven of de overheids-

bij dragen – in investeringsuitgaven. Wat

hier dus weer te voorschijn komt is een

openbare-werkenpolitiek.’ –

Van de openbare-werkenpolitiek

hebben we geleerd dat
zij
niet of

nauwelijks effectief is in een periode

van trendmatige – inflatie. Men kan

misschien enigszins yerschuiven in de

tijd, maar er komt nooit een periode

die ruimte biedt voor inhaal van de

achterstand. Tenslotte is alles tegelijk

nodig en komt de inflatie die eerst

enigszins was teruggedrongen in galop

terug. Verschuiving in de
tijd
heeft

alleen zin wanneer het economische

proces fluctuatieneigingen vertoont in

beide richtingen.

Hetzelfde geldt in nog sterkere mate

voor de uitgaven met een flexibiliteit

tussen 0 en
5%.
Daaronder vallen met

name de personeelsuitgaven en de

materiële bestedingen ten behoeve van

het onderwijs en de defensie. Wat de

personeelsuitgaven betreft wordt ge-

dacht aan een geringe mogelijkheid tot
verschuiving over de tijd door te mani-

puleren met de vervulling van vacatures

Ook bij de genoemde materiële uit-

gavenposten kan de besteding slechts in

geringe mate worden uitgesteld. Na

verloop van een – veelal vrij korte

periodé – moet men de desbetreffende

uitgaven toch verrichten, en wie garan-

deert dan dat de conjunctuur het in-

middels toelaat? Zelfs is het de vraag of

een zeer kortstondig uitstel enig effect
heeft. Op blz. 70 wordt betoogd dat de

vermindering van opdrachten onmid-
dellijk op de economie doorwerkt. De

gedachte die daarbij voor zit is kenne-

lijk dat daardoor meteen middelen

worden vrijgemaakt. Dit kan worden

onderschreven, maar dan geldt ook dat

deze middelen meteen weer worden

gebonden
bij
het verlenen van de op-

dracht, en niet pas wanneer de opdracht

wordt uitgevoerd. Het alleen maar korte

-tijd uitstellen van opdrachten zal dan

vermoedelijk nauwelijks produktieve

hulpmiddelen
vrijmaken,
omdat
zij
in

vele gevallen gereserveerd zullen blijven

voor de alleen iets later binnenkomende

opdracht.

Nu zijn de uitgaven op langere ter-

mijn natuurlijk belangrijk meer flexi-

bel. Aan deze flexibiliteit op lange ter-

mijn hebben we naar algemeen oordeel

echter weinig, omdat
zij
dan al gauw een

halve conjunctuurcyclus achter lopen

en dus de fluctuaties verergeren in

plaats van verminderen. Het is de vraag
of ook deze zienswijze nog houdbaar is

in een situatie met een infiatoire trend.

Over twee of drie jaar is er vermoede-

lijk nog steeds infiatiebestrijding nodig,

en daarom kan het wel degelijk zin

hebben de uitgaven ook door te lichten
uit het gezichtspunt van flexibiliteit op

lange
termijn. Conjunctuurpolitiek en

structuurpolitiek gaan dan min, of

meer ineenvloejen. Men zou het zo

kunnen zeggen dat een acute over-

besteding kan worden aangegrepen om

het mes te zetten in overheidsuitgaven

die bij een slepende overbesteding aan
de waakzaamheid ontsnappen. Het kli-

maat is nu gunstig om flink in de. uit:

gaven te wieden, en ook al wordt het

resultaat daarvan pas over enkele jaren

nierkbaar, dan zal het: naar alle waar-

schijnlijkheid toch nog wel. de moeite

waard zijn. De inflatie is altijd met.,ons.

Voor beperking van, uitgaven op

lange termijn geldt echter nog meer dat

zij alleen zinvol is als het

geen ver-

schuiving maar een blijvende vermin-

dering is. Op die lange
termijn
lijkt het

ook juist van belang niet de investerin-

gen aan te tasten maar allerlei over-

drachten. Dit is een aflder gezichtspûnt

dan de flexibiliteitsgedachte uit – dé

Miljoenennota. Maar het gaat-erin het

voorgaande juist
om

aannemelijk te

maken dat de laatste niet zo erg rele-

vant is. .

ESB 7-10-1970

973

Belastingbeleid

en dekkingsplan

PROF. DR. J. H. CHRJSTIAANSE

IDe belangrijkste belastingmaatregel is een effectieve ver-

hoging van het O.B.-tarief van 12% tot 14% (dus met

twee punten; opbrengst ongeveer f. 800 mln.). Hiervan is

1 punt per 1 januari 1971 reeds in de wet vastgelegd. Een

verdere verhoging met 1 punt wordt mede aanvaardbaar

gemaakt door het lage tarief voor het zgn. primaire levens-

onderhoud op 4% te handhaven (de verhoging tot 4,3%

wordt dus ongedaan gemaakt). Tevens wordt de O.B. de

eerste keer, dat het instrument zal worden gebruikt, buiten

het mechanisme van de conjuncturele belastingwet, de zgn.

Wiebeltax, gehouden. De vertegenwoordigers van de vak-

beweging hebben immers bezwaar tegen de koppeling

tussen de directe en indirecte belastingen, die in deze con-

juncturele belastingwet wordt voorgesteld. Deze kwestie is.

nu niet terstond actueel. Overigens zou een verhoging met

3% het
13%-tarief
slechts ‘hebben gebracht op 13,4%

(exact 13,39 %).

Naast de structurele verhoging van de omzetbelasting

staat geen structurele verhoging op grond van tariefs-

wijzigingen bij de inkomsten- en loonbelasting. Deze be-

lastingen zullen alleen op conjuncturele gronden zeer

waarschijnlijk worden verzwaard met 3 opcenten op de
belastingbedragen verschuldigd volgens de tabel 1971.

In deze tabel 1971 is de zgn. tweede tranchean de inflatie-

aanpassing, een . structurele maatregel, verwerkt.. – Bo.ven-.

dien vervallen inkomstenbelastingbedragen ‘van f; 100 of

minder in de tabel op grond van één der vereenvoudiging;

voorstellen van eind augustus. Ook zonder de conjuncturele

verzwaring van de inkomsten- en loonbelasting, verzwaart

de druk van deze belastingen toch
aanmerkelijk,
omdat

de inflatie-aanpassing onvolledig
blijft
en de progressie-

werking op de reële-inkomensstijging ten volle effect sor-

teert. Bij aanvaarding van de voorstellen zal, over de

kabinetsperiode gezien, sprake zijn van verzwaring van

zowel de omzetbelasting als van de inkomstenbelasting..

De laagsté inkomens zijn echter zoveel mogelijk ontzien:

Het volgende staatje geeft een overzicht van de totale

belastingdruk. Men moet voor 1971 de druk van de voor-

gestelde 3% opcenten (Wiebeltax) op onder meer de in-

komstenbelasting, loonbelasting en vennootschapsbelas-

ting
eigenlijk
nog toevoegen; met inachtneming daarvan

wordt de belastingdruk in 1971: 29,1 %.

totale belastingbaten in % van
het nationale inkomen tegen
marktprijzen

1962

…………………….
25,4%
1963

…………………….
24,9%
1964

…………………….
25,8%
1965

…………………….
26,1%
1966

…………………….
26,2%
1967

…………………….
26,7%
1968

……………………..
27,2%
1969

…………………….
27,5%
1970

…………………….
28,1%
1971

…………………….
28,6%

Te dekken bedragen

Begrotingsruimten

De beschikbare structurele begrotingsruimte
(6%)
bedraagt

f. 1.435 mln. Bovendien is er sprake van een extra groei

van niet-belastingmiddelen van- f. 521 – mln., waaronder

f. 80 mln, in verband met een komend wetsontwerp ,,rente
over belastinggelden” (zie hierna). De stijging van de rele-

vante uitgaven bedraagt f. 1.919 mln. Na een correctie voor

wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en pro-

vinciale belastingen van f. 7 mln, betekent het een en

ander een dekkingsoverschot op de rijksbegroting 1971

• :.van f. 30 mln. Aangezien echter nog een inhaal nodig is

van het laatste stuk van de overschrijding van de begro-

tingsruimte 1968 van f. 42 mln., moet allereerst per saldo

– een bedrag van f. 12 mln, worden gedekt.

Sanering Gemeentefonds

-Ook is nog te dekken de laatste tranche van de sanering

Gemeentefonds 1968 van -f. 75 mln. Hier komt
bij
de

sanering van het Gemeentefonds 1971 voor
.
f. 181 mln.

Tezamen betekent dit een som van f. 256 mln. ten behoeve
van de dekking van het Gemeentefonds. Hiermee is, echter

nog niet
alles
gezegd over de te dekken bedragen.

Aanhangige }vetsontwerpen

Er staat een aantal belastingmaatregelen voor 1971 öp

stapel
s
dat niet behoort tot het dekkingsplan 1971, en dat

974

-.

.

per saldo resulteert in een verlies aan belastingopbrengst

in 1971 van f. .110 mln. Het gaat hierbij, naast een voorstel

tot verlenging van de
tijdelijke
verlaging van suikeraccijns

(minder opbrengst f. 80 mln.) om de wijzigingen vervat

in wetsontwerp nr. 10790, dat eind augustus
bij
de Tweede

Kamer is ingediend. Het volgende overzicht (blz. 11 van de

Memorie van Toelichting) geeft een beeld vai1 de maat-

regelen
bij
de inkomsten- en loonbelasting:

Wijziging regime buitengewone lastei. ………………..

+ f. 150 mln.
Wijziging reiskosten forfait

………………………..-
f.

15 mln.
Vijziging regime werkende gehuwde vrouw
……………
– f. 45 mln.
(voor 1972:— f. 85 mln.)
verhoging aanslaggrens tot f. 18.000
…………………
.l

35 mln.
Vervallen belastingbedragen van f. 100 of minder
……..
– f 15 mln.
Zelfstandigenaftrek (Soort investeringsaftrek) . ………… – f. 70 mlii.

saldo – f. 3u miii

De wijziging van het regime voor de eigen woning is in dit

wetsontwerp, budgettair gezien, pro memorie opgevoerd.

d. Reeds vaststaande wijziging en

Er is een aantal ,reeds vaststaande wijzigingen bij de invoer-

rechten (Kennedy-ronde) en de vennootschapsbelasting

(levensverzekeringsmaatschappijen, commissarissenbelonin-

gen), dat in 1971 netto een lagere opbrengst geeft van 110

mln.

e. Overloop dekkingsplan 1970

Er is een overloop naar 1971 van het dekkingsplan 1970, die

resulteert in een saldo meeropbrengst van f. 58 mln. In
feite bevindt zich hieronder de opbrengst van één punt

verhoging O.B., die,reeds in het dekkingsplan 1970 was

vervat. Onder deze post bevindt zich echter ook een aantal

tijdelijke dekkingsmaatregelen, bijvoorbeeld de zeer be-

tngrjke tijdelijke heffing van omzetbelasting op inves-

teringsgoederen (zgn. investeringsbelasting). Blijkens tabel

3-1 van de Miljoenennota 1971 is de opbrengst van deze

investeringsbelasting ad f. 827 mln, in 1971 voor f. 142

mln, reeds bestemd voor uitgaven (welke?, structurële uit-

gaven?). Voor een belangrijk deel lijkt deze opbrengst verder

te gaan naar de restitutie op voorraden (laatste tranche in

1971). Deze gehele overloop naar 1971 van het dekkings-

plan 1970 behoeft bepaald een nadere toelichting. Voor

zover ik het begrijp, komt er in 1971 beschikbaar aan

blijvende dekking uit dezen hoofde een bedrag van f. 50 mln.

uit het 46e punt vennootschapsbelasting en f. 315 mln. uit

de reeds in de wet geregelde wijzigingen van de O.B.-

tarieven. Deze bedragen behoeven (mogen) dus niet in het

dekkingsplan 1971 opgenomen (te) worden. De nadere

wijzigingen, die het O.B.-tarief op 14% c.q. 4% brengen,

maken wel onderdeel uit van het dekkingsplan 1971.

Voorts – ik tracht tabel 3-1 nog steeds te begrijpen –

levert het dekkingsplan 1970 voor 1971 een
tijdelijke

dekking uit hoofde van het 6e punt vermogensbelasting

(dat zonder andersluidende wetswijziging in 1972 vervalt)

en uit hoofde van de meeropbrengst van de irtvesterings-

belasting (die langzaam wordt afgebroken; zie hierna).

Mijn hoofdbezwaar tegen de Miljoenennôta 1970 (zie
ESB

van 8 oktober 1969, blz. 971 e.v.) was, dat de
tijdelijke
meer-

opbrengst van de investeringsbelasting als een dekking

voor blijvende uitgaven leek te worden opgevoerd, waar-

door een ,,hypotheek” zou worden gelegd op een volgend

kabinet. ‘Ik stel de vraag
of
deze hypotheek in 1971 nu wel

of
niet wordt afgelost.
Bij het dekkingsplan 1 971 speelt

een wijziging in het regime van de investringsbelasting

overigens opnieuw een rol, zoals hierna zal blijken.

f

Samenvatting te dekken bedragen

a.

Dekkingstekort

begroting

1968

ininus

dekkings-
overschot begroting 1971

…………………..
f.

12 mln.
Sanering gemeentefonds 1968 en 1971

…………
f. 256 mln. Aanhangige betastingwetsontwerpen

…………..
f. 110 mln. Reeds vaststaande wijzigingen
………………..
f. 110 mln.

f. 488 mln.
C.

Overloop dekkingsplan 1970

………………..
—f.
58 mln.
saldo f. 430 mln.

Het dekkingsplan 1971

Het dekkingsplan bestaat uit drie componenten

(met opbrengst in 1971):

wijziging van de O.B.-tarieven

………f.
340 mln.

invloed van deze wijziging op de inves-

teringsbelasting

……………….’:.
. . .

f.
50 mln.

C.

wijziging
bij
de ,,autofictie” in art. 42 Wet

I.B……………………………..f.
80 mln.
f. 470 mln.

Er is dus een totaal dekkingsoverschot van f. 40 mln. voor

1971. Bedacht moet worden, dat de onder c. genoemde maat.

regel niet als een zuivere dekkingsmaatregel wordt gepre-

senteerd, maar als een maatregel die, in aansluiting op de

augustusvoorstellen, een structurele verbetering in de

inkomstenbelasting tot stand brengt:

Wijziging van de O.B. -tarieven

Reeds is in een wet vastgelegd, dat per 1 januari 1971

het 12%-tarief 13% zou worden en het 4%-tarief
4
,3%.
Dit wordt nu als volgt: 12% wordt 14% en 4% blijft 4%.
Krachtens de wettelijk reeds vastgestelde regeling wordt

een aantal artikelen, dat in de kosten van levensonderhoud

een relatief grote plaats inneemt, overgebracht van het

14%-tarief naar het 4%-tarief. Enige prestaties in de land-

bouwsector, waaronder kunstmatige inseminatie, worden

bovendien nog naar het verlaagde tarief ovèrgebracht.

De budgettaire gevolgen
zijn
op jaarbasis als volgt:

verhoging van 13% naar 14% …………..f. 485 mln.

verlaging van 4,3% naar 4% …………- f. 60 mln.

f. 425 mln.

Teneinde de belastingdruk op tabaksfabrikaten gelijk te

doen
blijven
wordt de
tabaksaccijns
aangepast; dit kost

f. 15 mln. Per saldo is er dus een meeropbrengst op jaar-
basis van f. 410 mln.; voor 1971 is dit op kasbasis f. 340

mln. Deze bedragen staan dus naast de reeds’ in de. wet

vastgelegde O.B.-wijzigingen (f. 380 mln. op jaarbasis).

In het recente SER-advies over de wiebeltax wordt er

terecht nog eens op gewezen (blz. 8, noot 1), dat ten aan-

zieii van de doorberekening een verhoging van het normale

BTW-tarief niet vergelijkbaar is met de situatie
bij
de in-

voering van de BTW toen op een ander systeem werd over-

gegaan. Een soepele hantering van het uitvoeringsbeleid

bij de Prjzenwet in de laatste maanden van het lopende

jaar lijkt echter nu aan te bevelen. De ondernemers moeten

kort na 1 januari klaar kunnen
zijn
met hét ,,opprijzen”,

anders kunnen
zij
de verhoogde O.B. niet tijdig doorbe-

rekenen.

Investeringsbelasting

Bij een zuiver werkende BTW kan de ondernemer ook de
aan hem
bij
de aanschaf van investeringsgoederen in reke-

ning gebracht BTW ten volle verrekenen met de fiscus

ESB 7-10-1970

975

Er rust dan als het ware geen O.B. op het ,,machinepark”,

die zou moeten worden gefinancierd. In het kader van de

overgangsregeling is de aftrek van deze voorbelasting op

investeringsgoederen ingeperkt. Indien bij een 12%-tarief

de aftrek voor 30% geschiedt, bedraagt de investerings-

belasting 70% van 12% = 8,4%. Het
aanvankelijk
ge-

dachte schema zou er bij een 12%-tarief (voor 1969 en

1970) en een 14%-tarief vanaf 1971 als volgt hebben uit-

gezien:

Jaar van aan-
12%-tarief 14%-tarief
schaffing
aftrek

investerings-
aftrek

investerings-
belasting belasting

1969

……….
30%

8,4%


1970

……….
60%

4,8%


1971

……….


90%

1,4%
1972

……….


100%

.0%

Bij het dekkingsplan 1970 is echter besloten ook voor aan-

chaffingen in 1970 de aftrek op 30% te handhaven. Het

nieuwe schema wordt dus nu:

Jaar van aan-
12%-tarief 14%-tarief
schaffing
aftrek

investerings-
aftrek

investerings-
belasting belasting

1969

……….
30%

8,4%


1970

……….
30%


8,4%


1971

……….


60%

5,6% (40% van 14)
1972

……….


90%

1,4%
1973

……….


100%

0%

De tijdelijke heffing van O.B. op investeringen, die in 1970

8,4% bedraagt, komt volgens de voorstellen dus op
5,6%

in 1971, in plaats van op 4,8% (bij 12%). Dit verschil

levert f. 50 mln, op voor 1971. Het wordt dus niet veroor-

zaakt door een nieuwe ,,uitschuiving” van het afbraak-

mechanisme van de investeringsbelasting. Deze meerop-
brengst is een logisch gevolg van de verhoging van-12%

op 14% (of gaat het alleen om het effect van de nadere ver

hoging van 13% op 14%?). Het is duidelijk een tijdelijke

meeropbrengst, die in 1972 nog slechts f. 10 mln, bedraagt

en in 1973 geheel zal zijn verdwenen.
Ik moge herhalen,

hetgeen ik het vorige jaar schreef: als structurele dekking

is deze post niet aanvaardbaar.

‘Overigens zou ik ervoor willen pleiten deze investerings-

belasting niet de gevolgen te laten ondervinden van wijzi-

gingen in het normale O.B.-tarief. De ratio van deinves-

teringsbelasting ligt nog steeds in de overgang yan het oude

naar het nieuwe O.B.-systeem. Verhogingen van het nor-

male O.B.-ta-rief, ingevoerd om budgettaire redenen, staan

hier buiten. In het kader .van het dekkingsplan kan de

tijdelijke f. 50 mln. meeropbrengst ook worden .gemist

(er is een dekkingsoverschot van f. 40mln.).Een wijziging
van de aftrekpercentages
in
art. 45, lid- 1
.
, Wet O.B. ligt

het meest voor de hand. Een nadere wetswijziging kan

echter worden voorkomen, indien de Minister van Finan-

ciën gebruik maakt van de delegatiebevoegdheid in , art.

45,
lid 4. Teneinde de investeringsbelasting n 1971 bij

een normaal tarief van 14% op
.
4,8% te brengen (hetgeen

nog veel hoger is dan de aanvankelijk te verwachten 1,2%

voor
.
1971) zou hçt aftrekpercentagevoor
:.
1971 gesteld

moeten wordenop 66% in plaats van op 60%. (34%.y.an

14% = ± 4,8 %). Overigens zou de invoering van een 3%-

verhoging van de O.B. op grond van de conjuncturele

belastingen en het achterwege laten – van de structurele

verhoging, zoals reeds is opgemerkt, tot een lager normaal

tarief hebben geleid dan 14%, en dientengevolge ook tot

een lagere investeringsbelasting. ik ga niet in op de vQorge-

stelde tijdelijke heffing op aanneemsommen,. aangezien

ik aanneem, dat elders in dit nummer op deze heffing zal
worden ingegaan. Zij staat ook naast het belastingbeleid.

c. Autokosteiifictie

Op grond van ar t. 42 Wet I.B. wordt thans bij een werk-

nemer die zijn eigen auto gebruikt ten behoeve van zijn

arbeid (en daar natuurlijk vergoedingen voor ontvangt) het

privé gebruik volgens een wetsfictie per jaar gesteld op 10%

van de catalogusprijs (inclusief O.B.) van de auto. Volgens

de vereenvoudigingsvoorstellen van augustus ji. vervalt

deze fictie met ingang van 1971 voor deze werknemer met

de eigen auto. Vortaan zullen voor hem de werkelijke

autokosten voor privé gebruik uit de totale autokosten

worden geëlimineerd. De autokostenfictie blijft bestaan

voor het geval de werkgever aan. zijn werknemer een auto

ter beschikking. stelt; dit (fictieve) inkomstenbestanddeel

wordt wel verminderd met een eventuele vergoeding die

de werknemer voor zijn privé .ritten aan. de werkgever

verschuldigd is. De autokostenfictie blijft ook voor de

ondernemer bestaan. .

Jn de Miljoenennota 1971 wordt nu alleen voorge-

steld de 10% op 15% te brengen. De motivering is, dat de

stijging van de çataloguswaarden is achtergebleven bij .de

algemene stijging van de kosten. De meeropbrengst -is

f. 80 mln. per jaar. Interessant is, dat de hiervoor beschre-

ven wijziging in de Wet I.B. bij werknemers de neiging

zal oproepen hun werkgevers te vragen aan hen een auto

ter beschikking te stellen.
Zij
behoeven dan niet precies

het privé gebruik te berekenen. Dit .zou de tendens door

breken, die bestaat.om de werknemers. in. hun eigen auto’s

het werk te laten:.doen. … .’ ..

Wiebeltax

Het ziet er naar uit, .dat Minister Witteveen een oude wens

van hem in vervulling ziet gaan. Het conjuncturele instru-

mentarium zal zeer waarschijnlijk worden uitgebreid.’met

de mogelijkheid de inkomstenbelasting, de vennootschaps’-

belasting, de omzetbelasting, de bijzondere verbruiks-

belasting van personenauto’s en. de accijns. op. benzine

—:tezarnen ± .80% uitmakend van de .belastingopbrengst

tijdelijk te verhogen of te verlagen. Volgens het vooront-

werp .van wet, waarover op 5januari 1970 advies is ge-

vraagd aan de SER, wordt eea machtiging (delegatie)

gegeven aan de Minister van Financiën (die moet handelen

in overeenstemming met de Minister van Economische

Zaken, zoaJs bij een schorsing van de investeringsaftrek)

om de tarieven van deze belastingen te verhogen of te ver-

lagen, met een
gelijk
percentage, en praktisch
gelijktijdig,

van ten hoogste
5%.
Zodra .het een dezer. dagen in .te

dienen wetsontwerp wet is geworden kan de Minister dus

van deze bevoegdheid gebruik maken…….

.

Blijkens. de Miljoenennota is hij .voornemens dit zodanig

te doen, dat per. 1 januari 1971 de tarieven van de genoemde

bçia.stingen.,. met. uitzonderin..van .de omzetbelasting, met

3%. wprden verhoogd. Op blz.
15.
van .de
Miljoenennota

sta.t wel de belangrijke zin: ,,Mochten:de feitelijke:econ.o-
mische.,pijtwikkeling en verdere, anwijziiigen daartoe aan-

leiding geyen dan zal het percentage .van de.. belastingver-

hoging . -aaar., omstandigheden worden . aangepast”. De

omzetbelasting loopt, niet mee; omdat ,,deze belasting

namelijk op die datum uit anderen hoofde zal worden

verhoogd” (bl4-14) .’. .

Naar:mijn mening zal in de. definitieve tekst van het

wetsontwerp. -met zoveel woorden een bepaling moeten

S
.

“976

worden opgenomen, dat de koppeling tussen de genoemde

belastingen mag worden verbroken, indien op hetzelfde

moment één van de belastingen reeds autotioom wordt

verhoogd of Verlaagd. In het voorontwerp lijkt nu geen

basis hiervoor aanwezig, terwijl ook het uitzonderings-

karakter in de wet dient te worden onderstreept. In het

zeer recente SER-advies over het voorontwerp (conclusie,

blz. 24) acht de meerderheid van de Raad de kopp’eling

gewenst om te vermijden, dat de conjunctuurpolitiek wordt

belast met een discussie over de wenselijke verhouding

van directe en indirecte belastingen. Een minderheid van de

Raad, bestaande uit een groot aantal leden (w.o. de werk-

nemersvertegenwoordigers), zou de O.B. l5uiten het systeem

van wijziging van belastingtarieven willen laten op grond

van conjuncturele overwegingen. Wel acht een (nu kenne-

lijk anders samengestelde) meerderheid van de Raad het

nodig, dat een verschil in percentage mogelijk moet zijn

bij de verschillende belastingen, dus bijv. 4% voor de I.B.

en L.B; en 2% voor de O.B. Dit lijkt mij de eerdere con-

clusie pro koppeling toch wel te ondermijnen, al kan het

instrument hierdoor stellig effectiever worden. De belang-

rijkste aanbeveling van het SER-advies is overigens, dat
het instrument alleen zou moeten worden gehanteerd als

onderdeel van een’pakket van conjunctuurpolitieke maat-

regelen, waarbij wordt gedacht aan een koppeling tussen

de conjuncturele.wijziging van de belastingtarieven én het

uitgavenbeleid.

Voor de venootschapsbelasting betekent de tijdelijke

verhoging niet 3%, dat het tarief voor 1971 in feite wordt

47,38% (46% plus 3% van 46). Een afronding lijkt hier

niet actueel, omdat het de bedoeling is eerst de belasting
te berekenen op basis van het 46 %-tarief, en vervolgens

het belastingbedrag met 3% te verhogen. T-Jet Ware wense-

lijk, dat het bedrag van de conjunctuurbelasting aldus af-

zonderlijk op het aanslagbiljet komt te staan. De gedeelten

van b6ekjaren die vallen buiten het tijdvak waarvoor de

conjuncturele maatregel geldt krijgen een naar evenredig-

heid beperkt verhogingspercentage. Voor de inkomsten-

en loonbelasting komen er uiteraard nieuwe (tijdelijke)
tabellen.Naar ik meen zal de zgn. tabel-1971, waarinde

tweede tranche van de inflatie-aanpassing is verwerkt
;
de

basis zijn: de belastingbedragen van deze tabel zullen

worden verhoogd met
3%.
Van belang is een vergelijking

van het te betalen bedrag aan inkomstenbelasting voor

verschillende inkomensgroepen tussen de gevallen waarin:

– de tweede tranche inflatie-aanpassing achterwege zou

zijn gebleven als conjuncturele maatregel (= tabel 1970);

– zowel de tweede tranche wordt doorgevoerd als de

wiebeltax wordt ingevoerd. De tabel geeft hiervan een

beeld. De vergelijking in belastingbedrag tussen beide

situaties geeft kolom 6.

Vergelijking van het effect op het te betalen bedrag aan

inkomstenbelasting in verband met de tweede tranche van

de infiatiecorrectie en de verhoging ingevolge de wiebelrax

met
3 %
(
uitgangssituatie: een gezin met twee kihderen;

alle bedragen in guldens)

Belastbaar
Inkomstenbelasting volgens:
Verschil tussen: inkomen
tabel 1970 tabel
1971
tabel 1971
kolom (3)

kolom (4)
(inclusief (inclusief
en

en
tweede tweede
kolom (2)

kolom (2)
tranche)
tranche en

.
wiebeltax)
(1)
(2) (3) (4)
(5)

(6)

8.000
236 202
208

34


28
15.000
1.672 1.602
1.650

60


22
25.000
4.822
4.668 4.808

154

14
50.000
16.963
16.599
17.097

364

+
134

Tot inkomens ruim boven de f. 25.000 levert het aange-

kondigde pakket voordelen op; daarboven zou het voor-

deliger zijn geweest indien de maatregel alleen had bestaan

in het achterwege laten van de inflatie-aanpassing. Dit

achterwege laten zou echter in strijd komen met het

belangrijke structurele karakter van deze aanpassing.

Dit karakter wordt nog sterker onderstreept, indien het

wetsontwerp automatische inflatieaanpassing voor het

eerst effectief wordt per 1 januari 1972.

Rentevergoeding
bij
de belastingen

Volgens art. 17 van de Invorderingswet 1845 is bij een

formeel uitstel van betaling van een schuld aan inkomsten-

belasting interest verschuldigd van de laatste vervaldag

van de aanslag af. De fiscus zelf is bij een teruggaaf e.d.

geen interest verschuldigd. Het rentepercentage is thans

4,5
°/. Op een aantal plaatsen in de Miljoenennota (in par.

5.4
bij
de niet-belastingontvangsten) wordt nu aangeduid,

dat het voornemen bestaat een wetsontwerp in te dienen

(tot wijziging van de Invorderingswet?) over een rentever-

goeding bij bepaalde te innen en terug te betalén belas-

tingen, zoals inkomstenbelasting en vennootschapsbelas-

ting. De Miljoenennota zegt hierover op blz. 86:

,,Deze (belastingen) worden in vele gevallen – meestal
door het achterblijven van het bedrag van de voorlopige aanslag
bij het later vastgestelde werkelijke belastingbedrag – later
betaald dan in het jaar waarover zij verschuldigd zijn; anderzijds
geschieden terugstortingen. wegens te veel betaalde bedragen
eveneens vaak na het desbetreffende jaar”.

Men denkt aan een netto opbrengst van f. 80 mln, voor
het Rijk uit. dezen hoofde, die echter buiten de belasting-

drukcijfers zal blijven. Nu nioet worden toegegeven, dat de

materiële belastingschuld na afloop van een belastingjaar

vaststaat en dat belangrijke rèntevoordelen kunnen op-

treden voor belastingplichtigen die hun aanslagen later,
c.q. aanvankelijk niet lage bedragen, kregen. Toch staat

hiertegenover, dat een renteberekening achteraf
bij
de

definitieve aanslag over de belastingschuld vanaf het einde

van het belastingjaar in feite voor velen – waaronder de

vrije-beroepsbeoefenaren en zelfstandige ondernemers –

een verzwaring betekent van de inkomstenbelasting. En

voor de vennootschapsbelasting lijkt deze maatregel

minder nodig, temeer daar zal worden voorgesteld voor-

lopige aanslagen in de vennootschapsbelasting te baseren

op 80% (i.p.v.
75%)
van de belasting over de winst van het

vorige jaar.

Psychologisch gezien zou het verstandiger zijn een

korting
te geven aan de ïnkomstenbelastingplichtigen, die

vroegtijdig betalen. De Nederlandse overheid begrijpt de

belastingbetalers toch niet zo best.

Kort samengevat luidt mijn conclusie, dat de Miljoenen-
nota 1971 een ,,link” belastingbeleid ontwikkelt (hetgeen

eerder complimenteus dan onheus is bedoeld). Bezwaar
blijf ik maken tegen de hantering van tijdelijke meerop-

brengsten als dekking. Onnodig acht ik de doorwerking

van de verhoging van het O.B.-tarief van 12% tot 14% op

de investeringsbelasting. Psychologisch onwenselijk lijkt

mij de rente, die de belastingplichtige moet gaan betalen

over zijn aanslagen. –

J. H. Christiaanse

ESB 7-10-1970

977.

Eurona-

Wat voor oordeel men ook over de

Troonrede zou willen uitspreken, men

kan niet beweren dat de Europese inte-

gratie er een belangrijk onderdeel van
uitmaakt. Na een plichtmatige opmer-

king over de Haagse topconferentie en

over het belang van de onderhandelin-

gen over uitbreiding van de Gemeen-

schappen, volgen welgeteld twee zinnen

waaruit de Europese gezindheid van

dit kabinet moet blijken:
,,Zij
steunt

de verdere integratie op economisch,

sociaal en monetair gebied. De een-

wording van West-Europa blijft zij zien

als einddoel” ‘.

Voor een uitvoeriger uiteenzetting

over het Europese beleid dient men te

rade te gaan bij de toelichtingen op de

begrotingshoofdstukken. Daarin zijn

geen nieuwe gezichtspunten te vinden.

Wel treft men er saillante uitspraken

aan over zaken die op het -ogenblik

voorwerp van
«
onderhandelingen in

Europees verband uitmaken. Zo noemt

de minister van Buitenlandse Zaken

de aanbevelingen van het Comité-

Davignon, dat de vormgeving van de

politieke eenmaking in etappes gestalte

moest geven, terecht weinig spectacu-

lair. De politieke eenmaking wordt

door de minister van Buitenlandse

Zaken overigens slechts in het perspec-

tief van de uitbreiding van het aantal

leden der gemeenschappen gezien.
,,Tndien onverhoopt de toetredings-
onderhandelingen zouden mislukken zou
naar het oordeel der Regering een hoogst ernstige situatie ontstaan, waarvan de ge-
volgen niet zijn te overzien. IDe Regering
wenst zich dan ook niet uit te spreken over
de vraag, in hoever het alsdan nog mogelijk
zou zijn te geraken tot enigerlei politieke
eenmaking, noch in hoeverre Zij daartoe
bereid zou zijn” 2

Dit is een opvallende uitspraak,

want niemand heeft de regering om een

dergelijke uitspraak gevraagd. Men is

bij het beantwoorden van een niet

gestelde vraag geneigd te denken aan

de methode-De Gaulle die op zijn

persconferenties ook wel net deed of

een bepaalde vraag was gesteld. Men

mag toch niet aannemen, dat de

regering een reële kans aanwezig acht

dat de onderhandelingen met Engeland

c.s, zouden mislukken? Men zou op

deze gedachte kunnen komen, ook ge-

zien de krasse taal die de minister even

verder in zijn memorie van toelichting

uit over het eventueel mislukken van

de onderhandelingen met Engeland en

de andere kandidaatleden: ,,Na de

teleurstellende voorgeschiedenis zou

een nieuwe mislukking mogelijkerwijze

het einde betekenen van de verwezen-

lijking van een groot Europees ideaal”
2.

0p weg naar
de economische
en monetaire unie

Over de economische en monetaire

unie, waaraan in de Troonrede wel-

geteld één zin is
gewijd,
merkt de minis-

ter van Buitenlandse Zaken op dat de

regering de implicaties ervan voor de

politieke eenwording niet alleen als

noodzakelijkheid, maar ook als een

wenselijke ontwikkeling aanvaardt
3).

Legt men deze passage naast de Mil-

joenennota 1971, dan valt er wel een

verschil in toon waar te nemen.

In de Miljoenennota wordt op veel

plaatsen aandacht aan de Europese

Gemeen schappen geschonken. Dit ligt

ook voor de hand. Naarmate de eco-

nomische vervlechting in de gemeen-

schap toeneemt, zal de invloed van de

Europese Gemeenschappen zich
bij
het

nemen van maatregelen op het natio-
nale vlak in steeds grotere mate doen

gevoelen.

Het is echter opvallend dat de Brus-

selse invloed wel valt te bespeuren als
de. uitwerking van maatregelen wordt

besproken waartoe de Gemeenschap

heeft beslofen, maar dat aan het corn-

munautaire aspect bij de beschrijving

van het uitgestippelde Nederlandse

financieel-economische beleid vrijwel

geen aandacht is geschonken. Dit is

vooral merkbaar in de uiteenzettingen

over het beleid dat de regering in 1971

wil voeren. Zo wordt in het eerste

hoofdstuk van de Miljoenennota de
economische situatie geanalyseerd,

waarbij ook de invloed van het buiten-

land ter sprake komt. Onvermeld

blijft dat conjuncturele verstoringen

zich binnen de Gemeenschap sneller

zullen voortplanten in de economieën

van de lidstaten, naarmate de econo-

mische integratie toeneemt.

In de paragraaf over de inflatie en

haar nadelen (par. 1.4) legt de minister

van Financiën er vooral de nadruk op,

dat beheersing van de binnenlands

werkende factoren zeer gewenst is; de
toëvoeging dat daarnaast de noodzaak

bestaat van een zoveel mogelijk ge-

coördineerd optreden in EEG- en

ruimer internationaal verband ter be-

strijding van cle inflatie lijkt slechts

terloops gedaan. Op welke wijze deze

coördinatie gestalte zou kunnen krijgen,

wordt trouwens niet nader aangeduid .

Het is jammer dat de minister op

deze plaats
(blz.
13) ook niet een be-

schouwing heeft gewijd aan de vorde-

ringen die in het afgelopen jaar in de

Europese Gemeenschappen zijn ge-

maakt op de weg naar de economische

unie. In een dergelijke unie beschikken

de bewindslieden namelijk over de

beleidsinstrumenten om evenwichts- –

verstoringen te lijf te gaan, die optreden

• als gevolg van de nauwere economische

• integratie. In de overgangsfase, waarin

we ons thans bevinden, neemt wel de
economische vervlechting toe zonder

dat er tegelijk op gerneenschapsniveau

toereikende beleidsinstrumenten Ont-

staan. Natuurlijk hangt deze oneven-

– wichtige ontwikkeling samen met het

ontbreken van een supranationale eco-

nomische autoriteit in de Europese

Gemeenschappen. Minister Witteveen
heeft in
zijn
bekende redevoering van

mei jI. gepleit voor het instellen van

het ambt van Europees minister van

Financiën, maar hij dacht daarbij aan

het eindpunt van een ontwikkeling die

nog wel enige jaren zou duren.

Dat er wel aanleiding had bestaan

om in de Miljoenennota iets over bijv.
de inhoud van het tussentijdse rapport

van de werkgroep-Werner (die eind

september een eindrapport moest uit-

Verslag van de Verenigde Vergadering

van de beide Kamers der Staten-

Generaal, Zitting 1970-1971, blz. 2.
2
Rijksbegroting 1971, Hoofdstuk V,

Buitenlandse Zaken, 10. 900, nr. 2,

Memorie van Toelichting, blz. 32. Hei

doet wel wat potsierljjk aan, dat in de

paragraaf over de Europese Samen-

werking steeds over Haar of Zij (met

hoofdletter) wordt gesproken als het
over de Regering gaat. Dit is, ook in

andere delen van deze Memorie, niet

gebruikelijk.

A.w., blz. 33.

In een mondeling overleg niet twee

commissies uit de Tweede Kamer stelde

Minister Witteveen op 17 juni jl., (lat

de coördinatie van de inflatiebestrjding
onderdeel moet uitmaken van de eerste

slap naar een monetaire unie van de

EEG-partners. (Kamerstuk 10 788, nr. 1,

blz. 3). –

978

brengen) mee te delen, blijkt reeds uit

de conjunctuurpolitieke maatregelen

die in de afgelopen mâanden in verschil-

lende lidstaten genomen moesten wor-

den. In Duitsland heeft de regering in

de afgelopen zomer een aantal maat-

regelen genomen om de hoogconjunc-

tuur af te koelen, gevolgd door Italië.

Thans doet Nederland hetzelfde; het

program tot afremming van de natio-

nale bestedingen beloopt voorlopig

voor 1971 ongeveer +% van het natio-

nale inkomen.

In de Miljoenennota wordt bij de

presentatie van dit program met geen

woord van de Europese Gemeenschap

gewag gemaakt. Op de persconferen-

tie
1
bij gelegenheid van de indiening

van de begroting heeft minister Witte-

veen echter meegedeeld, dat over het

Nederlandse conjunctuurprogram voor-

consultaties in EEG-verband hebben

plaatsgevonden, zowel in het monetair

comité als op de conferentie van d

ministers van Financien te Luxemburg.

De minister stelde op zijn persconfe-

rentie vast, dat zowel
zijn
collega’s uit

de andere EEG-landen als de Europese

Commissie achter het Nederlandse

program staan. De reële betekenis van

deze instemming moet natuurlijk niet
overschat worden. Aan te nemen valt

dat de deelnemers aan de voorconsul-

tatie hoogstens hun instemming met

het globale (beoogde) effect van de

maatregelen hebben betuigd. Dit wil

evenwel nog niet zeggen, dat ze het

met elke maatregel van het pakket eens

zijn, nog minder dat er in het conjunc-
tuurprogram geen wijzigingen zouden

kunnen worden aangebracht vanwege

de voorconsultaties.

Budgettaire aspecten van de

Europese Gemeenschappen

In hoofdstuk 4 van de Miljoenennota,

dat aan de uitgaven is gewijd, is een

uitgebreide paragraaf – par. 4.6 –

opgenomen overde budgettaire aspec-

ten van de Europese Gemeenschappen.

Ter inleiding merkt de minister op, dat

de besluiten inzake definanciering van

de Europese Gemeenschappen van vér-

strekkende betekenis zijn en dat het

belang ervan zich niet tot de finan-

ciering beperkt. ,,Met de nieuwe rege-

lingen heeft de Raad gestalte gegeven

aan het streven naar een meer federale

staatsstructuur. Door de toekenning

van de eigen middelen hebben de

Gemeenschappen een zekere mate van
autonomie verworven ten opzichte van

de lidstaten” (blz. 73).
De financiering van de begroting der

Europese Gemeensch appen geschiedt

onder het oude – tot 1 januari. 1971

bestaande – systeem uitbijdragen der

lidstaten per uitgavencategorie. Met

ingang van 1971
6
wordt van dit finan-

cieringssysteern per uitgavencategorie

afgestapt en wordt de gehele begroting

uit drie bronnen gefinancierd, nl. uit

landbouwheffingen, uit een geleidelijk

toenemend deel der douanerechten en

uit – tot 1975 – begrotingsbijdragen

der lidstaten of – vanaf 1975 – ont-

vangsten uit een omzetbelasting
1
.

Voor de bepaling van het aandeel van

elke lidstaat in de totale financierings-

last is een ingewikkeld stelsel uit-

gedaèht, op grond waarvan de verdeling

van de
bijdrage
van elke lidstaat naar

de drie financieringsbronnen kan wor-

den berekend. Zo bestaat de Neder-

landse bijdrage voor 60% uit afdracht

van landbouwheffingen en, douane-

rechten en voor 40% uit de begrotings-

bijdrage. Ons land neemt hiermee een

extreme positie in. Het andere uiterste

wordt door
Frankrijk
gevormd met

26% afdracht van Iandbouwheffingen

en douanerechten en 74
%
begrotings-

bijdrage. Voor de inning van de door

de lidstaten geïnde landbouwheffingen

en douanerechten ontvangt elke lid-

staat een vergoeding van 10% van de

geheven bedragen. Volgens de Mil-

joenennota zou Nederland aldus in

1971 f. 65 mln. ontvangen wegens in-

ningskosten voor landbouwheffingen

en f. 10 mln, voor douanerechten.

Waar dit laatste bedrag op berust is niet

duidelijk. Als – zoals de nota ver-

neIdt – f.790 mln, aan douane-

rechten zullen worden geïnd, moeten
daarvan slechts F. 72,5 mln. (en geen

f. 103 mln.) worden afgedragen, zodat

deswege ook niet meer dan f. 7 mln.

wegens inningskosten terugontvangen

zullen worden.

In de financiering van het landbouw-

garantiebeleid treden ook wijzigingen

op. Thans financieren de lidstaten dit

beleid bij wijze van voorschot zelf met

– soms na enige jaren – terugbetaling

van de voorgestelde bedragen. Tn het

lopende begrotingsjaar ontving ons

land een afrekening uit hoofde van het

garantiebeleid in de afgelopen jaren.

In de nieuwe regeling ontstaat een

rechtrtreekse financiering door het

Europese Landbouwfonds, dat daartoe

aan de lidstaten de nodige middelen ter

beschikking stelt. Over de wijze van

financiering van de interventie-

voorraden moet nog overeenstemming

worden bereikt.

De totale budgettaire last ter finan-

ciering van de EG bedraagt in 1971

voor ons land volgens het thans nog
geldende stelsel rond f. 300 mln. De

overgang naar het nieuwe financierings-

stelsel heeft op dit bedrag
8
nauwelijks

invloed. Wel leidt het tot een andere

begrotingsopstelling. Overwogen wordt

de voor de Europese Gemeenschappen

te innen landbouwheffingen en douane-

rechten en de van het Landbouwfonds

te ontvangen middelen ter uitvoering

van het landbouwgarantiebeleid buiten

de rijksbegroting te houden en op een

zgn. derdenrekening te boeken. De

inningskosten voor douanerechten

lopen via de begroting van het minis-

terie van Financiën en voor landbouw-

heffingen via het Landbouwegalisatie-

fonds. De begrotingsbijdrage wordt op

de begroting van het departement van

Buitenlandse Zaken geraamd.

Europa-Instituut, Leiden

‘ Bij het aanbieden van de begroting in

de Tweede Kamer op Prinsjesdag zei de

minister van Financiën. ,,Het gevoerde

vooroverleg in de Europese Gemeenschap

over dit programma heeft dan ook tot
een zeer positieve beoordeling ervan

geleid” (Handelingen Tweede Kamer,

Zitting 1970-1971, bIs. 5).
6
Kort naPrinsjesdag heeft de Neder-

landse regering een wetsontwerp

(10 915) ingediend bij het parlement ter

ratificatie van het zgn. eigen middelen-

besluit. Het nieuwe financieringsstelsel

kan pas in werking treden indien de

parlementen van alle lidstaten een wet

ter ratificatie hebben aangenomen.

Daarbij moet worden vastgesteld, dat

het Ontwikkelingsfonds geheel buiten de

Europese begroting blijft en dat het aan-

vullende program van Euratom recht-

streeks uit de begroting van Economische

Zaken wortlt
gefinancierd,
voor zover

het betreft het Nederlandse aandeel.
8
Berekend op basis van afdracht aan

de Europese Gemneenschappen van
f.
103

mln, aan douanerechten.

ESB 7-10-1970

1

979

Maatschappij –

spiegel

De grenzen van de

goevernementele

beheersing

Miljoenennota’s zijn gevonden vreten

voor economen. Dat is wel duidelijk
uit dit nummer. Toch lenen dit soort

geschriften zich ook voor een andere,

bijv. sociologische, optiek. Nu moet er

direct aan toegevoegd worden dat

sociologische kennis nog nauwelijks

op dit terréin is toegepast. Men kan

het ook zo stellen: sociologen hebben

zich nog maar weinig bezig gehouden

met het onderzoek naar de sociolo-

gische randvoorwaarden van een beleid

dat zich, als in de Miljoenennota, voor

namelijk van economische instrumen-

ten bedient. Dat is vooral jammer,
omdat a. de nodige kennis op veel

terreinen wel beschikbaar is, en b. de

studie van de wijze waarop het beleid

de maatschappelijke situatie definieert

(en die dus aanleiding is tot het voeren

van een beleid) belangrijke aankno-

pingspunten voor een sociologische

ondersteuning, nuancering en kritiek

levert. Een dergelijke bijdrage zou het

scala aan beleidsmiddelen in vele

gevallen kunnen vergroten en derhalve

de beleidsuitvoering en -evaluatie een

steviger basis geven.

Om meer concreet aan te geven in

welke richting ik denk, zou het volgende

genoemd kunnen worden. Zoals be-

kend voert minister Schut een zgn.
doorstromingsbeleid, d.w.z. dat hij

probeert mensen met een behoorlijk

inkomen en een naar verhouding goed-

koop huurhuis te laten doorstromen

naar duurdere huizen. In die gedachten-

gang komen dan die goedkope huizen

beschikbaar voor mensen met een

bescheiden inkomen, die anders ge-

dwongen zouden zijn – als zij er

überhaupt al toe in staat zijn – in de

naar verhouding dure huizen te gaan
wonen. Nu is het duidelijk dat over-

wegingen van meer economische aard

al een stuk van de verklaring geven

waarom er niet zo hard wordt doorge-

stroomd. Toch zijn er sociale randvoor-

waarden, die ingevuld kunnen worden

op basis van de sociaal-wetenschappelijke

kennis die over mobiliteit van mensen

aanwezig is. Zonder daar, op deze

plaats, uitgebreid in te gaan kan wel

– erg grofweg – gesteld worden dat

de meeste onderzoekingen op dit

terrein de mobiliteitsbereidheid en

-mogelijkheden sterk relativeren. Dit

gegeven is dan verder op vele manieren

te specificeren naar verschillende situa-

ties en groeperingen.

Het is o.m. deze kennis die aan het

beleid op dit terrein een reëlere basis

kan verschaffen. Overdreven ver-

wachtingen worden getemperd, andere

middelen komen in het vizier. Soort-

gelijke bijdragen zijn op vele terreinen

(en welke zijn dat niet?) die door

de Miljoenennota worden bestreken

te leveren. Men kan
bijv.
denken aan

de mogelijkheden van een prijsbeleid,

de sociale processen die de invoering

van de BTW begeleiden en leiden
1,
de
sociologische randvoorwaarden van

belastingpolitiek e.d. Niet minder be-

langrijk is de vraag – we weten nogal

wat af van het functioneren van bureau-

cratische apparaten – hoe bureaucra-

tische expansiedrang (waarvan een

autonome invloed uitgaat op de stijging

der rijksuitgaven) directer kan worden

geconfronteerd met eisen van effectivi-

teit, c.q. efficiency.

Velen zullen geen moeite hebben met

de gedachte dat vele beleidsvelden een

steviger wetenschappelijke fundering

van node hebben. En dat de toepassing

van wetenschappelijke kennis dikwijls

fragmentarische trekken vertoont. Meer

kennistoepassing betekent eveneens dat

men beter op de hoogte is van de gren-

zen van wat beheerst kan worden,

gezien vanuit de overheid. Voor een

belangrijk deel buiten de grenzen van

de goevernementele beheersing ligt –

naar ik verwacht – in de komende

jaren het loonbeleid.

De redenen hiervoor zijn niet hele-

maal onbekend. Prof. Pen heeft deze

– in een uitstekende bijdrage
2
– nog

eens systematisch opgesomd. Hij noemt
er zeven. Volgens hem is de Nederland-

se loonpolitiek bezweken aan de

volgende oorzaken:

De krachten van de mark.
Er zijn

maar beperkte mogelijkheden om met

een loonpolitiek af te wijken van de

vraag/aanbod-situatie op de arbeids-

markt;

Het werknemersaandeel.
Het werk-

nemersaandeel is in de jaren zestig –

waarin de vrije loonpolitiek, zij het

moeizaam, gestalte krijgt – gestegen;

Meer zelfvertrouwen.
Na de oorlog

is de vrees voor het ontstaan van eco-

nomische depressies, grote werkloos-

heid e.d. steeds. verder afgenomen;

Ondermjjning van het beleid door de

werkgevers.
Werkgevers bleken steeds

weer bereid – zeker in perioden van

arbeidsschaarste (koppelbazen!, de

bouw, enz.) – meer te betalen. CAO’s

werden hier en daar niet opgevolgd,

wat het vertrouwen van de vakorgani-

saties in de werkgevers niet heeft

vergroot. Te veel trokken deze zich

niets aan van de regels; dat is ook een
vorm van staken;
Gebrek aan controle op andere in-

komens.
Het loonbeleid was (is) geen

onderdeel van een algemeen inkomens-

beleid. De
eenzijdige
bernoëienis van

de regering met de lonen heeft haar

optreden niet geloofwaardiger gemaakt;

Veranderde verhouding tussen rege-

ring en vakbeweging.
Het verdwijnen

van het min of meer linkse element

in de regeringen van de jaren zestig

heeft de behoefte van de vakbeweging
aan samenwerking verminderd;

Kritiek van links op de vakbeweging.

Ook de vakbeweging heeft zich niet

kunnen onttrekken aan de invloed van

– wat men pleegt te noemen –

democratiseringsbewegingen van allerlei

slag die zich de laatste vijf jaar hebben

gemanifesteerd. Zelfs in eigen huis

heeft men kritische – het zijn nog net
geen alternatieve – vakbondsbestuur-

ders.

Er zijn geen
aanwijzingen
dat de vak-

beweging de komende jaren bereid zal

worden gevonden de ingeslagen weg

van de onafhankeljker opstelling te

verlaten. Eerder is het tegendeel het

geval. In toenemende mate zal het

overleg tussen werkgevers en werkne-

mers een ,,losser”, minder geïnstitutiona-

liseerd karakter aannemen. We zullen

er rekening mee moeten houden dat de

,,industrial relations” hardere vormen

zullen vertonen. De staking is weer in

het middelenpakket van de vakbewe-

ging opgenomen. De concentratiever-

schijnselen in de industrie en handel

dragen er het hunne toe
bij
de strijd

1
Een veelbelovend begin bjj Cees

J. M. Schuyt en Joop C. M. Ruys:

,,Attitudes toward new socio-economic

legislation”, Faculty
of
Law, Leiden

1970.
2
J. Pen: Waaraan is de Nederlandse

loonpolitiek bezweken?, in: , ,Hollands

Maandblad”, 19701273-274, blz. 3-8.

980

tussen werkgevers en werknemers meer

kapitalistische trekken te geven. We

zullen in dit opzicht meer op Engeland

en Amerika gaan lijken. Het ,,sociale

paradijs” is ten einde.

Werkgevers, regering en vakbeweging

hebben uit deze – gedeeltelijke auto-

nome – ontwikkeling’ nog niet hun

definitieve conclusies getrokken. Het

beleid van deze ,,partijen” is nog

erg ad hoc. De problemen voor de

werkgevers en werknemers liggen

vooral op het terrein van de beheersing

van hun achterban. Lukt dat niet, dan

is het gebeurd met de vrije loonpolitiek.

Regering en parlement kunnen slechts

voldoende gezag verwerven wanneer

zij ernst maken met het opzetten en

realiseren van een rechtvaardiger in-

koniensbeleid. Het afkondigen van een

loonpauze nu is een volkomenslag in

de lucht. Een dergelijke maatregel

valt vooralsnog buiten de grenzen van

de goevernementele beheersing.

Bram Peper

AU

courant

Witteveens credo

Minister Witteveen heeft laten weten,

dat hij na de verkiezingen niet meer in

het Kabinet zal terugkeren. Zijn Mil-

joenennota 1971 mag daarom als zijn

zwanenzang en als zijn credo worden

beschouwd.

Liet Zijlstra ons zijn norm voor de

bepaling van de structurele begrotings-

ruimte na, Witteveen heeft zijn naam

niet zozeer weten te stempelen op een

bepaalde begrotingsfilosofie. Wel zal

het nageslacht van hem mogen zeggen,
dat hij gedurende zijn tweede minister-

schap de ,,Zijlstra-norm” gewetens-

vol heeft toegepast, na haar overigens

te hebben aangepast aan de ruimere

mate waarin het overheidsbudget zich

dankzij de structurele groei van de

inkomsten heeft kunnen bewegen.

Het ministerschap van Witteveen valt

vrij nauwkeurig samen met een halve

cyclus. Het Kabinet-De Jong trof bij

zijn optreden een moeilijke economi-

sche situatie aan waarin het nog maat-

regelen moest nemen om in sommige

delen van het land een hardnekkige

werkloosheid te
bestrijden.
De begro-

ting 1968 toont nog de sporen van die

moeilijke uitgangssituatie: Witteveen

kon niet voorkomen dat de begrotings-
ruimte werd overschreden.
In de volgende drie jaar van de kabi-

netsperiode slaagt hij erin het te grote

tekort terug te dringen en de stijging

van de uitgaven binnen de 6-procents-

grens te houden. Voor 1969 wordt zijn

motto ,,stringent begrotingsbeleid”;

de vaart die het herstel van de econo-

mie neemt dwingt hem daar trouwens

toe.

Nu, in 1970, hebben de aandrijvings-

mechanismen van de internationale

hoogconjunctuur, de inflatie en de

binnenlandse loonstijging het toerental

zo hoog opgejaagd dat weer moet

worden afgerenid. De regering doet

dat met een pakket van maatregelen

dat er redelijk evenwichtig uitziet –

consumptieve bestedingen worden in

gelijke mate getroffen als bedrijfs-

investeringen – maar dat, zoals een

andere commentator heeft opgemerkt,

net zo goed door een willekeurig ander

samenstel ‘van maatregelen vervangen

zou kunnen worden.

Witteveen zal zeker wel naam maken

als de minister van de infiatiecorrectie.

Zelfs bij de presentatie van een begro-

ting waarin een programma van bij-

sturingsmaatregelen moest worden op-

genomen, heeft hij kans gezien de

tweede tranche van de aanpassing van

de tarieven van inkomsten- en loon-

belasting in het tamelijk strakke sche-

ma van zijn budgettaire ruimte te

persen: een knap werkstuk waar meer

fantasie voor nodig is geweest dan een

superieure boekhouder zou kunnen

opbrengen.

In de slotbeschouwing van zijn nota

is dan zijn begrotingscredo vervat.

Witteveens opvatting van structureel

begrotingsbeleid is een beleid dat erop

gericht is om, afgezien van conjunctu-

rele en andere incidentele afwijkingen,

een begrotingstekort te handhaven dat

past in de verhouding van besparingen

en investeringen. Het tekort voor

1971 (1,3% van het nationale inkomen)

blijft niet ver van de gewenste omvang

verwijderd, maar het evenwichtspunt

is nog niet bereikt.

Tot zijn opvolgers zegt Witteveen

dat zij dienen te streven naar een in

absoluut bedrag gelijkblijvend begro-

tingstekort. Zo groeit het budget in de

nog iets te ruime jas. Spoedig.zal dat

streven er toe kunnen leiden, dat het

Rijk geen beroep meer behoeft te doen

op de open kapitaalmarkt, waarmee dan

nagenoeg het ideaal van neutrale

financiering bereikt zou zijn. Indien

Witteveens opvolger zich ditzelfde

ideaal voor ogen stlt, betekent dit

voortzetting van het strakke beleid

waarvan de grenzen worden bepaald

door de structurele begrotingsruimte.

Die ruimte kan alleen worden vergroot

door verhoging van de belastingdruk,

die dan ook aanvaard zal moeten

worden zonder pogingen tot afwente-

ling.

Witteveen zet met dit financierings-

credef een duidelijk baken uit. Onder

zijn bewind is de belastingdruk ge-

staag blijven toenemen tot 32,2%

van het nationale inkomen (factor-

kosten).

En dat ondanks de correctie op de

progressiewerking in verband met de

nominale-inkomensstijging. Twee fac-

toren hebben in de periode-Witteveen

tot belastingverhoging genoopt: de

sterke stijging van de rijksuitgaven

in 1968 en een nieuwe complicatie: de

enorme tekorten in de gemeentelijke

financiën. Witteveen heeft van 1968 tot

1971 de belastingen verhoogd met een

bedrag dat op jaarbasis rond f. 1.200

mln, zal bedragen, waarvan ca. f. 680

mln. ten goede komt aan de gemeente-

financiën.

Bij het opmaken van de eindrekening

blijkt hij toch nog redelijk goed ge-

boerd te hebben. Jn die periode kwam

hij met zijn (relevante) uitgaven f. 486

mln, boven de 6-procentsgrens uit,

maar na belastingmaatregelen blijkt hij

per saldo f. 40 mln, binnen die grens

te zijn gebleven. En bij dit manoeuvre-

ren binnen die kritieke grens werd

een aantal begrotingsposten verveel-

voudigd:

ontwikkelingshulp van f. 403 mln, in

1967 tot f.944 mln, in 1971;

wetenschap en
onderwijs
van f. 1.205

mln, tot f. 2.194 mln.;

overig onderwijs van f. 3.971 mln, tot

f. 6.267 mln.;

rente nationale schuld van f. 1.098 mln.

tot f. 1.894 mln.;

stadssanering en reconstructie van f. 77
ESB 7-10-1970

981

Geld- en

kapitaalmarkt

mln, tot f. 190 mln.;

aanleg en onderhoud van waterwegen
van f. 349 mln, tot f. 616 min.;
bijdragen tb.v. de technologische ont-
wikkeling en de regio’s van f. 90 mln.

tot f. 189 mln;

steun aan bedrijfstakken van F. 274

mln, tot F. 648 mln.;

cultuur en recreatie van f. 273 mln. tot

f. 444 mln.

1-let aanvaarden van nieuwe taken,

die tot hogere uitgaven zullen leiden,
betekent verhoging van de belasting-

druk. Die consequentie, zo is de moraal

van Witteveens beschouwing, zullen

Kamerleden en pressiegroepen zich goed

voor ogen moeten stellen.

De rijksbegroting is in haar traditio-

nele opzet geen stuk dat individuele

Kamerleden en groepen direct confron-

teert met de financiële consequenties

van de grote reeksen beleidsbeslissingen

waaruit de zittingsperiode van een

Kabinet is samengesteld. Minister Witte-

veen geeft in zijn laatste Miljoenen-

nota aan hoe het beter zou kunnen:

bijv. door beleidsanalyses waarbij de

groeitendenties in de verschillende

sectoren worden onderzocht. Er zijn

ook ,,prestatiebegrotingen” op te stel-

len waarmee het concrete doel dat
met een uitgaaf wordt beoogd kan

worden beoordeeld en het nut tegen

de kosten kan worden afgewogen.

Witteveens opvolger zal er goed aan

doen de methoden tot het doorzichtig

maken van de financiële consequenties

van beleidsbeslissingen verder uit te

werken.

enige alinea’s gewijd aan het tekort

op de begroting en de financiering

daarvan. De teneur van deze alinea’s

is meestal dat de minister verwacht

het tekort van het komende begrotings-

jaar volledig op de kapitaalmarkt te

kunnen dekken, hoewel hij moet be-

kennen het tekort over het lopende

begrotingsjaar – wegens oversch’rij-

dingen van de begroting – gedeeltelijk

niet infiatoire middelen te moeten

financieren. Het verhaal gaat ook dit

jaar weer in grote trekken op. Uit

tabel 1 blijkt hoe de minister zich het

verloop over 1970 en 1971 denkt
1

Hoewel het begrotingstekort over 1970

groter zal zijn dan volgens de oorspron-

kelijke begroting, verwacht de miniter

dat het kastekort wel mee zal vallen,

onder de invloed van enkele incidentele

factoren. Daardoor bestaat er een

goede kans dat het iesterende tekort

voor 1970 (f.125 mln.) wel door de

uitgifte van een staatslening zal kunnen
worden gedekt.

Ook het deel van het begrotingstekort

voor 1971 dat op de openbare kapitaal-

markt moet worden gedekt maakt niet

de indruk zo omvangrijk te zijn, dat

de financiering hiervan grote problemen

zal opleveren. Als de regering er in zal

slagen binnen de begroting te blijven,

zullen zelfs per saldo door het Rijk

middelen aan de openbare kapitaal-

markt worden toegevoerd. Het bedrag

van de aflossingen is imniérs groter

dan het bedrag van het beroep. Ten

opzichte van de laatste jaren lijkt dit

een niet ongunstig resultaat. De minis-

ter spreekt dan ook de verwachting

uit dat hiermede een wezenlijke bijdrage

wordt geleverd tot herstel van het

evenwicht op de kapitaalmarkt, die

de’ laatste jaren door grote krapte

werd gekenmerkt
2

Of de bijdrage van de begroting

werkelijk zo wezenlijk is kan men niet

aan de hand van de Rijksbegroting
alléén beoordelen . Daarvoor dient

men ook te weten hoe de vraag van het

Rijk zich verhoudt tot de vraag van

andere sectoren. Met name is de rol

van de lagere overheid hier in het

geding. Zolang immers het systeem van

de centrale financiering van kracht is,

draagt het Rijk medeverantwoorde-

lijkheid voor de financiële gedragingen

van de provincies en gemeenten.

De Miljoenennota biedt zelf voor een

nader onderzoek de nodige aankno-

pingspunten. Omdat het structurele

begrotingsbeleid erop is gericht een

begrotingstekort te creëren dat past

in de verhouding van besparingen en

.investeringen, wordt de vraag opge-

worpen welke omvang dat tekort dan

wel moet hebben. Deze zelfde kwestie

is dit jaar al eerder aangeroerd, name-

lijk door de President van De Neder-

landsche Bank in het jaarverslag over

1969. Hoewel in grote trekken over-

eenkomend blijven er nog enige op-

vallende verschillen tussen de benade-

ring van de centrale bank en die van de

minister van Financiën. Ze zijn daarom –

in tabel 2 naast elkaar gezet
1
.

A. F. van Zweeden
– Tabel 1

1970

1971
Vermoedelijke

Begroting
uitkomsten (in f. mln.)
Budgettair kastekort (mci. tekort Gemeentefonds)
…………….
2.500

2.150
Te dekken via voorinschrijfrekeningen
……………………..
1.600

1.750

Te dekken op de openbare markt
………………………..
900

400
Reeds opgenomen (staatsleningen)
………………………..
775

Nog te dekken
……………………………………….
125

400

Aflossing binnenlandse staatsschuld

……………………..
560

645

Tabel 2
Miljoenennota

Jaarverslitg
1971

DNB 1969
(in % van het nationale inkomen)

Overschot particuliere besparingen boven particuliere investeringen

(gemiddelde laatste paar jaren)
…………………………
.

3,5

35 á 4

Verschuiving financiële last woningbouw naar particuliere sector. . . . —0,5

—0,5

Verschuiving fi,ianciële last van lager onderwijs naar Rijk
……….

-1.0,5

Sterke groei van leningen met overheidsgaraétie
……………..


0,5 â 0,75

Ruimte voor beroep van de overheid op particuliere besparingen. Financieringstekort lagere overheid
……………………….

Resteert voor het Rijk (financieringstekort exclusief schuldaflossing)

3,5

2,5â3
2,25â2,5

1,5â2

1,25

Overheid en kapitaalmarkt:
gevecht om de ruimte

Teder jaar worden in de Miljoenennota

in beide gevallen wordt gesteld dat

de gedeeltelijke verschuiving van wo-

ningbouw naar gesubsidieerde parti-

culiere bouw een lastenverzwaring

voor de particuliere sector betekent,

welke de ruimte voor het beroep van

1
Miljoenennota 1971, pag. 20-21 en pag.

39.
2
Idem, pag. 109.

Miljoenennota 1971,pag. 109e.v. ,’Jaar-

verslag DNB, pag. 26.

982

de overheid op particuliere besparingen

beperkt. Anders ligt het met de over-

heveling van de financiering van de

investèringen voor het voortgezet On-

derwijs van lagere overheid naar het

Rijk. Het is ons niet duidelijk waarom

hiermede de kapitaalmarkt wordt Ont-

last. Dat zou immers alleen dan het

geval zijn indien, als gevolg van deze

overheveling, de vraag van de lagere
overheid op de kapitaalmarkt zou af-

nemen, zonder dat een toeneming in

het beroep van het Rijk zou zijn te be-

speuren. Het ziet er echter niet naar

uit dat het beroep van de totale over-

heid op de kapitaalmarkt zal afnemen.

Blijft nog de correctie voor het sterk

toegenomen bedrag van de leningen

met overheidsgarantie. Veel leningen

voor semi-gemeentelijke activiteiten
werden voorheen door de Bank voor

Nederlandsche Gemeentèn gefinancierd.

Dat is nu niet meer het geval. Daar-

naast verstrekt het Rijk in toenemende

mate garanties voor leningen aan

noodlijdende bedrijfstakken. Terecht

wordt in het jaarverslag van de centrale

bank gesteld dat door deze garanties

de mogelijkheden van de overheid om

voor eigen activiteiten te lenen worden

beperkt
1
. De Miljoenennota zwijgt

er over.

Wel wordt, het financieringstekort (het
verschil tussen de totale uitgaven en de

gewone ontvangsten) van de lagere

overheid op een hoger bedrag geraamd,

warmede het vermoeden rijst dat bij

de schatting van de omvang van dit

tekort met de garantieleningen rekening

is gehouden.

Het geheel overziende spreekt de be-

nadering van De Nederlandsche Bank

ons toch wat meer aan, inclusief de

conclusie dat het financieringstekort

van het
Rijk,
tezamen met de aflossing

op de binnenlandse staatsschuld, vol-

ledig uit de voorinschrijfrekeningen

zou moeten worden gefinancierd.

M.a.w. het Rijk zou niet meer als

vrager op de openbare kapitaalmarkt

moeten verschijnen. Indien dit wel ge-

beurt
overschrijdt
het Rijk de struc-

turele ruimte die voor het beroep van

de totale overheid beschikbaar is. Ge-

toetst aan deze norm is de vraag van

het Rijk op de openbare kapitaalmarkt

in 1971, hoewel kleiner dan in vorige

jaren, nog
altijd
te groot. Weliswaar
spreekt de minister de hoop uit ,,dat

de beperkte financieringsbehoefte ‘an

het Rijk in 1971 zal leiden tot een zekere

ontspanning van de kapitaalmarkt” ,

tôch zijn we van mening dat de bijdrage

van het Rijk tot herstel van evenwich-
tige verhoudingen op de kapitaalmarkt

nog te gering is.

De vraag rijst of het nu wel zo vrese-

lijk belangrijk is voor de ontwikkeling
van de economie dat de kapitaalmarkt

wordt gekenmerkt door een welhaast

structurele krapte. We hebben leren

leven met een hoog infiatietempo. Aan

een hoog renteniveau zullen we ons

toch ook wel leren aanpassen. En welke

mate is trouwens de kapitaaivrager

rentegevoelig? Zolang immers de rente-

kosten fiscaal aftrekbaar zijn en
hij
kan

rekene(1 op een regelmatige stijging van

zijn afzetprjzen deert het renteniveau

hem niet zozeer. De geldgever heeft er

natuurlijk zonder meer vrede mee.

Waar het om gaat is evenwel dat de

liquiditeitsspanningen die zich in de

economie voordoen hun weerslag vin-

den op de kapitaalmarkt. Wat is name-

lijk het geval? Er bestaat tussen de

kredietverlening aan het bedrijfsleven

en de kapitaalmarkt een vrij nauwe

relatie omdat een beroep op de kapi-

taalmarkt het belangrijkste alternatief

voor bankkrediet vormt. In min of

meer normale tijden zullen het de rente-

verhoudingen (c.q. verwachtingen) zijn

die de keuze zullen beïnvloeden. In

perioden van kredietrestrictie (zoals nu)

wordt de relatie directer: er is dan een

bijna absolute grens aan het beschik-

bare bankkrediet en een beroep op de

kapitaalmarkt vormt dan de enige

alternatieve financieringsvorm
6

De relatie loopt ook in tegenover-

gestelde richting: wie spanningen schept

(of in stand houdt) op de kapitaal-

markt, schept spanningen in de eco-

nomie. Indien het Rijk – zoals in de

afgelopen jaren het geval was en ook

voor 1971 kan worden verwacht – een

groter beroep doet op de kapitaalmarkt

dan met ‘de ,,structurele ruimte” over-
eenstemt, dan wordt daarmee per defi-

nitie de ruimte voor andere sectoren

beperkt
7
. En wie het gevecht om de

ruimte zal winnen is zeker niet een bij

voorbaat uitgemaakte zaak. Het kan

zijn dat het bedrijfsleven met een ge-

ringer bedrag genoegen neemt, niet

omdat het schrapt in zijn investerings-

plannen, maar omdat het kans ziet door

liquiditeitsactivering in zijn behoeften

te voorzien. Dit kan bijv. de vorm aan-

nemen van toenemende kredietver-

lening tussen bedrijven onderling buiten

het tegen het kredietplafond zittende

bankwezen om. Het is echter ook mo-

gelijk dat het beslag van het Rijk op

kapitaalmarktmiddelen ten -laste gaat

van de ruimte voor de lagere overheid.

Om toch hun investeringsniveau te

handhaven zouden ze zich gedwongen

voelen terug te grijpen op financiering

met kortlopende middelen als kasgeld-

leningen e.d.

Hoe dan ook: indien de vraag op de

kapitaalmarkt het aanbod overtreft, is

hiervan een monetaire verstoring het

gevolg. Wie moet deze verstoring

worden toegerekend? Aan degene. die

zijn bestedingen op ïnflatoire wijze

financierde? Neen, maar aan degenen

die de infiatoire financiering uitlokten
8

Daar hoort ook het Rijk bij. De plannen

van de regering zoals die in de Mil-

joenennota naar voren komen zijn er

niet – of althans onvoldoende – op

gericht de spanningen op de kapitaal-

markt en daarmee in onze economie te

helpen oplossen.

Tot nog toe hebben wij ons gebaseerd

op het ,,normale” begrotingsbeleid. De

regéiing stelt daarnaast echter een aan-

tal bijzondere maatregelen voor ter af-

koeling van onze oververhitte econo-
mie. Zullen deze leiden tot enige ont-

spanning op de kapitaalmarkt? Het ziet

er niet naar uit. De opbrengst van de

bijzondere belastingverhogingen wordt

voor 1971 geraamd op ca. f.600 mln.,

maar de minister stelt:

,,Het zou onjuist zijn, onder de bestaande
omstandigheden hieruit een geringer be-
roep van de schatkist op de kapitaalmarkt
te laten resulteren. De doelstelling van dit
conjuncturele programma wordt immers
niet bereikt indien een verruiming van de
kapitaalmarkt zou ontstaan, maar alleen
bij vermindering van de geldstroom”
1
.

Jaarverslag DNB, pag. 26.

Miljoenennota 1971, pag. 102.

Uitvoerig hierover Drs. E. den Dunnen:

Het monetaire beleid in Nederland, in

,De Economist”, 118, nr. 3, 1970, pag.

251 e.v.

Aannernende dat geen belangrijke

kapitaalimport zal plaatsvinden.
8
Zie Dr. L. F. van Muiswinkel: De

lokalisering van monetaire i,npulsen, in

,Maandschr,ft Economie”, december

1969, pag. 133.

Mijoenennota 1971, pag. 15.
ESB 7-10-1970

983

De regering is er blijkbaar op uit de

politiek van liquiditeitsverkrapping van

de centrale bank te versterken. Nog-

maals rijst de vraag wie hiervoor het

gelag moet betalen. Zullen inderdaad

de doelwitten van de regering, t.w. de

bedrijfsinvesteringen en de particuliere

consumptie, worden getroffen? Of zul-

len toch weer de slachtoffers elders –

woningbouw? de gemeentelijke inves-
teringen? – vallen? Misschien krijgt de

regering nog het meest haar zin door

de directe mâatregelen, als tempori-

sering van overheidsgaranties voor

leningen buiten de woningbouwsector

en de heffing op de aannerningssom

van bedrijfsgebouwen.

Het
lijkt
er veel op dat de regering

voor het dilemma staat waarover on-

langs nog zes economen van naam hun

visie hebbén gegeven
10
. In de formu-

lering van één van hen: –

,,het – benauwende dillemma: onder-
mijning van de samenleving door inflatie,
ten koste van de zwakste groepen (……)
versus een zodanig drastische monetaire
restrictie, dat aan de loon- en prijsspiraal
•de geldmiddelen worden onthouden- die
nodig
zijn
om een afglijden naar een
ernstige recessie via afzetstoringen te vei-
mijden. Met andere woorden: inflatie dan
wel een gevaarlijke liquiditeitscrisis”.

Een uitweg uit dit dilemmazoii ge-

vonden kunnen worden door de kern

van het probleem – het gevecht om

de ruimte voor de groei van .de be-

stedingen, vooral tussen de collectieve

sfeer en de private. sfeer – aan te

vatten, Hoe? Buy, door (voorlopig)

niet voor de colledtieve bestedingen

een groeiend aandeel in het nationale

inkomen te eisen. De geste van de

regering (beperking van de begrote

uitgaven voor 1971 met f.140 mln.) is

dan niet veel meer dan een gebaar.

Zolang men daar niet aan wil zal men

moeten kiezen voor een monetaire

restrictie. Over de politieke haalbaar-

heid maken de genoemde zes economen

zichechter weinig illusies. M.a.w. de

strijd om de ruimte, begeleid door in-

flatoire monetaire impulsen en krapte

op de kapitaalmarkt, zal ook in het

komende jaar voortduren.

Drs. K. Dijk

10
Van inflatie naar recessie?, in ,,Inter-

mediair” van 18 sept. 1970, pag. 9 e.v.

(Prof Dr. C. Goedhart,
Prof.
Dr. F.

Hartog, Prof. Dr. J. Pen, Prof Dr. J.

Tinbergen, Prof Dr. J. Wenielsfelder,

Prof Dr. A. van Doorn).

IiIhflhiII’!

Prognotities

Koffiedik kijken, een marktverkenning

Aan een verzoek 6m die elementen uit

de Miljoenennota te bespreken waar-

uit een zekere visie met betrekking tot

de toekomst spreekt, is strikt genomen

gauw voldaan. Dit element ontbreekt

nI, praktisch geheel in dit document.

Daarentegen worden er trouw over-

zichten’ in opgenomen ôver de laatste

tien jaar en soms van nog langer terug.

Dit leidt echter hoogstens tot een om-

zien in wrok, vooral als men de tabel

onder ogen krijgt, waarin de onver-

biddelijk stijgende belastingdruk wordt

weergegeven.

Het is in feite toch een curieuze zaak,

dat het maar niet schijnt te lukken om

wat vooruit te kijken
bij
het begrotings-

beleid. In een enigszins behoorlijk be-

drijf wordt toch al gauw een jaar of

vijf, soms wel tien, vooruit gekeken.

En dat is eigenlijk veel moeilijker, want

een individueel bedrijf is zo veel kleiner

t.o.v. de buitenwereld, terwijl de over-

heid nu al bijna een derde van het

nationale inkomen voor haar rekening

neemt en dus veel meer invloed heeft

op de gang van zaken. Daar komt nog

bij dat een bedrijf sterk afhankelijk is

van veranderingen in de vraag naar zijn

produkt, o.a. als gevolg van conçur-

rentie op zijn eigen deelmarkt, terwijl

de overheid bij wijze van spreken in een

stabielere markt ligt. De vraag naar

produkten en diensten van de overheid

moet, vooral omdat het vaak om een

monopoliepositie gaat, toch veel ge-

makkelijker te ramen zijn.

– Zo zijn er waarschijnlijk nog wel

meer argumenten aan te voeren waar-

om hèt best zou kunnen. Het gebeurt

echter niet of nauwelijks en misschien

is de beste verklaring hiervoor nog dat

meerjarenramingen, planning e.d. te

weinig ruimte overlaten voor het poli-

tieke spel.

Intussen is het wel jammer. Het zou

toch erg nuttig zijn om eens te weten

hoe het met de ontwikkeling van aller-

lei uitgaven in de toekomst zal gaan.

Het heeft zo weinig zin om steeds weer

opnieuw te klagen, dat het zo moeilijk

is om de eindjes aan elkaar te knopen.

Het heeft ook zo weinig zin om ieder

jaar weer te verzuchten dat de gemeente-

lijke uitgaven zo hoog zijn, al valt de

stijging hiervan de laatste tijd nog al

mee. Het zou uitermate nuttig zijn om

de groei van de
gemeentelijke
uitgaven

eens grondig te analyseren en op deze

basis een prognose te maken van de

financieringsbehoefte van de gemeen-

ten.

Overigens blijkt uit de’paragraaf over

de gemeentefinanciën, dat het Rijk wel

degelijk oog heeft voor het nut van

lange-termijnplanning. Aan het eind

van hoofdstuk 7 wordt namelijk ge-

steld, dat de gemeenten die met te-

korten kampen zelf ook een bijdrage

tot de oplossing’ van hun problemen

kunnen leveren door plannen op langere

termijn op te stellen. In vele gevallen

zal een planmatig handelen op wat

lângere termijn een voorwaarde zijn

voor é’en betere ontwikkeling in de

toekomst. Dit klinkt uitstekend. Maar

waarom neemt het Rijk zijn adviezen

niet zelf ter harte? ik kan nog verder

gaan. De rijksoverheid beneemt de ge-

meenten de lust tot een planmatige

aanpak wel heel sterk, als er zelfs niet

voldoende middelen ter beschikking

worden gesteld om de goedgekeurde

investeri ngsplannen voor het lopende
begrotingsjaar uit te voeren. Uiteraard

zal de krapte op de kapitaalmarkt hier
wel een rol bij hebben gespeeld, maar

als dat te voorzien is kan men beter

die investeringsplannen niet goed-

keuren.

in hoofdstuk VI van de Miljoenen-

nota wordt herinnerd aan de wens, die

bij de behandeling van de Comptabili-

teitswet in deKamer naar voren is ge-

bracht, om naast de eigenlijke jaar-

begroting een opschuivende meerjaren-

raming op te stellen, die een inzicht

geeft in de financiële gevolgen voor de

eerstkomende jaren van het momen-

teel gevoerde beleid, alsmede van even-

tuele alternatieven. Pas dan kunnen

parlement, partijen en publieke opinie

meedenken over concrete in de naaste

toekomst te -nemen beslissingen. Mee-

denken met wie, vraagt men zich af.

Wordt er misschien in een toren-

kamertje aan het Binnenhof of de

Kneuterdijk inderdaad over deze zaken

gedacht •door een geheimzinnige on-

bekende? Kennelijk niet, want de rege-

ring meent te moeten waarschuwen

voor te hoge verwachtingen, al onder-

schrijft ze eveneens de wenselijkheid

(Slot op blz. 986)

984

Beg,ti,gvsc/ze.’iia tweede ineerjqienprgram,,,a Nederlandse ontwikkelings/wip

1. Nt.to-hulpverfeningsconzponent

van

de

op

groei

gerchte
T


middele,tstrooni naar
de ontwikkelingslanden.
iii
.i.v.

i
1972

stabil

1.1. Multilaterale en-bilaterale netto kapitaalhulp ter aanvulling
seren op – 1 % NNI
van besparingen en exporto’pbrengsten van ontwikkelings-
factorkosten.

: –
landen.

1.2. fdem technische bijstand.


1.3. Idem gedeelte voedselhulp

2: Niet als petto hulp te kenmerken gedeelten van de op groei


gerichte middelenstrooni naar de ontwikkelingslanden (tussen

1972 eti 1975

minimaliseren)

2.1. 1-lulpverlening gecompenseerd door aflossingen en rente-

be-tatingen.

2.2. Hulp die mede steunverlening van Nederlands bedrijfsleven
e.d. beoogt: gedeelte van gebonden hulp, van FMO.gelden
– –
en ‘an voedselhulp.

Hulpverlening. resulterend in een- middelenstrooni naar ont-
.


wikkelingslanden gericht op andere ontwikkelingsdoeleinden
tussen 1972 en
0
1975
optopenci. tot.l

van

.
dan
gr
o
e
i:

…………….

.
3.1. Bijstand:aanbeVrjdinsbeweingen e.d.
NNI factorkosten.

3.2.-Medefinanciering partiçuliere projecten (missie enz:)


…’.
3.3.

Humani.tire hulp.

.

.

. .


.

.

S

Financiering andere
a.ct.hitejte.n
‘t.b.v: ontwikkelingslanden..’

4.1. Financiering aanpasii1g Nederlandse

produktiestructuur
.
.
aan betere internationale arbeidsverdeling
42.- Research(

bi-enniultildteraal).

4:3: Finaiciering apparaat. LEN. Development Systeni

………………
4.4.-Instituten, persoieels.en apparaatskosten in Nederland.

.

tussen 1972 n 175
oplopend van 1 lot
2% -NNI factorkos-

ten.

J. P. Pronk

Tweede

meerjaren-

programma

ontwikkelingshulp

De voor 1971 ingediende begroting voor

ontwikkelingshulp is de laatste uit het

meerjarenprogranima voor de Neder-

landse hulpverlening voor de jaren

1968-1971. De doelstelling om in 1971

één procent van het netto nationale

inkomen tegen factorkosten voor ont-

wikkelingshulp te bestemmen wordt

hiermee inderdaad, bereikt. Nu hebben

wij er in eèn vorie.co1unn (zie
ESB

van 18 februari ii.) reeds opgewezen,

dat enige twijfei omtrent de ‘reIiteit

yan het bereiken van dè één procent

gerechtvaardigd is, en wel om, drie

redenen: het no steeds bruto bègroten

van de hulpverlening, het achterblijven

van de uitputting van de huipgelderi bij

de in de begroting gevoteerde bediagen,

en het dubieuze karakter van een aan-

tal posten die meer met de behartiging

van Nederlandse belangen dan. rnet

ontwikkelingshulp te maken hebben.

Deze punten van kritiek gelden on-

verkort voor de thans ingediende be-

groting. Zinvoller dan dit slechts. te

constateren is çchtei de drie genoemde

bezwaren tot uitgangspunt te maken

bij .het opstellen. van een. nieuw-meer-

jarnprogramma voor de. Nederlandse

hulpverlening, bijvoorbeeld voor de

periode. 1972-Ï9?5 … Dit -meerjaren-

programma zou gericht moeten zijn op

de volgènde doelstèlling: het bestemmen

van twee procent van het netto natio-

nale inkomen tegen factorkosten. voor

ontwikkelingshulp in
1975,
waarbij de

gecumuleerde onderbesteding jaarlijks

het begrotingsbedrag van het des-

betreffende jaar niet mag overschrijden.

– Het tweede gedeelte van deze doel-

stelling impliceert een time-lag van

maximaal één â twee jaar. Dat zal op

weinig
moeilijkheden
hoeven te stuiten.

Een meer consistent be.grotingsbeleid
alsmede grotere flexibiliteit binnen de

begroting kunnen er toe bijdrageii dat

aan de Nederlandse zijde van de pipe-

line geen onnodige vertragingen ont-

staan.

De twee-procent-doelstelling wordt

nog lang niet algemeen aanvaard. Zij

is
niet
nieuw. De X-Y actie iser i:eeds

enige tijd op afgestemd ep de Partij

van de Arbeid heeft haar opgenomen

in het program: Vele politici .beschou-

ven deze doelstelling weliswaar- ls

irreëel en als economisch onmogelijk,

doch dergelijke opvattingen zijn vooral

illustratief voor hun gebrek aan poli
tieke wil en voor hun geringe inzicht

in het wezen van de economische poli-

tiek. Relevanter daarentegen lijkt de

tegenwerping dat voor het komende

ontwikkelingsdecenniurn gemikt wordt

op één procent (1 % van het BNP tegen

marktprijzen, waarvan 0,75% over-

heidshul p, hetgeen ongeveer overeen-

komt met 1
Y.
van het NNI tegen

factorkosten). Waarom zou Nederland

meer doen dan internationaal zal wor-

den afgesproken?

Er zijn mijns inziens twee belangrijke

redenen om dat inderdaad te doen.

Ten eerste:
het gaat bij de één procent

die gedurende het komende decennium

ESB 7-10-1970

985

nodig is om een zeer specifieke vorm

van ontwikkelingshulp. Dit percentage
heeft immers betrekking op het bedrag
aan investeringen en irnporten der ont-

wikkelingslanden, dat zij niet kunnen

financieren uit de eigen besparingen en

exportopbrengsten, doch dat nood-

zakelijk is willen deze landen een be-

paalde groeidoelstelling verwezenlijken.

De gekozen groeidoelstelling (6% per

jaar) is niet al te ambitieus en dat

maakt dat de berekende huipbehoefte

het karakter draagt van een compro-

mis. Bovendien is het onwaarschijnlijk

dat alle landen zich aan de afspraak

zullen houden, waardoor zelfs de 6%-

groei gevaar loopt. Een en ander zou

voor Nederland een reden kunnen zijn
om juist meer te doen dan wordt over-

eengekomen.

Ten tweede:
het hierboven aange-

duide specifieke kara!kter:van de inter-

natioiiale één-procent-doelstelling be-

tekent dat eigenlijk alleen die ontwikke-

lingshulp eronder valt die het karakter

draagt van een middelenstrooni naar

de ontwikkelingslanden, welke bij-

draagt tot de financiering van de voor

de groei noodzakelijke
importen en in-

vesteringen. Onder de huidige Neder-

landse één-procent-doelstelling
va
lleii

echter alle uitgaven ten behoeve van

de ontwikkelingslanden. In het schema

(blz. 985) komt tot uiting welke

categorieën eigenlijk niet behoren tot

de berekende huipbehoefte (post 1),

maar wel op de Nederlandse begroting

staan. Voor een gedeelte is dit terecht

(de posten 3 en 4, waarbij over 3.1,

alleen nog maar gediscussieerd wordt);
ontwikkelingssamenwerking is immers

veel meer dan alleen ontwikkelings-

hulp, en de desbetreffende posten zullen

dan ook in een volgend meerjaren-

pfogramma een groter gewicht moeten

krijgen.

Minder terecht is het .dat de hulp

niet netto wordt begroot en dat een

gedeelte van de hulp het karaktér

draagt van landbouwsubsidiëring cii

exportbevordering. Dat is niet geheel

en al tegen te gaan, omdat er inderdaad

en zekere parallellie is tussen de be-

trokken Néderlandse belangen en die

der ontwikkelingslanden. Er zou al veel

gewonnen zijn wanneer er een poging

gedaan werd tot kwantificering van

deze mate van overeenstemming (vgl.

post 1 en 2).

Het moet mogelijk zijn om aan de
hand van eën dergelijk, nader uitge-

werkt schema voôr de begroting van

de Nederlandse hulpverlening een zin-

voller discussie te houden over het te

voeren beleid dan die welke de laatste

jaren in het parlement is gevoerd.

Ç
•J
Ç

(Vervo!j’an blz. 984)

van een zodanige meerjarenraming.

Een vrome wens, als ik het goed be-

grijp.
Al is het dan
kennelijk
niet gemakke-

lijk voor financiële speialisten om de

glazen bol te hanteren, bij verschillende

ministeries zijn er wel degelijk mensen

die hier wel mee overweg kunnen.

De beste prestaties worden in dit

opzicht geleverd door de departemen-

ten, die zich met de infrastructuur bezig

houden. Met name het departement
van Verkeer en Waterstaat richt het

oog in sterke mate op de toekomst.

Op diverse bladzijden van de Memorie

van Toelichting van dit departement

treft men hiervan indicaties aan. Het

Rijkswegenplan omvat een nieuwbôuw-

programma voor de eerstkomende tien
vijftien jaren. He? Nederlands Eco-

nomisch Instituut is in opdracht van

dit ministerie bezig met een integraal

verkeers- en vervoerplan tot het jaar

2000, waarin nauwkeuriger ramingen

van de verkeersbehoefte wrden ge-

maakt dan tot nu toe beschikbaar zijn.

Hiervor worden drie alternatieve

ruimtelijke-ordeningsmodellen als uit-

gangspunt genomen. Men geeft er blijk

van thans reeds na te denken over de

elektronische geleiding van auto’s,

waardoor de verkeersintensiteit en de

verkeersveiligheid aanzienlijk kuiinen

worden vergroot.

Voorts wordt melding gemaakt van

de studies met betrekking tot de ont-
wikkeling van de zeehavenindustrie,

waaronder het zeehavenmodel van het

CPB. Men toont zich
duidelijk
bewust

van de betekenis die de te nemen be-

slissingen op dit jebied voor de toe-

komst zullen hebben. Ook Vlkshuis-

vesting en Ruimtelijke Ordening blijkt

de blik op de toekomst te richten. De

verdeling van
rijkssubsidies
voor de

woningbouw zal vôortaan zelfs ge-

schieden op basis van meerjaren-

programmering. Dit rniniterie is bezig

met een onderzoek naâr de te verwach-
ten ontwikkeling van de infrastructuur,

waarvoor
bij
de provinciale besturen

informaties
zijn
ingewonnen. Deze in-

formaties zullen kunnen diei1n voor

een verbetering van de onderlinge af-

stemming van provinôiale programma’s

en rijksprogramma’s, mede met het

oog op financiële coördinatie en plan-

ning. Voor de regionale planning blijft

het streekplan overigens hët belang-

rijkste beleidsinstrument. Geconstateerd

wordt dat dit streekplan langzamer-

hand evolûeert tot een soort ontwikke-

lingsprogramma.

Er zijn uiteraard vel meer intres-

sante mededelingen uit de Memories

vari Toelichting te halen. Van groot

belang is het reeds eerder in deze rubriek

aangekondigde raport van de ,,Com-

missie voorbereiding onderzoek toe-

komstige maatschappijstructuur”,

waarover in de Memoiie van Toelich-

ting van Onderwijs en Wetenschappen

mededelingen worden gedaan. De Côm-

missié is van mening dat er naast de

reeds bestaande planbureaus, zoals het

Centraal Planbureau voor de welvaarts-

aspecten, de Rijksplanologische Dienst

voor de
ruimtelijke
ordèning en de

Raad van Advies voor het Weten-

schapsbeleid voor de wetenschappen

en technologie, behoefte bestaat aan een

Sociâal Planbureau voor het maat-

schappelijke en culturele
welzijn.
Dit

geheel zou oveikoepeld moeten worden

doör een Raad voor de Planning. Het

Ministerie vôor Onderwijs en Weten-

schappen juicht dit voorstel toe omdat

de vernieuwing en – planning van het

onderwijs niet mogelijk zijn zônder een

verbetering van het inzicht in de te ver-

wachten maatschappelijke ontwikke-

ling.

Al met al toch wel een paar licht-

puntjes. Mogen het lichtbronnen van

formaat worden, die het duister op onze

weg kunnen verjagen.

Drs. P. Ressenaar

986

0

Uri

Wklm

Mededelingen

Prijsvraag
Weekblad voor fiscaal recht

De redactie van het
Weekblad voor

fiscaal recht heeft besloten in het kader

van de viering van het 100-jarig be-

staan van haar blad een prijsvraag uit

te
schrijven
met als onderwerp:

Is het wenselijk in de Wet op de

inkomstenbelasting 1964 een alge-

mene regeling op te nemen die zich

richt tegen het overhevelen van in-

komsten uit vermogen, met behoud
van de bron?
Bij
het geven van een

oordeel over de vraag of het wenselijk

is de huidige meer specifieke be-

j,alingen, zoals vervat in artikel 27,

te vervangen door een algemene

regeling dient ook aan het aspect van

de uitvoerbaarheid aandacht te

worden besteed. –

Deelneming staat ook open voor niet-

abonnees. Inzendingen moeten ge-

schieden vôôr 1 juli 1971 aan het

redactie-adres: Weekblad voor fiscaal

recht; postbus 176, ‘s-Gravenhage.

Het antwoord dient gesteld te worden

in de Nederlandse taal, in machine-

schrift, waarbij het papier slechts aan

één zijde
mag worden gebruikt, en dient

zo mogelijk in drievoud te worden in-

gezonden. Het antwoord mag niet meer

dan 10.000 woorden omvatten. Het

antwoord moet van een motto worden•

voorzien, terwijl de identiteit van de

inzender op geen enkele
wijze
mag

blijken. Gelijktijdig met het antwoord

moet een gesloten en verzegelde en-

veloppe worden ingezonden, waarop

bedoeld motto is gesteld en bevattende
naam en adres van de inzender.

De ingezonden antwoorden worden

beoordeeld door een jury, bestaande

uit de heren Prof. J. E. A. M. van

Dijck, voorzitter, H. Baron van Lawick

en Mr: W. Scholten.

De uitgever heeft een
prijs
van

f. 2.000 ter beschikking gesteld voor de

inzending die door de jury wordt be-

kroond. De jury heeft de bevoegdheid,

indien daartoe naar haar oordeel aan-

leiding bestaat, de prijs te splitsen.

DIJ0000000000000000000000000000000000

1

CURSUSLEIDER
1

0

Voor een zeer succesvolle groepering uit Succésvolle candidaten

0

O

de levensmiddelensector (ZB, SM/ZB

• zijn tenminste 25 jaar oud

0

o

warenhuizen), zoeken wij contact met een
CURSUSLEIDER.

• hebben eenzodanige opleiding/ervaring,

0

o

.

dat zij in staat zijn

0
a) de stof voor de verschillende cursussen

0
vast te stellen
Het betreft hier een nieuwe functie, die

b) inhoud en vorm kritisch te beoordelen

0

o

erop gericht is om voor de meer dan 2000

c), de cursussen zelf te organiseren

0
.medewerkers/medewerksters uit de ver-

0

schillende bedrijven een practisch oplei-

beschikken over het vermogen om met

0

dings- en vormingsprogramma te kunnen

docenten en cursisten van uitenlopend

0
niveau om te gaan

o

bieden.

.

• hebb’en wetenschappelijke interesse en

0
0

beschikken over een goede spreekvaar-

0

IJ

Dit is een carrière-functie voor b.v. een

digheid.

0

o

jonge, afgestudeerde econoom (of iemand Tegenover deze – begrijpelijk – hoge eisen

. 0

0

met een vergelijkbare opleiding) die hetzij staan:

.

0
uit de onderwijswereld afkomstig is of

0

daarvoorbelangstelling heeft;

• een stimulerende beloning, die in over-

0

D

eenstemming is met het belang van deze

functie

0

0
Aan de definitieve functie-aanvaarding gaa
.
t • een zeer grote mate van zelfstandigheid

0

een stage van 3-6 maanden bij moderne

en beslissingsbevoegdheid

0

1
distributiebedrijven in de USA vooraf.

o
goede secundaire voorzieningen. –

Zij, die menen voor deze aantrekkelijke functie in aanmerking te komen worden
verzocht hun eigenlandig geschreven brieven met alle terzake dienende ge-
gevens-f- recente pastofo binnen 14 dagen te zenden aan ons adres Mathenesser-
laan 247, Rotterdam onder motto
CL/335.
Elke brief wordt beantwoord;
voor
iedere sollicitant
is
discretie verzektrd.

ECONOMISCH ADVIESBUREAU DRS H. KALKHOVEN

ESB 7-10-1970

987

Zij kanook eervolle vermeldingen toe-

kennen.

De uitslag van de prijsvraag zal om-

streeks de jaarwisseling .1971/72 bij de

herdenking van het 100-jarig bestaan

van het Weekblad worden bekend

gemaakt.

De bekroonde en eventueeï eervol

vernielde inzending(en) zal (zullen)

worden gepubliceerd in het Weekblad.

De overige inzendingen zullen tezamen

mët de ongeopende verzegelde envelop-

pe worden vernietigd.
Cursus Marketing-beslissingen

Door het Economisch Instituut Til-

burg. werd in 1969, in samenwerking

met het Nederlands Instituut voor

Marketing en de Federatie van de

Katholieke en Protestants-Christelijke

Werkgeversverbonden, een reeks studie-

bijeenkomsten over de kwantitatieve

benadering van marketing-beslissingen

georganiseerd. De voorafgaande vier

cycli mochten een grote belangstelling

ondervinden; daarom is besloten om

deze cyclus in het najaar van 1970 te

herhalen.

Na algemene inleidingen over mar-

keting en dc betekenis van kwantita-

tieve methoden hierin en nadat aan-

dacht geschonkesi is aan de vraagprog-

nose komen specifieke beslissingsge-

bieden aan de orde: produkt-, prijs-,

réclame-, vertegenwoordigers- en dis-

tributiebeslissingen.

Deze reeks studiebijeenkomsten, die

getiteld is: ,,Marketing-beslissingen,

kwantitatief benaderd”, . is bedoeld

voor al dan niet academisch gevormde

functionarissen uit het bedrijfsleven,

welke uit hoofde van hun werk met

marketing-problematiek te maken heb-

ben dan wel daarvoor belangstelling

heb beu.

De studiebijeenkonisten worden ge-

houden op tien dinsdagmiddagen, te

beginnen vanaf 13 oktober 1970 van

14.00 tot 17.00 uur te Tilburg. Syllabi

van de voordrachten zullen in gesten-

cilde vorm aan de deelnemers worden

uitgereikt. De kosten van de studie-

bijeenkomsten bedragen f. 975 per deel-

nemer. In dit bedrag zijn begrepen de

kosten verbonden aan de uitreiking

van het studiemateriaal. inlichtingen

kunnen worden verkregen bij de secre-

taris van de cursus: Drs. J. H. van den

Brand, Hogeschoollaan 225, Tilburg,

tel.: (04250) 7 09 60, toestel
455.

RgJKsuNIvERsITEIT

GRONINGEN

Bij de interfaculteit der Actuariêle Weten-
schappen en Econornetrie kunnen worden
geplaatst

2
wetenschappelijke

medewerkers

ten behoeve van het onderwijs en het.
onderzoek in de statistiek en/of de econo-
metrie. Zij zullen o.a. worden belast met
het geven van werkcolleges statistiek aan
kandidaatsstudenten van de Economische
Faculteit of de Interfaculteit en/of van
werkcolleges econometrie aan doctoraal-
studenten in de econornetrische richting,
voorts tiet individuele hulp aan studenten
en met liet afnemen van tentamens. Er is
in liet kader van het onderzoekprogramma
van, de interfaculteit gelegenheid tot het
voorbereiden van een proefschrift.

De voorkeur gaat uit naar doctorandi, of
kandidaten die zeer binnenkort afstuderen,
in de econonietrische richting van een
Economische Faculteit of een Inter-
faculteit der Econometrie.
Men gelieve zijn sollicitatie te richten tot
Prof. Dr. H. Rijken van Olst, Inter-
faculteit der Actuariële Wetenschappen en
Econometrie, Universiteitscomplex Padde-
poel, Hoogbouw W.S.N., Postbus 800,
Grohingen.

PIP,..1!ri

Ter gemeentesecretarie kan geplaatst
worden een

e c o n o m i s c h

medewerker

Functie inforniatie:

Tot de taken van deze functionaris behoren:

– het aanleggen en onderhouden van con-
tacten met het bedrijfsleven

– het adviseren omtrent de economische
ontwikkeling van de gemeente

– het verrichten, van diverse statistische
werkzaamheden.

VEREIST:

Een middelbare schoolopleiding met een
verdere economisch gerichte opleiding.

Een psychologisch onderzoek kan tot de
selectie procedure behoren.

Geboden:

Een veelzijdige functie met ruime ont-
plooiingsmogelijkheden.

Salaris afhankelijk van leeftijd en ervaring.

Sollicitaties binnen 14 dagen in te zenden

Blijf bij –
lees E.-S.B.!

989

Wiley, New York 1970, 496 blz., 105 sh.
tions of many variables subject

Dit boek beoogt een inleiding te zijn
to constraints.


Boeken
tot het snel groeiende kennisterrein van

Gradient

methods

of

optimi-
de wiskundige programmering, afge-
zation.

ws
stemd
op de niet-wiskundig geschoolde

Simplex based methods.
lezer. Tnhoud in hoofdlijnen:

Geornetric programming.
1.

Linear

programnhing

and

the

Dynarnic programming.
simplex machine.

The branch and bound algorithni.
II.

Terminology and sorne properfies

Tnteger linear progranirning.
Claude McMillan

Jr.:

Mathematical
of functions.
XT.
Binary programming and discrete
Programming;
an Introduction to the
JET.

Classical optimization and func-
programniing.
Design

and

Application

of

Optimal tions

of

one

variable

without
XTI.
Applications

of

zero-one

pro-
Decision

Machines.

Wiley

Series

in
constraints.
gramming.
Management and Administration. John

IV. Classical optimization and func- XTJI. Heuristic programming

rr

nnnn
w,
i
in

00,1t751
11
11 1 1 19 111111111

1

BIJ HET

/

PROVINCIAAL ELECTRICITEITSBEDRIJF VAN NOORD-HOLLAND

te BLOEMENDAAL kan ter versterking van de groep, belast met het beheer van een omvangrijk

goederenpakket, nodig voor de instandhouding van zijn distributienetten

EEN MEDEWERKER

• ‘

worden geplaatst, wiens werkzaamheden zullen liggen op het gebied van:

uitbreiding van de voorraadbeheersing d.m.v. een via de computer werkend systeem van bestel-planning;

het opstellen van prognose’s en het maken van bedrijfs-economische analyses.
DipI. HBS-A of -B, S.PSD. of de akte M.O. Economie, dan wel gevorderde N1VRA-studie vereist.

Daarnaast is gevoel voor de problematiek van Organisatie en beheer beslist noodzakelijk.

Een psychologisch onderzoek zal deel uitmaken van de selectieprocedure. – Bruto-salaris: tussen f. 1543,—
en f. 2023,— p.m., afh. van opleiding, ervaring en leeftijd.

Schriftelijke sollicitatie met recente pasfoto te richten aan de directie van het P.E.N., Tng. Bispinck-

laan 19 te Bloemendaal.

ESB 7-10-1970

.

– .

,

989

S’

HET ECONOMISCH –

TECHNOLOGISCH INSTITUUT

VOOR UTRECHT

vraagt in verband met de aanzienlijke uitbreiding van cc

orderportefeuille voor spoedige indidnsttred ing een

ECONOOM
.

Deze zat worden belast met het zelfstandig uitvoeren van

opdrachten, die voor een belangrijk deel in het sociaal-

economische vlak liggen.

îaast werkgelegënheidsvraagstukken zuilen om. verkeers-‘

• n vervoers-economische problemen zijn, aandacht vragen.

– Vereist worden:

doctoraal examen economie (bij voorkeur

algemene richting);

– goede redactionele kwaliteiten;

– vermogen tot het geven van leiding aan een

.

team van onderzoekers;

– een zodanige instelling, dat met volledig

behoud van de individuele verantwoorçlelijk-

hèid toch soepel kan worden gewerkt in

teamverband. • –

Ervaring op sociaal- en.vervoerseconomisch gebied

strekt tot aanbeveling.

Geboden worden:

– salariëring in overeenstemming’met ervaring:

het huidige salarismaximum bedraagt f. 2.401 ,–

(excl. na-calculatie ad 2,78%);

-‘

— rechtspositieregeling vrijwel analoog aan die

voôr het provinciaal personeI..

Nadere inlichtingen kunnen worden ingewonnen bij de

Directeur van het Instituut, tel. (030) 1 74 44;

Schriftelijke sollicitaties diehen – onder vermelding van

,,projectleider” èn vergezeld van een pasfoto — eveneens te.

worden geHcht aan de directeur van het E.T.I., Pieterskerk-

hof 7, Utrecht.

U. reageert op
annoncé:s

i

Wilt U dit dan steeds duidélijk

-tot uitdrukking’ brén gen?

STICHTING INSTITÜÜT’VOOR ONDERZOEK

VAN OVERHEIDSUITGAVEN’

-.

Wegens. uitbreiding van de wekzaamheden-

zullen wij gaarne een Econ. Drs. met een

lcvendigé belangstelling voor cle openbare

financiën in het algemeen en de uitgaven-

problematiek in het bijzonder, aaiistellen als

sTA’FMEDEWERK

ËR

bij ons instituut. De taak omvat de groten-

deels zelfstandige bestudering Vn de zin
;

omvang en ontwikkeling van bepaalde uit-

gavencategorieën. .

•Voôr een goede taakvervulling zijn o.a.

inventiviteit, een, vlotte pen en vooral ‘we-

tenschappelijke
,
integriteit van belang. Ken-

nis van en belangstelling voor statistische

analyse, besliskunde enz. wordt op prijs

gestel’ch.

Sollicitatiès kunnen worden gericht aan de directeur van’

het instituut, Anna Paulownastraat 58b, Den Haag.

K A M
P E
No

_
,

1

/

CENTRAAL GELEGEN IIJDUSTRIEKERN,

dus financiële tegemuetk’ rning

‘bij vestiging van bedrijven. Tel. (202) 4757

990. –

Auteur